Beleidsregel ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam

Geldend van 29-12-2023 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam

Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam;

gelet op artikel 4:4, 4:8 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat het op grond van artikel 19 van de Wet personenvervoer 2000 verboden is openbaar vervoer te verrichten zonder daartoe verleende concessie;

het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam (‘dagelijks bestuur’) op grond van artikel 29 Wet personenvervoer2000 ontheffing kan verlenen van het verbod zonder concessie openbaar vervoer te verrichten;

het dagelijks bestuur het wenselijk acht voor de behandeling van ontheffingsaanvragen een beleidsregel vast te stellen;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvraag: aanvraag ter verkrijging van een ontheffing;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    concessie: concessie als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • d.

    concessiegebied: gebied waarbinnen de aanvrager van een ontheffing openbaar vervoer wil verrichten en waarvoor door het dagelijks bestuur aan een ander dan de aanvrager een concessie is verleend;

  • e.

    concessiehouder: concessiehouder als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • f.

    dienstregeling: dienstregeling als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • g.

    concessievervoer: openbaar vervoer dat wordt verricht op grond van een door het dagelijks bestuur verleende concessie;

  • h.

    ontheffing: ontheffing als bedoeld in artikel 29 van de wet;

  • i.

    wet: Wet personenvervoer 2000.

Artikel 2 Beoordeling

Het dagelijks bestuur weigert een ontheffing slechts indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur de vervoersvoorziening waarvoor een ontheffing is aangevraagd, een zodanige gelijkenis vertoont met het concessievervoer in het concessiegebied, dat daarmee een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de exploitatie van die concessie.

Artikel 3 Aanvraag

Het dagelijks bestuur beoordeelt een aanvraag, onverminderd artikel 4:2 van de Awb, op basis van de gegevens zoals gevraagd in het door het dagelijks bestuur vastgestelde aanvraagformulier voor ontheffingen.

Artikel 4 Onvolledige aanvraag

Indien de verstrekte gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4:2 van de Awb en artikel 3 onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag stelt het dagelijks bestuur de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen binnen een termijn van vier weken.

Artikel 5 Zienswijze concessiehouder(s)

  • 1. Het dagelijks bestuur vraagt de concessiehouder op wiens concessiegebied de aanvraag betrekking heeft:

    • a.

      of volgens hem sprake is van een gelijkenis tussen het aangevraagde openbaar vervoer en het concessievervoer; en zo ja,

    • b.

      of volgens hem die gelijkenis zodanig is dat daarmee sprake is van een onevenredige afbreuk aan de exploitatie van het concessievervoer.

  • 2. De concessiehouder dient zijn zienswijze zoveel mogelijk te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Voor zover de concessiehouder in de zienswijze verwijst naar financiële bedrijfsgegevens, bevat de zienswijze een verklaring van een accountant dat de financiële bedrijfsgegevens overeenstemmen met de bedrijfsboekhouding.

  • 3. Het dagelijks bestuur biedt de concessiehouder een reactietermijn van twee weken.

Artikel 6 Zienswijze wegbeheerder(s)

  • 1. Het dagelijks bestuur vraagt de wegbeheerder op wiens gebied de aanvraag betrekking heeft of volgens hem het aangevraagde openbaar vervoer het concessievervoer zal hinderen gelet op het gebruik van (OV-)infrastructuur.

  • 2. De leden 2 en 3 van artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Beslistermijn

Het dagelijks bestuur geeft binnen een redelijke termijn een beschikking na ontvangst van de aanvraag, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:14 derde lid en artikel 4:15 van de Awb.

Artikel 8 Duur

  • 1. Een ontheffing wordt verleend voor de duur van twee jaar, eventueel met een optie tot verlenging met maximaal twee jaar.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan besluiten een ontheffing voor kortere of langere duur te verlenen, bijvoorbeeld indien:

    • a.

      de aanvraag een gemotiveerd verzoek hiertoe bevat;

    • b.

      afstemming op de resterende duur van de betrokken concessie(s) dan wel van een aangrenzende concessie(s) gewenst is;

    • c.

      de verwachting is dat de concessiehouder in de toekomst vergelijkbaar openbaar vervoer zal aanbieden.

Artikel 9 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Het dagelijks bestuur neemt in een ontheffing in ieder geval de volgende voorschriften op:

    • a.

      het openbaar vervoer waarvoor de ontheffing is verleend mag het concessievervoer niet hinderen;

    • b.

      wijzigingen in de route en dienstregeling zijn niet toegestaan, tenzij het naar het oordeel van het dagelijks bestuur om een niet-substantiële wijziging gaat; een niet-substantiële wijziging mag niet eerder worden doorgevoerd dan na schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur en wordt ten minste vier weken voor de ingangsdatum schriftelijk aan het dagelijks bestuur gemeld.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan in een ontheffing voorts andere voorschriften opnemen die zijn gericht op het beperken van de afbreuk aan de exploitatie van de concessie.

  • 3. Bij het niet naleven van de voorschriften en beperkingen die aan de ontheffing zijn verbonden kan het dagelijks bestuur de ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Blad Gemeenschappelijke Regeling Vervoerregio Amsterdam waarin deze wordt geplaatst.

Artikel 11 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam.

Ondertekening

Aanvraagformulier ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam

Dit is het aanvraagformulier voor een ontheffing, als bedoeld in artikel 29 van de Wet personenvervoer 2000, voor het verrichten van openbaar vervoer in een concessiegebied van de Vervoerregio Amsterdam anders dan het openbaar vervoer waarvoor een concessie is verleend.

Bij dit aanvraagformulier staat bij elke vraag (met uitzondering van vraag 1), cursief weergegeven, een korte toelichting op de vraag. Bij de beoordeling van de aanvraag neemt het dagelijks bestuur van de Vervoerregio de Beleidsregel ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam in acht. Deze Beleidsregel bevat ook een algemene en artikelsgewijze toelichting. Mocht sprake zijn van een tegenstrijdigheid tussen de tekst van de Beleidsregel en dit aanvraagformulier, gaat de tekst van de Beleidsregel voor op het aanvraagformulier.

Wij proberen binnen acht weken een beslissing te nemen op uw aanvraag. Deze termijn kan worden opgeschort, bijvoorbeeld wanneer uw aanvraag niet compleet is.

1.Gegevens aanvrager

KvK-nummer:

Naam organisatie:

Naam contactpersoon:

Adres:

Postcode:

Telefoonnummer:

E-mailadres:

Indien van toepassing:

Gegevens onderaannemer

KvK-nummer:

Naam organisatie:

Naam contactpersoon:

Adres:

Postcode:

Telefoonnummer:

E-mailadres:

1. Welk openbaar vervoer wenst u te (laten) verrichten binnen het concessiegebied van de Vervoerregio?

Geef hierbij een zo volledig mogelijke omschrijving van het openbaar vervoer dat u zou willen verrichten binnen het concessiegebied van de Vervoerregio.

Bijvoegen:

  • Een vervoerplan met de te rijden route, een overzicht van de halteplaatsen, de dienstregeling, het verwachte aantal reizigers, de te hanteren tarieven en kaartsoorten, de periode waarin het vervoer wordt aangeboden en een overzicht van de in te zetten voertuigen.

  • Kaart van de voorgenomen te rijden route, met aanduiding van de halteplaatsen.

  • Een toelichting waarin u beschrijft in hoeverre het vervoer een aanvulling vormt op het bestaande openbaar vervoer in het concessiegebied.

  • Indien sprake is van personenvervoer per bus: een kopie van een geldige communautaire vergunning, zoals genoemd in artikel 4, lid 1, van de Wet personenvervoer 2000. N.B. De communautaire vergunning moet gedurende de gehele duur van de te verlenen ontheffing geldig zijn. Verloopt de communautaire vergunning gedurende de termijn waarbinnen ontheffing is verleend, dient aanvrager tijdig een kopie van een nieuwe communautaire vergunning in te dienen bij de Vervoerregio.

  • Indien van toepassing: een kopie van de vergunning voor internationaal geregeld vervoer op grond van Verordening (EG) Nr. 1073/2009.

  • Indien u voor de uitvoering van het openbaar vervoer gebruikt maakt van een onderaannemer, dan de gegevens hierover (de gegevens van dit bedrijf, zoals ook zijn weergegeven onder 1) vermelden. Tevens dient de communautaire vergunning en, indien van toepassing, de vergunning voor internationaal geregeld vervoer van de onderaannemer te worden bijgevoegd.

  • Een machtiging ingeval de aanvrager optreedt namens één of meerdere organisaties.

  • Een afschrift van een uittreksel Kamer van Koophandel van de aanvrager (maximaal 3 maanden oud), waaruit de tekenbevoegdheid van ondergetekende blijkt, eventueel aangevuld met een volmacht.

  • Voor zover de aanvrager gemachtigd is door één of meerdere organisaties, afschriften van de uittreksels uit het Handelsregister (maximaal 3 maanden oud) van de organisaties die hij/zij vertegenwoordigt.

  • Een kopie van de KIWA-registratie van de voertuigen die worden ingezet voor het aangevraagde openbaar vervoer.

2.Geef gedetailleerd aan met welke (gedeelten van) lijnen van het bestaande openbaar vervoer binnen het concessiegebied uw voorgenomen openbaar vervoer een overlap vertoont.

Voor zover de lijnen van de concessiehouder per dienstregeling(jaar) kunnen wisselen, dient u uit te gaan van de meest recent vastgestelde en in werking getreden dienstregeling, op het moment van indiening van uw aanvraag.

3.Geef gemotiveerd – per voorgenomen lijn/route - weer op welke aspecten het openbaar vervoer waarvoor u de ontheffing aanvraagt wel/geen gelijkenis vertoont met het openbaar vervoer waarvoor (een) concessie(s) is verleend binnen het concessiegebied(en).

Ga in uw motivering in op welke aspecten de aangevraagde lijn fundamenteel verschilt ten opzichte van onder meer de lijnen van de huidige concessiehouder(s), zoals de geboden verbinding, de route, het gebruik van (OV)halteplaatsen, het voertuigtype, de bedieningsperioden, het aantal vertrekmogelijkheden, de reistijd, de kaartsoorten, de hoogte van de tarieven, (dynamische) reisinformatie, etc.

4.Wat zijn uw exploitatieverwachtingen van het vervoer waarvoor u de ontheffing aanvraagt?

Ga hierbij ook in op de reizigersstromen en licht toe op welke doelgroep(en) u zich richt.

5.Heeft u overleg/afstemming gehad met de betreffende concessiehouder(s)?

Het gaat hierbij onder meer om afstemming met de dienstregeling van de concessiehouder(s) en de halteplaats(en), met het oog op het voorkomen van hinder voor concessiehouders ten aanzien van het gebruik van OV-infrastructuur door het openbaar vervoer waarvoor u ontheffing aanvraagt.

Wij wijzen er hierbij op dat afspraken over het halteren en bufferen op busstations onderling worden gemaakt tussen concessiehouders en eventuele andere vervoerders die gebruik maken van het busstation, waaronder afspraken over de halteverdeling. In uw aanvraag dient u de aanduiding van het platform op het busstation te vermelden waar u wenst te halteren. Mocht hierover discussie ontstaan bepaalt de Vervoerregio hoe de ruimte op het busstation wordt verdeeld. Beperkingen van tijdelijke aard lopen via het proces van de desbetreffende Centrale Verkeersleiding.

Indien u overleg/afstemming heeft gehad, kunt u dan aangeven of de concessiehouder bezwaar heeft tegen het openbaar vervoer waarvoor u ontheffing aanvraagt? Indien u beschikt over een schriftelijke verklaring van geen bezwaar van de concessiehouder voegt u deze bij. Dit is niet verplicht voor het kunnen indienen van een aanvraag, maar kan de behandeling van uw aanvraag wel bespoedigen.

Wij wijzen erop dat de Vervoerregio na ontvangst van uw aanvraag - in het kader van een zorgvuldige voorbereiding - (ook) een zienswijze bij de desbetreffende concessiehouder(s) zal opvragen over uw aanvraag.

6.In hoeverre wenst u gebruikt te maken van OV-infrastructuur, zoals haltes, busbanen en stations?

Indien u gebruik wenst te maken van OV-infrastructuur vragen wij u te specificeren van welke haltes/busbanen/stations u precies gebruikt wilt maken, op welke dagen/tijdstippen en met welke voertuigen.

7.Zijn de route, de halteplaatsen en het eventuele gebruik van OV-infrastructuur afgestemd met de wegbeheerder(s) van het gebied waarbinnen het openbaar vervoer zal worden verricht?

Zo ja, graag een kopie van deze afstemming met de wegbeheerder(s) bij uw aanvraag voegen.

Indien (nog) geen afstemming heeft plaatsgevonden, wijzen wij u erop dat het uw verantwoordelijkheid is om met de wegbeheerder af te stemmen dat er geen beperkingen (zoals omleidingen, geslotenverklaringen, milieuzones) gelden ten aanzien van de voorgestelde route, de halteplaatsen en het eventuele gebruik van OV-infrastructuur.

Wij wijzen erop dat de Vervoerregio na ontvangst van uw aanvraag - in het kader van een zorgvuldige voorbereiding - (ook) een zienswijze bij de desbetreffende wegbeheerder(s) zal opvragen over het gebruik van (OV-)infrastructuur zoals opgenomen in uw aanvraag.

N.B. Een verleende ontheffing van de Vervoerregio staat los van het gebruik van (OV-)infrastructuur die onder de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder valt.

8.Is uw voorgenomen openbaar vervoer in strijd met (een bepaling in) de Algemene plaatselijke verordening (APV) van de gemeente waarbinnen het openbaar vervoer wordt verricht?

Zo nee, graag aangeven dat de APV hier geen rol speelt.

Zo ja, graag afstemmen met de gemeente dat de gemeente bereid is om een ontheffing/vergunning te verlenen op grond van de APV.

N.B. Een verleende ontheffing van de Vervoerregio staat los van de ontheffing/vergunning van de gemeente(n) op grond van de APV.

9.Welke maatregelen treft u om te voldoen aan de wettelijke toegankelijkheidseisen die gelden voor het openbaar vervoer?

Deze zijn onder meer vastgelegd in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer en Verordening (EG) Nr. 661/2009.

10.In welke emissieklasse vallen de voertuigen die u wilt inzetten voor het openbaar vervoer?

U dient rekening te houden met milieuzones die door gemeenten zijn ingesteld of zijn voorzien in de (nabije) toekomst.

11. Voor welke periode vraagt u de ontheffing aan?

De Vervoerregio verleent de ontheffing standaard voor een periode van twee jaar, met mogelijkheid tot afwijking. Mocht u een ontheffing voor een kortere of langere periode wensen, dient u dat in uw aanvraag te motiveren, dit ter beoordeling van de Vervoerregio.

Ondergetekende verklaart dit formulier naar waarheid te hebben ingevuld en de aanvrager rechtsgeldig te vertegenwoordigen,

Datum aanvraag:

Naam:

Functie:

Ondertekening:

Toelichting behorende bij Beleidsregel ontheffing concessieplicht openbaar vervoer Vervoerregio Amsterdam

Algemeen

Artikel 19 van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) bepaalt dat voor het verrichten van openbaar vervoer in Nederland een concessie is vereist (‘concessieplicht’)1. Het dagelijks bestuur van de Vervoerregio Amsterdam (‘het dagelijks bestuur’) is op grond van artikel 20, derde lid, van Wp2000 en artikel 36b, aanhef en sub a. en bijlage II van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000) bevoegd tot het verlenen van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein, en kwalificeert daarmee als ‘concessieverlener’.

In artikel 29 Wp2000 is voor het dagelijks bestuur de mogelijkheid gecreëerd om ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 19 van de Wp2000 om openbaar vervoer te verrichten zonder concessie. De wetgever acht dit wenselijk om innovaties vanuit de markt – die zijn gericht op het aanbieden van openbaar vervoer dat zodanig goed aansluit op de wensen van de reiziger dat subsidiëring niet nodig is – en cabotagevervoer2 niet te belemmeren. Anderzijds is het voor de concessiehouder van belang dat gewaarborgd is dat ‘zijn concessie’ niet te allen tijde kan worden uitgehold door vervoerders die ongesubsidieerd openbaar vervoer verrichten en in die zin de “krenten uit de pap” van zijn concessie halen3. Een ontheffing mag slechts worden geweigerd indien zich de weigeringsgrond van het vierde lid van artikel 29 Wp2000 voordoet: indien naar het oordeel van de concessieverlener de vervoersvoorziening waarvoor een ontheffing is aangevraagd, een zodanige gelijkenis vertoont met openbaar vervoer waarvoor een concessie is verleend, dat daarmee een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de exploitatie van die concessie.

In deze beleidsregel wordt de procedure voor de behandeling van ontheffingsaanvragen door het dagelijks bestuur vastgelegd. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur een aanvraagformulier vast voor het indienen van ontheffingsaanvragen. Met deze beleidsregel en het aanvraagformulier legt het dagelijks bestuur de in de praktijk ontwikkelde werkwijze voor de behandeling van ontheffingsaanvragen vast.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Beoordeling

De wetgever heeft geen algemene normstelling voor het begrip ‘onevenredige afbreuk’ gegeven. De praktijk laat zien dat de beoordeling van ontheffingsaanvragen op grond van artikel 29 Wp2000 zeer casuïstisch is. Het dagelijks bestuur zal per ontheffingsaanvraag op basis van de relevante feiten en af te wegen belangen de beoordeling op grond van artikel 29 Wp2000 uitvoeren.

Artikel 3 Aanvraag

Het dagelijks bestuur heeft op grond van artikel 4:4 van de Awb een formulier vastgesteld voor het indienen van de ontheffingsaanvraag en het verstrekken van gegevens. Dit formulier is te vinden in het Blad gemeenschappelijke regeling Vervoerregio Amsterdam en op de website van de Vervoerregio Amsterdam.

Artikel 4 Onvolledige aanvraag

Indien het aanvraagformulier naar het oordeel van de Vervoerregio niet of onvoldoende duidelijk is ingevuld en/of gevraagde bijlagen niet zijn bijgevoegd, deelt de medewerker dit gemotiveerd mee aan de aanvrager. Voor een zorgvuldige en efficiënte behandeling van de aanvraag treedt de Vervoerregio zo nodig in persoonlijk contact met de aanvrager, bijvoorbeeld om onduidelijkheden in de aanvraag op te helderen.

De aanvrager wordt dan een termijn van vier weken gesteld om de aanvraag aan te vullen, zoals bedoeld in artikel 4:5 Awb. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort conform het bepaalde in artikel 4:15 lid 1 sub a. Awb. Indien de aanvrager de geboden hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, kan het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:5 Awb besluiten de aanvraag niet te behandelen.

Artikel 5 Zienswijze concessiehouder(s)

In het kader van een zorgvuldige voorbereiding vraagt de Vervoerregio de concessiehouder wiens concessiegebied het betreft om binnen een termijn van twee weken een zienswijze te geven over de ontheffingsaanvraag. De concessiehouder wordt gevraagd of volgens hem sprake is van gelijkenis tussen het aangevraagde openbaar vervoer en het concessievervoer, en zo ja, of volgens hem die gelijkenis zodanig is dat daarmee sprake is van een onevenredige afbreuk aan de exploitatie van het concessievervoer.

Artikel 6 Zienswijze wegbeheerder(s)

In het kader van een zorgvuldige voorbereiding vraagt de Vervoerregio de wegbeheerder op wiens gebied de aanvraag betrekking heeft om binnen een termijn van twee weken een zienswijze te geven over de ontheffingsaanvraag. De wegbeheerder wordt gevraagd of volgens hem het aangevraagde openbaar vervoer het concessievervoer zal hinderen gelet op het gebruik van (OV-)infrastructuur. Het vervoer waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd kan bijvoorbeeld effect hebben op de doorstroming van het concessievervoer wanneer de voertuigen die worden ingezet geen apparatuur bevatten om verkeersregelinstallaties te beïnvloeden. Ook kan een wegbeheerder beoordelen of er voldoende ruimte is voor het gebruik van OV-haltes door het vervoer waarvoor de ontheffing is aangevraagd, zonder hinder voor de concessiehouder.

Artikel 7 Beslistermijn

Bij ontbreken van een wettelijk voorschrift beslist het dagelijks bestuur binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Conform artikel 4:13, tweede lid, Awb is een redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, Awb heeft gedaan. Daarnaast wordt de termijn voor het geven van de beschikking opgeschort in de in artikel 4:15 Awb genoemde gevallen.

Bij een voorgenomen (gehele of gedeeltelijke) weigering op de aanvraag, zal de Vervoerregio de aanvrager horen, zoals bedoeld in artikel 4:7 Awb. Dit kan laagdrempelig, zoals telefonisch of per email door een medewerker van de Vervoerregio.

Een besluit tot verlening of weigering van een ontheffing staat open voor bezwaar en beroep. Tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk na bekendmaking van het besluit aan de aanvrager, wordt aan degenen die bij de voorbereiding van dit besluit een zienwijze naar voren hebben gebracht, mededeling gedaan van het besluit, conform artikel 3:43 Awb.

Artikel 8 Duur

De Vervoerregio verleent de ontheffing standaard voor een periode van twee jaar, eventueel met een mogelijkheid tot verlenging met maximaal twee jaar. Het dagelijks bestuur kan besluiten de ontheffing voor kortere of langere duur te verlenen, in ieder geval wanneer de situaties als beschreven in het tweede lid zich voordoen. Mocht een aanvrager een ontheffing voor een kortere of langere periode wensen, dan dient hij dit in zijn aanvraag te motiveren. Dit ter beoordeling van het dagelijks bestuur. Ter voorkoming dat de duur van de ontheffing de duur van de concessie overschrijdt, kan het dagelijks bestuur in voorkomend geval een ontheffing voor kortere duur verlenen, eindigend op de datum waarop de concessie eindigt. Indien bij de ontheffing meerdere concessieverleners zijn betrokken, kan afstemming van de duur gewenst zijn. Ook wanneer is voorzien dat de concessiehouder het openbaar vervoer waarvoor de ontheffing is aangevraagd zelf gaat aanbieden, kan het dagelijks bestuur de duur van de ontheffing hierop afstemmen.

Artikel 9 Voorschriften en beperkingen

Het dagelijks bestuur neemt in de ontheffing de standaardvoorschriften op, en kan daarnaast maatwerkvoorschriften opnemen. Daarnaast kan het dagelijks bestuur de ontheffing onder beperkingen verlenen. Het opnemen van beperkingen en/of voorschriften heeft in ieder geval tot doel de belangen van de concessiehouder te waarborgen. Door het opnemen van voorschriften kan worden voorkomen dat het openbaar vervoer waarvoor ontheffing is aangevraagd zodanige gelijkenissen vertoont met het concessievervoer dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de exploitatie van de concessie. In ieder geval wordt het voorschrift opgenomen dat het concessievervoer niet mag worden gehinderd door het openbaar vervoer waarvoor de ontheffing is verleend.

Daarnaast wordt een voorschrift opgenomen over wijziging van de ontheffing. Het doorvoeren van wijzigingen in de route en dienstregeling ten opzichte van de route en dienstregeling zoals opgenomen in de aanvraag is niet toegestaan, tenzij het gaat om een niet-substantiële wijziging. Dit ter beoordeling van het dagelijks bestuur. Een niet-substantiële wijziging mag niet eerder worden doorgevoerd dan na schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur en wordt ten minste vier weken voor de ingangsdatum schriftelijk aan het dagelijks bestuur gemeld. Indien het dagelijks bestuur oordeelt dat de voorgenomen wijziging leidt tot meer gelijkenis met het concessievervoer, is dit een indicatie dat het gaat om een substantiële wijziging. Voor een substantiële wijziging dient een nieuwe ontheffingsaanvraag te worden ingediend.

Bij het niet naleven van de voorschriften/en of de beperkingen kan het dagelijks bestuur de ontheffing op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wp2000 geheel of gedeeltelijk intrekken. Het dagelijks bestuur volgt hierbij de volgende procedure:

  • 1.

    bij een eerste constatering dat één of meerdere van de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet worden nageleefd, ontvangt de aanvrager een waarschuwing om onverwijld deze voorschriften en/of beperkingen na te leven;

  • 2.

    bij een tweede constatering dat een of meerdere van de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet worden nageleefd, wordt het bestuursrechtelijke traject van handhavend optreden opgestart door een vooraankondiging tot handhavend optreden naar de aanvrager te zenden;

  • 3.

    indien de begunstigingstermijn genoemd in de vooraankondiging om de overtredingen ongedaan te maken ongebruikt is gelaten, volgt een besluit tot het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder dwangsom waarbij de kans bestaat dat de ontheffing tijdelijk wordt ingetrokken totdat de aanvrager kan aantonen dat hij aan de aan de ontheffing verbonden voorwaarden en/of beperkingen voldoet;

  • 4.

    indien de tijdelijke intrekking langer dan drie maanden voortduurt, wordt de ontheffing definitief ingetrokken.

Afwijking van beleidsregel

Indien toepassing van deze beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, is het dagelijks bestuur conform artikel 4:84 Awb bevoegd om gemotiveerd af te wijken van deze beleidsregel.


Noot
1

Voor een (internationale) passagiersvervoersdienst die slechts één halte in Nederland aandoet geldt geen concessieplicht.

Noot
2

In Verordening 1073/2009/EG wordt onder cabotage verstaan: “het opnemen en afzetten van passagiers binnen dezelfde lidstaat in de loop van internationaal geregeld vervoer, overeenkomstig de bepalingen van deze verordening, op voorwaarde dat dit niet het hoofddoel van de dienst is.”.

Noot
3

Kamerstukken II, 1998/99, 26456, nr. 3, p. 14-15.