Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR732645
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR732645/2
Beleidsregels vrijlating giften Pw en Bbz 2004 gemeente Barneveld
Geldend van 11-04-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels vrijlating giften Pw en Bbz 2004 gemeente BarneveldHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;
gelet op:
- -
titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
- -
artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet;
overwegende dat:
- -
het wenselijk is om aan te geven onder welke voorwaarden giften naar het oordeel van het college uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;
besluit:
vast te stellen de Beleidsregels vrijlating giften Pw en Bbz 2004 gemeente Barneveld.
Artikel 1: Begripsbepalingen
-
1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Bbz 2004: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
- b.
bijstandsgerechtigde: de persoon die een uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de wet of het Bbz 2004;
- c.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;
- d.
gift: elke onverplichte bijdrage in de vorm van geld waarbij geen sprake is van een tegenprestatie;
- e.
gift in natura: elke onverplichte bijdrage in een andere vorm dan geld waarbij geen sprake is van een tegenprestatie;
- f.
kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;
- g.
kostendelende medebewoner: de persoon als bedoeld in artikel 19a van de wet;
- h.
kostenbesparende bijdragen: de bijdragen bedoeld in artikel 18, achtste lid van de Pw;
- i.
middel: een middel als bedoeld in artikel 31 van de wet;
- j.
vrijlaten: het niet in aanmerking nemen als middel voor de vaststelling van het recht op bijstand;
- k.
wet: de Participatiewet.
- a.
-
2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de wet of het Bbz 2004.
Artikel 2: Hoogte vrijlatingsgrens giften en kostenbesparende bijdragen
-
1. Giften en kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18, achtste lid van de wet, worden tot het bedrag per kalenderjaar als genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de wet, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.
-
2. Als tijdens een kalenderjaar het bedrag aan ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen lager is dan de vrijlatingsgrens, mag het restant niet worden meegenomen naar het volgende kalenderjaar.
-
3. Bij overschrijding van de vrijlatingsgrens als bedoeld in het eerste lid, wordt het meerdere, afhankelijk van de situatie en aard van de ontvangsten, volledig aangemerkt als inkomen of vermogen.
-
4. In afwijking van het derde lid, kan het college het meerdere alsnog geheel of gedeeltelijk vrijlaten als het college dit vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord acht.
Artikel 3: Verstrekkingen waarvoor een uitzondering geldt
-
1. Verstrekkingen van de voedselbank en de kledingbank worden niet als giften of kostenbesparende bijdragen in de zin van de wet en deze beleidsregels aangemerkt.
-
2. Bij verstrekkingen van andere organisaties dan vermeld in het eerste lid, wordt individueel beoordeeld of deze als giften of kostenbesparende bijdragen zijn aan te merken.
Artikel 4: Inlichtingenplicht
-
1. Als ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen per kalenderjaar in totaal minder bedragen dan de vrijlatingsgrens uit artikel 2, eerste lid, hoeven die niet bij het college te worden gemeld.
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan het college de bijstandsgerechtigde(n) vragen om inzicht te geven in ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen.
-
3. Als ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen per kalenderjaar in totaal meer bedragen dan de vrijlatingsgrens als vermeld in artikel 2, eerste lid, moet dat op grond van de inlichtingenplicht uit artikel 17, eerste lid van de wet worden gemeld bij het college.
Artikel 5: Afwijkingsbevoegdheid
-
1. Het college kan wegens bijzondere omstandigheden gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels als toepassing daarvan onevenredig is in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.
-
2. In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.
Artikel 6: Citeertitel en inwerkingtreding
-
1. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vrijlating giften Pw en Bbz 2004 gemeente Barneveld.
-
2. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 17 december 2024.
Burgemeester en wethouders voornoemd,
W. Wieringa
Secretaris
J. van der Tak,
Burgemeester
Toelichting
Algemeen
Op grond van de Participatiewet (hierna: Pw) wordt gesproken over ‘middelen’ die in aanmerking genomen moeten worden bij de bijstandsverlening en die gevolgen kunnen hebben voor het recht op bijstand en de hoogte ervan. Dit begrip maakt onderscheid tussen:
- a.
middelen die als inkomen kunnen worden aangemerkt, en
- b.
middelen die tot het vermogen moeten worden gerekend.
Giften en een kostenbesparende bijdragen zijn in beginsel in aanmerking te nemen middelen in het kader van bijstandsverlening en kunnen daardoor gevolgen hebben voor het recht op bijstand en de hoogte ervan. Hierop zijn twee uitzonderingen.
- 1.
Als per kalenderjaar sprake is van giften en kostenbesparende bijdragen die minder bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de Pw, worden die niet in aanmerking genomen.
- 2.
Als giften en kostenbesparende bijdragen per kalenderjaar méér bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de Pw, dan moet het college ten aanzien van het meerdere beoordelen of dat vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is (artikel 31, tweede lid onder s van de Pw). Dit is een maatwerkbeoordeling in de specifieke situatie. Wordt het meerdere verantwoord geacht, dan wordt dat niet in aanmerking genomen. Wordt het meerdere niet verantwoord geacht in het kader van de bijstandsverlening, dan wordt dat, afhankelijk van de situatie, als inkomen of vermogen aangemerkt.
Door giften en kostenbesparende bijdragen tot het wettelijke vrijlatingsbedrag niet in aanmerking te nemen en het eventuele meerdere onder omstandigheden verantwoord te achten in relatie tot de bijstandsverlening en daarmee evenmin in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Pw een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van personen of instellingen. Vanwege het karakter van de bijstand (voorzien in een minimumbehoefte van bestaan) kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Het ligt in de rede om giften en kostenbesparende bijdragen, voor zover die meer bedragen dan het vrij te laten bedrag per kalenderjaar, als middel in aanmerking te nemen als dit in combinatie met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1: Begripsbepalingen
Lid 1, onder b en c
Een gift is in principe incidenteel. Giften kunnen allerlei verschijningsvormen hebben. Een gift kan bijvoorbeeld in de vorm van:
- •
geld (contant of bankoverschrijving)
- •
aflossing van schulden
- •
duurzame gebruiksgoederen (bijvoorbeeld een wasmachine, bed, fiets of auto)
- •
vakanties
- •
vliegtickets
Giften in natura
Duurzame gebruiksgoederen (zoals een wasmachine, bed, fiets, auto) worden in ieder geval als giften in natura aangemerkt. Krijgt iemand een betaalde vakantie of vliegtickets? Dan kunnen dit ook giften in natura zijn.
Boodschappen zijn geen giften
Boodschappen zijn geen middelen als bedoeld in artikel 31 van de Pw (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918, in de zogenoemde boodschappenaffaire). Ontvangen boodschappen zijn daardoor ook geen giften in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw. Wel kunnen boodschappen onder omstandigheden worden gezien als een besparing van de noodzakelijke kosten van bestaan. In dat geval kan afstemming van de bijstand plaatsvinden op grond van artikel 18, eerste lid van de Pw.
Betaling van kosten voor levensonderhoud een gift of besparing?
Als een derde (bijvoorbeeld een familielid) geheel of gedeeltelijk in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud voorziet zonder dat de bijdrage vrij te besteden is, is dat een besparing voor de bijstandsgerechtigde. In zo’n geval is individuele afstemming in de vorm van een verlaging van de toepasselijke bijstandsnorm mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid van de Pw. Dit kan alleen in zeer bijzondere situaties.
Waarde giften in natura
De waarde van giften in natura worden vastgesteld aan de hand van artikel 33, lid 1, van de Pw.
Artikel 2: Hoogte vrijlatingsgrens
Lid 1
Per 1 januari 2026 is in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de Pw een vrijlatingsbedrag per kalenderjaar opgenomen voor ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen. Dat is een dwingende bepaling. Afwijking op lokaal niveau is niet toegestaan. Dat is nadrukkelijk bevestigd door de minister van SZW in Gemeentenieuws 2026-01 onder 9.
De vrijlatingsgrens geldt per uitkering. In geval van gehuwden of daarmee gelijkgestelden geldt deze vrijlating dus niet per persoon.
Er is voor gekozen om geen exact bedrag in dit artikellid te vermelden maar om te verwijzen naar het bedrag zoals vermeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de Pw. De reden daarvoor is dat het in de wet vermelde bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd (zie artikel 39, eerste lid van de Pw), Bij vermelding van een specifiek bedrag zou dat noodzaken tot een jaarlijkse wijziging van deze beleidsregels. Dat is hiermee voorkomen.
Lid 3
Giften en kostenbesparende bijdragen zijn in beginsel in aanmerking te nemen middelen, tenzij ze onder de vrijlatingsgrens vallen dan wel als het meerdere verantwoord wordt geacht in het kader van de bijstandsverlening.
Of sprake is van inkomen, vermogen of kostenbesparing die aanleiding is tot afstemming van de uitkering kan pas worden vastgesteld als het totaal aan giften en kostenbesparende bijdragen binnen een kalenderjaar de vrijlatingsgrens overschrijdt.
Een eenmalige gift die vrij te besteden is, wordt, voor zover de vrijlatingsgrens wordt overschreden en de gif niet verantwoord wordt geacht, als vermogen aangemerkt. Deze giften zijn dan niet bedoeld voor het levensonderhoud. Krijgt iemand bijvoorbeeld een auto? Dan kan de waarde daarvan als vermogen worden aangemerkt.
Periodieke giften worden, voor zover die de vrijlatingsgrens overschrijden en niet verantwoord worden geacht, als inkomen aangemerkt.
Kostenbesparende bijdragen, voor zover die de vrijlatingsgrens overschrijden en niet verantwoord worden geacht, kunnen aanleiding zijn om de uitkering af te stemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid van de Pw.
Artikel 3 Verstrekkingen waarvoor een uitzondering geldt
Lid 1
De voedselbank verstrekt voedselpakketten als noodhulp. Hier zitten voorwaarden aan. Zo wordt door de voedselbank beoordeeld of het in aanmerking te nemen besteedbaar bedrag per maand onder een vastgesteld drempelbedrag ligt. Als dat zo is dan wordt verondersteld dat het beschikbare inkomen ontoereikend is om de noodzakelijke levensmiddelen te kunnen betalen. In beginsel zijn de verstrekkingen voor een korte/beperkte periode. Ook kan begeleiding worden geboden om de zelfredzaamheid van de gebruiker van de voedselbank te vergroten. Gelet hierop is een uitzondering van de verstrekkingen van de voedselbank gerechtvaardigd. Hiervoor worden ook aanknopingspunten gevonden in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 augustus 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1918) in de zogenoemde boodschappenaffaire. Daarnaast is naar aanleiding van een amendement van de kamerleden Ceder-van Kant op het wetsvoorstel Participatiewet in balans aan het voorgestelde gewijzigde artikel 18, achtste lid van de Pw expliciet toegevoegd dat het college bijdragen van voedselbanken geheel niet in aanmerking neemt.
Lid 2
Ook andere organisaties dan de voedselbank of kledingbank kunnen een initiatief opzetten voor verstrekkingen. In het individuele geval zal worden beoordeeld of de verstrekkingen als gift of kostenbesparende bijdrage in de zin van de Pw of deze regeling worden aangemerkt. Hierbij wordt onder andere gekeken of de verstrekkingen zijn gebonden aan voorwaarden, een financiële drempel of tijdsbeperking.
Artikel 4: Inlichtingenplicht
Als (het totaal aan) giften en kostenbesparende bijdrage onder de vrijlatingsgrens blijft, is het niet van invloed op het recht op een bijstandsuitkering. Hierdoor is de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid van de Pw niet van toepassing. Dit betekent dat giften en kostenbesparende bijdragen onder de vrijlatingsgrens niet uit eigen beweging hoeven te worden gemeld. Dit neemt niet weg dat de gemeente hierover wel navraag kan doen. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid om bij te houden hoeveel giften zijn ontvangen, bij de bijstandsgerechtigde(n) ligt (liggen).
Pas als (het totaal aan) giften en kostenbesparende bijdragen meer bedragen dan de vrijlatingsgrens, moet dit bij de gemeente worden gemeld onder overlegging van een volledig overzicht van alle ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen in het betreffende kalenderjaar. Wordt dit niet gedaan, dan is sprake van schending van de inlichtingenplicht. Dit kan gevolgen hebben voor het recht op uitkering.
Artikel 5: Afwijkingsbevoegdheid
Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.
Artikel 6: Citeertitel en inwerkingtreding
Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl