Ruimtelijk Profiel Metro

Geldend van 29-12-2023 t/m heden

Intitulé

Ruimtelijk Profiel Metro

Gelet op de Wet lokaal spoor artikel 12

Overwegingen

  • Op basis van artikel 12 van de Wet lokaal spoor in werking getreden op 1 december 2015, dient het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een vergunning te verlenen voor het op, in, boven, naast of onder de lokale spoorweginfrastructuur uitvoeren of doen uitvoeren van werkzaamheden of het plaatsen van zaken, voor zover dit voortvloeit uit het door het dagelijks bestuur vastgestelde ruimtelijk profiel.

  • Bij besluit van 9 november 2015 heeft de Dienst Metro en tram van de gemeente Amsterdam het ruimtelijk profiel tram voor het concessiegebied Amsterdam ambtelijk vastgesteld.

  • Deze bevoegdheden waren van 1 december 2015 tot 1 januari 2022 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.

  • In het kader van de nieuwe governance heeft het dagelijks bestuur met ingang van 1 januari 2022 het delegatiebesluit aan het college, waardoor het dagelijks bestuur sindsdien weer volledig het bevoegd gezag is op grond van de Wet lokaal spoor.

  • Het Ruimtelijk profiel tram, zoals vastgesteld door de Dienst Metro en Tram, met ingang van 1 januari 2022 is voortgezet en is geplaatst op de website van GVB, omdat GVB Infra B.V. sindsdien in mandaat namens het dagelijks bestuur de betreffende vergunningen verleent.

  • Het Ruimtelijk profiel tram, zoals vastgesteld door de Dienst Metro en Tram is niet officieel vastgesteld en bekendgemaakt door het college. Vanwege de aankomende inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 en het bijbehorende overgangsrecht, dient het dagelijks bestuur vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet het ruimtelijk profiel tram vast te stellen en bekend te maken, onder intrekking van het ruimtelijk profiel zoals vastgesteld door de Dienst Metro en Tram.

Besluit

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

artikel 1 Begrippenlijst

Beheerder

Beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18, lid 1, van de Wet lokaal spoor, zijnde GVB Infra B.V

Metroveiligheidsgebied

Gebied rond de metro-infrastructuur waar altijd stringente veiligheidsrichtlijnen van kracht zijn, onder andere vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke onder spanning staande delen (spanningsrail en bovenleiding).

Ruimtelijk profiel

Beschrijving van de ruimtelijke begrenzing van een gebied, in dit geval rond de tram- infrastructuur, waarbinnen een (omgevings)vergunning benodigd is, als bedoeld in de Wet lokaal spoor en vanaf 1 januari 2024 de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving.

artikel 2 Afkortingen

BS Bovenkant spoorstaaf

HS Hart spoor

MSA Metrospoor Amsterdam

RP(V) Ruimtelijk profiel (vergunningen)

Wls Wet lokaal spoor

Hoofdstuk 2. Inleiding en wettelijk kader

Afdeling 2.1 Inleiding

artikel 2.1.1 ruimtelijk profiel

Om vast te kunnen stellen of werkzaamheden of zaken zich op, in, boven of naast de lokale spoorweginfrastructuur bevinden, of in de nabijheid daarvan, zijn twee ruimtelijke profielen vastgesteld: voor de metro- en voor de traminfrastructuur.

artikel 2.1.2 uitbreiding ruimtelijk profiel

Voor alle werkzaamheden die binnen het ruimtelijk profiel plaatsvinden is een vergunning nodig. Zie voor de opbouw van het ruimtelijk profiel hoofdstuk 3.

Artikel 2.1.3 Werkzaamheden beheerder

Hoewel geen vergunning is vereist voor werkzaamheden van, of in opdracht van, de beheerder gelden ook hiervoor gelijkluidende voorwaarden om veiligheid en doelmatig gebruik te kunnen waarborgen.

Afdeling 2.2 Aanvraag van een vergunningen

artikel 2.2.1 mandaat GVB Infra

Een vergunning voor het werken of plaatsen op, in, boven, naast of onder de lokale spoorweginfrastructuur kan worden aangevraagd bij het dagelijks bestuur van de Vervoerregio. Het dagelijks bestuur heeft de uitvoering van deze taak gemandateerd aan GVB Infra, die sinds 1 januari 2022 de beheerder is. Bij de aanvraag zal het ruimtelijk profiel zoals beschreven in dit document worden gehanteerd.

artikel 2.3.2 vorm van de vergunning

De vergunning wordt verleend per brief, digitaal ondertekend en per email verzonden.

Afdeling 2.4 Omgevingswet

artikel 2.4.1 beperkingengebied

Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Wat nu het ruimtelijk profiel heet, wordt dan het ‘beperkingengebied’ genoemd. Het door het dagelijks bestuur vastgestelde ruimtelijk profiel wordt op basis van het overgangsrecht Omgevingswet vanzelf het beperkingengebied. De grondslag verandert maar de uitvoering niet.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk profiel metro

Afdeling 3.1 Algemeen

artikel 3.1.1 het begrip metro

Onder de metro wordt hier verstaan: alle ondergrondse en bovengrondse railinfrastructuur binnen de Vervoerregio Amsterdam waarin of waarop metrosporen zijn gelegen waarover de metrovoertuigen rijden, inclusief toeleidende sporen ten behoeve van remises en werkplaatsen. Ook de ondergrondse en bovengrondse metrostations maken deel uit van de metro.

artikel 3.1.2 ruimtelijk profiel

De ruimtelijke positie van de metro en van de metrosporen varieert sterk in breedte, hoogte en diepte, ze kunnen gelegen zijn:

  • boven maaiveld, op dijklichaam of viaduct;

  • in ingraving, beneden maaiveld;

  • op maaiveld;

  • in tunnel.

artikel 3.1.3 van toepassing zijnde werkzaamheden

De werkzaamheden waarop dit ruimtelijk profiel van toepassing is, zijn:

  • alle grondroerende werkzaamheden in de nabijheid van de metrobaan;

  • doorpersingen en boringen;

  • bronbemalingen;

  • hijswerkzaamheden;

  • het leggen van drukleidingen;

  • overige werkzaamheden in de nabijheid van de metrobaan.

Afdeling 3.2 Opbouw ruimtelijk profiel metro

artikel 3.2.1 vergunningsplicht

Voor alle werkzaamheden die plaatsvinden binnen het metroveiligheidsgebied is een vergunning vereist. Het metroveiligheidsgebied wordt in het algemeen bovengronds begrensd door hekwerken dan wel baanafscheidingen. Ondergronds wordt het metroveiligheidsgebied bepaald door de geografische positie van tunnelbuizen en ondergrondse stations.

artikel 3.2.2 Overzicht metronet

De ligging van de metrosporen is weergegeven op een kaart die te zien is op de websites van de Vervoerregio en van GVB. Deze kaart wordt jaarlijks ingaande 1 januari aangepast aan de daadwerkelijke situatie.

Afdeling 3.3 Uitleg ruimtelijk profiel

artikel 3.3.1 metrospoor op dijklichaam (boven maaiveld)

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3: Ruimtelijk profiel voor vergunningen bij metrospoor op dijklichaam (boven maaiveld).

Indien de metrosporen op een dijklichaam (boven maaiveld) zijn gelegen dan is vergunning dan wel toestemming vereist voor:

  • 1.

    alle werkzaamheden binnen het metroveiligheidsgebied;

  • 2.

    alle werkzaamheden die binnen een afstand van X meter (figuur 1) uit de teen van het talud, oftewel het punt waar het dijklichaam het maaiveld raakt, plaatsvinden, waarbij voor de afstand X geldt:

    • a.

      8 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand; en

    • b.

      20 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 3.

    alle grondroerende werkzaamheden die binnen een afstand van Y meter (figuur 1) uit de teen van het talud, oftewel het punt waar het dijklichaam het maaiveld raakt, plaatsvinden en de druklijn(en) van het dijklichaam kruisen, waarbij voor de afstand Y geldt:

    • a.

      30 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand; en

    • b.

      50 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 4.

    alle hijswerkzaamheden waarbij:

    • a.

      de metrosporen binnen het valbereik van een hijsinstrument, zoals maar niet beperkt tot een (toren)kraan, vallen;

    • b.

      hijsbewegingen over de metrosporen kunnen plaatsvinden.

  • 5.

    alle ondergrondse werkzaamheden zoals, maar niet beperkt tot, doorpersingen en boringen, die het metroveiligheidsgebied kruisen.

  • 6.

    bronbemaling binnen een afstand van 100 meter uit de teen van het talud, oftewel het punt waar het dijklichaam het maaiveld raakt.

artikel 3.3.2 metrospoor in ingraving (beneden maaiveld)

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4: Ruimtelijk profiel voor vergunningen bij metrospoor in ingraving (beneden Maaiveld).

Indien de metrosporen in een ingraving (beneden maaiveld) zijn gelegen dan is vergunning dan wel toestemming vereist voor:

  • 1.

    alle werkzaamheden binnen het metroveiligheidsgebied;

  • 2.

    alle werkzaamheden binnen een afstand van X meter (figuur 2) uit de bovenlijn of top van de ingraving, oftewel het punt waar het talud van de ingraving het maaiveld raakt, plaatsvinden, waarbij voor de afstand X geldt:

    • a.

      8 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand;

    • b.

      20 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 3.

    alle grondroerende werkzaamheden die binnen een afstand van Y meter (figuur 2) uit de bovenlijn/top van de ingraving, oftewel het punt waar het talud van de ingraving het maaiveld raakt, plaatsvinden en de druklijn(en) van de bovenlijn/top van de ingraving kruisen, waarbij voor de afstand Y geldt:

    • a.

      30 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand;

    • b.

      50 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 4.

    alle hijswerkzaamheden waarbij:

    • a.

      de metrosporen binnen het valbereik van een hijsinstrument, zoals maar niet beperkt tot een (toren)kraan, vallen; en/of

    • b.

      hijsbewegingen over de metrosporen kunnen plaatsvinden.

  • 5.

    alle ondergrondse werkzaamheden zoals, maar niet beperkt tot, doorpersingen en boringen, die het metroveiligheidsgebied kruisen.

  • 6.

    bronbemaling binnen een afstand van 100 meter uit de bovenlijn / top van de ingraving, oftewel het punt waar het talud van de ingraving het maaiveld raakt.

artikel 3.3.3 metrospoor op maaiveld

afbeelding binnen de regeling

Figuur 5: Ruimtelijk profiel voor vergunningen bij metrospoor op maaiveld.

Indien de metrosporen op maaiveld zijn gelegen dan is vergunning dan wel toestemming vereist voor:

  • 1.

    alle werkzaamheden binnen het metroveiligheidsgebied;

  • 2.

    alle werkzaamheden die binnen een afstand van X meter (figuur 3) uit hart spoor van het naastgelegen metrospoor plaatsvinden, waarbij voor afstand X geldt:

    • a.

      8 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand;

    • b.

      20 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 3.

    alle grondroerende werkzaamheden die binnen een afstand van Y meter (figuur 3) uit hart spoor van het naastgelegen metrospoor plaatsvinden en de druklijn(en) van spoorconstructie/bovenbouwconstructie kruisen, waarbij voor afstand Y geldt:

    • a.

      30 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand; en

    • b.

      50 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 4.

    alle hijswerkzaamheden waarbij:

    • a.

      de metrosporen binnen het valbereik van een hijsinstrument, zoals maar niet beperkt tot een (toren)kraan, vallen;

    • b.

      hijsbewegingen over de metrosporen kunnen plaatsvinden.

  • 5.

    alle ondergrondse werkzaamheden zoals, maar niet beperkt tot, doorpersingen en boringen, die het metroveiligheidsgebied kruisen.

  • 6.

    bronbemaling binnen een afstand van 100 meter uit de bovenlijn / top van de ingraving, oftewel het punt waar het talud van de ingraving het maaiveld raakt.

artikel 3.3.4 metrospoor in tunnel

afbeelding binnen de regeling

Figuur 6: Ruimtelijk profiel voor vergunningen bij metrospoor in tunnel.

Indien de metrosporen in een tunnel zijn gelegen dan is vergunning dan wel toestemming vereist voor:

  • 1.

    alle werkzaamheden binnen het metroveiligheidsgebied;

  • 2.

    alle grondroerende werkzaamheden die bovenop de tunnel(-constructie) en/of binnen een afstand van X meter (figuur 4) uit buitenzijde/-kant van de tunnel(-constructie) plaatsvinden, waarbij voor afstand X geldt:

    • a.

      8 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand;

    • b.

      20 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 3.

    alle grondroerende werkzaamheden die binnen een afstand van Y meter (figuur 4) uit de buitenzijde/-kant van de tunnel(-constructie) plaatsvinden en de druklijn(en) van tunnel(-constructie) kruisen, waarbij voor afstand Y geldt:

    • a.

      30 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand;

    • b.

      50 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 4.

    alle ondergrondse werkzaamheden zoals, maar niet beperkt tot, doorpersingen en boringen, die het metro veiligheidsgebied kruisen.

  • 5.

    bronbemaling binnen een afstand van 100 meter uit de bovenlijn of top van de tunnel, oftewel het punt waar het talud van de ingraving het maaiveld raakt.

artikel 3.3.5 metrospoor op spoorviaducten

afbeelding binnen de regeling

Figuur 7: Ruimtelijk profiel voor vergunningen bij metrospoor op spoorviaducten.

Indien de metrosporen op een spoorviaduct zijn gelegen dan is vergunning dan wel toestemming vereist voor:

  • 1.

    alle werkzaamheden binnen het metroveiligheidsgebied en in het gehele gebied tussen de landhoofden en eventueel aanwezige steunkolommen onder het spoorviaduct;

  • 2.

    alle werkzaamheden die binnen een afstand van X meter van de buitenzijde/-kant van de spoorviaductconstructie plaatsvinden, waarbij voor de afstand X geldt:

    • a.

      8 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand; en

    • b.

      20 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 3.

    alle grondroerende werkzaamheden die binnen een afstand van Y meter van de buitenzijde/-kant van de spoorviaductconstructie plaatsvinden en de druklijn(en) van de landhoofden (figuur 5) en eventueel aanwezige steunkolommen kruisen, waarbij voor de afstand Y geldt:

    • a.

      30 meter bij recht spoor oftewel metrospoor in rechtstand; en

    • b.

      50 meter bij bogen oftewel metrospoor gelegen in bogen.

  • 4.

    alle hijswerkzaamheden waarbij:

    • a.

      de metrosporen binnen het valbereik van een hijsinstrument, zoals maar niet beperkt tot een (toren)kraan, vallen;

    • b.

      hijsbewegingen over de metrosporen kunnen plaatsvinden.

  • 5.

    alle ondergrondse werkzaamheden zoals, maar niet beperkt tot, doorpersingen en boringen, die het metroveiligheidsgebied kruisen.

  • 6.

    bronbemaling binnen een afstand van 100 meter van de buitenzijde/-kant van de spoorviaductconstructie.

Afdeling 3.4 Uitbreiding ruimtelijk profiel

artikel 3.4.1 toegangs- en ontvluchtingsroutes metrostations en -tunnels

Voor alle werkzaamheden in een straal van 100 meter rond de toegangs- en ontvluchtingsroutes van de metrostations en -tunnels waarbij de vrije doorloop van personen op enigerlei wijze wordt beperkt, is vergunning dan wel toestemming vereist.

artikel 3.4.2 werken boven het ruimtelijk profiel

Indien werkzaamheden worden uitgevoerd die buiten de in de voorgaande paragrafen genoemde ruimtelijk profielen vallen maar wel een gevaar kunnen vormen dient contact opgenomen te worden met de vergunningverlener. Voorbeelden van gevaar zijn onder andere hijskranen, hoogwerkers of bouwstellages met een valbereik in de ruimtelijke profielen, maar ook bij hei- of hijswerkzaamheden is sprake van mogelijk gevaar.

artikel 3.4.3 omvalrisico hoge voorwerpen

Het ruimtelijk profiel wordt uitgebreid met die ruimte die benodigd is om werkzaamheden die buiten de hiervoor genoemde ruimtelijk profielen vallen, maar wel een gevaar kunnen vormen, veilig te kunnen doen plaatsvinden. In dat geval zijn de werkzaamheden op grond van deze uitbreiding vergunningplichtig. Bij twijfel of de werkzaamheden invloed hebben op de railinfrastructuur dient te allen tijde contact opgenomen te worden met de vergunningverlener.

artikel 3.4.4 vergunningverlener bepaald

Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden bepaalt de vergunningverlener of er maatregelen moeten worden genomen of op basis van de reeds eerder genoemde uitbreiding van het ruimtelijk profiel een vergunningaanvraag moet worden ingediend.

artikel 2.2.3 zichtlijnen metrobestuurder

Binnen 10 meter van een kruising mogen zich geen objecten bevinden. Deze eis is vertaald in onderstaande figuur waarbij de afstand X is gedefinieerd aan de hand van de remweg van de metro en de geldende baanvaksnelheid. In het groene vlak mogen geen objecten geplaatst worden of activiteiten plaats vinden zonder vergunning als bedoeld in art 12 Wls.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1: Zichtlijnen metrobestuurder

Baanvaksnelheid

Afstand X (m)

20 km//u

20

30 km/u

40

40 km/u

65

50 km/u

95

70 km/u

175

Figuur 2: Afstandentabel

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

artikel 5.1 vervallen bepaling

Met de inwerkingtreding van dit ruimtelijk profiel vervalt het document ‘Ruimtelijk Profiel Metro’ van de gemeente Amsterdam, Metro en Tram, Eigendom en Beheer van 9 november 2015 met kenmerk CEB/OVG/03171.

artikel 5.2 inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 15 december 2023 en wordt aangehaald als ‘Ruimtelijk Profiel Metro’.

Ondertekening

Dit besluit is vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van de Vervoerregio Amsterdam op 14 december 2023.

Gerard Slegers

Portefeuillehouder Wet lokaal spoor

Roel Salden

Secretaris-directeur