Beleidsregels leerlingenvervoer Zaltbommel 2024

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels leerlingenvervoer Zaltbommel 2024

Algemeen

Bij de behandeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer gelden een aantal algemene uitgangspunten. Deze uitgangspunten staan opgenomen in de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Zaltbommel 2024 (hierna: de Verordening). Deze beleidsregel geeft een nadere uitwerking over de uitvoering van deze uitgangspunten.

1. Bepalen afstand en mogelijkheid openbaar vervoer

Afstandsbepaling ten behoeve van vergoeding

Voor het bepalen van de kortste en meest veilige afstand tussen het woonadres en het school- of stageadres maken we gebruik van de ANWB-routeplanner (www.ANWB.nl). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie 'kortste route' per auto, waarna het gemiddelde van zowel de heen- als de terugreis wordt vastgesteld. Wegwerkzaamheden worden in de berekening van de afstand niet meegenomen.

Mogelijkheid openbaar vervoer

Er wordt uitgegaan van de informatie van de website 9292.nl bij het vaststellen of reizen feitelijk met het openbaar vervoer mogelijk is.

2. Bepalen Fietsafstand

Afstandsbepaling ten behoeve van vergoeding

Voor het bepalen van de fietsafstand maken we gebruik van de gemiddelde van de heen- en terugreis gemeten met de ANWB-routeplanner, optie 'kortste route' per fiets.

Of deze afstand veilig en haalbaar is wordt gebaseerd op informatie die door ouders/kind wordt verstrekt. Het betreft dus maatwerk.

3. Advies onafhankelijk deskundige

Om een goede belangenafweging te kunnen maken wint de gemeente advies in bij ouders, de school en andere deskundigen die al betrokken zijn bij het kind. Denk hierbij aan het type vervoer dat passend is en de noodzaak van begeleiding. In voorkomende gevallen kan een advies van een onafhankelijke instantie noodzakelijk zijn. Wanneer de gemeente dergelijk advies inwint wordt de aanvrager geacht hieraan volledige medewerking te verlenen. De gemeente betaalt de kosten van dit advies.

Dit advies inzake de medische en/of sociale situatie is leidend bij de toekenning van een vervoersvoorziening. Pas wanneer dit aanvullende advies is ontvangen is de aanvraag compleet en gaat de behandeltermijn van acht weken in.

Gehandicapte leerling

In de verordening is bepaald dat gehandicapte leerlingen die op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen op een passende wijze moeten worden vervoerd. De noodzaak voor begeleiding en/of aangepast vervoer wordt aangetoond door ouders door middel van een nader (medisch) advies.

Wanneer dit aangeleverde advies geen duidelijkheid schept over de noodzaak kan de gemeente een onafhankelijke deskundige om advies vragen. Bij dit advies draait het om de volgende kernvragen:

  • a.

    Is het kind in staat zelfstandig te reizen?

  • b.

    Is het kind in staat onder begeleiding te reizen met het openbaar vervoer of per fiets (ongeacht of de ouders in staat zijn om het te begeleiden)?

  • c.

    Is er sprake van een structurele handicap?

4. Structurele handicap

Onder een leerling met een structurele beperking of handicap wordt verstaan :

  • -

    Een leerling met een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische handicap die drie maanden of langer duurt en

  • -

    Een leerling die niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.

Er kan een beschikking af worden gegeven voor de duur van het herstel en/of de revalidatie.

5. Verschillende woonadressen (structureel verblijf)

Een kind kan meerdere woonadressen hebben, bijvoorbeeld bij co-ouderschap. Bepalend is waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Onder een structureel verblijf verstaan wij minimaal twee nachten per schoolweek gedurende een periode van minimaal drie maanden aaneengesloten. Per adres dient de daar wonende ouder een aanvraag in te dienen. De beide aanvragen worden apart beoordeeld. Woont één van de ouders in een andere gemeente, dan moet het leerlingenvervoer voor de tijd dat het kind daar verblijft bij die gemeente aangevraagd worden.

6. Opvangadres

Leerlingenvervoer is in beginsel alleen bedoeld voor vervoer naar en van school vanuit de woning. Op grond van artikel 6, zevende lid, van de Verordening kan het college besluiten het vervoer van en naar een opvangadres na of voor schooltijd, anders dan de woning te bekostigen.

Onder een opvangadres valt in ieder geval niet: een adres voor een vorm van therapie, dagbehandeling of een sportvoorziening.

Er valt in ieder geval wel onder: geregistreerde buitenschoolse opvang, geregistreerde gastouderopvang, opa en/of oma of andere familie en buren.

De gemeente beslist op een aanvraag in het individuele geval of vervoer naar het opvangadres is toegestaan. De basis voor toekenning van een vervoersvoorziening blijft de woning.

Vervoer van en/of naar een opvangadres voor of na schooltijd is géén recht en alleen mogelijk als in ieder geval voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de leerling maakt al gebruik van aangepast vervoer;

  • b.

    het opvangadres wijkt maximaal twee kilometer af van de reguliere route;

  • c.

    er is één extra adres naast het woonadres toegestaan;

  • d.

    er moet sprake zijn van een vast patroon, dat wil zeggen een vooraf bepaald schema van ophalen/afzetten op het tweede adres op vaste dagen per week. Incidentele wijzigingen zijn niet mogelijk;

  • e.

    een volwassene dient ter plekke aanwezig te zijn om de leerling op te vangen. De chauffeur moet de leerling aan de volwassene kunnen overdragen bij de taxi(bus).De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de leerling de taxi(bus) heeft verlaten;

  • f.

    vervoer vanaf het opvangadres naar het woonadres en vice versa behoort in geen enkel geval tot de mogelijkheden;

  • g.

    het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 15 van de verordening blijft onverminderd van toepassing.

De gemeente kan de toestemming voor het tweede adres intrekken, bijvoorbeeld wanneer de route wijzigt of bij een verhuizing.

Toestemming voor het vervoer van en naar een ander woonadres of opvangadres kan alleen door de gemeente worden verleend.

7. Vervoer naar stageadres

Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma, zoals opgenomen in de schoolgids, dan bestaat in beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

  • a.

    Ter voorbereiding op deelname in het maatschappelijk verkeer en het vergroten van de zelfredzaamheid wordt voor het stagevervoer gekeken naar de mogelijkheden van het reizen met de fiets en/of het openbaar vervoer. Er kan dus voor een stage een andere vervoersvoorziening worden ingezet dan voor het vervoer naar school. Het streven is een zo maximaal mogelijke zelfstandige manier van reizen van en naar het stageadres. Dit vormt de basis van de vergoeding.;

  • b.

    De school wordt geacht, rekening houdend met het bovenstaande, een stageadres te zoeken zoveel mogelijk in de buurt van het woonadres van de leerling, zodat de leerling de stageplek zelfstandig (of met begeleiding) kan bereiken. Of een stageplek die inpasbaar is op de route van de woning van de leerling naar school.;

  • c.

    Wanneer bovenstaande genoemd onder b niet lukt of onmogelijk is, vindt altijd vooraf overleg plaats tussen de school en de gemeente. Indien door school of ouders/verzorgers wordt aangetoond dat het vinden van een stageadres op de route van de woning naar de school niet mogelijk is, dan wordt alleen stagevervoer toegekend wanneer het stageadres maximaal twintig kilometer van de school of de woning verwijderd ligt.;

  • d.

    Het stagevervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Afhankelijk van de locatie kan er een wachttijd zijn van maximaal één uur.;

  • e.

    Het komt voor dat stagevervoer op andere tijden aangevraagd wordt dan de reguliere schooltijden. In dat geval wordt gevraagd de stagetijden aan te passen. Vervoer wordt alleen toegekend op tijden die niet aansluiten bij de schooltijden wanneer er geen mogelijkheid is de stage gedurende de schooltijden uit te voeren:

    • i.

      de school of de ouders/verzorgers moeten beschrijven welke acties ondernomen zijn om de stage op een andere wijze vorm te geven en waarom dit niet lukt;

    • ii.

      er wordt maximaal één extra rit ingezet per stagedag. Dit betekent dat of de begintijd of de eindtijd van de stage moet aansluiten bij de reguliere route.;

  • f.

    Indien ouders (een deel) van het stagevervoer zelf uitvoeren kan dit worden bekostigd via een kilometervergoeding zoals opgenomen in de verordening leerlingenvervoer.

  • g.

    Indien de stage doorgang heeft op een voor de school vrije dag (zoals een studiedag), gaat het leerlingenvervoer voor deze leerling door;

  • h.

    Stagevervoer vanaf 17.00 uur, tijdens weekenden of schoolvakanties wordt niet bekostigd;

  • i.

    Het praktijkonderwijs valt onder het regulier voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020). Gemeenten hebben geen zorgplicht in het kader van het leerlingenvervoer voor leerlingen die het reguliere voortgezet onderwijs bezoeken.

  • Een uitzondering geldt voor leerlingen die vanwege een structurele handicap in het geheel niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Zij hebben wel recht op een vervoersvoorziening.

  • De gemeente kan zich laten adviseren door een medisch deskundige over de vervoersmogelijkheden van de leerling.

  • j.

    Indien een leerling met een structurele handicap stage loopt in Geldermalsen bij de ‘pilot van Werkzaak Rivierenland’ waarin het arbeidsvermogen onderzoek is inbegrepen kan stagevervoer worden aangevraagd. Voor gehandicapte leerlingen van PRO De Brug wordt de school, in overleg met ouders, als opstapplaats aangewezen door burgemeester en wethouders.

8. Loosmeldingen

Onder loosmeldingen wordt verstaan: een leerling is zonder kennisgeving niet aanwezig en/ of gaat niet mee met het aangeboden aangepast vervoer op het afgesproken tijdstip. De volgende acties worden hierover afgesproken:

  • a.

    op de heenrit: de chauffeur stelt de centrale in kennis indien een leerling niet aanwezig is op het ophaaladres. De centrale probeert contact op te nemen met de ouders om te informeren naar de situatie.

  • b.

    op de terugrit: de chauffeur stelt de centrale in kennis dat het kind niet is ingestapt en overlegt met school of hij moet wachten of niet;

  • c.

    op de terugrit, indien er niemand aanwezig is op het afzetadres: de centrale probeert contact op te nemen met de ouder(s)/verzorgers en het noodcontactadres om te informeren naar de situatie. De leerling blijft in het voertuig en de chauffeur rijdt aan het einde van de route naar een alternatief adres in de directe omgeving dat is doorgegeven door de ouder(s)/verzorgers. Of de chauffeur rijdt nogmaals naar het afzetadres, waar de chauffeur met de leerling wacht tot iemand arriveert om de leerling aan over te dragen. De chauffeur mag de leerling alleen aan personen overdragen die door de ouders zijn doorgegeven, dus niet aan de buren of bij een vriendje. De gemeente wordt geïnformeerd en er volgt een waarschuwingsbrief.

  • d.

    bij herhaalde loosmeldingen, wordt de gemeente geïnformeerd en volgt vanuit de gemeente een waarschuwingsbrief aan ouders/verzorgers;

  • e.

    na 3 schriftelijke waarschuwingen kunnen burgemeester en wethouders de toegang tot aangepast vervoer voor maximaal 3 weken ontzeggen;.

9. Individueel vervoer

Individueel vervoer kan eventueel tijdelijk, bij wijze van uitzondering worden ingezet wanneer:

  • a.

    er een dringende medische noodzaak is, waarvoor een gericht behandelplan is opgesteld en;

  • b.

    begeleiding in het gecombineerde vervoer geen oplossing biedt en;

  • c.

    ouders kunnen aantonen dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn zelf te rijden.

10. Afwijking van lestijden

Het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden behoort niet tot de gemeentelijke taak, maar is de verantwoordelijkheid van ouders zelf. Ook voor uitvaluren, bij examens en toetsweken of bij halve vrije dagen bijvoorbeeld vanwege studiedagen of vakanties worden geen (extra) taxiritten ingezet.

Uitgezonderd de laatste vrijdag voor de zomervakantie en de kerstvakantie.

Verschillende lesroosters binnen één school

In artikel 13 lid 2 van de Verordening staat dat een wachttijd aangehouden kan worden bij verschillende lesroosters binnen één school. Deze wachttijd mag maximaal twee klokuren zijn.

Aangepast lesrooster vanwege structurele handicap

Uitsluitend wanneer de structurele handicap van een leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient de gemeente het vervoer tijdens de schooltijd te bekostigen. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:

  • a.

    een verklaring van de leerplichtambtenaar waaruit een leerplichtakkoord blijkt;

  • b.

    een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;

  • c.

    een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of

  • d.

    een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog) waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.

Hierbij wordt eerst een beroep gedaan op de van ouders redelijkerwijs te verwachten inzet. Wanneer ouders één of meerdere dagen per week zelf het vervoer verzorgen, kunnen zij in aanmerking komen voor een kilometervergoeding.

Voorwaarde is dat in ieder geval één rit per dag aansluit bij het reguliere leerlingenvervoer. We streven ernaar om in overleg met de school slechts één extra rit per dag, rond 12.00 uur, met aangepast vervoer in te zetten.

De vervoerder vervoert zoveel mogelijk de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk. Dit kan met zich meebrengen dat de leerling maximaal twee klokuren later opgehaald wordt van school.

11. Ontzegging aangepast vervoer

Indien sprake is van onaanvaardbaar wangedrag of gedrag dat leidt tot onveilige situaties (artikel 7 lid 4 d en e) kunnen burgemeester en wethouders een leerling de toegang tot het aangepast vervoer ontzeggen.

Een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, kan tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzegd worden indien bij herhaling is gebleken dat de leerling (of diens ouders) door onaanvaardbaar wangedrag of anderszins de orde in de bus verstoort of de veiligheid van bus en inzittenden in gevaar brengt. Ouders moeten hun kinderen instrueren zich zo te gedragen dat tijdens het vervoer geen ongeregeldheden ontstaan.

Procedure

  • 1.

    Als er sprake is van onaanvaardbaar gedrag of een onveilige situatie en er na aanwijzingen van de chauffeur geen verbetering optreedt, dan stuurt de vervoerder een schriftelijke waarschuwing naar de ouders en maakt melding bij de gemeente, waarbij wordt aangegeven op welke momenten de vervoerder contact heeft gehad met ouders.;

  • 2.

    Na de melding door de vervoerder bij de gemeente wordt een onderzoek opgestart. In het kader van dat onderzoek spreekt de contactpersoon van de gemeente met vervoerder, ouders en/of school. Indien blijkt dat het voorval terug te voeren is op de ernstige beperking van de leerling, en dus aan de leerling niet is aan te rekenen, dan wordt met de vervoerder, ouders en eventueel school een passende oplossing gezocht (bijvoorbeeld begeleiding in het aangepaste vervoer, openbaar vervoer (eventueel met begeleiding) of eigen vervoer). Indien blijkt dat het voorval niet terug te voeren is op de ernstige beperking van de leerling, wordt van de ouders verwacht dat zij de leerling aanspreken op het gedrag.;

  • 3.

    Bij een volgende klacht wordt stap 1 herhaald en volgt een tweede waarschuwingsbrief. De gemeente gaat na of begeleiding in het aangepast vervoer tot de mogelijkheden behoort. Als er een begeleider, anders dan de ouders, meegaat en hier kosten aan zijn verbonden, zijn de kosten voor de ouders. Dit wordt schriftelijk bevestigd, zodat de gemeente kan aantonen dat aan de wettelijke zorgplicht passend vervoer aan te bieden voldaan is. Daarbij worden de ouders meteen gewaarschuwd dat de gemeente het aangepast vervoer stopzet als de ouders niet voor begeleiding zorgdragen.;

  • 4.

    Bij een derde klacht kan een schorsing per direct volgen, voor een periode van maximaal drie schoolweken. Er wordt een derde brief aan ouders verstuurd, waarin de schorsing wordt medegedeeld.;

  • 5.

    Bij een volgende klacht volgt met een vierde brief uitsluiting van het vervoer tot het eind van het schooljaar met een minimum van twaalf weken exclusief vakanties (schorsing aan het eind van het schooljaar kan dus doorlopen in het nieuwe schooljaar).

Bij ernstige incidenten zoals wapenbezit, geweld, bedreiging en vernieling bestaat de mogelijkheid om per direct te schorsen voor een of meerdere dagen (maximaal 3 weken). Dit is ook van toepassing wanneer niet direct kan worden vastgesteld wat er is gebeurd. Ouders ontvangen een brief waarin de schorsing wordt medegedeeld.

Wanneer er kinderen van een andere gemeente betrokken zijn bij de klacht(en) hebben gemeenten overleg met elkaar voordat sancties worden opgelegd.

12. Declareren vervoerskosten

  • a.

    De kosten van het vervoer per eigen vervoer kunnen achteraf per drie maanden worden gedeclareerd en vergoed, conform de beschikking.;

  • b.

    In bijzondere gevallen kan het college overgaan tot vergoeding van de reiskosten voorafgaand aan de vervoersperiode of het rechtstreeks aankopen van een openbaarvervoerabonnement of afwijken van de termijn genoemd onder a.

13. Eigen Bijdrage bij fietsvergoeding

Bij een fietsvergoeding wordt geen eigen bijdrage geheven.

14. Cliëntbetrokkenheid

De gemeente stelt cliënt-/ouderbetrokkenheid zeer op prijs. Daartoe zal zij:

  • a.

    elke twee à drie jaar een klanttevredenheidsonderzoek uitzetten onder alle ouders/verzorgers van leerlingen met een toekenning leerlingenvervoer;

  • b.

    de vervoerder(s) vragen jaarlijks een klanttevredenheidsonderzoek uit te zetten;

  • c.

    aan het begin en het eind van het schooljaar (voor de opstart- en aanvraagperiode) inloopspreekuren organiseren.

15. Verantwoordelijkheid ouders/begeleiding

Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een taak en verantwoordelijkheid van de ouders/verzorgers. De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders/verzorgers liggen.

Wanneer ouders/verzorgers niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Werk van ouders/verzorgers of anderszins ontslaat ouders/verzorgers niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders/verzorgers zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds kan overnemen.

Wanneer het begeleiden van een leerling door de ouders of anderen onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, kan de leerling in aanmerking komen voor aangepast vervoer.

Om te kunnen beoordelen of begeleiden onmogelijk is, of dat een gezin ernstig benadeeld wordt wanneer ouder(s)/verzorger(s) zelf voor de begeleiding moeten zorgen, zijn de onderstaande criteria opgesteld. Van ouders wordt geen begeleiding verlangd, wanneer:

  • a.

    de ouder van een één-oudergezin kan aantonen dat hij/zij het werk niet langer kan uitoefenen als hij/zij zorg moet dragen voor de begeleiding van de leerling van en naar school. Hiervoor dient een werkgeversverklaring overlegd te worden, met een weekrooster en werktijden. Ook het volgen van een voltijdsopleiding wordt voor een ouder van een één-oudergezin gelijkgesteld met werk. In deze situatie moet een inschrijfbewijs en het lesrooster overgelegd worden. Er moet aannemelijk worden gemaakt dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van co-ouder, buren of familie) niet mogelijk is;

  • b.

    sprake is van een één-oudergezin en de ouder één of meerdere kind(eren), jonger dan tien jaar uit hetzelfde gezin, tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Dan kan het kind dat moet reizen naar het speciaal (basis) onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van aangepast vervoer. Er moet aannemelijk worden gemaakt dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van co-ouder, buren of familie) niet mogelijk is;

  • c.

    er structurele medische redenen zijn die ouders belemmeren hun kind te begeleiden. Dit moet worden vastgesteld door een onafhankelijke medisch deskundige. Er moet aannemelijk worden gemaakt dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie) niet mogelijk is;

  • d.

    begeleiden van een kind van en naar school niet zijnde regulier basisonderwijs meer dan vier uur per dag in beslag neemt. Is de totale reistijd langer dan vier uur en er is geen aantoonbare andere mogelijkheid om vervoer te combineren met andere leerlingen, dan kan de leerling in aanmerking komen voor aangepast vervoer.

    Voor begeleiding van leerlingen van scholen voor regulier basisonderwijs geldt de grens van maximaal zes uur per dag; de overweging die hieraan ten grondslag ligt is dat deze vorm van onderwijs een vrije keuze van de ouders is.

16. Medische behandeling en zorg i.c.m. onderwijs

De gemeente wordt regelmatig geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging van vervoer naar locaties waar kinderen dagbehandelingen en/of zorg ontvangen, al dan niet in combinatie met onderwijs. De gemeente bekostigt dit vervoer niet. Het leerlingenvervoer is alleen bedoeld voor het vervoer van en naar een school op de schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving. Zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven, onderwijsondersteuningsbureaus en dergelijke worden hier niet toe gerekend. Volgt een kind minimaal 50% van de dag en minimaal drie dagen per week onderwijs op, of nabij die locatie, dan kunnen de ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming via de gemeente krijgen. Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de instelling die het onderwijs verzorgt een ‘school’ (BRIN nummer) zijn. Hierbij geldt dat leerlingenvervoer plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids. Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandeling, dan zijn toch de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.

17 Hoogbegaafdheid

Het onderwijs voor hoogbegaafden valt onder regulier basisonderwijs en valt daardoor onder de Wet primair onderwijs. Een belangrijk criterium voor het verstrekken van een vergoeding leerlingenvervoer is dat deze slechts wordt aangeboden naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In dit geval dus de dichtstbijzijnde toegankelijke reguliere basisschool. Hoogbegaafdheid alleen is geen reden om vervoer te verstrekken naar een verder weg gelegen school voor primair onderwijs. De ouders moeten aantonen door een verklaring van het schoolbestuur van dichterbij gelegen scholen dat hun kind niet tot het onderwijs kan worden toegelaten. Als een kind is aangewezen op voltijds hoogbegaafdenonderwijs is leerlingenvervoer mogelijk naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school als wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening. Ouders dienen bewijzen te overleggen dat het kind is aangewezen op voltijds hoogbegaafdenonderwijs. De gemeente kan zich laten adviseren door een (medisch) deskundige over de vervoersmogelijkheden van de leerling.

18. Absentie

Wanneer een leerling drie maanden minder dan 50% van de ritten meereist met het aangepast vervoer kunnen we in gesprek gaan met ouders om (tijdelijk) de toekenning te wijzigen naar een andere vorm van leerlingenvervoer. Bijvoorbeeld een kilometervergoeding voor eigen vervoer.

19. Slotbepalingen

  • a.

    Deze regeling treedt in werking 1 januari 2024

  • b.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregels leerlingenvervoer Zaltbommel 2024’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zaltbommel d.d. 19 december 2023

W. (Wouter) Abee,

Secretaris

P.C. (Pieter) van Maaren

Burgemeester