Programma externe veiligheid gemeente Best

Geldend van 22-12-2023 t/m heden

Intitulé

Programma externe veiligheid gemeente Best

Omgaan met externe veiligheidsrisico's: Handreiking voor gebiedsindeling

Voorwoord

Met de invoering van de Omgevingswet gaat de wetgeving rondom externe veiligheid op de schop. Een aantal landelijke wet- en regelgeving zal geïmplementeerd moeten worden in gemeentelijk beleid. Voor de huidige beleidsstukken rondom externe veiligheid, zoals de huidige beleidsvisie externe veiligheid uit juli 2009, geldt dat deze bij de invoering van de Omgevingswet komen te vervallen. Doordat er meer verantwoordelijkheden bij de gemeente komen te liggen, zal er een nieuw beleidskader rondom externe veiligheid gevormd moeten worden. In de structuur van de Omgevingswet passen gerichte beleidskeuzes het beste in een programma. Om flexibiliteit in te bouwen in de besluitvorming rondom locaties voor risicovolle activiteiten is het nodig om gemotiveerde beleidskeuzes te kunnen maken. Daarnaast zal dit programma externe veiligheid gerichte beleidskeuzes maken die aanvullend zijn op het tijdelijk omgevingsplan. Ook vormen deze beleidskeuzes de basis voor goede omgevingsplanregels voor het definitieve omgevingsplan. Daarom vormt dit programma externe veiligheid het beleidsstuk voor de gemeente Best in het kader van externe veiligheid.

Externe veiligheid behandelt de risico’s voor de leefomgeving die ontstaan als gevolg van transport over (spoor)wegen waterwegen en buisleidingen en de opslag van of het werken met gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. Enerzijds gaat het daarbij over de milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven/activiteiten of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (personen, gebouwen en locaties die niets met de activiteiten met gevaarlijke stoffen te maken hebben).

Binnen en nabij de gemeente Best zijn verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelegen. Al deze activiteiten zijn zichtbaar via www.atlasleefomgeving.nl. Zo zijn binnen de gemeente Best de Rijkswegen A2 en de A58, en de spoorlijn Boxtel - Eindhoven aanwezig voor het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn (ondergrondse) buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals hogedruk aardgasleidingen en kerosine door een DPO-pijpleiding (Defensie Pijpleiding Organisatie). Ook zijn er verschillende risicovolle bedrijven aanwezig waarop het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bijlage VII van toepassing is. De aandachtsgebieden van deze milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s liggen verspreid over een groot deel van het grondgebied van de gemeente Best. Men moet dan denken aan bijvoorbeeld propaantanks, LPG-tankstations en bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden op- en overgeslagen. En ook is een klein deel van de gemeente Best gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van Airport Eindhoven. Hierdoor kan men bij (ruimtelijke) ontwikkelingen met externe veiligheid te maken krijgen.

Dit programma schetst de huidige externe veiligheid situatie van de gemeente Best. Daarnaast vormt het programma een beleidskader hoe we als gemeente met externe veiligheid omgaan, met name bij ruimtelijke ordening, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en omgevingsvergunningen.

1 Inleiding

Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat (decentrale) overheden, zoals de gemeente Best, bij hun plannen in een zo vroeg mogelijk stadium kijken naar het aspect veiligheid. Zo kan de gemeente een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Daarom is het belangrijk voor de gemeente Best om beleid te hebben op dit gebied: waar zijn welke nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving mogelijk, rekening houdend met externe veiligheid? In dit programma is het beleid van de gemeente Best met betrekking tot externe veiligheid opgenomen.

Met de intreding van de Omgevingswet zal eerder vastgesteld beleid rondom externe veiligheid (visie externe veiligheid 2009) komen te vervallen. Hierdoor wordt de gemeente Best gedwongen om de doelstelling en ambities rondom het aspect externe veiligheid opnieuw af te wegen, rekening houdend met het ambitieniveau uit de Omgevingsvisie.

Daarnaast kent de wetgeving rondom externe veiligheid een aantal forse veranderingen. De omgang en rijksregels in het kader van de verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (buisleidingen (Bevb, Revb)), basisnet spoor, weg en water (Bevt, Regeling Basisnet), risicovolle bedrijven (Bevi, Revi) worden niet centraal meer vastgelegd onder de Omgevingswet. De omgang en regels met risicocontouren en aandachtsgebieden zullen in het decentrale beleid vastgelegd moeten worden, in de omgevingsvisie, het programma externe veiligheid en in het omgevingsplan.

Om gerichte planregels te kunnen opnemen in het Omgevingsplan en om externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen op een goede manier te verantwoorden heeft de gemeente Best ervoor gekozen om dit programma externe veiligheid op te stellen.

1.1 Wat is externe veiligheid?

Externe veiligheid gaat over de kans om buiten de locatie van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de locatie van de activiteit waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De gemeente Best heeft te maken met diverse externe veiligheidsrisico’s. Het gaat hierbij onder andere om risico’s die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, over openbare wegen, en door buisleidingen, en de opslag en overslag van gevaarlijke stoffen bij risicovolle bedrijven (o.a. LPG-tankstations en industriële bedrijven). Dit zijn milieubelastende activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s. De risico’s zijn veiligheidsrisico’s voor mensen die zich in de omgeving van de milieubelastende activiteit bevinden. Het gaat om veiligheid voor de personen buiten de locatie van de milieubelastende activiteit: externe veiligheid.

1.2 Doel van dit programma

Het doel van het programma externe veiligheid is een veilige leefomgeving in Best. De gemeente Best heeft beleidsvrijheid om bepaalde functies, gebouwen en locaties en bepaalde activiteiten met externe veiligheidsrisico’s wel of niet toe te laten in bepaalde delen van de gemeente. Uit het programma externe veiligheid volgen de beleidskeuzes van de gemeente Best over waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Verder is een verantwoordingskader ontworpen dat de gemeente kan toepassen bij de afweging of nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en nieuwe kwetsbare locaties voldoende veilig kunnen worden gerealiseerd en of de locatiekeuze geschikt is. Het verantwoordingskader is momenteel (vóór de intreding van de Omgevingswet) nog verankerd in landelijke wetgeving zoals in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij de intreding van de Omgevingswet komen deze wetten te vervallen, waarbij het verantwoordingskader opgenomen moet worden in decentraal beleid. Dit programma externe veiligheid is hier een goed instrument voor.

De huidige visie externe veiligheid uit 2009 komt te vervallen. Dit programma externe veiligheid zal de uitgangspunten uit de huidige beleidsvisie na actualisatie zoveel als mogelijk beleidsneutraal overnemen.

1.3 Voor wie is dit programma bedoeld?

Dit programma is bedoeld voor zowel bestuurders en ambtenaren als voor burgers en bedrijven. Bij het realiseren van nieuwe en bestaande ruimtelijke ontwikkelingen kunnen initiatiefnemers in dit programma de kaders rondom het thema externe veiligheid terugvinden. Daarnaast hebben ook (bestuurs)partners zoals de provincie, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB), de buurgemeenten, de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant (VRBZO) en Rijkswaterstaat met dit document een duidelijk beeld van de ‘Bestse’ visie op externe veiligheid.

1.4 Externe veiligheid in de Omgevingsvisie Best

De omgevingsvisie bevat het algemene beleid voor de fysieke leefomgeving. De gemeente Best moet ook externe veiligheid meenemen bij hun afwegingen voor de omgevingsvisie. Het goed nadenken over de inrichting van een gebied kan mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren beschermen tegen de gevaren van een brand, explosie of een gifwolk. De omgevingsvisie geeft de beschermingsdoelstellingen in hoofdlijnen weer.

In het document ‘Omgevingsvisie Best 2040: Dorp van formaat’, heeft de gemeente aangegeven de kernwaarden van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost te volgen en te voldoen aan de grenswaarden van het Bkl.

Alle wijken en kernen hebben een gezond en veilig leefklimaat. Een gezonde leefstijl wordt gefaciliteerd en gestimuleerd. Het is voor elke inwoners mogelijk om dicht bij huis te sporten, bewegen en elkaar te ontmoeten. Gezondheidsrisico’s in de leefomgeving worden zoveel mogelijk geminimaliseerd. Een fysiek veilig leefklimaat wordt bereikt door minimaal de volgende kernwaarden te hanteren:

  • -

    Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid

  • -

    Bouwwerken en omgeving bieden bescherming

  • -

    Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten

  • -

    De omgeving maakt snel en effectief optreden van hulpdiensten mogelijk.

  • -

    Mensen zijn bekend met risico’s en weten hoe te handelen

  • -

    Voorzieningen in de zorg zijn toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers.

De uitwerking van deze kernwaarden is terug te vinden in de infosheet van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost: bijlage “Kansen voor een veilige fysieke leefomgeving”.

In dit programma externe veiligheid zal hieraan invulling worden gegeven. Onder andere door gebruik te maken van het stappenplan wordt hier invulling aan gegeven. De beleidskeuzes in dit programma zullen moeten leiden tot een goede indeling van de gemeente Best om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving.

1.5 Participatie

Een van de onderdelen van de Omgevingswet is participatie. Daarnaast staat participatie ook hoog op de politieke agenda van de gemeente Best. Wel wordt er als kanttekening meegegeven dat participatie een toegevoegde waarde moet hebben. Juist daarom is er bewust gekozen om niet te participeren middels een bewonersbijeenkomst o.i.d.

Dit programma is tot stand gekomen door drie belanghebbende partijen die afstemming hebben gezocht. Het gaat hier dan om de Omgevingsdienst Zuidoost- Brabant, de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost en de gemeente Best. Binnen deze organisaties hebben verschillende experts input geleverd voor dit programma. Tot slot is het programma na vaststelling ter inzage gelegd. Dit geeft eenieder de mogelijkheid om te reageren.

1.6 Leeswijzer

Dit programma externe veiligheid is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt kort stil gestaan bij kaders van de Omgevingswet. Daarnaast worden de belangrijkste basisbegrippen van externe veiligheid uitgelegd. In hoofdstuk 3 wordt de gemeentelijke situatie op het gebied van externe veiligheid weergegeven. Daarnaast worden hierbij de relevante wettelijke kaders en regelgeving gekoppeld aan de specifieke “Bestse” situatie en milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Daarna worden in hoofdstuk 4 de doelstellingen en ambities van de gemeente Best vertaald naar Beleidskeuzes. In hoofdstuk 5 worden vervolgens deze beleidskeuzes gekoppeld aan gebiedstypes om invulling te geven aan een gezonde en veilige leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op het proces van de Omgevingswet in het kader van vergunningverlening en het omgevingsplan en hoe het aspect externe veiligheid hierin geborgd is. Tot slot wordt het verantwoordingskader (stappenplan voldoende bescherming van de Provincie Noord-Brabant) rondom het bouwen in aandachtsgebieden in hoofdstuk 7 beschreven.

2 Wettelijk kader

Het beleid uit dit programma is gebaseerd op en getoetst aan de bepalingen uit de Omgevingswet en uit de vier Algemene Maatregelen van Bestuur. Op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad een omgevingsvisie vast welke de volgende zaken bevat: de kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, beheer en de bescherming van het grondgebied, de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Het programma externe veiligheid is de beleidsuitwerking die volgt uit de omgevingsvisie.

in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels, beoordelingsregels, regels voor monitoring en regels over omgevingswaarden voor het Rijk en decentrale overheden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn algemene regels gesteld of voor activiteiten in de fysieke leefomgeving een melding of omgevingsvergunning nodig is. Milieubelastende activiteiten die externe veiligheidsrisico’s opleveren zijn vergunningplichtig.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 1 – De vier AMvB’s bij de Omgevingswet

2.1 Omgevingsvisie, programma’s en omgevingsplan

De omgevingsvisie bevat het belangrijkste beleid voor de fysieke leefomgeving. Bij dit beleid moet ook externe veiligheid meegenomen worden bij de afwegingen om te komen tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft de beschermingsdoelstellingen in hoofdlijnen weer. Het bevoegd gezag kan de mensen beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen door een gebied zo in te richten dat de mensen die er verblijven voldoende zijn beschermd. Bescherming betekent in deze context: het voorkomen en beperken van slachtoffers en schade als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen.

Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken, kunnen decentrale overheden een programma opstellen met beleid en maatregelen. Om het strategisch ambitieniveau vanuit de omgevingsvisie op het gebied van externe veiligheid te vertalen naar doelmatige beleidskeuzes, kiest de gemeente Best ervoor om een programma externe veiligheid op te stellen. Het programma is een flexibel instrument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Het instrument programma is een beleidsdocument, net als de omgevingsvisie.

De instructieregels voor programma's staan in hoofdstuk 4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Regels voor programma's bij het overschrijden van omgevingswaarden staan in hoofdstuk 2 van het Bkl. Programma's zijn bedoeld voor de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van de concrete maatregelen om doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Ze bevatten het uitvoeringsgerichte, (multi)sectorale of gebiedsgerichte beleid. Ze kunnen strategische beleidselementen bevatten, maar bevatten vooral niet-strategisch beleid. Daarnaast is het kenmerk van de omgevingsvisie dat deze voor tientallen jaren wordt opgesteld. Een programma kan op kortere termijn (bijvoorbeeld vijf jaar) herzien en aangepast worden, indien het bevoegd gezag dit nodig acht. (IPLO, sd)

Het programma externe veiligheid bevat de volgende onderdelen:

  • de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving in relatie tot externe veiligheid (artikel 3.5, onder a, Omgevingswet)

  • maatregelen om aan omgevingswaarden passend maatregelenniveau voor de burgers rondom milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s te realiseren. (artikel 3.5, onder b, Omgevingswet)

De omgevingsvisie en het programma externe veiligheid kennen de volgende samenhang:

Parameter

Omgevingsvisie

Programma (externe veiligheid)

Karakter

Strategisch, integraal, politiek-bestuurlijk

Uitvoeringsgericht, sectoraal, strategische elementen mogelijk

Inhoud

Ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming, en behoud van de fysieke leefomgeving als geheel

Uitwerking beleid op het gebied van externe veiligheid (kan ook voor andere milieuthema’s)

Samen hang tussen domeinen

Eén integraal ontwikkelingsbeleid voor de fysieke leefomgeving

Gericht op een beleid voor één domein (externe veiligheid), kan zorgen voor coördinatie tussen andere domeinen

Horizon

Langere termijn (meer dan 10 jaar)

Kortere termijn (ca. 5 jaar)

Werking

Basis voor het handelen van het visievaststellend bestuursorgaan en voor programma's

Basis van beleidskeuzes en inzet van maatregelen ter bescherming van de fysieke leefomgeving

Juridische status

Bindt enkel het visievastellend kader

Bindt het beleidskader rondom een domein (externe veiligheid)

Vaststelling

Gemeenteraad

College van B&W

Op het moment dat het College van B&W het programma externe veiligheid vaststelt, biedt dit beleidsdocument de basis om gerichte planregels op te stellen in het omgevingsplan. Daarnaast biedt dit programma externe veiligheid handvaten in de transitieperiode van een tijdelijk omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan in 2031. Het omgevingsplan bevat de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving, waaronder dus ook voor het aspect externe veiligheid. Zo stelt de gemeente in het omgevingsplan onder meer regels op voor o.a. de volgende aspecten:

  • Aanwijzen van voorschriftengebieden;

  • Aanwijzen van andere veiligheidscontouren (bijvoorbeeld reserveringsstroken, contouren munitieopslagen)

  • het koppelt de fysieke omgeving aan de verschillende gebiedstypes (zie hoofdstuk 5);

  • Het stelt regels op over het al dan wel niet toestaan van nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s;

  • Het stelt regels op voor het al dan niet toestaan van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

2.2 Begrippenkader externe veiligheid

Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. Het doel van deze nieuwe wet is het bundelen en vereenvoudigen van de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke ordening. Zo worden er 26 wetten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving gebundeld tot één Omgevingswet. Er komt een Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) waar overheden, belanghebbenden en initiatiefnemers kunnen zien wat in de fysieke leefomgeving is toegestaan (Aan de slag met de Omgevingswet, sd). Hierdoor wordt het voor burgers en bedrijven op termijn makkelijker om vergunningen aan te vragen voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, het aanleggen van wegen en andere ruimtelijke ordeningsprojecten (Rijksoverheid, sd).

Verschillende zaken veranderen door de komst van de Omgevingswet. Gemeenten ontwikkelen een omgevingsplan, welke de bestaande bestemmingsplannen en de beheersverordeningen vanuit de Wet ruimtelijke ordening vervangt. Daarnaast komt er per gemeente een gemeentelijke omgevingsvisie: de toekomstige ontwikkelingen en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving op lange termijn worden hierin vastgelegd. Externe veiligheid vormt ook een onderdeel in de omgevingsvisie: wanneer is een gebied voldoende veilig, rekening houdend met bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en ontwikkelingen in de toekomst. Beleid over externe veiligheid volgt uit het programma externe veiligheid. In het programma staat de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van concrete maatregelen om de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. (IPLO, sd)

De wet- en regelgeving over externe veiligheid is nu nog versnipperd over meerdere wetten, besluiten en ministeriële regelingen. De Omgevingswet integreert in ieder geval de volgende besluiten en regelingen volledig:

  • Besluit en regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi)

  • Besluit en regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb)

  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling Basisnet)

  • Besluit en regeling risico's zware ongevallen (Brzo en Rrzo))

  • Registratiebesluit externe veiligheid

De omgang en rijksregels in het kader van de verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (buisleidingen, transportroutes, risicovolle bedrijven) zullen niet centraal meer vastgelegd worden onder de Omgevingswet. De omgang en regels rondom de risicocontouren en aandachtsgebieden zullen in het decentrale beleid vastgelegd moeten worden (omgevingsvisie, programma externe veiligheid en het omgevingsplan).

Om gerichte planregels te kunnen schrijven in het Omgevingsplan en om externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen op een goede manier te verantwoorden kiest de gemeente Best ervoor om dit programma externe veiligheid op te stellen.

2.2.1 Omgevingsveiligheid

Onder de Omgevingswet wordt niet enkel van externe veiligheid gesproken, maar van het meer omvattende begrip omgevingsveiligheid. Externe veiligheid valt hieronder, maar omgevingsveiligheid is een breder begrip en gaat ook over rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening (artikel 5.2 Bkl). De veiligheidsregio’s hebben hier een adviserende rol (zie bijlage 3). In het programma externe veiligheid van de gemeente Best worden deze zaken niet behandeld, daarom spreken we van externe veiligheid en niet van omgevingsveiligheid.

2.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Risicobronnen zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit omvat verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal)1;

  • Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (spoor, weg, water);

  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen, welke zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

  • Windturbines;

  • Luchthavens en defensieterreinen;

  • Civiele en militaire munitieopslagen.

De MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl zijn alle activiteit waar externe veiligheid moet worden beschouwd bij ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6 ) en aandachtsgebieden (hierna uitgelegd) zijn in deze bijlage VII per activiteit bepaald. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

  • A: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

  • B: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

  • C: Activiteiten met bij ministeriële regeling vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico

  • D: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

  • E: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

De aard, omvang en het risicoprofiel bepaalt onder andere de categorie indeling van een activiteit. Bij de te berekenen PR10-6 contouren en aandachtsgebieden gaat het om de activiteiten met de grootste externe veiligheidsrisico’s.

De regels rondom het veilig beheer, gebruik en onderhoud van de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn opgesteld per activiteit en zijn terug te vinden in het Bal. Daarnaast dienen alle MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl te worden opgenomen in het Register Externe veiligheid (REV), de vervanger van de huidige Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).

2.2.3 Plaatsgebonden risico

Dit is de kans dat één persoon per jaar overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt is dat deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. De ruimtelijke waarden voor het plaatsgebonden risico zijn terug te vinden in het Bkl. Deze waarden worden vertaald in afstanden die tot locaties en gebouwen in acht moeten worden genomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Hier hoort een plaatsgebonden risicocontour bij: binnen de contour is het risico groot, buiten de contour is het risico kleiner. Dit noemen we de PR 10-6 contour. De afstanden van het plaatsgebonden risico zijn vastgestelde afstanden, berekende afstanden en de kans die geaccepteerd is als veilig: één op de miljoen per jaar. Binnen deze PR 10-6 contour zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.

2.2.4 Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk),

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1  (RIVM, 2021)

Daarom zijn er drie typen aandachtsgebieden gedefinieerd:

  • Brandaandachtsgebied (BAG);

  • Explosieaandachtsgebied (EAG);

  • Gifwolkaandachtsgebied (GAG).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2 (Oostkracht 10, 2022)

De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans. Een aandachtsgebied kan kleiner worden door het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT) bij de risicovolle activiteit. Voor een overzicht van de vaste afstanden van aandachtsgebieden bij enkele milieubelastende activiteiten, zie de tabel in bijlage 2 (RIVM, 2021).

2.2.5 Externe veiligheidsafstanden

Voor een groot aantal activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden. Deze zijn te vinden in het Bal of in het Bkl. De veiligheidsafstanden uit het Bal gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving (bijvoorbeeld de gevel van een gebouw). De begrenzingen staan vermeld in artikel 5.9 van het Bkl. De afstanden uit het Bkl gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot (zeer / beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in de omgeving.

2.2.6 Voorschriftengebieden

Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 5.14 Bkl besluiten of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. In het voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen, of gelijkwaardige maatregelen. De aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van deze maatregelen is om mensen binnenshuis beter te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl kan de gemeente afwijken van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied. De gemeente kan zelf beslissen of het een aandachtsgebied aanwijst als voorschriftengebied, het voorschriftengebied expliciet niet aanwijst of kleinere voorschriftengebieden aanwijst.

Aanvullende regels:

  • Een brandaandachtsgebied van het Basisnet moet verplicht worden aangewezen als voorschriftengebied als daar vanuit de Regeling Basisnet een plasbrandaandachtsgebied geldt;

  • Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen (ook de functiewijziging van bestaande gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouw) binnen een aandachtsgebied moeten verplicht worden aangewezen als voorschriftengebieden. Dit heeft met name voor brand- en explosieaandachtsgebieden waar men zeer kwetsbare gebouwen wil realiseren grote bouwkundige (en financiële) consequenties.

2.2.7 Groepsrisico

Dit is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. “Rekening houden met” betekent dat het bevoegd gezag afwegingsruimte heeft over hoe ze omgaat met de omgeving van een risicovolle bron met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Het doel is een integrale afweging van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij ook om milieu en gezondheid. De centrale vraag luidt: wat acht het bevoegde gezag voldoende veilig en hoe motiveert ze dit? Het stappenplan dat onderdeel uitmaakt van dit programma kan gebruikt worden om deze afwegingen te maken.

2.2.8 Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties

In bijlage VI van het Bkl staan drie categorieën gebouwen en locaties waarvoor de regels bescherming bieden:

  • 1.

    Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)

  • 2.

    Kwetsbaar (gebouwen en locaties)

  • 3.

    Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)

In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op ter bescherming van deze gebouwen en locaties vanwege externe veiligheidsrisico’s. De volgende zaken komen aan de orde bij het bepalen van de kwetsbaarheid van locaties en gebouwen: het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruikersfunctie van het gebouw. Deze moet blijken uit het omgevingsplan of uit de omgevingsvergunning waarbij die functie mogelijk wordt gemaakt.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als de aanwezige personen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen (niet of verminderd zelfredzame personen). Bijvoorbeeld: een basisschool, gevangenis en een woonfunctie voor 24-uurszorg.

Voorbeelden van kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie en alle locaties waar grote evenementen (> 5000 personen) of recreatief nachtverblijf voor meer dan vijftig personen plaatsvindt. Gebouwen en locaties zijn kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn: sportfunctie, kantoorfunctie, hogescholen.

Alle overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.

Rondom de kwetsbaarheid van de populatie buitenshuis is er een handleiding Omgevingsveiligheid mensen op buitenlocaties op 12 december 2019 gepubliceerd door de ‘Werkgroep Risico’s mensen buiten’2. De handleiding wordt door de VRBZO gebruikt voor de advisering aan de gemeente Best, bij de voorbereiding, planning en uitvoering van activiteiten in de buitenlucht in de nabijheid van een risicobron.

In de Omgevingswet ontbreekt een dergelijk landelijk afwegingskader voor mogelijke maatregelen om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen, zowel voor kleine als grote incidenten met gevaarlijke stoffen. Mensen op buitenlocaties zijn niet beschermd door een gebouw en worden daarom blootgesteld aan meer warmtestraling, overdruk en hogere concentraties giftige stoffen. Bij het realiseren voor buitenlocaties waarbij beperkt kwetsbare locaties en kwetsbare locaties worden gerealiseerd dient er rekening gehouden te worden met eventuele attentie- en/of aandachtsgebieden. Om de afweging te maken of een ontwikkeling van een buitenlocatie veilig kan worden ingericht dient het ‘Stappenplan veiligheid mensen op buitenlocaties’, gepubliceerd in de ‘Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties’, versie 3.1, 12 december 2019, gebruikt te worden.

3 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Het is belangrijk om te weten waar de bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zich bevinden binnen de gemeente. Zo heeft de gemeente een duidelijk beeld waar de aandachtsgebieden zich bevinden en waar eventueel het groepsrisico verantwoord dient te worden. Binnen de gemeente Best zijn diverse milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

  • Locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, dit zijn risicovolle activiteiten conform bijlage VII van het BKL (zoals LPG-tankstations, propaantanks en opslag gevaarlijke stoffen);

  • Ondergrondse buisleidingen zoals DPO-leidingen en hogedruk aardgasleidingen;

  • Wegen, rijksweg A2 en A58;

  • Spoorlijn Boxtel – Eindhoven;

  • Airport Eindhoven;

  • Duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s (o.a. windmolens en buurtbatterijen).

3.1 Register Externe veiligheid (REV)

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3 Register externe veiligheid (REV)

Op het Register Externe veiligheid (REV) (bron: EV-signaleringskaart d.d. 1 augustus 2023) uit figuur 3 zijn de milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in Best met vastgestelde afstanden van de brand- en explosieaandachtsgebieden en plaatsgebonden risicocontouren zichtbaar. Deze kaart is nog niet geheel up to date. Het REV wordt momenteel geactualiseerd (zie ook onder 3.2)

3.2 Risicovolle bedrijven

Er zijn meerdere locaties met MBA’s met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven) gesitueerd binnen Best. Deze zijn weergegeven op de risicokaart (zie figuur 3). Hierin zijn de plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6 contouren), de brandaandachtsgebieden en de explosieaandachtsgebieden opgenomen. Het gifwolkaandachtsgebied is momenteel nog niet zichtbaar op de risicokaart, omdat er nog discussie bestaat over de aan te houden afstanden. Deze zijn ook nog onvoldoende vastgesteld in het Bkl. Artikel 5.12 zegt: een gifwolkaandachtsgebied wordt begrensd door een afstand van 1,5 km als de daadwerkelijke afstand groter is dan 1,5 km. Een gifwolkaandachtsgebied zal dus nooit groter dan 1,5 km zijn, aangezien deze grens beleidsmatig is afgekapt. Ondanks dat er nog geen gifwolkaandachtsgebied zichtbaar is op de kaart, moet de gemeente hier wel rekening mee houden bij de verantwoording van het groepsrisico. Daarnaast kennen ook de Rijkswegen A2, A50 en A58 een gifwolkaandachtsgebied. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 3.4.1.

Bij het toestaan van nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties binnen een gifwolkaandachtsgebied moet de risicocommunicatie op orde zijn en moet er voldoende verantwoording plaatsvinden middels het verantwoordingskader (stappenplan ‘voldoende bescherming) in het programma externe veiligheid (hoofdstuk 7).

Globaal gaat het om de volgende MBA’s met externe veiligheidsrisico’s activiteiten conform bijlage VII BKL:

  • 3x LPG-tankstation

  • 2x Gasdrukregel- en meetstations

  • 6 x Propaantank klein huidig en ca. 14 propaantank klein nieuw op kaart

  • 4 x Restcategorie risicovolle activiteiten (o.a. opslag gevaarlijke stoffen zoals chlooropslag).

Voor Best geldt dat bij de aanwezige MBA’s de afstand van de plaatsgebonden risicocontour is vastgesteld in het Bal en het Bkl. Sommige MBA’s hebben een brand-, explosie- en / of gifwolkaandachtsgebied (zie bijlage 4). Hierbinnen moet de gemeente rekening houden met externe veiligheidsrisico’s per scenario van het aandachtsgebied en het eventueel toewijzen van voorschriftengebieden. In de gemeente bevinden zich enkele bedrijventerreinen, namelijk Heide, Breeven en Het Zand. Hier komen enkele MBA’s voor die externe veiligheidsrisico’s opleveren. In het huidige Integrale veiligheidsbeleid is aangegeven waar nieuwe risicovolle bedrijven zich mogen vestigen. De gemeente Best heeft in 2009 gekozen voor een gemengd gebied (buitengebied en industrieterreinen), waarbij is aangegeven dat risicovolle bedrijven zich mogen vestigen op industrieterreinen als wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Het overige gebied is aangemerkt als risicoluw.

Onder de Omgevingswet verandert de drempelwaarde van enkele bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s wanneer deze geregistreerd moeten worden in het Register Externe Veiligheid (zichtbaar worden op de risicokaart), inclusief PR 10-6 contour en veiligheidsafstanden. Het gaat hier bijvoorbeeld over:

  • Alle propaantanks: momenteel staan alleen de propaantanks groter dan 3m3 (voor zover bekend) op de risicokaart. Onder de Omgevingswet moeten ook de kleinere tanks geregistreerd worden (in totaal ca. 14 stuks). Deze zijn inmiddels in beeld op basis van coördinaten. De ODZOB zal zorgdragen voor publicatie op de risicokaart.

  • PGS 15 opslagen groter dan 2,5 ton: incompleet overzicht van locaties. De maximale veiligheidsafstand bedraagt 20 meter. Deze zijn nog niet in beeld gebracht. De inventarisatie is in 2021 gestart en zal voor 2024 afgerond zijn.

  • Verstikkende en oxiderende gassen welke zijn opgeslagen in een opslagtank: locaties zijn onbekend. De PR-contour bedraagt tussen de 1 en 3 meter. Ook deze zijn nog niet in beeld gebracht. Voor de inventarisatie voor deze activiteit wordt niet projectmatig opgepakt, maar zal in de reguliere VTH-taken worden meegenomen door de ODZOB.

3.3 Buisleidingen

Door de gemeente Best lopen verschillende buisleidingen

3.3.1 Hogedruk aardgasleidingen

Door de gemeente Best lopen enkele hogedruk aardgasleidingen. Er lopen twee Z-leidingen (Z-519-02, Z-510-28) en twee A-leidingen A521-07 en A-525-02) door de gemeente Best. Deze Z-leidingen hebben een werkdruk van 40 bar. Bij Z-buisleidingen geldt een belemmeringenstrook van vier meter. De A-leidingen hebben een werkdruk van 66 bar. De belemmeringenstrook bedraagt voor deze leidingen 5 meter. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerder levert deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

3.3.2 Productleiding en DPO

Er lopen zogenaamde productleidingen door de gemeente Best. Dit betreffen DPO-leidingen. Door deze buisleidingen wordt kerosine getransporteerd. Deze buisleidingen hebben allen een belemmeringsstrook van 5 meter. Hierbinnen mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerders leveren deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). De DPO-leidingen hebben geen PR 10-6 contour.

3.4 Basisnet: rijkswegen en spoor

Over weg en spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat hier zowel om doorgaand vervoer over rijks- en provinciale wegen, als om bestemmingsverkeer over gemeentelijke wegen als transport over het spoor. De regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven binnen de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De (spoor)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd in Best zijn niet allemaal zichtbaar op het REV omdat het Basisnet alleen de hoofdsnelwegen bevat (de A-wegen) en enkele autowegen (N-wegen). In het geval van de gemeente Best geldt dat alleen de A2, de A2/A58, de A58 en het spoor Boxtel - Eindhoven op de risicokaart zijn geprojecteerd. Voor de transportroutes die niet tot het Basisnet behoren en waarover aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd worden, moet ook naar externe veiligheid gekeken worden. Dit is o.a. opgenomen in de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. In de toelichting van deze beleidsregels verzoekt het ministerie van Infrastructuur en Waterstraat de provincies en gemeenten dit beleid ook op de transportroutes in hun beheer toe te passen.

De volgende (spoor)wegen zijn in Best van invloed op externe veiligheid.

3.4.1 Rijksweg A2 en A2/A58 (wegvak B62 en wegvak B7)

De Rijksweg A2 en A2/A58 loopt aan de oostelijke en zuidelijke kant door de gemeente Best. Deze rijksweg is opgenomen in de Regeling Basisnet. wegvak B62 (knooppunt Vught – knooppunt Ekkerswijer) en wegvak B7 (knooppunt Batadorp – knooppunt Ekkerswijer) kennen geen PR10-6 contour. Deze wegvakken kennen een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter (zie figuur 4). Ook gaan deze wegvakken een gifwolkaandachtsgebied krijgen. De omvang van dit gebied wordt nog nader bepaald door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze wegvlakken kennen geen plasbrandaandachtsgebied. De verplichting om de brandaandachtsgebieden aan te wijzen als brandvoorschriftengebied is voor deze rijkswegen niet van toepassing.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4. Risicobronnen Basisnet in de gemeente Best: Rijkswegen A2, de A2/A58 en spoorlijn, al deze (spoor)wegen hebben een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter.

3.4.2 Provinciale wegen en gemeentelijke (doorgaande) wegen

Onder de Omgevingswet worden de provinciale wegen en gemeentelijke wegen niet gezien als zijnde MBA’s met externe veiligheidsrisico. Dit betekent dat mogelijke risico’s rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen niet meer afgewogen hoeven te worden bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen.

3.4.3 Spoorlijn Boxtel - Eindhoven

De spoorlijn Boxtel – Eindhoven loopt dwars door de gemeente Best. Een groot deel van dit spoor loopt door een spoortunnel (van Willem de Zwijgerstraat tot Oirschotseweg/Hoofdstraat). Deze spoortunnel kan worden beschouwd als een maatregel tegen de risico’s van een incident met gevaarlijke stoffen.

Deze spoorlijn heeft een brandaandachtsgebied van 30 meter. Echter, ter plaatse van de spoortunnel hoeft men bij nieuwe ontwikkelingen geen rekening te houden met het brandaandachtsgebied.

Ook heeft dit spoor een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Ook met het explosieaandachtsgebied hoeft men ter plaatse van de ondertunneling geen rekening te houden. Met de beperkingen welke gelden voor een explosieaandachtsgebied hoeft men dan geen rekening te houden.

Over het spoor worden ook giftige stoffen getransporteerd. Dat betekent dat er ter plaatse van de luchtverversingspunten en de in- en uitgang van de tunnel wel rekening moet worden gehouden met een gifwolkaandachtsgebied.

3.5 Airport Eindhoven

Een bijzonder infrastructureel object vormt vliegveld Eindhoven. Deze luchthaven faciliteert zowel militair als civiel vliegverkeer. De risico’s worden hier niet zozeer bepaald door het vervoer van gevaarlijke stoffen, maar door de vliegtuigen als zodanig. Hoewel ongevallen met een vliegtuig tot op grote afstand van de luchthaven kunnen plaatsvinden, kunnen er toch risicocontouren worden getrokken. De kans op een ongeval neemt namelijk af met de afstand tot routes en baankoppen. Daarom is besloten het invloedsgebied aan te wijzen als gebied, waarbinnen rekening moet worden gehouden met de risico’s van het vliegveld. In het luchthavenbesluit zijn diverse aspecten opgenomen waar men rekening mee moet houden, zoals bijvoorbeeld obstakelbeheersgebied, geluidzones en beperkingengebied. Voor het aspect externe veiligheid valt men nog terug op het interim beleid uit 2008. Dit betekent dat er wel ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden, mits rekening wordt gehouden met het interim beleid externe veiligheid rond luchtvaartterrein Eindhoven. Dit interim beleid bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1.

    Verantwoordingskader groepsrisico regionale ruimtelijke ontwikkelingen in relatie totexterne veiligheidsrisico’s luchtvaartterrein Eindhoven.

  • 2.

    Advies Regionale Brandweer, 11-12-2008.

  • 3.

    Rapportage NLR-CR-2008-240, november 2008.

Samengevat mogen er binnen de 10-6 contour geen kwetsbare objecten gebouwd worden en dient er zeer terughoudend omgesprongen te worden met het bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 contour. Daarnaast is voor de personendichtheid onderstaande uitgangspunt aangehouden:

  • -

    100 pers/ha binnen de PR 10-6 contour

afbeelding binnen de regeling

3.6 Duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s

Met het oog op de toekomst is het belangrijk om duurzaamheid op te nemen in het programma externe veiligheid. In Nederland worden nieuwe ontwikkelingen geïntroduceerd die gericht zijn op duurzaamheid. Bepaalde duurzame ontwikkelingen kunnen externe veiligheidsrisico’s opleveren. Mede vanwege het maatschappelijk belang, wil de gemeente Best deze ontwikkelingen mogelijk kunnen maken. Voorbeelden van realistische duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s zijn:

  • Buurtbatterijen: accu’s kunnen instabiel worden met als gevolg kortsluiting, thermal runaway en brand waarbij zeer giftige pyrolyseproducten vrijkomen. De risico’s zijn brand, explosie en gifwolk.

  • Waterstoftankstations: werken met hoge druk, waterstof is zeer licht ontvlambaar en ontbrand bij een lage ontstekingsenergie, is explosief met zuurstof en een ontstekingsbron. Er geldt een brandaandachtsgebied.

  • Windturbines: mogelijkheid dat een blad of gondel afbreekt. Daarnaast zijn er indirecte risico’s bij nabijheid van andere MBA’s met externe veiligheidsrisico’s (bijv. een afgebroken rotorblad breekt af en slaat in hogedruk aardgasleiding).

  • Zonnepanelen: kortsluiting met brand als gevolg, of brand door oververhitting en pyrolyse van montagemateriaal.

  • Alternatieve opties voor aardgas: brengen per soort risico’s met zich mee (zie: Transitievisie Warmte).

Belangrijk is om binnen de beleidskeuzes op het gebied van de gemeente Best en de bijbehorende gebiedstypes ruimte te laten voor deze duurzame ontwikkelingen. Indien dit op een verantwoorde veilige manier kan worden uitgevoerd, zal de gemeente Best duurzame ontwikkelingen in ieder gebiedstype mogelijk willen maken. Voor woonwijken geldt dat dit uitsluitend mogelijk is als deze MBA’s met externe veiligheidsrisico’s noodzakelijk is voor het functioneren van de woonwijk.

Gezien de mogelijke externe veiligheidsrisico’s is het belangrijk dat het bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij deze duurzame ontwikkelingen onderdeel uitmaken het aspect externe veiligheid goed geborgd wordt. Hoe dit geborgd wordt procesmatig binnen een ruimtelijke ontwikkeling zal uitgewerkt moeten worden in deze individuele werkprocessen.

4 Beleidskeuzes

4.1 De ‘Bestse’ blik op externe veiligheid

Ten aanzien van externe veiligheid heeft de gemeente Best in haar Omgevingsvisie het volgende ambitieniveau omschreven. Dit is de uitwerking van de tekst over EV in de Omgevingsvisie, welke nu concreet is gemaakt in het Omgevingsprogramma EV:

afbeelding binnen de regeling

Bestaande situaties:

De bestaande MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en kwetsbare objecten heeft de gemeente Best in beeld. Daar waar nodig zijn reeds brongerichte maatregelen getroffen. In het geval van bestaande MBA’s met externe veiligheidsrisico’s heeft de gemeente Best de volgende uitgangspunten geformuleerd:

Bij bestaande situaties heeft brongericht beleid de voorkeur. Dit is gericht op het nemen van maatregelen door de risicoveroorzaker. Denk bijvoorbeeld aan het verkleinen, verplaatsen of wegnemen van de risicobron. Regulering hiervan vindt primair plaats vanuit de milieuwetgeving: vergunningverlening en het toezicht op de naleving hiervan.

  • 1.

    Het zoveel mogelijk (pro)actief terugdringen van bestaande geaccepteerde risicosituaties in (of nabij) de woonomgeving.

  • 2.

    Het (pro)actief opheffen van niet-acceptabele risicosituaties.

Toelichting:

Ad 1

Hiermee wordt een veiliger woon- en werkklimaat nagestreefd. Bestaande risicobronnen zijn bestuurlijk geaccepteerd waarbij de nadruk ligt op het optimaliseren van de beheersbaarheid.

Ad 2

Risicovolle activiteiten worden verminderd (aanpassing Wm-vergunning), dan wel beëindigd (sanering) in situaties waarbij de risico’s de landelijke normen overschrijden, of indien het maatschappelijke belang daartoe aanleiding geeft.

Nieuwe situaties:

Bij nieuwe situaties wordt effectgericht beleid gevolgd. Dit is gericht op het verminderen van de gevolgen van een mogelijk incident (de kans wordt dus niet verminderd). Hiermee worden de ruimtelijke consequenties van externe veiligheid in kaart gebracht en wordt door het treffen van maatregelen en ruimtelijke ordening een zo veilig mogelijke leefsituatie geschapen.

  • 3.

    Het uitsluiten van nieuwe risicobronnen binnen het (risicoluw gebied) centrum en woonwijken.

  • 4.

    Nieuwe risicobronnen zijn slechts mogelijk binnen de daartoe specifiek aangewezen gebieden.

  • 5.

    Het voeren van een gebiedsgericht locatiebeleid voor nieuwe en bestaande risicovolle activiteiten, waarbij de beschikbare risicoruimte afhankelijk is van de kwetsbaarheid van de omgeving.

  • 6.

    Op bedrijventerreinen met risico’s voor externe veiligheid (intensief gebied) is geen ruimte voor kwetsbare bestemmingen.

  • 7.

    In de gemeente Best worden geen Seveso-bedrijven toegestaan.

Toelichting:

Ad 3

Bij nieuwe planologische ontwikkelingen binnen risicoluw gebied dienen activiteiten waarbij een toename van het risico valt te verwachten, op voorhand te worden uitgesloten. Hierdoor worden nieuwe probleemsituaties voorkomen.

Ad 4

Bovendien geldt daarbij als randvoorwaarde dat de PR 10-6 contour op de perceelsgrens moet liggen. Bij nieuwe planologische ontwikkelingen dient elke toename van het risico steeds vooraf te worden beoordeeld en verantwoord.

Ad 5

Dit betekent dat er voor risicovolle bedrijven die niet binnen dit profiel passen (bijvoorbeeld opslag en overslag van bestrijdingsmiddelen) niet of slechts zeer beperkte vestigingsmogelijkheden zijn.

Ad 6

Hierdoor worden nieuwe probleemsituaties voorkomen.

Ad 7

Seveso-bedrijven zijn bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, waarbij de gevolgen voor de omgeving bij een incident (brand, explosie of gifwolk) groot kunnen zijn. Door dit soort bedrijven niet toe te staan binnen de gemeente Best, worden deze risico’s vermeden.

4.2 Uitgangspunten rondom bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

4.2.1 Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor

Een bijzonder aandachtspunt in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze vervoersassen zijn niet als een afgebakend gebied te beschouwen omdat ze verschillende gebieden doorsnijden. Denk bijvoorbeeld aan woonwijken, buitengebieden en bedrijventerreinen. Hierdoor wordt het lastig om uniforme eisen te verbinden aan de mogelijkheid om ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de nabijheid van diezelfde infrastructuur.

Gebieden die als ‘risicovolle infrastructuur’ worden beschouwd, betreffen locaties die binnen het aandachtsgebied van een weg vallen. In de gemeente Best zijn dit bijvoorbeeld Rijkswegen A2 en A58.

Maar ook het spoor Boxtel – Eindhoven heeft een brand- en explosieaandachtsgebied. Op dit moment gelden rond tunnels ( tunnels voor auto’s en treinen langer dan 250m) nog dezelfde aandachtsgebieden (AG's) als voor het verdere traject van de transportroute.

Het ministerie bekijkt of deze AG's ter hoogte van de tunnels kunnen worden verkleind of verwijderd. Het advies m.b.t. AG's rond tunnels wordt dit jaar nog door het Ministerie van IenW verwacht. Er is geen zekerheid dat de AG’en daadwerkelijk gaan verdwijnen ter hoogte van tunnels. Als het besluit wordt genomen dat deze verdwijnen, moet het Bkl hiervoor worden gewijzigd. Wanneer dat zal plaatsvinden, is op dit moment onbekend. Waarschijnlijk zal dit niet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn.

De risico’s die voortvloeien bij de A2, A58 en de spoorlijn hebben betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen. Op de aard en omvang hiervan heeft de gemeente weinig invloed. Daarom kiest de gemeente Best om de omgang met deze risico’s te verbinden aan de voorwaarden van de gebiedstypes uit hoofdstuk 5. Concreet betekent dit dat waar bijvoorbeeld veel transport van gevaarlijke stoffen door het gebiedstype ‘Risicoluw’ loopt, de risicoluwe ambities worden gehanteerd. Hiermee probeert de gemeente Best de inwoners zoveel te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s.

In hoofdstuk 5 wordt een omschrijving van de gebiedstypen gegeven en worden de consequenties voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico besproken.

4.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven)

Voor bestaande risicovolle bedrijven geldt dat de risicocontouren van bestaande (vergunde) en mogelijke uitbreiding zoveel mogelijk wordt beperkt om inefficiënt ruimtegebruik tegen te gaan. Dit wordt gedaan door een gerichte inzet van Best Beschikbare Technieken (BBT), waarbij de PR 10-6 contour (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht binnen de eigen perceelgrenzen. Hiermee worden beperkingen voor de aangrenzende percelen opgeheven.

4.2.3 Hogedruk aardgasleidingen

Er lopen twee Z-leidingen (Z-519-02, Z-510-28) en twee A-leidingen A521-07 en A-525-02) door de gemeente Best. Het maatgevend scenario voor aardgastransportleidingen is een fakkelbrand en/of explosie als gevolg van breuk van de leiding (door een externe oorzaak, bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Afhankelijk van de leidingdiameter en gasdruk kan er een fakkel ontstaan van 60 tot 130 meter hoog. Door de Gasunie zijn op basis van dit mogelijke scenario de effectafstanden voor verschillende leidingdiameters en drukken bepaald (Scenarioboek externe veiligheid).

De effectafstanden (1% letaal) van de leidingen binnen de gemeente bedragen 70 tot 245 meter. De stralingshitte op deze afstand bedraagt 10 kW/m2. Zoals gezegd worden de effectafstanden bepaald op basis van het scenario van een guillotinebreuk. Het gas ontsteekt en er treedt een fakkelbrand op. De kans op een guillotinebreuk is echter zeer klein (kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan een lek). Het meest geloofwaardige scenario is een lek in de buisleiding. Voor de grootste leidingen in Best (18 inch) ligt de effectafstand van een lek van de buisleiding op circa 10 meter van de buisleiding, voor de kleinste buisleiding (5 inch) ligt deze op de leiding (Tabellen 31 tot en met 34 van de Handreiking verantwoorde brandweeradvisering).

Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de naar verhouding hoge kosten die gemaakt moeten worden om de bestaande gebouwde omgeving hiertegen te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek van een buisleiding is het niet zinvol maatregelen aan de bestaande gebouwde omgeving op te leggen. De effectafstand is immers zeer klein (ligt op de buisleiding zelf of op zeer korte afstand), en bebouwing op de buisleiding is al uitgesloten vanwege de vrij te houden belemmeringstroken van 4 en 5 meter. Bij het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties in aandachtsgebieden van hogedruk aardgasleidingen moet door middel van het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 blijken welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden op voorhand uitgesloten binnen brand- en explosieaandachtsgebieden (zie 4.4), tenzij er zwaarwegend belang is om deze toch te realiseren in een aandachtsgebied. Hierbij geldt dan dat er een voorschriftengebied verplicht moet worden aangewezen.

4.2.4 DPO-leiding

Daarnaast is er ook een DPO-productleiding aanwezig waardoor kerosine wordt vervoerd.

DPO-leiding: De 1% letaliteit ligt op 30 meter, de PR 10-6 contour ligt op de leiding.

Naast het directe ruimtebeslag van de leidingen is ook het indirecte ruimtebeslag door risicocontouren van invloed op de strookbreedte. Bij het vaststellen van de externe veiligheidscontouren rondom buisleidingen zijn twee waarden van belang, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

4.3 Uitgangspunten rondom nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

De ambitie van de gemeente Best is dat er ruimte moet zijn om nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s toe te staan en om bestaande uit te breiden. Dit kan in principe alleen binnen het gebiedstype gemengd gebied. Op deze wijze worden de externe veiligheidsrisico’s voor de bewoners van de gemeente Best zo klein mogelijk gehouden. Belangrijk bij het realiseren van nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s is dat dit alleen wordt toegestaan als het voldoende veilig is en er een goede verantwoording plaatsvindt. Voorwaarde hierbij is dat de PR 10-6 contour binnen de perceelgrens blijft dan wel over locaties zonder bebouwingsmogelijkheden ligt. Hierdoor wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare gebouwen zich kunnen vestigen binnen de PR 10-6 contour van milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Er kunnen dan geen nieuwe saneringssituaties ontstaan.

Wenselijk is dat nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zo ver mogelijk van (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties plaatsvinden. De bedrijventerreinen ’t Zand, Breeven en Heide zijn hiervoor geschikt. Dit betreffen gebieden met gemengde bedrijvigheid. Kantoren en industriële bedrijven wisselen elkaar af. Bestaande risicovolle inrichtingen zijn toegestaan. Voor nieuwe risicovolle inrichtingen geldt een “nee, tenzij” regeling. Dit betekent dat nieuwe risicovolle inrichtingen in principe niet zijn toegestaan, tenzij kan worden voldaan aan de bepaling dat de PR 10-6 contour niet buiten de perceelsgrens valt. Voor nieuwe kwetsbare objecten geldt een “ja, mits” regeling. Dit betekent dat nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan mits er geen beperkingen zijn voor de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en het optreden van hulpverleningsdiensten.

Daarnaast zou eventueel het gebiedstype Buitengebied ook risicovolle activiteiten kunnen toestaan, mits deze passend zijn binnen de (bestaande) agrarische activiteiten (bijv. propaantanks). Ook de vestiging van nieuwe LPG-tankstations in het buitengebied wordt juist wel toegestaan. De activiteiten van dergelijke inrichtingen hangen vaak nauw samen met de ligging van de doorgaande wegen in Best. Bovendien is het uit oogpunt van externe veiligheid verstandig om nieuwe LPG-tankstations zoveel mogelijk buiten bebouwde gebieden te vestigen.

In gebiedstype Risicoluw (zie hoofdstuk 5) zijn nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en de uitbreiding van bestaande activiteiten niet toegestaan, tenzij deze onlosmakelijk verbonden zijn aan het goed functioneren van het woongebied. Denk hierbij aan de bijvoorbeeld gasdrukregel- en meetstations en buurtbatterijen. Hier moet dan een zwaarwegend belang voor de realisatie van de activiteit met externe veiligheidsrisico’s gelden. Verder moet er een voldoende beschermingsniveau worden gerealiseerd volgens het verantwoordingskader in hoofdstuk 7.

4.4 Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties nabij milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Een gebouw wordt als zeer kwetsbaar aangemerkt als er personen in verblijven die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen (bijvoorbeeld een kinderdagverblijf of verzorgingstehuizen). Op het moment dat er locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in het brand- of explosieaandachtsgebied worden gerealiseerd moet dit gebied aangewezen worden als voorschriftengebied. Automatisch gelden dan de aanvullende bouweisen uit artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl dan wel gelijkwaardige maatregelen. Deze aanvullende bouweisen gelden alleen in het geval van (vervangende) nieuwbouw.

De beleidskeuze van de gemeente Best is om geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen toe te staan in een brand- of explosieaandachtsgebied, tenzij er sprake is van zwaarwegende belangen voor de realisatie ervan. Daarnaast moet er een passend maatregelenniveau worden gerealiseerd volgens het verantwoordingskader in hoofdstuk 5. Dit geldt ook voor het transformeren van bestaande (beperkt) kwetsbare gebouwen naar zeer kwetsbaar. Zeer kwetsbare gebouwen in aandachtsgebieden wordt beschouwd als onnodig onveilig, omdat de gevolgen ernstig kunnen zijn als mensen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bovendien is het niet in overeenstemming met de kernwaarden van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) (zie website van de VRBZO onderwerp omgevingsvisie kernwaarden3). In de omgevingsvisie van de gemeente Best is ook aangegeven dat de kernwaarden worden gevolgd. Zeer kwetsbare gebouwen zijn wel toegestaan in het gifwolkaandachtsgebied gezien de grootte van dit gebied, mogelijke scenario’s en daarbij behorende beschermingsmaatregelen. Daarnaast dient ten allen tijden de risicocommunicatie in orde te zijn op het moment dat er zeer kwetsbare gebouwen worden gerealiseerd in gifwolkaandachtsgebieden.

Maatregelen ter plaatse van de spoortunnel: Voor het BAG en EAG ter plaatse van de spoortunnel wordt het volgende opgemerkt. Mocht zich een brand of explosie voordoen in de spoortunnel, dan is er al een hele goede maatregel aanwezig. De afdekking van de tunnel zal de gevolgen van een dergelijk incident nagenoeg of helemaal beperken. Bij de wetgeving van het Bevt vervalt het invloedsgebied (en daarmee ook de maatregelen). Maar in het Bkl is met tunnels nog geen rekening gehouden. Formeel betekent dit dat men ter plaatse van de spoortunnel wel rekening moet houden met het BAG (30 meter) en EAG (200 meter). Voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen betekent dit dat men het voorschriftengebied verplicht aan moet zetten. De wetgever is bezig met onderzoek naar dit hiaat in de wet. De wet zal hierop naar alle waarschijnlijkheid worden aangepast. De uitmondingen van de spoortunnel en de luchtverversingskanalen krijgen extra aandacht. Hoe de eventuele aanpassing van de wet eruit gaat zien is nog onbekend. Mogelijk zal een aanpassing in 2025 worden doorgevoerd.

Om een afwegingskader voor de gemeente te bieden om personen op (beperkt) kwetsbare locaties binnen aandachtsgebieden te beschermen, wordt verwezen naar de Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties.

Mogelijke ontwikkellocaties voor (nieuwe) zeer kwetsbare gebouwen bevinden zich voornamelijk in het gebiedstype Risicoluw. (Nieuwe) activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zijn hier niet toegestaan, waardoor er in de toekomstige geen mogelijkheid bestaat dat deze zeer kwetsbare gebouwen in (nieuwe) aandachtsgebieden komen te liggen.

De afstand tot een risicobron dient men zo groot als mogelijk te houden. Ook dient te allen tijde verantwoord te worden dat dit voldoende veilig wordt gerealiseerd. Hiervoor dient het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 gehanteerd te worden.

4.5 Voorschriftengebied

De beleidskeuze van de gemeente Best is om een brand- of explosieaandachtsgebieden niet aan te wijzen als brand- en explosieaandachtsgebieden, tenzij dit wettelijk verplicht is (bijvoorbeeld bij het realiseren van nieuwe zeer kwetsbare gebouwen). De gemeente Best kiest voor de uitzonderingsregel in artikel 5.14 lid 3 van het Bkl om af te wijken van het aanwijzen van voorschriftengebieden. Er is hierbij geen onderscheid tussen de verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Deze keuze ondersteunt de gemeente Best voornamelijk om meer aantrekkelijke ruimte te creëren om aan de verdichtingsopgave te voldoen. Echter, bij nieuwe ontwikkelingen in het aandachtsgebied wordt er te allen tijde rekening gehouden met externe veiligheidsrisico’s en het bereiken van voldoende bescherming volgens het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7. De aanwijzing van voorschriftengebieden vindt plaats in het omgevingsplan.

Groepsrisico

Bij nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in aandachtsgebieden dient de gemeente rekening te houden met het groepsrisico. De initiatiefnemer / ontwikkelaar heeft de mogelijkheid om zelf te beslissen over het uitvoeren van een groepsrisicoberekening bij een nieuwe ontwikkeling. De initiatiefnemer / ontwikkelaar dient bij ontwikkellocaties in aandachtsgebieden altijd aan te tonen dat er voldoende bescherming is gewaarborgd middels het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7. Wanneer deze gebouwen of locaties geplaatst worden in een aandachtsgebied, dienen er maatregelen te worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen of op die locaties. Daarnaast moet beschouwd worden of het aantal doorgaans aanwezige personen beperkt kan worden en of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen of op die locaties beperkt is. Daarnaast wordt bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de VRBZO in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten. Bij nieuwe ontwikkelingen van (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in het aandachtsgebied, wordt verwezen naar de kernwaarden van de VRBZO (zie website van de VBRZO onderwerp omgevingsvisie kernwaarden). Daarnaast wordt verwezen naar het standaard en maatwerkadvies van de VRBZO omtrent nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (zie brochure maatwerk of standaardadvies op de website van de VRBZO). Verder adviseert de VRBZO over omgevingsveiligheid bij nieuwe initiatieven in de gemeente Best.

Uit het verantwoordingskader in hoofdstuk 7 volgen elementen voor een juiste verantwoording van het groepsrisico.

5 Gebiedsgerichte risicoprofielen

De gemeente Best wil nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving mogelijk maken. Om vooraf structuur en handvaten te bieden over hoe de gemeente haar grondgebied wil inrichten, worden gebiedstypen geïntroduceerd. Deze gebiedstypen ondersteunen de keuze en de verantwoording van Best over in welk gebied zij nieuwe ontwikkelingen toestaat. Het definitief toewijzen van de gebiedstypen aan specifieke gebieden in de gemeente Best gebeurt in het omgevingsplan. Om richting te geven is er in bijlage 2 een indicatieve gebiedstypenkaart toegevoegd waarop de gebieden in de gemeente Best voorlopig zijn ingedeeld. Er zijn drie gebiedstypen benoemd: risicoluw gebied, buitengebied en bedrijventerreinen.

Indeling gebiedstypen in Best:

  • Risicoluw gebied

    • -

      Centrum

    • -

      Woonwijken

  • Buitengebied

  • Bedrijventerreinen

In de tabel hieronder zijn de gebiedstypen met bijbehorende beleidskeuzes beknopt in beeld gebracht. Op de volgende pagina’s zijn de beleidskeuzes per gebiedstype gedetailleerd in een overzicht gezet. Het gifwolkaandachtsgebied is (nog) niet meegenomen.

 

Beleidskeuzes externe veiligheid per gebiedstype

 

Nieuwe activiteiten en uitbreiding van bestaande activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Nieuwe gebouwen en locaties buiten (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Nieuwe gebouwen en locaties binnen (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Gebiedstype

Met externe veiligheidsrisico’s

Seveso4 -bedrijven

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Risicoluw gebied

Nee, tenzij

Niet toegestaan

Ja

Ja

Ja

Nee, tenzij

Ja, mits

Ja, mits

Buitengebied

Ja, mits

Niet toegestaan

Ja

Ja

Ja

Niet toegestaan

Ja, mits

Ja, mits

Industrieterreinen

Ja, mits

Niet toegestaan

Niet toegestaan

Nee, tenzij

Ja

Niet toegestaan

Nee, tenzij

Ja, mits

   

5.1 Risicoluw gebied

Beleidskeuzes voor Risicoluw gebied (centrum en woonkernen) ten aanzien van

Nieuwe activiteiten en uitbreiding van bestaande activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties buiten (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Met externe veiligheidsrisico’s in centra en woonwijken

Seveso-bedrijven

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Nee, tenzij

Niet toegestaan

Ja

Ja

Ja

Nee, tenzij

Ja, mits

Ja, mits

De activiteit gelieerd is aan het noodzakelijk functioneren van het woongebied.

De PR 10-6 contour binnen de perceelgrens of over locaties zonder bebouwingsmogelijkheden.

 
 
 
 

Er sprake is van een zwaarwegend belang voor de realisatie hiervan.

Er een passend maatregelenniveau wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordingskader, voorschriftengebied moet verplicht worden aangewezen.

Er een passend maatregelenniveau wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordings-kader.

Er een passend maatregelenniveau wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordings-kader.

Een risicoluw gebied kenmerkt zich door een hoge bevolkingsdichtheid. De gemeente Best kiest ervoor om geen ruimte te maken voor milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Het risicoluwe gebied wordt juist aangewezen als zoeklocaties voor nieuw te realiseren (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn hier niet toegestaan met uitzondering van (nuts)voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het gebied. Op het moment dat er gebruik wordt gemaakt van deze uitzondering dient te allen tijde middels het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 te worden geborgd dat deze risicovolle activiteit veilig wordt gerealiseerd voor de bewoners/gebruiken van het gebied. In de nabijheid van risicovolle infrastructuur zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan, mits het planontwerp wordt geoptimaliseerd (mogelijkheden voor beheersbaarheid van calamiteiten, zelfredzaamheid van de burgers etc.) Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in bestaande (en mogelijke nieuwe) brand- of explosieaandachtsgebieden zijn niet toegestaan. Ook hierbij kan er bij een zwaarwegend belang toch afgeweken worden (nee, tenzij), hierbij wordt het voorschriftengebied verplicht aangewezen. Specifieke locaties die in onze gemeente onder het risicoluwe gebied vallen zijn:

5.1.1 Centrum en woonwijken

Het centrum is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals detailhandel, horeca en kleine bedrijvigheid. De gebieden worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente Best wil haar burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en in woonwijken worden daarom geen nieuwe risicovolle inrichtingen toegelaten.

De risicoruimte van eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen worden zoveel mogelijk beperkt. Als de gelegenheid zich voordoet (bijvoorbeeld verkoop van een bedrijf) worden de mogelijkheden en financiële consequenties onderzocht om de risicovolle activiteiten op heffen of te verminderen.

In deze gebieden zijn alle risicovolle activiteiten uitgesloten, mits dit noodzakelijk is voor het functioneren van de woonwijk. Hiermee wil de gemeente Best niet per definitie ontwikkelingen rondom energietransitie (bijvoorbeeld buurtbatterijen, oplaadstations voor elektrische auto’s) uitsluiten. Er moet een passend maatregelenniveau worden gerealiseerd, inclusief een verantwoording van het groepsrisico volgens het verantwoordingskader.

5.2 Buitengebied

Beleidskeuzes voor buitengebied ten aanzien van

Nieuwe activiteiten en uitbreiding van bestaande activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties buiten (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Met externe veiligheidsrisico’s

Seveso-bedrijven

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Ja, mits

Niet toegestaan

Ja

Ja

Ja

Niet toegestaan

Ja, mits

Ja, mits

Nieuwe risicovolle activiteiten met aandachtsgebieden mits niet over risicoluw gebied.

De PR 10-6 contour binnen de perceelgrens ligt of over locaties zonder bebouwingsmogelijkheden.

 
 
 
 
 

Er een passend maatregelenniveau wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordings-kader.

Er een passend maatregelenniveau wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordings-kader.

5.2.1 Buitengebied

Buitengebied

Het buitengebied is minder eenduidig dan de gebiedstypes centrum en wonen. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een mengeling van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Er zijn veel (agrarische) bestaande risicovolle activiteiten binnen dit gebied, waarbij ook vele woonlocaties zijn gevestigd binnen dit gebiedstype. Nieuwe (agrarische) risicovolle activiteiten zijn toegestaan binnen dit gebiedstype. Ook Aquabest valt onder het buitengebied. Op het terrein van Aquabest zijn enkele inrichtingen die een propaantank nodig hebben voor de bedrijfsvoering. Voor andere industriële (niet passend in het beeld van het buitengebied) risicovolle activiteiten zijn, met uitzondering van propaantanks, niet toegestaan binnen dit gebiedstype. Ook de uitbreiding van agrarische bestaande risicovolle activiteiten zijn mogelijk. Daarnaast is het mogelijk om ook (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk te maken, wanneer deze buiten brand- en explosieaandachtsgebieden van een risicovolle activiteit zijn gelegen. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten (in aandachtsgebieden) zijn eveneens toegestaan, mits voldaan wordt aan de verantwoordingsplicht uit hoofdstuk 7. Dit geldt niet voor zeer kwetsbare gebouwen. Deze worden uitgesloten.

LPG-tankstations/Waterstof-stations

De vestiging van nieuwe LPG-tankstations in het buitengebied wordt juist wel toegestaan. Deze industriële activiteiten van dergelijke inrichtingen hangen vaak nauw samen met de ligging van de doorgaande wegen in Best. Bovendien is het uit oogpunt van externe veiligheid verstandig om nieuwe LPG-tankstations zoveel mogelijk buiten bebouwde gebieden te vestigen. Dit geldt ook voor Waterstof-stations, die mogelijk door de energietransitie ook haar intrede kunnen maken binnen de gemeente Best. Locaties die ingericht zijn voor het afleveren van LPG zijn in de toekomst uitermate geschikt voor het huisvesten van inrichtingen voor het afleveren van risicovolle brandstoffen, zoals bijvoorbeeld waterstof of een combinatie van verschillende brandstoffen (zoals voorkomt bij multifuel-tankstations), door de historisch gecreëerd afstand tussen kwetsbare gebouwen en de risicovolle activiteit.

5.3 Bedrijventerreinen

Beleidskeuzes voor Bedrijventerreinen ten aanzien van

Nieuwe activiteiten en uitbreiding van bestaande activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Nieuwe gebouwen en locaties buiten (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Nieuwe gebouwen en locaties binnen (brand- of explosie) aandachtsgebieden

Met externe veiligheidsrisico’s

Seveso-bedrijven

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Zeer kwetsbare gebouwen

Kwetsbare gebouwen en locaties

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Nee, tenzij

Niet toegestaan

Niet toegestaan

Nee, tenzij

Ja

Niet toegestaan

Niet toegestaan

Ja, mits

De PR 10-6 contour binnen de eigen perceelgrens, dan wel over locaties waar geen BKG, KG, ZKG en BKL en KL zijn toegestaan/gevestigd.

Uitbreiding risicovolle activiteiten met aandachtsgebieden mits niet over risicoluw gebied.

 
 

Er sprake is van een zwaarwegend belang voor de realisatie hiervan.

Er een passende bescherming wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordingskader.

 
 
 

Er een passende bescherming wordt gerealiseerd op basis van het verantwoordingskader.

5.3.1 Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen:

Dit betreffen gebieden met gemengde bedrijvigheid. Kantoren en industriële bedrijven wisselen elkaar af. Bestaande risicovolle inrichtingen zijn toegestaan. Voor nieuwe risicovolle inrichtingen geldt een “nee, tenzij” regeling. Dit betekent dat nieuwe risicovolle inrichtingen in principe niet zijn toegestaan, tenzij kan worden voldaan aan de bepaling dat de PR 10-6 contour niet buiten de perceelsgrens valt. Seveso-bedrijven worden uitgesloten. Voor nieuwe kwetsbare objecten geldt een “nee, tenzij” regeling. Dit betekent dat er geen nieuwe kwetsbare gebouwen zijn toegestaan, tenzij er zwaarwegende belangen zijn en een passende bescherming wordt geboden op basis van het verantwoordingskader en passend binnen het beeld van een bedrijventerrein. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen zijn niet toegestaan, zowel binnen als buiten aandachtsgebieden.

6 Borging externe veiligheid bij besluitvorming

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Op basis van de beleidskeuzes die gemaakt zijn in dit programma externe veiligheid (zoals bij de verschillende gebiedstypes) dienen er gerichte regels opgesteld te worden rondom de omgang met externe veiligheidsrisico’s. Deze regels moeten landen in het omgevingsplan. Op basis van deze regels in het omgevingsplan kan vooraf bepaald worden of de desbetreffende activiteit of ruimtelijke ontwikkeling past in het voorgestelde plangebied. Deze omgevingsplanregels moeten ertoe leiden dat het externe veiligheid binnen de gemeente Best bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of nieuwe vergunningaanvragen in een zo vroeg mogelijk stadium geborgd wordt.

6.1 Verantwoordingsplicht groepsrisico bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening

Bij het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling (binnen een aandachtsgebied) dient voor het milieuthema externe veiligheid een verantwoording groepsrisico5 geschreven te worden. Door gebruik te maken van het stappenplan uit hoofdstuk 7 komt men tot voldoende bescherming. De genomen maatregelen en de afweging hiervan moet worden onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing.

Op het moment dat er een aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen komt die past binnen het omgevingsplan, zal het aspect externe veiligheid ook beoordeeld moeten worden. Dit zal moeten gebeuren op het moment dat er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een nieuwe activiteit in een aandachtsgebied of wanneer er een nieuwe activiteit wordt aangevraagd waarbij er nieuwe aandachtsgebieden, PR-contouren en/of veiligheidsafstanden worden gecreëerd. Activiteiten die niet binnen het omgevingsplan passen zullen beoordeeld worden op het gebied van externe veiligheid in de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

6.2 Externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen

Iedere nieuwe gebiedsontwikkeling is anders. Een verantwoordingskader met generieke regels dat voor alle nieuwe ontwikkelingen geldt is niet waterdicht om standaard tot voldoende bescherming te komen. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in het aandachtsgebied wordt, conform de methodiek van de Omgevingswet, een deskundigenoverleg ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over voldoende bescherming in het plangebied. Specialisten van verschillende relevante onderwerpen nemen deel aan het deskundigenoverleg, waaronder een specialist externe veiligheid. Ook is het belangrijk om de VRBZO te betrekken bij het deskundigenoverleg op het moment dat er een initiatief wordt ontwikkeld in het aandachtsgebied van een MBA met externe veiligheidsrisico’s. Op deze manier kan er in het voortraject al een inschatting worden gemaakt over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling in het aandachtsgebied. Om te bepalen wanneer en of de VRBZO wil aansluiten is er een ‘stappenplan Omgevingsveiligheid’ ontwikkeld door de VRBZO. Deze is bijgevoegd in bijlage 3.

6.2.1 De bouw (of uitbreiding) van een (nieuwe) risicobron

Bij het initiatief voor een nieuwe risicobron of uitbreiding van een bestaande risicobron, moet worden bepaald wat de omvang van het aandachtsgebied is. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van bijlage VII van het Bkl. Hierin staan vaste afstanden waar rekening mee gehouden dient te worden of wanneer deze afstanden berekend dienen te worden. Wanneer de omvang van het aandachtsgebied is bepaald, moet worden beoordeeld of het aandachtsgebied past in het omgevingsplan. Dit is het geval als de gemeente in het omgevingsplan ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige risicovolle activiteiten en aandachtsgebieden, zoals bij de gebiedstypes bedrijventerrein intensief en buitengebied. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Ook het Rijk en de provincie hebben de mogelijkheid om via een projectbesluit direct aanpassingen te maken in het omgevingsplan.

6.2.2 De bouw van een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie

Bij het initiatief voor een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie moet beoordeeld worden of de ontwikkeling past in het omgevingsplan. Passen betekent in eerste instantie dat het omgevingsplan de ruimtelijke ontwikkeling (bijv. woningen of een school) toestaat in het betreffende gebied. Daarnaast kunnen er voorwaarden zijn gesteld aan de bouw van het kwetsbaar gebouw op het gebied van bescherming, zoals bijvoorbeeld geldt voor het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied (voorschriftengebied).

Wanneer het omgevingsplan de bouw van het betreffende type gebouw toestaat, moet worden nagegaan of het gebouw in een aandachtsgebied is beoogd en of dit aandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied. Het voorschriftengebied moet worden aangewezen voor zeer kwetsbaar gebouwen (zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf) wanneer deze in een brand- of explosieaandachtsgebied zijn voorzien.

Als het voorschriftengebied is aangewezen, betekent dit dat er aanvullende bouweisen gelden voor het te bouwen gebouw (artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl, zie stappenplan voldoende bescherming). Wanneer geen voorschriftengebied is aangewezen, gelden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties niet direct de aanvullende bouweisen. Wel dient het stappenplan voldoende bescherming doorlopen te worden. Hieruit kan alsnog volgen dat er aanvullende bouweisen (of andere maatregelen) gelden.

Naast de aanwijzing van een voorschriftengebied, kan het omgevingsplan andere doel- en of middelvoorschriften bevatten waaraan de initiatiefnemer moet voldoen om de vergunning verleend te krijgen. Wanneer de initiatiefnemer in zijn plan kan aantonen aan de voorwaarden uit het omgevingsplan te kunnen voldoen, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden beoordeeld of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan.

6.3 Externe veiligheid en vergunningverlening

Ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning is het belangrijk om in een voorstadium een goede afweging te maken of de aangevraagde activiteit past binnen de bestaande bebouwde omgeving. Het toevoegen van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico kan grote gevolgen hebben voor de omgeving. Conform de methodiek van de Omgevingswet wordt er een omgevingsoverleg ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over voldoende bescherming in het plangebied en of de aangevraagde activiteit wenselijk is. Dit omgevingsoverleg kent dezelfde structuur als de intaketafels, zoals deze worden georganiseerd bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Indien consensus bereikt wordt over het realiseren van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico’s zal de vergunningaanvraag beoordeeld moeten worden door de vergunningverlener.

De instructieregels voor het beoordelen van de vergunningaanvraag staan in artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). De gemeente Best kan de vergunning verlenen, weigeren of aanvullende maatregelen eisen (op basis van artikel 5.26 Omgevingswet en de instructieregels uit artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl). Daarnaast is het belangrijk dat het groepsrisico verantwoord wordt aan de hand van het stappenplan ‘Voldoende Bescherming’.

6.3.1 Rekening houden met Omgevingsplan

Bij het beoordelen bij een vergunningaanvraag wordt door de gemeente Best rekening gehouden met het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer de activiteit niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Het kan hierbij zowel gaan om de aanvraag van een vergunning voor een risicobron als van een (beperkt, zeer) kwetsbaar gebouw of locatie.

Als de activiteit past in het omgevingsplan, dient bepaald te worden of er een PR 10-6 contour en/of een aandachtsgebied is (vaste afstand uit bijlage VII Bkl of berekenen).

6.3.2 Actualiseren vergunning

Bij een nieuwe vergunning worden bestaande rechten in stand gehouden tenzij actualisatie nodig is. Artikel 5.38 Omgevingswet verplicht de gemeente Best om regelmatig de toereikendheid van de vergunning te bezien (actualiseren). Dit biedt de gemeente Best de mogelijkheid de vergunning te actualiseren wanneer deze bijvoorbeeld niet meer voldoet aan de laatste stand der techniek (artikel 4.22 lid 2 onder c). Met deze mogelijkheid kan de gemeente Best bronmaatregelen afdwingen om zo de bestaande of nieuwe omgeving te beschermen tegen eventuele effecten van een calamiteit bij een MBA met externe veiligheidsrisico’s.

6.3.3 Bescherming van bestaande bedrijven na vergunningverlening tegen de gevolgen van een veranderende omgeving

Alle activiteiten (dus ook nieuwe woonbebouwing) dienen te passen binnen de gestelde grenzen van het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer dat niet het geval is, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Als er al een bestaand aandachtsgebied is zal het bevoegd gezag daar rekening mee moeten houden in de aanpassing van het omgevingsplan (5.3 en 5.15 Bkl).

Als het omgevingsplan wordt aangepast moet de gemeente Best bij vergunningverlening aan een bedrijf rekening houden met het (aangepaste) omgevingsplan.

7 Verantwoordingskader – Stappenplan voldoende bescherming Provincie Noord-Brabant

Conform artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de gemeente in het omgevingsplan bij het realiseren van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brand-, explosie en/of gifwolkaandachtsgebied rekening houden met het groepsrisico. Om hieraan te voldoen kan de gemeente kiezen, conform artikel 5.15 lid 2, om dit op twee manieren in te vullen:

  • 1.

    geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaten in aandachtsgebieden

  • 2.

    waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt de gemeente:

    • a.

      dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of

    • b.

      dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

De gemeente Best kiest er bewust voor om bepaalde gebiedstypes onder deze voorwaarden wel beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties toe te staan binnen aandachtsgebieden. Zeer kwetsbare gebouwen worden in alle gevallen uitgesloten. Indien de gemeente Best dus nieuwe beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties wil toestaan moet het dus aantonen of er voldoende bescherming middels maatregelen gewaarborgd wordt. Een andere mogelijkheid is het aantal personen binnen het aandachtsgebied beperken.

Om aan te tonen of er voldoende bescherming geboden kan worden aan de nieuwe populatie en/of dat de populatie beperkt kan worden, maakt de gemeente Best gebruik het van het stappenplan ‘voldoende bescherming’ van de provincie Noord-Brabant. De visualisatie van stappenplan is als PDF bijgevoegd als bijlage in dit programma.

Ondertekening

Bijlage 1 Afkortingenlijst

Afkorting

Betekenis

ODZOB

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

VRBZO

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

MBA

Milieubelastende activiteit

EV

Externe veiligheid

OW

Omgevingswet

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

PR

Plaatsgebonden risico

GR

Groepsrisico

AG

Aandachtsgebied

ZKG

Zeer kwetsbaar gebouw

PGS

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

DSO

Digitaal Stelsel Omgevingswet

BBT

Best beschikbare technieken

 

Bijlage 2 Gebiedsindeling in gebiedstypes

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3 Stappenplan voldoende bescherming van de Provincie Noord-Brabant

Toelichting Stappenplan voldoende bescherming

Om tot voldoende bescherming te komen in de gebiedstypen kun je gebruikmaken van een stappenplan.

Dit stappenplan is in het Handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM uitgewerkt om mens en milieu binnen aandachtsgebieden te beschermen:

  • 1.

    Afstand houden van het aandachtsgebied (buiten aandachtsgebied ontwikkelen).

  • 2.

    Waarderen al bestaande bescherming:

    • a.

      is de basisbescherming op orde;

    • b.

      biedt bestaande omgeving voldoende bescherming.

  • 3.

    Overwegen aanvullende bescherming:

    • a.

      binnen aandachtsgebieden afstand houden;

    • b.

      aanvullende risicocommunicatie op orde;

    • c.

      beperken van het aantal aanwezige personen;

    • d.

      voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden;

    • e.

      meerwaarde aanvullende bouwmaatregelen.

Om te komen tot een passende bescherming voor de nieuwe populatie die wordt toegevoegd, maak je onderscheid tussen maatregelenniveaus. De maatregelenniveaus zijn onderverdeeld in drie categorieën:

  • Maatregelenniveau A (wettelijke basisbescherming)

  • Maatregelenniveau B

  • Maatregelenniveau C

Algemene toelichting van de 3 maatregelenniveaus

Maatregelenniveau A

Dit is het wettelijke basisbeschermingsniveau waarbij je invulling moet geven aan artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit bestaat uit de volgende onderdelen:

  • -

    basis risicocommunicatie (artikel 46 Wet Veiligheidsregio’s);

  • -

    toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT);

  • -

    de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening;

  • -

    aanwezigheid van bedrijfshulpverlening (conform ARBO-wet);

  • -

    hanteren constructieve veiligheidsklasse passend bij het type gebouw (conform Bbl);

  • -

    grenswaarde plaatsgebonden risico;

  • -

    de eventuele aanwijzing van een bedrijfsbrandweer.

Maatregelenniveau B

Dit maatregelenniveau biedt aanvullende bescherming boven op het wettelijke minimum.

Bij maatregelenniveau B kijk je naar de al aanwezige bescherming in de omgeving en extra bronmaatregelen (Best Beschikbare Technieken (BBT)). Een voorbeeld van al aanwezige bescherming is een greppel of vloeistofgoot tegen een plasbrand. Een voorbeeld van extra BBT is het toepassen van stoffen die minder gevaarlijk zijn.

Maatregelenniveau C

Maatregelenniveau C is aanvullend op de voorgaande maatregelenniveaus. Nadat de al aanwezige bescherming en de mogelijkheid tot bron- en omgevingsmaatregelen is beoordeeld, kijk je naar de mogelijkheid om aanvullende bouwmaatregelen te nemen. Voorbeelden van aanvullende bouwmaatregelen zijn splinterwerend glas of stevigere wanden. Dit resulteert in een maatregelenpakket om tot voldoende bescherming te komen bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen. Door het volgen van de stappen schaal je op naar een hoger maatregelenniveau. Je doorloopt alle stappen in het stappenplan.

Bij maatregelenniveau B komt een tweespoor voor: de initiatiefnemer/ontwikkelaar moet aan beide stappen voldoen om het stappenplan verder te doorlopen.

Naast de effectiviteit van maatregelen bekijk je ook of de maatregel economisch haalbaar is. Op basis van beide criteria weeg je af of je een maatregel kunt nemen. Indien blijkt dat het nemen van maatregelen niet lijdt tot een aanvaardbaar veiligheidsniveau of als blijkt dat de maatregelen niet economisch haalbaar zijn, dan kan het zijn dat de ontwikkeling binnen het explosie- en/of brandaandachtsgebied niet geschikt is.

Wanneer is er sprake van voldoende bescherming?

We spreken van voldoende bescherming indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • er wordt voldaan aan de onderdelen van de basisbescherming; en 24 Gemeenteblad 2023 nr. 508476 29 november 2023

  • er zijn voldoende vlucht,- en schuilmogelijkheden; en

  • er zijn voldoende maatregelen (bron-, omgevings- en/of bouwmaatregelen) getroffen om de ontwikkeling te beschermen tegen de relevante gevaren.

Algemene informatie stappenplan

Beperkte verantwoording

In sommige situaties volgend uit het stappenplan kun je volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij geef je invulling aan de voorwaarden uit de basisbescherming (zie de laatste stap van maatregelenniveau A).

Beschrijven van het restrisico

Bij de verantwoording van het groepsrisico moet je altijd ook het restrisico in beeld brengen. Het restrisico is het risico dat overblijft op het moment dat er risicoreducerende maatregelen zijn genomen (omgevings-, bron- of bouwmaatregelen). Ook kan het zijn dat er sprake is van risico’s waarbij het nemen van maatregelen geen beschermend effect heeft. Door het restrisico in beeld te brengen en het te beschrijven is duidelijk welke risico’s het bevoegd gezag accepteert bij ontwikkelingen in een aandachtsgebied.

Verplichte adviestaak Veiligheidsregio

Bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (binnen een aandachtsgebied) wordt de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten.

Op basis van de eigenschappen van de bron, de aard van de ontwikkeling en de afstand tussen de bron en de ontwikkeling kun je bepalen of het standaardadvies van de Veiligheidsregio volstaat of dat maatwerkadvies vereist is. Voor de richtlijn wordt verwezen naar het standaard en maatwerkadvies van de Veiligheidsregio.

Bijlage 4 Tabel vastgestelde aandachtsgebieden

Voor enkele activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden tot aandachtsgebieden. Deze zijn te vinden in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de tabel hieronder staan de activiteiten met vaste afstanden in een duidelijk overzicht. De overige afstanden van de brand- en explosieaandachtsgebieden bij activiteiten uit bijlage VII van het Bkl dienen berekend te worden.

Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt een beleidsmatige afkapping van maximaal 1,5 kilometer.

Bij Seveso-bedrijven wordt het gifwolkaandachtsgebied afgekapt op 300 meter.

 

Brandaandachtsgebied

Explosieaandachtsgebied

Basisnet

30 meter

200 meter

Tanken van LPG

60 meter

160 meter

Opslagtank voor propaan > 13m3

60 meter

160 meter

Opslaan van propaan < 5m3

20 meter

30 meter

Opslaan van propaan > 5m3

20 meter

50 meter

Opslaan van propaan > 5 bevoorradingen per jaar

60 meter

160 meter

Waterstof: opslag- en transport, groothandel, containeroverslag en tankstation

55 meter

n.v.t.

LNG: opslag- en transport, groothandel en containeroverslag en tankstation

Tussen 50 en 200 meter (tabel E.10 bijlage VII Bkl)

n.v.t.

Bijlage 5 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

afbeelding binnen de regeling

Collectieve advisering omgevingsveiligheid Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van art. 5.11 en 5.15 Bkl

  • 1.

    Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in een aandachtsgebied (brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) of attentiegebied wordt aangevraagd.

  • 2.

    Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in de directe omgeving van een natuurgebied wordt aangevraagd.

    • o

      Hier wordt nog nadere invulling aan gegeven.

  • 3.

    Initiatieven met betrekking tot het regionaal risicoprofiel, waaronder:

    • o

      Windturbines

    • o

      Gevolgbeperking overstroming en klimaatadaptatie

    • o

      Evenementen

    • o

      Gebruik van gebouwen

    • o

      Voorkomen rookoverlast binnen-opslag en buitenopslag

    • o

      Risicocommunicatie

    • o

      Milieu

  • 4.

    Initiatieven met betrekking tot de energietransitie (o.a. zonneparken, trafohuisjes, Energie opslag Systemen (EOS)) en nieuwe technieken/ technologieën/activiteiten waarvan risico’s m.b.t. fysieke veiligheid en gezondheid nog onbekend zijn;

  • 5.

    Basisadvisering repressieve voorzieningen: De veiligheidsregio wil adviseren bij alle objecten waarbij afgeweken wordt van de uitgangspunten uit de ‘Handreiking bereikbaarheid en bluswater’6 en/of de ‘bruidsschatregels’ ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Bij de overige ontwikkelingen dient de handreiking te worden overgenomen en kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio.

  • Daarnaast wil de veiligheidsregio adviseren over repressieve voorzieningen die worden geplaatst bij (complexe) gebouwen die het brandweeroptreden mogelijk moeten maken. Dit geldt in ieder geval voor de volgende objecten:

    • o

      Gebouwen hoger dan 20 meter;

    • o

      Gebouwen met meervoudig ruimtegebruik (bijv. woongebouw boven tunnel of parkeergarage);

    • o

      Gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter;

Ontwikkelingen die invloed hebben op bereikbaarheid voor hulpdiensten, zoals publieks- en/of verkeer aantrekkende voorzieningen (bijv. een evenemententerrein, een schouwburg, scholen, bioscopen, stadion, de grotere stations voor openbaar vervoer, evenementenhal, etc.), bouwwerkzaamheden en/of tijdelijke of permanente wegafsluitingen;


Noot
1

Dit zijn o.a. waterstof en/of LPG-tankstations, de voormalige BEVI-inrichtingen, propaantanks, PGS15-opslagvoorzieningen en Seveso-inrichtingen (voorheen de BRZO-inrichtingen)

Noot
2

Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van de Brandweer NL, GGD/GHOR en Omgevingsdiensten

Noot
3

De kernwaarden vormen input voor de omgevingskwaliteit ‘veilige fysieke leefomgeving’. Het zijn (ontwerp)principes of de kaders waarmee de fysieke leefomgeving zo veilig mogelijk kan worden ingericht. In het Omgevingsplan kunnen daar vervolgens planregels en omgevingswaarden aan gekoppeld worden. Op deze manier wordt veiligheid een thema waarover aan de voorkant wordt nagedacht.

Noot
4

Voorheen waren dit de BRZO-inrichtingen

Noot
5

Hierbij wordt voldoende bescherming aangetoond middels het stappenplan voldoende bescherming zoals beschreven in hoofdstuk 7.