Verordening nadeelcompensatie gemeente Hardinxveld-Giessendam

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Verordening nadeelcompensatie gemeente Hardinxveld-Giessendam

Intitulé

De Verordening nadeelcompensatie gemeente Hardinxveld-Giessendam

De raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 11 oktober 2022;

gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet;

besluit vast te stellen de:

Verordening nadeelcompensatie gemeente Hardinxveld-Giessendam

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • 2.

    bestuursorgaan: het orgaan dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen;

  • 3.

    college: het college van burgemeester en wethouders, ingevolge artikel 15.8 lid 1 van de Omgevingswet bevoegd om op een aanvraag om nadeelcompensatie te beslissen;

  • 4.

    derde-belanghebbende: degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten;

  • 5.

    gemeente: gemeente Hardinxveld-Giessendam;

  • 6.

    onafhankelijke adviescommissie: een persoon of adviescommissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, en die belast is met de advisering over het op de aanvraag te nemen besluit.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente.

Artikel 3. Heffen recht

Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van € 500,- geheven.

Artikel 4. De aanvraag

  • 1.

    Het bevoegd gezag stelt een (elektronisch) formulier beschikbaar voor een aanvraag om schadevergoeding.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4:127 van de Awb bevat een aanvraag mede:

    • a.

      als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving:

      jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de jaarrekeningen van drie daaraan voorafgaande jaren en de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting;

    • b.

      als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten:

      een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte.

  • 3.

    Het college kan vragen om aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling van het verzoek.

Artikel 5. Aanhouding behandeling van het verzoek

Het college kan de behandeling van een verzoek aanhouden als rechtsmiddelen zijn aangewend tegen een besluit waardoor de verzoeker naar zijn oordeel schade lijdt of zal lijden. De aanhouding duurt tot en met de dag waarop het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is.

Artikel 6. Adviescommissie

  • 1.

    Het college wint alleen advies in bij een onafhankelijke adviescommissie wanneer dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen.

  • 2.

    Advies als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet ingewonnen als:

    • a.

      de aanvraag naar het oordeel van het college kennelijk ongegrond is, omdat zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, van de Awb;

    • b.

      de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling;

    • c.

      de aanvraag naar het oordeel van het college voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht;

    • d.

      al op voorhand overeenstemming met aanvrager en eventuele derde-belanghebbende is bereikt over de hoogte van het uit te betalen schadebedrag;

    • e.

      naar het oordeel van het college in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is.

Artikel 7. Procedure

  • 1.

    Wanneer een verzoek om nadeelcompensatie is ingediend, brengt het college de eventuele derde-belanghebbende hiervan op de hoogte.

  • 2.

    Het college informeert de aanvrager en eventuele derde-belanghebbende wanneer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijk adviescommissie.

  • 3.

    De aanvrager en eventuele derde-belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk hun zienswijze over de aanvraag naar voren te brengen.

  • 4.

    Een derde-belanghebbende hoeft niet bij de aanvraag te worden betrokken wanneer op grond van artikel 13.3d van de Omgevingswet:

    • a.

      de schadevergoeding redelijkerwijs voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan;

    • b.

      de schadevergoeding voldoende op andere wijze is verzekerd.

Artikel 8. Uitbetaling

Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding, wordt de toegewezen schadevergoeding uiterlijk binnen vier weken na het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding uitbetaald.

Artikel 9 Aanvraag voorschot

  • 1.

    Het college kan op aanvraag een voorschot verlenen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat schadevergoeding op een aanvraag als bedoeld in deze verordening zal worden toegewezen.

  • 2.

    De hoogte van het voorschot wordt door het college bepaald en in de beschikking gemotiveerd.

  • 3.

    Artikel 4:95 en 4:96 van de Awb zijn op dit voorschot van toepassing.

Artikel 10 Intrekking oude regeling

De ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ vastgesteld op 2 november 2010, wordt ingetrokken.

Artikel 11 Overgangsrechtelijke bepalingen

  • 1.

    Als het schadeveroorzakende besluit of de schadeveroorzakende handeling voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is genomen of verricht, geldt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding de ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’, als bedoeld in artikel 10 tot maximaal vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt dat, wanneer een procedure om een schadeveroorzakend besluit te nemen is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is afgerond na de inwerkingtreding, dan start de termijn van vijf jaar op het moment dat het schadeveroorzakende besluit is genomen.

Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag dat de Omgevingswet in werking treedt.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nadeelcompensatie gemeente Hardinxveld-Giessendam.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2022

van de gemeente Hardinxveld-Giessendam.

De griffier, De voorzitter,

Annemarie van der Ploeg. Dirk Heijkoop.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsomschrijving

Voor de leesbaarheid van de verordening is een begripsomschrijving opgenomen. Hier wordt onderscheid gemaakt tussen het bestuursorgaan dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen en het bestuursorgaan dat ingevolge de Omgevingswet artikel 15.8 is aangewezen als bevoegd gezag om op de aanvraag te beslissen. Dat is voor de gemeente het college van burgemeester en wethouders.

Derde-belanghebbende is degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding vanwege een rechtmatige overheidsdaad. Het gaat om nadeelcompensatie als bedoeld in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Het kan voorkomen dat schade door meerdere overheden wordt veroorzaakt, bijvoorbeeld zowel de gemeente als het waterschap. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat de aanvrager in dat geval het loket kiest. Het gaat in deze verordening om schade waarvan door de aanvrager wordt gesteld dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. Hierop bestaat een uitzondering. Dat betreft de situatie waarbij de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit. Op die situatie is de regeling van artikel 15.8 van de Omgevingswet van toepassing. Daarin is geregeld dat het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld het bestuursorgaan is dat de schadevergoeding toekent. Een projectbesluit kan niet worden genomen door een bestuursorgaan van de gemeente. Dat kan wel door het Rijk of de provincie.

Artikel 22.16 van de Omgevingswet regelt het overgangsfase voor het projectbesluit. Hier is bepaald dat uiterlijk bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een projectbesluit moet voldoen aan artikel 5.52 eerste lid van de Omgevingswet. Voor zover een projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, geldt tot die tijd, dat hiervoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden verleend.

Artikel 3. Heffen recht

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding wordt een recht geheven. De figuur van de heffing is in artikel 4:128 van de Awb geïntroduceerd om te voorkomen dat er al te lichtvaardig wordt overgegaan tot indiening van een aanvraag om schadevergoeding. Het recht bedraagt € 500,-. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de

Awb buiten behandeling gesteld. Bij toewijzen van de aanvraag wordt het toe te kennen schadebedrag verhoogd met het geheven recht (artikel 4:129, aanhef en onder c van de Awb).

Artikel 4. De aanvraag

Eerste lid

De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding. Als niet aan de aanvraagvereisten

wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. In aanvulling hierop is in het eerste lid geregeld dat de aanvrager van schadevergoeding gebruik maakt van een door het bestuursorgaan vastgesteld [elektronisch] formulier.

Wanneer de aanvraag niet wordt aangeleverd via het [elektronisch] formulier, kan worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan betekenen dat de aanvrager wordt verzocht de aanvraag nadeelcompensatie alsnog via het formulier in te dienen. De gemeenten moet dan aangeven bij de aanvrager dat de aanvraag niet compleet is om in behandeling te worden genomen.

De gemeente kan dan expliciet de termijnen opschorten tot het moment dat wel de stukken zijn ingediend.

Tweede lid

In artikel 4:2 van de Awb is vastgelegd dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat:

  • 1.

    de naam en het adres van de aanvrager,

  • 2.

    de dagtekening en

  • 3.

    een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

In artikel 4:127 van de Awb is vastgelegd dat de aanvraag mede bevat:

  • 1.

    een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis en

  • 2.

    een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en,

  • 3.

    voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade of een specificatie daarvan.

In lid 2 zijn aanvullende eisen ten aanzien van schadeclaims wegens winst- of inkomstenderving of gederfde huurinkomsten opgenomen.

Overig

Verder verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Het gaat hier om gegevens en bescheiden die ten minste worden verstrekt. Het kan wenselijk zijn om dit voor aanvragen om schadevergoeding nader te specificeren. Uiteraard worden alleen gegevens gevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 5 Aanhouding behandeling van het verzoek

Indien het verzoek tot schadevergoeding betrekking heeft op een besluit waartegen bezwaar of (hoger) beroep aanhangig is, kan het college de behandeling van het verzoek aanhouden totdat het besluit onherroepelijk is. Dit volgt uit bepalingen genoemd in de Algemene wet bestuursrecht. Zoals hiervoor is vermeld, is de reikwijdte begrensd tot rechtmatig handelen. Dit betekent dat een definitief besluit over schadevergoeding pas kan worden genomen nadat het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden. Daarnaast kan de aanhangige procedure leiden tot wijziging van het besluit en daarmee samenhangend, de eventuele schade als gevolg daarvan.

Dit is vergelijkbaar met het huidige recht onder Afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening. Hoewel de schade formeel eerder ontstaat (de peildatum is nu inwerkingtreding maar onder de Omgevingswet afhankelijk van de oorzaak die valt onder artikel 15.3 en 15.4 Omgevingswet), is pas na onherroepelijke besluitvorming zekerheid. Dit voorkomt onnodig terugvorderen. Verschil is dat nu een premature aanvraag buiten behandeling mag/moet worden gelaten en straks deze wordt aangehouden (want het peilmoment ligt eerder).

Artikel 6. Adviescommissie

Het belang van onafhankelijk advies

Een belanghebbende die schadevergoeding aanvraagt kan sceptisch zijn over een vastgesteld schadebedrag wanneer het bevoegd gezag dit bedrag zelf heeft vastgesteld. Hierdoor kan bij de belanghebbende wantrouwen ontstaan en dat kan leiden tot onnodig meer beroepszaken. Betrouwbaarheid en vertrouwen in de overheid moeten hier leidend zijn. Hierover is onder het begrip planschade, als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, ook veel jurisprudentie over ontstaan.

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt hier het volgende over:

Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is uitgelegd welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

Het gegeven dat hier veel jurisprudentie over is ontstaan is gelegen in het feit dat aanvragers moeite hebben om een besluit tot een tegemoetkoming in schade te vertrouwen. Een onpartijdig adviseur draagt wel bij aan meer vertrouwen.

Geen vaste adviescommissie

Omdat in Hardinxveld-Giessendam weinig aanvragen om een tegemoetkoming in schade worden ingediend, is gekozen om bij elke afzonderlijke aanvraag te bepalen of een onafhankelijke commissie zal worden ingeschakeld. Er wordt dan ook niet gekozen om regionaal samen te werken met een vaste (onafhankelijke) regionale commissie.

Bepalingen over adviescommissie

Wanneer advies gevraagd wordt aan een onafhankelijke adviescommissie zijn de bepalingen genoemd in artikel 4:130 van de Awb van toepassing. Bij het afhandelen van aanvragen waarbij adviseur(s) zijn aangewezen bedraagt de beslistermijn maximaal zes maanden in plaats van de reguliere termijn van acht weken. Die termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verdaagd (artikel 4:130 van de Awb). De adviseur(s) maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en zijn niet betrokken bij de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de aanvraag betrekking heeft.

Bij het te nemen besluit wordt de adviseur van het advies vermeld en het advies kan hierbij ter motivering worden toegevoegd (artikel 3:8 van de Awb). Er kan in afwijking van het advies worden besloten. Dat moet dan wel goed worden gemotiveerd. Verder is het van belang dat het bestuursorgaan zich ervan vergewist, dat het onderzoek van de adviseur(s) op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden (artikel 3:9 van de Awb).

Wanneer in ieder geval geen advies wordt ingewonnen door een onafhankelijke adviescommissie

Alleen als het nodig is, wordt advies ingewonnen bij een adviescommissie. Dit uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in het tweede lid. Daarin is vastgelegd in welke situaties in ieder geval geen advies bij een adviescommissie wordt ingewonnen. Als een adviescommissie wordt ingeschakeld, betekent dit niet automatisch dat deze wordt gevraagd over de hele aanvraag te adviseren. Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden alleen de taxatie door een erkende taxateur te laten uitvoeren.

Artikel 7. Procedure

Eerste lid

Wanneer de te vergoeden kosten in rekening gebracht kunnen worden bij een derde belanghebbende moet deze op de hoogte gebracht worden wanneer een aanvraag is ingediend.

Tweede lid

De procedure en bijbehorende beslistermijnen voor het tot stand komen van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding zijn uitputtend geregeld in de Awb. Aanvullend hierop is vastgelegd dat het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden informeert als advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie. De opdracht aan de adviseur(s) kan ook worden ingetrokken. In dat geval worden de aanvrager en derde-belanghebbenden daar ook over geïnformeerd.

Derde lid

Op de voorbereiding van het besluit op een aanvraag om schadevergoeding is de Awb van toepassing, waaronder de bepalingen over de voorbereiding van besluiten (hoofdstuk 4 van de Awb).

Dat betekent onder andere dat de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb van toepassing zijn op grond waarvan de aanvrager en eventuele (derde-)belanghebbenden, binnen de daar opgenomen kaders, in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag een zienswijze naar voren te brengen. In het tweede lid is verduidelijkt welke partijen naast de aanvrager een zienswijze naar voren kunnen brengen. Dat zijn voor zover van toepassing degene die de activiteit verricht en met wie een schadeovereenkomst is afgesloten. Het gaat hier om de derde-belanghebbende. Zie hiervoor ook de begripsomschrijving.

Lid 3 bepaalt wanneer een derde-belanghebbende niet bij besluitvorming hoeft te worden betrokken. Het gaat om die gevallen waarbij een eventueel uit te betalen vergoeding niet verhaald zal worden op de derde-belanghebbende.

Artikel 8. Uitbetaling

In deze bepaling is de uiterste betaaltermijn vastgelegd. Als een aanvraag om schadevergoeding geheel of gedeeltelijk wordt toegekend, wordt het betreffende bedrag uiterlijk binnen vier weken na het onherroepelijk worden van het toekenningsbesluit uitbetaald. Dus na afronding van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures.

Artikel 9 Aanvraag voorschot

In dit artikel is vastgelegd dat het college op aanvraag kan beslissen een voorschot te verlenen op het eventueel uit te betalen bedrag aan schadevergoeding. Dit kan worden gedaan als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. Hiertoe kan door de aanvrager een verzoek worden gedaan. Het voorschot kan ook ambtshalve worden verleend. De artikelen 4:95 en 4:96 van de Awb zijn op dit voorschot onder meer van toepassing. Dat betekent onder andere dat onverschuldigde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

Artikel 10 Intrekken oude regeling

De ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ wordt ingetrokken.

Artikel 11 Overgangsrechtelijke bepalingen

In paragraaf 4.2.7 van de Invoeringswet zijn de overgangsbepalingen voor nadeelcompensatie opgenomen. In de toelichting bij de invoeringswet is het volgende opgenomen:

Als «kantelmoment» wordt gekozen voor het schadeveroorzakende besluit dat onder het oude recht is genomen of de schadeveroorzakende handeling die onder het oude recht is verricht. Als het schadeveroorzakende besluit of de schadeveroorzakende handeling voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is genomen of verricht, is op het verzoek om schadevergoeding het oude recht van toepassing. Om te voorkomen dat het oude recht nog tot in lengte van jaren van toepassing blijft, is deze regel in de tijd beperkt. Het oude recht blijft maximaal vijf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. Deze benadering sluit aan bij het overgangsrecht dat is opgenomen voor titel 4.5 Awb. De benadering sluit verder aan bij het overgangsrecht dat gold voor planschade op grond van de Invoeringswet Wro, zij het dat in plaats van een termijn van twee jaar is gekozen voor een termijn van vijf jaar. Bij de keuze van deze termijn wordt aangesloten bij het overgangsrecht van titel 4.5 Awb en bij artikel 4:131 Awb, waarin is gekozen voor een verjaringstermijn van vijf jaar naar het voorbeeld van de verjaring in het civiele recht.

Op de termijn van vijf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt een uitzondering gemaakt. Deze uitzondering heeft betrekking op schadeveroorzakende besluiten waarbij de voorbereidingsprocedure langere tijd in beslag kan nemen, zoals het geval is bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Als een procedure om een schadeveroorzakend besluit te nemen is gestart voor inwerkingtreding van de Omgevingswet en is afgerond na inwerkingtreding, start de termijn van vijf jaar op het moment dat het schadeveroorzakende besluit is genomen in plaats van de inwerkingtreding van de Omgevingswet als start van de termijn. Hiermee wordt voorkomen dat benadeelden minder dan vijf jaar de tijd krijgen om een verzoek om schadevergoeding in te dienen.

Voor de genoemde termijnen hierboven, blijft de ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ nog van toepassing.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

Regels over de inwerkingtreding van de verordening zijn opgenomen in de Bekendmakingswet. Hierin is geregeld dat de verordening of op de achtste dag na de bekendmaking in werking treedt of op een specifiek genoemde dag. In dit geval is het raadzaam de verordening gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te laten treden.