Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2024

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2024

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Andere voorziening: een voorziening voor zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen die niet valt onder de Jeugdwet.

    • b.

      Bepaling jeugdhulp: bepaling van een gecertificeerde instelling jeugdhulp welke door het college ingezet dient te worden bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

    • c.

      Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet.

    • d.

      Budgetplan: door jeugdige en/of diens ouders opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed.

    • e.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

    • f.

      Gecertificeerde instelling: van overheidswege gecertificeerde instelling bevoegd om maatregelen in het kader van de jeugdreclassering en jeugdbescherming te mogen uitvoeren.

    • g.

      Gesprek: mondeling contact tussen ouder en of jeugdige en Toegang Tilburg, waarin alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht.

    • h.

      Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

    • i.

      Individuele voorziening: op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening, die in het kader van de Jeugdwet door het college wordt verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

    • j.

      Plan van aanpak: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren betreffende de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het Plan van Aanpak bestaat uit een integrale (vraag)analyse en een beschrijving van de te behalen resultaten.

    • k.

      Beleidsregels: de door het college op grond van deze verordening vast te stellen beleidsregels jeugdhulp.

    • l.

      Overige voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen die rechtstreeks toegankelijk zijn zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders.

    • m.

      Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort zelf in te kopen.

    • n.

      Toegang Tilburg: op wijkniveau georganiseerd multidisciplinair team dat de hulpvraag van jeugdigen of hun ouders afhandelt in opdracht van het college.

    • o.

      Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.

    • p.

      Wet: Jeugdwet.

    • q.

      Zorg in natura: De ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door jeugdhulpaanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn.

    • r.

      Pgb vertegenwoordiger: een door pgb-houder gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijke vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt.

    • s.

      Perspectiefplan 18+: In geval van (verwachtte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de Opdrachtnemer wordt opgesteld ten aanzien van de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën.

    • t.

      Crossroads: een samenwerkingsverband van jeugdhulpaanbieders die gecontracteerd zijn voor het leveren van hoog specialistische jeugdhulpverlening in de regio Hart van Brabant.

    • u.

      Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdigen en of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt.

Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp

Artikel 2.1 Overige voorzieningen

  • 1. De volgende overige voorzieningen zijn algemeen toegankelijk:

    • a.

      Advies en informatie, mede ten behoeve van de mogelijke toegang tot individuele voorzieningen.

    • b.

      Enkelvoudige, ambulante opgroei- en opvoedondersteuning anders dan specialistische ondersteuning.

    • c.

      Overige voorzieningen geboden door Veilig Thuis.

    • d.

      Zorg en begeleiding in onderwijs, in het geval dat de voorziening vanuit het college is georganiseerd binnen de school.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 2.2 Individuele voorzieningen

De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • 1. Zonder verblijf:

    • a.

      Hoog specialistische jeugdhulp (ambulant).

    • b.

      Dagbegeleiding.

    • c.

      Respijtzorg zonder overnachting.

    • d.

      Specialistische ambulante jeugdhulp (waaronder behandeling JOH/GHZ/GGZ, begeleiding JOH/GHZ/GGZ, vaktherapie, persoonlijke verzorging).

    • e.

      Vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder in geval van:

      • dagbegeleiding (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer);

      • dagbehandeling (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer).

  • 2. Met verblijf:

    • a.

      Woonvormen (pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonleefgroepen, kamer – en fasetraining).

    • b.

      Residentiële behandelvormen (waaronder hoog specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg, zorg voor jeugdigen met een lichamelijke, verstandelijke en of zintuigelijke beperking en jeugd- en opvoedhulp).

    • c.

      Gesloten verblijf.

    • d.

      Respijtzorg met overnachting.

  • 3. De jeugdige kan gebruik maken van jeugdhulp in natura. Indien de jeugdige dit wenst en hiervoor in aanmerking komt, kan de jeugdige gebruik maken van een pgb zoals genoemd in artikel 4.7.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp

  • 1. Het college verstrekt uitsluitend de goedkoopst compenserende voorziening jeugdhulp die toereikend is voor het bereiken van het afgesproken resultaat.

  • 2. Een aanvraag voor een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet wordt in behandeling genomen indien de jeugdige valt onder de definitie van jeugdige in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

  • 3. Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de Tilburgse Toegang, gecertificeerde instelling en jeugdhulpaanbieder in het Plan van Aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning naar verwachting nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz, verlengde Jeugdhulp). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders en/of gecertificeerde instellingen via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.

  • 4. De jeugdhulp dient te worden uitgevoerd door een jeugdhulpaanbieder waarvan de hoofdvestiging in Nederland is gevestigd.

Artikel 2.4 Vervoersvoorzieningen

  • 1. Het vervoer wordt toegekend over de afstand tussen het adres van de locatie van de jeugdige naar het adres van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

  • 2. Een vervoersvoorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven.

  • 3. Het college bepaalt welke vervoersvoorziening (vergoeding OV, kilometervergoeding, vervoer geboden door een jeugdhulpaanbieder, taxi) passend is, de hoogte van de vergoeding en de looptijd van de vervoersvoorziening

  • 4. Het college kan nadere regels stellen.

Hoofdstuk 3 - Toegang

Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening zoals bedoeld in artikel 2.1 zonder toestemming van het college.

  • 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk doch binnen vijf dagen een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan. In het geval dat de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de beslissing omtrent de inzet vast in een beschikking als bedoeld in artikel 4.6.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp in natura na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder waarmee het college een subsidie- of contractrelatie heeft, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Indien de hulpvraag van de jeugdige hoog specialistisch lijkt, verwijst een arts de jeugdige door naar Crossroads. Blijkt de hulpvraag niet hoog specialistisch van aard, dan wordt verwijst Crossroads de casus met een onderbouwd advies terug naar de verwijzer.

  • 3. Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een jeugdhulpaanbieder, kan het college bij een aanvraag door een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in dit artikel op basis van signalen of steekproefsgewijs een toets uitvoeren.

  • 4. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 4.6. De klant kan hiertoe een verzoek doen bij het college.

  • 5. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.

  • 2. Voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 4.6.

Hoofdstuk 4 - Procedure toegang jeugdhulp via de gemeente

Artikel 4.1 Algemeen

  • 1. Het college kent voor de duur, passend bij het bereiken van de beschreven resultaten in het Plan van aanpak een individuele voorziening toe door middel van een beschikking, die toegang geeft tot jeugdhulp.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 4.2 Vooronderzoek

  • 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen zich met een hulpvraag wenden tot het college.

  • 2. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van een hulpvraag en informeert de jeugdige en/of ouders over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten, de vervolgprocedure.

  • 3. Na de hulpvraag start de fase van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.3.

  • 4. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk (maar binnen een termijn van 2 weken) met hem en/of zijn ouders een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en/of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 5. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouders geven inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht.

  • 6. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een vooronderzoek.

  • 7. De jeugdige en/of ouders verlenen hun medewerking aan het vooronderzoek als bedoeld in het derde en vierde lid alsmede een onderzoek als bedoeld in artikel 4.8 om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening.

  • 8. Als de jeugdige en/of ouders onvoldoende medewerking verlenen aan het vooronderzoek als bedoeld in het derde en vierde lid alsmede een onderzoek als bedoeld in artikel 4.8 en daardoor de situatie van de jeugdige en/of ouders onvoldoende in kaart kan worden gebracht, kan er geen individuele voorziening worden verstrekt.

Artikel 4.3 Gesprek

  • 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag.

    • b.

      Het te behalen resultaat van het verzoek om jeugdhulp.

    • c.

      Het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

    • d.

      De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening.

    • e.

      De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening.

    • f.

      De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen.

    • g.

      Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders.

    • h.

      De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze en de te volgen procedure.

  • 2. De mening en voorkeur van de jeugdige worden meegewogen in de keuze voor welke ondersteuning of jeugdhulp wordt aangevraagd of geleverd gaat worden en bij welke jeugdhulpaanbieder dit gebeurt.

  • 3. Als de jeugdige en/of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, zoals bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 5. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek.

  • 6. Indien de jeugdige en de ouders de hulpvraag zelf kunnen oplossen als bedoeld in het eerste lid, sub c, of er is mogelijkheid om gebruik te maken van een andere of overige voorziening als bedoeld in het eerste lid, sub e wordt een individuele voorziening niet toegekend.

  • 7. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 4.4 Verslag

  • 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in de vorm van een Plan van aanpak, tenzij jeugdige of ouders hebben medegedeeld dit niet te wensen.

  • 2. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.

  • 3. De jeugdige en/of gezaghebbende (ouder(s)) ondertekenen het Plan van aanpak of familiegroepsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen tien werkdagen wordt geretourneerd. Per leeftijdscategorie of situatie gelden daarbij de regels als genoemd in artikel 7.3.4 van de wet.

Artikel 4.5 Aanvraag

  • 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen een aanvraag jeugdhulp in de zin van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk indienen bij het college.

  • 2. Als een eerste contact met Toegang Tilburg voldoende concreet en schriftelijk is, kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders worden afgezien van een vooronderzoek en meteen worden overgegaan tot een aanvraag.

  • 3. Het Plan van aanpak of familiegroepsplan wordt ondertekend voor akkoord of voor gezien door de gezaghebbende ouder(s) en/of jeugdige. Per leeftijdscategorie of situatie gelden daarbij de regels als genoemd in artikel 7.3.4 van de wet.

  • 4. Uit het Plan van aanpak blijkt dat de mening en voorkeur van de jeugdige wordt meegewogen in de keuze voor welke ondersteuning of jeugdhulp wordt aangevraagd of geleverd gaat worden en bij welke jeugdhulpaanbieder dit gebeurt.

  • 5. Het college kan een ondertekend verslag door gezaghebbende(n) van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouder(s) dat op het verslag hebben aangegeven.

  • 6. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening hoog specialistische jeugdhulp wordt samengewerkt met de gecontracteerde partij, Crossroads. Crossroads en de gezaghebbende ouder(s) en/of de jeugdige bepalen de aard van de individuele voorziening. Dit alles wordt opgenomen in een behandelplan.

  • 7. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 4.6 Inhoud beschikking

  • 1. In de beschikking met bijgevoegd een beknopt plan jeugd wordt in ieder geval aangegeven dat de individuele voorziening in natura wordt verstrekt en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura worden in de beschikking en bijgevoegd beknopt plan jeugd tevens vastgelegd, wie de jeugdhulp gaat bieden, wat het te behalen resultaat is, aard en omvang van de in te zetten hulp en welke “andere voorzieningen” relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. In geval van hoog specialistische jeugdhulp wordt de aard van de in te zetten hulp beschreven in de beschikking die door Crossroads samen met het gezin/de jeugdige is opgesteld.

Artikel 4.7 Regels voor pgb

  • 1. Indien de jeugdige het wenst, verstrekt het college een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  • 2. Een Toegangsprofessional stelt vast of de ouder(s) of de pgb vertegenwoordiger voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsgebonden budget.

  • 3. De ouder(s) en/of vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangeven hoe de ondersteuning wordt verleend. Het Plan van aanpak en het budgetplan vormen samen de aanvraag voor een pgb. Een toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van aanpak in voldoende mate behaald kunnen worden.

  • 4. Ouder(s) en/of vertegenwoordiger ondertekenen zowel het Plan van aanpak als het budgetplan.

  • 5. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de berekening en de hoogte van het pgb:

    • a.

      De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de in het Plan van aanpak beschreven resultaten en het budgetplan wat door de jeugdige en/of zijn ouders is opgesteld over hoe zij het pgb gaan besteden.

    • b.

      De hoogte van het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen.

    • c.

      De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in natura.

    • d.

      Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van formele hulp of informele hulp.

    • e.

      Bij de differentiatie van tarieven zoals genoemd in het achtste lid wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere jeugdhulpaanbieders die aan de kwaliteitseisen voldoen en jeugdhulp leveren (formele hulpverleners) enerzijds en hulpverleners uit het sociale netwerk van jeugdige en ouders (informele zorgverleners) anderzijds.

    • f.

      De tarieven die gebruikt worden voor alle toe te kennen voorzieningen in pgb worden genoemd in bijlage 1 van deze verordening.

  • 6. De jeugdhulp in pgb wordt toegekend met de tarieven genoemd in Bijlage 1. Dit betreft een tarief per eenheid, bijvoorbeeld dagdelen. De hoogte van het persoonsgebonden budget binnen deze jeugdhulp is het aantal benodigde eenheden maal het geldende tarief voor de benodigde jeugdhulp.

  • 7. Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de tarieven in Bijlage 1.

  • 8. De persoonsgebonden budgetten voor informele zorgverleners zijn gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerdert met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De persoonsgebonden budgetten worden geïndexeerd conform deze cao. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 85% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 9. Voor een individuele voorziening die start voor 2024 en doorloopt in 2024 en verder geldt het volgende voor de indexering van de tarieven pgb:

    • a.

      De tarieven per kilometer of op basis van kostprijs worden gedeclareerd en worden niet geïndexeerd.

    • b.

      Alle overige tarieven in Bijlage 1 worden wel geïndexeerd.

  • 10. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:

    • a.

      Voor persoonlijke verzorging en begeleiding.

    • b.

      Deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.

    • c.

      Bij de inzet van een persoon uit het sociale netwerk kan door het college advies opgevraagd worden bij derde over de geschiktheid van deze inzet en de informeel zorgverlener.

  • 11. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt, is er altijd sprake van informele zorgverlening uit het sociale netwerk van de jeugdige of de ouders.

  • 12. Als de gezaghebbende ouder(s) en of jeugdige een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiging niet de jeugdhulpaanbieder, als formeel zorgaanbieder of zzp ‘er, zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én jeugdhulpaanbieder van de zorg mogen zijn.

  • 13. Gewaarborgd is dat de voorziening die met het pgb betaald wordt, van goede kwaliteit is.

  • 14. De jeugdhulpaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de wet en de kwaliteitseisen jeugdhulp zoals genoemd in bijlage 2 en 3 van deze verordening en beleidsregels jeugdhulp gemeente Tilburg 2024. Een jeugdhulpaanbieder die niet aan de kwaliteitseisen voldoet, krijgt een tarief dat gelijk is aan het niveau van een informele zorgverlener.

  • 15. De aanvraag voor een pgb omvat in ieder geval:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is,

    • b.

      de te treffen individuele voorziening en het beoogde resultaat,

    • c.

      de voorgenomen uitvoering daarvan inclusief jeugdhulpaanbieder en kosten vastgelegd in het budgetplan,

    • d.

      de kwalificaties van de jeugdhulpaanbieder,

    • e.

      de verklaring van een vertegenwoordiger, vastgelegd in het budgetplan.

  • 16. Het college kan een pgb weigeren indien aan de jeugdige en/of zijn ouders in de afgelopen jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een pgb is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is voldaan aan de voorwaarden van het pgb.

  • 17. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb

  • 18. Om de afspraken tussen jeugdhulpaanbieder en de jeugdige en/of ouders vast te leggen wordt verplicht gebruik gemaakt van de modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

  • 19. Het college kan al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken vanuit het oogpunt van kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid.

  • 20. De persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt, danwel de vertegenwoordiger, mag met de jeugdhulpaanbieder geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de jeugdhulpaanbieder middels een vast maandloon uitbetaalt zonder dat de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de jeugdhulpaanbieder maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het persoonsgebonden budget beheert ter accordering aanbiedt.

  • 21. Het vorige lid geldt niet voor voorzieningen beschermd wonen.

  • 22. Het college kan nadere regels omtrent pgb vaststellen.

Artikel 4.8 Advisering

  • 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, advies te vragen aan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie indien het college dat gewenst vindt.

  • 2. Indien het college advies gaat inwinnen als bedoeld in het eerste lid wordt de cliënt hier van op de hoogte gebracht.

Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving

Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

  • 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      De jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

    • b.

      De jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen.

    • c.

      De individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten.

    • d.

      De jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb.

    • e.

      De jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

    • f.

      De jeugdige en/of zijn ouders niet meewerken aan onderzoeken van de gemeente die betrekking hebben op artikel 4.7, lid 19.

  • 3. Als er sprake is van een individuele voorziening in pgb kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van de budgethouder een vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Als het college een beslissing op grond van artikel 5.1 lid 2, sub a heeft ingetrokken en er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het college het pgb invorderen.

Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik

  • 1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van de wet.

  • 2. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van deze wet.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

  • 4. Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d van de wet verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

  • 5. Het college zoekt waar mogelijk de samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen.

  • 6. Het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie hebben met de gemeente Tilburg of die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente Tilburg.

  • 7. Het college maakt afspraken met jeugdhulpaanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 8. Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen.

  • 9. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • 1.

    De aard en omvang van de te verrichten taken.

  • 2.

    De voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.

  • 3.

    Een redelijke toeslag voor overheadkosten.

  • 4.

    Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; de kosten voor bijscholing van het personeel.

  • 5.

    De algemene maatregel van bestuur ( AmvB) reële prijzen.

Hoofdstuk 6 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon

Artikel 6.1 Klachtregeling

  • 1. Het college draagt zorg voor een behoorlijke en transparante procedure ten behoeve van de afhandeling van klachten van een jeugdige of ouder betreffende de overige en individuele voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 2 en de toekenningsprocedure als bedoeld in hoofdstuk 4.

  • 2. Jeugdhulpaanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

Artikel 6.2 Vertrouwenspersoon

  • 1. Het college wijst een onafhankelijke vertrouwenspersoon aan met volledige rechtsbevoegdheid en onafhankelijkheid waarop jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen.

  • 2. Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Hoofdstuk 7 - Inspraak

Artikel 7.1 Betrekken ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig in de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.

Hoofdstuk 8 - Slotbepalingen

Artikel 8.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 8.2 Voorwaarden voorziening

Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.

Artikel 8.3 Beleidsregels

Het college stelt beleidsregels jeugdhulp vast. Deze regels geven invulling aan de uitvoering van deze verordening.

Artikel 8.4 Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening geldende bedragen indexeren.

Artikel 8.5 Intrekking oude verordening

  • 1. De verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2023 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2024 onder de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2023 en waarop nog niet is beslist na het vaststellen van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de verordening 2023.

  • 4. Van het in het derde lid gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 5. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2023, geschiedt op grond van de verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2023 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

Artikel 8.6 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2024.

Ondertekening

Bijlage 1 – Producten en tarieven ZIN en PGB

Omschrijving prestatie

Grondslag tarief

Tarief ZIN 2024

Tarief pgb formeel 2024

Segment 2

 
 
 

Pleegzorg

Per etmaal

€ 53,55

€ 45,52

Gezinshuis

Per etmaal

€ 188,38

€ 160,12

Kleinschalige woonleefgroep basis

Per etmaal

€ 233,36

€ 198,36

Kleinschalige woonleefgroep plus

Per etmaal

€ 386,66

€ 328,66

Kamertraining

Per etmaal

€ 115,38

€ 98,07

Fasehuis

Per etmaal

€ 185,88

€ 158,00

 

Segment 3

Dagbegeleiding A

Per dagdeel

€ 59,79

€ 50,82

Dagbegeleiding B

Per dagdeel

€ 88,54

€ 75,26

Dagbegeleiding A toeslag zaterdagmiddag

Per dagdeel

€ 16,62

€ 14,13

Dagbegeleiding B zaterdagmiddag

Per dagdeel

€ 26,12

€ 22,20

Lopend vervoer

Stuks (inspanning)

€ 9,05

€ 7,69

Rolstoel vervoer

Stuks (inspanning)

€ 11,53

€ 9,80

Individueel vervoer

Stuks (inspanning)

€ 11,53

€ 9,80

Respijtzorg A

Per dagdeel

€ 50,42

€ 42,86

Respijtzorg B dagdeel

Per dagdeel

€ 73,84

€ 62,76

Respijtzorg A dagdeel zaterdag

Per dagdeel

€ 59,09

€ 50,23

Respijtzorg B dagdeel zaterdag

Per dagdeel

€87,43

€ 74,32

Respijtzorg A etmaal doordeweeks

Per etmaal

€ 214,57

€ 182,38

Respijtzorg B etmaal doordeweeks

Per etmaal

€ 298,29

€ 253,55

Weekend vrijdag 17:00 – zaterdag 17:00 A

Per etmaal

€ 231,81

€ 197,04

Weekend vrijdag 17:00 – zaterdag 17:00 B

Per etmaal

€ 325,91

€ 277,02

Weekend vrijdag 17:00 – zondag 17:00 A

Stuks (output)

€ 453,92

€ 385,83

Weekend vrijdag 17:00 – zondag 17:00 B

Stuks (output)

€ 641,03

€ 544,88

 

Segment 4 Reguliere aanbieder

GGZ Hoog specialistisch

Per uur

€ 133,61

€ 113,57

GGZ specialistisch

Per uur

€ 118,36

€ 100,61

GGZ Begeleiding

Per uur

€ 85,09

€ 72,33

Medicatiecontrole

Per uur

€ 175,60

€ 149,26

JOH Behandeling

Per uur

€ 94,53

€ 80,35

JOH Begeleiding

Per uur

€ 82,07

€ 69,76

GHZ Behandeling

Per uur

€ 90,88

€ 77,25

GHZ Begeleiding

Per uur

€ 75,20

€ 63,92

Verzorging / Basisondersteuning

Per uur

€ 60,17

€ 51,14

Vaktherapie

Per uur

€ 81,71

€ 69,45

 

Tarieven informeel

#

Omschrijving prestatie

Grondslag tarief

Tarief pgb informeel 2024

96

Pgb begeleiding individueel per uur

Per uur

1 januari € 23,23 1 maart € 23,82 1 oktober € 24,42

97

Pgb persoonlijke verzorging individueel

Per uur

1 januari € 23,23 1 maart € 23,82 1 oktober € 24,42

Bijlage 2 - Eisen ten aanzien van de zorgverlening

Deze bijlage behoort bij artikel 4.7 lid 14 van deze verordening en heeft betrekking op alle jeugdhulpverleners.

Een jeugdhulpverlener:

  • biedt hulp die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend.

  • werkt actief en integraal samen met andere hulpverleners en -aanbieders in het belang van de jeugdige en of ouders.

  • werkt aantoonbaar (met een plan) aan de doelen van het ondersteuningsplan.

  • moet, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kunnen overhandigen.

  • is niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding of fraude.

  • Voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet.

Bijlage 3 - Eisen ten aanzien formele zorgverleners

Deze bijlage behoort bij artikel 4.7 lid 14 van deze verordening heeft betrekking op formele zorgverleners voor het verlenen van jeugdhulp in de segmenten 1, 2, 3, 4 en 5. Naast de eisen zoals opgenomen in bijlage 2 moet een formele zorgverlener ook aan de onderstaande eisen voldoen om in aanmerking te komen voor het tarief van de formele zorgverlener.

  • inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

  • Medewerkers/zorgverleners beschikken over ervaringen, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(en) van de jeugdige. Dit kan blijken uit:

    • BIG- SKJ registratie. Zorgverleners met een zogenoemd artikel 3 beroep (zoals klinisch technoloog of psychotherapeut moeten zich registreren in het BIG-register. Zorgverleners die werkzaamheden uitvoeren waar volgens het Kwaliteitskader Jeugd geregistreerde professionals voor moeten worden ingezet, dienen zich te registeren bij het kwaliteitsregister SKJ.

    • Er zijn zorgverleners die zich niet SKJ of BIG kunnen laten registeren vanwege de aard van de werkzaamheden of omdat zij niet voldoen aan de opleidingseisen. Deze zorgverleners dienen zich te registeren bij het registerplein (register kinderwerkers & jongerenwerkers). Er wordt een overbruggingsperiode afgesproken met de zorgverleners die bezig zijn om zich te laten registeren bij het registerplein. De zorgverlener die na de afgesproken overbruggingsperiode nog niet bij het registerplein is geregistreerd, krijgt het informatie pgb tarief.

    • Een diploma van een relevante opleiding die is erkend door het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo).

  • Medewerkers/zorgverleners ontvangen een salaris dat overeenkomstig is met de betreffende ondersteuning die wordt geboden.

  • Medewerkers/zorgverleners zijn geen eerste- tweede of derdegraads familie van de jeugdige (met uitzondering van pleegzorgconstructies).

  • Medewerkers/zorgverleners hebben een meldplicht bij calamiteiten en geweld.

  • Medewerkers/zorgverleners werken volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • Er wordt gewerkt met een systematische kwaliteitsbewaking op verzoek aantoonbaar door de jeugdhulpaanbieder.

Een zorgverlener die niet aan de bovenstaande eisen voldoet krijgt een tarief dat gelijk is aan het niveau van een informele zorgverlener.

Toelichting op de verordening jeugdhulp

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • a.

    Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).

  • g.

    Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen, de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.

  • m.

    De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

  • s.

    Pgb vertegenwoordiger is een door de pgb-houder gemachtigde natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een door de rechter benoemde wettelijke vertegenwoordiger die de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op zich neemt.

Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp

Artikel 2.1 Overige voorzieningen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.

Artikel 2.2 Individuele voorzieningen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, sub a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.

Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp

Dit artikel geeft aan dat het college de meest passende voorziening verstrekt. Het vierde lid waarborgt dat de jeugdhulpaanbieder - ook wanneer deze jeugdhulp biedt in het buitenland - binnen de kaders van het Nederlands recht en de Nederlandse inspecties dient te opereren.

Artikel 2.4 Vervoersvoorzieningen

Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening. Het vraagstuk vervoer staat centraal, waarbij er wordt gekeken naar een oplossing die aansluit op de ondersteuningsbehoefte van de aanvrager. Het vervoer wordt toegekend over de afstand tussen het adres van de locatie van de jeugdige naar het adres van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. In lid twee staat dat een vervoersvoorziening wordt beëindigd als de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven. Het college bepaalt onder meer de looptijd van de vervoersvoorziening dan wel de hoogte van de vergoeding (lid 3).

Hoofdstuk 3 - Toegang

Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Voor het verkrijgen van een individuele voorziening jeugdhulp geldt de in hoofdstuk 4 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. Dit is niet van toepassing als de hulpvraag hoog specialistische hulp vereist. Hoog specialistische jeugdhulp is intensieve hulp bij zeer complexe en/of meervoudige problematiek. Ook verblijfsvoorzieningen, waar een jeugdige buiten het eigen gezin opgevangen wordt, vallen onder de hoog specialistische jeugdhulp. In die gevallen verwijst de huisarts, medisch specialist en jeugdarts de jeugdige naar Crossroads te verwijzen. Crossroads beoordeelt in overleg met de jeugdige en zijn ouders welke jeugdhulp nodig is en in welke vorm deze geboden dient te worden. Crossroads stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in pgb; om een individuele voorziening in pgb te verstrekken zijn handelingen nodig zoals het opstellen van een budgetplan en voorlichting geven over de SVB, die doorgaans geen onderdeel zijn van een dergelijke verwijzing.

De toets als bedoeld in het derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.

In het derde lid wordt gesproken over een toets op basis van signalen en steekproeven. Met signalen worden bedoeld alle zaken die over aanbieders, vormen van jeugdhulp en producten worden gesignaleerd. De signalen kunnen op verschillende manieren worden opgemerkt. Bijvoorbeeld vanuit materiële controle, relatiebeheer met aanbieders, data-analyse waaronder het maken van algemene prognoses en begrotingen. “Signalen” dient hier dus breed te worden opgevat. De steekproeven die worden bedoeld in lid 3 kunnen alle mogelijke delen zijn van de totale populatie aan jeugdhulp zoals aangevraagd als bedoeld in artikel 3.2. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in zorgsoort, aanbieder, periode van controle, etc. Een steekproef kan daarmee voor een bepaalde periode ook behelzen dat alle aanvragen worden gecontroleerd. In artikel 3.2, lid 5 staat het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouders een beschikking af dient te geven. De jeugdige of zijn ouders kunnen dit verzoek, gericht aan het college, doen bij de afdeling Dienstverlening - team Backoffice van de gemeente Tilburg.

Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting, het gaat dan om kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

Hoofdstuk 4 - Procedure toegang jeugdhulp via gemeente

Artikel 4.1 Algemeen

In dit artikel zijn verschillende procedure afspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente. Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit.

Artikel 4.2 Vooronderzoek

Als in het schriftelijke contact aard, omvang en tijdsduur inzet jeugdhulp wordt aangegeven is dit voldoende concreet en wordt dit beschouwd als aanvraag.

Het tweede lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

In lid 3 kunnen bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek ook al wat concrete vragen worden gesteld aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overhandigen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.

Ook is hierin een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.

Als een eerste contact met Toegang Tilburg voldoende concreet en schriftelijk is, kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders worden afgezien van een vooronderzoek en meteen worden overgegaan tot een aanvraag (lid 5).

Artikel 4.3 Gesprek

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. In de onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet [en de verordening] vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige wordt rekening gehouden met zijn/haar mening en voorkeur over de in te zetten ondersteuning (lid twee).

Het derde lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan, Plan van aanpak in de wet (artikel 2.1, onder g, in samenhang met artikel 1.1). De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.

Artikel 4.4 Verslag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het college verstrekt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook gebruikt als een met de jeugdige en of ouders overeengekomen plan waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de jeugdige en of ouders dit plan ondertekenen. Afhankelijk van de leeftijd ondertekend de jeugdige het Plan van aanpak. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is vormvrij (tweede lid).

Artikel 4.5 Aanvraag

Jeugdigen of ouders kunnen een aanvraag jeugdhulp schriftelijk indienen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit op een aanvraag jeugdhulp, om die reden zijn de termijnen van de Awb van toepassing. Samen kijken Toegang en gezaghebbende ouder(s) en/of de jeugdige welke aanbieder het beste bij de problematiek van de jeugdige past. Als blijkt dat er een noodzaak is voor hoog specialistische jeugdhulp wordt door de Toegang zo snel mogelijk aansluiting gezocht met Crossroads. Crossroads bepaalt de aard van de hoog specialistische jeugdhulp en neemt namens de gemeente een besluit. In alle andere gevallen bepaalt de Toegang de aard en omvang van de jeugdzorg en stuurt de gemeente een beschikking met een beknopt plan jeugd als bijlage. Het is mogelijk (via de reguliere procedure) om hier bezwaar tegen te maken. De afhandeling van bezwaarzaken wordt afgehandeld door de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Tilburg.

Artikel 4.6 Inhoud beschikking

Indien de jeugdige of zijn ouders een aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen. In de beschikking staat de informatie die voor de ouder(s) en of jeugdige nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen.

Artikel 4.7 Regels voor pgb

Een Toegangsprofessional stelt vast of de ouder(s) (of de pgb vertegenwoordiger voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsgebonden budget. In een Plan van Aanpak worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd.

Het vijfde lid berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Jeugdigen of hun ouders dienen zelf bij te betalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura (vijfde lid sub c). Bij het vijfde lid, sub e staat dat er voor reguliere jeugdhulpaanbieders andere tarieven gelden dan voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige en ouders (informele zorgverleners). De ZIN tarieven zijn op basis van de AMVB reële tarieven uitgewerkt. Bij de verhouding ZIN en Pgb is het uitgangspunt dat Pgb aanbieders administratief, declaratie-technisch, qua verantwoording aan minder eisen hebben te voldoen dan ZIN-aanbieders. Ook leveren zij veelal meer mono - disciplinaire hulp, waardoor er minder afstemming nodig is met andere partijen en niet met verwijzers. Om deze reden hebben zij minder overhead - kosten. Daarnaast zijn zij, door het meer mono - disciplinaire karakter, vaak productiever. Om deze reden hanteren wij de kostenopbouw van ZIN-producten met daarbij halvering van het overhead-percentage en de risico-opslag. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 16 augustus 2023 een uitspraak gedaan dat het tarief voor een pgb voor informele hulp moet overeenkomen met de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Door deze uitspraak is duidelijk welke pgb-tarieven gemeenten minimaal moeten hanteren voor informele hulp. Een lager uurloon mag niet meer worden toegepast. In lid 11 staat dat jeugdhulp geleverd door een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt altijd wordt aangemerkt als informele hulp.

In lid 13 staat dat de voorziening die met pgb betaald wordt van goede kwaliteit is. Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.

Lid 20: Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet wenselijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn.

Artikel 4.8 Advisering

Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een extern deskundige om advies te vragen in het onderzoek. De jeugdige en/of ouders worden hiervan op de hoogte gesteld.

Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving

Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Lid 1

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 8.1.2 van de wet ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel pgb als in natura.

Lid 2

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling.

Verder breidt de verordening bepaling de herzienings- / intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.

Lid 4

In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Met ingang van 1 april 2017 is artikel 8b, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling Jeugdwet van kracht. Het artikel bepaalt dat de voor budgethouders verplicht gestelde modelzorgovereenkomsten een zogenoemd derdenbeding bevatten, waarmee het college ten onrechte gedeclareerde ondersteuning kan verhalen op de ondersteuner die jeugdhulp levert.

Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik

Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.

Lid 1

Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Lid 2

In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).

Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Gecontracteerde jeugdhulpaanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IG&J) en pgb aanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Toegang. De gemeente heeft in het kader van contractering en monitoring een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Voor zover de gemeente hierbij signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde jeugdhulp, stuurt de gemeente deze door naar de IG&J.

Het kwaliteitstoezicht op mogelijke aanvullende kwaliteitseisen is aan de gemeente zelf. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders, zowel in natura als pgb. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.

Lid 4

Deze bepaling ziet toe op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Jeugdwet. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen.

Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermings-maatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermings-maatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 6 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon

Artikel 6.1 Klachtregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

Artikel 6.2 Vertrouwenspersoon

In artikel 2.5, tweede lid, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

Hoofdstuk 7 - Inspraak

Artikel 7.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet.

Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Hoofdstuk 8 - Slotbepalingen

Artikel 8.1 Hardheidsclausule

Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.

Artikel 8.3 Beleidsregels

In dit artikel wordt bepaald dat er beleidsregels jeugdhulp door de gemeente Tilburg vastgesteld kan worden. Beleidsregels bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening.

Artikel 8.5 Intrekking oude verordening

In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de jeugdige en of ouders kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de jeugdige en of ouders. Dit ter voorkoming dat de jeugdige en of ouders gedupeerd zijn als de aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en de rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast.

Artikel 8.6 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.