Waterverordening Zuid-Holland (Waterverordening Zuid-Holland)

Geldend van 22-12-2009 t/m 08-08-2014

Besluit van Provinciale Staten van 14 oktober 2009 tot vaststelling van de Waterverordening Zuid-Holland (voordracht 6099, Prov. Blad 2009, nr. 79)

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, toepassing en toedeling beheer

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: algemeen bestuur algemeen bestuur van het waterschap; bebouwde kom gebied van een gemeente zoals bedoeld bij of krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beheerplan plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet; dagelijks bestuur dagelijks bestuur van het waterschap; gedeputeerde staten Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; hoofdinfrastructuur hoofdweg of landelijke spoorweg, met bijbehorende voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, alsmede de overige spoorwegen; milieubeschermingsgebied voor grondwater gebied waarvoor in de provinciale milieuverordening Zuid-Holland regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; peilbesluit besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet; projectplan plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet; profiel van vrije ruimte ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; regionale waterkering waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en als zodanig is aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten; regionaal waterplan plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet; reglement Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Delfland en Reglement van bestuur voor het waterschap Hollandse Delta; ruimtelijk plan bestemmingsplan, provinciaal of rijksinpassingsplan, zoals bedoeld in de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening; waterschap Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Hoogheemraadschap van Delfland en Waterschap Hollandse Delta, ieder voor zover hun bevoegdheid strekt; wet Waterwet.

Artikel 1.2 Toepassing

De titels 2.2, 2.3, 2.4 en 3.2, alsmede hoofdstuk 4 en titel 5.2 van deze verordening zijn van toepassing in het gebied van het waterschap, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het reglement.

Artikel 1.3 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 3 van het reglement voor het betreffende waterschap.

Hoofdstuk 2 Normen en veiligheid

Titel 2.1 Provinciaal overlegorgaan voor de kust

Artikel 2.1 Provinciaal overlegorgaan voor de kust

1. Gedeputeerde staten stellen een provinciaal overlegorgaan voor de kust in dat hen adviseert over de veiligheid van de kust en het waterbeheer in het kustfundament. Deze adviezen kunnen onder meer zien op voorstellen van rijkswege als bedoeld in artikel 2.7 van de wet om landinwaartse verplaatsing van de kustlijn te voorkomen of tegen te gaan.2. Het overlegorgaan wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van provincie, waterbeheerders, Rijk, kustgemeenten, relevante terreinbeheerders en belangenorganisaties.3. De vergaderingen van het overlegorgaan zijn niet openbaar, tenzij het overlegorgaan anders beslist.4. Het overlegorgaan stelt een reglement op waarin zij haar werkwijze nader regelt.

Titel 2.2 Regionale waterkeringen

Artikel 2.2 Veiligheidsnorm

1. Op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten is voor de betreffende regionale waterkering of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar.2. Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap.3. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen. 4. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

Titel 2.3 Waterkwantiteit

Artikel 2.3 Normen waterkwantiteit

1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt, voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom, als norm een gemiddelde overstromingskans van:

  • a. 1/100 per jaar voor bebouwing niet zijnde glastuinbouw;

  • b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw;

  • c. 1/10 per jaar voor het overige gebied.

2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht geldt, voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde overstromingskans van:

  • a. 1/100 per jaar voor hoofdinfrastructuur;

  • b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

  • c. 1/25 per jaar voor akkerbouw;

  • d. 1/10 per jaar voor grasland.

3. Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in een ruimtelijk plan bepalend. Indien een ruimtelijk plan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland versie 5 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.4. Voor bebouwing, gelegen buiten de bebouwde kom, geldt de norm van het omringend landgebruik genoemd in het tweede lid, onder b, c of d.5. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid. 6. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, een leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. 7. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, het tijdstip vast waarop de inrichting van de regionale wateren voldoet aan de in het eerste, tweede en vierde lid opgenomen normen.

Titel 2.4 Meten en beoordelen

Artikel 2.4 Verslag toetsing watersysteem

1. Het dagelijks bestuur brengt periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.2. Het verslag bedoeld in het voorgaande lid, bevat een beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkeringen. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet.3. Het dagelijks bestuur brengt periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer. 4. Het verslag bedoeld in het voorgaande lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen, de leidraad, en de voorschriften bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening, en de legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet. 5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in dit artikel een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.6. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, het tijdstip vast waarop de verslagen bedoeld in dit artikel, voor de eerste maal worden uitgebracht. Ook stellen zij de frequentie vast waarmee de verslagen daarna worden uitgebracht. 7. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen bedoeld in dit artikel.

Hoofdstuk 3 Plannen

Titel 3.1 Regionaal waterplan

Artikel 3.1 Inhoud

De ruimtelijke aspecten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid als onderdeel van de provinciale structuurvisie.

Artikel 3.2 Voorbereiding

1. Gedeputeerde staten overleggen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, met het dagelijks bestuur van de geheel of gedeeltelijk binnen Zuid-Holland gelegen waterschappen, de betrokken hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeesters en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.2. Gedeputeerde staten raadplegen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, de Minister van Verkeer en Waterstaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies.3. Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van de provincie zienswijzen over het ontwerp van het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen.4. Gedeputeerde staten sturen het regionaal waterplan na vaststelling aan de in het eerste en tweede lid genoemde bestuursorganen.

Titel 3.2 Beheerplan

Artikel 3.4 Inhoud

1. Het beheerplan bevat, in aansluiting op artikel 4.6 van de wet, tenminste:

  • a. een beschrijving van de bestaande toe¬stand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt;

  • b. een beschrijving van het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • c. een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, met het oog op de realisering van de gestelde doelstellingen;

  • d. een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode;

  • e. de wijze van toepassing van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.

2. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin tenminste is opgenomen:

  • a. de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken;

  • b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid, onder c, van dit artikel genoemde maatregelen;

  • c. een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening.

Artikel 3.5 Voorbereiding

1. Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij de voorbereiding van het beheerplan, de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeesters en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.2. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van het beheersgebied van het waterschap hun zienswijze over het ontwerp van het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen.

Artikel 3.6 Goedkeuring en toezending

1. Het dagelijks bestuur stuurt binnen vier weken na vaststelling door het algemeen bestuur het beheerplan ter goedkeuring naar gedeputeerde staten. Als bijlagen voegt het toe een verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, een overzicht van de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.2. Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de goedkeuring door gedeputeerde staten aan de ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van deze verordening geraadpleegde bestuursorganen, alsmede aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 3.7 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

1. Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de als gevolg daarvan voorgestelde maatregelen.2. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de in het eerste lid bedoelde voortgangsrapportage.

Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Titel 4.1 Legger

Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken

1. De legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat, in aansluiting op het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel, in ieder geval:

  • a. het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen, alsmede het profiel van vrije ruimte;

  • b. de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer van het waterschap;

  • c. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering onder beheer van het waterschap;

  • d. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer van het waterschap.

2. Op de voorbereiding van de legger is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.3. In afwijking van hetgeen in het eerste lid, onder letter d is bepaald, geldt de aldaar omschreven verplichting, met ingang van een door gedeputeerde staten in onderling overleg met het dagelijks bestuur te bepalen datum.

Titel 4.2 Peilbesluiten

Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit

1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2, van de wet één of meer kaarten met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft. 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

  • a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken;

  • b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

  • c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor alle betrokken belangen.

Artikel 4.4 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.5 Herziening

1. Een peilbesluit wordt ten minste eenmaal in de tien jaar herzien.2. Gedeputeerde staten, kunnen op verzoek van het algemeen bestuur voor ten hoogste vijf jaar vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid.

Titel 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.6 Projectprocedure

Gedeputeerde staten kunnen, in overleg met of op verzoek van het dagelijks bestuur, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op projectplannen tot aanleg of wijziging van andere waterstaatswerken dan primaire waterkeringen, welke met spoed op een gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.

Artikel 4.7 Toezending projectplan

Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan, als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies, wordt door het dagelijks bestuur tevens ter kennisneming toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies.

Hoofdstuk 5 Grondwater

Titel 5.1 Grondwaterregister en definitiebepaling inrichtingen

Artikel 5.1 Grondwaterregister

1. Gedeputeerde staten houden een grondwaterregister bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.2. Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister. Als datum van de ambtshalve inschrijving wordt de datum aangehouden waarop de onttrekking of infiltratie is aangevangen.

Artikel 5.2 Definitiebepaling inrichtingen

1. Inrichtingen en/of infiltratiewerken die vanwege één opdrachtgever en/of één project plaatsvinden en die een samenhangend geheel vormen, gelden als één inrichting. 2. In aanvulling op het voorgaande lid, is er in één of meer van de volgende gevallen geen sprake van een samenhangend geheel indien:

  • a. de invloedsgebieden van onttrekkingen en/of infiltraties elkaar niet overlappen;

  • b. bij onttrekkingen een periode van zes maanden of langer ligt tussen de beëindiging van een onttrekking en het begin van de volgende onttrekking;

  • c. is aangetoond dat voorafgaand aan een opvolgende onttrekking de grondwaterstand en de stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten zich hebben hersteld tot het natuurlijk niveau.

Titel 5.2 Verstrekken gegevens en vergunningsplicht onder bevoegd gezag van het waterschap

Artikel 5.3 Verstrekken gegevens

1. Het dagelijks bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten:

  • a. de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen;

  • b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.3. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg moet het dagelijks bestuur, nadere regels stellen omtrent de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangeleverd.

Artikel 5.4 Melden, meten en registreren

1. Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.2. Het eerste lid geldt tevens voor permanente onttrekkingen van grondwater of permanente infiltraties van water van minder dan 12.000 m3 per jaar, voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4, van de wet, welke zijn gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

Artikel 5.5 Vergunningsplicht en begripsbepaling inrichting

1. Het algemeen bestuur regelt bij verordening, dat het verboden is zonder vergunning van het dagelijks bestuur, permanent grondwater te onttrekken of permanent water te infiltreren voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4, van de wet binnen een milieubeschermingsgebied voor grondwater. 2. In de in het voorgaande lid bedoelde verordening regelt het algemeen bestuur dat het begrip onttrekkingsinrichtingen uit de wet wordt aangevuld met het bepaalde in artikel 5.2 van deze verordening.

Hoofdstuk 6 Schadevergoeding

Artikel 6.1 Instelling commissie

Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, van de wet.

Artikel 6.2 Procedure advies

1. Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het dagelijks bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende dagelijks bestuur. 2. De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.3. De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.

Artikel 6.3 Indienen zienswijzen

1. Gedurende zes weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 6.2, derde lid van deze verordening, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor één of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.2. Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.3. Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 6.2, derde lid van deze verordening. 4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 6.2, derde lid van deze verordening.5. De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoelt in 7.19, eerste lid, van de wet, verband houdt met een door het dagelijks bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Artikel 7.1 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in titel 5.1 van deze verordening zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders.

Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8.1 Intrekking verordeningen

De Verordening waterbeheer Zuid-Holland 2007 en de Verordening waterkering West-Nederland, voor zover deze betrekking heeft op het gebied van het waterschap worden ingetrokken.

Artikel 8.2 Overgangsrecht

1. De onmiddellijk voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die zijn genomen op grond van de verordeningen, genoemd in artikel 8.1 van deze verordening, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.2. Op procedures op grond van de verordeningen genoemd in artikel 8.1 van deze verordening, die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening, blijft het op dat tijdstip geldende recht van toepassing.

Artikel 8.3 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als Waterverordening Zuid-Holland.

Artikel 8.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt.

Artikel 8.5 Aanbrengen doorlopende nummering: aanpassing aanhalingen

Voor de plaatsing in het provinciaal blad stellen gedeputeerde staten de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vast en brengen zij de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming en brengen zij de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming.

Ondertekening

  Den Haag, 14 oktober 2009 Provinciale Staten van Zuid-Holland, J. FRANSSEN, voorzitter H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier 

Bijlagen behorende bij de Waterverordening Zuid-Holland:

Bijlage 1: Kaart regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Waterschap Hollandse Delta; Gedeelte Goeree Overflakkee

Bijlage 1: Kaart regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Hoogheemraadschap van Delfland

Bijlage 1: Kaart regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard

Bijlage 1: Kaart regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Waterschap Hollandse Delta; gedeelte Voorne-Putten en Rozenburg

Bijlage 1: Kaart regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Waterschap Hollandse Delta; gedeelte Hoeksche Waard

Bijlage 2: Kaart aanwijzing gebieden met verplichte peilbesluiten Waterschap Hollandse Delta; Gedeelte Goeree Overflakkee

Bijlage 2: Kaart aanwijzing gebieden met verplichte peilbesluiten Hoogheemraadschap van Delfland

Bijlage 2: Kaart aanwijzing gebieden met verplichte peilbesluiten Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Bijlage 2: Kaart aanwijzing gebieden met verplichte peilbesluiten Waterschap Hollandse Delta; Gedeelte Voorne-Putten en Rozenburg

Bijlage 2: Kaart aanwijzing gebieden met verplichte peilbesluiten Waterschap Hollandse Delta; Gedeelte Hoeksche Waard, IJsselmonde en Eiland van Dordrecht