Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR723497
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR723497/3
VTH Beleid 2024 – 2028 ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’
Geldend van 07-08-2026 t/m heden
Intitulé
VTH Beleid 2024 – 2028 ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer heeft op 9 juli 2024 besloten:
- 1.
Het VTH Beleid 2024 – 2028 ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’ en de daarbij behorende bijlagen vast te stellen, waarin de uitvoering van team VTH is geregeld:
- -
Bijlage B Prioriteitenlijst Toezicht en Handhaving 2024-2028
- -
Bijlage C Uitvoeringsprogramma 2024
- -
Bijlage E Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
- -
Bijlage F Beleidsstuk Toepassing Kwaliteitscriteria
- -
Bijlage G Toetsprotocol activiteit bouwen
- -
Bijlage H Methodiek constructief toetsen bouwplannen
- -
Bijlage I Toezichtprotocol activiteit bouwen
- -
- 2.
Het raadsmemo VTH Beleid 2024-2028 en bijlagen vast te stellen en ter kennisname naar de raad te sturen.
1 MANAGEMENTSAMENVATTING
Inleiding
Voor u ligt het VTH Beleidsplan voor 2024 – 2028: ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’. VTH staat voor vergunningen, toezicht en handhaving en dit beleidsplan is ook ingericht aan de hand van deze drie onderwerpen. In het beschrijven van de strategieën en doelstellingen is rekening gehouden met nieuwe wetgeving (Omgevingswet en Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen), Visie Zoetermeer 2040 en andere kaders. De missie voor VTH is: ‘Collectief werken aan een veilige en leefbare stad, waarbij dienstverlening centraal staat en er omgevingsbewust en professioneel gewerkt wordt.’ Deze missie vormt de basis voor gestelde doelen in dit beleidsplan. Kwaliteit van de uitvoering van taken binnen VTH wordt geborgd door een ‘Big 8’ cyclus en risico gestuurd werken.
Vergunningverlening
Het verlenen van vergunningen is gericht op het taakveld omgevingsrecht en de Apv. Met betrekking tot omgevingsrecht gaat het bijvoorbeeld om vergunningen voor de (ver)bouw van een bouwwerk, het afwijken van het omgevingsplan, het kappen van bomen (houtopstanden), sloopveiligheid en brandveilig gebruik van panden. Bij een vergunningaanvraag in het kader van de Apv gaat het om vergunningen zoals voor het exploiteren van een horecazaak en vergunningen of ontheffingen voor het organiseren van een evenement. De doelstellingen van vergunningverlening staan de komende jaren voornamelijk in het teken van het integreren van nieuwe wetgeving en het behouden en verbeteren van dienstverlening.
Toezicht
Zodra een vergunning is verleend of een melding is gedaan, houdt de gemeente toezicht op de naleving van de omgevingsvergunning en de wet- en regelgeving. Met bouwtoezicht wordt beoogd het naleven van de bouwregelgeving op de bouwplaats en in de bebouwde omgeving (bouwhandhaving), zodat de bouwkwaliteit en leefbaarheid worden behouden. De doelstellingen van Toezicht zijn gericht op het inzetten van preventie wanneer mogelijk en het proactief oppakken van meldingen en signalen.
Handhaving
Handhaving is elke (re)actie die erop gericht is om de leefomgeving te beschermen, door de naleving van wet- of regelgeving te bevorderen en te bewerkstellingen, zo nodig door het opleggen van sancties. Bij geconstateerde overtredingen wordt gehandeld conform de Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht. De doelstellingen van Handhaving zijn gericht op het nemen van besluiten op handhavingsverzoeken binnen de daarvoor geldende termijnen, het handelen volgens de prioriteitenlijst en het inzetten op preventie wanneer mogelijk.
2 LEESWIJZER
Het VTH Beleid kan op de volgende wijze worden gelezen:
Hoofdstuk 1 – dit is de samenvatting van het gehele beleid geschreven voor management.
Hoofdstuk 2 – leeswijzer.
Hoofdstuk 3 – inleidend hoofdstuk waar een begrippenlijst is opgenomen, wettelijke- en beleidskaders zijn beschreven, ontwikkelingen worden benoemd en samenwerkingspartners worden weergeven.
Hoofdstuk 4 – beschrijft de missie en uitgangspunten van dit beleid en vergunningen, toezicht en handhaving.
Hoofdstuk 5 – hier wordt beschreven hoe VTH kwaliteit behoud en risico gestuurd te werk gaat.
Hoofdstuk 6 – in dit hoofdstuk wordt voor de uitvoering van de taken van vergunningverlening strategie en doelstellingen beschreven.
Hoofdstuk 7 – hier worden strategie en doelstellingen beschreven voor de uitvoering van de taken van toezicht.
Hoofdstuk 8 – voor de taken van handhaving wordt in dit hoofdstuk strategie en doelstellingen beschreven.
3 INLEIDING
Voor u ligt het VTH-beleidsplan 2024-2028, ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’. ‘VTH’ staat voor vergunningen, toezicht en handhaving. Dit beleid richt zich op de fysieke leefomgeving van de gemeente Zoetermeer. Het gaat hierbij over de taken die voortvloeien uit het Omgevingsrecht en de Apv (Algemene plaatselijke verordening) inclusief bijzondere wetten. Ondanks de relatie tussen Omgevingsrecht en de Apv en openbare orde en veiligheid is een volledige integratie van deze taakvelden niet mogelijk. Voor openbare orde en veiligheid is dan ook ander beleid opgesteld namelijk: ‘Voor een veilig Zoetermeer Kadernota Veiligheidsbeleid 2023-2026’.
Op het gebied van bouwen, wonen en milieu hebben de afgelopen jaren grote veranderingen in regelgeving en de manier van werken plaatsgevonden. Ook de komende jaren zet de verandering van wetten en regels op het gebied van ruimtelijke ordening, bouwen en milieu verder door, zoals de invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging (Wkb). Met dit VTH-beleid 2024-2028 is vormgegeven aan deze veranderingen voor de komende vier jaar. Hierbij staat kwalitatieve dienstverlening en integrale samenwerking centraal.
3.1 Afkortingen- en begrippenlijst
De volgende begrippen komen voor in dit beleid:
- •
Apv: Algemene plaatselijke verordening;
- •
Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving
- •
Handhaving: het naleven van regelgeving, zo nodig door het opleggen van sancties. In dit beleidsstuk wordt hiermee verwezen naar juristen binnen VTH en niet naar de boa’s van team Handhaving;
- •
ODH: Omgevingsdienst Haaglanden;
- •
Omgevingswet: één wet die alle wetten op het gebied van leefomgeving bundelt, is per 1 januari 2024 van kracht;
- •
Omgevingsplan: voorheen bestemmingsplan;
- •
Preventie: het voorkomen dat regels niet worden nageleefd;
- •
Toezicht: het verzamelen en beoordelen van informatie om de naleving van regelgeving te controleren;
- •
Vergunning: het verlenen van toestemming voor de uitvoering van een bepaalde activiteit, al dan niet gebonden aan voorwaarden, in de vorm van een begunstigende beschikking;
- •
VRH: Veiligheidsregio Haaglanden;
- •
VTH: Vergunningen, Toezicht en Handhaving;
- •
Wkb: Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen.
3.2 Ontwikkelingen
Per 1 januari 2024 is nieuwe wetgeving van kracht. Daarnaast heeft gemeente Zoetermeer in 2022 een visie vastgesteld: ‘Visie Zoetermeer 2040’. Deze ontwikkelingen zijn meegenomen in dit beleid en worden hieronder kort omschreven.
Omgevingswet
Met de komst van de Omgevingswet worden er 26 bestaande wetten gebundeld op het gebied van bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Ook zullen meer activiteiten in de toekomst gereguleerd worden via algemene regels. De volgende wetten zijn samengevoegd tot de Omgevingswet:
- •
26 wetten: de Belemmeringenwet Privaatrecht, de Crisis- en herstelwet, de Interimwet stad-en-milieu-benadering, de Ontgrondingenwet, de Planwet verkeer en vervoer, de Spoedwet wegverbreding, de Tracéwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wet geurhinder en veehouderij, de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, de Wet inzake de luchtverontreiniging en de Wet ruimtelijke ordening;
- •
de Waterwet, behalve de regelingen voor het deltaprogramma en het financiële hoofdstuk;
- •
de Woningwet: bouwregelgeving;
- •
de Wet milieubeheer: regelgeving over plaatsgebonden activiteiten;
- •
de Monumentenwet 1988: vergunning archeologische rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen;
- •
de Wet beheer rijkswaterstaatwerken: vergunning;
- •
de Spoorwegwet en de Wet lokaal spoor: omgevingsregime;
- •
de Wet bereikbaarheid en mobiliteit: ruimtelijke doorwerking;
- •
de Wet luchtvaart: ruimtelijke beperkingen;
- •
de Mijnbouwwet: milieuregelgeving voor de exclusieve economische zone en veiligheidszone;
- •
gedoogplichten uit diverse wetten.
De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel is veranderd en gaat veranderen binnen het fysieke domein. De komende jaren gaat de gemeente Zoetermeer zich inzetten om de verdere implementatie en integratie hiervan zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen
De Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) gaat stapsgewijs in vanaf 1 januari 2024 (eerst bouwwerken gevolgklasse 1 (nieuwbouw) met lage risico op gevolgschade). Dit is een samenhangend stelsel van kwaliteitseisen en –procedures waarmee marktpartijen aantoonbaar garanderen dat het te realiseren bouwplan bij oplevering een bepaald kwaliteitsniveau heeft. Het kwaliteitsniveau is gerelateerd aan de bouwtechnische voorschriften en wetgeving zoals opgenomen in hoofdstuk 2 t/m 6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). De wet heeft consequenties voor het vergunningentraject en op het toezicht op de naleving van vergunningen en voorwaarden. Daarmee heeft de invoering ook gevolgen voor de legestarieven. Invoering van de wet heeft aan de voorkant tot gevolg dat in het kader van vergunningverlening in principe geen bouwkundige toets meer wordt gedaan mits er aan art. 2.17 van het Bbl wordt voldaan (als voorbeeld een gelijkwaardigheidsvoorstel wordt ingediend of dat het bouwwerk een (Rijks) monument is. Daarnaast zal vanuit (bouw)toezicht, op bepaalde onderdelen van de Wkb, controle plaatsvinden op aanvraag van de kwaliteitsborger of bij twijfel met betrekking tot de bouwwerkzaamheden.
Visie Zoetermeer 2040
In januari 2022 is de Visie Zoetermeer 2040 vastgesteld. Hierin zijn zes hoofdlijnen uitgewerkt die gezamenlijk het gewenste toekomstbeeld van Zoetermeer in 2040 schetsen. Om de doelen uit deze visie te bereiken moeten de komende jaren door de gehele organisatie stappen worden genomen. Denk daarbij aan transformaties van gebouwen en woningen en gerichte nieuwbouw. In de toekomst zal VTH dan ook om advies worden gevraagd of worden er vergunningen aangevraagd om verschillende onderdelen uit de visie te realiseren.
3.3 Kaders
Bij het afhandelen van vergunningaanvragen, het houden van toezicht en het handhavend optreden vormen onder meer de volgende wetten en (beleids)documenten onze belangrijkste (beleids)kaders:
Landelijk:
- •
Alcoholwet;
- •
Algemene wet bestuursrecht (Awb);
- •
Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht1;
- •
Omgevingswet (Omgevingsregeling, Besluit Bouwwerken en Leefomgeving, Besluit Activiteiten Leefomgeving, Besluit Kwaliteit Leefomgeving);
- •
Opiumwet;
- •
Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen (Bibob);
- •
Wet op de kansspelen.
Gemeente:
- •
Apv;
- •
Beleidsstuk toepassing Kwaliteitscriteria 2.3 Bouwtaken Gemeente Zoetermeer2;
- •
Damoclesbeleid;
- •
Evenementenbeleid;
- •
Kappen: Beleidsregels bomen;
- •
Monumenten: Erfgoedverordening 2022;
- •
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer houdende nadere regels omtrent standplaatsen;
- •
Nadere regels voor het uitbaten van een terras;
- •
Omgevingsplan;
- •
Toetsprotocol activiteit bouwen3;
- •
Welstandsnota Zoetermeer 2013.
3.4 Samenwerkingspartners
Op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving werkt de gemeente Zoetermeer samen met diverse externe partners. Zo wordt een deel van de werkzaamheden uitgevoerd door de ODH, de VRH en de Hoogheemraadschappen. Andere voorbeelden van organisaties waarmee wordt samengewerkt indien nodig zijn:
- •
Omliggende gemeenten zoals Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Pijnacker- Nootdorp en Midden-Delfland;
- •
Provincie Zuid-Holland;
- •
Politie Eenheid Den Haag.
Door regelmatig overleg en afstemming, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, bouwt gemeente Zoetermeer voortdurend aan de relatie en de onderlinge verbanden met samenwerkingspartners.
4 MISSIE EN UITGANGSPUNTEN
In dit hoofdstuk worden de missie en visie beschreven die met de looptijd van dit beleid worden gehanteerd voor vergunningen, toezicht en handhaving.
4.1 Missie
De missie van Zoetermeer voor vergunningverlening, toezicht en handhaving is:
‘Collectief werken aan een veilige en leefbare stad, waarbij dienstverlening centraal staat en er omgevingsbewust en professioneel gewerkt wordt.’
Zoetermeer realiseert deze missie op de volgende manieren:
- •
Integreren van de Omgevingswet en Wkb en hier deskundig mee om gaan.
- •
Gedurende deze integratie de dienstverlening op peil houden.
- •
De gemeente zet zich in om processen die snel kunnen, snel uit te voeren.
- •
Aanvragen worden getoetst aan betreffende regelgeving en toezicht vindt integraal plaats. Hierbij wordt rekening gehouden met betrokkenen en wordt gekeken naar de kansen en mogelijkheden die de wet- en regelgeving te bieden heeft.
- •
In het kader van dienstverlening zet de gemeente zich in om de vragen van inwoners en bedrijven duidelijk, begrijpelijk en op tijd te beantwoorden.
- •
Er wordt actief gecommuniceerd over wat wel en wat niet is toegestaan en zo wordt geprobeerd het naleefgedrag te beïnvloeden.
4.2 Visie
Bij het opstellen van dit beleid is rekening gehouden met de onderstaande uitgangspunten als visie.
Betrouwbaar en duidelijk
De afdeling wil een betrouwbare en transparante partner zijn voor haar burgers, partners en bedrijven. Van essentieel belang hierin is dat de afdeling duidelijk en transparant is. Dit wordt gedaan middels de BIG-8 beleidssystematiek (zie hoofdstuk 5.1).
Collectief
Vergunningen, toezicht en handhaving is er voor alle Zoetermeerders en bezoekers van onze stad. De uitvoering van de taken wordt deels gebaseerd op signalen die door burgers, partners en bedrijven en andere belanghebbenden worden afgegeven. Hierdoor wordt collectief gewerkt aan een veilige en leefbare stad.
Integraal
De samenwerking met andere afdelingen binnen de gemeente en partners wordt bevorderd zodat zaken zoveel mogelijk integraal benaderd worden. Samenwerking bestaat onder andere uit het delen van informatie en het afstemmen van werkzaamheden. Diverse disciplines zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een veilige en leefbare stad. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de integrale samenwerking verbeterd waar nodig.
Effectief en efficiënt
Processen die snel kunnen, worden snel uitgevoerd. Daarnaast wordt geprobeerd het gewenste resultaat te bereiken tegen de minste kosten, met inachtneming van de wettelijke taakstellingen. Eerder wordt genoemd dat de dienstverlening op peil gehouden wordt met komst van de Omgevingswet. In het kader hiervan worden indien nodig processen vereenvoudigd en efficiënter ingericht en consequent uitgevoerd.
Preventief
De maatschappelijke kosten om een overtreding te beëindigen en/of de ontstane schade te herstellen zijn doorgaans hoger dan de kosten ter voorkoming van een overtreding. Hierom wordt geïnvesteerd in de preventie van overtredingen en de zorgvuldige toetsing van vergunningaanvragen, zodat er minder toezicht en handhaving noodzakelijk is en de negatieve maatschappelijke effecten van overtredingen zich niet of minder voordoen.
Proportionele uitvoering
Om een betrouwbare partner te zijn voor burgers, partners en het bedrijfsleven wordt bij iedere overtreding gekeken wat proportioneel is om de overtreding te laten eindigen. Daarnaast wordt bij gelijke omstandigheden gelijk gehandeld. Echter is niet elke overtreding hetzelfde dus moet per situatie gekeken worden naar de omstandigheden.
5 BORGING MIDDELEN EN KWALITEIT VTH
Sinds 2014 is een stijgende lijn geconstateerd in het aantal aanvragen. De komende jaren zullen de processen binnen VTH meer uitdagingen met zich meebrengen vanwege de integratie van nieuwe wetgeving. Omdat de gemeente de kwaliteit wil borgen en verantwoord wil omgaan met middelen, wordt hier aandacht aan besteed in dit hoofdstuk door middel van de ‘BIG 8’ en gestelde prioriteiten in de bijlage (bijlage B). Daarnaast wordt ook risico gestuurd gewerkt, dit wordt aan het eind van dit hoofdstuk beschreven.
5.1 BIG 8
Dit VTH-beleidsplan is gebaseerd op de zogenaamde ‘BIG 8’ (zie figuur 1). Dit is een dubbele plan-do-check-act cyclus waarbij beleid en uitvoering met elkaar worden verbonden. Door het volgen van de BIG 8 worden werkzaamheden doelmatig en planmatig uitgevoerd. Daarnaast zorgt het evaluatieonderdeel van deze cyclus ervoor dat het beleid steeds blijft aansluiten op de uitvoeringspraktijk.
Figuur 1: BIG-8
De BIG-8 systematiek maakt onderscheid tussen een jaarlijkse (onderste cirkel) en een meer jaarlijkse cyclus (bovenste cirkel). De meer jaarlijkse cyclus bevat de langere termijn doelen en is meer beleidsmatig en strategisch van aard. De jaarlijkse cyclus is een uitvoeringscyclus van planning, uitvoering en verslaglegging waarbinnen sneller geschakeld en aangepast kan worden. Onderdeel van deze uitvoeringscyclus is het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, welke in de bijlage C is opgenomen.
5.2 Risico gestuurd VTH
De gemeente Zoetermeer zet de beschikbare capaciteit in daar waar de risico’s het grootst zijn en waar deskundigheid en kennis het meest gevraagd zijn. Dit is risico gestuurd werken. Er wordt gekeken naar de impact en omvang wanneer onverhoopt iets misloopt. Landelijk zijn hiervoor criteria vastgesteld om inzicht te krijgen in de effecten bij een calamiteit bij verschillende activiteiten. Op deze manier wordt op een verantwoorde manier capaciteit ingezet voor een veilige en gezonde bebouwde leefomgeving.
5.2.1 Risico gestuurd bij vergunningverlening
Bij het verlenen van vergunningen wordt gekeken naar vaste prioritering en bijbehorende toetsniveaus, indien nodig wordt maatwerk geleverd. Wanneer er hoge risico’s zijn wordt intensief getoetst en waar minder risico’s zijn wordt een globale uitgangspuntentoets uitgevoerd. Het toetsen van risico’s en bijbehorende toetsniveaus wordt beschreven in bijlage G, Toetsprotocol activiteit bouwen. Evenementenvergunningen worden getoetst door middel van de behandelscan van de VRH. Hier wordt ook rekening gehouden met risico’s, dit wordt beschreven in hoofdstuk 6.3.1.
5.2.2 Risico gestuurd bij toezicht en handhaving
Aan elke prioriteit is een niveau van toezicht verbonden: op activiteiten met hoge risico’s wordt een algehele controle van alle onderdelen uitgevoerd; waar minder risico’s zijn, worden steekproefsgewijs controles uitgevoerd. Met bouwtoezicht wordt beoogd het naleven van de wet- en regelgeving op de bouwplaats en in de bebouwde omgeving (bouwhandhaving). Dit wordt gedaan door toezicht te houden bij bestaande bouw, nieuwbouw en verbouw. Tijdens het bouwtoezicht wordt het gebouw/het bouwwerk getoetst aan de geldende wet- en regelgeving en de geldende vergunningsvoorschriften (Omgevingswet en de vier Algemene Maatregel van Bestuur). De technische bouwtoezicht voor gevolgklasse 1 (nieuwbouw onder hoofdstuk 2 t/m 6 van het Bbl) is per 1 januari 2024 overgegaan naar een private kwaliteitsborger. De toezichthouder van de gemeente heeft nog wel het toezicht op de omgeving rondom de bouwplaats en de overige aspecten die vallen in hoofdstuk 1, 7 en 8 van het Bbl waaronder de veiligheid ondergebracht is. In bijlage I4, Toezichtprotocol activiteit bouwen, wordt beschreven welke toezichtniveaus er zijn. Door risico gestuurd werken bij toezicht heeft dit een positief effect op risico gestuurd werken bij handhaving (bijvoorbeeld situaties met hoog risico worden gesignaleerd door toezicht en deze komen terecht bij handhaving). Hierdoor worden zoveel mogelijk onderwerpen behandeld die prioriteit hebben.
5.3 Wet VTH
Medio 2016 is de Wet Vergunningen, Toezicht en Handhaving (wet VTH) in werking getreden. Vanaf 1 januari 2024 valt deze wet onder de Omgevingswet. Deze wet heeft als doel om randvoorwaarden te creëren voor gemeenten en provincies om tot een hogere kwaliteit te komen van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Om dit te bereiken zijn er landelijke kwaliteitseisen ontwikkeld, de Kwaliteitscriteria 2.3. Op basis hiervan zijn afspraken gemaakt over de minimale kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Dit geldt ook voor taken die worden uitgevoerd door ketenpartners zoals genoemd in hoofdstuk 3.4.
De wet VTH bepaalt dat voor de taken die gemeenten wettelijk verplicht hebben overgedragen aan een Omgevingsdienst (de basistaken) de gemeenteraad een verordening moet vaststellen. Aan deze verplichting heeft de gemeente voldaan door de ‘Verordening uitvoering handhaving (omgevingsrecht) gemeente Zoetermeer’ vast te stellen. Voor de taken die de gemeente Zoetermeer zelf uitvoert, geldt deze plicht voor een verordening niet. Voor deze taken heeft het college van burgemeester en wethouders een zorgplicht. Hiervoor is het Beleidsstuk Toepassing Kwaliteitscriteria 2.3 opgesteld5. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH wordt over de uitvoering van onze zorgplicht gerapporteerd.
6 VERGUNNINGVERLENING
In dit hoofdstuk staat vergunningverlening centraal. Het gaat bijvoorbeeld om vergunningen gericht op het taakveld omgevingsrecht, zoals vergunningen voor de (ver)bouw van een bouwwerk, het afwijken van het omgevingsplan, het kappen van bomen (houtopstanden), sloopveiligheid en brandveilig gebruik panden. Daarnaast gaat het om vergunningen gericht op het taakveld Apv, zoals vergunningen voor het exploiteren van een horecazaak en vergunningen of ontheffingen voor het organiseren van een evenement. Dit staat beschreven in paragraaf 6.3.
6.1 Vergunningenstrategie
De vergunningenstrategie biedt handvatten voor de behandeling van vergunningsaanvragen en meldingen. Daarnaast zorgt deze strategie voor de borging van een eenduidige en duidelijke uitvoering.
De strategie met betrekking tot vergunningsaanvragen en meldingen is als volgt:
- •
vergunningverlening is afgestemd op landelijke regelgeving en kaders en eigen beleidskaders;
- •
bij het verlenen van vergunningen wordt rekening gehouden met landelijke prioritering (dit staat beschreven in bijlage G, Toetsprotocol activiteit bouwen);
- •
per geval wordt beoordeeld of er sprake is van een complexe of een eenvoudige situatie;
- •
verleende vergunningen zijn helder en begrijpelijk voor burgers en bedrijven en digitaal beschikbaar en daarnaast ook handhaafbaar;
- •
het uitgangspunt is om beleid en wet- en regelgeving toe te passen. Wanneer wettelijke voorschriften in specifieke situaties onvoldoende voorzien, wordt zoveel mogelijk maatwerk ingezet. Ter voorkoming van het rechtsongelijkheidsargument vergen maatwerkbesluiten een zorgvuldige motivering.
6.2 Omgevingsrecht
In de wet- en regelgeving is bepaald voor welke activiteiten inwoners en bedrijven een vergunning moeten aanvragen om ze te mogen uitvoeren of ondernemen. Sinds een aantal jaren is een stijging van het aantal aanvragen zichtbaar en worden aanvragen ook complexer. Zo wordt er bijvoorbeeld meer binnenstedelijk gebouwd en dit zijn complexere aanvragen. Met de komst van nieuwe wetgeving en de stijging van het aantal aanvragen kunnen doorlooptijden van aanvragen langer duren en is het een uitdaging om binnen de wettelijke beslistermijnen een besluit te nemen.
6.2.1 Omgevingswet en Wkb
De Omgevingswet heeft onder meer als doel om de wetgeving binnen het omgevingsrecht te bundelen. Ook zullen steeds meer activiteiten in de toekomst gereguleerd worden via algemene regels, waardoor minder vaak een vergunning nodig zal zijn. De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel gaat veranderen binnen het fysieke domein. De komende jaren moet de gemeente Zoetermeer zich inzetten om de verdere implementatie hiervan zo soepel mogelijk te laten verlopen.
De Wkb wordt tegelijk met de Omgevingswet ingevoerd. De Wkb wordt gefaseerd ingevoerd. Dit is een samenhangend stelsel van kwaliteitseisen en –procedures waarmee marktpartijen aantoonbaar garanderen dat het te realiseren bouwplan bij oplevering een bepaald kwaliteitsniveau heeft. Het kwaliteitsniveau is gerelateerd aan de bouwtechnische voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
6.2.2 Omgevingsvergunningen
Voor activiteiten moeten inwoners en bedrijven een vergunning aanvragen om ze te mogen uitvoeren of ondernemen. Voorbeelden hiervan kunnen zijn het bouwen van een bouwwerk of het kappen van een boom. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning zijn door wet- en regelgeving vastgestelde afhandelingstermijnen bepaald.
6.2.3 Doelstellingen vergunningverlening omgevingsrecht
De volgende doelstellingen worden gesteld gedurende de looptijd van dit beleid:
- •
Integratie van de Omgevingswet en Wkb. Deze wetswijziging brengt grote veranderingen met zich mee en zullen zorgen voor onvoorziene omstandigheden, hier wordt rekening mee gehouden.
- •
Het klanttevredenheidsonderzoek wordt gedurende een kalenderjaar afgenomen onder aanvragers van vergunningen binnen het omgevingsrecht. Het streven is om minimaal een 7 te scoren.
- •
De uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek worden gebruikt om dienstverlening te verbeteren.
- •
Dienstverlening op peil houden met de komst van de Omgevingswet en de Wkb.
- •
In het kader van dienstverlening wordt onderzocht hoe het proces rondom het aanvragen en het verlenen van vergunningen verbeterd kan worden.
- •
99% van de vergunningen wordt binnen de wettelijke termijn verleend.
- •
Zichtbaarheid van vergunningverlening blijft de komende jaren onder de aandacht gebracht worden en waar nodig vergroot.
6.3 Apv en Bijzondere wetten
In de Apv kan de gemeente extra regels binden aan activiteiten in de leefomgeving. Het gaat dan om activiteiten die sterk plaatsgebonden zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd, zoals bijvoorbeeld evenementen en het voorkomen van overlast (bijvoorbeeld omtrent honden). Daarnaast is in landelijke regelgeving in verschillende wetten ruimte gelaten voor de gemeenten om onafhankelijk een besluit te nemen. De werkzaamheden rondom de Apv zijn hierdoor zeer divers maar hebben als doel om veilig, gezond en duurzaam te wonen, werken en leven. Wanneer het gemeentelijk Omgevingsplan van kracht wordt, vervallen de Apv-bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Naast de Apv is er een categorie wetten die de bijzondere wetten wordt genoemd en op grond waarvan de burgemeester of het College bevoegd is om vergunningen te verlenen. Een voorbeeld hiervan is de Wet op de kansspelen.
6.3.1 Evenementenvergunningen
In Zoetermeer worden drie categorieën evenementen en een meldingsplicht onderscheiden. De indeling in categorieën gebeurt op basis van de zogeheten behandelscan van de VRH. Deze is terug te vinden in de ‘Verordening op de heffing en invordering van leges 2024’. Hierbij wordt gekeken naar factoren als bezoekersaantallen, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de activiteiten die ontplooid worden. Op basis van de indeling worden adviezen gevraagd aan politie, VRH, ODH en gemeentelijke afdelingen. Deze adviezen worden verwerkt in de vergunning en de daarbij behorende voorschriften. De indeling in categorieën ziet er in grote lijnen als volgt uit:
|
Categorie |
Omschrijving |
Voorbeeld |
Vergunning of melding |
|
Meldings-plicht |
Kleinschalig |
Straatfeest |
Melding |
|
A |
Regulier evenement: Evenement waarbij het (zeer) onwaarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. |
Braderie |
Vergunning |
|
B |
Aandachtsevenement: Evenement waarbij het, zonder afdoende te treffen maatregelen, mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. |
Veteranendag |
Vergunning |
|
C |
Risicovol evenement: Evenement waarbij het, zonder afdoende te treffen maatregelen, (zeer) waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegde gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. |
Bevrijdingsfestival |
Vergunning |
De organisatoren van terugkerende evenementen vormen een belangrijke doelgroep, met name voor vergunningverlening en handhaving. Met deze partijen wordt in een vroeg stadium besproken wat de plannen en wensen zijn. Dit zorgt ervoor dat de realisatiemogelijkheden en de benodigde vergunning(en) voor alle betrokkenen inzichtelijk worden. Tevens wordt veel aandacht besteed aan de evaluatie van evenementen en het proces van vergunningverlening.
6.3.2 Exploitatievergunning
De exploitatievergunning is ontstaan om verstoringen van de openbare orde en ondermijnende activiteiten te voorkomen. Deze vergunning biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Hiermee kan de leefomgeving worden gewaarborgd.
Bij de vergunningverlening wordt o.a. gelet op de aard van de inrichting, de mate van de te constateren overlast, het karakter van de omgeving (de straat en de wijk) en de (justitiële) achtergrond van de beheerder. Bij de aard van de inrichting wordt gekeken naar het soort horeca (bijvoorbeeld discotheek of lunchroom) in relatie tot overlast en het omgevingsplan. Bij de mate van overlast valt te denken aan de sluitingstijden die de exploitant hanteert, overlast van bezoekers die buiten roken en overlast door parkeren en verkeerslawaai. Bij het karakter van de omgeving moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de verkeerssituatie, aantal beschikbare parkeerplaatsen voor bezoekers, afstand tot woningen en breedte van de straat.
6.3.3 Ondermijningsvergunning
De burgemeester kan gebouwen of gebieden aanwijzen waarin voor het uitoefenen van bepaalde bedrijfsmatige activiteiten een vergunning nodig is. Ook kan hij bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen, dus zonder een combinatie met gebouwen of gebieden, waar voor het uitoefenen ervan een vergunning nodig is.
6.3.4 Doelstellingen Apv
De volgende doelstellingen worden gesteld gedurende de looptijd van dit beleid:
- •
Jaarlijks wordt een evenementenkalender opgesteld.
- •
Organisatoren worden geattendeerd op jaarlijks terugkerende evenementen in verband met aanvraagtermijnen. Tevens worden zij geattendeerd op het tijdig indienen van aanvragen.
- •
Mogelijkheden onderzoeken tot het uitbreiden van de kaders voor het in aanmerking komen voor een melding in plaats van een evenementenvergunning.
- •
Streven naar het verstrekken van 90% van de evenementenvergunningen minimaal vier weken voor het evenement.
- •
Onderzoeken of het mogelijk wordt om evaluatie te organiseren naar behoefte.
- •
In het kader van dienstverlening wordt onderzocht hoe het proces rondom het aanvragen en het verlenen van vergunningen verbeterd kan worden.
7 TOEZICHT
In dit hoofdstuk staat toezicht centraal. Het toezicht gaat met name om de controle op de naleving en uitvoering van verleende vergunningen, zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken en strijdig gebruik met omgevingsplannen. Daarnaast bevordert toezicht het naleefgedrag van regels door inwoners en bedrijven. In paragraaf 7.2 en 7.3 worden respectievelijk de preventieve werking van toezicht en toezicht voor het taakveld omgevingsrecht nader besproken.
7.1 Toezichtstrategie
De gemeente heeft een verplichte verantwoordelijkheid bij de naleving van wet- en regelgeving. Zodra een vergunning is verleend of een melding is gedaan, houdt de gemeente toezicht op de naleving van de omgevingsvergunning en de wet- en regelgeving. Met komst van de Wkb zal voor gevolgklasse 1 vanuit (bouw)toezicht controle plaatsvinden op aanvraag van de kwaliteitsborger of bij twijfel met betrekking tot de bouwwerkzaamheden. Met bouwtoezicht wordt beoogd het naleven van de bouwregelgeving op de bouwplaats en in de bebouwde omgeving (bouwhandhaving) zodat de bouwkwaliteit en leefbaarheid worden behouden. Dit zorgt ervoor dat de activiteiten die worden gerealiseerd aan de geldende wet- en regelgeving en de geldende vergunningsvoorschriften (Omgevingswet en de vier Algemene Maatregel van Bestuur) voldoen in het kader van omgevingsveiligheid, leefbaarheid en gezondheid. De manier en intensiteit van het houden van toezicht is verwerkt in het Toezichtprotocol activiteit bouwen6 (bijlage I). Door de hoeveelheid wetten en regelgeving en de diversiteit en complexiteit ervan, is het van belang dat prioriteiten gesteld worden. En dienen middelen zo effectief en efficiënt mogelijk te worden ingezet.
7.1.1. Manieren van toezicht
Toezicht kan op verschillende manieren plaatvinden. Afhankelijk van de situatie kan worden gekozen voor één van de volgende strategieën:
- •
activiteitgericht: toezicht op basis van een bepaalde activiteit, bijvoorbeeld aan de hand van een verleende vergunning en wet- en regelgeving;
- •
gebiedsgericht: aanpakken van gebied specifieke problematiek, bijvoorbeeld in een straat, wijk of industrie/bedrijventerrein;
- •
branche/themagericht: toezicht op basis van een bepaald thema, zoals bijvoorbeeld illegale detailhandel o.b.v. het omgevingsplan.
7.1.2. Signalen
Daarnaast kunnen er vanuit de maatschappij signalen binnenkomen. Deze signalen kunnen bestaan uit vragen, verzoeken, meldingen en uit algemene ontwikkelingen en/of voorvallen. De volgende interacties tussen de gemeente en burgers of ondernemers kunnen begrip en draagvlak voor de naleving van wet- en regelgeving teweegbrengen:
- •
signalen die niet anoniem zijn ingediend krijgen altijd een terugkoppeling;
- •
signalen die anoniem zijn ingediend en die niet direct betrekking hebben op veiligheid worden niet in behandeling genomen;
- •
signalen die niet tot het takenpakket van de gemeente behoren worden doorgezet naar de verantwoordelijke (overheids)organisatie. De verdere afhandeling van het signaal is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende afdeling of organisatie. De gemeente zal de melder mededelen dat het signaal is doorgezonden aan de verantwoordelijke (overheids)organisatie.
7.2 Preventieve werking
Toezicht heeft in het kader van handhaving tevens een preventieve werking die eruit bestaat dat wettelijke voorschriften worden nageleefd zonder enige sanctionering. Overtredingen kunnen zo al in een vroeg stadium worden voorkomen, dit blijkt ook in de praktijk. Hierom wordt altijd eerst overwogen of problemen kunnen worden opgelost zonder dat er formele stappen gezet dienen te worden. Hierbij worden inwoners en bedrijven bewogen geen overtredingen te begaan. Dat wordt gedaan door de inzet van de volgende instrumenten:
- •
controleren of aan de regels wordt voldaan
- •
(Op grond van de Awb (artikel 5:11) zijn toezichthouders en bouwinspecteurs bevoegd om bij de controle ter plaatse o.a.: alle plaatsen, behalve woningen, te betreden, identificatie te vragen, gegevens in te zien, onderzoek te doen.);
- •
actieve communicatie;
- •
bemiddelende gesprekken;
- •
waarschuwen.
Wanneer de bovenstaande instrumenten niet het gewenste resultaat bereiken kunnen er vervolgstappen worden gezet in de vorm van handhaving (zie hoofdstuk 8).
7.3 Doelstellingen toezicht
De volgende doelstellingen worden gesteld met de looptijd van dit beleid:
- •
Integratie van de Omgevingswet en Wkb.
- •
Inzetten op preventie middels waarschuwingen en gesprekken om te zorgen dat de wetgeving wordt nageleefd. Bemiddelen voor wordt overgegaan tot het opleggen van sancties.
- •
Proactief oppakken van signalen en meldingen.
- •
Door het bepalen van prioriteiten kan gedurende dit beleid aandacht worden besteed aan gericht toezicht houden volgens de prioriteitenlijst.
8 HANDHAVING
In dit hoofdstuk staat handhaving gericht op het omgevingsrecht centraal. Indien tijdens het toezicht houden wordt geconstateerd dat een activiteit in strijd is met de wet- en regelgeving of vergunningvoorschriften volgt (bestuursrechtelijke) handhaving. Het gaat o.a. om het aanschrijven van overtreders op grond van wet- en regelgeving. In paragraaf 8.2 en 8.3 worden respectievelijk het sanctioneren en gedogen van activiteiten nader besproken.
8.1 Handhavingstrategie
Handhaving is elke (re)actie die erop gericht is om de leefomgeving te beschermen, door de naleving van het bij of krachtens wet- of regelgeving geldende recht te bevorderen en te bewerkstellingen, zo nodig door het opleggen van sancties. Dit wordt gedaan door te controleren of de regelgeving wordt nageleefd. Handhaven is van cruciaal belang in de waarborging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Handhaven versterkt het vertrouwen in naleving en draagt bij aan de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van de overheid. Daarnaast is handhaving nodig om de rechtszekerheid en gelijke behandeling van inwoners te garanderen.
Bij geconstateerde overtredingen wordt gehandeld conform de Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht (te vinden in bijlage E, vastgesteld samen met dit beleid). Dit biedt:
- •
een helder overzicht van welk type sanctie wordt toegepast bij welke overtreding;
- •
rechtszekerheid, zowel voor de overtreder als voor de gemeente Zoetermeer, als derde belanghebbende;
- •
rechtsgelijkheid (bij een overtreding in Zoetermeer wordt zoveel mogelijk hetzelfde gehandeld en gesanctioneerd als in veel andere gemeenten).
De ketenpartners, zoals beschreven in hoofdstuk 3.4, houden zich ook aan deze vastgestelde strategie.
8.2 Sanctiestrategie
Als de regelgeving niet wordt nageleefd en toezicht niet leidt tot naleving van de regels, dan kunnen de volgende sanctie-instrumenten worden ingezet:
- •
waarschuwing: een schriftelijke waarschuwing waarbij de gemeente aangeeft welke situatie is geconstateerd en wat de benodigde maatregelen zijn om deze overtredingen ongedaan te maken;
- •
last onder dwangsom: de overtreder krijgt een opdracht (last) om binnen een bepaalde tijdsperiode een overtreding te beëindigen. Indien de overtreder dit niet doet dan is deze aan de gemeente een dwangsom verschuldigd. De last onder dwangsom betreft een herstelsanctie;
- •
last onder bestuursdwang: de overtreder krijgt een opdracht (last) om binnen een bepaalde tijdsperiode een overtreding te beëindigen. Indien de overtreder dit niet doet dan maakt de gemeente (ketenpartner) een einde aan de overtreding, waarbij de kosten eventueel worden verhaald op de overtreder. De last onder bestuursdwang betreft een herstelsanctie;
- •
bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete is een geldstraf die de gemeente kan opleggen als iemand de wet overtreedt.
Voor de handhaving van overtredingen van een aantal bijzondere wetten zijn er specifieke handhavingsarrangementen opgesteld.
Om de strategie van sanctie-instrumenten te bepalen wordt enerzijds naar het gedrag van de overtreder gekeken en anderzijds naar de ernst van de overtreding. Dit is vastgelegd in de ‘interventiematrix’ die deel uitmaakt van de Landelijke Handhavingsstrategie (bijlage E). De bewust gemaakte overtredingen met ernstige gevolgen worden zwaarder aangepakt. Bij de inzet van strafrechtelijke instrumenten is een nauwe samenwerking met de politie en het Openbaar Ministerie vereist.
8.3 Gedogen
In bepaalde gevallen en bij uitzondering mag worden overgegaan tot gedogen. Zodra de reden tot gedogen niet langer aanwezig is, moet binnen redelijke termijn tot handhaving worden overgegaan. Ook kan de noodzaak om te gedogen weggenomen worden door de situatie te legaliseren. Is (tijdelijke) legalisering van de overtreding mogelijk dan heeft dit altijd de voorkeur boven gedogen.
Bij gedogen wordt het volgende gehanteerd:
- •
gedogen gebeurt in beginsel altijd in de vorm van een schriftelijke verklaring;
- •
in de schriftelijke verklaring wordt een zorgvuldige kenbare belangenafweging opgenomen;
- •
de schriftelijke verklaring is duidelijk over de gedragingen en activiteiten die gedoogd worden, de (eind)termijnen en de voorwaarden die aan het gedogen gesteld worden (op de naleving ervan wordt toezicht gehouden).
8.4 Doelstellingen handhaving
De volgende doelstellingen worden gesteld met de looptijd van dit beleid:
- •
Integreren van de Omgevingswet en Wkb.
- •
90% van alle schriftelijk ingediende handhavingsverzoeken binnen de daarvoor geldende termijn een besluit wordt genomen.
- •
Inzetten op preventie middels waarschuwingen en gesprekken om te zorgen dat de wet wordt nageleefd. Bemiddelen voor wordt overgegaan tot het opleggen van sancties.
- •
Door het bepalen van prioriteiten kan gedurende dit beleid aandacht worden besteed aan gericht handhaven volgens de prioriteitenlijst.
Dit VTH-beleidsplan incl. bijlagen vervangt het VTH-beleidsplan 2019-2023, ‘Een omgevingsbewuste en professionele dienstverlening’. Indien u vragen heeft over de inhoud van het beleid kunt u contact opnemen met de afdeling Veiligheid, Vergunningen en Handhaving (VVH) via telefoonnummer 14079.
Ondertekening
Bijlage B Prioriteitenlijst Toezicht en Handhaving 2024-2028
Bijlage C – Uitvoeringsprogramma VTH 2026
Dit Uitvoeringsprogramma is een bijlage bij het Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024 – 2028, Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening.
Voor u ligt het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 2026. Dit Uitvoeringsprogramma geeft een vooruitblik op de VTH-activiteiten die de komende jaren worden uitgevoerd. De doelen die in het VTH Beleid worden beschreven zijn hier dan ook in meegenomen. Deze doelstellingen zijn verdeeld, net zoals in het beleid, in vergunningverlening (omgevingsrecht en APV en bijzondere wetten), toezicht en handhaving. Jaarlijks wordt aan de verschillende doelen gewerkt om na vier jaar, de looptijd van het VTH Beleid 2024-2028, alle doelstellingen te hebben behaald. Jaarlijks wordt het Uitvoeringsprogramma bijgewerkt en wordt de voortgang vastgelegd. Verder wordt een evaluatie verwerkt en er wordt vooruit gekeken naar het komende jaar waarin ook aan de doelstellingen wordt gewerkt.
A.Vergunningverlening – Omgevingsrecht
|
Doelstelling |
Duur |
Voortgang |
|
Integratie van de Omgevingswet en Wkb. Deze wetswijziging brengt grote veranderingen met zich mee en zullen zorgen voor onvoorziene omstandigheden, hier wordt rekening mee gehouden. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De Omgevingswet en Wkb zijn sinds 1 januari 2024 van kracht. Deze wetten zijn hiermee geïmplementeerd. De verdere integratie van de Omgevingswet en Wkb wordt gedaan aan de hand van regionale werkafspraken en het aanpassen van interne processen. Hiermee heeft VTH zich voorbereid op de komst van de Omgevingswet en de Wkb. Hier wordt sinds 1 januari 2024 ervaring in opgedaan. Door continu te monitoren en waar nodig de processen aan te passen wordt dienstverlening op peil gehouden en wordt deze de komende jaren verder verbeterd. Evaluatie 2025 Net als in 2024 zijn er in 2025 meerdere trainingen gevolgd over de Omgevingswet en de Wkb. Bouwmatrixen en bouwveiligheid zijn in 2025 volledig geïntegreerd. Ook zijn in het afgelopen jaar diverse beleidsregels aangepast op basis van nieuwe wetgeving. Nog niet alle verbetersjablonen (sjablonen ontwikkeld om standaard verbeterprocessen vast te leggen) zijn in 2025 doorgevoerd. Uitvoering 2026 – 2027 De inventarisatie voor workshops en trainingen over de Omgevingswet en Wkb is gestart. In 2026-2027 worden meerdere trainingen en workshop gevolgd. De komende periode worden ook nog verbeteringen in processen, sjablonen en beleidsregels doorgevoerd waar nodig. Daarnaast wordt rekening gehouden met ontwikkelingen die op het vlak van nieuwe wet- en regelgeving nog kunnen komen. De verwachting is dat eind 2026 het eerste deel van het omgevingsplan is afgerond. |
|
Het klanttevredenheidsonderzoek wordt gedurende een kalenderjaar afgenomen onder aanvragers van vergunningen binnen het omgevingsrecht. Het streven is om minimaal een 7 te scoren. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de verwachting dat de dienstverlening in de eerste instantie achteruit zal gaan ten opzichte van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Echter met het combineren van andere doelen (zoals de uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek gebruiken om dienstverlening te verbeteren en het continu monitoren van bestaande processen) wordt dienstverlening verbeterd en daarmee is de verwachting dat de cijfers van de klanttevredenheidsonderzoeken zullen stijgen. Het klanttevredenheidsonderzoek wordt naar alle aanvragers verzonden die een vergunning hebben aangevraagd op basis van de Omgevingswet. Evaluatie 2024-2025 In 2024 is het klanttevredenheidsonderzoek verbeterd waardoor, nog meer dan voorheen, de juiste vragen worden gesteld. Dit maakt het mogelijk de resultaten te gebruiken voor het verbeteren van de processen en het vergroten van de dienstverlening. Het klanttevredenheidsonderzoek van 2025 is afgenomen. Uitvoering 2026 – 2027 Het onderzoek van 2025 wordt verwerkt in een rapportage en deze wordt vervolgens gepubliceerd. Zodra de uitkomsten bekend zijn, wordt door vergunningverlening gekeken waar mogelijk verbeteringen in processen en/of dienstverlening doorgevoerd kunnen worden. |
|
De uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek worden gebruikt om dienstverlening te verbeteren. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Zodra er uitkomsten bekend zijn van het voorgaande jaar worden deze gebruikt door VTH om dienstverlening te verbeteren. Afhankelijk van het onderwerp wordt dit verwerkt in het proces van vergunningverlening. Evaluatie 2024 – 2025 In 2024 is het tevredenheidsonderzoek verbeterd. Hierdoor worden, nog meer dan eerst, de juiste vragen gesteld. Door deze verbeteringen kunnen de resultaten beter worden benut voor het verbeteren van de processen en/of dienstverlening. Op dit moment zijn de uitkomsten van 2025 nog niet bekend. Uitvoering 2026 – 2027 Wanneer de uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek van 2025 bekend zijn, worden de uitkomsten gebruikt om daar waar van toepassing de dienstverlening te verbeteren. |
|
Dienstverlening op peil houden met de komst van de Omgevingswet en de Wkb. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Aan de hand van regionale werkafspraken en het aanpassen van interne processen heeft VTH zich voorbereid op de komst van de Omgevingswet en de Wkb. Hier wordt sinds 1 januari 2024 ervaring mee opgedaan. Het is van belang om de dienstverlening op peil te houden bij veranderingen. Door continu te monitoren en waar nodig de processen aan te passen, wordt dienstverlening verbeterd. Evaluatie 2025 Door de nieuwe wetgeving zijn processen voor het aanvragen van een vergunning, in het kader van de Omgevingswet, aangepast. In het algemeen worden aanvragen complexer. Door nieuwe wetgeving kwam het voor dat aanvragers bijvoorbeeld een verkeerde aanvraag doen. Deze aanvragers worden hierover geïnformeerd en geholpen bij het indienen van de juiste aanvraag. Daarnaast wordt de aanvrager waar nodig geïnformeerd en worden vragen zo spoedig mogelijk beantwoord. Hierdoor is de verwachting dat de dienstverlening, ondanks de nieuwe wetgeving, op peil blijft. Uitvoering 2026 – 2027 Voor komend jaar wordt gewerkt aan het voortzetten van deze doelstelling. Daarnaast worden processen waar mogelijk verbeterd om dienstverlenend te blijven. Met het nieuwe omgevingsplan op komst krijgen sommige processen in 2027 meer aandacht krijgen dan in 2026. |
|
In het kader van dienstverlening wordt onderzocht hoe het proces rondom het aanvragen en het verlenen van vergunningen verbeterd kan worden. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Zoals eerder beschreven worden de processen waar nodig aangepast om de dienstverlening te behouden en te verbeteren. Hier zal gedurende de looptijd van dit beleid aandacht aan worden gegeven. Evaluatie 2025 Processen worden onder andere aangepast op basis van uitkomsten van het klanttevredenheidsonderzoek en ervaringen van medewerkers. Daarnaast wordt gewerkt aan het verbeteren van de website, zodat wet- en regelgeving zo duidelijk mogelijk wordt gepresenteerd aan de aanvragers. Ook worden de brieven continu verbeterd. Uitvoering 2025 – 2026 De komende periode wordt deze werkwijze doorgezet. Ook neemt Zoetermeer deel aan een landelijke werkgroep om de informatie op de website en de vragen en/of informatie die een aanvrager heeft of tijdens het doen van de aanvraag, zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen om de vergunningverlening zo makkelijk mogelijk te maken. |
|
99% van de vergunningen wordt binnen de wettelijke termijn verleend. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De wens is om vergunningen zoveel mogelijk te verlenen binnen de daarvoor bestemde wettelijke termijnen. Dit betreft dan de reguliere termijn van acht weken, de mogelijke verlenging van zes weken en de eventuele verdere opschortingen. Evaluatie 2024 In het afgelopen jaar is deze doelstelling niet behaald. Hiervoor zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Ook complexe aanvragen vallen onder de wettelijke termijn van 8 of 14 weken. Het is echter niet realistisch om complexe en omvangrijke aanvragen met een maatschappelijke impact altijd binnen deze termijnen af te ronden. Wanneer wordt afgeweken van de termijnen zullen aanvragers hierover geïnformeerd worden. Uitvoering 2026 – 2027 Om de doelstelling te behalen, moeten er in de komende periode aanvullende stappen worden gezet. Eerder in het proces moet gebruik worden gemaakt van opschorting en intern zullen termijnen strakker worden gehanteerd om ervoor te zorgen dat benodigde informatie tijdig wordt aangeleverd. De verwachting is dat met deze maatregelen de doelstelling zal worden behaald. |
|
Zichtbaarheid van vergunningverlening blijft de komende jaren onder de aandacht gebracht worden en waar nodig vergroot. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling In een aantal projecten is gebleken dat aan de voorkant van het ontwikkelproces afspraken met betrekking tot vergunningverlening worden gemaakt. Vergunningverlening is hier niet altijd bij betrokken maar de gevolgen zijn merkbaar in het vergunningverleningsproces. Evaluatie 2025 Het afgelopen jaar is de ervaring van Vergunningverlening dat zij eerder wordt betrokken bij projecten om mee te praten over de aanvraag voor een vergunning. Dit is verbeterd ten opzichte van de voorgaande jaren. Uitvoering 2026 – 2027 De komende periode blijft hier aandacht voor. Zo is het wenselijk dat zichtbaarheid en samenwerking verder wordt vergroot, bijvoorbeeld bij het vooroverleg en de omgevingstafel. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een bijeenkomst c.q. informatieoverdracht richting projectmanagement. |
B.Vergunningverlening – APV & Bijzondere wetten
|
Doelstelling |
Planning |
Voortgang |
|
Jaarlijks wordt een evenementenkalender opgesteld. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Deze evenementenkalender wordt jaarlijks gemaakt om overzicht te creëren van alle evenementen in Zoetermeer. Evaluatie 2025 In 2025 is de evenementenkalender 2025 opgesteld en gepubliceerd. De vaststelling van de evenementenkalender 2026 heeft in 2026 plaatsgevonden. De doelstelling om deze in 2025 vast te stellen en te publiceren is daarmee niet behaald. Voor 2026 is het noodzakelijk hier meer aandacht aan te besteden. Uitvoering 2026 – 2027 Na publicatie van de evenementenkalender van 2026 is iedere organisator geïnformeerd. Voor de evenementenkalender 2027 is de verwachting dat deze eind 2026 wordt gepubliceerd. |
|
Organisatoren worden geattendeerd op jaarlijks terugkerende evenementen in verband met aanvraagtermijnen. Ook worden zij geattendeerd op het tijdig indienen van aanvragen. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Aanvragen moeten tijdig worden ingediend, wanneer dit niet gebeurt kan een vergunning mogelijk niet op tijd verleend worden. Een gevolg hiervan kan zijn dat de bezwaarprocedure op een verleende vergunning niet van tevoren doorlopen kan worden. Hierom wordt benadrukt dat organisatoren een aanvraag tijdig moeten indienen. De komende jaren wordt hier actief over gecommuniceerd naar organisatoren. Evaluatie 2025 De organisatoren die jaarlijks evenementen organiseren in Zoetermeer zijn gewezen op de aanvraagtermijnen. Er worden herinneringen verstuurd naar het evenementenloket (onderdeel van het team Vrije Tijd) om te voorkomen dat de aanvraagtermijnen worden overschreden. Uitvoering 2026 – 2027 Het komende jaar worden organisatoren hier opnieuw op gewezen en blijft er contact met het evenementenloket om te voorkomen dat de aanvraagtermijnen verlopen. |
|
Mogelijkheden onderzoeken tot het uitbreiden van de kaders voor het in aanmerking komen voor een melding in plaats van een evenementenvergunning. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Komende jaren wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de kaders voor meldingen uit te breiden. Als dit mogelijk is heeft dat als gevolg dat sommige aanvragen op een kortere termijn afgehandeld kunnen worden omdat deze niet in het proces van vergunningverlening terecht komen, maar van het meldingenproces. Evaluatie 2025 In 2025 is het Uitvoeringsbeleid Evenementen opgesteld, waarin de voorgenomen versoepeling is opgenomen. Dit beleid is in maart 2026 vastgesteld. Uitvoering 2026 – 2027 Omdat het beleid in maart 2026 is gepubliceerd, kan er nog niets worden gezegd over de resultaten van de voorgenomen versoepeling. In 2026 moeten de resultaten worden gemonitord, zodat in 2027 uitspraken hierover kunnen worden gedaan. |
|
Streven naar het verstrekken van 90% van de evenementenvergunningen minimaal vier weken voor het evenement. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Het verlenen van vergunningen voor evenementen wordt minimaal vier weken van tevoren gedaan. Soms komt het voor dat, door bepaalde factoren, deze termijn niet haalbaar is. Dit is een uitzondering. Evaluatie 2025 Voor de B en C evenementen is 62% van de vergunningen vier weken voor het evenement verleend. Het is niet mogelijk om in Powerbrowser (het computerprogramma dat hiervoor wordt gebruikt) na te gaan of 90% van alle evenementenvergunningen minimaal vier weken voor het evenement worden verleend. Uitvoering 2026 – 2027 Er worden werkafspraken gemaakt om evenementenvergunningen tijdig te versturen, zodat de gegevens uit Powerbrowser bruikbaar zijn voor het berekenen van een reëel percentage. Op basis daarvan kan vervolgens gericht worden gewerkt aan eventuele verbeteringen |
|
Onderzoeken of het mogelijk wordt om evaluatie te organiseren naar behoefte. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De afgelopen jaren zijn diverse evenementen geëvalueerd na afloop. Hierbij ging het voornamelijk om de grotere evenementen. De komende jaren wordt onderzocht of er behoefte is aan het evalueren van meer evenementen, waaronder ook de kleinere evenementen. Het doen van evaluaties geeft mogelijkheid om verbeterpunten te bespreken voor eventueel terugkerende evenementen. Daarnaast kan dit bijdragen aan het verbeteren van processen en dienstverlening. Evaluatie 2025 Het streven om alle B‑ en C‑evenementen te evalueren is in 2025 behaald. Voor de A‑evenementen (kleine evenementen) was er bij aanvragers weinig tot geen behoefte aan evaluatie. Uitvoering 2026 – 2027 Voor 2026–2027 blijft het streven om alle B- en C-evenementen te evalueren. Mochten er bij A-evenementen bijzonderheden voordoen, bestaat ook de mogelijkheid om deze te evalueren. De verwachting is dat dit haalbaar is in 2026- 2027. |
|
In het kader van dienstverlening wordt onderzocht hoe het proces rondom het aanvragen en het verlenen van vergunningen verbeterd kan worden. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De komende jaren wordt gekeken waar mogelijk verbeteringen in de verschillende processen kunnen worden uitgevoerd. Wanneer processen verbeterd worden draagt dit bij aan efficiëntie van werkzaamheden en vervolgens kan dit ook bijdragen aan dienstverlening. Evaluatie 2025 In het kader van het opstellen van het Uitvoeringsbeleid Evenementen is dit in 2024 onderzocht. Uitkomsten zijn verwerkt in het Uitvoeringsbeleid Evenementen. Uitvoering 2026 – 2027 De verbeteringen die hieruit zijn gekomen worden meegenomen in de processen. Voorbeelden hiervan zijn dat alle relevante beleidsregels en besluiten samen zijn gevoegd in dit beleid en dat de indieningstermijn voor meldingen en C-evenementen is verkort. |
C.Toezicht
|
Doelstelling |
Planning |
Voortgang |
|
Integratie van de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging (Wkb) |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De Omgevingswet is sinds 2024 van kracht. De Wkb is gevolgklasse 1 geïmplementeerd. Deze wetten zijn hiermee geïmplementeerd. De verdere integratie van de Omgevingswet en Wkb wordt gedaan aan de hand van regionale werkafspraken en het aanpassen van interne processen. Hiermee heeft VTH zich voorbereid op de komst van de Omgevingswet en de Wkb. Met de komst van de Wkb zal bouwtoezicht op bepaalde onderdelen op aanvraag zijn van de kwaliteitsborger (dit is een onafhankelijke private partij die controleert of een gebouw voldoet aan technische en wettelijke eisen). In de processen rondom Toezicht worden deze werkafspraken en aanpassingen geïntegreerd. Evaluatie 2025 De integratie van de Omgevingswet is vorig jaar gerealiseerd, voor de Wkb was men hier in 2024 nog niet zover. In 2025 zijn er trainingen gevolgd . Vanuit vanuit het Rijk is geen duidelijke uitleg gegeven over hoe om te gaan met Wkb‑projecten. Daarnaast biedt de wetgeving onvoldoende mogelijkheden kwaliteitsborgers te controleren. Dit zal verder worden gemonitord. Er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden om signalen met het rijk te delen. Uitvoering 2025 – 2026 Zoals beschreven is deze doelstelling voor wat betreft de Omgevingswet behaald. In 2026 is de verwachting dat voor de Wkb verder aan de doelstelling wordt gewerkt. |
|
Inzetten op preventie via waarschuwingen en gesprekken om te zorgen dat de wetgeving wordt nageleefd. Bemiddelen voor dat er wordt overgegaan tot het opleggen van sancties. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Waar mogelijk wordt ook de komende jaren bemiddeld voordat wordt overgegaan tot het opleggen van sancties. Wanneer sprake is van een handhavingsverzoek is dit niet altijd mogelijk (dan moet rekening worden gehouden met behandeltermijnen). Evaluatie 2025 In 2025 is, net als in 2024, waar mogelijk deze route gevolgd. Het volgen van deze route heeft ook de voorkeur zolang dit de veiligheid niet in te weg staat. Er wordt eerst geprobeerd om te bemiddelen door middel van een gesprek. Uitvoering 2026 – 2027 Voor het komende jaar wordt deze werkwijze ook toegepast waar nodig. De verwachting is dat ook komend jaar deze doelstelling wordt behaald. Net als in 2025 wordt er de komende tijd doorgegaan met het verstrekken van informatie aan inwoners over aanvragen van omgevingsvergunning, situaties waarin geen vergunning is vereist of bouwactiviteiten die vallen onder het Wkb. |
|
Proactief oppakken van signalen en meldingen. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Signalen kunnen bestaan uit vragen, verzoeken, meldingen en uit algemene ontwikkelingen en/of voorvallen. Toezicht zet zich in om deze signalen op te pakken en waar nodig signalen door te zetten naar andere verantwoordelijke instanties. Evaluatie 2025 Afgelopen jaar is deze doelstelling behaald. Als er een melding binnenkomt wordt deze opgepakt conform de vastgestelde prioriteitenlijst. Daarnaast biedt de wetgeving onvoldoende mogelijkheden om kwaliteitsborgers te controleren. Dit zal verder worden gemonitord. Er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden om signalen met het rijk te delen. Uitvoering 2025 – 2026 Het komende jaar is de verwachting dat deze doelstelling ook wordt behaald. Meldingen worden bij binnenkomst opgepakt in overeenstemming met de vastgestelde prioriteitenlijst. Een verbeterpunt dat mee wordt genomen is nog meer te werk gaan volgens de prioriteitenlijst. Daarnaast wordt het komende jaar, zoals bij een vorige doelstelling ook benoemd, bekeken hoe omgegaan wordt met meldingen in het kader van de Wkb. |
|
Door het bepalen van prioriteiten kan gedurende dit beleid aandacht worden besteed aan gericht toezicht houden volgens de prioriteitenlijst. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Door het volgen van een prioriteitenlijst is het mogelijk om aandacht te vestigen op de onderwerpen waar de prioriteit het hoogst ligt. Processen en dagelijkse werkzaamheden kunnen, tot op een bepaalde hoogte, hierop ingericht worden. Evaluatie 2025 In 2025 is meer dan in 2024 gestuurd op basis van de prioriteitenlijst. Dit betekent wel dat signalen met een lagere prioriteit blijven liggen. Met melders is contact opgenomen om toe te lichten waarom een melding wel of niet (direct) kan worden opgepakt. Uitvoering 2025 – 2026 Deze werkwijze wordt de komende tijd voortgezet. Door meer te werken op basis van de prioriteitenlijst blijven, zoals eerder vermeld, lager geprioriteerde signalen liggen. Het vinden van de juiste balans hierin is voor de komende periode een uitdaging. |
D.Handhaving
|
Doelstelling |
Planning |
Voortgang |
|
Integreren van de Omgevingswet en Wkb. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De Omgevingswet en Wkb zijn sinds 1 januari 2024 van kracht. Deze wetten zijn hiermee geïmplementeerd. De verdere integratie van de Omgevingswet en Wkb wordt gedaan aan de hand van regionale werkafspraken en het aanpassen van interne processen. Hiermee heeft VTH zich voorbereid op de komst van de Omgevingswet en de Wkb. In de processen rondom handhaving worden deze werkafspraken en aanpassingen geïntegreerd. Evaluatie 2025 In 2025, zijn waar nodig, processen en werkafspraken verder verbeterd vanwege de komst van nieuwe wetgeving. Daarnaast zijn verschillende Webinars gevolgd om casuïstiek te bespreken en kennis op te doen. Intern vindt ook regelmatig overleg plaats ter bevordering van continue verbetering. Uitvoering 2026 – 2027 De verwachting is dat het verbeteren van processen en vergroten van kennis de komende jaren wordt voortgezet en deze doelstelling dan wordt behaald. Daarnaast worden er, naar behoefte, trainingen georganiseerd. |
|
90% van alle schriftelijk ingediende handhavingsverzoeken wordt binnen de daarvoor geldende termijn een besluit genomen. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling De komende jaren wordt naar deze doelstelling gestreefd om dienstverlenend te zijn en om de processen rondom handhaving zoveel mogelijk binnen de daarvoor geldende termijnen af te ronden. Evaluatie 2025 Handhavingsverzoeken worden zoveel mogelijk binnen de daarvoor geldende termijn afgehandeld. Wanneer een besluit buiten de daarvoor geldende termijn wordt genomen, gebeurt dit met gegronde redenen en wordt hierover gecommuniceerd met de verzoeker en eventuele andere betrokkenen. Het nemen van een besluit buiten de geldende termijnen is een uitzondering en komt daarom niet vaak voor. Deze doelstelling is het afgelopen jaar behaald. Uitvoering 2026 – 2027 In het komende jaar wordt deze werkwijze voortgezet en wordt verwacht dat de doelstelling ook wordt behaald. |
|
Inzetten op preventie via waarschuwingen en gesprekken om te zorgen dat de wet wordt nageleefd. Het doel is om te bemiddelen voordat wordt overgegaan tot het opleggen van sancties. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Waar mogelijk wordt ook de komende jaren bemiddeld voor wordt overgegaan tot het opleggen van sancties. Evaluatie 2025 Net als bij Toezicht wordt deze werkwijze, waar mogelijk, ook door handhaving toegepast. Wanneer er wordt overgegaan tot handhaving is er al sprake van een overtreding. Indien mogelijk wordt eerst een (bestuurlijke) waarschuwing opgelegd. Ook wanneer handhaven niet leidt tot de meest passende oplossing, wordt waar mogelijk het gesprek aangegaan om toelichting te geven. Dit is geen standaardprocedure, maar afhankelijk van de casus kunnen aanvullende instrumenten worden ingezet, zoals een gesprek of een schriftelijke toelichting. Uitvoering 2026 – 2027 In het komende jaar wordt deze werkwijze voortgezet en wordt verwacht dat de doelstelling ook wordt behaald. |
|
Door het bepalen van prioriteiten kan gedurende dit beleid aandacht worden besteed aan gericht handhaven volgens de prioriteitenlijst. |
2024 – 2028 |
Toelichting doelstelling Door het volgen van een prioriteitenlijst is het mogelijk om aandacht te vestigen op de onderwerpen waar de prioriteit het hoogst ligt. Processen en dagelijkse werkzaamheden kunnen, tot op een bepaalde hoogte, hierop ingericht worden. Evaluatie 2025 Er is in 2026 meer aandacht gekomen voor de prioriteitenlijst. Het afgelopen jaar is echter, net als in voorgaande jaren, voornamelijk reactief gewerkt. Uitvoering 2026 – 2027 Het komende jaar komt er meer aandacht voor de prioriteitenlijst en worden de werkzaamheden hierop afgestemd. Er wordt meer projectmatig gewerkt; voorbeelden hiervan zijn de pandenbrigade en het nieuwe omgevingsplan. |
Bijlage E Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
Landelijke Handhavings- strategie Omgevings- recht (LHSO)
12 oktober 2022
1.1Aanleiding en achtergrond
De Omgevingswet is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Deze wet heeft daarbij oog voor de duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. De wet is ook gericht op de intrinsieke waarde van de natuur, en op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Met de Omgevingswet is (nagenoeg) alle voorheen bestaande wet- en regelgeving die ter bescherming van de fysieke leefomgeving dient, gemoderniseerd en gebundeld. Het gaat om een stelselherziening waarmee zowel integratie als vereenvoudiging van het omgevingsrecht is beoogd.
Dat is een grote hoeveelheid regels en voorschriften. Het omgevingsrecht is niet alleen neergelegd in de Omgevingswet, maar ook in de bijbehorende uitvoeringsregelgeving: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Omgevingsregeling (Or). Daarnaast maken ook Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen regels en voorschriften in het omgevingsrecht. Een groot aantal bestuursorganen en 29 regionale omgevingsdiensten zijn met de uitvoering van die regels belast. Die bestuursorganen en omgevingsdiensten, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten, de inspectie leefomgeving en transport (ILT), gemeenten, provincies, waterschappen, en het Openbaar Ministerie zijn met de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving belast. Tezamen vormen zij de handhavingspartners.
De Omgevingswet gaat uit van vertrouwen. Bij vertrouwen hoort het nemen van verantwoordelijkheid. De overheid wil erop kunnen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de voor hen geldende regels. Burgers en bedrijven mogen erop vertrouwen dat de overheid degenen aanspreekt die de regels overtreden. Dat draagt bij aan een gelijk speelveld en doet recht aan het rechtsgevoel van de samenleving. Handhaving
is dan ook één van de instrumenten waarmee de overheid het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit nastreeft. Handhaving is een essentieel element van de werking van de rechtsstaat.
Om effectief te kunnen handhaven, moeten de handhavingspartners intensief en loyaal samenwerken. Dat geldt voor de bestuurlijke overheden onderling, voor de instanties binnen de strafrechtsketen en, omdat vrijwel alle omgevingsrechtelijke regels zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd, bovenal voor de bestuurlijke organen en instanties enerzijds en het Openbaar Ministerie en andere strafrechtelijke instanties anderzijds.
Afstemming en samenwerking tussen bestuur en justitie zijn ook noodzakelijk omdat niet alleen via het strafrecht (strafrechter of OM ) een straf kan worden opgelegd, maar in toenemende mate ook het bestuur overtredingen kan bestraffen met een bestuurlijke boete. Afstemming en samenwerking tussen bestuur en justitie zijn bovendien in talloze wettelijke bepalingen voorgeschreven. Het gaat daarbij niet alleen om de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht, maar ook om het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten.
De inwerkingtreding van de Omgevingswet is de aanleiding voor het vaststellen van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De LHSO heeft een breder werkings- bereik dan zijn voorganger, de Landelijke handhavingsstrategie (LHS) uit 2014. Een deel van de taken, het basistakenpakket, moet worden uitgevoerd door de regionale omgevingsdiensten. Voor die basistaken moeten de bestuursorganen die in een omgevingsdienst deelnemen gezamenlijk een uniforme handhavingsstrategie vaststellen.
Die strategie moet zo nodig worden afgestemd met de instanties belast met de strafrechtelijke handhaving. Het Omgevingsbesluit stelt eisen aan de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De decentrale bestuursorganen stellen op basis daarvan kwaliteitscriteria vast voor het VTH-beleid.
De LHSO is daarvan een belangrijk onderdeel. De decentrale bestuursorganen stellen op basis van deze eisen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast. Deze twee strategieën vormen in feite het uitvoerings- en handhavingsbeleid. Het is noodzakelijk dat hierin ook het handhavingsbeleid wordt opgenomen, bij voorkeur wordt er hier de LHSO voor gebruikt. Voor de omgevingsdiensten is het verplicht om, voor dit onderdeel, aan te sluiten bij de LHS en zijn opvolgers; nu dus de LHSO.7
1.2Doelstelling en werkingssfeer
De overheid is verantwoordelijk voor het handhaven van het omgevingsrecht. Voor het bestuur geldt (bij herstelsancties) de zogenoemde beginselplicht tot handhaving. Het Openbaar Ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De kwaliteitseisen die het Unierecht aan nationale handhaving stelt – handhaving moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn –, gelden door de toenemende invloed van het Unierecht op het omgevingsrecht voor een steeds groter deel van het omgevingsrecht en worden in de LHSO dan ook als uitgangspunt genomen.
Wanneer regels worden overtreden – en het vertrouwen daardoor wordt geschaad –, is een passende interventie geboden. Welke interventie passend is, hangt af van de aard, zwaarte, oorzaken en gevolgen van de overtreding en van het verwachte effect van de interventie. Het gedrag van de overtreder speelt vooral bij bestraffende interventies ook een belangrijke rol.
Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid behoren interventies in vergelijkbare situaties op eenzelfde wijze te worden toegepast. Interveniëren is daarbij breder dan het opleggen van sancties; ook aanspreken, waarschuwen en informeren kunnen in een concreet geval passende interventies zijn. De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren.
De LHSO dient als hulpmiddel voor een effectieve en rechtmatige handhaving.
Brede toepasselijkheid; werkingssfeer ook naast de verplichte basistaken mogelijk
De LHSO heeft betrekking op de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels. Ze is bedoeld als instrument voor de organisaties belast met de handhaving daarvan. Toepassing van de LHSO leidt tot afgestemd en effectief bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden. Daarom is de LHSO met de daarin neergelegde visie, uitgangspunten en richtsnoeren, breed toepasbaar. De LHSO kan dan ook door bestuursorganen worden vastgesteld voor andere taken dan de verplichte basistaken. Ook zou de LHSO kunnen worden toegepast door andere bestuursorganen. De uiteindelijke werkingssfeer hangt dus af van de mate waarin bestuursorganen de LHSO toepassen en in hun handhavingsbeleid overnemen.
Alle bij de LHSO betrokken handhavingspartners hebben de wens en zien de verplichting om te komen tot integrale en effectieve handhaving op het geheel van ordeningswetgeving, en het omgevingsrecht in het bijzonder. De noodzaak ligt besloten in de wijze waarop de Europese en Nederlandse wetgever toezicht en opsporing en handhaving hebben geregeld. De noodzaak komt ook naar voren uit een reeks onderzoeksrapporten. De LHSO is de tussen de handhavingspartners afgestemde strategie om tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving af te wegen.
Met de vaststelling van de LHSO door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb) vervalt de landelijke handhavings- strategie van 4 juni 2014. De LHSO zal vijf jaar na de vast- stelling op initiatief van het Interprovinciaal overleg worden geëvalueerd.
1.3Opzet van dit document
Het grote bereik van de Omgevingswet brengt mee dat de LHSO een brede reikwijdte heeft. Er is daarom gekozen voor de volgende opzet. In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten en beginselen voor de handhaving van het omgevingsrecht
uiteengezet, waaronder die voor de noodzakelijk samenwerking tussen de handhavingspartners. Die beginselen en uitgangspunten spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop de passende interventie wordt gekozen. De algemene strategie hiervoor is te vinden in hoofdstuk 3 (visie) en hoofdstuk 4 (stappenplan). In hoofdstuk 5 worden de randvoorwaarden en processtappen voor het werken met de LHSO gegeven. In aanvulling op de LHSO kunnen er handhavings- of sanctiestrategieën zijn voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht vergelijkbaar met de aanvulling voor Seveso- overtredingen (Brzo) uit 2012.
Landelijke handhavingsstrategie (algemeen/basis)
De handhavingsstrategie bestaat inhoudelijk uit een visie op de handhaving, een beschrijving van de keuzes tussen interventies, de processtappen om – in het licht van de uitgangspunten en beginselen – in een concreet geval tot de juiste keuze voor een passende interventie te komen en de beslispunten voor het bevoegd gezag. De landelijke VTH kwaliteitscriteria8 vereisen voor het basistakenpakket een uniforme handhavingsstrategie op het niveau van de regio; door het overnemen van de landelijke handhavingsstrategie kan aan deze verplichting van met name de deelnemers aan een Omgevingsdienst worden voldaan. De handhavingsstrategie in hoofdstuk 3 ziet dan ook primair op de basistaken, waarvoor het vaststellen van een uniforme handhavingsstrategie op het niveau van de omgevingsdienst voor met name de deelnemers aan een Omgevingsdienst wettelijk verplicht is, maar kan ook worden vastgesteld voor en toegepast bij de uitvoering en handhaving van de niet-basistaken. De LHSO kan op deze manier worden gebruikt voor (veel) meer delen van of zelfs het gehele omgevingsrecht. Dat heeft als voordeel dat ook handhavingspartners zoals de politie en bijzondere toezicht- en opsporingsinstanties er meer mee zouden kunnen gaan werken.
Keuzemodules niet-basistakenpakket: keuzestrategieën
Vanwege de breedte van het omgevingsrecht is de handhavingsstrategie naar zijn aard algemeen. De keuze van bestuursorganen om de LHSO ook vast te stellen voor handhaving buiten de verplichte basistaken kan verder worden ondersteund met een aantal modules waarin bouwstenen en modellen zijn opgenomen voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht buiten dat basistakenpakket. Te denken valt aan bouwregels en erfgoedregels, vanwege de daarvoor bestaande bestuurlijke boetebevoegdheden, maar het is denkbaar dat in de loop van de komende tijd andere modules worden toegevoegd die geschikt zijn voor een landelijke benadering.9 Deze domeinspecifieke strategieën kan het bevoegd gezag (het OM daaronder begrepen) naar keuze vaststellen, al dan niet aangepast aan de lokale situatie. Ook kan het bevoegd gezag ervoor kiezen samen met het vaststellingsbesluit LHSO of in een latere aanvulling daarop eigen lokale, bovenlokale of regionale strategieën vast te stellen voor bepaalde deelterreinen naar keuze. De elektronische bekendmaking van zo’n besluit maakt deze beleidskeuze transparant.
HOOFDSTUK 2
Uitgangspunten en beginselen
Aan het Unierecht en het Nederlandse geschreven en ongeschreven recht kan een aantal uitgangspunten en beginselen worden ontleend die centraal staan bij de handhaving van het omgevingsrecht en de samenwerking tussen de handhavingspartners. Dat zijn de volgende.
2.1Uitgangspunten
A.Veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Handhaving door de overheid van het omgevingsrecht draagt bij aan het bereiken van de doelen van de Omgevingswet: duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en
de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Ook handhaving is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede
omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en op het doelmatig beheren en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving.
B.Vertrouwen.
De Omgevingswet gaat uit van vertrouwen. Bij vertrouwen hoort het nemen van verantwoordelijkheid. De overheid wil erop kunnen vertrouwen dat burgers en bedrijven zich houden aan de voor hen geldende regels. Burgers en bedrijven moeten er op kunnen vertrouwen dat de overheid degenen die regels overtreden daarop aanspreekt. Het spreekt vanzelf dat burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat de overheid ook zelf de regels naleeft. En de instanties die met de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht zijn belast, handelen op basis van onderling vertrouwen en respect.
C.Integraal, risico gestuurd en effectgericht.
Handhaving in het omgevingsrecht is integraal (de activiteiten van de betrokken overheidsorganisaties zijn onderling afgestemd), risico gestuurd (prioritering op basis van regelmatige risico-inventarisatie om met beperkte capaciteit een zo groot mogelijke beperking van risico’s te bereiken) en effectgericht (het doel is een zo groot mogelijke naleving om bij te dragen aan de doelen van de Omgevingswet).
Vanzelfsprekend wordt waar nodig en/of op verzoek van handhavingspartners ook buiten vooraf gestelde prioriteiten opgetreden.
D.Onafhankelijk en professioneel.
Het tot handhaving bevoegde gezag is sterk, slagkrachtig en onbevangen. Het heeft een onafhankelijke houding, is deskundig en professioneel, en handelt zonder vooringenomenheid. Handhavingsinstanties en hun medewerkers handelen consequent en vasthoudend op basis van de geldende wet- en regelgeving en de landelijke handhavingsstrategie. Het belang van sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhaving is groot. De handhavingsinstanties zijn daarom robuust, hebben voldoende kritische massa en beschikken over de benodigde professionele afstand tot het politiek-bestuurlijke gezag. Ook is het belangrijk dat er ruimte is voor medewerkers om hun professionele mening naar voren te brengen. Alle bevoegde bestuursorganen en handhavingsorganisaties dragen hier aan bij. Indien en voor zover omgevingsdiensten met de uitvoering van handhavingstaken op grond van de Omgevingswet zijn belast, verstrekken de bevoegde bestuursorganen deze diensten een duidelijke opdracht en een ruim mandaat om die opdracht op professionele wijze uit te kunnen voeren.
E.Loyale samenwerking.
Met het oog op effectieve handhaving werken de met handhaving belaste bestuurlijke, politiële en justitiële autoriteiten loyaal met elkaar samen, hebben ze regelmatig overleg en handelen ze op basis van vertrouwen en respect. Ze wisselen waar mogelijk en noodzakelijk informatie met elkaar uit en delen kennis met elkaar. Ze stemmen hun handhavingsprogramma’s op elkaar af om planmatig effectief en integraal te handhaven en ze stemmen hun handhavingsactiviteiten af om te komen tot passende interventies en de gekozen interventies effectief te doen zijn. Ze beseffen dat het delen van beschikbare informatie een noodzakelijke voorwaarde is voor een toereikende informatiepositie en effectieve handhaving.
De handhavingspartners voldoen zo aan de verplichtingen uit het Unierecht die zijn neergelegd in vele richtlijnen en verordeningen en worden afgeleid uit de algemene verplichting tot loyale samenwerking bij handhaving. Ook de aangifteplicht uit artikel 162 Sv en de voorlegplicht bij bestuurlijke boetes op grond van artikel 5:44 Awb zijn invulling van loyale samenwerking.
F.Adequate overlegstructuur.
Effectieve handhaving gaat uit van een adequate overlegstructuur waarin de bevoegde instanties en de bij hen werkzame toezichthouders en opsporingsambtenaren elkaar op het juiste moment informeren, overleg hebben en de vereiste loyale samenwerking tot stand brengen. De LHSO gaat uit van het bestaan van deze adequate overlegstructuur op zowel zaaksniveau als op meer algemeen, strategisch en beleid vaststellend niveau, met inachtneming van organisatorische verschillen per regio. Met deze overlegstructuur wordt ook de samenwerking tussen het bestuur en de politie en het openbaar ministerie loyaal en effectief gemaakt.
G.Dienstbaar.
Het tot handhaving bevoegde bestuurlijk gezag verwacht van zijn bestuurders en medewerkers dat zij handelen in het
algemeen belang en dat zij zich dienstbaar opstellen en rolvast zijn richting betrokken burgers en bedrijven, verzoekers om handhaving en overtreders.
H.Transparant.
Het tot handhaving bevoegde gezag is transparant over zijn afwegingen, beleid, prioriteiten, activiteiten en resultaten.
2.2Beginselen
A.Handhaving van het omgevingsrecht is gelijkwaardig, doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig om een goede naleving te bereiken.
Het Unierecht normeert een steeds groter deel van het omgevingsrecht en in toenemend detail. Dat betekent dat
de nationale handhaving aan unierechtelijke kwaliteitseisen moet voldoen. De handhaving van unierechtelijke regels dient gelijkwaardig te zijn aan die van nationale regels, en ze dient doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig te zijn. Deze algemene, op artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerde eisen horen daarom thuis in de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht.
Het evenredigheidsbeginsel brengt met zich dat de herstelsancties, bijvoorbeeld de hoogte van de dwangsom, evenredig zijn aan het doel ervan en dat bij bestuurlijke boetes maatwerk wordt betracht. Bij de strafrechtelijke handhaving geldt het opportuniteitsbeginsel en is het evenredigheidsbeginsel beter bekend als beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit.
B.Beginselplicht tot handhaving.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift
het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken (of een handhavingstraject in gang moeten zetten dat tot het gebruiken van die bevoegdheid zal of kan leiden). Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Het bevorderen van normconform gedrag staat bij handhaving centraal. In het omgevingsrecht is vaak herstel van de rechtmatige situatie mogelijk. Voor herstelsancties geldt de beginselplicht tot handhaven. Het overheidsoptreden is erop gericht dat eenieder zich uit eigen beweging normconform gedraagt. De beginselplicht tot handhaving biedt in veel gevallen ruimte om eerst te waarschuwen. Een bepaald gedrag of de aard van de overtreding kan echter aanleiding zijn om niet te waarschuwen, en dan wordt normconform gedrag in beginsel afgedwongen door de inzet van steviger handhavingsinstrumenten.
Indien de geconstateerde overtreding nog voortduurt, is het handhavend optreden in ieder geval gericht op het beëindigen van de overtreding, herstel van de rechtmatige situatie (het naleven van de norm) en het voorkomen van herhaling,
en bestraffing. Het bevoegd gezag beziet in voorkomende gevallen of er aanleiding is om ook een bestuurlijke boete op te leggen aan de overtreder of om in nauw overleg met het openbaar ministerie strafrechtelijk te reageren. Bestraffende sancties en herstelsancties kunnen immers naast elkaar voor dezelfde overtreding worden opgelegd. Met algemene kaders of in een concreet geval moet dan ook steeds worden bezien of er aanleiding is voor strafrechtelijke of bestuursrechtelijke bestraffing.
C.Gelijkheidsbeginsel
De overheid behoort gelijke gevallen gelijk te behandelen. Voor het bestuurlijk bevoegd gezag vloeit dat voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het waarborgen van een level playing field is daarvan een onderdeel. Bij handhaving is dat van zo mogelijk nog groter belang. Dit vergt van de handhavende instanties dat zij stelselmatig en consistent handelen. Het uitgangspunt van transparantie en het gelijkheidsbeginsel betekenen dat het bestuursorgaan voorspelbaar handelt bij overtredingen. Het Openbaar Ministerie weegt bij zijn strafrechtelijke beslissingen het opportuniteitsbeginsel met het gelijkheidsbeginsel af. De werking van dat beginsel is in het strafprocesrecht niet altijd gelijk aan de werking in het bestuursrecht. Onderlinge afstemming en overleg is van groot belang om recht te doen aan zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke invulling van het gelijkheidsbeginsel met het oog op effectieve handhaving en naleving.
D.Verdedigingsbeginsel
De persoon of onderneming die als overtreder of als klager te maken krijgt met handhavend overheidsoptreden moet in de gelegenheid worden gesteld haar of zijn zienswijzen kenbaar te maken, en daarvoor een redelijke termijn te krijgen. Bij bestuursrechtelijke handhaving heeft dit beginsel mede uitwerking gekregen in de hoorplicht van art. 4:7 en 4:8
Awb (spoedeisende gevallen uitgezonderd). In voorkomend geval betekent dit dat de verklaring van een deskundige of getuige moet kunnen worden ingebracht. Het draagvlak van de handhaving wordt versterkt door een overheid die recht doet aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verdedigingsbeginsel. Dat beginsel is ook neergelegd in tal van verdragsbepalingen (zoals artikel 6 EVRM) en in het Unierecht. In het strafrecht wordt de verdachte (onderneming) ook beschermd door zijn verdedigingsrechten.
E.Respect voor fundamentele rechten
Het spreekt vanzelf, en het staat zeker niet op de laatste plaats: respect voor fundamentele rechten. Juist bij handhaving – waar veel handelen inbreuk (kan) maken op deze rechten - is dat respect van groot belang. Er moet daarbij in het bijzonder worden gedacht aan fundamentele rechten zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het huisrecht en het zwijgrecht.
HOOFDSTUK 3
Visie op een passende interventie
De LHSO zet in op een passende interventie bij iedere overtreding. Handhavers hanteren de strategie bij iedere constatering van een overtreding en maken daarbij gebruik van de daarin aangegeven instrumenten. Dit waarborgt een effectieve en doelmatige handhaving. Het draagt bij aan passend en eenduidig optreden. Het waarborgt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Een passende interventie is een interventie die is gebaseerd op de verzamelde feiten en op een beoordeling van de aard en
ernst van de overtreding en van de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, en die zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot spoedig herstel van de rechtmatige toestand, verdere naleving waarborgt, herhaling voorkomt en/of straft indien dit passend of noodzakelijk is om de normadressaat
tot naleving te bewegen dan wel om de norm te bevestigen (speciale en generale preventie).
Om in het omgevingsrecht tot een passende interventie te komen, zijn de volgende twee hoofdvragen leidend:
Inzake herstel
1a. Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag:
1b. Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt?
Inzake bestraffing
2a. Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag:
2b. Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend?
Dit zijn twee vragen met gelijk belang. Positieve beantwoording van de één betekent niet dat beantwoording van de andere hoofdvraag achterwege zou moeten worden gelaten. De vragen zijn nevengeschikt. Het zijn vragen die zowel door de bestuurlijke als door de strafrechtelijke handhavingspartners behoren te worden gesteld. In combinatie met het beginsel van loyale samenwerking betekent dit bijvoorbeeld ook dat het Openbaar Ministerie zich dient af te vragen of er herstel mogelijk is met bevoegdheden van de bestuurlijke handhavingspartners, en deze laatste partners of er bestraffende interventies kunnen zijn aangewezen waar het Openbaar Ministerie een taak heeft. Loyale samenwerking betekent onder meer ook dat waar mogelijk tijdig informatie wordt gewisseld om het beantwoorden van deze hoofdvragen op het juiste moment mogelijk te maken voor de ander in de handhavingssamenwerking.
Ad 1a en 1b (inzake herstel)
Centrale doelstelling van het omgevingsrecht is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat bij de handhaving van het omgevingsrecht herstel van de rechtmatige toestand altijd het eerste doel moet zijn, indien herstel uiteraard mogelijk is. Herstel wordt hier ruim opgevat: het beëindigen van de overtreding, het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding en/of het voorkomen van herhaling van de overtreding. Het aansturen op herstel ligt primair op de weg van het bestuur, dat zo nodig namelijk een herstelsanctie (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) kan opleggen en effectueren. Dit volgt ook uit de beginselplicht tot handhaving. Welke bestuurlijke interventie het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en ernst van de overtreding, kenmerken van de overtreder en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd of ontstaan. De keuze vindt plaats aan de hand van het stappenplan en de interventiematrix uit hoofdstuk 4.
Ad 2a en 2b (inzake bestraffing)
In het kader van integrale handhaving moet steeds worden beoordeeld of er aanleiding is om de overtreder te bestraffen.
Redenen voor bestraffing worden ontleend aan de feiten en omstandigheden rond de overtreding, de overtreder of een combinatie daarvan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de overtreder al eerder in de fout is gegaan (recidive) of dat de overtreder de overtreding calculerend of welbewust heeft gepleegd. Ook de ernst van de overtreding, de wens om wederrechtelijk genoten economisch voordeel af te romen, het belang van ontmoediging, normbevestiging, individuele en algemene preventie etc. kunnen dergelijke redenen vormen.
Strafrechtelijke handhaving is vaak aangewezen bij overtreding van de regels door een bepaalde functionaris of onderneming die in ethisch opzicht of in verband met het bijzondere vertrouwen dat in haar of zijn nastreven van normconform gedrag wordt gesteld een voorbeeldrol heeft. Dit kan per geval en ook per domein verschillen en wordt beoordeeld aan de hand van het stappenplan en de toepasselijke interventiematrix alsmede aan de hand van tussen de betrokken handhavingspartners gemaakte (afgestemde) afspraken. Als herstel niet meer mogelijk is, kan geen herstelsanctie worden opgelegd. Dat kan een indicatie zijn om een bestraffende sanctie op te leggen. Zie verder hoofdstuk 4 van deze strategie. Indien in een concreet geval aanleiding bestaat voor bestraffing en het bestuursrecht voor de betrokken overtreding een bestraffende sanctie mogelijk maakt (bestuurlijke boete), moet worden bekeken welke weg in dat geval het meest passend is: de bestuursrechtelijke of de strafrechtelijke. Dit kan per geval en per domein verschillen. Het OM en het bestuur zullen hierover afspraken moeten maken. Bij deze afspraken zal in de eerste plaats rekening moeten worden gehouden met de wens van de wetgever in het betrokken domein over de verhouding tussen de bestuurlijke of strafrechtelijke bestraffing. Juist waar de wetgever bepaalde overtredingen niet uitsluitend beboetbaar heeft gesteld, maar zowel strafbaar als beboetbaar kan de wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteenlopen. Ook bij de inzet van het strafrecht is de effectiviteit in relatie tot de inzet van andere instrumenten leidend (optimum remedium in plaats van ultimum remedium). Doeltreffendheid, afschrikwekkendheid en evenredigheid zijn eisen die aan zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke handhaving worden gesteld. Echter, het accent van deze eisen ligt bij strafrechtelijke handhaving iets anders dan bij bestuursrechtelijke handhaving.
Zo zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dat betekent vaak dat bestuursrechtelijke handhaving sneller en breder effect kan hebben, terwijl strafrechtelijke handhaving dieper kan en moet gaan, en mede daardoor in voorkomend wat meer tijd kan vergen. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken een rol zullen (moeten) spelen. OM, politie en andere opsporingsdiensten evenals het bestuur werken in voorkomende gevallen loyaal samen om tot een passende bestraffing te komen.
HOOFDSTUK 4
Stappenplan om te komen tot een passende interventie
Dit hoofdstuk geeft een stappenplan voor het toepassen van de visie uit hoofdstuk 3. Startpunt van het stappenplan zijn de bevindingen van het toezicht (al dan niet na een melding of aangifte): de constatering van feiten en omstandigheden en het oordeel van de toezichthouder, boa of handhaver daarover (de vaststelling dat sprake is van een overtreding). Het stappenplan is een hulpmiddel om de juiste afwegingen te maken en moet in geen geval als een rigide beslisboom worden beschouwd. De LHSO is immers vooral een afwegingsinstrument voor uitvoerders en richt zich tot hen. Aan de hand van het stappenplan, waartoe de hierna weer te geven interventiematrix behoort, kan worden gekomen tot onderling afgestemd en effectief handelen van de handhavingspartners.10
Het stappenplan bestaat uit de volgende vijf stappen:
Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix.
Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing.
Stap 3: optreden aan de hand van de [algemene of domeinspecifieke] interventiematrix.
Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is
Stap 5: vastleggen stappen en beslissingen.
Het stappenplan wordt hieronder per stap toegelicht. Het begrip ‘handhaver’ ziet op iedere functionaris – toezichthouder, opsporingsambtenaar, handhavingsjurist – die binnen de betrokken organisatie (een of meer onderdelen van) het stappenplan doorloopt.
4.1Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix
De handhaver11 bepaalt in welk segment van de in
figuur 1 opgenomen matrix (de basisinterventiematrix) hij zijn bevindingen positioneert door (1) het beoordelen van de gevolgen van de overtreding voor de fysieke leefomgeving, zoals milieu, erfgoed, natuur, water, ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid e.d., en (2) het typeren van de (vermeende) overtreder.12
|
4. Aanzienlijk en/of onom- keerbaar |
A4 |
B4 |
C4 |
D4 |
|
3. Van belang |
A3 |
B3 |
C3 |
D3 |
|
2. Beperkt |
A2 |
B2 |
C2 |
D2 |
|
1. Vrijwel nihil |
A1 |
B1 |
C1 |
D1 |
|
[gevolgen ↑/ overtreder →] |
A. Goed- willend |
B. Onver- schillig |
C. Calcu- lerend |
D. Notoir/ crimineel |
Figuur 1 Basisinterventiematrix voor het positioneren van de overtreding naar gevolgen en typering overtreder
Ad 1 Typering van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving
De handhaver beoordeelt de gevolgen van de geconstateerde overtreding voor de fysieke leefomgeving als:
- 1.
(vrijwel) nihil; of
- 2.
beperkt; of
- 3.
van belang; of
- 4.
aanzienlijk en/of onomkeerbaar.
Onder gevolgen worden ook dreigende gevolgen verstaan, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot (bij categorie 3 en 4: aanmerkelijke) nadelige gevolgen van belang (of het risico daarop) voor de fysieke leefomgeving, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging, zieken, gewonden of doden (mens, plant en dier). Ook kunnen daaronder de gevolgen van een overtreding worden verstaan die de mogelijkheden van controle beperken of onmogelijk maken, en de gevolgen of verstorende effecten die de overtreding heeft of kan hebben voor het gezag van de overheid of voor het systeem van ordening- of normering van de betrokken bedrijfstak als zodanig. Bij gevolgen is sprake van een glijdende schaal en het verschilt per (type) overtreding wat de gevolgen kunnen zijn en hoe ernstig die kunnen zijn. In zijn algemeenheid gaat het bij categorie 1 en 2 om lichte overtredingen. Het onderscheid tussen gevolgen van belang (categorie 3) en aanzienlijke gevolgen (categorie 4) zit vooral in de ernst en omvang van de (dreigende) schade. Schade van enige omvang die onomkeerbaar is, wordt in beginsel ingedeeld in categorie 4.
Voor specifieke domeinen of specifieke (bijvoorbeeld veelvoorkomende) overtredingen kan de kwalificatie van de gevolgen van een geconstateerde overtreding nader worden uitgewerkt om de handhavers houvast te bieden.
De handhaver baseert zijn kwalificatie van de gevolgen op de bevindingen van het toezicht. Als duidelijk is dat de overtreding nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of kan hebben maar de precieze omgeving daarvan nog niet kan worden vastgesteld, hanteert hij als uitgangspunt dat er gevolgen van belang zijn.
Ad 2 Typering van (het gedrag van) de overtreder
De handhaver typeert de overtreder aan de hand van zijn gedrag als:
- A.
Goedwillend (indien de overtreder proactief is, geneigd is om de regels te volgen en/of de overtreding het gevolg is van onbedoeld handelen); of
- B.
Neutraal/onverschillig (indien de overtreder passief of reactief is, een houding van ‘moet kunnen’ heeft en/of de bevinding en de gevolgen van zijn handelen hem koud laten); of
- C.
Calculerend/opportunistisch (indien de overtreder wist of moest weten wat de gevolgen van de bevinding zouden zijn en die op de koop toe neemt, alleen tot normconform gedrag overgaat indien de toezichthouder daar uitdrukkelijk op wijst (of daarvoor een sanctie laat opleggen of oplegt), bewust risico(’s) op overtreding neemt); of
- D.
Notoir/crimineel (indien de overtreder bewust en structureel de regels overtreedt, controle bewust belemmert, criminele activiteiten ontplooit en/of deel uitmaakt van een criminele organisatie, sprake is van fraude, oplichting of witwassen).
Van professionele marktpartijen en ervaren personen of bedrijven mag worden verwacht dat zij de regels kennen en streven naar de naleving daarvan.13 En voor de overheid als overtreder geldt hier dat voor de kennis over en de naleving van regels gelet op haar voorbeeldfunctie strenge maatstaven gelden. Dat betekent dat een geconstateerde overtreding al snel wijst op een onverschillige houding of zelfs aanknopingspunt kan zijn voor het aannemen van calculerend gedrag. Dat geldt sterker indien een overtreding (steeds) pas ongedaan wordt gemaakt nadat een toezichthouder erop heeft gewezen.
De handhaver baseert de typering op de bevinding van het toezicht en neemt daarbij het gedrag van de overtreder en de toezicht- en handhavingshistorie mee in de beschouwing. De typering van de overtreder moet objectief en controleerbaar zijn en mag niet zijn gebaseerd op ‘onderbuikgevoelens’.
Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering A het uitgangspunt bij overtredingen waarvan de gevolgen vrijwel nihil zijn (categorie 1) en typering B het uitgangspunt bij overtredingen met beperkte gevolgen, gevolgen van belang of aanzienlijke/onomkeerbare gevolgen (categorie 2, 3 en 4).
4.2Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing
De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die aanleiding geven voor een meer ingrijpende op herstel gerichte interventie of voor bestraffing. Bij de op herstel gerichte interventie hangen de verzwarende aspecten samen met de mate waarin er op feiten en omstandigheden gebaseerd vertrouwen is dat de overtreder terugkeer naar normconformiteit nastreeft en herstel. Dat vertrouwen is bijvoorbeeld geschonden wanneer er sprake is van recidive. (hoofdvragen 1a en 1b)
De handhaver bepaalt of er aspecten zijn die aanleiding geven voor bestraffing (hoofdvraag 2a), hetzij, - indien wettelijk mogelijk - met een bestuursrechtelijke bestraffing (bestuurlijke boete), hetzij met een strafrechtelijke bestraffing (strafbeschikking of strafvervolging). Hieronder valt ook de beslissing dat (nader) strafrechtelijk onderzoek aangewezen lijkt. De uitkomst van beantwoording van de hiervoor beschreven twee hoofdvragen (herstel of bestraffing) kan in veel gevallen zijn dat met herstel kan worden volstaan. Bij sommige aspecten is sowieso strafrechtelijke handhaving geïndiceerd.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor de soort bestraffing afhankelijk is van de wens van de wetgever in het betrokken domein. De wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing loopt per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteen. Zoals hiervoor is toegelicht, zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving met bestraffende sancties meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuurs- rechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken in zijn algemeenheid een rol zullen (moeten) spelen.
De volgende aspecten worden in elk geval meegewogen bij de keuze voor strafrechtelijke bestraffing:
- A.
Onomkeerbare gevolgen/geen herstelsanctie mogelijk:
-
de overtreding heeft nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving die niet (meer) kunnen worden weggenomen, zoals onherstelbare milieuschade, of de normadressaat heeft het anderszins niet (meer) in zijn macht om de rechtmatige toestand te herstellen. Hoe groter en/of ernstiger de schade, hoe eerder strafrechtelijke handhaving is geïndiceerd. Een overtreding met onomkeerbare gevolgen zal overigens veelal al meteen bij het indelen in de basisinterventiematrix (stap 1) in de zwaardere interventiecategorie vallen.
- B.
Recidive: de normadressaat was al eerder in de fout gegaan en eerdere herstelsancties en/of een bestuurlijke boete hadden een onvoldoende preventief effect. Omdat het hier een beleidsmatige afweging betreft, zijn (algemene of domeinspecifieke) afspraken mogelijk over wat onder recidive wordt verstaan: herhaling van dezelfde overtreding, van eenzelfde type overtreding (en wat dat dan is) of van een overtreding in het betrokken domein – en alles daartussen.
-
Bij het bepalen van recidive worden ook overtredingen meegenomen uit andere regio’s, ook overtredingen uit aangrenzende landen of het verdere buitenland kunnen worden meegenomen.
- C.
Verkregen financieel voordeel (winst of besparing):
-
de normadressaat heeft door zijn handelen of nalaten financieel voordeel behaald en/of het behalen van financieel voordeel was het doel. Als het voordeel (substantieel) hoger is dan de maximale bestuurlijke boete die voor het betrokken feit kan worden opgelegd of als er helemaal geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd, is strafrechtelijke handhaving aangewezen.
- D.
Combinatie met andere relevante strafbare feiten:
-
de normadressaat heeft andere strafbare feiten gepleegd om de in het omgevingsrecht geconstateerde overtreding te verhullen, zoals valsheid in geschrifte of omkoping, of de geconstateerde overtreding is gepleegd in het kader van andere strafbare feiten, zoals witwassen. Een zeer belangrijke indicator is ook het vermoeden van het bestaan van een criminele organisatie.
- E.
Medewerking van malafide deskundigen (“facilitators”):
-
De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door malafide deskundigen, zoals malafide vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringsinstanties en brancheorganisaties. Het gaat hier om de inschakeling van ‘facilitators’, dat wil zeggen sleutelfiguren in een branche die niet-naleving bewust faciliteren. Het ligt voor de hand dat het strafrecht zich in het bijzonder juist op deze facilitators zal richten. Loyale samenwerking tussen het OM en het bestuur is hier van groot belang alleen al gelet op de taken en bevoegdheden van het bestuur bij het verlenen en intrekken van vergunningen, certificaten en dergelijke.
- F.
Waarheidsvinding: soms is strafrechtelijke handhaving aangewezen vanwege de mogelijkheid van het toepassen van opsporingsbevoegdheden waarover de bestuurlijke organisaties niet beschikken. Strikt genomen gaat het hier niet om een verzwarende omstandigheid maar om de inzet van onderzoeksbevoegdheden die alleen in het strafrecht voorhanden zijn. Die bevoegdheden kunnen veelal alleen worden ingezet bij zwaardere feiten.
- G.
Normbevestiging: het strafrecht is het meest indringende corrigerende systeem. Juist door zijn expressieve kracht is het bij uitstek geschikt om het belang van regels en de ernst van niet-naleving te agenderen bij politiek, publiek en branche.
In aanvulling op deze algemene verzwarende aspecten kunnen per domein domeinspecifieke verzwarende aspecten worden geformuleerd.
4.3Stap 3: optreden aan de hand van de algemene of domeinspecifieke interventiematrix
De LHSO heeft als uitgangspunt om de meest effectieve interventie in te zetten. Dat betekent in veel gevallen dat kan worden volstaan met een lichte interventie. In andere gevallen brengt de situatie mee dat zo’n lichte interventie geen recht doet, en moet een zwaardere, meer ingrijpende interventie worden gekozen. Per situatie wordt deze ‘interventieladder’ beoordeeld met de vraag wat de meest effectieve interventie is in het concrete geval. Daarbij speelt ook het maatschappelijk draagvlak voor handhaving een belangrijke rol. Zo zal bij een goedwillende overtreder die een lichte overtreding zonder nadelige gevolgen heeft gepleegd (positionering in segment A1) in eerste instantie kunnen worden volstaan met aanspreken, informeren of waarschuwen.14 Moet die overtreder (beperkte) maatregelen treffen om de overtreding op te heffen en
laat hij dat na of gaat hij anderszins weer in de fout, dan wordt opgeschaald naar bijvoorbeeld het opleggen van een herstelsanctie of een bestuurlijke boete.
De handhaver gebruikt bij stap 4 de algemene of, indien beschikbaar en van toepassing, de domeinspecifieke interventiematrix. Dit werkt als volgt:
- 1.
De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van de toepasselijke interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 4.1) in de basisinterventiematrix heeft gepositioneerd.
- 2.
De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de bij het betreffende segment behorende interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. Daarbij maakt hij gebruik van zijn bevindingen bij stap 2 (inzake eventuele verzwarende aspecten; paragraaf 4.2).
- 3.
De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(s) in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door via het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s).
|
De (mogelijke) gevolgen: |
|
|
Interventiematrix |
|
|
|||
|
4. Aanzienlijk en/of onomkeerbaar |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV/nader strafr. onderzoek |
|
Strafrecht PV/nader strafr. onderzoek |
|
|
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat |
|
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) Verscherpt toezicht |
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) Verscherpt toezicht |
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) |
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) |
||||
|
3. Van belang |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV/nader strafr. onderzoek |
|
Strafrecht PV/nader strafr. onderzoek |
|
|
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bestuursrecht ingrijpend Exploitatieverbod/sluiting Schorsen/intrekken vergunning, erkenning of certificaat |
|
|
|
Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing |
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht |
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht |
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) |
|
2. Beperkt |
|
|
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht PV |
|
|
|
|
|
|
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
|
|
Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren |
|
Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing |
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen). Verscherpt toezicht |
|
Bestuursrecht herstellend LOD/LOB (incl. tijdelijk stilleggen) |
|
1. Vrijwel nihil |
|
|
|
|
|
Strafrecht BSB (indien mogelijk)/PV |
|
Strafrecht PV |
|
|
|
|
|
|
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijkeboete (indien mogelijk) |
|
|
|
Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren |
|
Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren |
|
Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing |
|
Bestuursrecht herstellend Bestuurlijk gesprek/ waarschuwing |
|
Het gedrag van de overtreder is: |
|
A. Goedwillend, proactief (dwz beëindigt overtreding eigener beweging) |
|
B. Onverschillig |
|
C. Calculerend |
|
D. Notoir/crimineel |
In aanvulling op de LHSO kunnen er handhavings- of sanctiestrategieën zijn voor specifieke deelterreinen van het omgevingsrecht vergelijkbaar met de aanvulling voor Seveso-overtredingen (Brzo) uit 2012.
Maatvoering (termijnen)
In algemene zin geldt voor het stellen van termijnen het volgende:
- •
Gedragsvoorschriften dienen direct in acht te worden genomen. Hiervoor moet geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen.
In alle andere gevallen, waaronder ook situaties waarin voor het treffen van herstelmaatregelen (al dan niet aanzienlijke) investeringen moeten worden gedaan, geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. De termijn moet altijd worden afgestemd op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de benodigde herstelmaatregelen te treffen, dus rekening houdend met de technische en organisatorische uitvoerbaarheid.
4.4Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is
Indien er aan de hand van stap 1 en stap 2 wordt vastgesteld dat er aanleiding is voor bestraffing, beziet de handhaver bij stap 3 of er overleg met andere handhavende instanties is afgesproken of om andere redenen nodig is. Indien er is afgesproken dat de bestraffende interventie een strafrechtelijke is, dan wordt die weg ingezet. Indien er sprake is van opzettelijk of zeer nalatig veroorzaken van gevaar aan personen en/of milieu wordt steeds overleg met het OM gevoerd. Afhankelijk van de afspraken vindt er nadere afstemming plaats of niet. De gemaakte afspraken en de afstemming kunnen betekenen dat er een gezamenlijke interventie plaatsvindt.
Deze stap beoogt het faciliteren van goede afstemming en weloverwogen inzet van het handhavingsinstrumentarium. Het betreft daarom tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig en volgens de (algemene of domeinspecifieke) gemaakte afspraken het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Samen met tijdige informatie- uitwisseling is dit tweerichtingsverkeer een uitwerking van het beginsel van loyale samenwerking.
Aan overleg is meer behoefte als voor de betrokken situatie geen standaard afspraken over de afstemming tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving gelden.
De standaardafspraken voor de betrokken situatie kunnen voorzien in overleg of overleg wordt gezocht als de handhaver in de bevindingen van het concrete geval aanleiding ziet om van de standaard afspraken af te wijken. Uit een oogpunt van doelmatige handhaving wordt zoveel mogelijk gehandhaafd op basis van algemene afspraken tussen bestuur, politie en justitie over afstemming en keuzes voor afdoening.
Als de handhaver in een concreet geval concludeert dat overleg over de afstemming en inzet van bestuurs- en/of strafrecht nodig is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavingsinstanties, bijzondere opsporingsdiensten, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun inzet en samenspel (afstemming). Alleen zo kan in voorkomende gevallen accuraat en effectief optreden worden gewaarborgd, vooral als sprake is van spoed en/of heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte afspraken niet voorzien, zullen apart door de betrokken instanties worden beoordeeld, in een regulier overleg of in ad hoc overleg als snelheid is vereist. Uit het overleg volgt hoe de betreffende overtreding verder wordt opgepakt.
Ten slotte wordt, ongeacht de positionering van overtreding en overtreder, standaard aangifte bij het OM gedaan als toezichthouders de volgende ernstige bevindingen doen:
- •
Het toezicht wordt bewust onmogelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het onterecht weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en/of poging tot omkoping.
- •
De toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie.
Bij deze vormen van niet-medewerking aan het toezicht wordt tevens bestuursrechtelijk opgetreden met het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang (artikel 5:20, derde lid, en 5:32 Awb).
4.5Stap 5: vastlegging stappen en beslissingen
De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden systematisch, verifieerbaar en transparant vastgelegd, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid. De handhaver neemt hierbij in aanmerking dat handhavingsbeleid, waartoe naar vaste rechtspraak ook een handhavingsstrategie en/of interventieladder behoort, in de regel moet worden gevolgd en dat handelen in afwijking van het beleid zorgvuldig moet worden afgewogen en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Ook wordt zo inzichtelijk op welke wijze verzwarende en verzachtende omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de keuze, wat bijdraagt aan een consistent overheidshandelen. Het verdient aanbeveling om te werken met een vast model voor verslaglegging dat zoveel mogelijk landelijk wordt gehanteerd en in de gebruikte ICT systemen is ingebouwd.
HOOFDSTUK 5
Randvoorwaarden voor werken met de LHSO
Eventuele vaststelling en bekend making als beleid(sregel)
De LHSO kan elektronisch worden bekendgemaakt als beleidsregel. Vaak zal er daarnaast een beleidsregel moeten worden vastgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt dat en hoe de LHSO wordt gevolgd in het eigen beleid. Er is daarvoor een model-vaststellingsbesluit beschikbaar dat door het betrokken bestuursorgaan kan worden gebruikt.
Afstemming met ander handhavingsbeleid
Het bestaande handhavingsbeleid dient waar nodig te worden afgestemd op de LHSO. De betrokken handhavende instantie is verplicht om een handhavingsstrategie vast te stellen en kan hierbij gebruik maken van de LHSO. Voor bepaalde beleidsterreinen zullen daarvoor naar verwachting in de toekomst modellen worden ontwikkeld die kunnen worden overgenomen of waarbij aansluiting kan worden gezocht. Om recht te doen aan het uitgangspunt van een transparante overheid zouden deze keuzestrategieën ook als beleidsregel moeten worden vastgesteld die elektronisch wordt bekendgemaakt. Het model-vaststellingsbesluit gaat uit van deze mogelijkheid.
Overlegstructuur
Het is voor een effectieve handhaving van groot belang dat er effectief en loyaal wordt samengewerkt tussen alle betrokkenen (bevoegde bestuursorganen, toezichthouders en opsporingsambtenaren, politie en openbaar ministerie). Deze samenwerking moet zo zijn georganiseerd dat de juiste personen op het juiste moment structureel of juist ad hoc en zaakgericht overleggen en informatie uitwisselen. Structureel afstemmingsoverleg en overleg over signalen of concrete zaken met het OM en de politie dient te zijn gewaarborgd.
Organisatorische borging
Niet alleen op papier, maar ook organisatorisch moet uitvoering van de LHSO en in het bijzonder de afstemming en samenwerking geborgd zijn. Dat betekent dat de betrokken instanties ervoor zorgen dat relevante functies (zoals contactpersonen en specialisten) structureel bemenst zijn.
Model verslaglegging stappen
Het verdient aanbeveling om te werken met een vast model voor verslaglegging van de stappen en beslissingen in handhavingstrajecten dat zoveel mogelijk landelijk wordt gehanteerd en in de gebruikte ICT systemen is ingebouwd.
BIJLAGE 1
Concept Model vaststellingsbesluit handhavingsstrategie Omgevingsrecht
Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht provincie xxx/ Waterschap xxx/ Gemeente xxx
Het college van Gedeputeerde Staten/het college van dijkgraaf en heemraden/het college van
Burgemeester en wethouders (en de burgemeester)
Gelet op:
- -
Artikel 18.1 en 18.20, eerste lid, Omgevingswet;
- -
Artikel 13.5 Omgevingsbesluit;
- -
Artikel xx Verordening Kwaliteit, toezicht en handhaving Omgevingsrecht xx
Besluit vast te stellen:
- +
Beleidsregel Handhavingsstrategie omgevingsrecht en de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
- +
De handhavingsstrategie Bouwen (bij wijze van voorbeeld)
- +
De handhavingsstrategie Cultureel Erfgoed (bij wijze van voorbeeld)
- +
De handhavingsstrategie Horeca ((bij wijze van voorbeeld van een optioneel lokaal geformuleerde strategie)
Het verdient aanbeveling om in het vaststellingsbesluit (of in de daarmee vast te stellen besluiten) voorzieningen op te nemen van overgangsrecht, en een uitdrukkelijke bepaling die de citeertitel voorschrift.
Bijlage F – Landelijke kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving versie 3.1
Voor uitvoering en handhaving krachtens de Omgevingswet
KC 3.0 vastgesteld door BO IBP VTH op 25 september 2024
Inwerkingtreding 1 januari 2025
Voorwoord
Het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is een cruciale schakel in de bescherming van onze leefomgeving. Daarbij is het van groot belang dat er een geborgde kwaliteit van uitvoering en handhaving is. Kwaliteit van toezicht en handhaving gaat al terug naar 200515 toen hiervoor procescriteria zijn ontwikkeld, nog voor de oprichting van de omgevingsdiensten. Daarna zijn er in 2012 procescriteria voor vergunningverlening en de kwaliteitscriteria voor de kritieke massa aan toegevoegd. Vanwege de komst van de Omgevingswet is er in 2022 en 2023 een update gemaakt van deel B naar versie 2.3 en zijn de competentieprofielen (deel D) toegevoegd. Er is een breed gedragen gevoel dat voldoen aan kwaliteitscriteria belangrijk is en blijft. Daarnaast is ook een uniforme toetsing/validatie van deze criteria van belang. In de toekomst zal hier in overleg inhoud aan worden gegeven.
De aanleiding voor de aanpassing van de kwaliteitscriteria is aanbeveling 2 van de commissie Van Aartsen. Dat heeft onder IBP VTH geleid tot de volgende ambitie: het opstellen van landelijke uniforme minimum kwaliteitscriteria voor kritieke massa met de mogelijkheid voor regionale aanscherping.
Er is voor de actualisatie gekozen om de huidige indeling te behouden. Voor toekomstige actualisaties is het behouden van één document het uitgangspunt.
In dit stadium is er nog geen aanpassing gedaan aan de competenties van deel D. Onder andere omdat daar nog ervaring mee moet worden opgedaan. Suggesties voor aanpassing/uitbreiding worden in een volgende versie opgenomen.
Aandacht voor kwaliteit gaat alleen maar werken als duidelijk is wat de criteria precies inhouden en hoe ze in de praktijk moeten worden toegepast. De geactualiseerde kwaliteitscriteria voor de uitvoering en handhaving hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van uitvoering en handhaving op alle taken die met de invoering van de Omgevingswet uit de Wabo zijn overgegaan naar die wet. Het gaat dus om de taken vergunningverlening, toezicht en handhaving (inclusief de in deze versie nieuw opgenomen adviestaak) en gelden voor de verplichte basistaken, de vrijwillige plustaken, de thuistaken van provincies en gemeenten en taken die milieubelastende activiteiten betreffen16. NB. De actualisatie heeft hierin geen verandering in gebracht.
Er is, in samenspraak met het hele werkveld, gepoogd een samenhangende set te maken, gerelateerd aan wetgeving en de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De consultatie heeft 608 inspraakreacties opgeleverd die allemaal zijn beantwoord en zo mogelijk zijn overgenomen. Er is een optimale aansluiting gezocht op de uitvoeringspraktijk van zowel omgevingsdiensten als provincies, gemeenten en rijksinspecties17. Er is tegemoet gekomen aan de wens om de eisen niet te gedetailleerd te maken, maar maatwerk toe te laten en daar flexibel in kunnen zijn. Er is aandacht voor de beschrijving van de opleidingen en de relatie met kennis die op peil moet worden gehouden.
De werkgroep acht het noodzakelijk dat de kwaliteitscriteria worden doorontwikkeld. Niet zozeer op inhoud, maar wel op de randvoorwaarden en aanpalend instrumentarium. Er is een algemene gedachte vanuit de werkgroep om toe te werken naar een systeem waarin medewerkers voor scholing en bijscholing ‘punten’ moeten hebben. Vanuit de wens voor ‘onderhoud en beheer’ is een dergelijk systeem gewenst. Dit vraagt om doorontwikkeling van de KC in relatie tot het opleidingsveld. Een dergelijke wens kon op de (korte) termijn van de actualisatie niet worden gerealiseerd, maar verdient wel de aandacht. Dat geldt ook voor het digitaliseren van de kwaliteitscriteria, zodat makkelijker een relatie kan worden gelegd tussen de kwaliteitscriteria en de registratie van het eraan voldoen. Daarnaast is er een wensbeeld dat er voor de VTH opleidingen wordt gewerkt met curricula en een systeem van permanente educatie.
De kwaliteitscriteria zijn het vertrekpunt voor de verbetering van de kwaliteit van uitvoering. De kwaliteitscriteria beogen de kwaliteit van de uitvoering te borgen en daarmee de beste resultaten te behalen voor de bescherming van de leefomgeving. Er wordt door de werkgroep van uitgegaan dat de uitvoeringspraktijk met deze set tot en met 2026 vooruit kan en er ervaring mee opgedaan kan worden. Tussentijds zijn wel kleine wijzigingen/updates mogelijk. Het advies van de werkgroep om deze set na de vaststelling op 1 januari 2025 van kracht te laten worden is door het bestuurlijk overleg overgenomen. Organisaties hebben hierdoor een jaar de tijd om aan de nieuwe set te gaan voldoen. Op grond van artikel 5 van de modelverordening moet jaarlijks mededeling over de naleving van de kwaliteitscriteria aan de gemeenteraad en/of Provinciale Staten worden gedaan. In (bij voorkeur) Q1 van 2026 is dat dus voor het eerst het geval over de kwaliteitscriteria 3.0 (daartoe is december 2025 een format (bijlage) aan alle organisaties beschikbaar gesteld).
Om ervoor te zorgen dat het papier ook werkelijkheid wordt, is na vaststelling van de kwaliteitscriteria in Bestuurlijk omgevingsberaad door het Kernteam Kwaliteitscriteria een implementatieplan gemaakt, dat op 2 oktober 2025 door de stuurgroep Versterking VTH-stelsel is vastgesteld.
Tevens is medio september 2025 aan alle organisaties een zelfevaluatietool beschikbaar gesteld, om te kunnen bepalen in welke mate aan de kwaliteitscriteria 3.0 wordt voldaan.
De huidige set kwaliteitscriteria wordt inhoudelijk niet gewijzigd tot 1 januari 2028. De komende twee jaar staan in het teken van het opvolgen van punten uit de consultatie die als pm zijn gemarkeerd, voorbereiding deskundigheidsgebieden (DG) voor rijksinspecties en mogelijke uitbreiding van deskundigheidsgebieden als circulaire economie en klimaatadaptatie en duurzaamheid, evaluatie van de huidige set (inclusief reacties uit het werkveld) en verwerken van consequenties Wet Kwaliteitsborging (WKB).
Op basis van veel gestelde vragen en ervaringen uit de praktijk zijn in deze versie 3.1 de volgende beperkte wijzigingen opgenomen:
- •
aanpassing in DG geluid van 900 naar 450 uur (in overeenstemming met KC 2.3 en rekenvoorbeeld in spelregel 2);
- •
nadere toelichting dat medewerkers voor complexe taken ook kunnen worden ingezet voor eenvoudige taken (mits deze aan de kritieke massa voldoen);
- •
nadere toelichting op verbijzondering voor de deskundigheden 3. Vergunningverlening milieu en 5. Toezicht en handhaving milieu met onderscheid in de sectoren (1) procesindustrie, (2) agrarisch, (3) afval en Seveso;
- •
nadere toelichting deskundigheidsgebied advisering fysieke leefomgeving (bedoeld voor OD’s);
- •
enkele kleine tekstuele correcties.
Leeswijzer
De opbouw van de kwaliteitscriteria in delen A t/m D en deel B in 3 delen (Taken, Eisen aan medewerkers en Eisen aan organisatie) is gehandhaafd. Het format van de deskundigheidsgebieden in deel B is iets aangepast voor een logische ordening en er is een link met de competenties gemaakt van deel D. De procescriteria in deel C zijn vereenvoudigd vanwege de link met de handreiking Regionale Beleidscyclus.
In deel A is een beschrijving gegeven van de kwaliteitscriteria en zijn spelregels, begrippen en definities opgenomen. Voor de volledigheid is in de bijlage een verwijzing opgenomen van de begrippen uit de Omgevingswet, Omgevingsbesluit, Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving.
In deel B zijn de criteria opgenomen voor kritieke massa en de deskundigheidsgebieden.
In vergelijking met de vorige set zijn de juridische deskundigheidsgebieden samengevoegd, is Bouwakoestiek onderdeel geworden van Geluid, zijn Groen en ecologie (vergunningverlening en beoordeling initiatieven) samengevoegd, zijn Stedenbouw en inrichting openbare ruimte en Kostenverhaal gebiedsontwikkeling en planeconomie vervallen en is een nieuw deskundigheidgebied Advisering Fysieke leefomgeving opgenomen.
In deel C zijn de vereenvoudigde procescriteria opgenomen, is een link gelegd met de handreiking Regionale Beleidscyclus en is de vorm gewijzigd in een checklist.
In deel D zijn de huidige competentieprofielen opgenomen. In de consultatie zijn voor enkele deskundigheidsgebieden nieuwe competenties voorgesteld. Deze zijn in dit stadium van de actualisatie nog niet uitgewerkt omdat daar eerst meer ervaring mee moet worden opgedaan.
Deel A: Algemeen
1 Inleiding
In artikel 21 van de Grondwet staat de zorgplicht van de overheid voor het milieu vermeld. De Omgevingswet is daarvoor een belangrijk instrument18. Een van de doelstellingen voor het bundelen van omgevingsrechtregels in de Omgevingswet is om de dienstverlening door overheden te verbeteren. Het realiseren van de verbeter- en maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden. Het vraagt om een goede en uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit.
Als overheid zijn we verantwoordelijk voor een goede taakinvulling. Belangrijk hierbij zijn afspraken over wat een goede taakinvulling is. In de Omgevingswet biedt Afdeling 18.3 de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken:
Artikel 18.20 beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTH-taken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegde gezagen dit invullen. Een optie is om dit via een verordening te doen. Artikel 18.23 gaat over de taken die onder het basistakenpakket vallen. Hiervoor geldt dat het kwaliteitsniveau via een verordening moet vastliggen. Omdat deze taken verplicht zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten moeten ook zij afspraken maken over de formulering van de kwaliteitscriteria.
Door de bovenstaande artikelen is vastgelegd dat provincies en gemeentes bij verordening wat moeten opnemen over de kwaliteit van de uitvoering van de basistaken. Voor de achterblijvende en plustaken geldt ten minste de zorgplicht. Men kan daarvan gemotiveerd afwijken.
De werkgroep vindt het wenselijk om de eisen die gesteld worden aan het bevoegd gezag en de omgevingsdiensten gelijk te trekken19.
Om de kwaliteit van de uitvoering zo uniform mogelijk te regelen hebben het IPO en de VNG gezamenlijk een modelverordening opgesteld. De modelverordening is omgevingsrecht-breed opgesteld en niet alleen voor de basistaken. Een groot deel van de bevoegde gezagen heeft dit model gebruikt voor hun provinciale - of gemeentelijke verordening. Door ongewijzigde vaststelling van de modelverordening besluiten provincies en gemeenten dat ze ook voor de thuistaken aan de kwaliteitscriteria voldoen20.
De kwaliteitscriteria zijn bedoeld om de uitvoering en handhaving door gemeenten en provincies en Rijksdiensten in het Omgevingsrecht te professionaliseren en de kwaliteit in de organisatie te borgen. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa. Het voldoen aan de criteria zorgt ervoor dat het bevoegd gezag in staat is om de gewenste kwaliteit en continuïteit te leveren. De set maakt inzichtelijk welke kwaliteit van de uitvoering en handhaving burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en als opdrachtgevers, mogen verwachten.
De kwaliteitscriteria zijn op verschillende niveaus beschreven. Deels hebben ze betrekking op de organisatie en deels op de medewerkers. Voor de organisatie betekent dit dat er een sluitende beleidscyclus moet zijn om de kwaliteit te borgen, er een inhoudelijke ondergrens21 is en de taken belegd moeten worden bij organisaties die continuïteit in de uitvoering kunnen garanderen. Op medewerkersniveau moeten de taken belegd worden bij medewerkers die voldoende deskundig zijn om deze taken adequaat uit te kunnen voeren.
De kwaliteitscriteria zijn als essentiële kpi opgenomen voor de robuustheid van omgevingsdiensten. Hiermee is de kwaliteitsborging gekoppeld aan alle taken (basis- en plustaken) die belegd zijn bij een omgevingsdienst. Zo wordt de kwaliteit van de uitvoering optimaal geborgd en is het streven dat alle taken belegd bij een omgevingsdienst op eenzelfde minimaal kwaliteitsniveau worden uitgevoerd.
Omgevingsdiensten worden door opdrachtgevers steeds vaker gevraagd als adviseur in het kader van de Omgevingswet of de landelijke en provinciale opgaven. Advies bij het opstellen van omgevingsplannen is hier een voorbeeld van. De omgevingsdiensten hebben kennis over het gebied, kunnen zorgen voor regionale afstemming en brengen praktijkervaring in. Volgens de commissie Van Aartsen moeten omgevingsdiensten betrokken zijn bij de opstelling van de milieunormen in het omgevingsplan. Hoewel advisering geen wettelijke taak is, is gelet op het toenemende belang van deze taak ervoor gekozen om hier een nieuw deskundigheidsgebied voor op te nemen.
Dat betekent dat als een regio kiest voor het laten uitvoeren van deze adviestaak, de OD aan de kwaliteitscriteria voor dit deskundigheidsgebied moet voldoen.
N.B. Dit deskundigheidsgebied is bedoeld voor de omgevingsdiensten. Uiteraard staat het provincies en gemeenten vrij om de eisen uit dit deskundigheidsgebied ook van toepassing te verklaren op de adviestaken fysieke leefomgeving die door medewerkers in de eigen organisatie worden verricht.
2 Afbakening en uitgangspunten
De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is om taken op het gebied van uitvoering en handhaving op alle milieubelastende taken (inclusief de hiervoor benodigde taken) tijdig, met de juiste procedurele en inhoudelijke kwaliteit en in continuïteit te kunnen uitvoeren. In lijn met het gedachtegoed vanuit (inter-)nationale standaarden voor kwaliteitsmanagement is gekeken naar de belangrijkste elementen voor het opstellen van de kwaliteitscriteria om de uitvoeringspraktijk naar een steeds hoger niveau te tillen. Deze elementen zijn de kritieke massa, proceskwaliteit en inhoud en prioriteiten. Deze elementen worden in onderstaande toegelicht.
Gezien de verschillen in de organisaties en hun werkaanbod (342 gemeenten, 12 provincies, 28 omgevingsdiensten en 3 rijksdiensten) is het vinden van een passende structuur voor alle organisaties niet realistisch. Voor de borging van kwaliteit is daarom gekozen om een aantal uitgangspunten te formuleren:
- –
Onafhankelijkheid van werkaanbod
De criteria voor kritieke massa hebben geen relatie met de omvang van het werkaanbod. Organisaties die een beperkt aantal taken uitvoeren, dienen te voldoen aan dezelfde criteria als organisaties die veelvuldig deze taken uitvoeren. De criteria voor kritieke massa geven de organisaties een ondergrens van het aantal medewerkers en hun deskundigheid, die nodig is om taken op een bepaald minimum niveau en met zekere continuïteit uit te kunnen voeren.
Indien er op onderdelen onvoldoende werkaanbod is voor het benodigde aantal medewerkers en de bijbehorende tijdsbesteding per persoon, verdient het in dat geval aanbeveling om de samenwerking met andere partijen te zoeken22.
De kwaliteitscriteria geven behalve de ondergrens niet aan wat het aantal benodigde medewerkers is op basis van het werkaanbod. De probleemanalyse en borging van personele en financiële capaciteit uit de procescriteria geven aan op basis waarvan de capaciteit moet worden vastgesteld en geborgd.
- –
Verschil in complexiteit
In de deskundigheidstabellen is per deskundigheidsgebied aangegeven of er een onderscheid is te maken tussen eenvoudige en complexe situaties. Aan het uitvoeren van deze taken zijn afhankelijk van de complexiteit verschillende eisen gesteld. De mate van complexiteit bepaalt aan welke delen van de kritieke massa de organisatie moet voldoen. Het bevoegd gezag dan wel de gemandateerde omgevingsdienst bepaalt zelf welke situaties eenvoudig of complex zijn.
Een medewerker die voldoet aan de kwaliteitscriteria voor dat deskundigheidsgebied (bij voorkeur op hbo-niveau) beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe situatie. Daarbij gelden wel enkele richtlijnen:
- •
Voor bouw wordt de indeling in gevolgklassen aangehouden op grond van de Wkb:
- o
gevolgklasse 1: bestaat uit relatief eenvoudige bouwwerken zoals woningen, lage bedrijfsgebouwen en kleine infrastructurele werken. Bij deze gevolgklasse zijn de mogelijke maatschappelijke gevolgen van bouwfouten beperkt;
- o
gevolgklasse 2: te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen, woongebouwen tot 70 meter hoogte. Deze gevolgklasse bestrijkt op deze manier een breed spectrum aan verschillende typen bouwwerken en gebruik;
- o
gevolgklasse 3: gaat het om alle bouwwerken die niet in gevolgklasse 2 vallen. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen, gebouwen hoger dan 70 meter.
- o
-
Dit betekent dat er sprake is van eenvoudige situaties bij gevolgklasse 1 en van complexe situaties bij gevolgklasse 2 en 3 en/of er sprake is van complexe omgevingsplantaken of BOPA’s.
- •
Voor milieu wordt onderscheid gemaakt in de klassen: o I informatie en meldingsplichtige bedrijven; o II meldings- en vergunningsplichtige activiteiten; o III vergunningsplichtige activiteiten en IPPC en Seveso.
Dit betekent dat er sprake is van eenvoudige situaties bij klasse I en II meldingsplichtige activiteiten en van complexe situaties bij klasse II vergunningsplichtige activiteiten en III.
Voor de deskundigheden “3. Vergunningverlening milieu‟ en “5. Toezicht en handhaving milieu‟ geldt een verbijzondering. Voor deze deskundigheden is onderscheid gemaakt in de sectoren (1) procesindustrie, (2) agrarisch (3) afval en Seveso. Medewerkers die binnen deze sectoren actief zijn, dienen minimaal 450 uur (Seveso 675 uur) te besteden aan deze sector én in totaal minimaal 900 uur te besteden aan de deskundigheid “3. Vergunningverlening milieu‟ of “5. Toezicht en handhaving milieu‟.
(Zie ook spelregel 2).
- –
Uitbesteding in sommige gevallen niet mogelijk
Taken dienen binnen de overheid uitgevoerd te worden, indien:
- •
De activiteit behoort tot één van de kerntaken van de Omgevingswet;
- •
Een mogelijkheid bestaat voor belangenverstrengeling wanneer taken worden uitgevoerd door een marktpartij en de onafhankelijkheid van de uitvoerende medewerker in het geding kan komen.
De mogelijkheid tot uitbesteden is op takenniveau binnen de deskundigheidsgebieden aangegeven. Indien de deskundigheid benodigd voor het uitvoeren van de activiteit redelijkerwijs alleen bij gespecialiseerde bureaus te verwachten is, dan bestaat de mogelijkheid deze taken uit te besteden. Hiervoor geldt dat specifieke taken of deskundigheidsgebieden binnen de overheid georganiseerd dienen te zijn.
Deskundigheden zijn binnen de overheid georganiseerd als zij belegd zijn bij personen:
- •
die zijn aangesteld door het bevoegd gezag;
- •
die zijn aangesteld door het bestuur van een gemeenschappelijke regeling waaraan het bevoegd gezag voor de betreffende taken deelneemt23;
- •
aangesteld door derden of werkzaam als zelfstandige zonder personeel, in de vorm van detachering (de persoon werkt een vast aantal dagen per week voor een vaste periode bij de overheidsorganisatie). Waarbij de overheidsorganisatie zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de uitgevoerde taken en in staat is deze zelf te beoordelen. Daarvoor is het nodig dat de overheid zelf minimaal één persoon in dienst heeft die beschikt over de betreffende deskundigheden en behoort tot het eerste en tweede punt van bovenstaande opsomming;
- •
die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een structureel samenwerkingscontract heeft.
Deskundigheden zijn uitbesteed als zij belegd zijn bij personen:
- •
die zijn aangesteld door andere overheden (waar het bevoegd gezag geen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor draagt), waarmee het bevoegd gezag een ad hoc-contract of convenant heeft gesloten voor het leveren van die deskundigheden;
- •
die zijn aangesteld door derden in de vorm van adviesdiensten (ad hoc advies, geen detachering).
Bij het uitbesteden van taken aan een derde (commerciële) partij (niet zijnde de OD), is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de kwaliteit. In het contract moet worden opgenomen dat moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria (zie spelregel 6). Er zijn regels voor taken die alleen binnen de overheid uitgevoerd kunnen worden. Dat is per deskundigheidsgebied vermeld. Dat betekent dat door samenwerking met andere overheden ook aan de kwaliteitscriteria kan worden voldaan.
Door de toepassing van spelregels is er meer maatwerk mogelijk om te voldoen aan de criteria. Ten opzichte van de vorige set is er sprake van een vereenvoudiging (zie verder toelichting onder 3).
3 Toelichting criteria voor kritieke massa (Deel B)
Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vooral vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, kennis, werkervaring en competenties en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om producten af te leveren met de gewenste kwaliteit. Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in staat zijn om de taken en onderliggende operationele taken op een adequaat kwaliteitsniveau uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. In dit hoofdstuk worden de criteria van de kritieke massa uiteen gezet, mede aan de hand van enkele spelregels die voor de organisaties gelden.
De organisatie heeft voor de uitvoering van VTH-taken disciplines voor Uitvoering, Handhaving en Advies. Binnen deze disciplines werken mensen in een bepaalde functie en voeren zij specifieke taken uit. Voor de borging dient de organisatie over voldoende gekwalificeerde medewerkers te beschikken (kritieke massa). Dat is per deskundigheidsgebied weergeven.
In vergelijking met de vorige set zijn de juridische deskundigheidsgebieden samengevoegd, is Bouwakoestiek onderdeel geworden van Geluid, zijn Groen en ecologie (vergunningverlening en beoordeling initiatieven) samengevoegd, zijn Stedenbouw en inrichting openbare ruimte en Kostenverhaal gebiedsontwikkeling en planeconomie vervallen vanwege praktische onuitvoerbaarheid en is een nieuw deskundigheidgebied Advisering Fysieke leefomgeving opgenomen.
Afhankelijk van de besluitvorming volgt nog DG toezicht mest (NVWA).
Bovenstaande resulteert in de volgende 23 deskundigheidsgebieden:
Generieke deskundigheidsgebieden
- 1.
Casemanagen
- 2.
Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening
- 3.
Vergunningverlening milieu (Bal + omgevingsplan)
- 4.
Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening
- 5.
Toezicht en handhaving milieu
- 6.
Toezicht en handhaving bodem
- 7.
Toezicht en handhaving groene wetgeving
Juridische deskundigheidsgebieden
- 8.
Behandelen juridische zaken
- 9.
Ketentoezicht
- 10.
Buitengewone opsporing natuur en milieu en fysieke leefomgeving
Specialistische deskundigheidsgebieden accent bouwen
- 11.
Bouwfysica
- 12.
Brandveiligheid
- 13.
Constructieve veiligheid
- 14.
Sloop en asbest
Specialistische deskundigheidsgebieden accent milieu
- 15.
Afvalwater (indirecte lozingen)
- 16.
Bodem, bouwstoffen, water
- 17.
Omgevingsveiligheid
- 18.
Geluid & trillingen (milieu en bouw)
- 19.
Luchtkwaliteit & geur
- 20.
Natuuractiviteiten
Specialistische deskundigheidsgebieden accent ruimtelijke ordening en duurzaamheid
- 21.
Cultuurhistorie
- 22.
Energiebesparing en duurzaamheid
- 23.
Advisering fysieke leefomgeving (nieuw)
Om de criteria voor kritieke massa goed te kunnen begrijpen en te interpreteren zijn heldere definities nodig (zie ook bijlage). Er is aangesloten bij de terminologie van de Omgevingswet.
Kritieke massa komt tot uitdrukking in deskundigheid en continuïteit. De verschillende elementen zijn in onderstaande schema weergegeven:
Deskundigheid
- •
Opleiding: de minimale basisopleiding (uitgedrukt mbo, hbo of wo niveau).
- •
Aanvullende opleiding(en): benodigde opleiding(en) op het betreffende vakgebied waarmee de kennis en/of vaardigheden zijn te verkrijgen24 (alleen van toepassing indien de betreffende onderwerpen niet aantoonbaar onderdeel uitmaken van de basisopleiding).
Van medewerkers wordt verwacht dat zij de kennis die uit de genoten opleidingen voortkomt, altijd actueel houden. Voor (permanente) bijscholing zijn daartoe (nog) geen criteria opgenomen.
- •
Aanvullende kennis (in aanvulling op de opleidingen): de minimaal benodigde basiskennis en diepgaande kennis voor de zelfstandige uitvoering van de taak (inclusief bv. bijhouden vakliteratuur en jurisprudentie).
- •
Werkervaring: het minimale aantal jaren relevante werkervaring dat men nodig heeft om de taak zelfstandig uit te kunnen voeren.
- •
Competentie: het geheel van aantoonbare kenmerken en vaardigheden die de kwaliteit van het werk mogelijk maken of verbeteren.
Continuïteit
- •
Frequentie: de minimale aantal vlieguren per jaar waarmee een taak zelfstandig moet worden uitgevoerd om de deskundigheid te behouden. Daarmee wordt een bepaalde routine opgebouwd.
- •
Aantal medewerkers: het minimale aantal medewerkers met de omschreven deskundigheid en frequentie waarover de organisatie moet kunnen beschikken om de noodzakelijke deskundigheid te kunnen borgen.
- •
Borging: de omgeving waar deze taken uitgevoerd moeten worden (binnen de overheid of uitbesteed) en de mogelijkheden die er zijn om in te huren.
Spelregels
Door de toepassing van onderstaande spelregels is er meer maatwerk mogelijk om te voldoen aan de criteria. Ten opzichte van de vorige set is er sprake van een vereenvoudiging.
Spelregel 1:
De taken die zijn benoemd onder één deskundigheid kunnen door verschillende personen binnen de organisatie worden uitgevoerd. Voor de medewerker gelden de criteria die gekoppeld zijn aan die taken die hij uitvoert. De organisatie als geheel moet voldoen aan de criteria voor alle taken.
Toelichting: Als er bv. 5 medewerkers zijn die onder een deskundigheidsgebied vallen, dienen er minimaal 2 medewerkers (bij de meeste deskundigheidsgebieden) aan de criteria te voldoen (organisatie-eis). In het kader van de kwaliteitsontwikkeling is het streven dat de andere 3 gaan voldoen. Deze ontwikkeling is de verantwoordelijkheid van de organisatie en de individuele medewerker.
Spelregel 2:
Het is mogelijk om deskundigheden te combineren, maar de organisatie moet te allen tijde aan de kritieke massa voldoen zoals opgenomen bij dat deskundigheidsgebied.
Toelichting: De kwaliteitscriteria beschrijven over hoeveel medewerkers met bepaalde kennis en ervaring een organisatie moet beschikken. Eén medewerker kan echter over meerdere deskundigheden beschikken of anders gezegd sommige deskundigheden kunnen binnen één persoon gecombineerd worden. Voor het voldoen aan de kwaliteitscriteria als organisatie, dient het aantal vlieguren te worden gemaakt binnen het deskundigheidsgebied (de 450 of 900 uur).
Als op basis van de probleemanalyse is vastgesteld dat 2 medewerkers toereikend zijn, kan worden volstaan met twee medewerkers voor complexe zaken die daar elk 900 uur aan besteden en die voor de overige 450 uur eenvoudige situaties uitvoeren.
Het praktisch gebruik maken van inhoudelijke overlap tussen taken maakt meer en verschillende combinaties mogelijk.
Rekenvoorbeeld (uitgaande dat deze 4 medewerkers full me werken):
Medewerker 1: 900 uur dg VV Milieu + 450 uur dg geluid
Medewerker 2: 900 uur dg TZ Milieu + 450 uur dg geluid
Medewerker 3: 900 uur dg TZ Milieu + 450 uur dg BOA
Medewerker 4: 900 uur dg VV Milieu + 450 uur dg Bodem, bouwstoffen en water
De organisatie heeft:
2 medewerkers op dg Geluid en voldoet daarmee;
2 medewerkers op dg TZ Milieu en voldoet daarmee; 2 medewerkers op dg VV Milieu en voldoet daarmee.
Voor het deskundigheidsgebied BOA moeten nog minimaal 2 medewerkers voor 450 uur werkzaam zijn (er moeten er in totaal minimaal 3 zijn) en voor het deskundigheidsgebied Bodem, bouwstoffen en water moet dan nog minimaal 1 andere medewerker voor 450 uur aanwezig zijn, omdat anders de organisatie niet voldoet.
Je kunt echter niet berekenen hoeveel medewerkers een organisatie nodig hee door het vereiste aantal deskundigheden bij elkaar op te tellen.
Spelregel 3: Voor de generalistische deskundigheden geldt een functiescheiding op persoonsniveau tussen uitvoering (vergunningverlening) enerzijds en handhaving (toetsing op naleving) anderzijds.
Toelichting: Op afdelingsniveau hoe er geen scheiding te zijn tussen bouw en milieu.
Voor de specialistische functies geldt een scheiding op object- of dossierniveau. Een specialist die een advies hee uitgebracht in het vergunningverleningsproces voor een dossier kan niet dezelfde zijn die in het toezicht- en handhavingsproces een advies opstelt voor ditzelfde dossier. Bij toezicht en handhaving voor bouwwerken geldt nog een extra eis. De scheiding op dossier- of objectniveau geldt ook tussen de bouwfase en de gebruiksfase voor de toezichthouders. De toezichthouder die tijdens de bouw het toezicht hee gehouden kan niet dezelfde zijn die in de gebruiksfase het toezicht op ditzelfde object of dossier uitvoert.
Spelregel 4:
Taken kunnen worden uitgevoerd door medewerkers die (nog) niet voldoen aan de gestelde eisen voor het deskundigheidsgebied, onder voorwaarde dat deze uitvoering onder verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd door een medewerker die wel voldoet aan de gestelde eisen voor dit deskundigheidsgebied.
Toelichting: Nieuwe medewerkers zullen niet per definitie direct aan de gestelde eisen voor het deskundigheidsgebied voldoen, door onvoldoende opleiding of werkervaring. Begeleiding door een ervaren medewerker is in dat geval de oplossing. Daarbij is het wel van belang te realiseren dat de nieuwe medewerkers zolang ze nog niet voldoen aan de gestelde eisen, nog niet meetellen in het voldoen aan de kwaliteitscriteria als organisatie.
Spelregel 5: Aan de opleidingseisen kan ook voldaan worden door aantoonbaar gelijkwaardige opleiding en/of gelijkwaardig werk- en denkniveau verkregen door ervaring. Dit is de verantwoordelijkheid van de organisatie. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de leidinggevenden. Ook kan ervoor gekozen worden om dit met een EVC (erkende verworven competenties)-traject onaankelijk te laten valideren.
Spelregel 6: Een deel van de taken kan worden uitbesteed, of worden ingehuurd of door samenwerking met andere overheden worden georganiseerd. Het bevoegd gezag blij in die gevallen al tijd (bestuurlijk) verantwoordelijk voor de deskundigheid en continuïteit. Voor de borging dient het bevoegd gezag dit contractueel vast te leggen met de par j waarvan de dienst wordt afgenomen.
Toelichting: Bij het uitbesteden van taken aan een derde (commerciële) par j is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de kwaliteit. In het contract moet worden opgenomen dat moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria. Er zijn regels voor taken die alleen binnen de overheid uitgevoerd kunnen worden. Dat is per deskundigheidsgebied vermeld. Dat betekent dat door samenwerking met andere overheden ook aan de kwaliteitscriteria kan worden voldaan.
Voor wat betreft het voldoen aan de kwaliteitscriteria, gelden bij uitbesteden, inhuren of samenwerking de volgende eisen:
- •
Uitbesteden of samenwerken: de medewerkers van de organisatie waaraan wordt uitbesteed of mee wordt samengewerkt en die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taken, moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria deel B en deel D;
- •
Inhuren: ingehuurde medewerkers dienen inzichtelijk te maken in welke mate zij aan de kwaliteitscriteria deel B in relatie tot hun opdracht/rol/taken voldoen. De organisatie dient met inbegrip van de ingehuurde medewerkers te voldoen aan de kwaliteitscriteria deel B.
Op grond van artikel 5 van de modelverordening moet jaarlijks mededeling over de naleving van de kwaliteitscriteria aan de gemeenteraad en/of Provinciale Staten worden gedaan.
Spelregel alleen voor omgevingsdiensten
Elke OD moet op grond van de robuustheidscriteria (vastgelegd in komende AMvB) voldoen aan de kwaliteitscriteria. Voor een minimaal adequaat uitvoeringsniveau wordt voor de kritieke massa verwezen naar de door het bestuurlijk overleg IBP VTH vastgestelde no e Robuustheid Omgevingsdiensten en de daarin opgenomen tabel (bijlage 4) met het minimaal aantal e per taak. Deze tabel is opgesteld voor het omzetcriterium van € 16,5 miljoen (peildatum 2023) en wordt jaarlijks geïndexeerd.
4 Toelichting procescriteria (Deel C)
De procescriteria betreffen eisen aan het proces. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn:
- –
Evaluatie
- –
Beleid
- –
Strategie
- –
Uitvoeringsprogramma
- –
Voorbereiding
- –
Uitvoering VTH en advisering
- –
Monitoring
Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. In de procescriteria wordt op een systematische wijze de samenhang tussen beleid en uitvoering beschreven. De samenhang tussen de beleids- en uitvoeringscyclus noemen we de regionale beleidscyclus (BIG8). Het doorlopen van deze cyclus is uitgebreid beschreven in de handreiking regionale beleidscyclus en hoe dit in de praktijk wordt vormgegeven. Ter illustratie het plaatje zoals opgenomen in de handreiking.
Om organisaties behulpzaam te zijn bij de vaststelling of aan de procescriteria wordt voldaan, is een checklist opgenomen in deel C.
Voor de totstandkoming van producten zoals vergunningen, controles en handhavingsacties zijn diverse werkprocessen nodig. Transparantie en bestuurlijke vastlegging spelen daarin een belangrijke rol. De procescriteria samen leiden tot een sluitende cyclus en kwaliteitsborging. Op alle kritieke punten van overdracht in het hoofdproces van uitvoering en handhaving dient goed nagedacht te worden over de borging van kwaliteit. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. Door het proces te verbeteren zal de output en outcome zich in positieve zin te ontwikkelen.
5 Toelichting Competenties (Deel D)
Processen gaan pas werken als mensen er vorm aan geven. Daarom zijn competentieprofielen opgesteld voor de nieuwe of meest veranderende rollen onder de Omgevingswet. Het gaat om de rollen van casemanager, vergunningverlener, toezichthouder/handhaver, juridisch adviseur en specialistisch adviseur. Lijnmanagers en HR-adviseurs van gemeenten en omgevingsdiensten kunnen de profielen gebruiken als hulpmiddel (bij voorkeur als onderdeel van de strategische personeelsplanning) om hun teams te ontwikkelen. Met als doel om samen steeds beter in de geest van de Omgevingswet te kunnen werken.
De systematiek van de competentieprofielen is anders dan van de inhoudelijke kwaliteitscriteria. Competenties zijn moeilijker objectief en kwantitatief meetbaar te maken dan de inhoudelijke kwaliteitscriteria. Ook de ontwikkeling van competenties is complexer dan die van inhoudelijke kennis en vaardigheden. Bovendien zeggen competenties primair iets over de individuele medewerkers en het is niet wenselijk om deze informatie op individueel niveau openbaar te maken. Daarnaast bevinden de organisaties zich in een andere fase van ontwikkeling dan bij hun oprichting en de start van de inhoudelijke kwaliteitscriteria. De organisaties hebben al de nodige stappen gezet om kwaliteit te verbeteren. De krapte op de arbeidsmarkt maakt het moeilijk om goed personeel te vinden en te behouden. Vandaar dat gekozen is voor een groeimodel met een positieve invulling: een lonkend perspectief voor de organisaties en de medewerkers. Aan de hand van een stappenplan wordt dit groeimodel geconcretiseerd. De keuze voor de competentieprofielen en het stappenplan is gebaseerd op een aantal uitgangspunten. Daarna volgen de vijf competentieprofielen en het stappenplan ‘inzicht in competentieprofielen’, om het goede gesprek hierover intern en indien gewenst ook extern te faciliteren.
In alle deskundigheidsgebieden zijn de 5 belangrijkste competenties opgenomen. Dit is een selectie uit de 7 beschreven competenties van de 5 rollen onder de Omgevingswet. Er zijn meerdere verzoeken in de consultatie gedaan om deze uit te breiden (bv. communicatief bij Verduurzaming energie en adviesvaardigheid bij Advisering fysieke leefomgeving). Dat is vanwege de benodigde uitwerking niet in deze actualisatie meegenomen. Daarbij wordt geadviseerd om eerst een aantal jaren ervaring op te doen met werken in de geest van de Omgevingswet, zodat na evaluatie de competentieprofielen geactualiseerd kunnen worden.
Uitgangspunten
Voor de ontwikkeling van de competentieprofielen en het stappenplan van “inzicht in competentieprofielen” zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Competentieprofielen:
- •
Het startpunt voor het toevoegen van competenties aan de kwaliteitscriteria is de aanbeveling van Berenschot (2019).
- •
De competentieprofielen zijn een nieuwe toevoeging aan de kwaliteitscriteria. De insteek is daarom dat ook de competentieprofielen en het stappenplan doorontwikkeld zullen worden aan de hand van ervaringen uit de praktijk.
- •
De Omgevingswet is het uitgangspunt, daarom is gekozen voor om de competentieprofielen die voor de implementatie van de omgevingswet worden gehanteerd als vertrekpunt te gebruiken. Deze zijn verder uitgewerkt.
- •
Door gelijke begrippen en definiëring te hanteren kan de beoogde VTH-uitvoeringspraktijk zo goed mogelijk aansluiten bij de voorgestane denk- en werkwijze van de omgevingswet. Omwille van de consistentie is daarnaast aansluiting gezocht bij de bestaande deskundigheidsgebieden uit bijlage B van de kwaliteitscriteria. Op deze manier hebben we gekozen voor een pragmatische concretisering van het advies van Berenschot.
- •
Toezicht en handhaving worden in de praktijk vaak gezien als aparte rollen. In de kwaliteitscriteria is dit samengenomen binnen de deskundigheidsgebieden. Daarom is ervoor gekozen dit ook als één profiel te beschrijven.
- •
Elk profiel beschrijft de situatie waaraan de organisatie als geheel moet voldoen. Daarom is er geen onderscheid gemaakt binnen het profiel op basis van kennis- en ervaringsniveau.
Stappenplan:
- •
De competentieprofielen en het stappenplan hebben oog voor de organisatie, het werk en de mensen. Het zegt iets over de visie, processen en afspraken, maar ook iets over uitvoering van de VTH-taken binnen teams en functioneren van individuen daarbij. Om recht te doen aan de lokale autonomie is gekozen om de focus niet op medewerkersniveau, maar op organisatieniveau te leggen. Op dat niveau is dan sprake van een soort ‘bundeling’ van de in de organisatie (bij de individuele medewerkers) aanwezige competenties. De beoordeling van de medewerkers blijft daarmee de verantwoordelijkheid van de eigen organisatie.
- •
Deze nieuwe werkwijze is lerend, waarderend en reflectief: Wat is de stand van zaken? Waar is (al) groei zichtbaar? En waar liggen aanknopingspunten om te verbeteren? Het zet organisaties zelf in de lead om met de competentieprofielen te werken en eraan te voldoen, in plaats van dit te organiseren met externe prikkels en externe toezichthouders.
- •
De competentieprofielen en het stappenplan voeden het goede gesprek over de competentieprofielen: in de eigen organisatie en indien gewenst ook tussen organisaties.
- •
In het goede gesprek wordt leren van en met elkaar gestimuleerd.
- •
Er wordt uitgegaan van verschillende bronnen. Informatie over de mate waarin organisaties al voldoen aan de competentieprofielen is te vinden in verschillende documenten in de organisatie (de ‘harde’ kant), maar óók te ‘voelen en beluisteren’ in gesprekken met betrokkenen uit de organisatie (de ‘zachte’ kant). Door deze verschillende bronnen te benutten kan een optimaal beeld van de organisatie worden neergezet.
- •
De competentieprofielen en de waardering ervan is contextueel. Dit doet recht aan een verschillend startpunt en verschillende ontwikkelingsfasen van organisaties. Waar staat men nu en waar wil men heen? Wat zijn de ontwikkel- en verbeterpunten? Wat heeft de organisatie (aanvullend) nodig voor een professionele uitvoering van de publieke taak? Het doet recht aan de specifieke inrichting en uitvoering van VTH-taken binnen de organisatie.
- •
Het stappenplan moet afvinken ontmoedigen. Werken aan de verbetering van de kwaliteit van de VTH-uitvoering is alleen zinvol als dat gebeurt vanuit intrinsieke motivatie. Afvinken stimuleert kwaliteitsdenken en ontwikkeling veelal niet.
Deel B: Criteria voor kritieke massa
Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vooral vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, kennis, werkervaring en competenties en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om producten af te leveren met de gewenste kwaliteit. Met de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie en haar medewerkers in staat zijn om de taken en onderliggende operationele taken op een adequaat niveau uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan.
In onderstaande wordt een toelichting gegeven op het format deskundigheidsgebied.
Daarbij is het goed te weten dat de deskundigheidsgebieden waarvoor de kritieke massa geldt geen functieprofielen zijn. Zij ordenen de taken die uitgevoerd moeten worden en geven vervolgens per taak aan welke kritieke massa nodig is. In de praktijk kan één medewerker over meerdere deskundigheden beschikken. Belangrijk dat bij de deskundigheidsgebieden de geldende spelregels, zoals opgenomen in deel A, in acht worden genomen. Met deze spelregels is er meer flexibiliteit om te voldoen.
In de tabellen is aangegeven of bepaalde taken binnen de overheid uitgevoerd moeten worden of aan marktpartijen uitbesteed kunnen worden.
De criteria voor kritieke massa zijn opgebouwd uit generieke en specialistische deskundigheden. Generieke taken kunnen in principe uitgevoerd worden door generalisten zonder expert te zijn op een specifiek aspect. Voor deze deskundigheidsgebieden is het veelal voldoende om over basiskennis van verschillende aspecten te beschikken. Deze basiskennis stelt de generalist in staat om zelfstandig afwegingen te maken, waar nodig specialisten in te schakelen en om de toepasbaarheid van het werk van de specialist te kunnen beoordelen. Onder specialistische deskundigheidsgebieden zijn die taken/taken uitgewerkt die een expertmatig karakter hebben. Om deze taken te kunnen uitvoeren is diepgaande kennis van een bepaald aspect nodig.
De organisatie heeft voor de uitvoering van VTH-taken disciplines voor Uitvoering, Handhaving en Advies. Binnen deze disciplines werken mensen in een bepaalde functie en voeren zij specifieke taken uit. Voor de borging dient de organisatie over voldoende gekwalificeerde medewerkers te beschikken (kritieke massa). Of de medewerkers geschikt en bekwaam zijn wordt bepaald door: (aanvullende) opleidingen, (aanvullende) kennis (werk- en denkniveau), werkervaring, frequentie (routine met de uitvoering van de taak) en competenties (waarneembaar werkgedrag).
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
||||||
|
|
minimaal x medewerkers per sector die voldoen aan ondergenoemde criteria (afhankelijk van het vereiste niveau) |
|||||
|
|
||||||
|
In dit veld worden de taken behorend tot deze deskundigheid opgesomd. NB. Het is geen functieprofiel. |
||||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
||||||
|
Er kunnen verschillende eisen worden gesteld aan het niveau waarop de taak wordt uitgevoerd. Dit is afhankelijk van de complexiteit van de taken. De mate van complexiteit is daarmee mede bepalend voor aan welke delen van de kritieke massa criteria de organisatie moet voldoen. |
||||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
||
|
Basisopleiding: Hier wordt het minimale niveau aangegeven. Is sommige specialistische situaties ook de opleiding. |
Basiskennis: Hier wordt het minimale niveau aangegeven. |
Minimaal aantal jaren relevante werkervaring. |
Minimale tijdsbesteding die medewerkers per jaar aan de beschreven taken dienen te besteden. Daarbij zijn minimaal 450 of 900 productieve uren opgenomen. |
Hier zijn de 5 belangrijkste competenties (kerncompetenties) uit deel D overgenomen. |
||
|
Aanvullende opleiding(en): Hier worden de benodigde opleidingen beschreven. |
Diepgaande kennis: Hier wordt beschreven welke specifieke kennis nodig is. |
|||||
Generieke deskundigheidsgebieden
1. Casemanagen
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. Een medewerker op hbo-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. |
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren voor:
|
alleen eenvoudige situaties |
Minimaal 2 medewerkers die voldoen aan de ondergenoemde criteria voor eenvoudige situaties óf de criteria voor de deskundigheid "2 Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ óf de criteria voor de deskundigheid "3 Vergunningverlening milieu‟. |
|
|
een of meerdere complexe situaties |
Minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor complexe situaties óf de criteria voor de deskundigheid "2 Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening‟ óf de criteria voor de deskundigheid "3 Vergunningverlening milieu‟. |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor gevolgklasse 1 of eenvoudige gevolgklasse 2 |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competenties (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar in procesmanagement en het behandelen van Awb procedures |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: N.v.t. |
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor complexe situaties gevolgklasse 2 of gevolgklasse 3 |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
2 jaar in procesmanagement en het behandelen van Awbprocedures |
Besteden van minimaal 900 uur aan bovengenoemde 6 taken en/of begeleiden van 5 complexe meervoudige aanvragen per jaar. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: N.v.t. |
||||
2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. Een medewerker op hbo-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren voor |
||
|
alleen eenvoudige situaties |
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan de ondergenoemde criteria voor eenvoudige situaties |
|
|
een of meerdere complexe situaties |
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor complexe situaties |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor gevolgklasse 1 en eenvoudige gevolgklasse 2 |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor complexe gevolgklasse 2 of gevolgklasse 3 |
|
||||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie eenvoudige situaties |
3 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
3. Vergunningverlening milieu (BAL + omgevingsplan)
|
Onderstaande taken 1 t/m 6 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan milieubelastende taken te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke milieubelastende taken vallen onder klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasse III. Taken 7 en 8 kunnen worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die de deskundigheid heeft die nodig is voor activiteit 7. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers per sector die voldoen aan ondergenoemde criteria (afhankelijk van de klasse) |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I en eenvoudig II |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar in klasse I of II |
Afhandelen van 10 meldingen, gegevens en bescheiden (verstrekt bij informatieplicht start activiteit) en/of vergunningaanvragen per jaar in deze of een zwaardere klasse. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse II |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
2 jaar in klasse I of II |
Besteden minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Medewerkers die aan deze eisen voldoen, voldoen ook aan de eisen om de taken 1 t/m 6 uit te voeren van de deskundigheid "Casemanagen". |
|||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse II complex en klasse III |
|||||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|||
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II |
3 jaar in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden minimaal 900 uur aan deze taken bij klasse III |
Kerncompetenties:
|
|||
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||||
|
Medewerkers die aan deze eisen voldoen, voldoen ook aan de eisen om de taken 1 t/m 6 uit te voeren van de deskundigheid “Casemanagen". |
|||||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector procesindustrie |
|
||||||
|
|
|
||||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|||
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III |
3 jaar in de sector procesindustrie in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III. |
Besteden van 900 uur aan deze zes taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector procesindustrie. |
Kerncompetenties:
|
|||
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III
|
Diepgaande kennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
||||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector agrarisch |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
3 jaar in de sector agrarisch in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden van 900 uur aan deze zes taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector agrarisch. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III (met uitzondering van basiscursus regelgeving voor Seveso inrichtingen) |
Diepgaande kennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector afval |
|
|
|||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
3 jaar in de sector afval in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden van 900 uur aan deze zes taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector afval. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III (basis cursus regelgeving Seveso inrichtingen alleen voor klasse III) |
Diepgaande kennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse III Seveso-inrichtingen |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III |
3 jaar met gevaarlijke stoffen, waarvan ten minste 2 jaar in uitvoering Sevesoinrichtingen. |
Besteden van 900 uur bij klasse III, waarvan 675 uur bij klasse III Sevesoinrichtingen |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: Zie klasse II complex en klasse III |
||||
4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. Een medewerker op Hboniveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor eenvoudige situaties |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor complexe situaties |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren voor eenvoudige situaties |
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar (inclusief het verzamelen en/of opmaken van voorschriften) |
Besteden minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: Besluit bouwwerken leefomgeving (incl. beoordelen van gelijkwaardigheid) |
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren voor complexe situaties |
|
|
|||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie eenvoudige situaties |
3 jaar |
Besteden minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie eenvoudige situaties |
Diepgaande kennis:
|
||||
5. Toezicht en handhaving milieu
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. Het is aan het bevoegd gezag om de portefeuille aan milieubelastende taken te beoordelen (probleemanalyse) en te bepalen welke milieubelastende taken vallen onder klasse I, klasse II eenvoudig, klasse II complex en klasse III. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers per sector die voldoen aan ondergenoemde criteria (afhankelijk van de klasse) |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I en eenvoudig II |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar in klasse I of II |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken bij klasse I en II. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse II complex en klasse III |
|
|
|||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse I en eenvoudig II |
3 jaar in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken bij klasse III |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: Zie klasse I en eenvoudige klasse II
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector procesindustrie |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse I en eenvoudig klasse II |
3 jaar in de sector procesindustrie in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III. |
Besteden van 900 uur aan deze taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector procesindustrie én vijf fysieke inspecties bij IPPC installaties procesindustrie per jaar uitvoeren. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector agrarisch |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
3 jaar in de sector agrarisch in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden van 900 uur aan deze taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector agrarisch én vijf fysieke inspecties bij IPPC installaties agrarisch per jaar uitvoeren. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III |
Diepgaande kennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse I, II of III in de sector afval |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar in de sector afval in klasse II of III, waarvan ten minste 2 jaar in klasse III |
Besteden van 900 uur aan deze taken bij klasse III, waarvan 450 uur aan deze zes taken bij klasse III in de sector afval én vijf fysieke inspecties bij IPPC installaties afval per jaar uitvoeren. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): Zie klasse II complex en klasse III
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor klasse III Seveso-inrichtingen |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: Zie klasse II complex en klasse III
|
4 jaar met gevaarlijke stoffen, waarvan ten minste 3 jaar in uitvoering Seveso-inrichtingen. |
Besteden van 900 uur bij klasse III, waarvan 675 uur bij klasse III Seveso-inrichtingen én uitvoeren van vier audits per jaar |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
6. Toezicht en handhaving bodem
|
Onderstaande taken bij saneringen, meldingen grondverzet en (tijdelijke) opslag van grond/baggerspecie buiten inrichtingen moeten binnen de overheid worden uitgevoerd. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die taken 1 t/m 8 uitvoeren voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die taak 9 uitvoeren voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die de taken of taken 1 t/m 8 uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: N.v.t. |
||||
|
Eisen aan medewerkers die de taak 9 uitvoert |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
Minimaal 2 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: n.v.t. |
||||
7. Toezicht en handhaving natuur (Natura 2000, soortenbescherming, faunabeheer, hout)
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken die bij het bevoegd gezag thuishoren. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers per taakveld van Natura 2000, die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers per taakveld soortenbescherming, die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
minimaal 2 medewerkers per taakveld faunabeheer en hout, die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze bovenstaande taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding voor Natura 2000 en soortenbescherming:
Basisopleiding voor faunabeheer en
|
Basiskennis:
Extra voor soortenbescherming:
Extra voor faunabeheer:
Extra voor Hout:
|
Minimaal 2 jaar |
Besteden van 900 uur aan deze taken. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
Extra voor Natura 2000 en Soortenbescherming:
|
Diepgaande kennis voor Natura 2000:
|
||||
Juridische deskundigheidsgebieden
8. Behandelen juridische zaken
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken die op grond van de Omgevingswet door (of in opdracht van) het bevoegd gezag uitgevoerd worden. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
Minimaal 2 juridisch medewerkers voor vergunningverlening en 2 juridisch medewerkers voor handhaving die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
Taken Algemeen:
Vergunningverlening:
Handhaving:
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau algemeen juridisch |
Basiskennis: LHSO |
Minimaal 1 jaar voor eenvoudige situaties Minimaal 3 jaar voor complexe situaties |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: n.v.t. |
||||
9. Ketentoezicht
|
Onderstaande taken (of werkzaamheden) moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken (of werkzaamheden) van de Omgevingswet die bij het bevoegd gezag thuishoren. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken (of werkzaamheden) uitvoeren |
|
|
minimaal 6 medewerkers voor de onderstaande taken die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
Taken (of werkzaamheden)
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
2 jaar (bv. als (administratief) toezichthouder, ketentoezichthouder, financieel rechercheur of analist) |
Besteden van 900 uur aan deze taken of werkzaamheden. |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
10. Buitengewone opsporing natuur en milieu en fysieke leefomgeving
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken van de Omgevingswet van het bevoegd gezag. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
Minimaal 3 medewerkers die de taken uitvoeren en voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
|
Elke organisatie moet voor het kunnen uitvoeren van de sanctiestrategie 24 uur per dag, 7 dagen per week beschikken over Boa’s met bevoegdheden voor alle wettelijke bepalingen uit de afbakening |
|
|
De organisatie dient bevoegde functionarissen aan te wijzen in het kader van de WPG |
|
|
De organisatie dient interne en externe WPG-audits uit te voeren |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|||||
|
De eisen die aan individuele Boa’s worden gesteld, zijn op basis van het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) en de bijbehorende Circulaire bekwaamheid verankerd. |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding:
|
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden minimaal 450 uur aan deze taak |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
Specialistische deskundigheidsgebieden accent bouwen
11. Bouwfysica
|
Onderstaande taken 1 t/m 10 kunnen worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over het deskundigheidsgebied ‘2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening’ of '4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening’. Een medewerker op Hbo-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor eenvoudige situaties |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor complexe situaties |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor eenvoudige situaties |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: Hbo-niveau |
Basiskennis: Kennis van in BBL aangewezen normen omgevingsregeling |
3 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren voor complexe situaties |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: HBO niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
12. Brandveiligheid
|
Onderstaande taken 1 t/m 8 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Een medewerker op Hbo-niveau beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor 1 t/m 5 |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor 6 t/m 8 |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die de taken 1 t/m 5 (eenvoudig) uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
||||
|
Eisen aan medewerkers die de taken 6 t/m 8 (complex) uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
13. Constructieve veiligheid
|
Onderstaande taken kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over het deskundigheidsgebied ‘2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening’ en ‘4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening’. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor eenvoudige situaties |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor complexe situaties |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor alleen gevolgklasse 1 en eenvoudige gevolgklasse 2 |
|
|
|||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren voor complexe gevolgklasse 2 of gevolgklasse 3 |
|
|
|||
|
|
|
||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar ervaring |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
14. Sloop en asbest
|
Onderstaande taken kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over het deskundigheidsgebied ‘4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening’. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
Activiteit
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): ADK certificatieschema (initieel het landelijke examen theorie en praktijk ADK cat. I) excl. PE |
Diepgaande kennis: Jaarlijks te behalen PE-punten conform nader uit te werken schema van de werkkamer asbest ODNL |
||||
Specialistische deskundigheidsgebieden accent milieu
15. Afvalwater (Indirecte Lozingen)
|
Taken kunnen uitbesteed worden mits overheid over het deskundigheidsgebied toezicht en handhaven milieu beschikt en minimaal één medewerker met de deskundigheid voor afvalwater. |
|
Activiteit
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren voor |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
2 jaar |
Besteden van 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties: Omgevingsbewust Verbinden Integraal (samen) werken Verantwoordelijkheid Assertiviteit |
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: Het in samenhang interpreteren en hanteren van wettelijke voorschriften bodem- en waterregelgeving in Ow-stelsel |
||||
16. Bodem, bouwstoffen, water
|
Onderstaande adviestaken 1 en 4 moeten binnen de overheid worden uitgevoerd. Taken 2 en 3 kunnen worden uitbesteed aan een marktpartij, mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over de deskundigheidsgebieden 2. Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening, 4. Toezicht en handhaving bouwen en ruimtelijke ordening, 6. Toezicht en handhaving bodem en 11. Ketentoezicht |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers voldoen aan de bekwaamheidseisen van 1 |
|
minimaal 2 medewerkers voldoen aan de bekwaamheidseisen van 2 en 3 |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers voldoen aan bekwaamheidseisen van 4 |
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Voert regelmatig (minstens 10x per jaar) gegevens in het bodeminformatiesysteem |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en): n.v.t. |
Diepgaande kennis: n.v.t. |
||||
|
2. |
Ondersteunen en adviseren in het kader van vergunningverlening en toezicht en handhaving, waaronder:
|
|
3. |
Adviseren in het kader van een eenvoudig ‘afwijkingsbesluit’; beoordelen bodemkwaliteit vanuit een oogpunt van volksgezondheid. |
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: n.v.t. |
||||
|
4. |
Adviseren in het kader van een complex ‘afwijkingsbesluit’; beoordelen geohydrologische situatie in relatie tot beoogde functie, beoordelen effecten van beoogde functies op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid. |
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
17. Omgevingsveiligheid
|
Onderstaande taken 1 t/m 6 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Taak 5 wordt bij voorkeur door bovenregionale samenwerkingsverbanden en/of gespecialiseerde bureaus uitgevoerd. Dit geldt ook voor taak 6, omdat een relatief groot en ruimtelijk complex grondgebied nodig is om met voldoende frequentie het grote aantal verschillende typen situaties te kunnen beoordelen. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria voor 1 t/m 6 |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar (waaronder regelmatig advisering omgevingsplannen) |
Besteden 900 uur aan de taken 1 t/m 6 Per jaar minimaal 5 beoordelingen ter plaatse op PGSrichtlijnen uitvoeren |
Kerncompetenties:
|
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
|
|
|
18. Geluid & trillingen (milieu, ruimtelijke ontwikkeling en bouw)
|
Onderstaande taak 7 moet binnen de overheid uitgevoerd worden. Taken 1 t/m 6, 10 t/m 14 kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over minimaal één medewerker die beschikt over de deskundigheid nodig voor taken 8 en 9 |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken 7, 8 en 9 (eventueel aangevuld met 1 t/m 6, 10 t/m 14) uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan onderstaande criteria |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
|
Basisopleiding:
|
Basiskennis:
|
3 jaar |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetentie:
|
|
|
Aanvullende opleidingen:
|
|
|
|
|
19. Luchtkwaliteit & geur
|
Onderstaande taak 4 moet binnen de overheid uitgevoerd worden. Zonder de benodigde deskundigheid voor deze activiteit is het niet goed mogelijk om werkprocessen op een juiste manier uit te voeren en het werk van externen te beoordelen. Taken 1 t/m 3, 5 t/m 7 kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taak 4 (eventueel aangevuld met 1 t/m 3, 5 t/m 7) uitvoert |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken uitvoeren |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding:
|
Basiskennis:
|
3 jaar (waaronder het werken met en kunnen rekenen aan computer modellen) |
Besteden van 900 uur aan deze taken |
Kerncompetentie:
|
|
|
|
Aanvullende opleidingen
|
Diepgaande kennis:
|
|
|
|
20. Natuuractiviteiten
|
Onderstaande taken moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kerntaken die bij het bevoegd gezag thuishoren. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria |
|
|
Taken 1. |
Beoordelen aanvragen voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-taken, flora- en fauna-taken of houttaken; al dan niet in de vorm van "advies met instemming". |
|
2. |
Adviseren bij aanvragen voor Natura 2000-taken en flora- en fauna-taken en buitenplanse omgevingsplantaken. |
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: Hbo-niveau |
Basiskennis:
Extra voor soortenbescherming:
Extra voor faunabeheer:
|
2 jaar |
Besteden van 900 uur aan deze taken. |
Kerncompetenties
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
Extra voor Natura 2000 en Soortenbescherming:
Voor faunabeheer:
|
Diepgaande kennis voor Natura 2000:
|
||||
Specialistische deskundigheidsgebieden accent ruimtelijke ordening en duurzaamheid
21. Cultuurhistorie
|
Onderstaande taken 1 t/m 5 moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. De overige taken kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria 1 t/m 5 |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria 6 t/m 10 |
|
|
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan ondergenoemde criteria 11 t/m 15 |
|
Activiteit
|
|
Eisen aan medewerkers die de taken of taken 1 t/m 5 uitvoeren |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
3 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
||||
|
Activiteit
|
|
Eisen aan medewerkers die de taken of taken 6 t/m 10 uitvoeren |
|
||||
|
|
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
5 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
||||
|
Activiteit
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken 11 t/m 15 uitvoeren |
|||||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: wo-archeologie |
Basiskennis:
|
1 jaar |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
Basiscursussen (zoals gegeven door PASTA (Postacademisch ScholingsTraject Archeologie):
|
Diepgaande kennis: |
||||
22. Verduurzaming Energie
|
Onderstaande taken 1 tot en met 3 moeten binnen de overheid worden uitgevoerd. |
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
minimaal 2 medewerkers voldoen aan de criteria van taak 1 |
|
|
|
minimaal 2 medewerkers voldoen aan de criteria van taak 2 en 3 |
|
Taak
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: mbo4-niveau |
Basiskennis:
|
Minimaal 1 jaar met deze taken |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
|
Taken
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
Minimaal 3 jaar met deze taken Voor ETS/Seveso bedrijven: minimaal 5 jaar met deze taken |
Besteden van minimaal 900 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis:
|
||||
23. Advisering fysieke leefomgeving
|
Onderstaande taken worden bij voorkeur door een omgevingsdienst uitgevoerd. Op die manier blijft de kennis binnen de organisatie. NB. Het blijft de keuze van een regio (gezamenlijke opdrachtgevers OD) om deze taak af te nemen en zo ja welk niveau. Afhankelijk van de keuze dient aan de kwaliteitscriteria zoals hieronder beschreven te worden voldaan. Taken kunnen uitbesteed worden aan een marktpartij mits de uitbestedende overheidsorganisatie beschikt over deskundigheidsgebieden Vergunningverlening bouwen en ruimtelijke ordening, vergunningverlening milieu (Bal + omgevingsplan). |
|
|
Eisen aan organisaties die onderstaande taken uitvoeren |
|
|
De minimale hoeveelheid medewerkers is 2. De minimale hoeveelheid is voorts afhankelijk van:
|
|
|
Taken Niveau 1: Integraal adviseren over de fysieke leefomgeving (beleidsontwikkeling)
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|
||
|
Niveau 1 (Integraal adviseren over de fysieke leefomgeving (beleidsontwikkeling) |
|
|
|
||
|
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
Minimaal 3 jaar |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
||||
|
Taken Niveau 2: Integraal adviseren over (en gebruiken van) de kerninstrumenten onder de omgevingswet (beleidsdoorwerking)
|
|||||
|
Niveau 2 (Adviseren over (en gebruiken van) de kerninstrumenten onder de omgevingswet (beleidsdoorwerking) |
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis:
|
Minimaal 1 jaar |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
||||
|
Taken Niveau 3: Integraal adviseren over regels uit het omgevingsplan en de omgevingsverordening (uitvoering)
|
|
Eisen aan medewerkers die deze taken of taken uitvoeren |
|
|
|||
|
Niveau 3 (adviseren over regels uit het omgevingsplan en de omgevingsverordening)(uitvoering) |
|
|
|||
|
Opleiding |
Aanvullende kennis |
Werkervaring |
Frequentie |
Competentie (deel D) |
|
|
Basisopleiding: hbo-niveau |
Basiskennis: |
N.v.t. |
Besteden van minimaal 450 uur aan deze taken |
Kerncompetenties:
|
|
|
|
|||||
|
|
Aanvullende opleiding(en):
|
Diepgaande kennis: |
|
|
|
Deel C: Procescriteria
Inleiding
De procescriteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. In de procescriteria wordt op een systematische wijze de samenhang tussen beleid en uitvoering beschreven. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn:
- –
Evaluatie
- –
Beleid
- –
Strategie
- –
Uitvoeringsprogramma
- –
Voorbereiding
- –
Uitvoering VTH en advisering
- –
Monitoring
De procescriteria betreffen eisen aan het proces. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie. De procescriteria vinden hun oorsprong in deel C van de kwaliteitscriteria versie 2.1 (2012).
De geactualiseerde procescriteria komen daarnaast voor een groot deel voort uit het Omgevingsbesluit (§ 13.2.2. Strategische en programmatische uitvoering en handhaving). Voor de onderdelen die niet zijn te herleiden naar het Omgevingsbesluit ligt de grondslag in andere wetgeving zoals de Omgevingswet25. Deze procescriteria gelden voor alle VTH-processen uitgevoerd door of namens het bevoegd gezag.
Dit deel C vervangt het oude deel C. Cruciale onderdelen zijn overgenomen en opgenomen en blijven zo van toepassing indien de tekst van de modelverordening (ongewijzigd) overgenomen is in een eigen kwaliteitsverordening. Voor een werkbare toepassing hebben de procescriteria de vorm van een checklist.
In de kolom ‘Toelichting’ van de checklist is waar mogelijk een toelichting opgenomen voor het betreffende criterium. Naast deze toelichting is het raadzaam de op 20 juni 2024 bestuurlijk vastgestelde Handreiking regionale beleidscyclus te raadplegen. De Handreiking is een dynamisch document en daarom wordt in de checklist alleen naar de paragraaf uit de Handreiking verwezen. De Handreiking regionale beleidscyclus is, net als de modelverordening, van toepassing op de VTH-processen bij omgevingsdiensten, gemeenten en provincies.
Het verdient aanbeveling de onderstaande checklist jaarlijks te doorlopen, tegelijk met het opstellen van de jaarrapportage (zoals beschreven onder 1 in de checklist) en het overzicht waarmee bepaald kan worden of de organisatie voldoet aan de in deel B beschreven kritieke massa. Er is ook een verplichting in artikel 5 van de modelverordening voor colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten om hierover een mededeling te doen richting respectievelijk gemeenteraden en Provinciale Staten. Bij het invullen van de checklist wordt aangeven of is gehandeld conform de geldende verplichtingen De vraag kan geantwoord worden met ja, nee of niet van toepassing. Wanneer “nee” wordt geantwoord, of “niet van toepassing” moet dit worden uitgelegd en gemotiveerd.
Procescriteria (aanvullend op de wettelijk verplichte procescriteria)
- 1.
Vergelijking en visitatie
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) ontwikkelt een systematiek (bijvoorbeeld via benchmarking of visitatie) om inzet, organisatie en het resultaat van de vergunningverlening en handhaving te vergelijken, te toetsen en te adviseren over verbetermogelijkheden.
- 2.
Strategie vergunningverlening
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een strategie en objectieve criteria voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, ter uitwerking van de in de wet bepaalde criteria. In deze strategie is vastgelegd welke vormen van vergunningverlening worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) zorgt ervoor dat de basiswerkwijze van vergunningverlening volgens een geborgd proces verloopt.
- 3.
Nalevingsstrategie (interventiestrategie)
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een nalevingsstrategie/ interventiestrategie, waarin is vastgelegd met welke instrumenten zij naleving wil bereiken en welke rol handhaving daarbinnen speelt.
- 4.
Toezichtstrategie
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een toezichtstrategie, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is.
- 5.
Sanctiestrategie
- a.
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een sanctiestrategie, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke optreden bij overtredingen is vastgelegd. a. De sanctiestrategie omvat ten minste:
- aa.
een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk – strafrechtelijk optreden tegen overtreding van de gestelde normen in lijn met de vastgestelde handhavingsstrategie;
- ab.
een passende reactie op geconstateerde overtredingen en een stringentere reactie bij voortduring of herhaling van de overtreding;
- ac.
transparantie over te stellen termijnen voor het opheffen van (standaard)overtredingen en over de zwaarte van sancties daarvoor;
- ad.
een regeling voor optreden tegen overtredingen door de eigen organisatie en andere overheden.
- aa.
- b.
Het toepassen van de landelijke sanctiestrategie is verplicht26.
- c.
Afwijken van de landelijke sanctiestrategie is alleen toegestaan indien dit aantoonbaar effectiever is.
- a.
- 6.
Gedoogstrategie
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een restrictieve gedoogstrategie, waarin is vastgelegd in welke situaties (overmacht, overgangssituatie en onmogelijkheid van handhaving) en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan worden gelaten. Deze gedoogstrategie volgt de inhoud van de algemene “Nota Grenzen aan gedogen”27.
- 7.
Externe afstemming
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) zorgt in de voorbereiding en uitvoering van haar vergunning- en handhavingstaken voor externe afstemming met andere bestuursorganen als de waterschappen. Dit geldt ook vertegenwoordigers van het Strafrecht (Politie en Functioneel Parket) en Veiligheidsregio’s (brandweer).
- 8.
Kwaliteitsborging
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een systematiek van interne borging (beschrijving, toetsing en verbetering) van de wijze waarop de taken beheerst kunnen worden uitgevoerd. De systematiek kent minimaal de volgende elementen:
- A.
Verantwoordelijkheid beleggen voor het ontwikkelen en in stand houden van kwaliteitszorg en het rapporteren over de voortgang. B. Zorg dragen voor kwaliteitsplan en – doelstellingen welke gericht zijn op het continu verbeteren, evalueren en (zo nodig) bijstellen.
- B.
Zorg dragen voor een kwaliteitsprogramma inclusief planning.
- C.
Borging werkwijze in cultuur en systemen.
- D.
Het managen van verbeterpunten.
- E.
Vergelijking en benchmark: interne en externe ogen houden ons scherp.
- A.
- 9.
Monitoring
Het bestuursorgaan (of in het geval van een omgevingsdienst de gezamenlijke bestuursorganen) handelt op grond van een systematiek van monitoring van het proces van vergunningverlening, toezicht en handhaving, de resultaten en voor zover mogelijk de effecten hiervan.
Checklist
1. Evaluatie
|
Vragen |
J/N/n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
Wordt jaarlijks gerapporteerd over de mate waarin het uitvoeringsprogramma is uitgevoerd? |
|
|
Ob, art 13.11 lid 1 art 13.7 lid 2 (IPPC-installaties) |
|
|
Wordt jaarlijks gerapporteerd over de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen die zijn gesteld in het uitvoerings- en handhavingsbeleid? |
|
|
Ob Art. 13.11 lid 1 |
Rapportage aan het AB (dan wel aan de gemeenteraden (art. 169 Gemeentewet) en Gedeputeerde Staten (art. 167 Provinciewet). Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) kunnen gemeenteraden Gedeputeerde Staten ook de AB leden vragen om informatie (art. 19 lid 1 jo art. 16 lid 1 Wgr) |
|
Wordt het uitvoerings- en handhavingsbeleid aangepast op grond van de resultaten uit de verantwoordingsrapportage? |
|
|
Ob Art. 13.11 lid 2 |
|
|
Vergelijkt mijn organisatie haar prestaties met anderen? |
|
|
Modelverordening Deel C Art 1 |
Handreiking regionale beleidscyclus Bijlage I. Denk bijvoorbeeld aan visitaties bij andere omgevingsdiensten |
2. Beleid
|
Vragen |
J/N/ n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
Heeft mijn organisatie een uitvoerings- en handhavingsstrategie waarin is aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke taken met het oog op die doelen zullen worden verricht? |
|
|
Ob Art 13.5 lid1 (BG) en art 13.5 lid 2 (OD) |
De uitvoeringstaak omvat in ieder geval:
De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat:
|
|
Heeft mijn organisatie in een uitvoerings- en handhavingsstrategie rekening gehouden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen? |
|
|
Ow Art. 2.2 lid 1 |
|
|
Stemt mijn organisatie de uitvoerings- en handhavingsstrategie af met andere bestuursorganen? |
|
|
Ow Art. 2.2 lid 1 |
Alleen indien nodig |
|
Is de handhavingsstrategie afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving? |
|
|
Ob Art 13.5 lid 3 |
Alleen indien nodig |
|
Is de handhavingsstrategie gebaseerd op een analyse van problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet? |
|
|
Ob Art 13.5 lid 4 |
|
|
Zijn de voor de doelen en prioriteiten benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk gemaakt en in de begroting gewaarborgd? |
|
|
Ob Art. 13.10. onder a |
|
3. Strategie
|
Vragen |
J/N/n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
Geeft de uitvoerings- en handhavingsstrategie inzicht in de manier waarop de prioriteiten zijn gesteld? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 1 onder a |
|
|
Geeft de uitvoerings- en handhavingsstrategie aan welke methode wordt gebruikt om te bepalen of de doelen worden bereikt? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 1 onder b |
|
|
Geeft de uitvoerings- en handhavingsstrategie inzicht in de criteria die worden gebruikt bij het beoordelen van en beslissen op aanvragen van vergunningen en het beoordelen van meldingen? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 1 onder c |
|
|
Heeft mijn organisatie een werkwijze beschreven voor het verlenen van vergunningen en het beoordelen van meldingen? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 1 onder d |
|
|
Zijn de afspraken door bestuursorganen onderling en met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving opgenomen in de handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 2 onder a |
Denk hierbij ook aan de Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) |
|
Is de wijze waarop toezicht op de naleving wordt gehouden opgenomen in de handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 2 onder b |
|
|
Is de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving en eventueel daaraan verbonden consequenties opgenomen in de handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 2 onder c |
|
|
Is de wijze waarop bestuurlijke sancties (inclusief termijnen die bij het opleggen en ten uitvoer daarvan worden gehanteerd) en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, opgenomen in de handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 2 onder d |
|
|
Is de wijze waarop wordt gehandeld na geconstateerde overtredingen die zijn begaan door of in naam van een bestuursorgaan of een andere tot de overheid behorende instantie, opgenomen in de handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.6 lid 2 onder e |
|
|
Worden de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen voor het verrichten van de taken, inzichtelijk gemaakt in de begroting en gewaarborgd om de gestelde doelen te bereiken? |
|
|
Ob Art 13.10 onder a |
|
|
Wordt bij de voorbereiding van het toezicht uitgegaan van een register waarin in ieder geval IPPC-installaties zijn opgenomen? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 1 onder a |
|
|
Is in de handhavingsstrategie een frequentie opgenomen voor het routinematig toezicht? |
|
|
Ob Art 13.7 .lid 1 onder b |
|
|
Is in de handhavingsstrategie opgenomen dat bij de bepaling van frequentie van het routinematig toezicht op IPPC-installaties minimaal rekening gehouden met: de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem en is de toezicht frequentie minimaal:
|
|
|
Ob Art 13.7 lid 1 onder b |
|
|
Is in de handhavingsstrategie een termijn bepaald waarbinnen, na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding nietroutinematig toezicht wordt gehouden? |
|
|
Ob Art 13.7 lid . 1 onder c |
|
|
Is voor de IPPC-installaties in de handhavingsstrategie bepaald dat de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding nietroutinematig toezicht wordt gehouden zo spoedig mogelijk moet zijn en in voorkomend geval vóór de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 1 onder c |
|
|
Is voor IPPC-installaties in de handhavingsstrategie bepaald dat na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht binnen zes maanden routinematig toezicht wordt gehouden? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 1 onder c |
|
|
Is in de in de handhavingsstrategie een termijn bepaald waarbinnen gerapporteerd moet worden? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 2 onder a |
|
|
Is in de handhavingsstrategie, minimaal voor de IPPC-installaties, bepaald dat de termijn waarbinnen wordt gerapporteerd twee maanden is? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 2 onder a |
|
|
Is in de handhavingsstrategie, minimaal voor de IPPC-installaties, een termijn bepaald waarbinnen en mate waarin rapportage openbaar wordt gemaakt? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 2 onder b |
|
|
Is in de handhavingsstrategie een termijn van vier maanden vastgelegd waarbinnen en de mate van rapportage openbaar wordt gemaakt, voor de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 2 onder b |
|
|
Is in de handhavingsstrategie bepaald dat de termijn waarbinnen en mate waarin rapportage openbaar wordt gemaakt, waarbij die termijn voor rapportage met betrekking tot IPPC-installaties vier maanden is? |
|
|
Ob Art 13.7 lid 2 onder b |
|
|
Handelt men conform een vastgestelde toezichtstrategie? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 4 |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel I 3.2.2 |
|
Handelt men conform een vastgestelde sanctiestrategie? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 5 |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel I 3.2.2 |
|
Handelt men conform de vastgestelde landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO)? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 5 onder b |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel II 6.2 |
|
Is er een samenwerkingsstrategie? |
|
|
Modelverordening Deel C |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel II 6.1 |
|
Is er een gedoogstrategie vastgesteld? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 6 |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel I 3.2.2 |
|
Is er een vergunningenstrategie vastgesteld? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 2 |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel I 3.2.2 |
|
Is er structureel aandacht voor de actualiteit van de vergunningen, bijvoorbeeld via een actualisatieprogramma? |
|
|
Ow Art. 5.38 en 16.56 |
|
4. Programma
|
Vragen |
J/N/n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
Heeft mijn organisatie een uitvoeringsprogramma waarin wordt aangegeven welke van de taken het komende jaar zullen worden verricht? |
|
|
Ob Art 13.8 lid 1 |
|
|
Wordt in het uitvoeringsprogramma rekening gehouden met de gestelde doelen en de prioriteitenstelling zoals geformuleerd in de uitvoerings- en handhavingsstrategie? |
|
|
Ob Art 13.8 lid 1 |
|
|
Wordt het uitvoeringsprogramma afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving? |
|
|
Ob Art 13.8 lid 2 |
Alleen indien nodig |
|
Zijn er voor de uitvoering van het uitvoeringsprogramma voldoende financiële en personele middelen beschikbaar? |
|
|
Ob Art 13.10 onder b |
|
5. Organisatie
|
Vragen |
J/N/ n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
|
Is de uitvoeringsorganisatie zodanig ingericht dat een goede uitvoering van de uitvoerings- en handhavingsstrategie en het uitvoeringsprogramma is gewaarborgd? |
|
|
Ob Art 13.9 lid 1 |
|
|
|
Is de personeelsformatie (functies, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden) vastgelegd? |
|
|
Ob Art 13.9 lid 2 onder a |
|
|
|
Wordt binnen mijn organisatie voorkomen dat personen die werken aan milieubelastende activiteiten naast het:
|
Ob Art 13.9 lid 2 onder b |
||||
|
Is binnen de uitvoeringsorganisatie bij toezicht en handhaving sprake van roulatie op dossierniveau? |
|
|
Ob Art 13.9 lid 2 onder c |
|
|
|
Is de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de organisatie ook buiten kantooruren gegarandeerd? |
|
|
Ob Art 13.9 lid 2 onder d |
|
|
|
Handelt de uitvoeringsorganisatie op grond van door het bestuur vastgestelde werkprocessen, procedures en bijbehorende informatievoorziening voor de uitvoering en handhaving? |
|
|
Ob Art 13.9 lid 3 |
|
|
|
Handelt mijn organisatie op grond van een kwaliteitssysteem waarmee taken beheerst kunnen worden uitgevoerd? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 8 |
|
|
6. Monitoring
|
Vragen |
J/N/ n.v.t |
Argumentatie (uitleg en motivering van afwijkingen) |
Vindplaats |
Toelichting |
|
Beschikt mijn organisatie over een volwaardig datasysteem om de resultaten te monitoren en de het behalen vastgestelde beleidsdoelen? |
|
|
Modelverordening Deel C Art. 9 |
Handreiking regionale beleidscyclus Deel I § 3.6 |
Deel D : Competentieprofielen
Processen gaan pas werken als mensen er vorm aan geven. Daarom zijn competentieprofielen opgesteld voor de nieuwe of meest veranderende rollen onder de Omgevingswet. Het gaat om de rollen van casemanager, vergunningverlener, toezichthouder/handhaver, juridisch adviseur en specialistisch adviseur. Lijnmanagers en HRadviseurs van gemeenten en omgevingsdiensten kunnen de profielen gebruiken als hulpmiddel (bij voorkeur als onderdeel van de strategische personeelsplanning) om hun teams te ontwikkelen. Met als doel om samen steeds beter in de geest van de Omgevingswet te kunnen werken.
De competentieprofielen bestaan uit vijf verschillende onderdelen:
- 1:
Deskundigheidsgebieden
- 2:
Dilemma’s
- 3:
Omschrijving van de rol
- 4:
Levelindeling
- 5:
Competenties
De verschillende onderdelen worden hieronder toegelicht.
- 1.
Deskundigheidsgebieden
Onder het onderdeel Deskundigheidsgebieden staat beschreven welke deskundigheidsgebieden uit deel B van de kwaliteitscriteria van toepassing zijn op de beschreven rol.
- 2.
Dilemma’s
Een dilemma is een spanningsveld binnen de verwachtingen van een rol. Inzicht hierin maakt dat ze in het licht van de rol besproken kunnen worden. De dilemma’s die gebruikt zijn bij het in kaart brengen van de rol zijn:
- •
consolideren versus vernieuwen: vraagt de rol om het bestendigen van hetgeen wat reeds aanwezig is of vraagt de taakomschrijving het in gang zetten van beweging?
- •
taakgericht versus mensgericht: vraagt de rolbeschrijving om gedrag waarbij de focus ligt op zelfstandig werken, resultaatgericht werken en plannen? Of mag de medewerker in deze rol zich richten op de samenhang tussen onderdelen en op mensen om zich heen?
- •
en ondersteunen versus sturen: vraagt de rolbeschrijving om samenwerken, luisteren, verbinden, zelfstandig en gestructureerd werken?? Of mag een medewerker in deze rol juist meer initiëren, stimuleren, besluitvaardig en resultaatgericht handelen?
- •
- 3.
Omschrijving van de rollen
Dit onderdeel bevat de kernbeschrijving van de taken, waarvan anderen verwachten dat een medewerker in deze rol deze taken uitvoert.
- 4.
Niveau-indeling
De gebruikelijke niveauaanduiding gaat uit van een onderscheid tussen:
- –
Intra-persoonlijk: een rol met dit level richt zich met name op het uitvoeren van taken met een eenzijdige informatiestroom. Taken zijn relatief kort-cyclisch en worden zelfstandig uitgevoerd. Het level intra-persoonlijk komt overeen met een rol op operationeel niveau.
- –
Interpersoonlijk: een rol met dit level richt zich met name het team. De rol deelt informatie met anderen en stemt met anderen stemt af. Het level interpersoonlijk komt overeen met een rol op beleidsniveau.
- –
Interactief: een rol met dit level richt zich op het zenden van sturende informatie. Een rol op dit level is voortdurend aan het communiceren en stelt zijn eigen visie en aanpak af op de informatie die van anderen binnen de organisatie terugkomt. Het level interactief komt overeen met een rol op tactisch niveau.
- –
Iteratief: een rol met dit level richt zich op strategische informatie: het ontwikkelen van een visie. Een rol met dit level probeert met de organisatie in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het level iteratief komt overeen met een rol op strategisch niveau.
- –
- 5.
Competenties
Onder het onderdeel met de competenties volgt een opsomming van de 5 belangrijkste competenties voor deze rol. Onder elke competentie staat een toelichting over hoe de competentie in de context van de rol vorm krijgt. De volgende competenties worden onderscheiden:
- –
Omgevingsbewust
- –
Verbinden
- –
Bestuurlijke sensitiviteit
- –
Integraal (samen)werken
- –
Verantwoordelijkheid
- –
Oordeelsvorming
- –
Assertiviteit
- –
-
Er zijn gelet op de Omgevingswet voor 5 rollen competenties opgesteld:
- –
Casemanager
- –
Vergunningverlener
- –
Toezichthouder/handhaver
- –
Juridisch adviseur
- –
Specialistisch adviseur
- –
Zo nodig worden daar in een later stadium extra rollen aan toegevoegd. Dat geldt ook voor de competenties.
Casemanager
Vergunningverlener
Toezicht en handhaver
Juridisch adviseur
Specialistisch adviseur
Stappenplan “inzicht in competentieprofielen”
Toepassing
De stappen om inzicht te krijgen in de competentieprofielen zijn als volgt:
Stap 1: Zelfevaluatie
De organisatie voert tweejaarlijks een zelfevaluatie uit aan de hand van de ‘Score zelfevaluatie’. Hierbij waardeert de organisatie in welke mate zij (al) voldoet aan de nieuwe competentieprofielen. De organisatie bepaalt wie deze waardering (per profiel of voor de zelfevaluatie als geheel) uitvoert. Voor een zo objectief mogelijke score wordt hierin een meer-ogen-principe sterk aanbevolen. De organisatie waardeert de competentieprofielen aan de hand van een beoordelingsschaal. Het is de bedoeling ‘holistisch’28 te scoren per competentieprofiel. De score wordt onderbouwt met een toelichting aan de hand van een set hulpvragen. Dit geeft de organisatie niet alleen inzicht in de stand van zaken, maar ook input voor (door)ontwikkeling ten aanzien van de competentieprofielen en te sturen op verbetering.
Stap 2: Optioneel: Collegiale toetsing
Indien gewenst kan na de zelfevaluatie een collegiale toetsing worden uitgevoerd door een aantal collega-organisaties. Dit is geen verplichting, maar kan de zelfevaluatie verrijken met een kritische externe collegiale blik, helpen spiegelen en de sterke punten en blinde vlekken van de organisatie in beeld brengen. In de collegiale toetsing is ruimte voor halen en brengen, leren van en met elkaar. De ontwikkeling staat centraal en er wordt onderling gesproken over ‘practices’ om van en met elkaar te leren. Dit wordt ondersteund door een aantal hulpvragen. Een collegiale toetsing kan daarmee bijdragen aan het lerend vermogen van de organisatie zelf, maar ook aan het lerend vermogen van organisaties onderling.
Hulpvragen
Om te komen tot een beoordeling van de eigen organisatie in de zelfevaluatie, maar ook om het goede gesprek te voeren met collega-organisatie zijn hulpvragen opgesteld. Deze helpen na te denken over de huidige stand van zaken, de ontwikkeling die al is doorgemaakt en de uitdagingen die nog spelen. Deze hulpvragen worden aangereikt als hulpmiddel, maar zijn niet verplicht. Om de hulpvragen ten behoeve van de zelfevaluatie te beantwoorden kunnen ook de genoemde bronnen in de organisatie worden benut, de ‘harde’ bronnen, maar ook de ‘zachte’ bronnen, zoals geschetst in de inleiding.
Stap 3: Conclusies en actieplan
Op basis van stap 1 en eventueel stap 2 concludeert de organisatie waar zij staat ten aanzien van de competentieprofielen. Wat is de stand van zaken? En wat is het gewenste ontwikkelingsperspectief? Waar kan en wil men als organisatie groeien en door ontwikkelen? Welke input, ideeën en acties komen vanuit de organisatie zelf (top-down en bottom-up) en welke suggesties zijn gedaan in de collegiale toetsing (indien van toepassing)? De organisatie formuleert (indien nodig of gewenst) concrete verbeterstappen en/of ambities in een actieplan voor de volgende periode.
Beoordelingsschaal
Om organisaties zichzelf te laten beoordelen en staven, is een beoordelingsschaal ontwikkeld, afgeleid van een beoordelingsschaal die Berkeley hanteert. Deze schaal is een soort meetlat en helpt houvast te geven in de zelfevaluatie (‘waar staan we als organisatie?’) en eventueel bij de collegiale toetsing.
- •
Niveau 1 (onvoldoende): De organisatie voldoet op cruciale onderdelen niet aan de beschrijving in het competentieprofiel. Belangrijke verbeteringen op meerdere gebieden zijn nodig.
- •
Niveau 2 (verbetering nodig: De organisatie voldoet niet continu of niet op alle onderdelen aan de beschrijving in het competentieprofiel. Op één of enkele onderdelen is verbetering of aanvulling nodig.
- •
Niveau 3 (voldoet aan de verwachtingen): De organisatie voldoet in grote lijnen aan de beschrijving in het competentieprofiel. De organisatie voldoet gemiddeld genomen aan de gestelde verwachtingen maar er is nog serieuze verbetering mogelijk en gewenst.
- •
Niveau 4 (overtreft verwachtingen): De organisatie voldoet volledig aan de beschrijving in het competentieprofiel en overtreft op onderdelen de verwachtingen.
- •
Niveau 5 (uitzonderlijk): De organisatie voldoet ruimschoots aan de beschrijving in het competentieprofiel en overtreft deze op meerdere onderdelen. De organisatie levert uitzonderlijke prestaties en overtreft de verwachtingen op meerdere onderdelen.
STAP 1: HULPVRAGEN ZELFEVALUATIE: KOMEN TOT EEN SCORE T.A.V. DE COMPETENTIEPROFIELEN Deze hulpvragen kun je per competentieprofiel doornemen en kan gebruikt worden als onderbouwing van de ‘score zelfevaluatie’.
|
Hulpvragen |
Ruimte voor aantekeningen |
|
Hoeveel mensen vervullen een rol in het betreffende competentieprofiel en hoe zijn zij georganiseerd (beschrijf de situatie in jullie organisatie)? |
|
|
Waar komt de organisatie vandaan m.b.t. de ontwikkeling van de competenties in de competentieprofielen? Op welke wijze wordt gewerkt aan het (beter) voldoen aan de competentieprofielen en daar aandacht aan besteed? |
|
|
In welke mate voldoen medewerkers (samen) aantoonbaar aan het competentieprofiel? Wat voldoet (nog niet)? Waaruit blijkt dit? |
|
|
Op welke manier worden medewerkers ondersteund door de organisatie om (beter) te voldoen aan het competentieprofiel? |
|
|
Indien individuele medewerkers niet of onvoldoende voldoen, (hoe) wordt dit opgevangen/gecompenseerd door de rest van de organisatie? Hoe erg is het dat (nog) niet wordt voldaan aan het competentieprofiel? En in welke mate is dit verder te ontwikkelen? |
|
|
Wat zijn nog uitdagingen ten aanzien van het betreffende competentieprofiel (organisatie, team, medewerkers)? |
|
|
Wat maakt je als organisatie trots, specifiek met betrekking tot het betreffende competentieprofiel? Wat zijn sterke punten? Wat kunnen andere organisaties van je leren? |
|
|
Wat is de ambitie m.b.t. het betreffende competentieprofiel? Waar wil de organisatie, het team en waar willen de medewerkers naartoe groeien/in de komende periode aan werken? |
|
|
Welke zaken dienen aangepakt te worden voor het betreffende competentieprofiel? Waar heb je als organisatie last van? Welke verbeteracties zijn nodig of wenselijk? |
|
STAP 2 (OPTIONEEL): COLLEGIALE TOETSING: HULPVRAGEN ALS LEIDRAAD VOOR HET GOEDE GESPREK
|
Hulpvragen |
Ruimte voor aantekeningen |
|
Wat valt op in de zelfevaluatie? Welke vragen leven er (nog)? Wat is (nog) onvoldoende duidelijk? |
|
|
In gesprek: Hoe komt ieder tot een beoordeling/ score? Welke punten zijn daarin leidend? |
|
|
Wat betekenen de uitkomsten van de zelfevaluatie voor de organisatie? Hoe gaat/wil men ermee verder? |
|
|
Op welke wijze wil men werken aan het (beter) voldoen aan de competentieprofielen? |
|
|
Wat kunnen andere organisaties hier leren / ‘halen’? Waar ben je trots op en waarom? |
|
|
Wat vind je moeilijk? Wat gaat nog niet zo goed? Waar zit jullie grootste uitdaging? Wat kunnen andere organisaties hier ‘brengen’? |
|
|
… (ruimte voor eigen invulling/aanvulling |
|
STAP 3: CONCLUSIES EN ACTIEPLAN
|
Hulpvragen |
Ruimte voor aantekeningen |
|
Conclusies |
|
|
Waar staan wij ten aanzien van de competentieprofielen? Wat is de stand van zaken? |
|
|
Wat gaat goed ten aanzien van de verschillende competentieprofielen? |
|
|
Wat kan/moet beter ten aanzien van de verschillende competentieprofielen? |
|
|
Waar kunnen, willen of moeten wij naartoe groeien? En wat is onze ambitie? Waar willen wij in de komende periode aan werken? |
|
|
Welke concrete verbeteractie of welke doorontwikkeling is nodig of wenselijk (per competentieprofiel of meer overkoepelend)? |
|
|
Actieplan |
|
|
Wat gaan we als organisatie de komende twee jaar concreet oppakken? (formuleer dit zo SMART mogelijk per competentieprofiel) |
|
Het verdient aanbeveling dat de ontwikkeling van de individuele medewerkers onderdeel uitmaakt van een strategische personeelsplanning. In onderstaande schema is aangegeven wat daarin de samenhang is tussen de organisatieontwikkeling en de persoonlijke ontwikkeling.
Bijlage 1 Overige begrippen en definities
Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
wetten.nl - Regeling - Omgevingswet - BWBR0037885 (overheid.nl)
Bijlage I. bij artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit (begrippen)
wetten.nl - Regeling - Omgevingsbesluit - BWBR0041278 (overheid.nl)
Bijlage I. bij artikel 1.1 van besluit activiteiten leefomgeving (begrippen)
wetten.nl - Regeling - Besluit activiteiten leefomgeving - BWBR0041330 (overheid.nl)
Bijlage I. bij artikel 1.1 van het besluit kwaliteit leefomgeving (begrippen)
wetten.nl - Regeling - Besluit kwaliteit leefomgeving - BWBR0041313 (overheid.nl)
Bijlage 2 Historie kwaliteitscriteria
- •
2005 Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
- □
2009 KPMG Versie 1.0 (opdrachtgever VROM)
- –
Kritische massa, Procescriteria (BIG 8), inh. kwaliteit en prioriteiten
- □
2012 Arena Versie 2.1 (opdracht IenM)
- □
- –
Actualisatie en toevoeging van deskundigheidsgebieden
- –
- □
- •
2013 Oprichting omgevingsdiensten (Slimmer organiseren van VTH omgevingsrecht => met meer kwaliteit)
- •
2015 Eerste modelverordening kwaliteit VTH omgevingsrecht (VNG en IPO)
- •
2019 Aanpassing modelverordening en de kwaliteitscriteria (juridisch)Ow
- •
2022 Herziening deel B en toevoeging competentieprofielen
- •
2025 Geactualiseerde KC versie 3.0
- •
2026 Beperkte revisie KC 3.1
Bijlage G Toetsprotocol activiteit bouwen gemeente Zoetermeer (geactualiseerd 2025)
Toetsprotocol activiteit bouwen
Gemeente Zoetermeer
1Inleiding
Voor u ligt het ‘Toetsprotocol activiteit bouwen van de gemeente Zoetermeer’ (hierna: Toetsprotocol). Dit Toetsprotocol maakt deel uit van het Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024-2028, ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’ (hierna: VTH-beleid). In het Toetsprotocol is vastgelegd met welke intensiteit een bouwplan, dat ingediend is bij de gemeente Zoetermeer, getoetst wordt aan wet- en regelgeving. Hierdoor wordt weloverwogen en herleidbaar aangegeven welke toets-aspecten aandacht verdienen en hoeveel aandacht de verschillende toets-aspecten krijgen.
Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden getoetst aan de voorschriften uit het omgevingsplan, de redelijke eisen van welstand, de gemeentelijke bouwverordening en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Dit Toetsprotocol heeft betrekking op de voorschriften uit het Bbl. De wetgever heeft de technische voorschriften uit het Bbl niet gedifferentieerd naar zwaarte. Door het Toetsprotocol wordt hier invulling aan gegeven.
Net als voor alle andere gemeenten is het ook voor Zoetermeer praktisch niet mogelijk om alle voorschriften even uitputtend te toetsen. Ook vraagt niet elk gebouw/bouwwerk om dezelfde mate van toetsing en controle. Bouwplannen lopen immers zeer uiteen.
Met het vaststellen van een Toetsprotocol:
- •
worden bouwplannen eenduidig, consequent, transparant en adequaat getoetst. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan;
- •
worden keuzes en prioriteiten gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd;
- •
kan naar inwoners en ondernemers herleidbaar worden aangegeven aan welke voorschriften uit het Bbl hun aanvraag getoetst is en met welke intensiteit.
De overheid kan zich, gemotiveerd, beperken tot het toetsen van die aspecten die zij het risicovolst acht en dus prioriteit wil geven. Dit kan, omdat de verantwoordelijkheid voor de naleving van de regelgeving in de Omgevingswet en het Bbl expliciet bij de marktpartijen is neergelegd. Inwoners en ondernemers worden geacht op de hoogte te zijn van de wet- en regelgeving en hebben de primaire verantwoordelijkheid zich hieraan te houden. De opdrachtgever van een bouwproject is ervoor verantwoordelijk dat de bouwwerkzaamheden goed en veilig worden uitgevoerd.
Een gebouw moet in de eerste plaats altijd voldoen aan de voorschriften die staan in het Bbl (artikel 1.6, 1.7 en 1.8 Omgevingswet). Hiermee legt de Omgevingswet de basis voor de bouwregelgeving. De aanvrager van een vergunning is verantwoordelijk voor het indienen van een correcte aanvraag. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de bij de aanvraag om een omgevingsvergunning overgelegde gegevens aannemelijk maken dat de bouwactiviteit voldoet aan de voorschriften van het Bbl (artikel 5.18 lid 1 Omgevingswet). Door dit ‘aannemelijkheidscriterium’ kan de diepgang van de toetsing van een bouwplan variëren en wordt de verantwoordelijkheid voor het bouwplan expliciet bij de aanvrager neergelegd. De eigen verantwoordelijkheid van de marktpartijen legitimeert de gemeente om zich te beperken tot het toetsen van die onderdelen van het Bbl die zij belangrijk acht zoals gezondheid en veiligheid.
1.1Reikwijdte
Het Toetsprotocol gaat uitsluitend over de toets van omgevingsvergunning plichtige bouwplannen aan de technische eisen uit het Bbl, exclusief het onderdeel constructieve veiligheid. De constructieve toetsing van gebouwen wordt uitgevoerd door de constructeur(s) en dit komt terug in het Toezichtprotocol welke ook met het VTH-beleid ter vaststelling wordt aangeboden.
Met de Omgevingswet zijn meer bouwwerken vergunningsvrij. Kleine bouwwerken, zoals een schuurtje of dakkapel, kunnen zonder bouwtechnische vergunning (voor een omgevingsvergunning met planologisch onderdeel geldt dit niet) worden gebouwd als ze voldoen aan regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Controle op naleving van deze regels gebeurt achteraf door toezichthoudende instanties, niet vooraf door het bevoegd gezag zoals de gemeente. Het is raadzaam vooraf bij de gemeente of deskundige te informeren over vergunningsvrij bouwen. Controle hiervan vindt plaatsvinden in de toezichthoudende en handhavende sfeer.29 Dit Toetsprotocol ziet dan ook niet toe op het vergunningsvrij bouwen.
1.2 Juridisch kader
Hieronder volgt een korte toelichting op het Bbl. Deze achtergrond informatie is gewenst om inzichtelijk te maken wat het juridisch kader van dit Toetsprotocol is.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Bbl is per 1 januari 2024 in werking getreden. Hierin zijn een groot aantal bestaande voorschriften over het (ver)bouwen, gebruiken en slopen van gebouwen en andere bouwwerken samengevoegd. Het Bbl is in de plaats gekomen van het Bouwbesluit 2012, de daarbij behorende ministeriële regeling, het Gebruiksbesluit en een aantal voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening. Het Bbl bevat ook voorschriften met als doel veilige, gezonde, bruikbare, energiezuinige en voor het milieu zo min mogelijk belastende gebouwen/bouwwerken te realiseren.
Met het Bbl is er voortaan één set technische voorschriften over het (ver)bouwen, gebruiken en slopen van gebouwen en andere bouwwerken (zoals tunnels, bruggen, overkappingen, schuttingen en straatmeubilair). Het Bbl is een Algemene Maatregel van bestuur (AmvB); de juridische basis is artikel 2 van de Woningwet. Tegelijk met het Bbl is een wijziging van de Woningwet in werking getreden. Hiermee zijn ook voorschriften over het gebruiken en slopen van bouwwerken (en het gebruiken van open erven en terreinen) onder de formele reikwijdte van artikel 2 van de Woningwet gebracht. Dit artikel vormt de wettelijke basis om ook technische en andere voorschriften over die onderwerpen in het nieuwe Bouwbesluit te geven, zoals voorschriften over het doen van een gebruiks- of een sloopmelding.
Hoofdstuk 2 t/m 5 van het Bbl bevatten voorschriften over veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Deze voorschriften hebben betrekking op het (ver)bouwen van bouwwerken en op de staat van bestaande bouwwerken. Hoofdstuk 6 bevat voorschriften over installaties. In hoofdstuk 7 zijn voorschriften over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen opgenomen. Hoofdstuk 8 bevat voorschriften over het slopen en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl maakt hierbij ook onderscheid naar de functie en /of functies van een bouwwerk.
1.3 BRIS
Gemeente Zoetermeer werkt met BRIStoets. Dit is een online hulpmiddel voor bouwplantoetsers om de gewenste kwaliteit van een bouwplan uniform te toetsen aan de eisen van wet- en regelgeving. BRIS heeft een Landelijke Toetsmatrix op basis van actuele wetgeving waardoor uniforme toetsing is gegarandeerd.
2Toetsmatrix
2.1 Prioriteiten zeer laag oplopend tot zeer hoog
In de toetsmatrix komt de prioritering van de activiteiten uit het VTH-beleid en het niveau van toetsen samen. Zoals ook in het VTH-beleid is toegelicht, is er aan de hand van zes criteria gekeken naar de impact en de omvang wanneer er onverhoopt iets misloopt. Het betreffen de criteria ‘gezondheid’, ‘veiligheid’, ‘leefbaarheid’, ’duurzaamheid’, ’financieel’ en ‘bestuurlijk’. Activiteiten waar de regels goed worden nageleefd krijgen een lagere prioriteit. Activiteiten zijn type gebouwen of bedrijven, bijvoorbeeld ‘wonen’, ‘industrie’ etc. Bij elke activiteit is gekeken welke maximale geloofwaardige calamiteit kan optreden bij normaal gebruik of normale bedrijfsvoering. Het resultaat is een prioriteitenlijst. Alle activiteiten hebben een eigen prioritering gekregen. Wij hanteren vier prioriteringsniveaus van zeer laag (prioriteit 4) oplopend tot zeer hoog (prioriteit 1). Deze vijf prioriteringsniveaus corresponderen met de hieronder nader toegelichte toetsniveaus.
Activiteiten met prioriteit:
- 1.
zeer hoog hebben een toetsniveau 4, integrale toets
- 2.
hoog hebben een toetsniveau 3, representatieve toets
- 3.
gemiddeld hebben een toetsniveau 2, visueel toetsen
- 4.
laag hebben een toetsniveau 1, uitgangspuntentoets
Naast de vaste prioritering en de daarbij horende toetsniveaus is er te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of de vaste prioritering in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van de vastgelegde prioritering. Dit betekent niet dat als er niet gemotiveerd afgeweken is, en er iets mis gaat, er gezegd kan worden dat er geen goede prioritering gehanteerd is. Zoals gezegd ligt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het gebouw bij de opdrachtgever.
Met de komst van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) kunnen bepaalde vergunningaanvragen worden vrijgesteld van inhoudelijke toetsing, afhankelijk van de geldende regelgeving en eventuele pilots of uitzonderingsregelingen. Bijvoorbeeld een gecertificeerde toetsing op basis van BN 5019 en de rapportage daarvan is aangeleverd bij de aanvraag. De toetsing aan de bouwtechnische eisen van een bouwwerk van de gemeente is verplaatst naar een onafhankelijke partij, de kwaliteitsborger, dan wel bouwtechnisch vergunningvrij verklaard in het Bbl .
2.2. De toetsniveaus
Hieronder volgt een definitie van de verschillende toetsniveaus. Deze definities komen overeen met de landelijke definities. De diepgang van de toets kan variëren van geen toets tot volledig toetsen:
Toetsniveau 1: uitgangspuntentoets
Bij toetsniveau 1 wordt getoetst of alle aangeleverde stukken beschikbaar zijn om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Controle beperkt zich tot de aangeleverde stukken (‘ontvankelijkheidstoets’). De toetser bladert diagonaal door de stukken en bepaalt op ervaring zijn oordeel aangaande het betreffende aspect. Niveau 1 geeft, in beginsel, minimale invulling aan de taak van de toetsende instantie. Niveau 1 kan worden toegepast op voorschriften waarvan de kans, dat niet wordt voldaan zeer gering is en de gevolgen indien niet wordt voldaan eveneens zeer gering zijn. Met andere woorden: als het risico (= kans x effect) gering wordt geacht. In geval het een prioritering laag betreft voeren wij een betrouwbaarheidstoets+ uit.
Toetsniveau 2: visuele toets
Van het aspect worden de uitgangspunten gecontroleerd en bekeken wordt of de uitkomsten realistisch zijn voor het gekozen ontwerp. Ook de tekeningen worden opengeslagen en op basis van ervaring wordt gekeken of het ontwerp voldoet aan de gestelde uitgangspunten. Is een uitkomst niet aannemelijk, dan zal de berekening altijd nagerekend moeten worden of moet verzocht worden om aanvullende gegevens.
Niveau 2 is inhoudelijk het basisniveau binnen de matrix. Het is mogelijk om op basis van een aannemelijke uitkomst een vergunning te verlenen, nadere gegevens te vragen of een aanvullende buitencontrole voor te schrijven. Een vergunning weigeren op basis van een niet aannemelijke uitkomst zal vrijwel altijd in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Indien een uitkomst niet aannemelijk is, dan zal deze altijd gecontroleerd/nagerekend moeten worden of kan door middel van een verzoek om aanvullingen meer duidelijkheid verschaft worden.
Toetsniveau 3: representatieve toets
Als eerste wordt het aspect getoetst op hoofdlijnen, volgens niveau 2. Vanuit deze toets wordt vanuit vakmanschap bepaald welk onderdeel representatief is voor het gehele aspect en dit onderdeel wordt inhoudelijk getoetst. Dit toetsen kan gebeuren door het maken van een schaduwberekening of het stap voor stap doorlopen van de ingediende berekening (keuze bouwplantoetser).
Niveau 3 is het niveau van toetsen voor voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid, met name van kwetsbare groepen, zoals niet zelfredzame mensen en kinderen jonger dan 4 jaar. Niveau 3 is eveneens geadviseerd voor voorschriften die gesteld zijn in het algemeen belang. Het bepalen van wat de belangrijkste berekeningen zijn blijft een taak van de bouwplantoetser. Hiervoor is geen eenduidige instructie te geven. Welke aspecten moeten worden nagerekend wordt bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.
Toetsniveau 4: integrale toets (volledig toetsen)
Van een aspect worden alle documenten bestudeerd, gecontroleerd en compleet getoetst door een schaduw berekening of door alle documenten van a tot z door te lopen.
Niveau 4 komt in de matrix alleen voor met betrekking tot toepassing van gelijkwaardige oplossingen30 (art. 1.3 van het Bbl). In de praktijk zal toetsen op niveau 4 voorkomen wanneer de kwaliteit van de aanvraag dan wel de veronderstelde weigeringsgrond aanleiding geeft tot het zwaarder toetsen dan volgt uit de matrix. Toetsniveau 4 is uiteraard zeer geschikt om bepaalde al dan niet tijdelijke of gebiedsgewijze speerpunten binnen het gemeentelijk beleid extra invulling te geven.
Bijlage H Methodiek constructief toetsen bouwplannen
Eindrapportage
Methodiek constructief toetsen bouwplannen gemeente Utrecht
Voorwoord
De ontwikkeling van een eenduidig, landelijk gedragen toetsprotocol voor de controlerend constructeurs van Bouw- en WoningToezicht is een behoefte waarnaar de vraag groot is. Deze behoefte is door BouwQ vervuld door, in samenwerking met deskundigen op verschillende vlakken, een toetsprotocol te ontwikkelen. Dit ontwikkelde protocol houdt rekening met het vakmanschap van de controlerend constructeurs en biedt tevens duidelijkheid en inzicht in hun werkzaamheden.
De deskundigen, dankzij wie dit project tot stand is gekomen, zijn:
- •
De werkgroep vanuit de hedendaagse praktijk, bestaande uit:
- ○
ing. M.J. de Rijke, Gemeente Zoetermeer
- ○
ir. R. Jense, Gemeente Arnhem
- ○
ing. P.J.A. Jacobs, Gemeente Amersfoort
- ○
ing. A.J. Winkel, Gemeente Hengelo / DB COBc
- ○
A.C. Bunte, Gemeente Utrecht
- ○
J. van Rossum, Gemeente Utrecht
- ○
ing. M. Tervoort, Gemeente Velsen
- ○
ing. P. Hoekstra, Gemeente Amsterdam
- ○
ing. G.H.G. Prevaes, Gemeente Maastricht
- ○
ing. R.D.E. Heino, Ingenieursbureau Heino
- ○
- •
De deskundigen vanuit TNO, bestaande uit:
- ○
ir. F.B.J. Gijsbers, voorzitter NEN-commissie TGB-Betonconstructies
- ○
prof. ir. A.C.W.M. Vrouwenvelder, expert op het gebied van constructieve veiligheid
- ○
ir. J. Hartog, voorzitter NEN-commissie TGB-Staalconstructies
- ○
dr. ir. IJ.J. van Straalen, expert bouwregelgeving
- ○
- •
De werkgroep vanuit het management, bestaande uit:
- ○
ir. W.J.M. Habets, Gemeente Utrecht
- ○
ing. C.A. Hoekstra, Gemeente Utrecht / COBc
- ○
ing. G.J. van Leeuwen, VBWTN
- ○
W.C.G. Ankersmidt, VBWTN
- ○
ing. J.G. van Leeuwen, COBc
- ○
Wij willen deze ruimte tevens gebruiken om bovengenoemde deskundigen te bedanken voor hun bijdrage.
Namens het projectteam van BouwQ,
Koos Hartog
Elwin Wagelmans
Samenvatting
Vanuit het management van de afdeling expertise van de sector publieke diensten van de gemeente Utrecht en de Vereniging Bouw en WoningToezicht Nederland, is de vraag naar BouwQ gekomen om een toetsprotocol te ontwikkelen. Het model-toetsprotocol dat hierbij wordt aangereikt is een methode die het mogelijk maakt ingediende constructieve gegevens verantwoord te toetsen. Uiteraard betekent dat een vergroting van de kans dat er mogelijk meer ontwerpfouten onopgemerkt blijven, maar de methode leidt wèl tot een risico-optimale aanpak die aanvaardbaar is, mits de mate van hantering (tijdsduur ten opzichte van een weer “normale” periode) niet tot een structurele teruggang van het toetsniveau-bewustzijn leidt.
Dit model-toetsprotocol bestaat uit 5 protocollen voor verschillende situaties, welke zijn opgebouwd uit een tabel met daarin de verschillende bouwwerktypes afgezet tegenover de constructieonderdelen. Voor elke combinatie is een toetsniveau bepaald, welke is gerelateerd aan een risicoprofiel dat is opgebouwd uit een gevolg en een kansindex. Deze toetsniveaus bepalen hoe het betreffende constructieonderdelen bij een bouwwerktype getoetst wordt.
Het proces waarmee de resultaten in dit project tot stand zijn gekomen kenmerkt zich door een intensieve interactiviteit. Het is een aanpak die op vele gebieden zijn waarde al heeft bewezen. Per relevant onderwerp worden op enig moment de meningen van deskundigen verzameld. Zoals te verwachten lopen die soms (enigszins tot ver) uiteen. Een interactieve confrontatie rond de geconstateerde verschillen scherpt de geesten, toetst elkaars uitgangspunten, verheldert de samenhang tussen de diverse aspecten en zo ontstaat in twee à drie cirkelgangen een gedragen eindresultaat van hoge kwaliteit.
Tijdens een pilotfase van de methode kunnen er nog een aantal cruciale zaken worden gemonitored, zodat er een extra check ontstaat op de kwaliteit van de werkwijze.
Ook biedt de methodiek handvatten om in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen die gaande zijn, zoals onder andere beschreven in het in 2008 verschenen “Compendium Aanpak Constructieve Veiligheid”, een uitgave van Betonvereniging, VROM inspectie, VBWTN, COBc, ONRI, Bouwen met Staal en het Constructeursplatform.
De risico-benadering van de problematiek biedt ook een handvat om de effecten voor BWT na te gaan indien op korte of langere termijn van bepaalde bouwwerken de verantwoordelijkheid voor de (preventieve) toets volledig verlegd wordt naar de markt (vergunningsvrij bouwen).
1PROJECTBESCHRIJVING
1.1Inleiding
Een aantal fatale schadevoorvallen in het recente verleden hebben er toe geleid dat de rol en verantwoordelijkheid van Bouw- en WoningToezicht (BWT) nogal prominent maatschappelijk aan de orde kwam.
Al gaat de rol van BWT bij de preventieve toetsing aangaande constructieve veiligheid formeel niet verder dan het vaststellen dat het “voldoende aannemelijk” is dat er aan de
bouwregelgeving is voldaan, toch wordt haar in de ogen van de maatschappij vaak een grotere verantwoordelijkheid toegedicht.
Om deze problematiek helder te maken heeft de Vereniging Bouw en WoningToezicht Nederland (VBWTN) en het Centraal Overleg Bouwconstructies (COBc) in november 2008 gezamenlijk een publicatie opgesteld: “CONSTRUCTIEVE VEILIGHEID: Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden Bouw- & Woningtoezicht” [4]
Een opvallende zinsnede bij de presentatie van deze uitgave is: “…. belangrijker is het als we samen met de andere partners in de bouw ons werk zo doen, dat de constructieve veiligheid promoveert van zorgenkind tot geborgde topprioriteit.”
Een bijkomend spanningsveld dat zich bovendien regelmatig voordoet is dat de momentane capaciteit bij BWT om ingediende bouwaanvragen constructief te toetsen niet op elk moment toereikend is voor het werk dat zich aandient.
Het management van de afdeling Expertise van de Sector Publieke Diensten van de gemeente Utrecht heeft met dit spanningsveld regelmatig te maken. Om dit probleem op te lossen stelt het management van de afdeling voor om bij een hoge werkbelasting voor constructief te toetsen bouwplannen, een aangepast toetsprotocol te hanteren.
Om vast te stellen welke onderdelen van het bouwwerk dit betreft in relatie tot de werkbelasting, heeft het management van de afdeling aan BouwQ gevraagd een risico-profiel op te stellen voor constructief te toetsen bouwwerken en onderdelen.
In mei 2009 is een aangepaste vraag geformuleerd over de te ontwikkelen „toetstool‟ welke eenvoudig van opzet is en geschikt dient te zijn voor 80 – 90% van het uit te voeren toetswerk.
Omdat deze „toetstool‟ ook bruikbaar is voor andere gemeenten treedt VBWTN op als mede- opdrachtgever en neemt COBc zitting in de begeleidingsgroep. Tevens wordt, om het project meer draagkracht te verlenen, een werkgroep bestaande uit controlerend constructeurs van verscheidene gemeenten ingeschakeld.
Aan BouwQ is gevraagd een toetsprotocol als handreiking voor de controlerend constructeurs te ontwikkelen. Het werkgebied van de ontwikkelde protocollen staat weergegeven in bijlage 1.
Het voorliggende document is de eindrapportage van dit project.
1.2Plan van Aanpak
De te ontwikkelen methodiek van het toetsprotocol heeft tot functie een fundamentele richting mee te geven aan de controlerend constructeur. Doel is dat onderdelen van een bouwwerk constructief op een bepaald niveau worden getoetst. Uitgangspunt is dat die onderdelen geselecteerd worden waarvan het risico dat een constructieve fout in het constructief ontwerp van het bouwwerk voorkomt, wordt geminimaliseerd. Het risico is hierbij gedefinieerd als de kans dat een fout voorkomt maal de gevolgen van die fout. De inschatting van de risico‟s zal plaatsvinden op beschikbare kennis en ervaring, en is als zodanig kwalitatief van aard. De methodiek zal overigens alleen van toepassing zijn op gangbare gebouwen.
Bij aanvang van het project werden de te volgen stappen als volgt verwoord:
- 1.
In kaart brengen van het huidige systeem van toetsing
-
Om zich goed in te kunnen leven in de werkwijze van de constructeurs bij het toetsen van bouwplannen, zullen de beschikbare “protocollen” / “checklijsten” worden opgevraagd via de vereniging VBWTN en het COBc. Daarnaast zullen interviews met totaal 6 controle constructeur worden gevoerd. De interviews zullen op twee dagen worden afgenomen.
- 2.
Opstellen van matrix bouwwerken-onderdelen-constructiesystemen
-
In een matrix zullen voor de bouwwerken zoals deze in het document “Een beter principe – Aangepaste werkwijze toetsen van het constructieprincipe van bouwwerken” opgesteld door Cees Hoekstra van de afdeling Expertise d.d. 16 juli 2008, worden uitgezet tegen de onderscheiden onderdelen van bouwwerken. Voor dit laatste zal worden aangesloten bij het classificatiesysteem Elementenmethode ‟91 zoals deze wordt beheerd door de BNA. Naast de onderdelen zal ook een onderscheiding plaats vinden op constructiesystemen betreft de samenhang van de onderdelen.
- 3.
Voorstel risicoprofielen
-
Voor elke relevante combinatie bouwwerk – onderdeel, zal een voorlopig risicoprofiel worden vastgesteld. In acht wordt genomen dat de uitleg van het risicoprofiel helder en eenvoudig van aard is. Bij het vaststellen van het risicoprofiel worden fouten die mogelijk kunnen optreden vastgesteld samen met de kans dat deze fouten voorkomen. Vervolgens zal per fout de gevolgen worden ingeschat, waarbij gekeken wordt naar de gevolgen voor de constructieve veiligheid gedurende de levensduur van het bouwwerk. Bij het inschatten van de kansen en de gevolgen wordt een kwalitatieve inschatting gemaakt. Om echter tot een evenwichtige vergelijking van de risicoprofielen te komen, zal de inschatting wel op uniforme wijze worden gekwantificeerd.
-
Bij het uitwerken van de voorstellen voor de risicoprofielen zullen experts van TNO Bouw en Ondergrond worden ingeschakeld. Zij overzien het constructieve veld van veiligheid, belastingen, funderingen, diverse constructiematerialen en de bouwregelgeving.
- 4.
Sessie bespreken opbouw matrix en afstemming risicoprofielen
-
Tijdens een eerste sessie waaraan naast het dagelijkse team van BouwQ en één van de experts van TNO en een aantal controlerend constructeurs (maximaal 10) aan deelnemen. Naast het bespreken van de opbouw van de matrix zal voor een beperkt aantal kenmerkende combinaties bouwwerk – onderdeel de definitieve risicoprofielen worden afgestemd. Bijkomend doel van de sessie is om controle constructeurs inzicht te geven en vertrouwen te winnen van de gevolgde aanpak.
- 5.
Uitwerken sessie risicoprofielen en bepalen toetsniveaus
-
In de periode na de sessie zal op basis van de resultaten een update van de risicoprofielen worden gemaakt. Tevens zal een ranking worden gemaakt van combinaties bouwwerk – onderdeel naar een aantal toetsniveaus waar een verschil van diepgang, kwaliteit van toetsen, aan wordt gekoppeld. Gedacht wordt nu aan een vier- tal toetsniveaus.
- 6.
Sessie definitieve afstemming risicoprofielen en toetsniveaus
-
Deze tweede sessie in dezelfde samenstelling zullen de risicoprofielen in gezamenlijkheid worden vastgesteld. Vervolgens zal aan de hand van een aantal voorbeelden met de controlerend constructeurs worden afgestemd of de methodiek in combinatie met de toetsniveaus in overeenstemming is met hun ervaring.
- 7.
Opstellen eindrapport
-
Na afloop van de tweede sessie zal zo spoedig mogelijk het eindrapport worden opgesteld en worden toegelicht aan de opdrachtgever.
Achtereenvolgens worden in deze rapportage de volgende onderdelen besproken:
- •
De achterliggende gedachten welke de basis hebben gevormd van het protocol (hoofdstuk 2).
- •
Het toetsprotocol zoals deze door BouwQ ontwikkeld is (hoofdstuk 3).
- •
De achterliggende tabellen waaruit dit protocol is opgebouwd (hoofdstuk 4 t/m 7).
- •
De evaluaties, conclusies en aanbevelingen die uit dit project getrokken kunnen worden (hoofdstuk 8 en 9).
2INLEIDENDE GEDACHTEN
Vanuit de interviews, plan van aanpak stap 1, zijn er een aantal overkoepelende gedachten ontstaan welke de onderliggende basis hebben gevormd van het protocol zoals dat in hoofdstuk 3 gepresenteerd wordt. Deze onderliggende gedachten worden hieronder puntsgewijs besproken.
- •
Controlerend constructeurs zijn hoogwaardige vakmensen. Vanuit dit vakmanschap wordt er als vanzelf van grof naar fijn gewerkt. Het herkennen en onderkennen van belangrijke en minder belangrijke zaken zit al in deze professionele wijze van werken. Het uiteindelijke protocol is dus niet een harde leidraad voor de controlerend constructeur, maar is een breed gedragen validatie van de eigen werkwijze die daarmee ook communiceerbaar wordt.
- •
Vanuit deze visie dient dus gesteld te worden dat de gehanteerde toetsniveaus een uitgangspunt zijn, waarbij tijdens de toetsing besloten kan worden om op- of neer te schakelen. Aanleiding hiertoe kan zijn een afwijkende complexiteit van het beschouwde aspect.
- •
Het vermoeden van een afkeuring ten gevolge van een te hoog foutniveau is in beginsel echter geen aanleiding tot opschakelen tenzij onderbouwing van een mogelijke afkeuring dit noodzakelijk maakt.
- •
Deze op- en neerschakelingen dienen wel traceerbaar vastgelegd te worden (ter periodieke evaluatie).
- •
De (wijze van) verslaglegging, evenals alle hulpmiddelen, checklists en naslagwerken voor de toetsers, vallen buiten dit project.
- •
Helderheid, overzichtelijkheid en eenvoud zijn de drie hoofdpunten voor de uitstraling van het protocol. Uitgebreide checklijsten zijn geen optie.
- •
Vanuit een basisprotocol, voor normale tijdsdruk, dient er een schakeling te worden gemaakt naar de volgende situaties:
- ○
Het structureel gedurende langere tijd een hoge werkdruk
- ○
Een piekbelasting gedurende korte tijd
- ○
- •
Naar analogie met andere toetsprotocollen worden er twee verschillende soorten risico beschouwd: gevolgen met betrekking tot persoonlijke veiligheid respectievelijk schade aan gebouw en omgeving.
- •
Het hanteren van een lager toetsingsprotocol is in principe niet geschikt om gedurende onbeperkte tijd te hanteren.
- ○
Een vakbekwame toetser voelt zich normaliter vanuit zijn/haar
- ○
verantwoordelijkheid „geroepen‟ om een toetsing adequaat uit te voeren op een voldoend, „normaal‟ niveau op alle ingediende aanvragen.
- ○
Langdurig tegen zijn/haar natuur in gaan brengt met zich mee de kans op een vorm van „degradatie‟ van deze vaktrots, met als gevolg een kwalitatieve achteruitgang op termijn van het algehele toetsniveau.
- ○
Het gedurende een half jaar toetsen met ca 30% minder tijdsbesteding wordt door alle betrokken deskundigen als een handelwijze gezien, waarbij nog steeds op aanvaardbare wijze aannemelijk wordt gemaakt dat het ontwerp aan de bouwregelgeving voldoet, mits de wèl bestede aandacht gericht is op de juiste risico‟s.
- ○
- •
Het ligt voor de hand om de kwaliteit van de indiener mee te beschouwen bij het niveau waarop de indieningbescheiden getoetst worden. Om aan dit aspect waarde toe te kennen dient het protocol hier openingen voor te bieden. Bovendien biedt dit mogelijkheden om in te spelen op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, onder andere het „compendium aanpak constructieve veiligheid‟ [1].
3OPBOUW TOETSPROTOCOL
De inleidende gedachten uit hoofdstuk 2 en de uitgangspunten uit het plan van aanpak, hoofdstuk 1, hebben samen geleidt tot het protocol zoals gegeven in bijlage 2. In de onderliggende paragrafen worden de afzonderlijke onderdelen van het protocol besproken.
Vanuit de interview- en inventarisatieronde is er een keuze gemaakt welke elementen in het protocol zichtbaar gemaakt worden om optimaal aan te sluiten bij de kern van het toetsen. De diverse protocollen en de opbouw van het protocol worden hieronder beschreven.
3.1Vijf protocollen
In totaal zijn er vijf protocollen ontwikkeld om te kunnen werken met verschillende tijdsdrukken en de kwaliteit van de indiener.
Daarnaast staat protocol 6 vermeld, waarbij aangetekend dat dit meer een hulpmiddel is om bepaalde tijdseffecten te kunnen inschatten.
Om te kunnen omgaan met de kwaliteit van de indiener kunnen er allerlei criteria worden gehanteerd. De ontwikkeling van het constructeurs register is hier een goed voorbeeld van. Bij alle geïnterviewde gemeenten is waarneembaar het fenomeen van de aloude betrouwbare grote en kleine indieners die stelselmatig werk van hoge kwaliteit blijken te leveren.
Als verzamelnaam voor deze “betrouwbare” indieners wordt in deze studie gehanteerd het al dan niet werken volgens het Compendium Aanpak Constructieve veiligheid. Door te werken volgens het Compendium (Aanpak Constructieve Veiligheid) wordt de interne kwaliteit geborgd en is de kans op fouten kleiner. Bovendien wordt dit compendium landelijk breed gedragen.
De volgende zes protocollen worden onderscheden:
- •
Toetsprotocol 1: Indiener voldoet niet aan het Compendium. Er wordt gewerkt met een normale werkdruk. Dit is het basisprotocol van waaruit de andere protocollen ontstaan. Hoewel het negatief lijkt om uit te gaan van een indiener die niet voldoet aan het Compendium, blijkt dit wel in overeenstemming te zijn met de huidige werkwijze. Tegelijk biedt het mogelijk een kans om betrouwbare indieners te “belonen” met een minder zware, en dus ook minder tijd kostende toetsing.
- •
Toetsprotocol 2 en 3: Indiener voldoet niet aan het Compendium. Om werkdruk te verlagen wordt een algeheel verhoogd risico aanvaard of een aantal bouwwerken of bouwdeel niet beoordeeld. Voor deze situatie zijn twee protocollen opgesteld.
- ○
Toetsprotocol 2 bereikt een lagere werkdruk door integraal een hoger risico te accepteren.
- ○
Toetsprotocol 3 werkt met een veegmethode waarbij onderdelen met weinig risico niet bekeken worden.
- ○
Meer over de verschillen tussen beide methoden is te vinden in hoofdstuk 7.
- •
Toetsprotocol 4: Indiener voldoet wel aan het Compendium. Er wordt gewerkt met een normale werkdruk.
- •
Toetsprotocol 5: Indiener voldoet wel aan het Compendium. Er wordt structureel gedurende langere tijd gewerkt onder een hoge werkdruk. Alleen de methode volgens toetsprotocol 2, integrale risicoverhoging, is hierop toegepast.
Het overschakelen van protocol 1 naar protocol 2, 3 of 5 is een management besluit wat genomen kan worden naar aanleiding van signalen vanuit de afdeling.
Toetsprotocol 6 is een alternatief protocol, beschouwd voor het op dit moment nog hypothetische geval dat er een schaarste aan vakmanschap ontstaat. Er wordt gewerkt onder een normale tijdsdruk. Dit protocol beschrijft de manier waarop er zou moeten worden getoetst als de kwaliteit van de indieners niet stijgt, maar nu juist een verslechtering zichtbaar zou worden. Een protocol voor studie-doeleinden om in een later stadium de gevoeligheid van tijdsbesteding in een (ongewenste) richting in te schatten. Indien die situatie echt zou optreden is de realiteit uiteraard veel complexer omdat ook BWT dan moeilijker aan vakmensen kan komen.
Daarnaast kan dit protocol er toe bijdragen om de extra werkdruk in te schatten die ontstaat indien de ingediende bescheiden kwalitatief onder de maat blijken te zijn. Een extra stimulans om een landelijke adequate reactie te ontwikkelen voor het geval dat toetsers geconfronteerd worden met een voortdurend te hoog foutenniveau.
3.2Piekbelasting
Voor de situatie „Piekbelasting gedurende kortere tijd‟ wordt geen apart protocol ontwikkeld, maar wordt aangeraden om deze piekbelasting het hoofd te bieden door steekproefsgewijs werken (na de ontvanklijkheidstoets) niet technisch te toetsen.
Hoe met deze situatie wordt omgegaan wordt besproken in hoofdstuk 7.
3.3Opbouw Kolommen
In verticale richting is het protocol opgebouwd uit 9 bouwwerktypes. De basis van deze opbouw is het document “Een beter principe – Aangepaste werkwijze Toetsen van het
„constructieprincipe‟ van bouwwerken” [2]. Na de twee overleg sessies met de meewerkende gemeenten is deze kolomopbouw aangepast. In tabel 3.1 is een overzicht van de verschillende bouwwerktypes gegeven met voorbeelden.
|
Bouwwerktype |
Voorbeelden |
|
Woonwagens en kleine verbouwingen en uitbreidingen bij woningen en niet-woningen metweinig constructieve gevolgenvoor het bestaande gedeelte |
|
|
Kleine verbouwingen en uitbreidingen bij woningen en niet-woningen met constructieve gevolgen voor het bestaande gedeelte |
|
|
Eengezinswoning, vrijstaand, in rijen |
|
|
Gestapelde woningen |
|
|
Niet wonenvan 1 bouwlaag (B1) |
|
|
Niet wonen van meer dan 1 bouwlaag (B>1) |
|
|
Massale publieke bijeenkomstgebouwen en overige bijzondere projecten |
|
|
Overige bouwwerken geen gebouw (klein) |
|
|
Overige bouwwerken geen gebouw (groot) |
|
Tabel 3.1 Kolomopbouw
3.4Opbouw Rijen
In horizontale richting is het protocol opgebouwd uit constructieonderdelen. De basis van deze opbouw is de Elementenmethode ‟91 [3] zoals deze wordt beheerd door BNA. De onderdelen uit de Elementenmethode ‟91 zijn ondergebracht in 12 constructieonderdelen waarbij de benaming zo is gekozen dat zij een herkenbaarheid oproepen bij de controlerend constructeurs. Evenals de kolomopbouw is ook de benaming van deze onderdelen in de twee sessies bediscuseerd met de werkgroep. In tabel 3.2 worden de constructie onderdelen benoemd met bijbehorende voorbeelden.
|
Constructieonderdelen |
Voorbeelden |
|
Fundering incl.(parkeer)kelders |
|
|
Hoofddraagconstructie incl.stabiliteit |
|
|
Cruciale verbindingen incl. uitkragingen |
|
|
Constructieve onderdelen geen hoofddraagconstructie |
|
|
Vloeren op zand of net bovenkruipruimte |
|
|
Verdiepingsvloer(en) |
|
|
Ballustraden |
Ter plaatsevan
|
|
(plat)Dak |
|
|
Trappen / Hellingbanen |
|
|
Gevels (nietvloerdragend) incl. bevestigingen |
|
|
Gewichtsberekeningen |
|
|
Constructieve elementen uit het bouwveiligheidsplan |
|
Tabel 3.2 Rijopbouw
3.5Toetsniveaus
In de protocollen wordt er gewerkt met 4 verschillende toetsniveaus waarop constructieonderdelen bekeken kunnen worden. Het onderscheid tussen deze niveaus is afhankelijk van de waardering van het risicoprofiel dat bij een combinatie tussen bouwwerktype en constructieonderdeel hoort. Hoe deze risicoprofielen zijn opgebouwd wordt besproken in hoofdstuk 4.
De toetsniveaus zijn:
- •
Toetsniveau 1: “Betrouwbaarheidstoets”
-
Bevatten de aangeleverde stukken voldoende samenhangende informatie om het betreffende aspect te kunnen toetsen (globale uitgangspuntentoets).
-
De toetser bladert diagonaal door de stukken en bepaalt op ervaring zijn oordeel aangaande het betreffende aspect.
- •
Toetsniveau 2: “Hoofdlijnentoets”
-
Van een te toetsen aspect wordt bezien of de uitgangspunten kloppen en de uitkomsten plausibel zijn (zonder de onderbouwing ervan inhoudelijk te toetsen).
-
Van het aspect worden de uitgangspunten gecontroleerd en bekeken wordt of de uitkomsten realistisch zijn voor het gekozen ontwerp. Ook de tekeningen worden opengeslagen en op basis van ervaring wordt gekeken of het ontwerp voldoet aan de gestelde uitgangspunten.
-
Vb. Een Reclamebord wordt gefundeerd op palen aangelegd nabij een talud (volgens Protocol 1 is dit toetsniveau 2). De uitgangspunten worden opengeslagen en er wordt gekeken of er aan alle spelende zaken gedacht is (zo wordt er bijvoorbeeld getoetst of er rekening is gehouden met het nabij gelegen talud). Hierna wordt het palenplan en de sondering met elkaar vergeleken en er wordt gekeken of het gekozen palenplan past bij de sonderingen.
- •
Toetsniveau 3: “Representatieve toets”
-
Het toetsen van een aspect op niveau 2 aangevuld met een inhoudelijke toets van de belangrijkste representatieve onderdelen door middel van een controle van de berekening of het zelfstandig narekenen ervan.
-
Als eerste wordt het aspect getoetst op Hoofdlijnen, volgens niveau 2. Vanuit deze toets wordt vanuit vakmanschap bepaald welk onderdeel representatief is voor het gehele aspect en dit onderdeel wordt inhoudelijk getoetst. Dit toetsen kan gebeuren door of een schaduwberekening, of door het stap voor stap doorlopen van de ingediende berekening (keuze toetser).
-
Vb. Een woonflat wordt gefundeerd op palen (volgens Protocol 1 is dit toetsniveau 3). De controlerend constructeur loopt eerst de berekening, tekeningen en sonderingen door op hoofdlijnen en bepaalt van daaruit welke van deze palen maatgevend is (vanwege belastingen of andere aspecten). Voor deze paal maakt de controlerend constructeur een schaduwberekening van waaruit bepaald wordt of de constructie voldoet of niet. De overige palen worden niet getoetst.
- •
Toetsniveau 4: “Integrale toets”
-
Het toetsen van een aspect op niveau 2 aangevuld met een inhoudelijke toets van alle representatieve onderdelen door middel van een controle van uitgangspunten en resultaten van de berekening of het zelfstandig narekenen ervan.
-
Van een aspect worden alle documenten bestudeerd en compleet getoetst door of een schaduw berekening, of door de documenten van a tot z door te lopen.
-
Vb. Aangaande cruciale verbindingen bij een stadion (volgens Protocol 1 is dit toetsniveau 4) .Van deze constructie wordt eerst door de constructeur, vanuit vakmanschap, bepaald welke verbindingen daadwerkelijk cruciaal zijn. Vervolgens toetst hij of zij al deze verbindingen door het stap voor stap nalopen van alle ingediende stukken of het maken van schaduwberekeningen voor al deze onderdelen.
Bij elk toetsniveau is er bepaald welke risicowaarden binnen dit niveau vallen. Hoe dit is opgezet wordt besproken in hoofdstuk 7.
4RISICOPROFIELEN
Elke combinatie tussen bouwwerktype en constructieonderdeel heeft een bepaald risicoprofiel: een waardering van het risico dat de specifieke combinatie met zich meebrengt.
Een risico wordt normaliter geformuleerd als de kans dat het optreedt, vermenigvuldigd met het gevolg van het optreden. In dit toetsprotocol wordt hier op eenzelfde manier mee omgegaan.
Het risicoprofiel voor de zes verschillende toetsprotocollen wordt op de volgende manieren berekend:
Voor toetsprotocol 1, 4, 6: 𝑅 = max(Gp ; Ge) ∙ a ∙ P
Voor toetsprotocol 2, 3, 5: 𝑅 = Gp ∙ a ∙ P
Hierin is:
|
R |
de waarde van het risico |
|
Gp |
de waarde van het gevolg met betrekking tot „persoonlijke veiligheid‟ |
|
Ge |
de waarde van het gevolg met betrekking tot „schade aan gebouw en omgeving‟ kortheidshalve: „economisch‟ |
|
P |
de waarde voor de kansindex |
|
a |
een factor waarmee een afwijkend gewicht aan een specifiek bouwwerktype gekoppeld kan worden (standaardwaarde = 1). |
De factor a is ontstaan vanuit de verwachting dat de schaalindeling van de gevolgen (zie hoofdstuk 5) afwijkend kan zijn voor verschillende bouwwerktypen. Door middel van deze factor is het mogelijk om een bepaald bouwwerktype een zwaarder of lichter gewicht mee te geven om zo deze afwijking te kunnen opvangen. Dit bleek echter niet nodig te zijn.
Voor de samenhang van gevolg en kansindex richting risicogetal is bewust gekozen voor de vermenigvuldiging. Dit levert een wat progressief risicoverloop bij toenemende kansindex cq toenemend gevolg op. Dit komt goed overeen met de schaal die bij de twee grootheden is toegepast: een lineaire schaal van 1 – 5, terwijl de bijbehorende verschijnselen ook een wat meer progressief karakter hebben. 31
Aangezien de waarden voor het gevolg alsmede de waarden voor de kansindex verlopen van 1 t/m 5 worden er waarden voor het risico gevonden variërend van 1 t/m 25. De uitzonderingen hierop zijn toetsprotocol 4 en toetsprotocol 6.
Bij toetsprotocol 4 verloopt de waarde van de kansindex van 1 t/m 4 waardoor risicowaarden van 1 t/m 20 ontstaan.
Bij het studie-toetsprotocol 6 verloopt de waarde van de kansindex van 2 t/m 6 waardoor risicowaarden van 2 t/m 30 ontstaan.
5GEVOLGENTABEL
Figuur 5.1 Gevolgentabel
|
Gevolg |
Persoonlijke veiligheid |
Economisch |
|
1 |
Zeer klein. Pijn of letsel bij eenenkeling |
Zeer klein. Plaatselijk lichteschade |
|
2 |
Klein. Pijn of letselbij meerdere personen |
Klein. Lichte schade in hetgehele gebouw; Plaatselijk ernstige schade |
|
3 |
Gemiddeld. Zwaar letsel bij een enkeling; Gering letsel bij velen |
Gemiddeld. Ernstige schade in grotedelen van hetgebouw; Een deelvan het gebouwonbruikbaar |
|
4 |
Groot. Dood van een enkeling; Ernstig letsel bij velen |
Groot. Geheel gebouw onbruikbaar |
|
5 |
Zeer groot. Meerdere doden |
Zeer groot. Geheel gebouw onbruikbaar en ernstige schade aan omgeving |
Tabel 5.1 Toelichting waarden gevolg
De gevolgentabel geeft de waarde voor de gevolgen weer welke gebruikt worden om de risicoprofielen op te bouwen. De waarde van het gevolg kunnen variëren van 1 t/m 5. Een toelichting van deze waarden is te vinden in tabel 5.1.
De combinaties van bouwwerktypen en constructieonderdelen die niet voorkomen hebben geen waarde in de gevolgentabel.
5.1Soorten veiligheid
In de gevolgentabel wordt voor elke combinatie tussen bouwwerktype en constructieonderdeel onderscheidt gemaakt tussen twee soorten gevolgen:
- •
Gevolgen met betrekking op „persoonlijke veiligheid‟
- •
Gevolgen met betrekking op ‟schade aan gebouw en omgeving‟ (economie)
Dit onderscheid wordt in de methode gebruikt als basis om de verschillende risicoprofielen te bepalen van normale en verhoogde werkdruk. Tijdens een normale werkdruk situatie wordt de maatgevende van de twee veiligheden bekeken. Tijdens een verhoogde werkdruk wordt er uitsluitend gekeken naar de gevolgen die betrekking hebben op persoonlijke veiligheid.
Motivatie hiervoor is dat de constructieve eisen gesteld in het bouwbesluit uitsluitend betrekking hebben op “persoonlijke veiligheid” en niet op “schade aan gebouw en omgeving”. Worden “persoonlijke veiligheid” en “schade aan gebouw en omgeving”
daarentegen, bij een verhoogde werkdruk, beide meegenomen dan blijkt, bij gelijkblijvende risico‟s voor persoonlijke veiligheid, dat de tijdsdruk factor twee hoger kan liggen. Bij de keuze die hier gemaakt is, blijft het niveau van de “persoonlijke veiligheid” optimaal bij een gewenste tijdsreductie.
In de gevolgen „schade aan gebouw en omgeving‟ is enigszins meegewogen het effect dat optredende (geringe) schade mogelijk heeft op de veiligheidsbeleving van omstanders / bewoners / gebruikers van het gebouw, waardoor er mogelijk meer „schade‟ optreedt dan alleen op basis van de schade als zodanig en er een vorm van onbruikbaarheid kan ontstaan.
5.2Invulling
De invulling van de gevolgentabel is opgesteld vanuit de view van drie deskundigen:
- •
één vanuit de specialiteit betonconstructies
- ○
ir F.B.J. Gijsbers, voorzitter NEN-commissie TGB-Betonconstructies
- ○
- •
één vanuit de specialiteit constructies en belastingen
- ○
prof. ir. A.C.W.M. Vrouwenvelder, expert op het gebied van constructieve veiligheid
- ○
- •
één vanuit de specialiteit staalconstructies
- ○
ir. J. Hartog, voorzitter NEN-commissie TGB-Staalconstructies
- ○
Deze deskundigen zijn als volgt te werk gegaan:
- 1.
Om te komen tot een eerste werkmodel van de gevolgentabel (ten behoeve van het toepassen ervan op de eerste sessie van de werkgroep) is een middeling toegepast op de getallen van de gevolgentabellen van de drie deskundigen afzonderlijk. De uitkomst van de werksessies leverde wat wijzigingen op in de betekenis van de kolommen en rijen.
- 2.
De deskundigen hebben in die vervolgfase elkaars denkwijze en interpretatie van de schaalgetallen getoetst naar aanleiding van de kennelijk verschillende keuzes en de respons vanuit de werkgroep. Sommige verschillen waren verklaarbaar, zoals bijvoorbeeld een hoger ingeschat gevolgen-getal bij het dak van stalen hallen (als gevolg van mogelijke wateraccumulatie) door de staaldeskundige ten opzichte van de beton-collega.
- 3.
Naast het “gevolg indien een beschouwd onderdeel bezwijkt” speelt toch ook wel mee de inherente kans dat er (waarschijnlijk) iets mis gaat met het betreffende onderdeel bij het toekennen van een getal aan het gevolg.
- 4.
De voorziene wegingsfactor a per gebouwtype is op „1‟ gezet, zodat het „gevolg‟ per gebouw is bepaald.
- 5.
De bandbreedte van soorten gebouwen in één „gebouwtype‟ van het protocol is uiteraard een bron van mogelijke interpretatieverschillen, wat nog versterkt wordt door de kwalitatieve definitie van de toe te kennen gevolg-getallen. Toch blijkt dat er door de diverse confrontaties in de gehele uitwerkingsfase een gezamenlijk gedragen beeld is ontstaan.
Hieronder staan twee voorbeelden uitgewerkt.
De overige wegingen zijn op gelijksoortige wijze tot stand gekomen.
Voorbeeld 1
Bij de beschouwing van de kolom hoofddraagconstructie, gelet op persoonlijke veiligheid:
- •
Stel er is iets grondig mis met de hoofddraagconstructie
- •
Is de persoonlijke veiligheid van mensen in het geding?
- •
Formuleer een „gevolg‟ in termen van de aangegeven definities
- •
Het aantal omstanders/bewoners
- •
Is er een verband aanwezigheid van mensen en bezwijkmoment
Resultaat:
- •
Eerste rij: „geen gevolgen‟
- •
Tweede rij: „enig gevolg‟ want er is wel eens iets mis met de aanwezige draagconstructie als die wordt aangepast ten behoeve van de verbouwing
- •
Derde rij: „enig gevolg‟ want qua zwaarte niet echt verschillend met de tweede rij
- •
Vierde rij: „uitermate groot gevolg‟ omdat het hier gaat over omvangrijke flatgebouwen e.d.
- •
Vijfde rij: „enig gevolg‟ omdat het hier gaat om op zich omvangrijke gebouwen qua oppervlakte, maar de hoeveelheid mensen is gering en hun aanwezigheid niet continu.
- •
Zesde rij: „uitermate groot gevolg‟ omdat het hier gaat over omvangrijke kantoorgebouwen e.d. op vaak centraal gelegen plaatsen.
- •
Zevende rij: „uitermate groot gevolg‟ vanwege de aard van de constructie: veel publiek aanwezig die veelal onbekend zijn met de locatie.
- •
Achtste rij: „enig gevolg‟ omdat ook bij het bezwijken van kleine overige bouwwerken een klein aantal mensen betrokken kan zijn.
- •
Negende rij: „aanzienlijk gevolg‟ omdat deze categorie bouwwerken in ieder geval omvangrijk is, zal bezwijken mogelijk effect hebben op een groter aantal omstanders/gebruikers.
Voorbeeld 2 Kolom balustraden
- •
Voor alle typen bouwwerken geldt voor persoonlijke veiligheid: „aanzienlijk gevolg‟ omdat het valgevaar voor aanwezigen identiek is.
- •
Ten aanzien van het aspect „economie‟ is wel een onderscheid gemaakt omdat de impact en gevoelswaarde van een gebeurtenis wèl afhankelijk is van het gebouwtype cq omstandigheden.
6KANSTABEL
Figuur 6.1 Kanstabel: Indiener voldoet niet aan compendium
De kanstabel geeft de waarde voor de kansindex weer welke gebruikt worden om de risicoprofielen op te bouwen. De waarde van de kansindex kan variëren van 1 t/m 5. Een toelichting van deze waarden is te vinden in tabel 6.1.
|
Kansindex |
Toelichting |
|
5 |
(Bijna) altijd |
|
4 |
Boven gemiddeld |
|
3 |
Gemiddeld |
|
2 |
Beneden gemiddeld |
|
1 |
(Bijna) nooit |
Tabel 6.1 Toelichting waarden kansindex
De kansindex, zoals bedoeld in de kanstabel, geeft de kans weer dat er een fout is opgetreden in de ingediende bescheiden. De kans dat een bepaald gevolg optreedt zit verweven in de waarden voor de gevolgentabel.
6.1Kwaliteit van de indiener
De kwaliteit van de indiener wordt meegenomen in de beschouwing van de waarden voor de kanstabellen. Zoals eerder besproken wordt deze kwaliteit van de indiener beschouwd aan de hand van het wel of niet werken volgens het Compendium, zie paragraaf 3.1.
Op basis van de in het compendium beschreven borgingsprincipes van de ontwerp-organisatie kan elke BWT voor zich wel een vertaalslag maken wanneer een kleine indiener (waarbij het werken volgens compendium helemaal niet aan de ore kan zijn) toch voldoet aan de
kwalificatie “betrouwbaar”. De interne kwaliteitscontrole bij de ontwerper speelt hierbij een belangrijke rol.
Vanuit deze verdeling ontstaan er twee verschillende kanstabellen:
- •
Kanstabel 1: Indiener voldoet niet aan het Compendium
- •
Kanstabel 2: Indiener voldoet wel aan het Compendium
Tevens is er voor studie-doeleinden een derde kanstabel ontworpen voor het verwachtingspatroon dat in de nabije toekomst de kwaliteit van de ingediende bescheiden zou afnemen:
- •
Kanstabel 3: Schaarste vakmanschap
6.2Invulling
De kanstabel is tot stand gekomen in de werkgroep. Zij hebben in twee groepen vanuit de hedendaagse ervaring deze tabel ingevuld. Deze tabellen zijn vervolgens vergeleken waarbij de verschillen bediscussieerd zijn met een panel van beide groepen, van waaruit de definitieve versie van kanstabel 1 is ontstaan, welke het beste aansluit op de hedendaagse werkelijkheid.
Vanuit deze basis is kanstabel 2 opgesteld door integraal de kansindex met 1 te reduceren tot een minimale waarde van 1. De keuze voor deze verrassend eenvoudige benadering kwam
logisch voort uit een concrete poging om de zojuist opgestelde „normale‟ kanstabel en een daarop volgende plenaire discussie in de slotworkshop van werksessie 1.
Dit geeft een maximale waarde van 4 en een minimale waarde van 1.
Op een soort gelijke wijze is ook kanstabel 3 ten behoeve van het studie-protocol „schaarste vakmanschap‟ opgesteld, maar dan door de waarden uit kanstabel 1 met 1 te verhogen.
Dit geeft een maximale waarde van 6 en een minimale waarde van 2.
7AFBAKENING
7.1Vaststelling en keuze
Om de overschakeling van risicoprofiel naar toetsniveau te maken dient er een afbakening opgesteld te worden. In deze afbakening wordt bepaald wat de maximale risicowaarde is die nog net binnen een toetsniveau valt.
De gehanteerde methodiek als zodanig levert geen uitsluitsel op welk niveau deze afbakening moet worden gekozen. Vandaar dat er aansluiting gezocht wordt bij de huidige praktijk.
(zie ook paragraaf 7.5)
Om deze afbakening te bepalen is er door de werkgroep gekeken naar het niveau waarop de toetsingen voor specifieke onderdelen nu worden uitgevoerd. Dit overzicht is, bij gebrek aan betere naam, als „gewenst‟-protocol betiteld. Met behulp van dit overzicht wordt er gekeken welke risicowaarden er bij welk toetsniveau passen. Op deze wijze wordt geborgd dat de methode een protocol oplevert waarvan de gemiddelde ligging qua niveaus overeenkomt met de huidige „normale‟ wijze van toekennen van toetsniveau-begrenzingen.
Uiteindelijk ontstaan er hierdoor vier verzamelingen (één per toetsniveau) van risicowaarden. Van elk van deze verzamelingen wordt het gemiddelde, de minimale waarde en de maximale waarde bepaald.
Vervolgens wordt voor toetsprotocol 1, 4 en 6 (de toetsniveaus voor normale werkdruk) een berekende afbakening van toetsniveau 1 t/m 3 bepaald door middel van de volgende formule:
Hierin is:
|
Ai |
de waarde van de berekende afbakening voor toetsniveau i, i.e. de maximale waarde van het risico dat nog net binnen het toetsniveau i valt. |
|
mi |
de gemiddelde waarde van de risico‟s van de deelverzameling horende bij toetsniveau i. |
Vanuit deze berekende afbakening kan op basis van minimale en maximale waarden van een verzameling besloten worden om de berekende afbakening aan te passen om rekening te houden met de ruime spreiding van de waarden die vallen onder een specifiek toetsniveau.
Voor toetsniveau 4 (het maximale niveau) wordt als waarde de maximale waarde van de verschillende risicomatrices gehanteerd.
Een overzicht van de afbakening voor toetsprotocol 1, 4 en 6 wordt gegeven in tabel 7.1.
|
Toetsniveau |
Maximale risicowaarde (afbakening) |
|
1: Betrouwbaarheidstoets |
3 |
|
2: Hoofdlijnentoets |
8 |
|
3: Representatieve toets |
22 |
|
4: Integrale toets |
30 |
Tabel 7.1 Overzicht afbakening toetsprotocol 1, 4 en 6
De hieruit voorvloeiende protocollen zijn door een panel, bestaande uit leden van de werkgroep en de experts van TNO, gecontroleerd. De onderdelen welke onverwachte resultaten gaven qua toetsniveau zijn opnieuw bekeken op zowel de gehanteerde kans- , als de gevolgwaarden en waar nodig aangepast.
Voor toetsprotocol 2, 3 en 5 wordt een aanvullende methode gebruikt bij het bepalen van de afbakening, om zo tot een verlaging van de werkdruk te komen. Per locatie kan er gekozen worden uit één van de onderstaande methode:
- •
Integrale verlaging (paragraaf 7.2)
- •
Veegmethode (paragraaf 7.3)
De achtergrond om hier een keuzemogelijkheid te bieden komt voort uit de vaststelling dat er onder de toetsers qua voorkeur zich heel duidelijk twee richtingen aftekenen:
- •
De ene denkt en werkt veel liever vanuit een duidelijke keuze: wèl of niet doen, maar dan wel compleet.
- •
De ander werkt veel liever vanuit een integraal verlaagd protocol.
De laatstgenoemde werkwijze is per definitie risico-optimaal, terwijl de eerstgenoemde op dit punt nog nader beschouwd moet worden.
In paragraaf 7.4 wordt een vergelijking gegeven van deze twee methoden.
7.2Methode: Integrale verlaging
Bij deze methode wordt het toetsniveau integraal verlaagd door een de bepaalde afbakening, zoals beschreven in paragraaf 7.1, te vermenigvuldigen met een factor. Door het verhogen van de waarden van de afbakening zullen er verscheidene combinaties tussen bouwwerktypes en constructieonderdelen een niveau lager worden.
Dit verlagen van het niveau heeft een lagere tijdsbesteding tot gevolg (aangezien een lager toetsniveau minder tijd kost), maar heeft ook een risicovermeerdering tot gevolg (daar er op een minder diepgaand niveau naar de onderdelen gekeken wordt).
De gehanteerde methodiek levert als vanzelf een risico-geoptimaliseerd eindresultaat bij een verlaagd protocol op.
Door BouwQ is gekeken welke factor een gewenste tijdsbesparing oplevert, maar waarbij het risico nog niet zodanig wordt verlaagd dat het als onacceptabel wordt gezien (zie voor dit uitgangspunt de beschrijving in H2).
De hiermee berekende afbakening wordt gegeven in tabel 7.2. Deze afbakening wordt gehanteerd voor toetsprotocol 2 en 5.
|
Toetsniveau |
Berekende afbakening normale werkdruk |
Factor |
Berekende afbakening Integrale verlaging |
|
1: Betrouwbaarheidstoets |
3 |
1,3 |
4 |
|
2: Hoofdlijnentoets |
8 |
1,3 |
10 |
|
3: Representatieve toets |
22 |
1,3 |
29 |
|
4: Integrale toets |
30 |
1,3 |
39 |
Tabel 7.2 Overzicht afbakening Integrale verlaging
7.3Methode: Veegmethode
Bij de veegmethode worden alle combinaties van bouwwerk en constructieonderdeel met waarden gelijk aan of lager dan een bepaalde risicowaarde niet meer bekeken, i.e. getoetst op niveau 0. De overige combinaties worden bekeken op het “normale” toetsniveau, dus bepaald volgens de afbakening beschreven in paragraaf 7.1.
Deze veegmethode kan als gevolg hebben dat van een bouwwerktype maar 1 of 2 onderdelen getoetst dienen te worden. Aangezien dit onlogisch kan zijn, wordt er behalve de bovengenoemde methode ook per bouwwerktype gekeken of het nog zinvol is om dit bouwwerk te toetsen op het beschreven niveau. Dit houdt in dat bepaalde bouwwerktypen in deze methode in zijn geheel niet meer bekeken worden.
Het niet bekijken (van onderdelen) van projecten heeft een risicovermeerdering tot gevolg, maar levert ook een tijdsbesparing op. Ook hier is door BouwQ bepaald wat de grens- risicowaarde moet zijn zodanig dat deze een gewenste tijdsbesparing oplevert, maar waarbij het risico nog niet zodanig wordt verlaagd dat het als onacceptabel wordt gezien (zie beschrijving hoofdstuk 2).
Toetsprotocol 3 werkt met deze methode met een afbakening op een risicowaarde van 6. Dit betekent dat in toetsprotocol 3 alle combinaties van een bouwwerktype en constructieonderdeel met een risico van 6 of minder getoetst worden op niveau 0.
7.4Piekniveau
Om het hoofd te bieden aan een nog hogere werkdruk dan de hierboven beschreven 70% situatie van protocol 2 en 3 adviseert BouwQ om niet te denken in de richting van een nog verder verlaagd protocol, maar om over te gaan op een steekproef over de projecten heen ( 1 op X projecten toetsen).
Het aantal projecten dat niet bekeken wordt heeft direct effect op de tijdswinst die gemaakt wordt, maar is ook nog afhankelijk van de omvang van de projecten die wel bekeken worden. Dit zorgt ervoor dat het precies aangeven van de hoeveelheid projecten die niet bekeken moet worden, per locatie en afhankelijk van het huidige aanbod van indieningen, bepaald dient te worden.
Statistisch gezien is dit qua risico-optimalisatie een goede aanpak.
Beleidsmatig vraagt het overgaan op het „piekniveau‟ om een managementbeslissing waarbij ook het afwegen van een aantal randvoorwaarden hoort:
- •
De ontvankelijkheidstoets (is alles ingediend) blijft overeind
- •
Het “terzijde leggen” is geen puur administratieve handeling, maar gebeurt door een vaktechnisch persoon (methode: terzijde leggen, tenzij ……)
- •
Dit terzijde leggen wordt vastgelegd, en geaccordeerd door het management
- •
Waarmee de toetser wordt gedechargeerd.
- •
Het toetsen van de wèl aangewezen projecten gebeurt met het toetsprotocol voor normale tijdsdruk
Uiteraard zullen er in praktische zin rond het toepassen van deze methode nog een aantal zaken moeten worden overwogen en concreet gemaakt. Bijvoorbeeld of en welke vorm van communicatie er naar buiten toe wordt gevoerd, etc, etc.
7.5Evaluatie afbakening
Omdat de methode qua afbakening leunt op een vergelijking van het gemiddelde niveau nu (“gewenste” protocol) wint de uiteindelijke keuze aan waarde indien gedurende de pilotfase, bijvoorbeeld gedurende een jaar, het protocol gemonitored. Hierbij dienen in ieder geval de volgende aspecten beschouwd te worden:
- •
Het vastleggen van het incidenteel en consequent op- en neerschakelen van
- •
toetsniveaus
- •
Het bekijken van de effecten van toetsprotocol 2, 3 en 5 op de werkdruk
- •
Het analyseren van de terugmeldingen van de buiteninspecteurs die mogelijk gerelateerd zijn aan de gekozen toetsniveaus
- •
Het houden van enquêtes / interviews onder de deelnemende controlerend constructeurs over de werkbaarheid van het protocol
- •
Het bijhouden van de algemene kwaliteit van de indienende partijen
Een evaluatie van bovengenoemde punten levert mogelijk aanleidingen en basis om sommige toetsniveaus te heroverwegen.
8EVALUATIEPUNTEN EN CONCLUSIES
In dit hoofdstuk worden de evaluaties en conclusies gegeven die betrekking hebben op het uitgevoerde project.
Terugziend over het afgelegde traject van de opdracht komen enkele punten naar voren:
- •
De geformuleerde scope in de aanzet tot het project is grotendeels gevolgd en heeft tot beoogde resultaten geleid.
- •
Op sommige onderdelen is de aanpak enigszins gewijzigd om des te beter aansluiting te vinden en de betrokkenheid van de werkgroep te vergroten en optimaal te werken aan acceptatie. Een voorbeeld hiervan is het bepalen van het risicoprofiel. In eerste instantie werd beoogd dit te genereren op meer theoretische gronden, terwijl na stap 1 is besloten het begrip „risico‟ te splitsen in „gevolg‟ en „foutkans‟. Deze twee elementen zijn vervolgens elk apart door de best beschikbare experts ingevuld.
- •
Het verlaagde protocol (verhoogde tijdsdruk) is voorzien van twee varianten. De reden is dat er een duidelijk verschil in voorkeur geconstateerd is onder de aanwezige toetsers.
Daarnaast is nog invulling gegeven aan de volgende elementen:
- •
Er is een handvat ontwikkeld aan de methodiek om te kunnen omgaan met het niveau van betrouwbaarheid van de indienende partij. Dit levert twee extra protocollen en de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen op het gebied van het borgen van bouwprocessen en kwalificatie van deskundigen.
- •
Er is een extra protocol ontwikkeld om te kunnen bepalen welk effect op tijdsbesteding ontstaat indien vakmanschap in de toekomst zodanig schaars wordt dat dit impact gaat hebben op de kwaliteit van de indieningbescheiden.
- •
Naast de verlaagde protocollen ten behoeve van verhoogde werkdruk is een methode aangereikt waarmee kortstondige piekbelastingen adequaat opgevangen kunnen worden.
9AANBEVELINGEN
- •
Er dient gekeken te worden naar een methode om het toetsprotocol landelijk dragend te maken. Hiervoor dient een promotieplan opgesteld te worden. De tool aangedragen door BouwQ in het laatste opdrachtgeveroverleg kan hier een aanzet voor vormen.
- •
Aanbevolen wordt om het protocol en het toepassen ervan jaarlijks te evalueren
- ○
Tijdsdrukverloop afgelopen periode (n.a.v. evaluatie feiten/incidenten)
- ○
Overzicht van op- en neerschakelingen qua toetsniveau
- ○
Evalueer bezettingsgraad vakbekwaam personeel
- ○
(Her)benoem bijzondere omgevingsfactoren en bijzonderheden in relatie tot het model-toetsprotocol
- ○
Formuleer randvoorwaarden aanstaande periode
- ○
- •
Het beschikbaar hebben van een landelijk gedragen aanpak voor die situaties waarin wordt vastgesteld dat het foutenniveau van ingediende bescheiden te hoog is, kan aanvullend een aanzienlijke werkdrukverlichting opleveren. Mede gebaseerd op respons vanuit de werkgroep kan hierbij gedacht worden aan:
- ○
Op basis van het aantal fouten in de eerste 10% bepalen hoe er verder wordt gegaan met het project.
- ○
Het opstellen van standaardzinnen om te kunnen voorzien naar de controleur. Bij deze communicatie dient men erop toe te zien dat hier ook het, voor het onderdeel fungerende, toetsniveau toegepast dient te worden.
- ○
Voor beide punten geldt dat gesteld dient te worden dat het hebben van een te hoog foutniveau niet mag leiden tot een opschakeling van het te toetsniveau, zoals toegelicht in hoofdstuk 2.
10LITERATUURLIJST
- [1]
Compendium Aanpak Constructieve Veiligheid.
-
Ir. B.D. Gieskens, ir. F.B.J. Gijbers, ir. J.A. Ketel, ir. E.J. Kool, ing. G.J. van Leeuwen, ing. J.G. van Leeuwen, ir. F.H. Middelkoop, ir. D. Spekkink, ir. C.A.J. Sterken, ir. D. Stoelhorst, ir. W.M. Visser, ir. R.H. Wiltjer.
-
Quantes bv, Rijswijk, november 2008.
- [2]
Een beter principe – Aangepaste werkwijze Toetsen van het „constructieprincipe‟ van bouwwerken.
-
Cees Hoekstra. Juli 2008.
- [3]
Elementenmethode ‟91 BNA - zoals beschikbaar op http://nl-sfb.bk.tudelft.nl
- [4]
“CONSTRUCTIEVE VEILIGHEID: Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden Bouw- & Woningtoezicht”
-
zoals beschikbaar op http://www.vereniging-bwt.nl/ onder “constructieve veiligheid”
BIJLAGE 1: BWT-PROCES MET DAARIN AANGEGEVEN DE RELEVANTE WERKVELDEN VAN HET CONSTRUCTIEVE TOETSINGSPROTOCOL (BASISFIGUUR OVERGENOMEN UIT [4])
BIJLAGE 2: OVERZICHT PROTOCOLLEN
Toetsprotocol 1: Indiener voldoet niet aan compendium / normale werkdruk
Toetsprotocol 2: Indiener voldoet niet aan compendium / verhoogde werkdruk (d.m.v. integrale verlaging)
Toetsprotocol 3: Indiener voldoet niet aan compendium / verhoogde werkdruk (d.m.v. veegmethode)
Toetsprotocol 4: Indiener voldoet wel aan compendium / normale werkdruk
Toetsprotocol 5: Indiener voldoet wel aan compendium / verhoogde werkdruk
Toetsprotocol 6: Alternatief protocol: Schaarste vakmanschap / normale werkdruk
BIJLAGE 3: VERGELIJKING VERLAGINGSMETHODE
Vergelijking methodes
Door het introduceren van twee methodes van reduceren, dient er een vergelijking gemaakt te worden tussen beide methodes. Om deze vergelijking te kunnen maken zijn de bijbehorende tijdselementen in het protocol ingeschat. Deze inschatting is gecommuniceerd met een aantal deelnemers van de werkgroep. Omdat de aantallen van de typen bouwwerken per gemeente uiteraard niet dezelfde zijn, verschillen ook de tijdsinschattingen. Vandaar dat de gehanteerde waarden soms een gemiddelde zijn.
Nogmaals zij benadrukt dat de tijdsinschatting in deze paragraaf uitsluitend bedoeld is voor de onderlinge vergelijking van de protocollen en niet als doel heeft tijdsbestedingen in absolute zin aan te geven.
Horizontaal
In horizontale richting is een schatting gemaakt van de relatieve weging van de kolommen op basis van tijdsbesteding tijdens een toetsing van een project (gesteld dat alle aspecten er in zitten). Hierdoor kunnen de risico- en tijdselementen in horizontale richting gesommeerd worden. Een overzicht van deze geschatte tijdsbesteding per constructieonderdeel wordt weergegeven in tabel 1.
|
Onderdeel |
geschatte tijdsbesteding (%) |
Onderdeel |
geschatte tijdsbesteding (%) |
|
Funderingincl. (parkeer)kelders |
10% |
Hoofddraagconstructie incl. stabiliteit |
30% |
|
Cruciale verbindingen incl. uitkragingen |
20% |
Constructieve onderdelen geen hoofddraagconstructie |
5% |
|
Vloeren op zand of net boven een kruipruimte |
2% |
Verdiepingsvloer(en) |
5% |
|
Balustraden |
5% |
(plat)Dak |
5% |
|
Trappen/Hellingbanen |
2% |
Gevels (niet vloerdragend) incl. bevestigingen |
5% |
|
Gewichtsberekening |
10% |
Constructieve elementen uit het bouwveiligheidsplan |
1% |
|
Totaal |
100% |
||
Tabel 1 Overzicht tijdsbesteding per constructieonderdeel
Verticaal
In verticale richting is een schatting gemaakt van de relatieve weging van de rijen op basis van een gemiddelde tijdsbesteding op jaarbasis per bouwwerktype. Hierdoor kunnen de risico- en tijdelementen in verticale richting gesommeerd worden. Wel dient gesteld te worden dat dit per gemeente erg zal verschillen. Een overzicht van de tijdsbesteding per bouwwerktype is gegeven in tabel 2.
|
Bouwwerktype |
Geschattetijdsbesteding (%) |
|
Woonwagens en kleine verbouwingen en uitbreidingen bij woningen en niet- woningen met weinig constructieve gevolgen voor het bestaande gedeelte |
3% |
|
Kleine verbouwingen en uitbreidingen bijwoningen en niet-woningen met constructieve gevolgen voor hetbestaande gedeelte |
10% |
|
Eengezinswoningen, vrijstaand, in rijen |
13% |
|
Gestapeldewoningen |
15% |
|
Niet wonen van 1 bouwlaag (B1) |
8% |
|
Niet wonen van meer dan 1 bouwlaag (B>1) |
24% |
|
Massale publieke bijeenkomstgebouwen en overige bijzondere constructies |
22% |
|
Overige bouwwerken geen gebouw (klein) |
1% |
|
Overige bouwwerken geen gebouw (groot) |
4% |
|
Totaal |
100% |
Tabel 2 Overzicht tijdsbesteding per bouwwerktype
Risico- en tijdselementen per toetsniveau
Om de sommering compleet te maken dienen de risico- en tijdselementen voorzien te worden van basiswaarden afhankelijk van het toetsniveau.
Voor de risicowaarden wordt de maximale waarde gehanteerd die nog binnen het betreffende toetsniveau valt.
Voor de tijdselementen is toetsniveau 1 op 1 tijdseenheid gezet en van daaruit, op basis van verhoudingen, het aantal tijdseenheden voor de overige toetsniveaus bepaald.
Een verzameling van de bovengenoemde waarden wordt gegeven in tabel 3.
|
|
Risicowaarde |
Tijdseenheden |
|
Toetsniveau 1 |
3 |
1 |
|
Toetsniveau 2 |
8 |
4 |
|
Toetsniveau 3 |
22 |
10 |
|
Toetsniveau 4 |
30 |
25 |
Tabel 3 Risicowaarden en tijdseenheden per toetsniveau
Conclusies van de vergelijking van de twee methoden
Met behulp van de zaken besproken in deze bijlage kan de per protocol een sommering gemaakt worden van het risico en de tijdsduur. De resultaten van deze sommering worden voor toetsprotocol 1 (indiener voldoet niet aan het compendium; normale werkdruk), 2 (indiener voldoet niet aan compendium; integrale verlaging) en 3 (indiener voldoet niet aan compendium; veegmethode) gegeven in tabel 4.
|
|
Risicowaardering (%) |
Geschattetijdswaardering (%) |
|
Toetsprotocol 1 |
100% |
100% |
|
Toetsprotocol 2 |
124% |
72% |
|
Toetsprotocol 3 |
130% |
73% |
Tabel 4 Overzicht risico- en tijdswaardering
Wanneer de risico- en tijdelementen van toetsprotocol 2 en 3 vergeleken worden met de risico- en tijdelementen van toetsprotocol 1, kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
- •
Het toepassen van protocol 2 levert een geschatte tijdwinst op van ca 30%
- •
Protocol 2 is vanwege de toegepaste methode optimaal qua risico
- •
Protocol 3 is qua geschatte tijdwinst gelijkwaardig aan protocol 2
- •
Protocol 3 is qua methode net iets minder risico-optimaal dan protocol 2.
Bijlage I Toezichtprotocol activiteit bouwen
Toezichtprotocol activiteit bouwen
Gemeente Zoetermeer
1. Inleiding
Voor u ligt het Toezichtprotocol activiteit bouwen van de gemeente Zoetermeer (hierna: Toezichtprotocol). Dit Toezichtprotocol maakt deel uit van het Vergunningen, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024-2028, ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’ (hierna: VTH-Beleid). Het Toezichtprotocol is een hulpmiddel om te komen tot en het uitvoeren van integraal, kwalitatief, meetbaar en efficiënt toezicht op naleving van de Omgevingswet en Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). In het Toezichtprotocol is de intensiteit van het bouwtoezicht vastgelegd. Bouwtoezicht heeft betrekking op het behouden van de bouwkwaliteit en het naleven van de bouwregelgeving op de bouwplaats en bebouwde omgeving (bouwhandhaving).
Het Toezichtprotocol is een praktisch werkinstrument voor het toezicht tijdens de (ver)bouwfase, de gebruiksfase en de sloopfase van een gebouw. Kenmerkend voor het Toezichtprotocol is een keuze voor prioriteiten: belangrijke zaken krijgen veel aandacht en minder belangrijke minder (risico gestuurd werken).
Met het vaststellen van een Toezichtprotocol:
- •
wordt er eenduidig, consequent en transparant toezicht gehouden. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken en bebouwde omgeving verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan;
- •
worden keuzes en prioriteiten gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd;
- •
kan naar inwoners en ondernemers herleidbaar worden aangegeven hoe er toezicht wordt gehouden op hun bouwplannen.
De overheid kan zich, gemotiveerd, beperken tot het houden van toezicht op die aspecten die zij het risicovolst acht en dus prioriteit wil geven. Dit kan, omdat de verantwoordelijkheid voor de naleving van de regelgeving in de Omgevingswet en het Bbl expliciet bij de marktpartijen is neergelegd. Inwoners en ondernemers worden geacht op de hoogte te zijn van de wet- en regelgeving en hebben de primaire verantwoordelijkheid zich hieraan te houden. De opdrachtgever van een bouwproject is ervoor verantwoordelijk dat de bouwwerkzaamheden goed en veilig worden uitgevoerd.
Een gebouw moet altijd voldoen aan de voorschriften die staan in het Bbl (artikel 1.6, 1.7 en 1.8 Omgevingswet). De aanvrager van een vergunning is verantwoordelijk voor het indienen van een correcte aanvraag en het uitvoeren van de werkzaamheden conform de aanvraag. De eigen verantwoordelijkheid van de marktpartijen legitimeert de gemeente om zich te beperken tot het houden van toezicht op die onderdelen van het Bbl die zij belangrijk acht zoals gezondheid en (omgevings) veiligheid.
1.2 Reikwijdte
Het Toezichtprotocol gaat uitsluitend over bouwtoezicht tijdens de (ver)bouwfase, de gebruiksfase en de sloopfase van een gebouw. Met bouwtoezicht wordt, zoals reeds toegelicht, bedoeld het behouden van de kwaliteit van het toezicht op de bouw en het naleven van de bouwregelgeving op de bouwplaats en bebouwde omgeving (bouwhandhaving). Tijdens deze fases wordt het gebouw/het bouwwerk getoetst aan de voorschriften van het Bbl en andere aanvullende regelgeving.
De afgelopen jaren mogen steeds meer gebouwen/bouwwerken vergunningsvrij gebouwd worden. Hiervoor hoeft dus geen vergunningsaanvraag ingediend te worden. Deze bouwwerken moeten echter wel aan de voorschriften uit het Bbl en aanvullende regelgeving voldoen. Omdat geen aanvraag wordt ingediend, kunnen deze bouwplannen niet vooraf getoetst worden. Controle hiervan vindt plaats in de toezichthoudende en handhavende sfeer.
1.3 Juridisch kader
Hieronder volgt een korte toelichting op het Bbl en de Wet Kwaliteitsborging (hierna: Wkb). Deze achtergrond informatie is gewenst om inzichtelijk te maken wat het juridisch kader van dit Toezichtprotocol is.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Bbl is per 1 januari 2024 in werking getreden. Hierin zijn een groot aantal bestaande voorschriften over het (ver)bouwen, gebruiken en slopen van gebouwen en andere bouwwerken samengevoegd. Het Bbl is in de plaats gekomen van het Bouwbesluit 2012, de daarbij behorende ministeriële regeling, het Gebruiksbesluit en een aantal voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening.
Met het Bbl is er voortaan één set technische voorschriften over het (ver)bouwen, gebruiken en slopen van gebouwen en andere bouwwerken (zoals tunnels, bruggen, overkappingen, schuttingen en straatmeubilair). Het Bbl is een Algemene Maatregel van bestuur (AmvB); de juridische basis is artikel 2 van de Omgevingswet. Hiermee zijn ook voorschriften over het gebruiken en slopen van bouwwerken (en het gebruiken van open erven en terreinen) onder de formele reikwijdte van artikel 2 van de Omgevingswet in het Bbl opgenomen. Dit artikel vormt de wettelijke basis om ook technische en andere voorschriften over die onderwerpen in het nieuwe Bbl te geven, zoals voorschriften over het doen van een gebruiks- of een sloopmelding.
Hoofdstuk 2 t/m 5 van het Bbl bevatten voorschriften over veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Deze voorschriften hebben betrekking op het (ver)bouwen van bouwwerken en op de staat van bestaande bouwwerken. In hoofdstuk 6 zijn voorschriften over het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen opgenomen. Hoofdstuk 7 bevat voorschriften over het slopen en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl maakt hierbij ook onderscheid naar de functie en /of functies van een bouwwerk.
Wet kwaliteitsborging Woningwet en Bbl
Afdeling 1 van de Woningwet bevat de instrumenten voor de kwaliteitsborging en de regels omtrent toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw. De Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) gaat stapsgewijs in vanaf 1 januari 2024 (eerst bouwwerken gevolgklasse 1 (nieuwbouw) met lage risico op gevolgschade). Dit is een samenhangend stelsel van kwaliteitseisen en –procedures waarmee marktpartijen aantoonbaar garanderen dat het te realiseren bouwplan bij oplevering een bepaald kwaliteitsniveau heeft. Het kwaliteitsniveau is gerelateerd aan de bouwtechnische voorschriften en wetgeving zoals opgenomen in hoofdstuk 2 t/m 6 van het Bbl. De wet heeft consequenties voor het vergunningentraject en op het toezicht op de naleving van vergunningen en voorwaarden. Vanuit toezicht, op bepaalde onderdelen van de Wkb, zal controle plaatsvinden op aanvraag van de kwaliteitsborger of bij twijfel met betrekking tot de bouwwerkzaamheden.
2.Toezichtmatrix
2.1. Prioriteiten zeer laag oplopend tot zeer hoog
In de toezichtmatrix komt de prioritering van de activiteiten uit het VTH-beleid 2024-2028, ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’ en het niveau (de diepgang) van toezichthouden samen. Activiteiten waar de regels goed worden nageleefd krijgen een lagere prioriteit. Activiteiten zijn type gebouwen of bedrijven, bijvoorbeeld ‘wonen’, ‘industrie’ etc. Bij elke activiteit is gekeken welke maximale calamiteit kan optreden bij normaal gebruik of normale bedrijfsvoering. Het resultaat is een prioriteitenlijst. Alle activiteiten hebben een eigen prioritering gekregen. Wij hanteren vijf prioriteringsniveaus van zeer laag (prioriteit 5) oplopend tot zeer hoog (prioriteit 1). Deze vijf prioriteringniveaus corresponderen met de hieronder nader toegelichte toezichtniveaus.
Activiteiten met prioriteit:
- 1.
zeer hoog hebben een toezichtniveau 4, algehele controle
- 2.
hoog hebben een toezichtniveau 3, beoordeling hoofdlijnen en kenmerkende details
- 3.
gemiddeld hebben een toezichtniveau 2, beoordeling van hoofdlijnen
- 4.
laag hebben een toezichtniveau 1, visuele controle (quick scan)
- 5.
zeer laag hebben een toezichtniveau S, steekproef
Naast de vaste prioritering en de daarbij horende toezichtniveaus is er te allen tijde ruimte om op basis van kennis en kunde per aanvraag om omgevingsvergunning een inschatting te maken of de vaste prioritering in dat specifieke geval adequaat is. In de praktijk betekent dit dat er in specifieke gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van de vastgelegde prioritering. Dit betekent niet dat als er niet gemotiveerd afgeweken is, en er iets mis gaat, er gezegd kan worden dat er geen goede prioritering gehanteerd is. Zoals gezegd ligt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het gebouw bij de opdrachtgever.
2.2. Toezichtniveau
|
|
Diepgang |
Omschrijving |
Voorbeelden |
|
S |
Steekproef |
Afhankelijk van een vermoeden van niet voldoen aan de voorschriften kan op bepaalde aspecten een steekproef worden gehouden (ca. 1 op de 5) |
De funderingsbalken van een klein bedrijfsgebouw worden bij enige twijfel bij de aannemer gecontroleerd, in andere gevallen niet. |
|
1 |
Visuele controle (Quick scan) |
Beoordeling op basis van kennis en inzicht van de bouwinspecteur. Hierbij wordt in principe niet nagemeten, gecontroleerd op materiaalniveau of op vereiste waarden. |
Vanaf de weg kan worden gezien of een dakkapel is geplaatst conform de tekening. Gekeken wordt of hier de afmetingen ruwweg overeenkomen en of de indeling en gebruikte materialen en kleuren in overeenstemming zijn met de verleende vergunning. |
|
2 |
Beoordeling van hoofdlijnen |
Beoordeling op hoofdlijnen, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden controles uitgevoerd. Er worden alleen overzichtstekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vind raadpleging van detailtekeningen plaats. |
Op algemeen constructief inzicht wordt de aangebrachte wapening gecontroleerd. Daarnaast wordt er globaal gekeken naar afmetingen, isolatie e.d. |
|
3 |
Beoordeling hoofdlijnen en kenmerkende details |
Beoordeling zoals bij diepgang 2 met daarbij meer oog voor maatvoering, materiaalkwaliteit, verankering, oplegging e.d. detailtekeningen worden geraadpleegd voor specifieke kwetsbare elementen. |
De bewapening wordt over het geheel op hoofdlijnen gecontroleerd. Lokaal wordt bij uitkragen, sparingen of ravelingen in detail gecontroleerd. |
|
4 |
Algehele controle van alle onderdelen |
Beoordeling op alle onderdelen van detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle tekeningen en detailtekeningen worden geraadpleegd. |
Ieder constructieonderdeel wordt gedetailleerd gecontroleerd. |
2.3. Toezichtmatrix
Toelichting
Met het voorliggende VTH-beleidsplan 2024-2028 wordt de komende vier jaar vorm gegeven aan de doelstellingen op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving (kortweg: VTH). In het beschrijven van de strategieën en doelstellingen is rekening gehouden met nieuwe wetgeving (Omgevingswet en Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen), Visie Zoetermeer 2040 en bestaande wettelijke kaders.
De missie voor VTH is: ‘Collectief werken aan een veilige en leefbare stad, waarbij dienstverlening centraal staat en er omgevingsbewust en professioneel gewerkt wordt.’ Deze missie vormt de basis voor gestelde doelen in dit beleidsplan. Er zijn doelen gesteld voor ieder onderdeel: vergunningen, toezicht en handhaving. Deze zijn voornamelijk gericht op dienstverlening.
Kwaliteit van de uitvoering van taken binnen VTH wordt geborgd door een ‘Big 8’ cyclus (een cyclus waarbij uitvoering en beleid geëvalueerd worden) en risico gestuurd werken. De bijlagen B tot en met I dragen bij aan deze ‘Big 8’ cyclus of zijn van toepassing op de uitvoering van het beleid. Deze bijlagen zijn met bijlage A, het VTH Beleid 2024 – 2028, verbonden.
Noot
71Op grond van de modelverordening uitvoering en handhaving van de VNG en het IPO. De link voor de omgevingsdiensten met de LHS en de LHSO staat beschreven in deel C (procescriteria), onder de 9b (de sanctiestrategie).
Noot
9De landelijke handhavingsstrategie Brzo die van toepassing is bij de hand having van Sevesovoorschriften, is een voorbeeld van een landelijke module die al bestond vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het gaat hier om een module ‘bovenop’ de algemene landelijke handhavingsstrategie voor een basistaak waarvoor de specifieke deskundigheid is vereist die bij een klein aantal (6) omgevingsdiensten is gebundeld. Er valt ook te denken aan modules voor andere taken dan de verplichte basistaken.
Noot
10Dit is ook de reden waarom de LHSO – evenals haar voorgangster – niet als recht in de zin van artikel 79 RO kan worden beschouwd (zie onder meer HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436 en Hof ArnhemLeeuwarden 7 juli 2021, ECLI:NL:G HARL:2021:640). Uit rechtspraak vloeit voort dat op het openbaar ministerie niet de verplichting rust om in individuele, concrete gevallen te motiveren waarom de omstandigheden van die zaak het OM tot afwijking van de LHSO deden besluiten.
Noot
11Afhankelijk van de organisatie of het complexe karakter van de betrokken kwestie kan dit positioneren door twee (of meer) handhavers plaatsvinden.
Noot
126Uit een oogpunt van duidelijkheid wordt de term overtreder gebruikt, ook al kan in de praktijk op enig moment in een procedure blijken dat betrokkene toch niet als overtreder kan worden aangemerkt (bijvoorbeeld – vgl. bij rechts personen – omdat de overtreding hem/haar niet kan worden toegerekend of omdat er achteraf beschouwd geen sprake was van een overtreding).
Noot
13Dit neemt uiteraard niet weg dat van de overheid kan worden verwacht dat burgers en bedrijven goed worden voorgelicht over nieuwe regels en wijzigingen van regels. Goede voorlichting en transparantie draagt bij aan grotere naleving.
Noot
14Dit is ook de bedoeling van de wetgever (MvT Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 48): “Wanneer de gevolgen van een overtreding beperkt zijn en de overtreder normaal gesproken de regels naleeft en de betreffende overtreding onbedoeld heeft begaan, zal kunnen worden volstaan met een lichte interventie, zoals een waarschuwing.”
Noot
16De waterschappen en Rijkswaterstaat hebben eigen kwaliteitscriteria. Er wordt onderzocht hoe deze passend kunnen worden gemaakt met de KC3.0.
Noot
17Door BO IBP VTH is op 25/9/24 ingestemd dat de kwaliteitscriteria voor alle VTH-taken verplichtend zijn, inclusief die van de rijkspartijen. Daarover vindt nog overleg plaats met de betrokken ministeries en de rijksinspecties. Dat kan nog leiden tot een aanvulling van deskundigheidsgebieden, bv die van mest. Die gewijzigde set wordt dan vastgesteld in het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb).
Noot
18Er is tevens een EU richtlijn bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. Deze richtlijn legt lidstaten verplichtingen op zoals voldoende deskundigheid, capaciteit en het leveren van statistische informatie aan Europa over de afhandeling van milieudelicten.
Noot
20De actuele kwaliteitscriteria die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn, bestaat uit de gehele set te weten, deel A spelregels, deel B kritieke massa, de procescriteria (deel C) en de competentieprofielen (deel D). De samenhang zegt iets over de kwaliteit (deskundigheid) van een organisatie die belast is met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten.
Noot
21Medio 2023 is in het IBP-VTH de notitie Robuuste omgevingsdiensten vastgesteld. Daarin is aangegeven hoeveel medewerkers een omgevingsdienst minimaal nodig heeft om de VTH-taken op een adequaat niveau te kunnen uitvoeren. Daar is dus een duidelijke relatie met de kritieke massa.
Noot
22Er zijn situaties denkbaar waarbij de in de criteria genoemde taken niet voorkomen gezien de aard, grootte of omvang van het aantal milieubelastende taken dan wel het gebied. Indien het bevoegd gezag dit gemotiveerd kan aantonen, dan hoeft zij niet te voldoen aan de eisen genoemd in het betreffende deskundigheidsgebied.
Noot
23Dat geldt ook voor samenwerking met andere gemeenschappelijke regelingen en samenwerking verschillende OD's.
Noot
24In afwachting van het ontwikkelen van curricula van opleidingen (inhoud is betere basis voor kwaliteit) wordt voor opleidingen of thema’s indicatief het volgende aangehouden: voor basiscursus 1-5 dagen, voor verdiepingscursus 5-10 dagen (tenzij specifiek en functiegericht en daarmee smaller), voor specialistische opleiding meer dan 10 dagen. Specifieke modules, standaard opleidingen, post Hbo-opleidingen en certificaten worden expliciet genoemd. Indien dit aan de orde is, wordt actualiseringsplicht vermeld.
Noot
25In de nota van toelichting van het Besluit omgevingsrecht (Staatsblad 193 2017, van kracht tot 1/1/2024) en nota van toelichting van het Omgevingsbesluit (Invoeringsbesluit Omgevingsbesluit, Staatsblad 400 2020, van kracht vanaf 1/1/2024) is ook meer achtergrondinformatie te vinden.
Noot
26Het transitieprogramma zal een project gaan bevatten om de landelijke sanctiestrategie te optimaliseren en op maat te maken ( inclusief de interpretatie voor bouwaspecten en handreikingen voor de wijze waarop politie en OM zich bindt aan de sanctie en/of handhavingsstrategie).
Noot
27Zie Grenzen aan Gedogen | Kenniscentrum voor beleid en regelgeving (kcbr.nl) en kst-25085-2.pdf (officielebekendmakingen.nl)
Noot
28Holistisch beoordelen heeft als uitgangspunt dat een adequate prestatie niet is te reduceren is tot een voldoende score op afzonderlijke beoordelingsaspecten; het geheel is meer dan de som van de delen.
Noot
29De intensiteit van het toezicht is vastgelegd in het Toezichtprotocol activiteit bouwen gemeente Zoetermeer. Dit Toetsprotocol wordt samen met het Vergunningen-, Toezicht en Handhavingsbeleid 2024-2028, ‘Een integrale aanpak voor kwalitatieve dienstverlening’.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl