Parkeerverordening 2009

Geldend van 01-04-2012 t/m 15-04-2013

Intitulé

Parkeerverordening 2009

Hoofdstuk 1

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ambulante handelaar: hij die beroepsmatig ambulante handel uitoefent in de zin van de vigerende verordening op de straathandel;

b. bedrijf of beroep:

- elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;

- de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep;

- een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college van burgemeester en wethouders is gelijkgesteld;

met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, dan wel sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft, tenzij het tegendeel wordt aangetoond;

c. bedrijventerrein: een bedrijven- of kantorenterrein zoals vermeld in het Structuurplan, getiteld: Kiezen voor stedelijkheid 2003–2010;

d. belanghebbendenparkeerplaats: parkeerplaats die is aangeduid door bord E9 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990, al dan niet voorzien van een onderbord;

e. belanghebbendenvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 7, lid 3, onder b, waarvoor voor de afgifte leges kan worden geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een belanghebbendenparkeerplaats;

f. bewoner: inwoner van de gemeente Amsterdam die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en staat ingeschreven als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam op het adres dat hij bewoont als zelfstandige woning;

g. bloktijd: deel van het etmaal gedurende welke voor parkeren parkeerbelasting kan worden geheven;

h. code: een door het College van Burgemeester en Wethouders toegestane code die een unieke verbinding legt tussen de vergunning en de vergunninghouder aan wie die vergunning is verstrekt en die in plaats van het kenteken op de vergunning wordt vermeld;

i. deelvergunninggebied: deel van een vergunninggebied waarvoor een apart vergunningplafond kan worden vastgesteld;

j. eerste vergunning en tweede vergunning: bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners die blijkens het volgnummer respectievelijk als eerste bewonersvergunning, dan wel eerste milieuparkeervergunning voor bewoners of als tweede bewonersvergunning dan wel tweede milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend;

k. experiment: tijdelijke proef met een vorm van parkeerregulering die buiten de bepalingen van deze verordening valt;

l. - gebied I: het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door: het midden van de vaargeul van het IJ, het midden van het verlengde van de Zoutkeetsgracht, het midden van de Zoutkeetsgracht, het midden van het Westerkanaal, het midden van de Singelgracht, het midden van het lozingskanaal, het midden van de onderdoorgang Funenkade-Zeeburgerpad, het midden van de Nieuwevaart, het midden van het Oosterdok, het midden van de Oosterdoksdoorgang, het midden van het verlengde van de Oosterdoksdoorgang en het midden van de vaargeul van het IJ;

- gebied II: het gebied waarvan de buitengrenzen worden gevormd door de ringweg met uitsluiting van gebied I, alsmede omvat gebied II IJburg en tevens het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door: het midden van de Europaboulevard tussen de A10 en de De Boelelaan, de zuidzijde van de De Boelelaan, de rijweg tot aan de gevellijn, tussen de Europaboulevard en de Asingaborg, de oostzijde van de Asingaborg tot aan de fysieke afscheiding van de Groningenstraat, de zuidzijde van de Groningenstraat tot het hart van de Buitenveldertselaan, het hart van de Buitenveldertselaan zuidelijk tot aan de noordzijde van de Arent Janszoon Ernststraat, de noordzijde van de Arent Janszoon Ernststraat met aan de noordkant als grens de terreinen van de Vrije Universiteit/het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit, het verlengde van de Overijsselweg tot aan de Amstelveenseweg, het hart van de Amstelveenseweg tot aan de Jachthavenweg; de westzijde van de Jachthavenweg tot aan het Jollenpad en naar het westen via de zuidzijde van de Jollenpad; naar het noorden via de westzijde van het Punterspad tot aan de A10;

- gebied III: het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door de gemeentegrenzen van Amsterdam met uitsluiting van de gebieden I en II;

m. gehandicaptenbezoekerskaart: kaart die verleend wordt aan de houder van een Europese gehandicaptenparkeerkaart, niet zijnde een bewoner;

n. gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats die is aangeduid door bord E6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990, al dan niet voorzien van een onderbord;

o. houder van een motorvoertuig: degene die beschikt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs van het desbetreffende motorvoertuig, met dien verstande dat degene die blijkens een leaseovereenkomst gebruik maakt van een leaseauto, of degene die – gelet op de inhoud en de strekking van de arbeidsovereenkomst tussen de aanvrager en zijn werkgever, en een verklaring van de werkgever van de aanvrager, waaruit de exclusieve terbeschikkingstelling blijkt ten aanzien van het gebruik – gebruik maakt van een door de werkgever beschikbaar gestelde auto, geacht wordt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs te beschikken. Als kentekenbewijs wordt mede aangemerkt: een op naam afgegeven verzekeringsbewijs van een niet-kentekenplichtig motorvoertuig;

p. hulpverlener: hij die, anders dan bij wijze van woonwerkverkeer, beroepsmatig gebruikmaakt van een motorvoertuig vanwege werkzaamheden vanuit een professionele zorg- of hulpverlenerinstelling, als bedoeld in artikel 15, en in overwegende mate zorg of hulp verleent in delen van de stad waar betaald parkeren is ingevoerd;

q. kenteken: de aanduiding waarmee een motorvoertuig wordt geregistreerd krachtens de Wegenverkeerswet 1994;

r. mantelzorg: het met regelmaat niet-beroepsmatig zorg verlenen binnen de kring van familie, vrienden of kennissen;

s. milieuparkeervergunningenplafond: aantal milieuparkeervergunningen voor bewoners en bedrijven dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied;

t. motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en fietsen met trapondersteuning, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen, doch met inbegrip van brommobielen;

u. overloopgebied: vergunninggebied dat als zodanig is aangewezen voor aanvragers van een bewonersvergunning of een bedrijfsvergunning  die voor hun eigen vergunninggebied op de wachtlijst staan;

v. overloopvergunning: een bewoners- of bedrijfsvergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats, in een overloopgebied;

w. parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

x. parkeerkaart: kaart waarmee parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats;

y. parkeerplaats: plaats op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop parkeren niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

z. parkeerapparatuurplaats: parkeerplaats, behorende bij de parkeerapparatuur, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven;

aa. parkeerapparatuur: parkeermeters, voor het betalen van de parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

bb. parkeervergunning: vergunning als bedoeld in artikel 7, lid 2, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats;

cc. RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

dd. stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk;

ee. tariefgebied: gebied waar krachtens de vigerende Verordening Parkeerbelastingen voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting wordt geheven;

ff. toeristenkaart: parkeerkaart die ter beschikking wordt gesteld aan hoteleigenaren en organisaties ten behoeve van hotelgasten;

gg. vergunning: een parkeervergunning of een bijzondere vergunning als bedoeld in artikel 7;

hh. vergunninghouder: natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

ii. vergunninggebied: gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend indien en voorzover in dat gebied voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven; daar waar vergunninggebied wordt genoemd, wordt ook gelezen deelvergunninggebied;

jj. vergunningenplafond: aantal bewoners- en bedrijfsvergunningen dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied;

kk. volcontinu bedrijfsproces: proces waarin 24 uur per dag en zeven dagen per week  op basis van arbeidsregelingen, werkzaamheden in ploegen-, wissel- en/of nachtdiensten worden verricht;

ll. werknemer: persoon, werkzaam in een bedrijf voor minimaal 36 uur per week; werknemers in deeltijd worden herleid tot voltijdse equivalenten;

mm. zelfstandige woning: woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning; voor deze verordening wordt onder woning mede verstaan: woonwagen op een daartoe aangewezen centrum en woonboot op een reguliere of gedoogde ligplaats;

nn. zorginstelling: instellingen in de curatieve zorg die beschikken over een erkenning van het College van Ziekenhuisvoorzieningen (CvZ), sectoren Verpleging en Verzorging, de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en gehandicaptenzorg volgens de Awbz-zorg, alsmede Amsterdam Thuiszorg en Astress (kraamzorgbureaus) en instellingen die door het CvZ zijn toegelaten tot het leveren van een of meer Awbz-zorgfuncties (tenzij dit alleen de enkele functie ‘huishoudelijke verzorging’ betreft) en die instellingen een bewijs kunnen overleggen dat zij voor het desbetreffende jaar productieafspraken hebben gemaakt met het zorgkantoor Amsterdam;

oo. Bedrijventerrein Schinkel: het gebied waarvan de grens wordt gevormd door de zuidelijke teen van het talud van de Henk Sneevlietweg, de zuidkant van de Rijnsburgstraat exclusief het Spijtellaantje en de woonblokken aan de Generaal Vetterstraat, het midden van de Schinkel, de noordelijke teen van het talud van de A10 zuid en de oostelijke teen van het talud van de A10 west;

pp. Bedrijventerrein Sloterdijk I: het gebied waarvan de grens wordt gevormd door de zuidzijde van de Nieuwe Hemweg tot aan de stadsdeelgrens met Westerpark, de stadsdeelgrens met Westerpark tot aan de plek waar deze naar het zuiden afbuigt, de stadsdeelgrens met Westerpark over de spoorlijn Amsterdam CS – Schiphol, de stadsdeelgrens met Westerpark tussen de spoorlijn Amsterdam CS – Schiphol en de spoorlijn Amsterdam CS – Sloterdijk, de noordzijde van het talud van de spoorlijn Amsterdam CS – Sloterdijk en de as van de Einsteinweg (A10).

qq. Bedrijventerrein Overamstel: het gebied waarvan de grens wordt gevormd door het midden van de Amstel (tussen de Nieuwe Utrechtseweg en de Spaklerweg), het midden van de Weespertrekvaart, het midden van de Gooiseweg, de grens met de gemeente Ouder-Amstel en de Nieuwe Utrechtseweg.

rr. Belanghebbendenvergunningplafond: aantal belanghebbendenvergunningen dat maximaal wordt verleend per kwaliteitstaxistandplaats.

ss. Kwaliteitstaxistandplaats: locatie met belanghebbendenparkeren, uitsluitend bedoeld voor taxi's.

Artikel 2 Regulering parkeren
  • 1. Regulering van het gebruik van parkeerplaatsen geschiedt op basis van of krachtens deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen, parkeerkaarten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur, zoals bedoeld in deze verordening.

  • 2. Indien tot enige vorm van regulering van het gebruik van parkeerplaatsen wordt besloten, geschiedt dit met inachtneming van het bepaalde in deze verordening en de krachtens deze verordening vastgestelde regelingen.

  • 3. Indien ter regulering van het gebruik van parkeerplaatsen een parkeerschijfzone is ingevoerd, kan in datzelfde gebied voor het parkeren geen parkeerbelasting worden geheven.

Artikel 3 Bloktijden
  • 1. Indien voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven, geschiedt dit voor de gebieden binnen de ring A10, exclusief Amsterdam-Noord en de bedrijventerreinen Overamstel, Schinkel en Sloterdijk I in ieder geval voor de periode van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 21.00 uur.

  • 2. Indien voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven, geschiedt dit voor de gebieden buiten de ring A10, inclusief Amsterdam-Noord en de bedrijventerreinen Overamstel, Schinkel en Sloterdijk I in ieder geval voor de periode van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 19.00 uur.

  • 3. De bloktijden zijn van 00.00 tot 09.00 uur, van 9.00 tot 12.00 uur, van 12.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 21.00 uur en van 21.00 tot 24.00 uur.

  • 4. Gedurende de bloktijd van 19.00 tot 21.00, de bloktijd van 21.00 tot 24.00 uur en de bloktijd van 00.00 tot 09.00 uur kan ook voor een gedeelte van de bloktijd parkeerbelasting worden geheven, mits het desbetreffende aan te wijzen gedeelte aansluit aan een voorafgaand of daaropvolgend blok.

Hoofdstuk 2 Nadere regels

Artikel 4 Vergunninggebieden en aantal vergunningen
  • 1. Burgemeester en Wethouders stellen, met inachtneming van het bepaalde in deze verordening, regels vast aangaande:

    • a.

      de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan;

    • b.

      het vergunningenplafond per vergunninggebied;

    • c.

      het milieuparkeervergunningenplafond per vergunninggebied;

    • d.

      gedurende welke bloktijden er voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven;

    • e.

      het eventuele gebruik van het instrument van overloopgebieden bij het ontstaan van wachtlijsten, alsmede het aanwijzen van die gebieden;

    • f.

      het aantal te verlenen vergunningen op basis van artikel 9, leden 2 en 4, en artikel 10, leden 2, 5, 6 en 9.

  • 2. Burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen nadere regels vaststellen aangaande het belanghebbendenvergunningenplafond voor een kwaliteitstaxistandplaats.

  • 3. Bij het vaststellen van het vergunningenplafond, het milieuparkeervergunningenplafond en het aantal te verlenen vergunningen wordt in ieder geval rekening gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied.

  • 4. Het milieuparkeervergunningenplafond voor de vergunninggebieden binnen de ring A10, exclusief Amsterdam-Noord, wordt vastgesteld als een percentage van het gecombineerde aantal te verlenen vergunningen binnen het vergunningenplafond en het milieuparkeervergunningenplafond per vergunninggebied.

  • 5. Burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen een overgangsregeling instellen voor de uitgifte van de belanghebbendenvergunning als bedoeld in artikel 25, indien er een wachtlijst als bedoeld in artikel 34 is.

  • 6. Artikel 32 lid 4, alsmede artikel 34 lid 3, kunnen door burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, buiten werking worden gesteld, indien zij een overgangsregeling als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel instellen.

  • 7. Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen nadere regels vaststellen aangaande de geldigheidsduur van de belanghebbendenvergunning die geldig is op een kwaliteitstaxistandplaats.

  • 8. Burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen nadere regels vaststellen over het buiten werking stellen van de in lid zes van dit artikel genoemde leden

Artikel 5 Vergunningen en codes
  • 1. Burgemeester en Wethouders stellen tevens, met inachtneming van het bepaalde in deze verordening, regels vast aangaande het al dan niet verlenen van:

    • a.

      de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14;

    • b.

      de maatschappelijke vergunning, als bedoeld in artikel 20;

  • 2. Burgemeester en Wethouders regelen voorts het al dan niet verlenen op code van:

    • a.

      de bedrijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 10 en 11;

    • b.

      de sportverenigingvergunning, als bedoeld in artikel 13;

    • c.

      de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14;

    • d.

      de milieuparkeervergunning voor bedrijven als bedoeld in artikel 17

    • e.

      de maatschappelijke vergunning, als bedoeld in artikel  19;

    • f.

      de autodeelvergunning als bedoeld in artikel 20;

    • g.

      de belanghebbendenvergunning, als bedoeld in artikel 25.

Artikel 6 Overige zaken
  • 1. Burgemeester en Wethouders stellen voor het overige, met inachtneming van het bepaalde in deze verordening, regels vast omtrent:

    • a.

      het al dan niet van toepassing zijn van de extra voorwaarde, genoemd in artikel 10, lid 10;

    • b.

      het al dan niet beperken van het aantal sportverenigingvergunningen tot maximaal tien per sportorganisatie als bedoeld in artikel 13, lid 3;

    • c.

      het al dan niet beperken van de geldigheid van een parkeervergunning als bedoeld in artikel 28, lid 4;

    • d.

      de ingangsdatum van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen indien deze anders is dan de eerste van de maand;

    • e.

      het al dan niet instellen van een parkeerduurbeperking als bedoeld in artikel 31.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, nadere regels vast met betrekking tot de overige in deze verordening daartoe aangewezen onderwerpen.

Hoofdstuk 3 Vergunningen en kaarten

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake de vergunningen

Artikel 7 Soorten vergunningen
  • 1. Op basis van deze verordening en de nadere regels, bedoeld in hoofdstuk 2, worden parkeervergunningen en bijzondere vergunningen verleend.

  • 2. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen uitsluitend:

    • a.

      de bewonersvergunning als bedoeld in artikel 9;

    • b.

      de bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 10 en 11;

    • c.

      de overloopvergunning als bedoeld in artikel 12;

    • d.

      de sportverenigingvergunning als bedoeld in artikel 13;

    • e.

      de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14;

    • f.

      de hulpverlenervergunning als bedoeld in artikel 15;

    • g.

      de milieuparkeervergunning voor bewoners als bedoeld in artikel 16;

    • h.

      de milieuparkeervergunning voor bedrijven als bedoeld in de artikelen 17 en 18;

    • i.

      de maatschappelijke vergunning als bedoeld in artikel 19;

    • j.

      de autodeelvergunning als bedoeld in artikel 20;

    • k.

      de stadsbrede autodeelvergunning als bedoeld in artikel 21;

    • l.

      de mantelzorgvergunning, als bedoeld in artikel 22;

    • m.

      de GA-parkeervergunning, als bedoeld in artikel 23.

  • 4. De op basis van deze verordening te verlenen bijzondere vergunningen betreffen uitsluitend:

    • a.

      de kraskaartvergunning als bedoeld in artikel 24;

    • b.

      de belanghebbendenvergunning als bedoeld in artikel 25.

  • 5. Parkeervergunningen en belanghebbendenvergunningen worden verleend op kenteken, tenzij in of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 6. Indien de in het vierde lid bedoelde vergunningen op code worden verleend, stellen Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen, de te hanteren codes vast.

Artikel 8 Aanvraag
  • 1. Aanvragen worden behandeld in volgorde van datum van binnenkomst.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, het formulier vast waarop de aanvraag voor een vergunning wordt ingediend.

Paragraaf 2. Parkeervergunningen

Artikel 9 De bewonersvergunning
  • 1. Een bewonersvergunning wordt verleend aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

  • 2. Per zelfstandige woning kunnen maximaal twee bewonersvergunningen worden verleend.

  • 3. Indien binnen een vergunninggebied twee bewonersvergunningen per zelfstandige woning kunnen worden verleend, wordt aan de houder van een motorvoertuig:

    • a.

      één bewonersvergunning verleend indien een bewoner van die zelfstandige woning beschikt of kan beschikken over één stallingsplaats of één belanghebbendenparkeerplaats en aantoonbaar beschikt over (tenminste) twee motorvoertuigen;

    • b.

      geen bewonersvergunning verleend indien een bewoner van die zelfstandige woning beschikt of kan beschikken over meer dan één stallingsplaats of over meer dan één belanghebbendenparkeerplaats.

  • 4. Het aantal te verlenen bewonersvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bedrijfsvergunningen en milieuparkeervergunningen voor bedrijven indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 5. Het aantal te verlenen bewonersvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende milieuparkeervergunningen voor bewoners.

Artikel 10 De bedrijfsvergunning
  • 1. Een bedrijfsvergunning wordt verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied.

  • 2. Het aantal vergunningen per bedrijf is afhankelijk van het aantal in het bedrijf daadwerkelijke gestationeerde werknemers en kan maximaal bedragen:

    • a.

      één per 50 werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied I;

    • b.

      één per tien werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied II;

    • c.

      één per vijf werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied III;

    • d.

      één per 2,5 werknemers indien het bedrijf is gelegen in gebied IV.

  • 3. Indien een bedrijf gelegen is op een bedrijventerrein, wordt het maximale aantal te verlenen vergunningen bepaald overeenkomstig de normen van het locatiebeleid.

  • 4. Lid 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing voor bedrijven op de bedrijventerreinen Schinkel, Overamstel of Sloterdijk I.

  • 5. Burgemeester en Wethouders stellen het maximaal aantal te verlenen bedrijfsvergunningen per bedrijf vast voor bedrijven gelegen op bedrijventerrein Schinkel, Overamstel of Sloterdijk I.

  • 6. Aan een bedrijf met 15 of minder werknemers in dienstverband kunnen additioneel maximaal drie bedrijfsvergunningen worden verleend indien het bedrijfswagens met een grijs kenteken betreft.

  • 7. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen.

  • 8. Indien op een adres met een woonbestemming tevens een bedrijf is gevestigd zullen het aantal bedrijfs- en bewonersvergunningen op dat adres worden verminderd met de bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen, en/of het aantal stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen waarover een bewoner van die zelfstandige woning beschikt of kan beschikken.

  • 9. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op code, het aantal verleende hulpverlenervergunningen en het aantal verleende milieuparkeervergunningen voor bedrijven.

  • 10. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen en milieuparkeervergunningen voor bewoners indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 11. Aan een ambulante handelaar kan als extra voorwaarde voor vergunningverlening worden gesteld dat hij minimaal drie dagen per week werkzaam is in het betrokken vergunninggebied, indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 12. Onder bedrijfsvergunning wordt mede verstaan bedrijfsvergunning op code.

Artikel 11 De bedrijfsvergunning op code
  • 1. Een bedrijfsvergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald en de verlening op code nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat:

    • a.

      het bedrijf een volcontinu bedrijfsproces heeft of

    • b.

      naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan auto’s.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, de te hanteren codes vast.

  • 3. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op kenteken, het aantal verleende milieuparkeervergunningen voor bedrijven en het aantal verleende hulpverlenervergunningen.

  • 4. De bepalingen van artikel 10 de leden 2 tot en met 7, 9 en 10, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 De overloopvergunning
  • 1. Een overloopvergunning wordt verleend, indien:

    • a.

      Burgemeester en Wethouders een vergunninggebied als overloopgebied hebben aangewezen en

    • b.

      de aanvrager op een in artikel 34 bedoelde wachtlijst is geplaatst vanwege de weigering van een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning, een milieuparkeervergunning voor bewoners of een milieuparkeervergunning voor bedrijven.

  • 2. De aanvragen om een overloopvergunning worden toegewezen in de volgorde waarin men op de wachtlijst staat.

Artikel 13 De sportverenigingvergunning
  • 1. Een sportverenigingvergunning wordt verleend aan een niet-commerciële sportorganisatie die gevestigd is in een vergunninggebied en aangesloten is bij een door het NOC*NSF erkende sportbond.

  • 2. Het aantal vergunningen per sportorganisatie is afhankelijk van het aantal leden, te weten:

    • a.

      één per 50 leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied I;

    • b.

      één per tien leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied II;

    • c.

      één per vijf leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied III.

  • 3. Het aantal te verlenen sportverenigingvergunningen kan worden beperkt tot maximaal tien per sportorganisatie, indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 4. Een sportverenigingvergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend, indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

Artikel 14 De volkstuinvergunning
  • 1. Indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald, wordt een volkstuinvergunning verleend aan een rechtspersoon die blijkens zijn statuten tot doel heeft een volkstuincomplex te beheren en tevens ook over een volkstuincomplex beschikt in een vergunninggebied.

  • 2. Het aantal vergunningen per volkstuin is afhankelijk van het aantal percelen grond in het volkstuincomplex en kan maximaal bedragen:

    • a.

      één per 50 percelen indien het volkstuincomplex gelegen is in gebied I;

    • b.

      één per drie percelen indien het volkstuincomplex gelegen is in gebied II of gebied III.

  • 3. Een volkstuinvergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

Artikel 15 De hulpverlenervergunning
  • 1. Een hulpverlenervergunning wordt verleend aan de huisarts of verloskundige, indien:

    • a.

      voor de uitoefening van de praktijk gebruik wordt gemaakt van een motorvoertuig, en

    • b.

      de meerderheid van de patiënten van de praktijk woonachtig is in een gebied in Amsterdam waar betaald parkeren is ingevoerd.

  • 2. Een hulpverlenervergunning wordt tevens verleend aan een professionele zorg- of hulpverleningsinstelling ten behoeve van een aldaar werkzame hulpverlener indien:

    • a.

      de professionele zorg- of hulpverleningsinstelling is vermeld op de in lid 4 genoemde lijst, en

    • b.

      het motorvoertuig nodig is vanwege het geregeld met spoed of met groot materieel zorg of hulp verlenen aan personen of dieren op wisselende plaatsen in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd.

  • 3. Met betrekking tot de verlening van vergunningen, bedoeld in lid 2, wordt één hulpverlenervergunning per vijf werknemers verleend, met dien verstande dat maximaal 15 hulpverlenervergunningen per professionele zorg- of hulpverleningsinstelling worden verleend.

  • 4. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, een lijst samen van de professionele zorg- of hulpverleningsinstellingen die in aanmerking kunnen komen voor een hulpverlenervergunning.

  • 5. Een hulpverlenervergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend.

Artikel 16 De milieuparkeervergunning voor bewoners
  • 1. Een milieuparkeervergunning voor bewoners wordt verleend aan de houder van een motorvoertuig zolang deze voldoet aan de in lid 5 van dit artikel genoemde eisen inzake onder meer euronorm en energielabel, met dien verstande dat de bepalingen uit artikel 9, lid 1 van deze verordening in acht worden genomen.

  • 2. De bepalingen van artikel 9, de leden 2 tot en met 4, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bewonersvergunning milieuparkeervergunning voor bewoners dient te worden gelezen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de stadsdelen, nadere regels geven omtrent het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bewoners en de wijze van uitgifte.

  • 4. Het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bewoners wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen.

  • 5. Tot 1 januari 2015 geldt het vierde lid niet voor milieuparkeervergunningen voor elektrische voertuigen waarvoor voor 1 april 2011 een oplaadpunt is aangevraagd.

  • 6. Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen, stellen nadere eisen vast voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bewoners.

Artikel 17 De milieuparkeervergunning voor bedrijven
  • 1. Een milieuparkeervergunning voor bedrijven wordt verleend aan een bedrijf zolang het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend, voldoet aan de in lid 6 van dit artikel genoemde eisen inzake onder meer euronorm en energielabel, met dien verstande dat de bepalingen uit artikel 10, lid 1 van deze verordening in acht worden genomen.

  • 2. De bepalingen van artikel 10, de leden 2 tot en met 7, 9 en 10, zijn van overeenkomstige toepassing op de milieuparkeervergunning voor bedrijven, met dien verstande dat voor bedrijfsvergunning milieuparkeervergunning voor bedrijven dient te worden gelezen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de stadsdelen, nadere regels geven omtrent het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bedrijven en de wijze van uitgifte.

  • 4. Het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bedrijven wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen, het aantal hulpverlener-vergunningen en het aantal milieuparkeervergunningen voor bedrijven op code.

  • 5. Tot 1 januari 2015 geldt het vierde lid niet voor milieuparkeervergunningen voor elektrische voertuigen waarvoor voor 1 april 2011 een oplaadpunt is aangevraagd.

  • 6. Onder milieuparkeervergunning voor bedrijven wordt mede verstaan milieuparkeervergunning voor bedrijven op code.

  • 7. Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen, stellen nadere eisen vast voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bedrijven.

Artikel 18 De milieuparkeervergunning voor bedrijven op code
  • 1. Een milieuparkeervergunning voor bedrijven wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald en de verlening op code nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat:

    • a.

      het bedrijf een volcontinu bedrijfsproces heeft of

    • b.

      naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan auto’s.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, de te hanteren codes vast.

  • 3. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op kenteken, het aantal verleende milieuparkeervergunningen voor bedrijven en het aantal verleende hulpverlenervergunningen.

  • 4. De bepalingen van artikel 10, de leden 2 tot en met 7, 9 en 10, alsmede de bepalingen van artikel 17, lid 1, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19 De maatschappelijke vergunning
  • 1. Indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald, wordt een maatschappelijke vergunning verleend aan:

    • a.

      een zorginstelling of

    • b.

      een onderwijsinstelling behorende tot het basisonderwijs dan wel behorende tot het voortgezet onderwijs of

    • c.

      aan een bureau van de Politie Amsterdam–Amstelland.

  • 2. Het aantal maatschappelijke vergunningen per zorg- of onderwijsinstelling of per bureau van politie bedraagt maximaal het aantal bedrijfsvergunningen waarop de zorg- of onderwijsinstelling of het bureau van politie recht heeft op basis van artikel 10.

  • 3. Een maatschappelijke vergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

Artikel 20 De autodeelvergunning
  • 1. Een autodeelvergunning wordt verleend aan de autodeelorganisatie voor een motorvoertuig onder de voorwaarde dat die organisatie de houder is van dat motorvoertuig en dat die organisatie een belanghebbendenparkeerplaats is toegekend in het vergunninggebied.

  • 2. Een autodeelvergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 3. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, nadere regels vast inzake de aan de autodeelorganisatie te stellen voorwaarden.

Artikel 21 De stadsbrede autodeelvergunning
  • 1. Een stadsbrede autodeelvergunning wordt verleend aan de autodeelorganisatie voor een motorvoertuig onder de voorwaarde dat die organisatie de houder is van dat motorvoertuig en dat die organisatie een belanghebbendenparkeerplaats is toegekend binnen de gemeente Amsterdam en het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend, voldoet aan de in lid 3 van dit artikel genoemde eisen.

  • 2. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, nadere regels vast inzake de aan de autodeelorganisatie te stellen voorwaarden.

  • 3. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, nadere eisen vast voor het verlenen van de stadsbrede autodeelvergunning. 

Artikel 22 De mantelzorgvergunning
  • 1. Een mantelzorgvergunning wordt verleend aan een bewoner die mantelzorg behoeft, indien de noodzaak tot mantelzorg op objectieve wijze is aangetoond.

  • 2. Een mantelzorgvergunning wordt verleend voor een motorvoertuig van degene die mantelzorg verleent en die blijkens de gemeentelijke basisadministratie woonachtig is buiten het vergunninggebied van de bewoner die mantelzorg behoeft.

  • 3. Per zelfstandige woning kan slechts één mantelzorgvergunning worden verleend, met dien verstande dat op de vergunning drie kentekens kunnen worden vermeld.

Artikel 23 De GA-parkeervergunning
  • Een GA-parkeervergunning wordt verleend aan een bewoner die in het bezit is van een Europese gehandicaptenparkeerkaart. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      een GA-parkeervergunning voor bestuurders, verleend aan een bewoner die in het bezit is van een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B);

    • b.

      een GA-parkeervergunning voor passagiers, verleend aan een bewoner die in het bezit is van een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B).

Paragraaf 3. Bijzondere vergunningen.

Artikel 24 De kraskaartvergunning
  • 1. Een kraskaartvergunning wordt verleend aan een gehandicapte bewoner van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, die blijkens een medische indicatie aangewezen is op vervoer door derden.

  • 2. Een kraskaartvergunning wordt verleend aan een bewoner van 65 jaar of ouder.

  • 3. De kraskaartvergunning geeft per kwartaal recht op de aanschaf van drie boekjes met elk twaalf kraskaarten.

  • 4. Per bewoner wordt één kraskaartvergunning verleend.

Artikel 25 De belanghebbendenvergunning
  • 1. Een belanghebbendenvergunning wordt verleend aan de belanghebbende, vermeld op de in lid 4 genoemde lijst.

  • 2. Een belanghebbendenvergunning geeft recht op het parkeren op de in de vergunning omschreven belanghebbendenparkeerplaats of belanghebbendenparkeerplaatsen.

  • 3. Een belanghebbendenvergunning wordt op verzoek van de aanvrager op code verleend indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 4. Burgemeester en Wethouders stellen, gehoord de stadsdelen, een lijst samen van de houders van motorvoertuigen en bedrijven en categorieën van houders van motorvoertuigen en categorieën bedrijven die belanghebbende zijn in de zin van deze verordening.

  • 5. Indien een belanghebbendenvergunning op kenteken dan wel op code wordt verleend en recht geeft op het parkeren op één in de vergunning omschreven parkeerplaats, wordt onder het bij die parkeerplaats behorende verkeersbord E 9 een onderbord aangebracht met vermelding van het kenteken of de code.

  • 6. Aan het verkeersbord E 9 kunnen tevens de onderborden worden aangebracht ter aanduiding van de werkingstijden, de wijze van parkeren, de dagen of uren waarop parkeren verboden is, het vergunninggebied en de vergunningcategorie waarvoor de belanghebbendenparkeerplaatsen zijn bestemd.

  • 7. Voor één belanghebbendenparkeerplaats kan meer dan één belanghebbendenvergunning worden verleend.

Paragraaf 4. Parkeerkaarten

Artikel 26 Soorten parkeerkaarten
  • 1. De parkeerkaarten betreffen:

    • a.

      minuten-, dag-, dagdeel-, avond -, week- of maandkaarten;

    • b.

      kraskaarten;

    • c.

      toeristenkaarten;

    • d.

      gehandicaptenbezoekerskaarten.

  • 2. Kraskaarten worden slechts uitgegeven ten behoeve van het bezoek van de houders van een kraskaartvergunning.

  • 3. Toeristenkaarten worden slechts uitgegeven ten behoeve van de in de gemeente verblijvende hotelgasten.

  • 4. Gehandicaptenbezoekerskaarten worden slechts uitgegeven ten behoeve van houders van een Europese gehandicaptenparkeerkaart, niet zijnde bewoners.

Paragraaf 5. Geldigheid vergunningen en parkeerkaarten

Artikel 27 Geldigheidsduur vergunningen
  • 1. De geldigheid van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen gaat in op de eerste dag van de maand, tenzij in de nadere regels, bedoeld in hoofdstuk 2, de ingang van de geldigheid anders is geregeld.

  • 2. De parkeervergunningen vermeld in artikel 7, lid 2, onder a tot en met l , zijn steeds geldig voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat de overloopvergunning onmiddellijk eindigt indien de houder niet langer staat op de in artikel 34 bedoelde wachtlijst.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan de geldigheid van de parkeervergunningen, vermeld in artikel 7, lid 2, onder a tot en met i, korter zijn dan zes maanden, indien:

    • a.

      dat nodig is om de afloop aan te sluiten aan de periodieke verlenging als bedoeld in lid 5;

    • b.

      de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied;

    • c.

      de vergunninghouder niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting.

  • 4. De belanghebbendenvergunning, de GA-vergunning voor passagiers, verleend op basis van artikel 23 onder b en de kraskaartvergunning, verleend op basis van artikel 24, lid 1, zijn geldig voor een periode van twee jaar, tenzij anders is vermeld op de in artikel 25, lid 4 genoemde lijst, met dien verstande dat het recht op de belanghebbendenvergunning of de GA-vergunning voor passagiers of de kraskaartvergunning korter kan zijn, als het recht op de vergunning eerder komt te vervallen.

  • 5. De GA-vergunning voor bestuurders, verleend op basis van artikel 23 onder a, is geldig voor een periode van vijf jaar, met dien verstande dat de geldigheid korter kan zijn, indien het recht op de GA-vergunning eerder komt te vervallen.

  • 6. Behoudens het bepaalde in lid 7 wordt de geldigheid van de in het tweede lid bedoelde parkeervergunningen en de kraskaartvergunning, verleend op basis van artikel 24, lid 2, steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

  • 7. De geldigheid van de mantelzorgvergunning wordt eenmalig stilzwijgend verlengd, mits is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

  • 8. De geldigheid van de belanghebbendenvergunning voor een kwaliteitstaxistandplaats wordt telkens verlengd voor een periode van ten hoogste twee jaar, indien de houder van de belanghebbendenvergunning kan aantonen dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

  • 9. De geldigheid van de in het vierde lid bedoelde vergunningen wordt steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van twee jaar, zolang voldaan is aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

Artikel 28 Plaats van geldigheid van de vergunningen
  • 1. De bewonersvergunning, de bedrijfsvergunning, de overloopvergunning, de sportverenigingvergunning, de volkstuinvergunning, de maatschappelijke vergunning, de milieuparkeervergunning voor bewoners, de milieuparkeervergunning voor bedrijven, de autodeelvergunning, de mantelzorgvergunning en de kraskaartvergunning zijn geldig in het vergunninggebied waarvoor ze zijn verleend, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge het vierde lid van dit artikel of ingevolge het vijfde lid van artikel 31.

  • 2. De belanghebbendenvergunning is geldig op de in de vergunning aangegeven plaats of plaatsen.

  • 3. De hulpverlenervergunning, de GA-parkeervergunning en de stadsbrede autodeelvergunning zijn geldig in alle vergunninggebieden.

  • 4. De geldigheid van de parkeervergunningen kan binnen een vergunninggebied naar plaats gedurende bepaalde tijden worden beperkt indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op de hulpverlenervergunning, de GA-parkeervergunning en de stadsbrede autodeelvergunning.

Artikel 29 Geldigheidsduur parkeerkaarten
  • 1. Een minutenkaart is geldig tot de op de kaart aangegeven datum en tijd.

  • 2. Een dagkaart is geldig voor maximaal 24 uur gedurende op de kaart aangegeven datum, dan wel data en bloktijden.

  • 3. Een dagdeelkaart is geldig voor één ochtend of één middag gedurende de op de kaart aangegeven datum en bloktijden.

  • 4. Een avondkaart is geldig voor één avond gedurende de op de kaart aangegeven datum en bloktijden.

  • 5. Een weekkaart en een maandkaart zijn geldig voor één week of één maand gedurende de op de kaart aangegeven data en bloktijden.

  • 6. Een toeristenkaart is geldig voor één dag of drie opeenvolgende dagen gedurende de op de kaart aangegeven datum, respectievelijk data en bloktijden.

  • 7. Een kraskaart is geldig gedurende twee uur.

  • 8. Een gehandicaptenbezoekerskaart is geldig gedurende één jaar.

Artikel 30 Plaats van geldigheid van de parkeerkaarten
  • 1. Een minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, week- of maandkaart is geldig in het tariefgebied dat overeenkomt met of lager is dan de tariefaanduiding op de parkeerkaart, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge het vijfde lid van artikel 31.

  • 2. Een toeristenkaart is geldig in het tariefgebied dat overeenkomt met of lager is dan de tariefaanduiding op de parkeerkaart, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge het vijfde lid van artikel 31.

  • 3. Een kraskaart is geldig in het vergunninggebied waarvoor de kraskaartvergunning is verleend, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge het vijfde lid van artikel 31.

  • 4. Een gehandicaptenbezoekerskaart is geldig op alle parkeerapparatuurplaatsen in de gemeente.

Artikel 31 Parkeerduurbeperking
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen binnen een vergunninggebied een parkeerduurbeperking instellen indien dat in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

  • 2. Een parkeerduurbeperking kan slechts ingesteld worden

    • a.

      in een winkelstraat;

    • b.

      bij een begraafplaats;

    • c.

      bij een sportvoorziening.

  • 3. Een parkeerduurbeperking betreft per etmaal:

    • a.

      maximaal de openingstijden van de winkels in een winkelstraat;

    • b.

      maximaal de openingstijden van de begraafplaats;

    • c.

      maximaal de openingstijden van de sportvoorziening.

  • 4. Gedurende een parkeerduurbeperking wordt slechts parkeerbelasting geheven voor blokken van:

    • a.

      60 minuten;

    • b.

      120 minuten;

    • c.

      180 minuten of

    • d.

      240 minuten,

  • met dien verstande dat in een winkelstraat gedurende de parkeerduurbeperking alleen parkeerbelasting wordt geheven voor blokken van 60 minuten.

  • 5. Indien burgemeester en wethouders toepassing hebben gegeven aan het eerste lid dan is, in afwijking van artikel 28, eerste lid, en artikel 30 een parkeervergunning, vermeld in artikel 7, tweede lid, onder a tot en met e, en g tot en met l, respectievelijk een parkeerkaart vermeld in artikel 26, niet geldig.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op de gehandicaptenbezoekerskaart.

Paragraaf 6. Overige regelingen ten aanzien van vergunningen voor parkeerplaatsen

Artikel 32 Weigeringsgronden
  • 1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening.

  • 2. Een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning en een volkstuinvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

  • 3. Een milieuparkeervergunning voor bewoners en een milieuparkeervergunning voor bedrijven wordt tevens geweigerd indien het milieuparkeervergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

  • 4. Een belanghebbendenvergunning wordt tevens geweigerd, indien het belanghebbendenvergunningenplafond voor de desbetreffende kwaliteitstaxistandplaats is bereikt.

  • 5. Burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen, in navolging van lid 3 van dit artikel, nadere weigeringsgronden vaststellen voor een milieuparkeervergunning voor bewoners en een milieuparkeervergunning voor bedrijven.

  • 6. Burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen, kunnen ontheffing verlenen van het tweede lid en het derde lid van dit artikel, indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor een overgangsregeling voor de milieuparkeervergunning voor bewoners en de milieuparkeervergunning voor bedrijven.

Artikel 33 Voormalige houders van een bewonersvergunning
  • In afwijking van artikel 32, de leden 2 en 3, geldt het vergunningenplafond of het milieuparkeervergunningenplafond niet als weigeringsgrond, indien:

    • a.

      het een aanvraag betreft om een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners en de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, houder was van een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, voor hetzelfde adres, en

    • b.

      de bewonersvergunning, dan wel de milieuparkeervergunning voor bewoners op verzoek van de houder is ingetrokken omdat hij aantoonbaar gebruik was gaan maken van een autodeelorganisatie of van het openbaar vervoer of

    • c.

      het een aanvraag betreft om een bewonersvergunning, dan wel milieu-parkeervergunning voor bewoners en de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, houder was van een bewonersvergunning, dan wel milieu-parkeervergunning voor bewoners, voor hetzelfde adres, en

    • d.

      de bewonersvergunning dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners op verzoek van de houder is ingetrokken, omdat hij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aantoonbaar gebruik is gaan maken van een parkeerplaats in een parkeergarage.

Artikel 34 Plaatsing wachtlijst
  • 1. Indien een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning of een volkstuin-vergunning is geweigerd op grond van het feit dat het vergunningenplafond van het betrokken vergunninggebied is bereikt, wordt de aanvrager op een wachtlijst geplaatst, behoudens het zesde lid.

  • 2. Indien een milieuparkeervergunning voor bewoners en/of een milieuparkeervergunning voor bedrijven is geweigerd op grond van het feit dat het milieuparkeervergunningenplafond van het betrokken vergunninggebied is bereikt, wordt de aanvrager op een wachtlijst geplaatst, behoudens het zevende lid.

  • 3. Indien een belanghebbendenvergunning is geweigerd op grond van het feit dat het belanghebbendenvergunningenplafond voor de betrokken kwaliteitstaxistandplaats is bereikt, wordt de aanvrager op een wachtlijst geplaatst.

  • 4. De volgorde waarin de aanvrager op een wachtlijst wordt geplaatst, is de volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 5. Indien een bewoner verhuist naar een ander vergunninggebied en direct voorafgaande aan de verhuizing over een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, beschikte of al op een wachtlijst staat, is voor de volgorde tevens bepalend de datum waarop de vorige bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, is verleend of de datum van eerdere plaatsing op de wachtlijst, met dien verstande dat indien de periode tussen de genoemde datum en de datum van aanvraag van de nieuwe bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, langer is dan de wachttijd van de bovenste aanvrager de vergunning terstond verleend wordt. Indien de aanvrager voor het verkrijgen van de vorige bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, op een wachtlijst heeft gestaan, moet de totale tijd die de aanvrager op de betreffende wachtlijst heeft gestaan plus de tijd dat hij een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, heeft gehad, worden meegenomen.

  • 6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing in het geval een bedrijf verhuist.

  • 7. Aanvragers voor een tweede bewonersvergunning worden niet op de wachtlijst geplaatst.

  • 8. Aanvragers voor een tweede milieuparkeervergunning voor bewoners worden niet op de wachtlijst geplaatst.

  • 9. Indien een houder van een bewonersvergunning een milieuparkeervergunning voor bewoners aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de milieuparkeervergunning voor bewoners de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een bewonersvergunning.

  • 10. Indien een houder van een bedrijfsvergunning een milieuparkeervergunning voor bedrijven aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de milieuparkeervergunning voor bedrijven de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een bedrijfsvergunning.

  • 11. Indien een houder van een milieuparkeervergunning voor bewoners een bewonersvergunning aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de bewoners-vergunning de datum van ontvangst van de eventuele eerste aanvraag voor een bewonersvergunning, dan wel een milieuparkeervergunning voor bewoners.

  • 12. Indien een houder van een milieuparkeervergunning voor bedrijven een bedrijfsvergunning aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de bedrijfsvergunning de datum van ontvangst van de eventuele eerste aanvraag voor een bedrijfsvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bedrijven.

Artikel 35 Verwijdering wachtlijst
  • De aanvrager wordt van de wachtlijst verwijderd, indien:

    • a.

      de aanvrager daarom verzoekt;

    • b.

      de aanvrager een bewoners- of bedrijfsvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners of milieuparkeerverginning voor bedrijven wordt verleend in het eigen vergunninggebied;

    • c.

      blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens niet tot plaatsing op de wachtlijst zou hebben geleid;

    • d.

      niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aangevraagde vergunning, gesteld bij of krachtens deze verordening.

Artikel 36 Gegevens en voorschriften
  • 1. Een vergunning bevat – voorzover van toepassing – in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    • c.

      de tijden waarvoor de vergunning geldt;

    • d.

      het kenteken of kentekens van het motorvoertuig of van de motorvoertuigen waarvoor de vergunning is verleend, of een door Burgemeester en Wethouders toegestane code.

  • 2. Aan een vergunning worden – voorzover van toepassing – in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

    • a.

      de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken, respectievelijk de code, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;

    • b.

      tijdens het parkeren moet de vergunning van aanvang aan in het motorvoertuig aanwezig zijn en te allen tijde goed zichtbaar in de linkerbenedenhoek achter de achterruit zijn aangebracht, zodanig dat de voorzijde van de vergunning duidelijk ten genoegen van de parkeercontrole is te lezen, tenzij de vergunning elektronisch is verleend;

    • c.

      de vergunninghouder levert de vergunning in zodra deze is ingetrokken of op andere wijze is komen te vervallen.

  • 3. Een parkeervergunning geldt voor het parkeren van één motorvoertuig op één parkeerapparatuurplaats.

Artikel 37 Intrekken van vergunningen
  • 1. Burgemeester en Wethouders trekken een vergunning in, indien:

    • a.

      de vergunninghouder daarom verzoekt;

    • b.

      blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid;

    • c.

      niet voldaan of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting;

    • d.

      de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten;

    • e.

      de vergunning is verleend ten behoeve van een motorvoertuig dat niet meer voldoet aan de definitie van een motorvoertuig zoals vemeld in het op de Wegenverkeerswet gebaseerde Voertuigreglement.

  • 2. Burgemeester en Wethouders kunnen een vergunning voor het overige intrekken of wijzigen, indien:

    • a.

      de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied;

    • b.

      zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voorzover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen instandlating van de verleende vergunning;

    • c.

      de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • d.

      op een adres twee bewonersvergunningen zijn verleend en het vergunningenplafond binnen het desbetreffende vergunninggebied inmiddels is bereikt;

    • e.

      de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend.

  • 3. Burgemeester en Wethouders kunnen een overloopvergunning tevens intrekken indien het vergunningenplafond binnen het vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen, inmiddels is bereikt.

  • 4. Indien toepassing wordt gegeven aan lid 2, onder d , wordt de houder(s) van de vergunningen de keuze gelaten, of de eerste vergunning dan wel de tweede vergunning wordt ingetrokken.

  • 5. De houder van de vergunning levert de vergunning in zodra deze is ingetrokken.

Artikel 38 Vervallen van vergunningen
  • 1. Onverminderd artikel 27 vervalt een vergunning door het verstrijken van de geldigheidsduur.

  • 2. De houder van de vergunning levert een vergunning in zodra deze is vervallen.

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Artikel 39 Parkeerplaatsen niet zijnde parkeerapparatuurplaatsen
  • Een parkeerplaats geldt niet als een parkeerapparatuurplaats, indien:

    • a.

      het een belanghebbendenparkeerplaats betreft;

    • b.

      het een gehandicaptenparkeerplaats betreft.

Artikel 40 Hardheidsclausule
  • Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

Hoofdstuk 4 Verbodsbepalingen en strafbepaling

Artikel 41
  • 1. Het is verboden, enig voorwerp, niet-zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan:

    • a.

      op een parkeerapparatuurplaats;

    • b.

      op een belanghebbendenparkeerplaats;

    • c.

      op een gehandicaptenparkeerplaats.

  • 2. Het is verboden, een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor het gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

  • 3. Het is verboden, parkeerapparatuur met andere middelen of met andere munten dan die welke in de kennisgeving op of bij de parkeerapparatuur staan aangegeven, in werking te stellen.

  • 4. Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 42
  • Het is verboden, gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan belanghebbendenvergunninghouders is toegestaan, aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder belanghebbendenvergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de belanghebbendenvergunning verbonden voorschriften en beperkingen.

Artikel 43
  • Overtreding van het bepaalde in de artikelen 37, lid 5, 38, lid 2, 41 en 42 van deze verordening, alsmede het handelen in strijd met de aan de vergunningen verbonden voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 44
  • Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de daartoe door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren belast.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen, overgangsrecht en citeertitel

Artikel 45 Experimenten
  • 1. Het dagelijks bestuur van een stadsdeel kan voor een gebied waar parkeerregulering op grond van deze verordening is ingevoerd bij Burgemeester en Wethouders een verzoek indienen om goedkeuring van een te houden experiment.

  • 2. Indien een verzoek als bedoeld in lid 1 door Burgemeester en Wethouders wordt goedgekeurd, kunnen zij, voor de duur van het te houden experiment, de werking van bepaalde artikelen voor een bepaald gebied, buiten toepassing stellen.

  • 3. Indien naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders een experiment als vast onderdeel van parkeerregulering in deze verordening kan worden opgenomen, doen Burgemeester en Wethouders daartoe een voorstel aan de Gemeenteraad.

Artikel 46 Overgangsbepalingen
  • 1. Aanvragen waarop op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden behandeld met inachtneming van de bepalingen van de Parkeerverordening 2007, tenzij toepassing van deze verordening voor de aanvrager gunstiger is.

  • 2. Bewonersvergunningen, bedrijfsvergunningen en belanghebbendenvergunningen, verleend krachtens de Parkeerverordening 1996, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

  • 3. Parkeervergunningen en bijzondere vergunningen, verleend krachtens de Parkeerverordening 2002, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

  • 4. Parkeervergunningen en bijzondere vergunningen, verleend krachtens de Parkeerverordening 2005, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

  • 5. Parkeervergunningen en bijzondere vergunningen, verleend krachtens de Parkeerverordening 2007, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

  • 6. Bezwaarschriften, ingediend tegen beslissingen krachtens de Parkeerverordening 2007, worden behandeld met inachtneming van de Parkeerverordening 2007, tenzij toepassing van deze verordening voor de bezwaarde gunstiger is.

  • 7. Wachtlijsten als bedoeld in artikel 9 van de Parkeerverordening 1996 en als bedoeld in artikel 23 van de Parkeerverordening 2002, als bedoeld in artikel 29 van de Parkeerverordening 2005 en als bedoeld in artikel 30 lid 3 van de Parkeerverordening 2007, gelden als wachtlijst in de zin van artikel 34, eerste lid, van de deze verordening.

Artikel 47 Inwerkingtreding
  • 1. De Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren (Parkeerverordening 2007), vastgesteld bij raadsbesluit van 29 november 2006 (Gemeenteblad 2006, afd. 3A, nr. 243/655) wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voordien hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2009.

Artikel 48 Citeertitel
  • Deze verordening wordt aangehaald als Parkeerverordening 2009.

Toelichting

Artikelgewijze toelichting Parkeerverordening 2009

Hoofdstuk 1.

Artikel 1, onder a . In de thans vigerende Verordening op de straathandel, wordt onderscheid gemaakt tussen ondermeer marktplaatshouders, sollicitanten en standwerkers. Voor de uitoefening van de Parkeerverordening is het niet van belang hoe men op basis van de Verordening op de straathandel gekwalificeerd wordt, zolang er maar sprake is van handel in de zin van die verordening.

Artikel 1, onder b . Voor deze definitie is gebruik gemaakt van de definities in de Wet op de ondernemingsraden en de Algemene bijstandswet. Als sluitstuk is opgenomen de organisatie die daaraan door Burgemeester en Wethouders is gelijkgesteld.

Artikel 1, onder d . Deze parkeerplaats is bestemd voor een belanghebbende, blijkens de door Burgemeester en Wethouders - krachtens artikel 25 - samengestelde lijst. Dit betreft onder andere een aantal categorieën, bijvoorbeeld huisartsen. De parkeerplaats wordt op straat als gereserveerde plaats aangegeven, met een E-9 bord al dan niet met onderbord waarop staat voor welk motorrijtuig de plaats is gereserveerd en, eventueel, gedurende welke tijden.

Artikel 1, onder i.  Vanwege het mogelijk maken van het op kleinere schaal dan het vergunninggebied reguleren van de parkeerdruk (op deelvergunninggebied) is deze term met de parkeerverordening 2009 toegevoegd. 

Artikel 1, onder j . Vanwege de mogelijkheid van het intrekken van één van de twee verleende bewonersvergunningen bij het ontstaan van een wachtlijst is het noodzakelijk het onderscheid tussen eerste en tweede vergunningen in te voeren.

Artikel 1, onder n . Het bord E6 wordt gebruikt ter aanduiding van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen en individuele gehandicaptenparkeerplaatsen

Artikel 1, onder o

Houder van een motorvoertuig is degene op wiens naam een kenteken van een motorvoertuig is opgegeven aan het kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. De tenaamstelling in het kentekenregister is derhalve bepalend. Niet alle motorrijtuigen zijn even wel kentekenplichtig. In die gevallen wordt een op naam afgegeven verzekeringsbewijs als kentekenbewijs aangemerkt.

De gebruikers van een leaseauto moeten ook in aanmerking kunnen komen voor een bewonersvergunning. Om die reden worden zij geacht in het bezit te zijn van een kentekenbewijs.

Een werkgever kiest niet altijd voor een leaseconstructie om een motorvoertuig (doorgaans een personenauto), aan de werknemer ter beschikking te stellen. Deze werknemer verkeert in dezelfde positie als de werknemer die wel over een auto via een lease-overeenkomst beschikt. Als bewijs dat de werknemer de auto via de werkgever exclusief ter beschikking gesteld heeft gekregen, dient de aanvrager een deugdelijke arbeidsovereenkomst en een deugdelijke, door de werkgever ondertekende verklaring m.b.t. het kenteken te overleggen. Het moet gaan om een situatie dat de werknemer het betreffende motorvoertuig exclusief ter beschikking gesteld heeft gekregen. Bedrijfsauto's die incidenteel mee naar huis genomen worden, vallen dan ook niet onder de regeling.

Deugdelijk is: op origineel briefpapier van het bedrijf en voorzien van een handtekening van de werkgever.

Tevens geldt dat een tijdelijke auto gelijkgeschakeld wordt aan een leaseauto, indien deze door een erkend garage-, dan wel reparatiebedrijf ter beschikking is gesteld. Het op grond hiervan omzetten van de vergunning op een ander kenteken is gebonden aan een maximum van twee weken.

Artikel 1, onder r . De woorden "met regelmaat" geven aan dat het moet gaan om zorg die -vrijwel- dagelijks of in ieder geval wekelijks wordt verleend. Het af en toe op bezoek komen en dan bijvoorbeeld wat boodschappen meenemen, valt dan ook niet onder de definitie van mantelzorg.

Artikel 1, onder s. Met het toevoegen van de milieuparkeervergunning voor bewoners en bedrijven is tevens een apart vergunningenplafond nodig. Een deel van de vergunningen voor bewoners en bedrijven moeten worden gereserveerd als milieuparkeervergunning. Minimaal moet dit 5% zijn. 

Artikel 1, onder t. Voor de definitie is aangesloten bij de definitie uit het RVV 1990. Voor Amsterdam is hier echter de brommobiel aan toegevoegd, omdat dit volgens het RVV geen motorvoertuig is. Het is echter wel de bedoeling dat brommobielen op fiscale plekken parkeren (en daarvoor betalen). Ook gehandicaptenvoertuigen (zoals gedefinieerd in het RVV) mogen op fiscale plaatsen staan.

Artikel 1, onder v. Het instrument van de overloopgebieden kan bijdragen aan het oplossen van de problemen die ontstaan vanwege onvoldoende parkeercapaciteit in een vergunninggebied. Het is bedoeld als een instrument binnen één stadsdeel. De vergunningverlener kan niet de problemen bij een andere vergunningverlener neerleggen, maar wel zelf een tijdelijke herschikking doorvoeren.

Artikel 1, onder x. Welke soorten parkeerkaarten er zijn, valt te lezen in artikel 26.Het zal mogelijk worden tal van combinaties te kiezen, qua zones, vergunninggebieden, tijdblokken en duur. De prijs wordt geregeld in de Verordening Parkeerbelastingen 2009.

Artikel 1, onder aa. In het algemeen is dat apparaat een parkeerautomaat. In Amsterdam worden ook andere methoden gebruikt om te betalen, maar dan op een indirecte manier.

Artikel 1, onder dd. Een stallingsplaats is in het gewone spraakgebruik ook een parkeerplaats. In deze verordening zijn de parkeerplaatsen echter gedefinieerd. Het parkeren op eigen terrein en buiten de openbare weg, dus de garageplaats bijvoorbeeld, speelt een rol bij de parkeerregulering. De woorden "planologisch bestemd" verwijzen naar het vigerende bestemmingsplan. Indien evenwel met toestemming (blijkens een verleende bouwvergunning) afgeweken is van het bestemmingsplan (de garage is bijvoorbeeld verbouwd tot studeerkamer) dan is in dat geval de planologische bestemming volgens het vigerende bestemmingsplan niet meer bepalend.

Artikel 1, onder hh . De bewoners zijn altijd natuurlijke personen. Bij de bedrijfsvergunningen vraagt het bedrijf voor zijn medewerkers vergunningen aan. Soms is het bedrijf een zelfstandige rechtspersoon, soms is het ook een natuurlijke persoon.

Artikel 1, onder jj. Het plafond is afhankelijk van het aantal parkeerplaatsen in een vergunninggebied dat volgens het bestuur gemiddeld overdag (tussen 09.00 uur en 19.00 uur) beschikbaar dient te zijn ten behoeve van het parkeren van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een bewoners- of een bedrijfsvergunning; er dient een minimum van 10% aan vrije plaatsen te worden gehandhaafd teneinde voldoende doorstroming te kunnen waarborgen.

Artikel 1, onder ll. Daar steeds meer mensen in deeltijd werken, is deze definitie nodig om het aantal werknemers per bedrijf vast te stellen.

Artikel 1, onder mm. Hierbij is aangehaakt bij de definitie zoals die is geformuleerd in het Burgerlijk Wetboek en de Huisvestingswet. Door zowel de reguliere als gedoogde ligplaats te noemen, is het voor de bewoner van, of het bedrijf in, de illegaal liggende woonboot niet mogelijk een vergunning te verkrijgen.

Artikel 2.

Lid 1 In dit lid is bepaald dat het parkeren op basis van -of krachtens- deze verordening gereguleerd wordt door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen, parkeerkaarten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Als basisregime is door de gemeenteraad het fiscaal betaald parkeren vastgesteld. De belasting wordt voldaan door middel van het betalen voor een parkeervergunning, een parkeerkaart en of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Bij wijze van uitzondering kan, ten behoeve van maatwerk en onder voorwaarden, een aantal bijzondere regelingen worden toegepast. Dit betreffen de zogenoemde bijzondere vergunningen.

Lid 2. Belangrijk onderwerp is de verhouding tussen de centrale stad en de stadsdelen. Ingevolge de Verordening op de Stadsdelen gaan de bevoegdheden van de raad over op de stadsdeelraad en de bevoegdheden van het college van Burgemeester en Wethouders op het dagelijks bestuur. Het gaat daarbij om delegatie. De A-lijst behorende bij de Verordening op de stadsdelen bevat evenwel bevoegdheden die bij het centrale bestuur zijn gebleven. Inzake de bevoegdheden op het gebied van verkeer was tot voor de inwerkingtreding van de Parkeerverordening 2002 in de A-lijst slechts het vaststellen van de parkeerverordening genoemd. Dat betekende dat de stadsdeelbesturen op het gebied van verkeerszaken voor het overige het bevoegde gezag waren. Het Amsterdamse parkeerbeleid was voor 2002 evenwel een optelsom van niet altijd goed op elkaar afgestemde centrale en decentrale bevoegdheden en maatregelen. Om dit in de toekomst te voorkomen is het noodzakelijk dat de stadsdelen hun parkeerbeleid vaststellen met in achtneming van deze verordening. Voorzover de stedelijke beleidsdoelen ten aanzien van het parkeren niet in deze verordening zijn (of kunnen worden) vastgelegd, geldt uiteraard dat de centrale stad er voor dient te waken dat de verkeersveiligheid in de stad niet gefrustreerd wordt door beleid van een afzonderlijk stadsdeel.

Bevoegdheden die een centrale regeling behoeven zijn geplaatst op de A-lijst behorende bij de verordening op de stadsdelen. In de toelichting bij de betreffende artikelen wordt daar nader op ingegaan.

Lid 3. Het instellen van een parkeerschijfzone is een bevoegdheid van de stadsdelen (op basis van de algemene delegatiebepaling van de Verordening op de stadsdelen). Het is vanwege de duidelijkheid voor de bewoners en de bezoekers en vanwege een adequate handhaving niet wenselijk dat te veel regimes naast elkaar worden gebruikt. Om die reden is het op basis van dit lid niet mogelijk een bepaald gebied aan te wijzen als fiscaal gebied (derhalve een gebied waar voor het parkeren belasting wordt geheven) indien dat gebied als een parkeerschijfzone is ingesteld. Indien een stadsdeel binnen een fiscaal gebied het toch nodig acht de doorstroming van de geparkeerde auto's extra te bevorderen, kan gebruik worden gemaakt van de zogenoemde fiscale parkeerduurbeperking zoals omschreven in artikel 31.

Artikel 3.

Lid 1 en 2. In verband met de uniformiteit en herkenbaarheid stelt de centrale stad vast op welke dagen in ieder geval fiscaal betaald parkeren moet worden toegepast in een gebied met fiscaal betaald parkeren. De woorden "in ieder geval" brengen tot uitdrukking dat de stadsdelen aanvullend één of meer blokken kunnen aanwijzen. Dat kunnen één of meer blokken op zaterdag dan wel zaterdag of zondag zijn en/of één of meer blokken gedurende één of meer dagen van de week. Zo kan bijvoorbeeld in een winkelgebied op donderdag het avondblok worden toegevoegd (koopavond), of in een uitgaansgebied het avondblok op vrijdag en/of zaterdag. Het basisregime verschilt voor de gebieden binnen en buiten de ring.

Lid 3. De stadsdelen zijn - met het oog op de wenselijkheid van eenheid van tijden - gehouden aan de bloktijden. Alleen, indien op basis van artikel 31 een parkeerduurbeperking geldt kan afgeweken worden van de bloktijden. Zie de toelichting bij artikel 31.

Lid 4. Het ismogelijk om voor een deel van het avondblok of nachtblok betaald parkeren in te voeren. Voorwaarde is daarbij wel dat het regime aansluit aan een voorafgaand of daaropvolgend blok. Indien er bijvoorbeeld voor gekozen wordt om voor een deel van het nachtblok betaald parkeren in te voeren dan moeten de uren aansluiten aan de voorgaande avond of aan de daaropvolgende ochtend.

Hoofdstuk 2.

Dit hoofdstuk bevat een limitatieve opsomming van onderwerpen die bij de stadsdelen zijn gelegd. Stadsdelen kunnen op die manier maatwerk leveren.

Ten aanzien van een aantal zaken zijn evenwel niet de afzonderlijke stadsdelen, doch is slechts het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd. Veelal gaat het daarbij om onderwerpen waarvan uniformiteit in hoge mate wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld de vaststelling van de lijst van de professionele zorg- of hulpverleningsinstelling die voor een hulpverlenervergunning in aanmerking kunnen komen). In de betreffende artikelen wordt met de woorden: "Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen", tot uitdrukking gebracht dat het om een centrale bevoegdheid gaat en het college van Burgemeester en Wethouders derhalve het bevoegde gezag is. Om die constructie ook juridische relevantie te geven, zijn de bevoegdheden van het College van Burgemeester en Wethouders geplaatst op de A-lijst behorende bij de verordening op de stadsdelen.

Artikel 4.

Lid 1, onder a. In het kader van een betere parkeerregulering door het stadsdeel worden de grenzen van de vergunninggebieden aan de stadsdelen overgelaten. De buitengrens wordt altijd gevormd door de grenzen van het stadsdeel. De verdere verdeling wordt door het stadsdeelbestuur aangegeven.

Lid 1, onder b. Een vergunningenplafond wordt vastgesteld met het oog op de bereikbaarheid voor het noodzakelijk autoverkeer. Zie ook de toelichting bij lid 2.

Lid 1, onder d. De voorwaarden waaraan de stadsdelen zijn gebonden, zijn te vinden in artikel 3.

Lid 1, onder e. Een overloopgebied biedt uitkomst wanneer er sprake is van grote verschillen in parkeerdruk tussen verschillende vergunninggebieden binnen één stadsdeel, waarbij in het ene gebied sprake is van een wachtlijst en in het andere gebied geen wachtlijst is.

Lid 1, onder f. In bepaalde gevallen wordt in de verordening slechts het maximale aantal vergunningen vermeld dat kan worden verleend. De stadsdelen kunnen in die gevallen zelf bepalen of zij het maximale aantal vergunningen willen verlenen of dat zij van een beperkter aantal willen uitgaan. De nadere regels van de stadsdelen zullen hierover dan ook uitsluitsel dienen te geven. Dat geldt ook voor het geval er in een bepaling is aangegeven dat het aantal vergunningen verminderd dan wel vermeerderd kan worden

Lid 2. De 10% noodzakelijke leegstand is nodig om de doorstroming van het verkeer te garanderen. Het moet gaan om minimaal 10% van het aantal bruikbare parkeerplaatsen overdag op de openbare weg. Het is aan de stadsdelen of zij ook voor de avond en nacht uit willen gaan van 10% leegstand. Ook is het mogelijk het vergunningenplafond op 0 te stellen (bijvoorbeeld in het geval de parkeerplaatsen slechts zijn bedoeld voor bezoekers), zodat parkeren op de eventuele parkeerplaatsen slechts kan met minutenkaarten (dan wel parkeer & bel, dan wel kentekeninvoer op de automaat), kraskaarten, hulpverlenervergunningen, GA-parkeervergunningen en de stadsbrede autodeelvergunning.

Lid 4. Het staat het stadsdeel vrij om naar eigen bevinden dynamisch om te gaan met het milieuparkeervergunningenplafond, zolang dit leidt tot beter gebruik van de beschikbare parkeercapaciteit.

Artikel 5.

Lid 2. Uitgangspunt van deze verordening is dat de parkeervergunningen en belanghebbendenvergunningen verleend worden op kenteken, tenzij in of krachtens deze verordening anders is bepaald. De in dit artikel genoemde vergunningen kunnen alleen op code worden verleend indien het betreffende stadsdeel dat in de nadere regels heeft bepaald. 

Artikel 6.

Lid 1, onder a. Zie artikel 10, lid 10, en de daarbijbehorende toelichting.

Lid 1, onder b. Zie artikel 13, lid 3, en de daarbijbehorende toelichting.

Lid 1, onder c. Zie artikel 28, lid 4 en de daarbijbehorende toelichting

Lid 1, onder e. Zie artikel 31 en de daarbijbehorende toelichting.

Lid 2. De overige regelingen die op basis van de verordening vastgesteld worden, betreffen centraal vast te stellen regelingen. Per afzonderlijk artikel is -voorzover van toepassing - de bevoegdheid van het College van Burgemeester en Wethouders bepaald.

Hoofdstuk 3.

Artikel 7.

Lid 1 In dit artikel worden de vergunningsoorten limitatief benoemd. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de parkeervergunningen (de fiscale vergunningen) en de bijzondere vergunningen.

Lid 2. De parkeervergunningen betreffen de fiscale vergunningen. De parkeerbelasting wordt voldaan door periodiek te betalen voor de vergunning. Een houder van een geldige parkeervergunning kan binnen een bepaald vergunninggebied vrij parkeren in die zin dat geen parkeerbelasting meer hoeft te worden voldaan via de parkeerautomaat, behoudens in het geval dat er in een gebied een fiscale parkeerduurbeperking geldt. Zie de toelichting bij artikel 31.

Lid 3. Om tegemoet te komen aan de behoefte aan maatwerk voor specifieke situaties zijn aanvullende (niet-fiscale) instrumenten ingevoerd te weten; de bijzondere vergunningen. De bijzondere vergunningen betreffen de kraskaartvergunning en de belanghebbendenvergunning. De kraskaartvergunning is bijzonder omdat deze geen vrijstelling geeft van het betalen van parkeerbelasting, doch wel korting geeft op het uurtarief via de daarvoor te gebruiken kraskaarten. De belanghebbendenvergunning is bijzonder omdat de houder het recht krijgt gebruikt te maken van een gereserveerde parkeerplaats.

Lid 4. Vergunningen worden in de regel op kenteken verleend. Voor sommige vergunningen is het in de verordening mogelijk gemaakt om de vergunning ook op code te verlenen. Indien die mogelijkheid in of krachtens de verordening niet is gegeven, dan mag niet van de hoofdregel worden afgeweken. De vergunning kan dan alleen op kenteken worden verleend.

Lid 5. Om de uniciteit van de code te waarborgen, wordt centraal bepaald, welke codes aan een bedrijf/instelling worden toegewezen. De bevoegdheid is als centrale bevoegdheid in de A-lijst opgenomen.

Artikel 8.

Lid 1. De volgorde van binnenkomst wordt vastgelegd door middel van het toekennen van een volgnummer.

Lid 2. De bevoegdheid is als centrale bevoegdheid in de A-lijst opgenomen. De reden is dat het formulier waarop de aanvraag voor een vergunning wordt ingediend, uniform van karakter moet zijn en stadsbreed toepasbaar. Dit vergroot de rechtszekerheid en de privacy van de aanvrager, terwijl de eenduidigheid van de registratie van gegevens in de eigen bestanden van de vergunningverlener gewaarborgd wordt.

Artikel 9.

 Lid 1. Slechts bewoners van een zelfstandige woning komen in aanmerking voor een bewonersvergunning. Men dient dit aan te tonen door middel van een uittreksel van het Register Amsterdam uit de gemeentelijke basisadministratie. Wat onder een zelfstandige woning moet worden verstaan is omschreven in artikel 1, onder mm. Bij de uitgifte van bewonersvergunningen dient, gelet op de schaarste aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte, het beschikken of kunnen beschikken over een stallingsplaats of een belanghebbendenparkeerplaats een rol te spelen. Daarom is als voorwaarde voor het verlenen van een bewonersvergunning gesteld dat een bewoner niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats.Onder kan beschikken wordt ook verstaan dat de aanvrager een stallingsplaats kan kopen of huren in de garage die hoort bij het blok(deel) waar hij gevestigd is.

Gerechtelijke uitspraken bevestigen dat uitgegaan moet worden van een ruime interpretatie van kan beschikken, het feit dat dit ook geldt voor parkeerplaatsen in  ‘het blok(deel)' is in lijn met verschillende uitspraken van onder meer de Amsterdamse rechtbank.

De stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats moet gelegen zijn binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam. In de regel betekent dit dat in een vergunninggebied waarin het parkeren inpandig georganiseerd is geen parkeervergunningen worden verstrekt. Hieraan kan in een uitwerkingsbesluit of garageverordening nadere invulling worden gegeven.

In een vergunninggebied waarin het parkeren inpandig is georganiseerd en geen parkeervergunningen worden verstrekt, hebben bewoners of bedrijven geen recht op een parkeervergunning als zij bij aanschaf of huur van een woning of vestiging een stallingplaats konden kopen of huren in of bij het complex van de woning of vestiging.

Bij kan beschikken gaat het niet om de vraag of men financieel in staat is een stallingsplaats te kopen of huren, maar om de vraag of er een stallingsplaats te koop of te huur is.

De rechtbank heeft laatstelijk in 2011 uitgesproken (in een zaak in het voormalig stadsdeel Bos en Lommer) dat financiële beperkingen geen aanleiding zijn  voor het niet naleven van dit artikel of voor het maken van een uitzondering.

Opvolgende kopers of huurders van eerste kopers of huurders zonder stallingplaats, worden geacht bekend te zijn met het gegeven dat er op dat adres geen aanspraak bestaat op een parkeervergunning, ook als de eerste koper of huurder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van de koop of huur van een stallingplaats.

Wat onder een stallingsplaats wordt verstaan is geregeld in artikel 1, onder dd. De definitie van een belanghebbendenparkeerplaats is te vinden in artikel 1, onder d . Bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats beschikt of kan beschikken, moet uitgegaan worden van een ruime interpretatie. Indien men bijvoorbeeld de beschikking heeft (op grond van huur of koop) over een individuele garage of een parkeerplek bij of in de buurt van de woning, dan moet ervan worden uitgegaan dat men kan beschikken over een stallingsplaats.

Indien een bewoner een stallingsplaats niet als zodanig in gebruik heeft of niet als zodanig gerealiseerd heeft, komt dit voor risico van de bewoner. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld de situatie dat een woning beschikt of behoort te beschikken over een garage of een parkeerplek doch deze voor andere doeleinden wordt gebruikt. Dat laatste geldt evenwel niet indien bijvoorbeeld een garage op legale wijze (bijvoorbeeld door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan) voor andere doeleinden in gebruik is.

Lid 2. Of in een stadsdeel in beginsel één of twee bewonersvergunningen per zelfstandige woning wordt verleend, moet blijken uit de nadere regels van het betreffende stadsdeel.

Lid 3. Het kan zijn dat binnen een vergunninggebied twee bewonersvergunningen per zelfstandige woning kunnen worden verleend. Indien een bewoner van een zelfstandige woning over slechts één stallingsplaats of één belanghebbendenparkeerplaats kan beschikken, is het - ten opzichte van andere bewoners van zelfstandige woningen die twee bewonersvergunning kunnen krijgen - onredelijk om de betreffende bewoner voor geen enkele bewonersvergunning in aanmerking te laten komen. Indien een bewoner beschikt of kan beschikken of meer dan één stallingsplaats of over meer dan één belanghebbendenparkeerplaats komt de bewoner niet voor een bewonersvergunning in aanmerking.

Lid 4. In hoeverre deze bepaling wordt toegepast in afhankelijk van de nadere regels van het betrokken stadsdeel.

Lid 5. Indien een bewoner al een milieuparkeervergunning heeft, komt deze niet in aanmerking voor een gewone bewonersvergunning, indien slechts één vergunning per adres wordt verstrekt. Daarvoor zal de milieuparkeervergunning eerst ingeleverd moeten worden.

Artikel 10.

Lid 1. De bedrijfsvergunning wordt verleend aan een bedrijf en derhalve niet aan een individuele werknemer. Het is dan ook het bedrijf dat de aanvraag moet indienen. Bij de beoordeling of een bedrijf gelegen is binnen een vergunninggebied wordt in eerste instantie uitgegaan van de vestiging volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Voor bedrijven met bijvoorbeeld ambulante handel (doorgaans marktkooplieden) kan dit een probleem betekenen. In die gevallen mag op andere wijze worden aangetoond dat er binnen het vergunninggebied sprake is van daadwerkelijke uitoefening van het bedrijf.

Lid 2. Het gaat in dit lid om het maximale aantal vergunningen dat kan worden verleend. Gelet op het woord "kan" zijn de stadsdelen bevoegd ook minder vergunningen te verstrekken. De krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels van het betrokken stadsdeel dienen daar uitsluitsel over te geven. Uitgaande van het maximale aantal ziet de verlening er als volgt uit:

indien een bedrijf gelegen is binnen gebied I dan geldt maximaal:

-  1 tot en met 50 werknemers: één vergunning;

-  51 tot en met 100 werknemers: twee vergunningen;

-  enz;

indien een bedrijf gelegen is binnen gebied II, dan geldt maximaal:

-  1 tot en met 10 werknemers: één vergunning;

-  11 tot en met 20 werknemers: twee vergunningen;

-  enz;.

indien het bedrijf gelegen is binnen gebied III dan geldt maximaal:

-   één tot en met vijf werknemers: één vergunning;

-  zes tot en met tien werknemers: twee vergunningen;

-  enz.

Uitgegaan wordt van daadwerkelijke gestationeerde werknemers in een bedrijf. Er zijn immers bedrijven (bijvoorbeeld uitzendbureaus) die veel mensen in dienst hebben die hun werkelijke werkplek op een geheel andere locatie hebben.

Lid 3. Wat verstaan wordt onder een bedrijventerrein is omschreven in artikel 1, onder c . Het locatiebeleid is vastgelegd in het Structuurplan Amsterdam, getiteld: Kiezen voor stedelijkheid 2003-2010. Het Structuurplan verwijst voor de locatiekwalificatie naar het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan. De norm voor het aantal te verstrekken bedrijfsparkeervergunningen is afhankelijk van de vraag of het bedrijventerrein een A-, B-, C- of R-locatie is.

Voor de A-locaties geldt dat maximaal één bedrijfsparkeervergunning wordt verstrekt per tien werknemers;

Voor de B-locaties geldt dat maximaal één bedrijfsparkeervergunning wordt verstrekt per vijf werknemers;

Voor de C- en de R-locaties geldt geen beperkende norm in relatie tot het aantal werknemers van een specifiek bedrijf. Wel geldt dat het vergunningenplafond voor dat bedrijventerrein niet mag worden overschreden (tenzij anders bepaald in of krachtens deze verordening) en dat daarbinnen een rechtvaardige verdeling van het aantal mogelijk te verstrekken parkeervergunningen plaatsvindt.

Lid 7. Deze bepaling is opgenomen in verband met de schaarste aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Zie ook de toelichting bij artikel 9, lid 1. Met bij het bedrijf behorende parkeerplaatsen worden tevens parkeerplaatsen die conform de parkeernorm zijn toebedeeld aan het bedrijf bedoeld (zoals in parkeergarages).

Lid 9. In hoeverre deze bepaling wordt toegepast is afhankelijk van het terzake bepaalde in de nadere regels van het betrokken stadsdeel.

Lid 10. Ambulante handelaren (marktkooplieden e.d.) zijn soms maar één of twee dagen werkzaam in een vergunninggebied. Toch tellen deze vergunningen mee bij het bereiken van het vergunningenplafond. Om die reden is het mogelijk om aan ambulante handelaren een extra voorwaarde te stellen voor vergunningverlening.

Artikel 11.

Lid 1. Parkeervergunningen worden ingevolge artikel 7, lid 4, van deze verordening op kenteken uitgegeven. Voor sommige bedrijven en instellingen kan dit een probleem vormen. Het is op basis van dit artikel mogelijk om bedrijfsvergunningen op code te verlenen. De verlening op code moet uitdrukkelijk nodig zijn vanwege de bedrijfsvoering.

Ook de bedrijfsvergunning op code wordt verleend aan het bedrijf en niet aan de individuele werknemer. Dat betekent overigens niet dat het bedrijf de op code verleende vergunning door een ieder mag laten gebruiken. Een bedrijfsvergunning is bedoeld voor degenen die gerelateerd zijn aan het bedrijf zoals de werknemers. Dat de vergunning op code is verleend doet daar niet aan af. Bezoekers en anderen zoals leveranciers mogen dus geen gebruik maken van de aan het bedrijf verleende vergunning.  

Lid 1 onder a, met een volcontinu bedrijfsproces wordt bedoeld; 24 uur per dag open.

Lid 1 onder b, het onvermijdelijk wisselende bestand van auto's als bijvoorbeeld het gevolg van werken in shifts / wisseldiensten waardoor 1 vergunning per dag voor meerdere auto s gebruikt wordt.

Lid 3. Zie de toelichting bij artikel 10.

Artikel 12.

Lid 1. De lengte van de wachtlijsten voor parkeervergunningen wordt in Amsterdam door bewoners en bedrijven als een probleem beschouwd. Dit probleem wordt verzacht door de mogelijkheid van een overloopvergunning. Deze vergunning opent de mogelijkheid tot een betere benutting van de parkeerruimte binnen een stadsdeel. 

Lid 2. Indien er een samenloop is van verschillende wachtlijsten dan is de datum van plaatsing op de wachtlijst bepalend voor de volgorde.

Artikel 13.

Lid 1. Sportverenigingen zijn in belangrijke mate afhankelijk van de inzet van vrijwillige kader (kantine-personeel, scheidsrechters, materiaalmensen, enzovoort). Om het betaald parkeren geen belemmering te laten vormen voor de sportverenigingsstructuur kunnen niet-commerciële sportverenigingen op basis van dit artikel in aanmerking komen voor een sportverenigingvergunning.

Het kan zijn dat een sportvereniging niet gevestigd is in het vergunninggebied waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Indien de betreffende sportvereniging kan aantonen (door middel van bijvoorbeeld een contract) dat haar leden in hoofdzaak gebruik maken van een sportaccomodatie (bijvoorbeeld de Jaap Edenbaan) in een bepaald vergunninggebied mag een sportverenigingvergunning verleend worden. 

Lid 2. Indien de sportorganisatie gevestigd is binnen gebied I dan geldt:

-  1 tot en met 50 leden: één vergunning;

-  51 tot en met 100 leden: twee vergunningen;

-   enz.

Indien de sportorganisatie gevestigd is binnen gebied II, dan geldt:

-   één tot en met tien leden: één vergunning;

-  11 tot en met 20 leden: twee vergunningen;

-  enz.

indien de sportorganisatie gevestigd is binnen gebied III dan geldt:

-   één tot en met vijf leden: één vergunning;

-  zes tot en met tien leden: twee vergunningen;

-   enz.

Lid 3. De stadsdelen kunnen als zij het nodig achten het maximale aantal sportverenigingvergunningen beperken tot maximaal tien per sportorganisatie. De nadere regels van het betreffende stadsdeel dienen daar uitsluitsel over te geven.

Artikel 14.

Lid 1.De stadsdelen bepalen of zij het nodig achten om volkstuinvergunningen uit te geven. De nadere regels van het betreffende stadsdeel dienen daar uitsluitsel over te geven. De volkstuinvergunning wordt verleend aan de rechtspersoon die - in bijvoorbeeld een huishoudelijk reglement - zelf kan bepalen hoe de vergunningen binnen het volkstuincomplex worden verdeeld.

Lid 2. Omdat niet alle volkstuincomplexen beschikken over grond waarop huisjes opgericht mogen worden, is uitgegaan van het aantal percelen op het volkstuincomplex. Indien het volkstuincomplex gelegen is binnen gebied I dan geldt:

-  1 tot en met 50 percelen: één vergunning;

-  51 tot en met 100 percelen: twee vergunningen;

-  enz.

Indien het volkstuincomplex gelegen is binnen gebied II of gebied III, dan geldt:

-  één tot en met drie percelen: één vergunning;

-   vier tot en met zes percelen: twee vergunningen;

-  enz.

Artikel 15.

De hulpverlenervergunning is bij de invoering van de Parkeerverordening 2002 in de plaats gekomen van de toen nog bestaande dienstenvergunning. De dienstenvergunning is in het verleden op grote schaal uitgegeven. In verband met de schaarste aan parkeerruimte en een rechtvaardige verdeling van de vergunningen, was het noodzakelijk een strenger beleid te gaan voeren. Kort samengevat wordt voortaan nauw toegezien dat de vergunning vanwege de beroepsuitoefening daadwerkelijk noodzakelijk is.

Lid 1. Onder huisarts of verloskundige wordt verstaan degene die op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg gerechtigd is die titel te mogen voeren maar tevens ook degene die nog in opleiding is voor huisarts of verloskundige. Voorwaarde is wel dat zij zodanig gevorderd zijn in hun opleiding dat zij reeds zelfstandig diensten draaien en daarbij gebruik maken van een eigen auto. Voorts wordt onder huisarts of verloskundige ook hun waarnemer verstaan, mits de waarnemer voor een langere periode werkzaam is in de praktijk of de waarnemer aangesloten is bij de waarnemerscentrale van Amsterdam.

Lid 2. De hulpverlener die slechts incidenteel zorg of hulp aan huis verleent, komt niet voor de vergunning in aanmerking. Met wisselende plaatsen wordt bedoeld het verlenen van hulp of zorg op wisselende plaatsen op één dag of gedurende één dienst.

Lid 3. Voor het bepalen van het aantal hulpverlenervergunningen geldt:

-   één tot en met vijf werknemers: één vergunning;

-  zes tot en met tien werknemers: twee vergunningen;

-  enz.

In totaal worden niet meer dan 15 hulpverlenervergunningen per professionele zorg- of hulpverleningsinstelling verleend.

Lid 4. Het samenstellen van de lijst is als centrale bevoegdheid in de A-lijst opgenomen.

Bij het samenstellen van de lijst worden de stadsdelen gehoord. De criteria die gehanteerd worden bij het samenstellen van de lijst, zullen nauw aansluiten bij die omschreven in lid 2, onder b . Daarbij zal nauw worden gelet op de aard van de werkzaamheden en de frequentie van de verleende zorg of hulp.

Tandartspraktijken of praktijken voor fysiotherapie komen slechts in aanmerking om op de lijst te worden geplaatst, indien aangetoond is dat de patiënten uitsluitend of in overwegende mate niet op het praktijkadres komen.

Lid 5. Op basis van de Parkeerverordening 2002 was het niet toegestaan een hulpverlenervergunning op code te verlenen. Onder het regime van deze verordening is dat wel mogelijk.

Artikel 16.

Lid 1. De Milieuparkeervergunning is geïntroduceerd om bewoners en bedrijven te stimuleren schonere motorvoertuigen te kopen. Omdat nieuwere auto's in de regel steeds schoner worden, moeten de eisen om in aanmerking te komen voor een milieuparkeervergunning daarin meegaan. Om deze reden is het opstellen van de eisen voor een milieuparkeervergunning neergelegd in een uitvoeringsbesluit (vast te stellen door Burgemeester en Wethouders van de centrale stad, bevoegdheid is geplaatst op de A-lijst). Op deze manier kan snel geanticipeerd worden op nieuwe ontwikkelingen. Voor de milieuparkeervergunning gelden verder dezelfde eisen als voor een bewoners- of bedrijfsvergunning.

Lid 2. Om de milieuparkeervergunning aantrekkelijk te maken, is ervoor gekozen deze vergunning sneller te laten doorstromen op de wachtlijst. Hiermee kunnen mensen met een schonere auto sneller beschikken over een parkeervergunning, in het geval van een wachtlijst. De wijze van uitgifte wordt vastgesteld door B&W van de centrale stad.

Er is geen bepaling opgenomen over het intrekken van de milieuparkeervergunning. Indien een houder van een dergelijke vergunning een auto koopt die niet aan de eisen van de milieuparkeervergunning voldoet, kan de vergunning in worden getrokken op basis van artikel 37, lid 1c.

Omdat de bewonersvergunning en de milieuparkeervergunning voor bewoners twee verschillende vergunningen zijn, moet de bewonersvergunning eerst ingeleverd worden. Eventuele oude rechten die waren opgebouwd vervallen hierdoor. Hierbij gaat het onder andere om een tweede bewonersvergunning, indien deze niet meer wordt verleend in het vergunninggebied en een vergunning voor medegebruik van een motorvoertuig. De aanvraagdatum van een vergunning wordt wel meegenomen. Deze punten gelden ook voor de bedrijfsvergunning. Zie hiervoor ook de toelichting van artikel 34 de leden 8 tot en met 11.

Leidend bij het vaststellen of een voertuig een milieuparkeervergunning kan krijgen, is de situatie bij de ontvangst van de aanvraag voor de milieuparkeervergunning en niet bij het verlenen ervan (indien er een wachtlijst is, geldt dus dat bij het plaatsnemen op de wachtlijst de situatie leidend is).

Artikel 18

Voor de milieuparkeervergunning voor bedrijven is het mogelijk deze, net als de bedrijfsvergunning, op code te stellen indien dit is bepaald in de nadere regels genoemd in hoofdstuk 2.

Artikel 19

Lid 1. Indien werknemers hun werkplek moeilijk kunnen bereiken, kan dat leiden tot personeelstekort. Vanuit maatschappelijk oogpunt wordt dit voor bepaalde sectoren in de stad ongewenst geacht. In de stad dienen immers voldoende zorginstellingen, scholen en politiebureaus aanwezig te zijn. Omdat de problematiek per stadsdeel verschilt, is het aan de stadsdelen om te besluiten of ze, al dan niet, maatschappelijke vergunningen zullen verlenen. Het kan zijn dat in een stadsdeel de behoefte wordt gevoeld om de maatschappelijke vergunning bijvoorbeeld alleen aan onderwijsinstellingen te verlenen. Indien een stadsdeel besluit maatschappelijke vergunningen te verlenen dan moet die mogelijkheid opgenomen worden in de nadere regels van het betreffende stadsdeel. Bepaald moet dan worden aan welke sector (of sectoren) bedoeld in lid 1, de maatschappelijke vergunning verleend wordt.

Wat onder een zorginstelling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1, onder nn.

Leden 2 en 3. Bij het bepalen van het aantal te verlenen maatschappelijke vergunningen per zorginstelling, onderwijsinstelling of politiebureau moet uitgegaan worden van het maximale aantal bedrijfsvergunningen waar men recht op heeft. Indien het maximale aantal bedrijfsvergunningen derhalve - nog - niet verkregen is omdat er in het betreffende vergunninggebied een wachtlijst is, dan moet uitgegaan worden van het aantal bedrijfsvergunningen waarop men op basis van het aantal werknemers recht heeft. In de nadere regels van de stadsdelen staat hoeveel bedrijfsvergunningen per bedrijf verleend kunnen worden. Zie ook de toelichting bij artikel 10.

De maatschappelijke vergunning kan op code worden uitgegeven én wordt verstrekt boven het vergunningplafond. Dit laatste betekent dat deze vergunning ook verleend kan worden indien er een wachtlijst is in het betreffende vergunninggebied.

Artikel 20.

Lid 3. Het gaat in dit artikel om een faciliteit aan het georganiseerde autodelen; niet aan autodelen binnen de privé van familie, kennissen of anderszins. De bevoegdheid tot het vaststellen van de voorwaarden, is als centrale bevoegdheid in de A-lijst opgenomen.

Artikel 21.

De stadsbrede autodeelvergunning is geïntroduceerd om deelautoaanbieders te stimuleren milieu-innovatieve auto's in te zetten. Burgemeester en Wethouders stellen vast wat onder milieu-innovatie auto's wordt verstaan. Dit is als centrale bevoegdheid in de A-lijst opgenomen.

Artikel 22.

Lid 1. Objectieve wijze houdt in dat men een verklaring kan overleggen van bijvoorbeeld de huisarts of van een andere professionele instanties (bijvoorbeeld de Stichting Tot en Met). Indien men beschikt over een indicatie voor thuiszorg of een verpleeghuis kan met overlegging van die indicatie worden volstaan.

Lid 2. Ook mantelzorgers van buiten Amsterdam komen in aanmerking.

Lid 3. Aangenomen wordt dat, indien er meer personen mantelzorg verlenen, dit bij toerbeurt gebeurt. Er wordt derhalve slechts één vergunning verleend.

Artikel 23 .

Onder het regime van de Parkeerverordening 2002 en 2005 gold de regel dat een parkeerplaats die bezet werd door een voertuig, voorzien van een geldige en duidelijke zichtbare gehandicaptenparkeerkaart, niet aangemerkt werd als een parkeerapparatuurplaats. Op die manier konden gehandicapten gratis parkeren in Amsterdam. Dit systeem is nu vervangen in die zin dat bewoners die in het bezit zijn van een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen voor een GA-parkeervergunning. Zij behoeven voor die vergunning geen parkeerbelasting te betalen zodat ook onder de nieuwe regeling gratis geparkeerd kan worden. De GA-parkeervergunning is een stedelijke vergunning. Gehandicapte bestuurders kunnen maximaal één kenteken op de GA-parkeervergunning laten toekennen (het kenteken van het voertuig dat op hun naam staat); gehandicapte passagiers en instellingen maximaal drie kentekens.

In de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (een ministeriële regeling) zijn de criteria voor de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten opgenomen.

Het nieuwe systeem heeft als voordeel dat de gehandicaptenparkeerkaart minder aantrekkelijk wordt voor derden (en daarmee minder gevoelig voor fraude en diefstal) terwijl toch geen afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt om gehandicapten gratis te laten parkeren. Houders van een gehandicaptenparkeerkaart van buiten de stad kunnen onder vertoon van hun gehandicaptenparkeerkaart kosteloos een gehandicaptenjaarkaart krijgen (zie de toelichting bij artikel 26).

Op grond van artikel 86 van het RVV worden met een gehandicaptenparkeerkaart gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voorzover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen (zieartikel 6 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaarten).

Artikel 24.

Leden 1 en 2. Gehandicapten en ouderen zijn voor het onderhouden van hun sociale contacten, meer dan anderen, afhankelijk van het ontvangen van bezoek. Voor gehandicapten beneden de 65 jaar dient blijkens een medische indicatie vast te komen staan dat men aangewezen is op vervoer door derden of slechts onder begeleiding kan reizen. Een medische indicatie kan bestaan uit een verklaring van de huisarts of uit een verklaring van een andere professionele instantie (bijvoorbeeld de Stichting Tot en Met). Voor oudere bewoners (65 jaar of ouder) geldt dat het leeftijdscriterium op zich al voldoende is.

Lid 3. De kraskaartvergunning geeft recht op het aanschaffen van kraskaarten waarmee men het bezoek tegen een gereduceerd tarief kan laten parkeren.

Lid 4. Met deze bepaling wordt tot uitdrukking gebracht dat een gehandicapte bewoner die 65 jaar of ouder is slechts éénmaal in aanmerking komt voor één kraskaartvergunning.

Artikel 25

Lid 1. Het kan in sommige situaties gewenst zijn parkeerruimte voor korte of langere periode te reserveren voor specifieke doelgroepen. De belanghebbendenvergunning is uitdrukkelijk een ander soort vergunning dan de fiscale parkeervergunning. Een belanghebbendenvergunning wordt niet verleend in het kader van de gemeentelijke parkeerbelasting, maar is een vergunning op grond van de verkeerswetgeving, waarvoor leges worden geheven. Het aanwijzen van een belanghebbendenparkeerplaats is een bevoegdheid van de stadsdelen. Dit volgt uit de Verordening op de stadsdelen. De vergunning kan ook voor een beperkte tijd (bijvoorbeeld alleen overdag) worden verleend; de parkeerplaats is dan slechts gedurende een deel van de dag een belanghebbendenparkeerplaats.

Lid 2. Door middel van het plaatsen van het bord E9 kunnen één of meer parkeerplaatsen worden toegewezen aan specifieke groepen van weggebruikers. Daarmee is tegelijkertijd een parkeerverbod van kracht voor ieder ander die niet beschikt over een vergunning voor die belanghebbendenparkeerplaats(en).

Lid 4. Het samenstellen van de lijst is een centrale bevoegdheid waarover de stadsdelen gehoord zullen worden. Deze bevoegdheid is opgenomen op aan de A-lijst, de bijlage van de Verordening op de stadsdelen. De belanghebbende die in ieder geval op de lijst worden opgenomen betreffen de hulpverleners in de eerstelijns zorg (huisartsen en verloskundigen) en de autodeelorganisaties.

Leden 5 en 6. Blijkens het RVV 1990 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kunnen onder verkeersborden onderborden worden geplaatst. Als er onderborden worden aangebracht met de strekking van de onderborden in artikel 8, tweede lid, onderdelen b en c , van het BABW, moeten deze rechtsgrond ontlenen aan bepalingen uit een gemeentelijke verordening. Vandaar dat in de leden 5 en 6 omschrijvingen van de toe te passen onderborden zijn opgenomen.

Lid 7. Het kan uit praktisch oogpunt zijn dat de aangewezen belanghebbendenparkeerplaats afwisselend bezet wordt door verschillende motorrijtuigen maar dat een vergunning op code niet noodzakelijk of wenselijk is. Er worden evenwel niet meer belanghebbendenvergunningen verleend dan bijvoorbeeld het aantal deelauto's dat de organisatie in bedrijf heeft.

Artikel 26.

Dit artikel regelt welke parkeerkaarten er in Amsterdam worden uitgegeven. De minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, week- of maandkaarten kunnen door iedereen worden aangeschaft. De kraskaart kan alleen worden aangeschaft door de houder van een kraskaartvergunning. De kraskaarten worden slechts uitgegeven ten behoeve van het bezoek van de houders van een kraskaartvergunning. De toeristenkaarten worden slechts uitgegeven ten behoeve van de in de gemeente verblijvende hotelgasten. Ze kunnen worden aangeschaft door hoteleigenaren, beheerders van hotels of door organisaties die zich bezighouden met het regelen van slaapgelegenheid voor toeristen. De gehandicaptenjaarkaarten kunnen slechts worden aangeschaft door houders van een Europese Gehandicaptenparkeerkaart die geen bewoner zijn van Amsterdam. Met deze kaart krijgen zij een parkeerrecht voor een jaar.

Artikel 27.

Dit artikel regelt de geldigheidsduur van de vergunningen. De tarieven van de vergunningen worden geregeld in de Verordening parkeerbelastingen.

Leden 2 en 5. Formeel zou iedere vergunninghouder iedere zes maanden een nieuwe aanvraag moeten indienen. Omdat dit zowel voor de burgers als voor de uitvoerders niet praktisch is, worden de parkeervergunningen - behoudens de mantelzorgvergunning - steeds stilzwijgend verlengd zolang aan alle voorwaarden wordt voldaan. Het niet tijdig voldoen van de parkeerbelasting zal altijd vrij snel bekend zijn. Indien ook op een herinnering niet tijdig wordt gereageerd, dan vervalt de vergunning automatisch. Met tijdig wordt hier bedoeld voor ingangsdatum van de nieuwe vergunningperiode. Of houders van een parkeervergunning nog voldoen aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening zal doorgaans steekproefsgewijs worden gecontroleerd.

Ook de kraskaartvergunning verleend op basis van artikel 24, lid 2 wordt stilzwijgend verlengd zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. 

Lid 4. Maximaal elke twee jaar moet debelanghebbendenvergunning en de kraskaartvergunning voorgehandicapte bewoners opnieuw worden aangevraagd. Waarna stilzwijgend kan worden verlengd of er kan een toets plaatsvinden of nog voldaan wordt aan de voorwaarden tot afgifte van de vergunning.

Lid 7. De mantelzorgvergunning is per definitie een tijdelijke vergunning, namelijk voor de tijd dat de mantelzorg vereist is en daadwerkelijk plaatsvindt. Periodiek zal daarom worden getoetst, of de omstandigheden die hebben geleid tot het verlenen van een mantelzorgvergunning, nog steeds van toepassing zijn.

Artikel 28.

Dit artikel regelt de plaats van geldigheid van de vergunningen. De meeste vergunningen zijn geldig in één vergunninggebied. Alleen de hulpverlenervergunning, de stadsbrede autodeelvergunningen de GA-parkeervergunning zijn geldig in alle vergunninggebieden. Bedacht moet echter worden dat op basis van het vierde lid enartikel 31 de geldigheid van een parkeervergunning (behoudens de hulpverlenervergunning, de stadsbrede autodeelvergunning en de GA-parkeervergunning) binnen een vergunninggebied gedurende bepaalde tijden voor bepaalde gebieden beperkt kan zijn. Zie de toelichting bij artikel 31.

De kraskaartvergunning geeft geen vrijstelling van het moeten betalen van parkeerbelasting doch geeft het recht tot de aanschaf van kraskaarten die geldig zijn in het tariefgebied waarvoor deze worden uitgegeven maar uitsluitend binnen het eigen vergunninggebied.

Leden 4 en 5. Stadsdelen kunnen het wenselijk achten dat binnen een fiscaal parkeergebied de bereikbaarheid van een bepaald gebied wordt verhoogd. Gedacht moet worden aan gebieden waar binnen bepaalde tijden een extra grote behoefte bestaat aan parkeerplaatsen. Indien dergelijke parkeerplaatsen bezet worden gehouden door "lang parkeerders" kan dat bezwaarlijk zijn. Om die reden kunnen stadsdelen op basis van dit lid de geldigheid van de parkeervergunningen beperken naar plaats gedurende bepaalde tijden. Deze mogelijkheid onderscheidt zich van de fiscale parkeerduurbeperking bedoeld in artikel 31 doordat geen parkeerduurbeperking geldt en derhalve niet alleen voor bepaalde blokken een parkeerkaartje gekocht kan worden (zie artikel 31, lid 4). De parkeerkaarten genoemd in artikel 26 zijn dan ook gewoon geldig, dit in tegenstelling tot het gebied waar een fiscale parkeerduurbeperking van toepassing is (zie ook de toelichting bij artikel 31).

Een kraskaartvergunning is een bijzondere vergunning en geen parkeervergunning. De geldigheid van een kraskaartvergunning kan op basis van dit lid dan ook niet worden beperkt. De hulpverlenervergunning, de stadsbrede autodeelvergunning en de GA-parkeervergunning zijn wel parkeervergunningen. Het is echter onwenselijk dat de geldigheid van deze vergunningen wordt beperkt. In het vijfde lid is dan ook nadrukkelijk bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is op de hulpverlener-vergunning, de stadsbrede autodeelvergunning en de GA-parkeervergunning.

Artikel 29.

Dit artikel regelt de geldigheidsduur van de parkeerkaarten. De tarieven van de parkeerkaarten worden geregeld in de Verordening Parkeerbelastingen.

Lid 2. Een dagkaart zal doorgaans daadwerkelijk de duur van een dag, zijnde 24 uur, geldig zijn. Indien men bijvoorbeeld parkeert om 13.00 uur, dan is de kaart geldig tot 13.00 uur de volgende dag. Er worden echter ook dagkaarten uitgegeven die geldig zijn tot 19.00 uur van de dag van aanvang van het parkeren. De kaart is dan niet 24 uur geldig. Om die reden is in dit lid bepaald dat een dagkaart voor maximaal 24 uur geldig is. Op de dagkaart zal de geldigheidsduur duidelijk aangegeven worden, zodat de parkeerder daarover niet in onzekerheid verkeert.

Lid 7. In dit lid is bepaald dat de kraskaart gedurende twee uur geldig is. Het gaat om twee aaneensluitende uren.

Artikel 30.

Dit artikel regelt de plaats waar de parkeerkaarten normaal gesproken geldig zijn. Een parkeerkaart kan even wel binnen een tariefgebied gedurende bepaalde tijden niet geldig zijn. Het bepaalde in artikel 31 biedt daarvoor de grondslag. Zie de toelichting bij artikel 31. Voor de kraskaart geldt dat deze alleen geldig is in het vergunninggebied waarvoor deze is verleend en daarbinnen alleen in het tariefgebied waar de aanvrager woont. Het is dus niet mogelijk met de kraskaart in een ander gebied te parkeren dan waarvoor deze is verleend. Dit verschilt dus ten opzichte van de minutenkaartjes.

Artikel 31.

De parkeerdruk in winkelstraten, bij begraafplaatsen en bij sportvoorzieningen kan binnen bepaalde tijden zeer hoog zijn. Een snelle doorstroming van de parkeerplaatsen is dan van groot belang. Stadsdelen zijn daarom bevoegd om op basis van dit artikel een zogenoemde fiscale parkeerduurbeperking in te voeren. Een fiscale parkeerduurbeperking houdt in dat maar voor bepaalde blokken betaald kan worden en de normale geldigheid van de vergunningen en de kaarten niet van toepassing is.

Het instrument van de fiscale parkeerduurbeperking is nodig omdat de zogenoemde blauwe zone regeling (parkeerschijfzone) in een fiscaal parkeergebied geen uitkomst kan bieden, gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 3. Het instellen van een parkeerduurbeperking heeft automatisch tot gevolg dat de normale geldigheid van de vergunningen en de kaarten niet van toepassing is (zie de toelichting bij het vijfde lid). Geldig parkeren is dan alleen mogelijk door middel van het kopen van een kaartje in de betreffende straat of straten of door middel van het voldoen van het parkeertarief op een andere uitdrukkelijk genoemde betaalwijze (bijvoorbeeld belparkeren). In combinatie met een extra laag tarief levert dat "een fiscale variant van de blauwe zone op", vandaar de aanduiding fiscale parkeerduurbeperking.

Lid 1. In hoeverre van dit artikel gebruik wordt gemaakt, moet blijken uit de nadere regels van het betrokken stadsdeel.

Lid 2. Dit lid bevat een limitatieve opsomming waar een fiscale parkeerduurbeperking kan worden ingesteld.

Lid 3. Het ligt voor de hand dat de behoefte aan extra parkeerplaatsen het grootst is gedurende de openingstijden van winkels, sportvoorzieningen en begraafplaatsen. Het woord "maximum" brengt tot uitdrukking dat ook voor een kortere periode kan worden gekozen. Zo kan er voor gekozen worden om een winkelstraat alleen op de koopavonden de fiscale parkeerduurbeperking in te stellen.

Lid 4.Gedurende de fiscale parkeerduurbeperking moet altijd een parkeerkaartje op straat worden gekocht tenzij betaald kan worden op andere wijze. Om te voorkomen dat de tijden binnen de stad te veel komen te verschillen, bevat dit lid de opties die toegepast kunnen worden. De blokken mogen afwijken van de bloktijden in artikel 3. De openingstijden van bijvoorbeeld winkels lopen immers niet synchroon met de bloktijden.

Lid 5. Dit lid heeft tot gevolg dat door het instellen van een fiscale parkeerduurbeperking op basis van het eerste lid, de normale geldigheid van bepaalde parkeervergunningen (de geldigheid van de hulpverlenervergunning, de stadsbrede autodeelvergunning en de GA-parkeervergunning kan niet worden beperkt) of bepaalde parkeerkaarten naar gebied gedurende bepaalde tijden van rechtswege niet van toepassing is. Alleen de kaartjes gekocht in de betreffende straat of straten zijn in een dergelijk geval dan geldig, tenzij aangegeven is dat ook op andere wijze betaald kan worden. Uiteraard zal vanwege de kenbaarheid voor de burgers in het betreffende gebied duidelijk aangegeven moeten worden op welke wijze betaald kan worden.

Lid 6. Een gehandicaptenjaarkaart mag in tegenstelling tot de overige kaarten wel gebruikt worden in een gebied met een parkeerduurbeperking.

Artikel 32.

Per vergunningsoort is geregeld waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de vergunning. Soms wordt daarbij verwezen naar nadere regelgeving. Indien niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, dan wordt de vergunning geweigerd.

Lid 4 en 5 zijn toegevoegd om het B&W mogelijk te maken een overgangsregeling in te stellen bij de introductie van de milieuparkeervergunning, dan wel indien het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen wordt verhoogd. Zonder een dergelijke overgangsregeling zou de wachtlijst voor bewoners- en bedrijfsvergunningen (indien aanwezig) wellicht lange tijd niet door kunnen stromen.

Artikel 33.

In dit artikel is de zogenoemde spijtoptantenregeling opgenomen. De spijtoptantenregeling houdt in dat houders van een bewonersvergunning twee jaar lang kunnen proberen of het openbaar vervoer of een autodeelorganisatie een goed alternatief voor hen is. De voorwaarde is dat men de bewonersvergunning op eigen verzoek laat intrekken (het laten vervallen van de vergunning door gewoon niet meer te betalen, geldt dan ook niet) en bij het verzoek om intrekking aantoont dat men gebruik is gaan maken van het openbaar vervoer of een autodeelorganisatie. De houder kan dat aantonen door het overleggen van minimaal zes aaneensluitende maand(traject)kaarten of een jaarkaart voor het openbaar vervoer of door middel van een document waaruit duidelijk blijkt dat de houder een overeenkomst heeft gesloten met een autodeelorganisatie voor een periode van minimaal zes maanden. Het gaat om een autodeelorganisatie in de zin van deze verordening. Het delen van de auto met familie, buren, vrienden of kennissen telt dan ook niet. Tevens geldt de spijtoptantenregeling voor houders van een bewonersvergunning die aantoonbaar gebruik zijn gaan maken van een parkeerplaats in een openbare garage. Openbaar wil hier zeggen dat de parkeerplaatsen in principe door iedereen gekocht dan wel gehuurd hadden kunnen worden. De houder van de bewonersvergunning kan dit aantonen door een contract/aankoopbewijs/huurovereenkomst te overleggen. Ook voor deze regeling geldt dat de bewonersvergunning op eigen verzoek ingetrokken moet worden.

Artikel 34.

Lid 1. Een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning en - voorzover binnen een stadsdeel ingevoerd - een volkstuinvergunning wordt ingevolge artikel 32, lid 2 geweigerd indien het vergunningenplafond van het betrokken vergunninggebied is bereikt. Slechts de aanvrager die om die reden een weigering heeft ontvangen, wordt op een wachtlijst geplaatst.

Leden 3, en 4. De datum van ontvangst van de volledige aanvraag is bepalend voor de volgorde waarin de aanvrager op de wachtlijst wordt geplaatst. Dit is zo bepaald omdat daarmee recht wordt gedaan aan diegenen die hun aanvraag in één keer op juiste wijze indienen.

Indien iemand al een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners heeft en naar een ander vergunninggebied verhuist kan de vergunning niet "meeverhuizen" . Een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners is immers op grond van artikel 28 alleen geldig in het vergunninggebied waarvoor ze is verleend. Op basis van lid 4 wordt evenwel rekening gehouden met de tijd waarover de bewoner voorafgaande aan zijn verhuizing reeds over een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners beschikte of reeds op de wachtlijst staat voor een bewonersvergunning. In een dergelijk geval is niet alleen de datum van ontvangst van de volledige aanvraag bepalend voor de plaats op de wachtlijst, doch tevens de datum waarop de bewoner een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend voor het vergunninggebied waar hij eerst woonde of de datum waarop de aanvrager op de wachtlijst is geplaatst voor een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners in het vergunninggebied waar hij vandaan komt. Met "de vorige bewonersvergunning" wordt dan ook bedoeld de bewonersvergunning die de bewoner direct voorafgaande zijn verhuizing bezat en met "de datum van eerdere plaatsing op de wachtlijst" is bedoeld de datum van plaatsing op de wachtlijst voor een bewonersvergunning in het vorige woongebied.

Ten opzichte van de Parkeerverordening 2007 is toegevoegd dat iemand die wachttijd meeverhuist en daardoor bovenaan de wachtlijst terecht komt, terstond een vergunning krijgt. Dit voorkomt dat er nog een periode gewacht moet worden op het vrijkomen van een parkeervergunning in het vergunninggebied. Overigens kan geen beroep gedaan worden op deze regeling, indien op basis van artikel 9 geen vergunning wordt toegekend, als gevolg van het (kunnen) beschikken over een stallingsplaats en/of belanghebbendenparkeerplaats.

Lid 5. Dit lid ziet op de situatie dat niet een bewoner maar een bedrijf verhuist. Het gaat dan ook niet om een bewonersvergunning maar om een bedrijfsvergunning. Vandaar de woorden "is het derde lid van overeenkomstige toepassing".

Lid 6. In het kader van een rechtvaardige verdeling van vergunningen kan men niet voor een tweede bewonersvergunning op de wachtlijst geplaatst worden, zolang er nog bewoners zijn die over geen enkele vergunning beschikken.

Leden 8 tot en met 11. Hier wordt geregeld dat een aanvrager van een milieuparkeervergunning voor bewoners of bedrijven niet onderaan een eventuele wachtlijst hoeft plaats te nemen, indien de aanvrager daarvoor beschikte over een bewonersvergunning, bedrijfsvergunning of een plaats op de wachtlijst. De volledige tijd sinds de ontvangst van de eerste aanvraag voor een bewonersvergunning, dan wel bedrijfsvergunning wordt dus meegenomen voor de nieuwe milieuparkeervergunning voor bewoners of bedrijven. Andersom geldt dit ook: op het moment dat de bewoner of het bedrijf geen recht meer heeft op een milieuparkeervergunning, dan wel op het moment dat deze op verzoek van de bewoner of het bedrijf wordt ingetrokken, geldt bij de aanvraag voor een nieuwe bewonersvergunning of bedrijfsvergunning de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een bewoners- of bedrijfsvergunning, dan wel de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een milieuparkeervergunning voor bewoners of bedrijven.

Artikel 36.

Lid 1. In dit lid staan de gegevens vermeld die doorgaans in een vergunning opgenomen moeten worden. De woorden "in ieder geval" brengen tot uitdrukking dat ook andere gegevens vermeld kunnen worden. Het spreekt voor zich dat het daarbij gaat om gegevens die relevant zijn in het kader van de verlening van de vergunning. De woorden "voorzover van toepassing" zijn opgenomen omdat niet alle gegevens op alle vergunningen voorkomen. Zo wordt bijvoorbeeld op een kraskaartvergunning geen kenteken opgenomen. De kraskaartvergunning is immers niet gekoppeld aan een motorrijtuig doch geeft de bezitter ervan het recht kraskaarten aan te schaffen ten behoeve van het ontvangen van bezoek.

Lid 2. Dit lid bevat de voorschriften die aan een vergunning mogen worden verbonden. De woorden "in ieder geval" brengen tot uitdrukking dat ook andere voorschriften vermeld kunnen worden. Niet is bepaald welke belangen betrokken mogen worden bij het vaststellen van voorschiften. Dat betekent dat het verbod van détournement de pouvoir de bevoegdheid begrensd; de bevoegdheid mag daarom uitsluitend worden gebruikt voor het doel waartoe de verordening is vastgesteld. Het doel van deze verordening is het reguleren van het parkeren in Amsterdam. Voorschriften die daaraan gerelateerd zijn kunnen dan ook aan de vergunning worden verbonden.

Lid 2 onder b. Tijdens het parkeren moet de vergunning van aanvang af in het voertuig aanwezig zijn en te allen tijde goed zichtbaar zijn aangebracht. Dit geldt voor alle vergunningen. Indien geparkeerd wordt met een vergunning die niet permanent in de auto aanwezig is, zoals bij het parkeren met bijvoorbeeld een vergunning op code doorgaans het geval zal zijn, dient de vergunning eerst opgehaald te worden voordat met het parkeren een aanvang wordt gemaakt. Deze bepaling beoogt misbruik zoveel mogelijk te voorkomen.

Lid 3. Het bepaalde in dit lid spreekt voor zich. Er kunnen zich echter situaties voor doen dat een motorrijtuig groter is dan de omvang van één parkeerapparatuurplaats In dat geval is het toegestaan meer dan één parkeerplaats in beslag te nemen zonder dat daarvoor extra parkeerbelasting voldaan hoeft te worden.

Artikel 37.

Dit artikel geeft de gronden aan waarop vergunningen ingetrokken of gewijzigd mogen worden. Daartoe dient een besluit genomen te worden.

Lid 1. Indien de omstandigheden zich voordoen zoals omschreven in lid 1 dan moet de vergunning worden ingetrokken. Er is derhalve dan geen sprake van beleidsvrijheid. Uiteraard moeten daarbij wel de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht in acht worden genomen, zoals het vereiste dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid.

Lid 2. Indien de omstandigheden zich voordoen zoals omschreven in lid 2 dan kan de vergunning worden ingetrokken, maar het bevoegde gezag is daartoe niet gehouden. Of van de bevoegdheid gebruik gemaakt wordt, zal ondermeer afhangen van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen. Het woord "adres" moet overeenkomstig artikel 9 worden uitgelegd als "per zelfstandige woning".

Lid 2. sub f. intentie is het creeeren van de mogelijkheid tot intrekking van de vergunning in het geval van excessen (langgeparkeerde voertuigen die reeds geruime tijd niet voldoen aan de voertuigverplichtingen). Dit voorkomt oneigelijk gebruik van schaarse parkeerruimte.

Lid 4. Indien de houder(s) van de vergunningen zelf geen voorkeur aangeven, dan wordt de tweede vergunning ingetrokken.

Lid 5. Om misbruik te voorkomen is het van groot belang dat een vergunning wordt ingeleverd indien de vergunninghouder geen recht meer heeft op de vergunning. Een vergunning kan zijn gelding verliezen doordat deze wordt ingetrokken of omdat de vergunning van rechtswege is vervallen (zie de toelichting bij artikel 38).

Artikel 38.

Dit artikel bewerkstelligt dat een vergunning van rechtswege vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken. Dat betekent derhalve dat er na het verstrijken van de geldigheidsduur geen besluit hoeft te worden genomen tot intrekking van de vergunning.

Artikel 39, onder a en b. Op basis van dit artikel is een parkeerplaats in gefiscaliseerd gebied geen gefiscaliseerde plaats indien het een belanghebbendenparkeerplaats of een gehandicaptenparkeerplaats betreft.

Artikel 39, onder a . Indien er geen sprake is van een belanghebbendenparkeerplaats, dan dient de belanghebbende gewoon parkeerbelasting te voldoen.

Artikel 40.

Dit artikel maakt het mogelijk om, in gevallen waarin toepassing van deze verordening (gegeven het doel en de strekking van deze verordening) een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Vrijwel altijd zal de toepassing van dit artikel beperkt blijven tot individuele gevallen.

Hoofdstuk 4.

Artikel 44.

Het toezicht op de naleving wordt uitgebreid geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, afdeling 5.2. De handhavende instanties, zoals de Dienst Stadstoezicht, hebben toezichthouders in dienst in de zin van deze wettelijke bepaling. De stadsdelen zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de handhaving, waaronder de controlecapaciteit.

Hoofdstuk 5.

Artikel 45.

Het is denkbaar, dat onder bepaalde condities experimenten op het gebied van het parkeren kunnen plaatsvinden. Meestal zal het hierbij om maatregelen gaan die in strijd zijn met de Parkeerverordening, of zal een beïnvloeding plaatsvinden van de inkomsten en/of uitgaven van het Mobiliteitsfonds. Alleen al om die redenen, maar ook om te kunnen beoordelen of een experiment past binnen de doelstellingen van het gemeentelijk mobiliteits- en parkeerbeleid, is voor het houden van een experiment goedkeuring van Burgemeester en Wethouders vereist. Bij het voordragen van een experiment dient uitdrukkelijk duidelijkheid te bestaan over de duur van het experiment, de criteria volgens welke het resultaat van het experiment wordt beoordeeld, alsmede wat er na afloop van het experiment op grond van de resultaten verder gebeurt. Tevens geldt dat de kosten van een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd experiment voor rekening zijn van de indiener. Zolang sprake is van aangetoonde inkomstenderving voor het Mobiliteitsfonds als gevolg van een experiment, zal de afdracht door Burgemeester en Wethouders aan de stadsdelen worden verminderd met de hoogte van deze inkomstenderving. Indien een experiment leidt tot verhoging van inkomsten

voor het Mobiliteitsfonds, komen deze meeropbrengsten voor de periode van de looptijd van het experiment ten goede aan de initiatiefnemer. Inkomstenderving of meeropbrengsten wordt/worden bepaald aan de hand van een meerjarig overzicht van de brutoparkeerinkomsten van de initiatiefnemer.

Dit artikel wijkt in zoverre af van de overige bepalingen van deze verordening, dat hier expliciet het dagelijks bestuur van een stadsdeel naast Burgemeester en Wethouders en de Gemeenteraad wordt genoemd. De bevoegdheid gegeven in bijvoorbeeld lid 3 is, in navolging van hetgeen hierover in de Verordening op het Centraal Mobiliteitsfonds Amsterdam 2001 is bepaald, expliciet aan Burgemeester en Wethouders voorbehouden. Dat geldt eveneens voor de bevoegdheid van de Gemeenteraad om een experiment als vast onderdeel van het parkeerbeleid op te nemen. Dit dient te allen tijde te resulteren in een aanpassing van de Parkeerverordening, welke bevoegdheid aan de Gemeenteraad is voorbehouden.

Artikel 46.

De overgangsbepalingen maken technisch de overgang mogelijk van het oude stelsel naar het nieuwe.

Leden 2, 3, 4 en 5. Parkeervergunningen en bijzondere vergunningen verleend krachtens de Parkeerverordening 2002, 2005 en 2007 en bewonersvergunningen, bedrijfsvergunningen en belanghebbendenvergunningen verleend krachtens de Parkeerverordening 1996, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. De vergunninghouders behoeven derhalve geen aanvraag in te dienen. Op basis van artikel 27, lid 5wordt de geldigheid van de meeste vergunningen immers steeds stilzwijgend verlengd indien voldaan wordt aan de in artikel 27, lid 5, omschreven voorwaarden. Opgemerkt zij dat de bedrijfsvergunningen verleend krachtens de Parkeerverordening 1996 krachtens deze verordening slechts geldig zijn in één gebied, namelijk het vergunninggebied waarin het bedrijf is gesitueerd.

Artikel 47.

De Parkeerverordening 2009 treedt in werking op 1 januari 2009.

Bijlage 1 Kaart met tarieven.pdf (1047 Kb)

Artikelsgewijze toelichting Parkeerverordening 2009.pdf (83 Kb)

Uitvoeringsbesluit belanghebbendenvergunning kwaliteitstaxistandplaats.pdf (8 Kb)