Verordening fysieke leefomgeving

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Verordening fysieke leefomgeving

De gemeenteraad van Hollands Kroon;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2023;

gelet op artikel 108, 147, 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet;

Besluit:

Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Algemene regels voor instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, gelden op dezelfde manier voor deze verordening behalve als hiervoor in deze verordening andere regels worden bepaald.

Artikel 1.2 Begrippen

In deze verordening en de daarbij horende regels wordt verstaan onder:

Algemene begrippen:

  • a.

    HIOR: Handboek Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente Hollands Kroon.

  • b.

    Bestaand: het aanwezige legale gebruik dat mag op het tijdstip dat deze beleidsregels ingaan en/of legale bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is volgens een bouw- of omgevingsvergunning of vergunningsvrij was.

  • c.

    Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, die geen gebouw zijn.

  • d.

    Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

  • e.

    Bouwvlak: een vlak aangegeven op een kaart, waarmee gronden zijn aangegeven, waar volgens de regels bebouwing mag komen die bij elkaar hoort.

  • f.

    Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Inclusie de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties.

  • g.

    Bruidsschat: onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'.

  • h.

    Seksinrichting: de voor het publiek bereikbare, besloten ruimte waarin als uitvoering van werk of in een omvang alsof dit uitvoering van werk was, seksuele handelingen worden uitgevoerd, of erotisch-pornografische vertoningen plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder ook begrepen een erotische massagesalon, wel of niet in combinatie met elkaar.

  • i.

    Woning: een geheel van ruimten, alleen bedoeld voor het bewonen door één afzonderlijk huishouden van wie de huisvesting daar, als naar de toegedeelde functie aan de locatie wordt gekeken, wel of niet nodig is.

Hoofdstuk 2 Algemene regels voor het instandhouden, beschermen, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving

Artikel 2.1 Doel van de regels

Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te bepalen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving

Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Iedereen draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Iedereen moet bij zijn activiteiten voldoende zorgen voor de fysieke leefomgeving en toestaan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden.

Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen

Iedereen die weet of kan bedenken dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen; die gevolgen zoveel mogelijk te verminderen of terug te draaien;

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden verminderd; die activiteit niet te doen als dat van hem kan worden gevraagd.

Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Degene die een voorwerp heeft geplaatst op een openbare plaats, zorgt ervoor dat:

  • het stevig is geplaatst;

  • geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid;

  • de doorstroming van het verkeer niet belemmert;

  • houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is afgelopen.

Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

  • 1. Het is verboden onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen.

  • 2. De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een monument zijn verplicht het onderhoud uit te voeren dat voor de instandhouding daarvan nodig is.

  • 3. De persoon die een activiteit verricht aan of bij een onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijk van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een perceel zorgt er voldoende voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor andere organisaties of personen.

Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand van wegen

Als bij het laden, lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen, dan wel bij andere werkzaamheden, de weg wordt verontreinigd en dat levert gevaar op voor de veiligheid van het verkeer of beschadigingen van het wegdek, dan is degene die die werkzaamheden verricht en zijn opdrachtgever, verplicht de weg onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te laten reinigen.

Artikel 2.8 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een gebouw zorgt voldoende voor de riolen en putten buiten gebouwen die niet openbaar zijn. Deze mogen geen gevaar opleveren voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor andere organisaties of personen.

Artikel 2.9 Toelatingsplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De zakelijk of persoonlijk persoon die recht heeft op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, veranderd of weggehaald.

  • 2. Dit geldt niet als over het onderwerp iets staat geschreven in de Waterstaatswet 1900 of de Onteigeningswet.

Artikel 2.10 Uitvoeringsregels openbare ruimte

Voor activiteiten die invloed hebben op de openbare ruimte zoals het lozen van water, de inrichting van wegen, inrichting van openbaar groen gelden dient het Handboek inrichting openbare ruimte (HIOR) te worden gevolgd.

Artikel 2.11 Verbod oplaten van ballonnen

Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen, wenslantaarns en soortgelijke voorwerpen die zonder sturing wegdrijven.

Hoofdstuk 3 Proces

Artikel 3.1 Indienen aanvraag vergunning, ontheffing, melding of kennisgeving

  • 1. Een aanvraag voor een vergunning, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en stukken worden ingediend bij het bevoegd gezag via het daarvoor bestemde digitale formulier dat beschikbaar is via de landelijke voorziening; Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Als deze weg niet is opengesteld dient het formulier op de website van Hollands Kroon te worden gebruikt.

  • 2. Een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening wordt gezien als een omgevingsvergunning zoals opgenomen in afdeling 5.1 van de Omgevingswet.

  • 3. Een melding dient uiterlijk 4 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager wil starten met de activiteit te zijn ingediend.

  • 4. Voor de evenementenvergunning geldt een afwijkende indieningstermijn op basis van het evenementenbeleid 2024.

  • 5. Bij een vergunningaanvraag voor evenementen moet minimaal worden aangeleverd:

    • a.

      De naam en het adres van de persoon die het evenement organiseert;

    • b.

      een plattegrond van de plaats van het evenement en de omgeving met schaal of afmeting;

    • c.

      de gegevens zoals bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen;

    • d.

      Een verkeersplan waarin ten minste de inzet van verkeersregelaars, de rijroutes, inclusief aan-, afvoer-, en nooduitgangen zijn opgenomen.

  • 6. In de melding van een betoging staat:

    • a.

      de naam en het adres van de persoon die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van het begin en van de beëindiging;

    • d.

      de plaats en, als dat van toepassing is, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      als dat van toepassing is, de wijze van samenstelling;

    • f.

      de maatregelen die de persoon die de betoging houdt gaat treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 7. De melding voor een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking moet voldoen aan het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen.

  • 8. Bij de melding voor carbidschieten dient het volgende te worden aangeleverd:

    • a.

      een kaart waarop de locatie van dat terrein staat;

    • b.

      een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein waar dat gebruik zal plaatsvinden;

    • c.

      bij het verschieten van voorwerpen moet de schootsrichting zijn aangegeven en de plaats vanwaar geschoten wordt.

  • 9. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting bevat in ieder geval:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder;

    • c.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 10. De aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats bevat in ieder geval:

    • a.

      Foto van kraam of wagen;

    • b.

      De afmetingen van de kraam of wagen;

    • c.

      Een plattegrond van het perceel, met daarop aangegeven de plaats waar de standplaats wordt ingenomen.

Artikel 3.2 Bevoegd gezag

Voor deze verordening is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, tenzij in een artikel of wetgeving staat dat een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is.

Artikel 3.3 Werking en geldingsduur vergunningen

  • 1. De vergunning is zaakgebonden, behalve als het in deze verordening anders is bepaald.

  • 2. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd, behalve als dit in de vergunning of ontheffing anders bepaald is of als de gevraagde vergunning of ontheffing dit niet toelaat.

  • 3. Als het aantal vergunningen of ontheffingen dat verleent kan worden beperkt is, maar er worden meer vergunningen of ontheffingen gevraagd dan kunnen worden verleend, dan geldt een maximale termijn van 5 jaar.

Artikel 3.4 Beslissen

  • 1. Voor een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in afdeling 16.5.2 van de Omgevingswet.

  • 2. Aan een vergunning of ontheffing kunnen nadere voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 3.5 Intrekken of wijzigen

  • 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      de vergunning of ontheffing is gegeven vanuit onjuiste of onvolledige ingeleverde gegevens;

    • b.

      omstandigheden of meningen na verlening van de vergunning of ontheffing zijn gewijzigd, waardoor intrekking of wijziging nodig is om het belang of de belangen van de noodzaak van de vergunning of ontheffing te beschermen;

    • c.

      als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn.

    • e.

      als de houder dit verzoekt;

    • f.

      het gebruik van de vergunning of ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat;

  • 2. Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld wordt in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid kan het bevoegd gezag een verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen geheel of gedeeltelijk intrekken:

    • a.

      als binnen 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, de bouwactiviteiten niet zijn gestart;

    • b.

      als er sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en 26 weken na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt;

    • c.

      als er geen sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en twee jaar na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt;

    • d.

      als de bouwactiviteiten, langer dan 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, hebben stilgelegen.

  • 4. Voor het intrekken van een omgevingsvergunning geldt de volgende procedure:

    • a.

      Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure:

      • Belanghebbenden krijgen, voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, de gelegenheid om hierover binnen een periode van twee weken hun zienswijzen hierover te geven zoals opgenomen in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

      • De gemeente neemt binnen 8 weken na de ontvangst van de zienswijzen een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning volgens deze regels.

      • Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele derde-belanghebbenden en wordt het op dezelfde manier gepubliceerd als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen.

    • b.

      Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure:

      • Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, wordt het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd. Hiervoor wordt een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor ontwerpbesluiten over verlening van gelijkwaardige vergunningen.

      • Belanghebbenden kunnen zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen.

      • Als er geen zienswijzen zijn ontvangen dan neemt de gemeente binnen vier weken nadat de periode voor het insturen van zienswijzen is afgelopen, het besluit.

      • Als er wel zienswijzen zijn ingestuurd dan neemt de gemeente het besluit uiterlijk 12 weken na de terinzagelegging zoals opgenomen in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

      • Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan de vergunninghouder, eventueel derde-belanghebbenden, en wordt gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen.

    • c.

      De vergunninghouder krijgt niet de gelegenheid zijn zienswijzen op het voornemen tot stopzetten van de vergunning in te sturen als er zich een situatie voordoet zoals opgenomen in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 5. In de volgende situaties is sprake van een concreet geval waarvoor een ruimere periode kan worden toegewezen dan gesteld in het derde lid:

    • a.

      De vergunninghouder kan met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) zijn plan tot het starten met het bouwen, aantonen.

    • b.

      De vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden opvoeren. Bijvoorbeeld een sterfgeval of ziekte in de familie, die aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid. Een ruimere periode wordt alleen toegewezen als de persoonlijke omstandigheid zich niet meer dan 26 weken voor de start van de intrekkingsprocedure heeft voorgedaan, of deze op dat moment nog voortduurt.

  • 6. Als binnen de ruimere periode, geen begin is gemaakt met het bouwen dan wordt de betreffende omgevingsvergunning, zonder dat het van te voren is aangekondigd, ingetrokken.

Artikel 3.6 Algemene weigeringsgronden

  • 1. Het bevoegd gezag weigert een vergunning of ontheffing:

    • a.

      als de activiteit niet mag volgens deze verordening of een andere wettelijke regeling;

    • b.

      als de activiteit niet mag volgens het omgevingsplan of daarop verleende ontheffing;

    • c.

      in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld is in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 2. Het bevoegd gezag kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren als:

    • a.

      dat naar hun oordeel nodig is voor een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en/of de openbare orde, de bescherming van het milieu of de doelen van de Omgevingswet;

    • b.

      dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor het waarmaken van maatschappelijke behoeften;

    • c.

      niet wordt voldaan aan de bij of volgens deze verordening bepaalde eisen om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen.

    • d.

      De aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 4 Erfgoed

  • a. Aardkundige waarden: die onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied.

  • b. Archeologisch monument: een terrein dat hoort bij cultureel erfgoed omdat daar overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, liggen.

  • c. Archeologisch onderzoek: werkzaamheden over het bodemarchief die voor de archeologische monumentenzorg door daartoe goedgekeurde instanties, worden uitgevoerd.

  • d. Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate, archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn.

  • e. Gemeentelijke adviescommissie: een commissie die adviseert over erfgoed. Deze commissie is ingesteld overeenkomstig afdeling 17.2 van de Omgevingswet.

  • f. Gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven.

  • g. Gemeentelijk erfgoedregister: het register waarin het gemeentelijke erfgoed staat. In ieder geval zijn de gemeentelijke monumenten hierin opgenomen.

  • h. Molenbiotoop: de vrije ruimtes rond de molens die zijn opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • i. Monument: een onroerende zaak die hoort bij cultureel erfgoed zoals staat in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.

  • j. Provinciaal beschermd dorps- stadsgezicht: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Een provinciaal beschermd dorps- en/of stadsgezicht is aangewezen in de Provinciale Omgevingsverordening.

  • k. Provinciale cultuurhistorische waardenkaart: topografische kaart van het provinciale grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven.

  • l. Plan van aanpak archeologisch onderzoek: plan waarin staat hoe een archeologische uitvoerder de vragen die in het programma van eisen staan, beantwoord.

  • m. Programma van eisen archeologische onderzoek: programma dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waarmee grenzen worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het programma dient te voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

  • n. Rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten; monumenten die zijn aangewezen volgens artikel 3.1 van de Erfgoedwet.

  • o. Selectiebesluit: nadat er onderzoek is gedaan naar de aanwezige archeologie en advies is gegeven over de waarde ervan, neemt het bevoegd gezag een besluit over hoe er met een vindplaats moet worden omgegaan.

Paragraaf 1 Erfgoedregister

Artikel 4.1 Doel aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed

  • 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat onvervangbaar is. Onroerend cultureel erfgoed is van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, krijgt het erfgoed waar het over gaat, een beschermde status.

  • 2. Dit hoofdstuk gaat uit van artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1. Het bevoegd gezag houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij van aangewezen gemeentelijke monumenten.

  • 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:

    • a)

      Gegevens over de inschrijving en kadastergegevens om de gegevens vast te stellen van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument en beschermde stads- of dorpsgezicht;

    • b)

      afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals staat vermeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet; deze zijn door het bevoegd gezag ontvangen van de minister.

    • c)

      de redengevende beschrijvingen voor de monumenten waaruit blijkt welke onderdelen van het monument leiden tot een monumentale status.

  • 3. Het bevoegd gezag kan over het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 4. Voor de wijziging gelden ook de artikelen 4.4 tot en met 4.9. Dit is niet zoals het bevoegd gezag, de wijziging van ondergeschikte betekenis vinden of dat het erfgoed waarover de aanwijzing gaat al niet meer bestaat.

Artikel 4.3 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1. Het bevoegd gezag kan een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Dit doen zij als dat monument van bijzonder belang is voor de gemeente door zijn schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde.

  • 2. Het bevoegd gezag stuurt het voornemen tot aanwijzing, voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie.

  • 3. Het bevoegd gezag maakt de voorgenomen aanwijzing schriftelijk bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Deze mensen staan vermeld in de openbare registers. Dit wordt geregeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

  • 4. De aanwijzing bevat:

    • in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument;

    • de datum van aanwijzing;

    • de kadastrale aanduiding en

    • een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument.

  • 5. Het bevoegd gezag kan pas over de aanwijzing besluiten na instemming van de eigenaar. Indien deze niet positief bericht over de aanwijzing, dan wordt de procedure niet voortgezet.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a)

      rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten

    • b)

      provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten

Artikel 4.4 Voorbescherming

  • 1. Vanaf de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 4.5 plaatsvindt, of vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 2.5 , 4.6 tot en met 4.9 en hoofdstuk 3 ook van toepassing.

  • 2. De voorbescherming vervalt als de aanwijzing is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De voorbescherming vervalt ook als het aanwijzingsbesluit wordt ingetrokken of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

  • 1. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Deze mensen staan vermeld in de openbare registers.

  • 2. Als de aanwijzing vaststaat, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.6 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1. Het bevoegd gezag kan de aanwijzing van een gemeentelijk monument wijzigen.

  • 2. Het bevoegd gezag vraagt advies aan een gemeentelijke adviescommissie over het plan tot het aanwijzen, het wijzigen en het intrekken van een gemeentelijk monument.

  • 3. De aanwijzing kan worden ingetrokken als het monument waar over de aanwijzing gaat, niet meer bestaat.

  • 4. Artikel 4.3 geldt ook voor het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging volgens het bevoegd gezag van ondergeschikte betekenis is.

  • 5. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waar over de aanwijzing gaat, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister als de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Paragraaf 2 Vergunningplicht

Artikel 4.7 Advies omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik en aanleggen gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument

Voor het verbouwen, strijdig gebruiken of aanleggen bij een beschermd gemeentelijk, provinciaal monument of rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig. Het bevoegd gezag stuurt de volledige aanvraag voor deze vergunning naar de gemeentelijke adviescommissie om hier advies over te vragen.

Artikel 4.8 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument

  • 1. Als er door het bevoegd gezag geen omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is afgegeven of er is wel een omgevingsvergunning afgegeven maar daar wordt van afgeweken, dan is het verboden om dit gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.

  • 2. Lid 1 is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud waarbij bijzonderheden, beschrijving, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen;

    • b.

      veranderingen in het pand wat een onderdeel is van het monument dat, vanuit het oogpunt van monumentenzorg, zonder betekenis is.

  • 3. In het belang van de monumentenzorg kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

  • 4. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning meer onderzoek moet doen, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.

  • 5. De omgevingsvergunning kan alleen worden afgegeven als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Artikel 4.9 Beschermde structuren (Provinciaal beschermd Dorpsgezicht)

  • 1. Het is verboden bouwwerk in het werkingsgebied beschermde structuur te slopen zonder omgevingsvergunning.

  • 2. De omgevingsvergunning wordt geweigerd als, volgens het bevoegd gezag, de kans niet groot is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of gaat worden gebouwd.

Artikel 4.10 Splitsen karakteristieke gebouwen

  • 1. Dit artikel is opgenomen met het oog op het behouden van karakteristieke panden.

  • 2. Voor het splitsen van een karakteristiek pand, monument of een boerderij van voor 2013 te splitsen in meerdere woningen is een omgevingsvergunning nodig.

  • 3. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan een vergunning worden geweigerd als uit het erfinrichtingsplan blijkt dat de toekomstige situatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is, de locatie van de parkeerplaatsen niet helder is en het aanzicht van het pand en het erf onevenredig worden aangetast.

Paragraaf 3 Archeologie

Artikel 4.11 Archeologisch onderzoek.

  • 1. Het bevoegd gezag neemt het selectiebesluit.

  • 2. Het bevoegd gezag kan nadere eisen bepalen voor archeologisch onderzoek.

  • 3. Voordat het archeologisch onderzoek begint moet de verstoorder ter goedkeuring een plan van aanpak inleveren bij het bevoegd gezag.

  • 4. Als het archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd voor het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet, stelt het bevoegd gezag een programma van eisen vast.

Artikel 4.12 Aardkundige waarden

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag in een gebied met aardkundige waarden zoals opgenomen in werkingsgebied aardkundige waarden, activiteiten uit te voeren die de waarden beschadigen. De volgende activiteiten vallen hier in ieder geval onder:

    • a.

      betreden met voertuigen met hoge wiellasten (>40kN) en hoge bandspanningen (200kPA (2 bar)) die ondergrondverdichting veroorzaken;

    • b.

      installeren van bodemenergiesystemen;

    • c.

      ontgronden, egaliseren en afgraven voor commerciële doeleinden;

    • d.

      ondergrondse infrastructuur;

    • e.

      permanente peilverlagingen;

    • f.

      storten op of in de bodem of het bedrijven van een stortplaats;

    • g.

      graven;

    • h.

      natuurbouwprojecten ten behoeve van de instandhouding van aardkundige waarden.

  • 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als naar hun oordeel, de aardkundige waarden door de bedoelde handeling minimaal wordt aangetast, of als er sprake is van belangrijke maatschappelijke belangen.

  • 3. Onder een belangrijk maatschappelijk belang, wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale en regionale infrastructuur. Uit onderzoek moet gebleken zijn dat er geen andere mogelijke locaties of tracés buiten het gebeid met aardkundige waarden aanwezig zijn. Voor het gebied geldt ook dat, als aantasting niet te vermijden is, deze zo klein mogelijk is.

Artikel 4.13 Vrijstelling aardkundige waarden

De volgende activiteiten vallen niet onder het verbod zoals opgenomen in artikel 4.11, eerste lid:

  • a.

    bebouwing en activiteiten binnen een bouwvlak wat is toegestaan volgens het onherroepelijk (tijdelijk) omgevingsplan;

  • b.

    particuliere tuinaanleg op een bebouwd perceel;

  • c.

    onderhoud en revisie aan bestaande boven- en ondergrondse nutsvoorzieningen;

  • d.

    agrarische activiteiten op agrarische stukken grond, met uitzondering van het draineren of vlak maken van het terrein;

  • e.

    installeren, repareren, controleren en onderhoud van winmiddelen binnen het gebied met aardkundige waarden voor de openbare drinkwatervoorziening en noodvoorzieningen;

  • f.

    wettelijk verplicht bodemonderzoek en -sanering.

Paragraaf 4 Bijzonder erfgoed

Artikel 4.14 Molenbiotoop

  • 1. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de molenbiotoop buiten de bebouwde kom geldt:

    • a.

      Binnen 100 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan het onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek.

    • b.

      Binnen 100 tot 400 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het omgevingsplan kan met omgevingsvergunning in of op deze gronden slechts gebouwd worden als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de molen als werktuig en beeldbepalend element.

Artikel 4.15 Bijzonder erfgoed in erfgoedregister

Bijzonder erfgoed is opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De artikelen 4.2 tot en met 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Begraven

  • a.

    Asbus: een bus waarin de as van een overledene bewaard wordt.

  • b.

    Begraven: het begraven van stoffelijke overschotten in grafruimten.

  • c.

    Gedenkteken: een voorwerp op het graf voor het aanbrengen van teksten of voorwerpen. Hieronder vallen ook kettingen en hekwerken.

  • d.

    Graf: een plaats in de grond of in een kelder waar een lichaam of de restanten daarvan, na het overlijden wordt neergelegd.

  • e.

    Grafbedekking: gedenkteken, monument, grafbeplanting of andere bedekking op een graf, een urnen-nis of in de urnentuin.

  • f.

    Grafkelder: een betonnen of gemetselde vorm waarin één of meerdere stoffelijke overschotten worden begraven of as-bussen worden bijgezet. Grafkelders kunnen onderdeel zijn van een muur of wand die boven de grond staat.

  • g.

    Stoffelijk overschot: een lijk zoals wordt beschreven in artikel 2, eerste lid sub a, van de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 5.1 Doel

De gemeentelijke begraafplaatsen zijn bedoeld voor:

  • a.

    het begraven en begraven houden van stoffelijke overschotten;

  • b.

    het begraven en begraven houden, bijzetten en bijgezet houden van as-bussen;

  • c.

    het verstrooien van as van personen.

Artikel 5.2 Openstelling begraafplaatsen

  • 1. De begraafplaatsen zijn dagelijks te bezoeken vanaf het moment dat de zon opkomt tot het moment dat de zon weer ondergaat. Als op een begraafplaats andere bezoektijden gelden dan staat dat bij de begraafplaats vermeld.

  • 2. Om de orde en rust op de begraafplaats(en) te bewaren kan het bevoegd gezag de toegangen tijdelijk sluiten.

  • 3. Als de begraafplaats(en) niet voor het publiek geopend is (zijn), mogen mensen daar niet zijn. Dit mag wel als mensen daar zijn voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.

Artikel 5.3 Onderhoud

Het bevoegd gezag kan in een uitvoeringsbesluit meer regels stellen voor zaken die nodig zijn voor het verzorgen en het onderhoud van de begraafplaatsen.

Artikel 5.4 Uitvoering grafkelders, gedenktekens en grafbedekking

  • 1. Een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking op de begraafplaats mag alleen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen. Hiervoor dient een melding te worden ingediend.

  • 2. De melding moet voldoen aan de regels zoals opgenomen in artikel 3.1.1 en 3.1.7.

  • 3. Anders dan in lid 1 staat omschreven, zijn ondergrondse grafkelders niet mogelijk op de begraafplaats in Middenmeer en de begraafplaatsen op het eiland Wieringen.

Hoofdstuk 6 Welstand – GERESERVEERD

Hoofdstuk 7 Openbare ruimte

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van:

    • -

      18 februari 1989 (gemeente Wieringermeer);

    • -

      12 januari 2004 (gemeente Niedorp);

    • -

      12 juli 2001 (gemeente Wieringen);

    • -

      18 augustus 2005 (gemeente Anna Paulowna).

  • c.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

  • d.

    Consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk zoals dat is opgenomen in artikel 1 van het Vuurwerkbesluit.

  • e.

    Evenement: een locatie of inrichting ingericht voor vermaak en toegankelijk voor publiek zoals:

    • een braderie;

    • een optocht op de weg die niet bedoeld is als een betoging zoals staat in artikel 7.15;

    • een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • een klein evenement zoals een straatfeest of een buurtbarbecue op een dag;

    • een herdenkingsplechtigheid.

  • Dit geldt niet voor:

    • bioscoopvoorstellingen;

    • markten zoals staat in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • kansspelen zoals staat in de Wet op de kansspelen;

    • het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    • betogingen, samenkomsten en vergaderingen zoals staat in de Wet openbare manifestaties;

    • activiteiten zoals staat in artikel 8.7 van deze verordening.

  • f.

    Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

  • g.

    Houder van een inrichting: de persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op een andere manier een inrichting drijft.

  • h.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • i.

    Kampeermiddel: een caravan, tent of ander onderkomen bedoeld voor recreatief nachtverblijf, dat gelet op zijn constructie, omvang en vorm geschikt is om te worden vervoerd.

  • j.

    Kampeerterrein: terrein of plaats geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief (nacht)verbijf.

  • k.

    Openbare inrichting: De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt en/of dranken worden geschonken en/of rookwaren of spijzen voor consumptie worden verstrekt of bereid. Een openbare inrichting zijn in ieder geval: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis. Een openbare inrichting is ook het bijbehorende terras en eventuele andere buitenactiviteiten die bij deze afgesloten ruimte horen. Ook een inrichting waar logies wordt geboden, maar die niet als voor publiek toegankelijk kan worden aangemerkt is een openbare inrichting.

  • l.

    Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg.

  • m.

    Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.

  • n.

    Parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

  • o.

    Speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • p.

    Standplaats: een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plek waar mensen spullen of hulp te koop aanbieden, verkopen of afleveren. Er wordt dan bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een kraam, een wagen, een tafel of een hiermee vergelijkbaar object. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • een vaste plaats op een jaarmarkt of markt zoals staat in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • een vaste plaats op een evenement zoals staat in artikel 7.2.

  • q.

    Terras: een plek buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen betaling dranken kunnen worden geschonken of eten kan worden bereid of aangeboden wat direct kan worden gegeten.

  • r.

    Kampeerterrein; een terrein dat als zodanig in het omgevingsplan, een exploitatieplan, een voorbereidingsbesluit of aanwijzingsbesluit is toegestaan.

  • s.

    Voertuig: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

  • t.

    Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Paragraaf 1 Buitenruimte

Artikel 7.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp, modder op de weg

De eigenaar van een perceel of voorwerp is ervoor verantwoordelijk dat beplanting en voorwerpen het vrije uitzicht voor het wegverkeer of algemeen gebruik van de openbare ruimte niet belemmert of op een andere manier hinder of gevaar opleveren.

Artikel 7.2 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen of gebruik in strijd met de publieke functie daarvan

  • 1. Het is niet toegestaan de openbare weg, een gedeelte van de openbare weg of een openbare plaats die in beheer is van de gemeente anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    • a.

      dat schade toebrengt aan de weg of openbare plaats;

    • b.

      dat een gevaar oplevert voor het gebruiken van de weg of openbare plaats of voor het doelmatig en veilig kunnen gebruiken van de weg of openbare plaats;

    • c.

      de weg of openbare plaats niet kan worden verzorgd en onderhouden;

    • d.

      de inrichting en/of het gebruik afwijkt van de publieke functie en openbare bestemming.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen, als dat nodig is voor de openbare orde of de woon- en leefomgeving, nadere regels bepalen voor terrassen en uitstallingen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van tweevlaks- of driehoeksborden en spandoeken in het kader van niet commerciële overheidscampagnes, culturele- of sportevenementen in en ten behoeve van de gemeente Hollands Kroon, alsmede alle verkiezingen, indien (voor wat betreft de borden) aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      een maximale breedte van 1,0 meter en een maximale hoogte van 1,35 meter;

    • b.

      de onderzijde van het bord niet hoger dan 0,5 meter boven de grond is geplaatst;

    • c.

      niet meer dan 5 per kern per overheidscampagne of cultureel- of sportevenement;

    • d.

      de borden binnen een week na het culturele of sportevenement worden verwijderd;

    • e.

      de borden ingeval van overheidscampagnes en verkiezingen na plaatsing gedurende een periode van maximaal 4 weken worden verwijderd.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen het aanbrengen van de borden en spandoeken als bedoeld in lid 3 verbieden als:

    • a.

      Het gebruik schade toebrengt aan de weg;

    • b.

      Het gebruik een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

    • c.

      de weg niet kan worden verzorgd en onderhouden;

    • d.

      het bord is geplaatst aan een lichtmast met bewegwijzering of lichtbak.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde verbod.

  • 6. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik als het gaat om lichtreclame of de opslag van materialen.

  • 7. Het verbod geldt niet voor evenementen en standplaatsen.

  • 8. Het verbod geldt niet als er voor in het daarin genoemde onderwerp, al iets is geregeld in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of de Wegenverordening Noord-Holland.

Artikel 7.3 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Voor het aanleggen van een weg, het opbreken daarvan, het graven of spitten daarin, aard of breed van de wegverharding te veranderen, te verharden of veranderingen aan te brengen in de wijze van aanleg van de weg is een omgevingsvergunning nodig.

  • 2. De omgevingsvergunning is niet nodig voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 3. De omgevingsvergunning is niet nodig als er voor in het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde verordeningen.

Artikel 7.4 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1. Voor het maken van een uitweg naar de weg of een verandering in een bestaande uitweg is een omgevingsvergunning nodig.

  • 2. De omgevingsvergunning wordt verleend als:

    • a.

      daardoor het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      het doelmatig gebruik en bruikbaarheid van de weg niet worden aangetast;

    • c.

      hierdoor niet onnodig een openbare parkeerplaats in gebruik wordt genomen;

    • d.

      het openbaar groen daardoor niet op een manier wordt aangetast die niet goed is;

    • e.

      een perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van een tweede uitweg, een openbare parkeerplaats of openbaar groen wordt verwijderd.

  • 3. Een omgevingsvergunning is niet nodig als over het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapsverordening of de Wegenverordening Noord-Holland.

Artikel 7.5 Parkeren

  • 1. De parkeernormen worden bepaald aan de hand van de beleidsregels ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’ en eventuele wijzigingen van deze regeling.

  • 2. Een parkeerplaats voor personenauto’s op het eigen terrein telt mee bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen als:

    • a.

      deze een minimale afmeting heeft van 2,5 x 5 meter voor haaksparkeren en 2 x 6 meter bij langsparkeren.

    • b.

      De parkeerplaats moet direct vanaf de openbare weg toegankelijk zijn.

    • c.

      De eigenaar van het perceel/gebruiker moet deze parkeerplaats in stand houden.

  • 3. Bij alle gebouwen moeten volgens de Leidraad Fietsparkeren (CROW 2010) voldoende fietsparkeer- plaatsen aanwezig te zijn voor werknemers en bezoekers.

Artikel 7.6 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets dat rij-technisch slecht is onderhouden en zich in een verwaarloosde toestand bevindt, op de weg te parkeren of te laten staan.

  • 2. Het verbod voor voertuigen is niet van toepassing op situaties waarvoor al iets is geregeld in de Wet milieubeheer.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in de openbare ruimte plaatsen aanwijzen waar het verboden is om fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan. Het bevoegd gezag doet dat om:

    • a.

      het uiterlijk beeld van de gemeente mooi te houden;

    • b.

      overlast te voorkomen of te stoppen;

    • c.

      schade aan de openbare gezondheid te voorkomen.

Artikel 7.7 Kampeermiddelen e.a.

  • 1. Voertuigen voor recreatie en/of andere voertuigen die niet bedoeld zijn om zelfstandig mee te rijden mogen op de openbare weg worden geplaatst onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      niet langer dan 7 aaneengesloten dagen op de openbare weg binnen de bebouwde kom;

    • b.

      het voertuig staat niet op een plaats die door het bevoegd gezag is aangewezen als plek waarvoor de plaatsing schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het bevoegd gezag kan in bijzondere situaties ontheffing te verlenen.

Artikel 7.8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden om een voertuig dat inclusief lading, een lengte heeft van meer dan 6,4 meter of een hoogte van meer dan 2,9 meter, te parkeren op de openbare weg binnen de bebouwde kom.

  • 2. Het verbod geldt niet op de locaties die in het uitvoeringsbesluit: ‘kaart vrachtwagen parkeerplekken’ aangegeven staan. Deze kaart is toegevoegd als bijlage bij de Verordening.

  • 3. Het verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het bevoegd gezag kan in bijzondere situaties ontheffing te verlenen.

Artikel 7.9 Laden en Lossen

  • 1. Het laden en lossen van goederen moet op eigen terrein plaatsvinden.

  • 2. Als laden en lossen op eigen terrein niet mogelijk is kan onder de volgende voorwaarden worden afgeweken:

    • a.

      geen hinder voor de omgeving;

    • b.

      geen sprake van verkeersonveilige situaties.

Paragraaf 2 Bruikbaarheid en aanzien van de weg of openbare plaats

Artikel 7.10 Overnachten in een kampeermiddel

  • 1. ’s Nachts mag alleen in een kampeermiddel worden verbleven als:

    • dat op een kampeerterrein staat, of;

    • dat staat op eigen terrein.

  • 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen voor een ander terrein voor maximaal vier aaneengesloten dagen. Indien de ontheffing wordt aangevraagd door een groep of vereniging, dan moet dit in combinatie met een aanvraag voor een evenementenvergunning.

Artikel 7.11 Handelsreclame

  • 1. Voor het plaatsen van handelsreclame is een omgevingsvergunning nodig.

  • 2. Reclameborden zijn alleen op eigen terrein toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      niet hoger dan 1 meter;

    • b.

      de oppervlakte is niet meer dan 2 m².

    • c.

      Binnen een beschermd dorpsgezicht of welstandsintensief gebied moet de plaatsing voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Langs wegen zijn reclameborden waarop filmpjes worden vertoond niet toegestaan. Wisselen van beelden mag wel, als er niet te vaak wordt gewisseld.

    • d.

      De handelsreclame is gelijk aan de rijbaan en in één blik zichtbaar.

    • e.

      Seks, religie of handelsreclame in strijd met de goede zeden is niet toegestaan.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is het plaatsen van tijdelijke handelsreclame binnen de bebouwde kom niet toegestaan. Dit verbod geldt niet als lid 4 van toepassing is.

  • 4. Voor het plaatsen van tijdelijke verplaatsbare handelsreclame binnen de bebouwde kom is geen omgevingsvergunning nodig wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      niet meer dan 1 per kern;

    • b.

      de plaatsing het doelmatig en veilig gebruik en het onderhoud van de weg niet belemmert;

    • c.

      de handelsreclame na plaatsing gedurende een periode van maximaal 2 weken wordt verwijderd;

    • d.

      bij plaatsing op gemeentegrond een melding gebruik gemeentegrond moet zijn gedaan, minimaal 4 weken voor plaatsing van de handelsreclame;

    • e.

      maximale hoogte 3 meter gemeten vanaf het maaiveld en een oppervlakte van maximaal 9 m2.

Artikel 7.12 Standplaatsvergunning

  • 1. Voor het innemen van een standplaats is een vergunning nodig.

  • 2. Een vergunning voor een vaste standplaats wordt verleend voor maximaal vijf jaar;

  • 3. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan de vergunning ook worden geweigerd als er door bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente te veel aanbod is uit één tak van handel.

  • 4. Een vergunning is niet nodig voor zover er op basis van andere wetgeving een vergunning is verleend voor deze activiteit.

Artikel 7.13 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op een terrein dat geen weg is met een motorvoertuig of een bromfiets:

    • a.

      een wedstrijd te houden of een wedstrijd voor te bereiden;

    • b.

      een trainings- of proefrit te houden, te organiseren of daaraan deel te nemen.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet als hiervoor al iets is geregeld in het Omgevingsplan, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 7.14 Evenement

  • 1. Voor het organiseren van een evenement is een vergunning van de burgemeester nodig.

  • 2. Er is geen vergunning, maar een melding nodig als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Er zijn niet meer dan 100 personen aanwezig;

    • b.

      Het evenement gebeurt tussen 13.00 en 23.00 uur op één dag;

    • c.

      Er wordt geen muziek gemaakt voor 13.00 uur of na 23.00 uur;

    • d.

      Het evenement vindt niet plaats op de weg, (brom)fietspad of parkeerplaats of iets anders zodat het een hindernis vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    • e.

      Er worden alleen kleine objecten met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object geplaatst;

    • f.

      Er is een organisator;

    • g.

      De organisator het evenement minstens vier weken voor de start meldt aan de burgemeester;

    • h.

      De melding voldoet aan de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1.4.

  • 3. Een vergunning is niet nodig voor een wedstrijd op of aan de weg als hiervoor een ontheffing is verleend door de minister op basis van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 7.15 Melding betogingen op openbare plaatsen

  • 1. Degene die een betoging organiseert op een openbare plaats moet 48 uur voordat de betoging wordt gehouden een melding doen bij de burgemeester.

  • 2. De melding voldoet aan de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1.4 en 3.1.5.

  • 3. De persoon die het bericht heeft gestuurd, ontvangt een bewijs waarin het tijdstip van het bericht staat.

  • 4. Als de 48 uur voor de betoging valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan wordt het bericht 3 dagen voordat de betoging wordt gehouden (om uiterlijk 12.00 uur) gestuurd.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde periode verkorten en een mondeling bericht in behandeling nemen.

Artikel 7.16 Maatregel collectieve festiviteiten

  • 1. Het bevoegd gezag kan collectieve festiviteiten aanwijzen zoals opgenomen in artikel 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat.

  • 2. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing van de collectieve festiviteiten ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 3. Het bevoegd gezag kan, als een collectieve festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als collectieve festiviteit zoals staat in het eerste lid.

  • 4. Op de dagen zoals aangewezen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing.

  • 5. De verlichtingsnormen ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 22.239 van de Bruidsschat, gelden niet bij collectieve festiviteiten.

Artikel 7.17 Organiseren incidentele festiviteiten

  • 1. Een openbare inrichting mag maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar organiseren. De normen zoals die staan in de artikelen 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat zijn van toepassing.

  • 2. De organisator van een incidentele festiviteit dient een ontheffing aan te vragen.

  • 3. De aanvraag voor de ontheffing moet voldoen aan de regels in artikel 3.1.4.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, als een incidentele festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als gezamenlijke festiviteit zoals opgenomen in het eerste lid.

  • 5. Op de dagen zoals opgenomen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing.

  • 6. Bij het laten horen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 7. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verbieden wanneer het maximum aantal toegestane incidentele festiviteiten wordt overschreden.

Artikel 7.18 Natuurlijke behoefte doen

Het doen van de natuurlijke behoefte binnen de bebouwde kom mag alleen op de daarvoor bestemde plaatsen.

Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid

  • a. Bezoeker als bedoeld in paragraaf 12: degene die niet beroepsmatig aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • de exploitant

    • de beheerder

    • de prostituee

    • het personeel dat in de seksinrichting werkt

    • toezichthouders die zijn aangewezen volgens hoofdstuk 13 van deze verordening en andere personen waarvan de aanwezigheid in de seksinrichting om dringende redenen nodig is.

  • b. Beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitvoert, dan wel uitvoeren in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • c. Escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die als uitvoering van werk of in een omvang alsof dit uitvoering van werk was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgevoerd.

  • d. Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf leidt, dan wel leiden om er winst mee te maken. Dit is ook de persoon die namens de rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen spreekt.

  • e. Hoogdrempelige inrichting: inrichting zoals staat in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen.

  • f. Kansspelautomaat: automaat zoals staat in artikel 30, onder c. van de Wet op de kansspelen.

  • g. Kortaanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

  • h. Laagdrempelige inrichting: inrichting zoals staat in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen.

  • i. Para-commerciële rechtspersonen: sportverenigingen, clubhuizen, wijkgebouwen, dorpshuizen, culturele instellingen, kerkgenootschappen en verzorgingshuizen die in eigen beheer een kantine exploiteren waar tegen betaling alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

  • j. Prostitutie: het zich beschikbaar stellen voor het doen van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

  • k. Prostituee: degene die zich beschikbaar stelt voor het doen van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

  • l. Sekswinkel: de voor het publiek bereikbare, besloten ruimte waarin vooral goederen met een erotisch-pornografische kenmerk aan particulieren worden verkocht of verhuurd.

  • m. Speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 8.1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden de openbare orde te verstoren of deel te nemen aan een samenscholing, zich onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.

  • 2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of hij die een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een door het college of burgemeester aangewezen toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden om aanwezig te zijn op openbare plaatsen die door de burgemeester voor de openbare veiligheid zijn afgezet.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen het in het derde lid bepaalde verbod.

  • 5. Dit artikel geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten zoals bedoeld is in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 8.2 Verbod tot verblijf in een gebied

  • 1. De burgemeester kan een persoon die de openbare orde of veiligheid heeft verstoord, verbieden om tijdens de periode die in dat verbod staat, op de in dat verbod aangewezen plaatsen te zijn. De burgemeester doet dit voor het beschermen van de openbare orde of veiligheid. Dit verbod geldt tijdens de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die maximaal 12 weken kan bedragen.

  • 2. Voordat de burgemeester over gaat tot aanwijzing van gebieden waarvoor een verbod tot verblijf kan gelden, of tot omschrijving van overtredingen die tot verbod tot verblijf kunnen leiden, vind overleg plaats met de Officier van Justitie, zoals opgenomen in de Politiewet 2012.

Paragraaf 2 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 8.3 Exploitatie openbare inrichting

  • 1. Voor het exploiteren van een openbare inrichting is een vergunning van de burgemeester nodig.

  • 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3. Naast de weigering op basis van de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 houdt de burgemeester rekening met:

    • a.

      het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of gelegen gaat komen;

    • b.

      de soort en grootte van het horecabedrijf;

    • c.

      de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en het levensgedrag van die persoon.

    • d.

      Eventuele gebeurtenissen met geweld, overlast op straat of drugsgebruik in een periode van 6 maanden voor de aanvraag

  • 4. Er is geen vergunning nodig voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    • a.

      een winkel zoals bedoeld wordt in artikel 1 van de Winkeltijdenwet en de activiteiten van de openbare inrichting niet de hoofdactiviteiten zijn van de winkel;

    • b.

      een zorginstelling;

    • c.

      een museum;

    • d.

      een bedrijfskantine of – restaurant.

  • 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

    • a.

      zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of

    • b.

      de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 3.6 of 8.3, tweede of derde lid.

  • 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a.

Artikel 8.4 Sluitingstijden

  • 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten en er zijn geen bezoekers aanwezig op:

    • a.

      maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur;

    • b.

      op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur;

    • c.

      op 1 januari tussen 04.00 uur en 06.00 uur.

  • 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  • 3. Voor een openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 4. Het eerste en het tweede lid gelden niet in die situaties waarvoor in of volgens de Wet milieubeheer, de Omgevingswet of het besluit activiteiten leefomgeving bepalingen zijn opgenomen.

  • 5. Na 01.00 uur mogen geen bezoekers meer worden toegelaten in een openbare inrichting.

  • 6. De burgemeester kan voor het beschermen van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of voor bijzondere omstandigheden, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 7. Lid 6 geldt niet voor die situaties waarover in artikel 13b van de Opiumwet bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 8.5 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is, zoals omschreven in artikel 174 van de Gemeentewet, en welke bereikbaar is voor publiek dan treedt het college van burgemeester en wethouders, voor de toepassing van artikel 8.3 en 8.4, op als bevoegd bestuursorgaan.

Paragraaf 3 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet

Artikel 8.6 Para-commerciële rechtspersonen

  • 1. Een para-commerciële rechtspersonen mag alleen zwak alcoholhoudende drank schenken als zij daarvoor een vergunning als bedoeld in de Alcoholwet hebben.

  • 2. Para-commerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend zwak alcoholhoudende drank van maandag tot en met zondag na 12.00 uur tot twee uur na de laatste activiteit, maar uiterlijk tot 00.00 uur. Artikel 1 van de Alcoholwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De burgemeester kan 12 keer per jaar ontheffing verlenen van de schenktijden zoals opgenomen in lid 2.

  • 4. Het schenken van zwak-alcoholhoudende dranken mag niet tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, bijeenkomsten die gericht zijn op mensen die normaal gesproken niet meedoen aan de activiteiten van de para-commerciële rechtspersonen en die tot oneerlijke concurrentie met reguliere horeca leiden.

  • 5. De burgemeester kan een ontheffing verlenen van lid 4 als blijkt dat sprake is van een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard én het een maatschappelijke betekenis heeft én elk commercieel belang is uitgesloten.

  • 6. Het schenken van sterke drank is ten alle tijden verboden.

Paragraaf 4 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 8.7 Speelgelegenheden

  • 1. Voor het exploiteren van een speelgelegenheid is een vergunning van de burgemeester nodig.

  • 2. Er is geen vergunning nodig voor:

    • a.

      speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen, vergunning is verleend;

    • b.

      speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel vergunning mag verlenen;

    • c.

      speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden

      • om het kleine kansspel zoals wordt bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen, te beoefenen,;

      • om te spelen op speelautomaten zoals wordt bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen;

      • om de handeling zoals wordt bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen uit te voeren.

Artikel 8.8 Kansspelautomaten

  • 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan.

  • 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Paragraaf 5 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 8.9 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een, volgens artikel 174a van de Gemeentewet

    • a.

      gesloten woning;

    • b.

      een niet voor publiek bereikbaar lokaal;

    • c.

      een bij die woning of dat lokaal behorend erf,

    te betreden.

  • 2. Het is verboden een, volgens artikel 13b van de Opiumwet,

    • a.

      gesloten woning;

    • b.

      een niet voor het publiek toegankelijk lokaal;

    • c.

      een bij die woning of dat lokaal behorend erf;

    • d.

      een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf,

    te betreden.

  • 3. Deze verboden gelden niet voor personen van wie de aanwezigheid in de woning of het lokaal om dringende reden nodig is.

Artikel 8.10 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor inbreken.

Artikel 8.11 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen en voor het publiek toegankelijke ruimtes

  • 1. Het is verboden om op een openbare plaats of in een voor het publiek bereikbare ruimte zonder reden aanwezig te zijn, op een manier die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarvoor in de artikelen 424, 426b is of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 andere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 8.12 Verplichte route

  • 1. Het is de, door de burgemeester aangewezen groepen van personen, verboden op de door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.

  • 2. De burgemeester kan bepalen om af te wijken van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 8.13 Verboden drankgebruik

  • 1. Op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het bevoegd gezag aangewezen gebied, mag geen alcoholhoudende drank worden gebruikt. Aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank mag een persoon ook niet bij zich hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat hoort bij een horecabedrijf zoals wordt bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • b.

      de plaats, die niet een horecabedrijf is, zoals wordt bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt volgens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 8.14 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Vervallen

Paragraaf 6 Honden

Artikel 8.15 Loslopende honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het bevoegd gezag aangewezen plaats;

    • c.

      in de openbare ruimte zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het bevoegd gezag kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.

  • 3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Artikel 8.16 Verontreiniging door honden

  • 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    • a.

      op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;

    • b.

      op een voor het publiek bereikbare en ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    • c.

      op een andere door het bevoegd gezag aangewezen plaats.

  • 2. Het bevoegd gezag kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt.

  • 3. Als de eigenaar of houder van de hond er voor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden opgeruimd dan vervalt de strafbaarheid van de overtreding op het gebod die in het eerste lid is bepaald.

  • 4. In ieder geval moet ieder persoon, die met een hond in de onder lid 1 a t/m c genoemde gebieden is, verplicht een goed opruimmiddel bij zich hebben zodat eventuele hondenuitwerpselen onmiddellijk kunnen worden verwijderd.

Artikel 8.17 Gevaarlijke honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    • a.

      niet anders dan kort aangelijnd nadat het bevoegd gezag aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk vindt en daarom een aanlijngebod om het gedrag van die hond nodig is;

    • b.

      niet anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het bevoegd gezag aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk vindt en daarom een aanlijn- en muilkorfgebod om het gedrag van die hond nodig is.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8.15, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

Paragraaf 7 Vuurwerk en carbid

Artikel 8.18 Verkoop consumentenvuurwerk

Voor de verkoop van consumentenvuurwerk, zoals bedoeld in het vuurwerkbesluit is een vergunning nodig. De vergunning is gebonden aan de locatie.

Artikel 8.19 Carbid, acetyleengas afkomstig van carbid en gasmengsels of stoffen met vergelijkbare eigenschappen

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbid-chemische formule CAC2) water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen;

    • b.

      al dan niet vernevelde, vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen, in een wel of niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden op zo een manier dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.

  • 2. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek bereikbare plaats bij zich te hebben of achter te laten zodat anderen per ongeluk met de stof in contact kunnen komen.

  • 3. Het is verboden carbid af te leveren en voor aflevering bij zich te hebben als wordt vermoed of als bekend is dat daarvan gebruik wordt gemaakt zoals wordt omschreven in lid 1.

  • 4. Het bepaalde in lid 2 en 3 geldt niet voor de persoon die kan aantonen dat het carbid niet bedoeld is voor het genoemde in lid 1.

  • 5. Het verbod zoals opgenomen in lid 1 onder b en c geldt niet voor het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.

  • 6. Het verbod zoals opgenomen in lid 1 onder a, geldt niet voor het gebruik van carbid voor het bereiken van een knaleffect of het verschieten van voorwerpen, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het gebruik mag alleen plaatsvinden met een of meer melkbussen, of voorwerpen die daarop lijken, met elk een maximale inhoud van 50 liter.

    • b.

      Het gebruik mag alleen plaatsvinden op 31 december van 10.00 uur tot uiterlijk 1 januari 02.00 uur.

    • c.

      Er een melding wordt gedaan welke voldoet aan de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1.8.

    • d.

      Bij het verschieten van voorwerpen moet de schootsrichting zijn aangegeven en de plaats vanwaar geschoten wordt. Deze plaats moet gelegen zijn:

      • op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing, en

      • op een afstand van tenminste 300 meter van voorzieningen die worden gebruikt worden voor het houden van dieren.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing als de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht geldt.

Paragraaf 8 Drugsoverlast

Artikel 8.20 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, is het verboden op of aan de weg te gaan staan of heen en weer te bewegen met als doel om middelen die worden bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, wel of niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Het is ook verboden om op of aan wegen te zijn, in of op een voertuig, daarmee heen en weer of rond te rijden, met hetzelfde doel zoals in de eerste zin staat beschreven.

Artikel 8.21 Drugsgebruik in het openbaar

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 8.22 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan volgens artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in

  • artikel 8.1 samenscholingsverbod;

  • artikel 7.3 aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg;

  • artikel 8.13 verboden drankgebruik;

  • artikel 8.14 verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties;

  • artikel 8.21 drugsgebruik in het openbaar;

  • artikel 8.30 verbod om vuur te stoken,

groepsgewijs niet naleven.

Artikel 8.23 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan volgens artikel 151b van de Gemeentewet een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. De burgemeester doet dat als de openbare orde wordt verstoord door de aanwezigheid van wapens of als er ernstige vrees is dat dit kan ontstaan.

Artikel 8.24 Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester mag volgens artikel 151c van de Gemeentewet vaste camera’s plaatsen voor een bepaalde periode voor het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 8.25 Woonoverlast zoals wordt bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Gedrag vanuit een woning of een bij die woning horend erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of erf, mag geen ernstige of herhaaldelijke hinder veroorzaken voor mensen die om deze woning of erf heen wonen.

De persoon die de woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of dit, tegen betaling, in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, moet daarvoor zorgen.

Paragraaf 9 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 8.26 Geluidhinder

  • 1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten te laten werken of een activiteit te doen op een manier zodat het voor iemand die in de buurt woont of voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Dit geldt niet voor apparaten die zorgen voor knallen om vogels of wilde dieren te verjagen of voor apparaten die worden gebruikt in een inrichting als bedoeld in de definitiebepaling van Hoofdstuk 7.

  • 2. Een knalapparaat mag alleen in werking zijn als:

    • a.

      er een melding voor is gedaan;

    • b.

      het alleen wordt gebruikt voor de noodzakelijke verjaging van wild en/of gevogelte om schade aan gewassen te voorkomen dan wel te verminderen;

    • c.

      het alleen in werking is tussen 07.00 uur en 21.00 uur;

    • d.

      het op een geluidsgevoelig object van een derde een waarde van maximaal 75 dB(A) veroorzaakt;

    • e.

      de afstand tussen een knalapparaat en een geluidsgevoelig object van een derde minimaal 250 meter bedraagt;

    • f.

      de afstand tussen een knalapparaat en de openbare weg minimaal 50 meter bedraagt;

    • g.

      de loop van een knalapparaat niet op een geluidsgevoelig object staat gericht;

    • h.

      de knalfrequentie maximaal 6 knallen per uur bedraagt;

    • i.

      binnen 50 meter van een knalapparaat geen ander knalapparaat in werking is;

    • j.

      dit apparaat iedere keer na 3 dagen, tenminste 25 meter wordt verplaatst;

    • k.

      dit apparaat op hetzelfde perceel, tijdens een aangesloten periode van maximaal 4 weken in werking is.

  • 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 voor wegwerkzaamheden, werkzaamheden aan het spoor of bouwwerkzaamheden of andere bijzondere aangelegenheden. Dan gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      er moet een geluidsonderzoek worden aangeleverd.

    • b.

      Er wordt bij bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.

  • 4. Het verbod geldt niet als daarvoor regels zijn bepaald in het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland of als er in een besluit specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting en die regels worden nageleefd.

Artikel 8.27 Bescherming van Flora en Fauna

  • 1. De eigenaar of gebruiker van gronden is verplicht de volgende plantensoorten te verwijderen indien deze planten overlast kunnen veroorzaken voor nabijgelegen gronden:

    • a.

      Reuzenbereklauw (Heracleaum mantegazzianum) voordat de plant tot bloei komt;

    • b.

      Japanse Duizendknoop (Fallopia japonica) voordat de plant tot bloei komt;

    • c.

      Jacobskruid (Senecio jacabaea) voordat de plant tot bloei komt;

    • d.

      Akkerdistel (Cirsium-soorten), Akkermelkdistel (Sonchus-soorten), Mariadistel (Silybium-soorten), wegdistel (Onopordon-soorten) en ridderzuring (Rumex obtusifolius), voordat deze tot knopvorming komen.

Paragraaf 9a Het bewaren van houtopstanden

Artikel 8.27a begripsbepalingen

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

    • b.

      hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

    • c.

      Iepziekte: e aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    • d.

      iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh)

  • 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  • 3. Onder bomenlijst wordt verstaan de lijst met beschermwaardige houtopstanden in de gemeente Hollands Kroon, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.27b Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de bomenlijst.

  • 2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

    • a.

      de natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon;

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    • f.

      de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  • 3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 8.27c bestrijding Iepziekte

  • 1. Wanneer op een perceel één of meer iepen staan die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers is de eigenaar en een ander rechthebbende van het perceel verplicht binnen een termijn van tien werkdagen na aanschrijving van burgemeester en wethouders de iepen:

    • a.

      te vellen;

    • b.

      te ontschorsen; en

    • c.

      de schors te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      geheel ontschorst iepenhout;

    • b.

      iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; of

    • c.

      vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod.

Artikel 8.27d afstand tot erfgrens

  • 1. De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen op gemeentegrond.

Paragraaf 10 Andere onderwerpen die te maken hebben met de huishouding van de gemeente

Artikel 8.28 Inzameling van geld of goederen

  • 1. Om een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daarvoor een intekenlijst aan te bieden is een vergunning nodig.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt ook verstaan:

    • a.

      het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken;

    • b.

      het aanbieden van diensten;

    • c.

      het aanvaarden van geld of goederen als daarbij wordt gezegd of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of voor een deel voor een liefdadig of ideëel doel bestemd is.

  • 3. Er is geen vergunning nodig voor een inzameling die:

    • a.

      alleen in besloten kring gehouden wordt;

    • b.

      door een instelling met een CBF-keurmerk wordt uitgevoerd;

    • c.

      door een andere, door het college aangewezen instelling, wordt uitgevoerd

  • 4. Het collecteren is toegestaan op maandag t/m zaterdag tussen 08:00 en 20:00 uur.

Artikel 8.29 Overlast aan vaartuigen

  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Paragraaf 11 Verbod vuur te stoken

Artikel 8.30 Verbod om afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of op een andere manier vuur te stoken

  • 1. Het is buiten een inrichting verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet als het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen of geïmpregneerd hout worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, als dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in bepaalde gevallen ontheffing te verlenen.

  • 4. Het verbod geldt niet als hiervoor iets is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Omgevingsverordening.

Paragraaf 12 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 8.31 Seksinrichtingen

  • 1. Voor het leiden of wijzigen van een seksinrichting of escortbedrijf is een vergunning van de burgemeester nodig.

  • 2. Voor het aanvragen van een vergunning gelden de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1 lid 9.

  • 3. De burgemeester kan voor niet meer dan twee seksinrichtingen vergunning verlenen.

Artikel 8.32 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1. De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele, zijn niet onder toezicht geplaatst en zijn niet uit de ouderlijke macht of de voogdij ontzet;

    • b.

      is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      is minimaal 21 jaar.

  • 2. Naast de gestelde eisen in lid 1, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis volgens artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf zoals wordt bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, behalve als de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant/ondernemer of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant/ondernemer of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, is ingetrokken, behalve als aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 8.33 Sluitingstijden

  • 1. Van maandag tot en met zondag tussen 04.00 en 06.00 uur is de seksinrichting gesloten en is het verboden om bezoekers binnen te laten of te laten verblijven.

  • 2. Als er belangen zijn die niet bij elkaar passen of als het niet klopt met de bepalingen in dit hoofdstuk dan kan de burgemeester met een regel voor een aparte seksinrichting, tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of, tijdelijk of voor altijd, een gedeelte of de gehele inrichting sluiten.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet als hierover in de daarin geregelde onderwerpen al regels zijn bepaald in of door het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 4. Net zoals is bepaald in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het tweede lid bedoelde besluit bekend zoals staat in artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8.34 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1. Tijdens de openingstijden van de seksinrichting moet de exploitant of beheerder, die op de vergunning zijn genoemd, aanwezig zijn.

  • 2. De exploitant en de beheerder zorgen er de hele tijd voor dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen die dat niet mogen volgens de bepaalde regels in de Wet arbeid vreemdelingen en/of de Vreemdelingenwet.

    • c.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen die jonger zijn dan 18 jaar;

    • d.

      bedrijfsafspraken worden gemaakt waarbij de toepassing van veilige sekstechnieken van de prostituées verbeterd wordt;

    • e.

      bedrijfsafspraken worden gemaakt waardoor de prostituées ervan verzekerd zijn dat zij voor zichzelf mogen beslissen;

    • f.

      bedrijfsafspraken worden gemaakt waarbij wordt meegewerkt aan projecten die gezondheidsproblemen voorkomen.

Artikel 8.35 Straatprostitutie

Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere manier, voorbijgangers tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.

Artikel 8.36 Sekswinkels

Het runnen van een sekswinkel is voor bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving, niet toegestaan.

Artikel 8.37 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1. Het is de rechthebbende (de persoon die recht heeft op) een vast gevestigde zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische karakter openlijk te tonen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de manier van tonen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      op een andere manier dan volgens de door het bevoegd bestuursorgaan voor de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tonen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die bedoeld zijn voor het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 8.38 Aanvullende weigeringsgronden

Naast de algemene weigeringsgronden zoals die staan in artikel 3.6 kan de vergunning ook worden geweigerd als:

  • 1.

    de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 8.32 gestelde eisen;

  • 2.

    er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn die dat niet mogen volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of door bepalingen in of door de Wet arbeid vreemdelingen en/of de Vreemdelingenwet.

  • 3.

    de veiligheid van personen of goederen in gevaar is;

  • 4.

    de arbeidsomstandigheden van de prostituee in gevaar zijn.

Artikel 8.39 Beëindiging exploitatie

  • 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 2:1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 8.40 Wijziging beheer

  • 1. Als een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf echt heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de echte beëindiging van het beheer, schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder als het bevoegd bestuursorgaan, op aanvraag van de exploitant, heeft besloten de verleende vergunning, volgens de wijziging in het beheer, te wijzigen. Wat er bepaald is in artikel 8.38, eerste lid, aanhef en onder a, is op dezelfde manier van toepassing.

  • 3. In afwachting van het bedoelde besluit in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant de aanvraag, zoals wordt bedoeld in het tweede lid, heeft ingediend. De nieuwe beheerder kan het beheer uitoefenen tot dat over de aanvraag is besloten.

Hoofdstuk 9 Winkeltijden

  • a.

    Feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag.

  • b.

    Werkdagen: maandag tot en met zaterdag.

Artikel 9.1. (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen gedurende bepaalde uren

Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Winkeltijdenwet opgenomen verboden geldt van 10.00 uur tot 18.00 uur een algemene vrijstelling.

Artikel 9.2. Ramadan

De, in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet, opgenomen verboden over de zondag en de feestdagen, gelden tijdens de Ramadan vanaf twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, niet voor het te koop aanbieden en verkopen van brood en gebak dat speciaal bestemd is voor hen die zich aan de Ramadan houden.

Artikel 9.3. Individuele ontheffingen (besluit over uitzondering)

  • 1. Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen op het in artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet opgenomen verbod als het gaat over:

    • a.

      werkdagen voor 06.00 uur en na 22.00 uur;

    • b.

      op tijden die vallen buiten de algemene vrijstelling voor de zon- en feestdagen zoals opgenomen in artikel 9.1.

  • 2. De ontheffing kan naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6, worden geweigerd als de woon- en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel op basis van de ontheffing.

Artikel 9.4. Intrekken of wijzigen ontheffing

Het bevoegd gezag kan, naast de algemene intrekkingsgronden zoals opgenomen in artikel 3.5, een ontheffing intrekken of wijzigen als het open zijn van de winkel op basis van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Hoofdstuk 10 Regels over duurzaamheid – GERESERVEERD

Hoofdstuk 11 Afvalstoffen - GERESERVEERD

Hoofdstuk 12 Havens - GERESERVEERD

Hoofdstuk 13 Toezicht en handhaving

Artikel 13.1 Toezichthouders

Toezichthouders zijn personen die door een besluit van het bevoegde bestuursorgaan zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de regels die bepaald zijn bij of krachtens deze verordening.

Artikel 13.2 Binnentreden woningen

Toezichthouders zoals opgenomen in artikel 13.1 mogen een woning binnen treden zonder toestemming van de bewoner als dit nodig is om de openbare orde, veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen te beschermen.

Hoofdstuk 14 Strafbepalingen

Artikel 14.1 Strafbepaling

  • 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van de op grond van artikel 3.4. lid 2 gegeven voorschriften en beperkingen, wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling.

  • 3. Bij oplegging van een straf zoals opgenomen in het eerste lid kan openbaarmaking van het vonnis worden gelast.

Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 15.1 Intrekking oude regelingen

De volgende verordeningen en beleidsregels worden ingetrokken:

  • Bouwverordening Hollands Kroon, vastgesteld op 24 mei 2012, gewijzigd op 19 december 2013;

  • Erfgoedverordening gemeente Hollands Kroon, vastgesteld op 1 oktober 2013, gewijzigd op 17 december 2020;

  • Verordening op de prostitutiebedrijven, vastgesteld op 23 april 2015;

  • Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon 2014, vastgesteld op 23 april 2015, gewijzigd op 19 december 2019, 28 januari 2021 en 13 oktober 2022;

  • Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Hollands Kroon 2014, vastgesteld op 28 november 2013;

  • De Verordening fysieke leefomgeving, vastgesteld op 16 december 2021.

  • Winkeltijdenverordening gemeente Hollands Kroon, vastgesteld op 1 oktober 2013.

Artikel 15.2 Overgangsbepalingen

  • 1. Besluiten, genomen bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde regelingen, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, worden aangemerkt als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de regels van de verordeningen die golden op het moment van de aanvraag. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden ook aangemerkt als aanwijsbesluiten volgens deze verordening.

  • 3. Handhavings- en gedoogbesluiten op basis van de in artikel 15.1 genoemde regelingen worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen volgens deze verordening.

  • 4. Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde regelingen worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening.

  • 5. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde regelingen wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

  • 6. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn genomen geldt de schriftelijke toestemming of vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning volgens deze verordening.

  • 7. Als het bevoegd gezag van mening is dat een schriftelijke toestemming of een al verleende vergunning zoals bedoeld wordt in het zesde lid, niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het bevoegd gezag meer informatie over de leiding moet verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen. Doet hij dit niet dan vervalt de schriftelijke toestemming op een tijdstip die door het bevoegd gezag wordt bepaald.

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Hollands Kroon

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 14 december 2023,

De griffier,

J.M.M. Vriend

De voorzitter,

A. van Dam

Bijlage: Werkingsgebied Aardkundige waarden

afbeelding binnen de regeling

TOELICHTING Verordening fysieke leefomgeving

Ter voorbereiding op de Omgevingswet is een Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) opgesteld. In deze verordening komen de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving samen. Omdat niet alle regels opgenomen kunnen worden in een verordening zijn er ook beleidsregels horende bij de verordening fysieke leefomgeving opgesteld. De Vfl, inclusief beleidsregels vormt, samen met onze Omgevingsvisie, de instructieregels vanuit het Rijk en de provincie en de bruidsschat (de regels die vanuit het Rijk naar gemeenten komen), de basis voor het Omgevingsplan.

Hollands Kroon is in 2012 ontstaan door een fusie tussen de voormalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer. Een deel van het beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving is in de loop van de jaren samengevoegd. Maar voor een groot deel van de bestemmingsplannen geldt dit niet. Door het opstellen van de Vfl en bijhorende beleidsregels maken wij voor bepaalde onderwerpen al een eerste slag in het samenvoegen en actualiseren van deze regels. Een groot deel van de regels in de Vfl en bijhorende beleidsregels gaat straks in één keer over naar het Omgevingsplan. Er blijft ook een deel achter. Bijvoorbeeld de regels die vallen onder de bevoegdheid van de burgemeester zoals de openbare orde. In de Omgevingswet is bepaald dat deze regels niet in het Omgevingsplan opgenomen mogen worden. Wij kiezen er bewust wel voor om ook deze regels mee te nemen in de Vfl, zodat alle regels op het gebied van de fysieke leefomgeving op één plaats zijn gebundeld. Bepaalde hoofdstukken of delen daarvan zijn een verordening zoals in de landelijke wetgeving daarvoor is bepaald. Dit gaat bijvoorbeeld om het hoofdstuk Afvalstoffen en Erfgoed.

Naast het samenvoegen van de regels is dit ook hét moment om kritisch te kijken naar de regel zelf. Past een regel nog bij Hollands Kroon? Is er een aanpassing nodig of kan de regel wellicht geschrapt worden? Voor onze inwoners zijn de huidige regels niet altijd begrijpelijk. Daarom wordt de nieuwe verordening zo veel als mogelijk in begrijpelijke taal (taalniveau B1) geschreven.

De regelingen voor de bruidsschat zijn nog niet in deze verordening opgenomen. De gemeente kiest ervoor om deze regels die nu vanuit het Rijk zijn voorgeschreven nog niet aan te passen. De regels zijn bij ondernemers bekend en werken. Omdat er nu al zo veel veranderingen zijn lijkt het te veel om nu ook die ongeveer 600 regels ook nog eens aan te passen. Daarnaast willen wij kijken welke regels uit de bruidsschat regionaal afgestemd moeten worden om zo shoppen van bedrijven te voorkomen. Dit wordt met de Omgevingsdienst en de regiogemeenten opgepakt.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Dit hoofdstuk bevat de omschrijving van de begrippen die in de volgende hoofdstukken zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Dit hoofdstuk is gebaseerd op artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.

In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel verschillende mensen/bedrijven worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving verschillen. De algemene zorgplicht houdt in dat iedereen bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de verontreinigingen bij werkzaamheden. In het kader van de algemene zorgplicht is de veroorzaker verplicht dit op een juiste en veilige manier op te ruimen. Het artikel uit de voorgaande APV hierover, komt dan ook niet als zodanig terug in deze verordening.

De functies van de zorgplicht zijn:

  • bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen,

  • bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken,

  • bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie).

In de verordening is het oplaten van ballonnen niet toegestaan. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer en veroorzaken op de bodem en in het waterschade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op.

Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei namen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampions, Thaise wensballon enzovoorts). Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven.

Hoofdstuk 3 Proces

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over het proces voor het indienen van een aanvraag, ontheffing, melding of kennisgeving. Onder de Omgevingswet dient een aanvraag omgevingsvergunning via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingediend te worden. Dit geldt niet als het DSO op dat moment hier nog niet in voorziet. Wanneer het DSO (nog) niet de mogelijkheid biedt om de aanvraag, ontheffing, melding of kennisgeving in te dienen, dient dit via de gemeentelijke website te gebeuren.

In de voorgaande verordeningen zijn verschillende procedureregels en termijnen opgenomen. In deze verordening is één procedure opgenomen die voor alle aanvragen hetzelfde is. Het bevoegd orgaan beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag behalve als in de verordening of in wetgeving een andere termijn is bepaald.

In deze verordening zijn burgemeester en wethouders in beginsel het bevoegd gezag. Als er sprake is van een ander bevoegd gezag dan is dat in het artikel specifiek benoemd.

Bij een vergunning of melding kunnen voorschriften worden opgenomen. Deze voorschriften zijn bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden. Dit kunnen ook beperkingen zijn voor bijvoorbeeld plaats en tijdsduur. Dit geldt bijvoorbeeld bij schaarse vergunningen zoals standplaatsen, prostitutiegerelateerde zaken en vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen.

In de verordening zijn algemene weigeringsgronden opgenomen. Deze weigeringsgronden gelden voor alle benodigde vergunningen en ontheffingen. In sommige situaties zijn er specifieke weigeringsgronden. Deze zijn dan opgenomen in het betreffende artikel en niet in hoofdstuk 3. Een voorbeeld hiervan is artikel 7.12 Standplaatsvergunning. Hierin is opgenomen dat naast de algemene redenen om te weigeren (artikel 3.6) toestemming ook kan worden geweigerd als er door bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente te veel aanbod is uit één tak van handel. Als het aantal vergunningen of ontheffingen dat verleend kan worden beperkt is en er meer vergunningen of ontheffingen gevraagd worden dan kunnen worden verleend geldt een maximale termijn van 5 jaar. Het gaat hierbij in ieder geval om vergunningen en ontheffingen voor standplaatsen, kansspelen en sexinrichtingen.

Hoofdstuk 4 Erfgoed

Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat onvervangbaar is. Onroerend cultureel erfgoed is van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid. Door de aanwijzing als rijk, provinciaal of gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, krijgt het erfgoed waar het over gaat, een beschermde status.

In dit hoofdstuk zijn de regels uit de ‘Erfgoedverordening Hollands Kroon’ overgenomen. De mogelijkheid tot het aanwijzen van bijzonder erfgoed is in deze verordening toegevoegd. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het aanwijzen van tuunwallen, zoals we die kennen op Wieringen . Daarnaast is een regeling toegevoegd met betrekking tot de molenbiotoop rondom onze historische molens. De regeling ziet toe op de bescherming van de molenbiotoop buiten de bebouwde kom.

In de verordening is opgenomen dat de gemeente een erfgoedregister bijhoudt. In het erfgoedregister zijn de monumenten opgenomen. Het erfgoedregister kan iedereen inzien op de gemeentelijke website. Voor de aanwijzing of aanpassing van een gemeentelijk monument vraagt de gemeente advies aan de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Voor het verbouwen, strijdig gebruiken of aanleggen bij een beschermd gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig. Ook hierover adviseert de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. De aanwijzing van de genoemde commissie is niet in deze verordening geregeld.

Hollands Kroon wil haar bijzondere gebouwen behouden. Maar oude(re) panden vragen ook onderhoud en soms zijn de kosten zo hoog dat een andere functie nodig is. Om deze panden te behouden werkt de gemeente mee aan het splitsen van karakteristieke gebouwen in een of meerdere wooneenheden. Het gaat in dit artikel om panden die al een woonbestemming hebben. Panden die een andere bestemming hebben doorlopen een andere procedure omdat daar de onderliggende bestemming aangepast moet worden. Bijvoorbeeld bij een agrarisch perceel dat naar wonen wordt veranderd. Ook gelden daar andere regels op grond van de provinciale verordening.

Om inzichtelijk te maken wat er op het erf en met het gebouw gebeurt moet een erfinrichtingsplan worden toegevoegd aan de aanvraag. Dit is onderdeel van de vergunning zodat ook duidelijk is dat de situatie zo moet worden uitgevoerd en zo blijft. Hierin moeten onder andere de plek van de parkeerplaatsen worden aangegeven, de landschappelijke inpassing van eventuele bijgebouwen en de nieuwe erfindeling.

De uitvoering van normaal onderhoud is toegestaan zolang de bijzonderheden, beschrijving, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen. Hierbij geldt dat wanneer bepaalde materialen of technieken niet meer beschikbaar zijn of toegepast worden volstaan kan worden met een waardig alternatief.

Nieuw in de verordening is een regeling ter bescherming van aardkundige waarden. Deze regeling lag eerder bij de provincie. Met de komst van de provinciale Omgevingsverordening is deze regeling komen te vervallen. Om de aardkundige waarden te kunnen beschermen is er een regeling opgenomen in deze verordening.

Hoofdstuk 5 Begraven

Het hoofdstuk over begraven heeft een grote verandering ondergaan ten opzichte van de eerdere Verordening en het uitvoeringsbesluit. Een heel aantal bepalingen over de uitvoering en toezicht op begraafplaatsen waren opgenomen in de verordening, maar hoorden feitelijk thuis in het uitvoeringsbesluit. Ook de afmetingen van grafbedekking en maatregelen die het aanzicht van de begraafplaatsen regelden zijn verplaatst naar het uitvoeringsbesluit.

Het college kan in een uitvoeringsbesluit meer regels stellen voor zaken die nodig zijn voor het verzorgen en het onderhoud van de begraafplaatsen. Inhoudelijk zijn er weinig wijzigingen aan de afmetingen van de grafbedekking of asbussen. Een melding is nodig voor het aanbrengen van grafbedekking en moet passen in de voorwaarden van het uitvoeringsbesluit. Die is verplicht zodat de beheerder weet wat er wordt geplaatst, de kosten daarvan in rekening kunnen worden gebracht en kan worden gekeken of het aanzicht van de begraafplaats niet wordt aangetast.

Hoofdstuk 6 Welstand – gereserveerd

Hoofdstuk 7 Openbare ruimte

De regels in hoofdstuk 7 zijn opgenomen voor een goede inrichting en gebruik van de openbare ruimte. De regels komen grotendeels overeen met de regels die in de APV zijn opgenomen.

Door gebruik van het begrip ‘openbare plaats’ kan het artikel ook worden toegepast bij de aanpak van illegaal in gebruik nemen van stukken gemeentegrond door inwoners, bedrijven of instellingen. Het artikel 7.2 geeft een rechtsgrond om op te treden tegen de ingebruikname.

Met betrekking tot de regels voor parkeren is opgenomen dat als parkeernorm wordt uitgegaan van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkencijfers van het CROW. Dit geldt ook voor fietsparkeren. Uitgangspunt voor parkeren en laden en lossen bij bedrijven dat dit op eigen terrein dient plaats te vinden. Als dit niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken.

De stedelijkheidsklasse (hoeveel adressen er zijn in een gebied van 1 vierkante kilometer) van Anna Paulowna, Hippolytushoef en Wieringerwerf is "weinig stedelijk". De andere kernen en het buitengebied vallen onder de stedelijkheidsklasse "niet stedelijk".  De stedelijke zone is in alle kernen "rest bebouwde kom" en buiten de kernen "buitengebied".

Het maken van een uitweg kan momenteel met een melding. In de verordening is een vergunningplicht opgenomen. De vergunningplicht komt voort uit de regels die in het kader van de Omgevingswet vanuit het rijk naar gemeenten gaan, de zogenoemde Bruidsschat. De regels in de Bruidsschat krijgen wij op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Aanpassing van de regels is mogelijk middels het Omgevingsplan.

De perceeleigenaar/gebruiker moet een parkeerplaats die hoort bij een woning in stand houden. Anders komt de parkeerdruk alsnog in de wijk te liggen. Hiervoor moet een contract worden opgesteld. Daar zit ook een boeteclausule in om te waarborgen dat de parkeerplaats ook echt blijft liggen.

Het parkeren van grote voertuigen is recent weer opgenomen in de APV en daarom ook in de Vfl. Er wordt soms overlast ervaren van het parkeren van (bedrijfs-) busjes in straten. Met het opnemen van die regels ontstaat een handhavingstitel om dat te voorkomen.

In de verordening zijn regels voor handelsreclame toegevoegd. Deze regels werden gemist in beoordeling van aanvragen voor het plaatsen van reclame. Reclame is alleen toegestaan op eigen terrein. Voor het plaatsen van reclame is een omgevingsvergunning nodig. In bepaalde situaties is dit, binnen de bebouwde kom niet noodzakelijk. Het plaatsen van tijdelijke reclame in de vorm van driehoeksborden rondom lantaarnpalen blijft verboden. Dit verbod is opgenomen met het oog op tegengaan van verrommeling en ontsiering van de openbare ruimte. Dat geldt niet voor niet-commerciele activiteiten als overheidscampagnes, sport- en cultuurevenementen. Dit zijn geen commerciele activiteiten en beogen een algemeen belang. Deze zijn onder voorwaarden vrijgesteld van het verbod tot plaatsen van tweehoeks- of driehoeksborden of spandoeken.

Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid

De regels in hoofdstuk 8 zijn bedoeld voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid. De regels komen overeen met de regels uit de APV. Daarnaast zijn ook de regels uit de Verordening op de prostitutiebedrijven Hollands Kroon 2015 opgenomen in het hoofdstuk.

Voor de bescherming van flora en fauna zijn eigenaren of gebruikers van gronden verplicht de Reuzenberenklauw en de Japanse Duizendknoop te verwijderen. Ook de diverse distelsoorten blijven onder de werking van de verordening vallen. Distel (Cardius-soorten), mariadistel (Silybium-soorten), wegdistel (Onopordon-soorten), ridderzuring (Rumex obtusifolius) en Jacobskruid (Senecio jacobaea) blijven opgenomen.

Eerder is door de gemeenteraad besloten de vergunningsplicht voor bomen van inwoners te laten vervallen. Voor de gemeentelijke bomen geldt dat deze deel uitmaken van de openbare ruimte en in die zin publiek bezit zijn. Om die bomen te kappen is een zorgvuldige afweging gewenst, die getoetst kan worden door onze inwoners en eventueel zelfs door de rechter. De kapvergunning voor gemeentelijke bomen zoals benoemd in de bomenlijst blijft dan ook in stand.

De criteria die in artikel 8.27b, lid 2 worden genoemd zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te kunnen maken. De weigeringsgronden zijn niet dwingend bepaald; als de houtopstand aan één of meer van de criteria voldoet betekent dat dus niet automatisch dat de vergunning moet worden geweigerd. In de onderstaande toelichting op de weigeringsgronden worden deze zoveel mogelijk meetbaar gemaakt.

a. Natuurwaarde

Elke boom heeft een bepaalde natuurwaarde. Alleen indien er sprake is van een verhoogde natuurwaarde kan de aanvraag op basis van deze weigeringsgrond geweigerd worden. Bomen staande in een natuurgebied of die deel uitmaken van een ecologische verbindingszone hebben altijd een verhoogde natuurwaarde, zij bieden vanwege hun standplaats meer en betere schuil- en foerageergelegenheid voor dieren. Daarnaast kan een boom een bijzondere natuurwaarde hebben als er bijvoorbeeld een vaste verblijfplaats van vogels of zoogdieren aanwezig zijn in de houtopstand.

b. Landschappelijke waarde

Het gaat hier vooral om houtopstanden in het landelijk gebied. Bomen kunnen een landschappelijk element vormen die zorgen dat het (historisch) landschap gelezen kan worden. Hieronder vallen bijvoorbeeld bepaalde weg- en laanbeplantingen en beplanting die de begrenzing aan van kavels of bijzondere plekken in het landschap accentueren, zoals een houtsingel of een rij knotwilgen. Een landschappelijk element bestaat veelal uit meerdere bomen. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt meegenomen of ondanks het kappen van één of een deel van de houtopstand het landschappelijk element duurzaam in stand gehouden wordt. Indien dit niet het geval is, kan dit leiden tot een weigering van de aanvraag.

c. Waarde voor dorpsschoon

Deze waarde wordt bepaald door het feit dat de boom een onderdeel is van een boomgroep of laanbeplanting die de karakteristieke structuur van het dorp zichtbaar maakt. Deze weigeringsgrond is ook van toepassing op de bomen die onderdeel uitmaken van het beschermd dorpsgezicht, zoals is vastgesteld in het bestemmingsplan.

d. Beeldbepalende waarde

Deze weigeringsgrond is aan de orde indien de boom of bomen vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar zijn en een voor de soort karakteristieke kroonvorm heeft. Zijn er in de directe omgeving geen bomen aanwezig die de (beeldbepalende) functie van de boom (of bomen) over kan nemen en/of zou het als een gemis in het straatbeeld worden ervaren als deze boom of bomen zouden verdwijnen. Dan is deze weigeringsgrond aan de orde. Behoud van de houtopstand prevaleert indien deze een karakteristieke vorm heeft, van een zeldzame omvang of soort is, wanneer deze een bijzondere standplaats heeft of wanneer deze een karakteristieke structuur zichtbaar maakt.

e. Cultuurhistorische waarde

Onder bomen met een cultuurhistorische waarde worden bomen verstaan zoals;

  • -

    Gedenkbomen (ter ere van het koningshuis, oorlogsslachtoffers , etc.)

  • -

    Lokale betekenis (gerechtsbomen, sagebomen, geschenkbomen etc.)

  • -

    Sociale functie (ontmoetingsplaats, boomfeestdag etc.)

  • -

    Wanneer deze deel uitmaken van een cultuurhistorisch object (bepaald gebouw, eendenkooi etc.)

Het betreft bomen met een verhaal, welke op enigerlei wijze terug te vinden is in de historie.

f. Waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand

De boom of bomen vormen een eenheid met de omringende bomen. De resterende boom of bomen zullen schade ondervinden bij verwijdering van de boom of bomen.

Hoofdstuk 9 Winkeltijden

De winkeltijdenverordening is behoorlijk op de schop gegaan. Het voorstel was om de openingstijden op de zondag te verruimen. Daar heeft de raad op 16 december 2021 in meerderheid tegen gestemd. De openingstijden van winkels op zondag blijft daarmee zoals die waren; van 10.00 tot 18.00 uur.

In de eerdere verordening waren allerlei uitzonderingsregels opgenomen voor bijvoorbeeld videotheken, bloemisten of carnavalswinkels. Naast dat sommige van deze categorieën winkels eigenlijk niet meer voorkomen, werd er ook nooit een beroep op gedaan om af te wijken. Daarom is gekozen voor een algemene vrijstelling voor alle winkels. Dat is eenduidig en helder.

Omdat de Ramadan niet binnen een vaste periode wordt gehouden, is hiervoor nog wel een aparte bepaling voor opgenomen. Winkels die speciale Ramadan-gerelateerde goederen verkopen mogen gedurende die periode open twee uur voor zonsopgang tot zonsondergang als dat valt buiten de openingstijden van 8 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds.

Hoofdstuk 10 Regels over duurzaamheid - Gereserveerd

Hoofdstuk 11 Afvalstoffen - Gereserveerd

Omdat de Omgevingswet is uitgesteld en de afvalstoffenverordening moet worden aangepast per 1-1-2022 is dit hoofdstuk voor nu gereserveerd. Dit zal op een later tijdstip worden ingevoegd.

Hoofdstuk 12 Havens – Gereserveerd

Hoofdstuk 13 Toezicht en handhaving

In deze artikelen wordt de aanwijzing van toezichthouders geregeld.

Hoofdstuk 14 Strafbepalingen

Veel van de bepalingen in de Verordening fysieke leefomgeving zijn zorgplichten of zaken die bij recht zijn toegestaan. Wij gaan namelijk uit van vertrouwen in onze inwoners, bedrijven en instellingen. Voor een aantal bepalingen blijft het wenselijk om hier strafbepalingen aan te blijven koppelen. Dat zijn voornamelijk bepalingen die uit de voormalige APV komen.

Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen

In dit hoofdstuk wordt geregeld hoe aanvragen worden afgehandeld die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn ingediend.