Huisvestingsverordening 2024 gemeente Eindhoven

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Huisvestingsverordening 2024 gemeente Eindhoven

De raad van de gemeente Eindhoven;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023;

gelet op de artikelen 4, 5, 7, 9 t/m 14, 20 t/m 22, 24 en 35 van de Huisvestingswet 2014;

overwegende dat,

het wenselijk is om de mogelijkheid te bieden dat woningzoekenden als urgent in de zin van artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 aangemerkt worden en deze woningzoekenden met voorrang te kunnen huisvesten;

het daarvoor noodzakelijk is om met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de categorieën woningzoekenden die als urgent kunnen worden aangemerkt, bij verordening regels te geven;

en overwegende dat,

de gemeenteraad inmiddels voldoende mogelijkheden heeft om via de bestemmingsplannen c.q. het omgevingsplan te sturen op veranderingen in woonruimte en hiervoor (in tegenstelling tot de periode vóór 2024) geen gebruik meer hoeft te maken van de bevoegdheden op grond van de Huisvestingswet 2014;

BESLUIT:

vast te stellen de Huisvestingsverordening 2024 gemeente Eindhoven.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a)

    Geliberaliseerde huurwoning: een huurwoning waarvan de huur bij het aangaan van de huurovereenkomst boven de huurgrens ligt voor het ontvangen van huurtoeslag.

  • b)

    Huishouden: een meerderjarige alleenstaande, dan wel twee of meer personen waarvan er ten minste één meerderjarig is die twee jaar of langer een gemeenschappelijk huishouden voeren;

  • c)

    Huisvestingsvergunning: een vergunning die aan urgent-woningzoekenden wordt verstrekt en waarmee deze een in artikel 2, eerste lid, bedoelde woning met voorrang in gebruik kunnen nemen;

  • d)

    Ingezetene: persoon die in de Basisregistratie Personen van de gemeente is opgenomen;

  • e)

    Inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;

  • f)

    Kamergewijze huisvesting: huisvesting van minimaal twee en maximaal vier alleenstaande statushouders in één daarvoor door een woningcorporatie geschikt gemaakte eengezinswoning, waarbij sprake is van een gezamenlijke keuken en badkamer en van een eigen huurovereenkomst voor iedere individuele statushouder;

  • g)

    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • h)

    Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

  • i)

    Statushouder: een vergunninghouder, zijnde een vreemdeling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b c of d, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • j)

    Stedelijk Gebied Eindhoven: het grondgebied in ieder geval van de gemeenten Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen c.a., Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre;

  • k)

    Urgentiecommissie: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen regionale commissie met als taak advies uit te brengen over verzoeken van woningzoekenden om in een urgentiecategorie te worden ingedeeld;

  • l)

    Wet: Huisvestingswet 2014;

  • m)

    Woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is binnen de gemeente;

  • n)

    Woningzoekende: huishouden dat woonruimte zoekt in het Stedelijk Gebied Eindhoven.

HOOFDSTUK 2 TOEPASSINGSBEREIK

Artikel 2 Aanwijzing categorieën van woningen waarin urgent woningzoekenden gehuisvest kunnen worden

  • 1. Voor woonruimten, in eigendom van woningcorporaties binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven, met een huurprijs beneden de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de Huurtoeslag, kunnen woningzoekenden worden aangewezen als urgent.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met c, van de Leegstandwet;

    • b.

      onzelfstandige woonruimten;

    • c.

      bedrijfswoningen;

    • d.

      kamergewijze huisvesting;

    • e.

      zorg- en aanleunwoningen, die als zodanig zijn aangemerkt en waarbij in beginsel directe bemiddeling plaatsvindt. tenzij directe bemiddeling redelijkerwijs niet kan plaatsvinden en de toewijzing wegens medische urgentie als bedoeld in deze verordening geschiedt;

    • f.

      woonruimte die verhuurd wordt op basis van een tijdelijk huurcontract als bedoeld in artikel 2:274 leden 2 of 4 van het Burgerlijk Wetboek;

    • g.

      standplaatsen voor woonwagens;

    • h.

      door het college van burgemeester en wethouders in overleg met de woningcorporatie aan te wijzen vormen van woon- of leefgemeenschap;

    • i.

      concrete woonruimte en/of bepaalde woningtypen en/of concrete locaties die door het college van burgemeester en wethouders als zodanig zijn aangewezen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan zowel onzelfstandige woonruimte als kamergewijze huisvesting ingezet worden ten behoeve van de huisvesting van statushouders.

HOOFDSTUK 3 URGENTIE

Artikel 3 Urgent woningzoekenden

Voor de in artikel 2 aangewezen categorieën woonruimte wordt bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang gegeven aan urgent-woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

Artikel 4 Algemene voorwaarden voor het verkrijgen van een beschikking tot indeling in een urgentiecategorie

  • 1. Beschikkingen tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën als bedoeld in artikel 6 (de "urgentiebeschikking") worden uitsluitend afgegeven indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een bijzondere (nood)situatie die is ontstaan buiten verwijtbare schuld van de woningzoekende, met dien verstande dat in voorkomende situaties rekenschap wordt gegeven van het op het moment van de aanvraag tot beschikking vigerende Sanctie & Kansenbeleid (of daarmee naar zijn aard gelijk te stellen beleidsdocument) van de woningcorporatie waar de woningzoekende zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 heeft geregistreerd, en;

    • b.

      de individuele situatie van de woningzoekende en zijn inzet om zelf bij te dragen aan de oplossing van het woonprobleem zijn uitgangspunten voor de beoordeling van het verzoek om urgentiebeschikking, en;

    • c.

      de woningzoekende is voor het oplossen van de noodsituatie expliciet aangewezen op zelfstandige woonruimte, en;

    • d.

      het jaarverzamelinkomen van het huishouden van woningzoekende bedraagt niet meer dan de EU-normering, zoals die luidt op het moment van de aanvraag van de beschikking, om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen, en;

    • e.

      de woningzoekende niet reeds een urgentiebeschikking heeft verkregen die op basis van artikel 7, derde lid, is ingetrokken dan wel die op basis van artikel 7, vierde lid, onder b of d, van rechtswege is vervallen, en;

    • f.

      de woningzoekende is 18 jaar of ouder, en;

    • g.

      de woningzoekende staat ingeschreven in een registratiesysteem voor woningzoekenden als bedoeld in artikel 8, tenzij deze registratie voor bepaalde groepen urgent-woningzoekenden in deze verordening uitdrukkelijk niet van toepassing wordt verklaard, en;

    • h.

      de woningzoekende is niet via de reguliere weg woonruimte aangeboden teneinde in de dringende behoefte aan passende woonruimte te voorzien in welk kader het verzoek wordt gedaan, welke woonruimte door hem/haar is geweigerd.

  • 2. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op statushouders.

  • 3. Indien en voor zover urgentie wordt aangevraagd en de woningzoekende zelf heeft voorzien in tijdelijke huisvesting ter overbrugging die niet geschikt is als duurzame oplossing voor de desbetreffende woningzoekende, staat dit het verkrijgen van een urgentiebeschikking niet in de weg.

Artikel 5 Urgentiecriteria/categorieën

  • 1. Voor de in artikel 2 aangewezen categorieën van woonruimte worden bij het verlenen van huisvestingsvergunningen als urgent woningzoekenden aangewezen: woningzoekenden met een;

    • a.

      een maatschappelijke urgentie;

    • b.

      een medische urgentie;

    • c.

      een volkshuisvestelijke urgentie;

    • d.

      een sociale urgentie.

    indien en voor zover zij voldoen aan de in artikel 4 genoemde algemene voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentiebeschikking, als ook aan de hieronder per categorie-onderdeel opgesomde criteria.

  • 2. In de navolgende gevallen is sprake van een maatschappelijke urgentie:

    • a.

      een woningzoekende die duurzame mantelzorg verleent of ontvangt, in die zin dat:

      • er sprake is van langdurige zorg waarvan sprake is van minimaal 8 uur per week verdeeld over minimaal 4 dagen per week en dat de zorgrelatie duurzaam van aard is in die zin dat hier – naar verwachting – nog tenminste 3 jaar sprake zal zijn, en;

      • de vervangende huisvesting een wezenlijke bijdrage levert aan de taakverlichting van de mantelzorger.

    • b.

      een woningzoekende die het slachtoffer is van problemen van relationele aard of in verband met geweld zijn of haar woonruimte heeft verlaten met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen zijn op de woning van de ouder(s), in het geval dat:

      • (afhankelijk van de aard en ernst van het delict) een of meerdere aangiftes is gedaan, en;

      • aangetoond kan worden dat terugkeer naar de woning niet meer mogelijk is.

    • c.

      een woningzoekende met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen zijn op de woning van de ouder(s) die hun woonruimte moeten verlaten door gedwongen verkoop van hun woonruimte, in het geval dat:

      • 1°.

        de woningzoekende een schrijven van de bank of de hypotheekverstrekker kan overleggen waaruit blijkt dat sprake is van gedwongen verkoop, en;

      • 2°.

        er naar objectieve maatstaven geen andere, goedkopere, woning gekocht of gehuurd kan worden, en;

      • 3°.

        de gedwongen verkoop niet het gevolg is van verwijtbaar (betaal)gedrag;

    • d.

      een woningzoekende met inwonende kinderen die voor hun huisvesting aangewezen zijn op de woning van de ouder(s) die hun woonruimte moeten verlaten door echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap, beëindiging samenwoning op basis van een notarieel vastgelegd samenlevingscontract of beëindiging samenwoning waarbij sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag, waarbij de dreiging van dakloosheid van de betrokken kinderen zich voordoet, in het geval dat:

      • 1°.

        de woningzoekende een gelijk deel of de meerderheid van de zorg heeft over de kinderen, en;

      • 2°.

        de kinderen staan ingeschreven bij de woningzoekende in de gemeentelijke Basisregistratie Personen, en;

      • 3°.

        het jongste kind niet ouder is dan 23 jaar tenzij een of meerdere van de betrokken kinderen door een beperking duurzaam afhankelijk zijn van de verzorging van de ouders, en;

      • 4°.

        de woningzoekende met objectieve gegevens kan aantonen dat door de woningzoekende het recht is geclaimd om in de huidige woonruimte te blijven wonen, als ook voldoende alimentatie of ander inkomen om de woonlasten op te kunnen brengen zijn geclaimd en deze claim niet is toegekend dan wel dat het niet zinvol is om een dergelijke claim te leggen waarvan in ieder geval sprake is in het geval dat:

        • aa.

          de betreffende woning op naam van de partner staat, voor zover er geen sprake is van gemeenschap van goederen, en;

        • bb.

          de partner, waarbij de claim zou worden neergelegd, aantoonbaar een uitkering op bijstandsniveau heeft, en;

      • 5°.

        de woningzoekende met objectieve gegevens kan aantonen dat het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenwoning duurzaam van aard was. Van duurzaamheid is sprake wanneer het huwelijk dan wel de samenleving minimaal twee jaren heeft bestaan en korter dan zes maanden geleden is verbroken;

    • met dien verstande dat:

      • i.

        het bepaalde onder 2° niet van toepassing is indien en voor zover de zorg voor de kinderen voor gelijke delen tussen de ouders is verdeeld en het kind aantoonbaar op het woonadres van de andere ouder staat ingeschreven, dan wel;

      • ii.

        het bepaalde onder 4° en 5° is niet van toepassing indien er sprake is van zwaarwegende redenen zoals bedreiging door (ex)partner.

    • e.

      een woningzoekende met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen zijn op de woning van de ouder(s) die vanuit een bijstandssituatie doorgestroomd is naar een structurele betaalde baan in het Stedelijk Gebied Eindhoven, in het geval dat,

      • de baan van dien omvang is dat de woningzoekende ten gevolge van de daaruit verkregen inkomsten niet meer voor het verkrijgen van een bijstandsuitkering in aanmerking komt, en;

      • vanwege de situatie en de afstand van de woningzoekende redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij/zij forenst.

    • f.

      een woningzoekende die zich geconfronteerd ziet met te hoge woonlasten, in het geval dat:

      • de woningzoekende afkomstig is uit een koopwoning of geliberaliseerde huurwoning, en;

      • de woningzoekende aantoonbaar inspanningen heeft gedaan om de financiële problemen op te lossen, en;

      • de woonlasten onevenredig hoog zijn in relatie tot het huishoudinkomen of de andere mogelijkheden van het huishouden om in die lasten te voorzien.

  • 3. In de navolgende gevallen is sprake van een medische urgentie:

    • a.

      een woningzoekende waarbij sprake is van ernstige fysiek-, psychiatrische of psychische problemen die het functioneren in de huidige woonsituatie ernstig en duurzaam belemmeren in het geval dat:

      • de aard en ernst van de problematiek door onafhankelijk medisch, psychiatrisch of psychologisch onderzoek wordt aangetoond, en;

      • andere huisvesting noodzakelijk is voor de oplossing of het draaglijk maken van het medisch probleem.

    • b.

      een woningzoekende die in het kader van de Wmo een indicatie heeft voor verhuizing in verband met ernstige fysieke beperkingen, in het geval dat:

      • de verhuizing spoedeisend is, en;

      • de verhuizing is de goedkoopste adequate voorziening.

  • 4. In de navolgende gevallen is sprake van een volkshuisvestelijke urgentie:

    • a.

      een statushouder;

    • b.

      een huurder van een woning van een woningcorporatie die op grond van een sociaal plan bij herstructurering of sloop van huurwoningen in aanmerking komt voor vervangende huisvesting;

    • c.

      een huurder van een woning die door de verhuurder voor eigen gebruik wordt opgeëist;

    • d.

      een huishouden dat vanwege de opkoop van zijn woning door de gemeente in het belang van de uitvoering van openbare werken, buiten het kader van stadsvernieuwingsprojecten om, in aanmerking komt voor vervangende huisvesting.

  • 5. In de navolgende gevallen is sprake van een sociale urgentie:

    • a.

      een woningzoekende die vanuit een intramurale setting (maatwerkvoorziening) doorstroomt naar zelfstandige woonruimte met begeleiding;

    • b.

      een woningzoekende die vanwege problemen van relationele aard of huiselijk geweld in een instelling verblijft en uitstroomt naar zelfstandig wonen.

Artikel 6 Verzoek om indeling in een urgentiecategorie

  • 1. Het verzoek om te worden ingedeeld in een of meerdere urgentiecategorieën wordt ingediend door of namens de woningzoekende door gebruikmaking van een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

  • 2. Het verzoek is vergezeld van de volgende gegevens:

    • a.

      naam, geboortedatum en contactgegevens van de woningzoekende en – voor zover van toepassing – zijn/haar kinderen;

    • b.

      omvang van het huishouden van de woningzoekende;

    • c.

      het huishoudinkomen van de woningzoekende;

    • d.

      aanduiding van de noodzaak en de motivering van het verzoek.

    Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels op te stellen voor wat betreft de vereiste informatie die een woningzoekende moet overleggen teneinde een adequate behandeling van een verzoek mogelijk te maken.

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders kan van de woningzoekende verlangen nadere gegevens in te dienen indien dit naar zijn oordeel voor de behandeling van het verzoek nuttig of noodzakelijk is.

  • 4. Voor het in behandeling nemen van een verzoek van een woningzoekende om in een of meerdere urgentiecategorieën te worden ingedeeld is de woningzoekende leges verschuldigd. Indien het verzoek van de woningzoekende leidt tot het verkrijgen van een urgentiebeschikking worden de betaalde leges gerestitueerd.

    Het bepaalde in dit artikellid is niet van toepassing voor woningzoekenden als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder a, b en d van deze verordening.

  • 5. Bij de beoordeling van verzoeken tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de op basis van artikel 12 in het leven geroepen commissie.

  • 6. Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing, indien het verzoek wordt gedaan door woningzoekenden met een medische urgentie als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b en/of een volkshuisvestelijke urgentie als bedoeld in artikel 5, vierde lid en/of een sociale urgentie als bedoeld in artikel 5, vijfde lid.

  • 7. Het college van burgemeester en wethouders neemt binnen 6 weken na ontvangst van het verzoek een beslissing op een verzoek tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën. De beschikking bevat in ieder geval:

    • 1.

      de naam en contactgegevens van de woningzoekende;

    • 2.

      de datum van het verzoek als bedoeld in het eerste lid;

    • 3.

      de urgentiecategorie(ën) waarin de woningzoekende is ingedeeld;

    • 4.

      de duur dat de beschikking rechtskracht heeft.

    Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels op te stellen voor wat betreft de inhoud van een urgentiebeschikking.

  • 8. De beschikking op een verzoek tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën kan de woningzoekende bij alle gemeenten binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven overleggen bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning.

  • 9. Een positieve beschikking op een verzoek tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën geeft recht op een passende woning binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven binnen zes maanden na afgifte van de beschikking.

    De urgent-woningzoekende krijgt de mogelijkheid zelf te reageren op het woningaanbod, tenzij:

    • sprake is van de urgentiecategorieën als bedoeld in artikel 5 lid 4 onder a of artikel 5 lid 5 onder a;

    • dit naar het oordeel van de desbetreffende woningcorporatie onwenselijk is vanuit het door de corporatie gehanteerde beleid;

    • de urgent-woningzoekende heeft aangegeven aan directe bemiddeling de voorkeur te geven.

    Indien geen sprake is van directe bemiddeling, staat de vraag of een woning al dan niet passend is, ter beoordeling aan de woningcorporatie in wiens verzorgingsgebied de woningzoekende die een urgentiebeschikking heeft verkregen, woont of gaat wonen. De woningcorporatie betrekt bij haar toets de mogelijkheden op de woningmarkt, de geldende regels rond inkomens en de huishoudensgrootte (de zogenaamde passendheidsnormen zoals vastgesteld door het Rijk).

  • 10. Een verzoek tot indeling in een urgentiecategorie waarop in het verleden negatief is beslist, wordt alleen dan in behandeling genomen wanneer de woningzoekende gewijzigde feiten en/of omstandigheden aandraagt die het (hernieuwde) verzoek onderbouwen.

Artikel 7 Intrekken, verval van rechtswege of wijzigen van een urgentiebeschikking

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentiebeschikking intrekken, in het geval dat de woningzoekende:

    • a.

      niet langer als een woningzoekende in de zin van artikel 3 is aan te merken;

    • b.

      niet langer aan de vereisten voor het verkrijgen van urgentie voldoet;

    • c.

      bij het verzoek tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën gegevens en/of bescheiden heeft overlegd waarvan hij wist, of redelijkerwijs zou moeten weten, dat deze onjuist en/of onvolledig waren.

  • 2. In het geval dat bij een intrekking op basis van het eerste lid, onder b, bij het toewijzen van de urgentiebeschikking advies is gevraagd aan de urgentiecommissie als bedoeld in artikel 12, wint het college van burgemeester en wethouders ook, overeenkomstig de procedure opgenomen in artikel 6, advies in omtrent de voorgenomen intrekking.

  • 3. Na het intrekken van een urgentiebeschikking kan op grond van dezelfde omstandigheden niet opnieuw een urgentiebeschikking worden verkregen tot indeling in diezelfde urgentiecategorie.

  • 4. Een urgentiebeschikking vervalt van rechtswege, derhalve zonder dat hiervoor een beschikking van het college van burgemeester en wethouders voor nodig is, in het geval dat:

    • a.

      de woningzoekende een passende woning heeft geaccepteerd dan wel zelfstandige woonruimte voor onbepaalde tijd in gebruik heeft genomen;

    • b.

      de woningzoekende een aanbod voor een passende woning heeft afgewezen;

    • c.

      de woningzoekende gedurende zes maanden geen gebruik heeft gemaakt van de toegekende urgentie;

    • d.

      zes maanden na afgifte van de urgentiebeschikking zijn verstreken tenzij de woningzoekende in deze periode geen passende woning is aangeboden in welk geval voor de termijn van zes maanden het moment moet worden gelezen waarop een passende woning is aangeboden en deze door de woningzoekende is afgewezen;

    • e.

      (voor zover het betreft de originele urgentiebeschikking) de woningzoekende in een andere urgentiecategorie wordt ingedeeld als bedoeld in het zesde lid.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten om de geldigheidsduur van de urgentiebeschikking na ommekomst van de periode bedoeld in het vierde lid, onder c te verlengen mits:

    • a.

      het aanbod gedurende deze periode in het individuele geval aantoonbaar niet passend is geweest, en;

    • b.

      de urgent-woningzoekende aantoonbaar zelf adequate inspanningen heeft verricht.

  • 11. In het geval van een verlenging van de geldigheidsduur op basis van dit artikellid ontvalt de urgent-woningzoekende de mogelijkheid om zelf te reageren op woningaanbod en vindt het zoeken van een passende woning plaats via directe bemiddeling door de woningcorporatie in wiens verzorgingsgebied de woningzoekende die een urgentiebeschikking heeft verkregen woont.

  • 12. Een woningzoekende kan, al dan niet op zijn eigen verzoek, in een andere urgentiecategorie worden ingedeeld, indien gewijzigde omstandigheden daar naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders aanleiding toe geven. Artikel 6 leden 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op de indeling in een andere urgentiecategorie.

    Aan de woningzoekende wordt vervolgens een nieuwe urgentiebeschikking verstrekt.

HOOFDSTUK 4 REGISTRATIE

Artikel 8 Registratie van woningzoekenden

  • 1. Woningzoekenden registreren zich bij een in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporatie.

  • 2. Een woningcorporatie draagt in het kader van deze verordening zorg voor een adequate registratie van woningzoekenden.

  • 3. De woningcorporatie biedt de woningzoekende inzicht in zijn/haar registratie.

  • 4. De registratie bij een woningcorporatie in een andere gemeente in het Stedelijk Gebied Eindhoven is, indien en voor zover de woningzoekende een urgentiebeschikking als bedoeld in artikel 6 van deze verordening heeft verkregen, ook geldig als registratie als woningzoekende in deze gemeente.

  • 5. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor woningzoekenden als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder a, b en d van deze verordening.

HOOFDSTUK 5 HUISVESTINGSVERGUNNING

Artikel 9 Vergunningplicht

  • 1. Het is verboden om zonder huisvestingsvergunning een woonruimte, zoals aangewezen in artikel 2, eerste lid, in gebruik te nemen voor bewoning.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde vergunningplicht geldt uitsluitend indien een woningzoekende door het verkrijgen van een urgentiebeschikking in aanmerking komt voor de desbetreffende woonruimte.

Artikel 10 Aanvraag, inhoud en verval huisvestingsvergunning

  • 1. Een aanvraag voor een huisvestingsvergunning wordt door of namens de woningzoekende ingediend door gebruikmaking van een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      naam, contactgegevens, leeftijd, nationaliteit en – indien van toepassing – de verblijfstitel van de aanvrager;

    • b.

      het aantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden dat de woonruimte zal betrekken;

    • c.

      bescheiden aan de hand waarvan het huishoudinkomen van de woningzoekende kan worden vastgesteld;

    • d.

      beoogde datum van het betrekken van de woonruimte;

    • e.

      een afschrift van de urgentiebeschikking, met dien verstande dat dit afschrift ook in een later stadium, doch uiterlijk voor het besluitvormingsmoment mag worden overgelegd;

    Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels op te stellen voor wat betreft de vereiste informatie die een woningzoekende moet overleggen teneinde een adequate behandeling van de aanvraag mogelijk te maken.

  • 3. Het college van burgemeester en wethouders beslist gelijktijdig met het aangaan van de huurovereenkomst op een aanvraag om huisvestingsvergunning. Indien de aanvrager gebruik maakt van de in het tweede lid, onder e, neergelegde mogelijkheid om het afschrift van de urgentiebeschikking in later stadium te overleggen, gaat de beslistermijn lopen met ingang van de dag na die waarop het afschrift is overlegd.

  • 4. Indien de aanvraag of één of meerdere punten onvolledig is, retourneert het college van burgemeester en wethouders de aanvraag per ommegaande. Het college stelt de woningzoekende daarbij in de gelegenheid om binnen 7 werkdagen na verzenddatum van de retourzending een volledige aanvraag in te dienen. Indien de woningzoekende nalaat de aanvraag (tijdig) te completeren, stelt het college van burgemeester en wethouders de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling.

  • 5. De huisvestingsvergunning vermeldt in ieder geval:

    • a.

      een aanduiding van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;

    • b.

      aan wie de vergunning is verleend;

    • c.

      het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt;

    • d.

      de voorwaarde dat de vergunninghouder de woonruimte binnen de in de vergunning genoemde termijn, welke nimmer meer mag zijn dan 8 weken, in gebruik moet nemen bij in gebreke waarvan de vergunning vervalt.

  • 6. De huisvestingsvergunning vervalt van rechtswege indien de daaraan ten basis liggende urgentiebeschikking met toepassing van artikel 7 is ingetrokken of van rechtswege is komen te vervallen.

Artikel 11 Rangorde

  • 1. Als op grond van deze verordening meerdere urgent-woningzoekenden tegelijkertijd met voorrang in aanmerking komen voor dezelfde woonruimte, wordt de rangorde als volgt bepaald:

    • a.

      als eerste komen in aanmerking statushouders (volkshuisvestelijke urgentie als bedoeld in artikel 5 lid 4 onder a), en woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor de tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten (sociale urgentie als bedoeld in artikel 5 lid 5 onder b);

    • b.

      daarna komen in aanmerking de overige woningzoekenden die in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 5 zijn ingedeeld, in de volgorde waarop de urgent-woningzoekende een positieve urgentiebeschikking heeft verkregen.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels te stellen voor wat betreft het bepalen van de rangorde van te huisvesten urgent woningzoekenden.

HOOFDSTUK 6 WIJZIGINGEN IN DE WOONRUIMTEVOORRAAD

Artikel 12 Vervallen vergunning

Een vergunning als bedoeld in artikel 21 sub c en sub d van de wet vervalt indien:

  • a.

    het gebruik van het gebouw waarvoor de vergunning is verleend beëindigt;

  • b.

    het gebouw, waarvoor de vergunning geldt, uiterlijk twee jaar nadat het door brand of een vergelijkbare calamiteit is verwoest, vernield of beschadigd, niet zodanig is hersteld dat weer wordt voldaan aan de vergunningvereisten.

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

Artikel 13 Urgentiecommissie

  • 1. Op grond van deze verordening komt de Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven tot stand.

  • 2. De Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven is onafhankelijk ten opzichte van de in het Stedelijk Gebied Eindhoven gelegen gemeenten en de daarin werkzame woningbouwcorporaties.

  • 3. De taak van de Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven is het uitbrengen van een bindend advies aan het college van burgemeester en wethouders over een verzoek tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën in het kader van de toewijzing van woonruimte.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders stelt, in overleg met de gemeenten en de woningcorporaties gelegen dan wel werkzaam binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven, een Reglement van Orde vast op basis waarvan de (regionale) Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven haar adviserende werkzaamheden vervult. In dit Reglement van Orde wordt in ieder geval geregeld:

    • a.

      de samenstelling van de commissie;

    • b.

      de voorwaarden die aan lidmaatschap van de commissie worden gesteld;

    • c.

      de benoeming en het ontslag van commissievoorzitter en –leden;

    • d.

      de manier waarop de commissie wordt ondersteund;

    • e.

      de werkwijze van de commissie, waaronder in ieder geval begrepen de afhandeling van urgentieaanvragen, het inschakelen van deskundigen, het horen van woningzoekenden, het inwinnen van relevante informatie en de informatievoorziening richting het college van burgemeester en wethouders;

    • f.

      dat de commissie achter gesloten deuren vergadert.

Artikel 14 Bezwaarschriftencommissie

  • 1. Voor de voorbereiding en advisering bij de beslissing op bezwaren tegen besluiten op grond van deze verordening stelt het college van burgemeester en wethouders, in overleg met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven, een commissie in als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. De Bezwaarschriftencommissie is onafhankelijk ten opzichte van de in het Stedelijk Gebied Eindhoven gelegen gemeenten en de daarin werkzame woningcorporaties.

  • 3. De bezwaarschriftencommissie kan op verschillende locaties binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven zitting houden.

  • 4. De bezwaarschriftencommissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders stelt, in overleg met de colleges van burgemeester en wethouders de overige gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven, een reglement vast waarin in ieder geval wordt geregeld:

    • a.

      de samenstelling van de commissie;

    • b.

      de voorwaarden die aan lidmaatschap van de commissie worden gesteld;

    • c.

      de benoeming en het ontslag van commissievoorzitter en –leden;

    • d.

      de manier waarop de commissie wordt ondersteund;

    • e.

      de werkwijze van de commissie;

    • f.

      dat de commissie achter gesloten deuren vergadert.

  • 6. De bezwaarschriftencommissie is bevoegd om namens het college van burgemeester en wethouders de beslistermijn op bezwaarschriften te verlengen overeenkomstig artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15 Hardheidsclausule

In uiterst bijzondere gevallen van schrijnende sociaal-maatschappelijke problematiek kan het college van burgemeester en wethouders in beginsel op basis van daartoe strekkend advies van de urgentiecommissie, dan wel – indien en voor zover dit plaatsvindt binnen een lopende bezwaarschriftenprocedure – op basis van een daartoe strekkend advies van de bezwaarschriftencommissie, in individuele gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een bijzondere hardheid ten opzichte van de woningzoekende afwijken van het bepaalde in deze verordening.

Artikel 16 Mandatering

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van de bevoegdheden opgenomen in artikel 6 en artikel 7 (met uitzondering van het vijfde lid van dat artikel), mandateren aan de in artikel 12 bedoelde urgentiecommissie of een aan het dagelijks bestuur van een in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporatie.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van de bevoegdheden van hoofdstuk 5 van deze verordening, mandateren aan het dagelijks bestuur van een in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporatie.

  • 3. De bevoegdheid opgenomen in artikel 14 wordt niet gemandateerd.

  • 4. De mandataris rapporteert jaarlijks aan de mandans hoe van de gemandateerde bevoegdheid gebruik is gemaakt.

Artikel 17 Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024 en vervalt van rechtswege op 1 januari 2028.

Artikel 18 intrekking oude verordeningen en overgangsrecht

  • 1. De Huisvestingsverordening 2020 gemeente Eindhoven vervalt van rechtswege op 1 januari 2024.

  • 2. Urgentiebeschikkingen die zijn verleend op basis van de Huisvestingsverordening 2020 gemeente Eindhoven worden gelijk gesteld met een urgentiebeschikking die is verleend op basis van deze verordening.

  • 3. Aanvragen om urgentiebeschikking die nog in procedure zijn op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening worden op basis van de Huisvestingsverordening 2020 gemeente Eindhoven afgewerkt.

  • 4. Omzettingsvergunningen en woningvormingsvergunningen die zijn verleend op basis van een eerdere Huisvestingsverordening worden gelijk gesteld met een vergunning die is verleend op basis van deze verordening.

Artikel 19 citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als "Huisvestingsverordening 2024 gemeente Eindhoven".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Eindhoven op 19 december 2023.

De raad voornoemd,

De griffier,

De voorzitter,