Wegenverordening Zuid-Holland 2010 (Wegenverordening Zuid-Holland 2010)

Geldend van 19-11-2010 t/m 31-03-2019 met terugwerkende kracht vanaf 01-10-2010

Intitulé

Wegenverordening Zuid-Holland 2010 (Wegenverordening Zuid-Holland 2010)

Besluit van Provinciale Staten van 13 oktober 2010 tot vaststelling van de Wegenverordening Zuid-Holland 2010 (Prov. blad 2010, nr. 129).

 Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening worden verstaan onder:

  • weg: de openbare weg, zoals gedefinieerd in de Wegenverkeerswet en Wegenwet met inbegrip van: bermen, taluds, rotonde, tussenstroken bij twee of meer rijbanen, fiets -en voetpaden, parkeer -en carpool -plaatsen, bus – en halte – plaatsen, stoepen, glooiingen, bermsloten, beschoeiingen, geluidswerende voorzieningen, tot de weg behorende verkeersvoorzieningen en andere zich in of nabij die wegen bevindende of daarmede rechtstreeks verbonden werken, in beheer van de provincie Zuid-Holland;

  • beheer: de publiekrechtelijke zeggenschap over en de verantwoordelijkheid voor de weg met inbegrip van de plicht tot onderhoud en de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg;

  • onderhoud: het uitvoeren van alle werken c.q. werkzaamheden, die nodig zijn voor de instandhouding van de weg op zodanige wijze dat de weg voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op zijn functie, redelijkerwijs te stellen zijn, zodat een vrij en veilig gebruik van de weg door het verkeer gewaarborgd is;

  • provincie: De provincie Zuid-Holland;

  • Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland;

  • uitweg: elke rechtstreekse, niet openbaar in de zin van de Wegenwet 1994 zijnde, uitgang van een perceel op een weg en/of toegang tot een perceel vanaf een weg;

  • grens van een weg: grens van hetgeen krachtens dit artikel tot de weg wordt gerekend of – waar geen duidelijke grens kan worden aangegeven - de eigendomsgrens van het wegperceel;

  • houtopstand: bomen, heesters, hout -, struik -, veld- en tuingewassen, de wortels inbegrepen;

  • kunstwerken: bruggen, viaducten, tunnels, duikers, sluizen en soortgelijke objecten;

  • bouwwerken: elke bouwkundige constructie, niet zijnde een kunstwerk;

  • omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, juncto artikel 2.2., van de Wabo;

  • voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

  • verkeer: alle weggebruikers;

  • weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen;

  • veiligheid van de weg: de toestand van de weg waarbij de veilig¬heid van personen en goederen, niet in gevaar wordt gebracht;

  • ontheffing: een op grond van deze verordening verleende ontheffing, niet zijnde een omgevingsvergunning;

  • Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van 6 november 2008, Stb. 2008, 496;

  • evenement: een voor een beperkte tijdsduur georganiseerde activiteit van zowel commerciële als non-commerciële aard die gedurende de tijdsduur relatief veel bezoekers trekt;

  • verkeersbelang: het belang van de vrijheid en/of veiligheid van het verkeer op de weg;

  • wegbelang: het belang van de instandhouding en bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2 Doel van de verordening

De verordening stelt regels in het belang van de op de provincie rustende plicht tot beheer van de wegen in het algemeen en van de waarborging van de vrijheid van het verkeer en van de instandhouding, bruikbaarheid en veiligheid van de wegen in het bijzonder. Deze plicht ziet zowel op het ontwerp, de inrichting en het onderhoud van de weg.

Artikel 3 Werkingssfeer

Deze verordening is van toepassing op:

  • a. de wegen die bij de provincie in beheer zijn;

  • b. een nieuw te realiseren weg, die na oplevering per datum van overdracht in beheer van de provincie komt;

  • c. alle werkzaamheden die zien op nog aan te leggen wegen, waarvan het toekomstig beheer na oplevering bij de provincie zal berusten, met ingang van het tijdstip dat met deze werkzaamheden tot aanleg van de weg feitelijk een aanvang is gemaakt.

Hoofdstuk II Voorschriften ter waarborging van de vrijheid van het verkeer, de veiligheid, instandhouding en bruikbaarheid van de wegen

Artikel 4 Activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning vereist is

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2., eerste lid, van de Wabo is het zonder omgevingsvergunning verboden om op, onder, in en over een weg:

  • a. een niet bij de provincie in beheer zijnde weg aan te sluiten;

  • b. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen;

  • c. houtopstand te beplanten, behouden of te verwijderen;

  • d. handelsreclame en/of licht -of geluidgevende voorzieningen op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, aan te brengen,houden of wijzigen, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zal zijn vanaf de weg.

Artikel 5 Activiteiten waarvoor een ontheffing en/of toestemming vereist is

1. Het is zonder ontheffing verboden om boven, onder, aan, op, onder, langs, in en/of over een weg:

  • a. een bermsloot te graven, af te dammen of te dempen;

  • b. werkzaamheden of verrichtingen van welke aard en onder welke naam ook uit te voeren, tenzij ten aanzien van deze activiteiten een omgevingsvergunning is verleend;

  • c. reclame-uitingen en/of licht- of geluidgevende voorzieningen, niet vallende onder de in artikel 4, onder d, bedoelde handelsreclame, aan te brengen, te hebben of te wijzigen;

  • d. bouwwerken, beplantingen, dan wel andere voorwerpen zodanig te plaatsen, geheel of gedeeltelijk op te richten, aan te brengen of te hebben bij bochten of kruisingen van wegen of bij aansluitingen op wegen van andere, niet bij de provincie in beheer zijnde wegen;

  • e. onder, in en over een weg een kunstwerk te maken, te hebben of te wijzigen;

  • f. daken, goten of riolen op of over de weg te laten afwateren, dan wel tuinbouwproducten, bouwmaterialen, afvalstoffen, grond of andere voorwerpen of (vloei)stoffen, welke aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, benadeling, beschadiging of een slechte afwatering van de weg, te plaatsen, te werpen, uit te gieten, te laten afvloeien en/of deze op de weg te laten liggen;

  • g. voertuigen, caravans, woonwagens, tenten en kramen te plaatsen, te laten staan en daarmee een (vaste) standplaats ten behoeve van handel of bedrijf in te nemen;

  • h. lantaarnpalen en andere palen en/of borden te plaatsen en te laten staan;

  • i. putten te maken, te behouden of te wijzigen of goten, buizen, kabels en leidingen te leggen en te laten liggen of te verleggen;

2. Het bepaalde in het eerste lid, onder h., geldt niet voor plaatsing van informatieve verwijsborden van strikt tijdelijke aard, doch uitsluitend indien deze verwijzen naar een te houden evenement en plaatsing ervan geschiedt kort voor en/of tijdens een te houden evenement en mits daarvoor vooraf toestemming door Gedeputeerde Staten is verleend.

3. Een ontheffing geldt uitsluitend voor degene op wiens naam zij is gesteld.

Hoofdstuk III Aanvragen tot verlening van een omgevingsvergunning

Artikel 6 Aanvragen tot verlening van een omgevingsvergunning

Aanvragen tot verlening van een omgevingsvergunning voor de in artikel 4 bedoelde activiteiten dienen te geschieden met in achtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Wabo dan wel de daarop gebaseerde regelgeving bij het ingevolge de Wabo aangewezen bevoegd gezag.

Artikel 7 Beoordelingscriteria voor aanvragen tot verlening van een omgevingsvergunning

1. Een aangevraagde omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag geweigerd indien verlening van deze vergunning in strijd zou zijn met het verkeersbelang en/of wegbelang.

2. Gedeputeerde Staten kunnen ten aanzien van de in lid 1 omschreven belangen nadere regels stellen bij beleidsregel.

Artikel 8 Adviesrecht Gedeputeerde Staten bij verlening van een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag

1. Het bevoegd gezag dient op grond van artikel 2.26, lid 3, van de Wabo tijdig verplicht advies in te winnen bij Gedeputeerde Staten, alvorens kan worden overgegaan tot besluitvorming.

2. Indien het advies als bedoeld in lid 1 niet of gedeeltelijk wordt overgenomen, wordt dit door het bevoegd gezag aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

3. Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften als bedoeld in artikel 12 onderdeel laten uitmaken van het advies.

Hoofdstuk IV Aanvragen tot verlening van een ontheffing en/of toestemming

Artikel 9 Aanvragen tot verlening van een ontheffing en/of toestemming

Aanvragen tot verlening van een ontheffing en/of toestemming voor de in artikel 5 bedoelde activiteiten dienen te worden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten nemen met inachtneming van het bepaalde in deze verordening een besluit over aanvragen tot verlening van een ontheffing en/of toestemming.

Artikel 10 Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op artikel 5, eerste lid, onder i.

Artikel 11 Beoordelingscriteria voor aanvragen tot verlening van een ontheffing

Het bepaalde in artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op de besluitvorming over aanvragen tot ontheffing.

Artikel 12 Voorschriften bij ontheffingen en toestemmingen

1. Aan een ontheffing en/of toestemming kunnen voorschriften worden verbonden, waaronder tenminste het voorschrift dat de onderhoudsplicht van de onder de ontheffing toegestane activiteiten ten laste van de belanghebbende(n) komt.

2. De aan een ontheffing en/of toestemming te verbinden voorschriften strekken uitsluitend tot bescherming van de in artikel 2 genoemde belangen.

Artikel 13 Wijziging en intrekking van ontheffingen en/of toestemmingen

1. Een verleende ontheffing en/of toestemming kan worden gewijzigd of geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken in geval van gewijzigde omstandigheden dan wel in geval van niet of niet behoorlijke naleving van de aan de ontheffing en/of toestemming verbonden voorschriften.

2. Een ontheffing vervalt van rechtswege, indien en voor zover daarvan binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik is gemaakt.

Hoofdstuk V Handhaving

Artikel 14 Overtredingen

Overtredingen van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, waaronder mede begrepen niet naleving of niet behoorlijke naleving van een of meer aan een ontheffing verbonden voorschriften, kan worden gestraft met een geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 15 Toezicht en opsporing

1. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen in het tweede hoofdstuk van deze verordening zijn belast de daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen personen, alsmede de daartoe door het bevoegd gezag ingevolge de Wabo, aangewezen personen.

2. Met de opsporing van overtredingen zijn, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, belast de daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen personen, alsmede de daartoe door het bevoegd gezag ingevolge de Wabo, aangewezen personen.

Hoofdstuk VI Overgangs - en slotbepalingen

Artikel 16 Overgangsbepalingen

1. Indien en voor zover een ontheffing en/of toestemming op grond van de Wegenverordening Zuid-Holland 1997 een activiteit betreft zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening, geldt daarvoor het overgangsrecht zoals vervat in artikel 1.4. van de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2. Indien en voor zover een ontheffing en/of toestemming een activiteit betreft zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening, geldt dat deze ontheffing, vrijstelling of vergunning wordt gelijkgesteld met een ontheffing krachtens deze verordening.

3. De Wegenverordening Zuid-Holland 1997 blijft ook na inwerkingtreding van deze verordening van toepassing op:

  • a. de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag om een ontheffing, vrijstelling of vergunning voor een activiteit zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien die aanvraag is ingediend vóór de datum waarop deze verordening in werking treedt;

  • b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing, vrijstelling of vergunning voor een activiteit zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening, indien ter zake een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd vóór de datum waarop deze verordening in werking treedt;

  • c. een ontheffing, vrijstelling of vergunning of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, voor een activiteit zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening, die nog niet onherroepelijk is op de datum waarop deze verordening in werking treedt.

Artikel 17 Aanhaling

Deze verordening kan worden aangehaald als 'Wegenverordening Zuid-Holland 2010’.

Artikel 18 Inwerkingtreding

1. Deze verordening is vastgesteld op 13 oktober 2010 en treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 oktober 2010.

2. De Wegenverordening Zuid-Holland 1997 (Provinciaal Blad 1997, nr. 1), zoals sedertdien gewijzigd, wordt, met ingang van het in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdstip van inwerkingtreding, ingetrokken.

Ondertekening

Den Haag, 13 oktober 2010
Provinciale Staten van Zuid-Holland,
J. FRANSSEN, voorzitter
H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier