Verordening Amsterdamse Rioolheffing

Geldend van 22-11-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening Amsterdamse Rioolheffing

De raad van de gemeente Amsterdam,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024,

gelet op:

  • -

    artikelen 147, eerste lid, 216 en 228a, eerste lid van de Gemeentewet; en

  • -

    artikel 3, eerste lid en derde lid, aanhef en onderdeel d van de Participatieverordening gemeente Amsterdam,

besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening Amsterdamse Rioolheffing

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    Gemeentelijke riolering: een voorziening of een combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente.

  • b.

    Perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan.

  • c.

    Verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.

  • d.

    Water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater?, afvalwater in de zin van de Wet Milieubeheer en hemelwater en grondwater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt belasting geheven als bedoeld in artikel 228 a van de Gemeentewet ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater, evenals de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. De belasting wordt geheven:

    • a.

      van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect aangesloten is op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

    • b.

      van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

  • 2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, ongeacht of dat een bebouwd of onbebouwd perceel is, als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3. Ingeval het perceel een roerende zaak is, wordt naar omstandigheden beoordeeld wie als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht moet worden beschouwd.

  • 4. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; of

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel, niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4, voor gebruik is afgestaan; degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt , wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als een geheel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1. Het eigenaren deel als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

  • 2. Het gebruikersdeel als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel b wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat van het perceel wordt afgevoerd voor zover dit uitkomt boven 300 m3.

  • 3. Het aantal kubieke meters wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het belastingjaar naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt.

  • 4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsuren teller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien de vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 5. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven 2025

  • 1. Het tarief voor het eigenarendeel van de rioolheffing van deze verordening bedraagt in de volgende belastingjaren de daaropvolgende bedragen:

    • a.

      2026 € 192,04; en

    • b.

      2025 € 185,20.

  • 2. De tarieven voor het gebruikersdeel van de rioolheffing bij een hoeveelheid water zoals berekend conform artikel 5 van deze verordening bedragen in de volgende belastingjaren de daaropvolgende bedragen:

    • a.

      2026

      • i.

        van 301 m3 tot en met 1000 m3: € 564,00;

      • ii.

        van 1.001 m3 tot en met 5.000 m3: € 2.130,00;

      • iii.

        van 5.001 m3 tot en met 10.000 m3: € 7.049,00;

      • iv.

        van 10.001 m3 tot en met 50.000 m3: € 17.830,00;

      • v.

        van 50.001 m3 tot en met 100.000 m3: € 73.192,00;

      • vi.

        van 100.001 m3 tot en met 500.000 m3: € 136.252,00; en

      • vii.

        vanaf 500.001 m3: € 179.468,00.

    • b.

      2025

      • i.

        van 301 m3 tot en met 1000 m3: € 543,00;

      • ii.

        van 1.001 m3 tot en met 5.000 m3: € 2.054,00;

      • iii.

        van 5.001 m3 tot en met 10.000 m3: € 6.798,00;

      • iv.

        van 10.001 m3 tot en met 50.000 m3: € 17.195,00;

      • v.

        van 50.001 m3 tot en met 100.000 m3: € 70.587,00;

      • vi.

        van 100.001 m3 tot en met 500.000 m3: € 131.403,00; en

      • vii.

        vanaf 500.001 m3: € 173.081,00.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2. De aanslagen voor het eigenaren deel kunnen met andere aanslagen op een zogenaamd combi- aanslagbiljet worden verenigd.

  • 3. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar kan degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte, door het toezenden van een daartoe strekkend aangifteformulier.

  • 4. De aangifte moet worden gedaan uiterlijk een maand nadat belastingplichtige daartoe is uitgenodigd.

  • 5. Het uitnodigen tot het doen van aangifte kan naast de op de in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze geschieden door het uitreiken, toezenden of elektronisch verzenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van elektronische aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan. In dat geval geschiedt, in afwijking van de in artikel 237, tweede lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze, de aangifte langs elektronische weg door het inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden via een daartoe door de gemeente opengestelde digitale voorziening.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld

Het eigenarendeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen voor het eigenarendeel en het gebruikersdeel worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later.

  • 2. Indien op basis van artikel 8, lid 2, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen voor het eigenarendeel worden betaald, respectievelijk worden de aanslagen voor het eigenarendeel geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn een maand later.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is een voorlopige aanslag voor het gebruikersdeel invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijn telkens een maan later.

Met betrekking tot een ingevolge art. 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de genoemde aanslagen.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid genoemde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van belastingen.

Artikel 12 Overgangsrecht

Met ingang van de in artikel 13, tweede lid genoemde datum vervalt de Verordening Rioolheffing 2024, vastgesteld bij besluit van 21 december 2023 (Gemeenteblad 2023, 564318) met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voordien hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is de eerste januari van het jaar waarvoor in artikel 6, eerste lid, onderdeel a of tweede lid onderdeel a de tarieven zijn bepaald.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Amsterdamse Rioolheffing

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 11 december 2024.

De plaatsvervangend voorzitter

Kune Burgers

De raadsgriffier

Jolien Houtman

Algemene toelichting

De gemeente Amsterdam heeft net als andere gemeenten een zorgplicht voor afval-, hemel-, en grondwater. De landelijke wetgever vindt de uitvoering van deze zorgplichten dusdanig belangrijk dat er een zelfstandig bekostigingsinstrumenten voor is opgenomen in de Gemeentewet: ‘de Rioolheffing’. Deze Verordening Amsterdamse Rioolheffing bepaalt de regels rondom dit zelfstandig bekostigingsinstrument voor de gemeente Amsterdam.

Achtergrond

Toen gemeenten in de eerste helft van de 20e eeuw binnensteden rioleerden steeg de levensverwachting aanmerkelijk. Het ondergronds afvoeren van afvalwater had een zeer gunstig effect op de volksgezondheid in de steden. Aanleg van riolering werd bij de bouw van de naoorlogse wijken gemeengoed. De aanleg van de riolering werd toen nog bekostigd uit de grondexploitatie bij de bouw. Een rioolstelsel is een langjarige investering waarbij het gevaar bestaat dat goed onderhoud op de lange baan wordt geschoven. Als er politieke keuzes nodig zijn, bestaat het risico dat het onderhoud even een tandje minder gaat. Vanwege het belang voor de volksgezondheid konden de kosten voortaan rechtstreeks bij de aangesloten percelen in rekening worden gebracht door middel van een retributie; het rioolrecht.

In de loop van de tijd wordt de benadering van de rioleringszorg breder. Naast de volksgezondheid in de bebouwde kom komt de totale kwaliteit van het oppervlaktewater in beeld. Om die te verbeteren komen er twee nieuwe ontwikkelingen.

Allereerst krijgt de gemeente een basisinspanningsverplichting om ook percelen in het buitengebied op de riolering aan te sluiten. Bij percelen waar de kosten van een aansluiting echt hoog zijn wordt veelal gekozen voor een individuele behandeleenheid afvalwater (IBA).

Ten tweede is het voor de waterkwaliteit nodig om overstorten te saneren. Om te voorkomen dat afvalwater bij piekbelasting uit het toilet omhoog komt heeft een rioleringsstelsel een ventiel nodig, zogenoemde overstorten. Als er te veel water in het stelsel komt gaat het afvalwater via de overstort het oppervlaktewater in. Om piekbelasting te voorkomen is het belangrijk om regenwater zoveel mogelijk uit het rioleringsstelsel te houden. Het zijn namelijk intensieve regenbuien die veel aanbod ineens veroorzaken. Om het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater worden er bij nieuwbouw en vervanging -waar mogelijk- gescheiden stelsels aangelegd.

Rioolheffing

De bredere benadering van de rioleringszorg knelt bij de bekostiging via een retributie. In 2008 wordt de bredere benadering wettelijk vastgelegd. De hemel- en grondwaterzorgplichten worden wettelijk verankerd en in de Gemeentewet wordt een artikel opgenomen waardoor de bekostiging mogelijk wordt via de huidige bestemmingsbelasting: ‘de rioolheffing’.

Na de introductie van de rioolheffing staan de ontwikkelingen niet stil. Klimaatverandering zorgt voor langdurige drogere perioden en zeer intensieve neerslag. De uitvoering van de zorgplichten richt zich meer en meer op maatregelen ter voorkoming van overlast in de publieke ruimte en het voorkomen van schade aan eigendommen. Daarnaast zijn er maatregelen nodig om te voorkomen dat grondwater problemen geeft voor de aan de ondergrond gegeven bestemming. Als voorkeursvolgorde geldt hierbij vasthouden-bergen-afvoeren.

Wettelijk basis

Artikel 132 Grondwet, zesde lid, bepaalt dat gemeentelijke belastingen alleen mogen worden geheven als dat in een landelijke wet is toegestaan. De mogelijkheid de kosten te verhalen die verbonden zijn aan het nakomen van de gemeentelijke zorgplichten staat in artikel 228a Gemeentewet.

Zorgplichten

De zorgplichten waarvan de kosten mogen worden verhaald zijn sinds 1 januari 2024 in artikel 2.16 van de Omgevingswet vastgelegd.

De hemelwaterzorgplicht is opgenomen in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Omgevingswet. Bij deze zorgplicht staat een doelmatige aanpak centraal. De gemeente zamelt hemelwater in vanaf percelen waarvan het redelijkerwijs niet gevraagd kan worden het zelf vast te houden. Vervolgens zorgt de gemeente voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Doelmatige verwerking betekent in de huidige opvattingen niet meer het simpelweg afvoeren van het hemelwater. Bij intensieve neerslag kun je denken aan maatregelen om schade zoveel mogelijk te voorkomen. Bij reguliere neerslag kunnen de maatregelen erop gericht zijn om hemelwater van verhardingen in de buurt te bergen zodat het de tijd krijgt in de bodem te bezinken.

De grondwaterzorgplicht is opgenomen in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Omgevingswet. Deze zorgplicht is voorwaardelijk en alleen van toepassing als de zorg voor het grondwater niet bij een ander ligt. Dat de grondwaterzorgplicht een inspanningskarakter heeft is logisch omdat het grondwaterpeil door vele factoren wordt bepaald waarop de gemeente geen beslissende invloed heeft. Ook is de plicht gekoppeld aan de aan de grond gegeven bestemming. Die bestemming maakt uit voor het wenselijke peil van het grondwater.

De zorgplicht voor afvalwater staat in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 3° (inzameling en transport) en 5° (zuivering op basis van afspraken met het waterschap), van de Omgevingswet (inzameling en transport). Deze zorgplicht is een resultaatsverplichting. De gemeente moet ervoor zorgen dat het afvalwater bij de rioolwaterzuivering komt (tweede lid). Op basis van afspraken met het waterschap kan de gemeente ook een zuiveringstaak hebben (eerste lid, onder a, onder 5°).

Heffingssystematiek

Tot 2016 bestond de rioolheffing uitsluitend uit een vaste heffing per aansluiting, ongeacht het volume afval- of hemelwater. Dat betekende dat er weinig verschil was tussen de bijdrage die huishoudens en industriële gebruikers leverden. Op 9 november 2016 heeft de Gemeenteraad besloten om de grondslag van de rioolheffing te wijzigen door met ingang van 2017 naast de vaste heffing voor eigenaren een aparte gebruiksafhankelijk heffing voor gebruikers te introduceren.

Het idee is dat de vaste kosten (ongeveer 50%) voor de afvoer van het afval- of hemelwater betaald worden uit de eigenarenheffing. Terwijl de volumeafhankelijke kosten voor de afvoer van afval- of hemelwater (ongeveer 50%; hierna: variabele kosten) gedekt worden uit de gebruikersheffing. In het stelsel is bovendien een onderscheid gemaakt tussen kleingebruikers die minder dan 300 m3 gebruiken en grootgebruikers die 300m3 of meer gebruiken. Kleingebruikers zijn gezamenlijk verantwoordelijke voor ongeveer 80% van het gebruik. De variabele kosten die met klein gebruik samenhangen worden in de eigenarenheffing verrekend. Zo ontstaat voor eigenaren een duidelijk vast bedrag en betalen huurders in principe geen rioolheffing, tenzij ze zoveel water verbruiken dat ze boven de 300 m3 uitkomen. De variabele kosten voor de resterende 20% van het gebruik wordt via de gebruikersheffing door middel van zeven staffels op de grootgebruikers verhaald. Het uitgangspunt is daarbij een vaste m³ prijs op basis van het gemiddeld gebruik binnen die staffel.

Bestemmingsbelasting

De rioolheffing heeft het karakter van een bestemmingsbelasting. De opbrengsten van de heffing zijn bestemd om de kosten van de waterzorgplichten te dekken. Het karakter betekent niet dat de heffing niet direct een verband hoeft te leggen met het veroorzaken van kosten of het trekken van profijt van de voorzieningen. Dat betekent dat de baten niet hoger mogen zijn dan de kosten die gemeente maakt voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel. Omdat Amsterdam de rioolheffing al kostendekkend heeft ingericht, zullen aanpassingen van de tarievenstructuur per definitie budgetneutraal uitpakken.

Opbrengstlimiet

De tarieven worden zodanig vastgesteld dat de raming van de opbrengsten van de heffing de raming van de kosten en lasten ter zake van de uitvoering van de zorgplichten niet overtreft.

Er is sprake van een last ter zake als een activiteit meer dan zijdelings verband houdt met het nakomen van de zorgplichten. De juridische vertaling van ‘meer dan zijdelings’ is in kwantitatieve zin 10% of meer. Als een activiteit meer dan zijdelings aan het nakomen van de zorgplichten bijdraagt, kan de volledige kostenpost die daarvoor in de begroting is opgenomen worden meegenomen in de ramingen. Bijvoorbeeld als het baggeren van watergangen meer dan zijdelings bijdraagt aan de watertaken kunnen alle kosten van het baggeren worden opgenomen. Ook als het baggeren mede andere doelen dient mag dit. De kosten worden maar één keer in de begroting worden opgenomen, want ze worden ook maar één keer gemaakt. De totale optelling van geraamde baten en lasten voor de rioolheffing wordt opgenomen in de paragraaf lokale heffingen in de begrotingsstukken.