Waterschapsverordening Noorderzijlvest

Geldend van 02-01-2024 t/m heden

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Titel 1.1 Begrippen

Artikel 1.1 Uitleg van het algemeen begrippenkader

  • 1

    In deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

    aanleggen

    de activiteit waarbij een initiatiefnemer overgaat tot het aanbrengen, plaatsen, maken, bouwen, realiseren, construeren of (significant) wijzigen van een (waterstaats)werk of object, niet zijnde wijzigingen die plaatsvinden ten behoeve van het beheer en onderhoud van het werk of het object

    aanvraag

    een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk bij het waterschap ingediend verzoek om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een activiteit

    activiteit

    een bepaalde werkzaamheid of verrichting

    algemene uitvoeringsregel

    uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de Waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtigeactiviteiten

    algemene zorgplicht

    door het waterschap algemeen bepaalde verplichtingen van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige geldend voor het gehele beheergebied ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    beperkingengebied

    een geometrisch begrensd gebied, dat bij Waterschapsverordening is aangewezen, waar (algemene) regels en plichten gelden voor activiteiten die in deze gebieden plaatsvinden (en) voor de instandhouding en ter bescherming van de in of nabij deze gebieden aanwezige waterstaatswerken, zuiveringtechnische werken en grondwaterlichamen

    bergingsgebied

    een door de provincie aangewezen gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat in tijden van hoge waterstanden ingezet kan worden ter verruiming van de waterbergingscapaciteit van het watersysteem

    beschermingszone

    aan een waterstaats- of zuiveringtechnisch werk grenzende zone, aan te wijzen als beperkingengebied, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden

    bestuur

    het algemeen of dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest

    droge oevergebied

    een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen

    grondwater

    al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat

    grondwaterlichaam

    een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen

    informatieplicht

    de verplichting om het waterschap op de hoogte te brengen van een aangelegenheid die het waterschap aangaat

    initiatiefnemer

    degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren

    kernzone van de primaire waterkering

    het gebied dat gerekend wordt tot de waterkering, zijnde een dijklichaam, dat wordt begrensd door de binnenteen en de buitenteen van het dijklichaam

    legger (onderhoudslegger), bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet

    openbaar register van door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen, gepubliceerd als een digitale kaart

    legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet

    openbaar register van waterstaatswerken in beheer van het waterschap, gepubliceerd als een digitale kaart

    lozen

    het brengen van (afval)water of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk

    lozing

    een kunstmatige of natuurlijke afvoer van (afval)water of andere stoffen

    maatgevende situatie

    een neerslagsituatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt waarbij een afvoer ontstaat waarop het watersysteem is ingericht

    melding

    een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren

    meldingsplicht

    de verplichting om van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschapmelding te doen

    omgevingsvergunning

    een beschikking inhoudende een besluit met daarin toestemming voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in een beperkingengebied van het waterschap

    ondersteunend (kunst)werk

    een civiel technisch werk of grondlichaam dat in zijn functie ten dienste staat van het watersysteembeheer

    oppervlaktewater

    het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen

    oppervlaktewaterlichaam

    een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna

    overige waterkering

    een door het waterschap aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    peilgebied

    een begrensd gebied waarbinnen eenzelfde waterpeil geldt

    praktijkpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning

    primair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam met een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water en in de waterberging dat:

    • 1º.

      in een maatgevende situatie een afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde; of

    • 2º.

      voorziet in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat.

    primaire waterkering

    een door het Rijk aangewezen, door mensen aangelegde verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door zeewater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    profiel van vrije ruimte

    de vrij te houden ruimte bij een waterstaatwerk, aan te wijzen als beperkingengebied, die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen

    regionale waterkering

    een door de provincie aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door boezemwater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    secundair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam, dat direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de:

    specifieke zorgplicht

    door het waterschap bepaalde activiteitgebonden verplichtingen van een initiatiefnemer geldend voor de uitvoering van een activiteit in de daartoe aangewezen beperkingengebieden ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    streefpeil

    de na te streven waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, waarvoor een peilbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is verleend

    tertiair oppervlaktewaterlichaam

    een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat:

    • 1º.

      direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de afvoer van water van percelen van één belanghebbende; of

    • 2º.

      geen functie heeft in de aan- en afvoer van water en in de waterberging, maar wel van enig substantiële omvang is voor een doelmatige bescherming en verbetering van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.

    toestemmingsvrije activiteit

    een activiteit die mag worden uitgevoerd zonder melding of omgevingsvergunning

    vast peil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand die jaarrond hetzelfde is, zijnde een streefpeil of praktijkpeil

    vergunningplicht

    de verplichting om voordat tot uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap wordt overgegaan, hiervoor toestemming te verkrijgen van het waterschap in de vorm van een omgevingsvergunning

    waterkering

    een door mensen aangelegde of een natuurlijke verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering

    waterpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand al dan niet met een bandbreedte, zijnde een streefpeil dat is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning of een praktijkpeil dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning, nader te onderscheiden in een zomer- of winterpeil of in een vast peil

    waterschap

    openbaar lichaam welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft

    waterschapsverordening

    de (waterschaps)verordening van het waterschap Noorderzijlvest die op grond van de Waterschapswet en Omgevingswet is vastgesteld

    waterstaatswerk

    oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk

    watersysteem

    samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken

    watersysteembeheer

    samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies

    werken

    alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of lichamen met eventuele toebehoren

    werkingsgebied

    het gebied, zoals dat geometrisch wordt begrensd, waar een regel of plicht uit deze verordening werking heeft

    winterpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot

    zomerpeil

    de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort

    zorgplicht

    verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

    zuiveringsbeheer

    de exploitatie van zuiveringtechnische werken, die in beheer zijn van het waterschap, gericht op het zuiveren van stedelijk afvalwater

    zuiveringtechnisch werk

    een werk voor het transport van of het zuiveren van afvalwater, dat in beheer is bij het waterschap

  • 2

    In bijlage 1 van deze verordening is, voor de toepassing van deze verordening, de uitleg van het specifieke begrippenkader opgenomen.

  • 3

    Voor de regels in deze verordening geldt dat het begrip ‘’waterschap’’ betekent: waterschap Noorderzijlvest, het dagelijks bestuur en/of het algemeen bestuur van waterschap Noorderzijlvest.

Titel 1.2 Toepassingsgebied, normadressaat en doelen

Artikel 1.2 Toepassingsgebied

Deze waterschapsverordening is van toepassing op de door het waterschap in artikel 1.10 aangewezen beperkingengebieden, die hoofdzakelijk gelegen zijn in het beheergebied van het waterschap Noorderzijlvest.

Artikel 1.3 Normadressaat

Artikel 1.4 Doelen

Artikel 1.5 Doelen oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden

De regels in deze verordening die betrekking hebben op de beperkingengebieden in of nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden, bedoeld in artikel 1.10, zijn, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

Artikel 1.6 Doelen waterkeringen

De regels in deze verordening die betrekking hebben op de beperkingengebieden in of nabij waterkeringen, bedoeld in artikel 1.10, zijn, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

  • a.

    van de goede staat en het functioneren van de waterkering;

  • b.

    dat de beperkingengebieden worden vrijgehouden van belemmeringen voor het uitvoeren van onderhoud en doelmatige inspectie van de staat en werking van de waterkering;

  • c.

    dat het waterkerend vermogen van de waterkering in stand wordt gehouden tegen aanvaardbare maatschappelijk lasten; en

  • d.

    van het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.

Artikel 1.7 Doelen grondwater

De regels in deze verordening die betrekking hebben op het beperkingengebied A, bedoeld in artikel 1.10, betreffende de in grondwaterlichamen aanwezig grondwater, zijn, voor zover deze het grondwaterbeheer door het waterschap betreft, in algemene zin, gericht op het waarborgen:

  • a.

    van een voldoende hoeveelheid grondwater om het uitzakken van de freatische grondwaterstand te beperken.

  • b.

    dat negatieve effecten op (land)gebruiksfuncties door mogelijke veranderingen in kwel- of infiltratiestromen niet optreden of zo beperkt mogelijk blijven;

  • c.

    dat een grondwaterstand wordt gehandhaafd zodanig dat geen inbreuk op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen plaatsvindt of zo beperkt mogelijk blijft;

  • d.

    dat omvangrijke wijzigingen van de grondwaterstromen en verspreiding van aanwezige verontreinigingen of van koudebellen en warmtebellen zo beperkt mogelijk blijven;

  • e.

    dat doorboring van slecht doorlatende bodemlagen wordt hersteld;

  • f.

    dat de aanwezige grondwaterkwaliteit in stand blijft en dat verbetering ervan niet geremd wordt;

  • g.

    dat het opbarsten van de waterbodem niet plaatsvindt;

  • h.

    dat negatieve effecten op (land)gebruiksfuncties door activiteiten waarbij enige verzilting van zoet grondwater kan plaatsvinden zo beperkt mogelijk blijven; en

  • i.

    van het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies van het grondwatersysteem.

Artikel 1.8 Doelen zuiveringtechnische werken

De regels in deze verordening die betrekking hebben op beperkingengebied C, bedoeld in artikel 1.10, betreffende zuiveringtechnische werken, zijn, in algemene zin, gericht op het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken.

Titel 1.3 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 1.9 Aanwijzing en wijziging beperkingengebieden

Artikel 1.10 Aangewezen beperkingengebieden

Voor de toepassing van deze waterschapsverordening worden, ingevolge artikel 1.9, de volgende beperkingengebieden aangewezen:

Artikel 1.11 Nadere uitwerking beperkingengebied B

Voor de geometrische begrensde weergave van de in artikel 1.10, aanhef en onder b, aangewezen beperkingengebieden, die zijn gevisualiseerd in bijlage 2 van deze verordening, geldt dat:

Artikel 1.12 Nadere uitwerking beperkingengebied C

Voor de geometrische begrensde weergave van de in artikel 1.10, aanhef en onder c, aangewezen beperkingengebieden, geldt dat:

  • a.

    beperkingengebied C-I van rioolwaterzuiveringsinstallaties een geometrisch begrensde weergave is van de rioolwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden van of rondom de rioolwaterzuiveringsinstallatie;

  • b.

    beperkingengebied C-II van rioolgemalen een geometrisch begrensde weergave is van het rioolgemaal met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden van of rondom het rioolgemaal;

  • c.

    beperkingengebied C-III van persleidingen een geometrisch begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die kleiner is dan 250 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 10 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding;

  • d.

    beperkingengebied C-IV van persleidingen een geometrische begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die groter dan of gelijk is aan 250 millimeter tot 600 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 25 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding;

  • e.

    beperkingengebied C-V van persleidingen een geometrische begrensde weergave is van de persleiding met een diameter die groter dan of gelijk is aan 600 millimeter met inbegrip van het geometrisch begrensde gebied tot 50 meter gemeten aan weerszijden vanuit het hart van de persleiding.

Titel 1.4 Algemene zorgplichten

Artikel 1.13 Algemene zorgplicht watersysteem en waterketen

  • 1

    Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2

    Degene die handelingen verricht en een inbreuk maakt, bedoeld in het eerste lid, informeert het waterschap zo spoedig mogelijk over die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.

  • 3

    Degene aan wie het waterschap aanwijzingen geeft over die maatregelen, is gehouden die aanwijzingen op te volgen.

Artikel 1.14 Algemene zorgplicht watersysteem - waterkwantiteit

Artikel 1.15 Algemene zorgplicht watersysteem - waterveiligheid

  • 1

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt in het kader van de waterveiligheid in ieder geval verstaan, het voorkomen van:

    • a.

      nadelige gevolgen voor de staat en het waterkerend vermogen van de waterkering waaronder in ieder geval wordt verstaan: de kerende hoogte, de stabiliteit, de normatieve afmetingen zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet en de erosiebestendigheid van de waterkering;

    • b.

      aantasting van ondersteunende (kunst)werken in of nabij een waterkering;

    • c.

      nadelige effecten op het realiseren van (toekomstige) dijkversterkingen en alle daarmee verband houdende werkzaamheden;

    • d.

      het belemmeren van het beheer en onderhoud, alsmede inspectiewerkzaamheden aan de waterkering;

    • e.

      het belemmeren van de afvoer van kwel- en regenwater;

    • f.

      belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van de waterkering.

  • 2

    Onder de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13, wordt in het kader van de waterveiligheid tevens verstaan, het zorgdragen voor:

    • a.

      het na afronding van een activiteit achterlaten van het werk en het werkterrein in dezelfde of verbeterde toestand;

    • b.

      het treffen van alle passende maatregelen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, te voorkomen.

Artikel 1.16 Algemene zorgplicht watersysteem en waterketen - waterkwaliteit

Hoofdstuk 2 BEHEER EN ONDERHOUD

Titel 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Onderhoudsplichtige van waterstaats-, zuiveringtechnische-, of overige werken

De onderhoudsplichtige van (gewoon of buitengewoon) onderhoud aan waterstaats-, zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werk is diegene die in de bij of krachtens artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet vastgestelde legger is aangewezen als onderhoudsplichtige, dan wel daartoe is aangewezen bij of krachtens titel 2.2, van deze verordening, mits diegene niet reeds als onderhoudsplichtige is aangewezen bij (omgevings)vergunning, aanwijzingsbesluit, projectplan, projectbesluit, overeenkomst of een andere (onderhouds)regeling.

Artikel 2.2 Aanwijzing onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting

Artikel 2.3 Rechtsopvolging onderhoudsplichtige en onderhoudsverplichting

Artikel 2.4 Onderhoudsplicht

  • 1

    Voor de onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 geldt dat het waterstaats-, zuiveringtechnisch-, of overig (kunst)werk in stand wordt gehouden overeenkomstig de functie van het werk en voor zover van toepassing, overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover daarin opgenomen, vorm, afmeting en constructie en met inachtneming van de in titel 2.2, van deze verordening opgenomen onderhoudsvoorschriften.

  • 2

    Voor de in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk die op grond van een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit zijn aangelegd of gewijzigd, geldt, zolang het waterschap (een wijziging van) de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, niet heeft vastgesteld, de ligging, vorm, afmeting of constructie van het werk, zoals aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit.

  • 3

    Voor de in het eerste lid bedoelde waterstaats-, zuiveringtechnische-, en overige (kunst)werk die niet in een legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet of in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet zijn opgenomen en waarvan de ligging, vorm, afmeting en constructie niet zijn aangegeven in een (omgevings)vergunning, projectplan of projectbesluit, geldt dat, zolang het waterschap (een wijziging van) de hiervoorgenoemde leggers, niet heeft vastgesteld, het waterschap de ligging, vorm, afmeting of constructie ambtshalve bepaalt.

  • 4

    Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in titel 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften ambtshalve of op aanvraag van een initiatiefnemer, een maatwerkvoorschrift opleggen en daarin of in een besluit tot aanwijzing van een onderhoudsplichtige, bedoeld in artikel 2.2, nadere onderhoudsvoorschriften opnemen.

  • 5

    Het waterschap kan voor de onderhoudsplicht, bedoeld in het eerste lid, in aanvulling op of in afwijking van de in titel 2.2 opgenomen onderhoudsvoorschriften, ambtshalve of op aanvraag van een onderhoudsplichtige geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van een onderhoudsplicht.

Artikel 2.5 Vrijstelling voor plichten en uitvoeringsregels voor activiteiten

Onderhoudsplichtigen van waterstaats- zuiveringtechnische-, of overige (kunst)werken zijn vrijgesteld van de regels en plichten opgenomen in hoofdstuk 3 van deze verordening, ingeval uitvoering wordt gegeven aan de beheer- en onderhoudsplichten, bedoeld in titel 2.2, en de verplichte handelingen, bedoeld in titel 2.3.

Artikel 2.6 Aangrenzend eigenaar

Titel 2.2 Onderhoudsplichten van waterstaats-, zuiveringtechnische- en overige (kunst)werken

Paragraaf 2.2.1 Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden

Artikel 2.7 Onderhoudsplichtige oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Artikel 2.8 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Artikel 2.9 Wijziging gewone onderhoudsplicht oppervlaktewaterlichamen

Paragraaf 2.2.2 Waterkeringen

Artikel 2.10 Onderhoudsplichtige waterkeringen

Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of in een (omgevings)vergunning, aanwijzingsbesluit, projectplan, projectbesluit, overeenkomst of een andere (onderhouds)regeling een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:

Artikel 2.11 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan waterkeringen
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van waterkeringen, bedoeld in artikel 2.10, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van waterkeringen, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige- en waterveiligheidsfuncties van deze waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het gewoon onderhoud van waterkeringen geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      afval, voorwerpen en materialen die het beheer en onderhoud kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      ingeval van grasbekleding, de waterkering tenminste jaarlijks wordt gemaaid;

    • c.

      ingeval van beweiding, dit uitzonderingen daargelaten plaatsvindt door schapen en geiten;

    • d.

      de bekleding in stand wordt gehouden;

    • e.

      beschadigingen worden hersteld;

    • f.

      beplanting dienstig aan de waterkering in stand wordt gehouden;

    • g.

      de waterkering vrijgehouden wordt van omgewaaide bomen en struiken, opgaande beplanting en ongewenste beplanting;

    • h.

      de voor de waterkering schadelijke dieren worden bestreden;

    • i.

      tijdig onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 3

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het buitengewoon onderhoud van waterkeringen geldt, overeenkomstig het bepaalde in eerste lid, dat:

    • a.

      deze in stand worden gehouden overeenkomstig het in de legger, bedoeld in artikel 2.39, van de Omgevingswet, bepaalde omtrent ligging, en voor zover opgenomen in de legger, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan, overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening;

    • b.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd.

Artikel 2.12 Wijziging gewone onderhoudsplicht waterkeringen

De onderhoudsplichtige(n) van ondersteunende en overige (kunst)werken, bedoeld in artikel 2.13 en artikel 2.16, die in beperkingengebied I van waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, in, onder of op het dijktalud in beperkingengebied II van regionale en overige waterkeringen zijn aangelegd, kunnen in afwijking van het bepaalde in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en in afwijking van artikel 2.10, aanhef en onder a en b, over de gehele lengte van en voor zover van toepassing rondom dat werk ook als onderhoudsplichtige worden aangewezen voor het gewoon onderhoud van de waterkering, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid.

Paragraaf 2.2.3 Ondersteunende (kunst)werken

Artikel 2.13 Onderhoudsplichtige ondersteunende (kunst)werken
Artikel 2.14 Gewoon en buitengewoon onderhoud aan ondersteunende (kunst)werken
Artikel 2.15 Ontgravingen bij onderhoud aan ondersteunende (kunst)werken in waterkeringen

Paragraaf 2.2.4 Overige (kunst)werken

Artikel 2.16 Onderhoudsplichtige overige (kunst)werken

Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10, het onderhoud van overige (kunst)werk, die aangelegd zijn in de beperkingengebieden I, II en III van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen, bij de belanghebbende van het werk of indien geen belanghebbende kan worden aangewezen, bij de (aangrenzend) eigenaar of (aangrenzend) eigenaren van de kadastrale percelen waar het werk gelegen is of de daartoe gerechtigde(n).

Artikel 2.17 Onderhoud aan overige (kunst)werken
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werk, bedoeld in artikel 2.16, dragen, met inachtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover dit nodig is voor de waterstaatkundige-, waterhuishoudkundige-, en waterveiligheidsfuncties van waterstaatswerken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het onderhoud van overige (kunst)werk geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      beplanting, afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn en de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      de constructie, voor zover de actuele onderhoudsstaat de functie en het beheer en onderhoud van waterstaatswerken kunnen belemmeren, in goede staat en toestand wordt gehouden;

    • c.

      buiten functie geraakte (kunst)werken worden verwijderd;

    • d.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;

    • e.

      de werken in stand worden gehouden overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning, in het projectplan of in het projectbesluit bepaalde en voor zover daarin opgenomen omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening.

Artikel 2.18 Ontgravingen bij onderhoud aan overige (kunst)werken in waterkeringen
  • 1

    Voor de onderhoudsplichtigen van overige (kunst)werk die in beperkingengebied I van een waterkering of voor zover sprake is van een dijktalud in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering, zijn aangelegd, geldt dat ingeval voor het onderhoud aan de werken ontgravingen verricht worden, het waterschap tenminste drie werkdagen voordat het onderhoud plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de datum, de te verrichten werkzaamheden en de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd.

  • 2

    Het waterschap kan op basis van de overgelegde informatie, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen of aanwijzingen geven over de datum en de wijze van uitvoering van de ontgraving, indien dit nodig wordt geacht ter waarborging van het waterkerend vermogen van de waterkering.

Paragraaf 2.2.5 Zuiveringtechnische werken

Artikel 2.19 Onderhoudsplichtige zuiveringtechnische werken

Tenzij bij (omgevings)vergunning, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10, het onderhoud van zuiveringtechnische werken in beperkingengebied C van zuiveringtechnische werken, bij het waterschap.

Artikel 2.20 Onderhoud aan zuiveringtechnische werken
  • 1

    De onderhoudsplichtigen van zuiveringtechnische werken, bedoeld in artikel 2.19, dragen, met in achtneming van de algemene zorgplichten opgenomen in artikel 1.13 tot en met artikel 1.16, zorg voor een goede staat en toestand van deze werken, voor zover het nodig is ten behoeve van een doelmatig zuiveringsbeheer en de zuiveringtechnische functie van deze werken.

  • 2

    Voor de onderhoudsplichtigen voor het onderhoud van zuiveringtechnische werken, geldt, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, dat:

    • a.

      afval, voorwerpen en materialen die in en nabij de werken aanwezig zijn en de functie en het beheer en onderhoud van deze werken kunnen belemmeren, worden verwijderd;

    • b.

      de constructie benodigd voor het functioneren van de werken in goede staat en toestand wordt gehouden;

    • c.

      tijdig herstel en onderhoud worden uitgevoerd;

    • d.

      de werken in stand worden gehouden overeenkomstig het in de (omgevings)vergunning of in het projectbesluit bepaalde en voor zover daarin opgenomen omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie of bij het ontbreken daarvan overeenkomstig de aanwijzing van het waterschap, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van deze verordening.

Artikel 2.21 Ontgravingen bij onderhoud aan zuiveringtechnische werken in waterkeringen

Titel 2.3 Verplichte handelingen ten behoeve van het watersysteem- of zuiveringsbeheer

Artikel 2.22 (Tijdelijk) aanpassen of verwijderen (ondersteunende) (kunst)werken of zuiveringtechnische werken

Voor de onderhoudsplichtige(n) van de ondersteunende (kunst)werken, overige (kunst)werken of zuiveringtechnische werken, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat deze werken op aanzegging van het waterschap en voor eigen risico (tijdelijk) aangepast of verwijderd worden, indien dit nodig is in het belang van het watersysteem- of zuiveringsbeheer.

Artikel 2.23 (Ondersteunende) (kunst)werken in of nabij waterkeringen

Artikel 2.24 Beplanting in, op of nabij waterstaatswerken en zuiveringtechnische werken

Voor de eigenaar of eigenaren van de kadastrale percelen of de daartoe gerechtigde(n), waar zich beperkingengebieden bevinden, bedoeld in artikel 1.10, geldt dat beplanting voor eigen rekening en risico op aanzegging van het waterschap verwijderd wordt, indien dit nodig is in het belang van het watersysteembeheer of zuiveringsbeheer.

Artikel 2.25 Peilregulerende kunstwerken

Voor de onderhoudsplichtige(n) van peilregulerende kunstwerken, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat deze werken op aanzegging van het waterschap direct op het door het waterschap aangegeven waterpeil worden gesteld en gehouden, indien dit nodig is in het belang van het watersysteembeheer.

Artikel 2.26 Leidingen

Voor de onderhoudsplichtige(n) van leidingen, die zijn aangelegd in de in artikel 1.10 door het waterschap aangewezen beperkingengebieden, geldt dat bij leidingbreuk of lekkage onverwijld het waterschap, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.27, wordt geïnformeerd en maatregelen worden getroffen om verdergaande lekkage te voorkomen.

Artikel 2.27 Ongewone voorvallen

Overeenkomstig of in aanvulling op het bepaalde in afdeling 19.1, van de Omgevingswet en op het bepaalde in afdeling 2.7, van het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het waterschap door een initiatiefnemer, een vergunninghouder of een onderhoudsplichtige onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval dat plaatsvindt of heeft plaatsgevonden in een beperkingengebied, bedoeld in artikel 1.10, dat een potentieel risico kan opleveren voor het watersysteem- of zuiveringsbeheer, waarbij de volgende gegevens aan het waterschap worden verstrekt:

  • a.

    informatie over (de oorzaken van) het ongewoon voorval, de locatie waar het ongewone voorval plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  • b.

    alle gegevens die nodig (kunnen) zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het watersysteem- of zuiveringsbeheer te kunnen inschatten, waaronder, indien van toepassing, informatie over vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

  • c.

    informatie over wie en welke partij(en) betrokken zijn bij het ongewone voorval; en

  • d.

    informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.28 Calamiteiten

In geval van schaarste of een overvloed aan oppervlakte- of grondwater, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in het ongerede raken van een waterstaatswerk of zuiveringtechnisch werk, dan wel indien een zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het waterschap, overeenkomstig artikel 19.15, van de Omgevingswet, voor een bepaalde periode, mogelijk in afwijking van door het waterschap verleende (omgevings)vergunningen, door het waterschap vastgestelde projectplannen, projectbesluiten en peilbesluiten, de in hoofdstuk 3, van deze verordening bedoelde algemene (uitvoerings)regels en de in hoofdstuk 2, van deze verordening bedoelde regels voor het beheer en onderhoud:

Hoofdstuk 3 ACTIVITEITEN IN BEPERKINGENGEBIEDEN

Titel 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Algemene (uitvoerings)regels voor toegestane activiteiten in beperkingengebieden

  • 1

    Voor alle activiteiten die plaatsvinden in een beperkingengebied, bedoeld in artikel 1.10, die het waterschap op grond van algemene regels toestemmingsvrij, na een melding of middels een omgevingsvergunning toestaat dan wel hiervoor een projectbesluit heeft vastgesteld, geldt, tenzij anders wordt vermeld, dat:

  • 2

    Voor de activiteiten, bedoeld in titel 3.5, geldt ingeval van bemonstering dat:

    • a.

      op het bemonsteren van afvalwater, waarbij het monster niet is gefiltreerd, NEN 6600-1 van toepassing is of de NEN-uitgave die deze vervangt;

    • b.

      op het conserveren van een monster NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing is of de NEN-uitgave die deze vervangt;

    • c.

      bij het analyseren van een monster de volgende NEN-EN en/of ISO-normen van toepassing zijn of de NEN-uitgaven die deze vervangen:

      • 1º.

        voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

      • 2º.

        voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

      • 3º.

        voor biochemische zuurstofverbruik ISO 5815-1/2 of NEN- EN 1899-1/2; en

      • 4º.

        voor chemische zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

      • 5º.

        voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

      • 6º.

        voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

      • 7º.

        voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN- ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

      • 8º.

        voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

      • 9º.

        voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923;

      • 10º.

        voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

      • 11º.

        voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

      • 12º.

        voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

      • 13º.

        voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

      • 14º.

        voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

      • 15º.

        voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

      • 16º.

        voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2;

      • 17º.

        voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

    • d.

      ingeval het afvalwater is gezuiverd door middel van een Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA), afhankelijk van de IBA Klasse, NEN-EN 12566-1 of NEN-EN 12566-3 is gebruikt of de NEN-uitgaven die deze vervangen;

    • e.

      ingeval van het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie NEN-EN 13284-1 is gebruikt of de NEN-uitgaven die deze vervangen.

Artikel 3.2 Maatwerk- en vergunningvoorschriften

Artikel 3.3 Algemene meldingsvereisten

  • 1

    Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titel 3.2 tot en met titel 3.6 van deze verordening een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer van de melder;

    • b.

      indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de melding wordt gedaan;

    • c.

      naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;

    • d.

      adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;

    • f.

      een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;

    • g.

      een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;

    • h.

      inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;

    • i.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • j.

      de verwachte duur ervan.

  • 2

    Bij een melding van een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titel 3.3 een meldingsplicht geldt, worden aan het waterschap, in aanvulling op de gegevens en bescheiden bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;

    • b.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het werkterrein in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.4 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titel 3.2 tot en met 3.6 van deze verordening een vergunningplicht geldt, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • b.

      indien van toepassing, naam, adres en telefoonnummer van een derde voor wie de aanvraag wordt gedaan;

    • c.

      naam, adres en telefoonnummer van de kadastraal eigenaar of kadastrale eigenaren van het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waar de activiteit wordt uitgevoerd, inclusief kadastrale perceelnummers;

    • d.

      adres of locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      een opgave van de reden voor het uitvoeren van de activiteit;

    • f.

      een situatietekening waarop de locatie van de werkzaamheden in beeld is gebracht;

    • g.

      een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden;

    • h.

      inzicht in de mate waarin en de manier waarop de omgeving is betrokken bij de voorbereiding van het initiatief en het mogelijke resultaat hiervan;

    • i.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • j.

      de verwachte duur ervan.

  • 2

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor op grond van een bepaling opgenomen in titel 3.3 een vergunningplicht geldt, worden aan het waterschap, in aanvulling op de gegevens en bescheiden bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapportage van de effecten van de activiteit op de macrostabiliteit, de erosiebestendigheid, piping en andere relevante faalmechanismen waaruit blijkt dat het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht en niet leidt tot een negatieve beoordeling van de toetsing van de veiligheid van de waterkering;

    • b.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode;

    • c.

      voor de activiteit die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april: een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het werkterrein in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht.

Artikel 3.5 Samenloop van meerdere activiteiten

Artikel 3.6 Rechtsopvolging omgevingsvergunning

Ingevolge artikel 5.37, tweede lid, van de Omgevingswet zal, ongeacht de daarin opgenomen informatieplicht voor de aanvrager of houder van de omgevingsvergunning, een aangevraagde of verleende omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder wanneer de ander de rechtsopvolger is van de aanvrager of de houder van een omgevingsvergunning, tenzij dit in de omgevingsvergunning anders is bepaald.

Artikel 3.7 Vangnetvergunningplicht en algehele verboden

Titel 3.2 Activiteiten in en nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (waterkwantiteit)

Paragraaf 3.2.1 Afrasteringen, schuttingen en hekwerken

Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van afrasteringen, schuttingen en hekwerken in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit bedoeld in artikel 3.8, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.10 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.11 Vergunningplicht
Artikel 3.12 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De vergunningaanvraag, bedoeld in artikel 3.11, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

Paragraaf 3.2.2 Beplanting aanplanten

Artikel 3.13 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten van beplanting in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.14 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten waterkwantiteit, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.15 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.16 Vergunningplicht
Artikel 3.17 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.16, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

Paragraaf 3.2.3 Beplanting rooien

Artikel 3.18 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het rooien van beplanting in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.19 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.20 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.21 Meldingsplicht
Artikel 3.22 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.21, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het type beplanting dat gerooid moet worden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van de beplanting.

Paragraaf 3.2.4 Bouwwerken

Artikel 3.23 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een bouwwerk in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.24 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.25 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.26 Vergunningplicht
Artikel 3.27 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

Paragraaf 3.2.5 Bruggen en overkluizingen

Artikel 3.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een brug of overkluizing in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.29 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.30 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.31 Meldingsplicht
Artikel 3.32 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.31, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

Artikel 3.33 Vergunningplicht
Artikel 3.34 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.33, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

Paragraaf 3.2.6 Dammen met duiker

Artikel 3.35 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en verbreden van een dam met duiker in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.36 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.37 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.38 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het een dam betreft van 30 meter breed of smaller.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:

    • a.

      een duiker tot en met 12 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 300 millimeter;

    • b.

      een duiker langer dan 12 meter tot en met 20 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 400 millimeter;

    • c.

      een duiker langer dan 20 meter tot en met 30 meter, een inwendige diameter heeft van tenminste 500 millimeter;

    • d.

      een duiker die een openbare weg of spoorweg kruist, een inwendige diameter heeft van tenminste 600 millimeter;

    • e.

      ingeval toepassing wordt gegeven aan de minimaal benodigde inwendige diameter van de duiker, bedoeld in het vierde lid, onder a tot en met d, geldt voor de hoogteligging van de duiker dat deze bij winterpeil of vast peil zodanig wordt gelegd en hierop wordt gehouden dat deze voor 90% onder de waterlijn ligt of ingeval sprake is van een beperkte waterdiepte, de binnenonderkant van de duiker op de vaste bodemhoogte van het oppervlaktewaterlichaam wordt gelegd.

Artikel 3.39 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.38, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van of de dam met duiker wordt aangelegd ten behoeve van het ontsluiten van een perceel en zo ja, een opgave van het aantal reeds aanwezige perceelontsluitingen van het perceel dat wordt ontsloten;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het werk, waaronder de lengte van de duiker in meter en de inwendige diameter in millimeter;

  • c.

    ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.37, tweede lid, onder g, h of i, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie noodzakelijke inwendige diameter van de duiker.

Artikel 3.40 Vergunningplicht
Artikel 3.41 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.40, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van of de dam met duiker wordt aangelegd ten behoeve van het ontsluiten van een perceel en zo ja, een opgave van het aantal reeds aanwezige perceelontsluitingen van het perceel dat wordt ontsloten;

  • b.

    een opgave van de afmetingen van het werk, waaronder de lengte van de duiker in meter en de inwendige diameter in millimeter;

  • c.

    ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.37, tweede lid, onder g, h of i, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie noodzakelijke inwendige diameter van de duiker.

Paragraaf 3.2.7 Dempen en opbrengen van grond

Artikel 3.42 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of het opbrengen van grond in beperkingengebied I of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.43 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.44 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.45 Meldingsplicht
Artikel 3.46 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.45, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het te dempen oppervlaktewaterlichaam;

  • b.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters te dempen water, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden of ingeval van het opbrengen van grond in een droge oevergebied, de grondophoging in vierkante meters en de dikte van de laag grond die wordt opgebracht;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.47 Vergunningplicht
Artikel 3.48 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.47, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het te dempen oppervlaktewaterlichaam;

  • b.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters te dempen water, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden of ingeval van het opbrengen van grond in een droge oevergebied of in een bergingsgebied, de grondophoging in vierkante meters en de dikte van de laag grond die wordt opgebracht;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.8 Gemalen

Artikel 3.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een gemaal in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.50 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.49, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.51 Vergunningplicht
Artikel 3.52 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.51, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening waarop het gemaal zelf, de afmetingen en de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van het gemaal zijn weergegeven;

  • b.

    een opgave en onderbouwing van de pompcapaciteit van het gemaal;

  • c.

    ingeval van het aanleggen van een afvoergemaal, een opgave van het waterpeil aan de laagwaterzijde van het gemaal of ingeval van het aanleggen van een opmalingsgemaal een opgave van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van het gemaal;

  • d.

    een overzicht van het bemalingsgebied;

  • e.

    een beheer- en onderhoudsplan;

  • f.

    een objectbedieningsplan;

  • g.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • h.

    ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en een tekening van een andere geschikte maatregel om het gemaal vispasseerbaar te maken;

  • i.

    een opgave van de wijze waarop het gemaal visveilig zal zijn.

Paragraaf 3.2.9 Graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 3.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam en het graven van nieuw oppervlaktewater in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.

Artikel 3.54 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.55 Algemene uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, geldt dat:

Artikel 3.56 Meldingsplicht
Artikel 3.57 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.56, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam);

  • b.

    een dwarsprofieltekening van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam) dat de breedte van het oppervlaktewater(lichaam) op de waterlijn inzichtelijk maakt ten opzichte van de oude situatie (ingeval van vergroten);

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters aan te leggen oppervlaktewater, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • d.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in verband met het compenseren van het verlies van waterbergingscapaciteit, een opgave van of de activiteit wordt uitgevoerd in hetzelfde peilgebied als waar de waterbergingscapaciteit afneemt.

Artikel 3.58 Vergunningplicht
Artikel 3.59 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.58, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie en begrenzing van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam);

  • b.

    een dwarsprofieltekening van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam) dat de breedte van het oppervlaktewater(lichaam) op de waterlijn inzichtelijk maakt ten opzichte van de oude situatie (ingeval van vergroten);

  • c.

    een opgave van het aantal vierkante meters aan te leggen oppervlaktewater, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;

  • d.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in verband met het compenseren van het verlies van waterbergingscapaciteit, een opgave van of de activiteit wordt uitgevoerd in hetzelfde peilgebied als waar de waterbergingscapaciteit afneemt.

Paragraaf 3.2.10 Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en proefsleuven

Artikel 3.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op verticale grondboringen, sonderingen, het plaatsen van peilbuizen en het maken van proefsleuven in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.61 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.62 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.63 Meldingsplicht
Artikel 3.64 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.63, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens een opgave van de afmetingen van het werk.

Paragraaf 3.2.11 Inlaten

Artikel 3.65 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een inlaat in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.67 Vergunningplicht
Artikel 3.68 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.67, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een weergave van het gebied dat onder invloed is van de inlaat;

  • b.

    een situatietekening waarop de inlaat, de afmetingen van de inlaat, de hoogtematen van de constructie ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van de inlaat zijn weergegeven;

  • c.

    ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen doorstroomcapaciteit van de inlaat;

  • d.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • e.

    een opgave van de wijze waarop de inlaat visveilig zal zijn.

Paragraaf 3.2.12 Kabels en leidingen

Artikel 3.69 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, uitgezonderd lozingsvoorzieningen.

Artikel 3.70 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.71 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.72 Meldingsplicht
Artikel 3.73 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.72, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van de afmetingen en de technische specificaties van de kabel(s) of leiding(en);

  • b.

    ingeval van een boring: een lengteprofieltekening van de boring;

  • c.

    ingeval van een open ontgraving: een dwarsprofieltekening van de sleuf.

Paragraaf 3.2.13 Kleine objecten

Artikel 3.74 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kleine objecten in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.

Artikel 3.75 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.76 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.77 Meldingsplicht
Artikel 3.78 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.77, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een omschrijving van de functie van het object;

  • b.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het object;

  • c.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.79 Vergunningplicht
Artikel 3.80 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.79, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;

  • b.

    een opgave van de afmetingen en de constructie van het object;

  • c.

    een rapportage waaruit blijkt dat de ecologische waarde van het watersysteem als gevolg van de activiteit niet onaanvaardbaar vermindert en een opgave van de eventuele beheersmaatregelen die daartoe worden getroffen;

  • d.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Paragraaf 3.2.14 Lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid

Artikel 3.81 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een lozingsvoorziening, lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.82 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.83 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.84 Meldingsplicht
Artikel 3.85 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.84, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening waarop de lozingslocatie in beeld is gebracht;

  • b.

    informatie over het type lozingsvoorziening;

  • c.

    een opgave van de hoeveelheid te lozenwater in m3 per uur;

  • d.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • e.

    ingeval van niet-continue lozing van water vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • f.

    ingeval van niet-continue lozing van water die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave van de regelmaat waarmee de lozingen plaatsvinden;

  • g.

    ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;

  • h.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

  • i.

    ingeval de activiteit eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.

Paragraaf 3.2.15 Natuurvriendelijke oevers

Artikel 3.86 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.87 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.88 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.89 Meldingsplicht
Artikel 3.90 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.89, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;

  • b.

    een dwarsprofieltekening van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud;

  • c.

    ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.

Artikel 3.91 Vergunningplicht
Artikel 3.92 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.91, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;

  • b.

    een dwarsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud inclusief eventueel toe te passen hulpconstructies;

  • c.

    ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.

Paragraaf 3.2.16 Oeververdedigingswerken

Artikel 3.93 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een oeververdedigingswerk in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.94 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.95 Algemene uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, geldt dat:

Artikel 3.96 Vergunningplicht
Artikel 3.97 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.96, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

Paragraaf 3.2.17 Oppervlakken verharden en afkoppelen hemelwaterafvoerleidingen

Artikel 3.98 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verharden van onverharde en half-verharde oppervlakken en het afkoppelen van hemelwaterafvoerleidingen van verharde oppervlakken van gemengde rioolstelsels in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.

Artikel 3.99 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.100 Algemene uitvoeringsregels

Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, die plaatsvindt in beperkingengebied A, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2 geldt dat de daardoor ontstane negatieve effecten van versnelde afvoer van hemelwater worden opgeheven door:

  • a.

    hemelwater, al dan niet met een voorziening, in de bodem te infiltreren; of

  • b.

    hemelwater, al dan niet met een voorziening, vertraagd in een oppervlaktewaterlichaam te lozen; of

  • c.

    ingeval hemelwater direct middels een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, oppervlaktewater van tenminste 10% van het toegenomen verharde of af te koppelen oppervlak wordt gegraven of een bestaand oppervlaktewaterlichaam wordt vergroot in het peilgebied binnen een straal van 2,5 kilometer van waar op het oppervlaktewaterlichaamgeloosd wordt, tenzij dit al aantoonbaar is uitgevoerd in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of

  • d.

    compenserende afname van verharding plaatsvindt of dat dit al aantoonbaar heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of

  • e.

    een geschikte combinatie van de onder a tot en met d genoemde maatregelen wordt toegepast.

Artikel 3.101 Meldingsplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 100.000 m2.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.

  • 3

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.

Artikel 3.102 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.101, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en);

  • b.

    een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e;

  • c.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • d.

    indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b;

  • e.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot als bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c;

  • f.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.

Artikel 3.103 Vergunningplicht
  • 1

    Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.

  • 3

    De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:

    • a.

      de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.99, niet geschonden worden;

    • b.

      ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e, worden getroffen;

    • c.

      ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan voorziet in voldoende maatregelen om negatieve effecten als gevolg van de activiteit te voorkomen of te compenseren.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, de initiatiefnemer de maatregel(en) treft die voorvloeien uit het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan.

Artikel 3.104 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.103, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en);

  • b.

    als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e;

  • c.

    als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudingsplan;

  • d.

    indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater;

  • e.

    indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b;

  • f.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c;

  • g.

    indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.

Paragraaf 3.2.18 Oppervlaktewater onttrekken

Artikel 3.105 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een wateronttrekkingsvoorziening, onttrekken van oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.106 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.107 Algemene uitvoeringsregels
Artikel 3.108 Meldingsplicht
Artikel 3.109 Specifieke meldingsvereisten

De melding, bedoeld in artikel 3.108, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:

  • a.

    ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur;

  • b.

    als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend;

  • c.

    een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt;

  • d.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • e.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt;

  • f.

    ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit;

  • g.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.110 Vergunningplicht
Artikel 3.111 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.110, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:

  • a.

    een onderbouwing waarom niet uit een niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam onttrokken kan worden;

  • b.

    ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur;

  • c.

    een ecologische analyse en ingeval van te verwachten negatieve effecten, een opgave van de maatregelen die getroffen worden om de negatieve effecten te ondervangen en een monitoringsplan;

  • d.

    als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend;

  • e.

    een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt;

  • f.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;

  • g.

    ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt;

  • h.

    ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit;

  • i.

    informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.

Artikel 3.112 Algeheel verbod

Het is verboden water te onttrekken uit een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap is aangewezen als oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is.

Paragraaf 3.2.19 Peilscheidingen

Artikel 3.113 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een peilscheiding, niet zijnde een gemaal, stuw of inlaat, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.114 Specifieke zorgplicht

De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, houden in elk geval in dat:

Artikel 3.115 Algemene uitvoeringsregels
  • 1

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, geldt dat:

    • a.

      ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;

    • b.

      er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;

    • c.

      de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.

  • 2

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:

    • a.

      de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;

    • b.

      de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden;

    • c.

      een peilscheidende dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;

    • d.

      de minimale kruinhoogte van een peilscheidende dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;

    • e.

      de kruinhoogte van een houten, betonnen of stalen peilscheiding minimaal 25 cm hoger is dan het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de peilscheiding;

    • f.

      een betonnen peilscheiding bestaat uit een massieve (niet doorlatende) plaat;

    • g.

      ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van een peilscheidende dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van de peilscheidende dam voldoende geborgd is;

    • h.

      ingeval een peilscheidende dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;

    • i.

      ingeval een tijdelijke peilscheiding bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan het aanleggen van de peilscheiding wordt geïnformeerd over de locatie van de peilscheiding en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden.

  • 3

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat indien het een tijdelijke peilscheiding betreft, het oppervlaktewaterlichaam en eventueel aangepaste kunstwerken direct na afloop van het tijdelijk gebruik van de peilscheiding worden hersteld.

  • 4

    Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.

Artikel 3.116 Meldingsplicht
Artikel 3.117 Specifieke meldingsvereisten

De mel