Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR717124
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR717124/6
Subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns 2024-2027 Fryslân
Geldend van 09-07-2026 t/m heden
Intitulé
Subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns 2024-2027 FryslânGedeputeerde Staten van Fryslân,
Gelet op het bepaalde in artikel 1.3 van de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022;
Besluiten de subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns 2024-2027 Fryslân als volgt vast te stellen:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
Asv 2022: Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022;
- b.
Bestaand maatschappelijk vastgoed: gebouwen met een publieke functie op het gebied van samenkomen, onderwijs, sport, cultuur, welzijn, opvang, religie of zorg;
- c.
Bewonersgroep: een groep van vijf of meer natuurlijke personen die wonen in de provincie Fryslân;
- d.
College: het college van gedeputeerde staten van Fryslân;
- e.
Kleine maatschappelijke initiatieven: maatschappelijke initiatieven waarvoor maximaal € 10.000,- subsidie wordt gevraagd en waarvoor maximaal € 10.000,- kan worden verkregen op grond van deze regeling;
- f.
Grote maatschappelijke initiatieven: maatschappelijke initiatieven waarvoor méér dan € 10.000,- subsidie wordt gevraagd en waarvoor maximaal € 50.000,- subsidie kan worden verkregen op grond van deze regeling;
- g.
Maatschappelijke initiatieven: initiatieven zonder winstoogmerk die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in de provincie Fryslân;
- h.
Penvoerder: persoon die deelnemer is in een bewonersgroep en door de andere deelnemers als penvoerder is aangewezen. De penvoerder fungeert onder meer als subsidieaanvrager, contactpersoon en subsidieontvanger;
- i.
Periodiek terugkerende activiteiten: activiteiten die door de subsidieaanvrager vaker dan eens in de vier jaar worden uitgevoerd;
- j.
UAsv: Uitvoeringsregeling Asv provincie Fryslân 2022.
Artikel 1.2 Gebieden
-
1. Voor het verstrekken van subsidies op grond van paragraaf 2 van deze regeling wordt de volgende gebiedsindeling gehanteerd:
- a.
Waddeneilanden: de gemeenten Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling en Vlieland;
- b.
Noordoost Fryslân: de gemeenten Noardeast-Fryslân, Dantumadiel, Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel;
- c.
Noordwest Fryslân: de gemeenten Harlingen, Waadhoeke en Leeuwarden;
- d.
Zuidwest Fryslân: de gemeenten De Fryske Marren en Súdwest-Fryslân;
- e.
Zuidoost Fryslân: de gemeenten Smallingerland, Opsterland, Weststellingwerf, Ooststellingwerf en Heerenveen;
- a.
-
2. [vervallen]
-
3. Binnen de in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, genoemde categorie wordt geen subsidie verleend voor de aankoop en aanleg van speeltoestellen op onder meer schoolpleinen en speelterreinen, met inbegrip van de daarmee samenhangende werkzaamheden.
Artikel 1.3 Adviescommissies
-
1. Het college stelt per gebied, als bedoeld in artikel 1.2, een adviescommissie in die in elk geval tot taak heeft te adviseren over de rangschikking van aanvragen.
-
2. Het college stelt voor de adviescommissies een reglement vast.
Artikel 1.4 Openstelling
-
1. Het college kan een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling. De regeling kan voor alle in artikel 1.2 genoemde gebieden tegelijk, of voor een of meerdere gebieden afzonderlijk, worden opengesteld.
-
2. Het college kan in een openstellingsbesluit nadere, of van de regeling afwijkende, regels vaststellen voor één of meerdere gebieden genoemd in artikel 1.2.
-
3. Een openstellingsbesluit bevat ten minste een aanvraagperiode en een subsidieplafond.
Artikel 1.5 Aanvraag
-
1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend binnen de in het openstellingsbesluit vastgestelde aanvraagperiode.
-
2. Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van de in dat formulier genoemde bijlagen.
Artikel 1.6 Opschortende voorwaarde
-
1. Subsidie kan worden verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat alle van overheidswege vereiste vergunningen of andere toestemmingen voor de activiteiten zijn verkregen.
-
2. Subsidie kan worden verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat de voor de activiteiten benodigde gelden zijn ontvangen, of zekerheid bestaat dat deze worden verkregen.
Artikel 1.7 Vaststelling
Bij subsidies die worden vastgesteld op basis van de werkelijke kosten en opbrengsten wordt anders dan bij de verlening niet het maximale percentage subsidie ten opzichte van de subsidiabele kosten berekend, zoals genoemd in artikelen 2.6 en 3.6, maar wordt de berekeningswijze in artikel 3.3 UAsv toegepast.
Artikel 1.8 Verantwoording en vaststelling
-
1. Bij een subsidie tot € 25.000,= wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld conform artikel 3.1, eerste lid, onder b, van de Asv.
-
2. Bij een subsidie vanaf € 25.000,= dient binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, binnen 13 weken na de uitvoering van de activiteit een aanvraag tot subsidievaststelling van de subsidieontvanger te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten.
-
3. Bij de aanvraag tot vaststelling wordt een activiteitenverslag overgelegd, waaruit blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
-
4. In afwijking van voorgaande leden kunnen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening besluiten dat de subsidie wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kosten en opbrengsten.
Paragraaf 2. Maatschappelijke initiatieven: Lyts en Grut
Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten
-
1. Het college kan subsidie verstrekken voor:
- a.
Kleine maatschappelijke initiatieven;
- b.
Grote maatschappelijke initiatieven.
- a.
-
2. Onverminderd het tweede lid wordt binnen de in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, genoemde categorie in ieder geval ook geen subsidie verleend voor de aankoop en aanleg van speeltoestellen op onder meer schoolpleinen en speelterreinen, met inbegrip van de daarmee samenhangende werkzaamheden.
Artikel 2.2 Doelgroep
-
1. Subsidie voor kleine maatschappelijke initiatieven, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, wordt uitsluitend verstrekt aan verenigingen, stichtingen, coöperaties zonder winstoogmerk, kerkgenootschappen, bewonersgroepen en Staatsbosbeheer;
-
2. Subsidie voor grote maatschappelijke initiatieven, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt aan verenigingen, stichtingen, coöperaties zonder winstoogmerk, kerkgenootschappen en Staatsbosbeheer.
Artikel 2.3 Aanvraag
-
1. In aanvulling op artikel 1.5 bevat een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf in ieder geval:
- a.
Een projectplan, met daarin in ieder geval een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en een toelichting op de mate waarin de activiteiten voldoen aan de in artikel 2.7 genoemde toetsingscriteria;
- b.
Een begroting met een overzicht van de kosten en opbrengsten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, inclusief een onderbouwing daarvan.
- a.
-
2. In geval van een bewonersgroep wijzen alle deelnemers in die groep gezamenlijk een penvoerder aan die namens hen de aanvraag indient. De aanvraag bevat een ondertekende machtiging van iedere deelnemer in de bewonersgroep, waarin de penvoerder wordt gemachtigd om mede namens die deelnemer subsidie aan te vragen.
Artikel 2.4 Subsidiabele kosten
-
1. Subsidie kan worden verstrekt voor door de subsidieontvanger te dragen kosten die rechtstreeks aan de betreffende activiteiten zijn toe te rekenen en voor de realisatie daarvan nodig zijn.
-
2. Subsidie kan worden verstrekt voor vrijwilligersuren, mits daarvoor ook daadwerkelijk kosten worden gemaakt en voor een bedrag van maximaal € 22 per uur.
Artikel 2.5 Niet subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 2.4 UAsv komen reguliere exploitatiekosten niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 2.6 Subsidiehoogte
-
1. Voor kleine maatschappelijke initiatieven, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, bedraagt de subsidie maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000.
-
2. Voor grote maatschappelijke initiatieven, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onderdeel b, bedraagt de subsidie maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 50.000.
Artikel 2.7 Verdeelsystematiek
-
1. Subsidie wordt verdeeld op basis van rangschikking van de voor subsidie in aanmerking komende aanvragen.
-
2. De voor subsidieverlening in aanmerking komende aanvragen worden door de betreffende adviescommissie per gebied, als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, getoetst aan de hand van de volgende criteria, die in de toelichting bij deze regeling nader zijn beschreven:
- a.
Mienskip: de mate waarin de activiteiten een bijdrage leveren aan de leefbaarheid binnen de Mienskip;
- b.
Draagvlak en samenwerking: de mate waarin er draagvlak voor de activiteiten bestaat binnen de Mienskip en de mate waarin wordt samengewerkt met verschillende mensen en organisaties;
- c.
Toekomstbestendigheid: de mate waarin de activiteiten een blijvend positief effect hebben op de Mienskip. Daarbij wordt ook beoordeeld of de activiteiten feitelijk en financieel uitvoerbaar zijn;
- d.
Fries en streektalen: de mate waarin bij de activiteiten gebruik wordt gemaakt van de Friese taal en/of de in het gebied gebruikte Friese streektaal.
- a.
-
3. De adviescommissie kent een aantal punten toe en motiveert hoe tot die beoordeling is gekomen. Totaal kunnen maximaal 22 punten worden toegekend, met de volgende maxima:
- a.
10 punten voor ‘Mienskip’;
- b.
5 punten voor ‘Draagvlak en samenwerking’;
- c.
5 punten voor ‘Toekomstbestendigheid’;
- d.
2 punten voor ‘Fries en streektalen’.
- a.
-
4. Aanvragen die minder dan 1 punt hebben gekregen op de in het derde lid, onderdelen c of d, genoemde criteria, of die in totaal minder dan 10 punten hebben gekregen, komen niet voor subsidie in aanmerking en maken ook geen deel uit van de rangschikking.
-
5. Het college verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking, te beginnen met de aanvraag die het hoogste aantal totale punten heeft gekregen en vervolgens met de opvolgende aanvragen.
-
6. Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die even hoog zijn gerangschikt, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door de adviescommissie.
-
7. Artikel 2.7, tweede lid, onder d, en derde lid, onder d, en het vierde lid voor zover deze ziet op het derde lid, onderdeel d, zijn niet van toepassing in het gebied “Waddeneilanden” zoals benoemd onder artikel 1.2, eerste lid onder a.
-
8. Voor zover bij aanvragen, zoals bedoeld onder artikel 1.5, Fries of streektalen geen onderdeel uitmaken van de subsidiabele projectactiviteit is het vierde lid voor zover deze ziet op het derde lid, onderdeel d, niet van toepassing.
Artikel 2.8 Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 2.4 van de Asv 2022 wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:
- a.
Geen sprake is van een subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 2.1;
- b.
De aanvraag in hoofdzaak gaat om een dorps- of buurtfeest, borrel, braderie, barbecue of daarmee gelijk te stellen activiteiten;
- c.
De activiteiten al geheel of deels zijn verricht voordat de aanvraag is ingediend;
- d.
Voor dezelfde activiteiten reeds een andere provinciale subsidie is verstrekt;
- e.
De subsidieaanvraag niet het in artikel 2.7, vierde lid, genoemde minimale aantal punten heeft gekregen;
- f.
en voor zover, de aanvraag periodiek terugkerende activiteiten betreft.
Artikel 2.9 Verplichtingen subsidieontvanger
-
1. Onverminderd de voorwaarden en verplichtingen in Paragraaf 2.4 van de Asv 2022 en Paragraaf 2.4 van de UAsv, is de subsidieontvanger verplicht om de gesubsidieerde activiteiten binnen 24 maanden na de datum van subsidieverstrekking uit te voeren.
-
2. Op gemotiveerd schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger kan de in het eerste lid genoemde termijn eenmaal voor maximaal 12 maanden worden verlengd.
-
3. Het college kan in de subsidiebeschikking ook andere verplichtingen opleggen, waaronder een instandhoudingsverplichting en een onderhoudsverplichting.
Paragraaf 3. Ferduorsumjen Mienskipsgebouwen
[vervallen]
Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten
[vervallen]
Artikel 3.2 Doelgroep
[vervallen]
Artikel 3.3 Aanvraag
[vervallen]
Artikel 3.4 Subsidiabele kosten
[vervallen]
Artikel 3.5 Niet subsidiabele kosten
[vervallen]
Artikel 3.6 Subsidiehoogte
[vervallen]
Artikel 3.7 Verdeelsystematiek
[vervallen]
Artikel 3.8 Weigeringsgronden
[vervallen]
Artikel 3.9 Verplichtingen subsidieontvanger
[vervallen]
Paragraaf 4. Slotbepalingen
Artikel 4.1 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking in het Provinciaal Blad.
Artikel 4.2 Overgangsrecht
-
1. De Subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns Fryslân 2020 wordt ingetrokken.
-
2. De Subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns Fryslân 2020 blijft van kracht voor subsidies die op basis van die subsidieregeling zijn aangevraagd of verstrekt.
Artikel 4.3 Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Iepen Mienskipsfûns 2024-2027.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten op 12 maart 2024 te Leeuwarden,
Drs. A.A.M. Brok, voorzitter
Drs. Ing. J.J. Algra , secretaris
Toelichting lepen Mienskipsfûns 2024-2027
Paragraaf 2. Maatschappelijke initiatieven: Lyts en Grut
Artikel 1.6 Opschortende voorwaarde
Het college vindt het niet wenselijk dat er onzekerheid bestaat over de vraag of de activiteiten wel uitgevoerd kunnen worden. Als de uitvoering van de activiteiten afhankelijk is van een vergunning of andere toestemming, kan aan de subsidie de voorwaarde worden verbonden dat de subsidie pas verleend wordt als die vergunning of toestemming is verkregen. De subsidieontvanger moet dat aantonen. Daarnaast kan het zijn dat een aanvrager in zijn begroting inkomsten opvoert die feitelijk nog niet zijn ontvangen en waarvan ook nog niet vaststaat dat die zullen worden verkregen. Gedacht kan worden aan een subsidie die is aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, maar waarop nog geen besluit is genomen. Ook kan gedacht worden aan een onzekere financiering of (andere) onzekere bijdrage van derden. In die gevallen kan het college ook besluiten de subsidie te verlenen onder opschortende voorwaarde dat de voor de activiteiten benodigde gelden daadwerkelijk zijn ontvangen, of zekerheid bestaat dat deze worden verkregen. De subsidieontvanger moet in dat geval aantonen dat hij de gelden heeft ontvangen of dat hij die met zekerheid zal ontvangen. Dat laatste kan bijvoorbeeld door een afschrift van een (later verkregen) subsidiebeschikking van het andere bestuursorgaan toe te sturen, waaruit volgt dat de subsidie voor het project is verleend. Ook kan bijvoorbeeld een verklaring van de geldschieter worden overgelegd, waaruit blijkt dat de aanvrager de in de begroting opgevoerde middelen onvoorwaardelijk zal ontvangen.
Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten
Deze subsidieregeling is bedoeld voor maatschappelijke initiatieven: initiatieven zonder winstoogmerk die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in Fryslân. De regeling maakt onderscheid tussen kleine maatschappelijke initiatieven (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a), waarvoor maximaal € 10.000,- subsidie kan worden verkregen, en grote maatschappelijke initiatieven (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b), waarvoor maximaal € 50.000,- subsidie kan worden verkregen.
De subsidieaanvraag is leidend voor de vraag of sprake is van een klein of groot maatschappelijk initiatief. Als een subsidieaanvrager € 10.000,- of minder subsidie aanvraagt, valt de aanvraag in de categorie kleine maatschappelijke initiatieven. Vraagt een subsidieaanvrager meer dan € 10.000,- subsidie aan, dan valt de aanvraag in de categorie grote maatschappelijke initiatieven. De aangevraagde activiteiten moeten uiteraard nog wel ook als maatschappelijk initiatief – initiatief zonder winstoogmerk die een bijdrage levert aan de leefbaarheid in Fryslân – kwalificeren om voor subsidie in aanmerking te komen.
Artikel 2.2 Doelgroep
Uit dit artikel blijkt dat uitsluitend subsidie wordt verstrekt aan verenigingen, stichtingen, coöperaties zonder winstoogmerk, kerkgenootschappen en Staatsbosbeheer. Voor de kleine maatschappelijke initiatieven geldt aanvullend dat ook subsidie kan worden verstrekt aan een bewonersgroep (groep van vijf of meer natuurlijke personen die wonen in de provincie Fryslân). Bewonersgroepen moeten in hun middel wel een penvoerder aanwijzen, die namens alle deelnemers subsidie aanvraagt. Daartoe moeten de deelnemers de penvoerder ook machtigen. De penvoerder fungeert vervolgens niet alleen als aanvrager, maar ook als contactpersoon en subsidieontvanger.
Kerkgenootschappen zijn een afzonderlijke categorie rechtspersonen die ook als zodanig in het Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen (artikel 2:2, eerste lid, BW). Datzelfde geldt voor verenigingen, stichtingen en coöperaties (artikel 2:3 BW). Religieuze organisaties die geen ‘kerkgenootschap’ zijn, vallen doorgaans onder een van de andere rechtsvormen die ook binnen de doelgroep vallen.
Onder de doelgroep vallen niet alle coöperaties, maar enkel coöperaties zonder winstoogmerk. Coöperaties zonder winstoogmerk zijn coöperaties die het doen van winstuitkeringen aan haar leden heeft uitgesloten in haar statuten.
Artikel 2.5 Niet subsidiabele kosten
Uit artikel 2.4, eerste lid, volgt dat alleen subsidie kan worden verstrekt voor kosten die rechtstreeks aan de betreffende activiteiten zijn toe te rekenen en voor de realisatie daarvan nodig zijn. Andere kosten komen niet voor subsidie in aanmerking.
In aanvulling daarop is in dit artikel bepaald dat, naast in artikel 2.4 UAsv bedoelde kosten, geen subsidie wordt verstrekt voor reguliere exploitatiekosten van de subsidieaanvrager. Daaronder wordt verstaan de kosten die periodiek terugkeren en/of behoren tot de normale bedrijfsvoering. Gedacht kan worden aan kosten van huisvesting, huur- en verzekeringskosten, energielasten, kosten voor regulier (klein) onderhoud, afschrijvingen, belastingen of kosten voor beheer van gebouwen.
In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden uitgewerkt over wat wel of niet onder reguliere exploitatiekosten wordt verstaan.
|
Reguliere exploitatiekosten |
Geen reguliere exploitatiekosten |
|
Gasrekening dorpshuis |
Nieuw meubilair dorpshuis |
|
Jaarlijks onderhoud cv ketel |
Aanschaf nieuwe cv ketel |
|
Kosten van snoei- en oogstwerkzaamheden |
Aanleg voedseltuin |
|
Beheer en abonnementskosten van een dorpsapp na de opstartfase (na de eerste twee jaar) |
Beheer en abonnementskosten van de opstart van de dorpsapp (de eerste twee jaar) |
Artikel 2.7 Verdeelsystematiek
De adviescommissie beoordeelt de verschillende aanvragen aan de hand van de in het tweede lid van dit artikel genoemde criteria. Per criterium kent de beoordelingscommissie een aantal punten toe, conform onderstaande tabel:
|
Criterium: |
Mienskip |
Draagvlak en samenwerking |
Toekomst-bestendigheid |
|
punten |
punten |
punten |
|
|
Het project draagt niet bij aan dit criterium |
0 |
0 |
0 |
|
Het project voldoet in zeer geringe mate aan het criterium |
2 |
1 |
1 |
|
Het project voldoet in geringe mate aan het criterium |
4 |
2 |
2 |
|
Het project voldoet in gemiddelde mate aan het criterium |
6 |
3 |
3 |
|
Het project voldoet in ruime mate aan het criterium |
8 |
4 |
4 |
|
Het project voldoet in zeer ruime mate aan het criterium |
10 |
5 |
5 |
|
Criterium: |
Fries en streektalen |
|
|
|
punten |
|||
|
Het project draagt niet bij aan het criterium |
0 |
||
|
Bij de uitvoering van het project wordt het Fries en/of streektalen zichtbaar gebruikt |
1 |
||
|
Het project draagt bovengemiddeld bij aan de zichtbaarheid van het Fries en/of de in het gebied gebruikte Friese streektaal |
2 |
||
Hieronder worden de verschillende toetsingscriteria afzonderlijk nader toegelicht.
Mienskip
De regeling is gericht op initiatieven die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in Fryslân. Bij dit criterium wordt daarom beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, het aangevraagde initiatief een positieve bijdrage levert aan de Mienskip. Elke straat, buurt, wijk, dorp of regio heeft haar eigen uitdagingen en behoeften. Een project kan bijvoorbeeld een sociaal doel hebben, een positief effect hebben op de omgeving of bijdragen aan een duurzamere wereld.
Bij dit criterium is met name belangrijk dat activiteiten die slechts ten goede komen aan één of enkele inwoners, niet voor subsidie in aanmerking komen omdat het effect daarvan op de leefbaarheid binnen de mienskip te beperkt is. Zo komt een aanvraag van enkele bewoners die hun eigen tuin willen vergroenen, of een elektrische auto voor privédoeleinden willen aanschaffen, niet voor subsidie in aanmerking. Dergelijke activiteiten hebben niet alleen een klein bereik, maar dragen bovenal niet bij aan de leefbaarheid binnen de mienskip.
Draagvlak en samenwerking
Van belang is dat voldoende draagvlak bestaat voor de activiteiten bij de mensen die met de activiteiten te maken (kunnen) krijgen. Omdat niet in elk gebied dezelfde behoefte bestaat, is het van belang om in kaart te brengen of de voorgenomen activiteiten wel op steun kunnen rekenen bij degenen die binnen het bereik van die activiteiten vallen. Een activiteit waar inwoners helemaal niet op zitten te wachten, brengt geen meerwaarde voor de mienskip. Van de aanvrager wordt daarom verwacht dat hij in kaart brengt in hoeverre zijn voorgenomen activiteiten kunnen rekenen op draagvlak. De subsidieaanvraag moet inzicht geven in hoe groot het draagvlak is. Als uitgangspunt geldt: hoe groter het draagvlak is, hoe beter.
Naast draagvlak wordt bij dit criterium ook getoetst of, en zo ja, in hoeverre, bij de organisatie en uitvoering van de activiteiten wordt samengewerkt met andere personen en/of organisaties. Het college wil stimuleren dat activiteiten niet alleen voor, maar ook dóór de mienskip worden uitgevoerd. Samenwerking draagt bij aan een breder draagvlak en een groter gevoel van saamhorigheid binnen, en verbondenheid met, de mienskip. De subsidieaanvraag moet daarom ook inzicht bieden in de mate van samenwerking. In dat kader kan bijvoorbeeld worden aangegeven hoeveel vrijwilligers meewerken aan het project en wat hun bijdrage is.
Toekomstbestendigheid
Bij toekomstbestendigheid wordt getoetst in hoeverre het project een langdurig positief effect heeft op/in de Mienskip en hoe dat effect voor de lange termijn geborgd is. Uitgangspunt is dat een activiteit die slechts een kortdurend effect heeft op minder punten kan rekenen dan een activiteit die een langdurige of zelfs blijvende meerwaarde heeft voor de mienskip.
Bij dit onderdeel wordt ook beoordeeld of de activiteiten feitelijk en financieel uitvoerbaar zijn. Als voor het verrichten van de activiteiten bijvoorbeeld een vergunning, ontheffing of (andere) toestemming nodig is van een derde, en duidelijk is dat die niet zal worden verkregen, dan is de activiteit feitelijk niet uitvoerbaar. Datzelfde geldt bijvoorbeeld als de organisatie zodanig gebrekkig is, dan dit aan de feitelijke uitvoering in de weg staat.
Uit de begroting moet blijken of de activiteiten financieel uitvoerbaar zijn. Als sprake is van een begrotingstekort, moet worden gemotiveerd dat een dergelijk tekort wordt opgelost, althans niet in de weg staat aan de financiële uitvoerbaarheid van de activiteiten. Als blijkt dat het tekort wel aan uitvoering in de weg staat, of er andere financiële belemmeringen zijn voor uitvoering, leidt dat tot de conclusie dat de activiteiten financieel niet uitvoerbaar zijn.
Activiteiten die feitelijk en/of financieel niet uitvoerbaar zijn, zijn vanzelfsprekend ook niet toekomstbestendig en kunnen daarom geen punten krijgen op dit onderdeel. Dat betekent automatisch ook dat die activiteiten op grond van het vierde lid geen onderdeel uitmaken van de rangschikking en de subsidie op grond van artikel 2.8, onderdeel d, wordt geweigerd.
Fries en streektalen
Tot slot wordt waarde gehecht aan het gebruik van de Friese taal en Friese streektalen. Bij dit laatste criterium wordt daarom beoordeeld of, en zo ja in welke mate, bij de activiteiten gebruik wordt gemaakt van die Friese taal of streektaal. In de aanvraag moet daarover duidelijkheid worden verschaft.
Er moet ten minste in enige mate sprake zijn van zichtbaar gebruik van Friese taal of streektaal. Als dat niet zo is, krijgt een aanvraag op dit onderdeel in principe geen punten toegekend. Dat betekent automatisch ook dat die activiteiten op grond van het vierde lid geen onderdeel uitmaken van de rangschikking en de subsidie op grond van artikel 2.8, onderdeel d, wordt geweigerd. Dat is alleen anders, als de aanvrager kan aantonen dat de activiteiten worden uitgevoerd op een locatie waar niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van het Fries of een Friese streektaal, of de aanvrager anderszins kan motiveren waarom de activiteiten zich niet lenen voor het gebruik van het Fries of een Friese streektaal. In dat geval kan de aanvraag op dit onderdeel (toch) maximaal 1 punt krijgen.
Artikel 2.8 Weigeringsgronden
In onderdeel b is bepaald dat subsidie wordt geweigerd als de aanvraag in hoofdzaak gaat om een dorps- of buurtfeest, borrel, braderie, barbecue of daarmee gelijk te stellen activiteiten. In de kern vallen deze activiteiten te zien als maatschappelijke initiatieven, echter het IMF is niet bedoeld om allerlei lokale feesten mogelijk te maken. Als een aanvraag in hoofdzaak daarover gaat wordt het geweigerd.
Een afsluitende borrel voor de vrijwilligers die aan de maatschappelijke initiatieven hebben meegewerkt, of een buurtfeest als kleine activiteit binnen een veel breder scala aan activiteiten of de feestelijke opening van bijvoorbeeld een met subsidie aangelegd kaatsveld wordt wel passend geacht en daarom ook mee gesubsidieerd.
In onderdeel c is bepaald dat subsidie wordt geweigerd als de activiteiten al geheel of deels zijn verricht voordat de aanvraag is ingediend. Dit betekent dat er wel kosten gemaakt mogen worden vóór indiening van de aanvraag. Met het geheel of deels verricht zijn van de activiteiten wordt bedoeld dat bijvoorbeeld het evenement nog niet plaatsgevonden mag hebben of (een gedeelte van) de speeltuin (alleen subsidiabel in de categorie kleine maatschappelijke initiatieven) nog niet gerealiseerd mag zijn. Speeltoestellen mogen dus wel al aangeschaft zijn, maar ze mogen nog niet geplaatst zijn.
Onderdeel d wordt beperkt uitgelegd. Hier staat dat subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteiten reeds een provinciale subsidie is verstrekt. Het gaat er dan om dat er al subsidie voor de concrete activiteiten is verstrekt. Dus bij een festival, voor de daadwerkelijke editie waar subsidie voor wordt gevraagd. Ook is deze weigeringsgrond niet van toepassing als er subsidie wordt gevraagd voor een vernieuwing binnen een bestaande activiteit waar al een andere provinciale subsidie voor de bestaande activiteit is verkregen. De vernieuwing wordt als andere of nieuwe activiteit beschouwd. Verder geldt dat als de aanvrager een provinciale exploitatie- of instandhoudingssubsidie krijgt, dit niet in de weg staat aan subsidie vanuit het IMF en deze weigeringsgrond dus niet van toepassing is.
In onderdeel f is bepaald dat subsidie wordt geweigerd indien en voor zover de aanvraag periodiek terugkerende activiteiten betreft. Dat zijn activiteiten die door de subsidieaanvrager vaker dan eens in de vier jaar worden uitgevoerd. Bij de beoordeling hiervan is het niet relevant dat de activiteiten nog niet in Fryslân of nog niet in een specifiek gebied (zoals bedoeld in artikel 1.2) hebben plaatsgevonden. Ook als de subsidieaanvrager deze activiteiten elders heeft uitgevoerd, is er sprake van periodiek terugkerende activiteiten.
Ook aanvragers die bijvoorbeeld jaarlijks een gelijksoortig festival, een optocht of (sport)evenement, concert of voorstelling organiseren, komen niet voor subsidie in aanmerking. Activiteiten die periodiek terugkeren worden geacht ook zonder IMF-subsidie te kunnen (voort)bestaan.
Het feit dat er elk jaar sprake is van een ander thema, toneelstuk of gewerkt wordt met andere muzikanten, componisten et cetera betekent niet dat er sprake is van nieuwe activiteiten. Voor extra activiteiten in verband met jubilea kan alleen subsidie worden aangevraagd als het een 25 jarig jubileum of veelvoud daarvan betreft.
Voor vernieuwingen binnen bestaande activiteiten kan wel een aanvraag worden ingediend. Daarbij moet in de aanvraag, begroting en dekking evident blijken welk onderdeel nieuw is en welke kosten daarmee annex zijn. De subsidieontvanger doet dit door de volledige begroting van de bestaande activiteit in te dienen, met daarin gemarkeerd, of afzonderlijk in een tweede begroting weergegeven, de nieuwe activiteiten. Na het indienen van de aanvraag kan vanwege de systematiek van de tenderprocedure geen aanvullende informatie worden opgevraagd om de aanvraag nader te duiden. Blijkt het vernieuwende element niet duidelijk uit de aanvraag dan wordt de aanvraag geweigerd als zijnde periodiek terugkerende activiteiten.
In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden uitgewerkt over wat wel of niet onder periodiek terugkerende activiteiten wordt verstaan.
|
Periodiek terugkerende activiteiten |
Geen periodiek terugkerende activiteiten |
|
Jaarlijks terugkerend evenement |
Pilot editie van een nieuw evenement |
|
Om het jaar organiseren van een iepenloftspul met elke editie een ander onderwerp |
50 jarig jubileum van een dorpsbelang |
|
Periodiek organiseren van concerten |
Aanschaf podium voor dorpsfeesten |
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl