Omgevingsvisie Zuid-Holland

Geldend van 01-09-2026 t/m heden

1. Inleiding

Introductie

Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland vindt zijn grondslag in het (juridische) stelsel van de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingswet streeft ernaar om al het beleid over de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen en helder weer te geven.

Het Omgevingsbeleid van provincie Zuid-Holland bestaat uit drie instrumenten: de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie geeft onder het kopje ‘Hier Staat Zuid-Holland nu’ een beschrijving van de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Daarnaast wordt onder ‘Hier wil Zuid-Holland naartoe’ de toekomst, zoals de provincie die voor zich ziet, beschreven. Om daar te komen zijn ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes geformuleerd. In de ambities wordt omschreven waar de provincie heen wil, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. De provincie werkt hierin zowel thematisch als gebiedsgericht en houdt bij te maken keuzes te alle tijde oog voor de integraliteit van het Omgevingsbeleid.

In het Omgevingsprogramma staat beschreven welke maatregelen de provincie treft (inclusief alle activiteiten die ze uitvoert) om haar visie waar te maken. Tot slot staan in de Omgevingsverordening de regels over wat wel en niet is toegestaan binnen de provinciegrenzen. Deze regels werken door naar derden en zijn gericht op het in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Het merendeel betreft instructieregels die voorschrijven hoe waterschappen en gemeenten bepaalde onderwerpen in hun plannen moeten opnemen, maar er zijn ook een aantal direct werkende regels waar burgers en bedrijven zich aan moeten houden.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft een toelichting op de sturingsfilosofie die de provincie hanteert om, samen met partners, te groeien van waar Zuid-Holland nu staat naar waar de provincie naartoe wil. Het inleidende hoofdstuk, wordt hieronder afgesloten met een toelichting op de beleidscyclus.

Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland waarop de provincie richting de toekomst voortbouwt.

Het overgrote deel van de Omgevingsvisie landt in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk staan de ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes beschreven. Het hoofdstuk wordt ingeleid met een korte schets van de Ruimtelijke koers voor Zuid-Holland. In de ruimtelijke koers worden strategische keuzes uitgelicht die de provincie voor de toekomst maakt. Deze ruimtelijke koers vormt dan ook het kader voor de ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes die in dit hoofdstuk zijn opgesteld. Daarnaast vormt het een belangrijk uitgangspunt voor komende herzieningen van het Omgevingsbeleid.

Beleidscyclus

In figuur 1 wordt de beleidscyclus weergegeven die de provincie Zuid-Holland hanteert. Dat is een modulaire werkwijze, wat betekent dat herzieningen op onderdelen plaatsvinden en alleen wanneer daartoe concrete aanleiding is. Het overzicht van voorgenomen aanpassingen wordt bijgehouden in de Lange Termijn Agenda (LTA) Omgevingsbeleid, die meerdere malen per jaar een update krijgt en vastgesteld wordt door Provinciale Staten.

De beleidscyclus omvat de volgende stappen:

0. Signaal

Het voornemen voor een beleidsaanpassing begint met een signaal. Een signaal is een kans, probleem of opgave waaraan de provincie mogelijk een bijdrage kan leveren. Dit signaal kan op allerlei manieren binnen komen: gesprekken met derden, onderzoeken van andere partijen, monitoring of evaluaties van beleid, nieuwsberichten, bestuurlijke wensen, bijeenkomsten, enzovoorts.

1. Verkenningen en onderzoeken

In deze stap worden signalen verkent en onderzocht. Het gaat hierbij om onderzoeken, participatie trajecten en andere verkennende trajecten die beleidsinhoudelijk van aard zijn, maar (nog) niet leiden tot concrete wijzigingsvoorstellen in het Omgevingsbeleid. Deze documenten zijn vormvrij. Na afronding volgt aanbieding aan Provinciale Staten ter kennisname. Met deze werkwijze kan een beleidsaanpassing worden onderbouwt en beter worden bepaald of de aanpassing gewenst is.

2. Startnotitie (beleidsvoornemens)

Een startnotitie wordt opgesteld als beleidsaanpassingen gewenst zijn. Een startnotitie beschrijft in ieder geval: a) de reden waarom een beleidsaanpassing nodig is (wat is het probleem of de kans), b) de reikwijdte waarbinnen naar beleidsopties gezocht gaat worden, c) op welke wijze participatie met andere partijen vorm krijgt en d) de planning voor oplevering van de startnotitie.

3. Beleidsaanpassingen

In een beleidsaanpassing wordt beschreven welk beleid wijzigt. Een beleidsaanpassing bevat in ieder geval a) een beschrijving van de voorgestelde wijzigingen in de omgevingsvisie en/of het Omgevingsprogramma en/of de Omgevingsverordening, b) een onderbouwing van de keuze voor deze aanpassing en c) een was/wordt-overzicht van de voorgestelde beleidswijzigingen. Het vaststellen van een beleidsaanpassing betreft een bevoegdheid van Provinciale Staten voor de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening en een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten voor het Omgevingsprogramma.

4. Beleidsuitvoering

Bij de uitvoering van beleid heeft de provincie verschillende instrumenten die benut kunnen worden. Dit staat onder andere beschreven in het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. Het inzetten van die instrumenten kan leiden tot de wens bepaald beleid aan te passen.

5. Evaluaties en monitoring

Beleid wordt gemonitord en op gezette tijden geëvalueerd. Monitoring en evaluatie kunnen signalen bevatten die na verdere verkenning en onderzoek kunnen leiden tot beleidsaanpassingen.

Participatie en dataverzameling zijn continu en worden in de gehele cyclus toegepast.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1: De beleidscyclus

2. Sturingsfilosofie Provincie Zuid-Holland

2.1 Veranderende tijden

Zuid-Holland staat voor ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Klimaatverandering, geopolitieke verschuivingen, demografische trends en nieuwe technologie zorgen voor een verhoogde dynamiek. Een dynamiek die erom vraagt dat mensen hun leven, wonen en werken anders inrichten. Dat is een omschakeling die niet van vandaag op morgen gemaakt is, maar die vraagt om een langere periode van aanpassing. Tegelijkertijd heeft deze provincie een groot reservoir van talent, creativiteit en ondernemerskracht. Daarmee is Zuid-Holland in de geschiedenis telkens sterker uit tijden van grote maatschappelijke veranderingen gekomen. Samen met haar partners zet de provincie daarom vol vertrouwen de stap richting een toekomstbestendig Zuid-Holland.

2.2 Provinciaal belang

De Omgevingswet geeft als doelen mee het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

 Als middenbestuur oefent de provincie taken en bevoegdheden uit met het oog op een provinciaal belang. Deze belangen komen onder andere voort uit onze wettelijke taken, rijkstaken, Europese verplichtingen, ambities en uit onze bovenlokale opgaven, zoals mobiliteit, energienetwerken, natuurgebieden en vestigingsklimaat. Dit is inclusief lokale opgaven die een schakel vormen in of impact hebben op bovenlokale opgaven. De provinciale belangen en bovenlokale opgaven staan beschreven in de ambities en beleidskeuzes van deze Omgevingsvisie. De bovenlokale opgaven kunnen niet alleen worden opgepakt door de besturen van de vijftig gemeenten en de zeven waterschappen in Zuid-Holland, doordat zij de lokale grenzen en aandachtsgebieden overstijgen. Gemeenten en waterschappen sturen op de lokale opgaven. Het Rijk stuurt op de nationale opgaven. De provincie oefent daarbij bevoegdheden uit als dat niet op een doelmatige en/of doeltreffende wijze door een gemeente of waterschap kan worden behartigd.

2.3 Provinciale rolneming en meerwaarde

Het werken aan een toekomstbestendig Zuid-Holland is de rol van het provinciaal bestuur. Dat doet de provincie in samenwerking met haar partners. In die samenwerking brengt de provincie de volgende meerwaarde in:

  • een verbindende positie. Als middenbestuur staat de provincie letterlijk te midden van vele spelers. Zuid-Holland - stevig verbonden met lokale overheden, de rijksoverheid en Europa - brengt die spelers bij elkaar.

  • fungeren als gebiedsregisseur. De provincie heeft als gebiedsautoriteit en gebiedspartner de rol om in afstemming met medeoverheden en gebiedspartners maatregelen uit te werken en financiële middelen te verdelen waarmee gestelde doelen kunnen worden bereikt. Regie voeren betekent sturen, na afstemming en in overleg, richting een bepaald resultaat.

  • kennis van zaken om in te brengen en in netwerken een gezaghebbende rol te spelen.

  • wettelijke bevoegdheden waarmee we keuzes kunnen maken, om ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen tegen te houden.

  • financiële middelen om bij te dragen aan projecten en investeringen.

  • democratische legitimatie en daarmee het vermogen om gezaghebbend knopen door te hakken.

2.4 Sturingsprincipes en werkwijze

Veranderende tijden vragen van de provincie een ontwikkelingsgerichte houding en bestuursstijl, die gewenste ontwikkelingen mogelijk maakt en ongewenste ontwikkelingen tegenhoudt. Om de kwaliteit daarbij te waarborgen, werkt de provincie in haar omgevingsbeleid vanuit een aantal sturingsprincipes:

  • 1.

    Een toekomstbestendige leefomgeving is topprioriteit. Een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving vormt de basis voor een toekomstbestendige samenleving en een economie waarin mensen ook in de toekomst hun inkomen kunnen verwerven. Het welzijn van Zuid- Hollandse inwoners staat centraal. Daarom blijft de provincie binnen de grenzen van een klimaatrobuust en gezond bodem-, water- en ecosysteem. Afwentelen op de toekomst past daar niet bij.

  • 2.

    Sturen op kwaliteit en maximale maatschappelijke toegevoegde waarde. De provincie geeft voorrang aan activiteiten die onze maatschappelijke doelen versnellen en verder helpen. Kwaliteit is leidend.

  • 3.

    Accepteren dat niet voor alles ruimte is in Zuid-Holland. Er wordt veel ruimte gevraagd voor een klimaatadaptieve inrichting van onze regio, natuurherstel en de transities voor landbouw, energie en grondstoffen. Binnen de grenzen van de maakbaarheid van het bodem-, water- en ecosysteem geven we voorrang aan ruimtelijke keuzes die bijdragen aan gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Woon- en werkfuncties kunnen zich ontwikkelen binnen de ruimte die daarvoor is afgesproken. Dit leidt tot een intensivering van ruimtegebruik en vraagt om een strategie van functiemenging.

  • 4.

    Rekening houden met de maatschappelijke kosten en baten op de korte en lange termijn. Keuzes moeten nu en voor toekomstige generaties betaalbaar zijn, het oog en respect voor elkaars belang en toekomstbestendig verdienvermogen. Het maatschappelijke rendement op lange termijn staat centraal en wordt afgewogen tegen zakelijke en andere belangen op de korte termijn.

 Daarbij hanteert de provincie de volgende werkwijzen:

  • De provincie werkt opgavegericht. De maatschappelijke opgaven en provinciale belangen zijn het vertrekpunt van het provinciaal handelen. Welke opgaven de provincie aanpakt, is afhankelijk van de toegevoegde waarde die zij kan leveren en het provinciaal belang dat in het geding is. Bij het aanpakken van de opgaven werkt de provincie waar mogelijk multischalig en integraal.

  • De provincie werkt gebiedsgericht. Zuid-Holland bestaat uit verschillende gebieden met elk hun eigen opgaven. Die opgaven ontstaan in interactie met de omgeving en staan niet los van elkaar. Dat vraagt om integrale maatwerkoplossingen en verschillende vormen van sturing. Zolang er sprake is van een positieve bijdrage aan provinciale belangen, biedt de provincie maatwerkoplossingen om samen met partners te komen tot een samenhangende aanpak voor elk gebied.

  • De provincie is een lerende organisatie. De maatschappelijke dynamiek vraagt om een alerte en lerende overheid. Een overheid die de energie en het oplossend vermogen uit de samenleving weet in te zetten en leert omgaan met onzekerheid. De provincie moedigt maatschappelijke initiatieven en participatie aan.

2.5 Sturingsstijlen

De provinciale belangen en opgaven zijn de basis voor de provinciale rolneming. De meervoudige sturing is gericht op het leveren van toegevoegde waarde. De sturing kan variëren van het bieden van eigen initiatiefruimte voor partners, samenwerken, maken van afspraken tot afdwingen. Het uitgangspunt is daarbij om bewust te kiezen voor de sturingsstijl die het meeste bijdraagt aan de betreffende opgave.

  • Presterende provincie: waar overheidsinvesteringen onmisbaar zijn, zelf prestaties leveren.

  • Samenwerkende provincie: waar (meer) regie nodig is, netwerkend werken.

  • Rechtmatige provincie: waar normerend optreden noodzakelijk is, wettelijke bevoegdheden inzetten.

  • Responsieve provincie: zoveel mogelijk overlaten aan initiatieven uit de samenleving.

2.6 Monitoren kwaliteit van de leefomgeving

De provincie hanteert sinds 2022 de Monitor Leefomgeving als instrument om de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving te monitoren. Vanuit de vereisten uit de Omgevingswet richt de monitor zich op de daadwerkelijke ontwikkelingen in de leefomgeving ‘buiten’. De monitor brengt de beoogde impact op de leefomgeving in beeld aan de hand van een set van indicatoren. Na verloop van tijd is die impact langjarig gemonitord, zodat trends waarneembaar worden. Binnen de monitor ligt de nadruk op indicatoren die de impact in de leefomgeving in beeld brengen en niet op prestatie indicatoren van het eigen provinciaal beleid. De consequentie hiervan is dat de monitor beleidsrelevante ontwikkelingen in de leefomgeving wel in beeld brengt, maar geen uitspraak doet over de effectiviteit, efficiëntie of legitimiteit van provinciaal beleid. De monitor biedt wel een aanknopingspunt om hierover verder te spreken en kan aanleiding geven om middels (beleids)evaluaties verder onderzoek te doen.

 De Monitor Leefomgeving brengt de stand van zaken en ontwikkelingen in de leefomgeving in beeld, wat belangrijk kan zijn bij keuzes over provinciaal beleid. De monitor is vooral bedoeld voor het gesprek tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten over deze keuzes. Richt de provincie zich op de goede dingen en worden deze de goede dingen op een juiste manier uitgevoerd om het gewenste doel te behalen? De indicatoren van de Monitor Leefomgeving kunnen ook benut worden om de gevolgen van beleidsvoornemens in beeld te brengen.

 De Monitor Leefomgeving is raadpleegbaar via: https://monitorleefomgeving.zuid-holland.nl/ .

3. Participatie

3.1 Werk maken van participatie 

Bij het aanpakken van grote maatschappelijke opgaven vindt de Provincie Zuid-Holland dat samenwerking met partijen essentieel is. Onderwerpen waar de provincie aan werkt hebben vaak invloed op de directe omgeving van Zuid-Hollanders. Daarom vindt de provincie het belangrijk om Zuid-Hollanders actief en vroegtijdig te betrekken bij de beslissingen die hen aangaan. Inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en medeoverheden hebben waardevolle kennis, creativiteit en expertise. De provincie wil haar beleid en de uitvoering verbeteren en zorgen voor meer wederzijds begrip door samen te werken met Zuid-Hollanders.  

De Provincie Zuid-Holland gebruikt voor het begrip participatie de volgende definitie:
"Participatie is een proces waarbij individuen, groepen en organisaties invloed uitoefenen op collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan."​ 

Bovenstaande definitie geeft aan dat participatie draait om invloed uitoefenen en dus verder gaat dan alleen het informeren van de omgeving. De provincie geeft daarom de voorkeur aan andere vormen van participatie. Er kunnen soms provinciale en/of maatschappelijke belangrijke redenen zijn om alleen te informeren. Die redenen moeten dan goed uitgelegd en gemotiveerd worden. Dit zijn wel uitzonderingen want participatie gaat verder dan het zenden van informatie. Er moet voor deelnemers daadwerkelijk een mogelijkheid zijn om iets te beïnvloeden. 

De provincie betrekt belanghebbenden waar mogelijk structureel bij élke fase van de beleidscyclus (bij de voorbereiding-, uitvoering- en evaluatie van beleid). Het gaat om de intentie echt te willen weten hoe de omgeving over een onderwerp denkt, om die informatie vervolgens te gebruiken bij vervolgacties waarbij het transparant terugkoppelen over wat er met de input gebeurt van groot belang is. 

Wat valt buiten dit beleid?  
De provincie heeft geen verantwoordelijkheid voor participatietrajecten georganiseerd door medeoverheden en initiatiefnemers tenzij de provincie de rol van initiatiefnemer of mede-initiatiefnemer heeft. Het participatiebeleid is zelfbindend en omvat dus geen regels voor medeoverheden. Wel verwacht de provincie dat medeoverheden en initiatiefnemers de eigen verantwoordelijkheid nemen voor het zorgvuldig organiseren van participatie. Daarnaast valt lokaal eigendom bij wind- of zonneparken buiten de reikwijdte van het participatiebeleid. Lokaal eigendom wordt toegepast in het energiedomein en is een bijzondere vorm van participatie omdat participanten financiële risico's dragen. Het energiebeleid van de provincie behandelt deze bijzondere vorm van participatie. 

3.2 Pijlers van participatie 

De participatiedoelen van de Provincie Zuid-Holland zijn omschreven in drie pijlers. 

1. Participatie voor beter beleid 
Door participatie te organiseren wordt het werk van de provincie bij de beleidsvorming, uitvoering beter. Met behulp van participatie wordt de kennis en creativiteit van de maatschappij benut bij het maken van plannen. Daarnaast sluit het beleid zo beter aan op de wensen en behoeften van de maatschappij. De provincie heeft een open houding, is geïnteresseerd in ideeën van buiten en neemt deze serieus. 

2. Participatie voor rechtvaardig beleid 
De provincie betrekt Zuid-Hollanders bij de beslissingen die hen aangaan. Door participatietrajecten op een goede, eerlijke manier te organiseren kan beleid als rechtvaardiger worden ervaren, zelfs als een individu het inhoudelijk niet eens is met uitkomst. De provincie staat hierbij altijd stil bij het betrekken van groepen met verschillende perspectieven en groepen of individuen die om wat voor reden dan ook obstakels ondervinden om mee te doen. Dat betekent ook dat de provincie oog heeft voor de perspectieven en belangen van degenen die zelf geen stem hebben. 

3. Participatie voor wederzijds begrip  
Door Zuid-Hollanders actief te betrekken en met elkaar in gesprek te gaan wil de provincie wederzijds begrip vergroten.  Wanneer beiden elkaar beter begrijpen zorgt dat voor een betere relatie. De provincie probeert continu te leren van participatietrajecten en staat open voor feedback. De provincie evalueert trajecten met betrokkenen, volgt de nieuwste inzichten en doet onderzoek en experimenten. 

3.3 Participatieprincipes 

Bij elk participatietraject georganiseerd door de provincie houden we rekening met vier participatieprincipes. Deze principes zijn tot stand gekomen met behulp van de opbrengsten uit participatiebijeenkomsten met onder andere inwoners, bedrijven, medeoverheden en organisaties. 

  • 1.

    Aanpak bepalen op basis van het vraagstuk 

  • 2.

    Aandacht voor verschillende perspectieven 

  • 3.

    Heldere communicatie en verwachtingsmanagement 

  • 4.

    Samen leren 

De participatieprincipes zijn verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma. 

Participatievormen en rollen 
Er zijn verschillende vormen van participatie met bijbehorende rollen voor de provincie. De vorm en rol van de provincie wordt bepaald op basis van het vraagstuk dat er ligt. Onder andere beïnvloedingsruimte maar ook de wettelijke verantwoordelijkheden van de provincie kunnen hierin meespelen. Het participatiekompas helpt bij het bepalen van de rol van de provincie. 

  • afbeelding binnen de regeling

    Informeren 

    De provincie informeert betrokkenen op tijd wanneer de provincie beslissingen neemt die hen aangaan. Oók wanneer er om wat voor reden dan ook geen actief participatietraject plaatsvindt. Informeren is voorwaarde voor, en onderdeel van, goede participatie, maar is geen participatie op zichzelf. Bij goede redenen kan het informeren van de omgeving voldoende zijn. 

    Wanneer participatie wenselijk is maar er vanwege duidelijk provinciaal en/of maatschappelijk belang redenen zijn om niet verder te gaan dan informeren kan, mits helder en goed gemotiveerd, worden afgeweken van bovenstaande. Informeren kan dan onder participatie worden geschaard. 

  • Peilen 

    De provincie vraagt belanghebbenden om meningen en ideeën maar er is geen garantie dat die inbreng ook daadwerkelijk wordt opgevolgd. De provincie bepaalt het onderwerp, de kaders waarbinnen participatie plaatsvindt en hoe de participatieopbrengst wordt opgevolgd. 

  • Advies vragen 

    De provincie vraagt betrokkenen actief om advies te geven over bepaalde vraagstukken en neemt dat advies mee in de beleidsontwikkeling, uitvoering en/of evaluatie tenzij er sterke argumenten zijn om dit niet te doen. Wanneer wordt afgeweken van het advies zal onderbouwd worden waarom. De provincie bepaalt (eventueel samen met de omgeving) het gespreksonderwerp, de methoden en kaders waarmee de advisering vorm krijgt. 

  • Samenwerken 

    Plannen worden gezamenlijk met de omgeving opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd. De kaders van de samenwerking worden gezamenlijk bepaald. Er is sprake van een gelijkwaardige samenwerking waarbij de provincie optreedt als partner en beslissingen in principe gezamenlijk worden genomen. 

  • Ondersteunen 

    De provincie ondersteunt bij het uitvoeren van plannen van anderen, bijvoorbeeld door het verlenen van subsidie, fysieke ruimte of andere hulpmiddelen. Hierbij is er altijd sprake van een overeenkomst tussen de samenwerkingspartij en de provincie.  

  • Deelnemen 

    De provincie kan tot slot ook optreden als deelnemer binnen een participatietraject van een andere organisatie of overheid. De exacte rol van de provincie is afhankelijk van het traject. 

3.4 Samenwerken met de omgeving 

Participatie gaat in essentie over samenwerken met je omgeving. Die samenwerking wil de provincie naar een hoger niveau tillen. Maar uit welke partijen bestaat die omgeving? En hoe gaat de provincie die samenwerking verbeteren? 

Inwoners 
De provincie vindt het niet meer dan logisch dat degenen die door beleid geraakt worden ook een stem hebben in de ontwikkeling ervan. Daarom betrekt de provincie Zuid-Hollanders vroegtijdig en op een betekenisvolle manier bij beleidsontwikkeling uitvoering en evaluatie. Soms intensief en soms minder intensief, afhankelijk van het vraagstuk, de beïnvloedingsruimte die er is en de behoefte van participanten. Hierbij staan de participatieprincipes; aanpak bepalen op basis van het vraagstuk; aandacht voor verschillende perspectieven; zorgen voor heldere communicatie & verwachtingsmanagement; en inzetten op samen leren centraal. Ook wil de provincie toegankelijker te worden voor Zuid-Hollanders die zelf een goed idee hebben door heldere én haalbare kaders en voorwaarden te scheppen voor burgerinitiatieven. Verder wil de provincie onderzoek doen naar de toegankelijkheid van de provincie voor onze inwoners en die toegankelijkheid verbeteren. 

Medeoverheden
Onze medeoverheden zijn vaak veel beter dan de provincie op de hoogte van wat er speelt op lokaal niveau. Ook zijn zij vaak het eerste aanspreekpunt van Zuid-Hollanders als het gaat om kwesties waar de overheid bij betrokken is. Misschien wil de provincie een participatietraject starten maar blijkt dat gemeenten in het gebied waar het traject betrekking op heeft al een relevant participatietraject hebben uitgevoerd. Of de provincie maakt beleid waar simpelweg belangen van een medeoverheid meespelen. Wanneer een onderwerp hen raakt betrekt de provincie haar medeoverheden daarom vroegtijdig.  

Bovendien kunnen overheden veel van elkaar leren; overheden hoeven niet allemaal zelf het wiel uit te vinden. Gemeenten bijvoorbeeld hebben meestal veel ervaring met participatie en binnen gemeenten zijn vaak allerlei mooie initiatieven te vinden waarin Zuid-Hollanders, medeoverheden, belangenorganisaties en ondernemers met elkaar samenwerken. De provincie zet daarom in op het opbouwen van een sterk (kennis)netwerk op participatiegebied. 

Maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen
Kennisinstellingen zoals universiteiten en onderzoeksinstituten beschikken over wetenschappelijke kennis en onderzoekscapaciteit die essentieel zijn voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen. Hun bijdragen zorgen ervoor dat beleid gebaseerd is op actuele en betrouwbare informatie, wat de effectiviteit en legitimiteit ervan vergroot. Maatschappelijke organisaties zoals belangengroepen bieden waardevolle praktijkervaring en inzicht in de behoeften en uitdagingen van verschillende (soms kwetsbare en moeilijk bereikbare) bevolkingsgroepen. Het betrekken van maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen bij beleidsontwikkeling is daarom van groot belang. Zo maakt de provincie beleid dat innovatief en wetenschappelijk onderbouwd is, waarin verschillende perspectieven zijn meegenomen en dat gedragen wordt door de samenleving. 

Bedrijven
Bedrijven hebben een directe invloed op de leefomgeving, werkgelegenheid en innovatiekracht van Zuid-Holland. En ons beleid heeft vaak direct invloed op de bedrijven in Zuid-Holland. Gezien de complexe uitdagingen van deze tijd is het daarom essentieel om ook bedrijven vroegtijdig te betrekken bij de ontwikkeling van beleid. Dat kan beleid zijn dat hen direct aangaat, maar óók ander beleid waarbij zij misschien een meer ondersteunende rol kunnen vervullen. Zuid-Hollandse bedrijven beschikken over enorme hoeveelheden kennis en expertise op allerlei vlakken. Bovendien zetten zij steeds meer stappen richting duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Hierdoor kunnen zij een belangrijke rol spelen bij het inbrengen van innovatieve oplossingen en kennis in participatietrajecten. 

Daarnaast hebben bedrijven binnen de omgevingswet ook een verantwoordelijkheid als het gaat om participatie wanneer zij activiteiten verrichten die impact hebben op de leefomgeving. De provincie zorgt daarom voor heldere kaders waarmee duidelijk wordt wanneer participatie door bedrijven nodig is en waar die participatie idealiter aan moet voldoen. 

4. Dit is Zuid-Holland

In dit hoofdstuk wordt allereerst een beknopt beeld geschetst van de provincie met daarbij een verdeling van het ruimtegebruik. Vervolgens wordt Zuid-Holland beschreven aan de hand van de landschapstypen en het concept van de lagenbenadering. Dit is een weergave van de actuele situatie, zonder dat daarbij beleidsconcepten of ambities zijn meegenomen. Daarna worden de grote inhoudelijke uitdagingen toegelicht inclusief de bijbehorende ruimtelijke consequenties. In hoofdstuk 4 ‘Koers van Zuid-Holland' wordt de gekozen koers richting een toekomstbestendig Zuid-Holland beschreven en de uitwerking toegelicht.

4.1 Zuid-Holland in vogelvlucht

Zuid-Holland is een strategisch gelegen provincie waarin steden en dorpen zijn ingebed in een uniek gevarieerd kust-, veen- en rivierenlandschap. Zuid-Holland is een dynamische provincie waarin verleden en toekomst zichtbaar zijn in steden, dorpen en landschappen. Op de wereld zijn er weinig andere plekken waar je in een kwartiertje fietsen zowel twintig eeuwen geschiedenis tegenkomt, als ook gedurfde oplossingen voor de toekomst van dichtbevolkte delta’s. Zo zie je resten van Romeinse forten, een eeuwenoud polderlandschap, trekvaarten, landgoederen, historische steden, vestingen en bunkers, naast nieuwe compacte en gemengde stedelijke centra rondom hoogwaardige stations, nieuwe getijdenparken en waterpleinen. Molens, pakhuizen en kerken wisselen af met een indrukwekkend havenindustrieel complex, hoogtechnologische land- en tuinbouw, kenniscentra, campussen en innovatiedistricten, en een modern en efficiënt logistiek netwerk. De weerslag van eeuwen van menselijke activiteit en bedrijvigheid. Sterke steden en dorpen hebben in de naoorlogse periode een schaalsprong naar een stedelijk netwerk gemaakt. Er is een internationaal logistiek-industrieel systeem ontstaan waarin het havenindustrieel complex en de intensieve land- en tuinbouw een grote rol spelen. Daarnaast kent Zuid-Holland waardevolle en iconische landelijke gebieden als de Bollenstreek, de kust, de Zuid-Hollandse eilanden en het Groene Hart.

Onderstaande kaarten geven op basis van CBS-data globaal inzicht in het ruimtegebruik in de provincie Zuid-Holland. Eerst naar verdeling over de provincie, daarna verhoudingsgewijs en in vergelijking tot de ruimteverdeling in Nederland.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

4.2 Landschapstypen in Zuid-Holland

Zuid-Holland ligt grotendeels onder zeeniveau en is gevormd door het water en de wijze waarop de bewoners van Zuid-Holland door de eeuwen heen het water hebben weten te bedwingen en benutten. Het heeft een landschap opgeleverd waarvan de culturele waarde breed wordt erkend en dat cruciale leefgebieden bevat voor internationaal beschermde plant- en diersoorten. Zuid-Holland is uniek in de combinatie van kust en duinen (zand), veenweiden (veen) en de vruchtbare delta (klei). Deze drie landschapstypen zijn allemaal verbonden met grote waterstructuren: de meren, rivieren, de zee en zeearmen. Het samenspel van natuurlijke omstandigheden en menselijk handelen heeft voor elk landschapstype een eigen, kenmerkend geheel opgeleverd van bodem, water en grondgebruik.

Door het huidige gebruik en de verwachte veranderingen in het klimaat spelen er belangrijke opgaven voor waterveiligheid en de kwaliteit van bodem: afremmen van de dalende veenbodem en omgaan met de geleidelijke zeespiegelstijging en de toenemende extremen in rivierafvoer. Tegelijkertijd waarderen mensen het huidige landschap en hebben de culturele en de historische betekenis aan gewicht gewonnen. Door het ontstaan en de ontginningsgeschiedenis zijn de drie landschappen verschillend van aard en nog voortdurend in ontwikkeling.

Het kustgebied van Zuid-Holland kent een groot contrast tussen het bebouwde, intensief benutte achterland en de meer natuurlijke, schijnbaar ongerepte duinen en het strand. De duingebieden en stranden zijn onmisbaar voor de kustverdediging en het zoetwaterwingebied. Het unieke kustlandschap bevat grote aaneengesloten natuurgebieden met hoge biodiversiteit, landgoederen, bollenvelden en cultuurhistorisch erfgoed. De oorspronkelijke structuur van strandwallen en strandvlakten is bepalend geweest voor de ontginning en inrichting van het landschap. Badplaatsen en havens wisselen de duingebieden af. De kust is een aantrekkelijke plek om te wonen en recreëren. De stranden vormen de grootse openbare ruimte van Zuid-Holland.

Het veenweidegebied van Zuid-Holland kent een door de mens vormgegeven afwisseling van polders, plassen, droogmakerijen en oude veengebieden. Door de oude lintdorpen, dijkstructuren, molens en gemalen is de ontginningsgeschiedenis nog altijd goed afleesbaar. De open, waterrijke graslanden (het slagenlandschap) van de veengebieden en de waarden zijn iconisch voor Nederland en kenmerkend ingezet voor melkveehouderij. Het plassengebied vormt een aaneengesloten structuur van plassen en brede verbindingen, uitermate geschikt voor de waterrecreatie. Boskoop en omgeving heeft zich ontwikkeld tot centrum van de sierteelt op de kenmerkende smalle en langgerekte tuinkavels. De open en vruchtbare landschappen zijn daarnaast bij uitstek geschikt voor weidevogels.

In de rivierdelta van Zuid-Holland is de aanwezigheid van de zee nog voelbaar. Zeekleipolders worden afgewisseld door grote wateren. Vanuit veelal bestaande kleine veeneilandjes zijn eeuwenlang door het proces van aanslibbing en indijking de huidige eilanden ontstaan. Bij een van de zwaarste overstromingsrampen die de provincie heeft gekend, de Sint-Elisabethsvloed in 1421, is de Hollandse Biesbosch ontstaan. De eilanden hebben vruchtbare kleigronden met akkerbouw. De dijkstructuren zijn sterk bepalend geweest voor de bebouwing van de eilanden. Aan de Noordzee, op de ‘koppen’ van de eilanden, is het landschap van strand en duinen aantrekkelijk voor de recreatie. In de Kop van Goeree is het unieke landschap van de schurvelingen te vinden.

In de hoogstedelijke gebieden en de grootindustriële gebieden is het menselijk vormgeven van het oorspronkelijke landschapstype zo dominant, dat een andere verschijningsvorm is ontstaan. In deze gebieden is het van oudsher aanwezige landschap niet langer of nog slechts beperkt waarneembaar, waarbij de monumentale stedelijke bebouwing van bijvoorbeeld Den Haag, Dordrecht, Leiden en Maassluis tot het nationaal erfgoed wordt gerekend. Tot het hoogstedelijk gebied van Zuid-Holland wordt de denkbeeldige as tussen Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht gerekend. Dit gebied is verbonden door middel van het hoogwaardig openbaar vervoernetwerk van trein, metro en lightrail en wordt ook vaak aangeduid als de Zuidelijke Randstad. Deze as kenmerkt zich door hoogstedelijke bebouwingsdichtheden rond stadscentra en stationsomgevingen. Tot het grootindustrieel gebied wordt het havenindustrieel complex Rotterdam en het havengebied van Dordrecht gerekend.

4.3 Opbouw Zuid-Holland in lagen

De lagenbenadering is een bestaand ruimtelijk planologisch concept dat in het provinciaal omgevingsbeleid wordt benut om het functioneren van de complexe Zuid-Hollandse fysieke leefomgeving inzichtelijk te maken. Dit concept onderscheidt drie lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de netwerken en de laag van de occupatie.

afbeelding binnen de regeling

Bij het maken van keuzes in de fysieke leefomgeving gaat het om de samenhang tussen de drie lagen, de wijze waarop ze op elkaar ingrijpen. Daarbij zijn eerst de laag van de ondergrond en vervolgens de laag van de netwerken randvoorwaardelijk voor de laag van de occupatie. De laag van occupatie is omgekeerd weer van invloed op de kwaliteiten van de lagen van de ondergrond en netwerken. Daarbij wordt iedere laag gekenmerkt door een eigen tijdsaspect. De laag van de ondergrond is het resultaat van veelal eeuwenlange processen en kent een lagere dynamiek en lange hersteltijden. De laag van de netwerken kent een levensduur van veelal 50 tot 100 jaar. De laag van de occupatie kent een levensduur van veelal 10 tot 50 jaar, waarbij >100 jaar evengoed mogelijk is.

Laag van de ondergrond
De eerste laag bestaat uit de ondergrond en alles wat daar leeft: water, bodem, flora en fauna. In de lagenbenadering is dit de ‘traagste’ laag, die het verste teruggaat in de tijd. Deze is daarom het meest bepalend geweest voor ontwikkelingen en menselijk gebruik. In theorie is de ondergrond vrijwel onveranderlijk, de vraag is echter in hoeverre dit nog het geval is. De hoogtekaart van Zuid-Holland laat zien dat werkelijk iedere vierkante meter beïnvloed is door mensen: het eeuwenlang kunstmatig ophogen van duinen, het droogleggen van meren en tot het graven van sloten en kanalen en de bodemdaling dat hier het gevolg van is zijn slechts enkele voorbeelden van hoe de mens het natuurlijk systeem heeft beïnvloed.

Opvallend is dat de natuur zich niet aan de grenzen houdt die wij als mens opleggen. Lokale biotopen zoals de duinen, bossen en weiden en zelfs het stedelijk ecosysteem zijn bepalend voor waar soorten zich ophouden, gevoed door de internationale migratieroutes langs de kustlijn en rivieren.

Diepe aardlagen: het oude fundament

afbeelding binnen de regeling

Het verhaal van de diepe ondergrond (tientallen tot honderden meters diepte) kent een geschiedenis die vele millennia terug in de tijd gaat. Sporen uit dit verre verleden zijn terug te vinden in de diepste bodemopbouw en de bodemschatten waar we de afgelopen decennia gebruik van maakten, zoals gas en olievelden, aardwarmte en diepe grondwaterlagen. Bronnen die zeer bepalend zijn geweest voor de huidige positie van de provincie als hub in het internationale energiesysteem.

Bodem en water: het vormende systeem

afbeelding binnen de regeling

De bodem (tot enkele meters diepte) is in de afgelopen duizend jaar gevormd door de dynamiek die kenmerkend was voor de delta van Maas en Rijn. Het regelmatig en afwisselend overstromen van de rivieren waardoor klei werd afgezet, van de zee waardoor zand werd afgezet en periodes van rust waarin veen zich kon ontwikkelen resulteren in een gelaagd bodemprofiel dat sterk sturend is voor de ruimtelijke ontwikkeling in de provincie. De meest kenmerkende landschapstypen kust, veenweiden en delta in Zuid-Holland zijn hier een direct resultaat van. Het systeem van rivieren en estuaria hangt sterk samen met deze dynamiek, evenals de aanwezigheid van oude (zoute) grondwaterlagen die op een aantal locaties aan de oppervlakte komen. De kaart toont dit aan de hand van bodemgegevens en ondiepe brakke grondwaterlagen.

Reliëf en afdekking: menselijk ingrijpen in de bovenste aardlaag

afbeelding binnen de regeling

Het huidige water- en bodemsysteem is evident onderdeel van de ondergrond, maar is eigenlijk nauwelijks nog als ‘natuurlijk systeem’ te definiëren. Met de aanleg van kanalen en boezems is het watersysteem naar onze hand gezet. Inpolderingen en ontwatering hebben gezorgd voor de afwisseling tussen droogmakerijen en veenweidegebieden en het ‘omhoogkomen’ van de oeverwallen van rivieren. Zelfs de jonge duinen zijn voor het grootste deel ontstaan door eeuwenlang actief beheer dat duingroei stimuleerde. In de afgelopen decennia is daar nog een ander fenomeen bijgekomen, namelijk afdekking; ofwel door het ophogen van gebieden met slib, klei en zand, bijvoorbeeld voor de havens, ofwel door bebouwing en verharding dat op een aantal gebieden zo sterk afdekkend werkt dat het onderliggende watersysteem hierdoor sterk beïnvloed wordt.

Op de kaart is door kleurverloop inzichtelijk gemaakt welke gebieden hoger en lager liggen. Hierdoor wordt het patroon van duinen, havens, polders en dijken zichtbaar. Ook is in kaart gebracht welke gebieden kunstmatig zijn opgehoogd of afgedekt door bebouwing en asfalt.

Ecosysteem: kruispunt van internationale routes

afbeelding binnen de regeling

De provincie is gevormd door drie natuurlijke landschappen van internationale betekenis: de dynamiek van het estuariene riviersysteem, het langgerekte duin- en kustsysteem met vooroever en binnenduinrand en het laagveen- en moerasgebied dat een ‘blauwe as’ vormt, landinwaarts min of meer parallel aan de kust. Deze landschappen vormen de ruggengraat voor internationale migratieroutes voor vogels en vissen, die met lijnen op kaart zichtbaar zijn. De drie systemen zijn ondanks de versnippering en menselijke invloeden nog duidelijk herkenbaar. Dit is te zien in de aanwezigheid van soorten die dreigen te verdwijnen (zogenaamde rode-lijst-soorten), die zich niet houden aan de grenzen van beschermde natuur. Het is daarom niet makkelijk een harde grens te trekken tussen ‘natuurlijk’ en ‘niet natuurlijk’ landschap. Door menselijk ingrijpen in het landschap zijn namelijk nieuwe habitats ontstaan en bestaande habitats ingrijpend veranderd. Dit heeft gevolgen voor de lokale soortensamenstelling: waar bijvoorbeeld weidevogels van nature voorkomen in een dynamisch deltasysteem met hoogwaters en verschuivende rivierbeddingen, is met de aanleg van dijken hun leefgebied verschoven naar boerenland. Een aantal soorten komt ook (meer) voor in het stedelijk gebied. Ondanks de invloed van de mens, is het huidige ecosysteem en de biodiversiteit van Zuid-Holland dus nog steeds een afspiegeling van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

De kaart toont de gebieden met natuurwaarden, niet door planologische lagen zoals Natura2000 te tonen, maar door enerzijds condities in beeld te brengen die voortkomen uit het onderliggende bodem- en watersysteem (zoals hoge grondwaterstanden) en anderzijds het voorkomen van rode-lijst-soorten en migratieroutes.

Combinatiekaart laag van de ondergrond

afbeelding binnen de regeling

De combinatiekaart laat zien hoe de ondergrond en het natuurlijk systeem zich tot elkaar verhouden. De wisselwerking tussen de grote migratiestromen langs kust en rivieren en de lokale biotopen van duinen, veenweide, uiterwaarden en zelfs het stedelijk ecosysteem maakt dat ondanks stedelijke karakter van de provincie, er grote natuurwaarden aanwezig zijn.

Laag van de netwerken
De laag van de netwerken gaat over vervoer, maar ook over energie en drinkwater. Netwerken die zorgen voor de randvoorwaarden van wonen en werken in de occupatielaag.

Zuid-Holland heeft een sleutelpositie in twee internationale vervoerssystemen: het systeem van goederenvervoer over zee en van en naar Noordwest-Europa, met bundels van rivieren, snelwegen, sporen en buizen als sterk vervlochten corridors met overslagpunten; en het systeem van personenmobiliteit waarin de provincie onderdeel is van het Stedelijk Netwerk Nederland, maar ook sterk verbonden is met andere metropolen in de omgeving zoals Antwerpen, Brussel, Parijs en Londen. Maar de netwerken gaan niet alleen over (inter)nationale corridors. Dankzij het zeer fijnmazige netwerk van straten, paden, sloten, kabels en leidingen functioneert het stedelijke systeem in Zuid-Holland. Sterker nog, de dominante corridors in de provincie worden gevoed door dit fijnmazige netwerk. Een goed functionerend haarvatensysteem is instrumenteel voor een leefbare provincie met een goed woon-werk en vestigingsklimaat. De dichtheid van dit netwerk zegt iets over de intensiteit van het stedelijk ruimtegebruik. Wat dit netwerk laat zien is dat vele kleine ingrepen samen grote effecten kunnen hebben. Al met al is er sprake van een zeer dicht, multimodaal en verweven netwerk dat inmiddels sturend is voor hoe de provincie zich ontwikkelt.

De grote bewegingen: goederenvervoer

afbeelding binnen de regeling

Het logistiek-industriële systeem met het havenindustriële complex, de tuinbouw en de agrofood-logistiek is sterk verbonden aan het Europese TEN-T netwerk en het internationale vaarwegennetwerk. Op hoofdlijnen is er sprake van internationale goederencorridors over land richting het Ruhrgebied en Antwerpen, met aftakkingen naar Amsterdam, Hannover en Luik. Zeeroutes lopen min of meer parallel aan de kust tussen Scandinavië en de Middellandse Zee. De corridors strekken zich uit tot Ierland, Italië, Spanje en de Baltische staten. Het grootste volume wordt getransporteerd over water en in mindere mate over weg en spoor. In de provincie zelf is sprake van een regionaal vertakt netwerk van weg en water waardoor kleinere kernen en overslaglocaties aan elkaar verbonden zijn. Overigens speelt buistransport een steeds grotere rol in goederenvervoer, zeker tussen de grote industrieclusters.

Grote bewegingen: Personenvervoer 

afbeelding binnen de regeling

In delen van het systeem is sprake van dubbelgebruik voor personen- en goederenvervoer, toch hebben beide systemen een eigen karakter. Zo bestaat het goederencorridornetwerk uit brede bundels richting Antwerpen en het Ruhrgebied. Het personenmobiliteitsnetwerk heeft meer het karakter van een netwerk van knooppunten. Den Haag en Rotterdam vormen een intensief verweven metropoolregio, met bundels van spoor en snelweg richting Amsterdam, Utrecht, Antwerpen en de Brabantse stedenband. De vele overstappunten, knooppunten en afslagen zijn essentieel in het stedelijk systeem.

De kaart toont de fijnmazigheid van het OV-netwerk en de samenhang tussen lokaal, regionaal en nationaal vervoer. Ook is inzichtelijk welke gebieden juist minder goed bereikbaar zijn, doordat ze op grotere afstand van de OV-hubs liggen.

Grote bewegingen: Energie en drinkwater 

afbeelding binnen de regeling

Naast het zichtbare systeem van weg, spoor en water is er het minder zichtbare maar net zo belangrijke systeem van nutsvoorzieningen dat drinkwater en energie naar woningen en bedrijven brengt. Elektriciteitskabels, gas- en drinkwaterleidingen zijn cruciaal voor het functioneren van de leefomgeving. Als gevolg van elektrificatie is het systeem van hoogspanningsleidingen steeds uitgebreider en complexer. Ook het bovenregionale waterleidingennetwerk wordt steeds complexer om voldoende drinkwater naar de zuiveringslocaties te krijgen. Naast gas, elektriciteit en drinkwater speelt warmte een belangrijke rol in delen van de provincie restwarmte en geothermie wordt gebruikt om kassen en woningen te verwarmen. Het fijnmazige Zuid-Hollandse netwerk kent daarbij steeds meer uitdagingen: de netwerken bereiken hun maximale capaciteit, maar er is weinig ruimte voor uitbreiding.

De kaart toont de netwerken van groot naar klein. Hiermee wordt zichtbaar in welke gebieden concentratie van infrastructuren plaatsvindt.

Fietsen, wandelen en varen

afbeelding binnen de regeling

In de provincie bevinden zich regionale netwerken voor fietsers en wandelaars. Deze netwerken spelen een rol in de leefkwaliteit van de bewoners. Een aandachtspunt is de oversteekbaarheid van infrastructuur zoals wegen, spoorwegen en waterwegen, waardoor sommige gebieden minder goed bereikbaar zijn.

De kaart toont de fijnmazigheid van recreatief gebruik in het regionale netwerk. Te zien zijn de bewegingen rond steden en vervolgens langs aantrekkelijke lijnen, zoals de kuststrook en langs waterlopen.

Combinatiekaart laag van de netwerken

afbeelding binnen de regeling

Als de netwerken van nutsvoorzieningen, personen en goederen gecombineerd worden ontstaat een beeld van een multimodaal ontsloten provincie met grote verschillen in gebruiksintensiteit van de netwerken. Een aantal infrastructuurbundels zijn zowel voor goederen als voor personen belangrijk, zoals die richting Amsterdam, waar op de A15 corridor, vooral rond Rotterdam, goederen dominant zijn. Ook zichtbaar is het grote verschil in fijnmazigheid: personenmobiliteit kent een veel grotere verspreiding over de provincie dan goederen. Opvallend is hoe het nutsnetwerk zich soms buiten de andere corridors beweegt. Buisleidingen liggen vaak op afstand van weg of spoor.

Laag van de occupatie
De ontstaansgeschiedenis van Zuid-Holland hangt vast aan het deltasysteem van rivieren en havens, met dwars hierop strandwallen en vaarten. Daarbij ontstonden de grafelijke hoven in de binnenduinrand en op de oeverwallen. Hieruit zijn de metropolen Rotterdam en Den Haag ontstaan, evenals oude centrumsteden als Delft, Leiden en Vlaardingen. Deze combinatie van ontwikkelfactoren heeft ertoe geresulteerd dat er geen sprake is van één centrumstad met een economie die hierop gericht is. Er is een variatie van steden, landbouw, industrie, tuinbouw en natuur ontstaan. Een veelzijdig landgebruik dat de rijke schakering van de provincie laat zien.

Een mix van wonen, werken, leren en recreëren

afbeelding binnen de regeling

De steden en dorpen van Zuid-Holland worden gekenmerkt door gebieden waar wordt gewoond en gewerkt, en waar mensen leren, innoveren en recreëren. Na decennia van functiescheiding raken wonen en werken de laatste jaren weer steeds meer gemengd, de aard van het werk maakt dat ook mogelijk. Het karakter van de gemengde stad is daarmee veranderd, met een sterkere focus op dienstverlening en minder menging van wonen met functies met een hogere milieucategorie. In Zuid-Holland speelt kennis een grote rol, terug te zien in de twee universitaire ziekenhuizen, drie universiteiten en vele hbo's en mbo's. Ook speelt onderwijs en innovatie een grote rol in levendig stedelijk weefsel. In de loop der tijd is de bewonersdichtheid en arbeidersdichtheid in steden afgenomen, zelfs waar het aantal woningen of de economische productiviteit is gestegen. Recreatie is steeds meer een aparte functie geworden met eigen ruimtebeslag. Met meer verdichting stijgt de behoefte aan groen en recreatiegebieden op de juiste plekken en in de juiste kwaliteit. In combinatie met de opgave om een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving te waarborgen wordt deze behoefte alleen maar groter en noodzakelijk voor een goede leefkwaliteit.

De kaart toont intensiteiten van inwoners en arbeidsplaatsen, en een menging hiervan. Hieraan gerelateerd is de aanwezigheid van innovatieclusters rond campussen van onderwijs en gezondheid (health), de stedelijke dienstensector, maar ook rond specifieke sectoren zoals glastuinbouw of de maritieme sector.

Het landgebruik als Zuid-Hollands mozaïek

afbeelding binnen de regeling

Het groenblauwe mozaïek van akkers, weilanden, natuur en water bestaat uit een spectrum van intensief tot extensief landgebruik dat soms dwars door stedelijke en landelijke gebieden loopt. Denk daarbij aan glastuinbouw, bloemen- en bollenteelten, akkerbouw, veehouderij, natuurinclusieve landbouw en natuurgebieden. Richting stad neemt de intensiteit weer toe met recreatie en bewoning.

De kaart laat de gebruiks-, natuur- en productiefuncties zien op een manier die inzichtelijk maakt dat landgebruik niet enkelvoudig is en laat zien dat er veel mengvormen tussen landbouwproductie, natuurwaarde en recreatief (mede)gebruik bestaan.

Werklandschappen

afbeelding binnen de regeling

De industrieclusters, bedrijventerreinen en glastuinbouw zijn gebieden volledig gericht op productie. De arbeidsintensiteit verschilt, evenals de productiviteit en omgevingseffecten. Maar deze indicatoren zijn niet als enige belangrijk om inzicht te krijgen in de rol van (vaak gebouwgebonden) productie in de provincie. Veel bedrijventerreinen spelen bijvoorbeeld een rol in het functioneren van de stad, met detailhandel, onderhoudsvoorzieningen en lokale distributielocaties. De productiefuncties zijn sterk gekoppeld aan de goederen- en energienetwerken.

De kaart toont de productie-intensiteiten en multimodale ontsluiting, waarbij ook bedrijven met een regionale functie zichtbaar zijn.

Combinatiekaart laag van de occupatie

afbeelding binnen de regeling

De combinatiekaart schetst een kleurrijk beeld van de grote diversiteit aan landgebruik in de provincie. Interessant is dat hier weer zichtbaar wordt waar het allemaal begon: de ondergrond. Kleigronden tekenen zich af met akkerbouw of tuinbouw, in de kuststrook en langs de rivieren zijn natuurgebieden en het veengebied bestaat uit agrarisch en natuurlijk grasland. De steden, ooit ontstaan op wat hoger gelegen en goed ontsloten plekken zoals langs de Schie, de Rotte en in de binnenduinrand, zijn buiten de oorspronkelijke ondergrond doorgegroeid.

4.4 Omgaan met schaarse ruimte

In geen enkele andere provincie in Nederland speelt het verdeelvraagstuk om de schaarste ruimte zo’n grote rol als in Zuid-Holland. Ondanks het decennialange beleid van het ruimtelijk accommoderen van wonen en werken is het aandeel van Zuid-Holland in bruto nationaal economie afgenomen van 22,5% in 1995 naar 21,9% in 2022 en behoort de brede welvaart tot de laagste van Nederland.

Zuid-Holland is de meest dichtbevolkte provincie van Nederland met 1.410 inwoners per km2 (2023). Ter vergelijking: de gemiddelde bevolkingsdichtheid in Nederland bedraagt 529 inwoners per km2. In heel Nederland groeide de bevolking tussen 1970 en 2023 flink. Het aantal inwoners in Zuid-Holland groeide in die periode met ruim 800.000 inwoners naar ruim 3,8 miljoen inwoners.

De bevolking van Zuid-Holland nam in deze periode vooral toe door natuurlijke aanwas (aantal geboorten min aantal sterfgevallen) en buitenlandse migratie. Buitenlandse migratie vertoont een stijgende trend en vanaf eind jaren tien van deze eeuw groeit de bevolking in Zuid-Holland vooral door buitenlandse migratie. De natuurlijke aanwas laat daarentegen juist een dalende ontwikkeling zien. Het geboortecijfer in Nederland is tussen 1970 en 2023 gedaald van 2,6 naar 1,4 kinderen per vrouw. Het geboortecijfer ligt daarmee al een aantal jaren (fors) beneden het aantal kinderen dat een vrouw gemiddeld moet krijgen om de bevolking op peil te houden zonder rekening te houden met migratie (dit aantal is 2,1 kind per vrouw).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1: Verdeling van het grondgebruik in Zuid-Holland in 1970 en 2020

In Nederland woonden in 1970 3,2 mensen per woning, anno 2024 zijn dat nog 2,1 mensen. In Zuid-Holland is in 2024 41,7% van de huishoudens alleenstaand en 25,5% van de huishoudens is een stel (samenwonend zonder kinderen). Er zijn ook eenouder huishoudens die uit 2 personen bestaan. Dus minstens 67,2% van de huishoudens is momenteel een 1- of 2-persoonshuishouden in Zuid-Holland. Tussen 1970 en 2020 is het ruimtegebruik voor wonen en werken gegroeid met zo’n 200%. In deze periode is het aantal inwoners met 25% toegenomen en is het aantal banen per hectare bebouwd gebied met 35% gedaald. Wonen en werken zijn dus sterk geëxtensiveerd, met minder bewoners per woning, met minder woningen per hectare en minder banen per hectare. Hoewel het netwerk in deze periode weldegelijk is versterkt, is het ruimtebeslag van mobiliteit ongeveer gelijk gebleven. Inmiddels worden wel veel meer reis-bewegingen gemaakt en is de druk op het bereikbaarheidsnetwerk steeds hoger geworden. 

In de afgelopen jaren bleef de toename van het aantal woningen achter bij de groei van de bevolking en de toename van het aantal huishoudens. Daardoor is er nu een tekort aan (betaalbare) woningen in Zuid-Holland en wordt gesproken van een ‘wooncrisis’.

Het ruimtelijk beleid is er decennia op gericht geweest om vooral de vraag voor wonen en werken te accommoderen, tegelijk daalde de oppervlakte aan landbouwgrond van ongeveer 60% naar ongeveer 40%. Tegelijkertijd werd de landbouw sterk geïntensiveerd, door innovaties meer productie per hectare, waardoor de productie is toegenomen. De uitbreiding van de hoeveelheid ruimte voor wonen en werken heeft als keerzijde dat het areaal open, niet bebouwd landschap is afgenomen. De beschikbare oppervlakte voor de gezamenlijke ‘groene en blauwe’ opgaven (landbouw, natuur, recreatie en water) is daarmee fors minder geworden.

Zuid-Holland levert een stevige bijdrage aan het economisch belang en de internationale positie van Nederland. Zuid-Holland heeft er daardoor ook veel druk op ruimte en milieu bijgekregen in de afgelopen decennia. Zo huisvest Zuid-Holland 617 bedrijventerreinen, een industrieel-logistiek systeem bestaande uit een havenindustrieel en maritiem complex van internationaal belang en agrologistieke clusters met intensieve land- en tuinbouw die sterk verweven zijn met Nederland, (Noordwest-)Europa en de wereld. De laatste twee decennia is versterkt ingezet op het groeiende belang van compacte stedelijke ontwikkelingen met goede onderlinge verbindingen. De stedelijke kennisgedreven economie met toplocaties, innovatiedistricten en campussen is sterk gegroeid en steeds beter verweven in het Zuid-Hollandse netwerk van sterke steden en dorpen.

Ondanks de stevige bijdrage aan de Nederlandse economie presteert Zuid-Holland minder in totaal en naar inwoners. De bijdrage van Zuid-Holland met 21,3% van de inwoners aan het bruto nationaal product was in 2022 20,9%, terwijl Noord-Holland met 16,5 % van de inwoners 21,3% bijdroeg. De Zuid-Hollandse economie leunt historisch gezien relatief sterk op sectoren die gebruik maken van fossiele brandstoffen, lineaire productiemethoden en relatief goedkope arbeid en heeft daardoor een grote transitieopgave om ook in de toekomst concurrerend te zijn. Daar wordt door bedrijven en overheden ook al aan gewerkt, mede door de Groeiagenda. In een veranderend geopolitiek krachtenveld is de internationaal georiënteerde én regionale economie van Zuid-Holland kwetsbaar en staat de brede welvaart van inwoners onder druk.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2: Ontwikkeling van het aandeel toegevoegde waarde in de Nederlandse economie, 1996 -2020, Sander (2023)

De brede welvaart is in delen van onze provincie relatief laag en ook significant lager dan elders in ons land (zie figuur 3). Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven in het hier en nu, maar ook over de effecten op de welvaart van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld. En die kwaliteit van leven wordt in belangrijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de sociale én fysieke leefomgeving. Vanuit het perspectief van brede welvaart worden meer aspecten afgewogen dan het bruto regionaal product en inkomen per hoofd van de bevolking. Ook thema’s als gezondheid, arbeid, wonen, veiligheid, sociale cohesie, onderwijs, natuur, milieu en leefomgeving wegen we mee. In Zuid-Holland zien we dat de werkloosheid hoger is dan gemiddeld in Nederland. Welzijn, gezondheid en veiligheid vragen om aandacht. De verschillen tussen gebieden in Zuid-Holland zijn daarbij groot.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3: Regionale verschillen in brede welvaart (Universiteit Utrecht, 2023)

4.5 Uitdagingen op veiligheid, gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving

De geopolitieke situatie in de wereld vraagt aandacht van Europa, Nederland en Zuid-Holland. Ons land wordt steeds vaker geconfronteerd met statelijke actoren die met hybride aanvallen onze samenleving proberen te ontwrichten en te verzwakken. Nederland is een interessant doelwit vanwege de strategische ligging van de Rotterdamse haven, fysieke en digitale verbindingen met het Europese achterland, de windparken en kabels in de Noordzee en huisvesting van belangrijke techbedrijven. Tegelijkertijd is de veiligheidsparaplu die de Verenigde Staten lange tijd Europa boden geen vanzelfsprekendheid meer. Er is sprake van een gefragmenteerde wereldorde. Een speelveld met andere spelers en andere regels. Beslissend wordt de strijd om technologie, arbeidsproductie, grondstoffen, afzetmarkten en energie. Een strijd die de Verenigde Staten en China dominant voeren. Europa en Nederland zal minder afhankelijk moeten worden van andere landen als het gaat om (duurzame) energie, defensie en strategische grondstoffen en sectoren.

Als delta die grotendeels onder de zeespiegel ligt is Zuid-Holland kwetsbaar voor klimaatverandering. De zeespiegel stijgt, de bodem daalt, er is vaker extreme neerslag en vaker hitte en droogte en de afvoer van rivieren wordt grilliger. Zuid-Holland wordt steeds afhankelijker van dijken en het wordt steeds duurder om Zuid-Holland te beschermen tegen overstromingen. Als het een keer misgaat, worden de gevolgen steeds groter: meer slachtoffers en grotere schade. Door toenemende extremen in neerslag en toenemende verstedelijking neemt het risico op schade door wateroverlast toe. Bodemdaling zorgt voor veel schade aan funderingen van gebouwen en extra onderhoud aan rioleringen, wegen en spoorwegen.

Door klimaatverandering biedt het water- en bodemsysteem geen garantie meer voor toekomstige welvaart en verdienvermogen. De maakbaarheid daarvan loopt inmiddels tegen de technische, ruimtelijke en financiële grenzen aan.

Voldoende zoetwater is van groot belang voor onze drinkwatervoorziening, voor landbouw (voedselzekerheid), industrie, natuur en de leefomgevingskwaliteit. Verwachte langere perioden van droogte en lage rivierafvoeren zetten de beschikbaarheid van zoetwater onder druk. De drinkwatervoorziening is niet alleen kwetsbaar door de afhankelijkheid van de grote rivieren, maar ook door toenemende ruimtedruk in de ondergrond en knelpunten met vergunningverlening. De beschikbaarheid van zoetwater neemt af, maar de watervraag neemt toe door toenemende verzilting vanuit de ondergrond, door maatregelen om bodemdaling tegen te gaan en door sociaaleconomische ontwikkelingen. Afnemend aanbod en toenemende vraag leidt tot grotere tekorten aan zoetwater.

De kwaliteit van ons oppervlakte- en grondwater is nog niet op orde. Goede waterkwaliteit is belangrijk voor het dagelijks leven: voor drinkwaterproductie, landbouw, natuur en recreatie. De grootste knelpunten in de waterkwaliteit zitten in de hoeveelheid meststoffen in het water, chemische verontreinigingen (resten van gewasbeschermingsmiddelen, geneesmiddelen en nieuwe stoffen zoals PFAS) en de inrichting van watergangen. Het halen van de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water staat onder druk.

De biodiversiteit in Zuid-Holland is in de afgelopen decennia fors afgenomen. In Nederland was in 1900 nog ruim 40% van de oorspronkelijke biodiversiteit over en in 2010 nog maar 15%. Daarnaast is de natuur in Zuid-Holland onvoldoende robuust. Doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), namelijk dat de natuur in een gunstige staat van instandhouding is, worden grotendeels niet gehaald. Dit vertaalt zich onder meer in de huidige vergunningencrisis rondom stikstof en dit dreigt te ontstaan ten aanzien van waterkwaliteit (KRW) en soortenbeleid (onder andere de boerenlandvogels). Natuurherstel, zowel in kwaliteit als in oppervlak, is noodzakelijk. De Europese Natuurherstelverordening geeft hieraan ook richting. De biodiversiteit en kwaliteit van natuur, die is gekoppeld aan het natuurlijk ecosysteem als randvoorwaarde voor bijvoorbeeld economie en een gezonde leefomgeving, moeten op orde gebracht en hersteld worden. Hieronder valt ook de aanpak van drukfactoren, zoals stikstofdepositie, verdroging en onvoldoende waterkwaliteit. Het niet voldoen aan de stikstofnormen belemmert natuurherstel en zorgt voor minder groei in stedelijke functies (wonen, werken, mobiliteit).

Het optimaliseren van de landbouw in de afgelopen decennia heeft geleid tot een hogere voedselproductie en een minder divers landschap. Om in een gezonde leefomgeving voldoende voedsel te produceren is het van belang om ruimte voor de landbouw te behouden.

Zuid-Holland scoort landelijk het laagst als het gaat om levensverwachting in goed ervaren gezondheid en kent grote gezondheidsverschillen tussen verschillende subregio’s. Terwijl het aantal infectieziekten in de loop van de tijd dramatisch is afgenomen, is de zorgwekkende trend dat het aantal leefstijlziekten stijgt. Deze ziekten worden veroorzaakt door verschillende factoren, zoals ongezonde voeding, milieubelasting, onvoldoende beweging, een slecht slaapritme en middelengebruik. De verschillen tussen regio’s hangen samen met verschillende elementen, variërend van onderwijsniveau tot omgevingskenmerken. Gezondheid wordt dus niet alleen bepaald door individuele kenmerken en afwegingen: ook de sociale omgeving en de inrichting van de fysieke leefomgeving heeft hier invloed op. Zuid-Holland scoort hierbij op veel plekken zeer slecht. Zo liggen in regio Rijnmond de drie steden met de minste sociale cohesie. De urgentie van het vraagstuk is groot: gezondheid is niet alleen van belang voor de persoon zelf, maar ook zijn de maatschappelijke kosten van ziekten hoog (zoals zorgkosten, ook de afname van vaccinatiegraad speelt hierbij een rol).

Hoewel de luchtkwaliteit in Zuid-Holland afgelopen decennia geleidelijk is verbeterd en op dit moment aan de normen wordt voldaan, is er nog steeds sprake van gezondheidsschade door met name fijnstof en stikstofdioxide. Daarom gelden vanaf 2030 hiervoor strengere normen. Naar verwachting zullen deze niet direct in 2030 overal in Zuid-Holland worden gehaald. Overschrijding van de normen heeft consequenties voor bouwopgaven en andere ruimtelijke ontwikkelingen. Geluidshinder heeft negatieve effecten op de gezondheid van mensen. Geluidshinder neemt in Zuid-Holland toe door toename het aantal bronnen en kortere afstanden tussen geluidsbron en gehinderde. Denk hierbij aan toename van verkeer (op wegen, scheepvaart, vliegverkeer), bedrijfsactiviteiten en woningen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4: Milieugezondheidsrisico's in Zuid-Holland (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2020)

Vanwege het grote aantal inwoners, een groot aantal bedrijven dat met gevaarlijke stoffen werkt, en grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen die door Zuid-Holland worden getransporteerd, vraagt het voorkómen van rampen met gevaarlijke stoffen bijzondere aandacht. Dit vraagt om sturing op risicovolle activiteiten en op de locaties waar deze activiteiten plaats kunnen vinden of waar (zeer) kwetsbare gebouwen zoals woningen gebouwd kunnen worden. Hierbij staat het minimaliseren van de kans dat grote groepen mensen slachtoffer kunnen worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen centraal. Door groei van de bevolking en economie wordt het steeds drukker op wegen en fietspaden. Dit geldt zowel voor personen- als goederenvervoer. Bovendien moet er de komende jaren veel onderhoud aan wegen en bruggen gedaan worden wat voor hinder gaat zorgen. Daarnaast vraagt klimaatverandering om duurzamere mobiliteit. De schaarste aan ruimte en middelen dwingt tot het optimaal benutten van bestaande infrastructuur om de bereikbaarheid op peil te houden.

Naast de verkeersinfrastructuur loopt ook het energienetwerk in Zuid-Holland tegen de grenzen van zijn capaciteit aan. De netwerken bereiken hun maximale capaciteit, maar er is weinig ruimte voor uitbreiding. Het gevolg is een reële kans op congestie of tekort. Een transitie naar duurzame energiesystemen is nodig. Dit voorkomt negatieve effecten van fossiele energie op de laag van de ondergrond. Beschikbaarheid van duurzame energie is randvoorwaardelijk om ontwikkelingen in de occupatielaag mogelijk te maken, dit vraagt om goede afstemming van vraag en aanbod in gebieden. Er wordt hard gewerkt en veel geïnvesteerd in het uitbreiden, verbeteren en verduurzamen hiervan. Tegelijkertijd neemt de vraag naar méér capaciteit toe ten gevolge van bijvoorbeeld elektrificeren van mobiliteit en bedrijvigheid.

Het inpassen van de benodigde extra capaciteit, leidt nu al tot lastige afwegingen in relatie tot ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit. Extra energie-infrastructuur, opweklocaties, reinigingsinstallaties voor afvalwater of logistieke hubs voor circulaire grondstoffen zijn lastig in te passen in het bestaand stedelijk gebied. Een aandachtspunt is de toenemende ondergrondse verdichting als gevolg van ondergrondse infrastructuur, met name in stedelijk gebied. Dit kan de benodigde sponswerking van de bodem en behoefte aan vergroening letterlijk in de weg zitten.

5. Koers van Zuid-Holland

5.1 Noodzaak tot verandering

Tot nu toe is de hoge vraag naar ruimte en middelen vaak beantwoord met het bieden van extra ruimte voor wonen en economische activiteiten door landbouwgronden te transformeren en door nieuw land te realiseren zoals de Tweede Maasvlakte. Het wordt duidelijk dat we aanlopen tegen planetaire grenzen. Zuid-Holland staat voor grote opgaven om te voldoen aan de vastgestelde doelen voor de waterkwaliteit, stikstof en biodiversiteit. De kwaliteit van het water en de natuurgebieden is niet op orde, de biodiversiteit is sterk afgenomen en de uitstoot van broeikasgassen moet omlaag. De (inter)nationaal gestelde doelen van een circulaire economie, duurzame energie, biodiversiteit en klimaatadaptatie zijn niet haalbaar als wordt doorgegaan op de huidige koers. Ook de financiële houdbaarheid van de ruimtelijke keuzes, nu en in de toekomst (denk aan aanpassing aan veranderend klimaat) komt nadrukkelijker naar voren. Daar komt de beperkte beschikbaarheid bij van elektriciteit, zoetwater en drinkwater en de mogelijkheden van het mobiliteitssysteem.

De sturende principes geven mee dat de provincie gaat voor een toekomstbestendig Zuid-Holland. Dat dwingt tot keuzes: niet alles kan. De provincie wil meer prioriteit geven aan gezondheid, veiligheid en kwaliteit. Dit betekent dat meer ruimte nodig is voor waterveiligheid, beperken wateroverlast, energie- en drinkwatervoorziening, biodiversiteit en een gezond voedselsysteem. De opgaven rond water en natuur vragen meer ruimte in zowel stedelijk als landelijk gebied, onder andere om klimaatadaptief te zijn en hittestress tegen te gaan. De geplande toevoeging van woningen en werklocaties maakt deze opgave alleen maar groter. De opgaven in het landelijk gebied hebben met name gevolgen voor de land- en tuinbouw: extensiveren en innovatieve maatregelen lijken op veel plekken noodzakelijk om stikstof- en natuurdoelen te kunnen halen op plekken waar meerdere doelen en maatregelen samenkomen (stikstof, methaan én vernatten van bodem én agrarische natuur). En ook de waterkwaliteitsdoelen vormen een grote uitdaging. Daarnaast vraagt het energienetwerk om meer ruimte, zowel in de vorm van het netwerk als voor opwek. Ook voor lopen/wandelen en fietsen, die bijdragen aan gezondheid, is meer ruimte nodig. Om internationaal concurrerend te blijven, is een economische transitie nodig. Voor een toekomstbestendige economie wordt gewerkt we aan de transitie naar nieuwe, duurzame en toekomstbestendige waardenketens ondersteund door een robuuste infrastructuur voor energie, bereikbaarheid en water. De transities vragen om aanpassing van de ruimtelijke inrichting: opbouw, ombouw en ook afbouw van ruimtegebruikers, evenals opnieuw clusteren. Dit is nodig om onder andere opwek, opslag en transport van energie en de cruciale ruimtelijke schakels van de nieuwe en circulaire economie ruimte te geven. Dit geldt ook voor de transitie naar een duurzaam volhoudbare landbouw.

In een tijd waarin er niet alleen schaarste is aan ruimte, water en energie, maar vooral ook aan passend opgeleide mensen, vraagt dat om aandacht voor effecten van de keuzes op de leefomgeving. Een betere gezondheid, veiligheid, een inclusieve samenleving met bestaanszekerheid in een provincie met hoge ruimtelijke kwaliteit, goede bereikbaarheid van voorzieningen en werkplekken staan daarbij centraal. Samen met het Rijk en samen met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke partners gaat de provincie Zuid-Holland voor meer brede welvaart, met een meer toekomstbestendige economie en met lagere maatschappelijke kosten. De koers zet daarom nadrukkelijk in op een nieuwe balans tussen people, planet en profit. Een toekomstbestendig Zuid-Holland is uiteindelijk fossielvrij, klimaatadaptief, circulair, biodivers, veilig, beweegvriendelijk en gezond met een florerende economie binnen sociaal-maatschappelijke en ecologische grenzen.

5.2 Koers Zuid-Holland

Vanuit de sturende principes heeft Provinciale Staten op 6 maart 2024 een koers voor Zuid-Holland vastgesteld:

  • Bij het maken van ruimtelijke keuzes prioriteert de provincie meer op gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. De provincie stuurt hierbij op brede welvaart, inclusief welzijn en welbevinden.

  • Dit betekent dat water en bodem nog meer sturend worden gehanteerd als randvoorwaarde voor een veilige, toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland.

  • En dit betekent dat er een toekomstbestendige economie wordt nagestreefd met een betere leefomgevingskwaliteit en gezondheid. Daarbij wordt voorrang gegeven aan een duurzame, digitale en inclusieve economie, met borging van maatschappelijke meerwaarde. Een duurzame economie richt zich op circulariteit, energietransitie en natuurinclusiviteit. Een inclusieve economie houdt rekening met het klein-, midden- en grootbedrijf, in alle regio’s en voor werkgevers en -nemers. Zo wordt ook het belang bewaakt om inwoners een eigen inkomen te laten verdienen, ook op de lange termijn.

  • Dit betekent bovendien dat ruimte beter zal worden beschermd om provinciale ambities, wettelijke verplichtingen en doelen te realiseren. Daarom:

    • wordt een de onbebouwde ruimte buiten bestaand stads- en dorpsgebied beschermd om voldoende (open) landschap beschikbaar te houden voor de transities die nodig zijn voor een toekomstbestendige landbouw, energievoorziening, water-, groen-, recreatie- en natuuropgaven.

    • wordt zorg gedragen voor voedselzekerheid en het beschikbaar blijven van maatschappelijke, culturele, sportieve en nutsvoorzieningen voor de inwoners van Zuid-Holland.

    • wordt de schaarse ruimte en infrastructuur effectiever en efficiënter gebruikt en blijvend ingezet op de volgende elementen van de integrale provinciale verstedelijkingsstrategie: beter benutten, verdichting en functiemenging combineren met goede bereikbaarheid en meer aandacht voor gezonde en klimaatadaptieve verstedelijking.

    • wordt gesteld dat wonen en werken inclusief de daarbij horende voorzieningen zich optimaal ontwikkelen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en locaties aan de rand van BSD, waaronder de grote buitenstedelijke bouwlocaties en het “straatje erbij”. De provincie zet daarbij in op kwaliteit en gerichte groei. Dat betekent dat niet meer vanzelfsprekend ruimtelijk wordt gefaciliteerd op basis van ramingen en prognoses.

De koers beweegt zich binnen de grenzen van het systeem van water, bodem, energie, economie, natuur en biodiversiteit. Het welzijn van de inwoners in Zuid-Holland komt meer centraal te staan. De provincie benadrukt de noodzaak voor een meer uitgebreide en integrale set van instrumenten en samenwerking om hierop bewust te sturen. Hoe wordt het ruimtegebruik toekomstbestendig, ook met het oog op toekomstige generaties? Om een nog verdere extensivering van het ruimtegebruik te voorkomen, is sturing nodig op beter benutten en intensiveren van de bestaande voorraad en (gereserveerde) ruimte voor wonen en werken – net als keuzes waar de provincie welke economische activiteiten wenselijk acht en waar welke woningen belangrijk worden gevonden. Kortom: de provincie stuurt meer op afwegingen tussen en binnen functies.

Hoewel Zuid-Holland met deze koers een andere weg inslaat, worden reeds gemaakte bestuurlijke afspraken - voor bijvoorbeeld wonen en werken - nagekomen. Dit betekent dat er op basis van de huidige afspraken nog ongeveer 3.300 hectare bebouwd gebied bijkomt. Dat is een gebied ter grootte van de stad Zoetermeer.

5.3 Ontwikkelen met oog voor kwaliteit van de leefomgeving en brede welvaart

Bij de uitwerking van de koers vormen kwaliteit van de leefomgeving (waaronder ruimtelijke kwaliteit en erfgoed) en brede welvaart het kompas.

Kwaliteit van de leefomgeving
Belangrijk doel van het omgevingsbeleid is het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede kwaliteit van de leefomgeving. Onder ‘kwaliteit van de leefomgeving’ verstaat de provincie het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).

Om uitwerking te geven aan de kwaliteit van de leefomgeving heeft de provincie in haar kwaliteitskaart en bijbehorende gebiedsprofielen een beschrijving gemaakt van de unieke karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen. Deze zijn vervolgens in de omgevingsverordening (§ 7.3.7, bijlage IX bij artikel 7.43a) uitgewerkt in ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

Brede welvaart
Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven in het hier en nu, maar ook over de effecten op de welvaart van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld. De kwaliteit van leven wordt voor een groot deel bepaald door de sociale en fysieke leefomgeving. Het concept brede welvaart bestaat uit verschillende thema's die voor mensen van waarde zijn. De provincie sluit aan bij de thema-indeling van PON & Telos. Deze twaalf thema's zijn gebaseerd op de uitgebreide en landelijke monitor brede welvaart van het CBS, maar geënt op de provinciale bevoegdheden en invloedssfeer. De thema's worden hieronder beschreven.

Thema's

Omschrijving

Ecosystemen en biodiversiteit

De staat en veerkracht van ecosystemen en de aanwezigheid van verschillende plant- en diersoorten.

Milieu en klimaat

De kwaliteit van de leefomgeving en de mate waarin deze beïnvloed wordt door klimaatverandering en milieufactoren.

Veiligheid

De mate waarin mensen worden blootgesteld aan fysieke en sociale omgevingsrisico’s en hoe veilig zij zich voelen.

Welbevinden

 De ervaren kwaliteit van leven, waaronder de tevredenheid over de woon-, werk- en recreatieomgeving.

Sociale samenhang en inclusie

De mate waarin mensen sociale verbindingen hebben en gelijke kansen krijgen om deel te nemen aan de samenleving.

Cultuur

De deelname aan en beschikbaarheid van kunst, cultuur en erfgoed binnen de samenleving.

Wonen

De toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van woningen en de woonomgeving.

Gezondheid

De fysieke en mentale gesteldheid van mensen en de factoren die hierop van invloed zijn.

Mobiliteit en bereikbaarheid

De mate waarin mensen zich kunnen verplaatsen en toegang hebben tot werk en voorzieningen.

Arbeid en vrije tijd

De verdeling van tijd tussen werk en ontspanning en de kwaliteit van beide.

Onderwijs

De mogelijkheden voor mensen om kennis en vaardigheden te ontwikkelen.

Materiële welvaart

De verdeling van inkomen en economische middelen binnen de samenleving en de bredere economische structuur.

5.4 Uitwerking van de koers

Een gezonde bodem en efficiënt gebruik van de ondergrond
Een gezonde bodem is van wezenlijk belang voor het goed kunnen functioneren van het gewenste landgebruik. Het bodemleven is de biologische motor waardoor allerlei processen in de bodem actief bijdragen aan structuurverbetering, de beschikbaarheid van nutriënten (voor onder andere gewassen) en het vastleggen van koolstof. Daarnaast biedt de bodem waterbergingscapaciteit, ondergrondse opslagmogelijkheden van zoet (drink)water, energie en buisleidingen, een (stevige) basis voor gebouwen en infrastructuur, vruchtbare klei voor akkerbouw, en veen voor CO2-opslag. Deze functies zijn niet oneindig beschikbaar en vaak ook sterk locatiegebonden. De provincie ziet het als haar verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat deze basis ook voor toekomstige generaties in Zuid-Holland beschikbaar blijft.

De provincie wil bodemdaling remmen en (zoveel mogelijk) proberen te stoppen. Vruchtbare grond voor de landbouw dient beschermd te worden tegen bebouwing. Bij verstedelijking en infrastructuur streeft de provincie naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, zo min mogelijk afdekking van de bodem (ten behoeve van sponswerking) en herstel van de bodem waar mogelijk. Bij alle opgaven rondom bodem en ondergrond is het van belang om rekening te houden met archeologische, cultuurhistorische, aardkundige en landschappelijke waarden. De provincie wil door middel van 4D-ordening de regie op de ondergrond versterken. De aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging wordt herijkt.

Een toekomstbestendig watersysteem
De uitgangspunten uit Water en Bodem Sturend moeten helpen het watersysteem toekomstbestendiger te maken. Afhankelijk van bodemsoort en -gesteldheid en aanwezige watersystemen vraagt dat gebiedsspecifiek maatwerk bij het uitwerken van oplossingen en kan het diverse schaalniveaus betreffen.

De provincie wil meer ruimte voor waterberging reserveren (onder andere aan de randen van het stedelijk gebied): piekberging voor het opvangen van hevige neerslag (voorkomen wateroverlast) en mogelijke voorraadwaterberging voor gebruik tijdens droogte. De provincie wil ook voldoende schoon (drink)water en zoetwater veiligstellen. Tegelijkertijd is het nodig om te anticiperen op minder zoet oppervlaktewater en toenemende verzilting, omdat de aanvoer van extra (schaars) zoetwater van buiten het gebied niet altijd en overal kan worden gegarandeerd. Daarnaast is het van belang om in te zetten op minder watergebruik door industrie en consumenten.  Verdergaande inspanning is nodig om de waterkwaliteit in de watersystemen te verbeteren. Met het Rijk, waterschappen en stakeholders maakt de provincie nadere afspraken over het terugdringen van schadelijke stoffen en andere extra te nemen maatregelen om de doelen te realiseren. Voldoen aan de doelen voor waterkwaliteit in de Kaderrichtlijn Water is ook belangrijk voor het tegengaan van blauwalg in zwemwater.

Natuurherstel
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en menselijke activiteiten kunnen een negatieve impact hebben op de in Zuid-Holland aanwezige natuur en biodiversiteit. In een tijd waarin de biodiversiteit in Zuid-Holland fors is afgenomen, ook als het gaat om de aanwezigheid van gangbare soorten, is dat niet wenselijk. De juridische en economische druk om rekening te houden met aanwezige natuur en biodiversiteit neemt bovendien toe. De provincie zet overal in op basiskwaliteit natuur. Basiskwaliteit natuur gaat over de minimale kwaliteitseisen voor de in dat landschap of stedelijk gebied algemeen voorkomende soorten. Zuid-Holland zet natuurinclusief werken daarom in als één van de leidende principes bij het ontwikkelen van ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in Zuid-Holland is in 2027 afgerond. Voor het behalen van de KRW-doelen en de Natura 2000-doelen wil Zuid-Holland aspecten die de natuur negatief beïnvloeden (zogenaamde 'drukfactoren’) aanpakken, onder andere door bronmaatregelen gericht op verlaging van stikstofoxiden, ammoniak en nitraat. Ook wil Zuid-Holland het oppervlak (agrarische) natuur met eventueel dubbelgebruik voor landbouwproductie en natuurdoelen uitbreiden, zoals boerenlandvogels. Bovendien wil Zuid-Holland 10% groenblauwe dooradering realiseren en rondom Natura 2000-gebieden maatregelen nemen om drukfactoren op deze natuurgebieden te verminderen, met waar nuttig en noodzakelijk overgangszones.

De provincie wil ook meer bos en bomen realiseren, onder andere in bestaande natuur- en recreatiegebieden.

Omdat het niet gelukt is om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en om te zorgen voor veerkracht tegen klimaatverandering is een andere aanpak nodig. Vanuit de Europese natuurherstelverordening moet september 2026 een nationaal herstelplan (natuurplan) zijn ingediend.

Toereikende infrastructuur voor mobiliteit, energie, drinkwater en afvalwater
Robuuste, houdbare en optimaal functionerende netwerken voor mobiliteit (personen- en goederenvervoer), nutsvoorzieningen zoals energie en drinkwater en de logistiek van grondstoffen en materialen zijn noodzakelijke randvoorwaarden voor het gezond en veilig kunnen wonen, werken en recreëren in Zuid-Holland. De netwerken zijn daarbovenop sterk bepalend voor een toekomstbestendige en dus circulaire, digitale, klimaatneutrale en inclusieve economie. Zuid-Holland is in een groot deel van deze netwerken bovendien een belangrijk logistiek knooppunt voor Nederland en Europa en wil dat blijven. En die rol wordt in een Europa dat inzet op strategische autonomie op het wereldtoneel, alleen maar belangrijker. Dit vraagt om een bewuste sturing en het gericht inzetten van instrumentarium.

Omdat de huidige capaciteit en robuustheid van onze netwerken niet toereikend is om alle huidige en toekomstige opgaven te faciliteren, zijn naast stevige investeringen keuzes onvermijdelijk. Het meewegen van het beschikbare energienetwerk, de capaciteit en de daardoor aanwezige elektriciteit hiervan worden een belangrijk onderdeel in toekomstige ruimtelijke ontwikkeling. Het toekomstperspectief van sommige economische sectoren op de lange termijn wordt bepaald door systeemkeuzes die nationaal en in de provincie Zuid-Holland gemaakt worden. Met name zeer energie-intensieve sectoren hebben een transitieopgave. Waterintensieve bedrijvigheid en zoetwaterafhankelijke teelten anticiperen op veranderende beschikbaarheid van (zoet)water. Waterbeschikbaarheid wordt expliciet meegewogen in de ruimtelijke inrichting/ bij de toekenning van ruimtelijke functies. Stedelijke groei vraagt forse uitbreiding van onze drinkwater- en afvalwatersystemen. Een kwalitatieve toekomstbestendige groei met zo minimaal mogelijk gebruik van energie, ruimte en grondstoffen en met een zo groot mogelijke bijdrage aan maatschappelijke toegevoegde waarde staat centraal.

De wegen blijven zwaar belast en de fietspaden worden steeds drukker. Het onderhoud van wegen en bruggen gaat de komende jaren voor hinder en extra kosten zorgen en er zijn uitdagingen waar het gaat om stikstofuitstoot en luchtvervuiling. Dat vraagt om slimmere, veiligere en duurzamere mobiliteit, waarbij rekening gehouden moet worden met toenemende vraag naar mobiliteit. De provincie streeft daarmee naar een toekomstbestendige leefomgeving. De provincie gaat woningbouw en bereikbaarheid in samenhang ontwikkelen en zet in op lopen, fietsen, openbaar vervoer, deelmobiliteit én de personenauto. Voor goederen stimuleren we vervoer over water en spoor als alternatief voor vrachtverkeer over de weg, waarbij voor gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk de Havenspoorlijn en de Betuweroute gebruikt worden.

Een duurzaam en robuust energiesysteem
In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) zijn zoekgebieden benoemd voor zonne- en windenergie, waarop we onze ambitie voor duurzame opwek willen realiseren. De provincie heeft de ambitie voor zoveel mogelijk zon op dak bij zowel woningen, bedrijfsvestigingen en andere gebouwen. Daarnaast werkt zij aan windenergielocaties volgens de doelstelling in de RES’en.

In de provinciale aanpak voor de energietransitie is de energie-infrastructuur de slagader van het toekomstige duurzame energiesysteem. Via onder meer het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) wordt ingezet op versnelling, ontwikkeling en ruimtelijke inpassing van elektriciteits- en warmtenetten, en op infrastructuur voor duurzame gassen. Tot 2030 wordt energie-infrastructuur verzwaring en uitbreiding voorzien, waar ruimte voor nodig is en die ruimtelijk ingepast moet worden. Binnen het ‘Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland’ (energievisie) ontwikkelt de provincie een toekomstbeeld voor het energiesysteem van Zuid-Holland op de (middel)lange termijn (tot 2050) in relatie tot maatschappelijke opgaven en ambities, waarin op basis van prognoses van energievraag- en aanbod de benodigde energie-infrastructuur in kaart wordt gebracht inclusief een inschatting van de benodigde ruimte hiervoor. De provincie beoogt robuustheid en dus diversiteit aan energiedragers met meer decentrale opwek, opslag en distributie (en besparing) van elektriciteit en warmte. Samen met de netbeheerders en in afstemming met gemeenten stelt zij een tweejaarlijkse actualisatie van het pMIEK op, waarin de energie-infraprojecten in de regio worden geprioriteerd.

Een volhoudbaar land- en tuinbouwsysteem
Om ruimte te bieden aan voedselproductie en de noodzakelijke extensivering van de landbouw, wil de provincie de ruimte voor landbouw beter beschermen tegen bebouwing. Land- en tuinbouw en natuur worden beter in balans gebracht, door onder andere schadelijke uitstoot naar bodem, lucht en water terug te dringen. Zo wil de provincie komen tot een toekomstbestendige landbouw, die duurzaam economisch rendabel is binnen de planetaire grenzen. Voor die toekomstbestendigheid anticiperen land- en tuinbouw ook op toenemende weersextremen en veranderende beschikbaarheid van zoetwater.

De greenport is meer dan een economisch cluster: het is één van de identiteitsdragers van de regio, broedplaats voor innovatie en draagt al decennialang bij aan grote maatschappelijke vraagstukken zoals voedselzekerheid, werkgelegenheid en de energietransitie. Daarnaast is het een voorbeeld waar er de afgelopen decennia steeds meer is geïntensiveerd op dezelfde vierkante kilometers.

Om zowel de innovatie- als agglomeratiekracht van de sector te behouden maar ook aan de wettelijke verplichtingen op het gebied van onder andere water (Kaderrichtlijn Water) te voldoen en hiermee bij te dragen aan gezondheid van mens en natuur, wil de provincie een betere balans tussen de glas- en tuinbouw en de natuur. De glas- en tuinbouw dient in 2040 zowel klimaatneutraal als economisch rendabel is en zijn (inter)nationale koploperspositie te behouden. Dit provincie werkt hieraan door perspectief op o.a. het gebied van de versnelde energietransitie te bieden en de juiste ruimtelijk-economische randvoorwaarden voor het goed functioneren van de greenport keten in de bredere omgeving te faciliteren. Er wordt efficiënter omgegaan met de ruimte die er is, door bijvoorbeeld greenportgerelateerde functies te combineren of meerlaags te telen en te verpakken.

Toekomstbestendige woningbouw
Een woning is belangrijk, maar een huis is nog geen thuis. Betaalbaarheid en passendheid van woningen is belangrijk. Daarnaast is ook brede welvaart, waaronder voorzieningen, gezondheid en klimaatbestendigheid van belang. Het gaat hier over de integrale (woning)bouwopgave.

Zuid-Holland realiseert het in de Woondeals in 2023 afgesproken aantal woningen van 247.896 woningen als door het Rijk invulling wordt gegeven aan de gestelde randvoorwaarden. Deze nieuwe woningen zullen zoveel mogelijk worden gebouwd binnen het bestaande bebouwde gebied. In de provinciale integrale verstedelijkingsstrategie zijn verdichting en functiemenging, in combinatie met goede bereikbaarheid en meer aandacht voor gezonde en klimaatadaptieve verstedelijking, al centrale elementen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen vinden zoveel mogelijk plaats in bestaande steden en dorpen. Voor nieuwe aanvragen voor woonlocaties groter dan 3 hectare kijken we dan ook eerst wat binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. Verzoeken voor uitleg van nieuwe buitenstedelijke locaties worden integraal afgewogen tussen ruimte voor stedelijke ontwikkelingen en ruimte voor andere opgaven zoals landbouw, natuur, recreatie, energie, water, klimaat en groen, het landschappelijk belang en de gewenste leefomgevingskwaliteit. Bij locaties is de bereikbaarheid van belang en moet rekening worden gehouden met toenemende mobiliteit.

Woningbouw wordt gebruikt als katalysator voor maatschappelijke opgaven zoals klimaatbestendigheid, gezondheid en veiligheid van de bestaande steden en dorpen. Hiermee wordt rekening gehouden bij het toevoegen van woningen in de voorraad die passen bij de woningzoekenden, ook op langere termijn.

Groeikernen en naoorlogse wijken hebben een opgave als het gaat om de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Deze gebieden hebben ook gemiddeld een zwakker sociaaleconomisch profiel. Sociale en ruimtelijke opgaven stapelen zich hier op. In deze gebieden liggen grote kansen om te intensiveren en zo de kwaliteit te verbeteren. Dat geldt voor wonen, werken, recreatie en voorzieningen.

De bestaande woningvoorraad moet worden aangepast met het oog op betaalbaarheid, vergrijzing, en met meer aandacht voor bereikbaarheid en beweegvriendelijkheid, flora en fauna, klimaatbestendigheid (zoals hittestress) en de transitie naar klimaatneutraliteit bij alle sectoren. Het gaat niet alleen om voldoende woningen maar ook om de juiste woningen in het licht van de demografische ontwikkeling en rijksopgaven.

Toekomstbestendige bedrijvigheid
Een van de opgaven is om ruimte op werklocaties beter te benutten, zodat de uitleg van werklocaties tot de afgesproken 900 ha kan worden beperkt en zo optimaal mogelijk gebruik te maken van de ruimte. De al vastgestelde 3 ha-locaties voor werklocaties zijn in principe de maximaal beschikbare hectaren voor nieuwe uitleg en bieden dus ruimte voor de transitieopgaven. Het is van belang dat de ruimte voor bedrijvigheid beschermd wordt. Waar mogelijk past de provincie meervoudig ruimtegebruik en functiemenging toe. Daarbij moet rekening worden gehouden met mogelijk toenemende mobiliteit. Waar sprake is van een lage milieucategorie, kunnen bedrijven worden gemengd met woningbouw en waar mogelijk natuur en recreatie. De (nieuwe) ruimtevraag voor werklocaties richt zich op dit moment op bedrijventerreinen: van gemengd stedelijk, tot bedrijven met een hoge milieucategorie (HMC) en watergebonden terreinen.

Gezien de waarschijnlijk grote vraag naar (tijdelijke) ruimte vanuit de transitieopgaven circulair en energie is aandacht nodig voor strategische transitieruimte binnen deze functie. De provincie ziet de noodzaak en de kans om de logistieke kennis, onze netwerken en onze clusters te richten op een circulair Zuid-Holland. Winst in ruimte, netwerkcapaciteit of minder gebruik van grondstoffen worden prioritair benut voor een toekomstbestendig Zuid-Holland en niet voor meer van hetzelfde, met meer gebruik van grondstoffen.

Zuid-Holland bundelt grootschalige logistiek in het Haven Industrieel Complex, de tuinbouwgebieden (greenports) en langs de Oost en Zuid-corridors. Voor de nationale en internationale goederenlogistiek zet de provincie verder in op bestaande samenwerking in corridorverband. Het Rotterdamse havengebied kent een grote opgave wat betreft de energietransitie en de circulaire transitie, met oog voor balans met andere opgaven zoals een veilige en gezonde leefomgeving en wonen. De begrenzing van de capaciteit die de netwerken kunnen leveren, maken dat voor het toekomstperspectief van sommige sectoren extra inzet nodig is om de transitie te laten slagen. Dit geldt bijvoorbeeld voor zeer energie-intensieve (denk aan de chemische industrie) en waterintensieve bedrijvigheid (zoals industrie, chemie en voedingsmiddelenindustrie) en voor zoetwaterafhankelijke teelten. Innovatie kan hierbij kansen bieden.

Een gezonde en veilige leefomgeving
De fysieke leefomgeving gaat over groen in en om de stad, milieuaspecten zoals luchtkwaliteit, gezondheid, (maatschappelijke) voorzieningen, algemene natuur en het toekomstbestendig inrichten van bedrijventerreinen. De provincie voelt zich verantwoordelijk voor en geeft meer prioriteit aan gezondheid, kwaliteit en veiligheid in de bestaande en toekomstige leefomgeving. De provincie onderzoekt hoe er kan worden gestuurd op brede welvaart, inclusief welzijn en welbevinden. In gebieden in Zuid-Holland waar dat aan de orde is, doet de provincie dat door met haar ruimtelijke keuzes actief bij te dragen aan het meer in evenwicht brengen van die balans. De provincie wil een schone, veilige en gezonde leefomgeving voor haar inwoners en onderzoekt hoe gestuurd kan worden op brede welvaart.

Van oudsher heeft de provincie een rol heeft bij het beschermen van gezondheid in de fysieke leefomgeving, zoals bij de milieutaken en in het veiligheidsbeleid. Er is onder meer een schone luchtakkoord afgesloten en er wordt gewerkt aan geluidproductieplafonds voor provinciale wegen. Deze gezondheidsbeschermende kant is in het reguliere provinciale beleid en de organisatie op basis van wettelijke normen voldoende geborgd, maar leidt nog steeds tot gezondheidsschade. Daarnaast zijn er voor de provincie ook volop kansen voor het bevorderen van gezondheid, bijvoorbeeld in relatie tot voedsel, natuurbeleid en de inrichting van de leefomgeving. Dit hangt nauw samen met brede welvaart.

De mogelijkheden voor de provincie om de luchtkwaliteit vanuit haar eigen verantwoordelijkheden verder te verbeteren zijn vrijwel uitgeput. De meeste winst valt te behalen in maatregelen op landelijk en internationaal niveau. De overheid probeert de geluidshinder te beperken met onder andere actieplannen geluid voor het wegverkeer, toezicht op bedrijven en andere maatregelen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geluidshinder bijvoorbeeld door de inrichting van een gebied zo te kiezen dat geluidshinder wordt voorkomen. Ook kunnen de kosten van te bouwen woningen toenemen vanwege geluidsisolerende maatregelen. Met name in gebieden waar veel functies bij elkaar komen is het een grote uitdaging om verantwoord om te gaan met geluidshinder. Daarbij is niet alleen sprake van een teveel aan geluid op basis van wettelijke normen, maar is ook sprake van ervaren geluidhinder, die leidt tot maatschappelijke weerstand. De provincie bevordert zowel het clusteren en verantwoord combineren van risicovolle activiteiten met bestaande en nieuwe bebouwing, als het gebruik van veiligheid als ontwerpprincipe. Daarnaast richt de provincie zich op het reduceren van risico's bij bedrijven waarvoor Gedeputeerde Staten vergunningen verleent, toezicht op houdt en waar nodig handhaaft.

 Met de nieuwbouwopgave wordt ook ingezet om werkplekken, groen, water en voorzieningen mee te laten groeien, ook in relatie tot de intensivering van de steden. De provincie wil een gezonde en veilige inrichting van de leefomgeving door beweging en sport mogelijk te maken, binnen steden en dorpen maar ook via recreatieroutes daarbuiten. Aangezien niet alleen in natuurgebieden, maar ook in stedelijke en landbouwgebieden de algemene soorten afnemen, is de opgave om dit tij te keren.

Beleefbaar erfgoed
De provincie ziet zorgvuldig omgaan met cultuurhistorisch erfgoed als een belangrijk element bij het werken aan een toekomstbestendige leefomgeving. Erfgoed vormt een integraal onderdeel van de planvorming en uitvoering van nationale en provinciale opgaven. De geschiedenis van Zuid-Holland ligt besloten in het landschap en haar steden. Het geeft een gebied eigen identiteit. Ook met de grote opgaven waar we in Zuid-Holland voor staan, wil de provincie ontwikkelen met kwaliteit door het versterken van cultuurhistorische kenmerken en identiteit en benutten als inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen.

Recreatie, toerisme en sport in balans met de leefomgeving
Zuid-Holland heeft aantrekkelijke landschappen, mooie routes en toeristische attracties. Van boerenlandpaden en recreatieve fietsroutes, het strand, de kust en duinen, ommetjes in de buurt en zwemlocaties tot en met toeristische topattracties zoals Kinderdijk en de oud-Hollandse binnensteden. De opgave is om bij een groter wordende bevolking, meer vrije tijd en de groter wordende groep bezoekers van buiten Zuid-Holland het recreatief gebruik en toerisme in balans te houden met de omgeving. Veel landschap, met name aan stadsranden, bedrijventerreinen en overgangen is nog weinig beleefbaar, de opgave is om hier meer recreatie mogelijk te maken. Daar zouden met een nieuwe impuls toevoegingen gedaan kunnen worden. De financiële opgave ligt vooral in de uitdaging voor beheer en onderhoud.

6. Ambities van Zuid-Holland

Ambitie 1. Samenwerken aan Zuid-Holland

Een slagvaardig bestuur

De provincie vervult diverse rollen en taken als bestuurslaag midden tussen Europa, Rijk en gemeenten. De provincie is de bestuurslaag bij uitstek om bovenregionale vraagstukken op te pakken. Bijvoorbeeld op het gebied van milieu, recreatie en vervoer en voor alles wat de verbinding brengt tussen dorp en stad. De provincie is ook bij uitstek in staat om afstemming en verbinding tussen gemeenten te stimuleren. De provincie heeft vanuit haar bovenregionale rol overzicht op maatschappelijke vraagstukken en de onderlinge verbanden, trends en best practices.

De opgaven waar het openbaar bestuur voor gesteld staat, werden de afgelopen jaren onmiskenbaar complexer. Vooral de transitieopgaven (bijv. energietransitie, landbouw en klimaatadaptatie) vragen om meer integraliteit en samenwerking tussen overheden en met de samenleving. Men vraagt naar oplossingen, terwijl tegelijkertijd het probleem zich nog ontvouwt. Achteraf kan de provincie pas vaststellen wat werkte en wat niet. Met de verspreiding van taken (decentralisaties sociaal domein en Omgevingswet) gingen opgaven en bevoegdheden bovendien naar het lokale niveau. De (financiële) verantwoordelijkheid van gemeenten nam hierdoor fors toe. Dit vraagt ook op lokaal niveau om meer kennis, expertise, betrokkenheid van de samenleving en een stevige financiële huishouding. Om zo een bijdrage te kunnen leveren aan de maatschappelijke opgaven. Zonder een goed functionerende democratie en bestuur - en sterke gemeenten die hun taken goed kunnen uitvoeren - gaat het niet lukken om de grote maatschappelijke opgaven aan te pakken.

De provincie investeert in het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur en de democratie. Zuid-Holland streeft ernaar dat het vertrouwen van inwoners in het openbaar bestuur groeit of op zijn minst gelijk blijft. Een goed openbaar bestuur begint bij de bestuursorganen zelf. Zuid-Holland staat voor effectief eigen bestuur, waarbij effectieve samenwerking op alle niveaus (met collega-overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, inwoners, Provinciale Staten-Gedeputeerde Staten, regionaal, landelijk en Europees) het uitgangspunt is. Het is een kwestie van samen de identiteit van Zuid-Holland vormgeven: veelzijdig, inclusief en vernieuwend. De provincie vindt het belangrijk om sneller tot uitvoering en resultaat te komen. De opgaven zijn vaak complex. Daarom betrekt Zuid-Holland inwoners, organisaties en bedrijfsleven vroegtijdig bij besluitvorming. De provincie stelt zich open en met vertrouwen op voor initiatieven vanuit de samenleving en maakt ruimte voor verschil, experimenten en maatwerk. Participatie verschilt per onderwerp en rol die de provincie heeft. Zuid-Holland is constructief, maar ook duidelijk als iets niet kan. De provincie durft verbonden partijen een spiegel voor te houden, ook als dingen niet goed gaan. De volksvertegenwoordiging blijft het laatste woord houden.

Ambitie 2. Bereikbaar Zuid-Holland

Zuid-Holland streeft naar een vitale provincie, met goed bereikbare steden en dorpscentra waar het fijn wonen, werken, leren en recreëren is. Waar mensen en goederen op een makkelijke, veilige en duurzame manier hun bestemming kunnen bereiken. De provincie richt zich op de toekomst. Dat betekent dat zij gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving nadrukkelijk meeweegt in haar beleid.

Zuid-Holland beschikt over uitstekende infrastructuur voor personen- en goederenvervoer, waaronder de grootste haven van Europa. De provincie beheert honderden kilometers wegen, vaarwegen en fietspaden met bijna 500 bruggen, viaducten, tunnels en sluizen. Om deze infrastructuur in goede staat te houden voeren we onderhoud en renovatie uit. De provincie verzorgt het bedienen van bruggen en sluizen, toezicht en handhaving op de weg en het water- en incidentmanagement. Daarbij stuurt ze op vlotte doorstroming en op zo min mogelijk hinder door calamiteiten en onderhoud.

De provincie zorgt ook voor een goed aanbod van regionaal openbaar vervoer. De provincie is opdrachtgever voor vijf ov-concessies en contracten van bus, trein en waterbus. Samen met andere overheden zorgt de provincie zo voor aantrekkelijk openbaar vervoer dat snel, frequent, betrouwbaar en betaalbaar is, dat goed op elkaar aansluit en waar ook ander (deel)vervoer onderdeel van uitmaakt.

Er zijn ook grote uitdagingen: in Zuid-Holland worden de komende jaren veel woningen bijgebouwd. Bevolkingsgroei en groeiende economie zorgen voor toenemende drukte. Dit geldt zowel voor personen- als goederenvervoer. Wegen en fietspaden worden steeds drukker en het openbaar vervoer komt verder onder druk, dat vraagt om extra infrastructuur en dat zal beslag leggen op de schaarse ruimte. Het onderhoud van wegen en bruggen gaat de komende jaren voor hinder en extra kosten zorgen, terwijl klimaatverandering en stikstofuitstoot vragen om duurzamere mobiliteit. Tegelijk ontbreken het geld en de ruimte om veel nieuwe wegen, ov-verbindingen en fietspaden aan te leggen. Deze schaarste dwingt om heldere keuzes te maken en om de bestaande verbindingen nog beter te benutten.

Dat vraagt om slimmere, veiligere en duurzamere mobiliteit, waarbij woningbouw en bereikbaarheid in samenhang worden ontwikkeld. De provincie zet in op voorzieningen dichtbij, lopen, fietsen, openbaar vervoer, deelmobiliteit én de personenauto. Het optimaal benutten van alle vervoerswijzen zorgt voor ruimte op de weg en beperkt files. De provincie stimuleert ook vervoer over spoor en het water als alternatief voor vrachtverkeer over de weg. Zij zorgt er bij woningbouw voor dat de nieuwe bewoners vanaf het begin voldoende opties voor vervoer hebben.

Het reisgedrag van mensen veranderen is niet eenvoudig. Samen met 'Zuid-Holland Bereikbaar' doen we daar ons uiterste best voor, maar uiteindelijk kiest iedereen zelf hoe ze reizen. Daarom blijft het belangrijk dat ook de auto een goede en vlotte optie is. Met de toenemende druk op het Zuid-Hollandse wegennet moeten we knelpunten blijven aanpakken en, waar nodig, aanvullende infrastructuur realiseren. Dat vraagt ook om slimme keuzes en nieuwe toepassingen, want zonder goede bereikbaarheid geen grootschalige woningbouw en geen gezonde groei.

Door de veranderingen op het gebied van mobiliteit, wonen, energie en werken dienen zich kansen aan voor veilige, gezonde, slimme en duurzame mobiliteit die de provincie samen met andere overheden en maatschappelijke partners graag benut. 

Ambitie 3. Schone energie voor iedereen

De provincie wil af van fossiele energiebronnen en energie onafhankelijker worden. Klimaatscenario’s lijken steeds negatiever uit te vallen dan eerder is voorspeld. Broeikasgassen dragen in grote mate bij aan de stijging van de temperatuur op aarde. Daarom is afgesproken de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verminderen in Zuid-Holland, aansluitend op internationale doelen van het klimaatakkoord van Parijs en op Europees niveau via de Green Deal. Landelijk sluit de provincie aan op het Klimaatakkoord en de Klimaatwet. De energietransitie richt de provincie op het stimuleren van energiebesparing, investeren in de opwekking van duurzame elektriciteit, (collectief) gebruik maken van warmtebronnen, vormen van opslag en onderzoek naar de potentie van kleine modulaire kernreactoren.

Zuid-Holland is één van de meest energie intensieve regio’s van Europa en ook de meest dichtbevolkte regio van Nederland. Dat komt door de unieke industriële en stedelijke structuur, met de haven, glastuinbouw, petrochemie en logistiek. Dit maakt Zuid-Holland extra afhankelijk van de beschikbaarheid van brand- en grondstoffen.  Daarmee is de transitie van fossiele brand- en grondstoffen naar duurzame bronnen een grote opgave voor de industrie, glastuinbouw en gebouwde omgeving.

Dit brengt ook nieuwe kansen met zich mee. Zo beschikt onze regio over een groot aanbod van restwarmte die gebruikt kan worden in steden en de glastuinbouw. Verder heeft Zuid-Holland veel potentie voor warmte uit de bodem: geothermie. De provincie werkt toe naar een duurzame en circulaire economie waarin de focus ligt op besparen en het vervangen van fossiele bronnen door hernieuwbare bronnen, die efficiënt worden benut. Het benutten van duurzame energiebronnen en hernieuwbare opwek brengt nieuwe verdienmodellen, nieuwe exportproducten en nieuwe banen met zich mee. De provincie vindt het belangrijk dat de energietransitie in Zuid-Holland van en voor iedereen is. Het streven daarbij is eerlijk, haalbaar en betaalbaar.

Ambitie 4. Een welvarend Zuid-Holland

De provincie Zuid-Holland heeft een rijke en unieke geschiedenis. Op de wereld zijn er weinig plekken waar je in een kwartiertje fietsen 20 eeuwen geschiedenis tegenkomt. Resten van Romeinse forten, een eeuwenoud polderlandschap, trekvaarten, kunstig aangelegde landgoederen, boerderijen, molens, historische steden, vestingen, bunkers, pakhuizen en kerken. De weerslag van eeuwen van menselijke bedrijvigheid. Zuid-Holland is al eeuwenlang een centrum van handel, kennis en wetenschap. Een van de meest concurrerende en innovatieve regio’s van Europa. Een kracht die onze provincie ontleent aan de diversiteit van de economie, het aanwezige potentieel van talentvolle mensen en het unieke deltalandschap.

De Zuid-Hollandse economie wordt gekenmerkt door een unieke structuur. Het herbergt het grootste haven-industriële complex van Europa, met een sterk proces- en petrochemisch, logistiek en maritiem cluster. In de directe nabijheid van dit complex bevindt zich het grootste glastuinbouwcluster van de wereld en vruchtbare landbouwgronden: belangrijke spelers in de wereldwijde voedselketen. Verder kent onze provincie een meerkernig stedelijk netwerk met talrijke kennis-, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, die tot de top in hun vakgebied behoren. Rond deze instellingen ontstonden kennisintensieve clusters zoals de bio-lifescience, ruimtevaart, duurzame energie en quantumtechnologie.

Het behouden van deze toppositie en ons welvaartsniveau vereist dat de Zuid-Hollandse economie zich blijft vernieuwen en zich aanpast aan een veranderende omgeving. Verschillen in rijkdom en gezondheid tussen mensen, regio’s en wijken nemen toe. Ook in onze provincie. Ondertussen verandert de economie van structuur door de digitalisering van onze werk- en leefomgeving. Daarnaast staat de ruimte voor met name zwaardere bedrijfsactiviteiten onder druk. Een dynamiek die erom vraagt om ons leven, wonen en werken opnieuw in te richten.

De provincie wil een economie die een bijdrage levert aan de brede welvaart voor alle Zuid-Hollanders.

Ondernemerschap is belangrijk voor de economie. Ondernemers creëren de banen en bieden werkgelegenheid aan inwoners. Dit geldt zowel voor groot- midden- en kleinbedrijf. De provincie wil een economie die groeit in termen van kwaliteit en niet alleen in volume. Om dat te bereiken kiest de provincie voor een economie die:

  • Duurzaam is; die uiteindelijk niks uitstoot en gebaseerd is op een circulair energie- en grondstoffensysteem (onder andere voor stroom, warmte, CO2 en waterstof).

  • Innovatief is; met een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat dat ruimte biedt aan ondernemerschap.

  • Inclusief is; met gelijke kansen voor iedereen, waarin iedereen  en elke regio meetelt, meedoet en op een prettige en gezonde manier kan leven.

De ontwikkeling naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie kan alleen als er sprake is van een goed vestigingsklimaat, met voldoende, passende en goed benutte ruimte voor bedrijvigheid. Een toekomstbeeld met grote gevolgen voor de energie- en kennisintensieve Zuid-Hollandse economie. En onze provincie heeft alles in huis om deze slag te slaan: talent, creativiteit, ondernemerskracht. In een tijd die grote kansen biedt voor mensen die op zoek zijn naar een baan of opleiding.

Ook het actief of passief aan cultuur meedoen, draagt in belangrijke mate bij aan het welbevinden en stimuleert de creativiteit die de provincie zo hard nodig heeft voor een innovatieve economie. In Zuid-Holland is de deelname aan culturele voorzieningen relatief laag. De provincie wil de deelname aan cultuurvoorzieningen door kinderen en jongeren in Zuid-Holland stimuleren.

Daarnaast werkt de provincie samen met vele vrijwilligers, medeoverheden, maatschappelijk middenveld en ondernemers aan het behoud en beleefbaar maken van het provinciaal erfgoed en archeologie. Zo bewaart de provincie de identiteit van dorpen en streken, en wordt Zuid-Holland steeds aantrekkelijker.

Ambitie 5. Naar vitale balans water, natuur en landbouw

Zuid-Holland ambieert een gevarieerde, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; in de stad en in het landelijk gebied. Daarom zorgen we voor de instandhouding van de unieke landschappen als veenweiden, de kust en de duinen en het delta- en getijdengebied, en het behouden van de unieke en aantrekkelijke steden.

De provincie helpt plekken te creëren waar wonen, werken, ondernemen en recreëren in balans zijn met water, bodem en natuur. Brede welvaart voor iedereen is de basis, binnen de beschikbare ruimte in de provincie, effectieve werking van het water- en bodemsysteem én binnen de volhoudbare grenzen van het ecosysteem. En dit laatste vraagt de aandacht, want een nieuwe balans in het systeem is essentieel. De uitdaging is om economische ontwikkeling, maatschappelijke opgaven en de zorg voor het landschap hand in hand te laten gaan. Dat betekent dat de provincie investeert in de beschikbaarheid van voldoende en schoon water en in de biodiversiteit, zowel in stedelijke als landelijke gebieden. Want een gezonde natuur zorgt bijvoorbeeld voor vruchtbare bodems, schone lucht en ruimte om te recreëren. Hierbij houdt de provincie rekening met de gevolgen van klimaatverandering, zeespiegelstijging en weersextremen zoals droogte, hitte, storm of piekbuien.

Samenhangende aanpak nodig 

Water, bodem, klimaat, natuur, landbouw en stikstof zijn als thema’s onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar zijn ook verbonden met opgaven op het gebied van bijvoorbeeld woningbouw, infrastructuur en economische ontwikkeling. Deze opgaven hebben alleen kans van slagen wanneer ze zoveel mogelijk in samenhang met elkaar worden opgelost. Dit helpt ook om ruimte te maken voor investeringen in nieuwe bedrijvigheid en woningbouw. Stikstofreductie en het wegnemen van diverse drukfactoren - die de kwaliteitsverbetering van natuur, water en klimaat belemmeren zowel in het landelijk gebied als in de stad- zijn daarbij cruciale randvoorwaarden. De provincie zoekt naar slimme samenwerkingsverbanden met economische sectoren als verkeer, luchtvaart, industrie en in het bijzonder landbouw als onderdeel van de identiteit van Zuid-Holland en beheerder van grote delen van haar cultuurlandschap.

Landelijk gebied

In het landelijk gebied komt de samenhangende aanpak op de doelen tot uiting in het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. Hierin werkt de provincie gebiedsgericht aan een vitale leefomgeving, samen met partners zoals gemeenten, waterschappen, landbouworganisaties, natuurbeheerders en ondernemers. De provincie bouwt aan perspectief voor de toekomst en voert concrete projecten uit die bijdragen aan de kwaliteit van de natuur, de bodem en het watersysteem. De landbouw draagt hier in belangrijke mate aan bij. Agrariërs produceren voedsel en grondstoffen, beheren het landschap en de boerennatuur en zijn daardoor de ruggengraat van een vitaal platteland. De provincie ziet de grote maatschappelijke waarde van de landbouw in een vitaal platteland: werkgelegenheid, leefbaarheid, sociale cohesie, gezondheid en binding met de voedselproductie. De provincie streeft naar een toekomstbestendige landbouw. Dit is een veerkrachtige landbouw met bedrijven die economisch gedragen, sociaal rechtvaardig ondernemen en leidend zijn op het vlak van efficiency en duurzaamheid. Een landbouw die ook in de toekomst een belangrijke rol speelt in het voedsel- en grondstoffensysteem en in het behoud van karakteristieke landschappen.    

Stedelijk gebied

Ook in het stedelijk gebied gaat het om het creëren van een gezonde leefomgeving, voldoende en schoon (drink-)water, maatregelen tegen hittestress, natuurinclusieve ruimtelijke ontwikkeling en betere aansluiting van groenblauwe structuren tussen het stedelijk en landelijk gebied in relatie tot recreatie, natuurbeleving, welzijn en gezondheid. Zo werkt Zuid-Holland aan een provincie waar haar inwoners ook in de toekomst goed kunnen leven, in een provincie waar natuur en bodem gezond zijn, het water schoon is en inwoners kunnen rekenen op bescherming tegen het water. Zo bereikt de provincie een vitale balans tussen maatschappelijke opgaven en economie voor een krachtig en leefbaar Zuid-Holland. 

Ambitie 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland

De provincie wil dat haar inwoners met plezier wonen, werken en recreëren in een aantrekkelijke, groene en gezonde omgeving. Samen met andere partijen werkt de provincie aan een klimaatadaptieve, gezonde en veilige leefomgeving. De vitaliteit en kwaliteit van de leefomgeving staat echter onder druk door conflicterende ruimteclaims. Dat dwingt de provincie tot keuzes: niet alles kan in Zuid-Holland. Het is niet langer mogelijk om alle opgaven als vanzelfsprekend ruimtelijk te accommoderen.

Zuid-Holland wil voorbereid zijn op de toekomst en staat in de komende decennia voor een groot aantal opgaven. Er is ruimte nodig voor de woningbouwopgave, de transitie naar een circulaire economie en een duurzame land- en tuinbouw, het verduurzamen van de energievoorziening, klimaatadaptatie, natuurherstel, gezondheid en leefbaarheid. De provincie stuurt op de juiste ontwikkeling op de juiste plek en wil daarvoor integrale ruimtelijke keuzes maken die bijdragen aan de vitaliteit van de steden en dorpen en het vergroten van de brede welvaart in gebieden.

De provincie wil dat alle inwoners een passende en betaalbare woning kunnen vinden en zich thuis voelen in hun omgeving en gemeenschap. Daarvoor moeten er voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek zijn. De provincie wil de bouw van passende en betaalbare (sociale huur)woningen versnellen, met waarborg voor kwaliteit en met passende (mobiliteits-)voorzieningen.

De provincie vindt het van belang dat het bebouwd gebied klimaatadaptief wordt ingericht. Daarbij kiest zij primair voor bouwen in bestaand bebouwd gebied en nabij knooppunten van hoogwaardig openbaar vervoer. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maken we een integrale afweging tussen ruimte voor stedelijke ontwikkelingen en ruimte voor andere opgaven zoals landbouw, natuur, recreatie, energie, water, klimaat en groen, het landschappelijk belang en de gewenste leefomgevingskwaliteit.

Ambitie 7. Gezond en veilig Zuid-Holland

De druk op de gezondheid van de bevolking is groot. De gezondheidsverschillen tussen groepen inwoners groeien. Dit komt onder andere door veel verstedelijking, veel verkeer, en de uitstoot van het Haven Industrieel Complex. De provincie is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dit zorgt ervoor dat zij extra aandacht (moet) hebben voor veiligheid en gezondheid van de leefomgeving.

De provinciale taken die invloed hebben op gezondheid en veiligheid, liggen voor een belangrijk deel op het terrein van de leefomgeving. Zuid-Holland besteedt aandacht aan gezondheid binnen alle beleidssectoren. Dit vraagt om een vernieuwende en samenhangende beleidsaanpak, en om extra inzet binnen bestaande provinciale taken.

De provincie wil graag haar inwoners een gezonde en veilige leefomgeving bieden. Dit betekent het veilig kunnen gebruiken van de leefomgeving en een leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag. De provincie beschermt inwoners tegen negatieve invloeden en verminderen deze waar mogelijk, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluidsoverlast, nestgeluid, en hittestress. Hierdoor wordt de kans dat mensen ziek worden door hun omgeving kleiner en is het risico op ongelukken met gevaarlijke stoffen zo laag mogelijk.

Bedrijven in Zuid-Holland behoren tot de meest vernieuwende ter wereld. Ze zijn belangrijk voor de werkgelegenheid, maar moeten ook veilig zijn, met zo min mogelijk uitstoot van gevaarlijke stoffen.  De provincie zorgt in haar rol als toezichthouder dat complexe bedrijven zich aan de regels houden. Daarbij wil Zuid-Holland dat bedrijven hun vernieuwingskracht inzetten voor de gezondheid en veiligheid van de inwoners.

Daarnaast moeten mensen de mogelijkheid hebben om te kunnen recreëren in de natuur en in de openbare ruimte in het algemeen. Een groot aantal factoren bepaalt of een leefomgeving gezond, schoon en veilig is: de milieukwaliteit, veiligheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van natuur, water en landschap, en waterkwaliteit. Maar ook deelname aan sport en recreatie, keuzes bij vervoer en economische activiteiten, gezond voedsel, en de inrichting van de openbare ruimte.

De provincie verwacht meer extreem weer en hogere temperaturen. Dit brengt de gezondheid en veiligheid van bewoners in gevaar. De provincie wil zich beter voorbereiden op zaken als hittestress, of wateroverlast na hevige stortbuien. De provincie wil weerbaar zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. Op de lange termijn wil de provincie niet dat extra kosten die door klimaatverandering worden veroorzaakt, doorschuiven naar toekomstige generaties.

Ook recreatie, sport en bewegen leveren een belangrijke bijdrage aan de gezondheid en welzijn van de bewoners en bezoekers. De provincie moedigt de ontwikkeling aan van een beweegvriendelijke omgeving. Met hierbij een aantrekkelijk recreatief aanbod voor ontspanning, onderwijs en ontmoeting met onder andere sterke, toekomstbestendige recreatienetwerken (waaronder voor fiets, varen en paardrijden). Maar ook voldoende toegankelijk groen en water. Daarmee wil de provincie mensen aanmoedigen meer te bewegen, sporten of juist lekker te ontspannen. Het is belangrijk dat toerisme en recreatie in balans zijn en blijven met het toeristisch-recreatief aanbod. En dat dit aanbod duurzaam is en past bij het karakter van het gebied en het gebied niet te veel belast. Dit zodat recreatie en toerisme een zo groot mogelijk voordeel opleveren voor haar inwoners en omgeving.

7. Beleidsdoelen en beleidskeuzes

Beleidsdoel 1.1 Krachtig openbaar bestuur

1.1 Krachtig openbaar bestuur

De provincie Zuid-Holland wil de kwaliteit van het openbaar bestuur bevorderen met als doel een krachtig decentraal bestuur. Een krachtig decentraal bestuur is effectief en presterend, responsief en verbonden, robuust en integer, lerend en innoverend. Sterke decentrale overheden zijn essentieel voor het uitvoeren van wettelijke taken en het bereiken van (gezamenlijke) doelen voor de leefomgeving. Daarom werkt de provincie Zuid-Holland samen met andere overheden aan het behoud en de versterking van de kwaliteit van het openbaar bestuur.

 Een goed openbaar bestuur begint ook bij de provincie zelf. Het bestuur en de provinciale organisatie is weerbaar, betrouwbaar, transparant, legitiem en handelt integer. De kwaliteit van beleid en de taakuitvoeringen zijn structureel op orde, het bestuur is weerbaar tegen ondermijning en oneigenlijke druk en er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van digitalisering. Het omgevingsbeleid en participatie worden vormgegeven en uitgevoerd. Zuid-Holland staat voor effectief eigen bestuur, waarbij effectieve samenwerking op alle niveaus (met collega-overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, inwoners, PS-GS, regionaal, landelijk en Europees) wordt gezocht. Provincie Zuid-Holland realiseert ambities op diverse niveaus (van Den Haag tot Brussel) voor een structurele, efficiënte en integrale lobby om haar belangen tijdig en op de juist plek voor het voetlicht te brengen.

Beleidskeuzes van 1.1 Krachtig openbaar bestuur

1.1.1 Sterke decentrale overheden
Wat wil de provincie bereiken?

Sterke decentrale overheden zijn essentieel voor het uitvoeren van wettelijke taken en het bereiken van (gezamenlijke) doelen voor de leefomgeving. Daarom werkt de provincie Zuid-Holland samen met andere overheden aan het behoud en de versterking van de kwaliteit van het openbaar bestuur. De provincie zet daarvoor een mix van maatregelen in: (financieel) toezicht op gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, begeleiden bij schaalvergroting en/ of herindeling, versterken van gemeenten, netwerken en regio’s, faciliteren van onderzoek en kennisdeling.

Aanleiding

De stelselverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het openbaar bestuur is één van de zeven kerntaken van de provincie, vastgelegd in de Provincie- en Gemeentewet, de Wet Gemeenschappelijke Regelingen en de wet Algemene regels herindeling. Andere wettelijke taken die behoren tot deze beleidskeuze zijn het Financieel Toezicht (Gemeentewet), en het Interbestuurlijk Toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht en Archiefinspectie). Ook de ambtsinstructie van de commissaris van de Koning bevat instructies die betrekking hebben op het bevorderen en goed functioneren van het openbaar bestuur in de provincie.    

Motivering Provinciaal Belang

Samen met andere overheden en partners werkt de provincie aan oplossingen voor de complexe opgaven waar de samenleving voor staat. Daarvoor dienen decentrale overheden visie en ambitie te hebben en over voldoende slagkracht te beschikken om die opgaven te formuleren, resultaten te boeken en doelen te bereiken voor inwoners, bedrijven en instellingen. Zij dienen actief te luisteren naar signalen uit de samenleving en de representatieve democratie te versterken, financieel gezond te zijn, weerbaar tegen ondermijning en oneigenlijke druk te zijn en voorspelbaar, transparant, (democratisch) legitiem en integer te handelen.

Nadere uitwerking

Krachtig decentraal bestuur

De provincie draagt bij aan het creëren en in stand van een krachtig decentraal bestuur door te werken aan de interbestuurlijke verhoudingen en door de uitoefening van interbestuurlijk toezicht en financieel toezicht. Het samenwerkingsprogramma 'Programma Beter Bestuur' faciliteert decentrale medeoverheden in samenwerking, weerbaarheid, financiën en kennis en is de basis voor de regio-accounthouders bestuurlijke zaken. Via het financieel toezicht, bevordert de provincie een gezonde financiële huishouding van gemeenten en via het interbestuurlijk toezicht draagt de provincie bij aan een beter openbaar bestuur en een prettige en veilige leefomgeving voor inwoners van Zuid-Holland.

Weerbaar Bestuur en organisatie

De provincie werkt samen met andere overheden aan een weerbaar en integer Zuid-Holland. Zuid-Hollandse gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met de gevolgen van ondermijnende criminaliteit en spelen een rol in het voorkomen en bestrijden ervan. Samen met andere overheden en veiligheidspartners draagt de provincie bij aan die aanpak. De provincie coördineert de besteding van impulsgelden van het ministerie van BZK, die bestemd zijn om de interne weerbaarheid tegen ondermijning en oneigenlijke druk van kleine(re) gemeenten te versterken. In het bijzonder krijgt ondermijning in het buitengebied aandacht gezien de relatie met het omgevingsbeleid.

1.1.2 Daadkrachtig Provinciaal Bestuur
Wat wil de provincie bereiken?

Het bestuur en de provinciale organisatie zijn sterk, betrouwbaar, duidelijk en eerlijk.  De kwaliteit van beleid en de uitvoering van taken zijn altijd goed geregeld. Het bestuur kan zich verzetten tegen criminele invloeden en maakt gebruik van digitale oplossingen. Het omgevingsbeleid en de samenwerking met inwoners worden vormgegeven en uitgevoerd. Zowel internationaal, nationaal en binnen het Interprovinciaal Overleg (IPO) gaat Zuid-Holland strategische samenwerkingen aan. Hiervoor werkt de provincie aan het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van beleid, public affairs en lobby.

Aanleiding

De verbinding en wisselwerking tussen beleidsdoelen en -prestaties van het domein bestuur en het omgevingsbeleid dragen bij aan het versterken van de slagkracht van decentrale overheden. De basis voor die bijdrage, is een daadkrachtig provinciaal bestuur dat betrouwbaar, transparant, weerbaar en integer is. De basis voor het handelen van het provinciale bestuur en de organisatie ligt daarbij in de provincie- en de ambtenarenwet, de omgevingswet, in de WOO (Wet Open Overheid), de wet Bibob (Bevorderen integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) en de ambtsinstructie van de commissaris van de Koning.

Motivering Provinciaal Belang

Samen met andere overheden en partners werkt de provincie aan oplossingen voor de complexe opgaven waar de samenleving voor staat. Het welslagen daarvan draagt bij aan het functioneren en aan het vertrouwen in het openbaar bestuur en de democratie. De maatschappelijke opgaven waar overheden voor staan zijn complexer geworden, terwijl middelen schaarser zijn. Die opgaven stoppen niet bij de provinciegrens en worden ook beïnvloed door (inter)nationale ontwikkelingen. Daarom wil de provincie optrekken met anderen en functioneren als één overheid en daarbij leren van én met andere overheden, aan ons verbonden partijen en andere partners. Waar dat kan en passend is, zal de provincie een voorbeeldfunctie vervullen en via lobbyactiviteiten draagvlak en middelen organiseren om doelen te bereiken. De provincie voert beleidscoördinatie uit op het omgevingsbeleid.

Nadere uitwerking

Programma Omgevingsbeleid
De provincie heeft een actuele en digitale lange termijn agenda Omgevingsbeleid, Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma. Het omgevingsbeleid is modulair vormgegeven, dit betekent continu werken aan actualisatie.

Weerbaar Bestuur en organisatie (Weerbaarheid, Bibob en Integriteit)
De provincie besteedt in eigen huis aandacht aan integriteit in relatie tot ondermijning, intimidatie en andere vormen van oneigenlijke druk. Zuid-Holland bevordert het bewustzijn voor het herkennen van risico’s in kwetsbare processen en functies, stelt beleidsregels op, richt werkprocessen in, en voert daarbij de Wet Bibob uit (Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).

WOO Transparante en responsieve provincie (WOO)
Op basis van de Wet open overheid (Woo) is de provincie verplicht om 11 informatiecategorieën uit eigen beweging openbaar te maken. De passieve openbaarheid (Woo-verzoeken) vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van de wet. 

Digitaal Bestuur
Digitalisering brengt consequenties voor het openbaar bestuur en de democratie met zich mee. De provincie werkt daarom aan een betrouwbare, open en toegankelijke digitale provincie die de impact van technologie, data en algoritmes op de samenleving begrijpt en benut.

Participatie
De Provincie Zuid-Holland wil dat de ideeën, kennis en creativiteit van inwoners van Zuid-Holland goed worden vertegenwoordigd, zowel lokaal als provinciaal. De provincie wil daarom dat de stem van verschillende groepen doorklinkt in beleid dat hen raakt en daarmee zo representatief mogelijk is.

1.1.3 Openbaar bestuur
Wat wil de provincie bereiken?

Provinciale Staten (PS) willen-als hoogste bestuursorgaan in Zuid-Holland- eenvoudig en duidelijk beleid vaststellen. En hun controlerende, volksvertegenwoordigende en kaderstellende rol uitvoeren. Gedeputeerde Staten (GS) zijn het dagelijks bestuur van de provincie. Na de verkiezingen sluiten de politieke partijen die willen samenwerken (een coalitie vormen), een coalitieakkoord. Gedeputeerde Staten voeren het coalitieakkoord uit door beleidsvoorstellen aan Provinciale Staten voor te leggen waarover zij kunnen besluiten.

De Commissaris van de Koning (CdK) is voorzitter van zowel Provinciale Staten als Gedeputeerde Staten. Als voorzitter zorgt de commissaris voor de kwaliteit van de besluitvorming van zowel Provinciale Staten als Gedeputeerde Staten. De commissaris vervult een verbindende rol tussen de beide organen. Hij bewaakt daarbij de samenhang, doorgaan en voortgang van het gevoerde beleid.

Aanleiding

De provincie voert haar, vanuit het Rijk, opgedragen taken uit en maakt daarnaast haar eigen beleid. De inrichting van het provinciebestuur is geregeld in de provinciewet. Het provinciebestuur bestaat uit 55 Provinciale Statenleden en het dagelijks bestuur, het college, bestaande uit Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning (CdK). De leden van Provinciale Staten worden 1 keer in de vier jaar gekozen door de kiesgerechtigde inwoners van de provincie Zuid-Holland. De leden van GS, de gedeputeerden, worden gekozen door PS. 

Motivering Provinciaal Belang

De inrichting van het provinciebestuur is geregeld in de provinciewet. De provinciewet levert de basis voor:

  • enkele specifieke bevoegdheden van de Staten, college van GS en de CdK

  • de Statengriffier en de provinciesecretaris

  • de rekenkamer

  • de accountant

  • de begroting, financiële administratie en jaarrekening

  • het heffen van provinciale belastingen

  • de samenwerking met andere overheden

  • het toezicht door de Rijksoverheid

Nadere uitwerking

Provinciale Staten

Provinciale Staten (PS) streven ernaar om als hoogste bestuursorgaan in Zuid-Holland laagdrempelig en transparant beleid vast te stellen en haar controlerende, volksvertegenwoordigende en kaderstellende rol uit te voeren. Dat doen zij door zelf belangrijke provinciale thema’s te agenderen en het college van Gedeputeerde Staten (GS) op hoofdlijnen aan te sturen bij de ontwikkeling van nieuw beleid. PS controleren verder de uitvoering van het door GS gevoerde beleid. Door geregeld de provincie in te gaan, en op zorgvuldige wijze om te gaan met reacties van inwoners van Zuid-Holland, houden PS een vinger aan de pols bij de ontwikkelingen in de provincie.

PS hebben hun eigen ambtelijke ondersteuning te weten de Statengriffie onder leiding van de Statengriffier. Bij de uitoefening van hun taken worden PS in brede zin ondersteund (inhoudelijk, procedureel en facilitair) door de Statengriffie.

PS maken, in samenwerking met de drie overige Randstadprovincies, gebruik van de wettelijk verplichte (Randstedelijke) Rekenkamer. De Randstedelijke Rekenkamer onderzoekt de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van het beleid van de provincies. De Rekenkamer gaat na of de provincies de afgesproken doelen realiseren, of zij dat doen binnen het afgesproken budget én of zij handelen volgens de regels.

De fracties en groepen hebben eigen ondersteuning in de vorm van fractievertegenwoordigers en financiële fractie- en groepsvergoedingen waaruit fractie- en groepsmedewerkers betaald kunnen worden.

Gedeputeerde Staten

Gedeputeerde Staten (GS) zijn het dagelijks bestuur van de provincie. Na de verkiezingen sluiten de politieke partijen die een coalitie willen vormen, een coalitieakkoord. Gedeputeerde Staten voeren het coalitieakkoord uit door beleidsvoorstellen voor besluitvorming aan Provinciale Staten voor te leggen. GS als collectief en individuele GS leden worden hiervoor in brede zin ondersteund en geadviseerd door o.a. het secretariaat, (bestuurs)adviseurs en woordvoerders.

Beleidsdoel 1.2 Sterke Samenleving

1.2 Sterke Samenleving

De provincie wil inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen ten dienste van bestaand of nieuw beleid. Ze volgt en duidt ontwikkelingen in de samenleving en voorziet de opgaven van haar eigen organisatie van de juiste kennis en handvatten. De organisatie wil effectief gebruik kunnen maken van deze kennis en actief werken aan de eigen strategische kennispositie. De provincie wil een kennisfunctie vervullen, ook voor derden, ten dienste van de opgaven waar Zuid-Holland aan werkt, al dan niet voorzien van een handelingsperspectief. Zo ondersteunt de provincie het beleid van de toekomst en een sterke samenleving.

Beleidskeuzes van 1.2 Sterke Samenleving

1.2.1 Maatschappelijke ontwikkelingen
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen die bestaand of nieuw beleid ondersteunen. Zij werkt daarbij toe naar een bredere, meer samenhangende afweging bij het maken van beleid, gebaseerd op de principes van brede welvaart. Dat betekent: oog hebben voor economische, ecologische én sociale effecten van beleid — voor mensen hier en nu, maar ook elders en in de toekomst.

Zij volgt en duidt daartoe de ontwikkelingen in de samenleving en zorgt ervoor dat haar organisatie over de juiste kennis en handvatten beschikt. De organisatie wil deze kennis goed gebruiken en actief werken aan de eigen strategische kennispositie. De provincie deelt deze informatie ook met andere partijen, om te helpen bij de opgaven waar Zuid-Holland aan werkt. Soms krijgt men daarbij ook advies over wat ze kunnen doen.

Aanleiding

Maatschappelijke ontwikkelingen zijn in toenemende mate verweven, complex en ambigu. Een aanpak met standaardoplossingen en vaste procedures werkt niet meer. Daarom wil de provincie Zuid-Holland beschikken over strategische kennis, met aandacht voor integrale en toekomstgerichte vraagstukken. Zuid-Holland werkt daarbij samen met kennis- en onderwijsinstellingen en andere partners. Waar dat functioneel en opportuun is, zal de provincie deze kennis ook delen met medeoverheden, organisaties, bedrijven en inwoners.

Die verwevenheid in opgaven raakt ook de brede welvaart van inwoners in Zuid-Holland. De gezonde levensverwachting staat onder druk, het vertrouwen in instituties neemt af en jongvolwassenen ervaren minder perspectief en bestaanszekerheid dan eerdere generaties. Tegelijkertijd nemen de verschillen tussen gebieden toe, bijvoorbeeld op het vlak van gezondheid, inkomen en leefomstandigheden. Deze ontwikkelingen onderstrepen de noodzaak van een benadering waarin beleid in samenhang wordt bezien en maatschappelijke effecten expliciet worden meegewogen.

Motivering Provinciaal Belang

Samen met andere overheden en partners werkt de provincie aan oplossingen voor de complexe opgaven waar de samenleving voor staat. De ontwikkelingen van de afgelopen jaren (coronapandemie, internationale conflicten, verschillende vormen van tweedeling in de maatschappij) leiden tot nieuwe vraagstukken waar zowel kansen als bedreigingen uit voortkomen. De strategische kennisfunctie helpt de provinciale organisatie en verwante (kennis)partners om kennis te bundelen, vanuit diverse perspectieven vooruit te kijken, ten dienste van nieuw beleid en handelingsperspectieven die bijdragen aan het bereiken van doelen. Ook Provinciale Staten willen in kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen.

In het verlengde hiervan wil de provincie beleidskeuzes steeds meer baseren op brede welvaartsprincipes, met aandacht voor de economische, ecologische én sociale effecten van provinciaal beleid. Juist die sociale effecten verdienen expliciete aandacht, omdat ze door de decentralisaties minder vanzelfsprekend in beeld zijn, terwijl provinciale besluiten — bijvoorbeeld over ruimte, mobiliteit, economie en leefomgeving — wel degelijk directe en indirecte sociale gevolgen hebben. Denk aan verschillen in kansen tussen gebieden, de sociale samenhang in dorpen en steden, of de invloed van de leefomgeving op (mentale) gezondheid. Door deze effecten beter zichtbaar te maken en actief mee te wegen, kunnen provinciale keuzes sterker bijdragen aan de brede welvaart van álle inwoners van Zuid-Holland.

Nadere uitwerking

Kennisprogramma ‘Kennis Zuid-Holland’

De provincie heeft een integraal kennisprogramma ‘Kennis Zuid-Holland’ opgesteld zodat kennis, trends en de nieuwste inzichten hun doorwerking vinden in provinciaal beleid. De provincie verspreidt deze kennis tijdig en actief binnen het netwerk.

De provincie werkt aan een Agenda Brede Welvaart, als een denk- en doekader om te komen tot integrale beleidsafwegingen op basis van brede welvaart principes. Daarbij is er aandacht voor de economische, ecologische en sociale effecten van beleid — hier en nu, elders en later.

Beleidsdoel 2.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

2.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

De provincie streeft naar een goede bereikbaarheid, zodat mensen veilig, duurzaam en vlot naar school, werk, vrienden, winkels en andere voorzieningen kunnen reizen of goederen kunnen vervoeren. Daartoe zorgt de provincie voor een goed functionerende en verkeersveilige provinciale infrastructuur, goed openbaar vervoer en stimuleert veilig, gezond en duurzaam reisgedrag.

Beleidskeuzes van 2.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

2.1.1 Stimuleren duurzaam, veilig en slim personenvervoer
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil dat iedereen zijn bestemming kan bereiken op makkelijke, snelle, veilige en duurzame wijze. De provincie streeft daarbij naar een toekomstbestendig Zuid-Holland. Dat betekent dat ze meer voorrang geeft aan gezondheid, kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Hierbij heeft de provincie steeds meer oog voor verschillen in de behoeften binnen gebieden en van doelgroepen.

Door groei van de bevolking en economie wordt het steeds drukker. Bovendien moet er de komende jaren veel onderhoud aan wegen en bruggen gedaan worden. Dit leidt tot overlast. De provincie zet zich -samen met andere overheden- in om deze overlast en de files zo klein mogelijk te houden, bijvoorbeeld in het samenwerkingsverband Zuid-Holland Bereikbaar.

Met voorzieningen en werk dichtbij hoeven bewoners minder ver te reizen, lopen ze vaker, fietsen ze meer, pakken ze vaker het OV en verbetert hun bereikbaarheid. Daarom werkt de provincie aan wonen, werken, voorzieningen en goed openbaar vervoer in de buurt. Ze ontwikkelt dat in samenhang en werkt daarbij gebiedsgericht.

In Zuid-Holland worden veel woningen gebouwd.  De provincie vindt lopen en fietsen heel belangrijk, en neemt dit direct mee vanaf de ontwerpfase. Ook omdat actief bewegen minder ruimte inneemt tijdens het verplaatsen. Door de snelle opkomst van de elektrische fiets gaan meer mensen vaker en verder fietsen en de provincie stimuleert dat graag verder. De provincie gaat daarbij uit van het STOMP-principe, waarbij ze de manieren van verplaatsen zoveel mogelijk ondersteunt in de volgorde: Stappen (lopen), Trappen (fietsen), Openbaar vervoer, (deel)mobiliteit en tot slot de privéauto. Zo maakt zij duurzame en ruimte-efficiënte verplaatsingen vanzelfsprekend. Terwijl de meeste mensen thuis een fiets hebben, ontbreekt meestal de mogelijkheid om te fietsen na een reis met het openbaar vervoer. Daarom zet de provincie in op deelfietsen voor het laatste stukje van een reis.

Het reisgedrag van mensen veranderen is niet eenvoudig. Samen met Zuid-Holland Bereikbaar doet de provincie daar haar uiterste best voor, maar uiteindelijk kiest iedereen zelf hoe hij of zij reist. Daarom blijft het belangrijk dat ook de auto een goede en vlotte optie is. Met de toenemende druk op ons wegennet moeten we knelpunten blijven aanpakken en, waar dat nodig is, aanvullende infrastructuur realiseren.

De provincie vindt ieder verkeersslachtoffer er één te veel en streeft naar elk jaar minder verkeersslachtoffers en nul verkeersslachtoffers in 2050. De provincie werkt samen met andere organisaties aan een veilige infrastructuur en moedigt verkeersveilig gedrag aan door middel van onderwijs en voorlichting. De provincie onderhoudt contact met politie en het Openbaar Ministerie (OM) over passende handhaving.

Er is weinig ruimte en geld voor nieuwe wegen. De provincie kijkt daarom naar innovatieve mogelijkheden om(vaar)wegen, fietspaden en openbaar vervoer beter te benutten. Ook werkt ze eraan om de manieren van verplaatsen schoner te krijgen, bijvoorbeeld door de mogelijkheden voor elektrisch laden te verbeteren.

Aanleiding

De zorg voor de aanleg en onderhoud van provinciale wegen, fietspaden en bruggen is een wettelijke taak van de provincie. Groei van de economie en bevolking zorgen voor meer mobiliteit en toenemende drukte. Grote hoeveelheden werkzaamheden aan infrastructuur zorgen voor meer hinder. De verkeersveiligheid staat onder druk en mobiliteit kan en moet duurzamer.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie streeft naar een vitaal Zuid-Holland met goed bereikbare steden en dorpen waar het goed wonen, werken en recreëren is, en waar iedereen op een makkelijke, veilige en duurzame manier zijn bestemming kan bereiken of goederen kan vervoeren. De provincie streeft naar een toekomstbestendig Zuid-Holland.

2.1.2 Naar onweerstaanbaar openbaar vervoer
Wat wil de provincie bereiken?

Zuid-Holland streeft naar een toekomstbestendig Zuid-Holland met goed openbaar vervoer, dat onweerstaanbaar is. De provincie zorgt, samen met de MRDH, voor een goed en passend aanbod van openbaar vervoer zonder uitstoot van schadelijke stoffen zoals CO2 en stikstof. De provincie wil dat dit snel, frequent, betrouwbaar, beschikbaar en betaalbaar is. Passend openbaar vervoer maakt, samen met lopen, de fiets en deelvervoer een reis van deur tot deur mogelijk.

Aanleiding

Economische groei, een groeiende bevolking, veel werkzaamheden aan infrastructuur en een trek naar de stad zorgen voor toenemende druk op delen van het openbaar vervoer. Tegelijkertijd zijn er gebieden waar standaard openbaar vervoer met vaste lijnbussen niet past bij de behoefte en het gebruik.

Motivering Provinciaal Belang

Zorgen voor openbaar vervoer is een wettelijk taak. De provincie doet dat door openbaar vervoer in concessies aan te besteden en te managen. Provinciale Staten bepalen de gewenste (minimale) kwaliteit van het openbaar vervoer, voorafgaand aan een nieuwe concessieperiode. De provincie verstrekt aan de vervoerders jaarlijkse exploitatiesubsidies.

Nadere uitwerking

Bestaande wegen kunnen de groei in vervoer lang niet altijd aan, waardoor er files en parkeerproblemen ontstaan. Ook zijn er maar beperkte mogelijkheden om de infrastructuur uit te bereiden. Om de mobiliteitsgroei op te kunnen vangen wil de provincie daarom mensen positief verleiden om andere vormen van vervoer te gebruiken, zoals fiets en openbaar ververvoer.

Waar het openbaar vervoer nu al goed wordt gebruikt wil de provincie dit uitbreiden. Dit betreft niet alleen het opwaarderen van Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV), maar ook het versterken van stads- en streeklijnen. Openbaar vervoer is het beste middel voor snelle collectieve verplaatsingen tussen woon- en werkgebieden. Daarom krijgt het openbaar vervoer meer prioriteit in het verkeer en wordt geïnvesteerd in betere en uitgebreidere haltevoorzieningen, zoals fietsparkeren en P+R. De provincie zet ook in op een combinatie van voorzieningen om een gebied bereikbaar te houden, waarbij vaste lijnbussen worden aangevuld met andere vormen van collectieve mobiliteit (publiek vervoer). Binnen het openbaar vervoer wordt daarom nu een omslag gemaakt naar collectieve mobiliteit (ook wel publiek vervoer genoemd). Deeltaxi’s, deelfietsen, buurtbussen, fietsenstallingen en fietspaden dragen samen bij aan een aanbod dat beter aansluit bij de wensen van mensen. Daarnaast zet de provincie gerichte marketing en communicatie in om verschillende doelgroepen beter te bereiken en het gebruik van openbaar vervoer te stimuleren. De provincie wil een voorloper zijn met creativiteit en innovatie in het openbaar vervoer en daarmee een goede bereikbaarheid van de hele provincie bereiken.

Deze beleidskeuze heeft als werkingsgebied ‘Concessie- en contractgebied openbaar vervoer’. Samen met de MRDH en het Rijk verzorgt de provincie het openbaar vervoer in geheel Zuid-Holland.

2.1.3 Duurzaam en efficiënt goederenvervoer
Wat wil de provincie bereiken?

Het vervoer van goederen moet zo doelmatig, goed en schoon mogelijk plaatsvinden. En tegelijkertijd bijdragen aan de bereikbaarheid, economische ontwikkeling en leefbaarheid. Zodat Zuid-Holland zo goed mogelijk klaar is voor de toekomst.  Dit betekent dat de provincie werkt aan een beweging naar een toekomstbestendige economie, met een betere kwaliteit voor de leefomgeving en de gezondheid. Ze geeft voorrang aan een duurzame, digitale en inclusieve economie, met borging van maatschappelijke meerwaarde. Daarom moeten de schaarse ruimte en infrastructuur effectiever gebruikt worden.

Aanleiding

Zuid-Holland is een van Europa’s belangrijkste internationale transportknooppunten, met de Rotterdamse haven, de Greenports, de transportassen naar het Europese achterland en aansluiting op het Trans-Europese transportnetwerk (TEN-T). De druk op deze goedereninfrastructuur neemt toe door de verwachte stijging van de containerstromen in het komende decennium en een groeiende bevolking. Verder wordt het de komende 10 jaar drukker op de wegen rond Rotterdam door de vele geplande onderhoudswerkzaamheden. Het verduurzamen en optimaliseren van goederenstromen is dan ook nodig voor een gezonde ruimtelijke en economische ontwikkeling in Zuid-Holland. 

Motivering Provinciaal Belang

De samenleving en het bedrijfsleven in Zuid-Holland zijn afhankelijk van de aan- en afvoer van goederen en grondstoffen. Efficiënt goederenvervoer is nodig voor de economie en de leefomgeving. En voor de verkeersdoorstroming en de verkeersveiligheid.

Nadere uitwerking

De Provincie zet in op meer samenhang tussen economische ontwikkeling, ruimtelijke keuzes en de capaciteit van infrastructuur, en op digitalisering en schonere energievormen. Daarbij vindt de provincie het benutten van de verschillende modaliteiten weg, water, spoor en buisleidingen belangrijk. De provincie stimuleert meer vervoer per spoor en vervoer over water. En schoon vervoer zonder onnodige emissies. De provincie kijkt hierbij ook grensoverschrijdend naar internationale goederencorridors. De provincie wil vervoersmodaliteiten en goederenstromen in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen organiseren en uitwerken, van stedelijke en regionale distributie tot multimodale (inter)nationale goederencorridors. En stimuleert efficiënt ruimtegebruik, zoals regionale hubs (centraal knooppunt of verzamelpunt) voor haven-, vers-, stads- en bouwlogistiek en het clusteren van distributiecentra, truckparking en clean energy hubs.

2.1.4 Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragen aan projecten van anderen
Wat wil de provincie bereiken?

Om ervoor te zorgen dat de provincie Zuid-Holland voor iedereen bereikbaar is en blijft, op een duurzame en veilige manier legt de provincie ook nieuwe provinciale infrastructuur aan en verbetert bestaande provinciale infrastructuur.   Door eerst onderzoek te doen naar oorzaken en mogelijke maatregelen wordt vooraf bepaald of een dergelijke ingreep passend en nodig is. Hierbij wordt breed gekeken of lopen, fietsen, ov en deelvervoer ook een bijdrage aan de oplossing kunnen leveren. Ook wordt nadrukkelijk gekeken of bestaande infrastructuur beter kan worden gebruikt. De ruimte is nu eenmaal beperkt, en dat geldt ook voor de financiële mogelijkheden. Daarnaast draagt de provincie bij aan projecten van andere overheden door te adviseren en/of een financiële bijdrage te leveren. Verkeersveiligheid, duurzaamheid, en gezondheid) zijn standaard onderdelen in de voorbereiding van projecten.  

Aanleiding

Zuid-Holland moet in het komende decennium een fors aantal woningen bouwen en de bestaande woningvoorraad beter benutten en toekomstbestendig maken. Stad en land raken steeds sterker met elkaar fysiek verbonden, waarbij in het landelijk gebied behoud van voorzieningen en leefbaarheid een uitdaging vormt. Tegelijk staat de bereikbaarheid onder druk. Economische groei, een groeiende bevolking en een trek naar de stad zorgen voor toenemende drukte op de bestaande infrastructuur, zowel wat betreft goederen- als personenvervoer. De rijks- en provinciale wegen in Zuid-Holland blijven onverminderd druk, fietspaden worden steeds drukker en de bereikbaarheid van de landelijke gebieden staat onder druk.

Motivering Provinciaal Belang

De zorg voor de aanleg en onderhoud van provinciale wegen, fietspaden en bruggen is een wettelijke taak van de provincie. De provincie wil door aanleg en verbetering van eigen infrastructuur en van derden (met een nationaal of regionaal belang) de bereikbaarheid en leefbaarheid verbeteren.

Nadere uitwerking

Bij de voorbereiding worden problemen en kansen, de mogelijke oplossingsrichtingen en de betrokken partijen in kaart gebracht. Op basis daarvan kunnen de deelnemende partijen beslissen of en zo ja welke oplossingsrichtingen uitgewerkt moeten worden. De deelnemende partijen leggen de aanpak bij de start duidelijk vast op basis van een besluit: scope, processtappen en planning, participatie, financiën en personele inzet, besluitvorming en aansturing.

2.1.5 Realisatie provinciale infrastructuurprojecten
Wat wil de provincie bereiken?

Om de bereikbaarheid op peil te houden verbetert de provincie bestaande wegen en bruggen en legt nieuwe wegen en bruggen aan. Deze projecten worden uitgevoerd op basis van een besluit waarin de inhoudelijke grootte van het project, planning en afspraken over de financiën zijn vastgelegd.

Aanleiding

Zuid-Holland moet in het komende decennium een fors aantal woningen bouwen en de bestaande woonvoorraad beter benutten en toekomstbestendig maken. Een veranderende economie vraagt om meer aandacht voor de bereikbaarheid van werklocaties en circulaire goederen en grondstofstromen. Stad en land raken fysiek steeds sterker met elkaar verbonden, waarbij in het landelijk gebied behoud van voorzieningen en leefbaarheid een uitdaging vormt. Tegelijk staat de bereikbaarheid onder druk. Economische groei, een groeiende bevolking en een trek naar de stad zorgen voor toenemende drukte op de bestaande infrastructuur, zowel wat betreft goederen- als personenvervoer. De rijks- en provinciale wegen in Zuid-Holland blijven onverminderd druk, fietspaden worden steeds drukker en de bereikbaarheid van de landelijke gebieden staat onder druk.

Motivering Provinciaal Belang

De zorg voor de aanleg en onderhoud van provinciale wegen, fietspaden en bruggen is een wettelijke taak van de provincie. De provincie wil door aanleg en verbetering van eigen infrastructuur en van derden (met een nationaal of regionaal belang) de bereikbaarheid verbeteren en daarmee de leefbaarheid in Zuid-Holland.

2.1.6 Duurzame, stille en nieuwe luchtvaart
Wat wil de provincie bereiken?

De zogenaamde kleine- en recreatieve luchtvaart kan (geluid)overlast geven of tot verstoring van natuur leiden. De provincie gaat over de locaties waar luchtvaart mag starten en landen, met uitzondering van Rotterdam The Hague Airport, en de provincie kan daarvoor regels opstellen. De provincie gaat niet over waar en hoe er gevlogen wordt; dit valt onder de bevoegdheid van het Rijk.

De provincie wil hiernaast dat de overlast van Schiphol en Rotterdam The Hague Airport (RTHA) zoveel mogelijk beperkt wordt. Dit gaat om geluidhinder, uitstoot van (ultra)fijnstof, stikstof en CO2. Tegelijkertijd wil de provincie dat Schiphol zijn positie als belangrijke internationale luchthaven kan behouden en zijn netwerk van internationale verbindingen kan versterken. Voor RTHA wil de provincie dat de luchthaven zijn positie als zakelijke luchthaven kan behouden.

De provincie oefent invloed uit op de besluitvorming door de minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en de Tweede Kamer over de toekomstige ontwikkeling van beide luchthavens. Voor Schiphol gaat dit via de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS; een samenwerkingsverband van vier provincies en een veertigtal gemeenten rondom Schiphol) en bij RTHA via de Bestuurlijke Regiegroep RTHA (BRR; een samenwerkingsverband van de provincie en drie gemeenten).

De provincie wil dat binnen de geluidcontouren rondom Schiphol en RTHA terughoudend wordt omgegaan met nieuwe woningbouw om nieuwe geluidgehinderden zoveel mogelijk te voorkomen. Echter binnen de regels wil de provincie dat kleinschalige woningbouw mogelijk moet kunnen zijn indien dit de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid ten goede komt. Daartoe heeft de provincie regels gesteld in de Omgevingsverordening.

Aanleiding

De kleine- en recreatieve luchtvaart kan tot negatieve effecten leiden, zoals geluidoverlast of verstoring van natuur.

Een deel van de provincie Zuid-Holland heeft te maken met de negatieve externe effecten van Schiphol en RTHA. Gemeenten die onder de aanvliegroutes liggen hebben te maken met geluidoverlast en slaapverstoring door startend en landend verkeer. Daarnaast gelden voor sommige gemeenten bouwbeperkingen voor nieuwe woningen als gevolg van de nabijheid van een luchthaven.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie is bevoegd gezag voor de luchthavens van regionale betekenis op basis van de Wet luchtvaart. Ook is de provincie bevoegd om ontheffingen te verlenen voor het starten en landen op terreinen anders dan luchthavens.

Luchtvaart is in het algemeen gemeentegrensoverschrijdend en vanwege de hinderlijke effecten van de luchtvaart is de provincie het aangewezen schaalniveau.

De leefbaarheid en economische belangen van Schiphol en RTHA zijn gemeentegrensoverschrijdend en daarom is de provincie het aangewezen schaalniveau. Ook kan de provincie een belangrijke verbindende bijdrage leveren tussen de lokale belangen van gemeenten. Het Rijk is bevoegd gezag.

Nadere uitwerking

In Zuid-Holland wordt ruimte geboden aan diverse vormen van kleine- en recreatieve luchtvaart. De provincie ondersteunt dit, maar hecht tegelijkertijd waarde aan een goede inpassing in de directe omgeving om overlast zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarom wil de provincie dat terughoudend wordt omgegaan met nieuwe locaties voor commerciële en bedrijfsgebonden luchtvaart, helikopterhavens, luchthavens voor onbemande luchtvaartuigen en luchthavens voor gemotoriseerde recreatieve luchtvaart. Luchthavens met een duidelijk maatschappelijk belang (zoals heliplatforms bij ziekenhuizen) worden daarentegen wel ondersteund.

De provincie hecht waarde aan de luchthavens Schiphol en RTHA als belangrijke schakel in de internationale bereikbaarheid en voor de economie van de Randstad. Tegelijkertijd vindt de provincie het van belang dat de hinder zoveel mogelijk wordt beperkt. Verdere groei van Schiphol is wat de provincie betreft dan ook alleen mogelijk als daar een evenredige reductie van de hinder tegenover staat.

Daarnaast vindt de provincie dat binnen de geluidcontouren rondom Schiphol terughoudend moet worden omgegaan met nieuwe woningbouw. Daar waar er bij de luchtvaartsector op wordt aangedrongen om het aantal geluidgehinderden niet te laten toenemen, moet de overheid op haar beurt niet voor een toename zorgen door op grote schaal woningen binnen de geluidcontouren te bouwen. De provincie pleit er echter wel voor dat er binnen de regels mogelijkheden blijven om op kleine schaal woningbouw te kunnen plegen, bijvoorbeeld als dit de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid ten goede komt.

De aanwezigheid van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport is een vestigingsfactor voor bedrijven. De luchthaven levert daarmee een bijdrage aan de economische ontwikkeling van de regio.

De provincie vindt het daarbij van belang dat de hinder voor de omgeving beperkt blijft tot een noodzakelijk minimum (kwaliteit leefomgeving). Samen met gemeenten, de luchthaven, bewonersvertegenwoordigers en andere belanghebbende partijen op en rond de luchthaven worden afspraken gemaakt over hinderbeperkende maatregelen (programma hinderbeperkende maatregelen).

Hoewel de provincie geen wettelijke bevoegdheid heeft bij de vaststelling van het luchthavenbesluit voor RTHA, wordt bestuurlijk draagvlak bij de provincie en gemeenten rondom de luchthaven door de minister van Infrastructuur en Milieu als belangrijk gezien. De toekomstige ontwikkeling van de luchthaven is daarmee afhankelijk van het draagvlak in de regio.

Beleidsdoel 2.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

2.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

Een goed functionerende, provinciale infrastructuur zorgt ervoor dat iedereen veilig, duurzaam, snel en op een makkelijke manier van huis naar werk, opleiding of vrijetijdsbesteding kan reizen. De provincie heeft de wettelijke plicht provinciale fietspaden, bermen, wegen, vaarwegen, bruggen en sluizen te beheren en te onderhouden. Met de bediencentrales en de Incident Coördinatie (IC)-desk zorgt de provincie voor een vlotte afwikkeling van het verkeer. Bij calamiteiten en incidenten zorgt de provincie voor een veilige werksituatie voor de hulpdiensten en beperkt de provincie hinder voor de (vaar-)weggebruikers.

De provinciale infrastructuur moet beschikbaar en veilig te gebruiken zijn. Daarvoor moet de infrastructuur in goede staat zijn en duurzaam onderhouden worden. De provincie heeft als doel het onderhoud doeltreffend en doelmatig uit te voeren. Dit doet zij met zo min mogelijk overlast voor de weggebruiker en de omgeving.

De provincie verzorgt het bedienen van bruggen en sluizen, toezicht en handhaving op de weg en het water, en incidentmanagement. Hiermee zorgt ze voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer. 

Beleidskeuzes van 2.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

2.2.1 Beheer en onderhoud: op orde en duurzaam
Wat wil de provincie bereiken?

De fietspaden, bermen, wegen, vaarwegen, bruggen en sluizen en verkeerssystemen worden sober , doelmatig en duurzaam onderhouden met zo min mogelijk overlast. Beheer en onderhoud houdt de provincie daarmee boven het aansprakelijkheidsniveau en laten we zo efficiënt mogelijk plaatsvinden. Op dit moment doet de provincie dit op een manier met zo min mogelijk kosten, uitstoot en overlast voor de vaarweg- en weggebruiker en omgeving. Tijdens de werkzaamheden wordt het belang van de fietser en voetganger zwaar meegewogen. Er wordt ingezet op innovaties bij werkzaamheden om naast de kosten te beperken ook de uitstoot te verminderen.

Aanleiding

De provincie heeft als eigenaar van fietspaden, bermen, wegen, vaarwegen, bruggen en sluizen en verkeerssystemen een wettelijke taak om haar infrastructuur op orde te houden en te beheren. Daarmee draagt de provincie bij aan de leefbaarheid, welzijn en economische ontwikkeling van iedereen die in de provincie woont, studeert, werkt of Zuid-Holland bezoekt.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie is conform de Wegenwet, de Wegenverkeerswet en de Scheepvaartverkeerswet verantwoordelijk voor haar eigen infrastructuur (en alle bijbehorende inrichting); hieronder vallen provinciale wegen, vaarwegen, fietspaden, bruggen en sluizen. Provincie Zuid-Holland heeft de convenanten Duurzaam Grond- Weg- en Waterbouw (DGWW) 2030, Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) en Provinciale Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur (PKCI) ondertekend.

Nadere uitwerking

Het assetmanagementsysteem (gebaseerd op de internationale assetmanagementstandaard NEN-ISO 55001) is de basis voor het beheer en onderhoud, bediening, toezicht en handhaving. Hiermee zorgt de provincie ervoor dat de waarde die de provinciale assets leveren worden vergroot en dat dit continu wordt geborgd. Naast veiligheid, bereikbaarheid en duurzaamheid wordt er ook naar andere thema’s van het provinciaal beleid zoals in de omgevingsvisie beschreven gekeken.

Met het integreren van duurzaamheid in het assetmanagement zorgt de provincie ervoor dat het assetmanagement in 2050, of zo veel eerder als haalbaar, de volgende doelen behaald:

  • 1.

    CO2 neutraal;

  • 2.

    bijna volledig circulair;

  • 3.

    nauwelijks gebruik makend van primaire grondstoffen;

  • 4.

    energie neutraal;

  • 5.

    Leefgebied en ecologische verbindingen biedend aan lokale flora en fauna rond (vaar)wegen;

  • 6.

    Klimaatbestendig.

Beleidsdoel 3.1 Energietransitie

3.1 Energietransitie

De provincie wil het gebruik van fossiele energiebronnen afbouwen en wil toe naar een klimaatneutrale energievoorziening. Het doel is om uiterlijk in 2050 de CO2-uitstoot volledig te verminderen ten opzichte van 1990, met een tussendoel van 55% vermindering in 2030.

  • Zuid-Holland stelde in samenwerking met de 7 RES’en (Regionale Energiestrategieën) het doel in 2030 6,3 tot 6,8 TWh zon- en windenergie op te wekken.

  • De provincie wil een eerlijke energietransitie bereiken, waarbij verduurzaming ook haalbaar is voor achtergestelde en kwetsbare doelgroepen. Ook zet de provincie in op meer economische voordelen en meer zeggenschap voor inwoners. Dit doet zij door bij ieder (grootschalige) zon- en windproject te kiezen voor minimaal 50% lokaal eigendom.

  • De provincie wil het gebruik van aardgas versneld verminderen. Dit kan door energiebesparing en door warmtebronnen binnen de provincie te benutten. Zo kunnen de glastuinbouw in 2040, en de gebouwde omgeving en industrie in 2050, klimaatneutraal zijn.

  • De provincie heeft volgens de nationale doelstelling tot doel om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken, en in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Daarbij helpt zij de Zuid-Hollandse industrie met het behalen van het NOx-uitstootverminderingsdoel: voor deze sector staat dit op 38% in 2030 ten opzichte van 2019. 

  • Om de energietransitie mogelijk te maken dient de provincie de energiesystemen (elektriciteits-, waterstof- en warmtenetten) slim en efficiënt in te richten. Zo is energie tijdig beschikbaar voor iedereen. De ontwikkeling en de ruimtelijke inpassing van het energiesysteem zijn een uitdaging in Zuid-Holland. Dit komt door de beperkte ruimt en door overbelasting van het stroomnet.

  • De provincie werkt aan een toekomstbeeld voor het energiesysteem, onder andere gericht op het voorkomen van overbelasting van het net. Hierbij spelen plannen voor energie een belangrijke rol; het doel is om ruimtelijke en energievraagstukken gelijktijdig mee te nemen. Zo ontstaat een samenhangende aanpak voor de omvangrijke energieopgave. Dit zal de druk op het stroomnet verminderen.

Beleidskeuzes van 3.1 Energietransitie

3.1.1 Duurzaam opwekken van elektriciteit
Wat wil de provincie bereiken?

Om het gezamenlijke doel van uit de Regionale Energie Strategie (RES) te behalen (het opwekken van 6,3-6,8 TWh aan duurzame elektriciteit) wil de provincie meer ruimte bieden aan zonne- en windenergie. Hiermee draagt de provincie bij aan de doelen in de Klimaatwet en de afspraken uit het Klimaatakkoord. Het behalen van het RES-doel draagt ook bij aan haar eigen beleidsdoel om het gebruik van fossiele energiebronnen af te bouwen en toegroeien naar een klimaatneutrale energievoorziening.

De provincie biedt ruimte voor de toenemende behoefte aan elektriciteit in Zuid-Holland op een schone, onafhankelijke manier. De ruimte in Zuid-Holland is beperkt, daarom wil de provincie zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en een goede afweging maken tussen verschillende provinciale waarden. Ook wanneer de vraag naar ruimte voor hernieuwbare elektriciteit na 2030 groeit, zoals het Rijk verwacht in het Nationaal Plan Energiesysteem.

Aanleiding

De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen, het aandeel duurzame energie te vergroten en het energieverbruik te reduceren. Dit is essentieel om een leefbaar klimaat en een gezonde leefomgeving te behouden voor zowel de huidige als toekomstige generaties.

Door klimaatverandering, volle stroomnetten en een groeiende vraag naar elektriciteit is het steeds belangrijker om ruimte te maken voor lokale, duurzame elektriciteit en deze slim te gebruiken. Zo komt er genoeg groene stroom voor nieuwe huizen, bedrijven, scholen en andere voorzieningen. Ook ondersteunt dit de elektrificatie van woningen, mobiliteit en de industrie.

Motivering Provinciaal Belang

In de provincie Zuid-Holland is onbebouwde ruimte zeer waardevol. Zorgvuldig omgaan met deze schaarse ruimte is daarom uitgangspunt van beleid. Tegelijkertijd is het van belang om voldoende ruimtelijke mogelijkheden te creëren voor de opwek van duurzame elektriciteit, om aan de afspraken uit het Klimaatakkoord en de uitwerking daarvan in de RES 1.0 te voldoen. Lokale, duurzame opwek door zon en wind versterkt de energieonafhankelijkheid van de provincie. Daarnaast kunnen omwonenden direct meeprofiteren van de opbrengsten via bijvoorbeeld energiecoöperaties. 

De provincie heeft een bovenregionale rol in het ruimtelijke domein en participeert in de RES-regio's. Vanuit deze rollen legt de provincie haar ruimtelijke beleid voor zonne- en windenergie vast.

De Energiewet bepaalt dat de provincie bevoegd gezag is voor windparken met een opgesteld vermogen tussen 15 en 100 megawatt (MW) en dit mogelijk kan maken met een projectbesluit. Voor zonnevelden bepaalt de Energiewet dat de provincie bevoegd gezag is voor een projectbesluit bij een opgesteld vermogen tussen 50 en 100 MW. Dat betekent dat gemeenten voor zonnevelden in de regel bevoegd gezag zijn.

Gedeputeerde Staten kunnen ervoor kiezen de bevoegdheid om windenergie mogelijk te maken over te laten aan de gemeente binnen de daarvoor geldende voorwaarden uit de Energiewet. Daarvoor moeten Gedeputeerde Staten een besluit nemen en daarmee moet de gemeente instemmen.

In Zuid-Holland willen Gedeputeerde Staten de bevoegdheid aan gemeenten overdragen als voldoende verzekerd is dat de gemeente zich inzet voor de ontwikkeling van windenergie. Private partijen en energiecoöperaties kunnen initiatieven starten voor de realisatie van windturbines of windparken, waarbij de voorkeur van de provincie uitgaat naar lokale energiecoöperaties met als uitgangspunt 90% lokaal eigendom.

Nadere uitwerking

Ruimtelijke uitgangspunten windenergie

Moderne windturbines hebben grote impact op de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de leefomgeving. Daarom is een zorgvuldige en bovenregionale afweging over de locatiekeuze op provinciaal niveau van belang. De provincie wil moderne, grote turbines geconcentreerd plaatsen in daarvoor geschikte gebieden en versnippering over de hele provincie voorkomen. De provincie geeft ruimte aan clusters en lijnopstellingen van windenergie in de daarvoor meest geschikte gebieden.

Plaatsingsvisie wind

De provincie heeft het ruimtelijk uitgangspunt windenergie vertaald naar een plaatsingsvisie voor wind. Het ruimtelijk uitgangspunt is dat een opstelling van windturbines (een windpark) is gekoppeld aan grote landschappelijke structuren op een logische plek. Dit verschilt per landschap. De provincie onderscheidt daarin de polders en droogmakerijen van de veenlandschappen, de zuidelijke delta en de as van het dynamisch Haven Industrieel Complex.

Binnen deze landschappen ziet de provincie op de volgende plekken kansen voor windenergie:

  • In de Zuidelijke Delta zijn windparken passend langs de grote scheidslijnen tussen land en water.

  • De windturbines passen bij de maat en schaal van dit landschap, bijvoorbeeld op de randen van de eilanden bij de grote wateren en op de dammen en dijken.

  • Langs de as Maasvlakte-Merwedezone zijn windturbines passend vanwege het industriële karakter van dit gebied en de grote energievraag die hierbij hoort. Zoekgebieden en locaties voor windenergie liggen hier in de havens of industriegebieden en langs grootschalige infrastructuur, zoals de A15.

  • Ten noorden van de as Maasvlakte-Merwedezone, in het veen- en droogmakerijenlandschap liggen zoekgebieden en locaties voor windenergie in de grootschalige droogmakerijen of langs de gebundelde structuur N11, spoor en Oude Rijn. In de veenpolders is de ruimte beperkter, mede vanwege de aanwezigheid van talrijke weidevogels. Toch ziet de provincie hier beperkt mogelijkheden voor windturbine-opstellingen in de zeer langgerekte open ruimten.

Beschermende werking van de zoekgebieden en locaties

De provincie streeft ernaar het plaatsingspotentieel voor windenergie te behouden en waar mogelijk te versterken. Daarom is het belangrijk dat in en rondom de in de Omgevingsverordening aangewezen locaties voor windenergie geen ontwikkelingen plaatsvinden die belemmerend kunnen zijn voor de plaatsing van windturbines.

In en rondom locaties voor windenergie in de Omgevingsverordening worden ruimtelijke ontwikkelingen zo gepland dat het potentieel voor windenergie behouden blijft of versterkt wordt. Gemeenten kunnen geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken die van invloed kunnen zijn op dit potentieel, tenzij de provincie daarmee kan instemmen. De bescherming richt zich alleen op het voorkomen van ontwikkelingen van windturbinegevoelige objecten. De provincie volgt hierbij de definitie voor windturbinegevoelige objecten van het Rijk en sluit hiermee aan op het beleid voor de bescherming van de onbebouwde ruimte.

De beschermende werking is niet van toepassing op de locaties voor windenergie in het Haven Industrieel Complex (HIC) en de Krabbepolder en Krabbegors.

Kleine en middelgrote windturbines

Kleine windturbines (as-hoogte tot 30 meter) kunnen worden geplaatst buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Middelgrote windturbines (as-hoogte tot 45 meter) kunnen worden geplaatst binnen bestaand stads- en dorpsgebied en in glastuinbouwgebied

Zowel voor middelgrote als voor kleine windturbines is dit ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan een zienswijze indienen op een Omgevingsplan, indien relevante provinciale belangen en regels onvoldoende zijn meegenomen. Het gaat dan onder meer om natuur, ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, recreatie.

3.1.2 Eerlijke energietransitie
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie Zuid-Holland zet in op een eerlijke energietransitie, waarin iedereen kan meedoen en profiteren, en waarin lusten en lasten evenwichtiger worden verdeeld. 

De provincie wil inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties op een betekenisvolle manier betrekken bij de ontwikkeling van energieprojecten. Zo komen plannen samen met de omgeving tot stand. Door dit tijdig en duidelijk te organiseren, kan iedereen meedenken en meedoen. Dit draagt bij aan meer draagvlak en betrokkenheid. Daarbij weegt de provincie zorgvuldig af wat belangrijk is voor de energietransitie en wat de voor- en nadelen zijn voor de directe omgeving. 

De provincie moedigt mensen aan om mee te doen en zelf een deel van een project te bezitten. Zij zet in op zeggenschap en eigenaarschap van de omgeving, met lokaal eigendom per grootschalig energieproject (zoals wind- en zonne-energie). Uitgangspunt is tenminste 90% lokaal eigendom, maar de provincie streeft naar volledig lokaal eigendom. Zo krijgt de omgeving niet alleen inspraak, maar heeft ook echt het laatste woord. Daarnaast blijven de opbrengsten in de regio en stimuleert het slimme oplossingen binnen het decentrale energiesysteem. Coöperatieve ontwikkeling, zoals via energiecoöperaties en energiegemeenschappen, is daarvoor noodzakelijk. Deze organisaties maken deelname voor iedereen in de omgeving mogelijk en werken nadrukkelijk naar een zo groot mogelijk lokaal eigendom met de bijhorende zeggenschap toe.

De provincie wil dat de energietransitie haalbaar en toegankelijk is voor iedereen. Dit vraagt met name aandacht voor achtergestelde en kwetsbare groepen. Zij hebben vaker te maken met hoge energiekosten, (energie)armoede en een gebrek aan mogelijkheden om iets te kunnen doen. De provincie wil deze ongelijkheid verkleinen, om te voorkomen dat zij te veel worden belast in vergelijking met anderen en juist kansen krijgen om te profiteren van verduurzaming. 

Aanleiding

De energietransitie is noodzakelijk om klimaatdoelen te behalen en gaat gepaard met ingrijpende veranderingen in de energievoorziening, ruimtelijke inrichting en economische structuur. Tegelijkertijd is de energietransitie een belofte voor een schone en gezonde leefomgeving, waar iedereen baat bij heeft. Zonder aandacht voor rechtvaardigheid kan deze transitie leiden tot ongelijke verdeling van zeggenschap, baten en lasten, en verlies van draagvlak. Het Klimaatakkoord en de Omgevingswet leggen nadruk op participatie, lokaal eigendom en het betrekken van maatschappelijke belangen. Dit vraagt om gerichte provinciale inzet op eerlijkheid en inclusiviteit in de energietransitie.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie heeft een regierol in de ruimtelijke inpassing van energieprojecten, de uitvoering van RES’en en de ontwikkeling van energie-infrastructuur. Het borgen van participatie-eisen, het versterken van energiegemeenschappen en het realiseren van lokaal eigendom vereisen samenwerking en afstemming over gemeentegrenzen heen. Provinciale inzet is daarom nodig om ongelijkheid te voorkomen, regionale afstemming te organiseren en de energietransitie op een eerlijke manier te realiseren.

Nadere uitwerking

Procesparticipatie bij grootschalige energieprojecten 

Bij participatie rond duurzame energieprojecten wordt onderscheid gemaakt tussen de beleidsfase en de projectfase.  

In de beleidsfase wordt onderzocht welke locaties of gebieden geschikt zijn voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld windturbines of zonneparken. De omgeving wordt geïnformeerd en geraadpleegd, zodat zorgen, wensen en opvattingen tijdig worden opgehaald en meegewogen.

In de projectfase volgt een intensiever participatietraject, waarin de omgeving meer directe invloed heeft op de uitwerking en uitvoering van projecten. Dit betreft onder andere het ontwerp, de precieze plaatsing van energie-installaties en voorwaarden tijdens bouw en exploitatie.  

Naast de wettelijke participatie-eisen zet de provincie zich actief in om: 

  • Inzichten en eventuele bezwaren van bewoners te betrekken bij het verdere besluitvormingsproces;  

  • Participatieafspraken tussen de omgeving, initiatiefnemer en provincie vroegtijdig en concreet vast te leggen; 

  • Erop toe te zien dat een initiatiefnemer de gemaakte (participatie)afspraken tijdig en correct uitvoert; 

  • Te zorgen voor een duidelijk en vindbaar aanspreekpunt, al dan niet in de vorm van een relatiemanager. Van initiatiefnemers wordt eveneens een aanspreekpunt verwacht voor zowel de omgeving als de provincie; 

  • Deskundige ondersteuning aan de omgeving te faciliteren wanneer hier behoefte aan is.  

Lokaal eigendom en financiële participatie bij grootschalige energieprojecten 

Lokaal eigendom betekent dat de omgeving, bij voorkeur via een energiecoöperatie of energiegemeenschap, als (mede)eigenaar mee-investeert in en zeggenschap heeft over een energieproject.  

De Energiewet definieert een energiegemeenschap als een juridische entiteit die activiteiten op de energiemarkt verricht ten behoeve van haar leden, met als hoofddoel het bieden van milieu-, economische of sociale voordelen aan deze leden of aan de lokale omgeving, en die niet gericht is op het maken van winst. 

De wet schrijft daarnaast voor dat deelname aan een energiegemeenschap open en vrijwillig is, dat leden het recht hebben de gemeenschap te verlaten en dat de feitelijke zeggenschap ligt bij natuurlijke personen, micro- en kleine ondernemingen of decentrale overheden. Voor energiegemeenschappen die hernieuwbare-energieprojecten ontwikkelen, biedt de wet de mogelijkheid om de zeggenschap te beperken tot leden uit de directe omgeving van het project, het lidmaatschap te beperken tot natuurlijke personen, decentrale overheden en kleine tot middelgrote ondernemingen, en om gelijk stemrecht voor alle deelnemende leden vast te leggen. 

Lokaal eigendom is de meest actieve vorm van financiële participatie. Daarnaast kunnen bewoners en lokale bedrijven op andere manieren profiteren van opbrengsten. De provincie beschouwt deze instrumenten als noodzakelijk, maar aanvullend: 

  • Financiële deelneming: omwonenden nemen risicodragend deel aan een project, bijvoorbeeld via certificaten of obligaties; 

  • Omgevingsfonds: een deel van de opbrengsten wordt ingezet voor maatschappelijke doelen in de omgeving; 

  • Omwonendenregeling: omwonenden ontvangen een voordeel, bijvoorbeeld korting op stroom, financiële compensatie of investeringen in woningverduurzaming. 

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het voeren van het gesprek met de omgeving over het realiseren van lokaal eigendom en financiële participatie. In een apart uitvoeringskader participatie en lokaal eigendom bij grootschalige energieprojecten worden de provinciale verwachtingen, definities en uitgangspunten verder uitgewerkt. 

3.1.3 Warmtetransitie in de gebouwde omgeving en glastuinbouw
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie zet in op een zo groot mogelijke CO2-reductie. De unieke situatie in Zuid-Holland met verschillend aanbod van warmtebronnen en een bebouwde omgeving nabij, biedt kansen om CO2-reductie te bewerkstellingen via de warmtevoorziening. De provincie richt zich op een toekomstbestendig energiesysteem waarin de warmtetransitie een belangrijke rol heeft.

Aanleiding

In 2015 werd in het VN-klimaatverdrag van Parijs afgesproken om niet meer dan 2 graden °C opwarming van het mondiale klimaat toe te staan. Voor Nederland betekent dit dat er naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050 en een klimaatneutrale glastuinbouw in 2040 wordt toegewerkt. Dit is vastgesteld in het Klimaatakkoord uit 2019.

In vrijwel alle steden, dorpen en glastuinbouwgebieden wordt ingezet op het minder of niet toepassen van aardgas om CO2 te reduceren. Dit gebeurt door in te zetten op maatregelen om energie te besparen en de ontwikkeling van duurzame warmtebronnen, warmtesystemen en warmte opslagsystemen te stimuleren. Dit zal impact hebben op de bovengrondse en ondergrondse leefomgeving. Naast warmte zal de behoefte aan koelte oftewel koude belangrijk worden voor klimaatadaptatie en het tegengaan van hittestress.

Om de warmtetransitie tot ontwikkeling te laten komen krijgen gemeenten meer sturingsmogelijkheden om de aanleg en exploitatie van collectieve warmtesystemen te bevorderen. Ook krijgen ze instrumenten om het publieke belang in de warmtevoorziening te waarborgen. Dit is vastgelegd in nationale wetgeving.

De provincie heeft een rol om de nationale en lokale opgaven te verbinden, ontwikkelingen te ondersteunen en te stimuleren.

Motivering Provinciaal Belang

De ruimte in de provincie is schaars, zowel bovengronds als ondergronds, waarbij oog moet zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. In deze ruimte vindt de energietransitie plaats gericht op de ontwikkeling van een toekomstbestendig energiesysteem. De provincie zet in op de Trias Energetica. Er wordt ingezet op het stimuleren van warmtebesparing, de toename van beschikbare duurzame warmtebronnen gekoppeld aan de warmtevraag, waarbij warmteopslag en warmtetransport nodig kan zijn en efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen.

Warmte wordt gezien als een essentieel onderdeel van het energiesysteem. Met relatief lage maatschappelijke kosten en met een beperkt ruimtebeslag kan een warmtesysteem bijdragen aan een robuuster en duurzamer energiesysteem. Het warmtesysteem is het geheel aan duurzame warmtebronnen, bijbehorende faciliteiten zoals onderstations of warmteoverdrachtstations, warmtenetwerken en daaraan gekoppelde aansluitingen. De provincie kent een groot potentieel en aanbod van warmte uit duurzame warmtebronnen zoals geothermie en restwarmte. Ook zijn er, kleinere warmtebronnen zoals bodemenergie, zonthermie, omgevingswarmte en aquathermie en groen gas. Er zijn steeds betere inzichten in de inzet van koeling. Het warmtesysteem kan bovenregionaal en binnen de gemeentegrenzen ontwikkeld worden, afhankelijk van het warmteaanbod van de bron.

Het is in het belang van de provincie om de schaars beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk in te passen. Met een bovenlokaal warmtetransportsysteem wordt ingezet op het verduurzamen van bestaande lokale warmtenetten en het stimuleren van nieuwe warmtesystemen.

Voor de ruimtelijke inpassing van bovenlokale warmtetransportleidingen en warmtesystemen benut de provincie waar nodig of gewenst het ruimtelijk bijbehorende instrumentarium. Dit doet de provincie in samenwerking met de betrokken samenwerkingspartners.

De warmtetransitie is van groot economisch belang voor de transitie in de glastuinbouwsector. In Zuid-Holland is de CO2-emissie in de glastuinbouw van vergelijkbare omvang als de gebouwde omgeving. Het is dan ook van belang dat de warmtetransitie in de glastuinbouwsector in samenhang met de gebouwde omgeving tot stand komt. Beide kunnen niet los van elkaar gezien worden.

Nadere uitwerking

Om de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en glastuinbouw van de grond te krijgen zet de provincie zich in door:

  • Te verbinden tussen en met verschillende overheden (Rijk en gemeenten);

  • Te faciliteren en te ondersteunen bij de ontwikkeling van duurzame warmtebronnen, warmteopslag, warmtesystemen en warmtevraagontwikkeling;

  • Energiebesparing te bevorderen en te stimuleren.  

De provincie werkt en denkt mee aan de planvorming in de warmteclusters, warmteprogramma’s en de Regionale Energiestrategieën (RES-en) of energieregio’s, voor de glastuinbouwsector, (wijk)uitvoeringsplannen en Omgevingsplannen.

Het provinciale instrument van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving wordt ingezet om bedrijven daadwerkelijk maatregelen te laten nemen om tot energiebesparing te komen en het bodem-grondwatersysteem te beschermen. In aansluiting op het wettelijk instrumentarium bevordert de provincie warmtebesparing, de lokale integratie van elektriciteit, warmte en koude, de lokale opwek van warmte, het lokaal opslaan van warmte, de benutting van - bij voorkeur lokale -  restwarmte en cascadering van warmtestromen. Dit wordt ook wel het hergebruik van warmte in steeds lagere temperatuurstappen genoemd. Daarnaast wordt ingezet op koude-opties, ook bij huizen waarvan de isolatie niet optimaal is en blijft. Hiervoor heeft de provincie het afwegingskader warmtekeuzes en het afwegingskader koude ontwikkeld.

De provincie ondersteunt de nationale doelstelling om de warmtetransitie te versnellen en de transitie betaalbaar en met minimale impact op de ruimte te realiseren. De provincie verkent de mogelijkheden om vanuit publiek belang een bijdrage te leveren aan de warmtetransitie.

Voor de collectieve benutting van geothermie en aquathermie verkent de provincie het belang en de mogelijkheden om sturing van deze bronnen op te nemen in haar Omgevingsbeleid.

Vanuit het provinciale belang om de bodem en ondergrond optimaal te beschermen en beheren wordt er rekening gehouden met het bodem-grondwatersysteem zodat deze voor de lange termijn volledig blijft functioneren. Bovendien wordt rekening gehouden met de bescherming van de drinkwaterwinning en de grondwaterkwaliteit in Zuid-Holland, bescherming van archeologisch erfgoed en andere functies zoals recreatie.

Stimuleren van warmtebesparing

Energie die niet gebruikt wordt, hoeft niet te worden opgewekt en vraagt daarom niet om ruimtelijke inpassing. De inzet op besparing is dan ook essentieel. De provincie zet zich in om warmte te besparen in de bestaande bouw, nieuwbouw, bij bedrijventerreinen, voor specifieke doelgroepen en door middel van ontzorgingsprogramma’s.

Samenwerken aan warmtesystemen

Succesvolle toepassing van warmtebronnen vraagt om samenwerking tussen vele partijen. De provincie ondersteunt gemeenten en andere partijen middels een provinciale verbindende rol die zich richt op bovenlokale warmtesystemen en de verbinding tussen deze warmtesystemen met het integrale energiesysteem. De provincie onderstreept het belang van voldoende capaciteit om vraag en aanbod van warmte op een efficiënte wijze bij elkaar te brengen. In de clusters rond Rotterdam, Den Haag, Westland, Oostland, de Drechtsteden en Holland Rijnland zijn (boven)regionale warmtetransportnetwerken (zoals WarmtelinQ) en warmtesystemen in ontwikkeling. Deze systemen en netwerken zijn van essentieel belang en dragen stevig bij aan een klimaatneutrale warmtevoorziening.

De provincie vervult een toetsende en coördinerende rol bij de aanwijzing van warmtekavels, waarbij zij toeziet op een doelmatige verdeling van schaarse bronnen over gemeentegrenzen heen. Zij ondersteunt de realisatie door op te treden als verbinder tussen lokale initiatieven en de warmtebedrijven, waarbij waar nodig de publieke regie wordt versterkt. Door middel van deze actieve kavelregie waarborgt de provincie dat lokale keuzes optimaal bijdragen aan een integraal en betaalbaar warmtesysteem.

De energietransitie vergt het integraal programmeren van bronnen, infrastructuur en vraagontwikkeling. De provincie verkent de kansen en optimalisaties om warmtenetwerken en daarmee samenhangende bronnen, warmtevraag en warmteopslag te ontwikkelen en uit te breiden op bovengemeentelijke schaal. De inzet van gemeenten en provincie wordt onderdeel gemaakt van het Omgevingsbeleid van de provincie.

Stimuleren van warmteopslag

De provincie bouwt aan een duurzame toekomst waar de energietransitie, bodem, water, natuur en milieu met elkaar in balans zijn. Zij werkt samen met gemeenten toe naar een integraal energiesysteem van bron, infrastructuur, opslag en vraag. Deze integraliteit van het energiesysteem werkt door in de ondergrond en bij de wateropgave.

Warmteopslag omvat het opslaan van warmte om later te gebruiken. Grote hoeveelheden warm water kunnen worden opgeslagen voor langere periodes. De provincie richt zich op opslag van water in de ondergrond met een temperatuur boven de 25 graden °C. Tot ca. 50 graden °C spreken we van Midden Temperatuur Opslag (MTO). Vanaf ca. 50 graden °C is er sprake van Hoge Temperatuur Opslag (HTO).

De provincie ziet MTO en HTO als een belangrijk onderdeel van het integrale energiesysteem. Door het toepassen van warmteopslag worden collectieve warmtesystemen efficiënter, wat verder bijdraagt aan de reductie van CO2. Opslag is wenselijk waar geologische potentie en warmtevraag samenkomen, mits toegepast onder strikte provinciale voorwaarden zoals vastgesteld in het Omgevingsbeleid. Bovendien moeten grondwater, drinkwatervoorraden en de ecologie van de ondergrond beschermd worden. Hiermee zet de provincie zich in voor een integrale aanpak waarin innovatie en milieubescherming hand in hand gaan.

Stimuleren en ondersteunen van keuzes voor het Afwegingskader warmtekeuze en koude

Voor een effectieve afweging tussen inzetbare warmte en koude bronnen heeft de provincie een afwegingskader Warmtekeuze en een afwegingskader Koude ontwikkeld. De afwegingskaders helpen gebruikers (bijvoorbeeld gemeenten, architecten en aannemers) in het maken van energetische en ruimtelijke keuzes. Het gaat hierbij om de inzet van zowel verwarmings- als koelingstechnieken in gebouwen. Inzicht in de verschillende beschikbare technieken helpt om optimale keuzes te maken in het creëren van aangename woningen en andere gebouwen en een prettige buitenruimte. Het afwegingskader wordt doorlopend geactualiseerd.

Stimuleren van verduurzaming in de glastuinbouwsector

De provincie draagt bij aan de doelstellingen van de glastuinbouwsector om in 2040 klimaatneutraal te zijn door de rol te pakken om te verbinden, stimuleren en ondersteunen. Dit gebeurt onder andere in de Greenports Nederland, specifiek Greenport West-Holland. De aanpak in de glastuinbouwsector richt zich op verduurzaming. De provincie ziet de inzet van (groene) grondstoffen graag zoveel mogelijk gecascadeerd volgens de principes van de waardepiramide. Dit principe houdt in dat de gebruiksfunctie ‘energie’ pas komt nadat de toepassing materiaal of andere hoogwaardige toepassingen komt.

Energietoepassing van houtige biomassa heeft niet de voorkeur. Alleen groene grondstoffen die niet (langer) geschikt zijn voor hoogwaardige toepassingen komen in aanmerking. De provincie zet gefaseerd in op afbouw van energietoepassingen van hoogwaardige biomassa, te beginnen in sectoren waar al reële energieneutrale alternatieven beschikbaar zijn.

Voor groene grondstoffen verkent de provincie de mogelijkheid om CO2-reductie in rekenmodellen te waarderen bij biomassa die niet wordt omgezet in energie. De provincie hanteert voor waterstof in de energie- en grondstoffentransitie de volgende kernpunten:

  • De provincie ondersteunt pilots, demonstratieprojecten en verkenningen waarmee meer inzicht ontstaat in de toepasbaarheid van waterstof in de gebouwde omgeving en glastuinbouw.

  • Voor 2030 wordt geen grootschalige toepassing voorzien van biomassa. De provincie ziet na 2030 mogelijkheden voor beperkte toepassingen op plekken waar andere duurzame alternatieven technisch, maatschappelijk en financieel niet haalbaar zijn. Daarbij kan gedacht worden aan oude binnensteden.

Door de uitfasering van de verbranding van aardgas richting 2050, draagt de warmtetransitie bij aan de reductie CO2, verbetering van de luchtkwaliteit en vermindering van geurhinder. Ook inperking van de verbranding van biomassa voor verwarming draagt hieraan bij.

Uitvoering

Gemeenten en andere uitvoerende partijen wordt gevraagd om, gelet op beperking van de maatschappelijke kosten en overlast, aan te sluiten bij de investeringsplanningen van andere (onderhouds)werkzaamheden in de openbare ruimte. Het gaat hierbij onder andere om vervanging van het drinkwaternet, de riolering, aanleg en uitbreiding van groen en waterbergingsmaatregelen en overige aanpassingen in de openbare ruimte.

Bij het uitwerken en realiseren van diverse besparings- en duurzame warmteoplossingen-grootschalig en kleinschalig- hecht de provincie veel waarde aan het participatieproces dat wordt georganiseerd met de omgeving. De provincie doet met dit participatieproces inhoudelijke en procesmatige kennis op. Deze kennis wordt, via kennissessies en de ontwikkeling van lerende netwerken, vervolgens breed gedeeld met belanghebbende partners.

3.1.4 Klimaatneutrale en circulaire industrie
Wat wil de provincie bereiken?

Zuid-Holland onderschrijft de nationale doelstellingen om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren tot 49% in 2030 met als uiteindelijke doel om klimaatneutraal te zijn in 2050. En daarnaast onderschrijft de provincie de nationale doelen om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken en in 2050 volledig circulaire economie te realiseren. De Zuid-Hollandse industrie zal daartoe een transitie moeten doormaken naar een industrie die klimaatneutraal en circulair is.

Samen met haar partners zet de provincie zich hiervoor in langs drie sporen die de basis vormen van drie maatregelen in het Omgevingsprogramma: 

  • 1.

    stimuleren van efficiency en het nuttig en slimmer toepassen van reststromen; 

  • 2.

    vernieuwen van het energiesysteem; 

  • 3.

    vernieuwen van het grondstoffensysteem. 

Voor al deze sporen is de tijdige beschikbaarheid van een adequate energie infrastructuur, alsmede voldoende ruimte om deze energie infrastructuur te realiseren, een belangrijke conditie.

Aanleiding

In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het realiseren van een Klimaatneutrale en circulaire industrie. Door de grote industriële clusters in Nederland zijn uitvoeringsplannen opgesteld om invulling te geven aan deze afspraken. Specifiek voor de benodigde energie infrastructuur zijn er zogenaamde cluster energie strategieën (CES) opgesteld. 

Tevens zijn er nationale afspraken gemaakt om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben gerealiseerd. 

Ten slotte zijn er nationale doelen ten aanzien van stikstofreductie geformuleerd: er is een NOx-emissiereductiedoel vastgesteld voor de sector industrie van 38% in 2030 ten opzichte van 2019. 

Motivering Provinciaal Belang

Vanuit het Klimaatakkoord heeft de provincie een inspanningsverplichting om zich in te zetten voor een Klimaatneutrale en circulaire industrie. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag voor de handhaving van de wettelijk voorgeschreven energiebesparingsplicht voor een deel van de bedrijven. 

De opgave staat niet op zichzelf. In de eerste plaats kan de industrie een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van andere sectoren, bijvoorbeeld door het leveren van restwarmte aan bedrijven en huizen, van CO2 (als grondstof) aan de glastuinbouw en van duurzame brandstoffen aan de transportsector. In de tweede plaats is de opgave ook van grote economische betekenis voor de regio, in termen van bijvoorbeeld behoud (of zelfs groei) van werkgelegenheid. 

Een groot deel van de nationale opgave ligt in de provincie Zuid-Holland en dan met name in het Haven Industrieel Complex (HIC) in Rotterdam: ruim 30 procent van alle industriële CO2 uitstoot in Nederland is afkomstig uit provincie Zuid-Holland. Hiervan is ruim 90 procent afkomstig uit het HIC.

Nadere uitwerking

De Europese Unie en het Rijk hebben een sterk sturende rol in het realiseren van een Klimaatneutrale en circulaire industrie, bijvoorbeeld via prijsprikkels (zoals het Europese ETS-systeem), via wettelijke voorschriften (zoals de energiebesparingsplicht) en via subsidies voor de wat grotere investeringen. 

Vanuit deze context kiest de provincie voor wat betreft de invulling van het provinciaal belang voor een rechtmatige rol ten aanzien van de uitvoering van door het Rijk wettelijk voorgeschreven energiebesparingsplicht. Daarnaast heeft de provincie een mee- en samenwerkende rol. Dit doen we bijvoorbeeld door het stimuleren van (regionale) samenwerking tussen publieke en private partijen en door het (financieel) ondersteunen van verduurzamingsprojecten bij zowel industriële bedrijven als bij andere actoren binnen industriële ketens (bijvoorbeeld toeleveranciers, afnemers). Daarnaast beschikt de provincie over een aantal instrumenten, die kunnen worden ingezet om ruimtelijke processen op regionale schaal te versnellen. 

De inzet van de provincie verloopt zoals aangegeven langs drie sporen. Deze sporen komen overeen met de aanpak uit het Klimaatakkoord en het genoemde koploperprogramma en vormen de basis van drie maatregelen in het Omgevingsprogramma  

  • Het eerste spoor betreft door bedrijven zelf te treffen efficiency maatregelen, zoals de opslag van CO2 (onder de Noordzee) en de nuttige toepassing van reststromen (zoals warmte, stoom en CO2) binnen de industrie en in andere sectoren en efficiency op het gebied van water en grondstoffen.  

  • Het tweede spoor betreft het veranderen van het energiesysteem door fossiele energiebronnen te vervangen door duurzame energiebronnen en -dragers, zoals duurzaam opgewekte elektriciteit en groene waterstof (aanvankelijk zal dit nog blauwe waterstof zijn, maar zodra de beschikbaarheid van groene elektriciteit toeneemt en de productiekosten van groene waterstof dalen, wordt de transitie naar ‘groen’ voorzien).  In het kader van de waterstoftransitie zal mogelijk veel gebruik gemaakt gaan worden van waterstofdragers, zoals ammoniak. Het grootschalig gebruik van ammoniak (import, overslag, opslag, verwerken en transport) brengt veiligheids- en milieuvraagstukken met zich mee. De provincie staat voor een veilige en gezonde energietransitie. 

  • Het derde spoor betreft het stapsgewijs vervangen van fossiele grondstoffen voor toepassingen ten behoeve van chemie en industrie. Deze fossiele grondstoffen zullen vervangen worden door biomassa, recycling en gebruik van CO2 in combinatie met groene waterstof.  

Voor realisatie van deze sporen is er (extra) energie infrastructuur nodig op het gebied van o.a. elektriciteit, warmte / stoom, waterstof en CO2. De betreffende projecten van nationaal belang zijn opgenomen in het CES en worden door het Rijk geborgd in de landelijke structuur van het MIEK (meerjarenprogramma infrastructuur energie en klimaat). De provincie is hierbij betrokken en pakt tevens een regierol bij de regionale doorvertaling van het CES, zoals de CES Rotterdam-Moerdijk en de CES Verspreide Industrie/6e cluster.

3.1.5 Duurzaam Energiesysteem
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie werkt samen met netbeheerders, medeoverheden en andere partners aan een gezamenlijk, ingepast en volledig duurzaam energiesysteem in 2050. Met ‘energiesysteem’ wordt de vraag en aanbod van energie (opwek en gebruik) en de verbinding hiertussen bedoeld. Zoals transport, opslag en het omzetten van de ene soort energie naar een andere. Daaronder wordt warmte, elektriciteit, duurzame gassen en CO2 als grondstof en restproduct verstaan. De provincie werkt aan een (regionaal) energiesysteem dat klaar is voor de toekomst. Dit systeem:

  • 1.

    ontwikkelt zich in samenhang met diverse ruimtelijke en andere, op zichzelfstaande ontwikkelingen

  • 2.

    wordt zo goed mogelijk ingepast in de ruimte die er is

  • 3.

    wordt goed en slim gebruikt

Om tot een duurzaam energiesysteem te komen werkt de provincie met zeven leidende principes die zijn afgesproken in het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat 2.0:

  • Vraagreductie (energiebesparing)

  • Lokale opwek – waar mogelijk lokaal benutten van hernieuwbare bronnen

  • Kiezen voor de meest passende energiedrager (zoals elektriciteit, warmte, groen gas en water- stof).

  • Energievraag en -aanbod lokaal, regionaal en provinciaal trapsgewijs bij elkaar brengen

  • Maximale inzet op efficiënter benutten van energie-infrastructuur

  • Een toegankelijke energievoorziening voor iedereen

  • Samenhang in energie en ruimte

Het energiesysteem in Zuid-Holland staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een groter systeem. Zo is er ook uitwisseling van energie met omringende provincies en andere landen. Alle onderdelen (centraal en meer verspreid) werken samen als één geheel.  Dit is van groot belang voor een gebalanceerd, robuust en betrouwbaar systeem.

Aanleiding

De provincie staat voor een grootschalige verbouwing van het energiesysteem. Deze beleidskeuze richt zich op het handelen van de provincie ten aanzien van het regionale energiesysteem in Zuid-Holland.

Uit de landelijke Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050 en de provinciale Systeemstudie Energie-infrastructuur Zuid-Holland 20‑30‑50 blijkt dat de komende 30 jaar in Zuid-Holland veel nieuwe energie-infrastructuur nodig is voor warmte, elektriciteit, duurzame gassen en CO2. Verandering in energievraag, energiedragers en toename van niet-regelbare opwek (zon en wind) in de toekomst zijn de grootste drijfveren voor aanpassingen aan de infrastructuur voor energie in Zuid-Holland.

Sectorale plannen voor onder meer wonen, werken en mobiliteit, en ambities voor verduurzaming, maar ook autonome maatschappelijke ontwikkelingen, leiden gezamenlijk tot een verschuivende vraag naar regionale energie-infrastructuur. Dat resulteert bijvoorbeeld in toenemende congestie op het elektriciteitsnet. Er ligt een grote uitdaging om al die ontwikkelingen, zoals de laadbehoefte van elektrische mobiliteit, opwek van zon en wind en duurzame verwarming van de gebouwde omgeving in Zuid-Holland energetisch en ruimtelijk te accommoderen. Ook de verwachte toename van koelvraag speelt een rol in de opgave voor het energiesysteem.

Zuid-Holland kent tegelijk veel potentie voor geothermie en industriële restwarmte om te benutten voor verwarming van de gebouwde omgeving en de glastuinbouw. Duurzame gassen als waterstof zijn met name voor de industrie toepasbaar, waarvoor de waterstofbackbone  (nationaal hoofdtransportnet voor waterstof) nieuwe kansen biedt. De transitie vraagt dus steeds vaker integrale afwegingen voor de inzet van de juiste energiedragers op de juiste plekken en voor de juiste toepassingen.

Motivering Provinciaal Belang

Een robuust, duurzaam energiesysteem is een essentiële conditie voor tal van provinciale doelen en opgaven. Het is randvoorwaardelijk voor een sterke regionale concurrentiepositie waarin een brede welvaart, wonen en werken kunnen worden gefaciliteerd – ook in de toekomst.

In het nationale klimaatakkoord is afgesproken dat in Nederland in 2030 en 2050 respectievelijk 55% en 95% minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. De provincie Zuid-Holland onderschrijft deze doelstelling. De transitie naar een duurzaam energiesysteem is van belang voor het behalen van nationale en sectorale klimaatdoelen.

De ontwikkeling en inpassing van het regionale energiesysteem is een vraagstuk met aanzienlijke ruimtelijke impact. De ruimte in de boven- en ondergrond wordt steeds voller in Zuid-Holland. Daarom is een goede ruimtelijke ordening en planning, met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, noodzakelijk.

Nadere uitwerking

De provincie werkt met partners in Zuid-Holland aan het tijdig ontwikkelen van voldoende capaciteit  in het energiesysteem. Daarmee helpen we Zuid-Holland op andere vlakken vooruit, zoals bij de woonopgave, opwekken van elektriciteit en de economische vitaliteit van de regio.

Efficiënt benutten, tijdige beschikbaarheid en ruimtevraag van het (geplande) energiesysteem is een belangrijk onderdeel van integrale afwegingen bij (ruimtelijke) ontwikkelingen in Zuid-Holland. Energie en ruimte beziet de provincie in samenhang, waarbij het energiesysteem een meer sturende rol krijgt in de ruimtelijke ordening. Er wordt op gelet dat de ontwikkelingen in het energiesysteem passend zijn in totale (ruimtelijke) opgave en vice versa. Proactief ruimte zoeken voor toekomstige uitbreiding van het systeem en het sturen op het vestigen van energie-intensieve activiteiten op basis van energieprofielen zijn mogelijkheden hiervoor.

De snelle verandering van het energiesysteem leidt tot een integraal programmeringsvraagstuk. Niet alles kan overal én tegelijk. De provincie initieert daarom een integraal programmeerproces voor het energiesysteem, het provinciaal Meerjarenprogramma Energie en Infrastructuur (pMIEK). Met dit pMIEK wordt toekomstige energie-infrastructuur, als onderdeel van het energiesysteem, geprogrammeerd in samenhang met de vraag- en aanbodsectoren van energie. Er wordt 2-jaarlijks een actualisatie van het pMIEK opgesteld. Door in het proces af te stemmen met sectoraal beleid worden sectorale doelen en ruimtelijke ontwikkelingen beter in lijn gebracht met de ontwikkeling van benodigde energie-infrastructuur. Belangrijke regionale projecten komen daarmee tijdig en ruimtelijk ingepast tot realisatie.

De extra benodigde capaciteit heeft een aanzienlijk fysiek ruimtebeslag, terwijl in Zuid-Holland de ondergrondse ruimte steeds voller en de bovengrondse ruimte steeds schaarser wordt. Om het gewenste toekomstige energiesysteem, dat zowel duurzaam en robuust als betrouwbaar en flexibel is, te verwezenlijken heeft de provincie een aantal leidende principes en structurerende keuzes vastgesteld. De leidende principes kunnen als algemene spelregels voor de ontwikkeling van het toekomstige energiesysteem beschouwd worden.

De voorbereiding en aanleg van nieuwe energie-infrastructuur duurt vaak lang, vergt ruimte en brengt maatschappelijke kosten met zich mee voor arbeid en materialen. Om de behoefte aan opwek en schaarse transportcapaciteit te beperken en overmatige maatschappelijke investeringen te voorkomen, zet de provincie als eerste in op het reduceren van de vraag. Ten tweede beperken we  de vraag naar transportcapaciteit door in te zetten op het waar mogelijk (lokaal) benutten van hernieuwbare bronnen. Hierbij kan gedacht worden aan lokaal toepassen van geothermie of restwarmte. Lokale, decentrale elementen (decentrale opwek/ lokale warmtebronnen, conversie en opslag) worden bij voorkeur toegepast voor lokaal gebruik, maar zijn verbonden met centrale elementen (onder meer hoge netvlakken en piekvoorzieningen) in het geïntegreerde toekomstige systeem.

Voor het faciliteren van energievraag die niet bespaard kan worden, zetten we in op het geografisch dicht bij elkaar realiseren van vraag en aanbod. Dit kan in de toekomst leiden tot clustering van energie-intensieve bedrijvigheid waar dit vanuit het oogpunt van een efficiënt energiesysteem logisch is. 

Naast het bouwen van nieuwe stations en tracés is efficiënter en slimmer gebruik van het energiesysteem nodig om de benodigde capaciteit voor alle energiedragers te realiseren. De pieken en dalen in de netbelasting zijn van korte duur. Er kan slimmer worden omgegaan met de beschikbare capaciteit door de gebruiksmomenten te spreiden, bijvoorbeeld in energiehubs of door de inzet van opslagsystemen met een netcongestieverzachtend effect. Elektriciteitsopslagsystemen (vanaf nu: EOS) kennen verschillende toepassingsmogelijkheden; het balanceren van het hoogspanningsnet en het spreiden en verlagen van pieken in vraag en aanbod. Hierdoor wordt de impact op het bestaande net en de behoefte aan uitbreidingen beperkt. Tegelijkertijd leggen EOS beslag op schaarse ruimte. Daarom streven wij naar de ontwikkeling van EOS waar dit bijdraagt aan efficiëntie en balancering van energiesysteem.

De provincie zet in  op de meest passende energiedrager voor de energievraag, waarbij vanuit een integrale benadering van het energiesysteem robuustheid en leveringszekerheid ook in ogenschouw genomen worden. Besparen van energie is de eerste stap. Voor verduurzaming van de resterende warmte- en koudevraag gelden daarbij het afwegingskader warmte-koude.  In het programma wordt uitgewerkt hoe de provincie dit afwegingskader hanteert. In het toekomstig energiesysteem hebben duurzame gassen een rol bij seizoensopslag van energie, conversie en opslag in energiehubs, het verduurzamen van industriële processen, mogelijk het leveren van piekwarmte, inzet in WKK’s (warmte-krachtkoppeling) en bij het aandrijven van zware mobiliteit.

Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen hebben wij oog voor de toegankelijkheid van de energievoorziening voor iedereen. Ons toekomstig energiesysteem biedt ruimte aan initiatieven en betrokkenheid van burgers, bedrijven en instellingen, en zorgt dat iedereen deel kan nemen aan de energietransitie.

De provincie vraagt gemeenten bij (ruimtelijke) ontwikkelingen rekening te houden met het energiegebruik (zowel vraag, aanbod en transport) passend bij het energiesysteem, en welke gevolgen er zijn voor het beheer en beschikbaarheid van de energie(-infrastructuur) en daarnaast zorg te dragen voor het reserveren van benodigde ruimte voor energie-infrastructuur.

3.1.6 Kernenergie
Wat wil de provincie bereiken?

Zuid-Holland is een energie-intensieve provincie en voor de energietransitie van de bebouwde omgeving en de industrie is een ruime en betrouwbare beschikbaarheid van CO2 neutrale energie van levensbelang. De provincie sluit daarom op voorhand geen enkele CO2-emissievrije techniek uit.

De energiemix van de toekomst vraagt om stabiele, duurzame en betrouwbare bronnen. Kernenergie kan een bijdrage leveren aan deze toekomstige energiemix. Daarnaast kan het de afhankelijkheid van fossiele import buiten Europa verminderen. De provincie wil de potentie van kernenergie in de energiemix binnen de provincie verder onderzoeken en verkennen. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar kleine kerncentrales (SMR’s).

Aanleiding

Om de mondiale en nationale afspraken over het beperken van klimaatverandering te realiseren is het van belang dat er voldoende CO2 neutrale energiebronnen beschikbaar zijn. Daarnaast belemmert de snel wisselende elektriciteitsprijs in samenhang met netcongestie de voortgang van de energietransitie van de Zuid-Hollandse industrie. Als dichtbevolkte en economisch krachtige provincie met grote steden, havens en industrieën, is Zuid-Holland kwetsbaar bij een energiemix die te afhankelijk is van het buitenland. Daarom is energie-autonomie van belang voor Zuid-Holland om de afhankelijkheid van het buitenland te verkleinen en de regionale veerkracht te vergroten.

Motivering Provinciaal Belang

Zuid-Holland is een energie-intensieve provincie en voor de energietransitie van de bebouwde omgeving en de industrie is een ruime en betrouwbare beschikbaarheid van CO2 neutrale energie van levensbelang. De provincie sluit daarom op voorhand geen enkele CO2-emissievrije techniek uit.

In het nationale klimaatakkoord is afgesproken dat in Nederland in 2030 en 2050 respectievelijk 55% en 95% minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. De provincie Zuid-Holland onderschrijft deze doelstelling en ziet hiervoor ook mogelijkheden door kernenergie te overwegen in onze energiemix.

In zowel het Ruimtelijke Voorstel (Ruimtelijk Koers voor een toekomstbestendig Zuid-Holland) als het Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland in 2050 wordt het voornemen om de mogelijkheid voor kernenergie te onderzoeken genoemd. Het provinciale Toekomstbeeld schetst het gewenste eindbeeld van een volledig duurzaam, robuust en geïntegreerd energiesysteem, waarbij decentrale en centrale elementen elkaar versterken.

Het onderwerp kernenergie raakt aan meerdere van de provinciale kerntaken. Het gaat hierbij onder andere om de ruimtelijk ordeningen het regionaal energiesysteem. Daarnaast heeft de provincie een verbindende rol tussen gemeenten daar waar het gaat om regionale problematiek en belangen. 

Nadere uitwerking

De ontwikkeling en inpassing van kerncentrale is het regionale energiesysteem is een vraagstuk met aanzienlijke ruimtelijke impact. De ruimte in de boven- en ondergrond wordt steeds voller in Zuid-Holland. Daarom is een goede ruimtelijke ordening en planning, met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, noodzakelijk. Daarnaast heeft de mogelijke inpassing van Small Modulair Reactors (de zogenaamde  SMR’s) en / of grote kerncentrales in het regionaal en landelijk energiesysteem een forse impact op dit systeem. 

Kleine kerncentrales (SMR’s)

SMR's zijn kleine kernreactoren, ze vormen een nieuwe generatie kernreactoren die kleiner en flexibeler zijn dan traditionele kerncentrales. Belangrijkste kenmerken zijn: Compact formaat, ze worden in fabrieken gebouwd en vervolgens naar de locatie vervoerd, wat de bouwtijd en -kosten zou moeten verlagen. Schaalbaarheid, meerdere SMR's kunnen naast elkaar worden geplaatst, afhankelijk van de energiebehoefte. Flexibele inzet, ze kunnen worden ingezet op afgelegen locaties of als aanvulling op bestaande energie-infrastructuur. De energieoutput van SMR’s kan variëren van enkele MWe tot enkele honderden MWe afhankelijk van de soort.

Er bestaan binnen Europa nog geen in werking zijnde SMR’s. Daarom moeten diverse vraagstukken met betrekking tot voor veiligheid, bevoegd gezag en dergelijke nog worden uitgewerkt. Hiervoor participeert de provincie Zuid-Holland in het landelijke SMR-traject van het Rijk. Nadat de uitkomsten van dit traject bekend zijn zal de provincie een potentie onderzoek doen naar de plaatsing van small modulair reactors in de provincie Zuid-Holland.  Daarnaast zal bij relevante organisaties zoals omgevingsdiensten de kennis van kerncentrales moeten worden opgebouwd.

Grote kerncentrales

Voor grote kerncentrales heeft het Rijk de ambitie uitgesproken om in totaal 4 nieuwe centrales te bouwen (van 1,1 tot 1,6 GW per stuk). De procedure is gestart voor de eerste twee kerncentrales. Via een integrale effect analyse en een milieueffectrapportage wordt door de minister in 2026 bepaald welke locatie de voorkeur krijgt. Het gaat om Borssele, Terneuzen en Vlissingen in Zeeland, Eemshaven in Groningen of de tweede Maasvlakte in Zuid-Holland. Het Rijk is zowel de initiatiefnemer als het bevoegde gezag voor deze kerncentrales.

Beleidsdoel 4.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

4.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

De provincie staat voor een toekomstbestendige economie met een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor haar ondernemers en inwoners. De provincie geeft economisch beleid vorm, zodat het bijdraagt aan brede welvaart voor alle Zuid-Hollanders. Dat betekent versnelling van de transitie naar een economie die duurzaam, innovatief en inclusief is:

  • Een duurzame economie is een economie die uiteindelijk geen uitstoot heeft, en die gebaseerd is op een circulair energie- en grondstoffensysteem (onder andere voor stroom, warmte, CO2 en waterstof). Tot die tijd beweegt de economie zich binnen de grenzen van het klimaatakkoord van Parijs, EU richtlijnen en Nederlandse wetgeving over lucht- en waterkwaliteit en beperking van schadelijke stoffen in het milieu.

  • Een innovatieve economie heeft een sterke kennis- en concurrentiepositie, het vermogen om transities het hoofd te bieden en een vestigingsklimaat te creëren dat aantrekkelijk is.

  • Een inclusieve economie heeft gelijke kansen voor iedereen, waarin iedereen en elke regio meetelt, meedoet en op een prettige en gezonde manier kan leven.

De bijdrage aan brede welvaart en een duurzame, innovatieve en inclusieve economie bepaalt in steeds belangrijker mate de ‘license to operate’ van bedrijven. Deze ‘license to operate’ kan worden vertaald als een combinatie van maatschappelijk, politiek en juridisch draagvlak of legitimiteit. Dit draagvlak vormt het afwegingskader voor economische activiteiten waarvoor steun en ruimte wordt geboden. De provincie ondersteunt bedrijven in de transitie naar 'toekomstbestendigheid'. Toekomstbestendige bedrijven kunnen aanspraak maken op de steun van de provincie en de (toekomstige) ruimte in Zuid-Holland. De provincie gaat werken aan een met de tijd strenger wordend afwegingskader welke bedrijven een 'license to operate' hebben en van welke bedrijven zij verwacht dat hun ruimte, arbeid en kennis beschikbaar komt voor wél toekomstbestendige bedrijven.

Innovatieve Economie
In de provincie Zuid-Holland worden het innovatiemogelijkheden onvoldoende benut. Dit terwijl er een extra uitdaging ligt in de verandering naar een duurzame, inclusieve, circulaire en digitale economie. De provincie wil de innovatiemogelijkheden daarom beter benutten. Zo kan ze (brede) welvaart behouden en liefst verhogen, én het mogelijk maken dat bedrijven een grotere bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

Daarnaast zorgt innovatie ervoor dat er een klimaat ontstaat waarin bedrijven zich graag willen vestigen: innovatie is belangrijk voor het behoud van de economische positie van Zuid-Hollandse bedrijven. Door innovatie kunnen concurrentievoordelen worden behaald en kan meer toegevoegde waarde worden gegenereerd voor economie en maatschappij, hier en ergens anders.

Innovatie aanmoedigen doet de provincie door het werkveld van vernieuwende bedrijven te ondersteunen en sterker te maken. Dat betekent dat de provincie kijkt naar de ‘omgeving’ waarin bedrijven werken, om daarbij aan te sluiten met haar beleid. De provincie is de aangewezen laag om dit werkveld te laten groeien en de samenwerking tussen (grote en kleine) bedrijven, kennisinstellingen en overheden te bevorderen. Bovendien komen innovaties vaak niet of trager tot stand zonder ondersteunende overheidsmaatregelen (marktfalen). Voor innovaties die bijdragen aan de overgang naar een duurzame economie is daarnaast vaak sprake van ‘transitiefalen’ (bv. hoge kosten van nieuwe technologieën omdat er in de basis nog geen markt voor bestaat).

Provincie Zuid-Holland heeft aandacht voor alle soorten bedrijven. Veranderingen zijn namelijk pas succesvol als niet alleen een kopgroep innovaties ontwikkelt, maar ook het ‘peloton’ van het brede mkb én de grote bedrijven meegaat in de overgang. Het innovatieve midden- en kleinbedrijf (mkb), - vooral binnen de topsectoren van Zuid-Holland - vervult een belangrijke rol als plek waar vernieuwende producten ontstaan. Grote bedrijven hebben meestal geen hulp nodig, maar zijn wel interessant als sterke partners in een overgang. Het brede mkb vormt de ruggengraat van de lokale en regionale economie, waarin ze ook geworteld zijn.

De provincie Zuid-Holland versterkt kennis en innovatie in het werkveld door de inzet van 5 beleidsmaatregelen:

  • Strategische samenwerking om een innovatieve economie te aan te moedigen, door ondersteuning van haar Regionale ontwikkelingsmaatschappij Innovation Quarter en de Economic Board Zuid-Holland.

  • Campussen en fieldlabs sneller ontwikkelen waardoor innovatie makkelijker kan plaatsvinden.

  • Versterken van netwerken gericht op kennis en innovatie.

  • Innovatie stimuleren binnen en tussen specifieke clusters, zoals Life Sciences & Health, Industriële biotechnologie, Defensie of Aerospace.

  • Innovatie stimuleren in het MKB.

Transitie van de tuinbouw
De tuinbouw is één van de economische topsectoren in Nederland. Zuid-Holland is met een groot deel van de Nederlandse teelt, de meeste bedrijfsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling, en het grootste deel van de handelsbedrijven en logistiek, dé tuinbouwprovincie van Nederland. De tuinbouw levert de nationale en regionale economie veel op, maar heeft tegelijkertijd invloed op het ruimtegebruik, de transportbewegingen, de leefomgeving en de waterkwaliteit. Daarnaast gebruikt de tuinbouw nu nog veel (fossiele) energie. Dit wil de provincie versneld veranderen zodat de tuinbouw ook in de toekomst een duurzaam verdienmodel binnen onze provincie heeft.

De provincie zet daarom in op:                                                                                                                                 

  • Bevorderen van duurzame tuinbouwgebieden: gebieden die aan de wettelijke kaders en randvoorwaarden voldoen. Dit met als belangrijkste doel om een klimaat neutrale sector te zijn in 2040, en de doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen.

  • Verbeteren duurzaam verdienmodel: binnen de wettelijke kaders en randvoorwaarden op het gebied van water, biodiversiteit, natuur, klimaat en circulariteit, met een goede balans tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en duurzame inzetbaarheid van flexibele arbeidskrachten.

  • Bevorderen netwerksamenwerking: door samenwerking in de regionale Greenports, het landelijke netwerk Greenports Nederland en in andere (internationale) netwerken. Men kan zo voordeel hebben van clusterkracht, kennisdeling, gezamenlijke lobby en belangenbehartiging. Dit leidt tot samenwerkingsvoordelen en een versterkte concurrentiepositie.

De provincie past hiervoor de volgende hulpmiddelen toe:

  • Netwerkkracht. Actieve deelname aan de triple helix organisaties van de regionale Greenports en Greenports Nederland en het Europese netwerk ERIAFF.

  • Gebiedsgericht werken. Samen met de tuinbouwpartners het beleid, met behulp van geld en hulpmiddelen, vertalen in een per Greenport samenhangend uitvoeringsprogramma met (gebiedsgerichte) projecten en maatregelen.

  • Ondersteunen van projecten die de transitie van de tuinbouw versnellen.

  • Wetgeving via omgevingsverordening.

  • Monitoring, dataverzameling en kennisontwikkeling.

Transitie van het Havenindustrieel Complex
Het Havenindustrieel complex (HIC) bestaat uit een grootindustrieel complex, een logistieke hub en een maritiem cluster. De provincie Zuid-Holland wil eraan bijdragen dat het HIC in Rotterdam, de verspreide industrie en het maritieme cluster in Zuid-Holland klimaatneutraal, circulair en slim werken. Dit vraagt om een overgang naar een economie waarin minder tot helemaal geen broeikasgassen worden uitgestoten, de stikstofuitstoot wordt verminderd en minder natuurlijke grondstoffen worden gebruikt. Hierbij is het belangrijk om een goed vestigingsklimaat te behouden voor de bedrijven en (startende) ondernemers in de industrie en het maritieme cluster. Belangrijk is dat hierbij wordt gelet op de invloed op de omgeving, de nodige (milieu)ruimte en hoogwaardige toepassing en hergebruik van grondstoffen/materialen.

De provincie gaat daarvoor innovaties ondersteunen en duurzame investeringen bevorderen. Daarnaast zal zij ervoor zorgen dat netwerken en samenwerkingsverbanden versterken, en bijdragen aan het op orde brengen van randvoorwaarden. Dit doet de provincie met de inzet van haar economisch- en innovatie instrumentarium, haar ruimtelijke instrumentarium, haar taken op het gebied van infrastructuur en milieu, en de lobby en samenwerking in de Europese Unie en bij het Rijk.

De provincie zet zich als onderdeel van dit beleid ook in voor het behoud, de versterking en de verduurzaming van de Zuid-Hollandse maritieme sector. De provinciale inzet komt grotendeels inhoudelijk voort uit de Regionale Maritieme Agenda en draagt bij aan de nationale Sectoragenda Maritieme Maakindustrie.

Digitale economie
Het gebruik van digitalisering in de economische sectoren in Zuid-Holland heeft grote gevolgen. Door het gebruik van digitalisering zijn processen efficiënter geworden en zijn er nieuwe businessmodellen gekomen in bijna alle sectoren. De provincie weet dat sterke sectoren zoals het havenindustrieel complex, maakindustrie en de tuinbouwsector in de komende 10-15 jaar hun manier om geld te verdienen sterk zullen veranderen en dat digitalisering hier een rol in speelt.  

De provincie wil zorgen voor een goede ondersteuning van de economie bij deze digitale verandering en dat alle sectoren de juiste digitale voorwaarden hebben. De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:  

  • Innovatieve manieren om geld te verdienen door gebruik te maken van innovatieve digitale technieken.

  • Verbeteren van het vestigingsklimaat voor de digitale economie.

  • Bijdragen aan de digitale verandering voor het hele mkb en tussen sectoren.

  • Vastleggen en versterken van publieke waarden in de digitalisering van de Zuid-Hollandse economie.

  • Verbeteren van de digitale weerbaarheid van de Zuid-Hollandse economie.

Circulair Zuid-Holland
In april 2024 stelde de provincie de nieuwe strategie “Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland” vast. Hierin geeft de provincie aan hoe zij toewerkt naar 50% circulair in 2030 en een volledig circulaire samenleving in 2050. Met deze strategie komt de provinciale aanpak in een nieuwe fase. Hierbij ligt de nadruk op de invloed. De provincie richt zich daarbij naast de koplopers ook in het bijzonder op de brede groep daarachter. Zij zet aan de ene kant in op zaken waar de provincie een verschil kan maken. En aan de andere kant waarbij circulair bijdraagt aan de oplossing van meerdere maatschappelijke vraagstukken waar de provincie aan werkt. De transitie naar een circulaire economie zorgt voor nieuwe bedrijvigheid en daarmee nieuwe ruimtevragers. Ook de ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid zal veranderen.Dat betekent ook dat de rol van de provincie verandert. Eerst zorgde zij ervoor dat alles in beweging kwam, nu verbindt de provincie vraagstukken vaker met elkaar. Daarnaast stelt de provincie kaders en geeft zij opdrachten.

Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen
Economie en ruimte zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor een toekomstbestendige economie is een aantrekkelijk vestigings- en ondernemingsklimaat met voldoende fysieke ruimte nodig. Daarnaast leidt de ontwikkeling naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie tot andere eisen en wensen die we stellen aan deze ruimte. De ruimte voor economie is schaars in Zuid-Holland. Dat betekent dat we niet meer vanzelfsprekend ruimte faciliteren op basis van ramingen en prognoses, maar gericht kijken naar de bijdrage van economische ontwikkelingen aan brede welvaart en het Zuid-Hollandse ecosysteem. Dit bepaalt in steeds belangrijker mate het draagvlak voor bedrijfsactiviteiten. Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit zijn de pijlers van een toekomstbestendige economie en krijgen prioriteit bij de verdeling van de ruimte. Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit staan niet los van elkaar; ze kunnen elkaar versterken en leiden samen tot brede welvaart. Tegelijkertijd kunnen ze ook op gespannen voet met elkaar staan bij het maken van ruimtelijke keuzes. Bij de verdeling van de ruimte voor economie geven we daarom prioriteit aan de volgende activiteiten: 

  • 1.

    Basiseconomie en strategische belangen: De ‘basiseconomie’ heeft voldoende ruimte nodig. Dat gaat om maatschappelijke en nutsvoorzieningen en stadverzorgende bedrijvigheid die noodzakelijk is voor het functioneren van onze samenleving. Daarnaast gaat het om activiteiten die vanwege hun (nationale) strategische belang een bijdrage leveren aan onze strategische autonomie.

  • 2.

    Circulaire economie: We maken ruimte voor activiteiten die bijdragen aan de transitie naar een circulaire en klimaat neutrale economie, waarin het hergebruik van producten en grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen het uitgangspunt is. 

  • 3.

    Kennis- en innovatie-ecosystemen, technologische maakindustrie en toegevoegde waarde: Voor ons toekomstig verdienvermogen zetten we in op onze sterke kennis- en innovatie-ecosystemen en de technologische maakindustrie. We geven daarbij prioriteit aan activiteiten met een hogere toevoegde waarde voor de samenleving en economie en een compact ruimtebeslag. 

Bedrijventerreinen
Bedrijventerreinen zijn een cruciale schakel in het economisch functioneren van Zuid-Holland. De ca. 26.000 bedrijven op bedrijventerreinen zijn samen goed voor bijna 1/3 van de totale werkgelegenheid en de toegevoegde waarde in de provincie. Bedrijventerreinen zijn daarnaast dé locaties waar hinder veroorzakende functies zich kunnen vestigen. Daarmee zijn het ook dé plekken waar de transities naar een duurzame en circulaire economie vorm moet krijgen. De uitbreidingsruimte voor nieuwe bedrijventerreinen is beperkt, omdat wonen en werken zich moeten ontwikkelen binnen de beschikbare ruimte, inclusief de i 3ha-locaties. Daarom moet de beschikbare ruimte zorgvuldig worden beschermd en beter worden benut. Tegelijkertijd hebben bestaande bedrijventerreinen vaak nog ongebruikte mogelijkheden met betrekking tot ruimtegebruik, energietransitie en klimaatadaptatie en zullen bedrijventerreinen ook zelf moeten transformeren tot duurzame en circulaire werklocaties. Via het stellen van randvoorwaarden bij het faciliteren van de ruimte, wil de provincie voorrang geven aan bedrijven die bijdragen aan de overgang naar een duurzame, digitale en inclusieve economie en verbetering van het welzijn van de inwoners van Zuid-Holland.  

De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:  

  • Beter benutten en duurzaam functioneren van bedrijventerreinen. De provincie zet in op het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen onder andere door middel van meervoudig ruimtegebruik en maximale benutting van de beschikbare milieuruimte op bedrijventerreinen. Waar mogelijk wordt functiemenging onder voorwaarden mogelijk gemaakt, zoals bedrijven met een lage milieucategorie met woningbouw.  

  • Het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven op bedrijventerreinen. De provincie blijft ervoor waken dat (selectieve) vraag en aanbod van bedrijventerreinen in de regio’s in balans blijven en dat woningbouwplannen van gemeenten niet botsen met aanwezige bedrijven op bedrijventerreinen.  

  • Het stimuleren van circulaire en duurzame bedrijventerreinen door eigen duurzame opwekking en de realisatie van lokale warmtenetten. Ook kunnen deze terreinen bijdragen aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en recreatie.  

Van bedrijven die werken met arbeidsmigranten verwacht de provincie een menswaardig huisvestingsplan. Het in beeld brengen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding daarvan, is onderdeel van de totale huisvestingsbehoefte van arbeidsmigranten in de gemeente. Het is van belang dat de gemeente de huisvestingsbehoefte van en – mogelijkheden voor arbeidsmigranten (tijdelijk) werkzaam in de gemeente, en/of van arbeidsmigranten die langdurig in de gemeente wonen of willen wonen, actueel houdt en opneemt in gemeentelijke Omgevingsvisie in het onderdeel economie (alsmede in het onderdeel over huisvesting).  

Vanuit het oogpunt van optimale benutting van de ruimte voor ondernemen op bedrijventerreinen beperken we menging van kwetsbare functies op bedrijventerreinen met een hogere milieucategorie tot een minimum. Bedrijventerreinen met een hogere milieucategorie zijn primair bedoeld voor bedrijven die vanwege hun zwaardere type bedrijfsvoering zijn aangewezen op de hogere milieugezoneerde gebieden en kunnen bijzonder lastig gemengd worden met kwetsbare functies.

Kantoren
Nieuwe, grootschalige kantorenontwikkelingen worden op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken geconcentreerd. De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:

  • Het verminderen van het kantorenaanbod op minder kansrijke locaties.

  • Waar mogelijk het veranderen van leegstaande, incourante kantoren naar andere functies (wonen).

Detailhandel
Gezonde, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra zijn belangrijk voor de levenskwaliteit van onze inwoners. De provincie zet daarom in op:

  • Het versterken van de detailhandelsstructuur door deze kwalitatief te verbeteren.

  • Het garanderen van de bereikbaarheid door winkels zoveel mogelijk te concentreren in bestaande centra.

Human Capital
De provincie ambieert een beroepsbevolking die past bij de economie van de toekomst. Dit kan de provincie bereiken door her-, bij- en omscholing van 55.000 werknemers en flexwerkers. En door begeleiding naar toekomstbestendig werk van 10.000 mensen en voldoende stage- en werkplekken voor alle studenten. Dit zorgt ervoor dat onze bedrijven belangrijk blijven voor het aanbod van banen.

Beleidskeuzes van 4.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

4.1.1 Innovatieve economie
Wat wil de provincie bereiken?

Nederland, en hiermee dus ook Zuid-Holland, is een kenniseconomie. Dat is een economie waarin kennis, informatie en technologie een grote rol spelen en er veel waarde wordt gehecht aan onderwijs en onderzoek.  Door het toepassen van kennis is innovatie mogelijk. Het stimuleren van innovatie doet de provincie door kennisontwikkeling en kennisdeling tussen ondernemers, kennisinstellingen en overheden aan te moedigen en te ondersteunen. Denk aan het opzetten van samenwerkingsverbanden, helpen bij het ontwikkelen van digitale technologieën en het geheel of gedeeltelijk betalen van onderzoeksprojecten om de ontwikkeling van op de markt succesvolle nieuwe producten, processen en diensten (lees innovatie) mogelijk te maken.

De economie staat onder druk omdat deze nog sterk afhankelijk ius van fossiele brandstoffen en verouderder productieprocessen. Ook staat ze voor tal van uitdagingen, bijvoorbeeld op het gebied van stikstof, klimaat, schone en betaalbare energie of een gezonde en inclusieve leefomgeving. Geopolitieke ontwikkelingen zetten onze Europese manier van leven onder druk en vragen van bedrijven bij te dragen aan onze fysieke en cyberweerbaarheid. De provincie helpt de transitie naar een duurzame en digitale economie te versnellen door in te zetten op innovaties die daaraan bijdragen. Hiermee wordt de economie klaar gemaakt voor de toekomst.

Aanleiding

Zuid-Holland kent een brede en dynamische economie, en levert daarmee een forse bijdrage aan de nationale economie en het welzijn van de inwoners van Zuid-Holland. Belangrijke onderdelen van de Zuid-Hollandse economie zijn kennis en innovatie. Een sterk Kennis & Innovatie ecosysteem (zoals bijvoorbeeld het startup ecosysteem of het innovatie ecosysteem rondom de verschillende campussen) is belangrijk voor de kennis- en concurrentiepositie van Zuid-Holland en voor het vestigingsklimaat. Bovenal is een sterk Kennis & Innovatie ecosysteem van belang voor het vinden van oplossingen voor de maatschappelijke opgaves waar we in Zuid-Holland voor staan.

Maar zonder (publieke) investeringen stagneert het kennis en innovatie-niveau van Zuid-Holland. Innovaties komen vaak niet of trager tot stand zonder overheidsmaatregelen gericht op het stimuleren en faciliteren van innovatie. Er is daarmee sprake van marktfalen. Voor innovaties die bijdragen aan de transitie naar een duurzame economie is bovendien vaak sprake van transitiefalen: het speelveld bevoordeelt activiteiten die passen bij de dominante fossiele, lineaire en analoge economie ten opzichte van activiteiten gericht op een duurzame (en circulaire) en digitale economie.

Daarom investeert de Provincie, samen met andere overheden, ondernemers en kennisinstellingen in het stimuleren van een sterk Kennis & Innovatie ecosysteem en de technologische maakindustrie. We zetten in op de kennis en innovatie-ecosystemen, waar Zuid-Holland de sterkste uitgangspositie heeft en de meeste economische en maatschappelijke waarde kan toevoegen. We sluiten daarbij aan op de thema’s uit de Groeiagenda Zuid-Holland.

Motivering Provinciaal Belang

Het stimuleren van de regionale economie is door de nationale overheid bij de regio’s belegd. De provincies in Nederland geven hier uitvoering aan. De economie in Zuid-Holland staat onder druk om een transitie te maken naar een duurzame en digitale economie, waarbij brede welvaart en inclusie geborgd worden. Binnen de beleidskeuze Innovatieve economie, wordt uitvoering gegeven aan het stimuleren van innovatie en het versterken van de kennisinfrastructuur en de technologische maakindustrie.

Nadere uitwerking

Investeren in kennis en innovatie loont. Elke euro aan overheidsinvesteringen in kennis en innovatie resulteert in €9 toegevoegde waarde in de Nederlandse economie (Biggar, 2022). Juist voor het versnellen van de verschillende transities en bespoedigen van inclusie is kennis en innovatie belangrijk. Door oplossingen voor de transities te ontwikkelen, kennis te verspreiden en ondernemers te helpen innovaties toe te passen. De provincie Zuid-Holland versterkt het kennis & innovatie ecosysteem door de inzet van verschillende beleidsmaatregelen. Deze zijn:

  • 1.

    Strategische samenwerking om een innovatieve economie te stimuleren

  • 2.

    Innovatie infrastructuur versterken door de ontwikkeling van campussen en fieldlabs te versnellen en campussen te versterken

  • 3.

    Versterken van netwerken gericht op kennis en innovatie

  • 4.

    Innovatie stimuleren binnen specifieke clusters

  • 5.

    Innovatie stimuleren in het MKB

4.1.2 Transitie van de tuinbouwketen
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie Zuid-Holland versnelt de transitie naar een toekomstbestendig en duurzaam tuinbouwcluster om de toppositie te behouden. De provincie werkt aan het clusteren en concentreren van de glastuinbouw, met aandacht voor de internationale concurrentiepositie en het behoud van voldoende ruimte voor glastuinbouw als economisch cluster. Dit is een tuinbouwketen met minder schadelijke uitstoot naar bodem, lucht en water. En een internationaal concurrerende tuinbouwketen, waar bedrijven een gezond verdienmodel hebben.

De provincie zet hiervoor een mix van instrumenten in: het versterken van netwerken, financiële bijdragen, ruimtelijk beleid, regelgeving, dataverzameling en monitoring.

Aanleiding

Bedrijven in de tuinbouwketen dragen direct en indirect bijna 24 miljard bij aan de Nederlandse economie (Tuinbouwcijfers 2022, CBS). Ongeveer 70% van het tuinbouwcluster bevindt zich in Zuid-Holland. Hiermee is het tuinbouwcluster, na het haven industrieel complex, de 2e sector van de Nederlandse (en van de Zuid-Hollandse) economie. Tegelijk verbruikt de tuinbouw nog veel fossiele grondstoffen, gewasbeschermingsmiddelen en kunststoffen en staat de zoetwatervoorziening onder druk. Transitie van het tuinbouwcluster is nodig om de toppositie te behouden.  

Motivering Provinciaal Belang

Het tuinbouwcluster is gemeente-overstijgend, de provincie is verantwoordelijk voor de regionale economie en de ruimtelijke ordening op regionaal niveau. De provincie heeft vanwege haar positie in het netwerk, haar bevoegdheden en haar (ruimtelijk en financieel) instrumentarium een belangrijke regulerende, ontwikkelende, stimulerende en faciliterende rol in het versnellen van de transitie van de tuinbouw. Daarom zet de provincie zich al meer dan 20 jaar intensief in voor dit cluster.  

Nadere uitwerking

Zuid-Holland kent een diversiteit aan tuinbouwgebieden (die Greenports worden genoemd): 

Daarnaast zijn er glastuinbouwgebieden buiten de regionale Greenports

De Greenports vormen een belangrijke motor voor de Zuid-Hollandse en de Nederlandse economie. De combinatie van excellente teelt, de nabijheid van twee Mainports (haven Rotterdam en luchthaven Schiphol), een efficiënt logistiek systeem en de inzet op kennis en innovatie maakt dat Zuid-Holland internationaal een toppositie heeft als productie- en handelsgebied voor vers- en sierteeltproducten. De tuinbouwketen in Zuid-Holland is internationaal leidend voor wat betreft de ontwikkeling van nieuwe groente-, fruit- en plantensoorten en innoveert hierbij op het gebied van effectieve inzet van ruimte, energie en water. 

Tegelijkertijd verbruikt de tuinbouwketen nog veel fossiele grondstoffen (energie, vervoer),  nutriënten en chemische gewasbeschermingsmiddelen die deels uitspoelen naar het oppervlaktewater. Het cluster staat voor een grote opgave om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (2027) te halen en een tekort aan zoet water dreigt. Ook als het gaat om het sluiten van kringlopen en het hergebruiken van materialen moeten er nog stevige stappen gezet worden. De tuinbouw heeft in de Nationale Tuinbouwagenda 2019-2030 afgesproken om energieneutraal te zijn in 2040 en circulair in 2050. Dit betekent dat de sector in hoog tempo zal moeten transformeren naar duurzame productiegebieden, slimmer moet omgaan met grondstoffen, oplossingen moet vinden voor het tekort aan arbeid, en dat alles in betere synergie met de omgeving. 

De provincie Zuid-Holland voert meerjarig beleid op de versnelling van deze transities en heeft samen met ondernemers, kennisinstellingen en mede-overheden de Nationale Tuinbouwagenda 2019-2030 ondertekend. Het garanderen van een duurzame, innovatieve toekomst voor dit belangrijke economische cluster vraagt inzet van ondernemers, kennisinstellingen én overheden. De provincie heeft hiervoor een brede opgave geïdentificeerd met verschillende maatregelen, zowel regulerend via de verordening, als algemeen en gebiedsspecifiek. Hierbij gaat het om maatregelen ten aanzien van het ruimtelijk regime per Greenportregio en op het gebied van watervoorziening, biodiversiteit, klimaat, energietransitie, agrologistiek, innovatie, arbeid, circulariteit, samenwerking en internationalisering. 

4.1.3 Transitie van het Havenindustrieel Complex
Wat wil de provincie bereiken?

Het Havenindustrieel complex (HIC) bestaat uit een groot industrieel complex, een logistieke hub en een maritiem cluster en is van groot belang voor de economie.

Het HIC verkeert in een energietransitie, een grondstoffentransitie en een digitale transitie. De provincie Zuid-Holland wil deze transities en dit moderniseringsproces faciliteren en versnellen in samenwerking met mede overheden, Havenbedrijf Rotterdam, (vertegenwoordiging van) bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De provincie gaat daarvoor innovaties ondersteunen en duurzame investeringen stimuleren, organiserend vermogen van netwerken en samenwerkingsverbanden versterken en bijdragen aan het op orde brengen van randvoorwaarden. Dit doet de provincie met de inzet van haar economisch- en innovatie instrumentarium, haar ruimtelijk instrumentarium, haar taken op het gebied van infrastructuur en milieu en de lobby en samenwerking in Brussel en bij het Rijk.  

De provincie zet zich als onderdeel van deze beleidskeuze ook in voor het behoud, de versterking en de verduurzaming van het Zuid-Hollandse maritieme cluster. De provinciale inzet komt grotendeels inhoudelijk voort uit de Regionale Maritieme Agenda en draagt bij aan de nationale Sectoragenda Maritieme Maakindustrie.

Aanleiding
  • Mondiale en nationale afspraken over het beperken van klimaatverandering (klimaatneutraal in 2050)

  • Nationale afspraken over een volledig circulaire economie in 2050

  • Nationale doelen stikstofreductie: er is een NOx-emissiereductiedoel vastgesteld voor de sector industrie van 38% in 2030 ten opzichte van 2019.

  • Noodzaak om koploper te blijven in een mondiaal opererend logistiek en industrieel systeem en in het maritiem cluster.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie Zuid-Holland wil een aantrekkelijke en concurrerende provincie zijn. Een sterke, slimme en schone haven is één van de pijlers daarvan.

Het HIC is van grote betekenis voor Europa, en van groot economisch belang voor de provincie Zuid-Holland. Het HIC maakt deel uit van het provinciale weefsel op vele vlakken waaronder economie, transport, bereikbaarheid, energie, brede welvaart, milieu, gezondheid en veiligheid.

Voor de provincie is het van belang dat het HIC toekomstbestendig kan doorontwikkelen op een economisch en ecologisch gezonde wijze, zonder afwenteling op haar omgeving. De provincie hecht belang aan een blijvend strategisch sterke positie van het havenindustrieel complex in Europa.

De provincie onderschrijft de doelstellingen wat betreft klimaatneutraal en 100% circulair in 2050, en werkt daartoe samen met haar partners aan het vormgeven van de energietransitie, grondstoffentransitie, materialentransitie en digitale transitie in en om het HIC. De haven draagt bij aan de (verdere) reductie van CO2, stikstof en andere emissies.

Gelet op o.m. de schaarse (milieu)ruimte in Zuid-Holland en zeker ook in en om het HIC ligt hier een grote uitdaging. De provincie zet in op behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorie en watergebonden bedrijven(terreinen). De provincie hecht daarbij waarde aan de goede balans met de leefomgeving. Gezond, veilig en een hoge leefomgevingskwaliteit hebben voor de provincie topprioriteit. Ten aanzien van het maritieme cluster richt de provincie zich met name op het faciliteren van voldoende (milieu)ruimte voor en het versnellen van de transities in de maritieme maakindustrie en draagt daarmee substantieel bij aan de nationale Sectoragenda Maritieme Maakindustrie.

Om geschikte en passende arbeidskrachten aan te trekken voor de transitie van het HIC is de provinciale inzet op Human Capital in de haven en het maritieme cluster een zeer belangrijke randvoorwaarde.

Nadere uitwerking

De provincie zet in op een versnelling van de transitie naar een duurzame en digitale economie en naar een inclusieve economie met gelijke kansen voor iedereen. Versnelling van de transities is juist in Zuid-Holland nodig omdat de regionale economie sterk leunt op economische activiteiten waarbij gebruik gemaakt wordt van een lineaire productiewijze met behulp van veel fossiele grond- en brandstoffen. Het HIC en de maritieme maakindustrie brengen veel welvaart, maar om te kunnen blijven bijdragen aan het verdienvermogen én een inclusieve samenleving moet de transitie naar een duurzame en digitale economie versneld worden.

De Rotterdamse haven is de grootste haven van Europa. Ongeveer 45% van de overslag en verwerking bestaat uit natte bulkgoederen, voornamelijk fossiele olieproducten, waarmee Rotterdam een echte chemie- en energiehaven is.

Het HIC in Rotterdam en omgeving is één van de belangrijke mainports voor Nederland, heeft de grootste bijdrage aan de Zuid-Hollandse economie, is van groot belang voor de werkgelegenheid en dé plek waar de transities vorm (moeten) krijgen.  Direct en indirect is de haven goed voor 565.000 banen in Nederland, en 8,2% van het BNP.

De regio tot en met de Drechtsteden omvat een sterk en vitaal maritiem cluster. Met 152.000 medewerkers en een omzet van meer dan 66 miljard euro (2021) levert het regionale maritieme cluster een grote bijdrage aan de Zuid-Hollandse, Nederlandse en Europese economie en werkgelegenheid.

De wereldwijde afspraken over de beperking van de opwarming van de aarde en nationale afspraken over een volledig circulaire economie in 2050 plaatsen de haven voor de uitdaging om te veranderen naar een duurzame haven. Het behouden van een sterke positie in zowel een veranderend chemie- en energiespeelveld, het logistieke systeem en het maritieme clusterén het binden van (nieuwe) ketens aan de haven in balans met een goede leefomgeving zijn de uitdagingen voor de toekomst.

De provincie werkt ruimtelijke vraagstukken en milieu-ruimtelijke vraagstukken t.a.v. de transitie van de Haven momenteel met de samenwerkende partners uit binnen het traject NOVEX gebied Rotterdamse haven, in nauwe afstemming met andere genoemde trajecten en omliggende gemeenten.

4.1.4 Digitale Economie
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie Zuid-Holland wil de digitale transformatie van de economie versnellen, zodat zij digitaal innovatief en vernieuwend is én als zodanig wordt herkend. Het gaat hierbij om het doelgericht inzetten van digitale technologieën zoals AI, quantumtechnologie, cybersecurity en andere vormen van digitalisering. Dit om bedrijfsprocessen te verbeteren, arbeidsproductiviteit te verhogen en de concurrentiepositie van bedrijven te versterken. Deze versnelling is noodzakelijk om werk slimmer, sneller en kwalitatief beter te organiseren in een structureel krappe arbeidsmarkt, en om tegelijkertijd de transities naar een circulaire en duurzame economie te ondersteunen. Daarnaast is er aandacht voor maatschappelijke en ethische vragen rond digitalisering. 

Om de economische positie van Zuid-Holland te behouden en verder uit te bouwen, is het belangrijk dat ondernemers kunnen meekomen in deze digitale ontwikkelingen, ook ondernemers voor wie digitalisering niet altijd vanzelfsprekend is. Daarom zet de provincie in op het breed delen van kennis over digitalisering, digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, met specifieke aandacht voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Het doel is dat zoveel mogelijk ondernemers actief deelnemen aan de digitale transformatie, als basis voor een sterke economie en brede welvaart.

De provincie realiseert dit via samenwerking met ecosystemen, bedrijven, kennisinstellingen, gemeenten en andere partners, en met instrumenten zoals subsidies, coalitievorming en kennisdeling. Samenwerking is de sleutel naar een digitale toekomst. 

Aanleiding

Digitalisering verandert ons werk, verdienmodellen en hoe we (samen)leven. Gebruik en beschikbaarheid van technologie is bepalend voor de concurrentiepositie en veiligheid van de provincie en de manier van werken. De provincie zet zich daarom in om de digitale transitie van de economie te versnellen en om de regio als innovatieve digitale regio te profileren.  

In 2016 is het document de Roadmap Next Economy (RNE) gepubliceerd voor de Provincie Zuid-Holland. De RNE geeft aan dat er een belangrijke opgave ligt voor Zuid-Holland als het gaat om digitalisering en verduurzaming. Voor deze opgaven is het programma Digitale Economie gestart.

Motivering Provinciaal Belang

Klimaatverandering en snelle wereldwijde technologische ontwikkelingen, zorgen ervoor dat de economie in Zuid-Holland onder druk staat om een transitie te maken naar een duurzame en digitale economie. Europese wetgeving zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), Data act en Kunstmatige intelligentie (AI) act zorgen ervoor dat brede welvaart en inclusie geborgd worden tijdens deze verandering.

De digitale transitie biedt de provincie kansen om de economie via innovatie klaar te maken voor de toekomst. In samenwerking met haar regionale partners streeft de provincie ernaar een van de innovatiefste en economisch sterkste regio’s van Europa te blijven. Het stimuleren van de regionale economie is door de nationale overheid bij de regio’s belegd en de uitvoering daarvan bij de provincies.

Nadere uitwerking

De provincie zet zich in om de digitale transitie van de economie te versnellen en heeft hiervoor de volgende hoofdlijnen geformuleerd: 

  • 1.

    Digitale verdienmodellen 

    Digitalisering kan bedrijven helpen om efficiënter te werken, te innoveren en/of nieuwe markten aan te boren, wat kan resulteren in nieuwe verdienmodellen. De provincie ondersteund mkb-bedrijven actief bij hun digitale transformatie en faciliteren netwerken rond digitale innovaties zoals quantumtechnologie die economische kansen creëren. Zij zet actief in op het stimuleren van digitale innovaties door het bieden van netwerkondersteuning en het faciliteren van samenwerkingsverbanden, zoals fieldlabs. Deze initiatieven creëren een vruchtbare bodem voor de ontwikkeling en implementatie van innovatieve digitale technologieën en dragen bij aan het versterken van de innovatieve kracht van de regio.

  • 2.

    Verantwoorde digitalisering  

    De provincie zet digitalisering in voor publieke waarden om zo een positieve impact op de samenleving te hebben. Het gaat erom dat technologie op zo’n manier wordt toegepast dat duurzaamheid, verantwoord gebruik en inclusiviteit centraal staan. Door deze waarden centraal te stellen kan digitalisering economisch en maatschappelijk verantwoord ingezet wordt. Hierbij zal het afwegingskader gerichte groei een grote rol spelen, omdat de indicatoren een groot deel van de provinciale waarden afspiegelen. 

  • 3.

    Digitale Weerbaarheid  

    Het beschermen van de digitale infrastructuur en privacy is essentieel voor vertrouwen in de samenleving wat nodig is voor een bloeiende digitale economie. Samenwerking tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen is nodig om beveiligingstechnologieën te ontwikkelen en cyberweerbaarheid te vergroten. 

    Door de steeds sneller gaande technologische ontwikkelingen, toepassingen van het Internet of Things (IoT) en automatisering neemt de dreiging die uitgaat van cyberonveiligheid toe. Deze dreiging neemt zowel toe in aard als in omvang en dat levert onacceptabele risico’s op voor de Zuid-Hollandse economie. Uit onderzoek van de Rabobank blijkt de gemiddelde schade 300.000 euro te zijn en wordt 20% van de ondernemers jaarlijks geraakt door een aanval. Door op deze risico’s te anticiperen kunnen ze niet alleen tegen worden gegaan, maar zelfs ook worden omgebogen tot hoogwaardige economische kans door de cybersecurity sector te ondersteunen.  

    Daarnaast is digitale veiligheid en weerbaarheid een essentiële randvoorwaarde om welvarend te kunnen leven in een in hoge mate gedigitaliseerde maatschappij. Het inzetten op digitale autonomie onderstreept dit. 

4.1.5 Circulair Zuid-Holland
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil een volledige circulaire samenleving in Zuid-Holland bereiken in 2050, wat betekent dat we materialen en producten zo lang mogelijk gebruiken en steeds opnieuw inzetten, zodat we minder (nieuwe) grondstoffen nodig hebben. Als tussendoel wil de provincie dat in Zuid-Holland in 2030 50% minder primaire fossiele grondstoffen, mineralen en metalen gebruikt worden. De provincie werkt aan verschillende inhoudelijke thema’s waar zij het verschil kan maken. Dit doet de provincie met een transitieaanpak in samenwerking met medeoverheden, bedrijven, kennisinstellingen en andere organisaties en groepen die aan de transitie bijdragen.

Aanleiding

Een toekomstbestendig welvarend Zuid-Holland
De haven, onze industrie, land- en tuinbouw, woningbouw en infrastructuur, de energievoorziening. Het zijn sectoren waarin grote hoeveelheden grondstoffen en materialen omgaan. En aan de andere kant van het spectrum de energietransitie. Door minder gebruik te maken van fossiele brandstoffen wordt een belangrijke bijdrage aan de circulaire transitie geleverd. Tegelijkertijd: elektromotoren, windturbines, zonnepanelen, accu’s en elektrolyse-installaties zijn afhankelijk van kostbare en schaarse grondstoffen als lithium, koper, nikkel en platina. Van sommige van die grondstoffen is nu al bekend dat – wanneer er  niet wordt ingegrepen – de wereldvoorraden ontoereikend zullen zijn voor een globale energietransitie. Nu landen als China, Zimbabwe en Chili de export ervan controleren worden ze meer en meer de inzet van een geopolitiek spel. Anders omgaan met  grondstoffen én inzetten op strategische autonomie is daarmee essentieel. Het zorgt voor een toekomstbestendig Zuid-Hollands verdienmodel.

De provincie Zuid-Holland heeft een unieke positie in de circulaire transitie. Zuid-Holland is een diverse provincie met zowel landbouw als de meeste de meest verstedelijkte provincie van Nederland. Met de haven, industrie en Greenports is Zuid-Holland ook het economisch zwaartepunt van ons land. Daarnaast huisvest de provincie zowel vele (innovatieve) startups, MKB’ers als grote internationale bedrijven. Bedrijven die (inter)nationaal opereren of juist geworteld zijn in de vele regio’s van Zuid-Holland. Ook huisvest de provincie enkele toonaangevende kennisinstellingen van MBO tot WO die de kennis in huis hebben om de transitie aan te pakken. 

Met de grootte van de economie in Zuid-Holland is het dan ook geen verrassing dat Zuid-Holland verantwoordelijk is voor 30% van het grondstoffengebruik in Nederland. Dat aandeel maakt de provincie verantwoordelijk en geeft verantwoordelijkheid. Het doel is een halvering van het grondstoffengebruik in 2030. Dat is al halverwege de volgende collegeperiode. Op dit moment wordt er de provincie Zuid-Holland 17,5% minder primaire grondstoffen gebruikt voor onze productie in vergelijking met 2014. Er wordt dus meer gebruik gemaakt van circulaire grondstoffen, echter groeit de Zuid-Hollandse economie harder en worden er  per saldo niet minder maar steeds méér grondstoffen verbruikt. De provincie moet dan ook stevig aan de bak.

De transitie naar een circulaire economie zorgt voor nieuwe bedrijvigheid en daarmee nieuwe ruimtevragers. Ook de ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid zal veranderen. De ruimtevraag kan bijvoorbeeld gaan om locaties voor het winnen, opslaan, sorteren en verwerken van kritieke materialen, sloopmateriaal uit de bouw, groene grondstoffen of plastics. Circulaire bedrijvigheid, zowel van nieuwe als bestaande spelers, heeft echter moeite om in Zuid-Holland voldoende ruimte te vinden, maar is essentieel om de transitie naar een circulaire economie te realiseren. Daarom willen we ruimte bieden aan de circulaire economie. 

Gesloten akkoorden
De provincie ondersteunt de realisatie van het ‘Nationaal Grondstoffenakkoord’. Dit bevat afspraken om Nederland per 2050 een volledig circulaire economie te bezorgen, met als tussenstap 50 procent minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metaal) in 2030. Ook heeft de provincie Zuid-Holland verschillende akkoorden getekend die invloed hebben op verduurzaming en circulariteit in het inkoop- en aanbestedingsbeleid, waaronder de Green Deal Circulair Inkopen 2.0, de Green Deal Duurzaam GWW 2.0 en het Manifest Verantwoord Opdrachtgeverschap en Inkopen (MVOI). 

Motivering Provinciaal Belang

Zoals hierboven beschreven, heeft de provincie een aantal akkoorden gesloten met circulaire doelstellingen. Eén hiervan is het Nationaal Grondstoffenakkoord uit 2017, waarmee de provincie zich committeert aan een volledig circulaire economie in 2050. De provincie is daarnaast verantwoordelijk voor de regionale ruimtelijke ordening en regionale economie, die beide relevant zijn in de transitie naar een circulaire economie. Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie tevens verschillende taken en bevoegdheden waar circulariteit aan bod komt. Bijvoorbeeld in het toekomstbestendig bouwen van woningen, het beschermen van bedrijventerreinen voor circulaire industrie, vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en het verlenen van ontheffing of experimenteerruimte voor hergebruik van reststromen. 

Nadere uitwerking

Voordelen van een circulaire economie in Zuid-Holland

Een circulaire economie zorgt voor het voorkomen van verspilling van grondstoffen en materialen; er worden minder primaire grondstoffen gebruikt; grondstoffen, materialen en producten blijven langer in de loop; en het afval wordt gerecycled. Dit zorgt voor verschillende positieve effecten: 

  • De Zuid-Hollandse economie is minder afhankelijk van geopolitieke ontwikkelingen; 

  • Ondernemers in Zuid-Holland zijn minder afhankelijk van schaarse grondstoffen, hebben meer leveringszekerheid, blijven concurrerend en toekomstbestendig; 

  • Er wordt ruimte geboden aan nieuwe verdienmodellen en innovatieve ondernemers; 

  • De milieudruk wordt verminderd en zorgt voor een verbetering van de leefomgeving; 

  • Het zorgt voor een prettige en gezonde leefomgeving voor inwoners in Zuid-Holland. 

Inzet op impact
De provincie kiest voor thema’s of onderwerpen waar een verschil kan worden gemaakt. Door een directe bijdrage aan het doel bijvoorbeeld door grondstofstromen in kilo’s te reduceren, het behouden van kritieke materialen en nutriënten voor een gezonde bodem of het verminderen van milieudruk. Een andere manier van impact is dat het bijdraagt aan de systeemverandering die nodig is. Bijvoorbeeld doordat het beleid en regelgeving verandert, circulair ondernemen makkelijker wordt of dat kennis beter ontsloten wordt. Het ene doel behalen brengt soms het behalen van een ander doel in gevaar, denk bij voorbeeld aan energie-intensief hergebruik van beton. Die afweging wordt steeds integraal gemaakt. Hierbij wordt gekozen voor een impactvolle aanpak en thema’s die goed bij de rol, invloed, de regionale schaal en het economisch profiel van Zuid-Holland passen.

Dat betekent dat de inhoudelijke thema’s waar de provincie zich op richt, divers zijn. Een inhoudelijk thema kan een keten zijn, bijvoorbeeld zonnepanelen, voedselverspilling of meubels; een materiaal of grondstof, zoals beton of natuurlijke reststromen; een sector zoals tuinbouw of petrochemische industrie; of een cluster zoals maritieme maakindustrie of biobased bouwen. Ook wil de provincie in de komende periode meer aandacht geven aan de verschillende handelingsperspectieven die je kunt gebruiken om slimmer om te gaan met grondstoffen. Dan is het thema bijvoorbeeld kunststof retoursystemen of reparatie van elektronica. 

Transitieaanpak
De provincie gaat uit van een transitieaanpak. Een transitieaanpak vergt een andere sturing dan klassieke beleidsvelden. Sturing in transitie gaat om het geleiden van de beweging van links naar rechts in de X-curve. Deze curve bevat vier bewegingen: opbouw, ombouw, afbouw en voortbouw. Deze vier bewegingen spelen min of meer gelijktijdig, maar zijn allesbehalve gelijksoortig. Ze zijn voor een geslaagde (werkelijke) transitie ook allemaal nodig. 

  • Opbouw: gaat om het opkomen van nieuwe manieren van denken, doen en organiseren. 

  • Ombouw: gaat over bestaande elementen die nieuwe toepassingen krijgen of aangepast worden aan een veranderende context. 

  • Afbouw: gaat om manieren van denken, doen en organiseren die verdwijnen 

  • Voortbouw: gaat over institutionaliseren en normaliseringsprocessen. 

Zuid-Holland staat aan de beginfase van de transitie naar een circulaire economie en dus vaak in de opbouw/ombouw fase. Hierbij zijn innovatie, experimenten via bijvoorbeeld doorbraakprojecten, in beeld krijgen en agenderen van belemmeringen essentieel. Andere transities, zoals de energietransitie of klimaatadaptatie, bevinden zich al verder in de X-curve. 

Rolkeuze en interventies
Om de transitie te versnellen moet de provincie aan de slag. De provincie kan vanuit haar taken en rollen een omgeving creëren die de transitie – samen met anderen – verder brengt. Daarom bestaat de actieagenda uit acht bouwstenen.  Met deze bouwstenen wordt richting gegeven en focus aangebracht op de inzet van de provincie de komende jaren. De bouwstenen zijn gericht op het verbreden en versterken van de circulaire beweging én het steviger inzetten van de provinciale rollen en instrumenten om de transitie te stimuleren.  

De bouwstenen zijn als volgt: 

  • 1.

    Inclusieve transitie 

  • 2.

    Circulaire innovatie 

  • 3.

    Coalitie en netwerken 

  • 4.

    Ruimte 

  • 5.

    Circulaire organisatie 

  • 6.

    Financiering en subsidies 

  • 7.

    Beleid en monitoring 

  • 8.

    Vergunning, toezicht en handhaving 

In de maatregel ‘Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland’ en de maatregel 'Ruimte voor Circulaire Economie' worden de bouwstenen beschreven. 

4.1.6 Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie werkt aan een welvarend en krachtig Zuid-Holland met toekomstbestendige ruimte voor ondernemerschap. Zij geeft ruimtelijk-economisch beleid vorm, zodat het bijdraagt aan brede welvaart voor alle Zuid-Hollanders. Dat betekent dat de transitie naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie versneld wordt. Dit bepaalt in steeds belangrijker mate de ‘license to operate’ van bedrijven, en vormt daarmee de voorwaarde voor de keuzes en het bieden van ruimte voor economische activiteiten binnen Zuid-Holland. Een goed vestigingsklimaat met concurrerende, toekomstbestendige bedrijventerreinen, vitale, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra en een sterke kantorenmarkt dragen daaraan bij. Het gaat daarbij om voldoende werklocaties van de juiste kwaliteit en op de juiste plek. Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit krijgen daarbij voorrang bij de verdeling van de beschikbare ruimte. De provincie werkt daarom aan:

  • Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen;

  • Concentratie en bundeling van nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden;

  • Juiste kantoor op de juiste plek;

  • Selectief vestigingsbeleid voor grote ruimtevragers.

De provincie zet hiervoor verschillende instrumenten in. Zoals het opstellen van regels met betrekking tot de ruimte, maar ook door aanvullende maatregelen als subsidieregelingen, het delen van kennis en informatie, onderzoek, het organiseren van netwerken en het inzetten van ambassadeurs. Omdat de huidige vraagstukken vragen om meer dan (ruimtelijke) regels alleen past de provincie alle vier de vormen van overheidssturing uit het NSOB-kwadrantenmodel voor overheidssturing toe.

Aanleiding

De verantwoordelijkheid voor de regionale economie is gedecentraliseerd naar provincies. De ruimte in Zuid-Holland is schaars en die ruimte staat onder druk door vele functies die om ruimte vragen. Om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte beschikbaar blijft voor bedrijvigheid stelt de provincies regels op met betrekking tot de hoeveelheid ruimte die nodig is voor een gezonde, toekomstbestendige economie en de plek waar bedrijvigheid zich kan vestigen. Daarnaast hecht de provincie veel waarde aan vitale, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra en wil, om dat te bereiken, detailhandel concentreren in de centra, de detailhandelsstructuur versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en ook de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Op dit moment wordt ruim 30% van het bruto regionaal product van Zuid-Holland op de bedrijventerreinen gerealiseerd en zijn de terreinen goed voor ruim een derde van de werkgelegenheid in Zuid-Holland. Inclusief kantoren en detailhandel zijn de werklocaties goed voor ca. 50% van de werkgelegenheid. 

Motivering Provinciaal Belang

De Provincie Zuid-Holland streeft naar een toekomstbestendige economie die een bijdrage levert aan de brede welvaart voor alle Zuid-Hollanders. De provincie is verantwoordelijk voor de regionale ruimtelijke ordening en regionale economie. Ruimtelijk-economisch beleid vraagt om regionale afstemming. De keuze van de ene gemeente heeft al snel gevolgen voor de andere gemeente: bijvoorbeeld als het gaat om de hoeveelheid ruimte voor ondernemen (tegengaan van overcapaciteit, bijvoorbeeld bij detailhandelsontwikkelingen), ‘not in my backyard’ (NIMBY) gedrag (bij bijvoorbeeld ruimte beschikbaar stellen voor bedrijven met een hogere milieucategorie) of de juiste locatie (bijvoorbeeld kantoren, vooral op de toplocaties in Den Haag en Rotterdam en detailhandel concentreren en clusteren in het centrum). De provincie kan met haar ruimtelijk beleid lokale belangen overstijgen en effecten van nieuwe ontwikkelingen op elkaar afstemmen en waar nodig tegen elkaar afwegen. Hiermee wordt ook voor iedereen een gelijkwaardig en evenwichtig speelveld bevorderd.

Nadere uitwerking

Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen

Kwalitatief goede en voldoende bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Bedrijventerreinen zijn dé locaties waar hinder veroorzakende functies zich kunnen vestigen, zoals stadsverzorgende bedrijven (bouw, service, reparatiediensten), (stads)logistiek en (circulaire) industrie. Ook zijn het locaties waar mede de provinciale  natuur-inclusieve, circulaire en energie-neutrale doelen kunnen worden gerealiseerd:

  • Van de huidige bedrijventerreinen bestaat slechts 1% uit natuurlijke elementen. Als er niets verandert, zal de gemiddelde gevoelstemperatuur op een zomerse dag op een bedrijventerrein 40,8 graden zijn. (Bron: RIVM)

  • Bedrijventerreinen zijn met 60% van het Nederlandse grondstoffengebruik de geografische hotspots in de transitie naar een circulaire economie. (Bron: circulair.biz – een platform mede door de provincie opgericht).

  • Bedrijventerreinen die niet onder de 6 grote industriële clusters vallen, verbruiken samen 5% van het aardgas en 15% van de elektriciteit in Nederland. (Bron: CE Delft)

De provincie zet in op vier beleidslijnen: 

  • 1.

    Het behouden van het huidige aanbod van bedrijventerreinen.

  • 2.

    Het beter benutten van bedrijventerreinen

  • 3.

    Het verduurzamen van bedrijventerreinen (energieneutraal, circulair en natuur-inclusief)

  • 4.

    Selectief vestigingsbeleid grote ruimtevragers

1. Het behouden van het huidige areaal en het (harde en zachte plan)aanbod van bedrijventerreinen
De afgelopen jaren is de economische situatie snel veranderd, wat zorgt voor veel ruimtelijke dynamiek. De vraag naar ruimte is sterk opgelopen. Die toename is voor een deel toe te schrijven aan een groei van de economie, of doordat bestaande bedrijventerreinen transformeren naar een andere functie, zoals woningen. Ook door de transitie naar een circulaire, klimaatneutrale en duurzame economie ontstaan er nieuwe ruimtevragers. Deze nieuwe ruimtevraag richt zich voornamelijk op bedrijventerreinen: van gemengd stedelijk, tot industrieterreinen met een hoge milieucategorie (HMC) en watergebonden functies. 

De provincie hanteert de volgende sturende ruimtelijke principes:

  • 1.

    Een toekomstbestendige leefomgeving is topprioriteit;

  • 2.

    Hierbij wordt geaccepteerd dat niet voor alles ruimte is in Zuid-Holland;

  • 3.

    Er wordt gestuurd op kwaliteit en maximale maatschappelijke toegevoegde waarde;

  • 4.

    Er wordt rekening gehouden met de maatschappelijke kosten en baten op de korte en lange termijn.

Verder is hierin over ruimte voor economie opgenomen: De schaarste aan ruimte vraagt om keuzes. De provincie kiest er voor dat wonen en werken zich moeten ontwikkelen binnen de ruimte die daarvoor al is bestemd of gereserveerd. De provincie gaat voor kwaliteit en selectieve groei. Dat betekent dat er niet meer vanzelfsprekend ruimtelijk gefaciliteerd wordt op basis van ramingen en prognoses.

Aan de ene kant moet de economie zich dus ontwikkelen binnen de ruimte die beschikbaar is (en tot 2030 nog ontwikkeld kan worden) en aan de andere kant is er ook na 2030 meer ruimte nodig.  Vanwege de schaarse beschikbare ruimte voor de economie is het van belang om de bestaande en nog tot 2030 te ontwikkelen ruimte voor bedrijventerreinen te behouden en niet verder terug te laten lopen door transformatie naar andere functies.

Daarom beschermt de provincie bedrijventerreinen tegen transformatie naar andere functies. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • (onderdelen van) Bedrijventerreinen met MC 3 en hoger en/of watergebonden kavels kunnen niet langer (deels) gewijzigd worden naar andere functies;

  • (onderdelen van) Bedrijventerreinen met MC 1 en 2 kunnen ontwikkeld worden tot gebieden met een combinatie van functies, mits hierbij evenveel ruimte voor ondernemen in m2 en bedrijfscategorie terugkomt. Omdat deze m2 boven elkaar kunnen worden gerealiseerd, kan ruimte gemaakt worden voor andere functies. Vrijgespeelde ruimte wordt met voorrang ingezet voor het ontwikkelen van circulaire, natuur-inclusieve en energie-neutrale bedrijvigheid. Functiemenging is alleen mogelijk met functies die ondersteunend zijn aan het profiel van het bedrijventerrein. Er komen geen functies die de hoofdfunctie bedrijventerrein verdringen

  • Alleen indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is, kan bij uitzondering en in goed regionaal overleg een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk worden gemaakt;

  • Bestaande afspraken, zoals opgenomen in de aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisies en afgesloten woon-werk akkoorden en bestuursakkoorden, blijven van kracht. Voor de uitvoering van deze afspraken komt er een overgangsrecht.

    Daarnaast is er sinds 2023 een nieuw instrument toegevoegd: een minimale milieucategorie voor nieuw te ontwikkelen omgevingsplannen.

2. Het beter benutten van bedrijventerreinen
De ruimte in Zuid-Holland is schaars en de economie zal zich moet ontwikkelen binnen de bestaande ruimte en de ruimte die hiervoor is gereserveerd. Daarom is het belangrijk de beschikbare ruimte voor bedrijvigheid op bedrijventerreinen effectief en efficiënt te benutten. Voorbeelden van beter benutten zijn het (opnieuw) vestigen van een watergebonden bedrijf op een watergebonden kavel, benutting van de hoge milieu categorieën, het weren of verplaatsen van bepaalde typen bedrijven (bouwmarkten, speelparadijzen en tuincentra) op terreinen die geschikt zijn voor een hogere milieucategorie/-zone of watergebonden bedrijventerreinen, het benutten van het volledige bouwvlak en toegestane bouwhoogte, ander meervoudig ruimtegebruik (parkeren, waterberging, energie, groene gevels en daken) en het weer in gebruik nemen van zeer langdurig leegstaand vastgoed. Ook het realiseren van een groene en klimaat-adaptieve omgeving op bedrijventerreinen hoort daarbij.  

Bovenstaande voorbeelden laten zien dat beter benutten nauw verbonden is  met de opgaven rond het behouden van voldoende ruimte voor bedrijventerreinen en daarbinnen voldoende ruimte maken voor de toenemende ruimtevraag en het verduurzamen van bedrijventerreinen.  

Om aan beter benutten een impuls te geven hanteert de provincie een maximale benutting milieugebruiksruimte in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Deze regel geldt voor zowel nieuwe als bestaande bedrijventerreinen. Hierbij ligt ook veel verantwoordelijkheid bij gemeenten. Handhaven, accountmanagement en goede omgevingsplannen zijn instrumenten die nu al ingezet kunnen worden.  

Naast functiemenging op bedrijventerreinen kan het toevoegen van (mengbare) bedrijvigheid in woongebieden, centrumgebieden en nabij OV-knooppunten een bijdrage leveren aan het behouden of creëren van voldoende ruimte voor bedrijvigheid. Zowel in de bestaande woonwijken als bij de nieuwe gebiedsontwikkelingen wil de provincie een mix van wonen én werken behouden of ontwikkelen, zonder dat dit ten koste gaat van woningbouwopgave. Daarmee stimuleert de provincie wonen én werken in de (brede binnen-)stad en wordt ruimte gemaakt voor ‘lichtere’ bedrijven die zich niet meer in de hogere milieuzones op bedrijventerreinen mogen vestigen.  Hiermee wordt ruimte gecreëerd op deze bedrijventerreinen, die ingezet kan worden voor ‘zwaardere’ bedrijven die vanwege hun bedrijfsvoering zich niet (meer) in een stedelijke omgeving kunnen vestigen. 

Door stijgende prijzen voor grond en vastgoed verdwijnt (kleinschalige) stadsverzorgende bedrijvigheid uit het stedelijk gebied, terwijl dit een belangrijke sociaal-economische waarde heeft. In samenwerking met gemeenten en het rijk wil de provincie inventariseren welke goede voorbeelden er zijn en experimenteren met nieuw instrumentarium om voldoende betaalbare bedrijfsruimtes in de stedelijke omgeving aan te bieden. 

3. Het verduurzamen van bedrijventerreinen (energie-neutraal, circulair en natuur-inclusief)
In een duurzame economie zijn werklocaties niet alleen plekken waar bedrijven werken aan de energie- en grondstoffentransitie, maar de locaties zelf kunnen ook bijdragen aan gezondheid, klimaatadaptatie, planten en dieren en verbetering van landschapskwaliteit. Dit is niet alleen nodig voor een duurzame samenleving en economie, maar draagt ook bij aan het leef- en vestigingsklimaat en de creativiteit, productiviteit en gezondheid van onze inwoners.

Voor een goed vestigingsklimaat is het van belang dat bedrijventerreinen de basis op orde hebben (schoon, heel, veilig)  en zich ontwikkelen in de richting van energie-neutraal, circulair en natuur-inclusief. Met het programma verduurzaming bedrijventerreinen zetten we in op het stimuleren van verduurzamingsprojecten (circulair, energy hubs, groen en klimaatadaptief), netwerkvorming, kennisdeling en het op orde brengen van de basiskwaliteit (organisatiegraad) van bedrijventerreinen. Maatregelen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen, het verduurzamen, zoals collectieve energie (besparing en duurzame opwekking), vergroening en glasvezelnetwerk, kunnen efficiënter gezamenlijk worden uitgevoerd. De meeste bedrijven op een bedrijventerrein behoren tot het MKB. Zij missen vaak de slagkracht van een groot bedrijf. Door samen te werken kunnen er collectieve acties opgezet worden. Daarom is de organisatiegraad op bedrijventerreinen in de vorm van een ondernemersvereniging of een Bedrijventerreinen Investeringszone (BIZ) erg belangrijk. Via een BIZ of een breder ondernemersfonds kunnen activiteiten gefinancierd worden ter bevordering van de kwaliteit van het bedrijventerreinen als dat van te voren in het programma is opgenomen. Als er geen BIZ aanwezig is op het terrein zijn er aparte draagvlakonderzoeken nodig om dit gezamenlijk te kunnen bereiken. 

Concentratie en bundeling van nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden

Detailhandel is nog steeds het belangrijkste bezoekmotief voor centra ondanks het veranderende (koop)gedrag van consumenten en afnemend winkelaanbod. Uitbreiding van het detailhandelsaanbod is, gelet op de transitie waar alle centra voor staan, niet meer de focus. Centra veranderen van gebieden waar detailhandel de boventoon voert naar gebieden waar inwoners en bezoekers graag komen en verblijven maar niet meer alleen voor het doen van aankopen. Het gaat in de toekomst veel meer over het relevant houden van centrumgebieden als huiskamer van de wijken, dorpen en steden. Detailhandelsvoorzieningen onderling en andere (maatschappelijke en commerciële) voorzieningen versterken elkaar waardoor  synergie en combinatiebezoek ontstaat. Hierdoor functioneren de voorzieningen als geheel beter dan de som der delen. De kern van het provinciaal detailhandelsbeleid ligt daarom bij de concentratie en bundeling van detailhandelsvoorzieningen in de centra. Hierdoor wordt de detailhandelsstructuur versterkt. Verspreid liggend aanbod draagt niet bij aan het clusteren en concentreren van het detailhandelsaanbod en tast de detailhandelsstructuur in ruimtelijke zin (afname ruimtelijke kwaliteit, toename leegstand) aan. De provincie benut hiermee de kracht van detailhandel voor vitale, sterke en aantrekkelijke centra en draagt daarmee bij aan de bereikbaarheid en beschikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen. Omdat voorzieningen worden geclusterd, kunnen ook vervoersstromen efficiënter worden ingericht en ontstaat er ook meer draagvlak voor Openbaar Vervoer. Door het bevorderen en faciliteren van herbestemming en transformatie van winkelgebieden kunnen slecht functionerende detailhandelslocaties, naast een versterking van de detailhandelsstructuur, een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave of andere opgaven in het bestaand stedelijk gebied.

Buiten de centra biedt de provincie alleen vestigingsruimte aan enkele specifieke branches van detailhandel. Het gaat dan vooral om detailhandel die vanwege de aard en omvang van de te verkopen goederen in ruimtelijke zin niet goed is in te passen in de centra.

Detailhandel binnen de centra: Verschillende type winkelcentra
De provinciale detailhandelsstructuur onderscheidt voor reguliere detailhandel vier typen winkelcentra met bijbehorende ontwikkelingsperspectieven: te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en overige centra. Deze vierdeling maakt het ‘level playing field’ herkenbaar. Hierdoor wordt duidelijk en inzichtelijk welke positie een centrum heeft in de provinciale detailhandelsstructuur en worden de gemaakte keuzes voor ontwikkelingsmogelijkheden (investeringen, ruimtelijke toevoegingen en herstructureringen/transformaties) daarbinnen helder. De typen centra en de behorende ontwikkelingsperspectieven worden nader uitgewerkt in het Omgevingsprogramma. In Bijlage IX (onderdeel C) van de Omgevingsverordening is een tabel opgenomen waarin duidelijk wordt welke centra tot welke type centra van de provinciale detailhandelsstructuur behoort.

Detailhandel buiten de centra: welke detailhandel kan zich buiten de centra vestigen?
Vanuit ruimtelijke overwegingen, om de kracht en attractiviteit van centra te bevorderen en het beleid om bedrijventerreinen voor reguliere bedrijven te behouden, benadert de provincie uitbreiding van de perifere, solitaire en verspreide detailhandel zeer terughoudend. De provincie biedt vestigingsmogelijkheden buiten de centra alleen aan enkele specifieke branches van detailhandel aan. Het gaat dan om detailhandel die vanwege de aard of de omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra en die niet essentieel is voor de kwaliteit van de centra. Het gaat dan om detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen, detailhandel in volumineuze goederen, detailhandel in meubels en volumineuze woongoederen, tuincentra en bouwmarkten. In het Omgevingsprogramma worden de aangewezen Perifere Detailhandels Vestigingen- (PDV)  en Grootschalige Detailhandels Vestigingen (GDV)-locaties aangeduid. Ook kan er onder voorwaarden ruimte worden geboden aan enkele vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen.

Voor een nadere toelichting op de vestigingsmogelijkheden buiten de centra, wordt verwezen naar (de toelichting op) artikel 7.3.9 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV).

Toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de centra
Aan nieuwe detailhandelsontwikkelingen verbindt de provincie voorwaarden op het gebied van toelaatbaarheid. Ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard gaan, moeten in de toelichting op het omgevingsplan onderbouwd worden via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet o.a. inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand, de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het verzorgingsgebied, ontwrichting van het voorzieningenniveau alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering.

Daarnaast kan een advies van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland nodig zijn. Dit advies is nodig bij nieuwe ontwikkelingen binnen de centra vanaf 2000 m2 bruto vloeroppervlak (binnensteden Rotterdam en Den Haag vanaf 4000 m2 bruto vloeroppervlak) en buiten de centra vanaf 1000 m2 bruto vloeroppervlak. De adviescommissie valideert objectief de onderbouwing van de nieuwe detailhandelsontwikkeling. Het gaat dan om de (regionale) kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de ruimtelijke effecten van de nieuwe detailhandel (zoals woon- en leefklimaat, ruimtelijke kwaliteit en leegstand).

Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Hierbij dienen gemeenten het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen. Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. De Adviescommissie Detailhandel kan hierbij een advies uitbrengen over de door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden. De provincie beoordeelt vervolgens de toelichting op het omgevingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen.

Juiste kantoor op de juiste plek

De provincie streeft naar het concentreren van kantoren op de juiste plek, het reduceren van plancapaciteit op kansarme plekken en het bevorderen van transformatie van leegstaande kantoren. Dit vraagt aan de ene kant om een aantal sterke kantorenclusters en aan de andere kant ook (beperkte) ruimte voor kleine kantoren met een lokale reikwijdte. Transformatie van kantoren op incourante locaties naar bijvoorbeeld woningen is niet alleen goed voor de toename van het aantal woningen en zorgvuldig ruimtegebruik, maar werkt ook versterkend voor de kantorenmarkt. De centra waar zich kantoren bevinden dienen multimodaal goed bereikbaar, en in de buurt van een bestaand groot en divers voorzieningenaanbod te zijn.
De kantorenmarkt is een markt die constant in verandering is. Belangrijke trends zijn onder andere de doorontwikkeling van het Nieuwe Werken, de opkomst van flexkantoren en business centers met flexibele verhuur van kleinschalige units en gebruik van ‘mixed-used’ kantoren. Door de onzekerheid van verschillende trends is de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan kantoorruimte lastig te voorspellen. De toekomstige vraag naar kantoren kent een grote bandbreedte met een minimum en maximum scenario. Kwalitatief is er een mismatch.  

Over de gewenste locaties bestaat meer duidelijkheid. De kantorenmarkt is grillig en wordt tweekoppiger. Aan de ene kant is toevoeging van kwalitatief goed, modern en duurzaam aanbod van kantoorruimte nodig op de toplocaties en enkele goed bereikbare centrumlocaties in Zuid-Holland, omdat hier een tekort is. Aan de andere kant is er teveel en verouderd aanbod en plancapaciteit op minder courante plekken.  

Kantorenstructuur
De provincie hanteert een kantorenstructuur die recht doet aan de eigenschappen van een bepaalde locatie en bestaat uit: grootstedelijke toplocaties/centrumlocaties, OV-knooppuntlocaties en centrum/(intercity)stationslocaties, snelweglocaties/OV-knooppuntlocaties/overige en kleinschalige kantoorruimte. De provincie geeft meer ruimte voor uitbreiding van de toplocaties, enkele goed bereikbare centrumlocaties en beperkte uitbreiding voor kleinschalige en lokale vraag. Daarnaast streeft de provincie naar het terugdringen van overaanbod en plancapaciteit op locaties met (sub)regionale reikwijdte. Verder hanteert de provincie bijzondere locaties, deze maken geen onderdeel uit van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties (Bio Science Park (Leiden), TU Delft Campus Zuid (Delft), Estec en Space Business Park (Noordwijk)) of locaties zoals Erasmus Hoboken (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag). Hier wordt geadviseerd vooral te kijken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke functies/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur. Bedrijfskantoren (solitaire kantoorpanden op bedrijventerreinen) maken wel onderdeel uit van de behoefteraming, maar niet van de structuur voor de reguliere kantorenmarkt.

Deze typen locaties en de behorende ontwikkelingsperspectieven worden nader uitgewerkt in het Omgevingsprogramma. In het Omgevingsprogramma is ook een tabel opgenomen welke locatie tot welk kantorentype in de provincie kantorenstructuur ze behoren.

Via monitoring zal er gekeken worden of de kantorenlocatie en het locatietype nog matchen of dat er aanleiding is om dit te wijzigen. De regionale kantorenstrategie dient te allen tijde binnen de kaders van de meest recente behoefteraming te zijn.

4.      Selectief vestigingsbeleid grote ruimtevragers
De provincie wil gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige ontwikkelingen in Zuid-Holland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden. Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en co-locatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. Het beleid is niet gericht op nutsvoorzieningen voor maatschappelijk opgaven zoals bijvoorbeeld onderstations voor het elektriciteitsnetwerk of infrastructuur voor de drinkwatervoorziening. Datacenters worden in ons beleid niet beschouwd als nutsvoorzieningen.

Het beleid zet in op het optimaal benutten van de schaarse ruimte door te prioriteren voor huidige en toekomstig wenselijke ruimtevragers

De provincie hanteert daarom als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Een ontwikkeling zal dan aantoonbaar bij moeten dragen aan brede welvaart en toekomstbestendigheid in Zuid-Holland. Dit kan door aan te tonen hoe een ontwikkeling bij draagt aan duurzaamheid, energietransitie, welzijn, klimaatadaptatie en biodiversiteit en tegelijkertijd aan de versterking van het Zuid-Hollandse economische ecosysteem. Dit kan door kwalitatieve toevoeging van werkgelegenheid maar ook door bij te dragen aan innovatiekracht, vergroening, circulariteit en digitalisering van de economie. Doel is een slimmer gebruik van ruimte, infrastructuur, water en energie. Nieuwe locaties worden daarom daarnaast afgewogen ten opzichte van de multimodale bereikbaarheid, de capaciteit van onze infrastructuur (weg, water, spoor), de bijdrage aan slim ruimtegebruik en de capaciteit van het energienetwerk. De provincie kiest waar mogelijk, voor het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies

Het beleid richt zich op grootschalige bedrijfsmatige ontwikkelingen in een samenhangend gebouwd complex op een bedrijfskavel met een oppervlak van 3 hectare of meer. Afwijking van dit beleid is mogelijk voor bestaande bestuurlijke afspraken, de uitplaatsing van bedrijven en voor nutsvoorzieningen (niet zijnde datacenters), zoals bijvoorbeeld onderstations voor de energietransitie of infrastructuur voor de watervoorziening.

Uitgangspunten
De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor het mogelijk maken van deze grootschalige ontwikkelingen:

  • Het optimaal benutten van de schaarse ruimte en het prioriteren voor huidig en toekomstig wenselijke ruimtevragers. Dit in samenhang met het bedrijventerreinbeleid en de inzet van de provincie Zuid-Holland op maatschappelijke opgaven zoals energietransitie, klimaatbestendigheid, en een circulair Zuid-Holland.

  • Verdichting, concentratie, bundeling van complementaire functies passend bij de hiërarchie van (logistieke) knooppunten in de betreffende infrastructuurnetwerken.

  • Versterken agglomeratiekracht met aandacht voor vestigingskwaliteit, nabijheid en diversiteit van functies en activiteiten.

Hierbij wordt gebiedsgericht rekening gehouden met de lokale en regionale behoefte aan verschillende typen van logistiek (zoals stadslogistiek, hubs, bevoorrading, grote internationale vervoersstromen en hubs).

Criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers
Op basis van voornoemde uitgangspunten hanteert de provincie een aantal criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers. De volgende vragen zijn relevant voor het antwoord op de vraag of het wenselijk is een grote ruimtevrager te accommoderen en zo ja, waar en hoe?

  • Is de ontwikkeling noodzakelijk in Zuid-Holland?

  • Is de ontwikkeling regionaal afgestemd?

  • Waarom op deze locatie?

  • Draagt de ontwikkeling bij aan economische en maatschappelijke doelstellingen voor vergroening, circulariteit, digitalisering en verduurzaming van de economie?

  • Draagt de ontwikkeling bij aan het efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, energie, water en ruimte?

  • Draagt de ontwikkeling bij aan verduurzaming van de mobiliteit en logistiek (bijvoorbeeld emissievrije stadslogistiek)?

  • Is de ontwikkeling een waardevolle en zinvolle toevoeging op reeds aanwezige economische ecosystemen en clusters?

  • Brengt de ontwikkeling waardevolle werkgelegenheid met zich mee? Is de inzet van arbeidsmigranten nodig en wat betekent dat voor de huisvesting? 

  • Is de ontwikkeling noodzakelijk of relevant voor andere bedrijven in de regionale keten?

  • Wordt door de ontwikkeling ruimte elders (bij voorkeur in Zuid-Holland) voor andere maatschappelijke opgaves (bijvoorbeeld woningbouw of betaalbare bedrijfsruimte in de nabijheid van inwoners, werknemers en voorzieningen) vrijgespeeld?

  • Worden mee-koppelkansen maximaal benut (meervoudig ruimtegebruik)?

  • Is de ontwikkeling inpasbaar met hoge aandacht voor ruimtelijke kwaliteit?

  • Is bij de ontwikkeling rekening gehouden met toekomstbestendig bouwen, zoals zonnepanelen op het dak, natuurinclusief bouwen en circulariteit?

Op basis van deze criteria wordt geconstateerd dat de vestiging van grote datacenters niet passend is, ook niet op de aangewezen clusters.

Ruimtelijke strategie
De provincie stuurt vanuit een ruimtelijke strategie. Bovengenoemde uitgangspunten en criteria leiden tot een ruimtelijk structuurbeeld met knooppunten, bundelingslocaties en corridors. Op basis hiervan zijn locaties geselecteerd waar vestiging van grote ruimtevragers mogelijk blijft. Nieuwe grote ruimtevragers buiten deze locaties zijn uitgesloten. We zien dit als een gerichte sturing waarbij voldoende ruimte blijft voor gewenste ontwikkelingen.

In overleg met de regio’s en het rijk zullen we het ruimtelijk structuurbeeld blijven verfijnen. De regionale visies voor bedrijventerreinen spelen hierin net als lopende trajecten met het rijk (GRIP op grote ruimtevragers) een rol. We vragen de regio’s daarom bovengenoemde criteria te hanteren bij het opstellen van de regionale visies.

Het beleid richt zich op nieuwe ontwikkelingen. Het gaat dan in ieder geval om de locaties die op de 3 hectare kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) zijn aangeduid als ‘bedrijventerrein zachte plancapaciteit’. De ontwikkelingen van die bedrijventerreinen is nog niet opgenomen in een bestemmingsplan. Het gaat ook om locaties voor bedrijventerreinen die al wel in een bestemmingsplan zijn opgenomen, maar waar via een herziening van het bestemmingsplan alsnog de vestiging van grote ruimtevragers mogelijk wordt gemaakt

Daarnaast vraagt de provincie aan gemeenten en regio’s om te kijken naar bedrijventerreinen die al wel zijn opgenomen in een bestemmingsplan, maar waar nog uitgeefbare ruimte is. Als het vigerende bestemmingsplan vestiging van grote ruimtevragers mogelijk maakt, is het wenselijk dat opnieuw te bezien.

4.1.7 Human Capital
Wat wil de provincie bereiken?

De aanwezigheid van voldoende en goed opgeleid personeel is een belangrijke randvoorwaarde voor een goed werkende regionale economie en het slagen van de grote veranderingen in de samenleving(energie, circulair, digitalisering). Voor een krachtig Zuid-Holland is het belangrijk:

  • dat er genoeg mensen zijn met de juiste kennis en vaardigheden.

  • er goed onderwijs is om nieuwe mensen op te leiden en/of anderen dat wat nodig is bij te leren.

  • dat er een goed werkende arbeidsmarkt is.

Daarnaast is er een persoonlijk belang voor de mensen die het ‘menselijk kapitaal’ vormen. Dit noemen we ook wel ‘human capital’. Waardevol werk versterkt namelijk de brede welvaart (het welzijn van mensen in brede zin). Werk is tenslotte meer dan inkomen. Het vervult een belangrijke sociale en maatschappelijk functie, en zorgt ervoor dat je de mogelijkheid hebt om je te kunnen ontwikkelen, en dat je deelneemt en bijdraagt aan de maatschappij.

De provincie draagt bij aan het versterken van human capital. Dit doet ze door samen met de Economic Board Zuid-Holland (EBZ) de Human Capital Agenda Zuid-Holland (HCA) uit te voeren. Hierin zijn meetbare doelen benoemd die nodig zijn om tot die gewenste situatie te komen. Een agenda die inmiddels door meer dan 100 partijen in Zuid-Holland wordt ondersteund. Daarnaast investeert de provincie in een programmateam bij de EBZ, en draagt ze via een provinciale subsidieregeling financieel bij aan concrete projecten.

Aanleiding

Uit onderzoek naar de arbeidsmarkt in Zuid-Holland komen vier belangrijke knelpunten naar voren:

  • 1.

    Zuid-Holland kampt met de grootste arbeidstekorten van Nederland: 1 op de 5 bedrijven kan onvoldoende gekwalificeerd personeel krijgen en dreigt daarmee economisch gezien niet te kunnen groeien;

  • 2.

    De arbeidsmarkt in Zuid-Holland is versnipperd en werknemers stappen niet snel over naar andere sectoren en regio’s. De veerkracht van de arbeidsmarkt neemt daarmee af doordat transities van werk naar werk onvoldoende plaatsvinden;

  • 3.

    Zuid-Holland scoort slecht op het activeren van onbenut arbeidspotentieel: zowel niet werkende mensen als deeltijdwerkers;

  • 4.

    Er is gebrek aan organiserend vermogen en uitvoeringskracht op provinciaal niveau. Dit belemmert Zuid-Holland om deze knelpunten aan te pakken

Door demografische ontwikkelingen – als gevolg van de vergrijzing wordt de arbeidsmarkt gekenmerkt door een grotere uitstroom van gepensioneerden dan een instroom van jongeren – houden de arbeidstekorten volgens experts de komende decennia aan. Hierdoor is de noodzaak om tot een meer wendbare en weerbare beroepsbevolking te komen, het potentieel beter te benutten en het organiserend vermogen te verbeteren alleen maar groter.

Motivering Provinciaal Belang

Gezien de economische dynamiek wordt het vermogen om snel in te spelen op de veranderingen die zich voordoen, mede bepalend voor de concurrentiekracht. Dat gold tot voor kort in de situatie waarin veel sectoren met oplopende tekorten werden geconfronteerd en dat geldt de komende periode waarin vanwege de transitieopgaven richting een duurzame, circulaire en digitale economie een aanzienlijk aantal werknemers naar een andere sector moet omzien. Beide aspecten, baanwisselingen en de opkomst van een nieuwe economie met nieuwe sectoren, vragen om een opleidingsstelsel dat in kan spelen op deze trends en ontwikkelen. Er ontstaat immers een vraag naar nieuwe en andere vaardigheden en competenties voor de 21e eeuw, waar scholing (publiek of privaat) een belangrijke rol bij heeft.


Niet alleen het onderwijs heeft hierbij een rol. Ook Rijk, gemeenten en het bedrijfsleven hebben verantwoordelijkheden om bij te dragen aan een goed functionerend ecosysteem waarin alle betrokken partijen vanuit hun rol en kracht een bijdrage leveren aan de voorliggende opgave. De provincie is daarbij een schaalgrootte die past om te komen tot een gerichte, gecoördineerde en gezamenlijke aanpak. De transities, die nieuwe vaardigheden en kennis vragen, vinden in de gehele provincie plaats, er is een tekort aan geschikte arbeidskrachten in diverse sectoren in de gehele provincie en de Zuid-Hollandse arbeidsmarkt werd gekenmerkt door talloze initiatieven zonder goede afstemming, waardoor het voor werkgevers en werknemers onoverzichtelijk is welk scholingsaanbod beschikbaar is en wat de kwaliteit daarvan is. Door op provinciaal niveau in te zetten op ontschotting en ontsnippering, worden de benodigde verbindingen gelegd en de kwaliteit van scholingstrajecten verhoogd.

Nadere uitwerking

Meer dan 100 partijen hebben het gezamenlijke belang onderkend en hebben onder de regie van de EBZ en de provincie medio 2019 hun handtekening gezet onder de HCA. Daarin zijn doelstellingen geformuleerd die nodig zijn om te komen tot die goed opgeleide beroepsbevolking en een veerkrachtige arbeidsmarkt waarin de aanwezige potentie optimaal wordt benut. Zaken die juist ook in veranderende economische tijden van cruciaal belang zijn.

Beleidsdoel 4.2 Erfgoed en cultuur

4.2 Erfgoed en cultuur

De kwaliteit van de leefomgeving hangt onlosmakelijk samen met het erfgoed en de cultuur(beleving) in Zuid-Holland. De provincie is hier zuinig op en wil dan ook dat ons erfgoed beschermd is en samen met de cultuur die onze provincie rijk is door iedereen beleefd en benut kan worden. Zij brengt de geschiedenis van Zuid-Holland in beeld en maakt dit beleefbaar. Daarbij is er vanuit diverse perspectieven aandacht voor de pijnlijke aspecten uit het verleden. Hierbij:

  • blijft de kern van het erfgoedbeleid het beschermen van het provinciale erfgoed waar vanuit de provincie werkt  aan een beter beleefd en benut erfgoed. De provincie zet zich daarbij in voor onze provinciale kroonjuwelen, stimulering van restauratie, herbestemmen en verduurzamen van rijksmonumenten, onderhoud van historische windmolens en de erfgoedlijnen.

  • zet de provincie zich in op het beschermen, benutten, en beleven van de archeologische waarden om een breed publiek hiervan te laten genieten. Het gaat dan om bekende terreinen van provinciaal archeologisch belang, om de bekende en in Unesco-verband vastgestelde waarden van de Romeinse Limes, en om de vondsten die de provincie bewaart in haar archeologisch depot.

  • is cultuureducatie in Zuid-Holland belangrijk voor de gezondheid, sociale verbinding en het vestigingsklimaat. Iedereen in Zuid-Holland heeft toegang tot culturele voorzieningen, zodat men van cultuur kan genieten of cultuur kan maken, met name jongeren. Iedereen in Zuid-Holland heeft toegang tot goed bereikbare en volwaardige bibliotheken en is welkom om zich te ontwikkelen en anderen te ontmoeten.

Beleidskeuzes van 4.2 Erfgoed en cultuur

4.2.1 Erfgoed in de leefomgeving
Wat wil de provincie bereiken?

Bij bescherming van en inspiratie door erfgoed in onze leefomgeving gaat het om structuren, patronen en cultuurlandschappen die door historische ontwikkelingen zijn gevormd. Dit erfgoed bepaalt de identiteit en samenhang van onze leefomgeving. Het gaat hierbij ook om de zorg voor bijzondere objecten als molens en landgoederen, kastelen en kasteelterreinen en hun omgeving. Het draait om de ruimtelijke samenhang.

Aanleiding

Tussen de zorg voor het cultuurhistorisch erfgoed en de dynamiek van de ruimtelijke inrichting is een groeiende spanning ontstaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland is groot, onder meer door woningbouw, de energietransitie, klimaatverandering en natuurontwikkeling. Erfgoedbelang en ruimtelijke kwaliteit zijn steeds belangrijker geworden en vragen in de te maken belangenafweging blijvend aandacht. Het meenemen van de beschermde en onbeschermde cultuurhistorische kwaliteiten in ruimtelijke ontwikkelingen ziet de provincie als een opdracht.  

De wettelijke grondslag voor de bescherming van erfgoed in de leefomgeving door de provincie ligt in de Omgevingswet, samen met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het doel van deze bescherming van identiteit van onze leefomgeving te beschermen. De provincie stelt hiervoor regels vast in de omgevingsverordening, ten behoeve van beschermingscategorieën voor ruimtelijk erfgoed. Die regels werken door in het omgevingsplan van gemeenten. In de handelswijze van de provincie staat een goede balans tussen benutten en beschermen centraal, waarbij de cultuurhistorische waarden van het ruimtelijk erfgoed het uitgangspunt zijn.

Motivering Provinciaal Belang

Behoud en bescherming van ruimtelijk erfgoed blijven essentieel, maar door erfgoed ook ontwikkelingsgericht in te zetten, ontstaan kansen om de leefomgevingskwaliteit te versterken. Vroegtijdige integratie van erfgoedwaarden in ruimtelijke ontwikkelingen en samenwerking zijn daarbij cruciaal. Om te zorgen dat recht wordt gedaan aan de ontstaansgeschiedenis en daarmee de leesbaarheid van het landschap dienen erfgoedspecialisten in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken te worden bij gebiedsontwikkeling. Hoe eerder erfgoed onderdeel is van de plan- en visievorming, hoe groter de maatschappelijke meerwaarde en de mogelijkheden zijn. Rekening houden met erfgoed in de leefomgeving is geen extraatje, maar integraal onderdeel van ruimtelijke transformatie- en transitieopgaven. 

Het grote maatschappelijke en cultuurhistorische belang van Werelderfgoed, kroonjuwelen, molen-, landgoed en kasteelbiotopen overstijgt het belang van individuele gemeenten en regio’s omdat het uniek erfgoed betreft, soms zelfs op mondiaal schaalniveau. De provincie heeft daarom een belangrijke rol in de erfgoedzorg en de daarbij horende ruimtelijke ordening in Nederland. De provincie waarborgt het behouden van de cultuurhistorische kwaliteit en de functie en betekenis van het beschermde ruimtelijk erfgoed (kroonjuwelen, molenbiotopen, landgoed- en kasteelbiotopen en werelderfgoed) door kaders te stellen en te adviseren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij is oog voor de wijdere omgeving rondom deze beschermde gebieden. 

Nadere uitwerking

De provincie waarborgt het behouden van de cultuurhistorische kwaliteit en de functie en betekenis van ruimtelijk erfgoed door kaders te stellen en neemt maatschappelijke ontwikkelingen daarin mee.  

Daarnaast zet de provincie erfgoed ontwikkelingsgericht en voorwaarts in, als inspiratiebron bij transitieopgaven in de fysieke leefomgeving en als verbindende kracht bij gebiedsontwikkelingen. De Biografie van Zuid-Holland vormt hierbij het voornaamste uitgangspunt. De ontstaansgeschiedenis van het landschap en lessen uit het verleden bieden inspiratie en voorbeelden voor de ruimtelijke transities van nu. Een concrete manier om erfgoed ‘voorwaarts’ in te zetten, is de werkwijze van de Erfgoeddeals. In navolging van het landelijke programma geven we hier een Zuid-Hollandse invulling aan. De verbindende rol en kracht van erfgoed staat hierbij centraal. De provincie richt zich daarbij op: 

  • Behouden en versterken werelderfgoed  

  • Behouden en verbeteren kroonjuwelen cultureel erfgoed  

  • Garanderen van windvang en zicht op historische windmolens

  • In stand houden en verbeteren van landgoederen en kastelen of kasteelterreinen en hun omgeving

Behouden en versterken werelderfgoed  
Werelderfgoed is van unieke en universele waarde, en zodoende van groot belang voor de kwaliteit en identiteit van de leefomgeving in Zuid-Holland. De provincie wil de unieke en universele waarden van werelderfgoed in Zuid-Holland behouden, versterken en beleefbaar maken. De provincie telt vier Werelderfgoederen: Molengebied van Kinderdijk, Neder-Germaanse Limes, Hollandse Waterlinies en Van Nellefabriek Rotterdam. Aan de hand van deze kernkwaliteiten zijn regels opgesteld in de Omgevingsverordening voor het in stand houden en versterken (beschermen) van dit erfgoed. Deze regels hebben betrekking op de inhoud van of de toelichting bij omgevingsplannen en de inhoud van omgevingsvergunningen.   

Behouden en verbeteren kroonjuwelen cultureel erfgoed
Kroonjuwelen zijn zeer karakteristieke en waardevolle cultuurlandschappen in Zuid-Holland. Ze bepalen de kwaliteit en identiteit van de bebouwde en groene ruimte in de provincie, en vertellen de geschiedenis van Zuid-Holland. Het is voor de provinciale landschapsstructuur en ruimtelijke kwaliteit belangrijk dat bij herstructurering of nieuwe ontwikkelingen de per kroonjuweel opgestelde richtpunten in acht worden genomen. 

Sommige landschappen en ensembles zijn zelfs uniek in de wereld zoals de karakteristieke veenweidegebieden en het Schurvelingenlandschap op Goeree. Vaak sluit dit provinciaal belang aan op rijks- en gemeentelijk belang. Zo bevinden zich binnen de provinciale erfgoedgebieden of kroonjuwelen veel door het rijk beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. De provincie wil de waarden van de kroonjuwelen cultureel erfgoed in Zuid-Holland behouden en/of verbeteren en versterken. De provincie regelt dit door kroonjuwelen aan te wijzen, via de Omgevingsverordening, als beschermingscategorie voor ruimtelijke kwaliteit en door kaders te stellen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen kroonjuwelen. 

Garanderen van windvang en zicht op historische windmolens 
Historische windmolens zijn iconen van Zuid-Holland. Zuid-Holland telt 225 complete molens, maar liefst een vijfde van het Nederlandse molenbestand. Zuid-Holland zonder zijn historische windmolens is ondenkbaar. Het zijn blikvangers in het landschap en op (buitenlandse) toeristen hebben zij een grote aantrekkingskracht. Een molen moet kunnen draaien en malen, want ‘rust roest’. Bovendien is een draaiende molen - als functionerend monument - van extra waarde voor zijn omgeving.   

Vanuit de ambitie zorg te dragen voor een aantrekkelijke leefomgeving stelt de provincie zodoende bij historische windmolens regels voor behoud van hun omgeving en ten behoeve van het functioneren. Om voldoende vrije windvang voor en het zicht op historische windmolens in Zuid-Holland behouden zijn er kaders en regels in de Omgevingsverordening opgesteld. Deze ‘molenbiotoopregel’ kent een verschil tussen landelijk en stedelijk gebied. Voor het stedelijk gebied is de regel soepeler, om zo rekening te houden met de grotere druk op de ruimte.  

In stand houden en verbeteren van landgoederen en kastelen of kasteelterreinen en hun omgeving
Landgoederen en kastelen zijn kenmerkende ensembles van cultuurhistorie, natuur en landschap voor Zuid-Holland. Daarbij gaat het niet alleen om het monument op zich, maar ook om zijn omgeving en de ensemblewaarde (biotoop). Ter verbetering van de leefomgeving weegt de provincie de waarden van historische buitenplaatsen, landgoederen en kastelen integraal mee in ruimtelijke ordenings- en ontwikkelingsprocessen.

Veel kasteelterreinen zijn ook van archeologische waarde en daarmee beschermd bodemarchief. Al deze landschappen en complexen zijn geïnventariseerd en gewaardeerd, en vervolgens opgenomen in de Omgevingsverordening. Daarnaast maken ze deel uit van de provinciale Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland.

De meeste van de ca 150 historische buitenplaatsen, landgoederen en kasteelterreinen in Zuid-Holland zijn ook van nationaal belang. Doorgaans is het hoofdgebouw beschermd als rijksmonument. Dat geldt vaak ook voor het bijbehorende park met zijn tuinen en bijgebouwen. Het geheel wordt ook wel buitenplaats genoemd. De wijdere omgeving is vaak niet van rijkswege beschermd. Die omgeving - met zijn groene en statige karakter - bepaalt in sterke mate de identiteit en unieke kwaliteit van een gebied. Daarnaast zijn er ook historisch waardevolle buitenplaatsen die niet beschermd zijn als rijksmonument.

Om ervoor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een ‘landgoed- en kasteelbiotoop’ ingesteld. Hier geldt - in aanvulling op de bescherming van monumentale objecten - een bredere ruimtelijke bescherming voor het landgoed- of kasteelensemble, of voor het kasteelterrein. Dit om de cultuurhistorische waarden van de landgoed- en kasteelbiotopen in Zuid-Holland in stand te houden en/of te verbeteren. De provincie regelt dit door kaders te stellen via de Omgevingsverordening.

Provinciale erfgoeddeals 

Een concrete manier om erfgoed ‘voorwaarts’ in te zetten, is de werkwijze van de Erfgoeddeals. In navolging van het landelijke programma geven we hier een Zuid-Hollandse invulling aan. Via erfgoedinclusief werken kunnen erfgoedprojecten worden verbonden aan andere maatschappelijke thema’s. Zo ontstaan samenhangende projecten waarin behoud, ontwikkeling en toekomstgerichtheid hand in hand gaan. Door samen te werken, belangen te bundelen en middelen te combineren, bereiken we meer dan afzonderlijk mogelijk is en blijft het erfgoedbelang duurzaam verankerd. 

4.2.2 Rijksmonumenten en historische molens in goede staat
Wat wil de provincie bereiken?

Rijksmonumenten en historische windmolens zijn de tastbare verhalen van onze geschiedenis en maken deze geschiedenis beleefbaar. Deze objecten dragen bij aan de identiteit, kwaliteit en leefbaarheid van onze steden en landschappen. De provincie wil dat deze monumenten behouden blijven voor de toekomst. Om hiervoor te zorgen richt de provincie zich op restauratie, herbestemming, verduurzaming en klimaatadaptatie.

Aanleiding

Het beschermen van erfgoed is van provinciaal belang: het vormt de basis van waaruit Zuid-Holland werkt aan een beter beleefbaar en duurzaam benut erfgoed. De provincie zet zich in voor het behoud van rijksmonumenten, waaronder de iconische historische windmolens – goed voor een vijfde van het totale molenbestand in Nederland. Zuid-Holland zonder deze molens is ondenkbaar.

Om toekomstig verval en kostbare restauraties te voorkomen, investeert de provincie in (groot) onderhoud, restauratie en herbestemming van rijksmonumenten (niet-woonhuizen). Leegstand wordt hierbij actief tegengegaan, omdat dit vaak leidt tot achterstallig onderhoud. Herbestemming wordt daarom gestimuleerd, zodat monumenten een duurzame functie krijgen en behouden blijven voor volgende generaties.

Daarnaast zijn (rijks)monumenten onderdeel van de energietransitie. Bij verduurzaming wordt gezocht naar een zorgvuldige balans tussen CO₂-reductie, comfortverbetering, kostenefficiëntie én het behoud van monumentale waarden.

Motivering Provinciaal Belang

In 2012 zijn de middelen en taken voor de restauratie van rijksmonumenten (niet zijnde woonhuizen) gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies. Daarover zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk en het Interprovinciaal Overleg (IPO), die in 2015 voor het laatst zijn geactualiseerd. Het Rijk blijft zelf verantwoordelijk voor de ondersteuning van woonhuizen en voor het onderhoud van rijksmonumenten in zijn eigendom. Samen bieden Rijk en provincies zo een stevige basis voor de instandhouding van rijksmonumenten en molens.

Daarnaast heeft de provincie conform het Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur (2012) een taak op het gebied van interbestuurlijk toezicht op monumentenzorg en archeologie en de ondersteuning van gemeenten op het gebied van monumentenzorg en archeologie via het Provinciaal Steunpunt voor Cultureel Erfgoed (ondergebracht bij Erfgoedhuis Zuid-Holland).  

Nadere uitwerking

Restauratie Rijksmonumenten 
De ambitie is om de restauratieachterstand van niet-woonhuis rijksmonumenten terug te brengen. Hierbij heeft de provincie bijzondere aandacht voor kwetsbare categorieën zoals religieus erfgoed, agrarische en industriële gebouwen en kleinere monumenten. Deze categorieën rijksmonumentenkampen vaak met leegstand of een onduidelijke eigendomssituatie, waardoor de onderhoudsstaat over het algemeen slechter is. Ook stimuleert de provincie het restauratievakmanschap. Het restaureren van rijksmonumenten gaat immers alleen met voldoende geschoolde werknemers.  

Met de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten Zuid-Holland wil de provincie Zuid-Holland eigenaren stimuleren om hun rijksmonument (incl. molens) te restaureren en om hun rijksmonument bij herbestemming toegankelijk te maken voor een breed publiek en te verduurzamen.  

Onderhoud molens 
De historische windmolens vormen een unieke categorie binnen het erfgoed. De provincie blijft inzetten op het in stand houden van deze iconen Molens moeten letterlijk blijven draaien om achteruitgang te voorkomen. Dit draagt niet alleen bij aan de instandhouding, maar ook aan de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het erfgoed. 

Met de Subsidieregeling Molens Zuid-Holland wil de provincie Zuid-Holland eigenaren stimuleren om hun molen te onderhouden zodat een (duurdere) restauratie kan worden voorkomen. 

Verduurzaming en klimaatadaptatie 
De provincie sluit zich aan bij de landelijke doelstellingen uit de Routekaart Verduurzaming Monumenten: een CO₂-reductie van 40% in 2030 en 60% in 2040. De verduurzaming van monumenten is cruciaal om ze ook op lange termijn bruikbaar, betaalbaar en aantrekkelijk te houden. Dit vraagt om maatwerk, waarbij de balans tussen energiebesparing en het behoud van monumentale waarden zorgvuldig wordt afgewogen. 

De provincie stimuleert een integrale aanpak van verduurzaming, gericht op CO₂-reductie, klimaatadaptatie (zoals bescherming tegen wateroverlast en hittestress) en circulaire economie. Waar mogelijk worden duurzame materialen en historische gewassen ingezet voor isolatie en bouw. Via het Erfgoedhuis en Monumentenwacht ondersteunt de provincie gemeenten en eigenaren bij verduurzaming, onder andere via gemeentelijke duurzaamheidsloketten, kennisdeling, en deelname aan pilots. 

Herbestemming en leegstand 
Leegstand blijft een risico voor het behoud van rijksmonumenten. Daarom zet de provincie in op het voorkomen van leegstand en het realiseren van passende herbestemmingen. Specifiek religieus erfgoed staat hierbij onder druk vanwege ontkerkelijking. De provincie werkt met partners aan een vervolgaanpak op de kerkenvisies. 

Met de adviezen op maat herbestemming wil de provincie partijen stimuleren om te komen tot een goede (her)bestemming van rijksmonumenten. 

Met het aanjagen van herbestemming speelt de provincie een faciliterende rol door eigenaren te helpen een goede herbestemming te vinden voor hun rijksmonument.  

Ondersteuning en samenwerking 
De provincie werkt nauw samen met partners zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, gemeenten, het Erfgoedhuis Zuid-Holland en Monumentenwacht. Erfgoedhuis Zuid-Holland speelt een centrale rol in kennisdeling, netwerken en gemeentelijke ondersteuning bij erfgoed- en archeologiebeleid (Provinciaal Steunpunt voor Cultureel Erfgoed). Monumentenwacht verzorgt inspecties, begeleiding en verduurzamingsadvies. 

4.2.3 Erfgoed verbindt
Wat wil de provincie bereiken?

Erfgoed is niet alleen belangrijk voor een besef van het verleden, maar geeft ook betekenis aan de samenleving van nu en de toekomst. De provincie wil de Zuid-Hollandse geschiedenis via erfgoedlijnen onder de aandacht brengen van (toekomstige) inwoners en bezoekers van Zuid-Holland.  

Sinds 2012 maakt de provincie enkele belangrijke hoofdstukken uit de Zuid-Hollandse geschiedenis beter zichtbaar en beleefbaar door middel van zeven erfgoedlijnen. De (toekomstige) inwoners en bezoekers van Zuid-Holland kunnen hierdoor het erfgoed bezoeken en kennisnemen van de bijbehorende verhalen. Om de erfgoedlijnen voor iedereen beleefbaar te maken richt de provincie zich op inwoners en bezoekers in de volle breedte. De provincie wil partijen die een bijdrage kunnen en willen leveren aan het beschermen, beleven en benutten van het erfgoed rondom de erfgoedlijnen betrekken en verbinden. Erfgoedlijnen zorgen daarmee voor verbinding en participatie zoals opgenomen in het verdrag van Faro. 

Omdat erfgoed de mens vertelt waar ze vandaan komt en wie zij is, vindt de provincie het belangrijk dat iedereen ook online toegang heeft tot Zuid-Hollandse archieven, erfgoedcollecties en verhalen.

Zuid-Hollands immaterieel erfgoed (cultuur die je ervaart, zoals gewoontes, verhalen en feesten) verbindt mensen en gemeenschappen van jong tot oud. De provincie vindt dit waardevol. De provincie vindt het belangrijk om de verantwoordelijkheid voor het levend en actueel houden van immaterieel erfgoed bij de gemeenschappen, groepen of individuen die het beoefenen zelf te houden, maar faciliteert en/of ondersteunt het immaterieel erfgoed wel.

Aanleiding

De provincie heeft in de Omgevingswet de wettelijke taak om haar erfgoed te beschermen. Er zijn 7 erfgoedlijnen die belangrijke hoofdstukken uit de geschiedenis van Zuid-Holland beleefbaar maken: de Neder-Germaanse Limes, Historisch Haringvliet, de Landgoederenzone, de Oude Hollandse Waterlinie, de Trekvaarten, de Atlantikwall en de Maritieme Industrie.  

Daarnaast werden in 2012 de taken en middelen voor de restauratie van rijksmonumenten gedecentraliseerd naar de provincies. Reden hiervoor was dat provincies, vanwege hun rol in de ruimtelijke ordening, de restauratie van rijksmonumenten beter konden verbinden met gebiedsontwikkeling.  
Met de erfgoedlijnen wordt hier uitvoering aan gegeven.  

In lijn met de Faro-gedachte verschuift de focus van de waarde van het erfgoed zelf naar de betekenis van erfgoed voor de mens en erfgoedgemeenschappen. Met het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de erfgoedlijnen, in samenwerking met meer dan 300 partners, werkt de provincie al in lijn met de Faro-gedachte.  

Naast erfgoedlijnen wordt ook ingezet op immaterieel erfgoed en digitalisering van erfgoed. Ook hiervoor geldt dat dit uitgaat van de erfgoedgemeenschappen zelf en het erfgoed ontsluit voor zoveel mogelijk mensen.  

Motivering Provinciaal Belang

Erfgoedlijnen 

Herbestemming en restauratie van rijksmonumenten binnen de erfgoedlijnen draagt bij aan de beleving en benutting van het betreffende erfgoed. 

Erfgoedlijnen zijn opgebouwd uit drie kenmerkende elementen:  

  • Een geografische structuur, zoals een rivier, een vaart, strandwallen of de kust die gemeentegrenzen overschrijdt;

  • Een gezamenlijk verhaal dat de monumentale objecten met bovengenoemde geografische structuur verbindt. De erfgoedlijnen bestaan uit erfgoed (monumenten, objecten en collecties), landschap en water, verbeteren de kwaliteit van de leefomgeving en zijn aantrekkelijk voor recreanten en toeristen;

  • Een open netwerk van belanghebbenden (overheden, private sector en maatschappelijk middenveld); de zogenaamde erfgoedtafels. Het ontwikkelen van de erfgoedlijnen kan de provincie namelijk niet alleen. 

Iedere erfgoedlijn heeft een erfgoedtafel. Aan deze erfgoedtafels werken de betrokken partijen samen en wisselen zij kennis uit. Uit de synergie die zo ontstaat komen waardevolle projectvoorstellen naar boven, die bijdragen aan de ambities van de erfgoedlijn. Deze kunnen worden gehonoreerd met een subsidie vanuit de Subsidieregeling erfgoedlijnen. 

Immaterieel erfgoed

De provincie vindt het belangrijk om de verantwoordelijkheid voor het levend en actueel houden van immaterieel erfgoed bij de gemeenschappen, groepen of individuen die het beoefenen zelf te houden. Immaterieel erfgoed omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen (en soms zelfs individuen) erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit.  
Immaterieel erfgoed verbindt gemeenschappen van jong tot oud. Het vormt onze identiteit, stimuleert creativiteit, versterkt sociale samenhang en verbindt verleden, heden en toekomst. Daarom faciliteert de provincie immaterieel erfgoed door ondersteuning van erfgoedgemeenschappen via Erfgoedhuis Zuid-Holland. 

Digitalisering cultureel erfgoed 

Omdat erfgoed de mens vertelt waar ze vandaan komen en wie zij is, is het belangrijk dat iedereen ook online toegang heeft tot archieven, erfgoedcollecties en verhalen.  

Veel erfgoedorganisaties hebben erfgoed digitaal beschikbaar gemaakt. Al deze stukjes geschiedenis liggen verspreid over websites en platforms. De provincie steunt de aanpak om erfgoedinformatie te delen conform de Nationale strategie digitaal erfgoed. De provincie steunt datagedreven werken in de cultuursector en stimuleert digitaal burgerschap in de bibliotheken. Ook digitaliseert de provincie het eigen papieren archeologische collectie en zet de provincie in op het stimuleren het verbinden van archeologische data door vrijwilligers. De provinciale Cultuurhistorisch Atlas van Zuid-Holland is de basis voor de ontsluiting van informatie over het beschermd en onbeschermd erfgoed binnen de provincie. Om bij de tijd te blijven vernieuwen en verbeteren de provincie deze atlas. 

4.2.4 Archeologie beschermen en beleefbaar maken
Wat wil de provincie bereiken?

Archeologie vertelt het verhaal van de geschiedenis onder onze voeten. De provincie beschermt dit bodemarchief zodat ze het kan doorgeven aan de volgende generaties. Want iedere generatie stelt uiteindelijk vanuit haar eigen perspectief vragen aan het verleden en heeft nieuwe onderzoeksmethodes.  

De provincie wil archeologische waarden ruimtelijk beschermen (in situ behoud) en haar archeologische vondsten en bijbehorende documentatie bewaren (ex situ behoud). Daarbij wil zij dat deze vondsten voor iedereen toegankelijk zijn. De provincie stimuleert het zichtbaar en beleefbaar maken van archeologie en het betrekken van inwoners en bezoekers van Zuid-Holland bij archeologie. Dit is in lijn met internationale verdragen (Malta en Faro). De provincie wil inwoners en bezoekers daarmee enthousiast maken voor archeologisch erfgoed als onderdeel van hun leefomgeving.

Aanleiding

De provincie heeft de wettelijke taak om op basis van de Erfgoedwet en de Omgevingswet:    

  • Archeologische waarden ruimtelijk te beschermen;

  • Haar archeologische vondsten en bijbehorende documentatie deskundig te bewaren in een geschikt archeologisch depot en toegankelijkheid te bevorderen (met uitzonderging van vondsten uit de negen Zuid-Hollandse gemeenten die zelf een gemeentelijk depot hebben)  

Op grond van de Erfgoedwet en de Omgevingswet stelt de provincie regels voor behoud van de archeologische waarden. Uitgangspunt is dat het archeologisch bodemarchief waar mogelijk bewaart blijft waar het thuis hoort, namelijk in de bodem op de originele plek (in situ). 

In 2024 is het Verdrag van Faro geratificeerd die de mens, samenleving en hun relatie met erfgoed centraal stelt. In lijn met het Verdrag van Faro betrekt de provincie het brede publiek actief bij archeologie en archeologisch onderzoek. De provincie zet zowel in op publieksbereik als publieksparticipatie. In lijn met de Faro-gedachte verschuift de focus van erfgoed naar de betekenis van erfgoed voor de mens en naar de erfgoedgemeenschappen (meer bottom-up).  Het Verdrag van Faro stelt dat erfgoed betekenis krijgt door de mensen die ermee verbonden zijn, en dat het een middel is om democratische, inclusieve en duurzame samenlevingen te versterken. Uiteindelijk draagt dit bij aan de waardering voor en bescherming van het Zuid-Hollands erfgoed. Voor archeologie is dit aanvullend op het Verdrag van Malta, gericht op de bescherming van het archeologisch erfgoed. 

Motivering Provinciaal Belang

De provincie beschermt zowel in situ (in de grond) als ex situ (zodra het opgegraven is).  

In situ: De provincie heeft als wettelijke taak (omgevingswet) zowel in haar eigen handelen als in toezicht op gemeenten dat de archeologische waarden in haar grondgebied adequaat worden beschermd. De provincie zet haar ruimtelijk instrumentarium hiertoe in, heeft archeologisch waardevolle terreinen benoemd als archeologisch belang en ziet toe op de verankering hiervan in het beleid van lagere overheden (o.a. door het opstellen van instructieregels in de Zuid-Hollandse omgevingsverordening). In het bijzonder voor het Unesco Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes als specifiek en uniek aspect van ons archeologisch erfgoed.  

Ex situ: De Erfgoedwet bepaalt dat de provincie eigenaar is van alle archeologische vondsten in Zuid-Holland. Dit met uitzondering van de vondsten die zijn gedaan in een gemeente met een eigen depot. Op grond van de Erfgoedwet heeft de provincie de taak om alle archeologische vondsten inclusief documentatie uit Zuid-Holland vakkundig toegankelijk te bewaren en te beschrijven. Om al deze vondsten te kunnen bergen beschikt de provincie over een speciaal ingericht archeologisch depot.  

Het Rijk houdt regionale overheden bij vaststelling van nieuwe ruimtelijke plannen verantwoordelijk om rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij archeologisch waardevolle terreinen proberen gemeenten en provincie verstoring van de bodem dan ook zo veel mogelijk te voorkomen. Wanneer het niet anders kan, bijvoorbeeld bij de aanleg van een weg of brug, dan wordt de betreffende vindplaats opgegraven. 

Nadere uitwerking

Archeologische voorwerpen die bij opgravingen of bij toeval zijn gevonden, vertellen het verhaal van het Zuid-Hollandse verleden. Die voorwerpen vormen een informatief kapitaal, dat de provincie en haar partners willen tonen en doorgeven aan volgende generaties. Een groot deel van de archeologische waarden in Zuid-Holland bevindt zich in de bodem.  

De natte bodem van Zuid-Holland met zijn hoge grondwaterstand bewaart organisch materiaal, zoals bot, hout en leer of textielresten, uitstekend. Dit vormt daar als het ware een bodemarchief dat je alleen via opgravingen bereikt. Deze onzichtbaarheid maakt ze extra kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen. De bekende en te verwachten archeologische vindplaatsen zijn aangegeven in de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). 

Klimaatverandering, bodemdaling en energietransitie-opgaven hebben in toenemende mate invloed op archeologie in onze bodem. Ook onder water. Het behoud van het ‘bodemarchief’ vraagt dan ook continu aandacht en zorg. 

De Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie (POA) is een leidraad bij archeologisch onderzoek. Het geeft een overzicht van de stand van kennis van dit moment en van de thema’s en vragen die de provincie van belang vindt. Deze agenda ondersteunt en faciliteert gemeenten en onderzoekers bij het bepalen van archeologische vraagstukken en thema’s die in onze provincie prioriteit hebben voor verder onderzoek. Dit doet de provincie niet alleen, maar samen met gemeenten en partners als het Erfgoedhuis en partijen die verbonden zijn aan de erfgoedlijnen.  

De provincie stimuleert wetenschappelijk onderzoek om kennis te vergroten over de Zuid-Hollandse geschiedenis. Dit doet de provincie door uitlening van de vondsten in het provinciaal archeologisch depot en de bijbehorende documentatie toegankelijk te maken en beschikbaar te stellen. 

De provincie houdt archeologische vindplaatsen in stand en benut deze bij ruimtelijke inpassingen in het landschap. De provincie behoudt archeologische vindplaatsen. Bij voorkeur is dit behoud in situ (in de bodem). Dit is echter niet altijd mogelijk. In dat geval behoudt de provincie ex situ. De provincie stimuleert het benutten van de site en de bijbehorende verhalen als input voor ruimtelijke ontwikkelingen.  

De provincie brengt archeologie en de verhalen die verteld kunnen worden aan de hand van archeologische vondsten onder de aandacht van haar inwoners en bezoekers van de provincie en betrekt haar inwoners actief bij archeologie. Naast publieksbereik zet de provincie ook in op publieksparticipatie en het bereiken van andere doelgroepen.  

De provincie vindt het belangrijk dat gemeenten toegerust zijn in hun wettelijke taken ten aanzien van archeologie. Daarom subsidiëren de provincie het Provinciaal Steunpunt Cultureel Erfgoed als dienst van het Erfgoedhuis Zuid-Holland.  

4.2.5 Cultuur en bibliotheken
Wat wil de provincie bereiken?

Cultuur levert een belangrijke bijdrage aan een leefbare, veerkrachtige, slimme en inclusieve samenleving. Cultuur geeft energie en ontwikkelt talent en creativiteit. Het maakt slim, gezond en vindingrijk. En cultuur verbindt, maakt de leefomgeving aantrekkelijk en geeft identiteit. Daarom zet de provincie zich in voor een goed en gespreid cultuuraanbod in Zuid-Holland en voldoende mogelijkheden voor actief deelnemen aan activiteiten op het gebeid van kunst en cultuur, amateurkunst en talentontwikkeling. Laagdrempelig en toegankelijk voor iedereen.  

Zuid-Holland kent grote verschillen in cultuuraanbod tussen stedelijke en landelijke gebieden. Terwijl de grote steden een breed cultuuraanbod hebben, beschikken kleinere gemeenten over minder voorzieningen. Daarnaast zijn er verschillen in deelname aan cultuur tussen inwoners. Dit leidt tot kansenongelijkheid. De provincie wil deze regionale ongelijkheid verkleinen en de toegang tot cultuur te vergroten.  

De provincie werkt aan beschikbare en bereikbare openbare bibliotheekvoorziening in Zuid-Holland waar inwoners van Zuid-Holland een plek vinden voor ontwikkeling, ontmoeting, ondersteuning en debat.

Aanleiding

Deze beleidskeuze volgt uit: 

  • De stelselwijziging van 2007 en de afspraken in het Algemeen Kader Interbestuurlijke Verhoudingen Cultuur (OCW, IPO en VNG, 2012). Bij de stelselwijziging van 2007 zijn afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten, 

  • De wettelijke provinciale taken voortvloeiend uit de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob),

  • En het besluit om een (eigen) provinciale kunst- en erfgoedcollectie aan te leggen (1950).   

Motivering Provinciaal Belang

Cultuur is een (wettelijke) kerntaak van provincies, waar dit de lokale belangen overstijgt. Provincies zijn verantwoordelijk voor bovengemeentelijke coördinatie op regionaal niveau. Ze zetten zich in voor de diversiteit en spreiding van culturele voorzieningen in de regio. Bij cultuureducatie spelen provincies een rol in de tweedelijns ondersteuning, in het bevorderen van de kwaliteit door deskundigheidsbevordering en in de regionale spreiding. Deze taken worden uitgevoerd door de basisvoorziening cultuurparticipatie Zuid-Holland. 

In de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) staan de wettelijke taken van de partners in het bibliotheekstelsel. Ook die van de provincie. De Wsob gaat uit van een bibliotheekstelsel, waarin de drie overheden samen de netwerkverantwoordelijkheid dragen. Dit netwerk wordt gevormd door de openbare bibliotheken, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek. Met de inwerkingtreding van de wet zijn de bestuurlijke rollen en verantwoordlijkheden, ook die van de provincie, formeel vastgelegd en zijn de maatschappelijke functies van de bibliotheek gedefinieerd. Gevolg gevend aan de Wsob kent de provincie Zuid-Holland een provinciale ondersteuningsinstelling. De instandhoudingsfiguur die de provincie Zuid-Holland gekozen heeft, is die van een subsidierelatie in de vorm van een boekjaarsubsidie aan een private organisatie. Dit is Probiblio. 

Beheer en ontsluiting van de eigen (provinciale) kunst- en erfgoedcollectie en het bieden van een podium aan evenementen en makers/kunstenaars biedt een kans om maatschappelijke thema’s bespreekbaar te maken, te reflecteren en bij te dragen aan verbinding in een tijd van polarisatie en complexe maatschappelijke vraagstukken.   

Nadere uitwerking

De provincie zet zich in voor een goed en gespreid cultuuraanbod in Zuid-Holland en voldoende mogelijkheden voor cultuurbeoefening, amateurkunst en talentontwikkeling. Dit doet zij door:  

  • waarborging van de basisvoorziening cultuurparticipatie; 

  • ondersteuning van de openbare bibliotheken in Zuid-Holland;

  • en intern cultuur- en erfgoedbeleid.  

Hiertoe verstrekt de provincie onder meer boekjaarsubsidies aan enkele ondersteuningsinstellingen en beheert en ontsluit de provincie haar eigen kunst- en erfgoedcollectie.  

Basisvoorziening cultuurparticipatie 

De basisvoorziening cultuurparticipatie wordt ingevuld door de volgende vier ondersteuningsinstellingen: Kunstgebouw, Jeugdtheaterhuis, Popunie en Stichting Educatieve Orkestprojecten. Deze instellingen werken op reguliere basis samen met onderwijsinstellingen. Zij zorgen ervoor dat inwoners van Zuid-Holland toegang hebben tot cultuur, dankzij kwalitatief goede en gespreide cultuurparticipatie en cultuureducatie. De provincie sluit aan bij het landelijk programma Cultuureducatie met Kwaliteit (2025-2028).  

De provincie subsidieert de ondersteuningsinstellingen in de basisvoorziening cultuurparticipatie Zuid-Holland. Dat zijn Kunstgebouw, Jeugdtheaterhuis Zuid-Holland, Popunie en Stichting Educatieve Orkestprojecten (SEOP). De afspraken met de basisvoorziening zijn vastgelegd in het Afsprakenkader basisvoorziening Cultuurparticipatie.  

Openbare bibliotheken 

Openbare bibliotheken zijn belangrijke maatschappelijke instellingen met vijf wettelijke functies (kennis en informatie beschikbaar stellen, mogelijkheden bieden voor ontwikkeling en educatie, stimuleren om te lezen, ontmoeting en debat organiseren en mensen laten kennismaken met kunst en cultuur).  

De ondersteuning van de openbare bibliotheken in Zuid-Holland wordt ingevuld door middel van een boekjaarsubsidie voor de provinciale ondersteuningsinstelling Probiblio. De provincie streeft daarbij naar behoud van een sterke en professionele provinciale ondersteuningsinstelling die in staat is om de openbare bibliotheken en het netwerk in Zuid-Holland adequaat te ondersteunen waarbij rekening wordt gehouden met de focus uit het vigerend landelijk bibliotheekconvenant.  

De provincie subsidieert de provinciale ondersteuningsinstelling Probiblio. Voor de beoordeling van de activiteiten ten behoeve waarvan aan de provinciale ondersteuningsinstelling als bedoeld in de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen subsidie wordt verleend hanteert de provincie een Provinciaal Toetsingskader (beleidsregel vastgesteld door GS).    

Intern cultuur- en erfgoedbeleid 

De provincie heeft vanaf 1950 een waardevolle kunst- en erfgoedcollectie opgebouwd, die bestaat uit circa 1000 werken. Ooit gestart om de werkomgeving in het provinciehuis te verfraaien, is deze collectie nu ook een bron van inspiratie en een middel om actuele thema’s bespreekbaar te maken en bij te dragen aan verbinding en inspiratie.   

Zorgvuldig beheer van de eigen kunstcollectie en het toegankelijk maken van de collectie door tentoonstellingen en programma’s zorgt voor inspiratie en draagt bij aan het bespreekbaar maken van maatschappelijke thema’s. 

Verder biedt de provincie (jonge) kunstenaars een podium en zet ze de Provinciedichter in om erfgoed en culturele identiteit zichtbaar te maken en bewoners te betrekken. De provincie stimuleert creativiteit onder de medewerkers door opleidingen en culturele activiteiten. 

Beleidsdoel 5.1 Gezonde natuur

5.1 Gezonde natuur

Zuid-Holland heeft landschappen met natuurwaarden die in heel Europa bijzonder zijn: de duinen, de delta en het veenweidegebied. De provincie streeft naar vitale natuur en fraaie landschappen die beginnen bij de voordeur en zich uitstrekken tot de kernen van onze natuur- en groengebieden, verbonden met water en erfgoed. Door overal natuur- en landschapswaarden te versterken, wordt gewerkt aan het behoud en herstel van de biodiversiteit en aan een aantrekkelijke omgeving.

De biodiversiteit, de belangrijkste graadmeter voor de kwaliteit van de natuur, daalde de afgelopen decennia sterk. Om te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitats in de provincie, is het hebben van voldoende natuur van goede kwaliteit een vereiste. Dit is niet alleen belangrijk voor de natuur zelf, maar ook voor onze gezondheid, voedselzekerheid, om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en om de bijdrage van natuur aan brede welvaart en leefbaarheid zeker te stellen. Het beschermen van biodiversiteit is daarom vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Per 2030 geldt de opgave om het VHR-doelbereik met 30% te verhogen. Om de gunstige staat te behalen, is realisatie, beheer en bescherming van een robuust netwerk van natuurgebieden nodig, evenals het wegnemen van drukfactoren. Specifiek voor Natura 2000-gebieden geldt dat dit door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen (instandhoudingsdoelen) zijn. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn omschreven in termen van behoud, verbetering van kwaliteit en behoud en uitbreiding van oppervlak en gelden binnen de begrenzing van de Natura 2000-gebieden. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelen. Uit de KRW volgt dat de (waterkwaliteits-)eisen vanuit Natura 2000 leidend zijn voor de KRW-doelen. Dit betekent dat per 2027 de hydrologische situatie in de Natura 2000-gebieden op orde is.

Ook buiten deze natuurgebieden zijn gezonde, aantrekkelijke landschappen en steden van belang voor het halen van het VHR-doelbereik. De provincie verbindt hierbij natuurwaarden met andere functies, zoals landbouw en wonen. Tegelijkertijd heeft de provincie aandacht voor gezond evenwicht in populaties van planten en dieren, waardoor ingrijpen soms nodig is.

Om stappen te zetten richting een natuurinclusieve samenleving in 2050 ondersteunt en stimuleert de provincie de uitvoering van de Groeiagenda natuurinclusief Zuid-Holland 2024-2027. Deze agenda is gericht op draagvlak, adaptatie en internalisering van het thema natuurinclusief. Met als doel om natuurbelangen integraal mee te nemen in andere opgaven, zoals bijvoorbeeld waterkwaliteit, landbouw en verstedelijking.

Beleidskeuzes van 5.1 Gezonde natuur

5.1.1 Nieuwe natuur realiseren
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie is wettelijk verantwoordelijk om bepaalde soorten en leefomgevingen (habitats) te beschermen en in de zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen, zoals staat vermeld in de EU Vogel- en Habitatrichtlijn, aangevuld met de opgaven die voortvloeien uit de natuurherstelverordening. Aanleg van natuur is hiervoor een belangrijk middel, waarbij de provincie wil bereiken dat een sterk netwerk van natuurgebieden ontstaat, dat bestaat uit kerngebieden en verbindingszones daartussen (het Natuurnetwerk Nederland). Buiten deze natuurgebieden wil de provincie het gebied in goede conditie blijft en duurzaam wordt beheerd, zodat het zijn waarde en functie behoudt. Dit doet zij door aantrekkelijke landschappen en steden te creëren waar, naast andere functies, ook voldoende ruimte is voor natuurwaarden.

Naast dat dit de algehele biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit verhoogt, draagt het ook bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving in Zuid-Holland. Voor de aanleg van natuur neemt de provincie de leiding. Ze stelt zich hierin op als verbinder tussen lokale partijen om te komen tot samenwerking.

Aanleiding

De biodiversiteit staat sterk onder druk. Zo verdwijnen kwetsbare planten, neemt de diversiteit en biomassa van insecten af, is de trend in aantallen van veel vogelsoorten al jaren negatief en staat het onderwaterleven onder steeds grotere druk. Daarnaast is een gezonde (beleefbare) natuur belangrijk voor de mens en draagt dit bij aan klimaatdoelen (CO2-vastlegging, waterberging, verminderen hittestress) en aan verbetering van de waterkwaliteit. De betrokkenheid en inbreng van onder andere gemeenten, waterschappen, (agrarische) ondernemers, natuurorganisaties en inwoners is hierbij van groot belang.

Het beschermen van biodiversiteit is in de EU geborgd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en de natuurherstelverordening en in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet.  De provincies hebben de wettelijke taak om deze doelen te behalen, waarbij realisatie van nieuwe natuur (zowel begrensde natuur als natuur daarbuiten) een middel is. Hierover zijn afspraken gemaakt met het Rijk (onder andere Natuurpact, Programma Natuur, Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied, Project Mainport Rotterdam, Actieplan Boerenlandvogels).

Motivering Provinciaal Belang

De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van nieuwe natuur. Provincies zijn hierbij wettelijk verantwoordelijk om specifieke soorten en habitats te beschermen en in de zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen conform de EU Vogel- en Habitatrichtlijn, aangevuld met de opgaven die voortvloeien uit de natuurherstelverordening. Er is grote overlap en samenhang met de andere provinciale opgaven voor water, klimaat, de daarmee samenhangende opgaven voor stikstofreductie en de transitie van het landelijk gebied. Dat vergt centrale provinciale regie.

De realisatie van nieuwe natuur draagt, samen met het beheren en beschermen van natuur, ook bij aan het oplossen van de vergunningencrisis, waardoor ruimtelijke ontwikkelingen weer mogelijk worden.

Nadere uitwerking

Om de doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening te halen is het essentieel dat natuurgebieden tegen een stootje kunnen. Om dit te bereiken moeten natuurgebieden worden vergroot en ontbrekende verbindingen worden gerealiseerd.

Belangrijk onderdeel daarin is de voltooiing van een samenhangend en duurzaam geborgd natuurnetwerk, waarvan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en daarbinnen de Natura 2000-gebieden een cruciaal onderdeel zijn. Daarnaast zijn weidevogelkerngebieden, bos en bomen en een meer fijnmazige groenblauwe dooradering (GBDA) van het landschap ook een onderdeel van het te realiseren netwerk.  Voor het versterken van leefgebieden van VHR soorten is het instrument icoonsoorten ontwikkeld. De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld die staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met het hele Zuid-Hollandse ecosysteem (water, bodem, natuur).

Met het Rijk zijn en worden meerdere afspraken gemaakt die hier invulling aan geven. Hieronder vallen:

  • Het Natuurpact: de provincie voert de regie op de realisatie van het NNN in 2027 met vanuit het Rijk gedecentraliseerde middelen. 

  • Het Uitvoeringsprogramma Natuur, die een focus heeft op maatregelen in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en gaat deels ook over realisatie van nieuwe natuur (NNN). 

  • In het kader van Project Mainport Rotterdam zijn afspraken gemaakt over de realisatie van het natuur- en recreatiegebied Buijtenland van Rhoon.  

  • Zuid-Holland is een belangrijke provincie voor boerenlandvogels zoals de grutto, kievit, veldleeuwerik en patrijs. Omdat Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft voor met name de weidevogels is de provinciale opgave groter dan alleen de neerwaartse trend keren. Als doel stelt de provincie daarom een stijging (ten opzichte van 2019) van het aantal broedparen van de grutto, als vlaggenschip en indicatorsoort voor de weidevogels, met circa 3.500 broedparen. En voor de akker- en bollenvogels een stijging van circa 300 paar patrijzen.

  • De realisatie van 10% groenblauwe dooradering in 2050 is een doel volgens het Aanvalsplan Landschap. Deze dooradering draagt, naast aan het behalen van de VHR-doelen, ook bij aan klimaat- en waterdoelstellingen. Als tussendoel realiseert de provincie in 2030 de helft van het gat tussen de bestaande GBDA en de 10%.

  • In het kader van het klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over de realisatie van bos. Deze afspraken dragen tevens bij aan de doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening. De provincie maakt een start met de doelen voor bosuitbreiding, te beginnen met 400 ha tot 2030 zoals vastgesteld in het Ruimtelijk voorstel.

5.1.2 Beschermen en versterken bestaande natuur en soorten
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil de plant- en diersoorten die van nature voorkomen binnen de provinciegrenzen behouden. Dit doet zij door het ondersteunen van goed beheer van de natuur, door de kwaliteit van natuurgebieden te verbeteren en deze gebieden te beschermen via regels en plannen. In het landelijk en stedelijk gebied treft de provincie maatregelen om de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening te halen, de natuur gezond te houden en de natuur op landbouwgrond te verbeteren. Belangrijke weidevogelgebieden worden door de provincie door regels beschermd (dit noemen we planologisch). Daarnaast stimuleert zij initiatieven voor verdere versterking van de kwaliteit. Ook gebieden met bomen of bos (zogenoemde houtopstanden) worden planologische beschermd. 

De provincie wil dat er een gezond evenwicht is tussen de verschillende soorten wilde dieren. Bij het beheren van dit evenwicht wordt zorgvuldig gekeken naar de belangen van natuur en de samenleving.  Als het nodig is, neemt de provincie maatregelen. Bijvoorbeeld om planten en dieren te beschermen, voor de veiligheid van mensen, voor de volksgezondheid of om schade aan landbouw en andere belangrijke zaken te voorkomen. Daarnaast geeft de provincie vergoedingen voor schade veroorzaakt door wilde en beschermde dieren. De provincie werkt aan het voorkomen en aanpakken van schadelijke planten en dieren uit andere landen (exoten). Dit doet ze door ze te voorkomen, weg te halen of onder controle te houden. Als deze soorten schade veroorzaken aan beschermde planten en dieren, of aan de economie of gezondheid van mensen, neemt de provincie maatregelen.

Aanleiding

De achteruitgang van biodiversiteit is een wereldwijd probleem, niet alleen vanwege het verdwijnen van soorten op zich, maar ook vanwege de afhankelijkheid van de mens van goed functionerende ecosystemen, voor bijvoorbeeld voedsel, gezondheid en klimaatadaptatie. Het beschermen van biodiversiteit is in de EU geborgd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en de Natuurherstelverordening (NHV) en in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet. De provincies hebben de wettelijke taak om hierop in te zetten, waarbij het beschermen, beheren en versterken van bestaande natuur een middel is.  

Motivering Provinciaal Belang

Op grond van Europese en nationale regelgeving draagt de provincie speciale verantwoordelijkheid voor soorten opgenomen op de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR-soorten), voor de gebieden die hiervoor zijn aangewezen (Natura 2000-gebieden), en het verbindende natuurnetwerk binnen Zuid-Holland (Natuurnetwerk Nederland). Vanuit de Natuurherstelverordening komen hierop aanvullende verantwoordelijkheden naar de provincies. De provincie is verantwoordelijk voor de (ruimtelijke) bescherming van deze soorten en gebieden.  

Daarnaast is er grote overlap en samenhang tussen de opgaven voor natuur, water, klimaat en de daarmee samenhangende opgaven voor stikstofreductie en de transitie naar een duurzaam landbouwsysteem. Dat vergt landelijke en provinciale regie.   

Ter bescherming van de inheems flora en fauna wordt er ingezet op het bestrijden en beheer van invasieve exoten. Bij de wijdverspreide invasieve exoten wordt er ingezet op plekken waar een biodiversiteitsbelang in het geding is. Het provinciale biodiversiteitsbelang ligt vooral in de hiertoe aangewezen Natura 2000-gebieden, de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, ter bescherming van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten of rode lijst soorten buiten deze gebieden.

Nadere uitwerking

Natuurbeheer en -bescherming 
De provincie wil de hier van nature voorkomende plant- en diersoorten beschermen en behouden zodat duurzame populaties in stand blijven. Het beschermen van plant- en diersoorten gebeurt door ecologische waarden van natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, inclusief Natura 2000) te behouden en verder te versterken, maar ook daarbuiten moeten milieucondities op orde zijn. De provincie doet dat door het ecologische systeem op orde te brengen en drukfactoren te verminderen. Dit vergt inzet in de natuurgebieden en daarbuiten. Specifiek gaat het om het faciliteren van natuur- en landschapsbeheer, kwaliteitsimpulsen in natuurgebieden en beheer- en stimuleringsmaatregelen in het landelijk en stedelijk gebied.  Hierover zijn met het rijk afspraken gemaakt, onder meer in het kader van natuurpact en uitvoeringsprogramma natuur.

Daarnaast worden er beschermingscategorieën gekoppeld aan gebieden waardoor ze met behulp van regelgeving worden beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland is bijvoorbeeld planologisch beschermd. En zo is het Zuid-Hollandse (veen)weidelandschap is van groot belang voor de weidevogels in Nederland. Het is belangrijk dat de kwaliteit van deze gebieden behouden blijft, daarvoor stelt de provincie regels op die de gebieden met hoge weidevogeldichtheden en de potentieel waardevolle gebieden ruimtelijk beschermt en toetst daaraan. Ook ter bescherming van houtopstanden zijn beschermende regels opgesteld, waaraan wordt getoetst. 

Bij het beschermen van kansrijke weidevogelgebieden in beschermingscategorie 2 geldt als uitgangspunt dat bestaand agrarisch gebruik en vrijwillig agrarisch natuurbeheer behouden en uitvoerbaar blijven. Het is niet wenselijk dat succesvol weidevogelbeheer door agrarische ondernemers leidt tot aanvullende beperkingen voor bestaande agrarische bedrijfsvoering.

Ook buiten de beschermde (natuur)gebieden draagt de provincie zorg voor een gezonde leefomgeving met voldoende biodiversiteit. Alle in het wild levende planten en dieren vallen immers onder de zorgplicht.

Aanpak drukfactoren rondom Natura 2000-gebieden

De Natura 2000-doelen worden op dit moment niet gehaald, een belangrijke reden hiervoor is dat er drukfactoren spelen die een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen (VHR-doelen) van deze gebieden. Op dit moment worden voornamelijk maatregelen binnen de Natura 2000-gebieden genomen voor het beheersen van drukfactoren. Voor het wegnemen, opvangen en beheersen van deze drukfactoren zijn ook (preventieve) maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden nodig.

De provincie werkt daarom, samen met gebiedspartners en medeoverheden, per Natura 2000-gebied aan een gebiedsspecifieke aanpak voor het verminderen van de drukfactoren op deze Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied wordt hierbij gekeken of de eventuele invoering van overgangszones kunnen bijdragen aan een efficiënte en effectieve manier van het halen van natuur-, water- en klimaatdoelen. 

Exoten 
In toenemende mate krijgt Zuid-Holland te maken met (al dan niet invasieve) exoten. Dit zijn soorten die hier oorspronkelijk niet voorkomen. Deze exoten kunnen inheemse soorten verdringen of op een andere manier de omgeving voor deze soorten ongeschikt maken. Daarmee kunnen deze exoten een gevaar voor de biodiversiteit. Ook kunnen sommige exoten leiden tot grote economische schade. Dit risico is op Europees niveau erkend als een gezamenlijk probleem. Om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan is er daarom een Europese verordening tot stand gekomen die de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor exoten die zijn geplaatst op de zogenaamde Unielijst. De provincie is verantwoordelijk voor het bestrijden en beheersen van aantal exoten op deze lijst. De provincie vindt de introductie en het vestigen van (nieuwe) exoten binnen de provincie niet wenselijk. De provincie zet in op bestrijding en beheersing van de (invasieve) exoten door middel van preventie, eliminatie en beheer. Wanneer (invasieve) exoten inheemse beschermde flora en fauna schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid, neemt de provincie maatregelen.  

Faunabeheer
Binnen het faunabeheer streeft de provincie naar een gezond evenwicht in populaties en weegt zorgvuldig de belangen van natuur en samenleving af. De aanwezigheid van dieren staat soms op gespannen voet met andere (maatschappelijke en economische) belangen. Denk aan openbare veiligheid, volksgezondheid, landbouw of belangen van flora en fauna zelf. Dieren kunnen zorgen voor overlast, schade en onveilige situaties in het agrarische gebied, in de stad, in de haven en zelfs in natuur- en recreatiegebieden. Om conflicten tussen de aanwezigheid van dieren en andere belangen te voorkomen én om draagvlak te behouden voor natuur grijpt de provincie bij bepaalde populaties in om daarmee schade/risico’s te beperken. Dit wordt niet uitgevoerd om de natuur te bedwingen, maar om te zorgen voor balans.  

De provincie verleent in het kader van de wettelijke belangen vrijstelling of vergunningen van verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Indien het vanuit de wet niet of beperkt mogelijk is om een vergunning af te geven voor het bestrijden van schade aan landbouwgewassen door het verjagen of doden van in het wild levende inheemse soorten, is in de omgevingswet bepaald, dat de provincie in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verleent in geleden schade door natuurlijk in het wild levende en beschermde dieren. 

Hieronder zijn enkele voorbeelden benoemd van faunasoorten, waarvoor de provincie maatregelen treft ten behoeve van de wettelijke belangen.  

Ganzen 
De provincie zet zich jaarrond actief in om de populatie standganzen binnen de provincie te reduceren tot op een niveau waarbij de schade acceptabel en de populatie beheersbaar is. Daarnaast is van groot belang dat ganzen met alle geschikte middelen, inclusief afschot, worden verjaagd van plaatsen waar ernstige schade kan ontstaan. Gedurende de winterperiode wordt rekening gehouden met de rust binnen Natura 2000-gebieden en met de aangewezen ganzenrustgebieden.  

Bever  
De bever heeft als icoonsoort een belangrijke functie binnen de provincie Zuid-Holland, maar daar waar de bever een gevaar vormt voor o.a. de (water)veiligheid grijpt de provincie actief in.  

Reeën  
De reeënpopulatie neemt toe en daarmee ook de verspreiding binnen de provincie. De omvang van de populatie wordt gereguleerd ter bescherming van diverse wettelijke belangen waaronder het voorkomen van aanrijdingen, het lijden van de reeën zelf en schade aan gewassen.  

Predatoren 
Ter bescherming van kwetsbare soorten, waaronder grond-broedende vogels zoals weidevogels en kustbroedvogels, zet de provincie in op het voorkomen dan wel beperken van predatie door bijvoorbeeld de vos en (verwilderde) huiskatten.  

Verwilderde dieren 
De provincie vindt het vestigen van nieuwe (populaties) verwilderde dieren binnen de provincie niet wenselijk. 

Damherten in de Noord en Zuid-Hollandse duinen 
De provincie zet in op een gezonde populatie damherten in het huidige leefgebied in de duinen waarbij wordt gestreefd naar een evenwicht met de belangen verkeersveiligheid, schade aan gewassen en aan de inheemse flora en fauna. 

5.1.3 Natuurinclusieve transitie
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil natuur meenemen in al haar ruimtelijke ontwikkelingen, zodat biodiversiteit behouden en versterkt kan worden. Natuur stopt immers niet bij de grens van natuurgebieden. Natuurinclusieve ruimtelijke ontwikkeling draagt bij aan het oplossen van veel provinciale uitdagingen (bodemdaling, verzilting, verdroging, afname biodiversiteit). Ook is het een randvoorwaarde voor een voldoende sterk ecologisch systeem, zodat aan (inter)nationale afspraken (natuur, stikstof, klimaat, fijnstof) wordt voldaan.

Door biodiversiteit als dwarsdoorsnijdend thema onderdeel van ons handelen te maken, werken we aan een aantrekkelijk, natuurinclusief en toekomstbestendig Zuid-Holland. Dan ontstaat zowel meer ruimte voor flora en fauna, als voor het oplossen van maatschappelijke problemen. De provincie wil met medeoverheden en kennisinstellingen het concept basiskwaliteit natuur verder ontwikkelen om te natuurinclusieve transitie te bevorderen. 

Aanleiding

Natuur staat aan de basis van ons bestaan. We zijn er als mens van afhankelijk voor levensmiddelen, grondstoffen, welzijn en klimaatregulering. De kwaliteit van de Zuid-Hollandse natuur staat echter fors onder druk en ligt ver onder de afgesproken doelen. Natuurinclusief biedt hiervoor een oplossing. De noodzaak hiervan is verwoord in de Landelijke Agenda Natuurinclusief.  Het halen van de natuurdoelen is nationaal en provinciaal beleid en is randvoorwaardelijk voor het oplossen van de huidige vergunningencrisis.

Motivering Provinciaal Belang

Het integraal meenemen van biodiversiteit levert veel op voor de diensten die de natuur de mensheid levert, de zogenaamde ecosysteemdiensten. Denk hierbij aan de zuivering van lucht en water en aan een gezondere leefomgeving, maar ook aan hoogwaterveiligheid. Deze ecosysteemdiensten vormen de belangrijkste randvoorwaarde voor ons bestaan én onze economie.

Nadere uitwerking

Natuurinclusief werken

Natuurinclusief werken betekent “de natuur inbegrepen”. Het betreft een manier van denken – in beleid, uitvoering en beheer – waarin natuur altijd wordt meegewogen opdat er meer biodiversiteit ontstaat. Het gaat om proactief handelen ten bate van de biodiversiteit, om op die wijze de leefomgeving van dier en mens een positieve impuls te geven. Met natuurinclusiviteit wordt vanuit de soortenbescherming bedoeld dat maatregelen die worden genomen ten gunste van de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR-soorten), rode lijst soorten en nationaal beschermde soorten zouden moeten komen. Met het inzetten op natuurinclusiviteit wil de provincie een gunstige staat van instandhouding realiseren voor de beschermde plant- en diersoorten. Het ruimhartiger terug laten keren van de beschermde soorten kan de druk verlagen op het benodigde beschermingsniveau. Een gunstige staat van instandhouding draagt ook bij aan het eenvoudiger kunnen afgeven van een ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen.  

Natuurinclusief werken in het stedelijk en landelijk gebied

Bouwen gaat over mens en gebouw in relatie tot de natuurlijke omgeving en hoe die versterkt kan worden.  Natuurinclusief werken en bouwen wordt bevorderd door meekoppelkansen te benutten in andere opgaven, zoals bij bodemdaling, recreatie en beheer & onderhoud van wegen.

De provincie geeft invulling aan natuurinclusief in zowel bestaand als nieuw te ontwikkelen stedelijk en landelijk gebied. Voor het verstedelijkte gebied loopt dit via drie sporen. Ten eerste het voorlichten van initiatiefnemers en het stimuleren om voor VHR-soorten de aantasting van leefgebieden ruimhartiger te compenseren en te realiseren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ten tweede het stimuleren en faciliteren van soortmanagementplannen door soortenbescherming gebiedsgericht op te zetten waardoor niet voor elke losse activiteit een aparte ontheffing nodig is. Als laatste door voorwaarden op te nemen in de verordening om bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening te houden met de kansen voor het versterken van de biologische diversiteit. Hiermee streeft de provincie naar betere groenblauwe dooradering van het stedelijk gebied en goede verbindingen voor flora- en faunasoorten met het buitengebied.

Transitie naar natuurinclusieve landbouw

Zuid-Holland zet in op een natuurinclusieve agrarische sector, waarbij landbouwbedrijven voedsel en gewassen produceren in harmonie met milieu, natuur en landschap door natuurlijke processen in de bedrijfsvoering te integreren, te zorgen voor een gezond bodem- en watersysteem, een aantrekkelijk landschap en meer biodiversiteit, passend binnen een economisch rendabele bedrijfsvoering.

Ruimtelijke functies zoals landbouw en natuur zijn met elkaar verbonden in een landschap. Ze maken deel uit van eenzelfde ecologisch en economisch systeem en delen daarin bodem, water en biodiversiteit. Een gezonde bodem, schoon en voldoende water en biodiversiteit is voor beiden essentieel. Het gaat in de natuurinclusieve transitie daarmee ook om een denkomslag: van natuur als belemmering naar natuur als kans.

5.1.4 Stikstofreductie
Wat wil de provincie bereiken?

Het terugbrengen van stikstof (zowel ammoniak als stikstofoxiden), heeft als doel om de neerslag van stikstof op de natuurgebieden te verminderen en daarmee bij te dragen aan natuurherstel. De provincie heeft als doel om de uitstoot van ammoniak uit de landbouw sterk te verlagen om zo bij te dragen aan het landelijke doel om de uitstoot 42-46% terug te brengen in 2035 ten opzichte van 2019. Ook draagt de provincie bij aan de landelijke doelstellingen voor het verminderen van stikstofoxiden van 50% voor de industrie en 50% voor de mobiliteit (inclusief bouw) in 2035 ten opzichte van 2019. De provincie onderzoekt de mogelijkheden om richting 2035 de vermindering van uitstoot op bedrijfs- dan wel op gebiedsniveau te kunnen borgen. Op deze wijze wil de provincie in de toekomst de uitstoot van ammoniak geborgd verminderen.

Daarnaast is het voor de provincie belangrijk om maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te blijven maken. Om de stikstofproblematiek op te lossen werkt de provincie samen met regionale partners.

Deze inzet wordt in het omgevingsprogramma verder uitgewerkt en verloopt langs de volgende lijnen:

  • 1.

    Ammoniak (NH3) verminderen voor natuurherstel;

  • 2.

    Stikstofoxiden (NOx) verminderen voor natuurherstel;

  • 3.

    Ontwikkelingen mogelijk houden door vergunningverlening, waaronder helpen bij de legalisatie van PAS-melders.

Aanleiding

De afspraken komen voort uit de wettelijke doelen die zijn opgenomen in de Omgevingswet (artikel 2.15a, eerste lid).

Motivering Provinciaal Belang

De provincie heeft de ambitie dat de Natura 2000-gebieden in goede staat van instandhouding verkeren en er geen verslechtering optreedt en is daar ook wettelijk toe verplicht. Een toename van stikstofdepositie boven de Kritische Depositie Waarde (KDW) kan een nadelig effect hebben op de natuur. Daarom zet de provincie zich in om de stikstofdepositie te verminderen ten behoeve van natuurherstel.

De stikstofproblematiek leidt tot vertragingen bij economische en maatschappelijke ontwikkelingen. De provincie vindt het belangrijk dat economische en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, energietransitie en mobiliteit doorgang kunnen vinden. Een goede voortgang van de energietransitie is noodzakelijk om naast de CO2 doelen ook de NOx doelen te kunnen halen.

Het Rijk heeft een sterk sturende rol als het gaat om het creëren van een robuust kader, waarbinnen goede vergunningverlening mogelijk is. Vanuit de Omgevingswet is de provincie verplicht om een gebiedsgerichte uitwerking te maken voor het landelijk gebied.

Nadere uitwerking

Ammoniak (NH3) reductie voor natuurherstel;

De provincie Zuid-Holland werkt aan het invoeren van een doelsturingssystematiek in de landbouw. De provincie Zuid-Holland onderzoekt op welke manier per 2035 een geborgd systeem van emissiereductie kan worden gerealiseerd. Dit met als doel een verlaging van de emissie van de melkveehouderij op gebiedsniveau naar gemiddeld tussen de 35 en 45kg per hectare.

De randvoorwaarden voor invoering zijn onder andere:

  • Een (juridisch) geborgd systeem waarbij de bedrijfsemissie (stal- en veldemissie) van bedrijven goed in kaart gebracht kan worden waarbij de gerealiseerde reductie volledig meegeteld wordt (dus ook reductie door bijvoorbeeld voer- en managementmaatregelen).

  • Handelingsperspectief voor agrariërs om binnen het plafond een duurzaam en rendabel bedrijfsmodel te kunnen voeren. 

  • De ontwikkelingen op landelijke schaal aansluiten bij de invoering van een dergelijk systeem.

De provincie Zuid-Holland sluit daarbij zo veel mogelijk aan bij de landelijke ontwikkelingen rondom doelsturing. In de tussenliggende periode motiveert de provincie Zuid-Holland melkveehouders om stappen te zetten door een beloningsstrategie. Ook zet de provincie Zuid-Holland zich via het Zuid-Hollandsprogramma Landelijk Gebied (ZH-PLG) in om de emissie van ammoniak uit de landbouwsector te verminderen.

Stikstofoxiden (NOx) reductie voor natuurherstel;

Er zijn door het Rijk doelen gesteld voor de reductie van de NOx emissie in de sectoren industrie en mobiliteit. Deze doelen zullen worden behaald via landelijk, generiek, beleid waar de provincie door middel van aanvullende maatregelen een bijdrage aan levert. Hierbij zal innovatie ook een belangrijke rol spelen.

Ontwikkelingen mogelijk houden middels vergunningverlening, waaronder helpen bij de legalisatie van PAS-melders.

De provincie heeft afspraken gemaakt over bijdragen aan de woningbouw, mobiliteit, energietransitie en de legalisatie van PAS-melders. Het wettelijk kader voor vergunningverlening, inclusief de daarover gevormde jurisprudentie en de staat van de natuur, beperkt momenteel de mogelijkheid om alle gewenste ontwikkelingen te realiseren.

Beleidsdoel 5.2 Toekomstbestendige landbouw

5.2 Toekomstbestendige landbouw

Om een toekomstbestendige landbouw te realiseren kiest de provincie ervoor om te werken aan een veerkrachtige landbouw. Een landbouwsector met het vermogen om zich snel genoeg aan te passen en die robuust genoeg is om staande te blijven in een veranderende wereld. Een sector die in staat is om de nodige transitie in te gaan, doelen van water, natuur en klimaat te behalen en ook in de toekomst wendbaar en toonaangevend te blijven. Akkerbouw en veehouderij hebben baat bij een duurzame bodemvruchtbaarheid, het actief toepassen van ecosysteemdiensten en het verminderen van externe input (krachtvoer, kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen). Inspanningen die ook natuur-, water- en klimaatdoelstellingen ten goede komen en zo natuur en landbouw weer in balans brengen. De provincie zet zich ervoor in dat de ondernemers in Zuid-Holland mee kunnen bewegen naar de toekomst, zowel in een faciliterende rol als door te werken aan randvoorwaarden en kaders.

De provincie ziet de waarde van een vitale landbouwsector en wil die waarde ook in de toekomst behouden. Daarom kiest de provincie ervoor om de veerkracht en het aanpassingsvermogen van de landbouw te vergroten zodat deze, ondanks toekomstige uitdagingen, van waarde kan zijn.

De provincie streeft naar een divers en vitaal bestand aan agrariërs - hoogtechnologisch, natuurinclusief, multifunctioneel - zodat zij ook in de toekomst, waarde kunnen leveren voor voedselvoorziening, landschap, ecologie en hun sociale en economische rol in het landelijk gebied. De provincie gaat de sector stimuleren en faciliteren met kennis, netwerken en financiële middelen. Vergroting van de veerkracht van de sector in combinatie met realistische doelen, voorkomt verlamming en zorgt uiteindelijk voor versnelling en vergroting van de beweging.

De provincie stimuleert medeoverheden, ondernemers en ketenpartners om kennis op te bouwen, te delen en te borgen. Daarmee versterkt zij het aanpassingsvermogen van de sector. Samen met de sector en kennisinstellingen brengt de provincie in kaart waar de doelen liggen, gaandeweg stuurt en beloont zij op beweging richting deze doelen. De provincie monitort de voortgang in de toekomstbestendigheid van de sector én op de mate van doelbereik.

Beleidskeuzes van 5.2 Toekomstbestendige landbouw

5.2.1 Toekomstbestendige landbouw
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie ziet de waarde van een vitale landbouwsector en wil die waarde ook in de toekomst behouden. Daarom zet de provincie zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector. De provincie kiest ervoor om de veerkracht en het aanpassingsvermogen van de landbouw te vergroten zodat deze ondanks toekomstige uitdagingen van waarde kan blijven.

De provincie streeft naar een divers en vitaal bestand aan agrariërs - hoogtechnologisch, natuurinclusief, multifunctioneel - zodat zij ook in de toekomst waarde kunnen leveren voor voedselvoorziening, landschap, ecologie en hun sociale en economische rol in het landelijk gebied. De provincie stimuleert en faciliteert de sector met kennis, netwerken en financiële middelen.

De landbouwgrond wordt door de provincie beschermd om zo voldoende grond beschikbaar te houden voor een toekomstbestendige landbouw. Vruchtbare landbouwgronden wil de provincie zoveel als mogelijk behouden.

Aanleiding

De landbouw vervult een belangrijke functie voor werkgelegenheid, leefbaarheid, sociale cohesie, gezondheid, voedselproductie, landschap en boerennatuur. De sector staat echter voor flinke uitdagingen. Denk hierbij aan het einde van de derogatiebeschikking en de noodzaak tot reductie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ook heeft de sector te maken met doelstellingen voor natuur, water en klimaat. Daarbij is het areaal aan landbouwgrond de afgelopen decennia afgenomen. 

De provincie werkt via een gebiedsgerichte aanpak aan doelen voor landbouw, water, klimaat, natuurherstel en emissiereductie van stikstof en broeikasgassen. Voor het behalen van deze doelen werkt de provincie intensief samen met de landbouwsector. De provincie doet hierbij een flink beroep op de veerkracht van individuele bedrijven en de sector als geheel. De provincie heeft bij de uitwerking van milieudoelen en beoordeling van beweging oog voor eerder behaalde verduurzaming, bijvoorbeeld precisiebemesting, weidevogelbeheer of extensievere bedrijfsvoering met minder ammoniakuitstoot.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie gelooft dat door nu in beweging te komen, we samen toe kunnen werken naar een robuuste sector die in staat is zich aan te passen aan de normeringen van vandaag en morgen. Voor een toekomstbestendige landbouwsector is de beschikbaarheid van voldoende en kwalitatief goede landbouwgrond van belang. Omdat de ruimtevraag voor de landbouwsector gemeentegrens overstijgend is, stuurt de provincie op het provinciale en regionale schaalniveau op dit belang.

De provincie zet met de sector gezamenlijk in op innovatie en natuurherstel en denkt met boeren mee over hoe hier een eerlijke en realistische vergoeding tegenover kan staan. Zo maakt de provincie bedrijfsmodellen mogelijk waarin het uitvoeren van een agrarisch beroep in balans is met de omgeving. Want wij zien het belang van de agrariërs voor onze provincie als beheerders van ons cultuurlandschap, als toonaangevend voedselproducent en als economische sector met een sterk maatschappelijk fundament.  Daarom werkt de provincie aan het vergroten van de veerkracht van de sector. Vergroting van de veerkracht van de sector, in combinatie met realistische doelen, voorkomt verlamming en zorgt uiteindelijk voor versnelling en vergroting van de beweging.

Nadere uitwerking

De provincie zet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector. Dat is een sector met het vermogen om zich snel genoeg aan te passen aan de grenzen van het water- en bodemsysteem, en die robuust genoeg is om staande te blijven in een veranderende wereld. Een sector die in staat is om de nodige transitie in te gaan, doelen van water, natuur en klimaat te behalen en ook in de toekomst wendbaar en toonaangevend te blijven. Ook in geval van autonome ontwikkelingen zoals klimaatadaptatie, verdroging en verzilting. 

De provincie stimuleert de overgang naar toekomstbestendige landbouwpraktijken en zet in op het versterken van de verbinding tussen boeren en consumenten. Agrariërs worden ondersteund zodat er een collectieve beweging richting economisch duurzame en vitale landbouwbedrijven kan ontstaan. Op deze wijze wordt bewustwording gecreëerd over lokale producten en een gezond voedselsysteem. Dit vergroot ook de kans op een economisch vitaal platteland.

De provincie maakt ruimte voor toekomstbestendige agrarische bedrijven, in ruimtelijke ordening maar ook door actieve inzet van diverse grondinstrumenten. Zo biedt de provincie experimenteerruimte in haar regels voor multifunctionele en andere nieuwe vormen van landbouw en beschermt ze landbouwgrond tegen bebouwing. Daarmee wil de provincie voldoende toekomstbestendige landbouwgrond  beschikbaar houden  voor voedselproductie, een realistische extensiveringsopgave en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. 

De provincie stimuleert medeoverheden, ondernemers en ketenpartners om kennis op te bouwen, te delen en te borgen. Daarmee versterkt de provincie het aanpassingsvermogen van de sector. Samen met de sector en kennisinstellingen brengt de provincie in kaart waar de doelen liggen en gaat ze gaandeweg sturen en belonen op beweging richting deze doelen. De provincie monitort de voortgang in de toekomstbestendigheid van de sector én op de mate van doelbereik.

Beleidsdoel 5.3 Leven met water

5.3 Leven met water

Zuid-Holland bestaat voor een zesde deel uit water. Dat water vervult een belangrijke rol in onze provincie. De provincie benut het water voor haar drinkwatervoorziening, industrie, land- en tuinbouw, natuur, recreatie, transport en om te voorkomen dat veendijken en veenbodems droogvallen.

Zuid-Holland werkt samen met de waterschappen en andere overheden aan de versterking van het water- en bodemsysteem. Een robuust water- en bodemsysteem is de basis voor brede welvaart en economisch verdienvermogen nu en voor toekomstige generaties. Belangrijke onderdelen daarvan zijn waterkwaliteit (Kaderrichtlijn water) en waterbeschikbaarheid. Er kan sprake zijn van te weinig water, bijvoorbeeld door droogte, of juist van te veel water door hevige regenbuien. Daarom werkt de provincie aan het beschermen van Zuid-Holland tegen watertekort, -overlast en overstromingen. De opgaven voor water (waterveiligheid, -tekort, -overlast, -kwaliteit en -beschikbaarheid) worden steeds groter en urgenter. Dat komt onder andere door klimaatverandering, druk op de waterkwaliteit door verontreinigingen uit de landbouw, industrie en huishoudens, en de toenemende zoetwater- en drinkwaterbehoefte door bijvoorbeeld bevolkingsgroei en economische ontwikkelingen. Sleutelopgaven voor versterken van het water- en bodemsysteem in Zuid-Holland betreffen: verbeteren van de kwaliteit van ons oppervlakte- en grondwater, beschikbaarheid van voldoende drinkwaterbronnen, optimaliseren van de aanvoer van zoetwater en ruimte voor waterberging, versterking van boezemsystemen, dijken en keringen en het nat houden van de veenweidegebieden.

Op veel plekken in Zuid-Holland zullen veranderingen in de condities ten aanzien van o.a. waterbeschikbaarheid, verzilting, wateroverlast, waterveiligheid, bodemdaling en de toelevering van drinkwater, ondanks versterkingen en optimaliseringen van het water- en bodemsysteem, onvermijdbaar zijn. Dit heeft impact op verdienvermogen en de volhoudbaarheid van functies en landgebruik. Via de principes van Water en Bodem Sturend en klimaatadaptatie werkt de provincie toe naar een klimaatbestendige, waterrobuuste inrichting van de leefomgeving.

Deze grote vraagstukken kan de provincie niet alleen oplossen. Het vereist gezamenlijke inzet van en samenwerking met verschillende overheden en andere organisaties, zoals het Rijk, waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven. Binnen de provincie Zuid-Holland moeten deze organisaties blijven samenwerken aan oplossingen voor de wateropgaven, om zo ook andere provinciale opgaven die raken aan water te kunnen realiseren. Denk aan woningbouw, land- en tuinbouw en industrie, het versterken van natuur en biodiversiteit of de energietransitie. Water vraagt - in het belang van onze toekomstige bestaanszekerheid - ook om  ruimte voor o.a. voor waterkeringen/dijkversterkingen, waterberging, grondwaterbeschermingsgebieden en aanpassingen van de regionale water- en bodemsystemen. Het water- en bodemsysteem is daarmee een belangrijk sturend element voor ruimtelijke keuzes in onze provincie.

Voor waterkwaliteit en –beschikbaarheid zijn in Europees verband specifieke afspraken gemaakt over hoe een duurzame bescherming van oppervlaktewater en grondwater gewaarborgd moet worden. De provincie beheert grondwatermeetnetten waarmee zij de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit in alle grondwaterlichamen monitort. De provincie heeft een actieve rol en verantwoordelijkheid bij het voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-West is het platform waar de provincie met de partners in dit Stroomgebied beleid en inzet afstemt, en de voortgang op maatregelen en doelbereik evalueert.

Beleidskeuzes van 5.3 Leven met water

5.3.1 Waterveiligheid en wateroverlast
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil ervoor zorgen dat waterveiligheid wordt gewaarborgd. En dat de kans op wateroverlast uit het regionaal watersysteem wordt beperkt en schade door wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit doet zij door in te zetten op meerlaagsveiligheid, oftewel de combinatie van waterbewustzijn, preventie, gevolgen beperking, crisisbeheersing en herstel van schade. Ondanks maatregelen om een dijkdoorbraak of wateroverlast te voorkomen (preventie), kunnen ze nooit geheel worden uitgesloten.

De provincie heeft meerdere wettelijke taken:

  • Regels voor regionale waterkeringen: De provincie wijst regionale waterkeringen aan en stelt omgevingswaarden vast voor deze keringen. Deze omgevingswaarden (beschermingsniveau) van deze regionale waterkeringen is vastgelegd in de omgevingsverordening. Met de waterschappen zijn ook termijnen vastgesteld waarop de waterkeringen aan deze normen moeten voldoen.

  • Regels voor wateroverlast vanuit het regionale watersysteem: De provincie heeft omgevingswaarden (normen) vastgesteld voor wateroverlast vanuit het regionale watersysteem. Deze zijn in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening vastgelegd.

  • Goedkeuring van projectbesluiten (dijkversterkingsplannen).
    Dit geldt vooral voor de versterking van primaire waterkeringen langs de kust en dijken langs grote rivieren, die beheerd worden door het waterschap. De plannen voor dijkversterkingen worden beoordeeld op het goed meenemen van landschappelijke, natuur- en cultuurwaarden.  Ook geldt dit voor projectbesluiten voor overige waterstaatswerken, dit zijn bijvoorbeeld projectplannen voor regionale keringen, gemalen of nieuwe watergangen.

  • Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR)

    De provincie maakt, actualiseert en publiceert overstromingsrisico- en overstromingsgevaarkaarten. Op die kaarten is te zien welke gebieden kunnen overstromen, wat de kans is op een overstroming, wat dan de waterdiepte kan zijn en wat de gevolgen zijn.

Aanleiding

De provincie Zuid-Holland ligt laag en als de dijken het begeven kan het bijna overal overstromen. Daarom is het belangrijk dat de provincie beleid heeft voor waterveiligheid. Klimaatverandering zorgt ervoor dat de opgave voor waterveiligheid groter wordt. Ook zijn dijken, duinen en keringen kenmerkende landschappelijke elementen en zijn daarmee van belang voor de ruimtelijke kwaliteit in de provincie.

Hevige regenbuien kunnen leiden tot wateroverlast, onder andere door overstroming (inundatie) uit het regionaal watersysteem. Waterschappen zorgen voor voldoende waterberging in het regionale watersysteem en zorgen voor voldoende afvoercapaciteit. De benodigde afvoer- en bergingscapaciteit wordt door de waterschappen berekend op basis van de wateroverlastnormen die in de omgevingsverordening zijn vastgelegd als omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren.

Motivering Provinciaal Belang

Het provinciaal belang volgt uit de wet. De wet schrijft voor dat de provincie projectbesluiten van het waterschap voor dijkversterkingen goedkeurt, omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen vast legt, zorgdraagt voor de productie, actualisatie en het digitaal beschikbaar stellen van overstromingsrisico- en overstromingsgevaarkaarten en dat met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast omgevingswaarden in de provinciale omgevingsverordening moeten worden verankerd. De omvang van waterveiligheidsvraagstukken overstijgt vaak het lokale niveau en bovendien spelen er vaak meerdere belangen waarmee rekening gehouden moet worden en zijn er mogelijk meekoppelkansen. Betrokkenheid van de provincie is dan belangrijk.

Nadere uitwerking

De provincie werkt samen met het Rijk, waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s aan waterveiligheid.
Bijvoorbeeld in projecten rondom de kust, in het Deltaprogramma, bij de aanwijzing en normering voor regionale waterkeringen, in het voortraject van dijkversterkingen en bij projecten waar meerlaagsveiligheid speelt.

Om veilig te blijven tegen overstromingen en wateroverlast zijn maatregelen nodig. Bijvoorbeeld extra ruimte rondom bestaande en/of nieuwe regionale waterkeringen. Maar ook aan ruimte voor waterberging en verbreding van boezemsystemen om hevige neerslag op te vangen om zo wateroverlast te voorkomen. Voor buitendijkse ontwikkelingen die nog wel zijn toegestaan volgens de Beleidslijn Grote Rivieren vraagt de provincie van gemeenten dat zij in deze gebieden rekening houden met de risico’s van overstromingen, nu en bij een veranderend klimaat. 

Maatregelen ter verbetering van de veiligheid tegen overstromingen hebben een ruimtelijke impact. Deze maatregelen moeten dus zoveel mogelijk passen bij het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie. Bij de ruimtelijke inpassing van waterveiligheid (waterkeringen) wordt dan ook rekening gehouden met het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Dit beleid is nog in ontwikkeling (agenderend).

Als in een gebied een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt kan dit invloed hebben op potentiële schade of slachtoffers; hier dient rekening mee gehouden te worden bij verstedelijking. Daarom brengt de provincie overstromingsrisico’s in beeld en stimuleert zij een waterrobuuste ruimtelijke inrichting.

Voor wateroverlast zijn in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003) afspraken gemaakt over het verbeteren van het watersysteem. De provinciale omgevingswaarden voor wateroverlast door overstroming van regionale wateren volgen uit het NBW. De provincie werkt samen met onder andere de waterschappen en gemeenten om wateroverlast als gevolg van hevige neerslag tegen te gaan (zie beleidskeuze klimaatadaptatie).

Het beleid is uitgewerkt in het regionaal waterprogramma, ondersteund met regels in de omgevingsverordening.

5.3.2 Waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil een goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Voor het realiseren van een goede waterkwaliteit volgt de provincie de Europese richtlijnen: de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn. Voor zwemlocaties in oppervlaktewater volgt de provincie de Zwemwaterrichtlijn: de provincie wil goed ingerichte en veilige zwemlocaties in oppervlaktewater.

De provincie beschermt de huidige en toekomstige bronnen voor drinkwaterproductie en belangrijke, onmisbare drinkwaterinfrastructuur. Zodat deze ruimtelijk en kwalitatief veiliggesteld worden en er voldoende drinkwater beschikbaar is om tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te produceren. De provincie vindt het belangrijk dat er voldoende bronnen voor drinkwaterwinning zijn. In de verkenning naar nieuwe bronnen worden nieuwe locaties, en alternatieve bronnen onderzocht. Door verschillende bronnen te gebruiken is er meer zekerheid op voldoende levering van drinkwater. De provincie wil een toekomstbestendig gebruik van het watersysteem. De verschillende functies van watergebruik en het regionale watersysteem worden zodanig op elkaar afgestemd dat:

  • de provincie bestand is tegen perioden van droogte en extreme neerslag

  • variaties in de aan- en afvoer van rivierwater kunnen worden opgevangen

  • het systeem krachtig is en bestand tegen invloeden van buitenaf mede ten behoeve van de waterkwaliteit.

De verschillende functies van watergebruik worden voorzien van een passende waterkwaliteit uit oppervlaktewater zolang dit doelmatig is en vanuit het water- en bodemsysteem haalbaar is. Als gevolg van klimaatverandering en een toenemende watervraag kan de aanvoer van (beperkt beschikbaar) zoetwater niet altijd en overal worden gegarandeerd. Het zal vaker voorkomen dat er gedurende langere periodes onvoldoende zoetwater is voor gebruiksfuncties.

De provincie zet zoveel mogelijk in op functiecombinaties die elkaar versterken, zoals drinkwater en natuur. Bij het aanwijzen van zwemwaterlocaties wordt rekening gehouden met de waterkwaliteit, veiligheid en hoe schoon het is (hygiëne). Bij het vaststellen van doelen voor de waterkwaliteit wordt rekening gehouden met de verschillende functies waar oppervlaktewateren voor worden gebruikt.

Om ervoor te zorgen dat er genoeg water is en blijft, van een goede kwaliteit zoekt de provincie nadrukkelijk de samenwerking met andere partijen: niet alleen medeoverheden, maar ook drinkwaterbedrijven, terreinbeheerders, ondernemers en maatschappelijke organisaties.

Aanleiding

Een goede waterkwaliteit en -kwantiteit is de basis van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving, waarin we nuttig gebruik maken van het beschikbare water voor de drinkwatervoorziening, landbouw, natuur, recreatie, transport en industrie. Die functies kunnen elkaar beïnvloeden, gaan niet altijd samen en de toestand van het water is niet altijd geschikt voor iedere functie.

De oppervlaktewaterkwaliteit in Zuid-Holland is niet op orde. Dit komt met name door verhoogde concentraties aan nutriënten en bestrijdingsmiddelen. Dat leidt onder andere tot overlast van blauwalgen en tot achterblijven van gestelde natuurdoelen. De kwaliteit van het grondwater wordt bedreigd door verontreinigende stoffen als gevolg van menselijk handelen. Intensieve landbouw, industriële uitstoot naar het milieu en toenemend gebruik van de ondergrond vormen een belasting in de vorm van nutriënten, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics en opkomende stoffen. Ook komen stoffen in het grondwater door uitspoeling van historische bodemverontreinigingen en (illegale) lozing van verontreinigende stoffen. De hoeveelheid zoet grondwater staat onder druk door onttrekkingen ten behoeve van industrieel gebruik, drinkwaterproductie en land- en tuinbouw. Door klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen nemen de onttrekkingen toe. Bovendien leidt zeespiegelstijging tot extra druk van zoute kwel. Een goede waterkwaliteit kan niet simpelweg bereikt worden door aan knoppen te draaien (via het nemen van maatregelen). Er moet ook rekening worden gehouden met de fysieke achtergrondomstandigheden van het water die daarop van invloed zijn.

De beschikbaarheid van voldoende zoet water is belangrijk voor de drinkwatervoorziening, landbouw, natuur, waterkwaliteit en industrie. De vraag naar zoet water neemt toe door sociaaleconomische ontwikkeling en klimaatverandering. Tegelijk staat het aanbod van kwalitatief goed zoet water onder druk door klimaatverandering (zeespiegelstijging, langere periodes met droogte en lage rivierafvoeren, toenemende verzilting) en de invloed van verontreinigingen in het oppervlaktewater. Tekorten aan zoet water leiden tot schade aan functies die hiervan afhankelijk zijn. De balans tussen vraag en aanbod staat onder druk. Daarom is het belangrijk dat gebruiksfuncties en het regionale watersysteem zodanig op elkaar afgestemd en ingericht zijn dat ze weerbaar zijn tegen veranderende omstandigheden zoals droogte en lage rivierafvoeren. Vanwege de wettelijke taken en de zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening zorgt de provincie voor een robuuste ruimtelijke bescherming van de bestaande en mogelijke toekomstige bronnen voor drinkwaterproductie.

Motivering Provinciaal Belang

Het beleid voor het realiseren van mooi en schoon water volgt uit wettelijke taken en bevoegdheden, maar ook uit bestuurlijke ambitie. De rol die de provincie neemt verschilt per opgave. De provincie heeft in ieder geval de volgende wettelijke taken/bevoegdheden:

  • Aanwijzen en begrenzen van oppervlaktewaterlichamen die niet in beheer zijn bij het rijk, grondwaterlichamen en waterwinlocaties en het vast leggen ervan in het regionaal waterprogramma (art. 4.4 Bkl)

  • Vaststellen van ecologische doelen voor de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen;

  • Het vastleggen van maatschappelijke functies van regionale wateren, waaronder in ieder geval de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking;

  • Vaststellen van maatregelen ter uitvoering van de KRW voor grondwater, aangewezen oppervlaktewaterlichamen en waterlichamen waarin waterwinlocaties liggen;

  • Monitoring van de toestand van grondwaterlichamen;

  • Aanwijziging van zwemlocaties in oppervlaktewater conform de Europese zwemwaterrichtlijn.

Nadere uitwerking

Bij de beleidsuitwerking in het regionaal waterprogramma wordt tevens de relatie tot andere beleidskeuzes uitgewerkt.

Beleidsdoel 6.1 Wonen

6.1 Wonen

Voldoende betaalbare huisvesting voor iedereen
Meer dan de helft van de Zuid-Hollandse huishoudens komt op basis van hun inkomen in aanmerking voor een sociale huurwoning. Op dit moment heeft Zuid-Holland te weinig sociale huurwoningen voor al deze huishoudens. De provincie wil het makkelijker maken voor mensen met een laag of gemiddeld inkomen om een huis te vinden. Daarom moet de voorraad betaalbare (waaronder sociale huur-) woningen worden uitgebreid. 

In 2023 is in de regionale woondeals vastgelegd dat er veel meer woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Twee derde daarvan moet ‘betaalbaar’ zijn, waarvan de helft door woningcorporaties moet worden gebouwd. Daarnaast moeten alle gemeenten toegroeien naar minimaal 30 procent sociale huur in de bestaande woningvoorraad. Daarom wil de provincie dat: 

  • er snel meer betaalbare woningen bijkomen om de achterstand in te halen en dat de sociale woningvoorraad in onze provincie met minimaal 100.000 woningen toeneemt, zodat gemeenten toegroeien naar minimaal 30% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad; 

  • er minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (toevoegingen) zit;

  • waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (toevoegingen);

  • een sociale huurwoning ook echt sociaal is en ook voor minimaal 25 jaar zo wordt ingezet.

De provincie versnelt de bouw van (betaalbare) woningen. Zij wil dat er in de periode 2022 tot en met 2030 ongeveer 248.000 nieuwe woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Het vergroten van de voorraad sociale- en betaalbare woningen krijgt hierbij voorrang. De nadruk ligt op de uitvoering van vastgestelde plannen. De provincie moedigt toekomstbestendig bouwen en een toekomstbestendige inrichting van de woon- en leefomgeving aan.

De provincie legt de focus op realisatie van woningbouw en zet daarbij in op het versnellen van de procedures. Een beproefd en probaat middel hiervoor is parallel plannen. Uit de uitgevoerde hackathons en scans parallel plannen is gebleken dat hiermee woningbouwplannen substantieel kunnen worden versneld. Daarom stimuleert de provincie parallel plannen bij door GS vastgestelde woningbouwplannen.

Toekomstbestendig bouwen
De provincie draagt bij aan een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Daarbij zet zij in op versnelling van toekomstbestendige woningbouw in Zuid-Holland. Met toekomstbestendige bouw bedoelt de provincie:

  • energiepositief (meer energie opwekken dan verbruiken); 

  • klimaatbestendig en waterrobuust (bestand tegen extreme weersomstandigheden en goed beschermd tegen te veel water); 

  • natuurinclusief (rekening houdend met de natuur); 

  • circulair en biobased (gemaakt van herbruikbare materialen en natuurlijke grondstoffen); 

  • uitstoot-beperkend; 

  • drinkwater besparend; 

  • gericht op een gezonde, veilige en beweegvriendelijke leefomgeving. 

Rolneming
De provincie neemt haar rol in de verschillende afspraken en wettelijke taken die ze heeft of nog krijgt. Gezien de grote en ingewikkelde opgave die voor ons ligt, ziet de provincie een belangrijke coördinerende, verbindende en regisserende rol voor zichzelf. Het behalen van de doelen kan alleen als ook andere partijen, zoals het Rijk, gemeenten en projectontwikkelaars, hun bijdrage leveren. 

De provincie blijft inzetten op samenwerking in de regio. Ze helpt en ondersteunt regio’s bij de totstandkoming van regioafspraken over bijvoorbeeld de woningbouwprogrammering, en wonen en zorg. Als er geen regioafspraken komen, of er geen resultaten volgen, grijpt ze in.  

Als de Wet versterking regie volkshuisvesting kracht van wet heeft, krijgt de provincie meer wettelijke taken op het gebied van woningbouw en volkshuisvesting. De provincie zorgt dat de organisatie deze opgave kan uitvoeren. Ze blijft bij het Rijk aangeven dat doelen haalbaar en proportioneel moet zijn. 

Woningbouwafspraken tot en met 2030
De provincie houdt vast aan een aantal al gemaakte afspraken. Dit zijn: 

  • ze bouwt voort op de 5 bestaande woondeals met de regio’s. Hierin maakt ze afspraken met gemeenten, woningcorporaties en andere belangrijke samenwerkingspartijen. 

  • ze zet in op de relatie met alle betrokken partijen. En betrekt daarbij ook projectontwikkelaars, waterschappen en nutsbedrijven. 

Beleidskeuzes van 6.1 Wonen

6.1.1 Voldoende en betaalbare huisvesting voor iedereen
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie geeft in de Omgevingsvisie doelstellingen aan voor voldoende en betaalbare woningen. Op regionaal niveau -en een enkele keer op gemeentelijk niveau. Dit om samen met gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen ervoor te zorgen dat er voldoende woningen komen (met name sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare koopwoningen) op de juiste plekken voor alle doelgroepen. In het bijzonder voor de doelgroepen van woningcorporaties, middeninkomensgroepen, aandachtsgroepen (onder andere statushouders, arbeidsmigranten en dak- en thuislozen) en ouderen. Concreet wil de provincie ongeveer 248.000 woningen bruto nieuwbouw realiseren vanaf 2022 in Zuid-Holland (woningbouwopgave). Dit is volgens de afspraken die zijn gemaakt met het Rijk. De provincie stuurt op de volgende doelstellingen: 1) bruto nieuwbouw, bestaande uit minimaal 2/3 betaalbare woningen (huur en koop); 2) waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3; en 3) doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente.

Deze woningen moeten in een hoog tempo worden gebouwd. Door middel van Toekomstbestendig Bouwen draagt de provincie bij aan het versnellen van de bouw van woningen en het voorkomen van vertragingen die kunnen worden voorkomen.

Daarnaast stelt de provincie in de Omgevingsvisie doelen voor het huisvesten van bepaalde groepen mensen in de regio -en een enkele keer in gemeenten. Zo zorgt ze er samen met gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen voordat er voldoende passende woningen zijn voor alle mensen, in het bijzonder voor de doelgroepen van woningcorporaties, middeninkomensgroepen, aandachtsgroepen (o.a. statushouders, arbeidsmigranten en dak- en thuislozen) en ouderen.

Aanleiding

Wonen is een primaire levensbehoefte en als (sociaal) grondrecht verankerd in artikel 22 lid 2 van de Grondwet waarin is aangegeven dat de bevordering van voldoende woongelegenheid een zorg van de overheid is. Het wettelijk kader voor wonen ligt vast in onder andere de Omgevingswet, Woningwet en Huisvestingswet 2014. Provincies vervullen op grond van artikel 2.18 van de Omgevingswet een gebiedsgerichte coördinerende rol bij de uitoefening van taken door gemeenten.

Motivering Provinciaal Belang

Het voorzien in voldoende betaalbare woningen en voldoende passende huisvesting op de juiste plekken voor alle doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Het aanbod van zelfstandige woningen en andere huisvestingsvormen sluit onvoldoende aan op de vraag. Bovendien beperken de ontwikkelingen binnen de woningmarkt zich niet tot gemeente- en/of regiogrenzen.   Een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal daarom noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur. 

Regionale woonzorgvisies geven een uitwerking van de provinciale doelstellingen en bevatten de algemene uitgangspunten over (toekomstige) voorraadontwikkeling, betaalbaarheid, huisvesting van doelgroepen en evenwichtige spreiding van deze huisvesting in de betreffende regio. De regionale woonzorgvisie wordt door de gemeenten vastgesteld. GS stellen de regionale woonzorgvisie mede vast als deze voldoet aan het Omgevingsbeleid.

Gemeenten stellen op basis van de provinciale en regionale doelstellingen jaarlijks gezamenlijk een regionaal woningbouwprogramma op. De woningbouwopgave wordt uitgewerkt in de regionale woningbouwprogramma’s. Het regionale woningbouwprogramma moet actueel zijn en wordt jaarlijks door gemeenten en GS vastgesteld.

Vanuit de Ladder voor duurzame verstedelijking moeten gemeenten bij vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, motiveren dat deze nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan de (regionale) opgave. Met de door GS vastgestelde regionale woningbouwprogramma's voorzien gemeenten in de woningbouwopgave.

In deze beleidskeuze komen ook verschillende wettelijke taken en opgaven van de provincie vanuit de Omgevingswet en de uitwerking van diverse thematische akkoorden integraal samen, met als doel bij te dragen aan: een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving; creëren van een veilige en schone leefomgeving op het gebied van milieu, energie, klimaat en emissies; versterking van het vestigingsklimaat voor bedrijven én natuur in de bebouwde leefomgeving. Door regionale afstemming in beleid kan worden voorkomen dat onderlinge concurrentie tussen gemeenten afbreuk doet aan een evenwichtige toekomstbestendige ontwikkeling van functies aan locaties op lokale en (boven)regionale schaal. Zo draagt de provincie bij aan een toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving in Zuid-Holland.

Nadere uitwerking

Voorraadontwikkeling en beheer binnen de beschikbare ruimte 
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gebouwd, waar de opgave zich manifesteert en dit ruimtelijk past: de juiste woningen op de juiste plekken en op het juiste moment. Om in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien, maakt de provincie om de drie jaar de woningbouwopgave voor iedere regio bekend.  In beginsel gaat het daarbij om een periode van tien jaar. Op basis van de opgave per regio die de raming van het Rijk volgt, vraagt de provincie (samenwerkende) gemeenten een (regionaal) woningbouwprogramma op te stellen dat niet alleen past bij die opgave maar ook past binnen de ruimte die voor wonen is gereserveerd inclusief ‘straatje erbij’. Voor de verdeling over de regionale woningbouwprogramma’s (de projectenlijst per regio) zijn vitale dorpen en steden een relevante invalshoek. Het regionale woningbouwprogramma gaat over de plannen voor het toevoegen en het onttrekken van woningen naar eigendomsvorm, prijsklassen en woningtypen voor alle doelgroepen met een planningshorizon van 10 jaar. Kansrijke woningbouwplannen die binnen het provinciale omgevingsbeleid passen kunnen altijd worden ontwikkeld. De provincie stuurt op het realiseren tot en met 100% van de regionale woningbouwopgave binnen de voor wonen gereserveerde ruimte in Zuid-Holland inclusief 'straatje erbij'.

De toevoegingen en onttrekkingen van woningen dienen bij te dragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad en de regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw te nemen. Wonen is onderdeel van de fysieke leefomgeving en heeft raakvlakken met andere onderwerpen. Dit zijn bijvoorbeeld toekomstbestendig bouwen of woningen zo situeren dat ze, in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, klimaatadaptatie en -mitigatie, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving, bijdragen aan de maatschappelijke opgaven en transities waarvoor de provincie staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijnstrategie. Voor sociaaleconomische vitaliteit zijn namelijk ook andere aspecten, zoals werkgelegenheid en bereikbaarheid van belang. 

Betaalbare woningbouw 
Bij betaalbare woningbouw gaat het om woningen voor de doelgroepen van de woningcorporaties en om woningen voor de middeninkomensgroep.

De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 13 oktober 2022 met de provincie afspraken gemaakt over het aantal toe te voegen woningen. In de Samenwerkingsafspraken Woningbouw is afgesproken dat in de periode 2022 tot en met 2030 in de provincie Zuid-Holland 235.460 woningen bruto nieuwbouw worden gerealiseerd.  In april 2024 is de afspraak herzien en gaat het om 247.896 woningen bruto nieuwbouw. Daarnaast is afgesproken dat het regionale woningbouwprogramma vanaf 2025 bestaat uit minimaal 2/3 betaalbare woningen (waarvan de helft van en door woningcorporaties wordt gebouwd) en dat wordt gestreefd naar tenminste 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente. Deze afspraken zijn in regionale realisatieagenda’s wonen beschreven en uitgewerkt.

In de eerste helft van 2025 is vervolgens het aantal te bouwen woningen, op verzoek van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), verhoogd naar 247.896 woningen bruto nieuwbouw in de periode 2022 tot en met 2030. Daarbij is verzocht om het voornemen om te regelen dat 40% van de nieuwbouw een sociale huurwoning is, te heroverwegen. Daartoe heeft de provincie zich bereid verklaard mits er een adequaat instrumentarium voor de geformuleerde doelen gevonden wordt (100.000 sociale huurwoningen als bouwopgave en doorgroeien van gemeenten naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad). Er wordt nu ingezet op een aanpak die verschillend is per gemeente, afhankelijk van het percentage sociale huur in de woningvoorraad.

Bijna de helft van de Zuid-Hollandse huishoudens (46% begin 2023,) komt in aanmerking voor een sociale huurwoning. De wachtlijsten zijn lang voor een sociale huurwoning. Het huidige aanbod is ontoereikend om aan de vraag te voldoen. Er is een grotere voorraad sociale huurwoningen nodig, ook al wonen sommige huishoudens passend in een andere soort woningen. Er is daarom een inhaalslag nodig in de bouw van sociale huurwoningen. Daarom moet de sociale woningvoorraad in onze provincie met minimaal 100.000 woningen toenemen. Ook moet iedere gemeente toegroeien naar een sociale woningvoorraad van minimaal 30% in de bestaande woningvoorraad.

Met het oog op de opgave van voldoende passende en betaalbare woningen voor mensen met een lager inkomen, willen Rijk en provincie toe naar een meer evenwichtige verdeling van sociale huurwoningen over alle gemeenten. Dit vereist dat vooral in gemeenten die nu verhoudingsgewijs een kleine sociale huurvoorraad hebben, de sociale huurvoorraad toeneemt. Om te zorgen dat de sociale huurvoorraad toeneemt in juist die gemeenten, is de doelstelling om te streven naar ten minste 30% sociale huur in de woningvoorraad van elke gemeente. Het percentage van 30% sociale huur in de woningvoorraad hoeft niet eind 2030 bereikt te zijn, als dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Oftewel het maximale wordt gevraagd, maar niet het onmogelijke.

De provincie stuurt op de volgende doelstellingen:

  • 1.

    minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (toevoegingen);

  • 2.

    waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (toevoegingen);

  • 3.

    doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

Omdat de sociale huurvoorraad in iedere gemeente verschillend is, kiest de provincie voor een gedifferentieerde aanpak dat past bij het uitgangspunt dat de provincie gaat voor het maximale, maar niet het onmogelijke.

Gemeenten die substantieel minder sociale huurwoningen in de voorraad hebben, dienen meer dan 1/3e sociale huur in de gemeentelijke woningbouwprogrammering te realiseren. Het gaat daarbij om gemeenten die minder dan 27% (10% onder de doelstelling) sociale huur in de woningvoorraad hebben.

Zoals altijd is er een gegronde reden aan te voeren waardoor een gemeente niet aan de regel kan voldoen. Uitgaande van het uitgangspunt dat niet het onmogelijke, maar wel het maximale wordt gevraagd, vraagt de provincie aan de gemeenten om een realistisch groeipadplan waaruit blijkt hoe kan worden toegegroeid tot minimaal 30% sociale huurvoorraad of zo dicht daarbij als mogelijk is. Een door de gemeente vastgesteld en aangeleverd groeipadplan is nodig als basis voor de toepassing van maatwerk.

Een gemeente die meer dan 30% sociale huurwoningen in de bestaande woningvoorraad heeft, kan op basis van maatwerkafspraken met de provincie soms een lager percentage programmeren dan de standaard 1/3de. Dat is geen vanzelfsprekendheid en het zal in ieder geval niet mogen leiden tot zakken onder 30% in de bestaande voorraad.

Indien gemeenten met een sociale huurvoorraad van 30% of meer een woningbouwplan willen realiseren met een omvang vanaf 1.000 woningen die de regionale woningmarkt bedienen, moet gekeken worden naar de sociale huurvoorraad in de gehele regio.

De provincie vraagt het maximale, maar niet het onmogelijke daarom kan een gemeente met wijken waar sprake is van leefbaarheidsproblematiek gemotiveerd afwijken van de norm betaalbaarheid ter bevordering van de leefbaarheid in de nabije omgeving van de woningbouwlocatie.

In de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma is aangegeven hoe op deze doelstellingen wordt gestuurd.

Flexwonen
Met ‘flexwonen’ wordt gedoeld op verschillende soorten tijdelijke huisvestingsoplossingen, om zo flexibel in te spelen op het urgente woningtekort. Het gaat om woningen die verplaatsbaar zijn (locatie is tijdelijk) óf tijdelijke transformatiewoningen. Dit zijn bestaande gebouwen zonder woonfunctie die door aanpassingen wel een (tijdelijke) woonfunctie krijgen. 

Flexwonen is geen opgave op zich, maar is altijd een aanvulling op reguliere permanente woningbouw. Flexwonen dient als een ‘flexibele schil’ om de bestaande woningvoorraad heen en kan fungeren als ‘ventiel’ voor de druk op een gespannen woningmarkt (ook in gebieden waar in de toekomst de vraag naar woningen zal afnemen). Flexwonen biedt een mogelijkheid om snel extra woonruimte aan de woningvoorraad toe te voegen door tijdelijke woningen op (tijdelijke) locaties of in leegstaand vastgoed te realiseren. Het zijn volwaardige woningen die verplaatsbaar, stapelbaar, schakelbaar of splitsbaar zijn. Flexwoningen zijn toekomstbestendig: men speelt ook in op de circulariteit en duurzaamheid.

De provincie ziet in flexwonen een oplossing voor het snel beschikbaar krijgen van woonruimte voor vooral spoedzoekers, zeker in tijden van woningtekort. Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken. Spoedzoekers betreft een brede groep mensen, zoals vergunninghouders (statushouders), (buitenlandse) studenten, starters op de woningmarkt, gescheiden mensen, mensen die uit hun woning zijn gezet, mensen afkomstig uit een (woonzorg)instelling, arbeidsmigranten en mantelzorgers.

Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag. Dat is nodig omdat de provincie Zuid-Holland ziet dat de huidige woningmarkt te weinig woonruimte voor spoedzoekers biedt en omdat de bouw van reguliere woningen vaak te lang op zich laat wachten.

De provincie wil met flexwonen ook een aantal minder gewenste huisvestingsoplossingen die spoedzoekers nu door gebrek aan alternatieven gebruiken, zoals de permanente bewoning van recreatieverblijven, verminderen. Gebouwen voor flexwonen worden beschouwd als stedelijke functie die in beginsel in bestaand stads- en dorpsgebied moeten worden gerealiseerd.

Prioritaire doelgroepen
De provincie zet haar instrumentarium, zoals beleid, subsidies en kennisdeling in voor goede en betaalbare huisvesting van diverse doelgroepen die in de huidige woningmarkt moeilijk aan een passende woning kunnen komen. In de onderstaande tekst wordt nader ingegaan op de prioritaire doelgroepen.

1. Doelgroepen van de sociale huursector
Tot de doelgroepen van woningcorporaties behoren huishoudens die door hun lage inkomen (primaire en secundaire doelgroep) of andere omstandigheden (aandachtsgroepen) moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting.

De provincie vindt passende huisvesting voor de doelgroepen van woningcorporaties van groot belang. De urgentie is groot en de wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn lang. Ook door de instroom van vergunninghouders en zorgdoelgroepen en het verdwijnen van sociale huurwoningen uit de voorraad door sloop, huuraanpassing of verkoop is het van groot belang dat er voldoende sociale huurwoningen worden toegevoegd. De doelstellingen uit deze Omgevingsvisie zorgen ervoor dat er nog meer noodzaak is tot sturing op het toevoegen voor specifieke doelgroepen, voor wie deze woningen worden toegevoegd en hoe deze woningen zich verhouden tot de bestaande woningvoorraad.

Als er sprake is van schaarste aan een bepaald type woningen kan dat reden zijn om aanpassingen aan de woningvoorraad te doen. De provincie heeft inzicht in wat kwantitatief en kwalitatief nodig is. Dat wil zeggen dat er aan de ene kant inzicht is met betrekking tot de ontwikkeling van de omvang van de sociale huurvoorraad, het onderscheid naar prijsklassen en verhuringen van sociale huurwoningen en dat er aan de andere kant inzicht is in de ontwikkeling van de omvang van de doelgroepen en de actief woningzoekenden die daarop aangewezen zijn. In het bijzonder is er aandacht voor een passende woningvoorraad en daarbinnen een passende voorraad huurwoningen met een aanvangshuurprijs tot en met 143 punten volgens het landelijke woningwaarderingsstelsel (€ 900,07 per maand, prijspeil 1 januari 2025) voor de primaire en secundaire doelgroepen van woningcorporaties.

De huidige definitie voor sociale huur biedt onvoldoende garantie voor de toekomstige huurders dat een sociale huurwoning die door een belegger wordt verhuurd, langjarig beschikbaar blijft als sociale huur. Het Rijk heeft dit ook erkend en werkt aan een nieuwe definitie voor sociale huur.

Het is daarom belangrijk dat alle sociale huurwoningen voldoen aan alle van de volgende voorwaarden:

  • beschikbaar zijn voor de DAEB-inkomensgroep

  • minimaal 25 jaar vanaf de  oplevering  ingezet worden als sociale huurwoning

  • een begrensde huur hebben, waarbij sprake is van een maximale jaarlijkse huurverhoging; en

  • verhuurd worden via een woonruimteverdeelsysteem.

Het is belangrijk dat elke sociale huurwoning langjarig beschikbaar is voor de doelgroepen die erop aangewezen zijn. Om ervoor te zorgen dat elke woningzoekende een eerlijke kans krijgt en om discriminatie op de woningmarkt tegen te gaan, vindt de provincie het ook belangrijk dat alle sociale huurwoningen via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Sociale huurwoningen in portefeuille van woningcorporaties voldoen aan deze voorwaarden. Zoals het er nu uit ziet, zal het in de toekomst mogelijk blijven dat ook commerciële marktpartijen sociale huurwoningen mogen blijven verhuren. De provincie vindt het belangrijk dat ook sociale huurwoningen die door commerciële marktpartijen worden verhuurd, aan dezelfde genoemde vier voorwaarden voldoen waar sociale huurwoningen van woningcorporaties aan kunnen voldoen. Alleen op deze manier ontstaat er een duurzame sociale huurvoorraad.

2. Middeninkomensgroep: middenhuur en betaalbare koop 
De provincie wil ook zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor de middeninkomensgroep. Op de woningmarkt behoeven middeninkomens als doelgroep extra aandacht. Deze doelgroep heeft een te hoog inkomen voor de sociale huursector en is aangewezen op de middenhuursector en betaalbare koopvoorraad. Woningen van dit type kunnen ook de doorstroming bevorderen waardoor een deel van de sociale huurvoorraad vrijkomt.

De provincie hanteert een definitie van het middeninkomen conform die van het Rijk zoals aangegeven in de Wet Betaalbare Huur.

Betaalbare huur en koop.
Voor de definitie van betaalbare huurwoningen wordt eveneens aangesloten bij de definitie van het Rijk, zoals vastgelegd in de Wet Betaalbare Huur. Dit zijn, naast sociale huurwoningen, woningen met een aanvangshuurprijs vanaf 144 punten tot en met 186 punten (liberalisatiegrens) volgens het landelijke woningwaarderingsstelsel (€ 1.184,82 per maand, prijspeil 1 januari 2025) per maand, de zogeheten middenhuurwoningen. De huurprijs voor middenhuur wordt, net als sociale huur, gereguleerd door toepassing van het landelijke woningwaarderingsstelsel, conform de Wet Betaalbare Huur.

Voor de maximumgrens van betaalbare koopwoningen wordt ook aangesloten bij de betaalbaarheidsgrens van het Rijk, zoals gedefinieerd in de Huisvestingswet 2014 (art. 7 lid 4). Het Rijk past deze grens jaarlijks aan. Voor 2026 komt de bovengrens voor betaalbare koop uit op € 420.000. Deze grens geldt ook voor de Samenwerkingsafspraken Woningbouw tussen Rijk en provincie.

Daarnaast monitort de provincie   voor woningbouwplannen ook een lagere koopprijsklasse. De bovengrens voor deze koopprijsklasse komt overeen met wat maximaal kan worden geleend met anderhalf keer modaal inkomen gebaseerd op de NIBUD-financieringslastennormen. In de praktijk hanteert de provincie de maximale grens van € 280.000 voor een betaalbare koopwoning. De provincie wil dit monitoren om zicht te houden op de kansen op een nieuwbouwkoopwoning voor de doelgroep met een bruto-inkomen van maximaal anderhalf keer modaal.

3. Aandachtsgroepen
In het programma ‘Thuis voor iedereen’ geeft het Rijk de urgentie aan van goede huisvesting van aandachtsgroepen. De provincie onderschrijft deze urgentie.  

Aandachtsgroepen zijn groepen mensen met minder kansen dan anderen op de woningmarkt. Bijvoorbeeld door hun vraag naar een specifiek soort woning of woonvorm, wat zij kunnen betalen voor de huisvesting, wat extra nodig is aan begeleiding en zorg en het draagvlak in de buurt. In het Wetsvoorstel versterking Regie Volkshuisvesting en onderliggende regelgeving is gedefinieerd welke personen onderdeel van de aandachtsgroepen. Voor de provincie behoren vooralsnog de volgende personen tot de aandachtsgroepen:

  • sociaal-medische groepen: mantelzorgverleners- en ontvangers, mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische kwetsbaarheid, uitstromers uit intramurale zorginstellingen (maatschappelijke opvang, opvang van slachtoffers van geweld in huiselijke kring/ ‘vrouwenopvang’, opvang van slachtoffers van mensenhandel, beschermd wonen, instellingen voor klinische geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg, instellingen voor jeugdhulp), woningzoekenden na (jeugd)detentie, (dreigend) dakloze mensen, stoppende sekswerkers,

  • vergunninghouders (statushouders),

  • arbeidsmigranten,

  • studenten,

  • woonwagenbewoners.

Een aantal van deze aandachtsgroepen heeft een zorgvraag. De primaire verantwoordelijkheid om aan die zorgvraag te voldoen ligt bij de gemeente en zorgpartijen. De provincie richt zich primair op de huisvestingsvraag van deze aandachtsgroepen in de vorm van voldoende betaalbare woningen en/of flexwoningen. De meest kwetsbare woningzoekenden zijn vaak op zoek naar de meest betaalbare woningen (tot de kwaliteitskortingsgrens).

Voor de huisvesting van arbeidsmigranten heeft de provincie specifiek beleid en voor de huisvesting van vergunningshouders heeft de provincie een wettelijke toezichtstaak. Het beleid voor de beide genoemde doelgroepen is dat hieronder beschreven.

Arbeidsmigranten
Arbeidsmigranten zijn belangrijk voor de Zuid-Hollandse economie. Er is een continue vraag vanuit het bedrijfsleven naar arbeidsmigranten in diverse sectoren: van de land- en tuinbouwsector, techniek, tot en met de zorgsector. Om aan deze vraag te voldoen is goede tijdelijke huisvesting een steeds belangrijkere voorwaarde voor arbeidsmigranten om te kiezen voor een (tijdelijke) baan in Nederland. Het aanbod van tijdelijke huisvesting is echter, zowel kwantitatief als kwalitatief, nog steeds onvoldoende. Dit legt een onevenredige druk op de bestaande woningvoorraad, met name in het goedkopere deel daarvan. Daarnaast wordt door verkamering van bestaande woningen of door concentratie van huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten soms overlast door omwonenden ervaren. Ook sluiten de huidige woon- en werklocaties niet altijd goed op elkaar aan waardoor lange verkeersbewegingen noodzakelijk zijn en het wegennet onnodig belast wordt.

Een gebrek aan goede (tijdelijke) huisvesting maakt arbeidsmigranten kwetsbaar voor uitbuiting. Hoe meer kwalitatief goede huisvesting voor handen is, hoe minder malafide partijen (uitzenders, werkgevers, koppelaars) kunnen voortbestaan.

Het gaat bij ’arbeidsmigranten’ om werknemers die hier in principe voor de korte en middellange termijn (tot maximaal drie jaar) komen werken in laaggeschoolde en/of laagbetaalde arbeid. In principe omdat zij, als zij langer blijven, vaak te maken hebben met onvoldoende doorstromingsmogelijkheden naar de reguliere woningmarkt. Hierdoor blijven zij noodgedwongen  aangewezen op dezelfde huisvesting als de kort- en middellang verblijvende arbeidsmigranten.

Vergunninghouders (statushouders)
Vergunninghouders zijn asielzoekers met een verblijfsvergunning, ook wel statushouders genomend. De provincie is toezichthouder op uitvoering van de gemeentelijke taken op basis van de Huisvestingswet 2014. Daarbij gaat het om toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten. In het Omgevingsprogramma wordt dit nader toegelicht.

4. Ouderen
Tot de doelgroep ouderen behoort iedereen vanaf 65 jaar. Hiermee sluit de provincie aan op de definitie gehanteerd door het Rijk in het programma ’Wonen en zorg voor ouderen’. Deze doelgroep is heel divers; qua inkomen, woonwensen en gezondheid. De huisvestings- en zorgvraag binnen deze doelgroep is daarom sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie.

Het aantal ouderen neemt de komende jaren toe. Tegelijkertijd neemt ook de levensverwachting toe, waardoor sprake is van een dubbele vergrijzing. In 2020 was in Nederland 1 op de 21 mensen 80-plus en in 2040 is dit 1 op 12. Dit leidt tot een toename van de ondersteunings- en zorgvraag terwijl er steeds minder zorgpersoneel en minder mantelzorgers beschikbaar zijn. Om de sterk stijgende zorgkosten te beheersen zet het Rijk sterk in op extramuralisering van de zorg. Dit betekent dat deze grote groep ouderen steeds langer zelfstandig blijven wonen.

In juli 2022 heeft het Rijk (Ministerie VWS) het Programma ‘Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen’ gepubliceerd. Hierin staat het perspectief om een brede maatschappelijke omslag te maken in de organisatie van ondersteuning en zorg en wonen voor ouderen. Het motto is “zelf als het kan, thuis als het kan, digitaal als het kan". Om ouderen zo lang mogelijk eigen regie te geven en ervoor te zorgen dat men zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen is naast een geschikte woning ook een geschikte woonomgeving van groot belang. Het gaat dan om woningen dicht bij de voorzieningen, OV en een aantrekkelijke veilige buitenruimte die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

In november 2022 heeft Het Rijk (BZK) het programma ‘Wonen en Zorg voor ouderen’ gelanceerd. Daarin is onder andere aangegeven dat van de landelijke opgave om tussen 2022 en 2030 900.000 woningen te bouwen ongeveer 1 op de 3 woningen (290.000 woningen) geschikt moet zijn voor ouderen. In Zuid-Holland moet ongeveer 1 op de 4 nieuwe woningen een woning zijn die geschikt is voor ouderen om de vergrijzing op te kunnen vangen. Het Rijk maakt bij woningen die geschikt voor ouderen zijn, onderscheid tussen nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen (vergelijkbaar met verpleegzorgplekken).

De provincie hanteert de volgende definities:

Nultredenwoningen
Nultredenwoningen zijn zelfstandige woningen die zowel intern als extern toegankelijk zijn. Dit houdt in dat je de woningen kan bereiken zonder trap te lopen (extern toegankelijk) en dat woonkamer, keuken, badkamer, toilet en minimaal 1 slaapkamer zonder trappen te bereiken zijn (intern toegankelijk). Deze woningen zijn toegankelijk bij oplevering van nieuwbouw of verbouw en behoeven geen grotere aanpassing meer. Bijvoorbeeld, een reguliere eengezinswoning die wordt aangepast met een traplift is geen nultredenwoningen.

Geclusterde woonvormen voor ouderen
Geclusterde ouderenwoningen zijn woningen die voldoen aan de definitie voor nultredenwoningen in een geclusterde woonvorm. Geclusterd betekent dat deze woonvormen ingericht zijn op het bevorderen van sociaal contact en gemeenschapsgevoel, waardoor eenzaamheid wordt tegengegaan ensamenredzaamheid wordt bevorderd. Er moet daarom een ontmoetingsruimte inpandig aanwezig zijn of op loopafstand voor ouderen (bv. ca. 100 m). Die ruimte moet gericht zijn op ontmoeting van bewoners en eventueel buurtbewoners en op een open en transparante basis te gebruiken zijn. Landelijk wordt bij clustering uitgegaan van een schaal van minimaal 12 woningen. Voorbeelden van geclusterde woonvormen kunnen onder andere hofjeswoningen, serviceflats, aanleunwoningen en seniorenflats zijn. In dit type woning kan onder voorwaarden van de wet langdurige zorg (Wlz)) zorg geleverd worden. Het advies is om geclusterde woonvormen zoveel mogelijk dementievriendelijk in te richten.

Zorggeschikte woningen
Zorggeschikte woningen zijn zelfstandige nultredenwoningen waarin Wlz-zorg geleverd kan worden voor bewoners en die onderdeel zijn van een geclusterde woonvorm (zie definitie nultredenwoningen en geclusterde woningen). Om alle vormen van zorg te kunnen leveren dienen deze wooneenheden en de woonvorm rolstoeltoegankelijk te zijn, met voldoende ruimte om zorg te verlenen. De woningen zijn dementievriendelijk ingericht. Woningen die vallen onder de categorie BAT 3 of 4 en Woonkeur 6 vallen binnen deze definitie.

Een zorggeschikte woning is een woning die deel uitmaakt van een complex of groep woningen die geschikt en speciaal bestemd zijn voor bewoners met een Wet langdurige zorg (Wlz)-indicatie, waarbij de zorg (extramuraal) wordt geleverd door middel van Volledig Pakket Thuis (VPT), Modulair Pakket thuis (MPT) of Persoons Gebonden Budget (PGB). Geschikt betekent in dit geval dat de toegang en de woning rolstoel en rollator toe- en doorgankelijk zijn met in de woning voldoende ruimte bij entree en in toiletruimte en badkamer, brandveilig, met een goede en stabiele internetverbinding voor domotica.

De opgave aan geclusterd wonen en zorggeschikte woningen is gebaseerd op de vraag onder alleen ouderen (65-plus). Om in de vraag van ouderen (65-plus) te voorzien, zullen deze woningaantallen moeten worden gerealiseerd. Indien er met jongere bevolkingsgroepen gemengd wordt gewoond binnen één complex, wordt de opgave aan geclusterd wonen met deze aantallen verhoogd. Een groot deel van de geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen moeten in het betaalbare segment gerealiseerd worden. Dat betekent dat 1 op de 5 woningen die corporaties tot 2030 ontwikkelen geschikt een geclusterde woonvorm of een voor verpleegzorg geschikte woning moet zijn. 

De provincie monitort met behulp van het provinciale digitale systeem Planregistratie Wonen of de genoemde drie typen woningen geschikt voor ouderen ook daadwerkelijk geprogrammeerd worden en zal zo nodig bijsturen in woningbouwprogramma’s. Door te sturen op de ontwikkeling van woningen geschikt voor ouderen wordt er ook gewerkt aan de doorstroming op de woningmarkt. Elke oudere die verhuist, laat immers een woning achter die weer beschikbaar kan komen voor bijvoorbeeld een gezin of starter op de woningmarkt. Op deze manier komen verhuisbewegingen op gang en draagt de bouw van woningen geschikt voor ouderen ook bij aan meer kansen en mogelijkheden voor andere woningzoekenden.

5. Starters
Door de krapte op de huidige woningmarkt komen veel woningzoekenden moeilijk aan een woning. Met name de woningzoekers die nog nooit een zelfstandige woning bewoonden, worden beschouwd als starter, maar dé starter bestaat niet. Er zijn verschillende soorten mensen die starten op markt van zelfstandige woningen, zoals de ‘echte starters ‘ (jongeren tot 21 jaar en oudere-jongeren tot 30 jaar die inwonen of op kamers wonen), herstarters (als gevolg van bijvoorbeeld scheiding) en koopstarters (starters en doorstromers vanuit bijvoorbeeld de sociale huur naar koop).

Met de woningbouwprogrammering wil de provincie direct en indirect ruimte bieden voor woningen voor deze doelgroep. Daarom wordt een aanjager ingezet om de kansen van starters op de woningmarkt te vergroten. Met de komst van de aanjager wordt ingezet op het inventariseren van goede voorbeelden van collectieve woonvormen voor jongeren en starters en het bevorderen van ten minste drie nieuwe collectieve woonvormen, waar bijvoorbeeld jongeren en ouderen samenleven.

6. Asielzoekers
Een asielzoeker is iemand die asiel heeft aangevraagd. Hij of zij vraagt om bescherming als vluchteling en wacht op de beslissing van de overheid. Zolang de asielprocedure loopt, hebben asielzoekers het recht om in Nederland te blijven. Het Rijk is verantwoordelijk voor het opvangen van asielzoekers en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) voert dit in opdracht van het ministerie van Asiel en Migratie uit. Het COA was afhankelijk van de vrijwillige medewerking van gemeenten bij het realiseren van asielopvang. Op 1 februari is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (ook bekend als de Spreidingswet) in werking getreden. Hiermee hebben gemeenten een (structurele) wettelijke taak in de opvang van asielzoekers gekregen. Ook moet deze wet leiden tot een evenwichtigere verdeling van asielzoekers over gemeenten en het mogelijk maken van kleinschalige opvang. 

Er zijn momenteel landelijk te weinig opvangplekken voor asielzoekers. De provincie Zuid-Holland wil samen met gemeenten verantwoordelijkheid nemen in de maatschappelijke opgave om meer en kwalitatief betere asielopvang te realiseren. De provincie heeft hierin een faciliterende en coördinerende rol. 

De opvang van asielzoekers betreft vaak een nieuwe stedelijke ontwikkeling met een maatschappelijke functie (een beheerde opvanglocatie, geen zelfstandige huisvesting). De opvang van asielzoekers vindt in beginsel binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) plaats. Gezien de grote maatschappelijke opgave wordt meegewerkt aan het mogelijk maken van nieuwe asielopvanglocaties in Zuid-Holland. Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor op aanvraag van de gemeente, ook onder verwijzing naar de geschetste uitgangspunten in het programmaonderdeel asiel, gebruik maken van hun bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Toekomstbestendig bouwen
Zuid-Holland is de dichtst verstedelijkte provincie van Nederland. In de komende jaren moet er bovendien fors worden gebouwd om in de vraag naar wonen en werken te kunnen voorzien. Vanuit de provinciale taak voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling werkt de provincie aan voldoende woningen en versterken van de regionale economie. Onder meer de leefbaarheid van het (nieuwe) stedelijk gebied en vestigingsklimaat voor bedrijven kunnen onder druk komen te staan als gevolg van klimaatverandering en toenemend intensiever ruimtegebruik vaak in combinaties van verschillende functies. En daarmee kan het leef- en vestigingsklimaat van Zuid-Holland negatief worden beïnvloed.

Ruimtelijke plannen worden ontwikkeld voor de vraag van nu, maar ook die van de later. Daarom is het verstandig om nu woon- en werkplekken toe te voegen die berekend zijn op eisen van vandaag maar ook zijn toegerust op die van de nabije afzienbare toekomst. Tegelijkertijd is het gezien de urgentie van de opgaven ook noodzakelijk om snel te realiseren waarbij oog wordt gehouden voor de betaalbaarheid bij realisatie én beheer. Het Convenant toekomstbestendig bouwen is een hulpmiddel op weg naar eenduidige uitwerking van maatregelen voor toekomstbestendig bouwen.

De directe aanwezigheid en toegankelijkheid van voldoende groen en water in bebouwd gebied is een duurzame oplossing voor het tegengaan van wateroverlast en hittestress en levert een bijdrage aan een gezonde leefomgeving. In de gebouwde leefomgeving zet de provincie gezamenlijk met de steden in op het realiseren van groenblauwe locaties, waarbij voldoende aandacht is voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en sport en recreatie.

De provincie stimuleert biodiversiteit in de nabijheid van ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de wettelijke kaders treedt de provincie ook regulerend op, bijvoorbeeld door het meenemen van maatregelen ter versterking van biodiversiteit bij nieuwbouw verplicht te stellen. Ook de landelijke Agenda Natuurinclusief biedt hiervoor een kader waarin de provincie haar rol neemt.

De provincie Zuid-Holland wil circulaire bouwinnovaties stimuleren en opschalen voor een klimaatneutrale en versnelde realisatie van de verstedelijkingsopgave. Ook in de bouw beperkt de provincie haar CO2-uitstoot bij traditionele materialen zoals beton en staal en meer gebruik van materialen met een lage CO2-uitstoot. Circulair bouwen richt zich op circulariteit van materialen én het bouwproces. Hierbij zijn de bouwproducten van nu de grondstoffen van later. Het sluiten van de afvalkringloop (dus geen nieuw afval creëren) staat hierbij centraal. Bij biobased bouwen zijn materialen gemaakt van hernieuwbare grondstoffen. In het bouwproces wordt rekening gehouden met modulair & losmaakbaar bouwen om het hergebruik in de toekomst te vergemakkelijken.

De Provincie Zuid-Holland wil emissieloze oplossingen voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het stedelijk gebied bevorderen om daarmee te komen tot een duurzaam toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving. Het gaat daarbij primair om het beperken van de uitstoot van CO2 en NOx, en daarnaast om de uitstoot van andere, voor de gezondheid schadelijke stoffen zoals fijnstof.

Het gebruik van meer regenwater voor huishoudelijke doeleinden, zoals de was en het doorspoelen van toiletten kan tot significante drinkwaterbesparing leiden. Informatie hierover wordt onder andere gegeven door de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin).

De fysieke leefomgeving heeft een grote invloed op de gezondheid en veiligheid van de inwoners van Zuid-Holland. De provincie streeft daarom de bebouwing zo in te richten dat deze uitnodigt tot gezond gedrag, zoals sport en beweging. Waarbij een goede milieukwaliteit wordt bevorderd en de leefomgeving wordt beschermd tegen hinder en risico’s.

Tot slot leidt energiepositief bouwen tot minder druk op het open landschap voor het realiseren van grootschalige vormen van hernieuwbare opwekking van elektriciteit. Slim en effectief koppelen van eisen helpt om de juiste beslissingen te nemen voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving op alle ontwikkellocaties in Zuid-Holland. Naast inzet van het ruimtelijk instrumentarium zet de provincie ook in op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling, coalitievorming en het beschikbaar stellen van subsidies. Zo werkt Zuid-Holland aan de ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving waar de provincie de komende decennia nog steeds trots op kan zijn.

Binnen de (minimale) wettelijke kaders dient een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling (in toenemende mate) en in samenhang met elkaar:

  • Energiepositief te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en omgevingskoude en het zoveel mogelijk in hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien – door zo mogelijk meer te produceren dan zelf wordt gebruikt. Onder een energiepositieve bijdrage hoort ook het bieden van systeemdiensten, zoals bijdragen aan afvlakking van vraagpieken, het bufferen van aanbodpieken van duurzaam geproduceerde energiedragers en het deelnemen aan gezamenlijk beste oplossingen (die individueel niet te veel benadelen).

  • Klimaatbestendig en waterrobuust te zijn, ook op een slappe ondergrond waar zetting en bodemdaling plaatsvindt. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied bijdraagt aan een klimaatrobuust functionerend water- en bodemsysteem en de omgeving goed blijft functioneren wanneer er door klimaatverandering meer drogere, nattere en hetere weersomstandigheden voorkomen. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland. Wateropgaven worden niet afgewenteld op toekomstige generaties, naar andere gebieden of functies, en niet van privaat naar publiek. De provincie zet in op zoveel mogelijk multifunctioneel ruimtegebruik en creatieve oplossingen.

  • Uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteit en variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken.

  • Circulaire en biobased oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik, industrieel bouwen aan de hand van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst.

  • Uit te gaan van het zoveel mogelijk toepassen van emissieloze oplossingen voor zowel de bouwfase als gebruiksfase, oplossingen die emissies van in ieder geval NOx en CO2 zoveel mogelijk beperken, om daarmee een toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving te bevorderen.

  • Zoetwaterefficiënt te zijn om de druk op de drinkwatervoorziening en het (grond)watersysteem te verlichten, door agenderend in te zetten op waterbesparende maatregelen rond woningen en bedrijven en voor voldoende onverharde bodem en lokale waterberging te zorgen, zodat regenwater optimaal in de bodem kan infiltreren.

  • Een gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; een omgeving die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving en die beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd.

In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering en hoe hieraan invulling wordt gegeven. Maatregelen vallend onder toekomstbestendig bouwen kunnen antwoorden bevatten op dreigende vertragingen, en daarmee preventief bijdragen aan oplossingen voor uiteenlopende problemen die zich in de praktijk manifesteren, variërend van energieschaarste, klimaatverandering, bodemdaling, drinkwaterschaarste, schaarste van bouwmaterialen, tot CO2 en NOx opgaven.

Opgave energie
Eén van de grootste uitdagingen voor Nederland de komende jaren is klimaatverandering. Conform het klimaatakkoord van Parijs en het nationale Klimaatakkoord werkt de provincie aan het fors reduceren van de broeikasgasemissies. Dit vraagt een energievoorziening (warmte/koelte en elektriciteit) in de leefomgeving die is geoptimaliseerd en gebaseerd op hernieuwbare energie.

Opgave circulair
De bouw en ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving vraagt om materiaalgebruik met een lage CO2-uitstoot en mogelijkheden tot hergebruik, conform het Nationaal Grondstoffenakkoord. Bovendien dragen circulaire strategieën bij aan het beheersen van het risico op grondstoffenschaarste, en het risico op bouwvertraging door verlaging van emissies zoals stikstof. Daarnaast zorg het voor een gezondere leefomgeving, met name door het gebruik van biobased bouwmaterialen.

Opgave klimaatadaptatie
Daarnaast vraagt klimaatverandering dat de bebouwde leefomgeving moet worden aangepast, anticiperend op de verwachtingen die bij het veranderende klimaat horen: extreme neerslag, hittestress, langere periodes van droogte en een grotere kans op overstromingen en de bodem die blijft dalen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en Nationaal Bestuursakkoord Klimaatadaptatie is afgesproken dat de leefomgeving weerbaarder maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Opgave verstedelijking
De beleidskeuze voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied is er dan ook op gericht om schade door hevige neerslag, bij langdurige droogte, tijdens perioden van hitte, in relatie tot bodemdaling en/of als gevolg van overstromingen te voorkomen of te beperken. Groene, natuurinclusieve maatregelen hebben daarbij de voorkeur (‘groen tenzij’) om tevens de biodiversiteit te vergroten. Tegelijkertijd speelt de grote verstedelijkingsopgave in Zuid-Holland, waarin wonen, werken en recreëren samenkomen in de bebouwde leefomgeving. In de komende jaren worden veel woningen toegevoegd en wordt gewerkt aan voldoende en intensief gebruik van werklocaties conform het Verstedelijkingsakkoord van Rijk en regio.

Opgave natuurinclusief
Het beleid van de provincie is conform de kerntaken en de afspraken uit het Klimaatakkoord gericht om de natuur en de biodiversiteit in de provincie in stand te houden én te verbeteren. In het bestaand stads- en dorpsgebied leeft een deel van de kwetsbare Vogel- en Habitatrichtlijn-soorten (VHR-soorten). De provincie is wettelijk verantwoordelijk voor de staat van instandhouding van deze soorten. Met de druk op de ruimte neemt ook de druk op deze soorten verder toe. De biodiversiteit is de laatste jaren in het stedelijk gebied toegenomen door meer variatie aan klein- en grootschalige stedelijke biotopen. Door natuurinclusief te bouwen wordt ontwikkeling doorgezet. Indien de soorten zich in een goede staat bevinden, biedt dat ook kansen om meer te kunnen ontwikkelen.

Opgave drinkwatervoorziening
De komende jaren worden vele nieuwe woningen gebouwd en de bevolkingsgroei heeft impact op het drinkwatergebruik. De beschikbaarheid van natuurlijk water af neemt en het vinden van voldoende schone drinkwaterbronnen wordt steeds moeilijker. Toenemende drinkwatervraag zet de toekomstige drinkwatervoorziening en het watersysteem als geheel onder druk. Het toepassen van waterbesparende maatregelen bij renovatie of nieuwbouw van woningen is een kans om bewust en zuinig met drinkwater om te gaan en de druk op de drinkwatervoorziening en het watersysteem te verlichten. Daarnaast vraagt het veranderende klimaat met toenemende periodes van hitte en droogte, zeespiegelstijging en hevige regenval om een klimaatadaptief ingerichte omgeving.

Opgave gezond en veilig
De bebouwde omgeving vormt de primaire plekken plek waar we in Zuid-Holland verblijven. Vanuit diverse akkoorden, zoals het Nationaal Preventieakkoord en Schone Luchtakkoord, wordt het belang van een gezonde, schone en veilige leefomgeving steeds verder onderschreven. Door de inrichting van de dagelijkse woon- en werkomgeving zo in te richten dat het uitnodigt tot sport, ontspanning en beweging draagt bij aan welzijn en gezondheid. Aangevuld door bevorderen van de milieukwaliteit, bescherming tegen hinder en risico’s.

Instrumenten
Gedeputeerde Staten geven uitvoering aan het provinciaal woonbeleid, zoals opgenomen in deze Omgevingsvisie, door de inzet van de volgende instrumenten:

  • Verkenning woningbouwopgave: De meest actuele woningbehoefteverkenning is één van de onderdelen voor het gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgave. De verkenning bestaat uit enerzijds een raming van de verwachte kwantitatieve woningbehoefte per regio en anderzijds uit prognoses van de gewenste kwalitatieve woningdifferentiatie voor woningbouw per regio in algemene zin en voor sommige specifieke doel- en aandachtsgroepen op basis van toekomstvoorspellingen.

  • Regionale woonzorgvisie: in de regionale woonzorgvisie geven de gemeenten de actuele kaders weer van woononderwerpen waarvoor regionale afstemming nodig is. Door het toevoegen van kaders voor de huisvesting van aandachtsgroepen en ouderen spreken we niet meer van een regionale woonvisie, maar van een regionale woonzorgvisie.

  • Regionale woningbouwprogramma: jaarlijks actualiseren gemeenten de regionale woningbouwprogramma’s in samenspraak met de provincie. Het regionale woningbouwprogramma is een overzicht van planvoornemens (hard en zacht), waarin (de optelsom van) verschillende woningbouwplannen en -projecten moet(en) voldoen aan de gestelde doelstellingen uit de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening vormt hierbij het juridisch sluitstuk, indien de doelstellingen niet vertaald kunnen worden in een regionaal woningbouwprogramma.

  • Regionale realisatieagenda: op 14 maart 2023 hebben Rijk, provincie, gemeenten en woningcorporaties per regio afspraken gemaakt over voldoende betaalbare woningen voor de periode 2022 t/m 2030.

  • Bestuurlijke afspraken over woningbouw: voor een aantal locaties zijn specifieke bestuurlijke afspraken gemaakt

  • Toezicht houden op de Huisvestingswet: op basis van de Huisvestingswet 2014 heeft de provincie toezichtstaken richting gemeenten. Het betreft het toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten en het toezicht houden en adviseren op de toepassing van de Huisvestingswet in het geval dat gemeenten een huisvestingsverordening vaststellen.

  • Regioplannen en provinciaal plan asielopvang: op basis van de Spreidingswet biedt de provincie ondersteuning aan gemeenten in het organiseren van opvangplekken voor asielzoekers.

  • Aanpak huisvesting arbeidsmigranten: op basis van het rapport ‘Geen tweederangsburgers’, oktober 2020 van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten, ziet de provincie graag dat er hogere kwaliteitsnormen worden gesteld aan de huisvesting van arbeidsmigranten.

  • Subsidies: de provincie zet subsidies in voor het stimuleren van de planvorming en bouw van betaalbare huurwoningen, geclusterde woningen geschikt voor ouderen en collectieve woonvormen.

  • Kennisdeling: de provincie voor actieve kennisdeling over de verschillende woononderwerpen door middel van bijvoorbeeld bijeenkomsten, websites of leerkringen.

In het Omgevingsprogramma worden de bovenstaande instrumenten en toezichtstaken nader toegelicht en hoe Gedeputeerde Staten daarmee sturen op de doelstellingen uit de Omgevingsvisie.

Monitoring
Om de realisatie van de beleidsdoelstellingen te kunnen volgen, is inzicht nodig in de ontwikkeling van de bestaande en toekomstige woningvoorraad en de onderwerpen die daarmee verband houden. Provincie, gemeenten en regio zijn gebaat bij een actueel woningbouwprogramma en een woningvoorraad die voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en passen bij de doelstellingen van de regionale en provinciale visies. Gemeenten registreren hun woningbouwplannen in het provinciale digitale systeem Planregistratie Wonen. De provincie geeft met een monitor zoals de Woonbarometer periodiek inzicht in onder meer de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad. Daarnaast geeft de provincie periodiek de stand van de veranderingen in de woningvoorraad en de verleende omgevingsvergunningen voor nieuw te bouwen woningen weer in het Jaarbericht woningvoorraadontwikkelingen. Waar een woningbehoefteverkenning vooral vooruitkijkt, kijkt een monitor vooral terug. Voor de monitoring treedt de provincie waar nodig in overleg met de regio's over welke informatie en indicatoren relevant zijn en wie hiertoe gegevens kan leveren. Monitoring kan dan eventueel gezamenlijk worden opgepakt. Monitoring wordt gebruikt voor de context, duiding en indien nodig ofwel voor het bijsturen van beleid.

Beleidsdoel 6.2 Ruimte en landschap

6.2 Ruimte en landschap

De provincie wil de schaarse ruimte in de stedelijke en landelijke gebieden optimaal beschermen en benutten voor de verschillende opgaven in de leefomgeving. Daarbij gaat kwaliteit boven kwantiteit, houdt de provincie rekening met het water- en bodemsysteem en zet zij in op zowel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit als het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

In haar rol als gebiedsregisseur en vanuit de verantwoordelijkheid voor een goede ruimtelijke ordening, weegt de provincie zorgvuldig af welke ruimtelijke ontwikkelingen op welke plek wenselijk zijn. Daarbij stuurt zij op:

Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling
De provincie streeft naar een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling waarbij de beperkt beschikbare ruimte beter en efficiënter wordt benut. Daarbij wordt toegewerkt naar een nieuwe balans tussen opgaven op het gebied van onder andere wonen, werken, natuur, landbouw, energie en water. Steden en dorpen ontwikkelen zich hierbij optimaal binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en locaties aan de rand van BSD, waaronder de grote buitenstedelijke bouwlocaties en het “straatje erbij”. Tegelijkertijd wil de provincie de kwaliteiten van het landschap behouden en versterken en ruimte beschikbaar houden voor het realiseren van opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland.

Ruimtelijke kwaliteit en landschap
De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke en landelijke gebieden behouden en versterken. Dit geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel voor de bebouwde als onbebouwde ruimte. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning positief bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.

Groenblauw netwerk
De provincie streeft naar een voor mens en dier toegankelijk, hoogkwalitatief en robuust groenblauw netwerk binnen en tussen steden, dorpen en landschappen. Dit groenblauw netwerk kan tegen een stootje en draagt bij aan een aantrekkelijk, natuurinclusief, gezond en klimaatbestendig Zuid-Holland.

Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem

In het licht van klimaatverandering, bodemdaling en toenemende druk op de leefomgeving is het essentieel dat water en bodem een centrale rol spelen in de ruimtelijke ordening van Zuid-Holland. Rekening houden met water en bodem betekent dat bij het plannen en inrichten van gebieden de natuurlijke kenmerken en draagkracht van het landschap leidend zijn. Dit vraagt om een fundamentele omslag: niet langer aanpassen aan de ruimtewensen van mens en economie, maar bouwen en ontwikkelen binnen de grenzen die water- en bodemsystemen stellen. Dat betekent dat ruimte die nodig is voor het water- en bodemsysteem vrij wordt gehouden van ruimtelijke functies die daar niet mee gecombineerd kunnen worden. En dat ruimtelijke functies tijdig anticiperen op onvermijdbare veranderingen in bodem- en watercondities die niet meer kunnen worden opgevangen, gemitigeerd of voorkomen.

Beleidskeuzes van 6.2 Ruimte en landschap

6.2.1 Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil dat de beschikbare ruimte in Zuid-Holland beter en slimmer wordt gebruikt. Een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving vindt ze daarbij van groot belang. Daarom is het belangrijk dat nieuwe ontwikkelingen op de juiste plek plaatsvinden. Bij keuzes over nieuwe ontwikkelingen zet de provincie het water- en bodemsysteem meer sturend in. Steden en dorpen ontwikkelen zich zo optimaal mogelijk binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en locaties aan de rand van BSD, waaronder de grote buitenstedelijke bouwlocaties en het “straatje erbij”. Dat doen zij met aandacht voor een goede ruimtelijke ordening, bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen, werkgelegenheid, groen, water, openbare ruimte én sociale samenhang.  

Ook wil de provincie de kwaliteiten van het (open) landschap behouden en versterken. Daarvoor beschermt zij de onbebouwde ruimte, zodat buiten bestaand stads- en dorpsgebied voldoende ruimte beschikbaar blijft voor prioritaire opgaven die een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland mogelijk maken. Deze opgaven vormen daarvoor een essentiële randvoorwaarde omdat ze een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van:

  • Een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector;

  • Een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem;

  • Een duurzaam en toekomstbestendig systeem voor energie- (drink)watervoorziening;

  • Natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van de biodiversiteit.

Waar mogelijk worden deze prioritaire opgaven gecombineerd met het toevoegen van wandel- en fietspaden voor bewoners en recreanten. Zo kan het landschap beter worden beleefd en draagt het bij aan de gezondheid van mensen in Zuid-Holland. 

Naast deze prioritaire opgaven is er in de onbebouwde ruimte ook plek voor ontwikkelingen met stedelijke functies, met name aansluitend aan bestaand stads- en dorpsgebied. Daarbij zet de provincie in op kwaliteit en gerichte groei. Hiertoe kijkt ze samen met andere overheden per gebied en per opgave wat nodig is én kan. Zo wordt de beschikbare ruimte zo eerlijk mogelijk verdeeld en dragen ruimtelijke ontwikkelingen bij aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Aanleiding

In de afgelopen 50 jaar is het ruimtegebruik in Zuid-Holland sterk veranderd. Zo is er veel ruimte geboden aan ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken. Dit heeft geresulteerd in een verdubbeling van de totale oppervlakte voor woon- en werkmilieus (inclusief voorzieningen) terwijl het aantal inwoners in diezelfde periode met ‘slechts’ 25% is toegenomen en het aantal banen per hectare bebouwd gebied met 35% is gedaald. De bebouwde ruimte in Zuid-Holland wordt relatief gezien dus steeds minder intensief benut. Een tegengestelde beweging is zichtbaar in de sterk afgenomen onbebouwde ruimte die als gevolg van diverse nieuwe ruimtevragers, voor met name landbouwkundig gebruik, intensiever moet worden benut.

Dit zorgt voor een toenemende druk op de onbebouwde ruimte wat een nadelig effect kan hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving als geheel. Daarbij is die fysieke leefomgeving ook kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende weersextremen verzilting, bodemdaling en zeespiegelstijging. Ook zijn er in Zuid-Holland uitdagingen op het gebied van onder andere (drink)water beschikbaarheid, energievoorziening, natuur en recreatie.

Voor een toekomstbestendig Zuid-Holland is het daarom belangrijk dat er wordt ingezet op een hoogwaardig, optimaal ingericht stedelijk gebied voor veilig en gezond wonen en werken en dat er voldoende ruimte beschikbaar blijft voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector, een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem, een duurzaam en toekomstbestendig systeem voor energie- (drink)watervoorziening en natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van de biodiversiteit; waar mogelijk gecombineerd met extensieve, groene recreatie.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie is verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening op het provinciale en regionale schaalniveau. Zij weegt zorgvuldig af welke ruimtelijke ontwikkelingen op welke plek wenselijk zijn en draagt zo bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en de bedoeling van de Omgevingswet. De provincie heeft hierin een coördinerende taak en maakt daarvoor integrale afwegingen en keuzes die bijdragen aan een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling. Daarbij stuurt de provincie op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in gebieden. De provincie heeft daarbij de rol van gebiedsregisseur en gebiedsautoriteit.

Nadere uitwerking

Inzet ruimtelijke ontwikkelingen

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat deze bijdraagt aan de realisatie van voornoemde prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland. De inzet is gericht op kwaliteit en gerichte groei: de prioritaire opgaven zijn randvoorwaarde, beperk het bouwen buiten bestaand stads- en dorpsgebied en stuur op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en brede welvaart.

Deze inzet is uitgewerkt in de volgende drie beleidslijnen: 

A. Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling;
B. Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte;
C. Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen.

Deze beleidslijnen zijn hieronder nader uitgewerkt en ook opgenomen in de verordening.

A.    Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling
De provincie zet bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk in op integrale planvorming met specifieke aandacht voor de toekomstbestendigheid van gebieden. Al gevestigde belangen in bestaand gebruik worden hierin altijd meegewogen net als de maatschappelijke kosten en baten op korte en lange termijn. Om te kunnen beoordelen of een ontwikkeling past bij de toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling, hanteert de provincie de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Verdere bebouwing of verharding van de onbebouwde ruimte wordt zoveel mogelijk voorkomen;

  • 2.

    Zuinig en meervoudig ruimtegebruik is de standaard bij elke ontwikkeling;

  • 3.

    Water en bodem zijn richtinggevend voor ruimtelijke plannen. De provincie hanteert hiervoor de ‘Signaleringskaart klimaatrisico's voor bouwactiviteiten’;

  • 4.

    Energie-infrastructuur en de aanwezige en benodigde capaciteit zijn richtinggevend voor ruimtelijke plannen. De provincie hanteert hiervoor het ‘Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland 2050’;

  • 5.

    Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit is uitgewerkt in de beleidskeuze ‘ruimtelijke kwaliteit en landschap’;

  • 6.

    Ontwikkelingen dragen conform de Omgevingswet bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en in bredere zin aan het vergroten van brede welvaart;

  • 7.

    Waterschappen, netbeheerders, veiligheidsregio’s en GGD’en worden vroegtijdig in de gelegenheid gesteld om vanuit hun expertise te adviseren over gewenste maatregelen voor toekomstbestendige ruimtelijke plannen en ruimtelijke afwegingen.

B.    Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte

1. Ruimte voor prioritaire opgaven
Voor een toekomstbestendig Zuid-Holland is het belangrijk dat er voldoende ruimte beschikbaar blijft voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector, een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem, een duurzaam energiesysteem, een toekomstbestendige (drink)watervoorziening en voor natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van biodiversiteit. Bij de realisatie van deze prioritaire opgaven moet er aandacht zijn voor de bereikbaarheid van het landelijk gebied en dienen kansen voor combinaties met extensieve groene recreatie, zoals het toevoegen van wandel- en fietspaden en het verbeteren van de toegankelijkheid van het gebied voor bewoners en recreanten, zoveel mogelijk benut te worden om de kwaliteiten van het landschap beter ervaarbaar te maken en zo bij te dragen aan de brede welvaart in Zuid-Holland.

De provincie stelt dat deze opgaven voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendig Zuid-Holland. Als deze opgaven niet kunnen worden gerealiseerd, dan belemmert dat de realisatie van andere ruimtelijke ontwikkelingen. Om nu en in de toekomst plek aan de prioritaire opgaven te kunnen blijven bieden kiest de provincie ervoor om de onbebouwde ruimte beter te beschermen, zodat hiervoor voldoende ruimte beschikbaar blijft.

Voor de provinciale inzet op deze opgaven wordt primair naar de volgende hieraan gerelateerde beleidsdoelen en hun onderliggende beleidskeuzes verwezen:

  • Toekomstbestendige landbouw;

  • Klimaatbestendig Zuid-Holland;

  • Leven met water;

  • Energietransitie;

  • Gezonde natuur;

  • Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen;

  • Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport.

2. Bescherming onbebouwde ruimte
In de bescherming van de onbebouwde ruimte vragen sommige specifieke gebieden nadrukkelijk aandacht vanwege bijzondere waarden. Het gaat hierbij om: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de graslanden in de Bollenstreek, de Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed, belangrijke en kansrijke weidevogelgebieden en recreatiegebieden. Daarnaast is de provincie voornemens om waardevolle agrarische gebieden te beschermen en rondom Natura2000-gebieden maatregelen te nemen om drukfactoren op deze natuurgebieden te verminderen, met waar nuttig en noodzakelijk overgangszones.

De provincie wil dat nieuwe bebouwing en verharding voor alle opgaven zoveel mogelijk in bestaand stads- en dorpsgebied wordt gerealiseerd inclusief ruimte voor een passende bereikbaarheid. Alleen als dat niet mogelijk is, kan hiervoor ruimte worden gezocht in de onbebouwde ruimte buiten bestaande stads- en dorpsgebied. Daarbij geldt dat nieuwe ontwikkelingen rekening houden met het beschikbaar houden van voldoende ruimte voor de prioritaire opgaven, dat een significante nieuwe ontwikkeling uitsluitend mogelijk is als die regionaal en gebiedsgericht is afgestemd en dat prioritaire opgaven (inclusief mogelijk noodzakelijke bebouwing/verharding zoals bijvoorbeeld zoekgebieden wind en zon) in het betreffende gebied voorrang hebben boven andere opgaven.

In de volgende paragraaf is aangegeven welke ontwikkelingen met stedelijke functies in de onbebouwde ruimte buiten bestaand stads- en dorpsgebied mogelijk zijn.

3. Ontwikkelingen met stedelijke functies in de onbebouwde ruimte
Een stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling of uitbreiding met stedelijke functies: denk hierbij aan een bedrijventerrein, zeehaventerrein, woningbouwlocatie, kantoren, detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening. Hiertoe behoren ook stadsparken, begraafplaatsen, sportvelden, volkstuinen en verblijfsrecreatie.

In de onbebouwde ruimte buiten bestaand stads- en dorpsgebied zijn de volgende stedelijke ontwikkelingen mogelijk:

  • Grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 hectare locaties)

    Dit betreft grote stedelijke ontwikkelingen die in de verordening zijn genoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de oppervlakte en geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. Voorheen werden dit ook wel ‘3 ha locaties’ genoemd.

  • Kleine buitenstedelijke bouwlocaties (tot 3 hectare)

    Dit betreft een enkel ‘straatje erbij’ tot 1,5 ha aansluitend aan een kleine kern of een dubbel ‘straatje erbij’ tot 3 ha indien gecombineerd, verder bestaat de mogelijkheid voor een beperkte uitbreiding van een lokaal bedrijventerrein tot 1,5 ha en kleinschalige ontwikkelingen van het type ‘inpassen’ (artikel 7.43 uit de verordening), ook zijn woningbouwlocaties tot 3 ha mogelijk, als deze zijn opgenomen in een regionaal afgesproken woningbouwprogrammering die (mede) door GS is vastgesteld.

  • Maatwerk

    Verder is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, die kan worden toegepast als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang. Deze afwijkingsmogelijkheid kan alleen worden ingezet voor stedelijke ontwikkelingen die niet al hierboven onder grote en kleine buitenstedelijke bouwlocaties zijn genoemd. De provincie kan een dergelijke ontwikkeling mogelijk maken op basis van een integraal afgewogen ruimtelijk plan en een goede motivering waarom het betreffende belang zwaarder weegt dan andere belangen en opgaven in het betreffende gebied. Dit vraagt zorgvuldigheid en maatwerk. Randvoorwaarden hierbij zijn dat, naast een aantoonbaar belang, de ruimte voor deze ontwikkeling niet in het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden gevonden en dat de ontwikkeling rekening houdt met benodigde investering in infrastructuur en een bijdrage levert aan de realisatie van de prioritaire opgaven in de onbebouwde ruimte.

Indien een grote buitenstedelijke bouwlocatie niet benut wordt, dan is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om deze te ruilen voor een andere locatie met dezelfde functie mits dit bijdraagt aan een snellere realisatie of tot een beter ruimtegebruik leidt. De locatie moet passend zijn binnen de kaders van het Omgevingsbeleid. Het eindoordeel over het opnemen van nieuwe 3 hectare locaties ligt bij de provincie, ook wanneer het een ruillocatie betreft. Eventuele nieuwe 3 hectare locaties worden door de provincie integraal afgewogen en afhankelijk daarvan opgenomen op de lijst, vóórdat de gemeente de procedure tot wijziging van het Omgevingsplan start. Het accent ligt op het realiseren van de huidige 3 hectare locaties.

Als een locatie is opgenomen op de 3 hectare lijst betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de ontwikkeling. De gemeente dient, bij de verdere detaillering van de ontwikkeling in het kader van het omgevingsplan, rekening te houden met het provinciaal omgevingsbeleid.

Uitgangspunt voor locaties die op de 3 hectare lijst zijn opgenomen, is dat het moet gaan om reële ontwikkelingen. Dit betekent dat de locaties binnen 10 jaar planologisch-juridisch zeker moeten zijn. Voor alle locaties geldt dat deze jaarlijks gemonitord worden in de reguliere gesprekken (wonen en economie) met gemeenten. Voor de ontwikkeling van werklocaties wordt ook in regionaal verband de voortgang besproken. Als er bij bespreking geen zicht is op voldoende voortgang moet worden bezien of de locatie nog toegevoegde waarde heeft, zodat er eventueel ruimte ontstaat voor een andere nieuwe locatie die sneller gerealiseerd kan worden of tot een beter ruimtegebruik leidt.

In de toelichting op bijlage IX is aangegeven welke toekomstige toevoegingen nog mogelijk kunnen zijn.

C.    Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen
Nieuwe stedelijke ontwikkelingen vinden zoveel mogelijk plaats in bestaande steden en dorpen. Ook hierbij staan gezondheid, kwaliteit en veiligheid voorop. Daarom zet de provincie in op ‘groen en gezond intensiveren’. De provincie bouwt hiermee voort op de verstedelijkingsstrategie van de Zuidelijke Randstad, die uitgaat van binnenstedelijk verdichten en bouwen op goed bereikbare plekken nabij Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV). De provincie stuurt in steden en dorpen op het combineren van functies, op compact bouwen in hogere dichtheden, op de nabijheid van werk en voldoende maatschappelijke voorzieningen en op voldoende ruimte voor groen en bewegen in de woon- en leefomgeving.

De provincie hanteert de volgende uitgangspunten en afwegingen voor het groen en gezond intensiveren van de steden en dorpen:

1. Steden en dorpen bouwen compact en benutten daarvoor zo min mogelijk onbebouwde ruimte. Bij nieuwe ontwikkelingen vormt compact bouwen in hogere dichtheden met meervoudig ruimtegebruik en functiemenging het uitgangspunt. Gezien de schaarse ruimte in Zuid-Holland is dit noodzakelijk. De provincie geeft prioriteit aan het transformeren van bestaand stads- en dorpsgebied inclusief reeds geprogrammeerde grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 hectare locaties) boven nieuwe uitbreidingen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen vinden primair plaats binnen bestaande steden en dorpen. Verdichting gaat daarbij nadrukkelijk niet alleen over het toevoegen van woningen, maar ook over het versterken van lokale gemeenschappen, bijbehorende economische functies en het vergroten van het draagvlak voor nieuwe en bestaande voorzieningen. Daarbij kan verdichting bijdragen aan een efficiënter gebruik van bestaande infrastructuur en het versterken van het openbaar vervoer. Dit vereist zorgvuldige planning en vormgeving om de leefbaarheid te waarborgen, met daarbij specifiek ook aandacht voor groen en openbare ruimte. Zo zorgt verdichting voor een extra impuls voor bestaande steden en dorpen. Stedelijke ontwikkelingen in de onbebouwde ruimte buiten bestaand stads- en dorpsgebied worden zoveel mogelijk direct aangrenzend aan bestaande steden en dorpen gerealiseerd. Zo ontstaat een compact en samenhangend bebouwd gebied en wordt versnippering van de onbebouwde ruimte voorkomen. Met het oog op een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het optimaliseren van woningbouwplannen stuurt de provincie op het bouwen in zo hoog mogelijke woningdichtheden, passend bij de lokale situatie en de lokale omstandigheden. Daarbij wordt ingezet op meer betaalbare en sociale woningen, meer variatie in woningtypen en ruimte voor experiment. Door met passende parkeernormen te werken kunnen per hectare meer woningen worden gerealiseerd en kan extra aandacht uitgaan naar de inrichting van de buitenruimte. Het gaat om maatwerk en om het toevoegen van kwaliteit.

2. Stedelijke ontwikkelingen dragen optimaal bij aan het vergroten van de gezondheid, biodiversiteit en klimaatbestendigheid. De provincie wil dat stedelijke ontwikkelingen rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen van het water- en bodemsysteem en hanteert daarvoor de ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’. De provincie vindt het belangrijk dat in samenhang met stedelijke ontwikkelingen ook robuuste en klimaatadaptieve recreatie- en natuurgebieden en groenblauwe netwerken worden gerealiseerd. En dat er voldoende groen en ruimte is om te spelen en bewegen in wijken en dorpen. Voor de aanwezigheid van groen gaat de provincie uit van de richtlijn 3‑30‑300: 3 bomen zichtbaar vanuit elk huis, 30% bladerdek in de buurt en 300 meter afstand van het huis naar een park of groene ruimte.

3. Uitgangspunt is dat wonen, werken en voorzieningen onderling nabij en goed bereikbaar zijn. De provincie vindt het belangrijk dat iedereen kan meedoen en werk en voorzieningen kan bereiken. Daarom stimuleert de provincie de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voldoende maatschappelijke voorzieningen in steden en dorpen, zoals voor eerstelijnsgezondheidszorg (zoals huisartsen), onderwijs, cultuur, sport en recreatie. De provincie sluit hiervoor aan bij de planologische concepten van de gezonde stad, de 15-minuten stad en 30-minuten regio. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen is het gewenst referentiewaarden voor voorzieningen te betrekking bij die planvorming. Door gebruik te maken van referentiewaarden kan vroegtijdig en op een eenduidige wijze in beeld worden gebracht wat de situatie is met betrekking tot de beschikbare ruimte voor de verschillende voorzieningen. Referentiewaarden kunnen ook mede uitgangspunt zijn voor gemeentelijk beleid over voorzieningen. De provincie vraagt gemeenten om in woningbouwplannen specifiek rekening te houden met voldoende ruimte voor eerstelijnsgezondheidszorg, waaronder huisartsen. De provincie zet in op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Voor levendige en dynamische centra is het van belang dat centrumfuncties, zoals bioscopen, theaters, musea, detailhandel en horeca, in de centra worden geaccommodeerd en niet in de periferie. De aard en omvang van deze voorzieningen moet aansluiten bij de aard en omvang van de locatie. Een megabioscoop hoort bijvoorbeeld dus niet thuis in een wijk- , stadsdeelcentrum of bedrijventerrein.

4. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen houden rekening met de bereikbaarheid. Door nieuwe stedelijke ontwikkelingen neemt de congestie op de (hoofd)wegen verder toe. Dit vraagt ruimte en investeren in een passende mobiliteit. Investeringen in de infrastructuur en de uitbreiding van hoogwaardig openbaar vervoer gaan hand in hand met de stedelijke verdichting. Hierbij geldt de STOMP-voorkeursvolgorde voor duurzame mobiliteit: eerst stappen, dan trappen, openbaar vervoer, mobiliteitsdiensten en tot slot de privéauto. Dit houdt in dat lopen, fietsen en OV meer prioriteit krijgen waardoor de druk op de autowegen vermindert. Naast voldoende ruimte voor lopen en fietsen is het hierbij van belang dat wonen en werken zoveel mogelijk plaatsvinden nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) en dat juist daar de hoogste dichtheden en nabijheid van voorzieningen worden gerealiseerd. Meer mensen kunnen dan gebruikmaken van het openbaar vervoer. De inzet is een beweegvriendelijke leefomgeving en een bereikbaar Zuid-Holland. Naast lagere parkeernormen is het van belang om ook flankerende maatregelen te treffen zoals parkeren op afstand, nabijheid van voorzieningen, deelmobiliteit, heldere communicatie over het mobiliteitsconcept en parkeerregulering. Om hierop te sturen stelt de provincie parkeernormen die in de Omgevingsverordening (ZHOV) in detail zijn omschreven.

5. Stedelijke ontwikkelingen zijn adaptief en toekomstbestendig. De provincie vindt het belangrijk dat ontwikkelingen in steden en dorpen rekening houden met veranderingen en daarop anticiperen. Denk daarbij aan klimaatverandering, demografische ontwikkelingen en geopolitieke verschuivingen. Zo zijn met een goede ruimtelijke inrichting de mogelijke gevolgen van toenemende hitte of extreme neerslag te beperken en kan vooraf worden nagedacht over vluchtplaatsen en evacuatieroutes. In het bijzonder is aandacht nodig voor de vitale infrastructuur, zodat iedereen toegang houdt tot basisvoorzieningen als elektriciteit, schoon drinkwater, internet en medische zorg. Bij woningbouw wordt geanticipeerd op toekomstige woonbehoeften, zoals de toenemende vraag naar woonruimte met nabijheid van voorzieningen voor ouderen. Gebouwen worden flexibel en multifunctioneel gebouwd, zodat ze eenvoudig van functie kunnen veranderen en kunnen worden aangepast aan een veranderende vraag.  De bestaande woningvoorraad wordt optimaal benut. Dit kan onder andere door te stimuleren dat woningen worden gesplitst, samengevoegd, opgetopt, uitgeplint en aangeplakt. Streven is om ook in de bestaande woningvoorraad voldoende betaalbare en sociale woningen toe te voegen voor starters, aandachts-groepen en ouderen.

Gebiedsgerichte keuzes voor verschillende landschapstypen
De provincie werkt toe naar ruimtelijke programma’s per gebied. Hierin wordt vastgelegd wat prioriteit heeft en waar en hoeveel ruimte er voor de verschillende opgaven wordt gereserveerd. Uitgangspunt hierbij is dat terughoudend en zorgvuldig wordt omgegaan met eventuele functiewijziging van landbouwgrond naar andere functies.

In een gebied kunnen meerdere landschapstypen met specifieke opgaven voorkomen. Afhankelijk van de kwaliteiten en draagkracht van de voorkomende landschapstypen kunnen de opgaven per gebied op verschillende manieren worden uitgewerkt. De provincie onderscheidt hierbij de volgende landschapstypen:

  • Delta;

  • Veenweide en droogmakerijen:

    • Waarden (Krimpenerwaard, Alblasserwaard);

    • Overig veenweidegebied;

    • Droogmakerijen;

  • Kust en duinen.

Naast bovengenoemde landschapstypen zijn door menselijk ingrijpen in hoogstedelijke en grootindustriële gebieden andere verschijningsvormen ontstaan, waarbij het oorspronkelijke landschap niet langer of nog slechts beperkt waarneembaar is. Daar waar nog aanwezig, kan de oorspronkelijke landschapsstructuur eventueel wel worden ingezet bij het werken aan oplossingen voor o.a. binnenstedelijke klimaatopgaven.

Specificering van de opgaven vindt plaats binnen de hiervoor gestelde kaders, in de gebiedsprocessen en in de integrale gebiedsprogramma’s die samen met de regionale partners worden uitgewerkt en in het provinciale Omgevingsbeleid verankerd.

Maatwerkafspraken
De regionale gebiedsprogramma’s kunnen leiden tot afspraken over aanpassing van het provinciale Omgevingsbeleid of toepassing van flexibiliteitsbepalingen binnen de kaders van het provinciale Omgevingsbeleid.

Werkingsgebied
Beleidskeuze ‘6.2.1 Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling’ maakt gebruik van het begrip bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), de definitie hiervan is opgenomen in de verordening. De geometrische begrenzing hiervan is in de visie alleen indicatief vastgelegd in de kaartlaag ‘Bestaand stads- en dorpsgebied’. Het gaat om een dynamisch werkingsgebied dat periodiek wordt bijgewerkt en zich ontwikkelt op basis van de definitie, die hierin leidend is. In paragraaf 7.3.6 en paragraaf 7.3.8 zijn de regels opgenomen die van toepassing zijn op de ruimte binnen en buiten BSD.

6.2.2 Ruimtelijke kwaliteit en landschap
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil zorgen dat steden, dorpen en landschappen mooi en van goede kwaliteit blijven, of zelfs beter worden Dit geldt voor de hele provincie: voor natuurgebieden en voor bebouwde gebieden. Goede ruimtelijke kwaliteit betekent dat een gebied nu en in de toekomst goed te gebruiken is, er prettig uitziet en fijn is om in te leven. Nieuwe plannen of veranderingen moeten niet alleen handig zijn, maar ook duurzaam (of bewust tijdelijk) zijn. Het moet passen in de omgeving en op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.

De provincie wil nieuwe ontwikkelingen verbinden met dat wat er al is. Dat betekent dat bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt, en dat er nieuwe, goede dingen worden toegevoegd.

Door in te zetten op ruimtelijke kwaliteit wil de provincie het volgende bereiken:

  • Toekomstwaarde: historische kenmerken van Zuid-Holland meenemen in nieuwe plannen, met de opgaven om deze in de toekomst te kunnen blijven beschermen, benutten en beleven.

  • Gebruikswaarde: zorgen dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen goed wordt nagedacht over de plek, het ontwerp en inpassing van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen;

  • Belevingswaarde: de bestaande mix van de landschappen, steden en dorpen in Zuid-Holland versterken en zo de belevingswaarde (hoe prettig en mooi mensen een plek vinden om te zijn) vergroten.

De provincie wil blijvend aandacht vragen voor ruimtelijke kwaliteit en het een vast onderdeel laten zijn bij het maken van plannen. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de eigen projecten. Mensen die een project starten worden aangemoedigd om ruimtelijke kwaliteit op te nemen in hun plannen en op die manier een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de leefomgeving. Omdat de provincie ruimtelijke kwaliteit zeer belangrijk vindt is deze een onderdeel van de omgevingsverordening.

Aanleiding

De provincie staat voor een groot aantal opgaven, zoals het vergroten van de veerkracht van watersystemen, de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, de aanpassingen in de landbouw, de opgaven voor wonen en werken, de ontwikkeling van duurzame energienetwerken en de verbetering van het wegen-, openbaar vervoer- en fietsnetwerk.

De opgaven kunnen worden gezien als bedreiging van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil echter voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit achteruitgaat. De provincie zet daarom in op het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, maar ook tussen oud en nieuw, tussen snel en traag en tussen stad en land. De ambitie is om een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten, waarbij elk project, elke ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit wordt daarmee een vanzelfsprekend resultaat van handelen.

Motivering Provinciaal Belang

Voor de provincie is het ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit van groot belang: het draagt bij aan een gezonde en leefbare omgeving. Door in te zetten op ruimtelijke kwaliteit kan de provincie integraal sturen op het verbeteren van de leefomgeving van mens, plant en dier. Door opgaven te combineren in een integraal ruimtelijk ontwerp, te zoeken naar nieuwe functiecombinaties en nieuwe gebruiksvormen te faciliteren kunnen oplossingen worden geboden voor de vraagstukken waar de provincie voor staat.

De provincie heeft hierin een regierol op (boven)regionaal schaalniveau om verschillende opgaven in een gebied te signaleren en kansen voor combinaties te zien. Soms is het niet mogelijk om alle functies in een gebied te combineren, dan moeten keuzes gemaakt worden. Een ontwerpgerichte, onderzoekende benadering wordt daarbij als hulpmiddel ingezet.

Nadere uitwerking

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie bestaat uit drie met elkaar samenhangende onderdelen: de Kwaliteitskaart, de typering van ruimtelijke ontwikkelingen (passendheid) en de beschermingscategorieën.  Deze vormen een hulpmiddel om te komen tot plannen met ruimtelijke kwaliteit.

De Kwaliteitskaart
De Kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland. Bij elk gebiedskenmerk zijn richtpunten geformuleerd, waar rekening mee moet worden gehouden. De Kwaliteitskaart met de bijbehorende richtpunten zijn een middel om vroeg in het planvormingsproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt.

De Kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier kaarten:

  • de ondergrond

  • de natuur- en cultuurlandschappen

  • de stedelijke occupatie

  • de cultuurhistorie

Alle kaarten hebben een relatie met elkaar. De kaart van de ondergrond gaat over de bodem en de natuurlijke landschapsvormende processen. De kaart van de cultuur- en natuurlandschappen behandelt de laag van het zichtbare landschap. Deze kaart wordt gevormd door eeuwenlang grondgebruik door de mens.

De kaart  van de stedelijke occupatie bestaat uit het stedelijk weefsel van wonen, werken, voorzieningen en de onderlinge netwerken.

Tot slot gaat de kaart  van de cultuurhistorie over de herkenbaarheid van de geschiedenis van Zuid-Holland.

Voor iedere plek kunnen één of meerdere kaart van toepassing zijn. Het is dan ook van belang de  kaart en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen.

De Kwaliteitskaart is een onderdeel van de verordening. Naast de Kwaliteitskaart beschikt de provincie over gebiedsprofielen voor de landelijke gebieden in Zuid-Holland, waarin de gebiedskenmerken per deelgebied en de ambities nader worden toegelicht. De gebiedsprofielen hebben de status van een handreiking en worden betrokken bij de beoordeling van plannen.

Typering van ruimtelijke ontwikkelingen (passendheid)
Sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit  De mate waarin de gemeenten beleidsvrijheid hebben om bij de toedeling van functies aan locaties keuzes te maken voor aanpassen en transformeren wordt mede bepaald door het ruimtelijk afwegingskader voor toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling. De provincie beschermt de onbebouwde ruimte in het landelijk gebied en beperkt daartoe de mogelijkheden om deze verder te bebouwen, zodat er ruimte blijft voor de realisatie van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland, het gaat daarbij om de ontwikkeling van een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector, een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem, een duurzaam en toekomstbestendig systeem voor energie- (drink)watervoorziening en natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van de biodiversiteit; waar mogelijk gecombineerd met extensieve, groene recreatie.

Deze uitgangspunten zijn tevens in de Omgevingsverordening opgenomen De regels voor het beschermingsgebied onbebouwde ruimte en de regels voor ruimtelijke kwaliteit hebben betrekking op dezelfde gebieden. In grote lijnen kan gesteld worden dat eerstgenoemde regels gaan over “wat” en “waar” en laatstgenoemde regels over “hoe”. De regels voor het beschermingsgebied onbebouwde ruimte werken als een soort slagboom. Al bij de slagboom worden ontwikkelingen tegengehouden. Ontwikkelingen die wel door de slagboom mogen, worden vervolgens getoetst aan de regels en richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunt is dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Ruimtelijke impact heeft betrekking op de grootte en schaal en op de intensiteit van het ruimtegebruik. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten:

  • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

  • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren.

Inpassen
Dit betreft een ruimtelijke ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en die past bij de aard en schaal van de omgeving. Een inpassing voorziet geen wijzigingen op structuurniveau en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassen veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met een beschermingscategorie 1 en 2 (zie uitleg onder kopje beschermingscategorieën).

Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het bijbouwen van enkele woningen aan de rand van bestaand stads- en dorpsgebied of een open ruimte niet wordt beschouwd als ‘inpassing’. Verdere uitbreiding van het stads- en dorpsgebied, ziet de provincie als ‘aanpassing’ of ‘transformatie’ en is alleen mogelijk op een grote buitenstedelijke bouwlocatie of in de vorm van een ‘straatje erbij’ in beschermingscategorie 3.

Aanpassen
Dit betreft een ruimtelijke ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit maar die wijziging(en) op structuurniveau veroorzaakt. De ontwikkeling verandert landschappelijke structuren zoals groen en water of wegen, dijken en linten. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type landschap en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten ruimtelijke kwaliteit kan worden voldaan, zijn ontwerp optimalisatie en aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Transformeren
Dit betreft een ruimtelijke ontwikkeling die niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit past. Het gaat om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een ander type landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan als het past in de beleidskeuze toekomstbestendig ruimtelijke ontwikkeling en  vanuit beleid Ruimtelijke kwaliteit en landschap  als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen in de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassen – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat.

Beschermingscategorieën
De provincie kent een aantal kwetsbare gebieden en gebieden met een uitzonderlijke kwaliteit. Deze gebieden worden beschermd. Het gaat om 1) Gebieden met hoge natuurwaarden en/of cultuurhistorische waarden, 2) gebieden met een recreatieve functie (Recreatiegebied), gebieden die fungeren als groene ruimte tussen steden (Groene buffer) en gebieden met kansrijke weidevogelgebieden 3) gebieden met een landelijk karakter (Buitengebied), en De bescherming betekent niet dat er geen ontwikkelingen mogelijk zijn. Welk type ontwikkeling mogelijk is, hangt samen met de betreffende beschermingscategorie.

De provincie maakt onderscheid in de volgende drie beschermingscategorieën:

Beschermingscategorie 1: deze is van toepassing op NatuurNetwerk Nederland, Graslanden in de Bollenstreek en Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed

In deze gebieden is een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk als deze bijdraagt aan de bijzondere kwaliteit van het landschap. Zowel de gebiedsidentiteit als de daaraan bijdragende structuur beschouwt de provincie als uitzonderlijk of kwetsbaar. Initiatieven in beschermingscategorie 1 kunnen daarom alleen als deze vallen onder inpassen. Bovendien is het wenselijk dat deze inpassingsopgaven de structuur en de gebiedsidentiteit versterken. Alleen bij uitzonderlijke gevallen kan ervan worden afgeweken.

Beschermingscategorie 2: deze is van toepassing op: Belangrijk weidevogelgebied, Kansrijk weidevogelgebied, Recreatiegebied en Groene buffer

Deze beschermingscategorie beschermt de specifieke waarden van het desbetreffende gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan deze waarden. Inpassen en aanpassen zijn onder voorwaarden toegestaan. Transformatieopgaven zijn uitgesloten in gebieden met beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 3: deze is van toepassing op: Buitengebied

Het betreft het landelijk gebied buiten het bestaande stads- en dorpsgebied. Deze beschermingscategorie beschermt de specifieke landschappelijke waarden van het gebied. Inpassen, aanpassen en transformeren zijn mogelijk, mits nieuwe kwaliteiten in het buitengebied ontstaan. De ambitie voor Buitengebied is om de groene functies van het gebied (landbouw, natuur en recreatie) en het groene/blauwe karakter te behouden en te versterken. De stedelijke druk op het buitengebied, met name aan de rand van stads- en dorpsgebied en langs infrastructuur in het buitengebied, is op vele plaatsen hoog. Versterken van de landschappelijke kwaliteiten heeft daarom prioriteit. Stedelijke ontwikkeling is echter niet uitgesloten, mits nieuwe kwaliteiten ontstaan.

6.2.3 Groenblauw netwerk
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil het Groenblauwe Netwerk, zowel binnen als buiten de stad, verstevigen, verbeteren en beschermen. Het netwerk vormt de basis voor een gezonde, prettige, veilige en waardevolle leefomgeving voor mens en dier in een steeds sterker verstedelijkte provincie. Juist in een gebied waar de ruimte beperkt is, is inzetten op een stevig, hoogkwalitatief en goed verbonden netwerk van belang. Dit netwerk bestaat onder andere uit grote stadsparken, recreatie- en natuurgebieden, grote landschappelijke gebieden tussen steden en dorpen (groene buffers) en de verbindingen tussen al deze plekken.  

De provincie wil een groenblauw netwerk dat voor iedereen beleefbaar, bereikbaar en bruikbaar is. De verbinding tussen en toegankelijkheid van gebieden is de kracht van dit netwerk. En het cultuurhistorisch watersysteem is de drager ervan. De provincie wil de verscheidenheid tussen de gebieden en landschappen behouden en versterken. 

De provincie wil het Groenblauwe Netwerk (door)ontwikkelen tot een samenhangend geheel. De basis hiervan zijn de bestaande groenblauwe onderdelen binnen bebouwd gebied, robuust groenblauwe structuren tussen de steden en de grote groenblauwe gebieden buiten het bebouwd gebied. Zij wil deze samenhangende structuur beschermen, beter verbinden en waar nodig versterken en verbeteren. Om zo te komen tot een aantrekkelijker, natuurinclusiever, gezonder en klimaatbestendiger Zuid-Holland.

Aanleiding

Klimaatverandering, vermindering van biodiversiteit, de voortgaande verstedelijking en de toenemende vraag naar recreatieve mogelijkheden, vormen voor de provincie aanleiding om het Groenblauwe Netwerk te versterken. De ruimte in Zuid-Holland is beperkt en de druk op de groenblauwe ruimte is groot. Grootschalige uitbreiding van het netwerk is lastig. Het is des te belangrijker om in te zetten op de verbetering van de kwaliteit van de bestaande gebieden en op toevoegen of versterken van verbindingen tussen gebieden. Groenblauwe ruimte is een essentiële randvoorwaarde voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving met aandacht voor recreatie, sport en beleving.

Nieuwe verstedelijking in Zuid-Holland vindt zoveel mogelijk plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Tegelijk is directe aanwezigheid en toegankelijkheid van voldoende groen en water in stedelijk gebied dé duurzame oplossing voor het tegengaan van wateroverlast en hittestress (klimaatadaptatie).

Een doel van de EU-natuurherstelwet is behouden en op termijn vergroten van het bestaande groen in het stedelijk systeem. Het stedelijk gebied is de laatste decennia steeds meer ontdekt als belangrijk ecologisch netwerk. De provincie heeft de ambitie om de biodiversiteit in stedelijk gebied te verhogen.

Een deel van de Vogel- en Habitatrichtlijn-soorten leeft in stedelijk gebied. De provincie is wettelijk verantwoordelijk voor de staat van instandhouding van deze soorten. Met de druk op de ruimte neemt ook de druk op deze soorten verder toe. Aan de andere kant kan er ook meer ontwikkeld worden als deze soorten zich in een goede staat bevinden.

Ook de doelstelling uit het Klimaatakkoord om bij de realisatie van nieuwe wijken direct bos en extra bomen te realiseren is een aanleiding om te werken aan het groenblauw netwerk.  De provincie ziet met versterking van het groenblauw netwerk kansen om deze opgaven in gezamenlijkheid aan te pakken.

Motivering Provinciaal Belang

Het provinciaal Groenblauwe Netwerk is gemeentegrensoverschrijdend, want het gaat over doorgaande structuren tussen steden en dorpen.  Onderdelen van de groenblauwe ruimte binnen en buiten bebouwd gebied vallen onder wisselende verantwoordelijkheid van gemeentes, provincie, rijk en waterschappen. Voor het versterken en verbeteren van dit netwerk zit de winst in het gezamenlijk werken en optrekken aan de samenhang van dit netwerk. De provincie beschikt bij uitstek over de mogelijkheden en instrumenten om dit te doen.  

De groene buffers, de broodnodige ademruimte tussen de steden, zijn ontstaan uit de voormalige Rijksbufferzones. Deze buffers zijn onderdeel van het groenblauw netwerk en bescherming daarvan heeft het rijk overgelaten aan provincie en gemeente, waarbij de provincie de regie heeft. Daarnaast is de instandhouding en bescherming van de kwetsbare VHR-soorten in stedelijk gebied ook een provinciale verantwoordelijkheid vanuit de Omgevingswet.  

Een robuust Groenblauw Netwerk dient meerdere provinciale doelen: ruimte voor een gezonde, aantrekkelijke en beweegvriendelijke leefomgeving voor de mens, het versterken van de biodiversiteit en natuurwaarden en ruimte om te anticiperen op klimaatverandering. 

Nadere uitwerking

Aantrekkelijke landschappen en toegankelijke natuur nabij de stad zijn belangrijk voor een goed leef- en vestigingsklimaat in de stad. Ze hebben een positief effect op de gezondheid en het welbevinden van mensen.  

In de groene ruimte nabij de stad is verbetering van de recreatieve kwaliteit en bereikbaarheid daarom een belangrijke opgave. Goede stad-landverbindingen, fijnmazige netwerken en opheffing van barrières kunnen de toegankelijkheid van het landschap nabij de stad verbeteren. Een groene omgeving zet aan tot bewegen. Een omgeving, die uitnodigt tot bewegen, noemen we beweegvriendelijk. Een beweegvriendelijke omgeving is enerzijds goed toegankelijk, anderzijds is het een aantrekkelijke omgeving, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van groen en water.  

Tussen de steden onderling zet de provincie Zuid-Holland in op het realiseren van een robuust Groenblauw Netwerk. Het Landschapspark Zuidvleugel speelt hierin een belangrijke rol. Naast het Groenblauwe Netwerk werkt de provincie ook aan de Groenblauwe dooradering (GBDA) als onderdeel van gezonde natuur. Groenblauwe dooradering draagt onder andere bij aan biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat. De fijnmazige groenblauwe dooradering zorgt dan voor de versterking van de haarvaten, het Groenblauwe netwerk richt zich meer op de aders en slagaders van het Groenblauwe Netwerk. Het Groenblauwe netwerk en de Groenblauwe dooradering zijn als deel uitmakend van dezelfde bloedsomloop dan ook innig verbonden.  

 Om het Groenblauwe Netwerk te verbeteren richt de provincie zich op het vergroten van de samenhang tussen en het verbeteren van de kwaliteit van stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en het agrarisch landschap. Deze elementen vormen een stelsel van verschillende groenblauwe ruimtes en routes die stad en land met elkaar verbinden. Denk hierbij aan de grote parken en de waterlopen in de stad, recreatieve stad-land verbindingen en poorten, recreatiegebieden om de stad, de groene buffers en belangrijke recreatieve routes in het landelijk gebied.  

Het vergroten en in standhouden van een samenhangend robuust en aantrekkelijk Groenblauw Netwerk is een belangrijke, maar geen eenvoudige opgave binnen Zuid-Holland. Er zijn veel barrières in de vorm van bijvoorbeeld rijks- en provinciale wegen. Het groen is soms gefragmenteerd, slecht verbonden of weinig aantrekkelijk.  Andere gebieden kennen vanwege hun ligging en hun aantrekkelijkheid juist een hele hoge recreatiedruk. Door het netwerk beter met elkaar te verbinden kan de recreatie zich verspreiden over een groter gebied. De aanpak hiervan is niet tot een gemeente te herleiden, inwoners van de ene gemeente recreëren in de andere.  

Aanpak Groenblauw netwerk 

Voor een gezonde, aantrekkelijke, biodiverse en klimaatadaptieve provincie is een goed verbonden en aantrekkelijk groenblauw netwerk van belang. Dit vraagt kennis, inzet en samenwerking van en met alle partijen. Het lokale fijnmazige netwerk in de wijk is net zo van belang als de groenblauwe dooradering van de grote landschappen of de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van recreatiegebieden. De provincie heeft hier verschillende rollen. De provincie richt zich op de bescherming van het groenblauw netwerk via de omgevingsverordening en werkt samen in gebiedsprogramma's aan de verbetering van het groenblauw netwerk. Via het programma landschapspark zet de provincie hier middelen voor in. Met de Groene Cirkel Groene Gezonde Stad zet de provincie zich in voor kennisontwikkeling en kennisdeling over vergroening van de steden.  

De term robuust geeft aan dat een netwerk een stevige maat kent en tegen een stootje moet kunnen. Groenblauw gaat over landschappelijke waarden en groene of blauwe opgaves. De provincie adviseert over en beschermt de grootte en de waarden van het groenblauw netwerk met regelgeving die is vastgesteld in de verordening. Netwerk zegt wat over de onderlinge verbondenheid. Basiskwaliteit natuur is het uitgangspunt voor het gehele netwerk, waarbij op onderdelen, zoals bij de natuurgebieden, de lat hoger ligt.   

Voor het behouden en versterken van de groenblauwe elementen binnen het bebouwd gebied werkt de provincie Zuid-Holland samen met de gemeenten en waterschappen. Principes voor de kwaliteit en kwantiteit van groenblauwe plekken worden gezamenlijk opgesteld.  

Hierbij worden normen voor toekomstbestendig bouwen gesteld. Deze normen zien toe op de biodiversiteit en variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het de opgaves vanuit het water- en bodemsysteem.  

Ook op een fijnmazige schaal zet de provincie Zuid-Holland met de steden in op het realiseren van een sportief, recreatief, klimaatadaptief en biodivers netwerk. Een netwerk met groenblauwe schoolpleinen, daken, winkelcentra, bedrijfsterreinen en parken. 

Met de verdichtingsopgave van het bestaand stads- en dorpsgebied wordt de groenblauwe ruimte als tegenhanger van de stedelijke dynamiek nog belangrijker voor rust, ruimte en leefkwaliteit. De stedelijke groen- en waterstructuur kan met het oog op klimaatverandering dienen als klimaatbuffer bij hittestress, droogte en wateroverlast. De regulatiefunctie van de bodem kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren.  

De Groene buffers 

De groene buffers zijn van grote waarde als groene longen tussen de steden. Belangrijk is dan ook juist deze kwaliteiten te bewaken en te versterken. Behoud van deze ruimte en een kwaliteitsvolle invulling van deze gebieden is van belang voor de aantrekkelijkheid en toekomstbestendigheid van het stedelijk gebied. Ze vormen op de schaal van de provincie een onmisbare tegenhanger van de stedelijke dynamiek en verdichting. Bij ontwikkelingen in of aan de Groene Buffer kijkt de provincie of met de betreffende ontwikkeling de algemene bufferwerking tussen de steden beschermd wordt. Ook kijkt de provincie of de specifieke waarden en identiteit van de betreffende buffer versterkt worden. 

De stedelijke druk op het groenblauw netwerk en in het bijzonder de groene buffer is groot. Dit hangt samen met de ligging tussen en aan de rand van steden. Stedelijke functies zoals wonen, werken of intensieve recreatie kunnen in hoge mate afbreuk doen aan de groen/blauwe kwaliteiten van de groene buffer. Stedelijke ontwikkeling is daarom in principe niet mogelijk in de groene buffer.  

De Groene buffers hebben specifieke ruimtelijke kwaliteiten en maken deel uit van het Groenblauwe Netwerk. De groene buffers in Zuid-Holland verschillen van karakter. De provincie wil de verscheidenheid tussen de gebieden versterken. Versterking vindt plaats door de doorontwikkeling van een Groenblauw netwerk dat aansluit bij de specifieke kwaliteiten van de groene buffers. De provincie vraagt bij nieuwe ontwikkelingen een bijdragen aan de instandhouding of verbetering van de kwaliteit van het groenblauw netwerk en haar ecologische, recreatieve en landschappelijke waarden.  

De kwaliteiten van de Groene buffers hebben ook een sterke samenhang met cultuurhistorie als drager van het landschap en het (agrarisch) landgebruik. Het betreft Midden-Delfland, IJsselmonde, het Kaaggebied, het Eiland van Dordrecht, Duin, Horst en Weide en Wijk en Wouden. Deze groene buffers zijn behoudens IJsselmonde ook deels aangewezen als kroonjuwelen cultureel erfgoed. In deze gebieden heeft de landbouw een bijzondere positie. Zij is drager van het landschap en staat sterk onder invloed van de stad.  

Daarnaast zijn doorgaande verbindingen een belangrijk onderdeel van het groenblauw netwerk. Bij de aanleg van nieuwe ontwikkelingen wordt daarom rekening gehouden met doorgaande routes voor de recreërende mens en aanwezige fauna. Voorkomen van nieuwe barrière-werking is hier onderdeel van.  

6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem
Wat wil de provincie bereiken?

De verschillende manieren waarop gebieden worden gebruikt (ruimtelijke functies) zijn afhankelijk van een robuust water- en bodemsysteem. Een robuust water- en bodemsysteem beschermt, tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten, goed tegen watertekort, wateroverlast, bodemdaling en overstromingen. En is een natuurlijke hulpbron voor onder andere drinkwaterproductie. Voor een veilige en toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland, met zo min mogelijk kosten, is het nodig dat bij nieuwe ontwikkelingen ruimte vrijgehouden wordt voor herstel en verbetering van een toekomstbestendig water- en bodemsysteem. De provincie zorgt ervoor dat geplande functies niet in strijd zijn met de ontwikkeling van het water- en bodemsysteem.

Zuid-Holland werkt samen met de waterschappen, andere overheden en drinkwaterbedrijven aan het verbeteren en versterken van het water- en bodemsysteem. Als basis voor brede welvaart en economisch verdienvermogen nu en voor toekomstige generaties. Ondanks deze inspanningen kan een toekomstbestendig watersysteem niet alle te verwachten veranderingen in bodem- en watercondities   opvangen. Er zijn technische oplossingen beschikbaar, maar die zijn vaak kostbaar en gevoelig voor verstoringen (grotere faalkans). Om kosten te besparen en minder afhankelijk te zijn van technische oplossingen, wil de provincie de ruimte die nodig is voor het herstel en de verdere ontwikkeling van het water- en bodemsysteem vrijhouden van ruimtelijke functies die daar niet mee gecombineerd kunnen worden.

Aanleiding

De grenzen van wat het water- en bodemsysteem in Zuid-Holland aankan, zijn in zicht. Door bevolkingsgroei en toenemende economische activiteiten staan de waterkwaliteit en  de drinkwatervoorziening onder druk. Er moet rekening worden gehouden met klimaatverandering, namelijk: meer extreme neerslag, verminderde zoetwateraanvoer via de rivieren, zeespiegelstijging, toenemende zoutindringing en grotere overstromingsrisico’s. Bodemdaling en lage grondwaterstanden zorgen voor veel schade aan funderingen van gebouwen, extra onderhoud aan wegen en spoorwegen en leiden tot meer uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden.

De maakbaarheid van het water- en bodemsysteem dat tegen deze omstandigheden moet beschermen, loopt tegen technische, financiële en ruimtelijke grenzen aan. Het wordt steeds lastiger om ruimte te vinden voor benodigde uitbreidingen van boezemsystemen- en waterbergingen of drinkwaterbronnen en -productielocaties. Onvermijdbare veranderende condities van water en bodem (door klimaatverandering) hebben impact op verdienvermogen en de volhoudbaarheid van functies en landgebruik.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Beter rekening houden met water en bodem in de ruimtelijke ordening draagt bij aan brede welvaart door de leefomgeving te beschermen en te verbeteren. Zo kunnen we in Zuid-Holland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat en met beperkter inzetbare natuurlijke bronnen blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem, voldoende en schoon water.

Door beter rekening te houden met water en bodem in de ruimtelijke ordening, zorgen we ervoor dat consequenties van ruimtelijke keuzes en kosten voor het toekomstbestendig houden en maken van het water- en bodemsysteem, niet worden afgewenteld op toekomstige generaties, andere gebieden of functies of van privaat naar publiek.

Nadere uitwerking

Ruimtelijke en economische ontwikkelingen houden rekening met water en bodem 

We willen dat nieuwe ruimtelijke en economische ontwikkelingen de ruimte die nodig is voor toekomstige versterking van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk vrijhouden. En we willen dat deze ontwikkelingen tijdig anticiperen op de grenzen aan wat het water- en bodemsysteem kan bieden met betrekking tot waterbeschikbaarheid en waterveiligheid, het tegengaan van verzilting, wateroverlast en bodemdaling en de productie en toelevering van drinkwater.

Om (bij droogte) de druk op de drinkwatervoorziening, de zoetwateraanvoer en het (grond)watersysteem te verlichten zet de provincie erop in dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoetwaterefficiënt zijn. Bodem- en wateropgaven worden niet afgewenteld op toekomstige generaties, naar andere gebieden of functies, en niet van privaat naar publiek. De provincie zet in op zoveel mogelijk multifunctioneel ruimtegebruik en creatieve oplossingen.

Water en bodem in locatiekeuze en locatie-inrichting 

De provincie heeft de “Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten” opgesteld ten behoeve van locatiekeuze in relatie tot de inspanningen die op de betreffende locatie geleverd moeten worden om te komen tot een klimaatbestendige inrichting. Deze 'Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten' is gebaseerd op de klimaatonderlegger voor verstedelijking die is opgesteld door de provincie Zuid-Holland en de inliggende waterschappen. De klimaatonderlegger is opgebouwd vanuit de klimaatrisico's richting 2100 op de volgende thema’s: bodemdaling, regenwateroverlast, waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en kwaliteit, en hitte. De klimaatrisico’s in Zuid-Holland zijn locatie afhankelijk. Dit betekent dat er een meer of mindere kans is op negatieve gevolgen door klimaatverandering, voor nu of toekomstige generaties, als hier bij ruimtelijke ontwikkeling niet voldoende rekening mee gehouden wordt.

De provincie heeft eerder in samenwerking met medeoverheden en private partijen uit de bouwsector, de Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. De prestatie-eisen op www.bouwadaptief.nl zijn een doorontwikkeling van deze leidraad en zijn tevens in het Omgevingsprogramma onder 6.2.4.1 opgenomen als hulpmiddel bij de planvorming. De prestatie-eisen en de “Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten” worden blijvend geactualiseerd binnen de afspraken en kaders die nationaal worden gesteld (het Nationaal Afwegingskader en Nationale Maatlat) en de adviezen daarover vanuit het STOER-traject. Ook worden de mogelijkheden verder verkend om het gebruik van de provinciaal en landelijke beschikbare hulpmiddelen in een vroeg stadium van het planproces in te zetten.

Beleidsdoel 7.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

7.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

De provincie wil zorg dragen voor een gezonde en veilige leefomgeving. Zo wil zij inwoners beschermen tegen negatieve invloeden, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s en geluidsoverlast, en deze waar mogelijk verminderen. Daartoe wil de provincie de milieukwaliteit als integraal onderdeel van een goede en veilige leefomgeving verder versterken. Dit doet de provincie door uitvoering te geven aan de programma’s Luchtkwaliteit, Geluidhinder en Externe Veiligheid en Bodem.

Zo werkt de provincie aan het optimaal benutten, beschermen en beheren van de bodem en ondergrond. Dit draagt bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Daarbij wil de provincie geen bodemverontreinigingen meer die leiden tot onaanvaardbare menselijke, ecologische en verspreidingsrisico's.

Er vindt in Zuid-Holland veel transport van gevaarlijke stoffen plaats en zijn er zijn er veel risicovolle activiteiten in Zuid-Holland. Met het beleid voor externe veiligheid wil de provincie de risico’s als gevolg van gevaarlijke stoffen voor de fysieke leefomgeving beperken.

Het milieubeleid richt zich op het minimaal behalen van de grenswaarden, en zodoende het op orde houden van een basisniveau. Voor luchtkwaliteit gaat de provincie verder: daarbij wil de provincie in 2030 de advieswaarden van de WHO behalen, zoals geldend in 2019. In aansluiting bij de landelijke doelstelling werkt de provincie toe naar een Zuid-Holland zonder Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) en potentieel Zeer Zorgwekkende Stoffen. De provincie wil een versterking van de landelijke wettelijke basis om deze stoffen te kunnen verminderen.

De provincie draagt via de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving bij aan een veilige leefomgeving en een duurzame economie. Dit doet zij vanuit haar rol als bevoegd gezag voor de complexe bedrijven in Zuid-Holland. Dat gaat in samenwerking met de 5 Zuid-Hollandse omgevingsdiensten.

De provincie zet in op een kwalitatief hoogwaardige taakuitvoering van milieu- en groene taken door de omgevingsdiensten.

Beleidskeuzes van 7.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

7.1.1 Luchtkwaliteit en verminderen geurhinder
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie zet zich in om de luchtkwaliteit te bevorderen en geurhinder te beperken met als doel de gezondheidsschade aan mensen en de schade aan de natuur te reduceren. De provincie streeft ernaar om in 2030 de in 2019 geldende WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit te behalen. De advieswaarden van de WHO vragen om een halvering van de wettelijke grenswaarde voor fijnstof. Om deze advieswaarde te behalen wordt samengewerkt met andere partijen om ook aan de wettelijke Europese luchtkwaliteitseisen te voldoen.

Om de luchtkwaliteitsdoelen te behalen heeft de provincie met haar partners het Schone Lucht Akkoord gesloten. In het akkoord staan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Daarnaast worden provinciale maatregelen ter verbetering van luchtkwaliteit genomen en wordt het instrumentarium in het kader van Vergunningverlening toezicht en handhaving (VTH) ingezet. Zo draagt de provincie bij aan een gezonde woon- en leefomgeving.

Het geurhinderbeleid is bedoeld om de geurhinder door bedrijven onder provinciaal bevoegd gezag te beperken tot een acceptabel niveau.

Aanleiding

Voor verschillende stoffen in de lucht heeft de Europese Unie grenswaarden vastgesteld die zijn vertaald en vastgelegd in Nederlandse wetgeving. De Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) heeft daarnaast advieswaarden voor de luchtkwaliteit vastgesteld die lager liggen dan de wettelijke grenswaarden.

Het WHO heeft in 2021 geadviseerd de grenswaarden van luchtkwaliteit aan te scherpen. De Europese Unie herziet op dit moment de luchtkwaliteitsnormen vanwege gezondheid. De verwachting is dat deze meer in lijn komen met de nieuwe WHO-advieswaarden uit 2021 en per 2035 zullen gelden. De provincie loopt op het herzien van deze norm vooruit.  

Motivering Provinciaal Belang

Bouw van nieuwe woningen zal naar verwachting steeds meer plaatsvinden in door luchtkwaliteit belaste gebieden. Daarnaast leidt de uitbreiding en verdichting van de woningbouw tot extra knelpunten in luchtkwaliteit en geur. De provincie ziet goede luchtkwaliteit en beperkte geurhinder als onderdelen van brede welvaart. De huidige luchtkwaliteit in Zuid-Holland leidt tot vervroegde sterfte en gezondheidsklachten. Met het behalen van de WHO-advieswaarden uit 2019 is volgens het RIVM een gemiddelde levensduurverlenging van 4 maanden mogelijk.

Het geurhinderbeleid werkt enerzijds door richting bedrijven onder provinciaal bevoegd gezag met Hoge Milieuhindercategorie (HMC-bedrijven), die met name te vinden zijn in de zeehavengebieden in de Rotterdamse Regio en de Drechtsteden. De ruimte voor HMC-bedrijven staat onder druk door de milieuzoneringen rond de oprukkende woningbouw. Gezien het belang van de HMC-bedrijven is de (milieu)ruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein. Anderzijds werkt het geurhinderbeleid door naar de vergunningverlening aan bedrijven waar de provincie het bevoegd gezag voor is en het acceptabel hinderniveau bepaalt.

Er is provinciaal geurbeleid opgesteld om een uniforme afweging per besluit waar geur een rol speelt, mogelijk te maken. De provincie gebruikt dit beleid bij vergunningverlening, toezicht en handhaving voor bedrijven waar zij bevoegd gezag voor is. Voor het havengebied (kerngebied Rijnmond) is apart beleid geformuleerd vanwege de verhoogde kans op het mengen van geuren (cumulatie).

Uitvoering van het smogbeleid en van het beleid rond Zeer Zorgwekkende Stoffen is een wettelijke taak van de provincie.

Nadere uitwerking

Luchtkwaliteit raakt diverse andere opgaven binnen de provincie en wordt integraal opgepakt met nadere thema’s zoals energietransitie, mobiliteit, industrie, (binnen)vaart en havens en stikstofdepositie. In regionale samenwerkingsverbanden worden Zuid-Hollandse gemeenten ondersteund bij het opstellen van luchtkwaliteitsbeleid zoals onder andere bij het opstellen van een participatieproces en houtstookbeleid. Daarnaast wordt citizen science gestimuleerd.

Omdat benzeen schadelijk is voor de gezondheid heeft de provincie het ontgassen van benzeen en benzeen houdende stoffen door binnenvaartschepen verboden. De provincie werkt nauw samen met de rijksoverheid en het bedrijfsleven om het landelijke verbod zo spoedig mogelijk in te voeren.
Geurhinder - ofwel stank - wordt onder andere veroorzaakt door industriële activiteiten en veehouderij (megastallen). Geureffecten worden beperkt door het nemen van bronmaatregelen. Bij vergunningverlening wordt rekening gehouden met de milieubeslastende activiteit om geurhinder te beperken tot een acceptabel niveau. Door een acceptabel hinderniveau vast te stellen worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onacceptabele geurhinder. Daarnaast zijn er regels opgenomen met betrekking tot geurneutraliserende middelen.

Het industriële complex in de regio Rijnmond kent door de vele geurbronnen die dicht op elkaar zitten een complexere problematiek. Voor Rijnmond zijn er dan ook aanvullende beleidsregels vastgesteld gericht op lokale geuraanpak.

7.1.2 Verminderen van geluidhinder
Wat wil de provincie bereiken?

De belangrijkste provinciale verantwoordelijkheden voor geluidhinder concentreren zich op de provinciale infrastructuur, provinciale milieubelastende activiteiten, regionale luchthavens en stiltegebieden. De inzet is gericht op het voorkomen en verminderen van geluidhinder door weg-(en rail) verkeer, luchtvaart en industrie (zonering en vergunningverlening) en het aanwijzen en beschermen van stiltegebieden. Maatschappelijk gewenste ontwikkelingen (op het gebied van bijvoorbeeld economie, verkeer en vervoer) moeten kunnen plaatsvinden terwijl tegelijkertijd de burger wordt beschermd tegen geluidhinder.

De provincie wil als bevoegd gezag voor kleine en recreatieve luchthavens milieurandvoorwaarden scheppen waarbinnen kan worden voldaan aan de maatschappelijke behoefte aan luchtvaart.

De werkwijze bij de vergunningverlening, toezicht en handhaving is uitgewerkt in de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Voor nestgeluid afgemeerde schepen bevorderd de provincie dat dit wordt meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen.

Aanleiding

Op basis van wettelijke taken om geluidhinder en nadelige gezondheidseffecten zoveel mogelijk te voorkomen. Vermindering van geluidbelasting geeft veel gezondheidswinst en vergroot de mogelijkheden voor economische en ruimtelijke ontwikkeling.

Motivering Provinciaal Belang

Deze taken komen voort uit bestaande wet- en regelgeving waarvan de belangrijkste de Omgevingswet en de Wet luchtvaart zijn. De provincie wil invloed uitoefenen op in ontwikkeling zijnde wetgeving, ten gunste van ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Vanuit de Omgevingswet is de provincie verplicht tot het maken van een geluidbelastingkaart voor de provinciale wegen en het vaststellen van omgevingswaarden (geluidsproductieplafonds), het opstellen van een actieplan geluid voor provinciale wegen en het aanwijzen van stiltegebieden.

Nadere uitwerking

De provincie richt zich op de volgende taken:

1. Wegen

  • Aanpak geluidhinder langs provinciale wegen via het Actieplan geluid, waarbij de provincie zich inzet om binnen de beschikbare middelen het aantal geluidgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.(wettelijke taak);

  • Besluiten hogere waarden bij provinciale- en rijksinfrastructuur (wettelijke taak);

  • Maken en monitoren en geluidbelastingkaarten (wettelijke taak);

  • Verbetering van de geluidwetgeving via Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid). (SWUNG 2) (provinciale inzet);

  • Kwaliteit van de besluitvorming voor geluidhinder verbeteren (provinciaal beleid);

  • Inzet Subsidieregeling sanering verkeerslawaai (Ssv) gelden op te saneren woningen (wettelijke taak).

2. Luchtvaart

Verlenen van luchthavenbesluiten en luchthavenregelingen en ontheffingen (wettelijke taak) waarbij als provinciaal doelgesteld is dat de kwaliteit van de leefomgeving zoals veiligheid en milieu niet mag verslechteren door de regionale luchtvaart ten opzichte van de situatie in 2008.

3. Industrie

De vergunningverlening wordt uitgevoerd door de regionale omgevingsdiensten op basis van de Nota vergunningen, toezicht en handhaving 2024-2027. Verder is de provinciale inzet gericht op verbetering van de geluidwetgeving (SWUNG 2 en het optimaliseren van efficiënt ruimtegebruik op industrieterreinen gekoppeld aan geluidruimteverdeling (provinciaal beleid).

4. Cumulatie: optelsom van geluidbronnen

De provincie is verplicht bij diverse besluitvorming rekening te houden met cumulatie van geluid (reconstructie of aanleg wegen, projectbesluiten) (wettelijke taak).

5. Stiltegebieden

Aanwijzen en beschermen van stiltegebieden (wettelijke taak). De stiltegebieden zijn aangewezen in de Omgevingsverordening.

7.1.3 Externe veiligheid
Wat wil de provincie bereiken?

Het doel is een veiliger Zuid-Holland door de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen te beperken. Dit doet de provincie door eisen te stellen aan dit soort risicovolle activiteiten, door te sturen op waar deze plaatsvinden (locatie), en te sturen op locaties waar (zeer) kwetsbare gebouwen gebouwd worden. Hierbij is het belangrijkst dat de kans dat grote groepen mensen slachtoffer worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen zo klein mogelijk wordt gehouden. De provincie kijkt daarbij naar het (berekende) groepsrisico en de in de verordening vastgestelde oriëntatiewaarde (een referentiewaarde uit de regels). Via de provinciale Omgevingsverordening moedigt de provincie aan dat risicovolle activiteiten op één plek worden samengebracht en op een veilige manier worden gecombineerd. Ook wil de provincie dat veiligheid een belangrijk onderdeel is bij het ontwerpen van nieuwe plannen.

Daarnaast richt de provincie zich met haar nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) op het zo veel mogelijk beperken van risico’s bij risicovolle bedrijven waarvoor de provincie verantwoordelijk is (bevoegd gezag).

Aanleiding

In Zuid-Holland, de dichtstbevolkte provincie van Nederland, wonen, werken en recreëren we dicht naast elkaar. Externe veiligheid gaat over acute risico’s – toxiciteit, brand, explosie – voor de omgeving door ongevallen bij productie, opslag, verwerking en transport (inclusief buisleidingen) van gevaarlijke stoffen en bij luchtvaart en windturbines. De provincie Zuid-Holland heeft in vergelijking met andere delen van Nederland aanzienlijk meer te maken met dit soort risico’s.

Binnen de provincie wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een gezonde en groene economie. Om de economische kracht van Zuid-Holland te versterken is een goed vestigings- en leefklimaat van doorslaggevend belang. Het waarborgen van gezondheid, veiligheid en leefbaarheid is hier een onderdeel van. Bovendien staat de provincie de komende jaren voor grote maatschappelijke opgaven zoals de duurzaamheidstransities (energietransitie en circulaire economie) en een toename van woningbouw. Hierdoor kunnen de gezondheid en veiligheid in bepaalde gebieden onder druk komen te staan.

Motivering Provinciaal Belang

Het waarborgen van de externe veiligheid is voor de provincie Zuid-Holland een provinciaal belang.

In Zuid-Holland is een samenloop van hoge bevolkingsdichtheid en hoge industrialisatie, wat resulteert in hogere externe veiligheidsrisico’s dan elders in Nederland. Er vindt in Zuid-Holland veel transport van gevaarlijke stoffen plaats en er is een hoge concentratie van risicovolle activiteiten. Tegelijkertijd vergroot de hoge bevolkingsdichtheid het risico op slachtoffers bij rampen.

Er kunnen zich op verschillende locaties in de gehele provincie ongevallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarvan de effecten zich uitstrekken over de gemeentegrenzen heen. Deze risico’s ontstaan door de combinatie van een hoge concentratie risicovolle activiteiten en een hoge bevolkingsdichtheid. Risico’s zijn vooral aanwezig rond bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen en langs transportroutes voor deze stoffen. Daarnaast verandert de ruimtelijke omgeving in Zuid-Holland snel, waardoor het aantal gemeentegrens overstijgende risico's kan toenemen. Een risicoloze samenleving is ondenkbaar en niet haalbaar, maar de provincie streeft ernaar de risico’s voor de fysieke leefomgeving te beperken.

De provincie staat aan de lat voor een breed scala aan opgaves die de gezondheid en veiligheid van haar inwoners beïnvloeden. Het is van provinciaal belang dat de opgaves van de provincie, zoals de energietransitie en ruimtelijke inrichting, op een veilige manier kunnen worden vormgegeven.

Activiteiten en ontwikkelingen in het Havenindustrieel complex (HIC) vragen in het bijzonder om provinciale aandacht. Het HIC rond de zeehavens van Rotterdam en Dordrecht:

  • heeft een economische functie van nationaal en internationaal belang;

  • heeft een groot aantal industriële activiteiten;

  • staat centraal in de ontwikkeling van een duurzaam en circulair Zuid-Holland.

In het HIC zijn, in samenwerking met gemeenten, gebieden aangewezen die speciaal geschikt zijn voor de vestiging van risicovolle bedrijven. De effecten van activiteiten in deze gebieden, inclusief de daarmee gepaard gaande risico’s, overschrijden vaak de gemeentegrenzen. Dit soort risico’s vereist een provinciale aanpak. De provincie beschikt over uitgebreide kennis over deze gebieden, vanwege haar rol als bevoegd gezag voor de meest risicovolle bedrijven (de zogenaamde Seveso – voorheen Brzo – bedrijven) en bedrijven in de chemische industrie.

Nadere uitwerking

Het clusteren van risicovolle activiteiten

De provincie past clustering toe om ruimte te bieden aan risicovolle activiteiten en tegelijkertijd het gebied waar de effecten van die activiteiten merkbaar kunnen zijn te beperken. Het clusteren van risicovolle activiteiten gebeurt in de regio’s Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid. Onder de Omgevingswet gebeurt clustering in zogenaamde ‘risicogebieden’. De provincie streeft ernaar de bestaande ruimte voor het verlenen van vergunningen voor risicovolle bedrijfsactiviteiten binnen risicogebieden te behouden. Dit omvat ook ruimte voor de effecten van (toekomstige) bedrijven die tot buiten het risicogebied kunnen reiken. Dit is van belang voor de ruimtelijke ontwikkeling van gemeenten die grenzen aan de risicogebieden.

Clusteren biedt drie voordelen:

  • Een veiligere leefomgeving
    Door bedrijven te clusteren wordt het aantal personen dat wordt blootgesteld aan risicovolle activiteiten verminderd en blijven (zeer) kwetsbare gebouwen op veilige afstand. Daarnaast kan het gebied zodanig worden ingericht dat het voor bedrijven en hulpdiensten eenvoudiger is om gezamenlijk op te treden in geval van een ramp of incident.

  • Een betere ruimtelijke ordening
    Clustering beperkt het ruimtebeslag van risicovolle bedrijvigheid. Het optimaliseren van schaarse beschikbare ruimte is van groot belang gezien de maatschappelijke opgaven waar de provincie voor staat. Clustering biedt ook duidelijkheid over de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling binnen en rond risicogebieden. Dit geeft betrokken partijen zekerheid met oog op de toekomst.

  • Economische voordelen
    Binnen de risicogebieden geeft de provincie ruimte aan het economische belang van bedrijven. De provincie reserveert in de risicogebieden specifiek ruimte voor bedrijven met risicovolle activiteiten. Dit biedt bedrijven de zekerheid dat ze zich in Zuid-Holland, onder de overige gestelde voorwaarden, kunnen vestigen en ontwikkelen. Daarnaast bieden de risicogebieden ruimte voor de vestiging van bedrijvigheid die nodig is voor de ontwikkeling van een duurzame circulaire economie. Het clusteren van risicovolle bedrijven en het vaststellen van risicogebieden dragen dus bij aan het behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en de sterke concurrentiepositie van Zuid-Holland. 

Verantwoord combineren van risicovolle activiteiten

Idealiter zijn in de buurt van risicovolle activiteiten geen grote groepen mensen aanwezig en vindt transport van gevaarlijke stoffen niet plaats door binnensteden. Echter, in een dichtbevolkte provincie zoals Zuid-Holland is het soms niet mogelijk om de combinatie van risicovolle activiteiten en (zeer) kwetsbare gebouwen te vermijden. De provincie streeft ernaar om waar mogelijk de leefomgeving zo veilig mogelijk in te richten. Dit verbetert de bescherming tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen met grote groepen slachtoffers. Het groepsrisico, oftewel de kans dat 10 of meer mensen overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen, speelt hierin een belangrijke rol. De provincie zet zich ervoor in dat externe veiligheid vroegtijdig in ruimtelijke besluitvorming een plaats krijgt, zodat het volwaardig meegenomen kan worden. Voor het HIC, Rotterdam The Hague Airport en de oevers van de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas is locatiegericht beleid ontwikkeld, omdat deze gebieden en infrastructurele assen van groot economisch belang zijn.

Naast het verantwoord combineren, stimuleert de provincie dat gemeenten voldoende rekening houden met risicovolle activiteiten en de daarbij horende effecten in hun Omgevingsplan en bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplan activiteiten. In de provinciale Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen die van belang zijn voor een veilig ontwerp van de omgeving rondom risicovolle activiteiten. Deze omvatten onder andere het handhaven van voldoende afstand tot de risicobron, het beperken van de bevolkingsdichtheid en het nemen van bouwmaatregelen. Deze bepalingen omvatten ook aspecten zoals de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een incident. Het doel van deze bepalingen uit de Omgevingsverordening is ervoor te zorgen dat risico reducerende maatregelen worden overwogen en genomen. Hierbij beschouwt de provincie de veiligheidsregio’s in Zuid-Holland als belangrijke partners voor gemeenten.

Reduceren van risico’s aan de bron

De provincie zet in op het reduceren van risico’s aan de bron. Dit geldt zowel voor risicovolle activiteiten bij bedrijven als voor transport van gevaarlijke stoffen. De uitwerking voor risicovolle activiteiten waarvoor de provincie het bevoegd gezag is, is vastgelegd in de nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH). Hierbij beschouwt de provincie de veiligheidsregio’s in Zuid-Holland als belangrijke partners.

Voor risicovolle activiteiten waarbij de gemeente het bevoegd gezag is, bevat de provinciale Omgevingsverordening richtlijnen voor het beheersen van het groepsrisico bij zowel het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan als het verlenen van een buitenplanse omgevingsvergunning. Met deze richtlijnen streeft de provincie naar een gelijke werkwijze/aanpak tussen gemeenten en de provincie zelf.

Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor door binnensteden is een grote risicoveroorzaker waar provincie en gemeenten zelf geen rechtstreekse invloed op hebben. De provincie is met de Rijksoverheid in gesprek, waarbij de inzet is om bronmaatregelen te initiëren die bestaande transportrisico’s verlagen, zoals sturen op het vermijden van binnenstedelijk gebied. De provincie zet in op verminderen van het vervoer van gevaarlijke stoffen door binnenstedelijk gebied, om op lange termijn de knelpunten rond het spoorvervoer met nieuwe spoorinfrastructuur op te lossen.

7.1.4 Beschermen en benutten van de kwaliteiten van het bodem- en grondwatersysteem
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie zorgt voor het duurzaam beschermen, gebruiken en beheren van de bodem & de ondergrond, zowel door haar eigen beleid als door het beïnvloeden van het beleid van andere overheden. Het gaat hier om het beschermen en beheren van de kwaliteit van de bodem en het grondwater, en het verantwoord gebruik van functies in de ondergrond. De provincie zet voor deze beleidskeuze in op:

  • het optimaal benutten en beheren van bodem en ondergrond. Door duidelijk te wijzen op veranderingen in de vier dimensies (lengte, breedte, diepte en tijd) en op noodzaak om te voorkomen dat ze doorschuiven, worden toekomstige ontwikkelingen in (natuurlijke) water- en bodemsystemen meegenomen en beoordeeld in planvormingsprocessen (4D-Ordening).

  • het beschermen en beheren van het bodem- en grondwatersysteem. De provincie wil de chemische bodem- en grondwaterkwaliteit beschermen en verbeteren, de gezondheidsrisico`s als gevolg van bodemverontreiniging verminderen en stimuleren dat bodemkwaliteit in samenhang wordt beoordeeld bij functietoewijzing in ruimtelijke ontwikkelingen.

  • de nazorg van stortplaatsen in het kader van de Wet Milieubeheer. Dit om te voorkomen dat gesloten stortplaatsen een negatief effect hebben op de omgeving.

Bij alle opgaven in Zuid-Holland is het van belang om rekening te houden met thema's ecologie, ondergrondse infrastructuur, identiteit, bodemdaling, (grond)water, voorraden en energie in de ondergrond.

Aanleiding

Optimaal benutten en beheren van de bodem en de ondergrond

De provincie heeft geconstateerd dat kwaliteiten van bodem en ondergrond nog onvoldoende worden meegenomen bij het oplossen van maatschappelijk opgaven. Zo heeft de provincie de ambitie om het aandeel duurzame energie, in de vorm van aardwarmte en bodemenergie, te vergroten. Daar komt bij dat boven- en ondergronds ruimtegebruik nog onvoldoende als een geheel van de ruimte worden geordend. De gevolgen hiervan zijn dat:

  • Conflicterende ruimteclaims pas in een laat stadium van de planvorming worden ontdekt;

  • Er kansen verloren gaan doordat mogelijke koppelingen tussen activiteiten nog niet duidelijk in beeld zijn;

  • Er zorgen zijn over de impact van activiteiten in de ondergrond (o.a. veiligheid);

  • De waarden van de ondergrond (aardkundige, archeologische, cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden) worden aangetast.

Door deze toenemende druk op de ruimte en de hiermee gepaard gaande zorgen is het noodzakelijk om tot een integrale afweging van belangen te komen. Met deze afweging geeft de provincie een concrete invulling aan de provinciale kernopdracht: Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de bodem en ondergrond.

Beschermen en beheren van het bodem- en grondwatersysteem

Bodem- en grondwaterverontreinigingen zijn een risico voor mensen en biodiversiteit. Een goede chemische bodemkwaliteit is de basis voor een gezonde leefomgeving en een voorwaarde voor ruimtelijke en economische ontwikkelingen in een gebied. Daarnaast krijgt de provincie steeds meer te maken met nieuwe en met zeer zorgwekkende stoffen die diffuus voorkomen en waar een lokale aanpak geen soelaas biedt. Mobiele verontreiniging kunnen zich verspreiden en zo de zoetwatervoorziening aantasten.

Nazorg stortplaatsen in het kader van de Wet Milieubeheer

Het Rijk heeft gemeend dat eeuwigdurende nazorg van stortplaatsen niet belegd kan worden bij de exploitanten van stortplaatsen. Daarom is gekozen om deze middels de Wet milieubeheer (Wm) bij de provincies neer te leggen. De provincie is in het kader van de Wm verplicht om nazorg (eeuwigdurend) te verrichten op negen (gesloten) stortplaatsen.

Motivering Provinciaal Belang

Optimaal benutten en beheren van de bodem en ondergrond

Het provinciaal belang is gelegen in het op een rechtvaardige manier benutten van potenties van bodem en ondergrond voor de maatschappelijke opgaven op regionale schaal.

Zo zijn in het kader van de Omgevingswet tussen provincies, omgevingsdiensten en gemeenten afspraken gemaakt over samenwerking en een nieuwe rolverdeling bij het realiseren van een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond.

Beschermen en beheren van het bodem- en grondwatersysteem

De provincie is nog steeds in een aantal gevallen bevoegd gezag voor de chemische bodemkwaliteit in het kader van de inmiddels ingetrokken Wet bodembescherming (Wbb). Sinds de inwerkingtreding van de Ow is de provincie het bevoegd gezag voor bodemtaken bij complexe bedrijven en op plaatsen waar het Wbb overgangsrecht voor de provincie Zuid-Holland van toepassing is. Voor alle andere locaties zijn de gemeenten het bevoegd gezag voor de chemische bodemkwaliteit. De gemeenten zijn dan verantwoordelijk voor het voorkómen van nieuwe bodemverontreinigingen.

Wel heeft de provincie een belangrijke rol als hoeder van de grondwaterkwaliteit.

Bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften geldt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Nazorg stortplaatsen in het kader van de Wet Milieubeheer

De provincie is in het kader van de Wet Milieubeheer verplicht om nazorg te verrichten op de in deze wet aangewezen stortplaatsen. Dit om te voorkomen dat deze negatieve effecten op de omgeving hebben.

Nadere uitwerking

Optimaal benutten en beheren van bodem en ondergrond

De provincie bevordert de integrale belangenafweging over het gebruik van de bodem en de ondergrond, zowel in haar eigen beleid als in dat van andere overheden. Dit wordt aangeduid als 4D-Ordening bij ruimtelijke planvorming en gebiedsontwikkeling in Zuid-Holland.

De provincie beoogt in samenwerking met andere overheden om 4D-Ordening   standaard en structureel onderdeel te laten worden van alle relevante ruimtelijke planprocessen in Zuid-Holland. 4D-Ordening verwijst daarbij naar het (natuurlijk) water- en bodemsysteem in vier dimensies, want naast de drie ruimtelijke dimensies (lengte, breedte en diepte) onder onze voeten (3D-Ordening) is ook de vierde dimensie (tijd) van belang. Door expliciet te attenderen op veranderingen in de tijd en op noodzaak tot voorkomen van afwenteling worden toekomstige ontwikkelingen in (natuurlijke) water- en bodemsystemen meegewogen in planvormingsprocessen (4D-Ordening).

Voor de provincie zijn de bodem en ondergrond een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving.  Daarom werkt de provincie met behulp van haar beschikbare  instrumenten aan het verder vorm geven van het water- en bodemsysteem als randvoorwaarde bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze randvoorwaarde heeft als doel het water- en bodemsysteem te herstellen en toekomstbestendig te maken en dat het gebruik van de bodem en ondergrond “duurzaam, veilig en efficiënt” is. Hiervoor wordt gewerkt met relevante (grond)water- en bodemthema’s. Vervolgens worden deze vroegtijdig en integraal meegenomen bij beleidsontwikkeling en advies.

In dit kader van optimaal benuttenen beheren van bodem en ondergrond adviseert de provincie de minister van KGG over mijnbouwactiviteiten in de diepe ondergrond, zoals gas en aardwarmtewinning. Daarnaast weegt de provincie ook activiteiten in de ondiepe ondergrond integraal af, zoals bij de vergunningverlening voor open bodemenergiesystemen.

Duurzaam beheren van waarden van de ondergrond
De provincie bevordert het duurzaam beheren van verschillende waarden van de ondergrond. Deze waarden in de ondergrond zijn de aardkundige -, archeologische -, cultuurhistorische -, ecologische en landschappelijke waarden dienen meer aan elkaar gerelateerd te worden. Daarmee samenhangend geven aardkundige waarden inzicht in het hedendaagse landschap en dragen bij slimmer om te gaan met toekomstig ruimtegebruik.

De bodem vormt letterlijk de basis van de Zuid-Hollandse identiteit. In de Provincie liggen vele aardkundige waardevolle gebieden. Dat zijn gebieden die interessant zijn vanwege landschapsvorm, ontstaansgeschiedenis, actuele vormingsprocessen of de bijzondere geologie en laten zien hoe het landschap in Zuid-Holland is ontstaan. De aardkundige waarden vormen het structurerende reliëf in het Zuid-Hollands landschap. De bodem van de provincie is ontstaan in een periode van vele duizenden jaren. De zee, de wind, en de rivieren hebben het landschap gevormd. Aardkundige waarden zijn plekken waar sporen hiervan nog zichtbaar zijn in het reliëf of in de bodem.

Aardkundige waarden zijn de drager van de andere landschappelijke waarden en scheppen de voorwaarden voor de latere menselijke activiteiten. Door ruimtelijke ingrepen (met egalisatie en afgraving) gaan de waarden van de ondergrond verloren. Het verdwijnen van deze waarden is een onomkeerbaar proces. Eenmaal verdwenen komen ze nooit meer terug.

Beschermen en beheren van het bodem- en grondwatersysteem

Het Rijk, de provincies en de gemeenten hebben afspraken gemaakt over de aanpak van risicovolle locaties. Voor deze locaties blijft de provincie (ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow)) het bevoegde gezag. De meeste risicovolle verontreinigingen zijn inmiddels door de provincie aangepakt. Alle risicovolle locaties worden de komende jaren door de provincie voortvarend verder aangepakt met als einddoel dat deze locaties in 2030 zijn gesaneerd, danwel dat de risico’s worden beheerst.

Het beheer en de aanpak van minder risicovolle historische bodemverontreinigingen en nieuwe bodemverontreinigingen valt onder de beleidsruimte van de gemeenten. Het principe dat kwaliteitsverbetering van bodem en grondwater in samenloop met locatie-ontwikkeling plaatsvindt wordt door het Rijk niet meer voorgeschreven. Ze geeft decentrale overheden de ruimte om daar haar eigen afwegingen in te maken. Voor nieuwe verontreinigingen blijft de zorgplicht van de Omgevingswet gelden.

Voor het grondwater heeft de provincie op grond van de KRW en Grondwaterrichtlijn een belangrijke rol om kwaliteitsverbetering van grondwater te realiseren. De aanpak voor het verbeteren van de grondwaterkwaliteit is een belangrijk onderdeel van het provinciale Regionale Waterprogramma, en wordt daar in maatregelen verder uitgewerkt.

Bij thema’s met een (boven) regionaal karakter werken de provincie en haar gemeenten samen om het bodem- en grondwatersysteem te beschermen. Het gaat hierbij om vooral om de nieuwe en zeer zorgwekkende stoffen, en diffuse verontreinigingen.

Voor deze doelen is een goede kennisinfrastructuur nodig en deze is per definitie niet lokaal. De provincie stimuleert innovatie rond het beheren en beschermen van het bodem- en grondwatersysteem. Ter ondersteuning faciliteert zij samenwerking zodat de kennisinfrastructuur binnen de provincie wordt versterkt.

Nazorg stortplaatsen in het kader van de Wet Milieubeheer (Wm)

Provincies zijn bestuurlijk, financieel en organisatorisch verantwoordelijk voor de nazorg van afval- en baggerstortplaatsen die na 1996 gesloten zijn of die nog gaan worden gesloten (nazorgregeling van de Wm). Volgens deze regeling dienen gesloten stortplaatsen zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu te hebben en moet de nazorg langdurig gewaarborgd zijn door de verantwoordelijkheid van de exploitanten over te dragen aan de provincie.  In Zuid-Holland behoren 11 stortplaatsen tot de categorie waarop de Wm van toepassing is; twee baggerdepots zijn voor nazorg aan Rijkswaterstaat toegewezen.

In het kader van een goede uitvoering van de nazorg en ter bescherming van de nazorgvoorzieningen zijn in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening regels opgenomen met betrekking tot (her)gebruik van -en activiteiten op- gesloten stortplaatsen.

7.1.5 Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van milieuwetgeving
Wat wil de provincie bereiken?

Bedrijven in Zuid Holland behoren tot de meest innovatieve ter wereld en zijn belangrijk voor werkgelegenheid, maar moeten ook veilig zijn met zo min mogelijk uitstoot van gevaarlijke stoffen om zo een gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen. Hiervoor worden de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving ingezet om voor een goede milieukwaliteit (luchtkwaliteit, bodem, geluid en externe veiligheid) binnen het wettelijk kader te zorgen. De uitvoering van deze provinciale taken gebeurt door vijf Zuid Hollandse Omgevingsdiensten. Daar waar dat noodzakelijk is, pakken we als provincie zelf de regie om hier sturing aan te geven en nieuw beleid te ontwikkelen. Zo kan VTH-instrument via het stellen van aangescherpte voorwaarden of door ruimte te scheppen voor experimenten op verantwoorde wijze ingezet worden voor gewenste transities richting een duurzamer energiebeleid en circulaire economie.

Aanleiding

De provincie heeft op grond van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht de taak om grote (complexe en soms risicovolle) bedrijven te reguleren in relatie tot de leefomgeving. Dat betekent dat activiteiten van een bedrijf beoordeeld worden op gevolgen voor die leefomgeving. Dus wat is het effect van die activiteiten op het gebied van b.v. geluid, externe veiligheid, geur, stof, bodem, lucht- en waterkwaliteit? Hierbij wordt beoordeeld of het effect van die activiteiten valt binnen (wettelijke) grenzen met het doel om milieubelasting en overlast te beperken en tegelijk ruimte te geven voor het bedrijf om zijn activiteiten uit te voeren. Daar waar verantwoord kan het VTH-instrumentarium ook bijdragen aan de energietransitie en de omslag naar een circulaire economie.

De provincie wil zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving, die inwoners beschermt tegen negatieve invloeden, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluid- en geuroverlast. Uitgangspunt hierbij is dat gewerkt wordt aan een circulaire economie met duurzame energievoorziening.

Motivering Provinciaal Belang

De provincie heeft deze wettelijke taak gekregen omdat de grotere, complexe bedrijven doorgaans een grotere impact hebben dan alleen hun directe omgeving; de gevolgen van hun activiteiten hebben vaak een (boven)regionaal karakter. Gedeputeerde Staten zijn wettelijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-activiteiten en rapporteren hierover naar Provinciale Staten.

Nadere uitwerking

Het VTH-instrument wordt, naast regulering van industrie, ook ingezet voor de bescherming van natuurgebieden binnen de provincie.

De provincie is bevoegd gezag voor circa 350 industriële bedrijven. We willen uitstoot van gevaarlijke stoffen bij deze bedrijven beperken. Bij het beschermen tegen negatieve milieuaspecten zal de provincie de VTH-instrumenten krachtig inzetten om bestaande grenswaarden te bewaken en zo een gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen.

Om kennis en kwaliteit van het gebruik van VTH-instrumenten voortdurend te verbeteren zijn kwaliteitscriteria van kracht voor de uitvoering van deze provinciale taken.

Van (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen willen we snel helderheid over de risico’s. Daarom gaan we in gesprek met bedrijfsleven, gemeenten, Rijk en Europa voor transparantie en betere wet- en regelgeving.

De provincie werkt aan een altijd actuele en digitale vergunning, zodat duidelijk en opvraagbaar voor iedereen is wat bedrijven mogen en aan welke regels moet worden voldaan.

De kennis en het netwerk bij de Omgevingsdiensten helpen bij de vormgeving van ons beleid op het gebied van gezonde en veilige leefomgeving, circulaire economie en energietransitie. Zo gaan we samen met de Omgevingsdiensten na in hoeverre we daarvoor vergunningverlening, toezicht en handhaving kunnen inzetten.

7.1.6 Gezondheid en welzijn
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid van haar inwoners, gezondheidsverschillen verkleinen en zorgkosten reduceren. Gezondheid is het resultaat van een groot aantal verschillende elementen, van milieufactoren als lucht en geluid, kwaliteit van de leefomgeving, de mogelijkheid tot recreatie en sport tot specifieke factoren zoals individuele leefstijl. De provincie definieert gezondheid vanuit de ‘Positieve Gezondheid’ benadering, een benadering die niet de ziekte maar een betekenisvol leven van mensen centraal stelt. De nadruk ligt hierbij op veerkracht, eigen regie en aanpassingsvermogen van de mens, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven. Gezondheid gaat hierbij hand in hand met welzijn ofwel het gevoel van welbevinden.

Aanleiding

Zuid-Holland heeft, mede als gevolg van de stedelijke agglomeratie, de hoge mobiliteitsdruk en het Haven Industrieel Complex een grote uitdaging op het terrein van gezondheid. Uit onderzoek komt naar voren dat de provincie Zuid-Holland laag scoort op het gebied van gezondheid. Binnen de provincie zijn daarbij grote verschillen te zien. De provincie heeft daarom extra aandacht voor kwetsbare groepen en wijken met een gezondheidsachterstand.

Motivering Provinciaal Belang

Gezien haar rol bij de inrichting van de leefomgeving - zowel op basis van wettelijke taken als via stimulerende activiteiten – ligt er een duidelijke rol voor de provincie om een gezonde en veilig leefomgeving te beschermen en te bevorderen. De inwoner staat hierbij centraal. Voor de inwoners zijn de provinciale interventies op gezondheid en welzijn vooral effectief als deze in samenhang en in samenwerking kunnen worden gedaan in zowel het fysieke als in het sociale domein.

Nadere uitwerking

Veel verschillende partijen hebben taken die invloed hebben op gezondheid. Als deze partijen hun taken in samenhang uitvoeren met anderen, vergroot dat de impact van handelen van alle actoren. De provincie wil daarom niet alleen vanuit haar verantwoordelijkheid voor de leefomgeving bijdragen aan de gezondheid van de inwoners, maar ziet ook een belangrijke rol in het bij elkaar brengen van verschillende partijen die bijdragen aan gezondheid, welzijn en een gezonde leefomgeving. Het centrale uitgangspunt daarbij is dat gezondheid breed wordt gedefinieerd, en deze definitie ook breed wordt gedeeld. Gezondheid is namelijk het resultaat van maatregelen over beleidsdomeinen en disciplines heen. Samenwerking tussen domeinen binnen, maar ook buiten de provincie is cruciaal.

In de taken waar de provincie verantwoordelijk voor is, zetten we gezondheid en welzijn centraal en wordt gewerkt aan een omgeving die inwoners als prettig ervaren, uitnodigt tot gezond gedrag en beschermt tegen negatieve invloeden, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluid, wateroverlast en hittestress. Naast het beschermen van inwoners voor negatieve gezondheidseffecten wil de provincie een duidelijke verbetering van de leefomgeving bewerkstelligen door de leefomgeving op gezond gedrag in te richten. Gezondheid is daartoe ook sturend in andere beleidskeuzes.

Tot nu toe is het thema gezondheid in ander provinciaal beleid dan milieubeleid vaak impliciet gebleven. Het gaat er om meer bewust te worden van de mogelijkheden in al het beleid en in het gebruik van het instrumentarium om de gezondheid van inwoners verder te bevorderen. Het gaat daarbij onder meer om verankering in economische, ruimtelijke en mobiliteitsplannen, gezond voedsel, bevorderen van verschillende soorten groen voor sportieve en recreatieve inspanning en ontspanning, bevorderen van ecosysteemdiensten, zoals verkoeling, versterken immuunsysteem en natuurlijke plaagregulatie en inzetten van VTH-instrumenten om bestaande grenswaarden te bewaken.

Vanuit de netwerkende rol als regionale overheid wil de provincie een netwerk opbouwen, borgen en onderhouden tussen het fysiek en sociaal domein. Een netwerk van partners, mede overheden en relevante actoren die zich verbinden aan een gezamenlijke ambitie op het gebied van gezondheid en dat zich inzet voor kennisontwikkeling, samenwerking, innovatie en uitvoeringskracht. Het is nu tijd om samen te werken met de belangrijkste partners, verdere interdisciplinaire samenwerking te versterken, de beleidsagenda van de provincie te koppelen aan onderzoek en onderwijs van kennisinstellingen en deze gezamenlijke initiatieven uit te bouwen en op te schalen.

Beleidsdoel 7.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

7.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

De provincie draagt bij aan een gezonde levensstijl van haar inwoners. Dit doet ze door het aanmoedigen van voldoende en gevarieerde aanbod van sport- en recreatievoorzieningen. De provincie wil voldoende (groene) openbare ruimte om in te verblijven en te bewegen. Dit zowel binnen als buiten de stad. De provincie wil dat zoveel mogelijk inwoners meedoen aan sporten en kunnen recreëren in hun vrije tijd. En dit dan vooral in en dicht bij de woonomgeving (‘om de hoek’). Het doel van de provincie is dat mensen meer naar buiten gaan om te ontspannen, bewegen of sporten.

Recreatie, toerisme en sport zijn belangrijk voor brede welvaart. Ze dragen bij aan een gelukkig en gezond leven, de regionale economie en instandhouding/verbreding van de voorzieningen in de buurt. Veel bezoekers die zich op 1 plek verzamelen of in kwetsbare gebieden komen, kunnen problemen veroorzaken. Dit kan leiden tot een slechte ervaring voor bezoekers en bewoners. Maar ook tot schade of verstoring van de natuur, een te hoge belasting voor het milieu, of verkeersproblemen. De provincie wil dat toerisme en recreatie in balans zijn met de omgeving. Ze wil dat toerisme en recreatie - met alle voor- en nadelen - uiteindelijk bijdragen aan het welzijn van de mensen.

Beleidskeuzes van 7.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

7.2.1 Recreatie, sport en bewegen
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil dat meer mensen meer naar buiten gaan om te ontspannen, bewegen of sporten. De provincie werkt daarom samen met partners aan een goed netwerk van gebieden, voorzieningen en bestemmingen voor sport en recreatie. Ook moedigt de provincie activiteiten aan die erop gericht zijn om meer inwoners te laten deelnemen aan sport en recreatie, met name de groepen mensen die minder vaak meedoen.

Aanleiding

In het bedrijvige en dichtbevolkte Zuid-Holland dient er voor alle inwoners ook ruimte te zijn voor ontspanning en voor sport en recreatie. Dit draagt bij aan de gezondheid en het sociaal welbevinden. Door het toenemend aantal inwoners en toenemend aantal toeristen neemt de behoefte aan deze ruimte toe.

Motivering Provinciaal Belang

De gebieden, voorzieningen, bestemmingen, wateren en netwerken waar mensen sporten en recreëren, zijn vaak gemeentegrensoverschrijdend. Veel bewoners recreëren en sporten niet (alleen) in hun eigen gemeente. Het onderhouden en ontwikkelen van een recreatief en sportief netwerk is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen.

Nadere uitwerking

De provincie zet, samen met gemeenten en beheerders, in op behoud en verbetering van recreatiegebieden. Waar dit niet ten koste gaat van de mogelijkheden voor recreatie en sport worden recreatiegebieden ook ingezet om bij te dragen aan andere opgaven van de provincie, zoals biodiversiteit, waterberging en meer bos en bomen.

Ook zet de provincie in op het behouden en vergroten van de mogelijkheden voor recreatie en sport  buiten de recreatiegebieden. Hierbij gaat het om o.a. de belevingswaarde en toegankelijkheid van natuur, landschap, water, erfgoed, historische stads- en dorpskernen, etc.

Om de mogelijkheden voor lopen, fietsen, paardrijden, varen te vergroten stimuleert de provincie het verbinden van recreatief aantrekkelijke gebieden, bestemmingen en woongebieden. Recreatieve routes spelen hierbij een belangrijke rol. De belangrijkste recreatieve fietsroutes zijn opgenomen in het provinciaal fietsnetwerk. De Lange Afstands Wandelpaden (LAW’s) zijn opgenomen in het provinciale wandelroutenetwerk. Daarnaast wijst de provincie jaarlijks de zwemwaterlocaties in natuurwater aan en beoordeelt de kwaliteit en veiligheid van deze locaties tijdens het zwemwaterseizoen.

Ook buiten de recreatiegebieden en recreatieve routes heeft de provincie oog voor het versterken van de mogelijkheden voor recreatie en sport. De provincie streeft naar een zo groot mogelijke deelname van bewoners aan sport en recreatie, met name van hierin ondervertegenwoordigde groepen (waaronder tienermeiden, ouderen, gehandicapten, praktisch opgeleiden en migranten met een niet-Westerse achtergrond), vooral in en dicht bij de woonomgeving.

7.2.2 Toerisme en recreatie in balans
Wat wil de provincie bereiken?

Toerisme en recreatie zijn van belang voor ontspanning en brede welvaart (een goed leven voor iedereen door o.a. gezondheid en geluk, niet alleen door geld). Onder andere door bij te dragen aan de economie in de regio en het behouden en verbeteren van voorzieningen in de buurt. Grote aantallen bezoekers op één plek of in/ nabij kwetsbare gebieden kunnen ook negatieve effecten hebben. Als er te veel mensen in een gebied komen, kan dat zorgen voor een minder fijne ervaring voor bezoekers. Ook kan de natuur er schade door krijgen, het milieu zwaarder belast worden en kunnen er problemen ontstaan met bereikbaarheid en parkeren . De provincie wil dat toerisme en recreatie in balans zijn met de omgeving. Toerisme en recreatie moeten uiteindelijk een positieve bijdrage leveren aan de inwoners van Zuid-Holland.  

De provincie helpt mee aan het ontwikkelen van toeristische plekken die welvarend, evenwichtig en duurzaam zijn. Het toeristische aanbod moet passen bij wat het gebied aankan en passen bij de identiteit van het gebied.  Verblijfsrecreatie (zoals vakantieparken en campings) is belangrijk voor de ontwikkeling van toerisme. Daarom wil de provincie het bestaande aanbod behouden voor recreatie. Er is weinig ruimte voor nieuwe recreatiewoningen. De ruimte die er is moet goed worden gebruikt met het oog op werken, recreëren, natuur, water en het behoud van landbouw. Nieuwe  verblijfsrecreatie moet passen bij wat toeristen willen, de kwaliteit van de omgeving en bij de plannen van de provincie en de regio. Permanente bewoning van recreatie en het toevoegen van tweede woningen vindt de provincie daarom onwenselijk en worden dan ook uitgesloten.

Aanleiding

Met een groter wordende bevolking, meer vrije tijd en een forse groeiprognose van met name inkomende bezoekers is het noodzakelijk om recreatief gebruik en toerisme in balans te houden met de omgeving. Op sommige plekken leidt de groeiende vraag naar recreatiemogelijkheden, soms in combinatie met ander type gebruik, tot drukte en overlast, terwijl andere plekken juist meer zouden willen profiteren van toerisme. De provincie wil zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte in Zuid-Holland, in dit licht worden toeristische en recreatieve activiteiten ondersteund die in balans zijn met de omgeving en bijdragen aan een brede welvaart. Daarbij wordt onder andere ingezet op een betere spreiding over de provincie en binnen regio’s. Dit vraagt om afstemming en meer (kwaliteit)sturing. Het streven is daarbij combinaties te maken en belangen waar mogelijk te koppelen.  

Motivering Provinciaal Belang

Het verzorgingsgebied van toeristische locaties of recreatiegebieden is vaak gemeente-overstijgend. De provincie is mede verantwoordelijk voor regionale economie, zorgvuldig gebruik van schaarse ruimte, het toebedelen van de juiste functie op de juiste plek en de ruimtelijke kwaliteit. De provincie heeft belang bij de ontwikkeling van evenwichtige en duurzame bestemmingen die onze bewoners én bezoekers verrijken. Zo zorgt toerisme voor werkgelegenheid, waarbij de sector banen biedt voor praktisch opgeleiden en sociaal kwetsbare groepen. Ook is er een sterk verband tussen geluk en vrije tijd. Het verbetert ons psychologisch welbevinden, onze gezondheid en stimuleert verbinding met anderen. De voorzieningen die door bezoekers in stand kunnen worden gehouden kunnen zorgen voor een versterking van de leefbaarheid. Het zorgt bovendien voor bewustwording en draagvlak om cultuur, erfgoed, natuur en landschap te behouden. Hier zit een wederkerige relatie, omdat deze zaken ook een belangrijk onderdeel zijn van het toeristisch product. 

Nadere uitwerking

De provincie stimuleert regionale samenwerking om te komen tot een werkbare, gebiedsgerichte aanpak, waarbij sprake is van een gezamenlijk belang voor inwoners, bezoekers, ondernemers en omgeving. Daarbij wordt gericht ingezet op o.a. vraagsturing ten behoeve van bezoekersmanagement, kaders voor (verblijfs)recreatieve ontwikkeling, stimulering van positieve voorbeeldprojecten en gebiedsgericht werken. Toerisme en recreatie kunnen op deze wijze, zoals met meervoudig ruimtegebruik, bijdragen aan de grote transities in de fysieke leefomgeving (zoals energie, ecologie, klimaat, landelijk gebied en natuurbeheer). Om bestemmingen in balans te brengen of te houden is het wenselijk om niet alleen te kijken naar de economische impact van toerisme, maar ook de sociaal-maatschappelijke en ecologische impact mee te wegen. 

De ontwikkeling van duurzame, toeristische bestemmingen richt zich vooral op gebieden met ruimte voor meer bezoekers en toeristisch potentieel, waar toerisme bij kan dragen aan nieuw perspectief, regionale opgaven en het behoud van voorzieningen. Daarnaast richt het beleid zich op het ‘stressbestendiger’ maken van bestaande toeristische bestemmingen die te maken hebben met (piek)drukte of potentiële overdruk. 

Hierbij speelt de vraag hoe bestaande verblijfsaccommodaties vitaal te houden, zodat ze geen negatieve impact hebben op de omgeving. De provinciale inzet richt zich daarbij op goede ruimtelijke ordening en toekomstbestendige/duurzame toeristische ontwikkeling. Met de maatregelen voor toerisme en recreatie in balans worden koppelkansen met maatschappelijke opgaven benut en overlast beperkt of voorkomen. Zo kan toerisme en recreatie een middel zijn om het landelijk gebied vitaal, leefbaar en aantrekkelijk te houden en ook het stedelijk voorzieningenniveau te versterken.   

Afweging nieuw verblijfsrecreatief aanbod  

De provincie wil zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte in Zuid-Holland en is daarom terughoudend ten aanzien van nieuwvestiging en uitbreiding van campings en verblijfsrecreatieparken. Deze houding is afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft als zijnde inpassing, aanpassing of transformatie zoals bedoeld in het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.

De herontwikkeling of intensivering van bestaande locaties als ‘inpassing’ heeft de voorkeur boven nieuwvestiging en uitbreiding. Zowel bij een nieuwe recreatieve ontwikkeling als bij de herontwikkeling of intensivering van een bestaand terrein met een recreatieve functie dienen alle relevante aspecten te worden betrokken bij de afweging. Het gaat daarbij onder andere om bereikbaarheid, stikstofruimte, toekomstbestendig bouwen en het beleid en de regels voor ruimtelijke kwaliteit. Het bouwen van reguliere woningen voor permanent verblijf dient voor te gaan.  

Daarnaast is beperkte uitbreiding mogelijk wanneer het gaat om een ‘inpassing’ of ‘aanpassing’ passend binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een uitbreiding wordt alleen toegestaan wanneer de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft en wordt gecombineerd met toekomstbestendige vormen van bouwen, verduurzaming en/of vergroening.

Nieuwvestiging van een verblijfsrecreatiepark of grootschalige camping wordt gezien als ‘transformatie’. Een verblijfsrecreatiepark of grootschalige camping wordt niet gezien als stedelijke functie, maar moet wel op een vergelijkbare manier worden afgewogen. Dit betekent dat er wordt gevraagd de behoefte aan de recreatieve ontwikkeling te onderbouwen en regionaal af te stemmen. Hierbij dient de vitaliteit van bestaande naburige parken met een vergelijkbaar aanbod en relevant verzorgingsgebied in beeld gebracht te worden. Het toevoegen van verblijfsrecreatief aanbod zou geen druk moeten leggen op de vitaliteit van deze bestaande parken. 

Verblijfsrecreatiepark

Een verblijfsrecreatiepark heeft een omvang van 25 recreatiewoningen of meer, voor het in stand houden van een langjarige toeristisch-recreatieve verhuur en het bieden van gemeenschappelijke voorzieningen. Een combinatie van vaste en seizoensgebonden verblijfsmogelijkheden is mogelijk. Het terrein heeft een recreatief karakter, gemeenschappelijke voorzieningen en overeenkomstige inrichting. Daarnaast heeft het terrein een juridische gebruiksfunctie die tijdelijk recreatief verblijf, zoals in een recreatiewoning, mogelijk maakt en wordt het terrein bedrijfsmatig geëxploiteerd. Bij de onderbouwing van een bedrijfsmatige exploitatie wordt gevraagd om een businessplan als onderbouwing van de financiële haalbaarheid. Daarnaast wordt in het plan de sociaal-maatschappelijke meerwaarde voor de omgeving van de ontwikkeling geschetst. 

Nieuwvestiging of uitbreiding zou gericht moeten zijn op langjarige toeristische verhuur met een divers en onderscheidend regionaal aanbod. Permanente bewoning van recreatiewoningen en toevoegen van nieuwe tweede woningen zijn ongewenst. Daarom worden nieuwe recreatiewoningen alleen toegestaan in bedrijfsmatig beheerde verblijfsrecreatieparken. Een recreatiewoning is een accommodatie bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf, zoals een bungalow, chalet, stacaravan of vakantiehuis, met faciliteiten die vergelijkbaar zijn met een reguliere woning.  

Zuid-Holland telt een zeer hoog percentage recreatiewoningen die niet recreatief worden verhuurd. Dit kan leiden tot wisselende vitaliteit en op termijn tot permanente bewoning. Dergelijke recreatiewoningen leveren een beperkte bijdrage aan regionale economie en de instandhouding/verbreding van het lokale voorzieningenniveau. Nieuwe ontwikkelingen zouden gericht moeten zijn op langjarige toeristisch-recreatieve verhuur. Er is dan ook geen ruimte voor nieuwvestiging van tweede woning parken of solitaire tweede woningen in het buitengebied. Er is geen sprake van toeristisch-recreatieve verhuur wanneer de accommodatie voor meer dan 30% als tweede woning wordt gebruikt of wanneer onderdak wordt geboden aan deeltijd-bewoners, permanente bewoners, arbeidsmigranten en tijdelijke woningzoekenden. Bij iedere uitbreiding van het verblijfsrecreatieve aanbod zal het percentage van 30% dan ook als richtlijn worden gebruikt.  

Kleinschalige verblijfsrecreatie 

Zoals hierboven aangegeven staat de provincie nieuwe recreatiewoningen alleen toe in verblijfsrecreatieparken. Hotels worden in principe gezien als stedelijke verblijfsrecreatievorm, hiervoor is ruimte binnen de kernen. Daarnaast zijn er in het buitengebied wel andere kleinschalige vormen van verblijfsrecreatie mogelijk waar dit bedoeld is als nevenactiviteit. Kleinschalige vormen van verblijfsrecreatie zijn mogelijk wanneer het gaat om ’inpassen’ of ‘aanpassen’, zoals bedoeld in het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Deze mogelijkheid geldt bijvoorbeeld voor camperplaatsen, B&B, groepsaccommodaties, trekkershutten en seizoensgebonden/tijdelijke kampeerplekken. Bij deze vormen van verblijfsrecreatie is het risico op permanente bewoning minimaal.

Permanente bewoning recreatieparken 

De provincie beschouwt permanente bewoning van recreatiewoningen als een onwenselijke ontwikkeling die daarom wordt uitgesloten in het omgevingsplan. Het gaat om een complexe problematiek. Zo voldoen de woningen veelal niet aan de normen voor gewone woningen voor wat betreft bouw, hinder en locatie. Ook gaat permanent gebruik voor bewoning ten koste van de ruimte voor verblijfsrecreatie. Om permanente bewoning tegen te gaan staan we nieuwe recreatiewoningen alleen toe in verblijfsrecreatieparken van enige omvang die bedrijfsmatig worden beheerd gericht op toeristische verhuur van alle recreatiewoningen. Het is daarbij wenselijk verblijven met een permanent karakter te voorzien van een Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De provincie heeft een aantal parken waar het toeristisch recreatieve perspectief niet meer aanwezig is. Voor deze parken wordt in de Omgevingsverordening maatwerk geboden. 

Beleidsdoel 7.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

7.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

Beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling

De provincie zet zich in om klimaatverandering tegen te gaan. Ze werkt aan het verminderen van de CO2-uitstoot en bodemdaling in de Veenweidegebieden volgens de afspraken uit het Klimaatakkoord, onderdeel land- en landgebruik. In Veenweidegebieden moet 1 Mton CO2 worden bespaard in 2030. Het Zuid-Hollandse aandeel in de opgave wordt ingeschat op 21%, ofwel: 0,21 Mton. De provincie werkt hierbij samen met agrariërs, mede-overheden en maatschappelijke partijen in de veenweidegebieden via een gebiedsgerichte aanpak in het kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. Hierbij is zij zich ervan bewust dat de keuzes die ze maakt om bodemdaling te remmen, het watersysteem en landgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ook is verdere kennisontwikkeling en beleidsvorming nodig. In overleg met de mede-overheden, maatschappelijke partijen, kennisinstituten en andere partijen werkt de provincie hieraan. 

Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Het wordt warmer, er is meer kans op een extreme regenbui, op een hittegolf en op een lange droge periode. De zeespiegel stijgt en als gevolg daarvan neemt de kans op een overstroming toe. Door lange droogte daalt de bodem. Zuid-Holland is kwetsbaar voor klimaatverandering door zijn ligging aan zee en door zijn lage ligging. De snelheid waarmee klimaatveranderingen zich manifesteren (extreme buien, droogte, hitte, zeespiegelstijging, bodemdaling) neemt nog altijd toe.

 De provincie wil dat Zuid-Holland een fijne plek blijft om te werken, wonen en recreëren, ook als omstandigheden veranderen. Daarom neemt de provincie nu maatregelen om ons voor te bereiden op klimaatopgaven als weersextremen (hitte, droogte, wateroverlast, overstromingen), zeespiegelstijging en bodemdaling. Samen met waterschappen, gemeenten en het Rijk zorgt de provincie voor een klimaatbestendig en waterrobuust ingerichte provincie in 2050. Niet alleen om schade en overlast te beperken, maar ook vanuit haar ambitie te streven naar een gezonde, groene leefomgeving, een aantrekkelijk vestigingsklimaat, goede bereikbaarheid en een veerkrachtige innovatieve economie.

Beleidskeuzes van 7.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

7.3.1 Beperken CO2-eq emissies en bodemdaling voor toekomstbestendige veenweiden
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen in de veenweidegebieden, de uitstoot van broeikasgas en bodemdaling door veenafbraak in de veenweiden beperken. De provincie wil daarmee de directe en indirecte kosten door bodemdaling beperken EN invulling geven aan de afspraak in het Klimaatakkoord om te komen tot het terugbrengen van de uitstoot van CO2 uit veen in 2030. Dit in een afweging die gemaakt is in samenhang met andere doelen binnen het veenweidengebied. De provincie stuurt de partners en partijen in brede zin naar een gezamenlijke visie op toekomstbestendig veenweiden gebruik.

Aanleiding

De Hollandse veenweiden zijn een product van eeuwenlang menselijk handelen. Door drainage werd het veen bruikbaar gemaakt voor landbouw en ontstond de hedendaagse melkveehouderij op het karakteristieke, in veel polders nog zichtbare, slagenlandschap. In de diepste veenpolders en droogmakerijen is het veen afgegraven om, in de vorm van turf, als energiebron te dienen. In de huidige veenweiden is de samenhang tussen water, bodem en grondgebruik zeer sterk, maar tegelijk ook kwetsbaar en niet in balans.  Het droogleggen en verdrogen van het veen is de meest sturende reden en oorzaak van oxidatie/afbraak van het veen en daarmee van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen.

In de veenweiden kunnen grondwaterstanden, in de periode maart-oktober, tot soms meer dan een meter onder maaiveld wegzakken. Hoe verder die grondwaterstand wegzakt, hoe meer veen aan zuurstof wordt blootgesteld en hoe meer emissies van CO2 en andere broeikasgassen kunnen ontstaan. De broeikasgassen dragen bij aan de klimaatverandering. Daarnaast zorgt de doorgaande bodemdaling - niet alleen als gevolg van de veenafbraak, maar ook als gevolg van zetting of klink van slappe klei of veenbodem – vooral in het bebouwde gebied en in mindere mate ook in het landelijke gebied, voor directe maatschappelijke kosten door verzakkingen, paalrot, wateroverlast, schade aan funderingen, gebouwen, cultureel erfgoed, wegen, rioleringen, kabels en leidingen. Ook zorgt de doorgaande bodemdaling voor steeds hoger worden kosten voor het in stand houden van het watersysteem (onder meer door opbarstende bodems als gevolg van grote kweldruk OF door brakwater wellen die waterkwaliteit beïnvloeden OF door ongelijke maaiveldhoogtes door ongelijke bodemdaling wat gelijkmatig peilbeheer in der weg zit) EN voor steeds hogere kosten voor het in stand houden van keringen, infrastructuur en gebouwen. Bovendien is doorgaande bodemdaling een bedreiging voor het voortbestaan van de landbouw, de biodiversiteit en het landschap.  Daar bovenop is de klimatologische verandering gekomen, waarvan de gevolgen voor de veenweiden en haar opgaven extra goed merkbaar zijn: wateroverlast en droogte nemen toe en daarmee de noodzaak tot grotere volumes af- en aanvoer en/of behoefte aan meer ruimte voor piekberging (van teveel water) en zoetwateropslag (om een tekort op te vangen).

Motivering Provinciaal Belang

In het Nationaal Klimaatakkoord, waarmee de provincie heeft ingestemd samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, zijn afspraken gemaakt voor de reductie van broeikasgassen uit veen: 1 Mton CO2-eq per jaar reductie uit veen in Nederland.  Zuid-Holland draagt daar circa 21% aan bij en heeft daarmee een reductieopgave van 0,21 Mton CO2-eq in 2030.  Het Klimaatakkoord is een inhoudelijke uitwerking van de Klimaatwet.  De Klimaatwet stelt als doel “nul emissie” voor 2050. De weg daarnaartoe en wat dat betekent voor de veenweiden moet nog uitgewerkt worden.

In het Klimaatakkoord is ook afgesproken dat de provincie de regie neemt om – samen met grondgebruikers (onder andere agrariërs), maatschappelijke actoren, bewoners en medeoverheden – per veenweidegebied te komen met een Regionale Veenweide Strategie. Deze is verder uitgewerkt in de “Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland” (die door GS is vastgesteld) en krijgt verdere uitwerking in gebieden en beleid.

Het tegengaan van broeikasgasemissies en bodemdaling door veenafbraak is geen wettelijke taak, maar pakt de provincie op vanuit een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid en rolopvatting. Daarnaast is de provincie betrokken omdat:

  • In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de provincies de regie nemen in het opstellen van Regionale Veenweide Strategieën. De provincie is die rol blijven vervullen toen deze opgave onderdeel werd van de integrale gebiedsplannen die worden opgesteld in het kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG).

  • Bodemdaling direct raakt aan eigen provinciaal belang bij aanleg en beheer van provinciale wegen en andere infrastructuur op slappe bodem.

  • Zowel bodemdaling zelf als maatregelen om deze te verminderen effect hebben op de landgebruiksfuncties en daarom een ruimtelijke afweging overwogen kan worden (of zelfs noodzakelijk is), waartoe de provincie bevoegd gezag is.

Nadere uitwerking

Onderzoek (zie “verkenning impact grondwaterpeilopzet veenweiden”, 2024) toont aan dat, om het doel reduceren broeikasgasemissies uit het veen te bereiken, het meest effectieve middel daarvoor (vooralsnog) is om de grondwaterstand te verhogen naar (minder dan) 40 cm beneden maaiveld. Dat is te bereiken door bodemvernattingsmaatregelen (zoals waterinfiltratiesystemen of greppels), eventueel in combinatie met slootwaterpeilverhoging (via peilbesluiten). Om de klimaatakkoord CO2-eq reductieopgave van 2030 te halen zijn, in delen van de veenweiden, hogere grondwaterstanden dan 40 cm onder maaiveld nodig. Andere maatregelen, zoals ‘klei in veen’, worden onderzocht, maar zijn nog onvoldoende bewezen effectief en/of onvoldoende praktisch toepasbaar om uit te rollen. Mochten in de toekomst andere maatregelen voldoende bewezen beschikbaar komen, zullen we in overleg met medeoverheden en partijen/partners bepalen of en hoe deze worden ingezet.

Het hoog(er) houden van de grondwaterstand, door grootschalige slootpeilopzet en/of aanleg van bodemvernattingsmaatregelen zoals infiltratiesystemen, levert echter ook risico’s op. Een hogere (grond)waterstand:

  • kan resulteren in extra uitspoeling van nutriënten en daardoor waterkwaliteit negatief beïnvloeden en botsen met Europese kaders voor waterkwaliteit.

  • zorgt voor minder bergingsruimte in de bodem of sloot, wat kan botsen met de provinciale omgevingswaarden voor wateroverlast. En klimaatverandering maakt dat risico groter.

  • zorgt voor een toename van de watervraag, wat kan knellen met de waterbeschikbaarheid. Het gevolg is dat er niet altijd voldoende zoetwater van goede kwaliteit beschikbaar is, ook buiten de veenweidegebieden. En klimaatverandering maakt dat risico groter

  • kan gevolgen hebben voor het huidige grondgebruik en/of -productiviteit. Het grondgebruik aanpassen aan gewijzigde (productie)omstandigheden, kan niet altijd zomaar.

De provincie gaat door met het stimuleren van/bijdragen aan het beter (wetenschappelijk onderbouwd) inzichtelijk en bespreekbaar maken bodemdaling en CO2-emissies uit veen, evenals het helpen bieden van handelingsperspectieven voor een vitale en (be)leefbare toekomst van de gebieden en mensen die het aangaat. Dit doet de provincie onder andere via het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV), het Nationale Veenweide Innovatieprogramma (VIP-NL), het Kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen (KBF), diverse livinglabs e.a.

De keuze voor de gewenste grondwaterstand en technische maatregelen is het resultaat van een afweging van doelen, belangen en technische en financiële mogelijkheden binnen een gebiedsgerichte aanpak en passend op de fysieke (bodem)kenmerken van een gebied. Een passend toekomst perspectief vinden/bieden voor boeren en andere grondeigenaren/beheerders van het landelijke gebied bij kleinere droogleggingen dan in de huidige situatie, hoort daarbij. De provincie wil het daarvoor nodige, en mogelijk in te zetten, beleid ontwikkelen: dat bestaat uit een pakket van ruimtelijke, technische, juridische en financiële instrumenten en middelen. De provincie wil dat doen samen met medeoverheden en partijen/partners, rekening houdend met ieders rol, verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Dat zal in elk geval gaan over:

  • Het opvangen van effecten op het watersysteem, zoals in elk geval op waterkwaliteit, wateroverlast, waterbeschikbaarheid en de inrichting van het watersysteem. Bijvoorbeeld door

    • voor wateroverlast een ‘veengraslandnorm’ te verkennen en eventueel mogelijk te maken.

  • Het ondersteunen van het grondgebruik/de grondgebruiker om de beweging naar een hogere grondwaterstand te kunnen maken. Onder meer door:

    • Het bieden van handvatten en aanknopingspunten om te komen tot een functietoedeling zoals bijvoorbeeld een “landgebruikscategorie veenweide bij hoog water”. Daarbij kan dan rekening worden gehouden met de bijzonderheden van de bodem (agrarische functie op bodemdalingsgevoelige grond met weinig draagkracht en hoge grondwaterstanden), om daarmee de beweging naar een hogere grondwaterstand beter te kunnen ondersteunen.

    • Het uitwerken en potentieel beschikbaar maken van een compensatie systematiek veenweiden (CSV). Daarmee kan voor agrarische veenweide(percelen) - die door verhoging van de grondwaterstand, peilopzet of uitblijven peilindexatie te maken krijgen met een (niet-voorzienbaar) productiebeperkende (grond)waterstand van 40cm-mv of minder - een “handicapvergoeding“ beschikbaar komen. Deze zal minimaal moeten compenseren voor inkomens- en opbrengstverliezen en bij voorkeur tot een blijvend verdienvermogen leidt. Bijvoorbeeld in de vorm van (tijdelijke/transitie) ha-toeslag of afwaardering.

  • Het slim benutten en stapelen van inzet en (rijks)middelen voor gebieden waar ook andere opgaven spelen die baat hebben bij een hoge grondwaterstand, zoals weidevogelgebieden of zones rondom hydrologische kwetsbare natuurgebieden of te vernatten gedraineerde agrarische veengronden (naar aanleiding van de EU-natuurherstelwet). 

  • Het bieden van tijdige beleidsmatige duidelijkheid voor zowel de korte termijn (2030) als lange termijn (2050) en de mate waarin in de toekomst moet worden geanticipeerd op maatregelen om veenoxidatie tegen te gaan.

  • De provincie gaat door met het stimuleren van/bijdragen aan onderzoek naar nieuwe technieken en maatregelen zoals ‘klei in veen’. Mochten in de toekomst deze of andere maatregelen voldoende bewezen beschikbaar komen, zullen we in overleg bepalen of en hoe deze worden ingezet.

De provincie vraagt aan de waterschappen om in hun afwegingen om te komen tot een peilbesluit in veenweidegebied, nadrukkelijk óók mee te wegen de diverse maatschappelijke functies die het watersysteem kan hebben/bedienen. Dat kan gaan over maatschappelijke functies zoals voor gronden met de opgave ‘reductie bodemdaling/CO2 emissie uit veen’, waarvoor het bewegen naar een gemiddelde zomerdroogleggingen (c.q. slootpeilbesluiten) van 40cm–mv of minder als belangrijke stap wordt gezien. Ook vraagt de provincie de waterschappen om, als uitgangspunt bij de afwegingen, te hanteren om in principe géén nieuwe onderbemalingen meer in de veenweidegebieden toe te staan en, bij actualisatie van peilbesluiten, géén slootpeilverlaging toe te passen die verder gaat dan de peilindexatie. Uit de afweging zal blijken of dit mogelijk is.

Omdat ook het scheuren van grasland, waarbij de graszoden worden omgeploegd, dan wel vernietigd, kan zorgen voor versnelde veenafbraak/oxidatie waardoor bodemdaling en emissie van CO2 optreedt, wil de provincie ook een verkenning doen naar:

  • De effecten van een verbod op het scheuren van grasland en de teelt van maïs in de veenweiden. Waarbij ook wordt onderzocht of dit verbod ten koste gaat van de biodiversiteit.

Waar synergiekansen met andere opgaven zich voordoen wil de provincie die verbinding maken. Dat kan gaan om:

  • Transitie naar een ander natter grondgebruik (voor bijvoorbeeld boerenlandvogels of in hydrologische beschermingsgebieden rond natuurgebieden), dat gepaard gaat met extensivering, biedt kansen voor synergie met stikstofreductie en de bredere transitie naar natuur inclusieve landbouw en daarmee ook voor verbetering van de waterkwaliteit en biodiversiteit.

  • Conservering (onder water) van aardkundige waarden en cultuurhistorische bodemschatten,

  • Transitie naar circulaire bouwen door de natte teelt van vezel- of houtgewassen,

  • Energietransitie door de aanleg van energielandschappen, eventueel i.c.m. waterbergingsgebied (drijvende zonnepanelen),

  • Ontwikkeling van nieuwe landschappelijke kwaliteiten.

7.3.2 Klimaatadaptatie
Wat wil de provincie bereiken?

De provincie wil de omslag naar een klimaatbestendige provincie verbinden met het gehele provinciale beleid en de praktijk. Klimaatadaptatie (je aanpassen aan het veranderende klimaat) is een thema dat vele beleidsterreinen raakt, denk aan wegennetwerk, veranderingen in de landbouw, natuur, stedelijke ontwikkeling. Op al deze terreinen zet de provincie in op de bescherming van mensen, leefomgeving en economie tegen de gevolgen van overstromingen en extreem weer. Bijvoorbeeld door het mogelijk maken van vernieuwende oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress in stedelijk gebied. En het maken van plannen voor verschillende sectoren, zodat zij zich kunnen voorbereiden en inspelen op veranderingen door klimaatverandering.

Door beleid tijdig aan te passen maken wordt er ook gebruik gemaakt van kansen om adaptieve maatregelen mee te nemen in al geplande ruimtelijke projecten of ontwikkelingen. Bijvoorbeeld die op gebied van beheer en onderhoud van eigen bezittingen als gebouwen, wegen en infrastructuur, die uiterlijk in 2050 klimaatbestendig moeten zijn. Hiermee kan geld slimmer worden ingezet en worden kosten, schade en overlast bespaard. Daarnaast geeft de provincie hierdoor het goede voorbeeld.

Aanleiding

De provincie wil tijdig en adequaat inspelen op het opwarmende klimaat. Door de mondiale opwarming stijgt de zeespiegel en worden weerpatronen beïnvloed. Hierdoor neemt in Zuid-Holland de intensiteit van neerslag toe, is sprake van een toename van het aantal hittegolven en neemt de kans op extreme droogteperiodes toe. Verder daalt de bodem en neemt de brakke kwel toe. Deze veranderingen zullen de komende decennia voor nieuwe uitdagingen zorgen.

Omgaan met de weersextremen zal onvermijdelijk ook effect hebben op de inrichting van het stedelijk en landelijk gebied. In de provincie worden veel nieuwe woningen gebouwd, de economie groeit, de landbouw is in transitie, ambitieuze landschapsparken en nieuwe infrastructuur staan op stapel. Dit heeft allemaal impact op een (gezonde) leefomgeving. Daarnaast vindt uiteraard regulier beheer en onderhoud van de ruimtelijke inrichting plaats, zoals vervanging van riolering of onderhoud van bestaande wegenstructuren. Al deze opgaven samen vergen zowel lange termijn planning als flexibiliteit om mee te bewegen met veranderende omstandigheden, ofwel ‘adaptief beleid’. Ten aanzien van klimaatadaptatie en de relatie met andere opgaven is de provinciale inzet vastgelegd in de strategie ‘Weerkrachtig Zuid-Holland’.

Ambitie/ beleidsdoel
Op (inter)nationaal niveau zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop  de provincie zichzelf moet voorbereiden op klimaatverandering. Klimaatadaptatie is onderdeel van het klimaatakkoord van Parijs en onderdeel van de Verordening voor een Europese klimaatwet. Nederland heeft bovendien een Nationale Adaptatiestrategie, en sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. In de bijbehorende deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie staat dat Nederland voor 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht moet zijn. Daartoe hebben alle overheden in Nederland afgesproken dat klimaatadaptatie uiterlijk in 2020 onderdeel uitmaakt van hun beleid(smatig handelen).

In de ontwerp-NOVI (Nationale Omgevingsvisie) is klimaatadaptatie één van de richtinggevende prioriteiten. Het rijk maakt hierin de volgende beleidskeuze: Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.

Motivering Provinciaal Belang

Klimaatadaptatie is een opgave die zich op meerdere schaalniveaus voordoet ((inter)nationaal, regionaal, lokaal) en daarom vraagt om een goede samenwerking tussen de verschillende overheden. Iedere overheid draagt bij vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid.

De provincies hebben zich gecommitteerd aan het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de Nationale Adaptatiestrategie. De provincie draagt aan het uitvoeren van deze programma’s bij vanuit haar verantwoordelijkheid voor de (regionale) ruimtelijke ordening, natuur, milieu en infrastructuur, en verbinder tussen stedelijk en landelijk gebied. De provincie Zuid- Holland werkt hierbij nauw samen met gemeenten, waterschappen en het Rijk en andere stakeholders zoals projectontwikkelaars, de bouwsector en terreinbeheerders om deze doelen te bereiken.

Nadere uitwerking

De fysieke leefomgeving wordt komende decennia zodanig ingericht dat deze de gevolgen van klimaatverandering doelmatig kan opvangen. Dit geldt voor zowel nieuwbouwontwikkelingen, alsook de fysieke leefomgeving van bestaand bebouwd gebied. Zo wordt voorkomen dat extreme weersomstandigheden leiden tot onnodige schade aan bijvoorbeeld gebouwen, infrastructuur, landbouw, natuur, en economie. Het werken aan klimaatadaptatie heeft de provincie binnen Zuid-Holland voor zes verschillende beleidsvelden uitgewerkt in de strategie ‘Weerkrachtig Zuid-Holland’:

Toekomstbestendige bebouwing:
Samen met onder meer partijen uit de bouwsector, waterschappen, gemeenten en natuurorganisaties is afgesproken dat klimaatadaptief bouwen de norm is in Zuid-Holland. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering. Daartoe is een Leidraad en Programma van Eisen klimaat adaptief bouwen opgesteld. Hierin is onder andere aandacht voor het voorkomen van wateroverlast en hittestress in de gebouwde omgeving.
Ook bestaand bebouwd gebied zal klimaatbestendig ingericht moeten worden. Met behulp van de klimaatstresstesten en risicodialogen met stakeholders bereiden overheden maatregelen in de fysieke leefomgeving voor om de gevolgen van klimaatverandering zoveel als mogelijk op te kunnen vangen en maken afspraken met private partijen om hun eigendommen/bebouwing klimaatadaptatief te maken.

Robuuste infrastructuur:
Ook bij extreme weersomstandigheden blijft onze infrastructuur optimaal inzetbaar, met minimale verkeershinder. Dat is een belangrijke voorwaarde voor het vestigingsklimaat en de economie, maar ook om adequaat te kunnen handelen bij calamiteiten. Daarnaast zien we de provinciale infrastructuur als aanjager voor adaptatie en innovatie in de regio.

Groene leefomgeving:
Zuid-Holland investeert in een gezonde, aantrekkelijke en veilige leefomgeving voor mens en natuur. Daarom zet de provincie in op kwalitatief hoogwaardig en bereikbaar groenblauw in en om de stad, ontwikkeling van nationale parken, diversiteit in landschappen en duurzame landbouw. Door klimaatverandering wint deze inzet aan urgentie: toevoegen van- en ruimte bieden aan meer groen en water zijn effectieve oplossingen in het tegengaan van wateroverlast en hittestress in met name stedelijk gebied. Vooral groepen zoals ouderen en zieken die extra kwetsbaar zijn voor hittestress kunnen daarvan profiteren.
Klimaatverandering zorgt daarnaast voor nieuwe uitdagingen. Bijvoorbeeld waar het de impact op de natuur betreft. Andere soorten dieren en planten doen hun intrede. De biodiversiteit, bijvoorbeeld de insectendiversiteit of kwetsbare gewassen, staat nog meer onder druk door onder meer droogte en verzilting. Klimaatverandering kan het behoud van sommige icoonsoorten wellicht onhoudbaar maken. Landschappen veranderen doordat andere gewassen of landbouwfuncties worden gekozen ten gunste van waterpeilstijging in bodemdalingsgevoelige gebieden. Het is de ambitie om in Zuid-Holland deze rijke groenblauwe leefomgeving maximaal te benutten in het tegengaan van en beschermen tegen de negatieve gevolgen van weersextremen.

Waardevol Water:
Nieuwe weersomstandigheden zoals langdurige droogte en hitte zetten beschikbaarheid en kwaliteit van zoet water onder druk. De beschikbaarheid van zoet water gaat veranderen door klimaatverandering en zeespiegelstijging. Het grondwater wordt zouter (interne verzilting), door zeespiegelstijging en lage rivierafvoeren komt met name in de kuststreek zout zeewater steeds verder landinwaarts, zowel in de rivieren als ondergronds (externe verzilting). Bovendien zorgt in perioden van droogte de verminderde aanvoer van rivieren en neerslag voor hogere concentraties vervuilende stoffen in het water. Als deze concentraties in het rivierwater te hoog worden, heeft dat gevolgen voor de inlaatpunten voor drinkwater of oppervlaktewater. Daarmee lopen naast drinkwater, ook functies in het achterland, zoals landbouw, nat houden van veengebieden en natuur, risico. De provincie Zuid-Holland is dan ook samen met de partners uit het Deltaprogramma zoetwater alert op ontwikkelingen die een bedreiging kunnen zijn voor het aanwezige zoetwater in Zuid-Holland.

Voldoende schoon water is een basisvoorwaarde voor een goed leefklimaat, voedselvoorziening en de regionale economie. Ook het tegengaan van bodemdaling in zowel stedelijk als landelijk gebied vraagt voldoende beschikbaarheid van water. Daarom streeft de provincie samen met haar partners naar een duurzame, klimaatbestendige watervoorziening en goede waterkwaliteit.

Een adaptieve economie:
Voor de economie geldt dat een aantrekkelijk vestigingsklimaat rand voorwaardelijk is om te kunnen floreren. Voor bedrijven geldt dat bedrijfszekerheid en continuïteit een basisvoorwaarde zijn om te kunnen functioneren. Tijdig anticiperen op de effecten en kansen van klimaatverandering is een voorwaarde voor een duurzaam en aantrekkelijk vestigingsklimaat.
De inzet van de provincie is er dan ook op gericht om de bedrijventerreinen en Greenports toekomstbestendig te maken. Onderdeel daarvan is deze voor te bereiden op de gevolgen van de klimaatverandering in de vorm van extreem weer. De Greenports bijvoorbeeld wil de provincie  voorbereiden op mogelijke perioden van hitte en droogte en daarmee gepaard gaande verzilting. Ook vanuit het oogpunt van veiligheid is tijdig anticiperen is een goed voorbereide haven van Rotterdam en andere bedrijventerreinen in de provincie van groot belang.

Veerkracht bij extremen:
Het streven is een weerbare provincie, die goed voorbereid is op het omgaan met weersextremen als gevolg van klimaatverandering en daarmee gepaard gaande potentiële calamiteiten. De provincie Zuid-Holland is samen met andere overheden en private eigenaren medeverantwoordelijk voor de vitale en kwetsbare voorzieningen op lokaal en regionaal niveau, vanwege het risico op ontwrichting bij uitval. De provincie Zuid-Holland heeft ook speciale aandacht voor de weerbaarheid van kwetsbare groepen in de samenleving, zoals voor ouderen bij perioden van hitte. Voor de vitaal en kwetsbare functies drinkwater, infrastructuur en olie en chemie zet de provincie vanuit haar verantwoordelijkheid actief in op het reduceren van de risico’s voor deze sectoren bij extreem weer.

Beleidsmatig is er een belangrijke samenhang met de beleid over woningbouw (toekomstbestendig bouwen), water (waterveiligheid en wateroverlast en mooi en schoon water), bodemdaling (beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling) en met de ambities betreffende de energietransitie. Voor de laatstgenoemde is samenhang zowel op strategisch niveau als op tactische en operationeel niveau. Op strategisch niveau zijn de opgaven gelinkt omdat zij beide het klimaat betreffen. Op tactisch en operationeel niveau speelt o.a. de toegenomen vraag naar koelte en wens om zoveel mogelijk werk met werk te combineren.

Bijlage 1 Overzicht informatieobjecten

(Bedrijventerrein met) PDV-locatie

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-36/nld@2026‑08‑26;1

Atlantikwall

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-54/nld@2026‑08‑26;1

Bedrijventerrein

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-2/nld@2026‑08‑26;1

Belangrijk weidevogelgebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-65/nld@2026‑08‑26;1

Beschermd grasland in de Bollenstreek

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-64/nld@2026‑08‑26;1

Beschermingsgebied onbebouwde ruimte

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-60/nld@2026‑08‑26;1

Bestaand stads- en dorpsgebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-59/nld@2026‑08‑26;1

Bestaand verblijfsrecreatiepark

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-70/nld@2026‑08‑26;1

Bestuurlijke afspraken wonen

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-5/nld@2026‑08‑26;1

Buijtenland van Rhoon

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-56/nld@2026‑08‑26;1

Buitengebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-15/nld@2026‑08‑26;1

Campussen en fieldlabs

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-29/nld@2026‑08‑26;1

Concessie- en contractgebied openbaar vervoer

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-2/nld@2026‑08‑26;1

De Neder-Germaanse Limes

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-43/nld@2026‑08‑26;1

Drinkwaterinfrastructuur

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-58/nld@2026‑08‑26;1

Drinkwaterproductie en -infrastructuur

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-4/nld@2026‑08‑26;1

Erfgoed (beschermen)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-5/nld@2026‑08‑26;1

Erfgoed (verbinden)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-44/nld@2026‑08‑26;1

Erfgoedlijnen

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-41/nld@2026‑08‑26;1

Externe veiligheid

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-37/nld@2026‑08‑26;1

Gebied binnen Lib-5 contour Schiphol

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-17/nld@2026‑08‑26;1

Gebied met hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-42/nld@2026‑08‑26;1

Gebied met hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde en Neder-Germaanse Limes verwachtingszone

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-6/nld@2026‑08‑26;1

Gebied voor kleine windturbines (as-hoogte tot 30 meter)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-24/nld@2026‑08‑26;1

Gebied voor middelgrote windturbines (as-hoogte tot 45 meter)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-25/nld@2026‑08‑26;1

Glastuinbouwgebied Greenport Aalsmeer

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-33/nld@2026‑08‑26;1

Glastuinbouwgebied Greenport West-Holland

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-28/nld@2026‑08‑26;1

Glastuinbouwgebied buiten Greenports

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-35/nld@2026‑08‑26;1

Greenport Boskoop

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-34/nld@2026‑08‑26;1

Greenport Duin- en Bollenstreek

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-32/nld@2026‑08‑26;1

Groenblauw netwerk

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-7/nld@2026‑08‑26;1

Groenblauwe dooradering

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-7/nld@2026‑08‑26;1

Groene buffer

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-67/nld@2026‑08‑26;1

Havenindustrieel complex

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-4/nld@2026‑08‑26;1

Historisch Haringvliet

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-50/nld@2026‑08‑26;1

Historische windmolen

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-40/nld@2026‑08‑26;1

Kansrijk weidevogelgebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-66/nld@2026‑08‑26;1

Kasteelbiotoop

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-45/nld@2026‑08‑26;1

Kernnet logistiek (SVIR)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-1/nld@2026‑08‑26;1

Klimaatrisico's voor bouwactiviteiten

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-63/nld@2026‑08‑26;1

Kroonjuweel cultureel erfgoed

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-39/nld@2026‑08‑26;1

Landgoedbiotoop

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-44/nld@2026‑08‑26;1

Landgoederenzone

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-51/nld@2026‑08‑26;1

Leiden Bio Science Park

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-37/nld@2026‑08‑26;1

Luchthaven

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-12/nld@2026‑08‑26;1

Maritieme Industrie

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-55/nld@2026‑08‑26;1

Nationaal park Biesbosch

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-1/nld@2026‑08‑26;1

Natura2000-gebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-8/nld@2026‑08‑26;1

Natuur realiseren

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-45/nld@2026‑08‑26;1

NatuurNetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-16/nld@2026‑08‑26;1

Oude Hollandse Waterlinie

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-52/nld@2026‑08‑26;1

Provinciale infrastructuur

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-19/nld@2026‑08‑26;1

Provinciale weg

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-11/nld@2026‑08‑26;1

Recreatief fietsverkeer

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-12/nld@2026‑08‑26;1

Recreatiegebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-57/nld@2026‑08‑26;1

Regionale energiestrategie (RES)

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-21/nld@2026‑08‑26;1

Rijksmonumenten en historische molens

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-42/nld@2026‑08‑26;1

Rotterdam The Hague Airport 20 Ke-contour

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-18/nld@2026‑08‑26;1

Ruimte voor ondernemen

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-14/nld@2026‑08‑26;1

Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-8/nld@2026‑08‑26;1

Stortplaats Wet milieubeheer

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-69/nld@2026‑08‑26;1

Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-20/nld@2026‑08‑26;1

Trekvaarten

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-53/nld@2026‑08‑26;1

Tuinbouw

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-3/nld@2026‑08‑26;1

Veenweiden

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-10/nld@2026‑08‑26;1

Verblijfsrecreatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-17/nld@2026‑08‑26;1

Verkenningsgebied voor warmtetracés

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-27/nld@2026‑08‑26;1

Warmtenetwerk

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-11/nld@2026‑08‑26;1

Watergebonden bedrijventerrein

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-10/nld@2026‑08‑26;1

Werelderfgoed Molens bij Kinderdijk-Elshout

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-47/nld@2026‑08‑26;1

Werelderfgoed Van Nellefabriek

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-48/nld@2026‑08‑26;1

Windenergie

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GG-13/nld@2026‑08‑26;1

Zoekgebied zon

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-9/nld@2026‑08‑26;1

Zonne-energie

/join/id/regdata/pv28/2024/3-9-GA-19/nld@2026‑08‑26;1