Subsidieregeling wonen Zuid-Holland

Geldend van 02-01-2026 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling wonen Zuid-Holland

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

Gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

Overwegende dat ingezet wordt op de versnelde bouw van woningen met waarborg voor ruimtelijke en sociale kwaliteit;

Overwegende dat behoefte is aan een meer gevarieerd woningaanbod;

Overwegende dat in verband met de gewenste flexibiliteit en snelheid in de uitvoering het wenselijk is om diverse regelingen op het gebied van wonen samen te voegen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling;

Subsidieregeling wonen Zuid-Holland

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    3 ha kaart: lijst met buitenstedelijke bouwlocatie groter dan 3 ha als bedoeld in artikel 7.46 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

  • -

    3 hectare locatie: buitenstedelijke bouwlocatie groter dan 3 ha als bedoeld in artikel 7.47 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;

  • -

    aannemelijke sociale grondprijs: grondprijs waarbij het bedrag lager ligt dan marktconforme grondprijzen of verlaagd is voor sociale woningbouwprojecten;

  • -

    aanplakken: tegen een bestaand gebouw woningen toevoegen bestaande uit één of meer bouwlagen;

  • -

    actief grondbeleid: actieve sturing door de gemeente op de gewenste bestemming woningbouw op grond dat in eigendom is van de gemeente of door haar wordt verworven en waarvoor de gemeente de grondexploitatie uitvoert;

  • -

    anterieure overeenkomst: privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelende partij als bedoeld in artikel 13.13 Omgevingswet;

  • -

    Asv: Algemene subsidieverordening Zuid Holland;

  • -

    bestaand stads- en dorpsgebied: stedelijk gebied als beschreven in Bijlage I behorende bij artikel 1.1. van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • -

    bijzondere opvangplaats: ook wel opvangplaats van bijzondere aard, zoals bedoeld in de Spreidingswet. Een opvangplaats bestemd voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) is een bijzondere opvangplaats;

  • -

    bouwproject: woningbouwproject of project voor het verbouwen van bestaande woningen;

  • -

    centrale inpandige ontmoetingsruimte: verblijfsruimte geschikt en bedoeld voor gezamenlijke activiteiten in een gebouw ten behoeve van de bewoners van twee of meer woningen;

  • -

    COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

  • -

    collectief wooninitiatief: initiatief van de toekomstige bewoners om te komen tot een collectief woningbouwproject;

  • -

    DAEB: dienst van algemeen economisch belang;

  • -

    DAEB-knelpuntenpot middenhuur: aangewezen dienst van algemeen economisch genoemd in het eerste lid van artikel 1.5 onderdeel b;

  • -

    DAEB-knelpuntenpot sociale huur: aangewezen dienst van algemeen economisch belang genoemd in het eerste lid van artikel 1.5 onderdeel a;

  • -

    DAEB-opschalen houtbouw sociale huurwoningen: aangewezen dienst van algemeen economisch belang genoemd in het eerste lid van artikel 1.5 onderdeel d;

  • -

    DAEB-Vrijstellingsbesluit: Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (C (2011) 9380, PbEU 2012/ L7), met inbegrip van latere wijzigingen;

  • -

    DAEB-woonvormen senioren: aangewezen dienst van algemeen economisch belang genoemd in het eerste lid van artikel 1.5 onderdeel c;

  • -

    definitiefase: fase waarin:

    • 1.

      op basis van het vooronderzoek en dergelijke de eisen waaraan het project moet voldoen gedetailleerd worden geformuleerd in een programma van eisen en het werkplan wordt aangescherpt, en

    • 2.

      wordt afgesloten met een besluit over het programma van eisen;

  • -

    De-minimisverordening: Verordening (EU) Nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (EU/2023/2831).

  • -

    expertise: inzet of adviezen van deskundigen of specialisten, die nodig zijn voor het verrichten van de subsidiabele activiteit;

  • -

    exploitatietermijn: de overeengekomen periode waarin een opvangvoorziening als zodanig in gebruik is;

  • -

    faciliterend grondbeleid: actieve sturing door privaatrechtelijke partij op de gewenste bestemming woningbouw binnen de gemeentelijke randvoorwaarden op grond dat in eigendom is van bedoelde partij of door haar wordt verworven;

  • -

    flexwoning: sociale huurwoning als tijdelijke woonoplossing, die modulair en verplaatsbaar is en die in afwijking van de begripsbepaling sociale huurwoning, minimaal 15 jaar beschikbaar is als sociale huurwoning binnen Zuid-Holland;

  • -

    flex-woningbouwproject: project voor de realisatie van flexwoningen;

  • -

    gebiedsontwikkeling: aanpassen van een locatie zodat er een nieuwe of verbeterde functie voor het gebied ontstaat gericht op één of meerdere woningbouwprojecten;

  • -

    grondexploitatie: exploitatieplan als bedoeld in Hoofdstuk 12 van de Omgevingswet;

  • -

    hernieuwbare materialen: materiaal afkomstig van levende organismen dat op een menselijke tijdschaal wordt geteeld, natuurlijk wordt aangevuld of natuurlijk wordt gereinigd;

  • -

    houtbouw: bouwmethode waarbij hout wordt gebruikt als primair bouwmateriaal voor de hoofddraagconstructie van gebouwen, structuren en woningen;

  • -

    huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een huurprijs vastgesteld in de vigerende Circulaire huurprijsbeleid van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor woningen voor middenhuur met een minimaal aantal van 144 WWS-punten en een maximaal aantal WWS-punten van 186 in het Woningwaarderingsstelsel;

  • -

    indicatieve opgave: het indicatieve aantal mogelijk te maken opvangplaatsen per gemeente, zoals opgenomen in de Capaciteitsraming, provinciale opvangopgave en indicatieve verdeling per gemeente 2024;

  • -

    initiatieffase: fase waarin:

    • 1.

      vooronderzoek plaatsvindt over de aard en omvang van de bouwopgave en een oriëntatie naar behoefte en mogelijkheden;

    • 2.

      partijen zoeken naar overeenstemming over het te behalen resultaat (initiatief);

    • 3.

      uitgangspunten formuleren en een plan van aanpak opstellen, en

    • 4.

      wordt afgesloten met besluit over het initiatief en bij doorgang over de uitgangspunten en het plan van aanpak;

  • -

    intermediair: bouwkundige constructie tussen dak en woning die toegevoegd wordt middels optoppen;

  • -

    losmaakbaarheidsindex: index die illustreert hoe losmaakbaar een product of element is, met als laagste score 0,10 (niet losmaakbaar) en als hoogste score 1,00 (zeer gemakkelijk losmaakbaar) en waarvan de meetmethode is uitgewerkt in het rapport Circular buildings: Een meetmethodiek voor losmaakbaarheid v2.0;

  • -

    massa percentage van hernieuwbare materialen: herkomst van materialen uitgedrukt in een massapercentage (kg) dat berekend volgens de methodiek vanuit CB’23 (leidraad Meten van Circulariteit);

  • -

    MilieuPrestatie Gebouwen (MPG): maatstaf waarin de milieu-impact gedurende de gehele levenscyclus van het realiseren, onderhouden en slopen van gebouwen wordt uitgedrukt;

  • -

    noodopvang: tijdelijke opvang (korter dan 3 jaar) van lagere kwaliteit;

  • -

    ontwerpfase: fase waarin:

    • 1.

      op basis van het programma van eisen het ontwerp wordt uitgewerkt;

    • 2.

      in eerste instantie tot een voorlopig en later tot een definitief ontwerp;

    • 3.

      wordt afgesloten met besluit over definitief ontwerp, en

    • 4.

      het bestemmingsplan, omgevingsplan of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) door de gemeente wordt vastgesteld;

  • -

    onzelfstandige flexwoning: flexwoning zonder eigen toegang waarbij keuken of toilet met de bewoners van andere woningen of kamers wordt gedeeld;

  • -

    onzelfstandige woning: woning zonder eigen toegang en waarbij keuken of toilet met de bewoners van andere woningen of kamers wordt gedeeld;

  • -

    optoppen: op een bestaand gebouw woningen toevoegen door middel van één of meer bouwlagen;

  • -

    opvangcapaciteit: het door de gemeente en het COA overeengekomen of geplande aantal toekomstige of operationele reguliere en bijzondere opvangplaatsen;

  • -

    opvangplaats: een plaats bestemd voor de opvang van één asielzoeker in een opvangvoorziening;

  • -

    opvangvoorziening: een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA onderscheidenlijk door of onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders opvang wordt geboden aan asielzoekers;

  • -

    projectfase: afgebakende fase van een woningbouwplan of gebiedsontwikkeling dat kan zijn initiatief-, definitie-, ontwerp-, of voorbereidingsfase;

  • -

    realisatiefase: de projectfase zoals omschreven in de COA-vastgoedgids 2024;

  • -

    regionaal woningbouwprogramma: vigerend door Gedeputeerde Staten vastgesteld regionaal woningbouwprogramma;

  • -

    reguliere opvangplaats: opvangplaats voor de reguliere groep asielzoekers, zoals omschreven in de Spreidingswet;

  • -

    sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de huurwoning minimaal 25 jaar beschikbaar is als sociale huurwoning en verhuurd wordt via een woonruimteverdeelsysteem;

  • -

    sociale huurwoning voor senioren als bedoeld in Hoofdstuk 3: in afwijking van de begripsbepaling sociale huurwoning betreft dit een huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de huurwoning minimaal 25 jaar beschikbaar is als sociale huurwoning;

  • -

    Spreidingswet: Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.

  • -

    structurele verlaging van het drinkwatergebruik: verlaging van het drinkwatergebruik naar een gemiddeld verbruik van 100 liter drinkwater per persoon per dag;

  • -

    tijdelijke fundering: fundering om te voorzien in voldoende draagvermogen voor het flex-woningbouwproject;

  • -

    tijdelijke woonoplossing: verhuur met een tijdelijk karakter in verband met de aard van de woning, het gebruik van een tijdelijk huurcontract of het gebruik van de locatie waarop de woning wordt geplaatst;

  • -

    uitplinten: transformeren van de bouwlaag op maaiveldniveau naar woningen of uitbouwen van deze bouwlaag door het toevoegen van woningen;

  • -

    vastgoedexploitatie: sturing op kosten en opbrengsten gedurende de beoogde levensduur van het te realiseren vastgoed;

  • -

    verbouwen: verbouwen als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • -

    verkenningsfase: de projectfase zoals omschreven in de COA-vastgoedgids 2024;

  • -

    voorbereidingsfase: fase waarin:

    • 1.

      het definitieve ontwerp bouw- of aanbestedingsgereed gemaakt wordt;

    • 2.

      het bestek en de bestek-, constructie-, en installatietekeningen worden uitgewerkt;

    • 3.

      de aanvraag omgevingsvergunning tot bouwen wordt aangevraagd en verleend;

    • 4.

      bij koopwoningen de verkoop start, of

    • 5.

      het bouwrijp maken van de locatie;

  • -

    woonruimteverdeelsysteem: digitaal systeem waar woningcorporaties via een website huurwoningen aanbieden voor verhuur aan woningzoekenden waarbij regels gelden voor een toewijzing. In dit systeem kunnen tevens particuliere huurwoningen worden aangeboden;

  • -

    woningbouwproject: project voor de bouw van bouwkundig met elkaar verbonden woningen en bouwkundig daarmee verbonden niet-woningbouwdelen;

  • -

    woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet waaronder tevens begrepen de Tak van dienst woonbedrijf Voorne aan Zee;

  • -

    wooncoöperatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt om haar leden in staat te stellen zelfstandig te voorzien in het beheer en onderhoud van de door hen bewoonde woongelegenheden en de direct daaraan grenzende omgeving, bedoeld in artikel 18, lid 1 van de Woningwet;

  • -

    zelfstandige flexwoning: flexwoning met eigen entree en eigen keuken en toilet;

  • -

    zelfstandige woning: woning met eigen toegang en eigen keuken en toilet.

Artikel 1.2 Doelgroep

Tenzij anders bepaald, wordt subsidie uitsluitend verstrekt aan gemeenten in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 1.3 Rangschikking

  • 1. Het bedrag dat beschikbaar is voor de te verstrekken subsidies, wordt over de aanvragen verdeeld op volgorde van datum van binnenkomst daarvan.

  • 2. Als een subsidieaanvraag niet volledig is, geldt als datum van binnenkomst de dag waarop de subsidieaanvraag is aangevuld en gecompleteerd als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Op de dag dat verlening van subsidie voor gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt de subsidie verdeeld op basis van loting.

Artikel 1.4 Instellen deelplafonds

  • 1. Gedeputeerde staten stellen bij afzonderlijk besluit subsidieplafonds vast voor de afzonderlijke onderdelen in deze regeling.

  • 2. Indien gedeputeerde staten voor een onderdeel in deze regeling geen subsidieplafond hebben vastgesteld, bedraagt het subsidieplafond voor dat onderdeel € 0,--.”

Artikel 1.5 Diensten van algemeen economisch belang

  • 1.

    • a.

      DAEB-knelpuntenpot sociale huur: als dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c van het DAEB-Vrijstellingsbesluit wordt aangewezen de realisatie van sociale huurwoningen, bedoeld in artikel 2A.1, en als nader uitgewerkt in de bijlage.

    • b.

      DAEB-knelpuntenpot middenhuur: als dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c van het DAEB-Vrijstellingsbesluit wordt aangewezen de realisatie van woningen voor middenhuur, bedoeld in het artikel 2B.1, en als nader uitgewerkt in de bijlage.

    • c.

      DAEB-woonvormen senioren: als dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c van het DAEB-Vrijstellingsbesluit wordt aangewezen de realisatie van zelfstandige woningen voor sociale huur en middenhuur geschikt voor senioren met een centrale ontmoetingsruimte, als bedoeld in artikel 3.1, en als nader uitgewerkt in de bijlage.

    • d.

      DAEB-opschalen houtbouw sociale huurwoningen: als dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c van het DAEB-Vrijstellingsbesluit wordt aangewezen de realisatie van woningen voor sociale huur gebruikmakend van houtbouw, bedoeld in artikel 7.1, en als nader uitgewerkt in de bijlage.

  • 2. Bij subsidiebeschikking, waarbij subsidie wordt verleend voor de uitvoering van de respectievelijke DAEB, bedoeld in de hoofdstukken 2A, 2B, 3 en 7, wordt de subsidieontvanger tevens belast met de uitvoering van de DAEB, bedoeld in de onderdelen a tot en met d van het eerste lid.

  • 3. Na evaluatie van de regeling kan de compensatie ten aanzien van de DAEB worden herzien.

  • 4. Op subsidies als bedoeld in het tweede lid is het DAEB-Vrijstellingsbesluit onverkort van toepassing. 

Hoofdstuk 2A Knelpuntenpot sociale huur

Artikel 2A.0 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie op grond van deze paragraaf uitsluitend verstrekt aan:

  • 1.

    een gemeente indien sprake is van actief grondbeleid; of

  • 2.

    een woningcorporatie indien sprake is van faciliterend grondbeleid.

Artikel 2A.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van sociale huurwoningen in de vorm van een eenmalige bijdrage voor de investeringskosten blijkens het financieel tekort in een grondexploitatie, anterieure overeenkomst of vastgoedexploitatie van een woningbouwproject.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot versnelling van de bouw van zelfstandige of onzelfstandige sociale huurwoningen in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2A.2 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2A.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 2A.3 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2A.1 geweigerd indien:

  • a.

    voor hetzelfde woningbouwproject een aanvraag op grond van dit hoofdstuk is gedaan;

  • b.

    al twee aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar;

  • c.

    in afwijking van onderdeel b, al drie aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar indien het woningbouwproject wordt gerealiseerd in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, of

  • d.

    het woningbouwproject betrekking heeft op de realisatie van woningen die tijdelijk worden gerealiseerd.

Artikel 2A.4 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2A.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het financieel tekort op de grondexploitatie, de anterieure overeenkomst of de vastgoedexploitatie doet zich voor bij een woningbouwproject dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit sociale huurwoningen;

    • b.

      de bouw van de eerste sociale huurwoningen van het woningbouwproject kan starten binnen 3 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • c.

      het woningbouwproject:

      • i

        past binnen het door gedeputeerde staten aanvaarde regionale woningbouwprogramma; of

      • ii

        wordt gerealiseerd binnen bestaand stads- en dorpsgebied en bestaat voor minimaal 30% uit sociale huurwoningen; of

      • iii

        wordt gerealiseerd op een 3 hectare locatie en bestaat voor minimaal 30% uit sociale huurwoningen;

    • d.

      de te bouwen sociale huurwoningen blijven minimaal 25 jaar na realisatie in het huursegment van sociale huurwoningen en worden verhuurd via een woonruimteverdeelsysteem.

  • 2. Het financieel tekort, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voldoet aan de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid waarbij gerekend wordt met een aannemelijke sociale grondprijs.

Artikel 2A.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt € 6.000,-- per te realiseren zelfstandige sociale huurwoning, tot in totaal maximaal het bedrag van het tekort in de grondexploitatie, anterieure overeenkomst of vastgoedexploitatie bij indiening van de subsidieaanvraag, en nooit meer dan € 600.000,-- per aanvraag.

  • 2. De hoogte van de subsidie bedraagt € 1.500,-- per te realiseren onzelfstandige sociale huurwoning, tot in totaal maximaal het bedrag van het tekort in de grondexploitatie, anterieure overeenkomst of vastgoedexploitatie bij indiening van de subsidieaanvraag, en nooit meer dan € 600.000,-- per aanvraag.

  • 3. Indien toepassing van het eerste lid of het tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 25.000,-- wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2A.6 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger toont, in aanvulling op de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.3, eerste lid, van de Asv, met behulp van een activiteitenverslag aan, in hoeverre er is gestart met de in artikel 2A.1 bedoelde te bouwen sociale huurwoningen en toont aan hoe de woningen ten minste 25 jaar in het sociale huursegment blijven.

  • 2. Indien bij vaststelling blijkt dat de hoogte van het financiële tekort lager is dan de hoogte van de subsidie, wordt de te veel ontvangen subsidie teruggevorderd.

Artikel 2A.7 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 2A.8 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      de bouw van de eerste te bouwen sociale huurwoningen binnen het woningbouwproject start binnen 3 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      de subsidieontvanger bewerkstelligt dat de te bouwen sociale huurwoningen minimaal 25 jaar na realisatie in het huursegment van sociale huurwoningen blijven.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen na de subsidieverlening, op verzoek van de subsidieontvanger, de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn met maximaal 1 jaar verlengen indien zwaarwegende omstandigheden, waaronder in ieder geval begrepen vertraging door bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, daartoe aanleiding geven.

Artikel 2A.9 Aanvullende subsidievereisten woningcorporatie

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen voldoet een woningcorporatie als bedoeld in onderdeel 2 van artikel 2A.0 en onverminderd artikel 1.5, tevens aan de vereisten opgenomen in de bijlage met betrekking tot de DAEB-knelpuntenpot sociale huur.

  • 2. Onverminderd het eerste lid:

    • a.

      wordt het financiële tekort toegelicht door middel van een onderbouwing op de stichtingskosten per woning, de opslagen algemene kosten en bijkomende kosten, de grondkosten en andere toerekenbare kosten conform de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid, en

    • b.

      wordt de aanvraag voorzien van:

      • 1°.

        een exploitatiebegroting over ten minste 25 jaar, inclusief een post voor redelijke winst waarbij percentage en bedrag worden genoemd, en

      • 2°.

        een uitsplitsing van kosten en opbrengsten.

  • 3. De artikelen 2A.0 tot en met 2A.8 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met dit artikel.

Hoofdstuk 2B Knelpuntenpot middenhuur

Artikel 2B.0 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie op grond van deze paragraaf uitsluitend verstrekt aan:

  • 1.

    een gemeente indien sprake is van actief grondbeleid; of

  • 2.

    een woningcorporatie indien sprake is van faciliterend grondbeleid.

Artikel 2B.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van zelfstandige huurwoningen voor middenhuur in de vorm van een eenmalige bijdrage in de investeringskosten blijkens het financieel tekort in een grondexploitatie, anterieure overeenkomst of vastgoedexploitatie van een woningbouwproject.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot versnelling van de bouw van zelfstandige huurwoningen voor middenhuur in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2B.2 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2B.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 2B.3 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2B.1 geweigerd indien:

  • a.

    voor hetzelfde woningbouwproject een aanvraag op grond van dit hoofdstuk is gedaan;

  • b.

    al twee aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar;

  • c.

    in afwijking van onderdeel b, al drie aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar indien het woningbouwproject wordt gerealiseerd in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, of

  • d.

    het woningbouwproject betrekking heeft op de bouw van woningen die tijdelijk worden gerealiseerd.

Artikel 2B.4 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2B.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het financieel tekort op de grondexploitatie, de anterieure overeenkomst of de vastgoedexploitatie doet zich voor bij een woningbouwproject dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit huurwoningen voor middenhuur;

    • b.

      de bouw van de huurwoningen voor middenhuur van het woningbouwproject kan starten binnen 3 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • c.

      het woningbouwproject:

      • i

        past binnen het door gedeputeerde staten aanvaarde regionale woningbouwprogramma; of

      • ii

        wordt gerealiseerd binnen bestaand stads- en dorpsgebied; of

      • iii

        wordt gerealiseerd op een 3 hectare locatie;

    • d.

      de te bouwen huurwoningen voor middenhuur blijven ten minste 20 respectievelijk ten minste 25 jaar als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 2B.5 na realisatie in het huursegment van huurwoningen voor middenhuur.

  • 2. Het financieel tekort, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voldoet aan de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid waarbij gerekend wordt met een aannemelijke grondprijs.

Artikel 2B.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt € 3.000,--, indien de woning minimaal 20 jaar in het middenhuur segment blijft.

  • 2. De hoogte van de subsidie bedraagt € 6.000,--, indien de woning minimaal 25 jaar in het middenhuur segment blijft.

  • 3. Onverminderd het eerste respectievelijk tweede lid bedraagt de hoogte van de subsidie per te realiseren huurwoning voor middenhuur, maximaal het bedrag van het tekort in de grondexploitatie, anterieure overeenkomst of vastgoedexploitatie bij indiening van de subsidieaanvraag, en nooit meer dan € 300.000,-- per aanvraag.

  • 4. Indien toepassing van het eerste, tweede of derde lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 25.000,-- wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2B.6 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger toont, in aanvulling op de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.3, eerste lid, van de Asv, met behulp van een activiteitenverslag aan, in hoeverre er is gestart met de in artikel 2B.1 bedoelde te bouwen huurwoningen voor middenhuur en toont aan hoe de woningen bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid van artikel 2B.5, ten minste 20 en ten minste 25 jaar in het huursegment voor middenhuur blijven.

  • 2. Indien bij vaststelling blijkt dat de hoogte van het financiële tekort lager is dan de hoogte van de subsidie, wordt de teveel ontvangen subsidie teruggevorderd.

Artikel 2B.7 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 2B.8 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      de bouw van de eerste te bouwen huurwoningen voor middenhuur binnen het woningbouwproject start binnen 3 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      de subsidieontvanger bewerkstelligt dat de te bouwen huurwoningen voor middenhuur minimaal 20 respectievelijk 25 jaar overeenkomend met de termijn, genoemd in het eerste en tweede lid van artikel 2B.5, waarvoor de huurwoning in het middenhuur segment blijft, na realisatie in het huursegment van huurwoningen voor middenhuur blijven.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen na de subsidieverlening, op verzoek van de subsidieontvanger, de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn met maximaal 1 jaar verlengen indien zwaarwegende omstandigheden, waaronder in ieder geval begrepen vertraging door bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, daartoe aanleiding geven.

Artikel 2B.9 Aanvullende subsidievereisten woningcorporatie

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen voldoet een woningcorporatie als bedoeld in onderdeel 2 van artikel 2B.0 en onverminderd artikel 1.5, tevens aan de vereisten opgenomen in de bijlage met betrekking tot de DAEB-knelpuntenpot middenhuur.

  • 2. Onverminderd het eerste lid:

    • a.

      bestaat het woningbouwproject voor meer dan 50% uit sociale huurwoningen;

    • b.

      wordt het financiële tekort toegelicht door middel van een onderbouwing op de stichtingskosten per woning, de opslagen algemene kosten en bijkomende kosten, de grondkosten en andere toerekenbare kosten conform de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid, en

    • c.

      wordt de aanvraag voorzien van:

      • 1°.

        een exploitatiebegroting voor woningen bedoeld in het eerste respectievelijk tweede lid van artikel 2B.5, van ten minste 20 en ten minste 25 jaar, inclusief een post voor redelijke winst waarbij percentage en bedrag worden genoemd, en

      • 2°.

        een uitsplitsing van kosten en opbrengsten.

  • 3. De artikelen 2B.0 tot en met 2B.8 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met dit artikel.

Hoofdstuk 3 Woonvormen senioren

Artikel 3.0 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie op grond van deze paragraaf uitsluitend verstrekt aan:

  • 1.

    een gemeente; of

  • 2.

    een woningcorporatie.

Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt ter stimulering van de bouw van zelfstandige sociale huurwoningen of middenhuur woningen geschikt voor senioren met een centrale ontmoetingsruimte.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot versnelling van de bouw van woningen voor senioren in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 3.2 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 3.1 geweigerd indien:

  • a.

    voor hetzelfde woningbouwproject een aanvraag op grond van dit hoofdstuk is gedaan;

  • b.

    al twee aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar;

  • c.

    in afwijking van onderdeel b, al drie aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar indien het woningbouwproject wordt gerealiseerd in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, of

  • d.

    het woningbouwproject betrekking heeft op de bouw van woningen die tijdelijk worden gerealiseerd.

Artikel 3.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de bouw van de eerste te bouwen woningen geschikt voor senioren kan starten binnen drie jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening;

  • b.

    de te bouwen woningen geschikt voor senioren voldoen minimaal aan de vereisten die het kenniscentrum Bouw Advies Toegankelijkheid heeft opgesteld voor woningen waarin de bewoner met een loophulpmiddel (rollator) gebruik kan maken van alle primaire leefruimten;

  • c.

    op het project is sprake van een financieel tekort op de stichtingskosten of exploitatiebegroting;.

  • d.

    de te bouwen huurwoningen geschikt voor senioren hebben een maximale huurprijs van een huurwoning voor middenhuur;

  • e.

    de te bouwen woningen geschikt voor senioren maken deel uit van één woningbouwproject dat wordt gerealiseerd binnen bestaand stads- en dorpsgebied of op een 3 hectare locatie;

  • f.

    het woningbouwproject bevat een voor de bewoners van de gesubsidieerde woningen toegankelijke centrale inpandige ontmoetingsruimte;

  • g.

    de te bouwen sociale huurwoningen blijven minimaal 25 jaar na realisatie in het huursegment van sociale huurwoningen;

  • h.

    de te bouwen huurwoningen voor middenhuur blijven minimaal 25 jaar na realisatie in het huursegment van huurwoningen voor middenhuur.

Artikel 3.4 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt € 6.000,-- per te realiseren gesubsidieerde woning voor senioren tot een maximum van € 300.000,-- per aanvraag.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 25.000,-- wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 3.5 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies als bedoeld in artikel 3.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 3.6 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger toont, in aanvulling op de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.3, eerste lid, van de Asv, met behulp van een activiteitenverslag aan, in hoeverre er is gestart met de bouw van de gesubsidieerde woningen.

  • 2. Op de aanvraag voor subsidievaststelling zijn de artikelen 4.2, eerste lid, onder b, en 4.3, tweede en derde lid, van de Asv niet van toepassing.

  • 3. Indien bij vaststelling blijkt dat de hoogte van het financiële tekort lager is dan de hoogte van de subsidie, wordt de teveel ontvangen subsidie teruggevorderd.

Artikel 3.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Onverminderd de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd dat de bouw van de eerste gesubsidieerde woningen binnen het woningbouwproject start binnen drie jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen na de subsidieverlening, op verzoek van de subsidieontvanger, de in het eerste lid bedoelde termijn met maximaal 1 jaar verlengen indien zwaarwegende omstandigheden, waaronder in ieder geval begrepen vertraging door bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, daartoe aanleiding geven.

Artikel 3.8 Aanvullende subsidievereisten woningcorporatie

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen voldoet een woningcorporatie als bedoeld in onderdeel 2 van artikel 3.0 en onverminderd artikel 1.5, tevens aan de vereisten opgenomen in de bijlage met betrekking tot de DAEB-woonvormen senioren.

  • 2. Onverminderd het eerste lid:

    • a.

      bestaat het woningbouwproject voor meer dan 33% uit sociale huurwoningen;

    • b.

      wordt het financiële tekort toegelicht door middel van een onderbouwing op de stichtingskosten per woning, de opslagen algemene kosten en bijkomende kosten, de grondkosten en andere toerekenbare kosten conform de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid, en

    • c.

      wordt de aanvraag voorzien van:

      • 1°.

        een exploitatiebegroting over ten minste 25 jaar, inclusief een post voor redelijke winst waarbij percentage en bedrag worden genoemd, en

      • 2°.

        een uitsplitsing van kosten en opbrengsten inclusief exploitatie centrale ontmoetingsruimte.

  • 3. De artikelen 3.0 tot en met 3.7 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met dit artikel.

Hoofdstuk 4 Vliegende Brigade

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen op grond van dit hoofdstuk de kosten voor de inhuur van externe capaciteit en expertise voor subsidie in aanmerking.

Artikel 4.1.2 SiSa-verantwoording

Indien de subsidieontvanger een gemeente is, wordt een subsidie op grond van deze regeling financieel verantwoord met toepassing van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 4.1.3 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies bedraagt maximaal 75% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 4.1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    de activiteit is binnen 26 weken na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening in uitvoering;

  • b.

    de activiteit is binnen twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening uitgevoerd.

Artikel 4.1.5 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies als bedoeld in respectievelijk de artikelen 4.2.1 en 4.3.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Paragraaf 4.2 Versnelling woningbouw

Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de tijdelijke inhuur van externe capaciteit en expertise ten behoeve van de woningbouw.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een versnelde bouw van woningen in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 4.2.1a Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie op grond van deze paragraaf uitsluitend verstrekt aan gemeenten in Zuid-Holland en woningcorporaties met woningbezit in Zuid-Holland.

Artikel 4.2.2 Weigeringsgronden

  • 1. In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1 geweigerd indien aan de aanvrager reeds vijf keer subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor in hetzelfde kalenderjaar ingediende aanvragen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1 geweigerd indien aan de aanvrager, op grond van dit hoofdstuk of op grond van de Subsidieregeling Vliegende Brigade Zuid-Holland, voor dezelfde gebiedsontwikkeling reeds twee keer subsidie is verstrekt voor dezelfde projectfase.

  • 3. Het tweede lid van artikel 4.2.2 is niet van toepassing indien de gebiedsontwikkeling 30% of meer sociale woningbouw omvat.

  • 4. Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie aan een woningcorporatie geweigerd indien de verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, niet in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Artikel 4.2.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de tijdelijke inhuur van externe capaciteit en expertise leidt tot aantoonbare versnelling van de woningbouw in een gemeente in Zuid-Holland;

  • b.

    de te bouwen woningen zijn opgenomen in een door gedeputeerde staten aanvaard of vastgesteld regionaal woningbouwprogramma of liggen binnen bestaand stads- en dorpsgebied binnen de bestemming wonen waarbij sprake is van het toevoegen van extra woningen door onder meer optoppen, aanplakken of uitplinten;

  • c.

    de aanvraag betreft minimaal 25 nieuw te bouwen woningen in Zuid-Holland;

  • d.

    de activiteit kan binnen 26 weken na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening in uitvoering zijn.

Artikel 4.2.4 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,--.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het maximum subsidiebedrag voor de gemeenten Alphen aan den Rijn, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Delft, Dordrecht, Gorinchem, Gouda, Katwijk, Lansingerland, Leiden, Maassluis, Nissewaard, Rijswijk, Schiedam, Vlaardingen, Westland, Zoetermeer, Zuidplas en Zwijndrecht € 150.000,--.

  • 3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het maximum subsidiebedrag voor de gemeenten Den Haag en Rotterdam € 250.000,--.

  • 4. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 25.000,00 wordt de subsidie niet verstrekt.

Paragraaf 4.3 Regionale integrale woonzorgvisies

Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de tijdelijke inhuur van externe capaciteit en expertise voor de totstandkoming van een regionale integrale woonzorgvisie.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een integrale woonzorgvisie op het niveau van de woonregio of op het niveau van minimaal drie gemeenten, genoemd in artikel 4.3.3, onderdeel b.

Artikel 4.3.2 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.3.1 geweigerd indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op een regionale integrale woonzorgvisie waarvoor reeds subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf;

  • b.

    de aanvraag betrekking heeft op een regionale integrale woonzorgvisie die niet wordt ondersteund door de woonregio;

  • c.

    een aanvraag is ingediend voor een integrale woonzorgvisie op het niveau van de woonregio, bedoeld in artikel 4.3.3, onderdeel b.

Artikel 4.3.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.3.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de tijdelijke inhuur van externe capaciteit en expertise is gericht op de totstandkoming van een regionale integrale woonzorgvisie;

  • b.

    een regionale integrale woonzorgvisie is gericht op:

    • i

      de regio Rotterdam, bestaande uit de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee;

    • ii

      de regio Haaglanden, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

    • iii

      de regio Midden-Holland, bestaande uit de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas;

    • iv

      de regio Holland Rijnland, bestaande uit de gemeenten Alphen aan dan Rijn, Hillegom, Lisse, Teylingen, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude;

    • v

      de regio Alblasserwaard bestaande uit de gemeenten Gorinchem en Molenlanden;

    • vi

      de regio Drechtsteden bestaande uit de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht;

    • vii

      de gemeente Goeree-Overflakkee;

    • viii

      de gemeente Hoeksche Waard; of

    • ix

      drie of meer gemeenten zoals genoemd in onderdeel i tot en met viii.

  • c.

    in een regionale integrale woonzorgvisie wordt minimaal aandacht besteed aan de regionale analyse en regionale afspraken over de huisvesting van ouderen en alle aanwezige aandachtsgroepen in de betreffende gemeenten. Aandachtsgroepen zijn: statushouders, arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten en woonwagenbewoners;

  • d.

    de activiteit kan binnen 26 weken na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening in uitvoering zijn.

Artikel 4.3.4 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.

Hoofdstuk 5 Openstellingsbesluiten nieuwe onderwerpen

Artikel 5.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de doelen uit het geldende Coalitieakkoord van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 5.2 Openstellingsbesluiten

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen in de vorm van openstellingsbesluiten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.1.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen in de openstellingsbesluiten, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval bepalingen opnemen met betrekking tot:

    • a.

      subsidiabele activiteiten en prestatie;

    • b.

      doelgroep;

    • c.

      subsidievereisten;

    • d.

      aanvraagperiode;

    • e.

      aanvraagvereisten;

    • f.

      subsidieplafond;

    • g.

      subsidiehoogte;

    • h.

      verdelingswijze;

    • i.

      subsidiabele kosten;

    • j.

      niet-subsidiabele kosten;

    • k.

      weigeringsgronden;

    • l.

      inschakeling van een adviescommissie indien dat nodig wordt geacht voor de beoordeling van de subsidieaanvragen;

    • m.

      verplichtingen van de subsidieontvanger;

    • n.

      prestatieverantwoording;

    • o.

      bevoorschotting en betaling;

    • p.

      staatssteun.

Hoofdstuk 6 Plankosten collectieve wooninitiatieven

Artikel 6.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het opstellen van een projectplan ten behoeve van een collectief wooninitiatief in de provincie Zuid-Holland.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot inzicht in de haalbaarheid van collectieve wooninitiatieven in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 6.2 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.1 uitsluitend verstrekt aan verenigingen, wooncoöperaties en stichtingen.

Artikel 6.3 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies als bedoeld in artikel 6.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 6.4 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2 geweigerd indien:

  • a.

    aan de aanvrager reeds subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor een in hetzelfde kalenderjaar ingediende aanvraag, tenzij er sprake is van een aanvraag door een samenwerking tussen een stichting en een woningcorporatie om de haalbaarheid van een collectief wooninitiatief te verkennen;

  • b.

    het evident is dat de realisatie van het woningbouwproject niet haalbaar is;

  • c.

    het woningbouwproject eerder is gefinancierd of gesubsidieerd door de Provincie Zuid-Holland.

Artikel 6.5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de aanvrager beoogt de belangen van de toekomstige bewoners te behartigen bij de realisatie van een door hen geïnitieerd woningbouwproject;

  • b.

    de te bouwen woningen:

    • 1.

      liggen binnen bestaand stads- en dorpsgebied;

    • 2.

      liggen op een woningbouwlocatie van meer dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied die is opgenomen op de 3 ha kaart, of;

    • 3.

      worden gerealiseerd door transformatie van bestaande bebouwing buiten bestaand stads- en dorpsgebied of de in onderdeel 2 genoemde 3 ha kaart;

  • c.

    het woningbouwproject bestaat uit minimaal vijf nieuwe woningen;

  • d.

    de aanvrager streeft ernaar dat minimaal de helft van de woningen in het plan van het woningbouwproject een koopprijs heeft van maximaal het bedrag om in aanmerking te kunnen komen voor Nationale Hypotheek Garantie (NHG) of een maximale huurprijs hebben van een huurwoning voor middenhuur;

  • e.

    voor het opstellen van het projectplan wordt gebruik gemaakt van een onafhankelijke professionele beroepsmatige begeleider, die niet beoogt zelf bewoner te worden van het woningbouwproject waarbij deze begeleider ook in dienst kan zijn van, of ingehuurd kan worden door een woningcorporatie die handelt vanuit de belangen van de toekomstige bewoners;

  • f.

    de activiteit kan binnen één jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening zijn uitgevoerd.

Artikel 6.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten voor de inhuur van een onafhankelijke professionele beroepsmatige begeleider voor subsidie in aanmerking.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid komen de plankosten voor de beoogde collectieve woonvorm voor subsidie in aanmerking indien de aanvraag een samenwerking betreft tussen een stichting, een vereniging of een woningcorporatie.

Artikel 6.7 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt € 15.000,--.

Artikel 6.8 Verantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd met het projectplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan dat de activiteit is verricht.

Artikel 6.9 Verplichting van de subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd dat de activiteit binnen één jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is uitgevoerd.

Hoofdstuk 7 Opschalen houtbouw sociale huurwoningen

Paragraaf 7A Toekomstbestendig bouwen

[vervallen]

Paragraaf 7B Drinkwaterbesparing sociale huurwoningen

[vervallen]

Paragraaf 7C Opschalen houtbouw sociale huurwoningen

[vervallen]

Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor houtbouw in woningbouwprojecten gelegen in Zuid-Holland voor sociale huurwoningen.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot betaalbare, milieuvriendelijke, energiezuinige en comfortabele woningbouw.

Artikel 7.2 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.2 wordt subsidie op grond van dit hoofdstuk uitsluitend verstrekt aan woningcorporaties voor woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid.

Artikel 7.3 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7C.1 worden ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 7.4 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 7.1 geweigerd indien:

  • a.

    aanvrager voor hetzelfde woningbouwproject een aanvraag heeft gedaan op grond van dit hoofdstuk;

  • b.

    het woningbouwproject betrekking heeft op de bouw van sociale huurwoningen die tijdelijk worden gerealiseerd;

  • c.

    al twee aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar;

  • d.

    in afwijking van onderdeel c, al drie aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar indien het woningbouwproject wordt gerealiseerd in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.

Artikel 7.5 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.1 in aanmerking te komen, tenzij er sprake is van optoppen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het woningbouwproject:

      • 1°.

        betreft de bouw van sociale huurwoningen;

      • 2°.

        heeft drie of meer bouwlagen;

      • 3°.

        omvat vijftien of meer sociale huurwoningen; en

      • 4°.

        kan binnen 2 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening starten, maar start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      het massa percentage van materialen gebruikt in het woningbouwproject bestaat uit meer dan 20% hernieuwbare materialen, inclusief de fundering;

    • c.

      het gebouw heeft een losmaakbaarheidsindex van meer dan 50%.

  • 2. Indien er sprake is van optoppen is het eerste lid van toepassing, met dien verstanden dat:

    • a.

      in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 2, het woningbouwproject één of meer bouwlagen heeft;

    • b.

      in afwijking van het eerste lid onderdeel a, onder 3, het woningbouwproject acht of meer sociale huurwoningen omvat; en

    • c.

      in afwijking van het eerste lid onderdeel b, het massa percentage van hernieuwbare materialen gebruikt in het woningbouwproject uit meer dan 40% hernieuwbare materialen exclusief fundering of intermediair bestaat.

Artikel 7.6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de meerkosten voor het gebruik van houtbouw ten opzichte van niet-houtbouw in het woningbouwproject voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7.7 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt € 6.000,-- per te realiseren sociale huurwoning, en bedraagt nooit meer dan € 300.000,-- per aanvraag.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 90.000,-- of indien sprake is van optoppen, minder bedraagt dan € 48.000,--, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 7.8 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 7.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    • a.

      de bouw van het bouwproject, bedoeld in artikel 7C.1 start binnen 2 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      de subsidieontvanger bewerkstelligt dat de te bouwen sociale huurwoningen minimaal 25 jaar na realisatie in het huursegment van sociale huurwoningen blijven.

    • c.

      de huurder wordt geïnformeerd over de genomen houtbouw maatregelen en het belang van houtbouw om te komen tot toekomstbestendige woningbouw.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen na de subsidieverlening, op verzoek van de subsidieontvanger, de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn met maximaal 1 jaar verlengen indien zwaarwegende omstandigheden, waaronder in ieder geval begrepen vertraging door bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, daartoe aanleiding geven.

Artikel 7.10 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling, in aanvulling op de artikelen 4.1, tweede lid, en 4.2, eerste lid, van de Asv, aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag met de financiële verantwoording van de gesubsidieerde kosten waarin ten minste opgenomen:

    • a.

      de gerealiseerde MilieuPrestatiegebouw score van het bouwproject;

    • b.

      de gerealiseerde losmaakbaarheidsindex van het bouwproject;

    • c.

      het gerealiseerde percentage hernieuwbare materialen in het bouwproject.

  • 2. Indien bij vaststelling blijkt dat de hoogte van het financiële tekort lager is dan de hoogte van de subsidie, wordt de teveel ontvangen subsidie teruggevorderd.

Artikel 7.11 Aanvullende subsidievereisten woningcorporatie

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen voldoet een woningcorporatie als bedoeld in onderdeel 2 van artikel 7.0 en onverminderd artikel 1.5, tevens aan de vereisten opgenomen in de bijlage met betrekking tot de DAEB-opschalen houtbouw sociale woningen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid:

    • a.

      wordt het financiële tekort toegelicht door middel van een onderbouwing van de stichtingskosten per woning in verband met de meerkosten wegens het toepassen van houtbouw en andere toerekenbare kosten ten opzichte van het toepassen van niet-houtbouw conform de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid, en

    • b.

      wordt de aanvraag voorzien van:

      • 1°.

        een exploitatiebegroting over ten minste 25 jaar, inclusief een post voor redelijke winst waarbij percentage en bedrag worden genoemd, en

      • 2°.

        een uitsplitsing van kosten en opbrengsten.

  • 3. De artikelen 7.0 tot en met 7.10 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover zij niet in strijd zijn met dit artikel.

Hoofdstuk 8 Versnelling realisatie asielopvang

Artikel 8.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten welke tot de realisatiefase benodigd zijn voor de totstandbrenging van een opvangvoorziening.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

Artikel 8.2 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies als bedoeld in artikel 8.1 worden ingediend:

  • a.

    in kalenderjaar 2025 met ingang van 10 juni 2025 tot en met 31 december 2025;

  • b.

    in kalenderjaar 2026 en verder met ingang van 2 januari tot en met 31 december van elk kalenderjaar.

Artikel 8.3 Weigeringsgronden

  • 1. In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid geweigerd indien:

    • a.

      de beoogde opvangvoorziening niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en er geen maatwerk kan worden toegepast of ontheffing kan worden verleend;

    • b.

      de activiteiten behoren tot de realisatiefase;

    • c.

      de exploitatietermijn van te realiseren opvangvoorzieningen korter is dan 2 jaar;

    • d.

      de activiteiten worden ingezet om noodopvang te realiseren;

    • e.

      de te realiseren opvangvoorziening een opvangcapaciteit heeft minder dan 50 opvangplaatsen, of minder dan 20 bijzondere opvangplaatsen;

    • f.

      het evident is dat de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet haalbaar zijn;

    • g.

      de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd eerder door de provincie Zuid-Holland zijn gefinancierd of gesubsidieerd;

    • h.

      de te verlenen subsidie voor de betreffende activiteit minder dan € 5.000,-- bedraagt.

  • 2. Het bepaalde in artikel 2.6, eerste lid, onder a van de Asv is niet van toepassing op subsidieaanvragen voor activiteiten welke zijn aangevangen in de periode tussen 2 januari 2025 en de datum waarop onderhavige regeling in werking is getreden.

Artikel 8.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    De activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd leidt tot aantoonbare versnelling van de realisatie van opvangplaatsen in een gemeente in Zuid-Holland en

  • b.

    De aanvrager heeft concreet het oog op ten minste één potentiële locatie, waarvoor in samenwerking met het COA een haalbaarheidsadvies en capaciteitsoverleg gepland is, of

  • c.

    De aanvrager kan concreet duidelijkheid verschaffen over het verwachte aantal opvangplaatsen (opvangcapaciteit), het type opvangplaatsen (regulier of bijzonder), de geografische locatie van de te realiseren voorziening, en de periode waarin de locatie in bedrijf zal zijn.

Artikel 8.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Subsidie wordt verstrekt voor kosten voor personele capaciteit en expertise.

  • 2. Subsidie wordt niet verstrekt voor:

    • a.

      materiële kosten, waaronder huisvestings- en ICT-kosten;

    • b.

      kosten voor opleidingen en trainingen;

    • c.

      kosten voor verzekeringen en administratie;

    • d.

      kosten voor algemene beleidsontwikkeling.

Artikel 8.6 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.1 bedraagt 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 80.000,--.

  • 2. Indien voor dezelfde activiteiten subsidie of overheidsbijdragen uit andere bronnen wordt verstrekt, wordt, in afwijking van het eerste lid, de subsidie zodanig bepaald dat de totale financiering met overheidsmiddelen van de subsidiabele kosten niet meer bedraagt dan 100% .

Artikel 8.7 Verplichting van de subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd dat de activiteit binnen één jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is uitgevoerd.

Hoofdstuk 9 Stimulering flexwoningen

Artikel 9.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt ter stimulering van de realisatie van zelfstandige of onzelfstandige flexwoningen waaronder begrepen de daartoe horende tijdelijke fundering.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot versnelling van de realisatie van flexwoningen in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 9.2 Aanvraagperiode

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend van 2 januari tot en met 31 december.

Artikel 9.3 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:

  • a.

    voor hetzelfde flex-woningbouwproject een aanvraag op grond van dit hoofdstuk is gedaan;

  • b.

    al twee aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar, of

  • c.

    in afwijking van onderdeel b, al drie aanvragen zijn gedaan op grond van dit hoofdstuk in hetzelfde kalenderjaar indien het woningbouwproject wordt gerealiseerd in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.

Artikel 9.4 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het financieel tekort op de grondexploitatie of het financieel tekort bij de anterieure overeenkomst doet zich voor bij een flex-woningbouwproject;

    • b.

      de bouw van de eerste flexwoningen van het flex-woningbouwproject kan starten binnen 18 maanden na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • c.

      het flex-woningbouwproject:

      • i.

        past binnen het door gedeputeerde staten aanvaarde regionale woningbouwprogramma;

      • ii.

        past binnen het vigerende provinciale omgevingsbeleid;

      • iii.

        met maatwerkafspraken zijn afwijkingen op het provinciale omgevingsbeleid toegestaan.

  • 2. Het financieel tekort, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voldoet aan de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid.

Artikel 9.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt € 6.000,-- per te realiseren zelfstandige flexwoning, tot in totaal maximaal het bedrag van het tekort in de grondexploitatie of anterieure overeenkomst bij indiening van de subsidieaanvraag, en nooit meer dan € 300.000,-- per aanvraag.

  • 2. De hoogte van de subsidie bedraagt € 1.500,-- per te realiseren onzelfstandige flexwoning, tot in totaal maximaal het bedrag van het tekort in de grondexploitatie of anterieure overeenkomst bij indiening van de subsidieaanvraag, en nooit meer dan € 300.000,-- per aanvraag.

Artikel 9.6 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger toont, in aanvulling op de artikelen 4.2, eerste lid, onder a, en 4.3, eerste lid, van de Asv, met behulp van een activiteitenverslag aan, in hoeverre er is gestart met de in artikel 9.1 bedoelde te realiseren flexwoningen.

  • 2. Op de aanvraag voor subsidievaststelling zijn de artikelen 4.2, eerste lid, onder b, en 4.3, tweede en derde lid, van de Asv niet van toepassing.

Artikel 9.7 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies bedraagt maximaal 80% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 9.8 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      de bouw van de eerste te realiseren flexwoningen start binnen 18 maanden na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening, maar niet eerder dan 13 weken na het indienen van de subsidieaanvraag;

    • b.

      de subsidieontvanger bewerkstelligt dat de te realiseren flexwoningen minimaal 15 jaar na realisatie in het huursegment van sociale huurwoningen blijven binnen Zuid-Holland.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen na de subsidieverlening, op verzoek van de subsidieontvanger, de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn met maximaal 1 jaar verlengen indien zwaarwegende omstandigheden, waaronder in ieder geval begrepen vertraging door bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2024.

Artikel 10.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling wonen Zuid-Holland.

Ondertekening

Den Haag, 21 november 2023,

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

secretaris,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

plv. voorzitter,

M.E. van Leeuwen

Bijlage behorende bij de artikelen 1.5, 2A.9, 2B.9, 3.8 en 7.11 van de Subsidieregeling wonen Zuid-Holland

Inleiding

Knelpuntenpot sociale huur en Knelpuntenpot middenhuur

Er zijn grote tekorten op de huidige woningmarkt, meer specifiek in het betaalbare segment. Het vergroten van het woningaanbod, met name in de sociale huursector en middenhuur sector, is daarom essentieel.

Wonen is een primaire levensbehoefte en als (sociaal) grondrecht verankerd in artikel 22 lid 2 van de Grondwet waarin is aangegeven dat de bevordering van voldoende woongelegenheid een zorg van de overheid is. Het wettelijk kader voor wonen ligt vast in onder andere de Omgevingswet, Woningwet, Wet betaalbare huur, Huisvestingswet 2014 en de Wet goed verhuurderschap.

Op grond van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland is het voorzien in voldoende betaalbare woningen en voldoende passende huisvesting op de juiste plekken voor alle doelgroepen in Zuid-Holland van provinciaal belang. Het aanbod van zelfstandige woningen en andere huisvestinghuisvestingsvormen sluit onvoldoende aan op de vraag.

De provincie geeft in de Omgevingsvisie doelstellingen aan voor voldoende en betaalbare huisvesting. Dit om te (laten) voorzien in voldoende woningen en met name betaalbare woningen, waaronder specifiek sociale huurwoningen en middenhuurwoningen op de juiste plekken, in het bijzonder voor de doelgroepen van woningcorporaties, middeninkomensgroepen, aandachtsgroepen (o.a. statushouders, arbeidsmigranten en dak- en thuislozen) en ouderen. Bij betaalbare woningbouw gaat het om woningen voor de doelgroepen van de sociale huursector en om (middenhuur)woningen voor de middeninkomensgroep.

Concreet wil de provincie tot 2030 ca 248.000 woningen bruto nieuwbouw in Zuid-Holland. Dit is volgens de afspraken die zijn gemaakt met het Rijk en in regionale realisatie-afspraken met partijen (waaronder woningcorporaties) in de woondealregio’s. De provincie heeft in de woondeal(s) de ambitie uit het nationaal Programma Woningbouw onderschreven dat vanaf 2025 de programmering minimaal bestaat uit 2/3 deel betaalbare woningen, waarvan de helft door woningcorporaties wordt gebouwd. In de woondeal(s) staat ook het aantal middenhuurwoningen dat op dat moment in de woningbouwprogrammering was opgenomen.

Deze woningen moeten in een hoog tempo worden gerealiseerd om het woningtekort in Zuid-Holland te bestrijden. De provincie stuurt daarom in haar beleid op de volgende doelstellingen:

  • bruto nieuwbouw minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (te weten onder andere sociale huur en middenhuur);

  • waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3;

  • Iedere gemeente in de provincie moet toegroeien naar een sociale (huur)woningvoorraad van minimaal 30 procent in de bestaande woningvoorraad.

Bijna de helft van de Zuid-Hollandse huishoudens (bron: Woonbarometer Zuid-Holland, 2024) komt in aanmerking voor een sociale huurwoning. De wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn zeer lang. Het huidige aanbod sociale huurwoningen is ontoereikend om aan de vraag te voldoen. Er is daarom een inhaalslag nodig. De sociale woningvoorraad in onze provincie moet met minimaal 100.000 woningen toenemen.

In de definities ‘sociale huurwoning’ en ‘woning voor middenhuur’ in de Subsidieregeling wonen Zuid-Holland en in de Omgevingsverordening Zuid-Holland is vastgelegd wanneer een woning valt onder het segment sociale huurwoning en middenhuur: een huurwoning met een gereguleerde huurprijs die de rijkswet- en regelgeving volgt en een minimale instandhoudingstermijn in het betreffende huursegment. De (financiële) passendheidseisen waarmee woningcorporaties bij toewijzing van sociale of middenhuurwoningen rekening moet worden gehouden zijn in landelijke wetgeving vastgelegd.

De belangrijkste taak van woningcorporaties is zorgen voor betaalbare woningen voor mensen met lage inkomens. Woningcorporaties zijn financieel onvoldoende in staat om hun opgave (nieuwbouw, verduurzaming, huurbeleid en regulier onderhoud en renovatie) volledig uit te voeren. Zij hebben te maken met aanzienlijke onrendabele toppen1 bij de realisatie en exploitatie van woningbouwprojecten met sociale huur en middenhuurwoningen. Markpartijen realiseren gelet op de verliesgevende projectcasussen zelden sociale woningbouwprojecten. Als zij gecombineerde projecten realiseren dan dragen zij de nieuwe sociale en middenhuurwoningen direct na de bouw tegen een afgesproken koopprijs turn-key over aan een woningcorporatie voor langdurige verhuur en beheer. Ook in deze turnkeyprojecten wordt de corporatie in het algemeen geconfronteerd met (te) hoge kosten.

Woonvormen senioren

De vergrijzing van de bevolking, in combinatie met de extramuralisering van zorg en beleid dat inzet op langer zelfstandig thuis wonen, leidt tot een groeiende behoefte aan passende woonvormen voor ouderen. Deze woonvormen moeten niet alleen fysiek toegankelijk zijn, maar ook bijdragen aan preventie, leefbaarheid en sociale cohesie. Een belangrijk type ouderenhuisvesting is de geclusterde woonvorm met een inpandige ontmoetingsruimte voor senioren.

De opgave ouderenhuisvesting maakt, net als de woningbouwopgave, betaalbaarheid en de huisvesting van aandachtsgroepen, integraal onderdeel uit van de nationale Woon- en Bouwagenda2. Landelijk zijn hierover afspraken gemaakt met onder meer woningcorporaties, gemeenten en zorgpartijen. Deze afspraken vormen een gezamenlijke inzet om tot 2030 passende woningen te realiseren, waaronder geclusterde woonvormen voor ouderen.

Deze woonvorm combineert zelfstandigheid met gemeenschappelijkheid. De aanwezigheid van een ontmoetingsruimte bevordert het dagelijks sociaal contact, voorkomt eenzaamheid en ondersteunt het concept van zorgzame buurten. Ook bevordert de realisatie van dit type woning de doorstroming, zodat ook andere woningzoekenden meer kans maken op het vinden van een passende woning.

De opgave is groot. Tot 2030 moeten er in Zuid-Holland tienduizenden van deze woningen worden gerealiseerd. De helft van deze opgave ligt bij woningcorporaties3. Geclusterde woonvormen voor senioren kampen met meerkosten. De kosten voor de ontmoetingsruimte kunnen onderdeel zijn van de huur (uitsluitend voor inrichting/meubilair, afschrijving en vervanging), maar vooral in de sociale huursector kan dit voor veel mensen een struikelblok zijn. In het hogere huursegment kan de ontmoetingsruimte, samen met het leveren van diensten, onderdeel uitmaken van het zorg-/servicepakket4.

Opschalen houtbouw sociale huurwoningen

Slechts 2% van de woningen wordt in hout gebouwd, terwijl houtbouw concrete voordelen biedt voor bewoners van sociale huurwoningen: beter thermisch comfort (koeler in zomer, warmer in winter)5, gezondere binnenlucht door natuurlijke vochtregulatie6 7, , en positieve effecten op mentaal welzijn8. Daarnaast levert houtbouw een significante bijdrage aan de klimaatdoelen door CO2-opslag in het hout zelf en sterke reductie van CO2-uitstoot tijdens de bouwfase vergeleken met beton en staal9. Zuid-Holland heeft zich gecommitteerd aan zowel het Grondstoffenakkoord als het Klimaatakkoord, waarbij de gebouwde omgeving een belangrijke rol speelt.

Aanwijzing DAEB

Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van marktfalen op de woningmarkt ten aanzien van de aangegeven onderdelen. Met deze regeling wijst de provincie diensten van algemeen economisch belang aan conform het DAEB-Vrijstellingsbesluit. Bij subsidiebeschikking wordt de subsidieontvanger (woningcorporatie) belast met de uitvoering van de respectievelijke DAEB.

Deze aanwijzingen eindigen uiterlijk op 31 december 2035.

DAEB-knelpuntenpot sociale huur en DAEB-knelpuntenpot middenhuur

Onder deze DAEB vallen projecten die bestaan uit de realisatie sociale huurwoningen en middenhuurwoningen. Woningcorporaties werkzaam in gemeenten in Zuid-Holland kunnen worden aangewezen als ondernemingen belast met de uitvoering van de realisatie van sociale en middenhuurwoningen. De (aanvullende) DAEB draagt bij aan snelle(re) realisatie van sociale huurwoningen en middenhuur woningen binnen de provinciale woningbouwdoelstellingen door woningcorporaties.

Er is sprake van marktfalen binnen de woningbouwsector, met name in de ontwikkeling van betaalbare huurwoningen. Door de lage huuropbrengst en de beperkte marktwaarde worden deze projecten door commerciële partijen niet of onvoldoende opgepakt. De betrokkenheid van woningcorporaties en de aanvullende publieke financiering door middel van subsidies is nodig om dit marktfalen te corrigeren en voldoende te kunnen voorzien in de behoefte aan sociale huurwoningen voor lagere inkomensgroepen. Subsidie uit de Knelpuntenpot sociale huur draagt bij aan het verkleinen van de financiële onrendabele top van een project voor woningcorporaties. Subsidie uit de Knelpuntenpot middenhuur draagt bij aan het verkleinen van de financiële onrendabele top van een project voor woningcorporaties, indien het gaat om gemengde projecten (mix projecten) die bestaan uit tenminste 50% sociale huurwoningen en minder dan 50% middenhuurwoningen.

Gerichte (gemaximeerde) objectsubsidie aan de sociale-/middenhuurwoningen in een woningbouwproject is het meest efficiënte instrument voor de DAEB-financiering.

Hoge (publieke) onrendabele tekorten voor projecten met middenhuur woningen blijken onder meer uit het rapport ‘Publieke financiële opgave woningbouw in Nederland’ van Rebel (30-08-2024) in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bijlage van de kamerbrief werken aan betaalbare woningbouw 17-10-2024.

DAEB-woonvormen senioren

Onder deze DAEB vallen projecten die bestaan uit de realisatie van sociale huurwoningen en middenhuurwoningen met een centrale ontmoetingsruimte, voor zover die deel uitmaken van hetzelfde maatschappelijk woonconcept en bijdragen aan de financiële en functionele haalbaarheid van het gehele project. Een project wordt als DAEB-activiteit gekwalificeerd als het project aantoonbaar bijdraagt aan het maatschappelijke doel van realisatie van betaalbare en sociale voor ouderen geschikte woningen, het project niet winstgedreven is, de steun niet hoger is dan het tekort en de woningen minimaal 25 jaar beschikbaar blijven voor de doelgroep. Deze functionele benadering voorkomt dat gemengde projecten (sociaal en middenhuur) mogelijk buiten de regeling vallen, terwijl ze juist zo hard nodig zijn om voldoende sociale en betaalbare woonvormen met ontmoetingsruimte te realiseren voor senioren. Het opnemen van middenhuur woningen kan immers bijdragen aan het sluitend krijgen van de maatschappelijke businesscase.

Een stimulans in de vorm van een gerichte subsidieregeling is daarom essentieel. Hiermee kan een deel van de onrendabele top worden gedekt. Door de inzet van deze regeling kan de provincie een belangrijke impuls geven aan de noodzakelijke opschaling van ouderenhuisvesting met centrale ontmoetingsruimte.

DAEB-opschalen houtbouw sociale huurwoningen

Onder deze DAEB vallen projecten die bestaan uit de realisatie van woningen voor sociale huur gebruikmakend van houtbouw. Ondanks de aangegeven voordelen voor bewoners én klimaat wordt slechts 2% van de woningen in hout gebouwd10. Het probleem is een klassiek marktfalen, woningcorporaties dragen namelijk de meerkosten11. Door wettelijke huurprijsgrenzen kunnen woningcorporaties deze kosten niet doorberekenen, waardoor zij zonder compensatie geen prikkel hebben om te investeren in betere woonkwaliteit. Daarnaast is de houtbouwketen nog niet geoptimaliseerd, zijn woningcorporaties risicoavers bij nieuwe technieken en ontbreekt het volume voor schaalvoordelen. Zonder initiële steun blijft houtbouw een nichemarkt, ondanks de maatschappelijke baten, zoals lagere zorgkosten, betere leerprestaties van kinderen en bijdrage aan klimaatdoelen. Dit is extra urgent in Zuid-Holland, waar woningcorporaties verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de woningbouwopgave. De focus ligt primair op bewonersbelang (beter wonen), waarbij de klimaatbijdrage een welkom neveneffect is.

Compensatie DAEB-knelpuntenpot sociale huur en DAEB-knelpuntenpot middenhuur

Het compensatiebedrag is niet hoger dan nodig om de netto kosten van de DAEB-uitvoering te dekken. Woningcorporaties zijn niet-winstbeogende organisaties met een maatschappelijke opdracht om betaalbare woningen te realiseren en beheren voor die mensen die daar niet zelfstandig in kunnen voorzien.

De provinciale subsidiebijdrage aan corporaties bedraagt (prijspeil 2025) € 6.000,-- per nieuwbouw zelfstandige sociale huurwoning en/of € 1.500,-- per nieuwbouw onzelfstandige huurwoning. Het bedrag van de subsidieverlening is gemaximeerd (2025: € 600.000,--) per aanvraag/project

De provinciale subsidiebijdrage aan woningcorporaties bedraagt (prijspeil 2025) € 6.000,-- per nieuwbouw zelfstandige middenhuurwoning (indien minimaal 25 jaar in het middenhuursegment behouden) dan wel € 3.000,-- (indien minimaal 20 jaar in het middenhuursegment behouden). Het bedrag van de subsidieverlening is gemaximeerd (2025: € 300.000,--) per aanvraag/project. Na evaluatie ten behoeve van indexatie van de parameters kan dit bedrag verhoogd worden.

Het bedrag per sociale huurwoning en middenhuurwoning is bepaald in relatie met het beschikbaar subsidieplafond in elk jaar en de bijdrage moet enerzijds zoden aan de dijk zetten in relatie tot de (gemiddelde) onrendabele top bij aanvrager maar anderzijds ook niet te hoog zijn. Doorgaans is de onrendabele top van de woningcorporatie ruim boven de € 6.000,--.

In de regeling is vastgelegd dat subsidieverlening nooit meer kan bedragen dan het door aanvrager aangetoonde feitelijke tekort. Voor de uitvoering van de DAEB worden de noodzakelijke investeringskosten gedekt voor de bouw van nieuwe gebouwen, inclusief grondverwerving, transformatie bestaande gebouwen (of individuele bouwelementen daarvan), naleving van toegankelijkheidsnormen voor ouderen of personen met een handicap, evenals operationele kosten.

Financiële tekorten worden getoetst aan de hand van bij de subsidieaanvraag aan te leveren documenten: (gemeentelijke) grondexploitatie, anterieure overeenkomst, of in geval van woningcorporatie de vastgoedexploitatieberekening. Deze documenten worden getoetst aan de hand van gangbare normeringen van de stichtingskosten met onder meer bouwkosten, gemiddelde aannemelijke sociale grondprijzen voor de sociale huurwoningen (volgens de AEDES benchmark en grondprijzenbrieven van gemeenten) en bijkomende kosten en de opbrengsten (van o.a. sociale huurprijzen), andere subsidies en een redelijke winst. Dit financieel tekort moet zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren sociale en middenhuurwoningen. Het financieel tekort voldoet aan de regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid.

Compensatie DAEB-woonvormen senioren

Voor het onderdeel woonvormen senioren met centrale ontmoetingsruimte bedraagt de subsidie € 6.000,-- per woning, met een maximum van € 300.000,-- per aanvraag. Compensatie dekt uitsluitend het financiële tekort dat resteert na toepassing van andere financieringsbronnen en de netto contante waarde van de exploitatieopbrengsten (huuropbrengsten minus kosten), inclusief een redelijke winstopslag over een periode van 25 jaar. De onrendabele top wordt als volgt berekend: investeringskosten (stichtingskosten) minus de netto contante waarde van de netto-exploitatieresultaten inclusief redelijke winst.

Compensatie DAEB-opschalen houtbouw sociale huurwoningen

Een subsidie van € 6.000,-- per woning compenseert een deel van het financieel tekort, creëert het benodigde volume voor marktopschaling en internaliseert de maatschappelijke baten die anders niet via de markt vergoed worden. Subsidie voor Opschalen houtbouw sociale huurwoningen compenseert de meerkosten van houtbouw ten opzichte van traditionele bouwmethoden (zoals beton, staal, e.d.). Zonder deze compensatie blijft houtbouw een nichemarkt, ondanks de bewezen voordelen voor bewoners, omdat de markt zelf dit waardevolle algemeen belang niet realiseert.

Controle op overcompensatie

Voor alle DAEB’s geldt dat, indien bij de vaststelling blijkt dat de hoogte van het financiële tekort lager is dan de hoogte van de subsidie, de teveel ontvangen subsidie wordt teruggevorderd.

Binnen 3 of, in geval van zwaarwegende omstandigheden, maximaal 4 jaar moet gestart zijn met de bouw van de gesubsidieerde sociale huurwoningen (DAEB-knelpuntenpot sociale en middenhuurwoningen). Jaarlijks moet de voortgang van het project worden aangegeven en na start van de bouw moet een vaststellingsverzoek worden gedaan. Hierbij wordt met een activiteitenverslag en financiële verantwoording aangetoond dat de gesubsidieerde activiteit is uitgevoerd volgens de voorwaarden in de subsidiebeschikking. Bij de verantwoording wordt een actueel overzicht van de stichtingskosten en de vastgoedexploitatie ingeleverd en getoetst. Het contract waarin de instandhoudingstermijn is vastgelegd, moet worden ingeleverd.

Beschikbaarheid gegevens

De woningcorporatie belast met de DAEB bewaart bewijsmiddelen gedurende 10 jaar na afloop van de betreffende DAEB. Kosten waarvoor geen bewijsmiddelen kunnen worden verstrekt komen niet in aanmerking voor compensatie en worden teruggevorderd.

De voorwaarden voor de subsidieverlening worden vastgelegd in een beschikking.