Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024

Geldend van 21-02-2025 t/m heden

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,

Overwegende dat

  • -

    Omgevingswet artikel 18.21 bepaalt dat gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een of meer regio’s als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s of tot een kring van bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen gemeenten een omgevingsdienst instellen voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak voor die regio, regio’s of kring;

  • -

    De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied hebben ingesteld voor in ieder geval de uitvoering van de basistaken, zoals bedoeld in Omgevingsbesluit artikel 13.12;

  • -

    Diverse wetswijzigingen, waaronder de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen, noodzaken tot een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021;

Gelet op

  • -

    de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    de toestemming van provinciale staten van Noord-Holland en de toestemmingen van de raden van Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, en Zaanstad ex artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluiten

tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zodat deze als volgt komt te luiden:

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4;

  • b.

    ambtenaren: ambtenaren, als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet;

  • c.

    Amstellandgemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn;

  • d.

    basistakenpakket: het basistakenpakket voor omgevingsdiensten zoals bedoeld in artikel 13.12 van het omgevingsbesluit op basis van artikel 18.22 lid 1 van de Omgevingswet;

  • e.

    colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van Noord-Holland;

  • f.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 4;

  • g.

    directeur: de secretaris van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 26;

  • h.

    gemeenten: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad;

  • i.

    Omgevingsdienst: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 3;

  • j.

    plustaken: taken die niet behoren tot het basistakenpakket als gedefinieerd in artikel 1, sub d;

  • k.

    provincie: de provincie Noord-Holland;

  • l.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2021, en

  • m.

    Seveso-/RIE-4 taken: de taken waaraan op basis van artikel 18.22 lid 2 van de Omgevingswet met uitsluiting van andere omgevingsdiensten de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak is opgedragen voor activiteiten (a) met betrekking tot installaties als bedoeld in bijlage I, categorie 4, bij de richtlijn industriële emissies en (b) waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is;

  • n.

    vertegenwoordigende organen: de raden van de gemeenten en provinciale staten van Noord-Holland.

Artikel 2: Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken en bevoegdheden op het gebied van fysieke leefomgeving in het algemeen en de Omgevingswet in het bijzonder, alsmede de taken en bevoegdheden op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de Wet milieubeheer, de Waterwet, de Woningwet, de Wet luchtvaart en Besluit geluidproductie sportmotoren en de Elektriciteitswet.

Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Afdeling 1: Instelling en taken

Artikel 3: Instelling

  • 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld genaamd Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

  • 2. De Omgevingsdienst is gevestigd te Zaandam.

Artikel 4: Bestuur

Het bestuur van de Omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Afdeling 2: Algemeen bestuur

Artikel 5: Hoofdschap

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst.

Artikel 6: Samenstelling

  • 1. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan, met dien verstande dat de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer en Noord-Holland ieder twee leden van het algemeen bestuur uit hun midden aanwijzen.

  • 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt wethouder of burgemeester respectievelijk gedeputeerde of commissaris van de Koning te zijn.

  • 3. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid blijft aan tot het college dat hem heeft aangewezen in zijn opvolging heeft voorzien.

  • 4. De colleges wijzen uit hun midden ieder één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het eerste lid, bij afwezigheid. Hetgeen in deze regeling bepaald is omtrent het lid van een algemeen bestuur, is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid.

  • 5. Het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst IJmond kan uit zijn midden een vertegenwoordiger aanwijzen die een adviserende stem heeft in het algemeen bestuur.

Artikel 7: Meervoudig stemrecht

  • 1. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie Noord- Holland hebben ieder tien stemmen.

  • 2. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben ieder vijftien stemmen.

  • 3. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben ieder acht stemmen.

  • 4. Het lid van het algemeen bestuur, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad heeft negen stemmen.

  • 5. De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de Amstellandgemeenten ieder vijf stemmen hebben.

Artikel 8: Reglement van orde

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

Artikel 9: Vergaderingen

  • 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe besloten heeft.

  • 2. Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 10: Oproeping

  • 1. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 2. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 23, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

Artikel 11: Quorum

  • 1. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 12: Immuniteit

De leden van het bestuur van het openbaar lichaam en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd.

Artikel 13: Vergaderorde

  • 1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

  • 2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

  • 3. Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

Artikel 14: Belangenverstrengeling

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan een stemming over:

    • a.

      een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

  • 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

  • 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

Artikel 15: Stemming

  • 1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

    • b.

      in een vergadering als bedoeld in artikel 11, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 11, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

Artikel 16: Besluitvorming

  • 1. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, met inachtneming van artikel 7.

  • 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 17: Stemwijze

  • 1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

  • 2. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

  • 3. Staken bij de stemming, bedoeld in het tweede lid, de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.

  • 4. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.

  • 5. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.

  • 6. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

  • 7. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen, behoudens bij stemming over personen, het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

  • 8. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het zevende lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

  • 9. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, of hun plaatsvervangers, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

Artikel 18: Ambtelijke bijstand

Het algemeen bestuur regelt op welke wijze ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van het algemeen bestuur.

Artikel 19: Openbaarheid vergaderingen

  • 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 2. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist.

Artikel 20: Besluitvorming in besloten vergadering

  • 1. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening.

  • 2. In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 3. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten;

    • b.

      het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen;

    • c.

      het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.

Artikel 21: Ontslag

De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit.

Afdeling 3: Dagelijks bestuur

Artikel 22: Samenstelling

  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waarbij de leden aangewezen door de colleges van Amsterdam, Haarlemmermeer, Zaanstad en een vertegenwoordiger namens de Amstellandgemeenten, alsmede het lid aangewezen door gedeputeerde staten van Noord-Holland in elk geval zitting hebben.

  • 2. Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 3. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

Artikel 23: Vergaderingen

  • 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste één lid daar de voorzitter om verzoekt.

  • 2. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

  • 3. Ieder lid heeft één stem.

  • 4. Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen.

  • 5. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel 24: Ontslag

Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

Afdeling 4: Voorzitter

Artikel 25: Aanwijzing

  • 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 3. Uit de andere leden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.

Afdeling 5: Secretaris

Artikel 26: Benoeming, schorsing en ontslag

  • 1. De secretaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd.

  • 2. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het dagelijks bestuur.

Artikel 27: Taak

  • 1. De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede.

  • 2. De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst.

  • 3. Het dagelijks bestuur stelt in de organisatieverordening nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.

Artikel 28: Vervanging

  • 1. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

  • 2. Artikel 26, tweede lid, en artikel 27 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Afdeling 6: Ombudsfunctie

Vervallen

Afdeling 7: Bestuurscommissies

Artikel 29: Instellen

Het algemeen bestuur is bevoegd een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen.

Hoofdstuk 3: Bevoegdheden van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Bevoegdheden van het bestuur

Artikel 30: Overdracht bevoegdheden

Aan het bestuur van de Omgevingsdienst worden geen bevoegdheden overgedragen.

Artikel 31: Mandaatverlening

  • 1. De colleges kunnen aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris mandaat verlenen ter uitvoering van de bevoegdheden van het betreffende college, voor zover deze binnen het belang van deze regeling vallen. Onverminderd het bepaalde in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht moet de secretaris instemmen met de mandaatverlening door het betreffende college.

  • 2. Gedeputeerde staten van de provincie en de colleges van de gemeenten verplichten zich er voor zorg te dragen dat namens hun bestuur ten minste de bevoegdheden noodzakelijk voor de uitvoering van het basistakenpakket en de uitvoerings- en handhavingstaken voor Seveso- en RIE4-bedrijven aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de secretaris in mandaat worden opgedragen.

  • 3. De krachtens dit artikel genomen mandaatbesluiten worden overeenkomstig artikel 3:42, van de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt, onverminderd het bepaalde in artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts worden de mandaatbesluiten opgenomen in een register.

Artikel 32: Privaatrechtelijke bevoegdheden

  • 1. De privaatrechtelijke bevoegdheden van de Omgevingsdienst worden ingekaderd door de begroting, en nader ingevuld in onder meer het directiereglement en het treasury statuut. Bij de ter inzagelegging van de ontwerpbegroting wordt melding gemaakt van voorgenomen rechtshandelingen die een bedrag van € 2,5 miljoen te boven gaan.

  • 2. Het algemeen bestuur kan slechts bij vijf zesde meerderheid besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.

Artikel 33: Treffen gemeenschappelijke regeling

  • 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter zijn bevoegd een gemeenschappelijke regeling te treffen met het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter van een ander openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor zover dit binnen het belang van de regeling valt, als bedoeld in artikel 2.

  • 2. Het dagelijks bestuur of de voorzitter gaat niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan na verkregen toestemming van het algemeen bestuur. De toestemming kan slechts onthouden worden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 3. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling.

  • 4. Het algemeen bestuur neemt de besluiten als bedoeld in dit artikel in afwijking van artikel 16, eerste lid, met een vijf zesde meerderheid.

Artikel 34: Dienstverleningshandvest

  • 1. Het dagelijks bestuur stelt een dienstverleningshandvest vast, dat geldt als algemene voorwaarden voor de dienstverlening aan deelnemers en derden. In het dienstverleningshandvest worden in elk geval opgenomen:

    • a.

      de basistaken die voor elke deelnemer structureel door de Omgevingsdienst moeten worden uitgevoerd;

    • b.

      de voorwaarden voor wijziging van het onder a bedoelde takenpakket, alsmede voor uitoefening van andere incidentele taken;

    • c.

      de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening;

    • d.

      de jaarlijkse vaststelling van de productcatalogus, welke de kwaliteit van de op te leveren producten bevat, en

    • e.

      een voorziening in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen.

  • 2. Het dagelijks bestuur stelt het dienstverleningshandvest, bedoeld in het eerste lid, niet vast dan nadat het algemeen bestuur de gelegenheid heeft gekregen zijn wensen en bedenkingen inzake het dienstverleningshandvest aan het dagelijks bestuur kenbaar te maken.

Artikel 35: Uitvoeringsovereenkomst

De Omgevingsdienst zal meerjarige, jaarlijks te actualiseren, uitvoeringsovereenkomsten sluiten met de provincie en de gemeenten met betrekking tot de uit te voeren taken, zowel structurele als incidentele taken, de financiële vergoeding daarvoor en eventuele aanvullende afspraken daaromtrent. Bij de uitvoeringsovereenkomst kan niet worden afgeweken van het in artikel 35 bedoelde dienstverleningshandvest, tenzij het dagelijks bestuur hier met vijf zesde meerderheid mee instemt.

Afdeling 2: Bevoegdheden algemeen bestuur

Artikel 36: Algemene bevoegdheden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de Wet gemeenschappelijke regelingen berusten alle bevoegdheden tot regeling en bestuur van de Omgevingsdienst bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens de wet, algemene maatregel van bestuur of deze regeling zijn toegekend aan het dagelijks bestuur of de voorzitter.

  • 2. Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van verordeningen binnen de bevoegdheden van de Omgevingsdienst.

Artikel 37: Overdracht van bevoegdheden

  • 1. Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur of aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 29 bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen deze overdracht verzet.

  • 2. Het algemeen bestuur kan in elk geval niet overdragen de bevoegdheid tot:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst;

    • d.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de Omgevingsdienst; en

    • e.

      de bevoegdheden, bedoeld in artikel 29 en 32, tweede lid.

Artikel 38: Inlichtingen en verantwoording

  • 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door één of meer leden van dat college worden gevraagd.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 3. Het algemeen bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het door het Bestuur gevoerde en te voeren beleid. Deze informatie wordt mondeling of schriftelijk verstrekt.

  • 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen.

  • 5. Het Algemeen Bestuur maakt vergaderstukken en verslagen van het Algemeen Bestuur actief openbaar.

Afdeling 3: Bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 39: Bevoegdheid

  • 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd:

    • a.

      het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast;

    • b.

      beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;

    • c.

      regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst;

    • d.

      ambtenaren in dienst te nemen, te schorsen en te ontslaan;

    • e.

      tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Omgevingsdienst te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 32, tweede lid;

    • f.

      de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de Omgevingsdienst te beheren, en

    • g.

      te besluiten namens de Omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

  • 2. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

Artikel 40: Mandaat en overdracht

  • 1. Het dagelijks bestuur kan mandaat en volmacht, machtiging verlenen aan een of meer leden van het dagelijks bestuur.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan tevens mandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de directeur, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet. Het dagelijks bestuur kan de directeur toestaan ondermandaat en ondervolmacht te verlenen.

  • 3. Het algemeen bestuur kan, op voordracht van het dagelijks bestuur, bevoegdheden van het dagelijks bestuur overdragen aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 29.

Artikel 41: Inlichtingen en verantwoording

  • 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 2. Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid geeft het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur maakt agenda’s en besluitenlijsten van het Dagelijks Bestuur actief openbaar.

  • 5. Het openbaar maken van de stukken, zoals genoemd onder lid 3 en lid 4, geschiedt zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee weken na vaststelling of ontvangst van de informatie.

Afdeling 4: De taken en bevoegdheden van de voorzitter

Artikel 42: Taken

  • 1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de Omgevingsdienst.

  • 2. Hij heeft de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 3. Hij ondertekent alle stukken welke van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 43: Vertegenwoordigingsbevoegdheid

De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst in en buiten rechte. Indien de voorzitter aan een ander machtiging verleent tot vertegenwoordiging, behoeft deze machtiging de instemming van het dagelijks bestuur.

Artikel 44: Inlichtingen en verantwoording

  • 1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 4: Financiën van de Omgevingsdienst

Afdeling 1: Inleidende bepalingen

Artikel 45: Kostentoerekening

De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de gemeenten onderscheidenlijk de provincies in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde uitgangspunten.

Artikel 46: Inrichting

  • 1. De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 190 van de Provinciewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2. Op de administratie en controle is hoofdstuk XIV van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47: Garantstelling

De gemeenten en de provincie zullen er steeds zorg voor dragen, overeenkomstig de systematiek voor kostentoedeling, dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, onverminderd het bepaalde in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Afdeling 2: De begroting

Artikel 48: Begroting

  • 1. Voor alle aan de Omgevingsdienst opgedragen taken brengt het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de gemeenten of de provincies te ontvangen bijdragen en andere financiële middelen die naar verwachting kunnen worden aangewend.

  • 2. De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.

  • 3. De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht.

  • 4. Ten laste van de Omgevingsdienst kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.

  • 5. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Artikel 498a: Kadernota

Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders ter informatie aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 49: Ontwerpbegroting

  • 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk 15 april en tenminste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de vertegenwoordigende organen.

  • 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 3. De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze tijdig aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

  • 5. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 35.

Artikel 50: Vaststelling begroting

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 16, eerste lid, wordt de begroting met vijf zesde meerderheid vastgesteld.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3. Het algemeen bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen, die ter zake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijzen naar voren kunnen brengen.

  • 4. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

  • 5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met inachtneming van het vierde lid. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten onderscheidenlijk de provincie of waarbij de wijziging uitsluitend is gebaseerd op wijziging van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 35.

Afdeling 3: Jaarrekening

Artikel 50a: Voorlopige jaarrekening

Het dagelijks bestuur zendt vóór 30 april van het jaar na afloop aan dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening ter informatie aan de vertegenwoordigende organen.

Artikel 51: Jaarrekening en jaarverslag

  • 1. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

  • 3. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de Omgevingsdienst.

  • 4. Indien het algemeen bestuur tot het standpunt komt dat onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening opgenomen baten, lasten of balansmutaties aan de vaststelling van de jaarrekening in de weg staat, brengt hij dit terstond ter kennis van het dagelijks bestuur met vermelding van de gerezen bedenkingen.

  • 5. Het dagelijks bestuur zendt het algemeen bestuur binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het vierde lid, een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij het algemeen bestuur gerezen bedenkingen.

  • 6. Indien het dagelijks bestuur een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt het algemeen bestuur de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het voorstel.

  • 7. De leden van het dagelijks bestuur nemen niet deel aan stemmingen over besluiten als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid. Hun plaatsvervangers zijn wel stemgerechtigd.

  • 8. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

  • 9. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 5: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 52 Toetreding

  • 1. Een bestuursorgaan kan een verzoek tot toetreding ter kennis brengen van het algemeen bestuur.

  • 2. Toetreding kan geschieden nadat ten minste twee derde van de colleges, alsmede het bestuursorgaan dat wenst toe te treden hiertoe hebben besloten.

  • 3. Een college kan pas instemming verlenen na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 4. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 58 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 53. Uittreding en vermindering van taken

  • 1. Een deelnemer kan geheel uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad, respectievelijk Staten.

  • 2. In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd of gemandateerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd of gemandateerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel.

  • 3. Een college zendt het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 4. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum.

  • 5. Voor het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren geldt dat een uittredingplan wordt opgesteld zoals bedoeld in artikel 54. Vermindering of stopzetting van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren kan, tenzij het Algemeen Bestuur anders besluit, niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het jaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum.

Artikel 54. Uittredingsplan

  • 1. Het Algemeen Bestuur stelt een uittredingsplan vast, tenzij de vermindering of het stopzetten van taken en opdrachten geen aanleiding geeft tot het opstellen van een uittredingsplan. Het Algemeen Bestuur beslist of het uittredingsplan benodigd is of niet. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding.

  • 2. Onder de gevolgen van de uittreding, respectievelijk het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren, worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. De systematiek wordt gebaseerd op:

    • a.

      relevante regelgeving;

    • b.

      relevante jurisprudentie;

    • c.

      feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding.

  • Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat, met in achtneming van het derde lid, uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in lid 5 en 6.

  • 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

  • 6. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt, als bedoeld in artikel 54, lid 4, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom.

  • 8. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 9. Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen Bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

  • 10. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen.

  • 11. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

Artikel 55. Externe deskundige

  • 1. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het Algemeen Bestuur, voor specifieke onderdelen van het Uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.

  • 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 54, lid 5.

  • 3. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het Algemeen Bestuur.

Artikel 56. Uittreedsom

  • 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het Algemeen Bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 54, derde lid en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 2. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding, respectievelijk het verminderen of stopzetten van taken en opdrachten die niet tot het Basistakenpakket behoren, stelt het Algemeen Bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 55, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.

  • 3. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het Algemeen Bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het Algemeen Bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het Algemeen Bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.

Artikel 57. Verplichtingen uittreder

  • 1. De uittredende deelnemer, respectievelijk de deelnemer die taken en opdrachten vermindert of stopzet die niet tot het Basistakenpakket behoren, is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 58: Wijziging

  • 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2. Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges.

  • 3. Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 59: Opheffing en liquidatie

  • 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2. Indien het algemeen bestuur opheffing van de regeling noodzakelijk acht, legt het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers voor.

  • 3. Het algemeen bestuur stelt een besluit tot opheffing vast, indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers daartoe, gelet op de besluitvorming in de bestuursorganen die de regeling zijn aangegaan, heeft besloten.

  • 4. In het geval van opheffing stelt het algemeen bestuur, na overleg met de deelnemers een liquidatieplan vast.

  • 5. Het liquidatieplan omvat de verplichtingen van de deelnemers tot deelneming in de financiële consequenties van de opheffing en een regeling.

  • 6. Voor zover het liquidatieplan niet anders bepaalt, geschiedt de vereffening van een nadelig saldo dan wel de verdeling van een voordelig saldo conform de op grond van de in de begroting vastgelegde verdeling van bijdragen.

Hoofdstuk 6: Archief

Artikel 60: Archiefzorg

Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. De zorg voor archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken berust bij deze deelnemers.

Artikel 61: Archiefbeheer

  • 1. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam en het beheer van het archief dat voortkomt wordt uit de gemandateerde taken, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de Omgevingsdienst respectievelijk de archiefbewaarplaats van de deelnemers.

  • 2. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

Artikel 62: Archiefbewaarplaats

Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats van de provincie aan.

Artikel 63: Toezicht op het niet-overgebrachte archief

  • 1. De archivaris wordt aangewezen door het dagelijks bestuur.

  • 2. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris.

  • 3. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast.

Artikel 64: Terbeschikkingstelling

  • 1. De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de taken.

  • 2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 65: Duur van de regeling

De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 66: Inwerkingtreding

Deze regeling wordt bekend gemaakt in het publicatieblad van de provincie Noord-Holland en in werking per 1 juli 2024.

Artikel 67: Evaluatie

  • 1. Het algemeen bestuur besluit om de vier jaar over het evalueren van de regeling.

  • 2. Het algemeen bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie.

Artikel 68: Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2024.

Ondertekening