Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht)

Geldend van 03-05-2013 t/m 01-01-2017

Intitulé

Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 9 november 2009, Provinciale Staten van Utrecht van 26 oktober 2009 en Provinciale Staten van Zuid-Holland van 14 oktober 2009 tot vaststelling van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (Prov. Blad 2009, nr. 87), gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten van Utrecht van 4 februari 2013 (Prov. Blad 2013, nr. 43)

Provinciale Staten van Noord-Holland, provinciale staten van Utrecht, Provinciale Staten van Zuid-Holland;

gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, van Gedeputeerde Staten van Utrecht en van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;

gelet op de Waterwet en artikel 145 van de Provinciewet;

overwegende dat het in verband met de inwerkingtreding van de Waterwet noodzakelijk is de provinciale waterregelgeving algeheel te herzien;

Besluiten:

De Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht met bijbehorende kaarten vast te stellen.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassing en toedeling

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap;

bebouwde kom: gebied van een gemeente als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap;

gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland, tenzij anders is bepaald;

hoofdinfrastructuur: hoofdweg of landelijk spoorweg, met bijbehorende voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet;

peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.4 van de wet;

profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is voor een toekomstige versterking van de waterkering;

regionale waterkering: waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als

zodanig is aangewezen in deze verordening;

regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

waterschap: Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht;

wet: de Waterwet.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op het gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 3 van het Reglement van bestuur voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 2008.

Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 5 van het Reglement van bestuur voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 2008.

Hoofdstuk 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen en veiligheidsnorm

1.Op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaart is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar.

2. Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap.

3. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende waterstanden vast.

4.Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

5. Een wijziging van de kaart of de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid, voor een regionale waterkering die in meer dan één provincie is gelegen geschiedt bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van de desbetreffende provincies.

6. De bekendmaking van een besluit tot wijziging van de kaart of de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door plaatsing in het provinciaal blad van elk van de provincies.

Artikel 2.2 Toezicht Interprovinciale regionale waterkeringen

Indien een regionale waterkering in de provincies Noord-Holland en Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland of Utrecht en Zuid-Holland is gelegen, wordt het toezicht op die waterkering uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Artikel 2.3 Regionale verdringingsreeks Amstelland

1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt, met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid onder 3˚, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a. het verwerken van industrieel proceswater;

  • b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

2.In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt, met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid onder 4˚, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a. de waterkwaliteit in stedelijk gebied;

  • b. beroepsvaart;

  • c. akkerbouw;

  • d. beregening sportvelden;

  • e. grasland;

  • f. recreatievaart;

  • g. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

3. In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.4 Normen waterkwantiteit

1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied als norm een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar.

2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde overstromingskans van:

  • a. 1/100 per jaar voor bebouwing;

  • b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

  • c. 1/25 per jaar voor akkerbouw;

  • d. 1/10 per jaar voor grasland.

3. Wat betreft het gebied, bedoeld in het tweede lid, geldt geen norm voor:

  • a. een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 of gebied dat voorlopig is aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, van die wet;

  • b. een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • c. een gebied voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de plankaart, behorende bij het Streekplan Noord-Holland Zuid als natuurgebied is aangegeven en reeds is gerealiseerd;

  • d. een gebied, voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de kaart Gebieden binnen groene contouren, behorende bij het Streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht, als bestaande natuur is aangegeven;

  • e. een gebied, voor zover niet behorend tot het onder a. of b. bedoelde gebied, dat op de plankaart behorende bij het Streekplan Zuid-Holland Oost als natuur is aangegeven en reeds is gerealiseerd.

4. Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie bepalend zoals vastgelegd in het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 5 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

5.Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid.

6. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, een leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. 7.Gedeputeerde staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voor de eerste keer moeten voldoen aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen.

Titel 2.3 Meten en beoordelen

Artikel 2.5 Toetsing watersysteem en verslaglegging

1.Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 2.1 en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

3. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 2.4, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

4.Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 2.4 en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

6.Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal, na inwerkingtreding van deze verordening, worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen daarna worden uitgebracht.

7. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid.

Hoofdstuk 3 Beheerplan

Artikel 3.1 Inhoud

1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

  • a. de beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt;

  • b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • d. een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode;

  • e. een beschrijving van de resultaten die bij het onderzoek naar het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies naar voren zijn gekomen.

2.Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

  • a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

  • b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionale waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c. genoemde maatregelen.

     

Artikel 3.2 Raadplegen

Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

Artikel 3.3 Voorbereiding

1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van het waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

2. Iedere belanghebbende en ingezetene heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar voren te brengen.

Artikel 3.4 Goedkeuring en toezending

1. Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na vaststelling ter goedkeuring naar gedeputeerde staten. Als bijlagen voegt het toe een samenvatting van hetgeen door de op grond van artikel 3.2 eerste lid geraadpleegde instanties bij de voorbereiding naar voren is gebracht, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.

2. Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de goedkeuring door gedeputeerde staten aan de ingevolge artikel 3.2, eerste lid, geraadpleegde instanties, alsmede aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 3.5 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

1. Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste een maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

2. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met de beheerder, nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Titel 4.1 Legger

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken

1. De legger, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, bevat naast het bepaalde in het eerste lid van dat artikel in ieder geval:

  • a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen;

  • b. het profiel van vrije ruimte ten aanzien van de primaire en regionale waterkeringen;

  • c. de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen;

  • d. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

2. Voor oppervlaktewateren, die niet overwegend van belang zijn voor aan- en afvoer van water en waterberging, geldt een vrijstelling van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, sub c, en uit artikel 5.1, eerste lid, van de wet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.

3. Op de voorbereiding van de legger, bedoeld in artikel 5.1 eerste lid van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Titel 4.2 Peilbesluiten

Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart.

 Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit

1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

2.Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

  • a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

  • b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

  • c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.4 Voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.5 Herziening

1. Een peilbesluit wordt ten minste eenmaal in de tien jaar herzien.

2. Gedeputeerde staten van de provincie, waar het gebied waarvoor het peilbesluit zal gaan gelden, in zijn geheel of in hoofdzaak is gelegen, kunnen op verzoek van het algemeen bestuur eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid voor ten hoogste vijf jaar.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.6 Projectprocedure

Gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen, kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op projectplannen:

  • a. tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen;

  • b. tot aanleg of wijziging van bergingsgebieden;

  • c. tot aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste 500 meter.

     

Artikel 4.7 Projectplan regionale waterkeringen

Op de voorbereiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering, waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet niet van toepassing is, is afdeling 3.4 van de Algemeen wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.8 Toezending projectplan primaire waterkeringen

1. Een aan gedeputeerde staten van de provincie, op wier grondgebied het te realiseren project wordt uitgevoerd, ter goedkeuring toegezonden projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies, wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies.

2. Indien toepassing is gegeven aan artikel 5.7, tweede lid, van de wet wordt het aan gedeputeerde staten van Noord-Holland, Utrecht of Zuid-Holland ter goedkeuring toegezonden projectplan door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van de andere provincie of provincies.

Titel 4.4 Waterakkoord

Artikel 4.9 Waterakkoord

Bij de voorbereiding van een waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7 van de wet raadpleegt het dagelijks bestuur de colleges van gedeputeerde staten van de provincies en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin de regionale wateren zijn gelegen, waarop het waterakkoord betrekking heeft. 

Hoofdstuk 5 Grondwater

Artikel 5.1 Verstrekken gegevens

1. Het dagelijks bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt:

  • a. de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen;

  • b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

3. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, nadere regels stellen aangaande de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangeleverd.

Artikel 5.2 Melden, meten en registreren

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking verordeningen

De Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 en de Verordening waterkering West Nederland, voor zover deze betrekking heeft op het gebied van het waterschap, worden ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht besluiten

1. De op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de verordeningen, genoemd in artikel 6.1 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.

2.Op procedures op grond van de verordeningen, genoemd in het eerste lid, die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt.

Artikel 6.4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

Artikel 6.5 Aanpassing aanhalingen wet, Waterbesluit en Waterregeling, aanbrengen doorlopende nummering.

Voor de plaatsing in het provinciaal blad stellen gedeputeerde staten de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vast en brengen zij de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming en brengen zij de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming.

Ondertekening

Den Haag, 14 oktober 2009
Provinciale Staten van Zuid-Holland,
J. FRANSSEN, voorzitter
H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier 

Bijlagen: Bijlage 1: Kaart met regionale waterkeringen en de bijbehorende veiligheidsnormen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 

Bijlage 2:   Kaart met gebieden, waarin voor de oppervlaktewateren een peilbesluit moet worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.2 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 

 

Toelichting Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

Algemeen

Naar verwachting zal eind 2009 de nieuwe Waterwet in werking treden. Deze Waterwet vervangt veel bestaande wetten op het gebied van het watersysteembeheer. Modernisering, stroomlijning en vermindering

van regels en administratieve lasten zijn leidraad geweest bij de totstandkoming van deze wet.

Teneinde het watersysteembeheer slagvaardig te maken voorziet de Waterwet in een modern juridisch instrumentarium.

Eén van de gevolgen van de invoering van de Waterwet is dat de provinciale regelgeving op het terrein van het watersysteembeheer ingrijpend moet

worden herzien. Daarbij is ervoor gekozen om nieuwe waterverordeningen vast te stellen. Een uitgangspunt daarbij is dat waterschappen in de nieuwe situatie voor wat hun watersysteembeheer betreft nog maar te maken hebben met één (interprovinciaal vastgestelde) waterverordening. In de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht worden

de waterschapseigen onderwerpen voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht geregeld.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassing en toedeling

Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In hoofdstuk 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen.

De begripsbepalingen die in de Waterwet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Gemakshalve wordt

voor de uitleg van die begripsbepalingen verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit.

Het begrip regionale waterkering betreft een provinciale definitie. Het gaat hier om niet-primaire waterkeringen, die op grond van artikel 2.4 van de

Waterwet zijn aangewezen en genormeerd. Door het waterschap kan een ruimere definitie worden gehanteerd.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

In deze verordening worden alle waterschapsgerelateerde zaken geregeld voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer

De artikelen 3.1 en 3.2 van de Waterwet voorzien in een landsdekkend systeem waarin is bepaald wie wordt belast met het beheer van watersystemen. De watersystemen of onderdelen daarvan, die bij het Rijk

in beheer zijn, worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, namelijk via het Waterbesluit. De overige beheerders van (onderdelen van) watersystemen worden bij provinciale verordening aangewezen.

Daarbij dient artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen, waarin is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. Ter uitvoering van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet wordt daarom in dit artikel het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de waterstaatkundige verzorging van haar gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.

Hoofdstuk 2 Normen

Titel 2.1 Regionale waterkeringen

Algemeen

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet worden bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen, andere dan primaire waterkeringen, die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen

vastgesteld. In deze titel wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. De desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten. Op die kaarten is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm aangegeven.

Door het stellen van normen geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te

beheren dat het voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze titel een

specifieke beheersopdracht op te nemen die inhoudt dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen. Hetzelfde geldt voor de normen voor wateroverlast (zie artikel 2.4).

Artikelsgewijs

Artikel 2.1 Veiligheidsnorm

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald dat voor regionale waterkeringen

de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm is. Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Hiertoe zijn de waterkeringen die op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten zijn opgenomen, naar gelang de mogelijk optredende schade in vijf klassen ingedeeld, oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar (kadeklasse I) tot een overschrijdingskans van 1/1000 per jaar (kadeklasse V). De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de kadeklassen

zijn afgeleid van de IPO-Leidraad ter bepaling van normen voor boezemkaden. Voor elk van de regionale waterkeringen is de veiligheidsnorm ook op bedoelde kaarten opgenomen.

Om een bepaald veiligheidsniveau voor een gebied te verzekeren behoeven de rond dat gebied gelegen waterkeringen niet alle aan dezelfde veiligheidseisen te voldoen. De te stellen eisen kunnen afhankelijk

gesteld worden van factoren als het watervolume dat door een waterkering wordt gekeerd, het landgebruik direct achter de waterkering en de aanwezigheid van polderkades in het gebied. Om die reden is ervoor

gekozen niet een gebied te normeren, maar de waterkeringen rondom een gebied. Aldus kunnen gedifferentieerde eisen worden gesteld en kan in bepaalde situaties met kleinere kadeverbeteringen worden volstaan en kunnen de kosten van verbetering worden beperkt.

Tweede en derde lid

Zoals hiervoor is aangegeven is op de kaarten in bijlage 1 voor de verschillende regionale waterkeringen of delen daarvan de veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van voorschriften voor de toetsing en anderzijds in de vorm van een technische

leidraad voor het ontwerp van een regionale waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van gedeputeerde staten gelegd.

Om te bereiken dat de toetsing van de actuele veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt, hebben de daarvoor gestelde

voorschriften het karakter van een bindend voorschrift.

Afwijking hiervan is niet mogelijk. Wat betreft het ontwerp heeft de technische leidraad het karakter van een richtlijn. Dat betekent dat de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in verband met

specifieke plaatselijke omstandigheden af te wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen aanleg- en onderhoudskosten.

Ten behoeve van de beoordeling van het waterkerend vermogen is het nodig dat gedeputeerde staten naast voorschriften over de wijze van toetsing tevens de maatgevende waterstanden vaststellen.

Voor de regionale keringen langs de boezem wordt de maatgevende waterstand bepaald door het maatgevend boezempeil, de scheefstand van de boezem door opwaaiing en de werking van de boezemgemalen.

Voor de regionale keringen langs vrij afstromende regionale wateren wordt de maatgevende waterstand berekend door middel van een hydrologische

analyse. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van afvoernormen, metingen en/of modellen.

Vierde lid

Het vaststellen van het tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder.

In de aan deze verordening voorafgaande Verordening waterkering West-Nederland en het bijbehorende Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen

West-Nederland is al het tijdstip bepaald waarop de regionale waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen, namelijk in 2015.

Ook is in dit uitvoeringsbesluit bepaald dat gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het waterschap voor de waterkeringen

behorende tot de veiligheidsklassen I en II een uitloop tot uiterlijk 2020 kunnen toestaan. Dit uitvoeringsbesluit blijft van kracht zolang gedeputeerde staten niet anders hebben beslist (zie ook artikel 6.2).

Vijfde en zesde lid

Omdat de verordening van toepassing is op het gebied van meer provincies wordt de verordening vastgesteld door provinciale staten van de betreffende

provincies. Uitdrukkelijk is bepaald dat een gemeenschappelijk besluit vereist is voor een besluit tot een wijziging van een kaart of tot een wijziging van een veiligheidsnorm dat betrekking heeft op een

regionale waterkering die in meer provincies is gelegen. Hoewel provinciale staten van elk van de betrokken provincies hiertoe afzonderlijk bevoegd zijn

voor hun eigen gebied wordt het vanwege de onderlinge samenhang wenselijk geacht dat daarvoor een gemeenschappelijk besluit wordt genomen.

In geval een regionale waterkering in één provincie is gelegen, is een gemeenschappelijk besluit niet nodig en kunnen provinciale staten van die provincie afzonderlijk een dergelijk besluit nemen. Om te verzekeren

dat beide provincies beschikken over een gelijkluidende tekst van de verordening inclusief bijlagen is bepaald dat een dergelijke wijzigingsbesluit wordt bekendgemaakt in het provinciaal blad van elk van de betrokken provincies.

Artikel 2.2 Toezicht

Indien een waterkering in meer dan een provincie is gelegen, kan het doelmatig zijn als het toezicht daarop wordt uitgeoefend door het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen. Dit artikel voorziet daarin.

Titel 2.2 Waterkwantiteit

Algemeen

Regionale verdringingsreeks

Van watertekort is sprake indien de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en economische behoeften groter is dan het aanbod, waarbij het gaat om de beschikbaarheid van voldoende

water van die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van de regionale watersystemen is er, onder andere, op gericht alle

watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van watertekort voorgaan boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig

en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten.

Artikel 2.1 van het Waterbesluit legt de landelijke verdringingsreeks vast, welke bindend is. De landelijke verdringingsreeks bepaalt de prioriteitsrangorde van de waterbehoeften waarvoor water mag worden

benut in geval van watertekort. De landelijke verdringingsreeks

is opgebouwd in vier categorieën van gebruikers, welke onderling zijn geprioriteerd. Binnen categorie 1 (het waarborgen van de veiligheid tegen

overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade) en categorie 2 (nutsvoorzieningen) is in de landelijke verdringingsreeks nog een nadere prioritering aangebracht. Binnen categorie 3 (kleinschalig hoogwaardig gebruik) en categorie 4 (overige behoeften) is in de landelijke verdringingsreeks ook een nadere prioritering aangegeven, maar daarnaast

biedt artikel 2.2 van het Waterbesluit de provincie de mogelijkheid om in de provinciale verordening de nadere prioritering binnen categorie 3 en categorie 4 vast te leggen. In artikel 2.3 is van deze mogelijkheid

gebruik gemaakt. In de Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 is al gebruik gemaakt van deze mogelijkheid1. De desbetreffende bepaling uit de Verordening waterhuishouding

Amstel, Gooi en Vecht 2002 is daarom opgenomen in deze verordening.

De Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt.

1 De Verdringingsreeks is opgenomen in de Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 via een wijziging, bij besluit van provinciale staten van Noord-Holland van 22 september 2008, nr. 64, van provinciale

staten van Utrecht van 29 september 2008, nr. PS2008RGW18 en van provinciale staten van Zuid-Holland van 8 oktober 2008, nr. 5981.

Normen waterkwantiteit

Op grond van artikel 2.8 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening met het oog op de bergingsen afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden gesteld met

betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar. In deze titel wordt daarin voorzien.

In deze verordening worden normen gegeven waarbij de kans op overstroming als gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten

schade bij overstroming. De normen drukken de gemiddeld toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. De normering bakent de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen, dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag en geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken. De in deze verordening vastgelegde

normen moeten worden gezien als een minimumnorm. Het staat het waterschap vrij ook een hogere norm te hanteren.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2003 zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende vormen van landgebruik de gemiddeld

toelaatbaar geachte kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die daarbij worden onderscheiden zijn grasland, akkerbouw, hoogwaardige

onderscheiden zijn grasland, akkerbouw, hoogwaardige land-en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. De werknormen uit het NBW zijn overgenomen bij het bepalen van het beschermingsniveau

voor de verschillende vormen van landgebruik binnen het waterschapsgebied . De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te laten voldoen neemt de beheerder op in het beheerplan, bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet.

Artikelsgewijs

Artikel 2.3 Regionale verdringingsreeks

Dit artikel geeft de nadere prioritering voor de regionale wateren binnen de categorie 3 en categorie 4 gebruikers uit artikel 2.1 van het Waterbesluit. Deze nadere prioritering moet worden gezien als richtlijn voor de waterbeheerder bij de verdeling van het beschikbare water over de diverse functies in de regio tijdens een periode van watertekort. Met deze

nadere prioritering houdt de waterbeheerder bij het opstellen van calamiteitenplannen en waterakkoorden rekening. In dit artikel is de al bestaande bepaling over de verdringingsreeks overgenomen uit de

Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002. Zie de tekst hiervoor onder het kopje ‘Algemeen, Regionale verdringingsreeks’.

Artikel 2.4 Normering waterkwantiteit

Eerste en tweede lid

In het eerste en tweede lid wordt onderscheid gemaakt in het gebied binnen en buiten de bebouwde kom. Voor de bepaling van de bebouwde kom wordt

aansluiting gezocht bij de grenzen die door de gemeenteraad in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 worden vastgesteld (zie ook de begripsbepalingen in artikel 1.1). Hiertoe is gekozen om te voorkomen dat bij een wijziging van de bebouwde komgrens de verordening zou moeten worden aangepast. Wat betreft het gebied binnen de bebouwde kom is in het eerste lid onderscheid gemaakt tussen:

a. het gebied dat is bestemd voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen: hiervoor geldt de norm van 1/100 per jaar;

b. het overige gebied, zoals openbaar groen en sportvelden:

hiervoor geldt een norm van 1/10 per jaar.

Buiten de bebouwde kom is de normering voor wateroverlast met name gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik. Geen

normen zijn vastgelegd voor de gebieden met de functie natuur.

Aan de indeling in het eerste en tweede lid liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

a. Voor bebouwing in stedelijk gebied geldt vanwege de hoge economische waarde van het gebouwd overeenkomstig de normering uit het NBW de hoogste norm, de ‘bebouwingsnorm’, van 1/100 per jaar.

b. Voor niet-bebouwd gebied in stedelijke kernen (parken, sportvelden etc.) is gekozen voor de ‘graslandnorm’ van 1/10 per jaar vanwege de relatief lage economische waarde van dat gebied en de kosten van de benodigde maatregelen die gemoeid zijn met het realiseren van een hogere norm.

c. Door wat betreft de stedelijke kernen aansluiting te zoeken bij het begrip ‘bebouwde kom’ van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, wordt bereikt dat bij stedelijke uitbreiding de norm automatisch opschuift. Bepalend daarvoor is het tijdstip waarop het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van de grens van de bebouwde kom onherroepelijk is. Omdat de vastgestelde norm kan worden aangemerkt als een minimumnorm staat het het waterschap vrij om desgewenst reeds in de tussentijd (periode tussen feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en onherroepelijke besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’.

Aldus kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

d. Uit de toetsing van het watersysteem aan de NBW-werknormen is gebleken dat het waterschap over het algemeen technisch en tegen

redelijke kosten in staat is de normen, die horen bij de verschillende vormen van landgebruik, te realiseren. Om die reden is ervoor gekozen de

NBW-werknormen te verheffen tot definitieve normen. De benodigde maatregelen zullen door het waterschap worden opgenomen in het in

2009 door zijn algemeen bestuur vast te stellen waterbeheerplan en worden uitgevoerd gedurende de 6-jarige looptijd van het plan.

Derde lid

Om te kunnen bepalen welk landgebruik ter plaatse aanwezig is, is in het derde lid bepaald dat het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 5 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (LGN5) bepalend is. Deze landgebruikskaart is op dit moment de beste en meeste actuele grondgebruikskaart die beschikbaar is. Door deze kaart als bepalend

te nemen, ligt hiermee ook een peildatum vast, namelijk de publicatiedatum van deze kaart2. Het grondgebruik op deze peildatum is uitgangspunt bij

de toetsing van het watersysteem. Uit de toetsing blijkt vervolgens welke maatregelen het waterschap moet nemen om aan de normen voor wateroverlast te voldoen.

2 De LGN5-kaart is samengesteld uit satellietbeelden uit de periode 2003-2004.

Vierde lid

Voor natuurgebied geldt overeenkomstig het NBW geen norm. Hiertoe zijn enerzijds gerekend de door de Natuurbeschermingswet 1998 beschermde

gebieden. Dat betreft de beschermde natuurmonumenten (artikelen 10, eerste lid, en 12, eerste lid, van die wet) en de Natura 2000-gebieden, zoals

omschreven in artikel 1, onder n, van die wet, de zogenoemde vogelrichtlijngebieden en habitatrichtlijngebieden alsmede de gebieden van communitair belang die door de Europese Commissie kunnen worden aangewezen op grond van artikel 4 van de Habitatrichtlijn. Anderzijds is tot natuurgebied gerekend bestaande natuur die tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) behoort, voor zover dat gebied niet behoort tot de hiervoor door de Natuurbeschermingswet 1998 beschermde gebieden. De desbetreffende EHS-gebieden zijn op de plankaart bij het Streekplan Noord-Holland Zuid aangegeven als natuurgebied, op de kaart bij het Utrechtse streekplan 2005-2015 als ‘bestaande natuur’ en op de kaart bij het Streekplan Zuid-Holland Oost (vastgesteld 12 november 2003) als natuur. In de onderdelen c, d en e van dit lid is daarom volstaan met verwijzing naar deze beide streekplankaarten.

Wat betreft de Natura 2000-gebieden wordt nog het volgende opgemerkt. Voor deze gebieden moeten op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beheerplannen worden vastgesteld. In die plannen moeten maatregelen worden opgenomen die gericht zijn op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dieren- en plantensoorten in de des-betreffende gebieden. Die maatregelen kunnen mede waterhuishoudkundige maatregelen omvatten, waarmee een bepaald beschermingsniveau voor die

gebieden wordt gerealiseerd. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor de normering krachtens dit artikel, nu voor die gebieden geen norm is vastgesteld.

Vijfde lid

Om mogelijk te maken dat de uitleg van het eerste tot en met vierde lid waar nodig nader wordt uitgewerkt, is aan gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere voorschriften te stellen.

Zesde lid

Om te bereiken dat de toetsing van het actuele beschermingsniveau door de verschillende waterschappen op uniforme wijze tot stand komt, is in dit

lid voorgeschreven dat gedeputeerde staten daarvoor een leidraad vaststellen. Deze leidraad zal in overleg met het waterschap worden opgesteld. Het betreft hier een kaderstellende leidraad op hoofdlijnen.

Zevende lid

Het vaststellen van het tijdstip waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren voor de eerste keer aan de gestelde norm moeten voldoen is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is daarom een aangelegenheid van het provinciaal bestuur. Er is om de volgende reden niet voor gekozen dat tijdstip in deze verordening vast te leggen. De omvang van het door de beheerder uit te voeren maatregelenpakket wordt bepaald door de uitkomst van het toetsingsproces. De (financiële) inspanningen die de beheerder zal moeten leveren om de bergingsen

afvoercapaciteit van de regionale wateren te laten voldoen aan de vastgestelde norm worden verder in hoge mate bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de gevraagde inspanning geleverd moet worden. Het bepalen van het tijdstip waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren voor de eerste keer op orde moet zijn, vereist een afweging

tussen enerzijds het tijdstip waarop beschermingsniveau moet zijn gerealiseerd en anderzijds wat aanvaarbaar is wat betreft lastenstijging. Dat is maatwerk. Om die reden is die bevoegdheid in handen van gedeputeerde staten gelegd en is bepaald dat gedeputeerde staten overleg voeren met

het dagelijks bestuur alvorens zij een dergelijk besluit nemen.

Uitgangspunt in het Nationaal Bestuursakkoord Water uit 2003, welke is geactualiseerd in 2008 (NBW-actueel), is dat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. In het NBW-actueel zijn evenwel enkele uitzonderings-situaties benoemd wat betreft het tijdstip-op-orde. Dat betreft onder meer bestaand stedelijk gebied waar geen sprake is van een urgente water-opgave. Voor dergelijk gebied geldt dat de opgave uiterlijk in de periode tot en met 2027 wordt uitgevoerd door gemeente en waterschap. Eenzelfde

termijn geldt voor maatregelen die veel goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op een later tijdstip dan 2015 te koppelen aan andere projecten.

Voor reeds berekende wateropgaven houden NBW-partijen voorlopig vast aan het uitgangspunt van het 'midden klimaatscenario 2050' daterende uit 2000, hetgeen qua opgave overeenkomt met het KNMI’06 klimaatscenario G. Om tijdig te kunnen inspelen op veranderingen van het klimaat hebben NBW-partijen afgesproken dat de toetsing van het watersysteem

periodiek te herhalen. Dit gebeurt voor het eerst in 2012, mits nieuwe inzichten in de klimaatsverandering door het IPCC dan hebben geleid tot een aanpassing van de KNMI’06 scenario´s waarna besluitvorming

door de NBW-partijen volgt hoe deze inzichten te gebruiken bij de herijking van de wateropgave. Een eventuele extra opgave die volgt uit deze periodieke toets wordt voor afloop van de tweede SGBP3-periode (2015-2021) uitgevoerd door de betrokken NBW-partijen.

3 Stroomgebiedbeheerplan

Titel 2.3 Meten en beoordelen

Algemeen

Uit artikel 2.14 van de Waterwet volgt dat bij of krachtens provinciale verordening, regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te geven grootheden en het aan de hand van de meetresultaten beoordelen van de mate van verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde normen met betrekking tot de waterkering en de waterkwantiteit. Het is, gelet op de toelichting bij artikel 2.14 in de memorie van toelichting bij de Waterwet, gewenst dat de beheerder de vinger “aan de pols van het watersysteem

houdt” en periodiek nagaat in hoeverre de normen verwezenlijkt zijn.

De resultaten van de beoordeling van het watersysteem

en de bevindingen bij de beoordeling worden door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Het

verslag heeft een ander karakter en wordt met een andere frequentie opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld in artikel 3.5. Om die reden maakt het verslag als bedoeld in artikel 2.5 geen

onderdeel uit van de algemene voortgangsrapportage.

Artikelsgewijs

Artikel 2.5 Verslag toetsing watersysteem

De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de waterkering

respectievelijk het tegengaan van wateroverlast. De beheerder doet periodiek verslag van de uitkomsten van deze beoordeling aan gedeputeerde staten zodat gedeputeerde staten kunnen nagaan of

aan de normen is voldaan.

In de toelichting bij de artikelen 2.1 en 2.4 is het belang aangegeven dat de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en de beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van regionale

wateren op uniforme wijze worden uitgevoerd, zodat eenduidig kan worden bepaald wanneer het watersysteem kan worden gekwalificeerd als ‘op orde’. In verband hiermee is in het zevende lid van dit artikel bepaald dat gedeputeerde staten voorschriften kunnen stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de toetsingsverslagen.

Hoofdstuk 3 Plannen

Algemeen

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het beheerplan en de voortgangsrapportage. De bestaande planstructuur van de Wet op de waterhuishouding is grotendeels overgenomen in de Waterwet.

Provinciale staten stellen het regionale waterplan vast. De waterschappen houden hier rekening mee, bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de

waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt ingebed in het breder afgewogen regionale waterplan. De verordening gaat uitgebreid

in op de in het beheerplan op te nemen onderdelen.

Artikelgewijs

Artikel 3.1 Inhoud

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen, die de provincie in haar regionale waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. Op grond van de in het NBW-actueel gemaakte afspraak moeten in het beheerplan ook de resultaten van het onderzoek naar het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem (GGOR) worden opgenomen.

Het GGOR is een instrument dat het waterschap gebruikt om via een transparant proces de waterpeilen en ruimtelijke grondgebruikfuncties

zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. De in het beheerplan op te nemen resultaten van het GGOR betreft minimaal een beschrijving van de knelpunten die in het GGOR-proces naar voren zijn gekomen alsmede van de maatregelen die nodig zijn om die knelpunten op te lossen. Dit is voorgeschreven in het eerste lid, onder c en d. Uit de knelpunten kan naar

voren komen dat functieveranderingen wenselijk zijn.

Artikel 3.2 Raadplegen

De Waterwet schrijft in artikel 4.7 voor dat bij verordening regels worden gesteld over onder andere de raadpleging van burgemeester en wethouders van betrokken gemeenten. Artikel 3.2 voorziet daarin.

Artikel 3.3 Voorbereiding

Afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van het beheerplan. Daarbij is in het tweede lid opgenomen

dat iedere belanghebbende en ingezetene zienswijzen naar voren kan brengen. Op grond van artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan het naar voren brengen van zienswijzen naar keuze schriftelijk of mondeling. De voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens identiek aan de procedure voor de totstandkoming van het regionale

waterplan.

Artikel 3.4 Goedkeuring en toezending

Het waterschap stuurt het goed te keuren beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen naar gedeputeerde staten. De bijlagen zijn geen onderdeel van het beheerplan. Gedeputeerde staten gebruiken

de bijlagen bij de beoordeling van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het beheerplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor

geldende procedure.

Artikel 3.5 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

In artikel 3.10 van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht is het van belang dat gedeputeerde staten over adequate en voldoende actuele informatie beschikken.

In dit artikel is geregeld dat de beheerder, tenminste eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de afspraken die het IPO en de Unie van waterschappen hebben neergelegd in de rapportage "Afstemming van taken in het regionale waterbeheer" (2005).

Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met ieder een eigen rol

hierin), de uitvoering en het toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een afstemming van taken op basis van partnership en complementariteit.

In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen betreffende het regionaal waterbeheer, het regionale waterplan en het waterbeheerplan aan de orde

worden gesteld. Ook de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen

hiervan deel uitmaken.

In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en planonderdelen, genoemd in artikel 4.6,

tweede lid, van de Waterwet en hetgeen daaromtrent is bepaald in het Waterbesluit.

Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde financiële middelen, de gekwantificeerde

opgaven en de condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van waterhuishoudkundige voorzieningen, het draagvlak bij

belanghebbenden, de acceptatie van de financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie, relevante omstandigheden).

Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten kan een relatie worden gelegd met het verslag inzake de beoordeling van het watersysteem, bedoeld in artikel 2.5. Op basis van het verslag en het periodiek overleg ziet de provincie erop toe dat de gestelde strategische doelen worden bereikt. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat de strategische doelen niet worden bereikt, kunnen specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Indien nodig kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van instrumenten

om te kunnen bijsturen worden overwogen.

Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Algemeen

Titel 4.1. Legger

In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie

moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De

ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatwerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat

werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.

In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te

onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven.

Tevens is bepaald dat er bij verordening vrijstelling kan worden verleend van de leggerverplichtingen wat betreft vorm, afmeting en constructie. In deze titel wordt dit onderwerp nader uitgewerkt.

De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken

kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden

gecombineerd.

De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de

legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke

reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of

ontheffingen).

De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraak-verordening).

Titel 4.2 Peilbesluiten

Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In

het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden of bandbreedten opgenomen waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit

geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen.

De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale

omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten

zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

De wet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormings-procedures rondom deze projecten bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen, maar

geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling ook open te stellen voor andere projecten. In titel 4.3 is aangegeven voor welke projecten de projectprocedure ook kan worden ingezet.

Titel 4.4 Waterakkoord

Het systeem van aanwijzing van verplichte gevallen waarin een waterakkoord moet worden vastgesteld is in de wet vervangen door de verplichting om “voor zover dat nodig is met het oog op een samenhangend

en doelmatig waterbeheer” waterakkoorden te sluiten. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek waarvoor ook in artikel 3.8 van de wet inzake de samenwerking tussen waterschappen en gemeenten

is gekozen. Bij provinciale verordening kunnen alleen nog nadere regels met betrekking tot waterakkoorden worden gesteld. Met artikel 4.9 is hieraan invulling gegeven. De nadere regels hebben alleen betrekking

op de voorbereiding van de waterakkoorden.

Artikelsgewijs

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkeringen (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm, de technische leidraad en de voorschriften,

bedoeld in artikel 2.1 van deze verordening. Met behulp van situatie-tekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de

primaire en regionale) waterkeringen en de daaraan grenzende beschermingszones zijn.

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlakte-waterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in

artikel 2.4 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast).

Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te

onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones, alsmede van de bergingsgebieden, zijn.

In het tweede lid is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de leggerverplichting met betrekking tot vorm, afmeting en constructie, conform artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet. In de praktijk is de legger met name van belang voor zogenaamde primaire watergangen. Dit zijn watergangen die een belangrijke functie hebben voor de aan- en

afvoer van water en voor waterbergingsgebieden. De zogenaamde secundaire en tertiaire watergangen zijn vaak veel minder belangrijk voor de werking van het watersysteem. Daarom zijn deze watergangen vrijgesteld van de verplichting om de vorm, afmeting en constructie op de legger op te nemen. Wel geldt voor alle waterstaatwerken en dus ook voor alle watergangen dat de ligging op de legger moet worden opgenomen.

De gegevens in de legger zijn mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer van het vereiste van vergunningen

of ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen ligt, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gevolgd. Deze procedure is in

de verordening voorgeschreven. In de praktijk maakt de hier bedoelde legger vaak onderdeel uit van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. De legger als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet

moet ook worden voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart zijn de gebieden aangewezen waarin het waterschap verplicht is voor de oppervlakte-waterlichamen een of meer peilbesluiten vast te stellen, waarvan de peilen zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Deze kaart kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de

vaststelling van het peilbesluit worden bepaald.

Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit

In artikel 4.3 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weersomstandigheden

(nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet voorziet er daarom in

dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden.

Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven.

De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en

oppervlaktewaterregime.

Artikel 4.4 Voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.

Artikel 4.5 Herziening

Het eerste lid geeft aan dat een peilbesluit tenminste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het vastgestelde peilbesluit overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt.

Op verzoek van het algemeen bestuur kunnen gedeputeerde staten de geldigheidsduur van een peilbesluit voor ten hoogste vijf jaren verlengen.

Artikel 4.6 Projectprocedure

Bij of krachtens provinciale verordening kunnen projecten worden aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten kunnen worden gerealiseerd door het gebruiken van de projectprocedure. Er is ten behoeve van de transparantie voor gekozen categorieën van projecten bij verordening aan te wijzen,

maar ten behoeve van de flexibiliteit bepalen gedeputeerde staten per geval of de projectprocedure daadwerkelijk wordt toegepast. Dat biedt het voordeel dat vooraf duidelijk is voor welke projecten de projectprocedure

kan worden ingezet en voorkomt dat deze procedure altijd van toepassing is op projecten uit de genoemde categorieën. Het wel of niet van toepassing

verklaren van de procedure wordt hiermee maatwerk. De projectprocedure brengt immers belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen

worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde

staten, indien nodig, medewerking vorderen of zelfs in de plaats treden van mede overheden.

Het van toepassing verklaren van de projectprocedure op een projectplan door gedeputeerde staten zal in meeste gevallen gebeuren op verzoek

van het waterschap. De projectprocedure kan worden ingezet voor de regionale waterkeringen. Verder kan de procedure worden ingezet voor de aanleg van waterbergingsgebieden. De aanwijzing van waterbergings-gebieden gebeurt in het spoor van de ruimtelijke ordening en op de legger. Tot slot kunnen gedeputeerde staten de projectprocedure inzetten bij

de aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter. Deze laatste categorie kan bijvoorbeeld aan orde zijn bij het uitvoeren van maatregelen ter uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water (-actueel) of de Europese Kaderrichtlijn Water.

Artikel 4.7 Projectplan regionale waterkeringen

In dit artikel is geregeld dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht altijd van toepassing is op de voorbereiding van een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering, ook als niet de projectprocedure wordt toegepast. Als de projectprocedure wel van toepassing is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege al van toepassing via artikel 5.6, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 4.8 Toezending projectplan voor primaire

waterkeringen

Dit artikel zorgt er voor dat projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen ook naar gedeputeerde staten van de andere provincie(s) wordt gestuurd, indien de primaire waterkering deel uitmaakt van een dijkring die ook op grondgebied van die andere provincies ligt. Hetzelfde geldt, via het tweede lid, voor projectplannen tot aanleg of wijziging van waterstaatswerken, waarop de projectprocedure van toepassing is, waarbij de waterstaatswerken op het grondgebied van meerdere provincies zijn gelegen, maar de goedkeuring van het

projectplan door gedeputeerde staten van één provincie wordt verzorgd (zie artikel 5.7, tweede lid, van de Waterwet).

Artikel 4.9 Waterakkoord

In geval er andere overheden zijn die waterstaatkundige taken vervullen, zoals een gemeente of provincie die met het vaarwegbeheer is belast, is het

van belang dat de dagelijkse besturen van die overheden bij de voorbereiding van een waterakkoord geraadpleegd worden.

Hoofdstuk 5 Grondwater

Algemeen

In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de wet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap

niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien.

De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De wet maakt hierop één uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft grondwateronttrekkingen ten behoeve van

de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen

en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van

voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten.

Onttrekkingen en infiltraties voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De wet laat de waterschappen de mogelijkheid een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid

van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen en infiltraties te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet.

Van deze mogelijkheid is in deze verordening alleen gebruik gemaakt in artikel 5.2. Dit artikel bevat een beperking van de bevoegdheid van het algemeen bestuur om bij verordening onttrekkingen of infiltraties

vrij te stellen van de verplichting om deze te melden, te meten en te registreren. De waterschappen zijn derhalve bevoegd om zelf te bepalen welke onttrekkingen en infiltraties vergunningplichtig zijn. Uit artikel

6.13 van de wet volgt dat de keuze om voor een bepaalde handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat die handeling onder het

regime van de watervergunning komt te vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in een watersysteem altijd slechts één vergunning

vereist is, de watervergunning.

Artikelsgewijs

Artikel 5.1 Verstrekken gegevens

De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet.

Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op

onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap

afzonderlijk worden verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen.

In overleg tussen het IPO en de Unie van Waterschappen wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk register. Ook bij een landelijk register is het

noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister

bij gedeputeerde staten neer te leggen. De aangewezen bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een landelijk register in te richten en te

vullen.

Artikel 5.2 Melden, meten en registreren

Dit artikel bepaalt dat het algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan toepassen voor

onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3. Door middel van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van het

waterschap beperkt. Een registratieplicht voor alle onttrekkingen (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan 12.000 m3 van de registratieplicht kan uitzonderen.

Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen aan gedeputeerde staten. Artikel 6.11, eerste lid, van het

Waterbesluit bepaalt dat degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een

verordening van het waterschap, dit bij het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling.

Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister

en is opgenomen vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is belangrijk, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap

(zoals belangenafweging bij vergunningen) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend beeld van de belangrijkste grondwater-onttrekkingen.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Algemeen

In hoofdstuk 6 zijn de overgangs- en slotbepalingen neergelegd.

Artikelsgewijs

Artikel 6.1 Intrekking verordeningen

De Verordening waterhuishouding Amstel, Gooi en Vecht 2002 en de Verordening waterkering West Nederland, voor zover deze betrekking heeft op het gebied van het waterschap, kunnen worden ingetrokken,

want deze verordeningen worden vervangen door de nieuwe Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

Artikel 6.2 Overgangsrecht besluiten

Artikel 6.2 regelt het overgangsrecht voor besluiten die zijn genomen op basis van de verordeningen die worden ingetrokken. Het gaat hier bijvoorbeeld om het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland. Met het tweede lid van artikel 6.2 wordt geregeld dat procedures die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van de verordening onder het “oude” rechtsregime kunnen worden afgehandeld.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt. Met deze

bepaling wordt gewaarborgd dat de nieuwe Waterverordening

Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht gelijktijdig in werking treedt met de nieuwe Waterwet. Naar verwachting zal eind 2009 de nieuwe

Waterwet in werking treden.

Artikel 6.4 Citeertitel

De citeertitel zorgt ervoor dat de verordening eenvoudig en eenduidig kan worden aangehaald.

Artikel 6.5 Aanpassing aanhalingen wet, Waterbesluit en Waterregeling, aanbrengen doorlopende nummering

Gedurende de besluitvormingsprocedure zijn enkele artikelen toegevoegd aan de verordening dan wel komen te vervallen. Daardoor zijn de artikelen niet meer doorlopend genummerd. Op grond van dit artikel moeten gedeputeerde staten ervoor zorg dragen dat de verordening voor plaatsing in het provinciaal blad een doorlopende nummering krijgt.

Door middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de

Waterwet hernummerd worden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming

worden gebracht. Dit artikel voorziet er tevens in dat gedeputeerde staten de desbetreffende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de

verordening in het provinciaal blad.

Toelichting op het wijzigingsbesluit van 27 maart 2013 (Prov. Blad 2013, nr. 43)

Het ontwerpbesluit tot wijziging van bijlage 1 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht betreft het aanpassen van de veiligheidsnorm van een regionale waterkering langs het Gein. Het gaat om het verlagen tot een veiligheidsnorm III (1/100) van het gedeelte van de waterkering dat bescherming biedt aan de Broekzijdsche polder (nu veiligheidsnorm IV, 1/300). De betreffende kaart , bijlage 1 van de verordening, wordt vervangen door een nieuwe kaart bijlage 1.

Aanleiding voor deze aanpassing is de geplande verbetering van de waterkering langs het Gein. Bij de uitwerking van de benodigde maatregelen is gebleken dat het niet nodig is om voor de gehele waterkering langs het Gein de veiligheidsnorm IV, 1/300, aan te houden. Voor het gedeelte dat bescherming biedt aan de Broekzijdsche polder is om de volgende redenen indeling in de lagere veiligheidsklasse III (1/100) verantwoord en wenselijk.

De klassenindeling is gebaseerd op de economische schade van de overstroming. Hoe groter de schade, des te strenger is de eis aan de waterkering. Zo ontstaat een systeem waarin de kansen op een doorbraak niet gelijk zijn. Immers de waterkeringen die gebieden met een lagere economische waarde beschermen worden in een lagere veiligheidsklasse ingedeeld. In de verordening is bewust gekozen voor deze differentiatie in veiligheid, omdat een calamiteit daarmee enigszins te sturen is. Een lagere en minder stevige kering zal immers eerder falen. Door deze sturing worden de polders waar de hoogste economische schade kan optreden, gespaard. In 2006 is het gehele dijktraject langs het Gein ingedeeld in veiligheidsklasse IV. Bij nadere beschouwing is het mogelijk het dijktraject te splitsen ter plaatse van de spoorbaan. De spoorbaan Amsterdam-Utrecht doorsnijdt de polder. Hierdoor is er sprake van een stedelijk en een landelijk gedeelte. Het landelijk gedeelte kan op basis van de economische schade van een overstroming worden ingedeeld in veiligheidsklasse III. Het stedelijk gedeelte blijft veiligheidsklasse IV. Deze indeling sluit beter aan bij de gekozen differentiatie in veiligheid. Stedelijk gebied heeft een hogere beschermingswaarde dan landelijk gebied. Op bijgevoegde detailkaart is de bestaande en de voorgestelde nieuwe situatie weergegeven.

Een verlaging van de veiligheidsnorm voor het betreffende gedeelte betekent ook dat er geen grootschalige ingrepen nodig zijn. Er moeten minder bomen worden gekapt. Het landelijke karakter blijft daardoor behouden. Ook wordt meer tegemoetgekomen aan de wensen van de inwoners van het gebied. De verbeteringskosten komen als gevolg van een en ander aanmerkelijk lager uit.

De datum van de inwerkingintreding wordt met terug werkende kracht gesteld op 1 december 2012. Hierdoor kan AGV overeenkomstig de planning van het uitvoeringsprogramma eerder starten met de werkzaamheden en is de kans dat de werkzaamheden in 2015 voltooid zijn. Dat is het jaar waarin de regionale keringen op orde moeten zijn.

Detailkaart Wijziging Veiligheidsklassen Het Gein