Delegatie- en mandaatbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam

Geldend van 28-02-2026 t/m heden

Intitulé

Delegatie- en mandaatbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam

De raad van de gemeente Amsterdam;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 juni 2024;

gelet op het bepaalde in artikel 156 van de Gemeentewet;

gelet op het bepaalde in artikel 2.8 en 4.14, vijfde lid van de Omgevingswet;

gelet op artikel 10:13 van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op artikel 16.36, vijfde lid en 16.43, tweede lid van de Omgevingswet.

overwegende dat de gemeenteraad bevoegd is een gewijzigd omgevingsplan vast te stellen, dit niet in alle gevallen noodzakelijk is en het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op diverse onderdelen van het omgevingsplan de bevoegdheid tot wijziging van het omgevingsplan kan overnemen;

besluit:

Artikel 1 Algemene onderwerpen voor delegatie

De bevoegdheid tot vaststelling van een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders voor zover de wijziging betrekking heeft op:

  • 1.

    het verwerken van kaderstellend beleid dat is vastgesteld door de gemeenteraad;

  • 2.

    het beleidsneutraal verwerken van onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan;

  • 3.

    het verwerken van een onherroepelijke voortdurende buitenplanse omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.17 van de Omgevingswet;

  • 4.

    het verwerken van gewijzigde wet- en regelgeving en beleidsnormen, waarin geen beleidsvrijheid is toegekend;

  • 5.

    het toevoegen en of wijzigen van (een) begripsbepaling(en) voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben;

  • 6.

    het herstellen van een kennelijke schrijffout, rekenfout of een andere kennelijke fout in het omgevingsplan;

  • 7.

    het verwerken van een gerechtelijke uitspraak, voor zover dit via een beleidsneutrale wijziging wordt hersteld;

  • 8.

    een wijziging waarbij geen zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit en ten opzichte van dit ontwerpbesluit ook geen wezenlijke ambtshalve wijzigingen zijn aangebracht.

  • 9.

    het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in het kader van de transitie dat voldoet aan het vastgestelde herziene uitvoeringskader zoals opgenomen als bijlage bij dit besluit;

Artikel 2 Specifiek inhoudelijke onderwerpen voor delegatie

De bevoegdheid tot vaststelling van een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, voor zover de wijziging uitsluitend betrekking heeft op één of meer van de onderstaande onderdelen:

  • 1.

    het aanwijzen, wijzigen en schrappen (van een aanwijzing) van een gemeentelijk monument;

  • 2.

    het wijzigen van het omgevingsplan als gevolg van de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht;

  • 3.

    het verwijderen van regels uit het omgevingsplan die zijn opgenomen ter bescherming van archeologische waarden, indien uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;

  • 4.

    het aanwijzen of het afzien van een brand- en/of explosievoorschriftengebied;

  • 5.

    het aanwijzen van een locatie voor, het wijzigen of schrappen van een plaatsgebonden risicocontour 10-6;

  • 6.

    het aanwijzen van een locatie waar een uitzondering geldt op het verbod om te lozen bij voedselrestvermaling en het stellen van regels daarover;

  • 7.

    het actualiseren van kosten, opbrengsten en toedeling van kosten van een vastgesteld kostenverhaalsgebied met tijdvak;

  • 8.

    het bijstellen van kostenverhaalplafonds en maxima per kostenverhaalsplichtige activiteit voor een vastgesteld kostenverhaalsgebied zonder tijdvak;

  • 9.

    het schrappen van een ligplaats, voor zover daarvoor in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen;

  • 10.

    Het stellen van (een) maatwerkregel(s) in het omgevingsplan voor zover deze betrekking heeft op:

    • a)

      een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    • b)

      een maatwerkregel als bedoeld in artikel 4.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

    • c)

      een maatwerkregel als bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3 Afwijzen van de aanvraag tot wijziging van het Omgevingsplan

De bevoegdheid om een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan af te wijzen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 4 Voorbereidingsbesluit

De bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels vast te stellen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 5 Mandaat mer-beoordelingsbeslissing en voorbereidingshandelingen voor een milieueffectrapport

De bevoegdheid tot het nemen van een mer-beoordelingsbeslissing en de bij het opstellen van het milieueffectrapport behorende voorbereidingshandelingen aan het college van burgemeester en wethouders te mandateren.

Artikel 6 Voorleggen genomen besluiten

Het college legt éénmaal per jaar een overzicht voor aan de raad van de krachtens dit besluit genomen besluiten.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking;

Artikel 8 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als delegatie- en mandaatbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 17 juli 2024,

De voorzitter

Femke Halsema

De plaatsvervangend raadsgriffier

Dafne Struijk

Herzien bestuurlijk uitvoeringskader transitie omgevingsplan gemeente Amsterdam

Oktober 2025

Vastgesteld door het college op 6 januari 2026

1) Inleiding en doel

Tijdens het Bestuurlijk Overleg Stadsdelen/stadsgebied Ruimtelijke Ordening (BOS RO) en Erfgoed van 11 december 2023 zijn de bestuurders geïnformeerd over de transitieopgave van het omgevingsplan. Ook bespraken bestuurders de uitgangspunten voor deze transitie. De uitgangspunten zijn gezamenlijk geaccordeerd.

Na de bespreking op 11 december 2023 is een nieuwe ontwikkeling aan het licht gekomen die gevolgen heeft voor de transitie, namelijk dat het tegelijkertijd werken aan meerdere wijzigingen van het omgevingsplan voorlopig niet mogelijk is in de landelijke plansoftware. Dat heeft grote gevolgen voor de wijze waarop gemeenten met het vervangen van bestemmingsplannen aan de slag gaan. Gemeenten kunnen namelijk slechts beperkt tegelijk in de software aan meerdere wijzigingen werken (het zogenaamde parallel wijzigen van het omgevingsplan). Dit heeft aanzienlijke gevolgen voor de aanpak van de transitie van het omgevingsplan. Hoewel stadsdelen en betrokken stedelijke directies de taak van de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan houden, is er vanwege deze digitale beperking des te meer coördinatie en sturing nodig van de totale transitieopgave.

De uitgangspunten voor de transitie zijn daarna vastgelegd en geformaliseerd in het bestuurlijk uitvoeringskader dat door de wethouder Ruimtelijke Ordening op 16 april 2024 is vastgesteld.

De ervaringen uit de eerste tranche leiden tot herziening van het uitvoeringskader. Als op de wijze van de eerste tranche wordt doorgegaan kost dat te veel tijd en capaciteit, zonder dat dit iets bijdraagt aan de kwaliteit van de transitie. De verwachting is dat hierdoor de transitie niet kan worden gehaald binnen de wettelijke termijn. Door de term van beleidsarm aan te scherpen naar beleidsneutraal en processuele aanpassingen te doen door direct door te gaan naar het opstellen van een ontwerpwijzigingsbesluit zonder Nota van Uitgangspunten en participatie daarop, is de verwachting dat het omzetten van de bestemmingsplannen wel binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn kan worden gehaald. Voor de duidelijkheid, indien voor nieuwe ontwikkelingen of niet-beleidsneutrale wijzigingen, geldt het herziene uitvoeringskader niet en zal de standaardprocedure worden gevolgd.

Het omzetten van de bestemmingsplannen in de stad zal eenduidig en uniform uitgevoerd worden conform dit kader. Dit schept duidelijkheid en is bovendien noodzakelijk om de omvangrijke opgave te kunnen bewerkstelligen.

2) Bestuurlijk uitvoeringskader

Bij elk om te zetten bestemmingsplan in het kader van de transitie gelden de volgende kaders:

2.1) Beleidsneutraal

De omzetting van de bestemmingsplannen die vallen onder dit uitvoeringskader is beleidsneutraal. Dat betekent dat met de wijziging van het omgevingsplan in het kader van de transitie geen nieuw beleid in het omgevingsplan wordt opgenomen of een beleidswijzing wordt voorgesteld. De omzetting is zuiver juridisch-technisch. Dit vanwege de voortgang en de planbaarheid van de transitie. Daar waar behoefte is aan beleidswijzigingen, zal dit middels een separate wijziging omgevingsplan plaatsvinden, met bijbehorende participatie (in het beleidstraject).

De omzetting vindt dus plaats zonder dat het juridisch-planologische kader wijzigt. Het juridisch-planologische kader wordt gevormd door de regels uit het om te zetten bestemmingsplan, vastgestelde paraplubestemmingsplannen, nieuwe wetgeving, verleende afwijk-omgevingsvergunningen en die onderdelen van vastgesteld stedelijk of lokaal beleid die zodanig concreet zijn dat het voor alle betrokkenen helder is wat de concrete aanpassingen van het juridisch-planologisch kader zullen zijn.

Toch kunnen er uit het beleid en de systematiek van de Omgevingswet wijzigingen voortkomen tussen het bestemmingsplan en het omgevingsplan. Dit komt doordat het oude bestemmingsplan op basis van het destijds vigerende beleid is opgesteld. Een voorbeeld hiervan is dat het bestemmingsplan nog op basis van de structuurvisie is vastgesteld, waar nu de omgevingsvisie het beleidskader is of het nieuwe horecabeleid, dat reeds is opgenomen in de vastgestelde hoofdregeling van het omgevingsplan waarmee de geldende bestemmingsplanregels worden omgezet. Andere voorbeelden zijn wijzigingen die uit de systematiek van de Omgevingswet voortkomen: (1) Gevallen die “bij recht” zijn toegestaan in het bestemmingsplan, maar in het omgevingsplan geen specifieke bouwrechten toegekend hoeven te krijgen, omdat voorzien wordt in een binnenplanse vergunmogelijkheid in het omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan is dat een dakterras niet meer binnen de toegelaten overschrijdingen valt, maar dat daarvoor een omgevingsvergunning voor een (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit moet worden aangevraagd. (2) een bestemmingsplan dat is vastgesteld met uitgebreide gebruiksmogelijkheden, waar dat op basis van het beleid of fysieke mogelijkheden nu evident niet meer mogelijk is. Zoals een brede maatschappelijke bestemming waar nu een ziekenhuis is gerealiseerd, maar waar ook een begraafplaats of zwembad mogelijk was. Dan worden de laatste twee mogelijkheden geschrapt of (3) Het bestemmingsplan is zeer globaal opgezet om maximaal flexibiliteit te bieden bij het ontwikkelen van het (woon)programma. Er is een ruim bouwvlak en één bouwhoogte is opgenomen. Inmiddels is het gehele gebied vergund en bebouwd en ingericht conform bouwenveloppen die ook in het erfpachtcontract zijn opgenomen. Hier wordt dan de bestaande feitelijke toestand vastgelegd, conform de hiervoor verleende omgevingsvergunning, erfpacht en de hoofdregeling omgevingsplan. Deze wijzigingen als gevolg van het beleid of de systematiek worden toegelicht in de motivering van ieder wijzigingsbesluit.

Voor de duidelijkheid: er worden dus geen nieuwe (beleids-)ontwikkelingen of wensen meegenomen, die moeten een aparte planologische procedure doorlopen. Voorbeeld: (1) Als er wordt gekozen om in een bestaand stedelijk gebied veel bouwmogelijkheden te schrappen omdat die stedenbouwkundig niet langer wenselijk zouden zijn, zoals bijvoorbeeld de beperking van vergunningvrij bouwen op het achtererf, is sprake van nieuw beleid. In deze gevallen zal er ook participatie plaatsvinden. (2) Als voor een ontwikkellocatie nog geen vergunning is afgegeven, maar die al wel in een ver gevorderd stadium van de planvorming is, dan kan voor die locatie niet de huidige bestemming worden opgenomen, omdat de ontwikkeling voldoende concreet is. Op grond van jurisprudentie zou rekening moeten worden gehouden met die nieuwe ontwikkeling. Dat betekent dat die locatie dan uit de wijziging van het omgevingsplan in het kader van de transitie wordt gehouden en wordt voor die locatie een aparte procedure doorlopen.

Bij het omzetten van een bestemmingsplan wordt dus het volgende meegenomen:

  • -

    Regels uit het om te zetten bestemmingsplan;

  • -

    Regels uit een voor dat deelgebied geldend paraplubestemmingsplan;

  • -

    Vastgesteld (stedelijk of lokaal) beleid;

  • -

    Nieuwe wetgeving;

  • -

    Verleende, onherroepelijke, (afwijkings-)omgevingsvergunningen;

  • -

    Het herstellen van een kennelijke schrijffout, rekenfout of een andere kennelijke fout in het bestemmingsplan.

2.2) Eén uniforme procedure, één wijzigingsbesluit

Zoals aangegeven is het in de landelijke plansoftware gelijktijdig werken aan meerdere wijzigingen van het omgevingsplan, ingewikkeld. Een nieuwe wijziging kan (voorlopig) pas in ontwerp in de plansoftware worden aangemaakt, wanneer de vorige wijziging is vastgesteld. Ontwikkelaars van de plansoftware zijn gevraagd hiervoor een oplossing te bieden. Vooralsnog is die oplossing er niet. Wel kunnen de wijzigingen die voor het vervangen van meerdere bestemmingsplannen nodig zijn, worden samengevoegd in één wijzigingsbesluit (een tranche).

Dit betekent dat er gewerkt wordt met een aanpak waarbij in opeenvolgende tranches meerdere deelgebieden per wijzigingsbesluit worden vervangen. Deze werkwijze heeft een aantal randvoorwaarden:

  • 1.

    Het (ontwerp) wijzigingsbesluit heeft betrekking op alle deelgebieden gezamenlijk;

  • 2.

    De motivering bij de raadsvoordracht wordt opgeknipt in motiveringen per deelgebied (motivering gebied A, motivering gebied B, etc.);

  • 3.

    De stadsdeelbesturen of projectorganisaties adviseren alleen over het eigen deelgebied;

  • 4.

    De procedure is uniform voor alle deelgebieden. Samen en tegelijk wordt er gewerkt aan één wijzigingsbesluit.

2.3) Nota van uitgangspunten en Participatie

Het feit dat de omzetting van het omgevingsplan een zuiver juridisch-technische omzetting is, maakt een Nota van Uitgangspunten (vergelijkbaar met een uitgebreide startnotitie) overbodig. Uit de ervaring met de eerste tranche is ook gebleken dat participatie op deze nota bij de wijziging van het omgevingsplan in het kader van de transitie geen toegevoegde waarde heeft en eerder zorgt voor onduidelijkheid. De transitie gaat om een technische omzetting van (de regels van) een bestemmingsplan naar (nieuwe regels van) het omgevingsplan. De Participatieverordening (artikel 3 lid 3 onder a) geeft aan dat er voor die gevallen geen participatieplan hoeft te worden opgesteld. Daarnaast heeft over de bestemmingsplannen in aanloop naar de vaststelling ook al participatie plaatsgevonden, Dus in het voortraject bij een wijziging het omgevingsplan in het kader van de transitie, geen nota van uitgangspunten en participatie. Er wordt wel, conform wettelijk voorschrift, kennis van gegeven dat voor een bepaald gebied een wijziging van het Omgevingsplan wordt voorbereid. In deze publicatie wordt aangegeven dat het mogelijk is om een zienswijze in te dienen op het ontwerp wijzigingsplan.

Dit is in lijn met de volgende gevallen waar ook geen participatie plaatsvindt:

  • -

    Ontwikkelplannen waarbij, in het kader van het Plaberum, al inspraak/participatie heeft plaatsgevonden;

  • -

    Technisch juridische aanpassingen (inclusief omissies);

  • -

    Uitvoeren van gerechtelijke uitspraken;

2.4) Procedure tot wijziging van het omgevingsplan in het kader van de transitie

Elke wijziging van het omgevingsplan in het kader van de transitie volgt de volgende stappen:

  • 1.

    Stedelijk Regieteam vraagt input bij stadsdelen en stadsgebied welke bestemmingsplannen beleidsneutraal omgezet kunnen worden en welke niet. Van beleidsrijke bestemmingsplannen moet een gezamenlijke prioritering worden gemaakt. Stadsdelen en stadsgebied worden vervolgens vooraf geïnformeerd over de om te zetten gebieden. Dat gebeurt middels de jaarlijkse rapportages, waarin ook de planning voor de komende periode wordt opgenomen. Deze worden geagendeerd op het portefeuillehoudersoverleg RO.

  • 2.

    Het college publiceert een kennisgeving dat voor een bepaald gebied een wijziging van het Omgevingsplan wordt voorbereid. In deze publicatie wordt aangegeven dat het mogelijk is om een zienswijze in te dienen op het ontwerpwijzigingsplan. De kennisgeving wordt ook ter informatie aan de dagelijks besturen van de stadsdelen en het stadsgebied gestuurd.

  • 3.

    Inventarisaties en ambtelijke afstemming met gebiedsteams, maatschappelijke organisaties en bedrijven;

  • 4.

    Opstellen van één ontwerp wijzigingsbesluit met motivering per deelgebied.

  • 5.

    Het ontwerp wijzigingsbesluit wordt voorgelegd aan de dagelijks besturen van de betrokken bestemmingsplangebieden, om vast te stellen dat het een beleidsneutrale omzetting is. Wanneer dat toch niet het geval is, zal voor dat onderdeel van het gebied een separate wijzigingsprocedure worden gevoerd. Dergelijke wijzigingen vallen dus niet onder het bereik van dit Herzien bestuurlijk uitvoeringskader.

  • 6.

    Vrijgave van het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan met de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen en gelijktijdig adviesverzoek aan de dagelijks besturen van de stadsdelen en het stadsgebied om te adviseren over het eigen deelgebied;

  • 7.

    Opstellen van het definitieve wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam met motivering per deelgebied;

  • 8.

    Vaststellen van het wijzigingsbesluit door de gemeenteraad of het college (indien de raad heeft ingestemd met de delegatie aan het college voor deze gevallen).

3) Randvoorwaarden transitie

3.1) Lerende organisatie

Zoals besproken tijdens het BOS RO en Erfgoed van december 2023 vraagt deze transitie wendbaarheid in de aanpak. De transitieopgave is fors en het omzetten van bestemmingsplannen is nieuw. We begeven ons dus op onbekend terrein, waardoor het belangrijk is om te monitoren, te evalueren, bij te stellen. We starten met een eerste tranche/eerste fase met een vaste werkgroep juristen die regelmatig bij elkaar komt. Het geleerde tijdens de eerste tranche, heeft geleid tot dit herziene uitvoeringskader. Ervaringen uit volgende tranches worden toegepast in de volgende tranches.

Deze transitie vraagt wendbaarheid van iedereen: initiatiefnemers die met nieuwe regels te maken krijgen; bestuurders die met nieuwe producten en besluitvorming te maken krijgen; juristen die met nieuwe wetgeving, procedures en systemen te maken krijgen. Ook zullen bewoners/belanghebbenden in aanraking komen met deze nieuwe manier van werken.

3.2) Juridische capaciteit

Deze transitieopgave vergt veel juridische capaciteit. Alle bestemmingsplannen in de stad moeten voor 2032 omgezet zijn. Tegelijkertijd moeten de werkzaamheden voor gebiedsontwikkeling, vergunningverlening en stedelijke beleidsvorming doorgaan, waarbij ook op deze werkzaamheden de Omgevingswet zijn werking heeft. Al deze werkzaamheden moeten door de huidige groep juridisch planologen opgepakt worden. Dat vraagt om prioritering en keuzes maken. Instrumenten hiervoor zijn de beleidsadviestafel (afstemming nieuwe beleidsinitiatieven fysiek domein), het stedelijk Regieteam Omgevingswet en het directeurenoverleg VTH-keten. Het Regieteam coördineert en stemt af met de opdrachtgevers. Waar nodig volgt bestuurlijke besluitvorming.

In het BOS RO en Erfgoed van december 2023 is expliciet afgesproken dat deze transitie prioriteit heeft, maar niet ten koste mag gaan van wettelijke taken zoals de advisering bij vergunningverlening. Deze combinatie van prioriteiten betekent dat andere opgaven gefaseerd zullen moeten worden.

Toelichting

Algemeen deel

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om de bevoegdheid tot het vaststellen van een wijziging van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college. Dit delegatiebesluit vormt een afzonderlijk besluit, dat geen deel uitmaakt van het omgevingsplan. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte van de bevoegdheid die de raad aan het college delegeert. Het bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend. Ook kan in het delegatiebesluit bepaald worden hoe het college uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. Met delegatie zorgt de raad ervoor dat de uitvoering van het beleid bij het uitvoerende orgaan neergelegd wordt. Dit kan vanuit het oogpunt van efficiency en flexibiliteit wenselijk zijn en zorgt voor snellere besluitvorming.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Algemene onderwerpen voor delegatie

Lid 1 Beleid van raad in het omgevingsplan

Bij kaderstellend beleid kan gedacht worden aan door de raad vastgestelde ruimtelijke visies, ruimtelijke (stedenbouwkundige) plannen, startnotities, beleidsnota’s/-visies en kaders met inbegrip van daarmee naar aard en strekking te vergelijken documenten. Deze voorbeelden zijn overigens niet uitputtend bedoeld. Het omgevingsplan bevat niet alleen regels die de ruimtelijke ordening betreffen, maar ziet op de gehele fysieke leefomgeving. Het is dan ook mogelijk om andere onderwerpen die in kaderstellend beleid opgenomen zijn en de fysieke leefomgeving betreffen, indien gewenst te vertalen naar regels in het omgevingsplan. Wanneer de raad beleid heeft vastgesteld die doorvertaling in het omgevingsplan behoeft, kan dit door het college gebeuren. Het gaat immers om het vertalen van beleid waar al sprake is geweest van een inhoudelijke afweging. Een dergelijke aanpassing van delen van het omgevingsplan is aan te merken als uitvoering en daarmee ligt delegatie aan het college voor de hand. Indien de raad toch wenst om de vertaling van het kaderstellende beleid in het omgevingsplan zelf vast te stellen, kan de raad dit bij de vaststelling van het kaderstellende beleid besluiten.

Lid 2 Het toevoegen van die onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die beleidsneutraal overgeheveld gaan worden naar het omgevingsplan;

De Omgevingswet bevat voor de gemeenteraad de verplichting om voor het gehele gemeentelijk grondgebied één omgevingsplan vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Deze verplichting geldt ook voor bepaalde regels over de fysieke leefomgeving die in gemeentelijke verordeningen zijn gesteld. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze verordeningen gelden naast het omgevingsplan. Gemeenten moeten in de overgangsperiode tot 2032 deze verordeningen opnemen in het omgevingsplan. Aangezien deze verordeningen destijds al door de raad zijn vastgesteld, heeft de raad al een inhoudelijke afweging gemaakt. De beleidsneutrale doorvertaling van de regels uit de verordeningen naar het omgevingsplan betreft puur de uitvoering en kan door het college gebeuren. Indien sprake is van een inhoudelijke beleidswijziging blijft de raad bevoegd.

Lid 3 Verleende omgevingsvergunningen in afwijking van het omgevingsplan

Ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning. Een dergelijke vergunning kan ook verleend worden in afwijking van het omgevingsplan (bopa). Het college heeft de bevoegdheid (in bepaalde gevallen rekening houdend met een bindend advies van de raad inzake buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) te besluiten over het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan. De Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad vergunningen voor afwijkactiviteiten binnen vijf jaar moet verwerken in het omgevingsplan. Het verwerken van een verleende (onherroepelijke) omgevingsvergunningen is een administratieve handeling. Daarom leent dit zich goed voor delegatie.

Lid 4 Het actualiseren/aanpassen van het omgevingsplan aan veranderende wet- en regelgeving en beleidsnormen voor zover hier geen beleidsvrijheid meer is toegekend;

Wet- en regelgeving wijzigt regelmatig, net als normen uit beleidsstukken/visies. Dit komt door andere inzichten, wijzigingen in normstellingen, meetmethoden, naamgeving, vervallen van wetgeving, etc. Dit kan ertoe leiden dat normen, reken- en meetmethoden, referenties en verwijzingen (naar wetgeving) die in het omgevingsplan zijn opgenomen aangepast moet worden. Het betreft hier onder andere gewijzigde wet- en regelgeving van het rijk of provincie, waar de gemeente feitelijk niets over te zeggen heeft en waar geen beleidsvrijheid meer is toegekend.

Lid 5 Het toevoegen en of wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben;

Het is mogelijk dat er begripsbepalingen in het omgevingsplan moeten worden toegevoegd of aangepast om de ‘leesbaarheid’ te verbeteren. In voornoemde gevallen gaat het niet om het aanpassen of toevoegen van begripsbepalingen die (nadelige) gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving dan wel (nadelige of beperkende) effecten tot gevolg hebben voor inwoners en initiatiefnemers of inhoudelijk besproken moet worden.

Lid 6 Het corrigeren van kennelijke schrijffout, rekenfout of een andere kennelijke fout in het omgevingsplan;

Herstel van fouten (bijv. verschrijvingen, verkeerde verwijzingen) in het omgevingsplan is pure uitvoering. Het gaat hier om technische aanpassingen waarbij inhoudelijke besluitvorming niet is vereist. Delegatie van dit onderdeel aan het college ligt hiermee voor de hand.

Lid 7 Het verwerken van gerechtelijke uitspraken, waarbij het gebrek via een beleidsneutrale wijziging wordt hersteld;

Hierbij gaat het om een uitspraak van een rechter op grond waarvan het omgevingsplan moet worden aangepast, maar die wijziging inhoudelijk niet tot een ander besluit leidt dan waarover de raad eerder heeft besloten.

Lid 8 Een wijziging waarbij geen zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit en ten opzichte van dit ontwerpbesluit ook geen wezenlijke ambtshalve wijzigingen zijn aangebracht

Op grond van artikel 3:18, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht neemt de gemeente, als er geen zienswijze zijn binnengekomen, het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken. De enige mogelijkheid om deze termijn te halen is door de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan in deze gevallen te delegeren aan het college. Deze wijziging geldt alleen voor zover er verder ook geen wezenlijke ambtshalve wijzigingen zijn doorgevoerd, waarvan het wenselijk is dat de raad hierover besluit.

Artikel 2 Specifiek inhoudelijke onderwerpen voor delegatie

De volgende onderwerpen worden alleen gedelegeerd als voor dit specifieke onderdeel een aparte wijziging van het omgevingsplan in procedure wordt gebracht. Indien onderstaande onderwerpen onderdeel zijn van een grotere wijziging van het omgevingsplan waarvoor de raad bevoegd is, worden deze punten niet gedelegeerd. In dat geval behoudt de raad de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen.

Lid 1 en 2 Het aanwijzen, wijzigen en schrappen (een aanwijzing) van een gemeentelijke monumenten of aanwijzing van een beschermd stadsgezicht;

Gemeentelijke monumenten moeten volgens de Omgevingswet in het omgevingsplan opgenomen worden. Het toedelen van de functie monument aan een locatie (voorheen: het aanwijzen van een gemeentelijk monument) is volgens de Erfgoedverordening een collegebevoegdheid. In het kader van de Omgevingswet dienen verordeningen in het omgevingsplan opgenomen te worden. Tot het moment dat het tijdelijk omgevingsplan wordt omgezet in een omgevingsplan (uiterlijk 2032) en alle gemeentelijke verordeningen hierin opgenomen zijn, kunnen nieuwe gemeentelijke monumenten nog worden aangewezen op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Na de overgangsperiode zal het aanwijzen van gemeentelijke monumenten geregeld worden door deze op te nemen in het omgevingsplan. Aangezien de bevoegdheid tot het aanwijzen van monumenten reeds bij het college ligt, ligt het voor de hand dat het college ook verantwoordelijk is voor het wijzigen van het omgevingsplan door het opnemen van een aangewezen monument.

Lid 3 Het verwijderen van regels ter bescherming van archeologische waarden, indien uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;

Uit nader archeologisch onderzoek kan blijken dat de archeologische waarde op een specifieke locatie niet overeenkomt met de situatie zoals deze is vastgesteld (er zijn geen archeologische resten gevonden dus de waarde is lager). Het archeologisch beleid wordt hierop dan aangepast. Dit zijn zaken die dan ook aangepast moeten worden in het omgevingsplan. Om de procedure voor het aanpassen van het omgevingsplan in deze situaties sneller te laten verlopen ligt het delegeren van de vaststelling van het omgevingsplan op dit punt voor de hand.

Lid 4 Het aanwijzen, wijzigen of afzien van een brand- en/of explosievoorschriftengebied;

Artikel 5.14 tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft aan dat in het omgevingsplan een brand- en/of explosieaandachtsgebied via het omgevingsplan wordt aangewezen als een brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied. In afwijking van het tweede lid kan in een omgevingsplan worden afgezien van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied of kan een kleiner gebied als brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Alleen voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten, kan niet worden afgezien van het aanwijzen van een voorschriftengebied.

Het is niet mogelijk om bij de vergunningverlening van een risicovolle milieubelastende activiteit een voorschriftengebied aan te wijzen of af te zien van aanwijzing middels een omgevingsvergunning (het te beschermen gebouw ligt immers buiten de locatie van de aanvraag omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit). Daarom wordt voor deze gevallen het aanwijzen 0f afzien van een voorschriftengebied gedelegeerd aan het college.

Lid 5 Het aanwijzen van locatie voor, wijzigen en schrappen van een plaatsgebonden risicocontour;

Als een milieubelastende activiteit met een plaatsgebonden risicocontour weggaat en er komt een ander bedrijf in de plaats zonder plaatsgebonden risicocontour, dan kan het voor de ontwikkeling van een gebied gewenst zijn om deze contour te schrappen. Daarnaast kan de energietransitie leiden tot nieuwe of gewijzigde contouren. In deze gevallen is het gewenst om hier snel op in te kunnen spelen. Dit kan door het aanwijzen, wijzigen of schrappen van een plaatsgebonden risicocontour bij het college te leggen.

Lid 6 Het aanwijzen van een locatie waar een uitzondering geldt op het verbod lozen bij voedselrestvermaling en het stellen van regels daarover;

De gemeente heeft een hoge ambitie op het gebied van duurzaamheid. Een van de initiatieven op dat gebied zijn de experimenten met nieuwe sanitatie waarbij afvalwater wordt gezien als een bron van energie en grondstoffen waarbij zo weinig mogelijk water wordt verspild. Om goed en flexibel in te kunnen spelen op deze nieuwe technieken wordt voorgesteld om aanwijzen van een locatie waar een uitzondering geldt op het verbod om te lozen bij voedselrestvermaling te delegeren aan het college. Voor zover dit nodig is kan het college ook regels opnemen over de aanwijzing. Een voorbeeld waarbij dit wordt toegepast is in pilots in Buiksloterham.

Lid 7 en 8 Het actualiseren van kosten, opbrengsten van kosten van een vastgesteld kostenverhaalsgebied met tijdvak en het bijstellen van kostenverhaalsplafonds voor een vastgesteld kostenverhaalsgebied zonder tijdvak;

Het ligt voor de hand om voor alle kostenverhaalsgebieden voor kostenverhaal met tijdvak de kosten en opbrengsten en toedeling van de kosten aan de eenheden activiteiten te actualiseren als daar aanleiding voor is. Van belang is dat bij kostenverhaal met tijdvak zo nodig ook het tijdvak geactualiseerd wordt. Als het tijdvak verlopen is, heeft dat geen gevolgen voor kostenverhaalbeschikkingen. Ook na verloop van een tijdvak blijft de verplichting bestaan een kostenverhaalbijdrage aan te vragen.

Voor de kostenverhaalsgebieden zonder tijdvak kan bezien worden of de kostenverhaalplafonds en maxima per kostenverhaalplichtige activiteit in de kostenverhaalregels bijstelling behoeven.

Vanwege de snelheid van de besluitvorming is het wenselijk dat het college de regels in het omgevingsplan kan actualiseren.

Lid 9 Het schrappen van een ligplaats, voor zover daarvoor in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen

In diverse bestemmingsplannen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij het college de bevoegdheid had om een ligplaats te kunnen schrappen. Onder de Omgevingswet is via het overgangsrecht bepaald dat de wijzigingsbevoegdheid een afwegingskader wordt voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Echter het schrappen van ligplaats kan niet via een omgevingsvergunning worden gerealiseerd, maar zal via een wijziging van het omgevingsplan moeten gaan. Aangezien de bevoegdheid onder het oude recht ook bij het college lag, wordt deze bestaande bevoegdheid aan het college gedelegeerd.

Lid 10 Het stellen van maatwerkregels in het omgevingsplan voor zover de betrekking heeft op:

  • a.

    een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • b.

    een maatwerkregel als bedoeld in artikel 4.7 jo. 4.161 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • c.

    een maatwerkregel als bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • a.

    De gemeente mag in het omgevingsplan een maatwerkregel stellen over het afwijken van het in Bbl genoemde aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw. Op grond van artikel 6.7 van het Bbl geldt de algemene meldingsplicht voor deze gebruiksfuncties vanaf 10 personen. Gemeenten kunnen er voor kiezen in het omgevingsplan bijvoorbeeld een meldingsplicht vanaf 5 personen of vanaf 14 personen op te nemen. Deze mogelijkheid van lokaal maatwerk was er eerder ook in de Wabo bij de gebruiksvergunningplicht. Omdat deze mogelijk ook eerder bij het college lag, als vergunningverlener, en meestal aan de orde komt bij vergunningverlening, ligt het voor de hand nu te delegeren aan het college.

  • b.

    Hierbij gaat het om regels betreffende het aanwijzen van gebieden of categorieën woonfuncties, waarbij kan worden afgeweken (alleen een versoepeling) van regels in afdeling 4.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierdoor is het mogelijk ruimere afmetingen van gebruiksruimtes in specifieke woonfuncties voor te schrijven.

  • c.

    Deze maatregels kunnen worden gesteld betreffende milieubelastende activiteiten die op een locatie worden of zullen worden verricht. De maatwerkregels zijn dus niet gericht tot een belanghebbende, maar gelden op een bepaalde locatie ongeacht wie daar een activiteit verricht of gaat verrichten. Maatwerkregels zijn daarom geschikt om te sturen op toekomstige ontwikkelingen zoals ook nieuwe technieken. Om goed in te kunnen spelen op deze nieuwe technieken wordt voorgesteld om het stellen van maatwerkregels te delegeren aan het college.

Artikel 3 afwijzen van de aanvraag tot wijziging van het Omgevingsplan

Hier gaat het om de bevoegdheid om een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan af te wijzen, te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Ook onder de Wet ruimtelijke ordening was deze mogelijkheid aan het college gedelegeerd.

Artikel 4 Voorbereidingsbesluit

Het voorbereidingsbesluit is een besluit dat tijdelijk ontwikkelingen inperkt, die op grond van de geldende regels mogelijk zijn. Het kan bijvoorbeeld dat iets is toegestaan volgens het huidige omgevingsplan, maar niet volgens een wijziging van het omgevingsplan dat in voorbereiding is. De gemeenteraad kan dan een voorbereidingsbesluit nemen, waardoor regels tijdelijk niet gelden. De bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit kan worden gedelegeerd aan het college. Deze mogelijkheid bestond onder de Wet ruimtelijke ordening niet. In de Omgevingswet is dit opgenomen omdat het college een omgevingsplan voorbereidt en daarmee dan ook goed in staat is om op een effectieve wijze een voorbereidingsbesluit te nemen. Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan. De voorbeschermingsregels staan straks niet meer in het voorbereidingsbesluit, maar in het omgevingsplan. De burger raadpleegt slechts één document: het omgevingsplan. De voorbeschermingsregels kunnen nieuwe regels aan het omgevingsplan toevoegen. Denk daarbij aan een verbod op het realiseren van een activiteit of een verbod zonder vergunning een activiteit te realiseren. De voorbeschermingsregels kunnen ook regels uit het omgevingsplan buiten werking stellen. Een belangrijke randvoorwaarde is dat voorbeschermingsregels alleen beperkingen mogen opleggen aan activiteiten die wel zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan, maar die nog niet plaatsvinden. Het gevolg hiervan is dat een voorbereidingsbesluit bestaand gebruik en bestaande bouwwerken moet eerbiedigen. In feite kunnen de voorbeschermingsregels alleen de bestaande situatie bevriezen.

Artikel 5 mandaat mer-beoordelingsbeslissing en voorbereidingshandelingen mer

Met de introductie van de Omgevingswet zijn er enkele procedurele wijzigingen in de wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer). Onder het oude recht bepaalde artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat zowel het college als de gemeenteraad een mer-beoordelingsbesluit konden nemen. Onder de Omgevingswet ontbreekt een met artikel 7.1, vierde lid, vergelijkbare bepaling. Dit betekent dat, wanneer de raad het bevoegd gezag is, het college door de raad gemandateerd moet zijn om een mer-beoordelingsbeslissing te nemen. Aangezien het college deze besluiten voorbereid is het wenselijk om deze bevoegdheid aan het college te mandateren.

Daarbij gaat het ook om het kunnen uitvoeren van voorbereidingshandelingen die bij het opstellen van het milieueffectrapport behoren, zoals het raadplegen van bestuursorganen en instanties over de reikwijdte en het detailniveau (artikel 16.38 van de Omgevingswet), het adviseren over reikwijdte en detailniveau (artikel 16.46 van de Omgevingswet) en het in de gelegenheid stellen van de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies uit te brengen (artikel 16.39 en artikel 16.47 van de Omgevingswet).

Artikel 6 Voorleggen genomen besluiten

Het college legt een maal per jaar een overzicht van de krachtens dit besluit genomen besluiten voor aan de raad. Dit kan dan gelijk worden gezien als evaluatiemoment.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt dat het besluit inwerking treedt op de dag na bekendmaking.

Artikel 8 Citeertitel

Dit artikel regelt dat dit besluit wordt aangehaald als delegatie- en mandaatbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam.