Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024

De raad van de gemeente Oldebroek;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 september 2023;

overwegende dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt;

overwegende dat het om redenen als verwoord in het voorstel van het college burgemeester en wethouders wenselijk is om een Verordening voor de fysieke leefomgeving vast te stellen.

Overwegende dat wij op 10 november 2022 hebben ingestemd met het plan van aanpak voor transitie naar een omgevingsplan hebben en dat in dit plan van aanpak de vaststelling van een verordening voor de fysieke leefomgeving als beslispunt opgenomen is;

gelet op de artikelen 2.4, 4.1 en 22.4 van de Omgevingswet en artikel 149 van de Gemeentewet,

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • -

    beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • -

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  • -

    bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • -

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • -

    openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  • -

    weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die opgenomen gaan worden in het Omgevingsplan.

Artikel 1.3 Doelen van de verordening

  • 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels betrekking zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan.

  • 2. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:

    • a.

      een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en

    • b.

      een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 1.4 (verhouding tot andere regelgeving)

Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een wet, een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling of provinciale verordening uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze verordening anders blijkt

Artikel 1.5 Beslistermijn.

  • 1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag of melding, tenzij in een hoofdstuk een andere beslistermijn is vastgesteld.

  • 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen.

  • 1. Aan een besluit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het besluit is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.7 Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing.

  • 1. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.8 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing.

  • 1. De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • c.

      indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    • e.

      indien de houder dit verzoekt.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.9 Termijnen.

  • 1. De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.10 Algemene weigeringsgronden.

  • 1. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid; of

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 9, kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Ambulante handel

AFDELING 2.1. MARKTEN

vervallen

AFDELING 2.2. STANDPLAATSEN

Artikel 2.28 Definitie

  • 1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, of;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening.

Artikel 2.29 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand, of;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 2.31 Afbakeningsbepalingen

  • 1. Artikel 2.29, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 2:29,derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Hoofdstuk 3 HOUTOPSTANDEN

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Bomenlijst Oldebroek: een lijst met houtopstanden die een bijzondere waarde hebben voor de leefomgeving;

  • b.

    boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  • c.

    boomtechnisch deskundige: een deskundige die ten minste beschikt over het European TreeTechnician (ETT) certificaat;

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek;

  • e.

    dunning: het binnen een houtopstand, waarin meerdere houtige gewassen gezamenlijk opgroeien en ontwikkelen en bij volle wasdom een aaneengesloten kronendak vormen, verwijderen van individuele houtige gewassen ten gunste van de beoogde ontwikkeling van de overblijvende houtige gewassen van die houtopstand;

  • f.

    herplantwaarde: de financiële waarde van een herplant op basis van de actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  • g.

    houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere lintbegroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen;

  • h.

    iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus (F.)en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus;

  • i.

    iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  • j.

    kandelaberen: het voor de eerste maal afzetten van een bestaande regulier uitgegroeide kroon tot takstompen met als doelstelling het ingrijpend reduceren van de kroonomvang;

  • k.

    kappen: het geheel of grotendeels bovengronds verwijderen van een houtopstand

  • l.

    knotten: het periodiek terugzetten van de gehele kroon middels het verwijderen van opnieuw uitgelopen loten, twijgen en takken met als doelstelling het terugzetten van de kroon tot op het meerjarige hout;

  • m.

    rooien: het ondergronds verwijderen van de stobbe of wortelkluit van een houtopstand;

  • n.

    taxateur van bomen: een boomtaxateur, officieel als zodanig geregistreerd bij de beroepsvereniging Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

  • o.

    vellen: het kandelaberen, knotten, kappen of rooien van een houtopstand, met inbegrip van verplanten alsmede het verrichten van andere handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • p.

    waardevolle houtopstand: een houtopstand die is opgenomen in de Bomenlijst Oldebroek.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op houtopstanden:

  • a.

    die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, van de Wet Natuurbescherming, en:

  • b.

    die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom, voor zover het gaat om houtopstanden als bedoeld in artikel 4.1, onderdelen b (houtopstanden op erven of in tuinen)

Artikel 3.3 Aanwijzing waardevolle houtopstanden

  • 1. Het college stelt de lijst van waardevolle houtopstanden vast.

  • 2. De in lid 1 bedoelde lijst kan ambtshalve en op verzoek van belanghebbenden aangepast worden.

  • 3. Het college deelt haar besluit omtrent plaatsing op de lijst schriftelijk mede aan de eigenaar en andere zakelijk gerechtigde en, voor zover van toepassing, aan degene die om plaatsing heeft verzocht.

Artikel 3.4 Verbod vellen waardevolle houtopstanden en gemeentelijke houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen indien:

    • a.

      deze is benoemd op de in artikel 3.3, eerste lid genoemde lijst, of

    • b.

      het een gemeentelijke houtopstand betreft.

  • 2. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor:

    • a.

      het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet;

    • b.

      het vellen van een houtopstand op bevel van de burgemeester danwel op grond van een door het college op basis van deze verordening opgelegde verplichting danwel in verband met een voornemen daartoe, of:

    • c.

      het knotten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen, of:

    • d.

      het periodiek vellen van hakhout of uitvoeren van een dunning in een houtopstand ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens voor een boom die is geplant op grond van de verplichting die voortvloeit uit de herplantplicht nadat een houtopstand van de Bomenlijst is geveld.

  • 4. Het college kan een vergunning voor vellen verlenen indien sprake is van:

    • a.

      instandhouding niet langer verantwoord is;

    • b.

      het verplanten van een houtopstand, waarbij dit geen bedreiging vormt voor het duurzaam behoud van deze houtopstand;

    • c.

      een zwaarwegende maatschappelijke reden voor kap van een houtopstand op de Bomenlijst, waarbij alle redelijke alternatieven zijn onderzocht;

    • d.

      een gemeentelijke houtopstand waarbij het vellen daarvan past binnen de visie van geldende omgevings-, groen-, of landschapsplannen.

  • Voordat het college een vergunning verleent wegens grond a of b, dient door de aanvrager van de vergunning een advies te worden overgelegd van een boomtechnisch deskundige.

Artikel 3.5 Intrekken vergunning

vervallen

Artikel 3.6 Herplantplicht en overige voorschriften

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 verbindt het college aan een vergunning in ieder geval als voorschrift dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij omstandigheden zich daartegen verzetten.

  • 2. Bij een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 3.7 Herplantplicht bij overtreding verbod

  • 1. Indien een houtopstand in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zondervergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft doen vellen.

  • 2. Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde verplichting worden opgelegd dat een door het college te bepalen bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde ter compensatie wordt gestort in het Bomenfonds als genoemd in de Bomenverordening.

Artikel 3.8

Vervallen

Artikel 3.9 Instandhoudingsplicht

  • 1. Indien een waardevolle houtopstand mogelijk teniet dreigt te gaan, dan is de eigenaar verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag.

  • 2. Wordt een waardevolle houtopstand in het voortbestaan ernstig bedreigd door menselijk handelen, dan kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van maatregelen bevoegd is, de lastopleggen om:

    • a.

      een advies op te laten stellen door een boomtechnisch deskundige, waarin de gevolgen van het menselijk handelen voor de houtopstand en mogelijke maatregelen worden weergegeven;

    • b.

      overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Artikel 3.10

vervallen

Artikel 3.11 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 1 meter voor gemeentelijke bomen en op 2 meter voor overige bomen.

Artikel 3.12 Bestrijding van iepziekte

  • 1. Indien zich op een perceel één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, kan het college aan de zakelijk gerechtigde de verplichting opleggen binnen een door het college te bepalen termijn:

    • a.

      de iepen te vellen;

    • b.

      de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      delen van iepen te vernietigen, of:

    • d.

      iepen zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een diameter van minder dan 4 centimeter.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het vorige lid opgenomen verbod.

Artikel 3.13 verplichting en rechtsopvolger

Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of in artikel 3.7 is gegeven, onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 3.8 is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

Artikel 3.14 Overgangsbepaling

Vervallen

HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

AFDELING 4.1. VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING

Artikel 4.1 Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • -

    Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • -

    geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • -

    geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  • -

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • -

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • -

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer

  • -

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2

vervallen

Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan via het daarvoor vastgestelde formulier in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werk- dagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan via het daarvoor vastgestelde formulier in kennis heeft gesteld.

  • 3. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het daarvoor vastgestelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 4. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, direct toestaat.

  • 5. Het equivalente geluidsniveau LAr,LTeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan:

    • a.

      60 dB(A) en 70 dB(C) vanwege muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op de gevel van geluidgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom op een hoogte van 1,5 meter als de incidentele activiteit plaatsvindt bij een inrichting in de bebouwde kom;

    • b.

      70 dB(A) en 80 dB(C) vanwege muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op 50 meter (als woningen dichterbij staan is die gevel maatgevend) van het podium en/of plaats waar muziek wordt gemaakt buiten de bebouwde kom op een hoogte van 1,5 meter als de incidentele activiteit plaatsvindt bij een inrichting buiten de bebouwde kom;

    • c.

      70 dB(A) niet zijnde muziekgeluid, gemeten in gemiddelden van 1 minuut op 50 meter (als woningen dichterbij staan is die gevel maatgevend) van het dichtstbijzijnde geluidproducerende punt op een hoogte van 1,5 meter.

  • 6. In de geluidswaarden als genoemd in het vijfde lid wordt ook onversterkte muziek betrokken. Voor de geluidmetingen is de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI) is van toe- passing met de volgende aanpassing:

    • a.

      er wordt geen muziekgeluidcorrectie, -bedrijfsduurcorrectie en/of meteocorrectie toegepast;

    • b.

      de meet- en beoordelingstijd bestaat uit aaneengeschakelde perioden van 3 minuten, dit is een continu proces;

    • c.

      er wordt altijd gemeten en gerekend met meewind;

    • d.

      de gestelde geluidsnormen worden op zeer korte afstand (ca. 2 meter) voor de gevel van de woning genormeerd. Hiervoor wordt geen correctie voor de gevelreflectie toegepast.

  • 7. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid geldt voor zowel het bebouwde gedeelte als het niet bebouwde gedeelte van de inrichting.

  • 8. Op de dagen dat een incidentele activiteit is toegelaten moet deze uiterlijk om 00:00 worden beëindigd.

Artikel 4.5 Onversterkte muziek

  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit, binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    • e.

      Tabel

       

      7.00-19.00 uur

      19.00-23.00 uur

      23.00-7.00 uur

      LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

      50 dB(A)

      45 dB(A)

      40 dB(A)

      LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      35 dB(A)

      30 dB(A)

      25 dB(A)

      LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

      70 dB(A)

      65 dB(A)

      60 dB(A)

      LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      55 dB(A)

      50 dB(A)

      45 dB(A)

  • 2. Voor de duur van 4 uur in de week en maximaal 2 uur per oefening, is onversterkte muziek, van- wege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • 3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit dit artikel niet van toepassing.

  • 4. Het eerste lid geldt niet als artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4.5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4.6 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AFDELING 4.2. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke.

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

AFDELING 4.3. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Artikel 4.17 Definitie

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4.18 (Recreatief) nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap, of;

    • b.

      de bescherming van een stadsgezicht.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.18, eerste lid niet geldt.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.18, vierde lid.

HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

AFDELING 5.1. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD

Artikel 5.1 Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);

  • b.

    voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden, of;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 20 meter met als middelpunt een van deze voertuigen, of;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.3

Vervallen

Artikel 5.4

Vervallen

Artikel 5.5 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.7

vervallen

Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is, met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente en de verdeling van beschikbare parkeerruimte, verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter en/of een breedte van meer dan 2 meter op een openbare plaats te parkeren buiten de door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve be- schikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.10

Vervallen

Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op de weg;

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • c.

      op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

AFDELING 5.2. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN

Artikel 5.31a Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • -

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5.32 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden, of;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren

Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, alsmede op door het college aangewezen weilanden en akkerlanden te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig , een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden, of;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld, of;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, of;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AFDELING 5.3. VUURVERBOD

Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben

  • 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand, of;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Hoofdstuk 6 Reclame

Artikel 6.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • -

    Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct en indirect met de gronden verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

  • -

    Gebouw: een geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten, voor mensen toegankelijke, ruimte dat voorzien is van een dak.

  • -

    Wegen: alle wegen als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide pleinen, straten, parkeerterreinen, lanen, bermen en andere zijkanten van wegen alsmede stegen, sloppen, plantsoenen, parken, stranden, bos, heide, trottoirs, stoepen, trappen, portiekruimten, gangen, passages, galerijen, telefooncellen, liften, tunnels, vluchtheuvels, kaden, terreinen, en een en ander voor zover zij, zij het ook met enige beperking, voor het publiek feitelijk toegankelijk zijn, onverschillig wie daarvan eigenaar is.

  • -

    Rechthebbende: Ieder, die over enig goed (roerend of onroerend) enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, dan wel daarover enige feitelijke zeggenschap uitoefent.

  • -

    Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

  • -

    Soorten reclame (zie nadere uitwerking hoofdstuk 2 toelichting kenmerk:200024): Reclame op gevels, weilandborden, driehoek borden/aankondigingsborden, sandwichborden, reclamezuilen, aanplakbiljetten, uithangborden, abri’s, lichtbakken, reclame bij sportaccommodaties, reclame langs de snelweg, plattegronden, Reclame op schakelkasten, reclame op zonweringen, rolluiken en luifels, vlaggen en spandoeken, bouwborden, draaiend reclamebord stoepborden, uitstallingen, rotonde reclame en lichtmastreclame.

Artikel 6.2. Uitsluiting toepassingsgebied

Deze verordening is niet van toepassing op openbaarmakingen van gevoelens en/of gedachten als bedoeld in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 7 van de Grondwet.

Artikel 6.3. Verbodsbepalingen

  • 1. In alle gebieden zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaarten is het verboden om ten behoeve van reclame-uitingen in de vorm van billboards, weilandborden, reclame op voertuigen en reclame op rotondes te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan.

  • 2. In alle gebieden zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaarten is het verboden om ten behoeve van reclame opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan, of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoersmiddelen (verder te noemen: reclame) te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan.

  • 3. Het in artikel 6.3.2 vervatte verbod is niet van toepassing

    • a.

      op reclame-uitingen die is aangebracht in de gebieden aangeduid “bedrijventerrein en/of centrum” en voor zover deze reclame betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienst en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        reclame-uitingen bij horeca en/of winkels dienen geplaatst te worden op winkelniveau (de verdieping waarop de winkel zich bevindt);

      • 2.

        reclame-uitingen in de vorm van stoepborden mogen niet buiten openingstijden buiten geplaatst worden;

      • 3.

        per horeca en/of winkel mogen maximaal vier reclame-uitingen in de vorm van stoepborden worden geplaatst.

    • b.

      in de gebieden aangeduid als “bebouwde kom en/of buitengebied” zijn reclame-uitingen toegestaan ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, een bed en breakfast of een (al dan niet agrarisch) bedrijf en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan in onderstaande tabel:

      Gevelreclame

      Aantal

      Waar

      Omvang

      Wonen

      of Bed & Breakfast

      1

      Loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel. Niet geplaatst boven de verdiepingsvloer

      Maximale oppervlakte; 0.40m2

      Bedrijven

      & detailhandel

      2

      De reclame dient te worden aangebracht op begane grond niveau, in ieder geval onder de ramen van de verdieping aan de voorgevel

      Gezamenlijk maximaal totaal; 4 m2

       
       
       
       

      Bord in de tuin

      Aantal

      Hoogte

      Oppervlakte

      Wonen

      of Bed &Breakfast

      1

      De maximale hoogte bedraagt 1 meter

      Maximale oppervlakte 0,40 m2

      Bedrijven

      & detailhandel

      1

      De maximale hoogte bedraagt 2,5 meter.

      Maximale oppervlakte 4m2.

    • c.

      op reclame die is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;

    • d.

      op reclame aan of bij een onroerende zaak, waarbij deze te koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden;

    • e.

      op reclame in het inwendige deel van een onroerende zaak en niet zichtbaar van buitenaf;

    • f.

      op reclame-uitingen in de gebieden aangeduid als “sportvelden en/of buitengebied” waar een openbare wedstrijd, manifestatie of tentoonstelling wordt gehouden en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        reclame-uitingen zijn toegestaan, mits het is beperkt tot en gericht op het sportpark en/of evenemententerrein;

      • 2.

        reclame mag twee weken voor aanvang van een evenement worden geplaatst;

      • 3.

        de reclame dient te worden verwijderd indien het evenement is afgebroken.

    • g.

      op reclame van tijdelijke aard, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar deze worden gekweekt, geteeld en/of geproduceerd;

    • h.

      op reclame die betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dat werk duurt;

    • i.

      op verwijsborden als het gaat om toeristische, recreatieve of culturele objecten en/of activiteiten. Deze mogen enkel door of namens de gemeente, de provincie Gelderland en Rijkswaterstaat worden geplaatst en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        verwijsborden met betrekking tot evenementen dienen binnen 10 dagen na afloop van een evenement te zijn verwijderd;

      • 2.

        verwijsborden zelf geplaatst door eigenaren van campings/parken of andere toeristische activiteiten/objecten zijn niet toegestaan;

      • 3.

        het is niet toegestaan om aan de reguliere verwijssystemen andere verwijsborden te plaatsen.

    • j.

      op reclame- of aankondigingsborden (driehoeksborden/sandwichborden) en spandoeken voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        binnen de gemeente Oldebroek mogen tegelijk maximaal 2 activiteiten voor driehoeksborden/ sandwichborden en maximaal 1 activiteit voor spandoeken worden bevestigd;

      • 2.

        binnen de gemeente Oldebroek mogen per activiteit maximaal 10 reclame-uitingen worden bevestigd. Een melding (telefonisch/per brief of per email) van het plaatsen van deze uitingen is noodzakelijk;

      • 3.

        reclame-uitingen moeten een tijdelijk karakter hebben. Reclame-uitingen worden als tijdelijk beschouwd indien deze niet langer dan twee weken worden geplaatst;

      • 4.

        de uiting moet op minimaal 10 meter afstand (vanaf de zijkant) van het kruispunt worden geplaatst;

      • 5.

        op een trottoir/voetgangerszone wordt ten minste een doorgang van 1,20 meter vrijgehouden;

      • 6.

        tijdelijke reclame-uitingen dienen binnen 10 dagen na afloop te zijn verwijderd. In de gevallen waar dit toch niet geschiedt, behoudt de gemeente zich het recht voor om de betreffende reclame-uiting te verwijderen. De kosten worden verhaald op de overtreder;

      • 7.

        het formaat van de tijdelijke reclame-uiting is inclusief constructie maximaal 1,20 meter bij 0,90 meter;

      • 8.

        spandoeken zijn uitsluitend toegestaan voor het bekendmaken en de aankondiging van organisaties, diensten, activiteiten en evenementen;

      • 9.

        spandoeken mogen worden geplaatst op een hoogte van minimaal 4,2 meter boven het rijgedeelte van de weg en een minimale hoogte van 2,3 meter boven een voor voetgangers toegankelijk gebied;

      • 10.

        bij plaatsing van een tijdelijke reclame-uiting zonder melding behoudt de gemeente zich het recht om de betreffende reclame-uiting te verwijderen. De gemaakte kosten worden verhaald op de overtreder.

    • k.

      op reclame ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel wordt geplaatst en indien en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale circulaire 'Richtlijnen Uitvoering Toeristische Bewegwijzering’;

      • 2.

        het bedrijf mag ten hoogste twee borden plaatsen;

      • 3.

        borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf;

      • 4.

        borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het Omgevingsplan;

      • 5.

        borden mogen niet in de functies 'Natuur', 'Bos' of daarmee vergelijkbare functies in het Omgevingsplan worden geplaatst;

      • 6.

        borden mogen niet groter zijn dan 1.00 m²;

    • l.

      op bebording en/of aankondigen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.00 m² bij de oprit van een bedrijf indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel;

    • m.

      op reclame van tijdelijke aard ten behoeve van een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling met een grootschalig karakter en als zodanig door het college erkend, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan vier weken daaraan voorafgaand is geplaatst en voor zover een voor reclame gebruikt bord de omvang van 4 vierkante meter niet overstijgt.

    • n.

      Op alle reclame-uitingen zijn de navolgende voorwaarden van toepassing:

      • 1.

        bewegende, flikkerende, fluorescerende of reflecterende reclame-uitingen zijn niet toegestaan;

      • 2.

        reclame-uitingen mogen niet aanstootgevend zijn;

      • 3.

        reclame-uitingen dienen constructief veilig te worden geplaatst;

      • 4.

        reclame-uitingen mogen geen afbreuk doen aan het straat- en bebouwingsbeeld

      • 5.

        reclame-uitingen die op of aan een gebouw worden geplaatst dienen architectonisch ondergeschikt te zijn aan het gebouw;

      • 6.

        de verkeersveiligheid mag bij reclame-uitingen niet in het geding zijn.

Artikel 6.4. Bestuursrechtelijke Handhaving

vervallen.

Artikel 6.5. Strafbepalingen

vervallen.

Artikel 6.6. Overgangsrecht

Reclame uitingen die aanwezig waren voor 3 mei 2010 en niet voldoen aan het genoemde in de bepalingen van artikel 6.3 van deze verordening, mogen aanwezig blijven, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot en mits de verkeersveiligheid en constructieve veiligheid gegarandeerd blijft.

Hoofdstuk 7 Wegen en water

AFDELING 7.1 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN

Artikel 7.1 Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg

  • 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    • a.

      het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of;

    • b.

      het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  • 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    • c.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  • 5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Artikel 7.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet als in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  • 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.3 Maken of veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of een verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 7.4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Hoofdstuk 8 Afvalstoffen

AFDELING 8.1. ALGEMEEN

Artikel 8.1 Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden;

  • -

    inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 8.5 aangewezen plaats;

  • -

    inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens;

  • -

    perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.

Artikel 8.2 Doelstelling

De toepassing van dit hoofdstuk van deze verordening is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

AFDELING 8.2. HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN

Artikel 8.3 Aanwijzing van de inzameldienst

  • 1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing beslissen) is niet van toepassing.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.

Artikel 8.4 Regulering van andere inzamelaars

  • 1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar:

    • a.

      daartoe is aangewezen door het college;

    • b.

      bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of

    • c.

      verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer.

  • 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 8.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.5 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats, binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 8.6 Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

  • a.

    ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid;

  • b.

    over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid; of

  • c.

    achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 8. 5.

Artikel 8.7 Gescheiden afvalinzameling

  • 1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

  • 2. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      groente-, fruit- en tuinafval (GFT)/bio-afval;

    • b.

      papier en karton (OPK);

    • c.

      glas;

    • d.

      textiel;

    • e.

      elektrische of elektronische apparatuur (AEEA);

    • f.

      klein chemisch afval (KCA)/gevaarlijk afval;

    • g.

      grof huishoudelijk afval;

    • h.

      grof tuin afval (takken en snoeihout).

  • 3. Overeenkomstig artikel 2, onder b van het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen worden kunststofverpakkingsmateriaal, metalen en drankenkartons (PMD) niet afzonderlijk ingezameld.

Artikel 8.8 Gescheiden aanbieding

  • 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 8.7, anders dan afzonderlijk:

    • a.

      ter inzameling aan te bieden;

    • b.

      achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 8.7 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, genoemd in artikel 8.7, derde lid.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.9 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 8.10 Wijze en plaats van aanbieding

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van:

    • a.

      inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

    • b.

      inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

  • 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 8.9, buiten een perceel te laten staan.

  • 3. Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 8.10, eerste lid, een inzamelmiddel is verstrekt of aangewezen, hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

AFDELING 8.3 BEDRIJFSAFVALSTOFFEN

Artikel 8.11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 8.3, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing verschuldigde heffing is voldaan.

Artikel 8.12 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 8.11 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de een inzamelplaats als bedoeld in artikel 8.5, achter te laten.

Artikel 8.13 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

  • 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 8.11 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het tweede lid, inhouden.

AFDELING 8.4 ZWERAFVAL EN OVERIGE

Artikel 8.14 Dumpingsverbod

  • 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

    • b.

      het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

    • c.

      het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d.

      handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit.

  • 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 8.15 Zwerfafval in de openbare ruimte

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

  • 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

  • 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

Artikel 8.16 Zwerfafval rondom inrichtingen

Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

Artikel 8.17 Afval en verontreiniging op de weg

  • 1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

  • 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 8.18 Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 2 van hoofdstuk 8 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven

Artikel 8.19 Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

AFDELING 8.4a KADAVERS VAN GEZELSCHAPSDIEREN

Artikel 8.19a. Kadavers van gezelschapsdieren

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier.

  • 2. Het college wijst een of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. Het college kan een ondernemer aanwijzen die tevens belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren.

  • 3. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren.

  • 4. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats of aan de ondernemer, bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal.

  • 6. Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.

Hoofdstuk 9 Grafbedekkingen

Artikel 9.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.

    begraafplaatsen: de vier gemeentelijke begraafplaatsen, gelegen aan respectievelijk de Stationsweg te Wezep, de Bovenheigraaf te Wezep, de Mheneweg Zuid te Oldebroek en de Oostendorperstraatweg te Oosterwolde.

  • 2.

    graf: een daartoe aangewezen gedeelte op de begraafplaatsen waarin één, twee of drie overledenen kunnen worden begraven en/of één, twee of drie asbussen kunnen worden bijgezet.

  • 3.

    particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om:

    • -

      het begraven en begraven houden van overledenen;

    • -

      het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urn;

    • -

      het doen verstrooien van as.

  • 4.

    particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van maximaal twee asbussen met of zonder urn.

  • 5.

    particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het bijzetten en bijgezet houden van maximaal twee asbussen met of zonder urn.

  • 6.

    algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken.

  • 7.

    asbus: een bus voor de berging van de as van één overledene.

  • 8.

    urn: een voorwerp voor de berging van één of meerdere asbussen.

  • 9.

    verstrooiingsplaats: een daartoe bestemde plaats waarop as wordt verstrooid.

  • 10.

    grafbedekking: gedenkteken en/of grafbeplanting op een graf of een urnengraf of dekplaat voor een urnennis.

  • 11.

    beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaatsen of degene die hem vervangt.

  • 12.

    duurzame materialen: vaste, niet buigzame materialen van natuursteen, glas, hout, keramiek, kunststof en metaal welke van nature of middels een daartoe speciale behandeling weerbestendig en niet breukgevoelig zijn en waarvan de constructie uit één geheel bestaat en waarvan de praktische toepasbaarheid zoals opnemen, verplaatsen en dergelijke gewaarborgd is.

  • 13.

    rechthebbende: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het uitsluitend recht heeft verkregen tot het doen begraven en begraven houden van overledenen of het doen bijzetten en bijzethouden van asbussen in een particulier graf.

  • 14.

    gebruiker: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het gebruik van een grafruimte in een algemeen graf is verleend.

  • 15.

    grafakte: het document waarin overeenkomstig de bepalingen van de Beheersverordening begraafplaatsen Oldebroek door of namens het college een grafrecht wordt verleend.

  • 16.

    grafrecht: het uitsluitend recht op het begraven en begraven houden in een particulier graf of particulier urnengraf.

  • 17.

    immatuur: een na een zwangerschap van minder dan 24 weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht.

  • 18.

    sterretjesveld: een daarvoor aangewezen gedeelte van de begraafplaats waarin de gelegenheid wordt geboden tot het toen begraven van een immatuur.

Artikel 9.18 Plaatsing grafbedekking

  • 1. Voor het hebben van een grafbedekking is een aanvaarde melding nodig van het college.

  • 2. Omtrent de wijze van melden, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen kan het college nadere regels vaststellen.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van de door het college vastgestelde nadere regels.

  • 4. Het college kan weigeren de gemelde grafbedekking te aanvaarden indien:

    • a.

      niet voldaan wordt aan de door het college vastgestelde nadere regels;

    • b.

      de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

    • c.

      de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;

    • d.

      de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

Artikel 9.19 Verwijdering grafbedekking

  • 1. De grafbedekking kan na het verstrijken of eindigen van de uitgiftetermijn van het (particuliere) (urnen)graf en de particuliere urnennis door de beheerder worden verwijderd.

  • 2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking wordt ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd schriftelijk door het college aan de rechthebbende bekendgemaakt of, als het adres van rechthebbende onbekend is, door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen bordje en een mededeling op het infobord op de begraafplaatsen.

  • 3. Op grond van een daartoe door de rechthebbende bij het college ingediende aanvraag, blijft de grafbedekking na verwijdering nog gedurende drie maanden ter beschikking van degene die een aanvaarde melding als bedoeld in artikel 9.18, eerste lid, heeft en van degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 9.18, derde lid. De aanvraag kan worden ingediend gedurende de in het tweede lid genoemde termijn.

  • 4. De grafbedekking vervalt aan de gemeente indien:

    • a.

      geen verzoek op grond van het derde lid is ingediend en de termijn waarbinnen dit verzoek had kunnen worden ingediend, is verstreken;

    • b.

      de grafbedekking niet binnen drie maanden nadat deze van het (urnen)graf of urnennis is verwijderd, is afgehaald.

Artikel 9.20. Tijdelijke verwijdering grafbedekking

  • 1. Het afnemen en herplaatsen van een gedenkteken op een graf of een afdekplaat op een urnennis of urnengraf ten behoeve van een begraving of een bijzetting geschiedt namens de rechthebbende en is voor rekening en risico van de rechthebbende.

  • 2. Een rechthebbende is verplicht te gedogen dat de op een graf aanwezige gedenktekens, beplantingen en voorwerpen door de gemeente tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden verwijderd en herplaatst, indien dit voor een begraving of bijzetting in de nabijheid van het graf of om een andere reden nodig is.

  • 3. Een rechthebbende is verplicht te gedogen dat bij het delven van een nabijgelegen graf tijdelijk grond op of bij het graf waarvan hij rechthebbende is wordt neergelegd.

Artikel 9.21. Niet-blijvende grafbeplanting

Niet-blijvende beplantingen, bloemen, kransen en dergelijke op een graf die in een verwaarloosde staat verkeren kunnen door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.

Artikel 9.22. Onderhoud

  • 1. De rechthebbende is verplicht het eigen grafoppervlak en de grafbedekking op het particuliere graf behoorlijk te onderhouden of te herstellen. Onder dit onderhoud wordt verstaan:

    • a.

      het uitvoeren van herstellingen aan de gedenktekens en losse voorwerpen.

    • b.

      het indien nodig na verzakking opnieuw stellen van het gedenkteken.

    • c.

      het verven of vergulden van de opschriften en andere figuren op het gedenkteken.

    • d.

      het aanbrengen, onderhouden en vernieuwen van losse planten, potplanten en één- of meerjarige gewassen en het verwijderen van dode planten, zaailingen en ongewenste kruiden.

  • 2. Als de rechthebbende, na (schriftelijk) verzoek, nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor aanvaarde melding intrekken. In dat geval is artikel 9.19 van toepassing.

  • 3. Het afval dat vrijkomt bij het onderhoud dient door de rechthebbende in de daarvoor aanwezige afvalbakken te worden gedeponeerd.

  • 4. De gemeente draagt zorg voor het algemene onderhoud op begraafplaats Stationsweg en de oude gedeelten van de begraafplaatsen Oldebroek en Oosterwolde.

  • 5. Het algemene onderhoud en het dagelijks onderhoud van de graven, op de begraafplaats Bovenheigraaf en de nieuwe gedeelten op de begraafplaatsen Oldebroek en Oosterwolde, wordt door gemeente verzorgd tegen betaling van het in de ‘Verordening onderhoudsrechten gemeentelijke begraafplaatsen, periode vóór 1 april 2017’ opgenomen onderhoudsrecht of via het grafrecht zoals opgenomen in de “Verordening op de heffing en de invordering van rechten gemeentelijke begraafplaatsen 2017”:

  • 6. Onder het dagelijks onderhoud van de graven wordt verstaan:

    • a.

      het twee keer per jaar schoonmaken van de geplaatste grafmonumenten;

    • b.

      ongedaan maken van verzakkingen (niet zijnde gedenktekens);

    • c.

      verzorgen van de eventuele door de rechthebbende geplaatste winterharde beplanting.

Artikel 9.23. Aansprakelijkheid grafbedekking

  • 1. Het (doen) plaatsen of aanbrengen, herstellen of vernieuwen van gedenktekens, afsluitplaten of beplantingen op particuliere graven geschiedt door of namens de rechthebbende en komen voor rekening en risico van de rechthebbende.

  • 2. Al hetgeen dat op het graf geplaatst is, wordt geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker te zijn aangebracht.

  • 3. Schade en eventuele gevolgschade voor derden is voor rekening en risico van de rechthebbende of gebruiker en deze dient de daaraan toegebrachte schade, door welke omstandigheid ook, op eerste aanschrijven te (doen) herstellen, indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het aanzien van de begraafplaats schaadt.

  • 4. Indien door een ondeugdelijke (of: ondeugdelijk geworden) constructie naar het oordeel van het college een gevaarlijke situatie is ontstaan, kan het college direct maatregelen treffen teneinde de situatie op te heffen. De hierbij ontstane kosten zullen worden verhaald op de rechthebbende.

Hoofdstuk 10 Straf-, overgangs- en slotregels

AFDELING 10.1 SANCTIEBEPALING, TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 10.1. Sanctiebepaling

  • 1. Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten wordt overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 8.4, 8.6, 8.8 tot en met 8.10 en 8.12 tot en met 8.19[a] bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.

Artikel 10.2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

Artikel 10.3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

AFDELING 10.2 INWERKINGTREDING, OVERGANGSRECHT EN CITEERTITEL

Artikel 10.4 Overgangsrecht

  • 1. Besluiten, waaronder vergunningen, ontheffingen, aanvaarding van meldingen, nadere regels, uitvoeringsbesluiten, aanwijzingsbesluiten, anciënniteitslijst, bomenlijst en gebiedsaanwijzingen, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 10.5, tweede en derde lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op:

    • a.

      de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend,

    • b.

      de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of

    • c.

      een vergunning of ontheffing of aanvaarding van een melding waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt:

    • a.

      een vergunning of ontheffing of melding gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing of melding op grond van deze verordening;

    • b.

      een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing of melding gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing of aanvaarden van een melding op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

  • 5. Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld aan voorschriften als bedoeld in deze verordening.

Artikel 10.5. Inwerkingtreding verordening en intrekking oude verordeningen

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

  • 2. Op de dag van inwerkingtreding worden ingetrokken:

    • a.

      Afvalstoffenverordening gemeente Oldebroek

    • b.

      Reclameverordening Oldebroek 2015

  • 3. Op de dag van inwerkingtreding vervallen de volgende bepalingen:

    • a.

      de artikelen 2:10, 2:11 2:12, 2:15, 4:1, 4:3, 4:5, 4:5d, 4:6, 4:13, 4:17, 4:18, 4:19, 5:1 5:2, 5:5, 5:6, 5:8, 5:9, 5:11, 5:12, 5:17, 5:18, 5:19, 5:20, 5:31a, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Oldebroek

    • b.

      de artikelen 18, 19, 20, 21, 22 en 23. van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2017

    • c.

      de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 12, 13 en 14 van de Bomenverordening

Artikel 10.6. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering

van de gemeenteraad van Oldebroek

op 9 november 2023.

, voorzitter T.H. Haseloop-Amsing

, griffier J. Tabak.

Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024, bijlage 1

afbeelding binnen de regeling

Verordening voor de fysieke leefomgeving gemeente Oldebroek 2024, bijlage 2

afbeelding binnen de regeling

TOELICHTING

Algemeen

Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden.

Na de inwerking van de Omgevingswet ontstaat van rechtswege een tijdelijk omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan bestaat uit de dan geldende bestemmingsplannen, rijksregels die overgeheveld worden naar de gemeente (de bruidsschat) en een drietal met name genoemde verordeningen. Alle overige verordeningen die geheel of gedeeltelijk regels bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving maken geen deel uit van dit tijdelijk omgevingsplan.

In de transitieperiode die loopt van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2031 moet het tijdelijk omgevingsplan omgezet worden naar een definitief omgevingsplan. Tot deze transitie behoort ook de omzetting van de regels van verordeningen die betrekking op de fysieke leefomgeving in regels in het omgevingsplan.

afbeelding binnen de regeling

We hebben als gemeente een plan van aanpak gemaakt voor deze transitie. De gemeenteraad van Oldebroek heeft in de raadsvergadering van 10 november 2022 ingestemd met dit plan van aanpak.

In dit plan aanpak wordt deze transitie op basis van 31 keuzes vormgegeven. Eén van deze keuzes (keuze 22) betreft het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving.

Met de vaststelling van de nu voorliggende verordening wordt uitvoering gegeven aan deze keuze. Bij het samenstellen van de verordening is gebruik gemaakt van voorbeelden van andere gemeenten en adviezen van VNG en IPLO (informatiepunt Leefomgeving).

Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving vergroot de overzichtelijkheid van de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving

Met het opstellen van één verordening voor de fysieke leefomgeving wordt er duidelijkheid gecreëerd in de regels die de fysieke leefomgeving raken. De verordening-regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden op deze wijze grotendeels geïntegreerd en geharmoniseerd. Het merendeel van deze regels staat gebundeld in één document.

De verordening voor de fysieke leefomgeving sluit aan bij de doelen van de Omgevingswet.

Met het vaststellen van de verordening voor de fysieke leefomgeving wordt gevolg gegeven aan de doelen van de Omgevingswet: beter inzicht in, voorspelbaarheid van en gebruiksgemak voor inwoners, adviseurs en gemeentelijk medewerkers van de regels van het omgevingsrecht en meer samenhang in beleid, besluitvorming en regelgeving voor de fysieke leefomgeving.

Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving is wenselijk uit oogpunt van klantvriendelijkheid .

Inwoners die willen weten welke gemeentelijke ruimtelijke regels naast het tijdelijk omgevingsplan gelden op hun perceel hoeven in de transitieperiode maar in één document te kijken: de verordening fysieke leefomgeving.

De verordening voor de fysieke leefomgeving kan ook in zijn geheel opgenomen worden in het DSO. Het opnemen (en onderhouden) van regels uit allerlei zelfstandige verordeningen is technisch en juridisch veel lastiger.

Het vaststellen van een verordening voor de fysieke leefomgeving vereenvoudigt de transitie naar het definitieve omgevingsplan.

De verordening kan in de transitieperiode op een nader te bepalen moment in zijn geheel of gefaseerd worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Voordeel daarvan ten opzichte van het laten voortbestaan van de afzonderlijke verordeningen is dat de inhoudelijke beoordeling die bepaalt welke regels het fysieke domein betreffen nu al plaatsgevonden heeft en de omzetting in het definitieve omgevingsplan daarmee een in hoge mate technische operatie zal zijn.

Als de afzonderlijke verordeningen voorlopig blijven voortbestaan, zal te zijner tijd bij iedere verordening afzonderlijk moeten worden bepaald en bestuurlijk moeten worden besloten welke bepalingen worden overgeheveld naar het definitieve omgevingsplan, omdat deze de fysieke leefomgeving raken.

Het tijdens de transitieperiode onderhouden van de verordening fysieke leefomgeving is eenvoudiger dan het onderhouden van zelfstandige verordeningen

Het omgevingsrecht staat niet stil. In de transitieperiode kan de regelgeving wijzigen en kan jurisprudentie ontstaan die gevolgen heeft voor de verordening-regels. Het is dan eenvoudiger om één verordening hierop aan te passen, dan allemaal afzonderlijke verordeningen.

Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving in één verordening gebeurtbeleidsneutraal.

De verordening voor de fysieke leefomgeving bestaat grotendeels uit een samenvoeging van (delen van) bestaande verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit is ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het Omgevingsplan. In de verordening voor de fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of onderdelen daarvan opgenomen:

 

Bestaande verordening

Volledig of gedeeltelijk opgenomen

Plaats in Verordening voor fysieke leefomgeving

Afvalstoffenverordening

Volledig

hoofdstuk 8

Reclameverordening

Volledig

hoofdstuk 6

Bomenverordening

Gedeeltelijk

hoofdstuk 3

Algemene plaatselijke verordening

Gedeeltelijk

hoofdstuk 2, afdeling 2.2, hoofdstuk 4, hoofdstuk 5, hoofdstuk 7

Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen

Gedeeltelijk

hoofdstuk 9

Uitgangspunt bij de samenvoeging in één verordening is het beleidsneutraal overnemen van regels.

Deze verordening bevat hoofdzakelijk regels die al eerder zijn vastgesteld door de raad. Bij het samenvoegen zijn deze regels waar nodig geactualiseerd, geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst. Er zijn dus redactionele en technische wijzigingen doorgevoerd die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen. Deze wijzigingen zijn wel allemaal beleidsneutraal.. Er worden dus geen nieuwe afwegingen gemaakt. De regels zijn thematisch gerangschikt, waardoor herkenbaar is uit welke oorspronkelijke verordening zij afkomstig zijn.

Het vaststellen van de verordening voor de fysieke leefomgeving biedt gelegenheid een actualiseringsslag te maken.

Hoewel de verordening voor de fysieke leefomgeving grotendeels bestaat uit een samenvoeging van bestaande regels, biedt het vaststellen van een nieuwe verordening gelegenheid om een actualiseringsslag te maken.

Bij het overzetten van de Afvalstoffenverordening is deze actualiseringsslag gemaakt. Dit is nodig vanwege veranderingen in landelijke wet- en regelgeving. De regels zijn geactualiseerd op basis van de nieuwste modelverordening van de VNG. Artikel 8:19a is een nieuw artikel. Dit betreft geen beleidsmatige wijziging maar de juridische vertaling in een verordening van een bestaande praktijk. Het opnemen van deze regeling is wettelijk verplicht.

Voor de overige regels in de verordening fysieke leefomgeving geldt dat deze aangepast zijn aan de Omgevingswet

Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving tot één verordening leidt tot intrekking en wijziging van diverse verordeningen.

Omdat de regels uit de Afvalstoffenverordening, Reclameverordening geheel zijn opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving, kunnen deze verordeningen worden ingetrokken. Deze intrekking gebeurt in artikel 10.5, tweede lid van de verordening voor de fysieke leefomgeving.

Van de APV, Bomenverordening en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen zijn slechts delen opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving. Namelijk niet alle regels uit deze verordeningen hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, dat zoals eerder aangegeven het criterium is voor opname in het Omgevingsplan. Regels die een ander motief hebben (bijvoorbeeld openbare orde en veiligheidsmotieven of financiële motieven) en/of waarbij niet het college maar de burgemeester het bevoegd gezag is, komen niet in aanmerking voor opname in de verordening voor de fysieke leefomgeving.

Omdat de APV, de Bomenverordening en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen niet geheel opgaan in de verordening voor de fysieke leefomgeving blijven deze verordening zelfstandig bestaan. Wel geldt dat de artikelen die wel opgaan in de verordening voor de fysieke leefomgeving, worden ingetrokken. Dit gebeurt in artikel 10.5, derde lid van de verordening voor de fysieke leefomgeving.

Zeven bestaande gemeentelijke verordeningen bevatten regels die de fysieke leefomgeving raken, maar worden om moverende redenen niet meegenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving

Het gaat daarbij om de volgende verordeningen.

  • a.

    erfgoedverordening

  • b.

    geurverordening

  • c.

    rioolaansluit- en afkoppelverordening

  • d.

    bouwverordening

  • e.

    brandbeveilingsverordening

  • f.

    exploitatieverordening

  • g.

    Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) stelt

erfgoedverordening

Deze verordening (de opvolger van de monumentenverordening) wordt niet opgenomen omdat die van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan

geurverordening

Deze verordening wordt niet opgenomen omdat die van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan. Op het moment dat de erfgoedverordening in werking treedt, vervalt de oude monumentenverordening.

rioolaansluit- en afkoppelverordening

Deze verordening worden niet opgenomen omdat die van rechtswege al gedeeltelijk deel uitmaakt van het tijdelijk omgevingsplan. Het gaat daarbij om het gedeelte van de rioolaansluit- en afkoppelverordening dat betrekking heeft op de afvoer van regen- en grondwater (i.c. hoofdstuk V Afvoer van Hemelwater).

bouwverordening

De bouwverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving

Met het inwerking treden van de Omgevingswet komt de bouwverordening van rechtswege te vervallen.

De bouwverordening regelt twee onderwerpen: het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en welstandsadvisering. De bouwverordening heeft artikel 8 van de Woningwet als basis. Maar de Invoeringswet schrapt dit artikel.

Dit wordt op de volgende manier opgelost:

  • -

    Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen.

  • -

    De gemeenteraad moet op grond van artikel 17.9 Omgevingswet opnieuw een welstandscommissie instellen. Deze wordt een gemeentelijke adviescommissie. De gemeente moet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet in ieder geval een commissie instellen voor omgevingsplanactiviteiten voor gebouwde of aangelegde rijksmonumenten.

Op 4 februari 2021 heeft onze gemeenteraad besloten de nieuwe verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit vast te stellen. Deze verordening regelt de instelling van de nieuwe gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit om het college te adviseren over monumenten, welstandsgebieden en beeldkwaliteitsplannen om een goede omgevingskwaliteit te bereiken en te behouden. Ook is besloten dat bij de inwerkingtreding van de verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit de regels met betrekking tot de commissie in de artikelen 9.1 tot en met 9.8 van de Bouwverordening Oldebroek en de Monumentenverordening Oldebroek ingetrokken zijn.

De verordening is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet..

brandbeveiligingsverordening

De brandbeveiligingsverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving

Artikel 3 van de Wet Veiligheidsregio stelt het vaststellen van een brandbeveiligingsverordening verplicht. Deze verordening regelt het brandveilig gebruik buiten bouwwerken (bijvoorbeeld bij evenementen). Echter dit is vanaf 2018 geregeld in het landelijk Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Daarmee is de brandbeveilingsverordening een loze verordening geworden die alleen nog niet ingetrokken is omdat artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s het vaststellen van een verordening verplicht stelt.

Zodra de Wet veiligheidsregio’s is gewijzigd, zal de verordening ingetrokken kunnen worden.

Exploitatieverordening

De exploitatieverordening wordt op advies van de VNG niet opgenomen in de verordening voor de fysieke leefomgeving

De exploitatieverordening bevat bepalingen over grondexploitatieovereenkomsten. De bepalingen gaan over de inhoud en de procedure. Een exploitatieverordening die onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) tot stand is gekomen, is gebaseerd op artikel 6.23 Wro.

De Wro en daarmee de rechtsgrond van de verordening komt te vervallen. Afdeling 13.6 van de Omgevingswet regelt het kostenverhaal bij grondexploitatie. Een gemeente moet regels over kostenverhaal opnemen in het omgevingsplan voor zover sprake is van aangewezen kostensoorten en activiteiten. De regeling voor kostenverhaal van de Omgevingswet is uitputtend bedoeld. Dat betekent dat het niet mogelijk is om op grond van artikel 121 van de Gemeentewet een aparte verordening voor kostenverhaal op te stellen. Wel bevat artikel 4.112 van de Invoeringswet Omgevingswet een regeling voor grondexploitatieovereenkomsten die vóór inwerkingtreding van Omgevingswet zijn gesloten. Hiervoor blijft het oude recht gelden, inclusief de oude exploitatieverordening.

Zodra de oude grondexploitatieovereenkomsten uitgewerkt zijn, kan de oude exploitatieverordening worden ingetrokken

Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI)

Tot slot wordt ook de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) niet opgenomen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving.

De verordening stelt regels betreffende werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van ondergrondse infrastructuren in openbare gronden. Dit betreft regels die de fysieke leefomgeving raken en daarom in het Omgevingsplan moeten worden opgenomen in het Omgevingsplan en de verordening Fysieke Leefomgeving. Maar dat geldt niet voor alle regels uit de verordening. De verordening stelt ook regels die zien op telecommunicatie en regels over telecommunicatie mogen niet opgenomen worden in het omgevingsplan. De regels die gaan over telecommunicatie blijven dus ook in de toekomst in een afzonderlijke verordening staan.

De regels in de verordening die gaan over telecommunicatie zijn niet als afzonderlijk hoofdstuk opgenomen maar zijn vervlochten met de regels over overige ondergrondse infrastructuur. Het splitsen van de verordening in een deel dat wel meegaat en een deel dat niet meegaat, is niet eenvoudig maar vergt een behoorlijke ontvlechtingsoperatie.

Daar komt bij dat de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur in regionaal verband tot stand gekomen is, omdat het wenselijk was dat er in de regio een gelijkluidende regeling zou zijn. Het is niet wenselijk om dan nu zelfstandig al tot ontvlechting over te gaan.

Ook onze software-leverancier heeft dringend verzocht om deze verordening vooralsnog niet onder te brengen in de DSO en het omgevingsplan (en daarmee in de verordening voor de fysieke leefomgeving). Het onderbrengen in de DSO betekent een onaanvaardbare verstoring van het proces inzake kabels en leidingen, omdat er (nog) geen koppeling is tussen de DSO en het huidige automatiseringsprogramma voor kabels en leidingen.

De verordening en de hierin opgenomen voorschriften is tot stand gekomen op basis van de huidige inzichten.

Er heeft op basis van de huidige inzichten een beoordeling plaatsgevonden welke regelingen en voorschriften de fysieke leefomgeving raken en t.z.t. opgenomen moeten worden in het Omgevingsplan. Het recht staat echter niet stil en dat geldt zeker voor het omgevingsrecht.

Dat betekent dat op voorhand niet uit te sluiten is dat als gevolg van ontwikkelingen in jurisprudentie en wetgeving, in de toekomst geconcludeerd moet worden dat een voorschrift ten onrechte wel of niet aangemerkt is als een voorschrift dat de fysieke leefomgeving raakt en opgenomen moet worden in het Omgevingsplan.

Dat zou dan kunnen betekenen dat een voorschrift die nu in de verordening voor de fysieke leefomgeving staat toch niet opgenomen wordt in het Omgevingsplan of dat een voorschrift uit een andere verordening die nu niet opgenomen is in de Verordening voor de fysieke leefomgeving toch opgenomen wordt in het Omgevingsplan. Dat is uit juridisch oogpunt niet bezwaarlijk en geen belemmering om de voorgestelde verordening vast te stellen.

De verordening ziet slechts op (delen van) bestaande verordeningen en niet op bestaande beleidsnota’s

De verordening ziet dus niet op bestaande beleidsnota’s. Bestaande beleidsnota’s zullen in de transitieperiode een plaats moeten krijgen in het Omgevingsplan, het Omgevingsprogramma of de Omgevingsvisie, of als zelfstandige nota. Bij bestaand en nieuw op te stellen beleid wordt in de transitieperiode de afweging gemaakt waar het beleid een plek.

 

De hoofdstukken 2 tot en met 9 van de toelichting bestaan uit de toelichtingen van de oorspronkelijke verordeningen, dan wel uit de toelichting behorend bij de respectievelijke model-verordening.

Daar waar in deze toelichtingen verwezen wordt naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en/of andere regelgeving, die golden voordat de Omgevingswet in werking trad, geldt dat hier de Omgevingswet of de hierop gebaseerde regelgeving voor gelezen moet worden.

Als er in de toelichting van de hoofdstukken 2 tot en met 9 gesproken wordt over de “verordening”, moet hiervoor “dit hoofdstuk van de verordening” of “deze afdeling van dit hoofdstuk van de verordening” worden gelezen.

Omdat in de tekst van toelichting verwezen kan worden naar de artikelen uit de voormalige verordeningen is ten behoeve van de leesbaarheid aan het einde van de toelichting een transponeringstabel opgenomen.

De toelichting heeft geen zelfstandige juridische binding en moet altijd in samenhang met de regels gelezen worden. Daar waar de toelichting afwijkt van de tekst van de verordening, is de tekst van de verordening bepalend.

Hoofdstuk 1. Inleidende regels

Dit hoofdstuk bestaat uit een aantal inleidende regels. Dit betreft enerzijds algemene regels die van toepassing op de regels uit de andere hoofdstukken. Deze regels zijn van toepassing tenzij dit in de regels uit de andere hoofdstuk uitgesloten wordt. Ook kan in de andere hoofdstukken een aanvulling op de algemene regels zijn opgenomen

Daarnaast zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen over het toepassingsbereik en de doelen van de verordening en de verhouding tot andere regelgeving.

Hoofdstuk 2. Ambulante handel

AFDELING 2.1 Markten

vervallen

AFDELING 2.2 STANDPLAATSEN

Artikel 2.28 Definitie

Artikel 2.28 bevat een definitie en voorziet ook in uitzonderingen. Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.

Tweede lid

Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht.

Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.

Artikel 2.29 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Algemeen

De VNG acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’.

Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Zie hiervoor de toelichting op artikel 1:7.

Vrijheid van meningsuiting

Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.

Tweede lid

De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats hebben als doel de ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening, zoals een omgevingsplan, een zelfstandige toetsingsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het desbetreffende ruimtelijke plan voortvloeien.

Als bijvoorbeeld het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.

Derde lid, onder a

De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.

Derde lid, onder b

In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49.

Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen , omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits:

  • 1.

    geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod);

  • 2.

    er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en

  • 3.

    de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn).

De formulering van onderdeel b van het derde lid is hierop afgestemd. Zie de toelichting op artikel 1:7 voor het begrip ‘dwingende reden van algemeen belang’.

Vierde lid

De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. In verband hiermee is het onwenselijk dat de lex silencio positivo van toepassing is.

Jurisprudentie

ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

HvJEU 30-01-2018, ECLI:EU:C:2018:44 (Visser Vastgoed Beleggingen/Appingedam). De activiteit bestaande in detailhandel in goederen vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn een ‘dienst’. Artikel 15, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn staat er niet aan in de weg dat voorschriften van een bestemmingsplan van een gemeente de activiteit bestaande in niet-volumineuze detailhandel in geografische gebieden buiten het stadscentrum van die gemeente verbieden, mits alle in artikel 15, derde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn.

Maximumstelsel

De Afdeling heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.

De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 juncto 10 van de Dienstenrichtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.

Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. Zie ook het algemene deel van de toelichting en de toelichting op hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’.

Beleidsregels

Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet kan worden herleid tot één van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden. Rb. Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn volgens artikel 4 van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.

Vergunningsvoorschriften

Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.

Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:

  • -

    het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen;

  • -

    de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;

  • -

    de grootte van de standplaats;

  • -

    de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;

  • -

    het uiterlijk aanzien van de standplaats;

  • -

    tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;

  • -

    eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;

  • -

    opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.

Overige regelgeving

Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Te noemen zijn de Wro, de Winkeltijdenwet, de Warenwet en de Wm.

Artikel 2.30 Toestemming rechthebbende

Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.

Jurisprudentie

Rechtbank Limburg 26-04-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4062. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst, ondanks dat het gaat om een eigen terrein van vergunninghoudster, terecht heeft aangemerkt als een ‘openbare plaats’ als bedoeld in artikel 1:1, onder a, van de APV. Het terrein dat direct grenst aan de openbare weg is, gedurende de openingstijden, zonder beperkingen bereikbaar. Eenieder is dan vrij om er te komen, te vertoeven en te gaan. Daarnaast heeft het gebruik van het terrein een publiek karakter. Vergunninghoudster beoogt het (passerend) publiek ten behoeve van de verkoop van ijs en frisdrank vrij toegang te verschaffen tot het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst. Ook de beoogde planologische situatie, waarbij gedurende 10 jaar het plaatsen van ijsverkoopkar wordt toegestaan, duidt op een publiek karakter van het terrein.

Daarmee wordt voldaan aan de definitie van ‘standplaats’ in artikel 4.2 van de APV.

Hoofdstuk 3 Houtopstanden

Toepassingsbereik: bebouwde kom

In artikel 2 is voor wat betreft de toepassing aangesloten bij de definitie van bebouwde kom uit de Wet Natuurbescherming. In dit verband geldt dat de Wet Natuurbescherming hoger recht betreft en deze wet is gelet daarop van belang voor de reikwijdte van de verordening.

De Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 4, heeft tot doel om bossen te beschermen. Onder de Wet Natuurbescherming vallen bossen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, zoals vastgesteld op grond van de Wet Natuurbescherming. Onder bossen worden gerekend:

  • alle beplantingen van bomen die als geheel groter zijn dan 10 are;

  • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat.

Deze houtopstanden worden beschermd via de nationale wetgeving. Voor deze houtopstanden mag de gemeenteraad in principe geen regels vaststellen.

De gemeenteraad is wel bevoegd regels te stellen ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom, als het gaat om:

  • houtopstanden op erven en in tuinen;

Dat doet de gemeenteraad van Oldebroek via artikel 2, lid 1, onderdeel b van deze verordening.

Op bijgevoegde tekening zijn de bebouwde komgrenzen Wet Natuurbescherming opgenomen. Deze zijn gelijk gesteld aan hetgeen is geregeld in de APV in artikel 1:1.: “Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.”

Waardevolle houtopstanden

Waardevolle houtopstanden vormen de ‘top’ van het bomenbestand of het betreft een wijk met een overwegend groene uitstraling. Deze bomen hebben een bijzondere waarde voor de leefomgeving. Het college bepaalt welke houtopstanden als zodanig worden gekwalificeerd en neemt ze op in de Bomenlijst Oldebroek. De Bomenlijst bestaat uit:

  • -

    Individuele particuliere bomen, die van grote waarde zijn, de waardevolle bomen.

    De bomen die zijn aangewezen als waardevolle boom worden opgenomen in de Bomenlijst.

  • -

    Bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht. Bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht worden opgenomen in de Bomenlijst. Dit geldt voor herplant die wordt opgelegd na vaststelling van de Bomenlijst.

  • -

    Wijken met een overwegend groene uitstraling (op tekening is de begrenzing van deze wijken weergegeven).

De bescherming loopt grotendeels parallel aan beschermingsmaatregelen via het ter plaatse geldende bestemmingsplan (omgevingsvergunning onderdeel aanleg is in een aantal gevallennoodzakelijk voor het vellen van bomen in deze wijken)

De lijst wordt elke 4 jaar opnieuw door het college vastgesteld.

Vergunningsplicht voor het vellen van een waardevolle houtopstand

Voor de houtopstanden die zijn opgenomen op de lijst met waardevolle houtopstanden (Bomenlijst)geldt dat een vergunning van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

Alleen in uitzonderlijke gevallen

Er is sprake van een ‘nee, tenzij’-regime voor wat betreft het vellen van beschermingswaardige houtopstanden. Slechts in uitzonderlijke gevallen geldt dat het mogelijk is om een waardevolle houtopstand te kappen. Hierbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegende maatschappelijke reden of een situatie dat instandhouding niet langer verantwoord is.

Voor waardevolle houtopstanden geldt dus dat voor kappen niet zomaar toestemming wordt gegeven en dat een bepaalde mate van overlast dient te worden geaccepteerd. Overlast door vruchten en luizen of opdrukkende wortels kunnen in beginsel geen reden zijn voor het verlenen van een vergunning. Indien plannen voor nieuwbouw of de aanleg van infrastructuur ter plaatse van een beschermde houtopstand reden is tot een vergunningsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn dat met de realisatie een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Individuele particuliere belangen of kleine maatschappelijke belangen kunnen dus niet tot velling van een waardevolle houtopstand leiden. Wel zou verplanting hoe dan ook een mogelijkheid kunnen zijn.

In geval het velwerkzaamheden betreft in wijken met een overwegend groene uitstraling, dan geldteen lichter toetsingskader wanneer het gaat om werkzaamheden die normaal gesproken moeten worden uitgevoerd om overige bomen betere groeiomstandigheden te geven (dunning).

Vergunningsplicht voor het vellen van een gemeentelijke houtopstand

Een gemeentelijke boom mag niet zomaar gekapt worden. Ook voor deze bomen geldt dat een vergunning van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

Echter is hier meer ruimte om een vergunning toe te kennen, mits sprake is van een maatschappelijker eden welke deugdelijk gemotiveerd kan worden en transparant toetsbaar is. Het kappen van een gemeentelijke boom moet passen binnen de visie van geldende bestemmings-, groen-, of landschapsplannen, waaraan dan ook getoetst moet worden, voor zover relevant voor de betreffendekap.

Advies boom-technisch deskundige

Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is dan wel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen vaneen boom-technisch deskundige.

Dunning

Bij houtopstanden waarin meerdere individuele houtige gewassen gezamenlijk opgroeien, zich onder invloed van elkaar ontwikkelen en bij volle wasdom een aaneengesloten kronendak vormen, kan het noodzakelijk zijn om periodiek onderhoud te plegen in de vorm van dunning. Deze dunning dient een positieve uitwerking te hebben op de beoogde ontwikkeling van de houtopstand.

Dunning kan omvatten:

  • -

    Het verwijderen van snelgroeiende en/of concurrerende houtige gewassen ten gunste van de ontwikkeling van langzamer groeiende houtige gewassen;

  • -

    Het verwijderen van houtige gewassen die een lage toekomstverwachting hebben door een ongunstige concurrentiepositie, een verminderde conditie en/of onoplosbare mechanische gebreken;

  • -

    Het systematisch verkleinen van het totale aantal houtige gewassen ten gunste van de ontwikkeling van de resterende houtige gewassen.

Herplantplicht en compensatie

In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen van bomen zoveel mogelijk “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een vergunning verbonden.

Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Verder is in het tweede lid van artikel 7 is geregeld dat bij het zonder vergunning vellen de mogelijkheid bestaat om een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in het Bomenfonds te laten storten. (Artikel 8 van deze verordening).Deze voorziening is door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van herplant van bomen op andere locaties in de gemeente, maar ook voor groeiplaatsverbetering bij bestaande bomen van de gemeente Oldebroek.

In artikel 6 lid 1 wordt gesproken over omstandigheden die zich verzetten tegen herplant. Onder deze omstandigheden moet onder andere worden gedacht aan:

  • -

    afstand tot aanwezige kabels en leidingen;

  • -

    afstand tot de erfgrenslijn;

  • -

    afstand tot bestaande of nog te realiseren bebouwing;

  • -

    beschikbare boven- en/of ondergrondse groeiruimte;

Afstand tot erfgrenslijn

In artikel 11 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in het Burgerlijk Wetboek wordt geboden om de afstand van bomen tot de erfgrenslijn op een andere afstand te bepalen dan dat in artikel 5:42is opgenomen.

In de praktijk blijkt dat het wenselijk is dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de afstand die gemeentelijke bomen en overige bomen moeten hebben tot de erfgrenslijn. De afstand van 1 meter voor gemeentelijke bomen zorgt er voor dat nu aanwezige gemeentelijke bomen worden beschermden dat bij vervangingen bomen op dezelfde locatie kunnen worden herplant. Voor de overige bomen en voor heggen en heesters wordt aangesloten op de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen afstanden.

Spoedeisend belang bij kap

De gemeenteraad neemt geen bevoegdheid op voor het college om toestemming te geven tot direct vellen in het belang van de openbare orde of veiligheid. De burgemeester beschikt ter zake over toereikende bevoegdheden. Het algemene kapverbod geldt bij gebruikmaking daarvan op grond van de verordening niet.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

AFDELING 4.1. VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING

Artikel 4.1 Definities

Algemeen

Op grond van de Wm moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken over een milieuvergunning beschikken of voldoen aan een AMvB die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Deze afdeling bevat daarover voorschriften. Voor de definitie van begrippen die aan aanpalende regelgeving – waaronder het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet milieubeheer – ontleend zijn, wordt aangesloten bij de betekenis uit die regelgeving. 

Artikel 4.3 Melding incidentele festiviteiten

Eerste lid

De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van twaalf dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 2008 geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Wat wel is veranderd, is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw).

Tweede lid

Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een ‘vroege vogels’-toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.

Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.

Zesde tot en met het tiende lid

In tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen biedt het Activiteitenbesluit gemeenten de mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.

In 2016 is er, onder meer met het kenniscentrum Infomil, gesproken over de betekenis van het woordje ‘in’ in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Conclusie is dat de wetgever daarmee niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een inrichting gaat. ‘in de inrichting’ kan dus ook slaan op bijvoorbeeld een bij een inrichting behorend terras in de open lucht. Dat betekent dat de bepaling in het negende lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden.

Er zijn redenen om incidentele festiviteiten te beperken tot de binnenruimte. Geluid vanuit de binnenruimte is eenvoudiger beheersbaar. De VNG kiest er daarom voor om deze bepaling ongewijzigd te laten. Het tegenargument daarbij is dat het voor de doelstelling van dit artikel niet bepalend is waar het geluid wordt geproduceerd, zolang de normen maar niet worden overschreden. Zoals hiervoor al genoemd: de wet laat de raad de ruimte om deze bepaling zo te herschrijven dat incidentele activiteiten ook kunnen plaatsvinden in de buitenruimte van een inrichting.

In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.

Artikel 4.5 Onversterkte muziek

Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidswaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente.

Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van de artikelen 2.20 en 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.19a (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek (APV). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen.

Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In het derde lid wordt gesproken over ‘oefenen’. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.

De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid (tabel) zijn niet van toepassing op:

  • a.

    het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

  • b.

    het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;

  • c.

    het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dag periode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.

Artikel 4.5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Artikel 4.5d verbiedt het zich ‘geluidhinderlijk’ gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.

Artikel 4.6 Overige geluidhinder

Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’(in de zin van de Wm ) op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wm heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.

In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012 een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.

De provinciale milieuverordening is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.

Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.

Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:

  • -

    een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enzovoort;

  • -

    het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;

  • -

    het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;

  • -

    het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen;

  • -

    het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;

  • -

    het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enzovoort;

  • -

    overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.

Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.

AFDELING 4.2. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Het artikel moet zo gelezen worden dat het niet van toepassing is als de voertuigen, vaartuigen of afvalstoffen en dergelijke zich binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bevinden.

Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de weg, daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.

Afbakening

Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.

AFDELING 4.3. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Algemeen

Met de intrekking van de WOR per 1 januari 2008 heeft de Rijksoverheid bedoeld een nogal omslachtig stuk regelgeving te dereguleren. De VNG heeft daarop geadviseerd in de APV drie artikelen op te nemen. Daarmee wordt de ruimte die gemeenten met de intrekking van de wet is geboden op een lastenarme manier ingevuld. Zie hierover de volgende publicaties:

  • -

    VNG ledenbrief Lbr. 05/128 van 8 december 2005 (Publicatie over kampeerbeleid na WOR);

  • -

    VNG, “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”, Groene reeks nummer 129, VNG uitgeverij, Den Haag, 2005;

  • -

    VNG ledenbrief Lbr. 07/125 van 15 november 2007(Wijzigingen model-APV);

  • -

    Kenniscentrum Recreatie, “Gemeentelijk kampeerbeleid na intrekking WOR”, Kamerstukken II 2009/10, 26 419, nr. 38.

Artikel 4.17 Definitie

In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.

Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Zie de algemene toelichting bij deze afdeling.

Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen

Zie de algemene toelichting bij deze afdeling.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

AFDELING 5.1. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD

Algemeen

Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen

Sinds de inwerkingtreding van de WVW 1994 kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994).

Op initiatief van de VNG is artikel 2a in de WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt:

“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.”

Artikel 2a van de WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 van de Gemeentewet.

Begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’

De begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ zijn in artikel 1:1 omschreven. Daarbij is aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen in deze afdeling blijkt, of zij al dan niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).

Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 1, ‘Parkeerexcessen en stopverbod’ zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (bijvoorbeeld de eigenaar, huurder en opdrachtgever) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.

Begrip ‘parkeerexces’

In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip ‘parkeerexces’ precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip ‘parkeerexces’ ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:

  • a.

    wanneer het parkeren op de weg betreft dat buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers die gelegenheid om te parkeren behoeven, en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling);

  • b.

    wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;

  • c.

    wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn – zo lijkt de zienswijze van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven – in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad.

Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bijvoorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad: HR 15-06-1971, NJ 1971, 432 en 25-04-1972, NJ 1972, 296.

Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen

Gezien de ruime uitleg van het begrip ‘parkeerexces’ is het niet nodig om een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als ‘parkeerexcessen’ moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief (in hoofdzaak) aan het stellen van regels ten grondslag ligt. Er bestaat geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een parkeerexcessenverordening respectievelijk de APV.

Daarom zijn de bepalingen in hun geheel ondergebracht in de APV, en wel in hoofdstuk 5 ‘Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente’. Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag liggen.

Met het onder één noemer – die van het parkeerexces – brengen van de modelbepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht Zie ook: ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119. Een van de voordelen van deze aanpak is dat artikelen die een zelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht.

In hoofdstuk 5, afdeling 1, ‘Parkeerexcessen en stopverbod’, is ook een aantal onderwerpen opgenomen, die niet kunnen worden aangeduid als ‘parkeerexcessen in eigenlijke zin’, waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren, geeft de VNG er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze afdeling te regelen. De artikelen 5:2 tot en met 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9 hebben slechts op ‘echte’ parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling – de artikelen 5:6, eerste lid, onder b, en 5:8, eerste lid, – strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot ‘op de weg’ ligt niet voor de hand, wanneer men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Ook artikel 5:11 heeft betrekking op gedragingen buiten de weg (‘aantasten van groenvoorzieningen’.

Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8, tweede lid.

Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag.

Vervangende parkeergelegenheid

Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde categorieën voertuigen – in het bijzonder voor vrachtwagens – de aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.

Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te zorgen.

Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990.

De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving.

Ontheffingen

Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven wanneer de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, niet steeds kunnen worden ontkomen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, welke (ook) een naar plaats of tijd beperkt karakter hebben.

Overleg met vervoerders(organisaties)

Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van parkeerregelingen voor vrachtwagens en dergelijke.

Jurisprudentie

ARRS 03-12-1992, JG 93.0120. De Afdeling bevestigt dat een gemeentelijke parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de WVW (oud) en haar uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). Zie ook ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.

Artikel 5.2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

Eerste lid

Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.

Tweede lid

Het woord ‘vergen’ is gebezigd in plaats van ‘duren’ teneinde zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf.

Derde lid, onder a

Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het eerste lid, onder b).

Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.

De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen, bijvoorbeeld een straal van 25 meter. Op basis van de modelbepaling mogen er dan binnen een cirkel met een straal van dat meteraantal maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van het meteraantal mogen staan. En zo verder. Overigens lijkt de Afdeling de bepaling anders, en strikter, uit te leggen. Zie hiervoor ABRvS 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:358 (Den Haag), waarin naar aanleiding van een gelijkluidende APV-bepaling is beoordeeld of de voertuigen waren geparkeerd in een straal van 25 meter rond de onderneming. Dat is echter niet wat in artikel 5.2 van de APV staat.

Derde lid, onder b

Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.

Vierde lid

Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.

ARRS 16-08-1988, AB 1989, 373. De Afdeling keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het bedrijf woog zwaarder.

Artikel 5.5 Voertuigwrakken

Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.

Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.

Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

Eerste lid, aanhef

Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.

Eerste lid, onder a

Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens en dergelijke op de weg. Door de bestanddelen “te plaatsen of te hebben” (in plaats van “te parkeren”) is de handhaving van deze bepaling eenvoudiger. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje en dergelijke op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen.

Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg – vaak juist ook in woonwijken – zou ervoor gekozen kunnen worden om het direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren, door te bepalen dat het verboden is de hier bedoelde voertuigen langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen [binnen de bebouwde kom] op de weg te plaatsen of te hebben,

Eerste lid, onder b

Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.

Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.

Vierde lid

De raad kan hier twee kanten op redeneren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren.

Anderzijds is dit verbod in het leven geroepen om schaarse parkeerruimte te beschermen. Als in een gemeente sprake is van ernstige parkeerdruk kan de raad overwegen om van de APV af te wijken en de lex silencio positivo niet van toepassing te verklaren om iedere kans op een van rechtswege ontstane ontheffing te voorkomen. In dat geval kan het vierde lid achterwege blijven.]

Jurisprudentie

ARRS 11-03-1993, AB 1993, 553. De Afdeling stelde de gemeente Beverwijk in het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van parkeerruimte waren in het geding.

ABRvS 18-04-1997, JG 97.0210. De Afdeling geeft aan dat het college van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een kampeerwagen en dergelijke mag worden geparkeerd, slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie die geen ‘weg’ is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW 1994 en valt daarmee niet onder ‘aangewezen plaats’ uit de APV-bepaling.

Artikel 5.8 Grote voertuigen

Algemeen

In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen – in het bijzonder vrachtwagens – op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enzovoort. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enzovoort, bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan.

Eerste lid

Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.

Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen.

Wat het motief bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een ‘parkeerexces’.

Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.

Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.

Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden gehouden met een provinciale verordening die – geheel of gedeeltelijk – hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bijvoorbeeld een verordening bescherming landschapsschoon.

Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.

Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag: hoe wordt dit verbod onder de aandacht van belanghebbenden gebracht? Het is in ieder geval gewenst, dat de in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs de naar de gemeente leidende wegen door middel van aanwijzingsborden kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren van grote voertuigen slechts is toegestaan op de als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.

Tweede lid

Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.

Met betrekking tot het motief “buitensporig gebruik van de weg” wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.

In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder opportuun.

Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband met het bepaalde in het vierde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie eerste lid) dan kan bijvoorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen liggen.

Zie voor wat betreft de vraag hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de toelichting op het eerste lid.

Zoals opgemerkt in de toelichting bij artikel 5:1 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.

Derde lid

Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid of het tweede lid zouden vallen, toch voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.

Vierde lid

De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.

Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in dit lid vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.

Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden krachtens het hierop volgende artikel 5:9.

Vijfde lid

Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.

Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.

Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik dienen te worden gemaakt voor:

  • -

    voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd;

  • -

    chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen.

Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het gaat om bijvoorbeeld:

  • -

    rijdende winkels;

  • -

    wagens van kermisexploitanten;

  • -

    wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen ‘uitrukken’ (sleepwagens en dergelijke);

  • -

    voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden gesteld.

Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.

Jurisprudentie

Vz. AGRS 27-04-1993, B03.93.0018. De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit (Wegenverkeerswetgeving).

Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. ARRS 18-12-1992, S03.92.4266 en Vz. ARRS 16-09-1993, S03.93.3369. Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woonbuurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt.

ARRS 04-05-1993, JG 93.0353. De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse, zoals werd aangevoerd.

ARRS 03-06-1991, JG 92.0301. Bij een verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling niet onredelijk.

ABRvS 15-05-2001, 200002098/1. Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde vrachtwagens.

Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

Eerste lid

Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie ook de toelichting bij artikel 5:8.

Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.

Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16-01-1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.

De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door een afstandsmaat te hanteren, bijvoorbeeld 10 meter.

Zoals opgemerkt in de toelichting bij artikel 5:1, onder b, wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.

Tweede lid

De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke.

Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.

Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Eerste lid

Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.

Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.

Omdat de WVW 1994 onder ‘wegen’ ook de bermen begrijpt, is het in artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994).

Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, als dat geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen, dan wel voor het laden of lossen van goederen. Deze beperkingen zijn onwenselijk bij een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen. Daarom is hier bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.

Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr met zich mee.

Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een ’oneigenlijk’ parkeerexces – dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de WVW 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden.

Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto’s en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten – met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Zie artikel 5:10a en de toelichting daarop. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk.

Jurisprudentie

HR 27-10-1930, NJ 1931, p. 62. Een APV-bepaling van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, werd verbindend geacht. De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het algemene verbod van artikel 461 van het WvSr bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet op. Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.

Wnd. Vz. ARRS 24-06-1983, nr. RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout). Indien het in de APV-bepaling bedoelde voertuig een door een woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 61 van de Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd.

Tweede lid

Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.

Artikel 5.12 Overlast van fietsen of bromfietsen

In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.

Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.

Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde (brom)fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.

Jurisprudentie

Er zijn de laatste jaren meerdere uitspraken gedaan over het verwijderen van fietsen die buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen zijn geplaatst.

Uit deze jurisprudentie kan ten aanzien van het verwijderen van foutief geplaatste fietsen de volgende lijn worden afgeleid:

  • -

    Er moet feitelijk sprake zijn van een gevaarlijke of hinderlijke situatie die het direct of na een beperkte tijd (begunstigingstermijn) verwijderen van deze fietsen rechtvaardigt.

  • -

    Per geval zal moeten worden bezien of een (korte) begunstigingstermijn wel of niet aan de orde is. Bijvoorbeeld geen begunstigingstermijn bij gevaarlijke situaties, maar wel bij hinderlijke situaties.

  • -

    Er moeten in de buurt voldoende stallingsplaatsen voor fietsen aanwezig zijn.

  • -

    In verband met bewijsvoering is het verstandig om een of meerdere foto’s te maken van de foutief geplaatste fiets, voordat deze wordt verwijderd.

  • -

    Het besluit tot toepassing van bestuursdwang moet direct bij het ophalen van de verwijderde en opgeslagen fiets of zo snel mogelijk daarna worden overhandigd c.q. worden toegestuurd aan de eigenaar van de fiets.

  • -

    Degene die het besluit tot toepassing van bestuursdwang overhandigt moet hiertoe gemandateerd zijn door het college.

  • -

    Indien een fiets buiten de fietsklemmen, maar binnen de omheining van een fietsenstalling wordt geplaatst zonder dat dit tot een gevaarlijke situatie aanleiding geeft, kan niet tot onmiddellijke verwijdering van deze fiets worden overgegaan. In zo’n geval zal eerst het besluit tot bestuursdwang op schrift moeten worden gesteld.

Jurisprudentie

  • -

    ABRvS 05-02-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5483

  • -

    ABRvS 24-10-2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB6346

  • -

    ABRvS 06-02-2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3602

  • -

    ABRvS 12-05-2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4174

  • -

    Rb. Utrecht 15-07-2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3500

  • -

    ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2382

  • -

    Rb. Den Haag 10-10-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12168

  • -

    ABRvS 19-10-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2754

  • -

    Rb. Amsterdam, 28-02-2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1136

  • -

    Rb. Rotterdam 24-05-2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3937

  • -

    ABRvS 21-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1627

AFDELING 5.2. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN

Artikel 5.32 Crossterreinen

Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.

Afbakening

Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van de APV van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.

Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van dit APV-artikel ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Wabo en het Bor, en de Zondagswet.

WVW 1994 en APV 

Het verkeersrechtelijk regime is niet van toepassing wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1.

Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd.

Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht wordt gesteld.

Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:25.

Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, ‘Evenementen’ van toepassing (artikel 2:24 en verder). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten en dergelijke.

Wabo en APV

Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wabo; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking van de Wabo en het Bor. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden.

Op grond van artikel 2.4 van de Wabo is het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2).

Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving.

APV

De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Bor, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.

In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wabo in ieder geval moeten zijn afgebakend.

Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.

In de in het tweede lid van het artikel 5:32 genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen dan wel aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en – eventueel – dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben dan wel dat de vereniging er – ter voorkoming van ongelukken – zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.

Zondagswet

Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur ontheffing te verlenen.

De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.

Jurisprudentie

ARRS 03-06-1994, AB 1994, 602. Wanneer in het kader van een evenement als bedoeld in de APV-artikelen, op een crossterrein, zoals in deze bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om een vergunning te verlenen, en anderzijds de motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het bevoegd gezag is.

Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, KG 1995, 292. Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13:00 uur. In casu geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de bebouwde kom ligt.

Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d.

Verder worden natuurgebieden, parken en dergelijke steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.

Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zogenaamde ‘wilde crossen’ (op wegen en paden en ‘off the road’) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen.

Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:32 van toepassing.

De redactie van artikel 5:33 is overeenkomstig het systeem van artikel 5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.

Maatregelen

Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het ‘wildcrossen’ of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer in natuurgebieden gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?

Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving.

Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 van de WVW 1994).

Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren, weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de WVW 1994). De WVW geeft derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.

Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.

Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden, welke regeling – deels – strekt ter bescherming van dezelfde belangen, zal – althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in een ‘natuurgebied’ als bedoeld in de provinciale verordening – de werkingssfeer van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening moeten worden afgebakend.

Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting krachtens artikel 461 van het WvSr

Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden.

In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige maatregelen niet kunnen ontzeggen.

Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een openbare weg in de zin van de Wegenwet? Hiervoor is ingegaan op de beperkingen in het gebruik van een openbare weg als gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg. Openbare wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen en dergelijke bij de toegangen tot die wegen en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze handelwijze kleeft een aantal bezwaren.

Deze handelwijze is niet toepasbaar ten aanzien van openbare wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Het gedeeltelijk – bijvoorbeeld alleen voor gemotoriseerd verkeer – onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer is niet mogelijk is (KB 26-09-1955, AB 1956, p. 357).

KB 11-05-1982, AB 1982, 378. Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij voorbeeld voetgangers en fietsers. Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit worden genomen, zoals hiervoor is beschreven. Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Verder zal het afsluiten van wegen door middel van hekjes en slagbomen leiden tot verslechtering van bereikbaarheid van bos- en natuurgebieden voor brandweer- en onderhoudswerkzaamheden. Bovendien zullen slagbomen niet altijd onbevoegden weerhouden van het betreden van het gebied. Ten slotte is het plaatsen van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid.

Men zou in de tweede plaats kunnen denken aan het plaatsen bij de toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het WvSr wordt verboden: “Verboden toegang voor....; artikel 461 van het WvSr”.

Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21-06-1966, ECLI:NL:PHR:1966:AC4668 (Bromfietsverbod Sneek) en HR 23-12-1980, AB 1981, 237 (rijverbod Schiermonnikoog).

Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van gemotoriseerd verkeer uit natuurgebieden overwogen:

  • a.

    onttrekking van de openbare wegen (‘openbaar’ in de zin van de Wegenwet) aan het openbaar verkeer volgens de daartoe in de artikelen 9 en verder van de Wegenwet voorgeschreven procedure; en aansluitend daaraan:

  • b.

    geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in dat gebied voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk door het plaatsen van borden ‘Verboden toegang voor..., artikel 461 Wetboek van Strafrecht’.

Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:

De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het verkeer openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan verkeersbelangen bij verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten zouden worden. Of deze opvatting juist is, is de vraag.

Artikel 461 van het WvSr is niet op openbare wegen van toepassing.

Deze aanpak stuit overigens ook op bezwaren, met name in die gevallen waarin de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd, indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen machtsmiddelen om daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten aanzien van wegen die – zij het ook beperkt – voor het openbaar verkeer toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.

Zie ABRvS 25-03-1982, AB 1983, 64 (Helmond) en 05-11-1982, Gst. 1983, 6745, 10 (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!) de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze plicht wordt verzaakt.

Men kan – zoals hierboven reeds bleek – aan genoemde consequenties niet ontkomen door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers. Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan nog zou artikel 461 van het WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.

Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Overigens moet de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer onvoorwaardelijk geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS 1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, p. 225).

Verordening stiltegebieden

Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wm een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

Volgens de model-Proviniciale Milieuverordening is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.

Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 10 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.

Jurisprudentie

Vz. ARRS 30-08-1990, AB 1991, 432. Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend.

AFDELING 5.3. VUURVERBOD

Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, eerste lid, van de Wm. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm beperkt zich alleen tot de bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op grond van de APV noodzakelijk.

Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen als geregeld in artikel 10.2, eerste lid, en 10.63, eerste lid, van de Wm

In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het voormalig ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het storten en verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.

Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm worden gegeven en wat is de reikwijdte van de wet?

Uit de kamerbehandeling blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor de volgende zaken:

  • -

    vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren. 

  • -

    instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein landschapsbeheer. 

De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm is het in ieder geval verboden ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder is het mee verbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie) verboden.

Artikel 10.2 van het WvSr ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm, het verbrandingsverbod hierop niet van toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de zogenaamde artikel 8.40 Wm-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen voor homogene bedrijfscategorieën.

Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk GFT-afval op grond van artikel 10.21 van de Wm. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.

Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wm de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wm – een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te leggen.

Het verdient sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het bevoegde gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.

Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm?

Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht kan worden aan het voorschrift dat:

  • -

    het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving; 

  • -

    de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; 

  • -

    de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; 

  • -

    verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken;

  • -

    van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van de dienst [...] of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de regionale brandweer, ten minste één uur voor de verbranding telefonisch moet worden geïnformeerd (telefoon [...]). 

In de ontheffing op grond van de Wm kunnen ook voorschriften worden opgenomen over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel gemeenten eisen een bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat of zandbed. De grondslag van een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het verdient de aanbeveling om in de ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming op te nemen.

Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van bepaalde ziektes?

In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes, is het noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de zieke bomen, te nemen. De procedure van ontheffingverlening duurt in deze gevallen te lang om telkens een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend kunnen worden, waarbij in de ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal gemeenten eist bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektekundige dienst van de NVWA. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moet worden gescheiden.

Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm voor onbepaalde tijd worden verleend?

Nee, volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hangt de beantwoording van deze vraag samen met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk verbod of een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een soort vergunningstelsel worden. Een ontheffing zal derhalve altijd voor een bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze omvang voor een bepaalde tijd is onder andere afhankelijk van de invulling van het in artikel 10.63, tweede lid, van de Wm opgenomen criterium. Na verloop van tijd kunnen er bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen op een hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van te verbranden. Tevens is de looptijd van de ontheffing afhankelijk van de formulering van de ontheffing zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag worden exacter in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de nader omschreven periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de gemeente) is het volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie jaar wordt verleend. Als de periode niet exact staat omschreven, stuit een dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren. Er zijn dus verschillende mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar. Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te bepalen.

De aanvullende werking van artikel 5.34

Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten.

Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wm aan.

Voor artikel 5.34 betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid.

Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm en de ontheffing op grond van artikel 34, tweede lid, worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?

Er is een aantal argumenten om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders. Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (WED), terwijl overtreding van artikel 5.34 strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154 van de Gemeentewet.

Het verschil in wettelijke grondslag (Wm versus Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in strafbaarstelling (WED versus Gemeentewet) pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.

Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond van artikel 5.34?

Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5.34. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:34 kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wm. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5.34 hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag hiervoor is artikel 4:5 van de Awb.

Uitzonderingen artikel 5.34

In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden, niet onder het nieuwe regime van de Wm. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.

De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of het hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is er geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).

Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wm en de APV helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm. Daar waar de Wm hierop gebaseerde regels of voorschriften in een onderwerp voorziet, is er geen ruimte voor de APV.

Hoofdstuk 6. Reclame

1. Inleiding

1.1 Aanleiding en achtergrond

Steeds vaker worden er in de gemeente Oldebroek reclame-uitingen gesignaleerd. Deze worden groter, (soms) opvallender en sommige zelfs voorzien van verlichting. Binnen de omgeving van de gemeente zijn veel ontwikkelingen gaande. Men is onder andere bezig met het realiseren van een regionaal bedrijventerrein tussen de A28 en de A50, gezamenlijk met de gemeenten Hattem en Heerde. Op dit moment is de vernieuwing van het centrum van Oldebroek gerealiseerd en in de toekomst wil men het winkelcentrum van Wezep geheel vernieuwen. Dit heeft veel impact op de omgeving, de ruimtelijke ordening en ook op reclame-uitingen.

De gemeente Oldebroek heeft behoefte aan een toetsingskader voor zowel permanente als tijdelijke reclame-uitingen. Ook bestaat er onduidelijkheid over waar de grens ligt tussen commerciële en ideële reclame. Hierdoor is het onmogelijk om goed te kunnen anticiperen op ontwikkelingen van reclame-uitingen en kan wildgroei niet tegengegaan worden. Het gevaar bestaat dat door het ontbreken van reclamebeleid de gemeente geen grip krijgt op de verschillende reclame-uitingen, waardoor het landschap, de omgeving en het straatbeeld nog meer zal worden verstoord. Het bestuur van de gemeente streeft er naar om de landelijke identiteit van de gemeente te behouden en daarom vindt men het belangrijk dat er duidelijke regels komen waarbinnen reclame eventueel wordt toegestaan. Het bestuur heeft dan ook de opdracht gegeven om regels betreffende reclame voor de gemeente Oldebroek te ontwikkelen.

Oldebroek voor mekaar

'Oldebroek voor Mekaar' staat voor samen werken aan een sterke en leefbare samenleving. Als we het samen doen, inwoners en de gemeente, met elkaar maar ook voor elkaar, dan komt het goed. We gaan de klus klaren, t komt voor mekaar'. Er is ruimte om zelf verantwoordelijkheid te dragen en initiatieven te ontplooien, we ondersteunen en faciliteren elkaar waar dat kan. Een nieuwe aanpak, waarin de samenleving aan het roer staat. Mensen doen het samen, voor elkaar en maken Oldebroek voor mekaar. Dit betekent dat we het als gemeente écht anders doen. We sluiten aan bij wat de samenleving wil en kan.

Deregulering

Om het allemaal eenvoudiger en overzichtelijker te maken is het vergunningenstelsel uit de verordening gehaald. Het kan echter natuurlijk mogelijk zijn dat een reclameobject van dusdanige omvang is, dat het onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van de toelichting. In de verordening wordt een gebiedsindeling gehanteerd. Er zijn vijf verschillende gebieden, waarbij in het centrum gebied en op bedrijventerreinen de reclame grotendeels vrij wordt gelaten.

1.2 Probleemstelling

Wanneer de gemeente Oldebroek nog langer wacht met het realiseren van een regels betreffende reclame dan kunnen de volgende problemen ontstaan:

  • Er zal onduidelijkheid blijven bestaan over wat wel en niet mag aan

  • reclame-uitingen;

  • Verstoring van het landschap, de omgeving en het straatbeeld;

  • Wildgroei van reclame-uitingen;

  • Door het ontbreken van een toetsingskader is handhaven moeilijk;

  • Toename van het aantal klachten van burgers over reclame-uitingen.

  • Betrokken partijen:

  • Ondernemers/ondernemersvereniging;

  • Burgers;

  • Bedrijvenkring;

  • LTO;

  • Provincie Gelderland;

  • Rijkswaterstaat;

  • Gemeente Oldebroek;

  • Gemeenten Hattem en Heerde.

1.3 Doel reclameverordening

Door middel van een goede en duidelijke reclameverordening, kan aan alle belanghebbenden duidelijk worden gemaakt wat de criteria zijn betreffende reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek. Door middel van de reclameverordening kunnen regels over soort, grootte, aantal, de plaats en eventuele normen naar buiten worden gebracht. Daarnaast kan binnen de gemeente eventueel handhavend worden opgetreden tegen illegale reclame-uitingen. De gedachte is dat de gemeente Oldebroek haar eigen identiteit wil

behouden. De visie van de gemeente is: ‘de gemeente Oldebroek is een aantrekkelijke, rustige woongemeente met een zeer afwisselend, landelijk buitengebied en dat wil men zo behouden’.

1.4 Leeswijzer

Onderliggende toelichting op de reclameverordening is als volgt opgebouwd. Eerst komt in hoofdstuk 2 een inventarisatie van soorten reclame-uitingen. In dit hoofdstuk wordt het begrip reclame gedefinieerd, welke soorten reclame er bestaan en er wordt een inventarisatie gegeven van de reclame-uitingen die in de gemeente Oldebroek voorkomen. In hoofdstuk 3 wordt het juridisch kader omschreven, hierin staan de randvoorwaarden die betrekking hebben op reclame-uitingen. In hoofdstuk 4 geeft een toelichting op de verbodsbepalingen. In hoofdstuk 5 is het onderdeel handhaving opgenomen. Daaropvolgend wordt in hoofdstuk 6 het onderwerp reclamebelasting behandeld. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de bronvermelding weergegeven.

2. Inventarisatie soorten reclame-uitingen

2.1 Begrip reclame

Er zijn verschillende inzichten over het begrip reclame. In veel gevallen staat het commerciële belang voorop, maar ook een ideële aankondiging kan reclame zijn. Het is noodzakelijk om een duidelijke omschrijving van het begrip reclame te hanteren. De definitie van reclame is: 'iedere openbare en/of systematische directe dan wel indirecte aanprijzing van goederen, diensten en/of denkbeelden door een adverteerder of geheel of deels ten behoeve van deze, al dan niet met behulp van derden. Reclame kan een permanente functie hebben, maar ook voor tijdelijke evenementen of activiteiten wordt reclame gemaakt.

2.2 Soorten reclame

Reclame kan worden onderscheiden in ideële of commerciële reclame.

Verder is er onderscheid in:

  • Tijdelijke reclame: is bedoeld om, kortdurend, de komst van een evenement of activiteit aan te kondigen in de gemeente.

  • Bijvoorbeeld: Aankondigingen door aanplakken van posters op tijdelijke borden en/of op daarvoor aangewezen borden of zuilen;

  • Permanente reclame: ideële of commerciële uiting die voor onbepaalde tijd als zelfstandig object is geplaatst op of aan een (on)roerende zaak is bevestigd of aangebracht. Bijvoorbeeld: Opschriften op afbeeldingen op of aan een onroerend goed; reclameobjecten bevestigd op of aan een onroerend goed; reclameobjecten aan- of in de vorm van een zelfstandige constructie.

2.2.1 Ideële reclame

Dit zijn reclame-uitingen die zijn gericht op het bekendmaken van organisaties, diensten, activiteiten of evenementen met een niet commercieel doel.

2.2.2 Commerciële reclame

Dit zijn reclame-uitingen die een zuiver commercieel doel hebben om een bedrijf of product aan te prijzen. Deze commerciële uitingen zijn vaak permanente reclame-uitingen. Daarnaast is er tijdelijke reclame voor evenementen met een zuiver commercieel doel of bijvoorbeeld tijdelijke bouwborden.

2.2.3 Omgevingsvergunningplichtig

Een reclame kan bestaan uit een constructie die op zichzelf staat of is bevestigd op of aan een bouwwerk. Voor een dergelijk reclameobject is volgens de bepalingen van de Wabo een omgevingsvergunning verplicht. In artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is dit dieper uitgewerkt.

2.2.4 Niet omgevingsvergunningplichtig

Reclame kan tevens bestaan uit een opschrift of afbeelding op een (on)roerend goed in de vorm van beplakken of beschilderen. Volgens de bepalingen van de Wabo is er dan geen sprake van een bouwwerk zodat er geen omgevingsvergunning nodig is.

2.3 Inventarisatie reclame-uitingen

Om een duidelijk beeld te krijgen van alle aanwezige reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek heeft er een inventarisatie plaatsgevonden.

De volgende reclame-uitingen zijn daarbij aangetroffen:

Reclame op gevels:

Het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van commerciële reclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook die vanaf de weg zichtbaar is, waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd. Hieronder valt ook ruitreclame.

Weilandborden:

Een in het weiland geplaatste reclame-uiting aangebracht op of aan een verrijdbaar onderstel.

Driehoeksborden/ aankondigingsborden:

Tijdelijke reclame geplakt op een metalen frame ter aankondiging van een evenement.

Sandwichborden:

Twee borden van karton tegen elkaar om

bijvoorbeeld een lantaarnpaal heen.

Reclamezuilen:

Een standaard van maximaal 300 cm hoog

waaraan een dubbelzijdig reclamebord is

aangebracht.

Aanplakbiljetten:

Pamflet aangebracht op een (on)roerend goed door middel van lijm.

Uithangborden:

Haaks op de gevel aangebrachte commerciële reclame waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd.

Abri’s:

Bushaltehokjes bij haltes van het openbaar

vervoer. De abri’s in Wezep zijn eigendom van de gemeente Oldebroek. De Abri’s aan de weg van Elburg naar Wezep (Zuiderzeestraatweg) zijn eigendom van de provincie Gelderland.

Lichtbakken:

Reclame voorzien van een kunstlichtbron. Al dan niet bevestigd aan een onroerend goed.

Reclame bij sportaccommodaties:

Reclameborden rond het sportveld, gericht op het veld, of in de tribune.

Reclame langs de snelweg:

Reclamemasten, -zuilen en megaboards geplaatst langs de A28 en de A50, al dan niet op grondgebied van de provincie Gelderland.

Plattegronden:

Plattegronden worden op toegangswegen

geplaatst met de plattegrondzijde gericht op het binnenkomende verkeer. Deze borden zijn in eigendom van de gemeente Oldebroek.

Reclame op schakelkasten:

Reclame-uiting aangebracht op een schakelkast.

Reclame op zonweringen, rolluiken en luifels:

Commerciële reclame aangebracht op een aan de gevel bevestigde zonwering, rolluik of luifel waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd.

Vlaggen en spandoeken:

Een vlag is een rechthoekig stuk doek in op

vaste wijze geschikte kleuren, gevoerd als

zinnebeeld van een partij. Een spandoek is een gespannen doek op, aan of boven de weg dan wel op of aan bouwwerken voorzien van een reclame-uiting.

Bouwbord:

Geeft een actuele en tijdelijke ontwikkeling

(bouw- of sloopactiviteit) aan. Dikwijls geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het bouwterrein waarop de activiteit wordt uitgevoerd.

Draaiend reclamebord:

Verplaatsbare, draaiende reclamezuil van

ongeveer 1,50 meter hoog voor commercieel gebruik. Wordt veelal gebruikt door horecaondernemers of winkeliers.

Stoepborden:

Verplaatsbaar reclamebord van ongeveer 1,00 meter hoog voor commercieel gebruik.

Uitstallingen:

Stellingen, bakken, rekken en andere

voorwerpen waar goederen in uitgestald kunnen worden voor de verkoop.

Rotonde reclame:

Reclameborden geplaatst op een rotonde.

Lichtmastreclame:

Reclameborden (meestal ‘s avonds verlicht)

gemonteerd aan een lichtmast, vaak langs drukke toegangswegen.

3. Juridische aspecten

De verordening heeft als doel, binnen het juridische kader een beleid te voeren dat gericht is op het bieden van mogelijkheden voor reclame-uitingen die rekening houdend met kwaliteit van het landschap, de omgeving en het straatbeeld, goed kunnen worden ingepast. In dit hoofdstuk wordt omschreven met welke wettelijke kaders rekening gehouden dient te worden.

3.1 EVRM, IVBPR en de Grondwet

In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden is het recht van vrije meningsuiting geregeld in artikel 10. Daarnaast is de vrijheid van meningsuiting ook geregeld in artikel 19 van het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. In artikel 7 van de Grondwet is de vrijheid van meningsuiting geregeld. Het artikel bepaalt dat iedereen vrij is om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Deze drukpersvrijheid geldt niet voor handelsreclame. De wet bepaalt dat de overheid bij ideële reclame alleen voorschriften mag stellen aan de distributie met het oog op bescherming van de openbare orde.

3.2 Wet beheer rijkswaterstaatswerken

Deze wet is van toepassing op de rijkswegen, dit is voor de gemeente Oldebroek de A28 en de A50. Deze wet bepaalt in artikel 2 lid 1 dat het verboden is om zonder toestemming van de minister van Infrastructuur en Milieu gebruik te maken van een waterstaatwerk (rijkswegen) door anders dan waartoe het is bestemd:

  • a.

    daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

  • b.

    daarin, daaronder, of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

Verder verwijzen wij in het kader van deze wet naar het Kader Beoordeling van Objecten langs (snel)wegen van oktober 2011).

3.3 Wegenverordening Gelderland 2010

De verordening is van toepassing op de wegen, die ingevolge de Wegenwet, in beheer en onderhoud zijn bij de provincie Gelderland. Dit betreft voor de gemeente Oldebroek de Zuiderzeestraatweg, de N308. In artikel 3.1 lid 1 onder b van de Wegenverordening Gelderland 2010 staat dat het verboden is handelsreclame te maken of te voeren met behulp

van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Lid 2 onder c stelt dat borden of andere aanduidingen op gevels van gebouwen binnen de bebouwde kom op een hoogte van ten minste 2.20 meter bevestigd mogen zijn en niet meer dan 1 meter uit de voorgevel mogen reiken.

3.4. Reclame Code Commissie

In de Nederlandse Reclame Code (NRC) zijn de regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De regels zijn opgesteld in overleg met partijen die samen het adverterend bedrijfsleven vormen namelijk: adverteerders, reclameadviesbureaus en media. Op deze wijze nemen zij hun verantwoordelijkheid voor de inhoud en verspreiding van reclame-uitingen. De NRC bestaat uit een algemeen gedeelte met regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen en bijzondere reclamecodes die gelden voor specifieke producten en diensten.

3.5 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oldebroek

Artikel 2:4 lid 1 bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie hiervan. Lid 2 stelt dat het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels kan stellen ten aanzien van reclameborden en spandoeken.

Artikel 2:16 lid 2 onder a bepaalt dat het verboden is om zonder schriftelijke toestemming op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is een aanplakbiljet of een ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of aan te brengen. In lid 4 wordt gewezen op de mogelijkheid dat het college aanplakborden kan aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het aanbrengen van handelsreclame op deze borden is verboden. Artikel 3:9 stelt dat het verboden is om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Hierbij dient per geval een beoordeling plaats te vinden. Met betrekking op reclamevoertuigen bepaalt artikel 4:5 lid 1 en 2 dat het verboden is om, zonder ontheffing van het college, een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

3.6 Reclameverordening 1993 ( verordening tot het weren van ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame in de gemeente Oldebroek. (Ingetrokken).

In de reclameverordening stond de bepaling dat het verboden was om zonder vergunning van burgemeester en wethouders op een onroerend goed handelsreclame te maken door middel van een opschrift, een aankondiging of een afbeelding, zichtbaar vanaf de openbare weg. De reclameverordening is in april 2009 ingetrokken.

3.7 Welstandsnota gemeente Oldebroek

De gemeenteraad heeft op 6 maart 2014 een gewijzigde welstandsnota vastgesteld. Deze wijziging houdt in dat de gebieden die op niveaukaart in de welstandsnota 2004 staan aangegeven met het welstandsniveau 2 en 3 wijzigen in welstandsniveau 4. Dit met uitzondering van plannen voor gehele nieuwbouw van hoofdgebouwen in de gebieden waarvoor, na de oorspronkelijke vaststelling van de welstandsnota 2004 een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld.

3.8 'Wet algemene bepalingen omgevingsrecht' en 'Wet ruimtelijkeordening'

3.8.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is op 1 oktober 2010 in werking getreden. De Wabo maakt onderdeel uit van de bredere moderniseringsoperatie van het Ministerie van I en M en integreert een groot aantal vergunningen, ontheffingen en meldingen tot één omgevingsvergunning ten einde de dienstverlening aan de burgers en het bedrijfsleven te vergroten. Onder andere de ontheffingen vanuit de Wet ruimtelijke ordening, de bouwvergunning vanuit de Woningwet en de reclamevergunning vanuit de APV zijn geïntegreerd in de Wabo.

3.8.2 Wet ruimtelijke ordening

De gemeenteraad dient voor het gehele grondgebied van de gemeente bestemmingsplannen vast te stellen. In een bestemmingsplan zijn de bestemmingen van de grond en regels omtrent het gebruik van de grond vastgelegd. De bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen. Dit wil zeggen dat omgevingsvergunningen in beginsel alleen verleend kunnen worden als zij niet in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan. Indien de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan er in sommige gevallen een omgevingsvergunning worden verleend door middel van een afwijking van het bestemmingsplan. Daarnaast kan er bij het niet naleven van de regels, handhavend worden opgetreden.

3.9 Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht geeft onder andere regels voor de uitvoering van bestuurstaken op basis van bijzonder wet- of regelgeving, bijvoorbeeld de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de APV. De Algemene wet bestuursrecht geeft dus ook regels voor de uitvoering van het in de APV gestelde reclameverbod.

3.10 Monumentenwet 1988 / Monumentenverordening Oldebroek 2010

Artikel 11 van de monumentenwet 1988, welke geldt voor alle rijksmonumenten, bepaalt dat het verboden is om een beschermd monument te beschadigen of te vernielen zonder omgevingsvergunning. Om reclame aan te brengen op of aan een rijksmonument is een

omgevingsvergunning nodig om het monument te mogen wijzigen. Ook voor het aanbrengen van reclame op een gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning op basis van de gemeentelijke Monumentenverordening nodig.

Artikel 10 van de Monumentenverordening Oldebroek bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften:

  • een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

  • een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

3.11 Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet. Het is een zogenaamde raamwet. De Wm bevat het algemene kader van de milieuwetgeving. Een deel van de Wm is ondergebracht in de Wabo. De Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn doorgaans ook van toepassing op bedrijven. Indien een bedrijf namelijk onder één van de categorieën valt, zoals aangegeven in Bijlage I van het Bor, is het bedrijf in principe meldings- of vergunningsplichtig.

Indien een bedrijf meldingsplichtig is, dan zijn de voorschriften van het bijbehorende besluit van toepassing voor het bedrijf. Is het bedrijf vergunningsplichtig, dan worden aan de vergunning voorschriften verbonden om nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken. Een vergunning mag overigens alleen worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit, voluit het ‘Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’, in werking getreden. Het activiteitenbesluit maakt onderscheid in drie typen bedrijven (A,B en C). Type A bedrijven hoeven niet te melden, type B bedrijven zijn meldingsplichtig en type C bedrijven zijn vergunningsplichtig of bedrijven waarop het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw milieubeheer op van toepassing is. Met betrekking tot reclame met verlichting is er geen specifiek voorschrift in het Activiteitenbesluit opgenomen. Als sprake is van grote lichthinder kan worden teruggegrepen naar de zorgplichtbepaling (hoofdstuk 2). Ook is het in bepaalde gevallen mogelijk om maatwerkvoorschriften op te nemen. Dit zal van geval tot geval worden bekeken. Een maatwerkvoorschrift moet een milieuvoorschrift zijn, en mag dus niet gericht zijn op belangen die buiten het kader van de Wm vallen. Voorbeeld voorschrift kan zijn over de intensiteit van de verlichting, de richting van de verlichtingsstraal en de kleur.

4. Bepalingen

In artikel 3 van de verordening zijn bepalingen opgenomen voor reclame-uitingen.

De toelichting op deze bepalingen is hieronder beschreven.

4.1. Beleid per gebied

In de reclameverordening wordt een gebiedsindeling gehanteerd. Dit omdat het niet wenselijk is om voor de gehele gemeente dezelfde voorwaarden te hanteren ten aanzien van reclame-uitingen. Een buitengebied vraagt immers om een andere benadering dan een bebouwde kom of een bedrijventerrein.

De volgende gebiedsindeling wordt gehanteerd:

  • -

    Bebouwde kom

  • -

    Centrum

  • -

    Buitengebied

  • -

    Bedrijventerrein

  • -

    Sportvelden

4.1.1. Bebouwde kom

In een gebied dat hoofdzakelijk is ingericht voor woondoeleinden passen in beginsel geen reclame-uitingen. Er is namelijk geen sprake van een relatie tussen het woonmilieu en reclame-uitingen. Er zijn echter drie uitzonderingsituaties. Indien sprake is van woningen met een aan-huisverbonden beroep, een Bed en Breakfast of indien sprake is van een bedrijf in een woonomgeving, dan zijn reclame-uitingen toegestaan. Voor de afmetingen en aantallen voor gevelreclame en reclame in de tuin wordt verwezen naar de reclameverordening.

4.1.2. Centrum

In gebieden met een uitgesproken winkelkarakter en de aanwezigheid van horeca zijn de mogelijkheden tot het plaatsen van reclame-uitingen ruimer. Een winkelgebied is bij uitstek de locatie voor reclame-uitingen.

4.1.3. Buitengebied

Reclame-uitingen horen in beginsel niet thuis in het buitengebied. Reclame sluit niet aan bij het landelijke karakter van de omgeving en daarnaast vormt het een visuele vervuiling. Vandaar dat er in het gehele buitengebied slechts beperkt ruimte is voor het plaatsen van reclame-uitingen. Voor agrarische bedrijven, een aan huis gebonden beroep of een Bed en Breakfast is het toegestaan om reclame-uitingen met een bescheiden afmeting te plaatsen binnen het bouwvlak. Voor de afmetingen en aantallen voor gevelreclame en reclame in de tuin wordt verwezen naar de reclameverordening.

Algemene richtlijnen:

In het buitengebied (inclusief A28 en A50) zijn reclameborden, aankondigingen en lichtreclames niet toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden kan hierop een uitzondering worden gemaakt, denk hierbij aan reclame-uitingen bij bedrijven of woningen met een aan-huisverbonden beroep.

4.1.4. Bedrijventerrein

Bij bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven maken reclameuitingen vanzelfsprekend deel uit van de openbare ruimte. Binnen de bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven reclame-uitingen dient men rekening te houden met de algemene bepalingen zoals opgenomen in de verordening. Extra beperkingen zijn niet van toepassing in dit gebied.

Bedrijventerreinen in de gemeente Oldebroek

Binnen de gemeente Oldebroek zijn in de verschillende kernen de volgende bedrijventerreinen gelegen:

  • Oldebroek:

    • -

      Bedrijventerrein Oude Dijk

  • t Loo:

    • -

      Bedrijvenpark Stuivezand

  • Wezep:

    • -

      Bedrijventerrein Engeland

    • -

      Bedrijventerrein Zeuven Heuvels

    • -

      Bedrijventerrein Prins Mauritslaan/Prinses Margrietlaan

    • -

      Bedrijventerrein Voskuil

    • -

      Bedrijventerrein Wezep-Noord

  • Hattemerbroek:

    • -

      Bedrijvenpark H20

Op bovenstaande bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven is het mogelijk om reclame op zowel de gevel en/of op het voorerf te plaatsen.

4.1.5. Sportvelden

Sportvelden liggen vaak in een "groene" omgeving. Reclame-uitingen zijn toegestaan, mits het is beperkt tot en gericht op het sportpark. De op het veld gerichte onverlichte reclame is toegestaan voor zover deze voldoen aan onderstaande richtlijnen.

Algemene richtlijnen

Het verlichten van reclame-uitingen is niet toegestaan. Reclameborden van sponsoren zijn op het sportvelden gericht.

Evenementen

Bij evenementen in de gebieden “sportvelden en/of buitengebied” zijn vaak sponsoren betrokken. Sponsoren krijgen van de organisatie van het evenement vaak de gelegenheid om reclame te maken voor zijn of haar bedrijf. Het tijdelijk plaatsen van reclame-uitingen op een perceel waar het evenement plaatsvindt is toegestaan.

4.2 Niet perceelgebonden reclame-uitingen

Niet perceelgebonden reclame-uitingen zijn onder andere:

  • driehoeksborden;

  • spandoeken;

  • billboards;

  • weilandborden;

  • reclame op voertuigen;

  • reclame op rotondes.

  • reclame- of aankondigingsborden (driehoeksborden/sandwichborden) en spandoeken;

  • reclame- of aankondigingsborden en spandoeken zijn onder bepaalde voorwaarden toegestaan.

4.2.1 Billboards

Het meest voorkomende formaat reclamebord is (circa) 240 centimeter hoog en 330 centimeter breed, die vooral langs in- en uitvalswegen geplaatst zijn. Behalve borden met een "vaste" reclame-uiting bestaan er borden met wisselende boodschappen. Hierbij bestaat het paneel uit een aantal driezijdige balken, waarbij afwisselend drie verschillende reclame-uitingen vertoond kunnen worden, of uit een omhoog en omlaag draaiende film waarop de reclame-uitingen bevestigd zijn. Billboards zijn in alle deelgebieden niet toegestaan, daar zij het uiterlijk schaden van de gemeente Oldebroek. Hierdoor wordt ook de kwaliteit van de openbare ruimte aangetast.

4.2.2 Weilandborden

Het meest voorkomende formaat reclamebord is (circa) 240 centimeter hoog en 330 centimeter breed, die vooral langs in- en uitvalswegen geplaatst zijn. Behalve borden met een "vaste" reclame-uiting bestaan er borden met wisselende boodschappen. Hierbij bestaat het paneel uit een aantal driezijdige balken, waarbij afwisselend drie verschillende reclame-uitingen vertoond kunnen worden, of uit een omhoog en omlaag draaiende film waarop de reclame-uitingen bevestigd zijn. Weilandborden zijn in alle gebieden niet toegestaan, daar zij het uiterlijk schaden van de gemeente Oldebroek. Hierdoor wordt ook de kwaliteit van de openbare ruimte aangetast.

4.2.3 Reclame rotonde

Op 9 juli 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om bedrijven te benaderen voor het overnemen van het beheer en onderhoud van rotondes in onze gemeente. Dit op basis van een contract. In het contract zijn de volgende voorwaarden opgenomen met betrekking tot reclame :

  • Per rotonde maximaal twee borden, met ieder een grootte van maximaal 70 cm breed, maximaal 50 cm hoog en waarbij de bovenkant van het bord niet hoger reikt dan 70 cm boven het maaiveld. De borden moeten minimaal 1 meter uit de rand van de verharding worden geplaatst.

  • De borden mogen niet worden verlicht en mogen niet worden voorzien van fluorescerende of reflecterende materialen.

  • De opdruk moet in tekst en/of beeld slechts de bedrijfsnaam, logo of bedrijfsslogan bevatten met eventueel een verwijzing naar beheer en onderhoud van de rotonde.

  • De borden mogen niet de werking of zichtbaarheid ontnemen van of verwarring veroorzaken met bewegwijzering, openbare verlichting en verkeersboden.

  • Er mag geen reclame worden gemaakt voor tabak en/of alcohol. Evenmin mag reclame worden aangebracht die naar het oordeel van gemeente Oldebroek naar vorm en inhoud in strijd is met de openbare orde of goede zeden.

5. Handhaving

Handhaving is een belangrijk instrument in handen van de gemeentelijke overheid. Door een consequent handhavingsbeleid kan de aantasting van de kwaliteit van de leefomgeving, de openbare ruimte en de natuur grotendeels worden voorkomen.

5.1 Handhavingsmiddel

Deze reclameverordening is alleen gericht op reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek om te beoordelen welke reclame-uitingen voldoen aan de bepalingen. Wanneer een reclame-uiting niet voldoet, heeft de gemeente de mogelijkheid om handhavend op te treden. Ieder jaar wordt het Handhavingsuitvoeringprogramma vastgesteld. Hierin wordt onder andere weergegeven wat er komend jaar op de planning staat en wat de prioritering is.

Wanneer dit beleid is vastgesteld zal moeten worden gekeken of het middels een gebiedsindeling en fasering mogelijk is om controles uit te voeren, zodat eventueel een gefaseerde aanpak mogelijk is. Dit daar de uren qua controles handhaving beperkt zijn en deze dus gespreid moeten worden ingezet. Er zal dan ook gewerkt gaan worden aan de hand van een plan van aanpak.

6. Belastingen

Precariobelasting

Volgens artikel 228 van de Gemeentewet kan de gemeente een precariobelasting heffen voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Momenteel heft Oldebroek precariobelasting voor het innemen van grond voor uitstalling van te verkopen artikelen of eetwaren op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, anders dan op de week- of jaarmarkt. Met ingang van 2013 wordt in de gemeente Oldebroek ook precariobelasting geheven voor buizen, kabels, draden en leidingen. De precariobelasting kan eventueel uitgebreid worden met een heffing over meerdere zaken onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, zoals terrassen en luifels.

Reclamebelasting

Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan de gemeente een reclamebelasting heffen voor openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Deze belasting wordt niet in de gemeente Oldebroek geheven. De raad kan beslissen dat bepaalde aankondigingen vrijgesteld zijn van reclamebelasting, bijvoorbeeld aankondigingen op verkeersborden of politieke aankondigingen ten tijde van de (gemeenteraads-)verkiezingen. Reclamebelasting kan in de gehele gemeente geheven worden of alleen in een deel van de gemeente. De opbrengst van de reclamebelasting kan naar de algemene middelen van de gemeente gaan, behalve als er afspraken zijn in het kader van een ondernemersfonds. Invoering van reclamebelasting voorkomt dan dat zogenaamde freeriders niet meebetalen aan activiteiten en voorzieningen, omdat de reclamebelasting voor iedereen geldt. Daarnaast kan deze belasting een regulerend karakter hebben door het opwerpen van een financiële drempel voor openbare aankondigingen. Het is mogelijk om in een verordening aankondigingen waarvoor al precariobelasting wordt betaald uit te sluiten van de reclamebelasting.

Hoofdstuk 7. Wegen en water

AFDELING 7.1 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN

Algemeen

Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204).

Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.

Jurisprudentie

HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 (bromfietsverbod Sneek), HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 (rijverbod Schiermonnikoog) en ARRS 05-03-1981, Gst. 1981, 6678 (rijverbod Vlieland). De raad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen – ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.

Artikel 7.1 Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg

Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).

Variant 1 (Algemene regel met ontheffingsmogelijkheid)

In variant 1 is een breed gestelde algemene regel opgenomen in plaats van een vergunningstelsel. Deze variant heeft de voorkeur van de VNG. De raad maakt met het overnemen van deze variant een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid. In de praktijk wordt er ook niet vaak handhavend opgetreden tegen voorwerpen die strikt gesproken alleen met vergunning op of aan de weg zouden mogen staan.

Een concretere invulling van het begrip hinder voor het verkeer is in het tweede lid opgenomen.

In het derde lid is de bevoegdheid voor het college opgenomen om nadere regels te stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. Dit artikellid is ook opgenomen omdat veel gemeenten niet met een horeca-exploitatievergunning werken, en dus niet langs die weg een vergunning afgeven. Terrassen zijn dan alleen nog maar gereguleerd door de brede algemene regel van artikel 2:10. Dat is voor veel gemeenten een zeer verregaande stap. Daarom kan het college op grond van het derde lid regels stellen over omvang, de vrije doorgang voor verkeer, voetgangers en hulpdiensten en de sluitingstijden. Ook bestaat er soms vrees voor een wildgroei aan uitstallingen. Verder kunnen voor op of aan de weg geplaatste reclames nadere regels worden gesteld. De opsomming in het derde lid kan natuurlijk desgewenst worden aangevuld.

Een dergelijke optie is ook denkbaar voor alle voorwerpen. Dan ontstaat in plaats van een vergunningstelsel een algemene regel die in detail voorschrijft wat er wel en niet is toegestaan. Een aantal gemeenten heeft daarvoor gekozen. Nadeel van die aanpak is dat zo’n regel onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat voor een heel scala aan voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers, straatmeubilair, et cetera) moet worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden geplaatst, en wat de omvang mag zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel niet overal in de gemeente dezelfde zal zijn. Het zal duidelijk zijn dat zo’n regel zo afhankelijk is van de lokale situatie, dat die niet als model door de VNG kan worden aangeboden.

Voordeel van een gedetailleerde regel is dat er de nodige duidelijkheid wordt gegeven. Daarmee is meteen een nadeel genoemd van een algemeen gestelde regel. Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten ‘zorgplicht’ neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. De burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij van mening is dat het verbod van het eerste lid wordt overtreden, zal daarover al snel discussie ontstaan. Dat vraagt inschattingsvermogen, zelfstandigheid en tact van de toezichthoudende ambtenaren. Als de gemeente zou besluiten om de regeldruk terug te brengen en van een vergunning naar een algemene regel te gaan, is het daarom van groot belang dat de handhavers en toezichthouders daarbij nauw en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium worden betrokken, zodat zij weten waar zij aan toe zijn en hoe ze in de nieuwe situatie kunnen handelen. De gemeente zal haar handhavingsbesluit zeer nauwkeurig dienen te motiveren.

Voor het verlenen van ontheffingen (vierde lid) is het college in beginsel het bevoegde bestuursorgaan. Voor een terrasontheffing is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan. Hij kan daarvoor desgewenst beleidsregels vaststellen op grond van artikel 4:81 van de Awb.

De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning indien het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo (vijfde lid).

Variant 2 (Vergunningplicht)

Algemeen

Net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde voorschriften voor duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder.

Voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die per definitie tijdelijk worden geplaatst, maar waarvan wenselijk is dat ze niet onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.

Ten slotte kan de gemeente een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten bereiken door ruim invulling te geven aan de vrijstellingsbepaling van het derde lid. Eén van de belangrijkste ergernissen die de toepassing van dit artikel oproept, is dat gemeenten soms een vergunning eisen, terwijl van reële hinder of overlast geen sprake is. Er kan worden gedacht aan bloembakken, uitstallingen (eventueel alleen in het winkelgebied) en kleine reclameborden.

Eerste lid

Dit lid regelt de vergunningplicht.

Tweede lid

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning indien het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo.

Derde lid

Hier is naast de algemeen geldende weigeringsgronden een verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde gebruik problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan (‘rubrica est lex’-regel).

ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487. De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd. De ontheffing voor het plaatsen van een object zoals de skihut is geregeld binnen het hoofdstuk ‘Openbare orde’ en geplaatst in de afdeling ‘Bruikbaarheid en aanzien van de weg’. De door de burgemeester genoemde omstandigheden zijn geen omstandigheden waarvan is gebleken dat de bruikbaarheid en het aanzien van de weg erdoor in het geding zouden komen. Ook het niet hebben van een DHW-vergunning is geen omstandigheid die een gevaar oplevert voor de openbare orde in verband met de bruikbaarheid en het aanzien van de weg.

ABRvS 02-03-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6323 (Edam/Volendam). De plaatsing van een artikel heeft een uitstraling naar de wijze waarop het gelezen moet worden.

Vierde lid, onder a (evenementen)

Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.

Vierde lid, onder b (terrassen)

Het in artikel 2:10 bedoelde verboden gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2:27, tweede lid, deel uit van dat bedrijf. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen.

Als de gemeente geen exploitatievergunningenstelsel in zijn APV heeft geregeld, zal de toetsing van een vergunningsaanvraag voor een terras bij een voor het publiek openstaand gebouw rechtstreeks gebaseerd moeten zijn op artikel 174 van de Gemeentewet. De gemeente die in dat geval toch een vergunning wil geven op grond van artikel 2:10, moet attent zijn op het feit dat het in dit artikel niet gaat om de openbare orde, maar om hinder, gevaar of ontsiering door voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg of een weggedeelte. Dit houdt in dat op grond van deze bepaling geen voorwaarden kunnen worden gesteld in verband met de openbare orde. Dit zal dan moeten gebeuren op grond van artikel 174 van de Gemeentewet. Op grond van artikel 174 Gemeentewet blijft de burgemeester – ook bij toepassing van artikel 2:10 – op grond van jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.

In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte, kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.

Vierde lid, onder c (standplaatsen)

Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5:17 van toepassing is.

Vierde lid, onder d (voorwerpen met gedachten of gevoelens erop)

Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:10 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.

Vierde lid, onder e (andere vrijstellingen door college)

Bij vrijstellingen kan worden gedacht aan:

  • -

    Bloembakken en plantenbakken binnen een meter van de gevel van woningen (eventueel met een maatvoering);

  • -

    Reclameborden (eventueel met een maatvoering);

  • -

    Uitstallingen bij winkels (eventueel met een maatvoering; eventueel beperkt tot winkelgebieden);

  • -

    Stortbakken en steigers nodig voor een verbouwing. Er zijn situaties denkbaar dat een vergunning voor dit soort voorwerpen volstrekt redelijk is. Anderzijds komt het ook voor dat vergunningen worden afgegeven voor het plaatsen van een aantal steigers in de loop van een jaar, waarbij naar de locatie dus niet wordt gekeken. Als service aan de burgers zou het college in het vrijstellingsbesluit de verplichting kunnen stellen dat er met een bord wordt aangegeven hoe lang dat gaat duren. Dat is in een aantal Europese landen gebruikelijk.

Vierde lid, onder f (afbakening met wetgeving)

Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving.

Vijfde tot en met zevende lid (niet van toepassing zijn van bijzondere weigeringsgronden)

Deze leden betreffen ook een afbakening met bestaande wetgeving.

Achtste lid

In deze variant is gekozen voor een lex silencio positivo. Het gaat hier om een vergunning voor alle voorwerpen die niet onder één van de genoemde uitzonderingen vallen. Er is geen sprake van een op voorhand onwenselijke activiteit die bij uitzondering wordt toegestaan, zoals bij de ontheffing in variant 1, maar van een ‘gewone’ vergunning. In dat geval ligt het meer voor de hand dat het bestuur op tijd dient te beschikken, en dat de aanvrager verder kan met zijn activiteit als dat niet gebeurt. Uiteraard is de raad geheel vrij om in de eigen APV een andere keus te maken.

Voor zover sprake is van opslag van roerende zaken als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder j en k, van de Wabo, is een omgevingsvergunning nodig en is de lex silencio positivo in ieder geval van toepassing. Daarvan kan niet worden afgeweken.

Variant 3 (Vergunningplicht)

Hier is een alternatieve bepaling opgenomen, waarbij de vergunningplicht is gehandhaafd, maar in een veel beknoptere vorm dan bij variant 2. Voor de voorwerpen waarvoor de vergunningplicht niet geldt, gelden soms bepaalde voorwaarden of kan het college nadere regels geven.

Inboedels

Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. In de VNG ledenbrief Lbr. 97/39 van 20 maart 1997wordt het advies gegeven om met preventieve bestuursdwang op te treden ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Die mogelijkheid is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2001. Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van de APV-bepaling valt. Hoewel artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van de APV-bepaling (nu artikel 2:10). Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd (ABRvS 07-11-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5810 (Brunssum)).

Pres. Rb. Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138. Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als afval aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk voor de schade.

ABRvS 17-07-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5429. Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:31 van de Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het verbod van de APV-bepaling valt. Deurwaarder is een instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot ontruiming overtreedster van de APV-bepaling en dient de kosten van bestuursdwang te betalen.

Rb. Zutphen 25-08-2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AQ8910. Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.

Containers

Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het CROW in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil- en opslagcontainers), inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en controlemogelijkheden.

ARRS 30-12-1993, Gst. 1994, 6995, 5. Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het geding

ABRvS 29-01-1998, Gst. 1998, 7084, 5. Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn waarvoor een omgevingsvergunning (bouwactiviteit) is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang van de constructie en de plaatsgebondenheid. De APV-bepaling blijft buiten toepassing.

Wabo

Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is, valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning.

Daarnaast is in het vierde lid geregeld dat het bevoegde bestuursorgaan (in casu het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.

Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het bevoegd bestuursorgaan (vierde lid) als de omgevingsvergunning nodig is. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. De VNG verwacht dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en heeft artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo in de APV dan ook niet toegepast.

Objecten langs auto(snel)wegen

Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 de richtlijn “Beoordeling van objecten langs Auto(snel)wegen” (Kader vergunningverlening)vastgesteld (Stcrt. 2011, 23311). De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu:

  • -

    bewegende beelden op digitale billboards zijn niet toegestaan (hieronder valt ook knipperen);

  • -

    de objecten mogen niet verblinden (moeten voldoen aan Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde)

  • -

    de objecten (en windturbines) of commerciële uitingen moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst.

De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare plaats’ als genoemd in artikel 1:1. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvatten kunnen bieden om te bepalen of het object gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik van de weg (artikel 2:10, eerste lid, onder a, variant 1).

Overige jurisprudentie

Uitstallingen

ARRS 07-10-1996, ECLI:NL:RVS:1996:BL3028. Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de onder a opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg staat aan het opnemen van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van de bescherming van de openbare orde kan worden geacht.

Evenementen

Rb. Leeuwarden 06-09-2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AD3917. Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond van de APV-bepalingen. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering vergunning.

Terrassen

ABRvS 05-06-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3681 en ABRvS 13-11-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0269. Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen.

ABRvS 20-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:534. Het terrein waarop het terras is gelegen moet als weg in de zin van de APV worden aangemerkt, omdat het terrein een open plaats betreft als bedoeld in de APV. Het gaat daarbij om de feitelijke toegankelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV. Dit artikel brengt niet mee dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het bestemmingsplan. De weigeringsgronden zien met name op gevolgen die het plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt. Bij het beoordelen van hinder als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid en het aanzien van de weg (vergelijk ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2334).

Rb. Den Haag 27-01-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:584. Er is geen sprake van één of meer weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 2:10, derde lid, van de APV. Verweerder heeft in redelijkheid de terrasvergunning mogen verlenen.

Reclame

De Reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het college reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon worden geweigerd in het belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123 locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op grond van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze op te stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling oordeelt allereerst: Anders dan artikel 7, eerste lid, van de Grondwet beschermt artikel 10 van het EVRM ook uitingen met een commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije meningsuiting is echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van artikel 10 van het EVRM. Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er voorts toe strekt reclame-uitingen te reguleren in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, alsmede de bescherming van de rechten van anderen, is er van strijd met artikel 10 van het EVRM geen sprake.

ABRvS 20-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4255. Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een maximum te stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties het uitgangspunt vormde voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens houdbaar is, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging in aanmerking komt.

Pres. Rb. Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389. Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot reclameconstructies op grond van de APV-bepaling niet als redelijk kan worden gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 van het EVRM. Immers, dit kan betekenen dat er in feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven. Volgens de President kunnen wel beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur van elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb. Zwolle 26-09-1997, KG 1997, 338). Dit beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of welstandsadvies.

Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299. Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show, oordeelde de President dat bij elke aanvraag om vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.

Pres. Rb. Breda 09-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20 en Pres. Rb. Zwolle 26-09-1997 en 29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. De APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen. De APV-bepaling kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder.

Pres. Rb. ‘s-Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van de APV-bepaling.

Artikel 7.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Eerste lid

Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte.

Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Zie ook de toelichting bij artikel 2:12.

Tweede lid

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Mor. Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting bij het derde lid.

Derde lid

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vierde lid

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) telecommunicatieverordening.

Vijfde lid

In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. De VNG ziet geen reden om in gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is hiervan af te wijken. Daarom is voor die gevallen het vijfde lid opgenomen.

Jurisprudentie

Vz. ARRS 10-01-1986, BR 1986, 426 (wegaanleg Gennep). De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking heeft – zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van verharding – of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de weg liggende riolering.

ABRvS 04-02-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO2900. Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het doelmatig gebruik daarvan in de zin van de APV-bepaling Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter de gevellijn worden gerealiseerd

ABRvS 22-11-2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221. Rechthebbenden op een weg hebben slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen, bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet, te dulden, wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van die wet. In zoverre komt derhalve betekenis toe aan de regeling van de Wegenwet. Voor zover artikel 2:11 van de APV ertoe strekt dat de rechthebbende op de weg ook openbaar verkeer moet toestaan buiten de reikwijdte van zijn duldplicht ingevolge de Wegenwet, dient die bepaling wegens strijd met de Wegenwet buiten toepassing te blijven

Artikel 7.3 Maken of veranderen van een uitweg

Variant 1 (Meldingsplicht)

Algemeen

Het artikel bevat een meldingsplicht waarbij een zogenaamde ‘noodrem’ is opgenomen: bij onacceptabele gevolgen kan het college de uitweg alsnog verbieden.

Doel

Artikel 2:12, variant 1, beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

Uit de jurisprudentie over artikel 14 van de Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Zie ook de toelichting bij artikel 2:11, eerste lid.

De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen (eerste lid, onder a, variant 1). Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.

Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 van de Wegenwet.

De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen.

Jurisprudentie

ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14. Over het meldingenstelsel – verbod voor het maken of veranderen van een uitweg zonder voorafgaande melding, waarbij het college dit binnen vier weken na de melding kan verbieden – oordeelt de Afdeling als volgt. Een beslissing van het college het maken of veranderen van een uitweg te verbieden is een besluit, want gericht op rechtsgevolg. Een binnen vier weken verzonden brief van het college aan de melder die erop neerkomt dat, al dan niet onder voorschriften, met de melding kan worden ingestemd of dat deze wordt geaccepteerd, dient te worden aangemerkt als besluit. De instemming of acceptatie is gericht op rechtsgevolg, omdat daarmee het recht ontstaat om met de aanleg van de uitweg te beginnen. Als een reactie binnen vier weken uitblijft, dient het van rechtswege intreden van het rechtsgevolg op dezelfde wijze als in artikel 6:2 van de Awb voor een andere situatie is voorgeschreven, voor de rechtsbescherming te worden gelijkgesteld met een besluit.

De Afdeling overweegt verder dat, indien de gemeentelijke wetgever met een uitwegmeldingenstelsel wil bereiken dat niet alle reacties moeten worden aangemerkt als besluit dan wel daarmee voor de rechtsbescherming worden gelijkgesteld, een alternatieve regeling denkbaar is. De Afdeling doelt hierbij op de door de staatsraad advocaat-generaal in zijn conclusie genoemde meldingenstelsels die worden beheerst door algemene regels en waarbij niet voorzien is in een reactie van enig bestuursorgaan. Denkbaar is een regeling volgens welke een uitweg mag worden aangelegd indien wordt voldaan aan de in de regels gestelde voorschriften en daarnaast wordt bepaald dat in de overige gevallen een vergunning dient te worden aangevraagd.

ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36. De instemming van rechtswege voortvloeiend uit het vijfde (in de model-APV: vierde) lid van artikel 2:12 van de Apv moet voor de rechtsbescherming worden gelijkgesteld met een besluit.

ABRvS 18-05-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1309. Het in de APV neergelegde meldingensysteem brengt met zich dat het college na het verstrijken van de termijn van vier weken niet meer alsnog de aanleg van de uitweg kon verbieden.

Variant 2 (Vergunningplicht)

Algemeen

Omdat veel gemeenten aangaven in de praktijk moeite te hebben met de toepassing van een meldingsstelsel is artikel 2:12, variant 2, opgenomen met een eenvoudig vergunningstelsel. Er moet dus een keuze worden gemaakt tussen variant 1 en variant 2. Enkele gemeenten hebben het aangedurfd om de uitweg helemaal uit de APV te schrappen. De achterliggende gedachte is dat voor de aanleg van een uitweg over gemeentegrond (veelal de stoep) ook nog privaatrechtelijk overeenstemming moet zijn tussen gemeente en autobezitter. Bij die overeenkomst wordt dan ook het element verkeersveiligheid meegenomen.

In variant 2 geldt voor de uitrit een vergunningplicht. Het is van belang zich te realiseren dat er in variant 2 sprake is van een omgevingsvergunning. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. Dit hoeft dan ook niet meer uitdrukkelijk bepaald te worden.

De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.

Jurisprudentie

ARRS 01-09-1977, AB 1977, 366 (Maastricht I), ARRS 08-06-1978, Gst. 1977, 6514 (De Bilt) en ARRS 08-05-1981, AB 1981, nr. 391 (uitwegvergunning Nuth I). Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen.

ARRS 12-07-1982, tB/S III, nr. 356. Als voorschrift aan de vergunning kan onder andere een onderhoudsplicht opgelegd worden.

ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 (wegverbreding). Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste van appellante komen.

ARRS 28-10-1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen) en ARRS 01-04-1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt uitgewegd worden geregeld.

HR 30-09-1987, BR 1988, 212. Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de Wegenwet.

ARRS 11-01-1991, Gst. 6929, nr. 6. Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst. Rubrica est lex.

ABRvS 16-06-1995, Gst. 1996, 7035, 2. Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning.

Vz. ABRvS 20-01-1994, Gst. 1995, 7005, 4. Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan.

ABRvS 05-12-1996, Gst. 1997, 7061, 3. Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de gronden, genoemd in de APV-bepaling. De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente.

ABRvS 14-07-1997, AB 1997, 369. Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan worden gemaakt. Appellant is niet ontvankelijk.

ABRvS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3. Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is.

ABRvS 04-07-2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6717. Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht.

ABRvS 19-01-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9700. Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende maatstaven worden beoordeeld. Aanvrager heeft bijzonder belang bij uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd.

ABRvS 27-06-2001, JB 2001, 207. Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten.

Artikel 7:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.

Volgens deze facultatieve bepaling is het verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd.

Jurisprudentie

ARRS 10-12-1993, JG 94.0138. Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen.]

Hoofdstuk 8. Afvalstoffen

ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Deze verordening dient het belang van de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig afvalstoffenbeheer. Het belang daarvan neemt toe omdat tegenwoordig anders naar afval wordt gekeken dan in het verleden. Afval wordt steeds meer benaderd als grondstof. In een meer circulaire economie is afval van waarde. Dat betekent duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zuiniger zijn op grondstoffen, voorwerpen langer en opnieuw gebruiken en optimalere reststromen. Afvalscheiding en inzameling is daarbij van wezenlijk belang. Welke bestanddelen van het afval gescheiden dienen te worden veranderd. Nieuwe technieken maken bijvoorbeeld de scheiding van kunststof mogelijk. Gemeenten werken mee in het Programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) om te komen tot een vermindering van het restafval per persoon per jaar en om een verbetering te bereiken van de kwaliteit van afvalscheiding en inzameling. Deze verordening moderniseert de regels van de gemeente op dit terrein.

2. Hoofdlijnen van de verordening

Scheiden van afvalstromen begint bij huishoudens (huishoudelijke afvalstoffen) en bedrijven (kantoren, winkels, dienstverleners) waar die afvalstoffen ontstaan – of waar die in de openbare ruimte terechtkomen. De verordening bevat regels over huishoudelijk afval, bedrijfsafval en afval in de openbare ruimte.

Huishoudelijke afvalstoffen

Wat betreft huishoudelijke afvalstoffen heeft het gemeentebestuur de wettelijke taak om te zorgen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen door middel van de inzameldienst die daartoe [bij OF krachtens] deze verordening is aangewezen. Bij de uitvoering van deze taak wordt de gemeente in de praktijk in toenemende mate ondersteund door het initiatief van andere inzamelaars zoals scholen, ideële instellingen of anderen die bijvoorbeeld papier, glas of andere bestanddelen van het huishoudelijk afval verzamelen voor inzameling. Deze verordening regelt de aanwijzing van de inzameldienst en van andere inzamelaars en bepaalt welke bestanddelen gescheiden moeten worden aangeboden en dus ook gescheiden moeten worden ingezameld.

Bedrijfsafvalstoffen

Wat betreft bedrijfsafvalstoffen is de afvalscheiding door kantoren, winkels en diensten (hierna: KWD) binnen de gemeente van belang. De inzameling van dergelijk bedrijfsafval kan plaatsvinden door de inzameldienst maar ook door anderen. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen is in belangrijke mate op Rijksniveau geregeld door de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en daarop gebaseerde centrale regelgeving. Deze verordening bevat enkele aanvullende regels die van belang indien de inzameling van de inzameldienst aan de orde is of die de wijze van aanbieding van bedrijfsafvalstoffen in de openbare ruimte betreffen.

Afval in de openbare ruimte

Wat betreft het afval in de openbare ruimte is het belang van het voorkomen van zwerfafval van belang. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. De verordening bevat regels voor het bestrijden van zwerfafval.

Grondslag

De verordening geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wm, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen. De regels over het zwerfafval houden verband met de regels van de APV voor de openbare ruimte maar zijn vanwege de samenhang met het onderwerp van de Afvalstoffenverordening opgenomen in deze verordening.

3. Wettelijke begrippen

In het belang van de eenvoud maakt deze verordening slechts in beperkte mate gebruik van begripsbepalingen. Ten eerste zijn geen definities van begrippen gegeven als deze begrippen al op grond van artikel 1.1 van de Wm zijn gedefinieerd. Deze begrippen gelden al onverkort voor de toepassing van deze verordening. Er zijn daarom niet opnieuw definities voor in de verordening opgenomen. Voorbeelden van in de wet gedefinieerde begrippen die ook in deze verordening worden gebruikt zijn afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen. Ten tweede is door de tekst van de verordening consistent in overeenstemming met deze begrippen te formuleren, de behoefte aan bepaalde definities die in het uit 2009 daterende VNG-model voor de Afvalstoffenverordening zijn opgenomen komen te vervallen.

Dit geldt bijvoorbeeld voor het begrip inzamelen dat in die oude modelverordening werd gebruikt. In de onderhavige verordening is slechts sprake van het begrip inzameling. Het begrip inzameling is door de Wm gedefinieerd en daarom zonder begripsbepaling opgenomen in deze verordening. Artikel 1.1 van de wet verstaat onder inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie. Dit begrip is letterlijk overgenomen van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Inzameling is het begin van het afvalstoffenbeheer. Onder afvalstoffenbeheer verstaat de richtlijn immers: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toe­zicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars.

In de oude modelverordening werd het begrip inzamelen gebruikt om ruimte te laten voor de verschillende middelen en voorzieningen waarmee de inzameling plaatsvindt bij gemeenten en om duidelijk te maken dat het gaat om inzameling van afvalstoffen die ook ter inzameling zijn aangeboden. In deze verordening kon dit begrip achterwege blijven omdat het begrip inzameling zoals het hier wordt geregeld eveneens deze ruime praktijk omvat en ten tweede omdat in de verordening zelf geen ruimte is gelaten voor inzameling van afvalstoffen zonder dat die worden aangeboden via deze middelen of voorzieningen.

Wat betreft de huishoudelijke afvalstoffen regelt deze verordening, enerzijds, dat de inzameling slechts kan geschieden door aangewezen inzameldiensten en, anderzijds, dat door gebruikers van de percelen waar huishoudelijke afvalstoffen ontstaan, deze afvalstoffen slechts mogen worden overgedragen of aangeboden ter inzameling aan deze inzameldienst of overdragen aan inzamelaars, of achterlaten op een daartoe ter beschikking gestelde plek. Inzameling of het aanbieden ter inzameling door of aan anderen dan deze personen is verboden. De verordening regelt eveneens op welke wijze dat plaats dient te vinden. Er zijn regels over gescheiden inzameling van afzonderlijke bestanddelen van afval zoals groente-, fruit- en tuinafval (hierna: GFT-afval) of papier en karton, over de middelen waarmee dat dient te gebeuren. In schema is de terminologie van artikel 10.24 van de Wm en artikel 1.1 van de Wm dus als volgt gebruikt t.a.v. de huishoudelijke afvalstoffen:

De gebruiker van een perceel

De inzameldienst of inzamelaar

Overdragen (aan een inzamelaar)

Innemen (door een inzamelaar)

Ter inzameling aanbieden (al dan niet via inzamelmiddelen of inzamelvoorzieningen)

Inzameling (via de betreffende middelen of voorzieningen) door de inzameldienst

Achterlaten op een ter beschikking gestelde plaats

Inzamelplaats

Het is in deze opzet niet nodig om nog een afzonderlijke begripsbepaling voor ‘inzamelen’ op te nemen, zoals in de oude modelverordening het geval was.

De begrippen inzamelmiddel of inzamelvoorziening behoeven geen definitie nu uit de tekst van artikel 10 voldoende duidelijk is waarom het kan gaan. Voorbeelden zoals huisvuilzakken, minicontainers, afvalemmers (inzamelmiddelen) of wijkcontainers, brengdepots, verzamelcontainers (inzamelvoorzieningen) zijn genoegzaam bekend en lenen zich niet voor opname in de tekst van de verordening. De begrippen inzameldienst en inzamelaar behoeven geen zelfstandige definitie nu uit artikelen 3 en 4 genoegzaam volgt om wie het gaat. Andere begrippen kwamen in de verordening zo weinig voor dat, een definitie overbodig was en in de artikeltekst zelf uitsluitsel kon worden gegeven. Een voorbeeld is het begrip weg in artikel 17.

Uitvoeringsbesluit van burgemeester en wethouders

De verordening delegeert de bevoegdheid tot het stellen van regels over de volgende onderwerpen aan burgemeester en wethouders:

  • Nadere regels over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen [(artikel 3, tweede lid) OF (artikel 3, derde lid)].

  • [Nadere regels over de voorbereiding van de aanwijzing (artikel 3, derde lid, variant B)].

  • Nadere regels over vrijstelling voor categorieën personen en organisaties als inzamelaars (artikel 4, eerste lid).

  • [Regels over afzonderlijke bestanddelen (geclausuleerd), frequentie en locatie van inzameling (artikel 7, variant B)].

  • Nadere regels inclusief vrijstelling voor gescheiden aanbieden ter inzameling van huishoudelijke afvalstoffen (artikel 8, tweede lid), zoals het nader omschrijven van de bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen, of over fracties waarvan vermenging is toegestaan.

  • Regels over het gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen (artikel 10).

  • Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen (artikel 13).

Daarnaast is sprake van nadere besluitvorming door burgemeester en wethouders die strikt genomen geen algemeen verbindende voorschriften inhouden maar die samen met de hiervoor genoemde regels opgenomen kunnen worden in het uitvoeringsbesluit van burgemeester en wethouders. Deze besluitvorming gaat over:

  • [De aanwijzing van de inzameldienst (artikel 3,variant B)]

  • De dagen en tijden waarop de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt (artikel 9).

  • De aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren (artikel 21).

Aanvullende toelichting

Uit flexbiliteitsoogpunt is gekozen voor variant b

TOELICHTING ARTIKELSGEWIJS

Artikel 8.1. Definities

Het begrip perceel is omwille van de leesbaarheid opgenomen met een vaste toevoeging die bij het gebruik van dit begrip in de verordening telkens moet worden meegelezen. Het gaat immers telkens om percelen waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Deze toevoeging is opgenomen in verband met artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm, waarin sprake is van de zorg van de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen “bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan". Wat onder perceel moet worden verstaan kan niet goed op het niveau van deze verordening worden vastgesteld. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333, is een perceel een plaats waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Slechts dan is geen sprake van een perceel, indien het gaat om een gedeelte van een onroerende (of roerende) zaak dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Dit zal telkens naar de feiten en het spraakgebruik bepaald moeten worden. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015;1773) kon ook een woonruimte in een zorgcentrum een particuliere huishouding zijn waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (zie voor de feiten Gerechtshof Den Haag 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2862).

Artikel 8.2 Doelstelling

In dit artikel is het met de verordening te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als volgt: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars.

AFDELING 8.2 HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN

Artikel 8.3 Aanwijzing van de inzameldienst

Aanvullende toelichting

Aangezien wij geen eigen inzameldienst hebben is gekozen voor variant B

Toelichting als gekozen wordt voor variant A

In het eerste lid wordt (aanduiding eigen dienst)] aangewezen als inzameldienst die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm op de gemeenteraad en burgemeesters en wethouders. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven, [... (toelichting op aanwijzing gemeentelijke inzameldienst; zie de implementatiehandleiding.)]

In het tweede lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Toelichting als gekozen wordt voor variant B

In het eerste lid geeft de gemeenteraad aan burgemeester en wethouders de opdracht om [een onderdeel van de gemeentelijke dienst OF een onderneming] aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm op de gemeenteraad en burgemeesters en wethouders. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven.

In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Nadere regels over de inzameling kunnen, indien noodzakelijk, door burgemeester en wethouders op grond van het derde lid worden gesteld.

Artikel 8.4 Regulering van andere inzamelaars

Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste als een inzamelaar is aangewezen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kunnen burgemeester en wethouders bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wm in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden, De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen.

Deze aanwijzing heeft - anders dan de aanwijzing van de inzameldienst - het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht.

Artikel 8.5 Aanwijzing van inzamelplaats

Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste een plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 7 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wm is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten.

Het onderscheid zich dus als locatie waar huishoudelijke afvalstoffen in een inzamelmiddel, zoals een vuilniszak, een minicontainer of een afvalemmer naar toe worden gebracht, van een inzamelvoorziening, zoals een boven- of een ondergrondse container, waarin collectief huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten met het oog op de inzameling daarvan.

Artikel 8.6 Algemene verboden

Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden via de kanalen die daarvoor in de artikelen 3, 4 en 5 zijn aangewezen. Dit tot de gebruikers van percelen waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan gerichte verbod is de keerzijde van de in die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte verbod.

Artikel 8.7 Afvalscheiding

Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente.

Artikel 10.21 van de Wm schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. GFT-afval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk wordt ingezameld. De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wm besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Dat verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (hierna: LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het Landelijke afvalbeheerplan 2 (hierna: LAP-2) worden de volgende bestanddelen van huishoudelijk afval genoemd die gescheiden kunnen worden ingezameld:

  • GFT-afval;

  • papier en karton;

  • glas;

  • textiel;

  • kunststof verpakkingsmateriaal;

  • elektrische of elektronische apparatuur;

  • klein chemisch afval.

Deze lijst is overgenomen uit LAP-2. Het derde lid van artikel 7 biedt mogelijkheid om meer maatwerk te kunnen geven, bijv. i.v.m. nascheiding; de lijst is in zoverre facultatief, dat daarin variatie kan worden aangebracht of dat deze kan worden aangevuld.

Aanvullende toelichting

Met het derde lid van artikel 7 wordt voldaan aan het gestelde in het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen. Dit besluit heeft tot gevolg dat de basis voor de in onze gemeente geldende nascheiding van PMD in de verordening moet worden opgenomen

De verordening voldoet ook aan de opvolger van LAP 2, LAP 3.

Op grond van artikel 10.26 van de Wm kan de gemeenteraad in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening afwijken:

  • a.

    van de inzameling bij elk perceel (bepaald mag worden nabij elk perceel);

  • b.

    van de frequentie van eenmaal per week (bepaald mag worden met welke regelmaat bij de verordening),

  • c.

    van de inzameling in het gehele grondgebied (bepaald mag worden dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld);

  • d.

    van de afzonderlijke inzameling van GFT-afval (bepaald mag worden dat bestanddelen GFT-afval afzonderlijk worden ingezameld);

  • e.

    en bepaald mag worden dat GFT-afval met andere daarbij aangewezen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk van het overige huishoudelijke afval wordt ingezameld.

De frequentie waarmee deze gescheiden inzameling plaats vindt is op genomen in het uitvoeringsbesluit. Indien de frequentie lager is dan eenmaal per week, is de inspraakverordening van toepassing en is artikel 5 van de modelverordening verplicht. Dit vloeit voort uit artikel 10.26, tweede lid, en artikel 10.27 van de Wm.

Een afvalstoffenverordening die één van deze mogelijkheden benut dient te worden voorbereid met toepassing van de inspraakverordening die op grond van artikel 150 van de Gemeentewet is vastgesteld (artikel 10,26 van de Wm). Indien toepassing wordt gegeven aan de onderdelen b of c, dan moet de gemeente zorgen voor een daartoe ter beschikking gestelde plaats voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen. Dat laatste is geregeld in artikel 5 van deze verordening.

Aanvullende toelichting

Omdat met het vaststellen van deze verordening geen wijziging plaatsvindt van de huidige inzamelfrequentie, is geen inspraak noodzakelijk

Nadere toelichting als gekozen wordt voor variant A

De raad bepaalt dat burgemeester en wethouders regels stellen over de vraag welke bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen, met welke frequentie en waar (hele grondgebied of uitzonderingen daarop, of bij bepaalde bebouwingstypen) bij of nabij elk perceel gescheiden worden ingezameld.

Nadere toelichting als gekozen wordt voor variant B

Het regelen van de frequentie en locatie inzameling wordt in beginsel overgelaten aan burgemeester en wethouders. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden.

[Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals bijvoorbeeld een operationele nascheiding, bepaalde bestanddelen achterwege wenst te laten.] Dit is onder meer van belang omdat artikel 8 aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden.

Aanvullende toelichting

Uit flexibiliteitsoogpunt is gekozen voor variant b

Artikel 8.8 Gescheiden aanbieding

Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 7. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door burgemeester en wethouders in de nadere regels op grond van artikel 8 worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden (welles/nietes-lijst). Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Zo zal niet verboden hoeven te zijn als er eens een papiertje tussen het GFT-afval voorkomt.

Artikel 8.9 Tijdstip van aanbieding

De tijdstippen voor de inzameling worden door burgemeester en wethouders bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking.

Artikel 8.10 Wijze en plaats van aanbieding

Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen.

AFDELING 8.3. BEDRIJFSAFVALSTOFFEN

Artikel 8.11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen (of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen) inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval).

Artikel 8.12 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.

Artikel 8.13 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wm. De memorie van toelichting zegt hierover: 'Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieuregels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 Wm voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt. Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen.

AFDELING 8.4 ZWERAFVAL EN OVERIGE

Artikel 8.14 Dumpingsverbod

Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover er geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stoffen voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. In artikel 10.25, onder a, van de Wm is de mogelijkheid voor het opnemen van een dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening.

Artikel 8.15 Zwerfafval in de openbare ruimte

Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wm kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht.

Eerste lid

Dit lid gaat over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit paragraaf 2.

Derde lid

Het begrip zwerfafval zelf behoeft geen verdere definitie nu de redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, omgestoten of omgeschopt, etc. De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren, niet onder het verbod valt.

Artikel 8.16 Zwerfafval rondom inrichtingen

Dit sluit aan bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Het dient ter aanvulling van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 8.17 Afval en verontreiniging op de weg

Het gaat in dit artikel over laden en lossen en het biedt de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen.

Artikel 8.18 Geen opslag van afval in de open lucht

Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet op het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Opslag is niet het bewaren voor de eerstvolgende aanbieding ter inzameling. Er is geen behoefte aan een mogelijkheid van ontheffing, nu in artikel voor gebieden waar vanwege de bouw uit de jaren 1970 geen ruimte heeft voor het houden van minicontainers bijvoorbeeld, een vrijstelling kan worden verleend. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast.

Artikel 8.19 Ontdoen van autowrakken

Hierin is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval.

Artikel 8.19a. Kadavers van gezelschapsdieren

Dit artikel betreft de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Het eerste lid regelt wat onder gezelschapsdier moet worden verstaan. [Tot de gezelschapsdieren worden gerekend onder meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden is, zoals de (commerciële) productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden. Het artikel heeft geen betrekking op hobby- en landbouwhuisdieren zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg)geiten, hangbuikzwijnen, varkens en herten.]

De gemeente draagt zorg voor de verwerking en verwijdering van kadavers van gezelschapsdieren. De kadavers zijn een bijzondere vorm van afvalstoffen, die op grond van de Wet dieren nadere regeling behoeven. De grondslag voor deze nadere regeling is deels gelegen in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, en voor het overige in artikel 3.5 van de Wet dieren. De Wet dieren verplicht de gemeente diegene aan te wijzen die met de inzameling van kadavers is belast (tweede lid). Deze draagt dan zorg voor de overdracht van de kadavers van gezelschapsdieren aan Rendac Son B.V. Deze verwerker is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren.

In het vierde tot en met zesde lid zijn de verantwoordelijkheden en plichten van de houder van een kadaver van een gezelschapsdier opgenomen. De houder (meestal de eigenaar) is ervoor verantwoordelijk dat het kadaver wordt verwijderd. Op grond van de Wet dieren kan de houder het dier op eigen terrein begraven, of afgeven aan een van de erkende dierencrematoria of dierenbegraafplaatsen. In dat geval gelden de bepalingen in het vierde lid niet voor de houder op grond van het zesde lid.

Als de houder van die mogelijkheid geen gebruik maakt, dan moet de houder het kadaver afgeven aan degene die de inzameling daarvan doet. Deze afgifte vindt plaats uiterlijk op de eerste werkdag nadat de houder het overlijden heeft geconstateerd. Tot het moment van afgifte wordt het kadaver zodanig bewaard dat er geen vermenging met ander materiaal kan plaatsvinden (vijfde lid).]

Hoofdstuk 9. Grafbedekkingen

Dit hoofdstuk uit de verordening voor de fysieke leefomgeving is afkomstig uit de beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Oldebroek en is gestoeld op de uitkomsten van de evaluatie van het begraafbeleid en het hierop geactualiseerde beheer- en financieringsplan.

Hoofdstuk 10. Straf-, overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn de strafbepalingen en de regels omtrent het houden van toezicht opgenomen.

Daarnaast regelt de verordening dat deze in werking treedt op het moment dat de Omgevingswet in werking. Gelijktijdig worden een aantal verordeningen ingetrokken en vervallen diverse bepalingen uit andere verordeningen.

In dit hoofdstuk wordt ook het overgangsrecht geregeld. Daarbij is geregeld dat bestaande besluiten die gebaseerd op de verordeningen die ingetrokken worden of regels die vervallen, hun rechtskracht behouden.

Tot slot wordt in dit hoofdstuk de citeertitel geregeld. 

Transponeringstabel 

Hoofdstuk

Nieuw artikelnummer

Oud artikelnummer

Oorspronkelijke verordening

Hoofdstuk 1

1.1

1.1

APV (inleidende regels)

 

1.2, 1.3. 1.4

Nieuw

 
 

1.5

1.2

APV (inleidende regels)

 

1.6 t/m 1.10

1.4 t/m 1.8

APV (inleidende regels)

Hoofdstuk 2

2.28 t/m 2.31

5:17 t/m 5:20

APV (standplaatsen)

Hoofdstuk 3

3.1 t/m 3.4, 3.7, 3.9, 3.11, 3.12, 3.13

1 t/m 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13

Bomenverordening

Hoofdstuk 4

4.1, 4.3, 4.5, 4.5d, 4.6, 4.13, 4.17, 4:18, 4.19

4:1, 4:3, 4:5, 4:5d, 4:6,4:13, 4:17, 4:18, 4:19

APV (hinder, ontsiering, stankoverlast, kamperen)

Hoofdstuk 5

5.1 t/m 5.12

5:1 t/m 5:12

APV (parkeren)

 

5.31a t/m 5.34

5:31a t/m 5:34

APV (crossen en verkeer in natuurgebieden, stoken van vuur)

Hoofdstuk 6

6.1 t/m 6.3, 6.6

1 t/m 3, 6

Reclameverordening

Hoofdstuk 7

7.1 t/m 7.3, 7.4

2:10 t/m 2:12, 2:15

APV (uitwegen en gebruik weg)

Hoofdstuk 8

8.1 t/m 8:19

1 t/m 19

Afvalstoffenverordening

 

8:19a

nieuw

 

Hoofdstuk 9

9.1, 9.18 t/m 9.23

1, 18 t/m 23

Beheersverordening begraafplaatsen Oldebroek

Hoofdstuk 10

10.1 t/m 10.6

6:1 t/m 6:7

APV (slotregels)