Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden (Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden)

Geldend van 28-10-2014 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden (Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden)

Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 31 januari 2007, tot vaststelling van de Verordening rechtspositie Gedeputeerden, Staten- en commissieleden (voordracht 5785; Prov. Blad 2007, nr. 15), gewijzigd bij besluit van 30 mei 2007 (Prov. Blad 2007, nr. 69, bij besluit van 8 oktober 2007 (voordracht 5989; Prov. Blad, nr. 111), bij besluit van 15 september 2010 (Prov. Blad, nr. 131), bij besluit van 23 februari 2011 (Prov. Blad 2012, nr. 93), bij besluit van 27 juni 2012 (Prov. Blad 2012, nr. 94), bij besluit van 10 oktober 2012 (Prov. Blad 2012, nr. 142) en bij besluit van 17 september 2014 (Prov. Blad 2014, nr. 2757).

Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de Provinciewet;

  • b. Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 241;

  • c. Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242;

  • d. Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993, Stb. 144;

  • e. Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;

  • f. statenlid: lid van Provinciale Staten, niet zijnde gedeputeerde;

  • g. Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6 oktober 1989, Stb. 424;

  • h. Statengriffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van de Provinciewet;

  • i. provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97, eerste lid van de Provinciewet.

Hoofdstuk II Voorzieningen voor statenleden

Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden

1. Aan het Statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.

2. Een lid van Provinciale Staten dat lid is van een vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Provinciewet dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, kan voor de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel voor de duur van de activiteiten een toelage van maximaal 5% ontvangen van de vergoeding voor de werkzaamheden op jaarbasis als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

3. Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel stelt de Commissaris van de Koningin de duur van het lidmaatschap van de betreffende commissie vast.”

Artikel 3 Onkostenvergoeding

1. Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.

2. Ten aanzien van een statenlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, vierde lid van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.

Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen

1. Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is geweest, ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is geweest.

2. De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, geschiedt in maandelijkse termijnen.

Artikel 5 Reiskosten

1. Het statenlid wordt op aanvraag naar keuze een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse verstrekt.

2. Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie, alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen. De vergoeding betreft:

  • a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van het eerste lid;

  • b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de Reisregeling binnenland;

  • c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het provinciaal personeel geldende regeling.

3. Aan het statenlid aan wie ingevolge het eerste lid een openbaar vervoerjaarkaart is verstrekt, worden de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als het reizen betreffen, anders dan voor het bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie en die reizen met het openbaar vervoer niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies zijn te maken.

4. Indien een lid van Provinciale Staten ten behoeve van Provinciale Staten een reis buiten Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten vergoed.

5. Voor een reis als bedoeld in lid 4, niet zijnde een reis naar een Europese instelling, dient het Statenlid vooraf toestemming te verkrijgen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de Gedragscode voor leden van Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 6 Verblijfkosten

1. Het statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf op het provinciehuis maaltijden en consumpties vanwege de provincie verstrekt.

2. Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen dan die voor het bijwonen op het provinciehuis van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie, tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.

3. Het statenlid worden vergoed de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfkosten ter zake van buitenlandse reizen, als bedoeld in artikel 5, lid 4.

Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium

1. De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd, komen voor rekening van de provincie.

2. Het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde en door de fractievoorzitter voor akkoord mede ondertekende aanvraag in bij de statengriffier. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap.

Artikel 8 Computer en internetverbinding

1. Op aanvraag van het Statenlid stellen Gedeputeerde Staten bij aanvang van een zittingsperiode van Provinciale Staten aan het Statenlid een bedrag ineens ter beschikking als tegemoetkoming in de aanschaf van ICT-apparatuur en software, dan wel als tegemoetkoming in het gebruik van eigen ICT-apparatuur en software;

2. Op aanvraag ontvangt het Statenlid een tegemoetkoming in de kosten van internetverbindingen, alsmede in de variabele gebruikskosten van de in het eerste of tweede lid bedoelde ICT-apparatuur.

3. Op voordracht van het Seniorenconvent stellen Provinciale Staten ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast, waarbij in ieder geval de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt bepaald.”

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid

Op aanvraag verlagen Gedeputeerde Staten de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering

1. In het geval een statenlid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

2. In het geval dat een statenlid een uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na toepassing van artikel 6, vierde lid van dat besluit ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

3. Het statenlid dat in aanmerking wenst te komen voor de in het eerste of tweede lid bedoelde verhoging, dient daartoe binnen twee maanden nadat de korting op zijn uitkering is opgetreden, een aanvraag in bij Gedeputeerde Staten.

Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van Provinciale Staten

1. Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van Provinciale Staten waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de waarneming.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.

Artikel 13 Ziektekostenvoorziening

Aan het Statenlid wordt een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden toegekend, zoals dit bedrag overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dat artikel mocht zijn herzien.

Artikel 14 Recht op uitkering bij aftreden

1. Een statenlid heeft op aanvraag met ingang van de datum van aftreden recht op een uitkering ten laste van de provincie, indien hij direct vóór aftreden minimaal zes maanden zonder onderbreking van langer dan 16 weken statenlid is geweest.

2. Geen recht op een uitkering bij aftreden bestaat, indien het statenlid:

  • a. na aftreden zonder onderbreking weer als statenlid optreedt;

  • b. op de datum van zijn aftreden 65 jaar of ouder is;

  • c. van zijn statenlidmaatschap vervallen is verklaard ingevolge artikel X7 van de Kieswet.

3. Gedeputeerde Staten beslissen over de toekenning van een uitkering op aanvraag door of namens de betrokkene. Het recht op uitkering vervalt, indien de aanvraag niet binnen drie maanden na aftreden bij Gedeputeerde Staten is ingediend.

Artikel 15 Duur van de uitkering bij aftreden

1. De uitkering bij aftreden wordt toegekend voor een duur gelijk aan de helft van het aantal volledige maanden, waarin betrokkene direct vóór aftreden zonder onderbreking van langer dan 16 weken statenlid is geweest.

2. De maximumduur van de uitkering bij aftreden is twee jaar.

Artikel 16 Bedrag van de uitkering bij aftreden

1. De uitkering bij aftreden bedraagt in het eerste jaar 80% en daarna 70% van het op het moment van aftreden geldende bedrag van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden.2. Indien de vergoeding voor de werkzaamheden met toepassing van artikel 2, tweede lid van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden wordt herzien, wordt de uitkering bij aftreden met ingang van het tijdstip van die herziening dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 17 Korting wegens inkomsten

1. Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten van activiteiten worden met de uitkering bij aftreden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben, voor zoveel die uitgaan boven het bedrag van het minimumloon, inclusief de vakantie-uitkering, voor volwassen werknemers als bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.

2. Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na het aftreden als statenlid en hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, die hij geniet uit activiteiten, ter hand genomen vóór het aftreden als statenlid, worden volledig met de uitkering bij aftreden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder de daar vermelde inkomsten verstaan:

  • a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en

  • c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • d. een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

4. Het gewezen statenlid is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid, terstond mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten, onder opgave, voorzover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken, een en ander overeenkomstig de hem door Gedeputeerde Staten gegeven voorschriften. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering bij aftreden een vermindering toegepast van een voorlopig bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de even bedoelde termijn.

5. Het gewezen statenlid geeft desgevraagd alle informatie betreffende de ter hand genomen activiteiten en de inkomsten die nodig zijn voor de uitvoering van dit artikel en wordt geacht erin toe te stemmen dat allen die daarvoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in aanmerking komen, hierover desgevraagd alle noodzakelijke informatie verstrekken.

Artikel 18 De verplichting om werk te zoeken

Gereserveerd.

Artikel 19 Betaling van de uitkering bij aftreden

De uitkering bij aftreden wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.

Artikel 20 Opschorting en einde van de uitkering bij aftreden

1. De uitkering bij aftreden eindigt:

  • a. op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;

  • b. met ingang van de maand, volgend op die waarop het gewezen statenlid is overleden;

  • c. met ingang van de maand, volgend op die waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt;

  • d. met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid weer als statenlid is beëdigd;

  • e. met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid van Gedeputeerde Staten is beëdigd.

2. Gedeputeerde Staten kunnen de uitbetaling van de uitkering bij aftreden opschorten voor zolang het gewezen statenlid niet heeft voldaan aan zijn in artikel 18, vierde en vijfde lid bedoelde verplichting. Indien de in artikel 18, vierde en vijfde lid bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen, wordt de uitkering bij aftreden over de tijd van de opschorting, met inachtneming van artikel 18, alsnog uitbetaald.

Artikel 21 Uitkering bij overlijden

1. In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden, welke het statenlid laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden leefde, nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van het inkomen van het statenlid.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid van de Algemene nabestaandenwet.

Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden

Artikel 22 Onkostenvergoeding

1. Aan de gedeputeerde wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals dit bedrag jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.

2. In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 93% van het voor hem ingevolge het eerste lid geldende bedrag, indien de gedeputeerde op grond van artikel 31 een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is gesteld.

Artikel 23 Reiskosten woon-werkverkeer

De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling naar keuze:

  • a. een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse verstrekt;

  • b. een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

Artikel 24 Zakelijke reiskosten

1. Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 23, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in artikel 23 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie gemaakt. De vergoeding betreft:

  • a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van artikel 23, onderdeel a;

  • b. bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel b van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

  • c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het provinciaal personeel geldende regeling.

2. Aan de gedeputeerde aan wie ingevolge artikel 23 een openbaar vervoerjaarkaart is verstrekt, worden de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als met het openbaar vervoer niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.

3. Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de gedeputeerde gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor provinciaal personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is vastgesteld, vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de zakelijke reizen van de gedeputeerde plaats overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde Verplaatsingskostenregeling 1989.

Artikel 25 Dienstauto

1. De gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie gebruikmaken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de provincie ingehuurde auto.

2. De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt.

3. Indien de gedeputeerde op grond van artikel 23 een tegemoetkoming ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter grootte van:

  • a. 1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de dienstauto;

  • b. 1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de plaats van te werkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de dienstauto.

4. Indien de gedeputeerde ingevolge artikel 23 een openbaar vervoerjaarkaart is verstrekt, wordt bij gebruik van een dienstauto voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling een korting op zijn bezoldiging toegepast overeenkomstig het bepaalde in de onderdelen a en b van het derde lid.

5. Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van in het tweede lid bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de dienstauto en daarvoor van een derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt die vergoeding in de provinciale kas gestort.

6. Indien en voor zover dit voor de vervulling van het ambt van gedeputeerde, dan wel de daaraan verbonden nevenfuncties van belang is, kan de dienstauto door de gedeputeerde eveneens worden gebruikt voor andere nevenfuncties dan bedoeld onder het tweede lid. Hierbij zijn de fiscale regels van toepassing en dit kan leiden tot een fiscale bijtelling.

Artikel 26 Verblijfkosten

De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 24 volledig vergoed.

Artikel 27 Buitenlandse dienstreis

1. Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed.

2. Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van Gedeputeerde Staten vereist. Provinciale Staten kunnen aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

Artikel 28 Cursus, congres, seminar of symposium

1. De kosten van deelname van een gedeputeerde aan cursussen, congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de provincie.

2. De gedeputeerde die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de provinciesecretaris. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het ambt van gedeputeerde.

Artikel 29 Computer en internetverbinding

1. Op aanvraag worden de gedeputeerde ten laste van de provincie voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter beschikking gesteld.

2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter beschikking is gesteld, wordt de gedeputeerde op aanvraag voor de uitoefening van het ambt een tegemoetkoming verleend voor:

  • a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software, of

  • b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.

3. Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met een ten laste van de provincie ter beschikking gestelde computer, bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid ontvangt de gedeputeerde ten laste van de provincie op aanvraag per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software welke aan de gedeputeerden in bruikleen ter beschikking worden gesteld.

4. Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een vast bedrag ter vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur. Gedeputeerde Staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin bedoelde bedrag van de vergoeding vast.

5. De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde Staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst vast.

6. Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 30 Mobiele telefoon

1. Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt een mobiele telefoon, dan wel een daarmee gelijk te stellen ander modern communicatiemiddel in bruikleen ter beschikking gesteld.

2. De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de provincie.

3. Gedeputeerde Staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst vast.

4. Op de bezoldiging van de gedeputeerde die de mobiele telefoon voor meer dan 10% mede gebruikt voor privé-doeleinden wordt een bedrag ingehouden dat gelijk is aan het bedrag dat voor de loonbelasting tot het loon wordt of zou worden gerekend ingeval alle kosten van de mobiele telefoon voor rekening van de provincie komen.

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten

De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de provincie beschikt, heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van:

  • a. reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden;

  • b. verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.

Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden

Artikel 33 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen

1. Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die gelijk is aan het maximum bedrag, vermeld in artikel 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 94, lid 2 van de Provinciewet ontvangt.

3. Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie:

  • a. als statenlid of gedeputeerde;

  • b. uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;

  • c. als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang dient.;

Artikel 34 Reis- en verblijfkosten

1. Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of gedeputeerde is en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is benoemd, worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed. De vergoeding betreft:

  • a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten;

  • b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de Reisregeling binnenland;

  • c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het provinciaal personeel geldende regeling.

2. Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.

Artikel 34a

1. Voor de toepassing van artikel 33, lid 1 van deze verordening wordt, voor zover het leden betreft van commissies als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet, onder comissievergaderingen tevens commissieactiviteiten begrepen, waarover die commissie zelf een besluit tot organisatie of deelname heeft genomen en welke als zodanig in het activiteitenoverzicht van Povinciale Staten zijn opgenomen.;

2. Indien op een dag meerdere vergaderingen, c.q. activiteiten van dezelfde commissie plaatsvinden, kan voor deze vergadering, c.q. activiteiten tezamen slechts éénmaal het bedrag aan presentiegeld als bedoeld in artikel 33, lid 1 worden gedeclareerd.

3. Voor deelname aan buitenlandse werkbezoeken, werkbezoeken aan Brussel daaronder niet begrepen, kan geen presentiegeld worden gedeclareerd. Voor meerdaagse werkbezoeken aan Brussel kan in totaal slechts éénmaal het bedrag aan presentiegeld als bedoeld in artikel 33, lid 1 worden gedeclareerd.

4. Voor de toepassing van artikel 34, lid 1 van deze verordening wordt, voor zover het leden betreft van commissies als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet, onder commissievergaderingen tevens begrepen:

  • a. Commissieactiviteiten als bedoeld in het eerste lid;

  • b. Vergaderingen of werkbezoeken van de fracties waarvan de betreffende commissieleden deel uitmaken, waarin onderwerpen aan de orde komen die direct verband houden met commissievergaderingen waaraan die commissieleden hebben deelgenomen.

Artikel 35 Buitenlandse excursie of reis

1. Provinciale Staten kunnen een commissie uit Provinciale Staten toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. Provinciale Staten kunnen aan de toestemming voorwaarden verbinden.

2. De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege de provincie georganiseerd.

3. De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor rekening van de provincie.

Hoofdstuk V De procedure van declaratie

Artikel 36 Betaling van kosten

Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door:

  • a. betaling uit eigen middelen; of

  • b. rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie; of

  • c. een provinciale creditcard.

Artikel 37 Declaratie van vooruit betaalde kosten door leden van Gedeputeerde Staten en door Commissieleden, niet zijnde Statenleden of fractievertegenwoordigers

1. Voor de vergoeding van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 24, 26, 27, en van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 32 en 34 voor zover het andere dan de in artikel 37a, lid 1 bedoelde genoemde commissieleden betreft, wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

2. Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. De gedeputeerde, onderscheidenlijk het commissielid dient het declaratieformulier binnen twee maanden bij de provinciesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.”

Artikel 37a Declaratie van reiskosten door leden van Provinciale Staten en fractievertegenwoordigers

1. Voor de vergoeding van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 5 en 6, en van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 32 en 34 voor zover het fractievertegenwoordigers betreft welke krachtens het Reglement van orde van Provinciale Staten zitting hebben in commissies van Provinciale Staten, wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier, waarvan het model door het Seniorenconvent van Provinciale Staten is vastgesteld.

2. Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en dient uiterlijk twee maanden nadat de betreffende kosten zijn gemaakt te worden ingediend bij de statengriffier.

3. Het Statenlid, onderscheidenlijk de fractievertegenwoordiger beoordeelt zelf of de gedeclareerde kosten in redelijkheid ten behoeve van de provincie zijn gemaakt en staat door ondertekening van het declaratieformulier ook overigens in voor de regelconformiteit van de declaratie. De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid hiervoor berust bij het Statenlid.

Artikel 38 Rechtstreekse facturering bij de provincie

1. De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 24, 26, 27, 28 en 32 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord ondertekende factuur aan de provincie.

2. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.

3. Het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het begeleidingsformulier en de factuur binnen twee maanden in bij de statengriffier, onderscheidenlijk de provinciesecretaris of de door hem aangewezen ambtenaar.

Artikel 39 Gebruik creditcard

1. De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 24, 26, 27 en 32 kan plaatsvinden door gebruikmaking van de provinciale creditcard.

2. Een provinciale creditcard wordt de gedeputeerde op aanvraag in bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen voorwaarden worden verbonden.

3. De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en intrekking van provinciale creditcards. Bij de aanvraag wordt aangegeven of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant geld gewenst wordt.

4. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.

5. Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen twee maanden ingediend bij de provinciesecretaris of de door hem aangewezen ambtenaar.

6. Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard onverwijld ingeleverd.

7. Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt, mits is voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de provincie.

Hoofdstuk Vl Citeertitel en inwerkingtreding

Artikel 40 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden.

Ondertekening

Den Haag, 31 januari 2007 Provinciale Staten van Zuid-Holland, J. FRANSSEN, voorzitter H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier