Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a. (Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a.)

Geldend van 11-11-2010 t/m heden

Intitulé

Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a. (Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a.)

Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland tot vaststelling van reglement van orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a. (Prov. blad 2010, nr. 130)

TITEL 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

- Amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpbesluit naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

- Commissiegriffier: de aan een commissie of subcommissie toegewezen medewerker van de Statengriffie als bedoeld in artikel 115 van dit reglement.

- Commissielid: een lid van Provinciale Staten of een fractievertegenwoordiger als bedoeld in artikel 65 van dit reglement, welke als lid van en commissie fungeert.

- Fractie: groep van Statenleden die zich binnen provinciale Staten hebben georganiseerd met het oog op samenwerking.

- Maidenspeech: de spreekbeurt van een Statenlid, die na tot lid van Provinciale Staten te zijn benoemd voor de eerste maal vanaf het spreekgestoelte het woord voert.

- Motie: verklaring over een onderwerp waarmee een opdracht of oordeel wordt uitgesproken;

- Portefeuillehouder: het voor een bepaalde provinciale taak, of voor een bepaald dossier verantwoordelijk lid van het college van Gedeputeerde Staten.

- Presidium: het Presidium als bedoeld in artikel 103 van dit reglement.

- Seniorenconvent: het overlegorgaan van de fractievoorzitters, als bedoeld in artikel 90 van dit reglement.

- Spreekgestoelte: de in de vergaderzaal van Provinciale Staten gecreëerde plaats, vanwaar sprekers met inachtneming van artikel 18 en 21 van dit reglement het woord voeren.

- Spreker: eenieder die tijdens een vergadering feitelijk het woord voert.

- Staten: Provinciale Staten - Statencommissie: commissie van advies aan Provinciale Staten als bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet.

- Statenfractie: een in Provinciale Staten vertegenwoordigde politieke groepering.

- Statengriffie: de griffie als bedoeld in artikel 104, sub e van de Provinciewet.

- Statengriffier: de griffier als bedoeld in artikel 97 van de Provinciewet.

- Stukkenstroom: het geheel aan stukken dat aan Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie is gezonden of daarvan uitgaat.

- Sub-amendement: voorstel tot wijziging van een amendement naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement waarop het betrekking heeft;

- Subcommissie: een subcommissie uit een Statencommissie, als bedoeld in artikel 89 van dit reglement.

- Toehoorder: eenieder die bij een vergadering van Provinciale Staten of een commissie aanwezig is, anders dan in de hoedanigheid van voorzitter, statenlid, commissielid, commissiegriffier, commissaris van de Koningin, portefeuillehouder, statengriffier of medewerker van de Statengriffie.

- Voltallige vergadering: een vergadering waarin alle leden waaruit Provinciale Staten bestaan, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

TITEL II - PROVINCIALE STATEN

HOOFDSTUK I - ONDERZOEK GELOOFSBRIEVEN

Artikel 2 Commissie tot onderzoek van geloofsbrieven

1. De voorzitter van Provinciale Staten benoemt bij aanvang van elke zittingsperiode en commissie tot onderzoek van geloofsbrieven, bestaande uit vijf Statenleden.

2. De commissie als bedoeld in het eerste lid benoemt uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

3. Indien de commissie door ontstentenis van commissieleden niet bijeen kan komen in de samenstelling als genoemd in artikel 3 tweede lid of artikel 4, tweede lid, is de voorzitter van de commissie bevoegd ad-hoc één of meerdere leden van Provinciale Staten aan te wijzen om in vervanging van de ontbrekende leden van de commissie te voorzien.

Artikel 3 Het onderzoek van de geloofsbrieven van Statenleden.

1. Het onderzoek van de geloofsbrieven en de daarbij behorende overige bescheiden van benoemde leden van Provinciale Staten geschiedt door de commissie als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2. Indien het onderzoek van geloofsbrieven betrekking heeft op nieuw gekozen leden van Provinciale Staten na periodieke aftreding, wordt het onderzoek door de commissie in voltalligheid verricht. In alle overige gevallen wordt het onderzoek verricht door tenminste drie leden uit de commissie, de voorzitter inbegrepen.

3. De Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven brengt zo spoedig mogelijk in een vergadering van Provinciale Staten verslag uit van haar bevindingen. Provinciale Staten beslissen vervolgens terstond, of -zo de zaak dat vordert- op een daartoe te bepalen dag omtrent de toelating van het Statenlid

4. Over de toelating van leden die benoemd zijn verklaard na periodieke aftreding besluiten Provinciale Staten in hun oude samenstelling.

Artikel 4 Het onderzoek van de geloofsbrieven van Gedeputeerden.

1. Het onderzoek van de geloofsbrieven en de daarbij behorende overige bescheiden van te benoemen leden van Gedeputeerde Staten geschiedt door de commissie als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2. Het onderzoek wordt door de commissie in voltalligheid verricht.

3. Indien de uitkomst van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan de Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven de fractievoorzitters in haar vergadering uitnodigen voor overleg.

4. De Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven brengt verslag uit van haar bevindingen in de vergadering waarin de benoeming van de kandidaat-Gedeputeerde is voorzien.

HOOFDSTUK II - FRACTIEVORMING

Artikel 5 Fracties

Indien leden zich alleen of tezamen als een afzonderlijke groep (fractie) willen beschouwen, geven zij hiervan kennis aan de voorzitter van Provinciale Staten onder mededeling van de samenstelling van hun fractie en van hun eventuele fractiebestuur, alsmede van de nadien daarin aangebrachte wijzigingen.

HOOFDSTUK III - DE VOORZITTER VAN PROVINCIALE STATEN

Artikel 6 De voorzitter van Provinciale Staten

1. De voorzitter is belast met de leiding van de werkzaamheden van Provinciale Staten en met de handhaving van de orde ter vergadering overeenkomstig de Provinciewet en dit reglement.

2. De voorzitter verleent het woord, formuleert de door de vergadering te nemen besluiten en deelt de uitslag van de stemmingen mee.

Artikel 7 Plaatsvervanging van de voorzitter van Provinciale Staten

1. Provinciale Staten benoemen bij aanvang van iedere zittingsperiode uit hun midden een tweetal plaatsvervangend voorzitters van wie de rangorde bij hun benoeming wordt bepaald.

2. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter, of in gevallen waarin de voorzitter als portefeuillehouder het woord voert, wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters, overeenkomstig de in het eerste lid genoemde rangorde.

HOOFDSTUK IV DE VERGADERINGEN VAN PROVINCIALE STATEN

§1 Voorbereiding van de vergaderingen

Artikel 8 Vergaderschema

1. De Staten stellen voor de aanvang van het kalenderjaar -op voordracht van het Presidium- een vergaderschema vast voor de vergaderingen van Provinciale Staten en de Statencommissies. Dit schema wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis van de leden en Gedeputeerde Staten gebracht.

2. In bijzondere gevallen kan de voorzitter, na overleg met het Presidium, een andere dan de in het vergaderschema vastgestelde dag, tijd en plaats aanwijzen.

Artikel 9 Vergadering op verzoek

Indien de voorzitter het nodig oordeelt, het Presidium daartoe besluit of indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat zitting heeft schriftelijk, met opgave van redenen, hierom verzoekt, wordt binnen één week nadat het verzoek is ontvangen een vergadering gehouden.

Artikel 10 Oproeping en uitnodiging vergadering

1. De voorzitter zendt de leden een schriftelijke oproep tot de vergadering en brengt de oproep tevens ter openbare kennis in het Provinciaal Blad en op de Provinciale websites op internet. De oproep vermeldt het tijdstip van aanvang, de plaats van de vergadering en de te behandelen onderwerpen.

2. De voorzitter zendt de oproep tevens naar Gedeputeerde Staten en nodigt Gedeputeerde Staten uit om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen.

Artikel 11 Conceptagenda en stukken: toezending en terinzagelegging

1. Uiterlijk twaalf dagen voor de aanvang van een vergadering zendt de voorzitter de conceptagenda en de te behandelen stukken aan de leden en aan Gedeputeerde Staten. In dringende gevallen kan van deze termijn worden afgeweken, zulks ter beoordeling van de voorzitter.

2. De conceptagenda en de te behandelen stukken liggen vanaf de dag van verzending tot en met de dag van de vergadering voor een ieder ter inzage in het provinciehuis. Daarnaast worden deze stukken gepubliceerd op het internet.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zendt de voorzitter de conceptagenda en de te behandelen stukken van een vergadering als bedoeld in artikel 9 uiterlijk drie dagen voor aanvang van die vergadering aan de leden en aan Gedeputeerde Staten. In deze gevallen worden de stukken uitsluitend in digitale vorm verzonden.

Artikel 12 Vaststelling agenda

Provinciale Staten stellen bij aanvang van de vergadering de agenda voor de vergadering vast. Als regel wordt de vergadering begonnen met de regeling van de werkzaamheden.

Artikel 13 Toevoegen agendapunt

1. Ieder lid kan Provinciale Staten verzoeken punten aan de agenda toe te voegen of af te voeren.

2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid dient, voorzien van een toelichting, ten minste vierentwintig uur voor aanvang van de vergadering door tussenkomst van de griffier bij de voorzitter worden ingediend.

3. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek als bedoeld in het eerste lid terstond ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten, alsmede aan Gedeputeerde Staten.

§2 Aanvang van de vergaderingen

Artikel 14 Presentielijst

Ieder lid dat ter vergadering aanwezig is tekent bij eerste binnenkomst in de vergaderzaal de presentielijst. De presentielijst wordt als bijlage bij de notulen bewaard.

Artikel 15 Zitplaatsen

1. De leden nemen in de vergaderzaal de plaats in, die hen door de voorzitter na overleg met het Seniorenconvent wordt aangewezen. De plaatsing geschiedt zoveel mogelijk fractiegewijs.

2. De voorzitter zorgt verder voor dat zitplaatsen beschikbaar zijn voor de Gedeputeerden en de personen die zij hebben aangewezen om hen in de vergadering te doen bijstaan.

Artikel 16 Vergaderquorum

De vergadering van Provinciale Staten wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

Artikel 17 Ontbreken van Vergaderquorum; nieuwe vergadering

1. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar artikel 20 van de Provinciewet, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping gelegen is.

2. Op de vergadering bedoeld in het eerste lid, is artikel 16 van dit reglement niet van toepassing. Provinciale Staten kunnen echter over andere aangelegenheden dan waarvoor de ongeopend gebleven vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

§3 Spreekrecht & -regels

Artikel 18 Spreekplaats

De leden voeren het woord vanaf het spreekgestoelte, behoudens toestemming van de voorzitter om dit vanaf een andere plaats te doen.

Artikel 19 Volgorde sprekers

1. De voorzitter verleent het woord in het algemeen in de volgorde waarin het hem ter vergadering is gevraagd, tenzij hierover in overleg met het Presidium andere afspraken zijn gemaakt.

2. Van de in lid 1 bedoelde volgorde wordt afgeweken wanneer een lid het woord vraagt over een persoonlijk feit of over de orde.

3. De voorzitter verleent het woord over een persoonlijk feit niet dan nadat hij een voorlopige aanduiding van dat feit heeft gekregen. De beslissing of iets een persoonlijk feit vormt, berust bij de voorzitter.

Artikel 20 Spreektijdregeling

1. De vergadering bepaalt de vergaderduur in het kader van de vaststelling van de agenda en de regeling van werkzaamheden als bedoeld in artikel 12 van het onderhavige reglement. Het Presidium doet hiertoe een voorstel.

2. De spreektijd welke geldt voor de op de agenda vermelde onderwerpen, wordt op basis van de vergaderduur aan de hand van een vaste verdeelsleutel aan de fracties toegekend.

3. De verdeling van spreektijd als bedoeld in het tweede lid vindt plaats naar fractiegrootte volgens het uitgangspunt van een gelijke basisspreektijd per fractie, met een opslag per fractielid, een en ander overeenkomstig het bepaalde in bijlage I bij dit reglement.

4. Voorstellen van orde, woordvoeringen over persoonlijke feiten, het plaatsen van interrupties, alsmede de reacties op interrupties en stemverklaringen vallen buiten de toegekende spreektijd.

5. Ingeval van een interpellatie kan de voorzitter een afzonderlijk voorstel voor de spreektijd doen.

6. De spreektijdverdeling tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten vindt plaats in een verhouding van 3:1.

Artikel 21 Interrupties

1. De spreker mag in zijn rede niet worden gestoord, tenzij de voorzitter hem aan het opvolgen van dit reglement moet herinneren, of hem wil verzoeken met spreken op te houden in verband met het verstrijken van de gestelde maximumduur van de spreektijd.

2. De voorzitter kan de leden de gelegenheid geven tot korte interrupties

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, worden interrupties worden geplaatst via de daarvoor bestemde microfoons op de interruptiebalie, tenzij de voorzitter interrupties vanaf een andere plaats toestaat.

Artikel 22 Afwijking onderwerp

De voorzitter vraagt de spreker, die van het onderwerp van de beraadslaging afwijkt, om naar het in behandeling zijnde onderwerp terug te keren.

Artikel 23 Aantal malen van spreken

1. De beraadslaging geschiedt in twee termijnen.

2. Een spreker mag in een spreektermijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde voorstel, interrupties, voorstellen van orde, woordvoeringen over persoonlijke feiten en verzoeken als bedoeld in artikel 29 daaronder niet begrepen.

3. De voorzitter kan afwijking toestaan van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

4. In bijzondere omstandigheden kan de voorzitter toestaan dat de inbreng in eerste termijn van Provinciale Staten of Gedeputeerde Staten niet mondeling, doch schriftelijk plaatsvindt.

5. Het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing op de indiener van een voorstel, een amendement of een motie, of op het lid van Gedeputeerde Staten dat met de verdediging van een voorstel van het college belast is.

Artikel 24 Inspreekrecht voor derden

1. De voorzitter kan na aanvang van de vergadering aan derden spreekrecht verlenen over de op de agenda vermelde onderwerpen.

2. Spreekrecht als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend ten behoeve van:

  • a. een besluit van het Provinciale Staten waartegen bezwaar en beroep openstaat of

  • heeft opengestaan;

  • b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

  • c. een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend.

  • d. de volgende (eventueel) op de agenda geplaatste agendapunten:

    •  - regeling van werkzaamheden;

    • - de  vaststelling van besluitenlijsten en verslagen en dergelijke, voor zover niet betrekking hebbend op een weergave van wat door of namens de inspreker zelf is gezegd.

  • e. onderwerpen die door Provinciale Staten achter gesloten deuren worden behandeld.

3. Voor elk van de insprekers geldt een spreektijd van ten hoogste 5 minuten per agendapunt of onderwerp, met dien verstande dat de totale spreektijd voor de insprekers per agendapunt of onderwerp maximaal 30 minuten bedraagt. Indien meerdere personen het woord wensen te voeren dan de maximale spreektijden toestaan, wordt de maximale spreektijd evenredig over de sprekers verdeeld.

4. Een verzoek om gebruik te maken van het inspreekrecht dient ten minste achtenveertig uur voor de vergadering schriftelijk bij de voorzitter te worden ingediend onder vermelding van het onderwerp.

5. Ingeval van onderwerpen met een grote maatschappelijke relevantie kan de voorzitter, gehoord de vergadering, een ruimere spreektijd toestaan.

Artikel 25 Voorstel van orde

1. De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen.

2. Over een voorstel van orde beslist de vergadering terstond.

§4 Ordemaatregelen

Artikel 26 Communicatiemiddelen, electronische apparatenuur en audiovisuele middelen

1. Het gebruik van mobiele communicatiemiddelen en andere electronische apparatuur in de vergaderzaal en op de publieke tribune is toegestaan, voor zover dit naar het inzicht van de voorzitter geen inbreuk maakt op de orde van de vergadering.

2. Degenen die in de vergaderzaal tijdens een vergadering geluid- of beeldregistraties wensen te maken, dan wel deze wensen te vertonen, c.q. ten gehore wensen brengen, doen daarvan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

Artikel 27 Waarschuwing en terugneming van woorden

Indien een spreker beledigende uitdrukkingen gebruikt, de orde verstoort, zijn plicht tot geheimhouding schendt of instemming betuigt met dan wel aanspoort tot onwettige handelingen, wordt hij door de voorzitter gewaarschuwd en - indien van toepassing- in de gelegenheid gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, terug te nemen. Maakt hij van die gelegenheid gebruik, dan worden die woorden niet in de notulen opgenomen.

Artikel 28 Ontneming van het woord

Wanneer een spreker van de gelegenheid zoals bedoeld in artikel 27, geen gebruik maakt, dan wel voortgaat met hetgeen dat tot de waarschuwing heeft geleid, kan de voorzitter hem het woord ontnemen. In de vergadering waarin dit plaats heeft, mag de spreker aan wie het woord is ontnomen niet meer aan de beraadslaging over het in behandeling zijnde agendapunt deelnemen.

Artikel 29 Schorsing of sluiting van de vergadering

De voorzitter kan de vergadering schorsen of sluiten indien hij dit met het oog op de handhaving van de orde wenselijk acht. Daarnaast kan de voorzitter op verzoek van een lid de vergadering schorsen. In geval van schorsing bepaalt de voorzitter de duur daarvan en deelt deze aan de vergadering mede.

Artikel 29a Maatregelen bij schending geheimhoudingsplicht

1. Provinciale Staten kunnen op voorstel van het presidium of de voorzitter besluiten om een lid dat de geheimhouding heeft geschonden omtrent stukken, of omtrent hetgeen tijdens een besloten vergadering waarvan het verhandeld geheim verklaard is, uit te sluiten van verstrekking van geheim te houden stukken die een directe relatie hebben met het onderwerp ten aanzien waarvan de geheimhouding is geschonden.

2. Provinciale Staten kunnen op voorstel van het presidium of de voorzitter tevens besluiten het betreffende lid de toegang tot besloten vergaderingen te ontzeggen, indien daarin zaken worden besproken die een directe relatie hebben met het onderwerp ten aanzien waarvan de geheimhouding is geschonden.

3. De genoemde maatregelen kunnen worden opgelegd tot het tijdstip van opheffing van de geheimhouding van het desbetreffende onderwerp.

§5 Sluiting beraadslaging

Artikel 30 Sluiting beraadslaging

1. Wanneer in tweede termijn niemand meer het woord verlangt, sluit de voorzitter de beraadslaging.

2. Indien de voorzitter van oordeel is dat het aan de orde zijnde onderwerp reeds in eerste termijn in voldoende mate is besproken, kan hij de vergadering, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, voorstellen de beraadslaging eerder te sluiten. Een zodanig voorstel kan ook worden gedaan door een in de vergadering aanwezig lid. Over deze voorstellen wordt niet beraadslaagd en wordt door de vergadering terstond beslist.

3. Indien een onderwerp onder toepassing van het bepaalde in artikel 23, derde lid in meer dan twee termijnen wordt behandeld, is het bepaalde in het eerste lid op die termijnen van overeenkomstige toepassing.

§6 Stemming (algemeen)

Artikel 31 Stemming algemeen

1. De voorzitter kondigt een te houden stemming duidelijk aan.

2. Bij stemmingen nemen de leden hun zitplaats in de vergaderzaal in.

3. Na afloop van elke stemming deelt de voorzitter de uitslag daarvan mede.

Artikel 32 Stemonthouding, Aantekening, Stemverklaring

1. Een lid dat zich van deelname aan een stemming wenst te onthouden, doet daarvan mededeling aan de voorzitter, al dan niet onder vermelding van de reden die daaraan ten grondslag ligt.

2. De in de vergaderzaal aanwezige leden kunnen aantekening vragen, dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel dan wel onderdelen daarvan te hebben gestemd.

3. Ieder lid heeft het recht de door hem uit te brengen stem kort met een stemverklaring te motiveren.

4. Mededelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden gedaan na het sluiten van de beraadslaging en voordat tot stemming wordt overgegaan. Stemverklaringen als bedoeld in het derde lid worden uitgesproken direct voorafgaand aan het in stemming brengen van de amendementen, het besluit en/of de moties.

Artikel 33 Electronisch stemmen

Bij stemmingen kan gebruik worden gemaakt van daartoe in de vergaderzaal aanwezige electronische apparatuur, een en ander met inachtneming van de betreffende bepalingen van de Provinciewet. Tot gebruik van deze apparatuur wordt besloten door de voorzitter, gehoord de vergadering.

Artikel 34 Ontbreken quorum bij stemmingen en geldigheid van stemmingen

1. Een stemming is alleen geldig indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

2. Indien bij een stemming blijkt, dat minder dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is, schorst de voorzitter de vergadering voor enige tijd. Blijken bij heropening voldoende leden aanwezig te zijn, dan wordt alsnog tot stemming overgegaan. De voorzitter kan de vergadering ook dadelijk sluiten en tegen een later tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen.

3. Het eerste lid is niet van toepassing:

  • a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van één of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

  • b. in een vergadering als bedoeld in artikel 17, tweede lid, voor zover het onderwerpen betreft die in de daaraan voorafgaande ongeopende vergadering aan de orde zouden zijn gesteld.

§7 Stemming over personen

Artikel 35 Stemmingen over Personen

1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een benoeming, voordracht of aanbeveling moet plaatsvinden, formeert de voorzitter een stembureau van vier leden.

2. Nadat de voorzitter het ter vergadering aanwezige aantal leden heeft vastgesteld en het aantal van de in de bus gevonden stembriefjes aan de vergadering heeft medegedeeld, wordt bij monde van een door het stembureau uit hun midden aangewezen lid de uitslag bekend gemaakt.

3. Bij twijfel over het al dan niet behoorlijk ingevuld zijn van een stembriefje beslist de voorzitter , gehoord de vergadering.

4. De stemming is nietig indien het aantal ingeleverde stembriefjes groter is dan het door de voorzitter vastgestelde aantal leden dat ter vergadering is verschenen.

Artikel 36 Aantal stemmingen

1. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen zijn.

2. Indien een aantal personen tegelijk moet worden benoemd, voorgedragen of aanbevolen, kan dit geschieden met één stembriefje, waarop deze personen allen vermeld staan.

Artikel 37 Herstemmingen en tussenstemmingen

1. Indien niemand bij een eerste stemming de volstrekte meerderheid van hen die een stem hebben uitgebracht, heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid van hen die een stem hebben uitgebracht is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen de twee personen op wie bij de tweede stemming de meeste stemmen zijn uitgebracht. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij één of meer tussenstemmingen uitgemaakt, over welke personen de derde stemming zal lopen.

3. Indien bij de tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 38 Loting

1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatsvinden door de statengriffier afzonderlijk op geheel gelijke briefjes geschreven.

2. De in het eerste lid bedoelde briefjes worden door de statengriffier op gelijke wijze naar binnen gevouwen, in een bus gedaan en omgeschud.

3. Nadat de handelingen als bedoeld in het tweede lid hebben plaatsgevonden neemt de voorzitter één briefje uit de bus en leest de daarop voorkomende naam op. Door het lot is aangewezen de persoon, waarvan het naambriefje aldus door de voorzitter is getrokken.

§8 Stemming, anders dan over personen

Artikel 39 Stemmingen over zaken

1. Wanneer de beraadslagingen zijn gesloten, gaat de vergadering onmiddellijk over tot het nemen van een besluit door stemming.

2. Wanneer een voorstel uit onderdelen of artikelen is opgebouwd, wordt indien de voorzitter dit wenst of één lid dit verzoekt, eerst gestemd over de onderdelen of de artikelen en vervolgens over het voorstel in zijn geheel, zoals het alsdan luidt.

3. Indien geen stemming wordt gevraagd, stelt de voorzitter dat het voorstel is aangenomen.

4. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staken van de stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

5. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

6. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan de vergadering -al dan niet op voorstel van de voorzitter- besluiten de stemming op een later tijdstip te laten plaatsvinden. Indien hiertoe wordt besloten, wordt tevens besloten op welk moment de stemming zal plaatsvinden.

Artikel 40 Stemming bij handopsteken en Hoofdelijke stemming

1. Stemmen geschiedt bij handopsteken.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vindt hoofdelijke stemming plaats wanneer:

  • a. één van de leden dat verlangt;

  • b. de uitslag van een stemming bij hand opsteken naar het oordeel van de voorzitter of van één van de leden niet duidelijk is en de uitslag van die stemming nog niet is vastgesteld.

2. Voor iedere hoofdelijke stemming bepaalt de voorzitter door trekking van een nummer bij welke naam van de presentielijst de stemming zal beginnen. De stemming geschiedt vervolgens overeenkomstig de volgorde van de op de presentielijst vermelde namen van de leden, ongeacht of deze de presentielijst hebben getekend.

3. Bij hoofdelijke stemming brengt ieder lid zijn stem uit met het woord "voor" of het woord "tegen" zonder enige bijvoeging.

Artikel 41 Vergissing bij het uitbrengen van de stem

1. Indien een lid zich tijdens een stemming met handopsteken bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen totdat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld.

2. Indien een lid zich tijdens een hoofdelijke stemming bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd, dan wel indien hij als laatste stemt, voordat de voorzitter de uitslag heeft medegedeeld.

3. Bemerkt een lid diens vergissing eerst later, dan kan hij na afloop van de stemming aantekening vragen, dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit echter geen wijziging.

Artikel 42 Volgorde van stemming

1. Indien een amendement op een aan de orde zijnd voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement en vervolgens over het voorstel gestemd.

2. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, vindt de stemming daarover plaats vóór de stemming over dat amendement.

3. Indien twee of meer amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een voorstel of twee of meer sub-amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een amendement zijn ingediend, dan heeft het (sub-)amendement met de meest vergaande strekking voorrang. Bij geschil hierover beslist de vergadering op voorstel van de voorzitter.

4. Indien ingeval van meerdere amendementen op hetzelfde tekstgedeelte van een voorstel een amendement wordt aangenomen, vervallen de overige amendementen.

5. Op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een lid kan de vergadering besluiten dat over onderdelen van een amendement afzonderlijk wordt gestemd. Omtrent een dergelijk voorstel of verzoek wordt niet beraadslaagd en beslist de vergadering terstond nadat het is gedaan.

6. Nadat de amendementen zijn behandeld, vindt stemming plaats over het dan voorliggende voorstel. In verband met de verwerking van de aangebrachte wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel kan de vergadering op voorstel van de voorzitter of een in de vergadering aanwezig lid de eindstemming uitstellen tot een later tijdstip in dezelfde vergadering.

7. Indien moties zijn ingediend wordt eerst over het voorstel gestemd en daarna over de moties.

8. Onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid, kan de vergadering op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een lid besluiten de volgorde te wijzigen waarin de amendementen of de moties in stemming worden gebracht. Omtrent een dergelijk voorstel of verzoek wordt niet beraadslaagd en beslist de vergadering terstond nadat het is gedaan.

§9 Stemming in het kader van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer

Artikel 43 Stemmingen voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer

1. In het kader van een stemming voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk T van de Kieswet, wordt door de leden gebruik gemaakt van één of meer daarvoor in de vergaderzaal ingerichte stemhokjes.

2. Na het uitbrengen van hun stem overeenkomstig het bepaalde in artikel T4 van de Kieswet, deponeren de leden ter voldoening aan het bepaalde in artikel T5 van de Kieswet hun stembiljet in een stembus, welke door de voorzitter wordt beheerd.

§10 Notulen & Besluitenlijst

Artikel 44 Inhoud notulen

De notulen vermelden:

  • A. de namen van de voorzitter, de Statengriffier, de blijkens de presentielijst ter vergadering aanwezige Statenleden alsmede de namen van de met of zonder kennisgeving afwezige leden en de ter vergadering aanwezige gedeputeerden.

  • B. De ingekomen stukken en de aan de vergadering gedane mededelingen;

  • C. De volledige teksten van de amendementen en moties;

  • D. De door de vergadering genomen besluiten;

  • E. de uitslag van de stemmingen, onder vermelding van:

    • - de namen van de leden die zich van stemming hebben onthouden, met vermelding van de daarvoor gegeven redenen;

    • - de namen van de fracties en/of leden die aantekening hebben verzocht dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel te hebben gestemd;

    • - de door de fracties en/of leden uitgesproken stemverklaringen;

    • - de namen van de leden die bij hoofdelijke stemming voor, dan wel tegen hebben gestemd;

    • - de namen van de leden en/of fracties die bij stemming met handopsteking de minderheid van de stemmen vormden;

  • F. Een woordelijke weergave van al hetgeen tijdens de vergadering is uitgesproken.

Artikel 45 Weglating van woorden in notulen

De voorzitter is bevoegd te gelasten dat in de notulen niet worden opgenomen de woorden, die tot het nemen van één of meer van de in de artikelen 28 en 29 genoemde maatregelen hebben geleid.

Artikel 46 Vaststelling notulen

De notulen worden door de zorg van de Statengriffier opgemaakt en aan de leden van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten gezonden. Provinciale Staten stellen in een volgende vergadering de notulen vast.

Artikel 47 Notulen van besloten vergaderingen

De notulen van besloten vergaderingen worden afzonderlijk gehouden. Zij worden in een volgende besloten vergadering vastgesteld. De notulen worden door de Statengriffier bewaard en niet verspreid, tenzij Provinciale Staten anders besluiten.

Artikel 48 Besluitenlijst

1. De Statengriffier draagt er zorg voor dat na afloop van de vergadering de besluitenlijst wordt opgesteld.

2. De besluitenlijst vermeldt een overzicht van de beslissingen die Provinciale Staten op grond van de vastgestelde agenda van de Statenvergadering hebben genomen, tenzij het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 van de Provinciewet geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.

3. De besluitenlijsten worden op de daarvoor gebruikelijke wijze via het   Stateninformatiesysteem op de internetsite van de provincie bekend gemaakt.

4. Aan de besluitenlijst van Provinciale Staten kunnen geen rechten worden ontleend. 

HOOFDSTUK V POLITIEKE INSTRUMENTEN

§1 Vragen van inlichtingen

Artikel 49 Schriftelijke vragen

1. Ieder lid kan, ook wanneer geen vergadering wordt gehouden, aan Gedeputeerde Staten of aan de Commissaris van de Koningin schriftelijk vragen stellen.

2. De vragen dienen kort en duidelijk te worden geformuleerd en worden, voorzien van de originele eigenhandige handtekenen van de indiener en alle medeondertekenaars, door tussenkomst van de Statengriffier bij de voorzitter ingediend.

3. Tenzij de voorzitter in verband met het openbaar belang bezwaar heeft tegen de vorm of inhoud van de vragen, brengt hij deze zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden.

4. Gedeputeerde Staten, dan wel de Commissaris van de Koningin, beantwoorden de vragen binnen vier weken nadat de vragen de voorzitter hebben bereikt. De antwoorden worden door de voorzitter zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de leden mede gedeeld. Bij de antwoorden worden de vragen opnieuw vermeld.

5. Indien de beantwoording van de vragen niet binnen vier weken kan plaatsvinden, wordt dit aan de vragensteller(s) medegedeeld met opgaaf van redenen en onder vermelding van de termijn waarbinnen de beantwoording zal geschieden.

Artikel 50 Vragenuur

1. Het lid dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt dit bij aanvang van de vergadering bij de voorzitter. Het lid geeft daarbij een aanduiding van het onderwerp van de vraag.

2. De voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen, indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven. De voorzitter doet bij opening van het vragenuur mededeling van de vragen welke hij om deze reden niet in behandeling neemt.

3. Het vragenuur wordt gehouden op een door voorzitter in overleg met de vergadering te bepalen tijdstip tijdens de vergadering. De voorzitter bepaalt per vergadering de duur van het vragenuur.

4. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de onderwerpen tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.

5. De vragensteller wordt het woord verleend om één of meer vragen aan Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koningin te stellen en een toelichting te geven.

6. Na de beantwoording door Gedeputeerde Staten dan wel de Commissaris van de Koningin wordt de vragensteller het woord verleend om aan Gedeputeerde Staten dan wel de Commissaris van de Koningin aanvullende vragen te stellen.

7. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden het woord verlenen om vragen te stellen over hetzelfde onderwerp, hetzij aan Gedeputeerde Staten dan wel de Commissaris van de Koningin, hetzij aan de vragensteller.

8. De voorzitter kan per onderwerp de spreektijd bepalen voor de vragensteller, voor Gedeputeerde Staten dan wel de Commissaris van de Koningin en voor de overige leden.

Artikel 51 Statenbrief

1. Ieder lid kan een verzoek tot de voorzitter richten om namens de Staten een brief te sturen aan Gedeputeerde Staten of aan de Commissaris van de Koningin met de vraag binnen een week inlichtingen te verstrekken over een actuele maatschappelijke of politieke aangelegenheid in de provincie.

2. Het verzoek dient een duidelijke omschrijving te bevatten van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd en tevens een toelichting op het spoedeisend belang.

3. Het verzoek dient door tussenkomst van de Statengriffier te worden ingediend bij de voorzitter. Tenzij de voorzitter in verband met het openbaar belang bezwaar heeft tegen de strekking van het verzoek, legt hij dit verzoek zo spoedig mogelijk voor aan het Seniorenconvent.

4. Indien het Seniorenconvent met het verzoek instemt, zendt de voorzitter de statenbrief aan Gedeputeerde Staten, dan wel aan de Commissaris van de Koningin.

5. Indien het Seniorenconvent niet instemt met het verzoek, stelt de voorzitter het verzoek in de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten bij de regeling van werkzaamheden aan de orde en verzoekt hij de Staten zich ten aanzien van het verzoek uit te spreken. Indien tenminste één vijfde van het aantal zitting hebbende leden in dat verband te kennen geeft met het verzoek te kunnen instemmen, zendt de voorzitter de statenbrief alsnog aan Gedeputeerde Staten, dan wel aan de Commissaris van de Koningin.

6. Gedeputeerde Staten, dan wel de Commissaris van de Koningin, beantwoorden de statenbrief binnen een week nadat de in het vierde lid bedoelde toestemming is verleend. Het antwoord wordt door de voorzitter zo spoedig mogelijk aan de leden medegedeeld.

7. Indien de beantwoording van de brief niet binnen een week kan plaatsvinden, wordt dit aan de voorzitter medegedeeld met opgaaf van redenen en onder vermelding van de termijn waarbinnen de beantwoording zal geschieden.

Artikel 52 Interpellatie

1. Een lid van Provinciale Staten kan de Staten verlof vragen om Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koningin inlichtingen te vragen over een onderwerp dat niet op de agenda vermeld staat.

2. De commissaris van de Koningin is niet verplicht te antwoorden op de vragen welke tijdens de interpellatie worden gesteld, indien deze betrekking hebben op de uitoefening van bevoegdheden welke hem als Rijksorgaan zijn gegeven.

3. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van Provinciale Staten spoedeisende gevallen, ten minste achtenveertig uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk en door tussenkomst van de Statengriffier bij de voorzitter ingediend. Het verzoek dient een duidelijke omschrijving te bevatten van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd en tevens de te stellen vragen in te houden.

4. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden en Gedeputeerde Staten.

5. Indien de Staten het gevraagde verlof verlenen, vindt de interpellatie in dezelfde vergadering plaats, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.

6. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden niet meer dan eenmaal, tenzij de vergadering anders beslist. Gedeputeerde Staten, dan wel de Commissaris van de Koningin, kunnen in elk geval in twee instanties het woord voeren.

Artikel 53 Vragen van inlichtingen aan college-onderhandelaren, (in)formateurs

Provinciale Staten kunnen besluiten om een formateur of informateur dan wel de betrokken college-onderhandelaren uit te nodigen om tijdens en/of na afronding van de college(in)formatie over het verloop van de onderhandelingen inlichtingen te verschaffen.

§2 Moties

Artikel 54 Moties

1. Een lid dat het woord voert, kan daarbij een motie over het in behandeling zijnde onderwerp indienen.

2. Een motie wordt niet ingediend gedurende de eerste termijn als bedoeld in artikel 23 van dit reglement, tenzij Provinciale Staten dit toestaan.

3. Elke motie wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend en is ondertekend door de indiener en de leden die de motie ondersteunen. Als indiener wordt aangemerkt, het lid dat de motie als eerste heeft ondertekend.

4. De beraadslaging over moties heeft gelijktijdig plaats met die over het voorstel waarop zij betrekking hebben.

5. Een ingediende motie wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden rondgedeeld, tenzij de vergadering besluit dat met voorlezing kan worden volstaan.

6. De indiener van een motie kan daarin wijzigingen aanbrengen.

7. De indiener van een motie kan zijn motie intrekken.

8. Wordt bij de behandeling van een onderwerp meer dan één motie ingediend en wordt tot stemming overgegaan, dan bepaalt de vergadering op voorstel van de voorzitter de volgorde van de stemming over de moties. 9. De indiener kan voor de stemming over zijn motie verzoeken de stemming uit te stellen tot een volgende vergadering. Dit verzoek behoeft de instemming van de vergadering.

10. Indien een motie niet binnen een jaar na het besluit tot aanhouding alsnog in stemming is gebracht, wordt zij geacht te zijn ingetrokken.

11. Het besluit dat een aangenomen motie is afgedaan wordt genomen door Provinciale Staten, op advies van de indiener of diens fractie, dan wel op advies van het Presidium of de Statencommissie die het aangaat.

§3 Amendementen

Artikel 55 Amendementen

1. Ieder lid is bevoegd om amendementen in een aan de orde zijnd voorstel voor te stellen. Een amendement kan worden ingediend vanaf het moment dat een voorstel aan de leden kenbaar is gemaakt.

2. Elk amendement wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend, is van een beknopte toelichting voorzien en is ondertekend door de indiener en de leden die het amendement ondersteunen. Als indiener wordt aangemerkt, het lid dat het amendement als eerste heeft ondertekend.

3. De beraadslaging over amendementen heeft gelijktijdig plaats met die over het voorstel waarop zij betrekking hebben.

4. Een ingediend amendement wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en ter vergadering rondgedeeld. Ten aanzien van een tijdens de beraadslagingen ingediend amendement kan de vergadering besluiten dat met voorlezing wordt volstaan.

5. De indiener van een amendement kan daarin wijzigingen aanbrengen.

6. De indiener kan zijn amendement intrekken, doch indien de beraadslaging gesloten is alleen met toestemming van de Staten.

Artikel 56 Toelaatbaarheid van een amendement

1. De vergadering kan op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een in de vergadering aanwezig lid een amendement ontoelaatbaar verklaren, indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het in behandeling zijnde voorstel, of indien er tussen de inhoud van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat.

2. Een amendement is toelaatbaar zolang de vergadering het niet ontoelaatbaar heeft verklaard.

Artikel 57 Sub-amendementen

De artikelen 55 en 56 zijn van overeenkomstige toepassing op voorstellen tot wijziging van reeds ingediende amendementen (subamendementen).

Artikel 58 Overnemen amendementen

1. De voorzitter deelt tijdens de beraadslaging over een aan de orde zijnd voorstel mede dat een amendement is overgenomen indien:

  • a. Gedeputeerde Staten te kennen geven zich met de inhoud van een ingediend amendement te kunnen verenigen en

  • b. de voorzitter zich ervan heeft overtuigd dat géén van de in de vergaderzaal aanwezigeleden zich tegen het overnemen van het amendement verzet.

2. Een overgenomen amendement is vanaf het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde mededeling onderdeel van het aan de orde zijnde voorstel. Het maakt geen afzonderlijk onderwerp van de beraadslaging meer uit.

Artikel 59 Veranderingen in volgnummers en aanhalingen

Veranderingen in nummering van besluiten en artikelen en in de aanhaling ervan nodig geworden door amendementen, worden door de Statengriffie aangebracht. De Statengriffie kan daarbij de hulp inroepen van Gedeputeerde Staten, welke door het college terstond wordt verleend.

§4 Initiatiefvoorstellen

Artikel 60 Initiatiefvoorstellen van Statenleden

1. Eén of meerdere leden kunnen te allen tijde schriftelijk bij de voorzitter een voorstel indienen.

2. Het voorstel wordt door de indiener(s) ondertekend.

3. Het Presidium bepaalt het moment waarop het voorstel zal worden behandeld, de orde van de beraadslaging en zo nodig de wijze van voorbereiding, en doet daarvan mededeling aan de vergadering.

4. De verdediging van een initiatiefvoorstel in de vergadering vindt plaats door één of meer indieners van het voorstel.

Artikel 61 Burgerinitiatiefvoorstellen

1. Met inachtneming van de Verordening recht van initiatief Zuid-Holland kunnen burgerinitiatieven ter besluitvorming aan Provinciale Staten worden voorgelegd.

2. De indiener van een dergelijk initiatief krijgt hierover spreekrecht bij aanvang van de behandeling van het initiatief en vijf minuten spreektijd na het sluiten van de beraadslagingen.

Artikel 62 Consultatie Gedeputeerde Staten

Van de initiatiefvoorstellen als bedoeld in de artikelen 60 en 61 worden Gedeputeerde Staten op de hoogte gesteld. Daarbij wordt het college de gelegenheid geboden dienaangaande van hun zienswijzen te doen blijken, een en ander overeenkomstig het bepaalde in de Provinciewet.

TITEL III COMMISSIES UIT PROVINCIALE STATEN

HOOFDSTUK I STATENCOMMISSIES

§1 Instelling, samenstelling en taken

Artikel 63 Instelling Statencommissies

1. Bij aanvang van elke nieuwe statenperiode, beslissen Provinciale Staten over de instelling en de vakgebieden van de Statencommissies.

2. Bij aanvang van elke nieuwe Statenperiode, beslissen Provinciale Staten over de instelling van een Commissie voor Onderzoek van de Rekening (COR).

3. Indien er geen COR wordt ingesteld, worden de taken van de COR zoals beschreven in artikel 88, uitgevoerd door een subcommissie uit die commissie die "middelen" in het takenpakket heeft.

Artikel 64 Samenstelling Statencommissies

1. De leden van Provinciale Staten zijn uit hoofde van hun statenlidmaatschap lid van alle door PS ingestelde Statencommissies.

2. Het aantal af te vaardigen commissieleden per fractie per Statencommissie bedraagt maximaal drie.

3. De voorzitter is geen lid van de commissie. Hij maakt geen onderdeel uit van het aantal af te vaardigen leden per fractie per Statencommissie.

Artikel 65 Fractievertegenwoordigers

1. Elke fractie kan een voordracht indienen tot benoeming van maximaal één niet-Statenlid tot lid van de Statencommissies (fractievertegenwoordiger). Wanneer een fractievertegenwoordiger deelneemt aan een commissievergadering wordt het aantal Statenleden van de betreffende fractie dat ingevolge het bepaalde in artikel 64, lid 2 aan die vergadering mag deelnemen gesteld op twee.

2. Om voor benoeming als fractievertegenwoordiger in aanmerking te komen, dient betrokkene voor te komen op een geldig verklaarde lijst van kandidaten voor de laatst gehouden provinciale verkiezingen. De eisen gesteld in de artikelen 10 en 13 van de Provinciewet zijn op hem/haar van overeenkomstige toepassing. Het onderzoek naar de bescheiden waaruit moet blijken of een kandidaat-vertegenwoordiger aan de benoemingseisen voldoet, geschiedt overeenkomstig het onderzoek bij benoeming van een lid van Provinciale Staten. Ten behoeve van dit onderzoek legt de kandidaat de benodigde bescheiden voor aan Provinciale Staten. Alvorens zijn/haar functie te kunnen uitoefenen legt de kandidaat in een vergadering van Provinciale Staten een eed dan wel een verklaring en belofte af gebaseerd op de tekst van artikel 14 van de Provinciewet.

3. Provinciale Staten kunnen een fractievertegenwoordiger op eigen verzoek of op voorstel van de fractie die hem/haar voor benoeming heeft voorgedragen, ontslag verlenen als commissielid. Op het moment waarop door de fractievertegenwoordiger niet langer voldaan wordt aan de vereisten voor het lidmaatschap, houdt hij/zij op lid van de Statencommissies te zijn.

Artikel 66 Aanwezigheid leden Gedeputeerde Staten

1. De leden van Gedeputeerde Staten kunnen een vergadering van een commissie bijwonen en kunnen desgevraagd daarin het woord voeren.

2. Indien een gedeputeerde blijkens een vermelding op de agenda voor een vergadering van een Statencommissie is uitgenodigd, wordt deze geacht ter vergadering te verschijnen. Indien de gedeputeerde verhinderd is om ter vergadering van de desbetreffende commissie te verschijnen, draagt deze zorg voor inhoudelijke vervanging door een andere gedeputeerde.

Artikel 67 Taken en werkwijze Statencommissies

1. Een Statencommissie heeft de volgende taken:

  • a. het uitbrengen van advies aan Provinciale Staten ten aanzien van voorstellen die door  Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten worden gedaan en in alle overige gevallen waarin daarom wordt verzocht.

  • b. Het uit eigen beweging uitbrengen van advies aan Provinciale Staten over aangelegenheden, die tot het werkterrein van de onderscheidenlijke Statencommissies behoren.

  • c. Het voeren van overleg met het college van Gedeputeerde Staten of met de Commissaris van de Koningin over het door hen gevoerde bestuur of de door hen verstrekte of te verstrekken informatie.

2. Een Statencommissie kan in voorkomende gevallen vanuit hun midden een of meer rapporteurs aanwijzen, welke de commissiebehandeling van een bepaald onderwerp voorbereiden.

Artikel 68 Schriftelijke voorbereiding

1. Voorafgaand aan de beraadslaging over een voorstel in Provinciale Staten kan het Presidium een schriftelijke voorbereiding van het voorstel gelasten. Provinciale Staten worden daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen een aangegeven termijn schriftelijk vragen aan Gedeputeerde Staten voor te leggen. Na de beantwoording van de vragen door Gedeputeerde Staten wordt het voorstel voor beraadslaging aan Provinciale Staten gezonden, zonder dat het nog in enige Statencommissie wordt geagendeerd.

2. Voorafgaand aan een vergadering van een Statencommissie kan de commissievoorzitter bepalen dat de commissiebehandeling van een voorstel schriftelijk wordt voorbereid. In dat geval wordt op de conceptagenda voor de betreffende commissievergadering aangegeven waar en bij wie nadere technische- en procesinformatie over het desbetreffende voorstel kan worden verkrijgen. Tevens wordt daarbij een uiterste datum aangegeven waarop leden van de Statencommissie kunnen aangeven het voorstel niettemin inhoudelijk te willen behandelen tijdens de commissievergadering. Indien zich op deze uiterste datum geen commissieleden met een daartoe strekkend verzoek tot de voorzitter van de commissie hebben gewend, zal het desbetreffende voorstel tijdens de commissievergadering niet inhoudelijk worden behandeld en zal het voorstel met een positief advies voor beraadslaging aan Provinciale Staten worden gezonden.

§2 De Commissievoorzitter

Artikel 69 Benoeming, zittingsduur, defungeren en vervanging van de commissievoorzitter

1. Provinciale Staten benoemen de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Statencommissies uit hun midden op voordracht van de Statenfracties. Daarbij wordt het profiel in acht genomen, zoals dat door Provinciale Staten voor de voorzitters van de Statencommissies is vastgesteld. Bij ontstentenis van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter wijst de commissie uit haar midden een waarnemend voorzitter aan.

2. De voorzitters en de plaatsvervangend voorzitters worden voor de duur van een zittingsperiode van Provinciale Staten benoemd. In geval van een benoeming als zodanig tijdens een al lopende zittingsperiode van Provinciale Staten, strekt die benoeming voor het restant van die zittingsperiode.

3. Het voorzitterschap en plaatsvervangend voorzitterschap van een commissie eindigt:

  • a. op het moment waarop een zittingsperiode van Provinciale Staten is verstreken;

  • b. op het moment waarop men anderszins het lidmaatschap van Provinciale Staten verliest;

  • c. wanneer men als zodanig door Provinciale Staten wordt ontslagen;

  • d. op eigen verzoek.

4. In het geval als bedoeld in het derde lid, sub d, treedt de desbetreffende voorzitter of plaatsvervangend voorzitter af op het moment waarop door benoeming in diens opvolging is voorzien.

§3 Voorbereiding van commissievergaderingen

Artikel 70 Vergadertijdstippen

1. Een Statencommissie vergadert:

  • a. volgens het door Provinciale Staten krachtens artikel 8, lid 1 vastgestelde vergaderschema;

  • b. in gevallen waarin het Presidium of een commissievoorzitter het nodig oordelen;

  • c. indien het verlangen daartoe namens ten minste 1/5 van het in Provinciale Statenvertegenwoordigde aantal stemmen, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de commissievoorzitter kenbaar wordt gemaakt.

2. In de in lid 1 onder b. en c. genoemde gevallen stelt de commissievoorzitter dag en uur van de vergadering vast, met dien verstande, dat in de onder c. bedoelde gevallen de vergadering zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen drie weken plaatsvindt nadat het verzoek daartoe de commissievoorzitter heeft bereikt.

Artikel 71 Agenda

1. De commissievoorzitter stelt in overleg met de commissiegriffier de conceptagenda voor een commissievergadering op.

2. De fracties kunnen onder opgaaf van redenen bij de commissievoorzitter agendapunten voorstellen. Een dergelijk voorstel gaat vergezeld van een toelichting op het onderwerp van het betreffende agendapunt en het doel van de behandeling ervan door de commissie

3. De conceptagenda voor een commissievergadering bevat in ieder geval de agendapunten “mededelingen” en “regeling van werkzaamheden”, welke onmiddellijk na de opening van de vergadering aan de orde gesteld worden. De agendapunten worden voorts gegroepeerd in de categorieën  "Kadervorming en kaderstelling", "Controle en verantwoording", "Afwikkeling van de vorige vergadering en interne aangelegenheden" en "Stukken in het kader van actieve informatieplicht/van derden ontvangen informatie"

4. De agenda voor een commissievergadering wordt vastgesteld in het kader van de regeling van werkzaamheden als bedoeld in het derde lid.

5. De conceptagenda vermeldt, indien van toepassing, bij elk agendapunt de voor het betreffende onderwerp verantwoordelijke portefeuillehouder.

6. Van een te behandelen stuk of onderwerp dat op het werkterreinen van meerdere commissies is gelegen, wordt in het Presidium besloten op welke commissieagenda het stuk wordt geplaatst. De overige betrokken commissies worden in die gevallen uitgenodigd om aan de beraadslaging van die commissie deel te nemen.

7. In afwijking van het bepaalde in lid 6, wordt de programmabegroting, de voorjaarsnota, de najaarsnota en de jaarstukken op de agenda van alle Statencommissies geplaatst, elk voor zoveel dit het werkterreinen van die commissies betreft.

8. De conceptagenda voor een commissievergadering wordt ten minste tien dagen voorafgaand aan de vergadering verzonden aan PS en GS. Alle documenten die als bespreekstuk zijn geagendeerd worden tegelijk met de agenda meegezonden. Van de stukken ter kennisname worden uitsluitend de 5 minutenversies meegestuurd. De complete set vergaderstukken worden geplaatst op het Staten Informatie Systeem en liggen ter inzage bij de Statengriffie.

Artikel 72 Rondvraag

1. De conceptagenda voor een commissievergadering biedt de fracties in de betreffende commissie de gelegenheid tot het stellen van vragen tijdens een rondvraag.

2. Rondvragen als bedoeld in het eerste lid dienen actueel, urgent en politiek van aard te zijn.

3. Een fractie die tijdens de vergadering ten aanzien van een rondvraag een inhoudelijk antwoord van de verantwoordelijke portefeuillehouder beoogt te verkrijgen, dient deze vraag uiterlijk achtenveertig uur voorafgaand aan de vergadering bij de commissiegriffier in te dienen. De commissiegriffier stelt de portefeuillehouder zo spoedig mogelijk van de door hem ontvangen rondvragen op de hoogte. Van de portefeuillehouder wordt een adequaat inhoudelijk antwoord verwacht tijdens de vergadering ten behoeve waarvan de vragen zijn gesteld.

§4 Verloop van Commissievergaderingen

Artikel 73 Quorum

1. Een Statencommissie kan slechts vergaderen indien de ter vergadering verschenen commissieleden ten minste achtentwintig zetels in Provinciale Staten vertegenwoordigen.

2. Indien 15 minuten na het vastgestelde aanvangstijdstip het in lid 1 vereiste aantal in Provinciale Staten vertegenwoordigde zetels blijkens de presentielijst niet vertegenwoordigd is stelt de commissievoorzitter de vergadering tot een later tijdstip uit.

Artikel 74 Openbaarheid en sluiting der deuren

1. De vergaderingen van de Statencommissies worden in het openbaar gehouden.

2. De deuren worden gesloten, wanneer de commissievoorzitter dat nodig acht, of een tiende van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt. De Statencommissie beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

3. Over stukken waaraan geheimhouding is opgelegd, of ten aanzien waarvan de Statencommissie voornemens is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 91 van de Provinciewet geheimhouding op te leggen, wordt met gesloten deuren beraadslaagd en besloten.

4. Tot een vergadering met gesloten deuren worden naast de commissievoorzitter en de fracties van die Statencommissie slechts die personen toegelaten, die daartoe door de desbetreffende Statencommissie worden uitgenodigd, of daartoe van de desbetreffende Statencommissie toestemming hebben verkregen.

5. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de commissie anders beslist.

6. Het maken van beeld- of geluidopnamen van vergaderingen welke met gesloten deuren worden gehouden, anders dan ten behoeve van de verslaglegging als bedoeld in het vijfde lid, is niet toegestaan.

Artikel 75 Werkafspraken

Een Statencommissies kan nadere procedureregels vaststellen voor de vergaderorde en de afhandeling van de agenda, zulks voor zover daar in dit reglement niet reeds is voorzien. Indien een Statencommissies dergelijke procedureregels heeft vastgesteld zijn deze bindend en ziet de voorzitter van de betreffende commissie toe op de naleving daarvan.

Artikel 76 Voorstellen van orde

1. De commissievoorzitter en ieder commissielid kan tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen.

2. Over een voorstel van orde beslist de Statencommissie terstond bij meerderheid van stemmen van het aantal aanwezige commissieleden.

§5 Spreekrecht & -regels

Artikel 77 Spreekregels

1. De commissieleden, de Commissaris van de Koningin, de portefeuillehouders en derden die door de commissievoorzitter het woord zijn verleend, spreken vanaf de voor hen bestemde zit-, of spreekplaatsen en richten zich tot de commissievoorzitter.

2. Bij bijzondere gelegenheden kan de commissievoorzitter bepalen dat de in het eerste lid genoemde personen vanaf een andere dan de voor hen bestemde zit- of spreekplaats spreken.

3. De commissieleden, de Commissaris van de Koningin, de portefeuillehouders en derden welke op grond van artikel 79 in de gelegenheid zijn gesteld om in te spreken, voeren het woord na het aan de commissievoorzitter gevraagd en het woord verkregen te hebben.

Artikel 78 Spreektermijnen

1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in twee termijnen, tenzij de Statencommissie op voorstel van de commissievoorzitter anders beslist.

2. Elke spreektermijn wordt door de commissievoorzitter afgesloten.

3. Een fractie mag in een termijn niet meer dan éénmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel, behoudens de door de fractie te plaatsen interrupties.

4. Bij de bepaling van het aantal malen dat een fractie over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt het spreken over een voorstel van orde buiten beschouwing gelaten.

Artikel 79 Spreekrecht voor derden

1. De commissievoorzitter stelt toehoorders bij een vergadering van een Statencommissie op hun verzoek in de gelegenheid tijdens de vergadering het woord te voeren over een onderwerp dat op de agenda staat.

2. Spreekrecht als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend ten behoeve van:

  • a. een besluit van het Provinciebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;

  • b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

  • c. een gedraging waarover een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden ingediend.

  • d. de volgende (eventueel) op de agenda geplaatste agendapunten:

    • - regeling van werkzaamheden;

    • - de vaststelling van besluitenlijsten en verslagen en dergelijke, voor zover niet betrekking hebbend op een weergave van wat door of namens de inspreker zelf is gezegd.

  • e. onderwerpen die door de commissie achter gesloten deuren worden behandeld.

3. Toehoorders die tijdens een commissievergadering het woord willen voeren, dienen daartoe uiterlijk achtenveertig uur voor aanvang van de desbetreffende vergadering een verzoek in te dienen bij de commissiegriffier van de Statencommissie, zulks onder vermelding van het agendapunt waarover men het woord wenst te voeren.

4. Indien men het woord wenst te voeren over een onderwerp dat minder dan achtenveertig uur voor aanvang van een vergadering op de agenda van die vergadering is geplaatst, dient het in het derde lid bedoelde verzoek te worden gedaan terstond nadat men van de agendering van het betreffende agendapunt kennis heeft gekregen, doch uiterlijk op het moment waarop de vergadering wordt geopend.

5. Degene die het woord wenst te voeren krijgt daartoe bij aanvang van de vergadering de gelegenheid.

6. Voor elk van de toehoorders die in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren, geldt een spreektijd van ten hoogste 5 minuten per agendapunt, met dien verstande dat de totale spreektijd voor toehoorders per agendapunt maximaal 15 minuten bedraagt en de totale spreektijd voor toehoorders per vergadering niet meer dan 30 minuten bedraagt. Indien er meer toehoorders het woord wensen te voeren dan de maximale spreektijden toestaan, wordt de maximale spreektijd evenredig over de sprekers verdeeld.

7. Nadat een toehoorder het woord gevoerd heeft, worden de commissieleden door de commissievoorzitter in de gelegenheid gesteld desgewenst verduidelijkende vragen aan spreker te stellen. In dat kader wordt niet in debat getreden.

8. De commissievoorzitter kan sprekers, die de hun toegemeten spreektijd overschrijden het woord ontnemen.

9. De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen afwijking van het bepaalde in dit artikel toestaan.

§6 Ordemaatregelen

Artikel 80 Orde der vergadering

1. De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergaderingen.

2. Toehoorders kunnen uitsluitend op de hen door de commissievoorzitter aangewezen plaatsen de openbare vergaderingen bijwonen.

3. Indien een spreker beledigende uitdrukkingen gebruikt, de orde verstoort, zijn plicht tot geheimhouding schendt of instemming betuigt met, dan wel aanspoort tot onwettige handelingen, wordt hij door de commissievoorzitter gewaarschuwd en -indien van toepassing- in de gelegenheid gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, terug te nemen. Maakt hij van die gelegenheid gebruik, dan worden die woorden niet in het verslag opgenomen.

4. Wanneer een spreker van de gelegenheid zoals bedoeld in het derde lid geen gebruik maakt, dan wel deze hetgeen tot de waarschuwing heeft geleid voortzet, kan de commissievoorzitter hem het woord ontnemen. In de vergadering waarin dit plaatsvindt, mag de spreker aan wie het woord is ontnomen niet langer het woord voeren.

5. Wanneer de orde van de vergadering op enigerlei wijze door toehoorders of andere aanwezigen, niet zijnde de fracties in de Statencommissie, wordt verstoord, is de commissievoorzitter bevoegd dezen de verdere aanwezigheid bij de vergaderingen te ontzeggen. De desbetreffende personen dienen de vergadering onmiddellijk te verlaten.

6. Wanneer de orde van de vergadering op enigerlei wijze door een commissielid wordt verstoord, kan de commissievoorzitter de Statencommissie voorstellen om aan het desbetreffende commissielid de verdere aanwezigheid bij die vergadering te ontzeggen.

7. Wanneer een commissielid de orde van vergaderingen bij herhaling verstoort en het desbetreffende commissielid om die reden al eerder overeenkomstig lid 6 de verdere aanwezigheid bij een vergadering is ontzegd, kan de commissievoorzitter de commissie voorstellen het commissielid voor een bepaalde tijd, doch niet voor meer dan drie vergaderingen de toegang tot de vergaderingen van de Statencommissie te ontzeggen, de vergadering waarin dit besluit wordt genomen daaronder begrepen. De commissievoorzitter brengt een besluit als bedoeld in dit lid onverwijld ter kennis van het Seniorenconvent.

8. Over voorstellen als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt niet beraadslaagd.

9. De personen aan wie als gevolg van het bepaalde in lid 5, 6 of 7 de toegang tot de vergadering is ontzegd, dienen de vergaderruimte onmiddellijk te verlaten. Bij weigerachtigheid doet de commissievoorzitter hen verwijderen. De commissievoorzitter kan de vergadering in dergelijke gevallen schorsen tot het moment waarop de desbetreffende personen de vergadering daadwerkelijk hebben verlaten.

10. Een besluit als bedoeld in het zevende lid dient door de Statencommissie te worden bekrachtigd in de eerste vergadering volgend op die, waarin het besluit is genomen. De bekrachtiging van het betreffende besluit wordt in die vergadering onmiddellijk na de opening van de vergadering aan de orde gesteld. Stemming omtrent de bekrachtiging vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van dit reglement. Indien de commissie het besluit niet bekrachtigt, herkrijgt het lid dat het aangaat onmiddellijk toegang tot de vergadering.

11. Het gebruik van mobiele communicatiemiddelen en andere electronische apparatuur in de vergaderzaal en op de publieke tribune is toegestaan, voor zover dit naar het inzicht van de commissievoorzitter geen inbreuk maakt op de orde van de vergadering.

12. Degenen die in de vergaderzaal tijdens een vergadering geluid- of beeldregistraties wensen te maken, dan wel deze wensen te vertonen, c.q. ten gehore wensen brengen, doen daarvan mededeling aan de commissievoorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

§7 Commissieadviezen en besluitvorming

Artikel 81 Commissieadviezen aan Provinciale Staten

1. Adviezen aan provinciale Staten als bedoeld in artikel 67, lid 1, sub a en b worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de commissie.

2. Bij de bepaling van het gevoelen van de commissie als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de omvang van de fracties in Provinciale Staten die door de commissieleden worden vertegenwoordigd.

3. Indien bij de bepaling van het gevoelen van de commissie geen eenstemmigheid bestaat, worden de in de commissie bestaande minderheidsstandpunten in het advies aan Provinciale Staten tot uitdrukking gebracht.

Artikel 82 Besluitvorming in een Statencommissie

Wanneer een Statencommissie op grond van de Provinciewet een besluit kan nemen, c.q. dient te nemen, dan wel een besluit dient te nemen ten aanzien van een voorstel van orde, vindt stemming plaats overeenkomstig de artikelen 27 tot en met 32 van de Provinciewet. Voor de bepaling van het aantal zitting hebbende leden als bedoeld in artikel 29, lid 1 van de Provinciewet wordt uitgegaan van het maximum aantal leden, waarmee de fracties op grond van het bepaalde in artikel 64 van dit reglement in de commissie vertegenwoordigd mag zijn.

§8 Verslaglegging, Besluitenlijst & Lange Termijnagenda

Artikel 83 Verslag

1. Van het verhandelde in een openbare vergadering van een Statencommissie wordt een verslag opgemaakt.

2. De in het eerste lid bedoelde verslaglegging vindt plaats op een nader door Provinciale Staten te bepalen wijze.

3. De verslagen van openbare commissievergaderingen worden op de internetsite van de provincie bekend gemaakt.

4. Van het verhandelde in vergaderingen van Statencommissies welke achter gesloten deuren worden gehouden, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt. Deze verslagen zijn niet openbaar en worden niet bekendgemaakt, tenzij overeenkomstig de Provinciewet of de Wet openbaarheid van bestuur anders wordt besloten.

Artikel 84 Besluitenlijst

1. Van het verhandelde in een openbare vergaderingen van een Statencommissie wordt een besluitenlijst opgemaakt.

2. De besluitenlijst wordt zo mogelijk twee werkdagen na de vergadering per e-mail aan de commissie gezonden en wordt zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering vastgesteld. De besluitenlijsten van openbare vergaderingen van de Statencommissies worden op de internetsite van de provincie bekend gemaakt.

Artikel 85 Lange Termijnagenda

1. De commissies houden een lange termijnagenda bij, waarop de onderwerpen worden vermeld waarvan de commissie voorziet dat deze door de commissie behandeld zullen gaan worden. Daarbij wordt tevens aangegeven wanneer deze onderwerpen aan de commissie zullen worden aangeboden.

2. In de lange termijnagenda worden in ieder geval opgenomen:

  • a. De onderwerpen waarvan door Gedeputeerde Staten is aangekondigd dat deze op een bepaald tijdstip aan de commissies zullen worden aangeboden;

  • b. Tijdens vergaderingen van de commissies gedane toezeggingen, die zullen resulteren in agendering van een bepaald onderwerp in een commissie en/of Provinciale Staten

  • c. Onderwerpen die de Statencommissies zelf op een bepaald moment ter vergadering aan de orde wensen te stellen.

3. De commissievoorzitters hebben periodiek overleg met Gedeputeerde Staten, teneinde de in het tweede lid, sub a bedoelde onderwerpen en de daarbij behorende tijdsplanningen te inventariseren.

4. Wanneer een door Gedeputeerde Staten aangekondigd onderwerp op een ander moment aan de Statencommissies wordt aangeboden dan door het college in het vooruitzicht gesteld was, doen Gedeputeerde Staten daarvan onder opgaaf van redenen mededeling aan de Statencommissie die het betreft. Daarbij geeft het college aan op welke moment het betreffende onderwerp wel verwacht mag worden.

5. De lange termijnagenda’s worden maandelijks door de Statencommissies geactualiseerd en vastgesteld.

§9 Hoorzittingen van Statencommissies

Artikel 86 Hoorzitting

1. Een Statencommissie kan in bijzondere gevallen besluiten over een tot haar werkterrein behorend onderwerp een afzonderlijke hoorzitting te houden. Indien een dergelijke hoorzitting is gehouden, wordt in de vergadering waarin dat onderwerp inhoudelijk door de Statencommissie wordt behandeld geen spreekrecht verleend als bedoeld in artikel 79.

2. Tijdens een hoorzitting worden diegenen die zich daarvoor hebben aangemeld of die door de commissie worden uitgenodigd in de gelegenheid gesteld hun standpunt toe te lichten en vragen van de kant van de commissie te beantwoorden. In dat kader wordt niet in debat getreden.

3. Het bepaalde in artikel 79, lid 3, is op de hoorzitting van overeenkomstige toepassing.

4. Een hoorzitting wordt in het openbaar gehouden, tenzij de Statencommissie anders besluit.

5. Op voorstel van de commissievoorzitter bepaalt de Statencommissie de duur van de hoorzitting en de spreektijd per natuurlijke en/of rechtspersoon die het woord zal voeren.

6. De commissievoorzitter kan sprekers, die de hun toegemeten spreektijd overschrijden het woord ontnemen.

7. Op voorstel van de commissievoorzitter kan de Statencommissie in bijzondere gevallen van het bepaalde in dit artikel afwijken.

§10 Bewaring van geheime stukken

Artikel 87 Bewaring van geheime stukken

1. De stukken waaraan door een Statencommissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 91 van de Provinciewet geheimhouding is opgelegd, worden op de Statengriffie op een door de statengriffier te bepalen wijze bewaard.

2. De leden van Provinciale Staten kunnen de in het eerste lid bedoelde stukken op daartoe strekkend verzoek aan de Statengriffier inzien, tenzij de commissie die de geheimhouding heeft opgelegd dit uitdrukkelijk heeft verboden wegens strijd met het openbaar belang.

3. De Statencommissies bezien halfjaarlijks of de door hen in de onderscheidenlijke gevallen opgelegde geheimhouding gehandhaafd dient te blijven, dan wel opgeheven kan worden.

HOOFDSTUK II DE COMMISSIE VOOR ONDERZOEK VAN DE REKENING

Artikel 88 Taken Commissie voor Onderzoek van de Rekening (COR)

1. Indien Provinciale Staten besluiten tot het instellen van een Commissie voor Onderzoek van de Rekening (COR) dan heeft deze, in aanvulling op de in artikel 67 genoemde taken, de volgende specifieke taken:

  • a. Het uitvoeren dan wel doen uitvoeren van (nader) onderzoek naar de provinciale rekeningen.

  • b. Het uitvoeren dan wel doen uitvoeren van (nadere) onderzoeken naar de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van beleid, beheer en organisatie.

  • c. Provinciale Staten te adviseren inzake de opdrachtverlening aan een externe accountant,als bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet.

2. De COR heeft de volgende bevoegdheden:

  • a. De COR kan alle, voor de uitoefening van haar taken benodigde, informatie inwinnen bij Gedeputeerde Staten, alle provinciale ambtenaren en bij de externe accountant, bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet.

  • b. Gedeputeerde Staten stellen de COR tijdig op de hoogte van rapportages en informatie over het beheer, die voor de uitoefening van de taken van de commissie relevant zijn.

3. De externe accountant als bedoeld in artikel 217 van de Provinciewet is uit hoofde van zijn functie adviseur van de commissie.

4. De COR beschikt over een budget voor de uitvoering van (nader) onderzoek. Het budget maakt deel uit van het budget van de Statengriffie. De statengriffier is budgetbeheerder.

5. Vaststelling van de omvang en verantwoording over de besteding vindt plaats in het kader van de Begroting- en Verantwoordingscyclus van de provincie.

6. De rapporten, zoals bedoeld in de leden 9, 10 en 11, kunnen slechts worden vastgesteld, indien de meerderheid van het in Provinciale Staten vertegenwoordigde aantal stemmen ter vergadering aanwezig is.

7. Indien bij het vaststellen van het rapport geen eenstemmigheid bestaat, worden de verschillende meningen onder opgaaf van de uitslag der stemming schriftelijk aan Provinciale Staten medegedeeld.

8. Alle stukken, welke van de COR uitgaan, worden getekend door de commissievoorzitter.

9. De COR brengt rechtstreeks aan Provinciale Staten rapport uit, tevens inhoudende een advies over de bevindingen bij het onderzoek van een provinciale rekening. Het rapport wordt in afschrift aan Gedeputeerde Staten gezonden.

10. Het rapport wordt uitgebracht binnen twee maanden na ontvangst van de provinciale rekening met de daarop betrekking hebbende voordracht van Gedeputeerde Staten en het verslag van de krachtens artikel 217 van de Provinciewet door Provinciale Staten aangewezen deskundige.

11. De COR is bevoegd (nadere) onderzoeken uit te voeren. De COR bepaalt  zelf de onderwerpen of aangelegenheden die men aan een (nader) onderzoek wenst te onderwerpen. Zij houdt daarbij rekening met de onderzoeken die door Gedeputeerde Staten en de Randstedelijke Rekenkamer worden uitgevoerd.

12. Bij het uitvoeren van (nadere) onderzoeken als bedoeld in het twaalfde lid worden de volgende procedurevoorschriften in acht genomen:

  • a. De onderzoeken worden voorbereid door een subcommissie als bedoeld in artikel 89 van dit reglement.

  • b. De subcommissie stelt de COR binnen twee maanden nadat het besluit over het uit te voeren onderzoek is genomen, in kennis van het onderzoeksontwerp en de samenstelling van het onderzoeksteam. Het doel van het (nader) onderzoek, de probleemstelling, de methode van onderzoek en de vorm waarin de  onderzoeksresultaten gepresenteerd zullen worden, maken deel uit van het onderzoeksontwerp.

  • c. De subcommissie doet de COR een voorstel door wie het (nader) onderzoek wordt uitgevoerd.

  • d. Elk (nader) onderzoek mondt uit in een concepteindrapportage aan de COR. Deze concepteindrapportage wordt gelijktijdig in afschrift gezonden naar Gedeputeerde Staten en de secretaris. In deze concepteindrapportage worden de onderzoeksresultaten, conclusies en aanbevelingen gepresenteerd. Na vaststelling door de commissie wordt de rapportage, al dan niet vergezeld van een voorstel en/of commentaar van Gedeputeerde Staten, aangeboden aan Provinciale Staten. Provinciale Staten nemen vervolgens een besluit over de in de rapportage opgenomen aanbevelingen.

  • e. Om inzicht te krijgen in de mate waarin (nadere) onderzoeken en de hierop gebaseerde aanbevelingen leiden tot verbeteringen, wordt de COR door middel van voortgangsrapportages geïnformeerd. Deze voortgangsrapportages worden opgesteld door Gedeputeerde Staten en worden binnen een met Gedeputeerde Staten overeengekomen termijn, aangeboden aan de COR.

13. De bepalingen van hoofdstuk I van deze titel zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de Commissie voor Onderzoek van de Rekening.

HOOFDSTUK III SUBCOMMISSIES

Artikel 89 Subcommissies

1. De Statencommissies zijn bevoegd uit hun midden subcommissies in het leven te roepen ter behartiging van aan de commissies opgedragen concrete taken of onderwerpen.

2. In een subcommissie als bedoeld in het eerste lid kunnen alle fracties één commissielid afvaardigen.

3. Als voorzitter van een subcommissie fungeert de voorzitter van de commissie uit wiens midden deze is gevormd, tenzij die commissie anders besluit.

4. Bij de instelling van een subcommissie regelt de commissie uit wiens midden deze is gevormd de taken van de subcommissie, alsmede de wijze waarop de subcommissie aan de commissie, dan wel aan Provinciale Staten rapporteert.

5. Wanneer een Statencommissie tot instelling van een subcommissie heeft besloten, doet de voorzitter van die Statencommissie daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan Provinciale Staten.

6. Provinciale Staten kunnen een besluit tot instelling van een subcommissie uiterlijk in de tweede Statenvergadering na ontvangst van de in lid vijf bedoelde mededeling vernietigen.

7. De bepalingen van hoofdstuk I van deze titel zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de subcommissies.

8. Een subcommissie als bedoeld in het eerste lid wordt opgeheven door de Statencommissie welke haar heeft ingesteld.

TITEL IV SENIORENCONVENT EN PRESIDIUM

HOOFDSTUK I HET SENIORENCONVENT

§1 Samenstelling en taken

Artikel 90 Samenstelling van het Seniorenconvent

1. Er is een Seniorenconvent, waarin de fractievoorzitters of hun plaatsvervangers zitting hebben.

2. De voorzitter van Provinciale Staten is voorzitter van Seniorenconvent. Bij zijn ontstentenis wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters van Provinciale Staten, zulks in de volgorde van vervanging zoals bedoeld in artikel 7 van dit reglement.

3. De Statengriffier woont de vergaderingen van het Seniorenconvent bij en heeft daarin een adviserende stem.

Artikel 91 Taken van het Seniorenconvent

1. Het Seniorenconvent heeft tot taak het bespreken van vertrouwelijke aangelegenheden, en voorts:

  • a. het doen van voordrachten aan Provinciale Staten omtrent noodzakelijke besluitvorming van personele, organieke en procedurele aard;

  • b. het adviseren over en bewaken van bestuurlijke procedures;

  • c. het (doen) opstellen van de begroting van de benodigde middelen voor Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie, alsmede het (doen) opstellen van de rekening;

  • d. het toezicht op het beheer van de geldelijke middelen van Provinciale Staten, de Statencommissies en de Statengriffie;

  • e. het toezicht op het beheer en de besteding van de fractiebudgetten

  • f. de vaststelling en evaluatie van het griffieplan;

  • g. de aansturing van de Statengriffier;

  • h. het toezicht op de Statengriffie;

  • i. het fungeren als aanspreekpunt voor de Statengriffier en de Statengriffie met betrekking tot de dagelijkse bedrijfsvoering van de Statengriffie, Provinciale Staten en de Statencommissies, een en ander voor zover niet behorend tot de taken van het Presidium.

  • j. het vanuit haar midden voeren van functioneringsgespekken met de Commissaris van de Koningin.

§2 De voorzitter van het Seniorenconvent

Artikel 92 De voorzitter van het Seniorenconvent

De voorzitter is belast met de leiding van, en handhaving van de orde in de vergaderingen van het Seniorenconvent.

§3 Voorbereiding van vergaderingen van het Seniorenconvent

Artikel 93 Vergaderfrequentie en -schema

Het Seniorenconvent komt éénmaal per kwartaal op voorstel van de voorzitter bijeen en voorts wanneer minimaal drie leden van het Seniorenconvent daarom verzoeken, dan wel wanneer en zoveel de voorzitter het wenselijk acht.

Artikel 94 Oproeping tot vergaderen

De voorzitter zendt de leden van het Seniorenconvent een schriftelijke oproep tot de vergadering.

Artikel 95 Agenda en stukken

De conceptagenda voor de vergaderingen van het Seniorenconvent en de daarbij behorende stukken worden door de voorzitter in overleg met de Statengriffier opgesteld en worden tenminste drie werkdagen voorafgaand aan de vergadering aan de leden gezonden. Het Seniorenconvent stelt de agenda vast.

§4 Verloop van vergaderingen van het Seniorenconvent

Artikel 96 Openbaarheid en sluiting der deuren

De vergaderingen van het Seniorenconvent zijn openbaar, tenzij het Seniorenconvent anders beslist.

§5 Spreekrecht & -regels

Artikel 97 Spreekrecht voor derden

In de vergaderingen van het Seniorenconvent bestaat geen spreekrecht voor eventueel aanwezige toehoorders en overige aanwezige derden, tenzij men op uitnodiging van het Seniorenconvent ter vergadering aanwezig is en men door de voorzitter wordt verzocht het woord te voeren.

§6 Ordemaatregelen

Artikel 98 Handhaving van de orde ter vergadering

Het bepaalde in Titel III, Hoofdstuk 1, § 6 is van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van het Seniorenconvent.

§7 Besluitvorming

Artikel 99 Besluitvorming

1. De besluiten van het Seniorenconvent worden genomen bij meerderheid van stemmen. Daarbij brengt elk lid het aantal stemmen uit dat diens fractie in Provinciale Staten heeft. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.

2. In een vergadering van het Seniorenconvent kan slechts worden besloten, indien de ter vergadering verschenen leden ten minste achtentwintig zetels in Provinciale Staten vertegenwoordigen.

3. In gevallen waarin op grond van het bepaalde in lid 2 van dit artikel niet tot besluitvorming kan worden overgegaan, worden de voor de desbetreffende vergadering geagendeerde onderwerpen op de agenda geplaatst van de eerst daaropvolgende vergadering van het Seniorenconvent.

4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel, wordt niettemin tot besluitvorming overgegaan ten aanzien van onderwerpen, die gelet op hun aard of belang naar het oordeel van de voorzitter onmiddellijke besluitvorming vergen.

§8 Verslag

Artikel 100 Verslag

Van het verhandelde tijdens de vergaderingen van het Seniorenconvent wordt een verslag gemaakt, dat zo spoedig mogelijk onder de voorzitter en de leden wordt verspreid en op de internetsite van de provincie bekend gemaakt wordt.

§9 Werkgeverscommissie voor de Statengriffie

Artikel 101 Samenstelling werkgeverscommissie

Er is een werkgeverscommissie voor de Statengriffie bestaande uit twee leden, welke door het Seniorenconvent door en uit haar midden wordt benoemd.

Artikel 102 Taken werkgeverscommissie

De werkgeverscommissie voor de Statengriffie heeft de volgende taken:

  • a. Het voorbereiden van door het Seniorenconvent aan Provinciale Staten voor te leggen voorstellen inzake aanstelling en ontslag van de Statengriffier;

  • b. Het doen van voorstellen aan het Seniorenconvent betreffende de rechtspositie van de Statengriffier en de medewerkers van de Statengriffie;

  • c. Het voorbereiden van rechtspositionele besluiten ten aanzien van medewerkers van de Statengriffie, waarvan de bevoegdheid door Provinciale Staten aan het Seniorenconvent is gemandateerd;

  • d. Het voeren van functioneringsgesprekken met de Statengriffier;

  • e. Het voeren van overleg met de Statengriffier over de bedrijfsvoering van de Statengriffie en de voortgang van de werkzaamheden.

HOOFDSTUK II HET PRESIDIUM

§1 Samenstelling en taken

Artikel 103 Samenstelling van het Presidium

1. Er is een Presidium, dat bestaat uit de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter(s) van Provinciale Staten, de voorzitters van de Statencommissies als bedoeld in artikel 63 en de voorzitter van de Commissie voor Onderzoek van de Rekening als bedoeld in artikel 88. De voorzitters van de Statencommissies en van de Commissie voor Onderzoek van de Rekening kunnen zich door de plaatsvervangend voorzitters van de betreffende commissie doen vervangen.

2. De voorzitter van Provinciale Staten is de voorzitter van het Presidium. Bij zijn ontstentenis wordt de vergadering voorgezeten door een van de plaatsvervangend voorzitters van Provinciale Staten, zulks in de volgorde van vervanging zoals bedoeld in artikel 7.3. De Statengriffier woont de vergaderingen van het Presidium bij en heeft daarin een adviserende stem.

Artikel 104 Taken en bevoegdheden van het Presidium

1. Het Presidium is belast met de gecoördineerde voorbereiding van de vergaderingen van Provinciale Staten en de Statencommissies en stelt de voorlopige agenda voor Provinciale Staten vast. Tevens draagt het Presidium zorg voor de advisering over en de bewaking van de besluitvormingsprocedures.

2. Tot de werkzaamheden ter uitvoering van de taken van het Presidium behoren in ieder geval:

  • a. het jaarlijks opstellen van een conceptschema voor de vergaderingen van Provinciale Staten en van de Statencommissies;

  • b. het opstellen van de conceptagenda’s voor de vergaderingen van Provinciale Staten, alsmede het doen van voorstellen omtrent de wijze van behandeling van de daarop gestelde agendapunten;

  • c. het inwinnen van gegevens van Gedeputeerde Staten en overige betrokkenen ten behoeve van het opstellen van een lange termijnagenda, waarop kan worden aangegeven welke onderwerpen naar verwachting op welke momenten in de vergaderingen van Provinciale Staten of van de Statencommissies behandeld zullen kunnen worden;

  • d. het op basis van de stukkenstroom doen van voorstellen omtrent de wijze van afdoening van bij Provinciale Staten en de Statencommissies ingekomen stukken, alsmede over de termijnen waarop zulks zou dienen te geschieden;

  • e. het evalueren van de vergaderingen van Provinciale Staten en van de Statencommissiesin technische zin;

3. Indien of voor zover de in lid 2, sub b, bedoelde voorstellen omtrent de wijze van behandeling technische richtlijnen inhouden, gericht een op goed en ordelijk verloop van de vergadering, worden deze richtlijnen door Provinciale Staten bij de behandeling van het desbetreffende agendapunt in acht genomen, tenzij een Statenlid of -fractie voorafgaand aan de desbetreffende Statenvergadering aan de voorzitter van Provinciale Staten kenbaar gemaakt heeft deze richtlijnen in het kader van de regeling van werkzaamheden ter discussie te willen stellen.

§2 De voorzitter van het presidium

Artikel 105 De voorzitter van het Presidium

De voorzitter is belast met de leiding van en handhaving van de orde in de vergaderingen van het Presidium.

§3 Voorbereiding van vergaderingen van het Presidium

Artikel 106 Vergaderfrequentie en -schema

Het Presidium komt éénmaal per maand op voorstel van de voorzitter bijeen en voorts wanneer minimaal drie leden van het Presidium daarom verzoeken, dan wel wanneer en zoveel de voorzitter het wenselijk acht.

Artikel 107 Oproeping tot vergaderen

De voorzitter zendt de leden van het Presidium een schriftelijke oproep tot de vergadering.

Artikel 108 Agenda en stukken

De agenda voor de vergaderingen van het Presidium en de daarbij behorende stukken worden door de voorzitter in overleg met de Statengriffier opgesteld en worden tenminste drie werkdagen voorafgaand aan de vergadering aan de leden gezonden. Het Presidium stelt de agenda vast.

§4 Verloop van vergaderingen van het Presidium

Artikel 109 Openbaarheid

De vergaderingen van het Presidium zijn openbaar, tenzij het Presidium anders beslist.

§5 Spreekrecht & -regels

Artikel 110 Spreekrecht

In de vergaderingen van het Presidium bestaat geen spreekrecht voor toehoorders en overige aanwezige derden, tenzij men op uitnodiging van het Presidium ter vergadering aanwezig is en men door de voorzitter wordt verzocht het woord te voeren.

§6 Ordemaatregelen

Artikel 111 Handhaving van de orde ter vergadering

Het bepaalde in Titel III, Hoofdstuk 1, § 6 van dit reglement is van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van het Presidium.

§7 Besluitvorming

Artikel 112 Besluitvorming

1. De besluiten van het Presidium worden genomen bij meerderheid van stemmen. Bij staken van stemmen beslist de voorzitter.

2. In een vergadering van het Presidium kan slechts worden besloten, indien tenminste de helft van het aantal leden tegenwoordig is.

3. In gevallen waarin op grond van het bepaalde in lid 2 van dit artikel niet tot besluitvorming kan worden overgegaan, worden de voor de desbetreffende vergadering geagendeerde onderwerpen op de agenda geplaatst van de eerst daaropvolgende vergadering van het Presidium.

4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel, wordt niettemin tot besluitvorming overgegaan ten aanzien van die onderwerpen, welke gelet op hun aard of belang naar het oordeel van de voorzitter onmiddellijke besluitvorming vergen.

§8 Verslag

Artikel 113 Verslag

Van het verhandelde tijdens de vergaderingen van het Presidium wordt een verslag gemaakt, dat zo spoedig mogelijk onder de voorzitter en de leden wordt verspreid en op de internetsite van de provincie bekend gemaakt wordt.

TITEL V DE STATENGRIFFIE

Artikel 114 De statengriffier

1. De Statengriffier is bij elke vergadering van Provinciale Staten aanwezig.

2. Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een door Provinciale Staten daartoe aangewezen medewerker van de Statengriffie.

3. De statengriffier zorgt voor voldoende ambtelijke bijstand ter vergadering en is daarnaast belast met hetgeen dit reglement bepaalt.

Artikel 115 Commissiegriffier

De Statengriffier voegt aan elke Statencommissie of subcommissie één of meer medewerkers van de Statengriffie toe, welke ten dienste van die Statencommissies of subcommissie als commissiegriffier zullen fungeren.

TITEL VI SLOTBEPALINGEN

Artikel 116 Uitleg reglement

1. In gevallen waarin titel II van dit reglement niet voorziet, alsmede bij twijfel omtrent de toepassing van genoemde titel, beslist de vergadering, gehoord het advies of voorstel van de voorzitter.

2. In gevallen waarin de titels III en IV van dit reglement niet voorzien, alsmede bij twijfel omtrent de toepassing van genoemde titels, beslist de voorzitter, gehoord de vergadering.

Artikel 117 Citeertitel

Het onderhavige reglement kan aangehaald worden als “Reglement van Orde voor de vergaderingen van Provinciale Staten van Zuid-Holland, e.a.

Ondertekening

Den Haag, 10 november 2010
Provinciale Staten van Zuid-Holland,
J. FRANSSEN, voorzitter
H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier