Waterschapsverordening Waterschap Limburg

Geldend van 01-01-2024 t/m 13-06-2024

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen en normadressaat

Paragraaf 1.1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening en de daaraan verbonden beleidsregels.

Aanpassen van een oppervlaktewater:

het wijzigen van het profiel van een primair en secundair oppervlaktewater ten opzichte van het profiel zoals opgenomen in de legger van het waterschap;

Aanvoeren:

het door middel van een werk of langs natuurlijke weg naar een oppervlaktewater halen of laten stromen van water uit een ander oppervlaktewater;

Afrastering:

afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen gaas, prikkeldraad of staaldraad, in het algemeen aangelegd met het oog op het keren van vee;

Afvoeren:

het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater;

Bedekte teelten:

bedrijfsmatige teelten in een glastuinbouwbedrijf of bedrijfsmatige teelt in tunnels;

Beplanting:

tuinbeplanting, bomen en struweel;

Bestuur:

het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg;

Bijbehorende voorzieningen bij kabels en leidingen bij waterkeringen:

voorzieningen die noodzakelijk zijn vanuit waterkeringtechnische overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabel of leidingnet;

Bodemenergiesysteem:

installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken;

Bodemsanering:

het verwijderen of ontgraven van verontreinigde grond;

Boom:

een houtachtig, overblijvend gewas;

Bronbemaling:

het uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp;

Brug:

een doorgang voor voetgangers, dieren en voertuigen over bijvoorbeeld (spoor)wegen en watergangen;

Buisdrainage:

ontwateringsmiddel voor het kunstmatig beïnvloeden van de grondwaterstand;

Diepe grondwateronttrekking:

grondwateronttrekking

  • a.

    dieper dan 5 meter boven NAP binnen het gebied van de Venloschol,

  • b.

    dieper dan 20 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk I,

  • c.

    dieper dan 30 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II,

  • d.

    dieper dan 80 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III,

  • e.

    binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk IV;

Doorgraving:

het volledig doorkruisen van hoge grond waardoor de binnen- en buitendijkse zijde met elkaar in verbinding komen te staan;

Duiker:

een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen met het oog op het realiseren van een toegang tot een perceel of het kruisen van het oppervlaktewater met een openbare weg, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken;

Eindhoogte beplanting:

maximaal haalbare hoogte van volwassen beplanting en bomen;

Evenement bij een oppervlaktewater:

een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater;

Evenement bij een waterkering:

een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de zoneringen van de waterkering;

Fietsen:

rijden met een fiets, elektrische fiets of speed-pedelec;

Gemotoriseerde vormen van recreatief medegebruik:

rijden met een (cross)motor, bromfiets, auto of een ander gemotoriseerd voertuig en varen met een gemotoriseerd vaartuig;

Gesloten verharding:

opgebouwd uit een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer op te delen is;

Glastuinbouwbedrijf:

inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het in een kas telen van gewassen;

Grondmechanisch onderzoek:

alle soorten onderzoek waarbij sonderingen of boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven;

Grondwater:

water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

Grondwatersanering:

het onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting om de kwaliteit van grond of grondwater te verbeteren;

Hekwerk:

afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen een frame van spijlen of gaas, in zijn algemeenheid aangelegd als perceels- of erfafscheiding;

Hoge grond basis:

hoge grond die voldoet aan de basisvereisten voor hoge grond. Dit  betekent een hoogte die minimaal overeenkomt met de ontwerpdijkhoogte op basis van waterstanden voor het jaar 2075 en een breedte conform afslagprofiel. Door geringe overhoogte daarboven en/of door het grondgebruik, is er een risico op aantasting van de waterkerende functie;

Hoge grond robuust:

hoge grond die voldoet aan de basisvereisten voor hoge grond (zie hoge grond basis) en die daarbovenop ook bij een doorkijk naar 2125 over een groter aaneengesloten traject robuust blijkt en weinig gevoelig is voor veranderende (technische of hydraulische) randvoorwaarden. Het risico op aantasting van de waterkerende functie is klein;

Hoge grond:

een hoger gelegen gebied dat functioneert als een natuurlijke dijk en dat onderdeel uitmaakt van een waterkering traject en als zodanig in de legger en de werkingsgebieden behorende bij deze Waterschapsverordening is opgenomen;

Hogedrukleiding:

leiding deel uitmakend van een leidingsysteem waarin de maximale bedrijfsdruk groter is dan of gelijk aan 1 MPa (10 bar);

Industriële toepassing van grondwater:

het oppompen van grondwater ten behoeve van aanwending in het productproces of bedrijfsvoering;

Infiltreren van water:

geforceerd in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;

Kabel:

alle kabels waaronder elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabels, inclusief bijbehorende voorzieningen;

Klein bouwwerk: 

bouwwerk zonder woon- of bedrijfsfunctie, niet dieper gefundeerd dan 50 cm in de grond en eenvoudig verplaatsbaar of verwijderbaar;

Kleine (druk)leidingen:

leiding deel uitmakend van een leidingsysteem waarin de maximale bedrijfsdruk kleiner is dan 1 MPa (10 bar);

Kruin van de waterkering:

het hoogst gelegen deel van de waterkering;

Kwel:

water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt;

Landbouwperceel:

perceel dat wordt gebruikt voor de bedrijfsmatige teelt van gewassen;

Lijnvormige elementen: 

landschapselementen die in beginsel evenwijdig aan de hoogtelijnen in het terrein aanwezig zijn ter voorkoming van erosie en zijn opgenomen in de legger;

Lozen:

het door middel van een werk brengen van water, niet zijnde hemelwater, in een oppervlaktewater;

Lozingsvoorziening:

een constructie om water in een oppervlaktewater te laten stromen;

Mantelbuis:

een korte drukloze buis ter bescherming van kabels of mediumvoerende leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting;

Meanderzone:

gronden waarbinnen primaire oppervlaktewateren door natuurlijke verplaatsing hun bedding kunnen verleggen en die als zodanig zijn opgenomen in de legger en het werkingsgebied Meanderzone zoals opgenomen in deze Waterschapsverordening;

Nieuw verhard oppervlak:

alle oppervlakken die door nieuwbouw of uitbreiding verhard worden, waardoor de neerslag ter plaatse niet langer in de voorheen onverharde grond kan infiltreren;

Ontgraven:

het uitnemen van grond als gevolg waarvan een verlaging van het oorspronkelijke maaiveld ontstaat;

Ontgronding:

het uitvoeren van ontgravingen dieper dan 2,5 meter ten opzichte van het bestaande maaiveld of met een omvang van ten minste 10.000 m3;

Onttrekken:

het door middel van een werk halen van water uit grondwater en aan een oppervlaktewater;

Onttrekkingsvoorziening:

een constructie om water uit grondwater en aan een oppervlaktewater te onttrekken;

Onverharde weg:

weg aangelegd zonder wegcunet;

Open verhardingen:

het wegdek bestaat uit losse elementen;

Ophoging:

kunstmatige verhoging van het maaiveld;

Oppervlaktewater:

Oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet, zijnde een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna; 

Overhoogte

het gedeelte van een waterkering of hoge grond, dat hoger is dan de ontwerpdijkhoogte;

Overige wateren:

wateren die niet in de legger en de werkingsgebieden behorende bij deze Waterschapsverordening zijn aangeduid als primair of secundair;

OWL-stuw en ander peilregulerend werk:

een vaste of beweegbare constructie in een overig water en in beheer en onderhoud bij de gebruiker, die dient om de waterstand bovenstrooms van de constructie te regelen;

Parcours:

een structureel aanwezige route, inclusief bijbehorende elementen, dit omvat tevens het hebben en het wijzigen van een parcours;

Peilgestuurde drainage:

buisdrainage, gecombineerd met een peilregulerend werk;

Perceel met meest kritische gewas:

het perceel dat binnen het beïnvloedingsgebied van een stuw het diepste grondwaterpeil vraagt;

Ploegen:

het met een landbouwwerktuig omkeren van grond tot een diepte van maximaal 50 cm;

Pot- en containervelden:

bedrijfsmatige teelten die los staan van de ondergrond en niet wortelen in de bodem;

Profiel van een oppervlaktewater:

breedte en diepte van het oppervlaktewater als aangegeven op de legger;

Profiel van vrije ruimte:

de ruimte als opgenomen in het werkingsgebied Profiel van vrije ruimte behorende bij deze Waterschapsverordening ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen;

Recreatief medegebruik bij oppervlaktewater:

het medegebruiken van oppervlaktewateren en bijbehorende zoneringen voor niet-gemotoriseerde recreatieve doeleinden;

Recreatief medegebruik bij waterkering:

het medegebruiken van zoneringen van de waterkering voor niet-gemotoriseerde recreatieve doeleinden;

Schutting:

afscheiding zonder vrij doorzicht, in zijn algemeenheid aangelegd als perceels- of erfafscheiding;

Straatmeubilair:

bouwwerken die zijn bedoeld voor de inrichting van de openbare straat en aansluiten bij de publieke functie van de straat;

Struik:

een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden, al dan niet in de vorm van een haag;

Struweel:

bosplantsoen, aaneengesloten struikgewas;

Subirrigatie:

het inlaten van water, oppervlaktewater of grondwater, al of niet geforceerd in een (buis)drainagesysteem ten behoeve van het beïnvloeden van het grondwaterpeil;

Talud van de waterkering:

het onder een helling gelegen vlak, gelegen tussen de kruin van de waterkering en de teen van de waterkering;

Teelt op stellingen:

bedrijfsmatige bedekte teelt, los van de ondergrond, waarbij gebruikt wordt gemaakt van goten of bakken op stellages;

Tuinbeplanting:

planten, bloemen, struiken, hagen en bomen met een maximale eindhoogte van 5 meter;

Tunnel:

(min of meer) halfronde constructies, permanent overtrokken met al dan niet lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, bestemd voor het voortrekken van gewassen of het opkweken van plantmateriaal en ter beschermeling van gewassen tegen neerslag;

Verharding:

een open of gesloten verharding, niet zijnde een weg, waarvoor geen diepere ontgraving nodig is dan 30 cm;

Verleggen van een oppervlaktewater:

het wijzigen van de ligging van een primair en secundair oppervlaktewater ten opzichte van de ligging zoals opgenomen in de legger van het waterschap;

Weg:

een voor het verkeer geschikt gemaakte strook grond;

Werken en werkzaamheden:

alle door menselijk toedoen te verrichten handelingen;

Woekerende soorten:

soorten die zich snel kunnen uitbreiden, of door spontane uitzaai of door rizomen en uitlopers, waarbij andere begroeiing, met inbegrip van de grasmat, wordt verdreven of verstikt;

Woonboot:

een boot die zodanig is ingericht dat men erop kan wonen en waarvan de primaire functie ook wonen is.

Artikel 1.2 Begripsbepalingen
  • 1.

    Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 23 en 4 van deze waterschapsverordening.

  • 2.

    Bijlage II bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 23 en 4 van deze waterschapsverordening .

Artikel 1.3 Gelijkschakeling

In deze waterschapsverordening en de daaraan verbonden beleidsregels wordt onder aanleggen en aanbrengen ook verstaan hebben, wijzigen en verwijderen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.4 Aanwijzing gebieden
  • 1.

    De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater is opgenomen in het geometrische informatieobject beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater in bijlage I bij deze verordening.

  • 2.

    De geometrische begrenzingen van de onderdelen van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening:

  • 3.

    De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering is opgenomen in het geometrische informatieobject beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in bijlage I bij deze verordening.

  • 4.

    De geometrische begrenzingen van de onderdelen van het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening:

Paragraaf 1.1.2 Normadressaat en hoofdelijke aansprakelijkheid

Artikel 1.5 Normadressaat en hoofdelijke aansprakelijkheid
  • 1.

    Aan deze waterschapsverordening wordt voldaan door de eigenaar of gebruiker van gronden of de initiatiefnemer of de gebruiker van een handeling of een werk waarop deze waterschapsverordening van toepassing is.

  • 2.

    De normadressaten zijn elk hoofdelijk aansprakelijk voor de naleving van de verplichtingen gesteld bij of krachtens deze waterschapsverordening.

Afdeling 1.2 Vaststellen van doelcriteria voor de bescherming van het watersysteem en bijbehorende beschermingszones.

Paragraaf 1.2.1 Doelcriteria

Artikel 1.6 Doelcriteria

Het algemeen bestuur stelt doelcriteria vast ter verdere uitwerking door het dagelijks bestuur, aan de hand waarvan kan worden bepaald of een activiteit is toegestaan in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone en in het profiel van vrije ruimte. Deze doelcriteria hebben betrekking op:

  • a.

    activiteiten in, bij, langs, op, over, onder of boven een oppervlaktewater;

  • b.

    activiteiten op, in of bij waterkeringen; en

  • c.

    het onttrekken van grondwater, het in de bodem brengen van water en het terug in de bodem brengen van onttrokken grondwater.

Artikel 1.7 Algemene doelcriteria

Voor alle activiteiten genoemd in artikel 1.6 geldt dat:

  • a.

    de waterstaatswerken in stand worden gehouden conform de legger;

  • b.

    de mogelijkheid tot vervulling van maatschappelijke functies in stand moet blijven; 

  • c.

    de veiligheid gewaarborgd moet blijven; 

  • d.

    schade aan waterstaatswerken moet worden voorkomen; en

  • e.

    de taakuitoefening van het waterschap niet wordt belemmerd.

Artikel 1.8 Specifieke doelcriteria bij oppervlaktewateren

Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op oppervlaktewateren gelden voorts de volgende doelcriteria:

  • a.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van een oppervlaktewater, zoals vastgelegd in de legger, waardoor het watersysteem niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor het is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling; 

  • b.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van het watersysteem;

  • c.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud door of namens het waterschap en de bereikbaarheid van het watersysteem; en

  • d.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het watersysteem in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbehorende beschermingszones, als ook in het door het dagelijks bestuur voor oppervlaktewateren aan te wijzen profiel van vrije ruimte.

Artikel 1.9 Specifieke doelcriteria bij waterkeringen

Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op waterkeringen gelden voorts de volgende doelcriteria:

  • a.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van de waterkering, zoals vastgelegd in de legger, waardoor de waterkering niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor die is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling, waardoor de veiligheid niet kan worden gewaarborgd;

  • b.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van de waterkering, onder normale omstandigheden en onder piekbelasting;

  • c.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud door of namens het waterschap en de bereikbaarheid van de waterkering; en

  • d.

    activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterkering in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbehorende beschermingszones, als ook in het door het dagelijks bestuur voor waterkeringen aan te wijzen profiel van vrije ruimte.

Artikel 1.10 Specifieke doelcriteria bij grondwater

Voor het onttrekken van grondwater, het in de bodem brengen van water en het terug in de bodem brengen van onttrokken grondwater gelden voorts de volgende doelcriteria:

  • a.

    het onttrekken van grondwater mag geen negatief effect hebben op het reguliere grondwaterpeil, waardoor schade kan ontstaan aan natuur, waterstaatswerken en eigendommen van derden;

  • b.

    het onttrekken van grondwater mag geen negatief effect hebben op de ondergrondse scheiding tussen grondwater voerende pakketten; 

  • c.

    de kwaliteit van grondwater mag niet verslechteren door het in de bodem brengen of terug brengen van water; en

  • d.

    het onttrekken van grondwater mag niet leiden tot het verspreiden van een grondwaterverontreiniging.

Artikel 1.11 Toepassingscriteria

Het dagelijks bestuur is bevoegd om ter uitvoering van de waterschapsverordening, voor de doelcriteria genoemd in de artikelen 1.71.81.9 en 1.10 nadere toepassingscriteria vast te stellen. Hierbij kan het dagelijks bestuur rekening houden met plaatselijke omstandigheden. Het dagelijks bestuur geeft aan deze bevoegdheid invulling in deze waterschapsverordening met toepassing van artikel 1.13 en in de beleidsregels.

Afdeling 1.3 Handelingen in het watersysteem

Paragraaf 1.3.1 Zorgplicht, algemene regels, vergunningplicht

Artikel 1.12 Zorgplicht
  • 1.

    Het is toegestaan om handelingen in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone, in een meanderzone en in een inundatiegebied, als ook in het door het dagelijks bestuur aan te wijzen profiel van vrije ruimte te verrichten of te laten verrichten, mits voldaan wordt aan de in dit hoofdstuk opgenomen zorgplichtbepalingen.

  • 2.

    Degene die de in het eerste lid toegestane handelingen verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die handeling nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan, voorkomt die effecten voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.

  • 3.

    Onder het voorkomen van nadelige effecten voor het watersysteem als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan het voorkomen van:

    • a.

      (grond)waterschaarste, (grond)wateroverlast, overstromingen of inundaties;

    • b.

      aantasting van de bestaande staat van een waterkering;

    • c.

      belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewater;

    • d.

      belemmering van de inspectie- of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem, daaronder mede begrepen handelingen die de ontvangstplicht van specie en maaisel, krachtens artikel 10.3 van de Omgevingswet, belemmeren;

    • e.

      verslechtering van de chemische en ecologische waterkwaliteit; 

    • f.

      negatieve effecten van wegzijging of kwel op de chemische en ecologische waterkwaliteit en waterkwantiteit;

    • g.

      verzakkingen van de bodem of uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen of grondboringen; 

    • h.

      belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem; en

    • i.

      verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

  • 4.

    Indien toch de nadelige effecten als bedoeld in het tweede lid optreden, is degene die de handelingen met deze effecten verricht, verplicht al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 5.

    Degene die handelingen met nadelige effecten verricht als bedoeld in het vierde lid, meldt die effecten zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur, als ook de maatregelen die hij van plan is te treffen of reeds heeft getroffen. Door of namens het dagelijks bestuur kunnen aanwijzingen worden gegeven voor de te treffen maatregelen, die stipt moeten worden opgevolgd.

Artikel 1.13 Algemene regels

Het dagelijks bestuur is bevoegd om de regels over activiteiten in de hoofdstukken 2 tot en met 4 en de geometrische begrenzingen in bijlage 2 te wijzigen.

Artikel 1.14 Maatwerkvoorschriften

Indien het dagelijks bestuur dat nodig oordeelt, kunnen in aanvulling op of in afwijking van artikel 1.12 en de hoofdstukken 2 tot en met 4, in een specifieke situatie maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Artikel 1.15 Keuzevrijheid melding of vergunningaanvraag bij meerdere gecombineerde handelingen
  • 1.

    Wanneer sprake is van meerdere handelingen die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan heeft de initiatiefnemer de keuze om voor alle handelingen gezamenlijk één vergunning aan te vragen, dan wel voor de verschillende (deel)handelingen apart vergunning aan te vragen of een melding te doen. 

  • 2.

    Het doen van een gecombineerde vergunningaanvraag is niet toegestaan indien dit in de waterschapsverordening of de beleidsregels voor die handeling uitdrukkelijk is uitgesloten.

Artikel 1.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

  • 3.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op:1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krwoppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

Paragraaf 1.3.2 Verboden

Artikel 1.17 Verbod bij calamiteiten
  • 1.

    In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewater; 

    • b.

      water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewater; of

    • c.

      grondwater te onttrekken uit of water terug te brengen in de bodem.

  • 2.

    Zodra het dagelijks bestuur het verbod niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.

Paragraaf 1.3.3 Vrijstelling

Artikel 1.18 Vrijstelling beheer door het waterschap

De vergunningplicht en meldplicht op grond van hoofdstuk 2 tot en met 4 zijn niet van toepassing op handelingen die worden uitgevoerd door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van het aan het waterschap opgedragen beheer.

Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewateren

Afdeling 2.1 Activiteiten bij oppervlaktewateren

Paragraaf 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • d.

    als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie: 

    • 1.

      een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;

    • 2.

      een tekening met een aanduiding van de boorlijn; 

    • 3.

      een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en 

    • 4.

      gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van debuis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

  • e.

    als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 2.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en

  • b.

    een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt;

  • b.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt;

  • c.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt;

  • d.

    de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken;

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en

  • f.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

Paragraaf 2.1.2 Onttrekken uit een oppervlaktewater

Artikel 2.4 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water uit een oppervlaktewater met een onttrekkingsvoorziening.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen, behouden, wijzigen en verwijderen van een onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.5 Specifieke zorgplicht oppervlaktewater onttrekken
  • 1.

    De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de instroomvoorziening het onderhoud en de doorstroming van het oppervlaktewater niet belemmert;

    • b.

      de onttrekking niet leidt tot beschadiging van de bodem, oevers of taluds;

    • c.

      het bij het onttrekken meenemen van levende organismen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • d.

      degene die het water onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk informeert over eventuele veroorzaakte schade en over de getroffen en nog te treffen maatregelen.

  • 2.

    Aan het eerste lid, onder c, wordt in ieder geval voldaan als tijdens het onttrekken een zuigkorf om de zuigmond wordt aangebracht, waarbij de zuigmond van de aanzuigslang is voorzien van gaten met een diameter van maximaal 3 mm en de diameter van de zuigkorf minimaal 3 maal de diameter van de aanzuigslang is.

Artikel 2.6 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van meer dan 10 en maximaal 100 m3 water per uur uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer, wordt voldaan aan de artikelen 2.7 en 2.8.

Artikel 2.7 Algemene regels onttrekken
  • 1.

    De onttrekkingsvoorziening wordt zo gemarkeerd dat de ligging duidelijk zichtbaar is.

  • 2.

    De onttrekkingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer vervult.

  • 3.

    Ter beperking van het meenemen van levende organismen tijdens het onttrekken wordt een zuigkorf met een diameter van minimaal 3 maal de diameter van de aanzuigslang en met gaten met een diameter van maximaal 3 mm om de zuigmond aangebracht.

Artikel 2.8 Algemene regels onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met waterconservering
  • 1.

    Het is alleen toegestaan water te onttrekken voor het beregenen van percelen, als het in het te beregenen perceel aanwezig systeem van drainage is ingesteld in overeenstemming met paragraaf 4.2.1.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstig toepassing als de ontwatering van het te beregenen perceel (mede) wordt bepaald door een aangebrachte stuw en of ander peilregulerend werk als bedoeld in paragraaf 2.1.15.

Artikel 2.9 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.6, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.10 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 100 m3 water per uur te onttrekken uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning water te onttrekken uit een ander oppervlaktewater dan een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

Paragraaf 2.1.3 Duikers en overkluizingen in een oppervlaktewater

Artikel 2.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een duiker of overkluizing in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.12 Specifieke zorgplicht duikers en overkluizingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de duiker of overkluizing de doorstroming van het oppervlaktewater niet stremt of belemmert;

  • b.

    de duiker of overkluizing doelmatig functioneert en in goede staat van onderhoud verkeert; en

  • c.

    de duiker of overkluizing zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken.

Artikel 2.13 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een duiker of overkluizing aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in een primair water en secundair water.

Paragraaf 2.1.4 Bruggen in of over een oppervlaktewater

Artikel 2.14 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een brug in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.15 Specifieke zorgplicht bruggen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    bij het aanleggen van een brug wordt voorkomen dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater ontstaan waardoor de doorstroming kan worden belemmerd;

  • b.

    de aanwezigheid van een brug (incl. brugleuningen) geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud;

  • c.

    de brug, inclusief het profiel onder de brug en twee meter weerszijden van de brug, in een goede staat van onderhoud wordt gehouden; en

  • d.

    de doorstroming in het oppervlaktewater door de brug niet wordt verstoord. Daartoe dient drijvend vuil en dergelijke regelmatig te worden verwijderd.

Artikel 2.16 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een brug over primair water, waarbij geen palen of pijlers in het oppervlaktewater worden aangebracht, of over secundair water, wordt voldaan aan de artikelen 2.17 en 2.18.

Artikel 2.17 Algemene regels brug over een oppervlaktewater
  • 1.

    Per kadastraal perceel mag maximaal één brug aanwezig zijn.

  • 2.

    De op- en afrit van de brug dient 1:10 te zijn, waarbij het maaiveld deugdelijk aangevuld dient te worden.

  • 3.

    De afstand tussen een brug en een ander kunstwerk bedraagt ten minste 10 meter.

  • 4.

    De brug wordt verwijderd als deze niet meer de functie vervult waarvoor de brug is aangelegd.

Artikel 2.18 Algemene regels varend onderhoud
Artikel 2.19 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.16, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste tien dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.20 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een brug over primair water aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen, waarbij palen of pijlers in het oppervlaktewater worden aangebracht.

Paragraaf 2.1.5 Bouwwerken langs een oppervlaktewater

Artikel 2.21 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een bouwwerk in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanleggen, hebben of wijzigen van een klein bouwwerk als bedoeld in artikel 2.49; en

    • b.

      het plaatsen of verwijderen van een hekwerk of schutting als bedoeld in artikel 2.52.

Artikel 2.22 Specifieke zorgplicht bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    het plaatsen en behouden van een bouwwerk niet leidt tot beschadiging van het talud, de bodem en de oever van het oppervlaktewater; en

  • b.

    het bouwwerk zo geplaatst wordt dat het geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud.

Artikel 2.23 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in de kernzone.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in het profiel van vrije ruimte.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in een Meanderzone.

  • 4.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in een inundatiegebied.

Paragraaf 2.1.6 Kabels en leidingen in, onder of langs een oppervlaktewater

Artikel 2.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, wijzigen of verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.25 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de kabel of leiding zodanig wordt aangebracht en onderhouden dat de wateraf- en doorvoerfunctie van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd;

  • b.

    het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet onevenredig wordt belemmerd;

  • c.

    na afloop van de werkzaamheden het werk in nette staat wordt achtergelaten;

  • d.

    een initiatiefnemer voorkomt dat een kabel of leiding door afkalving van de oever van een watergang in de watergang terecht komt; en

  • e.

    het verwijderen van een kabel of leiding niet leidt tot beschadiging van het oppervlaktewater of de bijbehorende onderhoudsstrook.

Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het leggen van een kabel of leiding in de kernzone van een primair of secundair water, wordt voldaan aan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

  • 2.

    Ook bij het leggen van een kabel of leiding in het profiel van vrije ruimte bij primair water, wordt voldaan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

  • 3.

    Ook bij het leggen van een kabel of leiding in een meanderzone, wordt voldaan aan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

Artikel 2.27 Algemene regel kruisen oppervlaktewater
  • 1.

    Als de kabel of leiding onder de bodem van het oppervlaktewater wordt gelegd, wordt de bovenzijde van de kabel of leiding op minimaal 1,00 meter onder de bodemhoogte van het oppervlaktewater, de taluds, de onderhoudsstrook en het maaiveld gelegd, zoals deze in de legger is opgenomen.

  • 2.

    Als de kabel of leiding onder een duiker wordt gelegd, wordt de bovenzijde van de kabel of leiding op minimaal 1,00 meter onder de onderzijde van de in de legger opgenomen bodemhoogte gelegd.

  • 3.

    De kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

  • 4.

    Als de kabel of leiding over een duiker wordt gelegd, wordt bij verwijdering van de duiker de ligging van de kabel of leiding aangepast.

  • 5.

    Als de kabel of leiding het oppervlaktewater via een brug kruist, wordt:

    • a.

      de kabel of leiding verwerkt in het brugdek; of

    • b.

      de kabel of leiding aan de brug gehangen op een hoogte die hoger is dan de hoogwaterlijn.  

  • 6.

    Het bestuur wordt minimaal vijf werkdagen van tevoren geïnformeerd over datum en tijdstip van aanvang van de werkzaamheden. 

  • 7.

    Indien de kabel of leiding definitief buiten gebruik is gesteld, dient het bestuur hiervan binnen 10 werkdagen te worden geïnformeerd. 

Artikel 2.28 Algemene regel parallel aan oppervlaktewater

Als een kabel of leiding parallel aan een oppervlaktewater wordt aangelegd, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a.

    de kabel of leiding wordt op de grens van het oppervlaktewater aangelegd;

  • b.

    de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en

  • c.

    de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.29 Algemene regel profiel van vrije ruimte

Als een kabel of leiding wordt aangelegd in het profiel van vrije ruimte, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a.

    de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en

  • b.

    de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.30 Algemene regel meanderzone

Als een kabel of leiding wordt aangelegd in een meanderzone, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a.

    de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en

  • b.

    de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.31 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vijf werkdagen voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 2.26, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over datum en tijdstip van aanvang van de werkzaamheden.

  • 2.

    Ten minste tien werkdagen voordat een kabel of leiding definitief buiten gebruik is gesteld, worden gegevens en bescheiden hierover verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 2.32 Melding
  • 1.

    Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 2.26 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.7 Recreatief medegebruik in of nabij een oppervlaktewater

Artikel 2.33 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater voor recreatieve doeleinden.

Artikel 2.34 Specifieke zorgplicht recreatief medegebruik

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    er geen schade wordt toegebracht aan het oppervlaktewater of de bijbehorende zones;

  • b.

    er geen afval wordt achtergelaten;

  • c.

    aanwezig vee op de aangrenzende percelen niet wordt verontrust; en

  • d.

    de privacy van bewoners van huizen op de aangrenzende percelen wordt gerespecteerd.

Artikel 2.35 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.36 Algemene regel varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op de Roer
  • 1.

    Kanovaart vindt alleen plaats in de periode van 1 juni tot 1 oktober.

  • 2.

    Er wordt vertrokken tussen 10.00 en 12.00 uur en tussen 14.00 en 16.00 uur.

  • 3.

    Er vertrekken maximaal 20 boten per vertrekmoment.

  • 4.

    In- en uitstappen vindt alleen plaats op de volgende locaties:

    • a.

      de trailerhelling benedenstrooms van de brug in Vlodrop;

    • b.

      de rustplaats nabij de kerk in St. Odiliënberg; en

    • c.

      de trailerhelling bovenstrooms van de brug van de Andersonweg te Roermond.

  • 5.

    De in de Roer aanwezige grindbanken worden niet betreden.

  • 6.

    Degene die de activiteit verricht heeft een exemplaar van de melding bij zich en kan deze op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar tonen.

Artikel 2.37 Algemene regel varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op een ander oppervlaktewater dan de Roer
  • 1.

    Aanwezige vangmiddelen voor het bestrijden van muskus- of beverratten worden niet beschadigd, los gemaakt of open gemaakt.

  • 2.

    Tijdens het recreatief medegebruiken van een oppervlaktewater worden aanwezige stuwen, vistrappen, gemalen of in- of uitstroomopeningen niet betreden.

  • 3.

    Meegebrachte huisdieren zijn te allen tijde aangelijnd.

Artikel 2.38 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.35eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste twee werkdagen voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Wijzigingen van de gemelde gegevens worden voorafgaand aan de kanotocht doorgegeven aan het waterschap.

Artikel 2.39 Algemene regel varen met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek

Voor het varen met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek te Roermond gelden de volgende voorschriften: 

  • a.

    er wordt alleen gevaren door gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan de aangegeven trajecten varen op de Roer en Hambeek;

  • b.

    varen vindt alleen plaats op traject I en op het traject waaraan het perceel van de melder direct grenst;

  • c.

    er wordt alleen gevaren in het laagwaterseizoen van 15 maart tot en met 14 oktober, tussen zonsopgang en zonsondergang;

  • d.

    per perceel wordt met maximaal één gemelde gemotoriseerde boot gevaren;

  • e.

    de maximale vaarsnelheid op de trajecten II, III, IV en V bedraagt 5 kilometer per uur;

  • f.

    afhankelijk van het traject heeft de boot de volgende afmetingen:

    • 1.

      traject II: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 1,75 meter hoog;

    • 2.

      traject III: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 3,5 meter hoog; en 

    • 3.

      traject IV en traject V: 6 meter lang, 2 meter breed, 0,5 meter diepgang, 1,75 meter hoog; en

  • g.

    de bestuurder van de boot heeft een exemplaar van de melding bij zich en kan deze op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar tonen.

Artikel 2.40 Algemene regel aan- en afmeren met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek

Voor het aanmeren of afmeren met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    aan- en afmeren vindt alleen plaats door gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan de aangegeven trajecten varen op de Roer en Hambeek;

  • b.

    aanmeren en afmeren vindt plaats bij het eigen perceel, met uitzondering van traject I;

  • c.

    de boot wordt met de lange zijde deugdelijk en zo strak mogelijk tegen de aanmeervoorziening aangemeerd;

  • d.

    boten worden niet geplaatst of gestald op de oevers, taluds of aanlegwallen van de trajecten II, III, IV en V;

  • e.

    tijdens het hoogwaterseizoen van 15 oktober tot en met 14 maart is de boot verwijderd uit het water op de trajecten II, III, IV en V; en

  • f.

    per perceel wordt met maximaal één gemelde gemotoriseerde boot aangemeerd.

Artikel 2.41 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.35derde lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.42 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning in de kernzone van een primair of secundair water een parcours aan te leggen of in te richten voor recreatieve doeleinden.

Artikel 2.43 Absoluut verbod
  • 1.

    Het is verboden in watergangen anders dan de trajecten I tot en met V van de Roer en Hambeek te recreëren met (behulp van) een gemotoriseerd voertuig of vaartuig.

  • 2.

    Het is verboden met een kano, kajak of stand-up paddle board te varen op een traject dat niet is opgenomen op de kaarten kanovaren.

Paragraaf 2.1.8 Beplanting langs een oppervlaktewater

Artikel 2.44 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, hebben, verplaatsen en verwijderen van beplanting in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.45 Specifieke zorgplicht beplanting

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    bomen en struiken zodanig worden geplant dat oeververdedigingen (beschoeiingen) en taluds van oppervlaktewateren niet beschadigen als gevolg van wortelgroei;

  • b.

    bomen en struiken zodanig worden onderhouden dat deze niet tot schade aan het oppervlaktewater en bijbehorende zones kunnen leiden;

  • c.

    de kernzone niet wordt versmald of beschadigd als gevolg van uitgroeiende wortels, stammen en takken van bomen en struiken;

  • d.

    het oppervlaktewater en de bijbehorende zones na afloop van de werkzaamheden in nette staat achtergelaten worden; en

  • e.

    na het aanbrengen, verplaatsen en verwijderen van bomen en struiken de onderhoudsstrook en het oppervlaktewater in de oorspronkelijke toestand worden teruggebracht.

Artikel 2.46 Algemene regel beplanting aanbrengen in of nabij de kernzone
  • 1.

    Bij het aanbrengen van een boom of struik binnen primair of secundair water of een zone van 2 meter eromheen, wordt voldaan aan artikel 2.47.

  • 2.

    Ook bij het aanbrengen van een boom of struik in het profiel van vrije ruimte, een meanderzone of een inundatiegebied, wordt voldaan aan artikel 2.47.

Artikel 2.47 Algemene regel bomen of struiken aanbrengen
  • 1.

    Als een boom of struik wordt aangebracht binnen de primair water of een zone van 2 meter eromheen, wordt deze binnen de kernzone tot 4 meter boven het maaiveld takvrij gehouden.

  • 2.

    Bomen of struiken in een meandergebied vormen geen belemmering voor het natuurlijke meanderproces of voor het voeren van doelmatig onderhoud aan het in de meanderzone gelegen oppervlaktewater.

  • 3.

    Bomen en struiken vormen geen belemmering voor het functioneren van het Inundatiegebied.

Artikel 2.48 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning bomen of struiken aan te brengen, te verplaatsen of te verwijderen in de kernzone van een primair of secundair water.

Paragraaf 2.1.9 Kleine bouwwerken langs een oppervlaktewater

Artikel 2.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben of wijzigen van een bouwwerk zonder woon- of verblijfsfunctie dat niet dieper dan 50 cm in de grond is gefundeerd in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.50 Specifieke zorgplicht kleine bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    het plaatsen van een klein bouwwerk niet leidt tot beschadiging van het oppervlaktewater en de bijbehorende zones;

  • b.

    het bouwwerk zodanig geplaatst wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud;

  • c.

    de aanwezigheid van een bouwwerk binnen een profiel van vrije ruimte niet leidt tot beperking van noodzakelijke aanpassingen aan het oppervlaktewater;

  • d.

    de aanwezigheid van een klein bouwwerk binnen een meanderzone geen belemmering voor het meanderproces binnen de meanderzone vormt; en

  • e.

    de aanwezigheid van een klein bouwwerk binnen een inundatiegebied geen afbreuk doet aan de functie van het inundatiegebied.

Artikel 2.51 Melding
  • 1.

    Het is verboden een bouwwerk aan te leggen in de kernzone, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.10 Afrasteringen, hekwerken en schuttingen langs een oppervlaktewater

Artikel 2.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen of verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.53 Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken en schuttingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de aanwezigheid van de afrastering, het hekwerk of de schutting geen belemmering vormt voor het voeren van onderhoud aan het oppervlaktewater;

  • b.

    de aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of een schutting binnen een meanderzone niet leidt tot een belemmering voor het meanderproces binnen de meanderzone; en

  • c.

    de aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of een schutting binnen een inundatiegebied geen afbreuk doet aan de functie van het inundatiegebied.

Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.55 Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen
  • 1.

    Een hekwerk of schutting wordt op ten minste 0,5 meter uit de grens van de kernzone geplaatst.

  • 2.

    Een hekwerk of schutting heeft een maximale hoogte van 2,00 meter.

Artikel 2.56 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 2.54, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.57 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een afrastering, hekwerk of schutting te plaatsen in de kernzone.

Paragraaf 2.1.11 Lozen van hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak in een oppervlaktewater

Artikel 2.58 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het binnen het beheergebied van het waterschap versneld afvoeren en lozen van hemelwater in een oppervlaktewater vanaf verhard oppervlak.

Artikel 2.59 Specifieke zorgplicht lozen vanaf verhard oppervlak

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat een lozing van hemelwater vanaf verhard oppervlak op de bodem via afstroming naar een oppervlaktewater geen wateroverlast veroorzaakt.

Artikel 2.60 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak te lozen in een oppervlaktewater.

Paragraaf 2.1.12 Realisering projecten bij een oppervlaktewater

Artikel 2.61 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van projecten die binnen het beheergebied van het waterschap kunnen leiden tot waterstaatkundige gevolgen buiten het projectgebied.

Artikel 2.62 Specifieke zorgplicht projecten

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat een project geen negatieve waterstaatkundige gevolgen veroorzaakt buiten het projectgebied.

Artikel 2.63 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning maatregelen te treffen binnen een aaneengesloten gebied van ten minste 10 hectare, als deze maatregelen een waterstaatkundig effect kunnen hebben buiten dat projectgebied.

Paragraaf 2.1.13 Evenement in of bij een oppervlaktewater

Artikel 2.64 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van een evenement in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.65 Specifieke zorgplicht evenementen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    er geen schade wordt toegebracht aan het oppervlaktewater of de bijbehorende zones;

  • b.

    eventueel ontstane schade aan het oppervlaktewater of een bijbehorende zone onmiddellijk wordt hersteld;

  • c.

    er geen afval wordt achtergelaten;

  • d.

    aanwezig vee op de aangrenzende percelen niet wordt verontrust; en

  • e.

    de privacy van bewoners van huizen op de aangrenzende percelen wordt gerespecteerd.

Artikel 2.66 Melding
  • 1.

    Het is verboden een evenement te houden in de kernzone van een primair of secundair water, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.14 Uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen een lijnvormig element

Artikel 2.67 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van werken of werkzaamheden in een lijnvormig element.

Artikel 2.68 Specifieke zorgplicht werken of werkzaamheden in lijnvormig element

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat door een werk of werkzaamheid het functioneren van het lijnvormige element niet negatief wordt beïnvloed.

Artikel 2.69 Algemene regel werken of werkzaamheden in lijnvormig element

De uitvoering van werken en werkzaamheden binnen een lijnvormig element leidt niet tot beschadiging van de graszoden.

Paragraaf 2.1.15 Stuwen en andere peilregulerende werken in een oppervlaktewater

Artikel 2.70 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben of wijzigen van een stuw of ander peilregulerend werk in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.71 Specifieke zorgplicht stuwen en andere peilregulerende werken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de stuw en ander peilregulerend werk in een goede staat van onderhoud wordt gehouden; en

  • b.

    bediening van de stuw en ander peilregulerend werk zodanig plaatsvindt dat andere gebruikers van het oppervlaktewater hiervan geen schade ondervinden.

Artikel 2.72 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, hebben of wijzigen van een OWL-stuw of ander peilregulerend werk in een overig water, wordt voldaan aan artikel 2.73.

Artikel 2.73 Algemene regel stuwen en andere peilregulerende werken
  • 1.

    Een stuw of ander peilregulerend werk wordt ten minste ingesteld op de peilen zoals opgenomen in onderstaande tabel.

     

    Gewas

    Grondwaterniveau t.o.v. maaiveld

     

    Gemiddeld hoog

    Gemiddeld laag

    Grasland

    -0,30 m

    -0,60 m

    Bouwland of akkerland

    -0,50 m

    -0,80 m

    Diep wortelende gewassen

    -0,80 m

    -1,00 m

    Tuinbouw

    -0,50 m

    -0,80 m

     
  • 2.

    Maatgevend voor de instelling van de stuwpeilen is de drooglegging ten opzichte van het 10% laagste maaiveld van het perceel met het meest kritieke gewas binnen het beïnvloedingsgebied van de stuw of van het peilregulerende werk.

  • 3.

    Het bestuur kan afkondigen wanneer de hoge of lage stand wordt ingesteld.

  • 4.

    De neerwaartse aanpassing van het stuwpeil geschiedt met maximaal 20 cm per etmaal.

  • 5.

    Van deze voorschriften kan, onder meer ingeval van acute dreiging van inundatie, van verzadiging van de bovengrond of bij verwachting van veel neerslag worden afgeweken. Het bestuur kan daarbij instructies geven die opgevolgd dienen te worden.

Artikel 2.74 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een stuw of peilregulerend werk aan te leggen, te hebben of te wijzigen in een primair of secundair water.

Paragraaf 2.1.16 Woonboten in een oppervlaktewater

Artikel 2.75 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of hebben van een woonboot in een oppervlaktewater.

Artikel 2.76 Specifieke zorgplicht woonboten

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    geen schade wordt toegebracht aan de oever en het talud van het oppervlaktewater; en

  • b.

    het doelmatig voeren van onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.77 Algeheel verbod woonboten

Het is verboden om een woonboot te leggen of te hebben in een primair water.

Paragraaf 2.1.17 Verleggen of aanpassen van een oppervlaktewater

Artikel 2.78 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verleggen of aanpassen van een primair of secundair oppervlaktewater en op het aanleggen van een oppervlaktewater dat in verbinding wordt gebracht met een primair of secundair oppervlaktewater.

Artikel 2.79 Specifieke zorgplicht verleggen of aanpassen oppervlaktewater

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    schade wordt hersteld die binnen twee jaar na realisering van de verlegging of aanpassing ontstaat aan de oever en het talud van het oppervlaktewater; en

  • b.

    het doelmatig voeren van onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.80 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een primair of secundair oppervlaktewater te verleggen of aan te passen of een oppervlaktewater aan te leggen dat in verbinding wordt gebracht met een primair of secundair oppervlaktewater.

Paragraaf 2.1.18 Tijdelijk afdammen van een primair en secundair oppervlaktewater

Artikel 2.81 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk afdammen van een primair of secundair oppervlaktewater.

Artikel 2.82 Specifieke zorgplicht tijdelijk afdammen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat schade wordt hersteld die binnen twee jaar na de tijdelijke afdamming ontstaat aan de oever en het talud van het oppervlaktewater.

Artikel 2.83 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning tijdelijk primair of secundair oppervlaktewater af te dammen.

Paragraaf 2.1.19 Ophogen in inundatiegebied

Artikel 2.84 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, instandhouden en wijzigen van een ophoging in een inundatiegebied.

Artikel 2.85 Specifieke zorgplicht ophogen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat de ophoging zo aangelegd, gewijzigd en behouden wordt dat deze, zo nodig inclusief te realiseren en te behouden compensatie, niet leidt tot een beperking van het functioneren van het inundatiegebied.

Artikel 2.86 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een ophoging aan te brengen in een inundatiegebied.

Afdeling 2.2 Lozen in oppervlaktewater

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.87 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.

Artikel 2.88 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 2.89 Normadressaat

Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 2.90 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.88, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast; 

    • c.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • e.

      lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • f.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en

    • g.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 2.91 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.90 en 2.95 tot en met 2.152.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.95 tot en met 2.152.

Artikel 2.92 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit; 

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en 

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 2.93 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.92, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap

Artikel 2.94 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
  • 1.

    Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 2.95 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlakte- waterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Artikel 2.96 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Paragraaf 2.2.2 Lozen in oppervlaktewater

Artikel 2.97 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water in een oppervlaktewater met een lozingsvoorziening.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen, behouden, wijzigen en verwijderen van een lozingsvoorziening in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf verhard oppervlak in het beheergebied.

Artikel 2.98  Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de lozing niet leidt tot beschadiging van oevers, taluds en bodem;

  • b.

    het onderhoud (maaien oevers, taluds, bodem en onderhoudsstrook) niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van een lozingsvoorziening;

  • c.

    na het verwijderen van de (tijdelijke) lozingsvoorziening de watergang in oorspronkelijke toestand wordt hersteld;

  • d.

    degene die water loost op de bodem ervoor zorgt dat afstroming naar een oppervlaktewater wordt vermeden; en

  • e.

    degene die het water loost het bestuur zo spoedig mogelijk informeert over eventuele veroorzaakte schade en over de getroffen en nog te treffen maatregelen.

Artikel 2.99 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.100 Algemene regel lozingsvoorziening

De lozingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer vervult.

Artikel 2.101 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.99, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.102 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 100 m3 water per uur te lozen in een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 20 m3 water per uur te lozen in een oppervlaktewater met een lage basisafvoer.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 20 m3 water per uur te lozen in een overig water.

  • 4.

    Het is verboden zonder vergunning water te lozen in bronlopen.

Paragraaf 2.2.3 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 2.103 Lozen van grondwater bij saneringen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK´s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

     
  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK´s

    1 μg/l

    Minerale olie

    50 μg/l

    Cadmium

    0,4 μg/l

    Kwik

    0,1 μg/l

    Koper

    1,1 μg/l

    Nikkel

    4.1 μg/l

    Lood

    5,3 μg/l

    Zink

    12 μg/l

    Chroom

    2,4 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    20 mg/l

    Benzeen

    2 μg/l

    Tolueen

    7 μg/l

    Ethylbenzeen

    4 μg/l

    Xyleen

    4 μg/l

    Tetrachlooretheen

    3 μg/l

    1,2-dichlooretheen

    20 μg/l

    1,1,1-trichloorethaan

    20 μg/l

    Vinylchloride

    8 μg/l

    Som van de vijf hierbovenstaande stoffen

    20 μg/l

    Monochloorbenzeen

    7 μg/l

    Dichloorbenzenen

    3 μg/l

    Trichloorbenzenen

    1 μg/l

     
Artikel 2.104 Lozen van grondwater bij ontwatering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  • 2.

    Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

Artikel 2.105 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; 

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.106 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.103 en 2.104, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of 

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Paragraaf 2.2.4 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 2.107 Lozen van afvloeiend hemelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • c.

      geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    In afwijking van het  eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.108 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.5 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.109 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een opper- vlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwater- riool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; 

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan50 inwonerequivalenten; 

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan100 inwonerequivalenten; en 

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: 

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijkafvalwater vrijkomt; en 

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwarenkunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.110 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening. 

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.  

    Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatiefetmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

     
  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.

    Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezenoppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatiefetmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    20 mg/l

    40 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

     
  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.  

  • 5.

    Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: 

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of 

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.  

Artikel 2.111 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.  

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; 

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; 

    • c.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    • d.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; 

    • e.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • f.

      voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.  

Artikel 2.112 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.109, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:  

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; 

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en 

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: 

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.  

Paragraaf 2.2.6 Lozen van koelwater

Artikel 2.113 Koelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.  

  • 2.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

  • 3.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. 

  • 4.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.  

Artikel 2.114 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.113, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de maximale warmtevracht; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

Paragraaf 2.2.7 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Artikel 2.115 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: 

  • a.

    afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of

  • b.

    afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.  

Artikel 2.116 Werkinstructie bij reinigen en conserveren 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

    • a.

      is een werkinstructie opgesteld; en

    • b.

      wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.  

  • 2.

    In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      welke technieken worden toegepast; 

    • b.

      welke stoffen kunnen vrijkomen; en 

    • c.

      welke stoffen worden gebruikt.  

  • 3.

    Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:

    • a.

      op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;

    • b.

      wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; 

    • c.

      of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;

    • d.

      op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en

    • e.

      welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. 

Artikel 2.117 Werkinstructie bij bouwen en slopen

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: 

  • a.

    op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en

  • b.

    welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.  

Artikel 2.118 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.  

Artikel 2.119 Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.  

Artikel 2.120 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.115 , 2.116 en 2.117, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.115; of

    • b.

      voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.116.  

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.  

Paragraaf 2.2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 2.121 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: 

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout; 

  • d.

    snoeihout; 

  • e.

    banden van voertuigen; 

  • f.

    autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; 

  • g.

    straatmeubilair; 

  • h.

    tuinmeubilair; 

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal; 

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedings-  middelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.  

Artikel 2.122 Lozen bij opslaan van inerte goederen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 

Artikel 2.123 Lozen bij overslaan van inerte goederen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.  

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. 

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.  

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.  

Paragraaf 2.2.9 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen

Artikel 2.124 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.  

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.  

    Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l

    Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink

    1 mg/l

    Minerale olie

    20 mg/l

    Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

    50 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Som van stikstofverbindingen

    10 mg/l

    Som van fosforverbindingen

    2 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

Artikel 2.125 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; 

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; 

    • d.

      voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of  NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • e.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • f.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    • g.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • h.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • i.

      voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.  

Artikel 2.126 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:

    • a.

      het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; 

    • b.

      het overslaan van zout voor het strooien op wegen; 

    • c.

      het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • d.

      het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. 

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.  

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.  

Artikel 2.127 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.124 en 2.126, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:

    • a.

      zout voor het strooien op wegen; 

    • b.

      niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en 

    • c.

      niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.  

Paragraaf 2.2.10 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 2.128 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 2.129 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Paragraaf 2.2.11 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewater

Artikel 2.130 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.131 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

  • a.

    de toe te passen baggertechniek, en 

  • b.

    de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.  

Artikel 2.132 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.130 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.  

Artikel 2.133 Lozen van algen en bacteriën

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.  

Artikel 2.134 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.130, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;

    • b.

      als de waterbodem de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.131; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.  

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. 

Paragraaf 2.2.12 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 2.135 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 

  • 2.

    Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Paragraaf 2.2.13 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 2.136 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdings- technieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.  

Artikel 2.137 Gegevens en bescheiden

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.136, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en

  • b.

    welke stoffen dat blusschuim bevat.  

Paragraaf 2.2.14 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 2.138 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.  

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.  

    Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden

    Stof 

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen 

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofgebruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofgebruik

    300 mg/l 

     
  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.  

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.139 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwater- riool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.  

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.  

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.  

  • 4.

    In afwijking van het derde, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. 

Artikel 2.140 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. 

    Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

     
Artikel 2.141 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster. 

    Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Chloride

    200 mg/l

    Ijzer

    2 mg/l

     
  • 3.

    De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. 

Artikel 2.142 Lozen bij ontijzeren grondwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuivering- technisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.  

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.  

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.  

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.  

Artikel 2.143 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.  

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.  

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; 

    • b.

      onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; 

    • c.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;

    • d.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; en

    • e.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.  

Artikel 2.144 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.138 tot en met 2.142, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

Paragraaf 2.2.15 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Artikel 2.145 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute

Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.  

Paragraaf 2.2.16 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 2.146 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.147 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:

    • a.

      grootkeukenapparatuur; 

    • b.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • c.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

  • 2.

    Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.  

Artikel 2.148 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.147, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de  gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

Paragraaf 2.2.17 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 2.149 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. 

Artikel 2.150 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.149, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.  

Paragraaf 2.2.18 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 2.151 Lozen van spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: 

  • a.

    afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en

  • b.

    afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. 

Paragraaf 2.2.19 Asverstrooing

Artikel 2.152 Asverstrooiing

Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.  

Paragraaf 2.2.20 Andere lozingen

Artikel 2.153 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2.2 tot en met 2.2.19;

    • c.

      het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

    • d.

      het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

Artikel 2.154 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.  

Paragraaf 2.2.21 Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriftenomgevingsvergunning lozingsactiviteit

Artikel 2.155 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;

  • b.

    de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; 

  • c.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • d.

    een riooltekening;

  • e.

    de locaties van de lozingspunten;

  • f.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;

  • g.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • h.

    een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; 

  • i.

    de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; 

  • j.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de  stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene Beoordelings-Methodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; 

  • k.

    de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.  

Artikel 2.156 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.  

Artikel 2.157 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.  

Hoofdstuk 3 Activiteiten bij waterkeringen

Afdeling 3.1 Activiteiten bij waterkeringen

Paragraaf 3.1.1 Algemeen

Artikel 3.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit metbetrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist,worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal wordengemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting vande activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel ofde leiding;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachteduur ervan;

  • d.

    als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgendeinformatie:

    • 1.

      een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleidingwegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;

    • 2.

      een tekening met een aanduiding van de boorlijn;

    • 3.

      een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en

    • 4.

      gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van eengrondmechanisch onderzoek;

  • e.

    als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening vande kade of waterkering.

Paragraaf 3.1.2 Afrasteringen, hekwerken en schuttingen

Artikel 3.2 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken of schuttingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de waterkering voldoende bereikbaar moet zijn om de waterkering te kunnen inspecteren;

  • b.

    de waterkering voldoende bereikbaar moet zijn om de waterkering te kunnen onderhouden; en

  • c.

    in geval van (dreigende) calamiteuze situaties, (nood)voorzieningen en –maatregelen kunnen worden getroffen.

Artikel 3.4 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting in de beschermingszone bij een waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.5.

Artikel 3.5 Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen
  • 1.

    Een afrastering, hekwerk of schutting wordt op ten minste de grens van de kernzone van de waterkering geplaatst.

  • 2.

    Het verwijderen van een ondergrondse fundering voor een afrastering, hekwerk en schutting mag nooit leiden tot het optreden van kwelwater.

  • 3.

    Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting worden direct zodanig gevuld dat een blijvende waterdichte afdichting tot stand wordt gebracht.

  • 4.

    Aan het derde lid wordt in ieder geval voldaan als ontstane gaten worden gevuld met zwelklei of bentoniet.

  • 5.

    De afrastering, het hekwerk of de schutting is in zijn geheel verwijderbaar of eenvoudig demontabel.

Artikel 3.6 Melding
  • 1.

    Het is verboden een hekwerk of schutting te plaatsen in de beschermingszone van de waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.7 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een afrastering, hekwerk of schutting te plaatsen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.3 Ontgronding

Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op ontgrondingen die leiden tot een blijvende ontgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht ontgrondingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de ontgronding op de (stabiliteit van de) waterkering en daarmee op het functioneren van de waterkering worden voorkomen.

Artikel 3.10 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de beschermingszone van de waterkering.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

  • 4.

    Het is verboden zonder vergunning  te ontgronden in de buitenbeschermingszone van de waterkering.

  • 5.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de hoge grond basis.

  • 6.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de hoge grond robuust. 

Paragraaf 3.1.4 Doorgraving

Artikel 3.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tot stand brengen van een doorgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. 

Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht doorgraving

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de doorgraving op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen. 

Artikel 3.13 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de hoge grond basis.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de hoge grond robuust

Paragraaf 3.1.5 Ontgraving

Artikel 3.14 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een ontgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.15 Specifieke zorgplicht ontgraving

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de ontgraving op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen. 

Artikel 3.16 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het uitvoeren van een ontgraving in hoge grond basis, wordt voldaan aan artikel 3.17 als dieper dan 0.5 meter en niet dieper dan 2,5 meter wordt ontgraven.

  • 2.

    Ook bij het uitvoeren van een ontgraving in de beschermingszone van de waterkering wordt voldaan aan artikel 3.17 als dieper is dan 0,5 meter en niet dieper dan 2,5 meter wordt ontgraven.

Artikel 3.17 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.16, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.18 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in  de beschermingszone als er 0,5 meter of dieper wordt ontgraven.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in hoge grond basis als er 0,5 meter of dieper wordt ontgraven.

Paragraaf 3.1.6 Aanleg hogedrukleiding

Artikel 3.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben of wijzigen van een leiding die deel uitmaakt van een leidingsysteem met een maximale bedrijfsdruk van 10 bar of meer in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.20 Specifieke zorgplicht hogedrukleiding

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de aanleg en aanwezigheid van een hogedrukleiding op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen.

Artikel 3.21 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen binnen de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen in de beschermingszone van de waterkering.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen in de buitenbeschermingszone van de waterkering.

  • 4.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

  • 5.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen in de hoge grond basis.

  • 6.

    Het is verboden zonder vergunning een hogedrukleiding aan te leggen of te wijzigen in de hoge grond robuust.

Paragraaf 3.1.7 Kleine bouwwerken

Artikel 3.22 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden en wijzigen van een klein bouwwerk in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een hekwerk of schutting als bedoeld in paragraaf 3.1.2 of op straatmeubilair als bedoeld in paragraaf 3.1.9.

Artikel 3.23 Specifieke zorgplicht kleine bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de stabiliteit van de waterkering niet negatief beïnvloed wordt; en

  • b.

    de bereikbaarheid van de waterkering niet wordt belemmerd met het oog op het beheer en onderhoud van de waterkering.

Artikel 3.24 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of wijzigen van een klein bouwwerk in het profiel van vrije ruimte van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.25.

Artikel 3.25 Algemene regel kleine bouwwerken
  • 1.

    Het kleine bouwwerk is in zijn geheel verwijderbaar of eenvoudig demontabel.

  • 2.

    Voor het aanbrengen van de fundering van het bouwwerk wordt maximaal 50 cm ontgraven ten opzichte van het bestaande maaiveld.

  • 3.

    De ontgraving voor de fundering dient na het maken van de fundering te worden aangevuld tot oorspronkelijk maaiveld met daarvoor geschikte grond.

  • 4.

    Aan het derde lid wordt in ieder geval voldaan als de ontgraving wordt aangevuld met klei met erosiebestendigheid categorie 2 met een lutumpercentage tussen 15 en 25%.

  • 5.

    Het kleine bouwwerk inclusief fundering wordt in zijn geheel verwijderd als het niet meer wordt gebruikt.

Artikel 3.26 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.24, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.27 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een klein bouwwerk aan te leggen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.8 Bouwwerken

Artikel 3.28 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden of uitbreiden van een bouwwerk in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een klein bouwwerk als bedoeld in paragraaf 3.1.7.

Artikel 3.29 Specifieke zorgplicht aanleggen, instandhouden of uitbreiden bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering niet negatief beïnvloed mag worden.

Artikel 3.30 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen of uit te breiden in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen of uit te breiden in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen of uit te breiden in de buitenbeschermingszone van de waterkering, waarbij een ontgraving van meer dan 2,5 meter beneden maaiveld plaatsvindt.

Paragraaf 3.1.9 Straatmeubilair

Artikel 3.31 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden, wijzigen en verwijderen van straatmeubilair in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.32 Specifieke zorgplicht straatmeubilair

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering niet negatief beïnvloed wordt.

Artikel 3.33 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanleggen van straatmeubilair binnen de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.34.

  • 2.

    Ook bij het aanleggen van straatmeubilair in de kernzone, waarbij geen diepere in- of ontgraving nodig is dan 50 cm, wordt voldaan aan artikel 3.34.

Artikel 3.34 Algemene regel straatmeubilair
  • 1.

    Er worden zonder voorafgaande goedkeuring van het dagelijks bestuur geen werkzaamheden in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering uitgevoerd in de periode tussen 15 oktober en 15 maart.

  • 2.

    Alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden worden afgevoerd.

  • 3.

    Het talud van de waterkering wordt niet gebruikt als opslagplaats voor materiaal of materieel.

  • 4.

    De locatie van de te plaatsen objecten ten opzichte van andere objecten is zo dat het beheer en onderhoud van de waterkering met gangbaar materieel niet wordt belemmerd.

  • 5.

    De gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van het straatmeubilair worden met daarvoor geschikte grond gevuld.

  • 6.

    Aan het vijfde wordt in ieder geval voldaan als:

    • a.

      voor het buitentalud klei met erosiebestendigheid categorie 1, met een lutumpercentage tussen 25 en 37%, wordt gebruikt; en

    • b.

      voor het binnentalud klei met erosiebestendigheid categorie 2, met een lutumpercentage tussen 15 en 25% wordt gebruikt.

  • 7.

    De aangevulde grond wordt ingezaaid met een graszaadmengsel type D1 in een hoeveelheid van 40–70 kg/ha.

Artikel 3.35 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 3.33, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.36 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning straatmeubilair aan te leggen in de kernzone van de waterkering, waarbij een diepere in- of ontgraving nodig is dan 50 cm.

Paragraaf 3.1.10 Aanleg of uitbreiding van een kelder

Artikel 3.37 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of uitbreiden van een kelder  in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.38 Specifieke zorgplicht aanleggen of uitbreiden kelder

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de werkzaamheden worden uitgevoerd op een manier die de stabiliteit en het functioneren van de waterkering niet in gevaar bengt; en

  • b.

    de waterkering bereikbaar blijft tijdens de uitvoering van de werkzaamheden en inspectie en onderhoud van de waterkering niet wordt belemmerd.

Artikel 3.39 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een kelder aan te leggen of uit te breiden in een bouwwerk in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een kelder aan te leggen of uit te breiden in een bouwwerk in de beschermingszone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.11 Verwijderen van een bouwwerk

Artikel 3.40 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een bouwwerk in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.41 Specifieke zorgplicht verwijderen bouwwerk

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat de stabiliteit en het functioneren van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht; en

  • b.

    de waterkering bereikbaar blijft tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Inspectie en onderhoud van de waterkering mag niet worden belemmerd.

Artikel 3.42 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het verwijderen van een bouwwerk in de beschermingszone van de waterkering, waarbij geen kelder of diepe fundering wordt verwijderd, wordt voldaan aan artikel 3.43.

  • 2.

    Bij het verwijderen van een bouwwerk in hoge grond basis, wordt voldaan aan artikel 3.43

  • 3.

    Ook bij het verwijderen van een bouwwerk in hoge grond robuust, wordt voldaan aan artikel 3.43.

Artikel 3.43 Algemene regel verwijderen bouwwerk

De ontgraving wordt na verwijdering van het bouwwerk aangevuld tot oorspronkelijk maaiveld en met een opbouw gelijk aan die van het omliggende terrein.

Artikel 3.44 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.45 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk te verwijderen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk te verwijderen in de beschermingszone van de waterkering, waarbij een kelder of diepe fundering wordt verwijderd.

Paragraaf 3.1.12 Grondmechanisch onderzoek

Artikel 3.46 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.47 Specifieke zorgplicht grondmechanisch onderzoek

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat de werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat schade aan de waterkering wordt vermeden.

Artikel 3.48 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.49.

Artikel 3.49 Algemene regel grondmechanisch onderzoek
  • 1.

    Gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden worden direct volledig aangevuld met zwelklei of bentoniet voor een blijvend waterdichte afdichting.

  • 2.

    Voorafgaand aan de werkzaamheden worden de graszoden uitgestoken (minimaal 10 cm diep) en worden deze na uitvoering van de werkzaamheden teruggeplaatst.

Artikel 3.50 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.48, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.51 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning grondmechanisch onderzoek uit te voeren in de kernzone van de waterkering

Paragraaf 3.1.13 Bodemenergiesysteem

Artikel 3.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een bodemenergiesysteem in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.53 Specifieke zorgplicht bodemenergiesysteem

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    negatieve effecten van de aanleg en aanwezigheid van een bodemenergiesysteem op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen; en

  • b.

    de aanwezigheid van het bodemenergiesysteem geen belemmering vormt voor een (toekomstige) aanpassing van de waterkering.

Artikel 3.54 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in de kernzone van de waterkering

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een bodemenergiesysteem aan te leggen in de beschermingszone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.14 Aanleggen en verwijderen van verharding

Artikel 3.55 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van verharding in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.56 Specifieke zorgplicht verharding

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    voorkomen wordt dat het afvloeiend hemelwater leidt tot aantasting van de stabiliteit van waterkering; en

  • b.

    negatieve effecten van het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van de verharding op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen; en

  • c.

    het doelmatig voeren van onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 3.57 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanleggen, wijzigen of instandhouden van verharding in de beschermingszone van de waterkering, waarbij een ontgraving van maximaal 50 cm diep wordt uitgevoerd, wordt voldaan aan artikel 3.58.

  • 2.

    Bij het verwijderen van verharding in de beschermingszone van de waterkering, waarbij een ontgraving van maximaal 50 cm diep wordt uitgevoerd, wordt voldaan aan artikel 3.59.

Artikel 3.58 Algemene regel aanleg verharding

Degene die verharding aanlegt of behoudt:

  • a.

    legt de bovenkant van de verharding op het huidige maaiveldniveau;

  • b.

    legt de constructie van de verharding, inclusief fundering, niet dieper aan dan 50 cm onder het bestaande maaiveld; en

  • c.

    legt de verharding zo aan dat de afwatering van de waterkering niet gehinderd wordt en dat er geen vernatting van de teen van de waterkering optreedt.

Artikel 3.59 Algemene regel verwijderen verharding

De ontgraving wordt na verwijdering van de verharding aangevuld tot oorspronkelijk maaiveld en met een opbouw gelijk aan die van het omliggende terrein.

Artikel 3.60 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 3.57, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.61 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning verharding aan te leggen of te verwijderen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning verharding aan te leggen of te verwijderen in de beschermingszone van de waterkering, waarbij een ontgraving van meer dan 50 cm diep wordt uitgevoerd.

Paragraaf 3.1.15 Aanleggen van wegen

Artikel 3.62 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, instandhouden of wijzigen van een weg in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.63 Specifieke zorgplicht aanleggen van wegen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat de bereikbaarheid van de waterkering met het oog op beheer en onderhoud geborgd blijft.

Artikel 3.64 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een weg aan te leggen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een weg aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

Paragraaf 3.1.16 Ophogen

Artikel 3.65 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, instandhouden en wijzigen van een ophoging in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht ophogen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de waterkering niet negatief wordt beïnvloed;

  • b.

    de aanwezige ophoging geen zettingen en stabiliteitsproblemen veroorzaakt met invloed op de waterkering; en

  • c.

    voor de ophoging materiaal gebruikt dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen in het Besluit bodemkwaliteit en dat geen resten bevat van invasieve exoten zoals de Japanse Duizendknoop.

Artikel 3.67 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen van een ophoging binnen de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.68.

Artikel 3.68 Algemene regel ophogen
  • 1.

    Ophogingen worden zo aangelegd dat de afwatering van de waterkering en de waterhuishouding niet wordt gehinderd.

  • 2.

    Ophogingen leiden niet tot verstoring van de ondergrond.

  • 3.

    Afspoeling van grond richting de kernzone wordt met het oog op bescherming van de grasmat van de kernzone vermeden.

Artikel 3.69 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.67, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.70 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een ophoging aan te brengen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.17 Ploegen

Artikel 3.71 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op ploegen binnen het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.72 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning te ploegen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning dieper dan 50 cm beneden maaiveld te ploegen in de beschermingszone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.18 Leidingen

Artikel 3.73 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een leiding die deel uitmaakt van een leidingensysteem met een maximale bedrijfsdruk van 10 bar in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.74 Specifieke zorgplicht leidingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    het aanleggen van de leiding op een zodanige wijze plaatsvindt dat het functioneren van de waterkering zo min mogelijk wordt geschaad; en

  • b.

    initiatiefnemer er rekening mee houdt dat tijdens de uitvoering van het werk een hoge rivierwaterstand op kan treden.

Artikel 3.75 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een leiding aan te leggen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning een leiding aan te leggen in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

Paragraaf 3.1.19 Kabels

Artikel 3.76 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een kabel in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.77 Specifieke zorgplicht kabels

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat het leggen van een kabel plaatsvindt op een manier waarop en in een periode waarin het functioneren van de waterkering zo min mogelijk wordt geschaad.

Artikel 3.78 Aanwijzing algemene regels

Bij het leggen van een kabel in het profiel van vrije ruimte van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.79.

Artikel 3.79 Algemene regel kabels

De ontgraving wordt na aanleg van de kabel aangevuld tot oorspronkelijk maaiveld en met een opbouw gelijk aan die van het omliggende terrein.

Artikel 3.80 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.78, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.81 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een kabel te leggen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.20 Recreatief medegebruik

Artikel 3.82 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassen op het gebruiken van het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering voor recreatie.

Artikel 3.83 Specifieke zorgplicht recreatief medegebruik

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    voorkomen wordt dat de waterkering en bijbehorende zonering worden beschadigd als gevolg van het recreatief medegebruik; en

  • b.

    paardrijden op een waterkering en in de kernzone alleen plaatsvindt op speciaal hiervoor ingerichte ruiterpaden.

Artikel 3.84 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij recreatief medegebruik in de kernzone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.85, tenzij een parcours wordt aangelegd of ingericht.

  • 2.

    Bij het aanleggen of inrichten van een parcours in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.85.

Artikel 3.85 Verbod recreatief medegebruik
  • 1.

    Het is verboden de waterkering te gebruiken voor recreatieve doeleinden op plaatsen waar dit door het waterschap kenbaar is gemaakt.

  • 2.

    Het is verboden de taluds van de waterkering te gebruiken voor recreatieve doeleinden, tenzij het gebruik plaatsvindt op de daarvoor ingerichte locaties.

Artikel 3.86 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning een parcours aan te leggen of in te richten in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van de kernzone van de waterkering voor gemotoriseerde vormen van recreatief medegebruik.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van de beschermingszone van de waterkering voor gemotoriseerde vormen van recreatief medegebruik.

Paragraaf 3.1.21 Evenementen

Artikel 3.87 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van een evenement in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.88 Specifieke zorgplicht evenementen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat geen schade wordt toegebracht aan de waterkering en bijbehorende zoneringen.

Artikel 3.89 Aanwijzing algemene regels

Bij het houden van een evenement in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.90.

Artikel 3.90 Algemene regel evenementen
  • 1.

    Er worden geen ontgravingen uitgevoerd.

  • 2.

    Tijdelijke onderkomens en afrasteringen worden niet dieper dan 30 cm in de grond vastgesteld of verankerd.

  • 3.

    Kabels en leidingen worden bovengronds aangebracht.

Artikel 3.91 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.89, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.92 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een evenement te houden in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.22 Beplanting

Artikel 3.93 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van beplanting in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.94 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanbrengen of verwijderen van tuinbeplanting van 5 meter of minder in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.95 en 3.96.

  • 2.

    Bij het aanbrengen of verwijderen van een boom of tuinbeplanting groter dan 5 meter in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.97 en 3.99.

  • 3.

    Bij het aanbrengen of verwijderen van struweel in de beschermingszone van de waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.98 en 3.99.

Artikel 3.95 Algemene regel aanbrengen tuinbeplanting

Degene die tuinbeplanting aanbrengt:

  • a.

    houdt een afstand van ten minste 0,5 meter uit de kernzone van een dijklichaam aan die vrij is van beplanting en uitgroei van beplanting;

  • b.

    houdt een afstand van ten minste 1,5 meter uit de bovengrondse constructie van een vaste harde waterkering aan die vrij is van beplanting en uitgroei van beplanting;

  • c.

    houdt een afstand van ten minste 2 meter uit de bovengrondse constructie van een demontabele waterkering aan die vrij is van beplanting en uitgroei van beplanting;

  • d.

    brengt geen ondergrondse voorzieningen aan voor beluchting, drainages of watervoorziening;

  • e.

    beperkt de ingravingen van het plantgat tot een minimum en zorgt dat het plantgat nooit dieper is dan 1,0 meter;

  • f.

    dicht aan het einde van elke werkdag het plantgat met het uitgekomen materiaal; en

  • g.

    snoeit de beplanting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur als dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anders in het belang van de waterstaat.

Artikel 3.96 Algemene regel verwijderen tuinbeplanting

Degene die tuinbeplanting verwijdert:

  • a.

    verwijdert ondergrondse delen alleen in de periode van 15 maart tot 15 oktober;

  • b.

    voert de gerooide beplanting, inclusief wortels, af; en

  • c.

    vult de gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van de beplanting met het zelfde type grond als de directe omgeving van het gat en verdicht deze grond in lagen van 30 cm.

Artikel 3.97 Algemene regel aanbrengen bomen of tuinbeplanting

Degene die bomen aanbrengt:

  • a.

    brengt de boom of bomen aan op een afstand van ten minste 8,5 meter uit de teen van een dijklichaam;

  • b.

    brengt de boom of bomen aan op een afstand van ten minste 5,5 meter uit de teen van een vaste harde waterkering;

  • c.

    brengt de boom of bomen aan op een afstand van ten minste 5,5 meter uit de teen van een demontabele waterkering;

  • d.

    brengt geen ondergrondse voorzieningen aan voor beluchting, drainages of watervoorziening;

  • e.

    beperkt de ingravingen van het plantgat tot een minimum en zorgt dat het plantgat nooit dieper is dan 1,0 meter;

  • f.

    dicht aan het einde van elke werkdag het plantgat met het uitgekomen materiaal; en

  • g.

    snoeit of verwijdert de bomen op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur als dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anders in het belang van de waterstaat.

Artikel 3.98 Algemene regel aanbrengen struweel

Degene die struweel aanbrengt:

  • a.

    brengt de beplanting aan op een afstand van ten minste 8,5 meter uit de teen van een dijklichaam;

  • b.

    brengt de beplanting aan op een afstand van ten minste 5,5 meter uit de teen van een vaste harde waterkering;

  • c.

    brengt de beplanting aan op een afstand van ten minste 5,5 meter uit de teen van een demontabele waterkering;

  • d.

    brengt geen ondergrondse voorzieningen aan voor beluchting, drainages of watervoorziening;

  • e.

    beperkt de ingravingen van het plantgat tot een minimum en zorgt dat het plantgat nooit dieper is dan 1,0 meter;

  • f.

    dicht aan het einde van elke werkdag het plantgat met het uitgekomen materiaal; en

  • g.

    snoeit of verwijdert de beplanting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur als dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anders in het belang van de waterstaat.

Artikel 3.99 Algemene regel verwijderen bomen of struweel

Degene die bomen of struweel verwijdert:

  • a.

    verwijdert ondergrondse delen alleen in de periode van 15 maart tot 15 oktober;

  • b.

    voert de gerooide beplanting, inclusief wortels, af; en

  • c.

    vult de gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van de beplanting met het zelfde type grond als de directe omgeving van het gat en verdicht deze grond in lagen van 30 cm.

Artikel 3.100 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.94, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt hier zo spoedig mogelijk melding van gedaan.

Artikel 3.101 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning beplanting aan te brengen of te verwijderen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.23 Verleggen en reconstructie van een waterkering

Artikel 3.102 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verleggen of reconstrueren van een waterkering.

Artikel 3.103 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een waterkering te verleggen of te reconstrueren.

Hoofdstuk 4 Activiteiten met betrekking tot grondwater

Afdeling 4.1 Onttrekken

Paragraaf 4.1.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een gebied met oppervlaktewateren in kwantitatief waterbeheer bij Waterschap Limburg.

Artikel 4.2 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

    • e.

      de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

    • h.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

    • i.

      als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

      • 1.

        de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

      • 2.

        de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

      • 3.

        een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

      • 4.

        de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

      • 5.

        een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover het bepaalde in dat lid in strijd is met regels in het tijdelijke deel van deze waterschapverordening, bedoeld in artikel 4.7, onder a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 4.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal in te richten putten;

  • c.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

  • d.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  • e.

    de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

  • f.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; 

  • g.

    de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

  • h.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; 

  • i.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

  • j.

    als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 

    • 1.

      de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

    • 2.

      de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

    • 3.

      een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

    • 4.

      de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

    • 5.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. 

Artikel 4.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
  • 1.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 

  • 3.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een diepe grondwateronttrekking wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het met de activiteit onttrokken grondwater bestemd is voor menselijke consumptie.

Artikel 4.5 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 4.6 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening, anders dan een landbouwkundige onttrekking open teelt en anders dan ten behoeve van bluswater, of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 2.

    Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 3.

    Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in onderstaande tabel opgenomen parameters met de in die tabel 4.1 aangegeven frequentie.

    4.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    Kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen van elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    Cl

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor 

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

  • 4.

    Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 5.

    De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

  • 6.

    Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.

Paragraaf 4.1.2 Onttrekken met een pompcapaciteit van maximaal 10 m³ grondwater per uur

Artikel 4.7 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op grondwateronttrekkingen, anders dan landbouwkundige onttrekkingen open en bedekte teelt, tot maximaal 10 m³ per uur.

Artikel 4.8 Specifieke zorgplicht onttrekkingen tot maximaal 10 m³ per uur

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt.

Paragraaf 4.1.3 Onttrekken voor bronbemaling of bodemsanering

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur ten behoeve van een bronbemaling of een bodemsanering.

Artikel 4.11 Specifieke zorgplicht bronbemaling en bodemsanering

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 4.12 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur ten behoeve van een bronbemaling of een bodemsanering, niet zijnde een diepe onttrekking, waarbij niet meer dan 100 m³ grondwater per uur, niet meer dan 50.000 m³ grondwater per maand, niet langer dan 6 maanden en buiten de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur wordt onttrokken, wordt voldaan aan de artikelen 4.13 en 4.14.

Artikel 4.13 Algemene regels onttrekken grondwater ten behoeve van een bronbemaling of een bodemsanering
  • 1.

    De freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket wordt niet meer dan noodzakelijk verlaagd.

  • 2.

    Indien spanningsbemaling wordt toegepast, wordt een peilbuis of meetput geplaatst om de stijghoogte te bepalen.

  • 3.

    Er wordt voorkomen dat bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt.

  • 4.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke en na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 5.

    Indien retourbemaling wordt toegepast, wordt het grondwater teruggebracht in het watervoerende pakket waaruit het onttrokken grondwater afkomstig is.

  • 6.

    Uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

  • 7.

    Uiterlijk 24 uur na beëindiging van de onttrekking wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.14 Algemene regels meetplicht
  • 1.

    De onttrokken hoeveelheid grondwater wordt gemeten met behulp van een meetinstrument (watermeter) waarvan een geldig meetcertificaat kan worden overgelegd waaruit blijkt dat het meetinstrument voldoet aan de vereiste nauwkeurigheid van 95% conform paragraaf 4.1.1.

  • 2.

    De gebruikte watermeter wordt ten minste 1 keer per jaar geijkt waardoor de vereiste nauwkeurigheid gewaarborgd blijft.

  • 3.

    De watermeter wordt ingebouwd overeenkomstig de door de leverancier verstrekte voorschriften. Bij het ontbreken van inbouwvoorschriften van de leverancier worden de watermeters zodanig geplaatst, dat minimaal een rechte leiding van 10 keer de diameter van deze leiding vóór de watermeter en 5 keer de diameter ná de watermeters geïnstalleerd is. De watermeter is tijdens het meten volledig gevuld met water.

  • 4.

    De watermeters worden geïnstalleerd, op een goed toegankelijke, veilige plaats zodat deze goed afleesbaar zijn.

  • 5.

    Bij aanvang van de bemaling wordt de begindatum en de beginstand van de watermeter geregistreerd.

  • 6.

    Bij beëindiging van de bemaling wordt de einddatum en de eindstand van de watermeter geregistreerd.

  • 7.

    Voorvallen die van invloed kunnen zijn op de meting worden geregistreerd. Daarbij wordt de datum van de voorvallen vermeld.

  • 8.

    Een defecte watermeter wordt uiterlijk binnen twee werkdag vervangen. Zowel de eindstand van de defecte watermeter alsook de beginstand van de nieuw geplaatste watermeter worden daarbij geregistreerd.

  • 9.

    Registraties worden op verzoek binnen een tijdsbestek van twee werkdagen aan een toezichthouder van het Waterschap Limburg overgelegd. 

  • 10.

    Uiterlijk op 31 januari of indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging van de grondwateronttrekking, worden de onttrokken gemeten hoeveelheden grondwater aan het Waterschap Limburg toegestuurd. 

Artikel 4.15 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.12, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste 10 dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.16 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 100 m³ grondwater per uur of meer dan 50.000 m³ grondwater per maand of langer dan 6 maanden ten behoeve van een bronbemaling of een bodemsanering te onttrekken.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning grondwater ten behoeve van een bronbemaling of een bodemsanering te onttrekken middels een diepe onttrekking of binnen de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur.

Paragraaf 4.1.4 Onttrekken voor grondwatersanering

Artikel 4.17 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur ten behoeve van een grondwatersanering.

Artikel 4.18 Specifieke zorgplicht grondwatersanering

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur ten behoeve van een grondwatersanering, niet zijnde een diepe onttrekking, waarbij niet meer dan 20.000 m³ grondwater per maand, niet langer dan 36 maanden en buiten de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur wordt onttrokken, wordt voldaan aan de artikelen 4.20 en 4.21.

Artikel 4.20 Algemene regels onttrekken grondwater ten behoeve van grondwatersanering
  • 1.

    De freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket wordt niet meer dan noodzakelijk verlaagd.

  • 2.

    Indien spanningsbemaling wordt toegepast, wordt een peilbuis of meetput geplaatst om de stijghoogte te bepalen.

  • 3.

    Er wordt voorkomen dat bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt.

  • 4.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke en na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 5.

    Indien retourbemaling wordt toegepast, wordt het grondwater teruggebracht in het watervoerende pakket waaruit het onttrokken grondwater afkomstig is.

  • 6.

    Uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

  • 7.

    Uiterlijk 24 uur na beëindiging van de onttrekking wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

Artikel 4.21 Algemene regels meetplicht
  • 1.

    De onttrokken hoeveelheid grondwater wordt gemeten met behulp van een meetinstrument (watermeter) waarvan een geldig meetcertificaat kan worden overgelegd waaruit blijkt dat het meetinstrument voldoet aan de vereiste nauwkeurigheid van 95% conform paragraaf 4.1.1.

  • 2.

    De gebruikte watermeter wordt ten minste 1 keer per jaar geijkt waardoor de vereiste nauwkeurigheid gewaarborgd blijft.

  • 3.

    De watermeter wordt ingebouwd overeenkomstig de door de leverancier verstrekte voorschriften. Bij het ontbreken van inbouwvoorschriften van de leverancier worden de watermeters zodanig geplaatst, dat minimaal een rechte leiding van 10 keer de diameter van deze leiding vóór de watermeter en 5 keer de diameter ná de watermeters geïnstalleerd is. De watermeter is tijdens het meten volledig gevuld met water.

  • 4.

    De watermeters worden geïnstalleerd, op een goed toegankelijke, veilige plaats zodat deze goed afleesbaar zijn.

  • 5.

    Bij aanvang van de bemaling wordt de begindatum en de beginstand van de watermeter geregistreerd.

  • 6.

    Bij beëindiging van de bemaling wordt de einddatum en de eindstand van de watermeter geregistreerd .

  • 7.

    Voorvallen die van invloed kunnen zijn op de meting moeten geregistreerd worden. Daarbij dient de datum van de voorvallen vermeld te worden.

  • 8.

    Een defecte watermeter wordt uiterlijk binnen twee werkdag vervangen. Zowel de eindstand van de defecte watermeter alsook de beginstand van de nieuw geplaatste watermeter wordt daarbij geregistreerd.

  • 9.

    Registraties worden op verzoek binnen een tijdsbestek van twee werkdagen aan een toezichthouder van het Waterschap Limburg overgelegd. 

  • 10.

    Uiterlijk op 31 januari of indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging van de grondwateronttrekking, worden de onttrokken gemeten hoeveelheden grondwater aan het Waterschap Limburg toegestuurd. 

Artikel 4.22 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.19, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste 10 dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.23 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 20.000 m³ grondwater per maand of langer dan 36 maanden ten behoeve van een grondwatersanering te onttrekken.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning grondwater ten behoeve van grondwatersanering te onttrekken middels een diepe onttrekking of binnen de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur.

Paragraaf 4.1.5 Onttrekken voor landbouwkundige beregening open teelt

Artikel 4.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van open teelten in de landbouw.

Artikel 4.25 Specifieke zorgplicht landbouwkundige onttrekkingen open teelt

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt;

  • b.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten worden voorkomen;

  • c.

    verontreiniging van grondwater wordt voorkomen; en

  • d.

    het voeren van onderhoud aan primaire of secundaire wateren niet wordt belemmerd.

Artikel 4.26 Aanwijzing algemene regels zonder meldplicht

Bij het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van open teelten in de landbouw waarbij onttrokken wordt uit een bij het waterschap geregistreerde put en met een bij het waterschap geregistreerde pomp, wordt voldaan aan artikel 4.28.

Artikel 4.27 Aanwijzing algemene regels met meldplicht

Bij het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van open teelten in de landbouw waarbij onttrokken wordt uit een nieuwe put ter vervanging van een bij het waterschap geregistreerde put of met een nieuwe pomp ter vervanging van een bij het waterschap geregistreerde pomp, wordt voldaan aan de artikelen 4.30 en 4.32.

Artikel 4.28 Algemene regels beregening van open teelten zonder meldplicht
  • 1.

    De meting als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, vindt plaats door vermenigvuldiging van het aantal uren dat onttrokken is met de pompcapaciteit van de voor de onttrekking gebruikte pomp.

  • 2.

    Voor de opgave als bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, wordt het daartoe door het bestuur beschikbaar gestelde formulier gebruikt.

  • 3.

    Op een geregistreerde pomp wordt het door het bestuur toe te kennen registratienummer (label) aangebracht.

  • 4.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke en na  definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 5.

    Het bestuur wordt zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds getroffen en nog te treffen maatregelen geïnformeerd.

Artikel 4.29 Algemene regels voorschriften onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met waterconservering
  • 1.

    Het systeem van drainage in het te beregenen perceel is ingesteld in overeenstemming met paragraaf 4.2.1.

  • 2.

    Het eerste lid geldt ook als de ontwatering van het te beregenen perceel deels of geheel wordt bepaald door een aangebrachte stuw of een ander peilregulerend werk als bedoeld in paragraaf 2.1.15.

Artikel 4.30 Algemene regels beregening van open teelten met meldplicht
  • 1.

    De meting als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, vindt plaats door vermenigvuldiging van het aantal uren dat onttrokken is met de pompcapaciteit van de voor de onttrekking gebruikte pomp.

  • 2.

    Voor de opgave als bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, wordt het daartoe door het bestuur beschikbaar gestelde formulier gebruikt.

  • 3.

    Op een geregistreerde pomp wordt het door het bestuur toe te kennen registratienummer (label) aangebracht.

  • 4.

    Wijziging van de onttrekkingsput, gelegen in de gebieden aangewezen als in de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur op de bij artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Limburg behorende kaart, is toegestaan mits:

    • a.

      de afstand van de locatie van de onttrekkingsput tot het hydrologisch gevoelige natuurgebied niet afneemt; en

    • b.

      niet wordt onttrokken middels een diepe onttrekking.

  • 5.

    Wijziging van de onttrekkingsput, gelegen buiten de boringsvrije zone Roerdalslenk IV en buiten een bufferzone verdroogde natuurgebieden zoals bedoeld in het vierde lid , is toegestaan, mits:

    • a.

      het aantal legale onttrekkingsputten niet toeneemt; 

    • b.

      de onttrekkingsput niet wordt geplaatst binnen de in het vierde lid bedoelde gebieden; en

    • c.

      niet wordt onttrokken middels een diepe onttrekking.

  • 6.

    Wijziging van de onttrekkingspomp is toegestaan.

  • 7.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke  en na  definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 8.

    Het bestuur wordt zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds getroffen en nog te treffen maatregelen geïnformeerd.

Artikel 4.31 Voorschriften onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met waterconservering
  • 1.

    Het systeem van drainage in het te beregenen perceel is ingesteld in overeenstemming met paragraaf 4.2.1.

  • 2.

    Het eerste lid geldt ook als de ontwatering van het te beregenen perceel deels of geheel wordt bepaald door een aangebrachte stuw of een ander peilregulerend werk als bedoeld in paragraaf 2.1.15.

Artikel 4.32 Melding
  • 1.

    Ten minste 2 weken voorafgaand aan een wijziging als bedoeld in artikel 4.30vierde en vijfde en zesde lid wordt een melding gedaan bij het waterschap.

  • 2.

    Ten minste 2 weken voorafgaand aan een wijziging als bedoeld in artikel 4.30zesde lid wordt een melding gedaan bij het waterschap. Indien deze wijziging wordt veroorzaakt als gevolg van het defect raken van de bestaande pomp, dient direct contact opgenomen te worden met het waterschap.

  • 3.

    De melding als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgestelde formulier en kan rechtstreeks bij het waterschap worden gedaan.

Artikel 4.33 Algeheel verbod

Het is verboden grondwater te onttrekken ten behoeve van beregening van open teelten in de landbouw

  • a.

    uit een niet door het bestuur geregistreerde put;

  • b.

    met een niet door het bestuur geregistreerde pomp;

  • c.

    met een pomp die niet is voorzien van een door het bestuur verstrekt label; of

  • d.

    middels een diepe onttrekking.

Paragraaf 4.1.6 Onttrekken voor landbouwkundige beregening bedekte teelt

Artikel 4.34 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van bedekte teelten.

Artikel 4.35 Specifieke zorgplicht landbouwkundige onttrekingen bedekte teelt

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt;

  • b.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten worden voorkomen; en

  • c.

    verontreiniging van grondwater wordt voorkomen.

Artikel 4.36 Aanwijzing algemene regels zonder meldplicht

Bij het onttrekken van maximaal 12.500 m³ grondwater per hectare teeltoppervlak per jaar ten behoeve van beregening van bedekte teelten in de landbouw waarbij onttrokken wordt uit een bij het waterschap op 15 oktober 2015 gemelde en geregistreerde put en met een op 15 oktober 2015 bij het waterschap gemelde en geregistreerde pomp, wordt voldaan aan de artikel 4.38.

Artikel 4.37 Aanwijzing algemene regels met meldplicht

Bij het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van bedekte teelten in de landbouw waarbij onttrokken wordt uit een nieuwe put ter vervanging van een bij het waterschap geregistreerde put of uit een nieuwe pomp ter vervanging van een bij het waterschap geregistreerde pomp, wordt voldaan aan de artikelen 4.39 en 4.40.

Artikel 4.38 Algemene regels beregening van bedekte teelten zonder meldplicht
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de meting als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, een geijkte watermeter.

  • 2.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de opgave als bedoeld in artikel 4.6, vierde lid het daartoe door het bestuur beschikbaar gestelde formulier.

  • 3.

    Na definitieve beëindiging van de onttrekking worden de voorzieningen voor grondwateronttrekkingen verwijderd of afgedicht zodanig dat grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 4.

    Het bestuur wordt zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds getroffen en nog te treffen maatregelen geïnformeerd.

Artikel 4.39 Algemene regels beregening van bedekte teelten met meldplicht
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de meting als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid een geijkte watermeter.

  • 2.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de opgave als bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, het daartoe door het bestuur beschikbaar gestelde formulier.

  • 3.

    Wijziging van de onttrekkingsput, gelegen in de gebieden aangewezen als in de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur op de bij artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Limburg behorende kaart, is toegestaan mits:

    • a.

      de afstand van de locatie van de onttrekkingsput tot het hydrologisch gevoelige natuurgebied niet afneemt; en

    • b.

      niet wordt onttrokken middels een diepe onttrekking.

  • 4.

    Wijziging van de onttrekkingsput, gelegen buiten de in het derde lid bedoelde gebieden, is toegestaan mits niet wordt onttrokken middels een diepe onttrekking.

  • 5.

    Wijziging van de onttrekkingspomp is toegestaan.

  • 6.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke en na  definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 7.

    Het bestuur wordt zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds getroffen en nog te treffen maatregelen geïnformeerd.

Artikel 4.40 Melding
  • 1.

    Ten minste 2 weken voorafgaand aan een wijziging als bedoeld in artikel 4.39derde  lid wordt een melding gedaan bij het waterschap.

  • 2.

    Ten minste 2 weken voorafgaand aan een wijziging als bedoeld in 4.39vierde lid wordt een melding wordt gedaan bij het waterschap. Indien deze wijziging wordt veroorzaakt als gevolg van het defect raken van de bestaande pomp, wordt direct contact opgenomen met het waterschap.

  • 3.

    De melding als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgestelde formulier en kan rechtstreeks bij het waterschap worden gedaan.

Artikel 4.41 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning per jaar meer dan 12.500 m³ grondwater per hectare teeltoppervlak te onttrekken ten behoeve van beregening van bedekte teelten in de landbouw waarbij onttrokken wordt uit een bij het waterschap op 15 oktober 2015 gemelde en geregistreerde put en met een op 15 oktober 2015 bij het waterschap gemelde en geregistreerde pomp.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning grondwater te onttrekken uit een niet bij het waterschap geregistreerde put ten behoeve van de beregening van bedekte teelten in de landbouw.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning grondwater te onttrekken uit een niet bij het waterschap geregistreerde pomp ten behoeve van de beregening van bedekte teelten in de landbouw.

Paragraaf 4.1.7 Onttrekken voor industriële doeleinden

Artikel 4.42 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur ten behoeve van industriële doeleinden.

Artikel 4.43 Specifieke zorgplicht industriële doeleinden

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt;

  • b.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten worden voorkomen; en

  • c.

    verontreiniging van grondwater wordt voorkomen.

Artikel 4.44 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning grondwater te onttrekken ten behoeve van industriële doeleinden.

Paragraaf 4.1.8 Onttrekken voor overige doeleinden

Artikel 4.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van meer dan 10 m³ per uur grondwater ten behoeve van doeleinden die niet zijn opgenomen in de paragrafen 4.1.34.1.44.1.54.1.6 en 4.1.7.

Artikel 4.46 Specifieke zorgplicht overige doeleinden

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving zoveel mogelijk worden beperkt;

  • b.

    uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten worden voorkomen; en

  • c.

    verontreiniging van grondwater wordt voorkomen.

Artikel 4.47 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van meer dan 10 m3 en maximaal 60 m3 grondwater per uur, niet middels een diepe onttrekking en niet ten behoeve van bluswater, wordt voldaan aan de artikelen 4.484.49 en 4.50.

Artikel 4.48 Algemene regels overige doeleinden
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de meting als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, een geijkte watermeter.

  • 2.

    Degene die grondwater onttrekt gebruikt voor de opgave als bedoeld in artikel 4.6, vierde lid het daartoe door het bestuur beschikbaar gestelde formulier.

  • 3.

    Voorzieningen voor grondwateronttrekking worden afgedicht of verwijderd na tijdelijke en na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden en grondwaterverontreiniging vanaf maaiveld wordt voorkomen.

  • 4.

    Het bestuur wordt zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds getroffen en nog te treffen maatregelen geïnformeerd.

Artikel 4.49 Algemene regels sportveldberegening

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan de te beregenen oppervlakte in m2 vermenigvuldigd met 200 mm per jaar.

Artikel 4.50 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.47, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste 10 dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.51 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning meer dan 60 m3 grondwater per uur te onttrekken voor overige doeleinden met uitzondering van bluswater.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, met uitzondering van bluswater, middels een diepe onttrekking.

Afdeling 4.2 Draineren

Paragraaf 4.2.1 Draineren van gronden

Artikel 4.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het draineren van gronden.

Artikel 4.53 Specifieke zorgplicht draineren van gronden

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    het drainagesysteem zodanig is ingesteld dat niet meer wordt gedraineerd dan noodzakelijk is voor bewerking of gebruik van het landbouwperceel; en

  • b.

    dat de aan te leggen en te hebben lozingsvoorziening op een zodanige wijze wordt aangebracht dat schade aan (het talud van) de watergang wordt voorkomen en dat het voeren van doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd. 

Artikel 4.54 Aanwijzing algemene regels

Bij het draineren van gronden waarbij landbouwpercelen worden gedraineerd via een systeem van peilgestuurde drainage of landbouwpercelen worden gedraineerd die gelegen zijn binnen het peilgestuurde drainagegebied midden, wordt voldaan aan de artikelen 4.554.564.57 en 4.58.

Artikel 4.55 Algemene regels verplichting peilgestuurde drainage
  • 1.

    Degene die in een landbouwperceel een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt of behoudt past hierbij een systeem van peilgestuurde drainage toe.

  • 2.

    De verplichting geldt tot 1 april 2029 niet in het peilgestuurde drainagegebied midden.

Artikel 4.56 Algemene regels draineren
  • 1.

    Degene die draineert met een systeem van peilgestuurde drainage, voldoet aan onderstaande gemiddeld hoge of gemiddeld lagestand van het overlooppeil en grondwaterstand in centimeters onder maaiveld:

     

    Gewas

    Grondwaterniveau t.o.v. maaiveld

     

    Gemiddeld hoog

    Gemiddeld laag

    Grasland

    -0,30 m

    -0,60 m

    Bouwland of akkerland

    -0,50 m

    -0,80 m

    Diep wortelende gewassen

    -0,80 m

    -1,00 m

    Tuinbouw

    -0,50 m

    -0,80 m

     
  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, kan het overlooppeil worden bijgesteld:

    • a.

      indien de werkelijk gemeten grondwaterstand in de direct te ontwateren grond hoger is dan de in lid 1 opgenomen grondwaterstand;

    • b.

      indien het aannemelijk is dat de grondwaterstand binnen een week hoger wordt dan de grondwaterstand, opgenomen in onderdeel a; of

    • c.

      indien werkzaamheden binnen een week uitgevoerd worden die bij de werkelijk gemeten grondwaterstand tot gewas- of bodemstructuurschade leiden.

  • 3.

    Bij bepaling van het overlooppeil van de drains of de grondwaterstand als hiervoor bedoeld, wordt gerekend in centimeters beneden het maaiveld van het 10% laagste deel van de direct te ontwateren grond.

  • 4.

    Het bestuur kan bekend maken wanneer de hoge stand moet worden ingesteld en kan adviseren wanneer de lage stand ingesteld kan worden, hetgeen afhankelijk is van de hydrologische en meteorologische omstandigheden alsmede van de meteorologische verwachtingen.

Artikel 4.57 Algemene regels lozingsvoorziening
  • 1.

    De lozingsvoorziening wordt zo aangelegd dat de actuele ontwateringsbasis op elk moment afleesbaar is.

  • 2.

    De lozingsvoorziening wordt zo ingericht dat het te lozen water altijd direct afgesteld kan worden op het actuele grondgebruik

  • 3.

    De uitmonding van de lozingsvoorziening in een primair of secundair oppervlaktewater wordt voorzien van een voorziening om uitspoeling van het talud te voorkomen.

Artikel 4.58 Melding
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.54, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Ten minste 10 dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 4.59 Vergunningplicht
Artikel 4.60 Algeheel verbod

Het is verboden landbouwpercelen gelegen binnen het peilgestuurde drainagegebied noord anders dan via een peilgestuurd systeem te draineren.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 5.1 Overgangsbepalingen

Paragraaf 5.1.1 Overgangsrecht omgevingsvergunning

Artikel 5.1 Bestaande situaties en vergunningen
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.

  • 2.

    Als op een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod op grond van deze verordening geldt om zonder omgevingsvergunning voor die activiteit te verrichten, gelden voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit als maatwerkvoorschrift, voor zover het waterschap over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van deze verordening.  

  • 3.

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze waterschapsverordening een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Deze onherroepelijke omgevingsvergunning geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening. 

  • 4.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding.

Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding te verrichten van toepassing is. 

  • 2.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening. 

Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: 

  • a.

    de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; 

  • b.

    de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of 

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd; 

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

    • 3.

      de last is opgeheven. 

Afdeling 5.2 Slotbepalingen

Paragraaf 5.2.1 Inwerkingtreding

Artikel 5.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 5.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Waterschap Limburg

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

beschermingszone bij een waterkering

/join/id/regdata/ws0665/2023/a6843902b31242ab8d448e5fea5878b1/nld@2023‑11‑07;1

bijbehorende beschermingszone

/join/id/regdata/ws0665/2023/a52e017c8d314570b293ab0fc7783090/nld@2023‑11‑07;1

boringsvrije zone Roerdalslenk I (Bovenste Brunssumklei)

/join/id/regdata/ws0665/2023/9f13bba648ef4c9580557eee5bded311/nld@2023‑11‑07;1

boringsvrije zone Roerdalslenk II (Bovenste Brunssumklei)

/join/id/regdata/ws0665/2023/4686bbcf1f8449a2ad1003a2a0c2acf2/nld@2023‑11‑07;1

boringsvrije zone Roerdalslenk III (Bovenste Brunssumklei)

/join/id/regdata/ws0665/2023/e4773c8b647c4fb98845289b8e160365/nld@2023‑11‑07;1

boringsvrije zone Roerdalslenk IV (Bovenste Brunssumklei)

/join/id/regdata/ws0665/2023/1dca0595afb047739a8634e9b903f978/nld@2023‑11‑07;1

bronlopen

/join/id/regdata/ws0665/2023/9b17131b96414b42b3fbdb2771af1f9f/nld@2023‑11‑07;1

Buiten de boringsvrije zone Roerdalslenk IV en buiten een bufferzone verdroogde natuurgebieden

/join/id/regdata/ws0665/2023/17e1296310a44adfaee04fc38ad0163c/nld@2023‑11‑07;1

buitenbeschermingszone

/join/id/regdata/ws0665/2023/1c703a6b9f0d4b59a5bb6c2b3cd40be4/nld@2023‑11‑07;1

gebied kanovaart overig

/join/id/regdata/ws0665/2023/1414c07f682a484984baf59a319e4f76/nld@2023‑11‑07;1

gebied kanovaart Roer

/join/id/regdata/ws0665/2023/21a3655aae5f46b7b343ab0f2bc7aa91/nld@2023‑11‑07;1

gebied met wateren in kwantitatief waterbeheer bij Waterschap Limburg

/join/id/regdata/ws0665/2023/e6dea36984974bf3a7badc5e14a167dd/nld@2023‑11‑07;1

gebied van de bufferzones grondwaterafhankelijke natuur 

/join/id/regdata/ws0665/2023/b605c6664e804567a91c0c860878dcf7/nld@2023‑11‑07;1

gebied van Venloschol

/join/id/regdata/ws0665/2023/a7a733087f7049a19abf733e8ee4ffe3/nld@2023‑11‑07;1

hoge grond basis

/join/id/regdata/ws0665/2023/3326ed9fefc04ebd8a694fc56044b8c4/nld@2023‑11‑07;1

hoge grond robuust

/join/id/regdata/ws0665/2023/cded48cea90a447cadeb1fb671ced38e/nld@2023‑11‑07;1

inundatiegebied

/join/id/regdata/ws0665/2023/569fcb01b86c4e1abbd168fcc14da1be/nld@2023‑11‑07;1

Inundatiegebied

/join/id/regdata/ws0665/2023/dc63331b8b0a4835b0ec7d376eb13d49/nld@2023‑11‑07;1

kernzone van een waterkering

/join/id/regdata/ws0665/2023/f5591a74c344486281c072313976b7c0/nld@2023‑11‑07;1

kernzone van het oppervlaktewater of een buffer van 0,5 meter eromheen

/join/id/regdata/ws0665/2023/147241b8d34d4795824b0fd58ec8b04f/nld@2023‑11‑07;1

lijnvormig element

/join/id/regdata/ws0665/2023/f67c727bd47b4e6abe6a82e2a2ba2205/nld@2023‑11‑07;1

meanderzone

/join/id/regdata/ws0665/2023/1eb42d083772496eaa5d5fa9ce629b57/nld@2023‑11‑07;1

Meanderzone

/join/id/regdata/ws0665/2023/b7c41652816648adb45f94111d81a986/nld@2023‑11‑07;1

oppervlaktewater in kwalitatief waterbeheer bij Waterschap Limburg

/join/id/regdata/ws0665/2023/ab4c1088fb4046c4b5a4a2b53167918a/nld@2023‑11‑07;1

oppervlaktewater met een hoge basisafvoer

/join/id/regdata/ws0665/2023/02271b684d94452eb4ac013b9a20a694/nld@2023‑11‑07;1

oppervlaktewater met een lage basisafvoer

/join/id/regdata/ws0665/2023/6fb55e3b075b47108d58160b25f0e6c6/nld@2023‑11‑07;1

oppervlaktewateren Afwateringskanaal, Neerbeek, Haelensebeek, Tungelroysebeek, Leukerbeek en Uffeltsebeek

/join/id/regdata/ws0665/2023/a9a21a48c937439b91733765836b8736/nld@2023‑11‑07;1

oppervlaktewateren Niers, Helenavaart en Oude Helenavaart

/join/id/regdata/ws0665/2023/21490ed063c64479976951651cf4f522/nld@2023‑11‑07;1

peilgestuurde drainagegebied midden

/join/id/regdata/ws0665/2023/ec1c660892064ea3971f96cb3969a2c9/nld@2023‑11‑07;1

peilgestuurde drainagegebied noord

/join/id/regdata/ws0665/2023/94e6abb4098c43d0aa1477b77d0ad3cd/nld@2023‑11‑07;1

peilgestuurde drainagegebied zuid

/join/id/regdata/ws0665/2023/eea6c9cf1b024c008fa441c54d6df6f7/nld@2023‑11‑07;1

primair water

/join/id/regdata/ws0665/2023/258994943bd342fe9afc38152fb334d2/nld@2023‑11‑07;1

primair water of een zone van 2 meter eromheen

/join/id/regdata/ws0665/2023/ff34fa7b8bc54e4d8c5addec74355f47/nld@2023‑11‑07;1

profiel van vrije ruimte

/join/id/regdata/ws0665/2023/14cd69a779a448499bb01f8c704b7793/nld@2023‑11‑07;1

profiel van vrije ruimte bij een waterkering

/join/id/regdata/ws0665/2023/a44d307801d14d12828204c1d42143d6/nld@2023‑11‑07;1

secundair water

/join/id/regdata/ws0665/2023/9bdd833ff4054fc98cc3d54612c7dbca/nld@2023‑11‑07;1

secundair water of een zone van 2 meter eromheen

/join/id/regdata/ws0665/2023/e353214b01d0408fa8684140c5919d0b/nld@2023‑11‑07;1

traject dat niet is opgenomen op de kaarten kanovaren

/join/id/regdata/ws0665/2023/5646adea9f1a41a3aa592838e2725944/nld@2023‑11‑07;1

traject I

/join/id/regdata/ws0665/2023/41be669fe9a7451e91d2490191144203/nld@2023‑11‑07;1

traject II

/join/id/regdata/ws0665/2023/5c5f9676984c4e77a717363060d345e4/nld@2023‑11‑07;1

traject III

/join/id/regdata/ws0665/2023/f68f09acd951448793005e1a7c8cbbd7/nld@2023‑11‑07;1

traject IV

/join/id/regdata/ws0665/2023/fe3c4021bbd94ebd835f09d93c1b525e/nld@2023‑11‑07;1

traject V

/join/id/regdata/ws0665/2023/c9bd9695d53d4ae98170d508cb06ca96/nld@2023‑11‑07;1

watergangen anders dan de trajecten I tot en met V van de Roer en Hambeek

/join/id/regdata/ws0665/2023/5c0f39133258493ca3db5c939856ab73/nld@2023‑11‑07;1

Bijlage II Bijlage

1 Bijlage bij artikel 1.2 van deze Waterschapsverordening

Voor de toepassing van afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze waterschapsverordening wordt verstaan onder:

aangewezen oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig is aangewezen en begrensd in bijlage I;

NEN 6600-1: NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6646: NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015;

NEN 6966: NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006;

NEN-EN 12566-1: NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 13284-1: NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001;

NEN-EN 872: NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen –Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 5667-3: NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1: NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2: NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;

NEN-EN-ISO 6878: NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor – Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004;

NEN-EN-ISO 9377-2: NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 10301: NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 11732: NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005;

NEN-EN-ISO 11885: NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846: NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 13395: NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997;

NEN-EN-ISO 15587-1: NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2: NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680: NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15681-1: NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005;

NEN-EN-ISO 15681-2: NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018;

NEN-EN-ISO 15682: NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 17294-2: NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852: NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993: NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 5663: NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993;

NEN-ISO 15705: NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1: NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage I.

Toelichting

Algemene toelichting

1 Toelichtingen

Algemeen

Het Algemeen Bestuur heeft in zijn vergadering van juli 2021 de Waterschapsverordening Waterschap Limburg (verder: Wsv) vastgesteld. De inwerkingtreding daarvan was beoogd per 2 januari 2022, de dag na de beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zoals bekend is de inwerkingtreding van de Omgevingswet uitgesteld tot 1 januari 2024. Dit betekent dat de Wsv per 2 januari 2024 in werking zal treden.

 

Gebleken is dat de in 2021 vastgestelde Wsv enkele onvolkomen bevat en op onderdelen kan worden verduidelijkt en of kan worden vereenvoudigd. Dit geldt met name voor een aantal voorschriften met betrekking tot grondwateronttrekkingen. Deze wijziging voorziet hierin. De wijzigingen worden in de hierna volgende artikelsgewijze toelichting nader toegelicht.

 

Algemeen geldt dat deze wijziging niet leidt tot nieuwe of gewijzigde verplichtingen. Dit is alleen anders in de nieuwe werkingsgebieden voor hoge gronden. Het algemeen bestuur heeft op 30 november 2022 het Beleidskader hoge gronden vastgesteld. Daarin is uitgewerkt hoe Waterschap Limburg invulling geeft aan het aanwijzen, beschermen en in stand houden van hoge gronden. Als gevolg van een wijziging van de Waterwet in 2017 is het waterschap verplicht de hoge gronden die deel uitmaken van de bescherming tegen hoogwater van de Maas integraal onderdeel uit te laten maken van de waterkeringszorg conform de zorgplichtprocessen. Dit beleidskader ligt ten grondslag aan de regelgeving die is gericht op bescherming van (het functioneren van) de hoge gronden. In het beleidskader is een onderscheid gemaakt tussen hoge gronden basis en hoge gronden robuust. Het onderscheid hiertussen hangt met name samen met het potentiële risico op aantasting van de waterkerende functie ervan. Bij hoge gronden robuust is sprake van een dusdanige overhoogte dat het risico op aantasting van de waterkerende functie daarvan als beperkt wordt ingeschat. Om die reden zijn de regels die gaan gelden voor hoge gronden robuust afgestemd op de regels die al gelden voor de buitenbeschermingszones van de waterkeringen (verbod om zonder vergunning te ontgronden en hogedruk leidingen aan te leggen). Omdat het risico voor de hoge gronden basis, vanwege de minder grote overhoogte, groter wordt ingeschat zijn in deze zone in aanvulling op de verboden die gelden bij de hoge grond robuust, ook minder omvangrijke graafwerkzaamheden aan regels gebonden (meldplicht). Voorts is een paragraaf toegevoegd die zich richt op het doorgraven van een waterkering of hoge grond. Vanwege de potentiële impact van deze activiteit is hiervoor een aparte vergunningplicht opgenomen. 

De Waterschapsverordening Waterschap Limburg is verder artikelsgewijze toegelicht.

Artikelsgewijze Toelichting

Artikel 1.1

Toevoeging van de hoge gronden als werkingsgebieden leidt tot de noodzaak dit begrip toe te voegen aan de begripsomschrijvingen. In de praktijk is het zelfde gebleken voor de begrippen ‘doorgraving’ en ‘ontgraven’. Toevoeging van deze begrippen leidt, in combinatie met de aanpassing van het begrip ‘ontgronding’ tot meer duidelijkheid in de uitvoeringspraktijk.

Artikel 1.2

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippen van de wet en de AMvB’s, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening.

Artikel 1.4

Met de aanvulling van het 4de artikel lid worden de werkingsgebieden van de hoge grond basis en robuust in de Waterschapsverordening vastgelegd. Het algemeen bestuur heeft in zijn vergadering van 30 november 2022 het Beleidskader hoge gronden vastgesteld. Daarin is uitgewerkt wat hoge gronden zijn en hoe deze, met het oog op de waterveiligheid, beschermd dienen te worden tegen ongewenste ingrepen. In de algemene toelichting wordt nadere aandacht geschonken aan de hoge gronden. Op deze plaats wordt daarnaar verwezen.

Artikel 1.5

In het eerste lid wordt erop gewezen dat verplichtingen volgend uit deze waterschapsverordening rusten op de eigenaar en/of gebruikers, bijvoorbeeld als er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, dan wel op de initiatiefnemer van een handeling. Veelal is immers niet de eigenaar, maar de feitelijke gebruiker van de grond of de initiatiefnemer degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat. Indien een overtreding van de waterschapsverordening wordt geconstateerd zal het waterschap per geval bepalen wie hierop moet worden aangesproken.

Artikel 1.6

In dit artikel, en meer specifiek in de volgende artikelen, is de verordenende bevoegdheid van het algemeen bestuur beschreven en de opdrachtverlening aan het dagelijks bestuur tot verdere uitwerking. Deze artikelen hebben vooral interne werking en dienen voor de bevoegdheidsverdeling tussen het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur heeft op hoofdlijnen bepaald wat de doelcriteria zijn waar de waterschapsverordening van het waterschap aan moet voldoen. De doelcriteria zijn afgeleid uit bestaande wet- en regelgeving en eigen beleid van het waterschap - zoals het Waterbeheerplan/Waterbeheerprogramma - en hangen samen met aspecten als: risico inschatting, veiligheidsaspecten, de bestaande dimensionering en capaciteit van het waterstaatswerk in relatie tot de normale werking en de werking in geval van piekbelasting van het systeem, de mogelijkheid om onderhoud te kunnen uitvoeren, de bestaande en gewenste ecologische waterkwaliteit en/of de mogelijkheden voor maatschappelijk medegebruik. De doelcriteria zijn voor de onderdelen oppervlaktewater, waterkeringen en grondwater, uitgewerkt in specifieke criteria (artikelen 1.8 t/m 1.10).

Artikel 1.7

Voor handelingen die betrekking hebben op oppervlaktewater, waterkeringen en/of grondwater, heeft het algemeen bestuur eerst algemene doelcriteria vastgesteld. Voorbeelden hiervan zijn:

- de ecologische kwaliteit van oppervlaktewater mag niet verslechteren;

- de mogelijkheid tot maatschappelijk medegebruik moet in stand blijven;

- de veiligheid moet gewaarborgd blijven;

- de taakuitoefening van het waterschap mag niet worden belemmerd;

- de in het waterstaatswerk moet in goede toestand worden achtergelaten.

Deze algemene criteria worden in de volgende artikelen verder uitgewerkt.

Artikel 1.8

Voor handelingen bij oppervlaktewater zijn specifieke doelcriteria vastgesteld.

Artikel 1.9

Voor handelingen bij waterkeringen zijn specifieke doelcriteria vastgesteld.

Artikel 1.10

Voor handelingen bij grondwater zijn specifieke doelcriteria vastgesteld. Het doelcriterium onder d. heeft betrekking op bekende grondwaterverontreinigingslocaties.

Artikel 1.11

In dit artikel verleent het algemeen bestuur opdracht aan het dagelijks bestuur om de in bovenstaande artikelen geformuleerde doelcriteria uit te werken in de waterschapsverordening en beleidsregels.

Artikel 1.12

De zorgplicht is het eerste instrument om handelingen in, aan, boven en onder watersystemen en hun beschermingszones te reguleren. Met deze zorgplicht wordt recht gedaan aan het 'ja, mits'-uitgangspunt. De handelingen zijn toegestaan, mits er voldoende zorg in acht is genomen. Op basis van deze zorgplicht krijgt eenieder de verantwoording om bij het uitvoeren van handelingen voldoende zorg voor het functioneren van het watersysteem en de beschermingszones in acht te nemen. Het waterschap gebruikt de zorgplicht bovendien als vangnet om te kunnen optreden tegen handelingen waarin daadwerkelijk schade is of dreigt te worden toegebracht aan het watersysteem. De zorgplicht moet dus altijd worden nageleefd.

Artikel 1.13

Algemene regels vormen het tweede instrument om handelingen te reguleren. Er is pas gekozen voor een algemene regel, wanneer alleen de zorgplicht voor de betreffende handeling onvoldoende bescherming biedt voor het functioneren van het watersysteem. Het is, vanwege geografische verschillen, mogelijk dat voor een handeling slechts in bepaalde gebieden sprake is van een algemene regel. In de algemene regels worden concrete voorschriften opgenomen waaraan bij de handeling moet worden voldaan. De handelingen waarvoor algemene regels gelden zijn toegestaan, mits aan alle voorschriften wordt voldaan. De initiatiefnemer heeft daarbij de zorgplicht om na te gaan of het naleven van de voorschriften in het specifieke geval voldoende is om nadelige effecten voor het watersysteem te voorkomen. Een van de voorschriften van de algemene regels kan zijn dat de handeling vooraf moet worden gemeld aan het waterschap. Dit is niet altijd het geval. Een meldplicht is alleen opgenomen wanneer: (1) het waterschap bekend wil zijn met de activiteit (bijv. vanuit een oogpunt van onderhoud) en/of (2) het waterschap wil kunnen beoordelen of het opstellen van een maatwerkvoorschrift nodig is. Om het toezicht goed te kunnen uitoefenen is het belangrijk dat de melding tijdig, dat wil zeggen met inachtneming van de termijn die daarvoor is bepaald in de betreffende algemene regel, wordt ingediend. De algemene indieningstermijn is 4 weken.

 

De vergunningplicht is het derde instrument in de waterschapsverordening om handelingen te reguleren. In deze waterschapsverordening is alleen gekozen voor een vergunningplicht, wanneer toetsing van de plannen voorafgaand aan de uitvoering van de handeling, noodzakelijk is met oog op bescherming van de waterstaatswerken en/of de daaraan verbonden belangen van het waterschap. De vergunningplicht beperkt zich derhalve tot de handelingen die een aanzienlijke bedreiging vormen voor het functioneren van het watersysteem. Het is vanwege geografische verschillen mogelijk dat voor een handeling slechts in bepaalde gebieden sprake is van een vergunningplicht. De wijze waarop vergunningaanvragen worden beoordeeld, is vastgelegd in beleidsregels. Bij het uitvoeren van de handeling moet initiatiefnemer de voorschriften in de vergunning naleven.

Handelen in strijd met aan een vergunning verbonden voorschriften is op grond van artikel 5.5 lid 3 van de Omgevingswet verboden. De initiatiefnemer heeft daarbij de zorgplicht om na te gaan of het naleven van de voorschriften in het specifieke geval voldoende is om nadelige effecten voor het watersysteem te voorkomen. Per specifieke uitvoeringsregel is in de stroomschema's aangegeven voor welke handelingen naast de zorgplicht, ook een vergunningplicht geldt.

Artikel 1.15

De initiatiefnemer heeft de vrijheid, tenzij anders is aangegeven, om gecombineerde handelingen te splitsen of samen te voegen. De basis hiervoor ligt in dit artikel van de waterschapsverordening. Als een voorgenomen initiatief uit meerdere handelingen bestaat waarbij voor één of meer van de handelingen een vergunningplicht geldt, dan kan de initiatiefnemer een gecombineerde vergunning aanvragen, waarin dus ook de handelingen worden opgenomen waarvoor een algemene regel bestaat.

Artikel 1.16

Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bal).

Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.

In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in de hoofdstukken 23 en 4.

Artikel 1.17

Met dit artikel heeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om in geval van een calamiteit een verbod in te stellen. Het dagelijks bestuur kan dan bijvoorbeeld in een periode van droogte verbieden oppervlaktewater of grondwater te onttrekken. Naast de bepaling in de waterschapsverordening zijn in de Omgevingswet (afdeling 19.4) regels gesteld omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden. Indien een calamiteit zich voordoet en het dagelijks bestuur gebruik maakt van een van de bevoegdheden uit dit artikel, zal dit duidelijk aan de betrokkenen bekend worden gemaakt.

Artikel 1.18

Indien het waterschap handelingen uitvoert, zoals het verrichten van onderhoud, dan hoeft hij daarvoor geen vergunning aan zichzelf te verlenen of een melding te doen. Voor grotere werken of de aanleg van nieuwe werken zal het waterschap in sommige gevallen op grond van de Omgevingswet wel een projectbesluit moeten opstellen, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Bij het uitvoeren van de werken zal het waterschap uiteraard wel zoveel mogelijk rekening houden met de regels op grond van de waterschapsverordening.

Artikel 2.1

In dit artikel zijn de indieningsvereisten overgenomen die voorheen in het voormalige artikel 6.24 van de Waterregeling stonden. Gelet op het belang van waterkeringen heeft de waterbeheerder in het algemeen specifiek beleid vastgesteld over activiteiten bij waterkeringen. Als een initiatiefnemer vermoedt dat voor zijn activiteit geen stabiliteitsberekening nodig is, kan hij daarover contact opnemen met de waterbeheerder.

Artikel 2.2

Als sprake is van werkzaamheden aan of in een waterstaatswerk waarbij een verontreinigde of een niet verontreinigde waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, zoals bij baggeren van een haven, moet inzicht worden gegeven in de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie. Daarnaast moet de omvang van het te baggeren oppervlak worden vermeld. 

Artikel 2.3

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.

Artikel 2.4

In deze paragraaf staat het onttrekken uit een oppervlaktewater centraal. Het onttrekken van water uit een oppervlaktewater kan het watersysteem ontregelen. Het onttrekken van water uit bijvoorbeeld kleine, kwetsbare bronbeken kan grote schade toebrengen aan dit type oppervlaktewateren. Daarom is het onttrekken van water niet zonder meer toegestaan en zijn hier regels voor opgesteld. Het onttrekken van water vindt plaats door middel van een onttrekkingsvoorziening. Deze paragraaf heeft tevens betrekking op de bijbehorende onttrekkingsvoorziening. Voor wat betreft het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van een onttrekkingsvoorziening kan meestal volstaan worden met de zorgplicht. Als de onttrekking vergunningplichtig is, dan worden in de vergunningvoorschriften opgenomen met betrekking tot de onttrekkingsvoorziening.

Artikel 2.5

De onttrekking mag niet leiden tot beschadiging van bodem, oevers en taluds, omdat uitspoeling van bodem en taluds een negatief effect kan hebben voor de ecologie en de doorstroming kan belemmeren.

De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 1.12 is altijd van toepassing op onttrekkingen uit alle oppervlaktewateren binnen het beheergebied van het waterschap (primaire, secundaire en overige). Voor wat betreft het aanleggen en hebben van een onttrekkingsvoorziening geldt dat de zorgplicht alleen van toepassing is op voorzieningen die zijn aangelegd in de op de legger opgenomen primaire en secundaire oppervlaktewateren. De onttrekking mag niet leiden tot beschadiging van bodem, oevers en taluds, omdat uitspoeling van bodem en taluds een negatief effect kan hebben voor de ecologie en de doorstroming kan belemmeren.

Artikel 2.7

Lid 1

Als maximaal 100 m³ onttrokken wordt uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer, dient voldaan te worden aan de voorschriften zoals opgenomen in dit artikel. Met het oog op het doelmatig kunnen voeren van onderhoud en het voorkomen van schade is het van belang dat een onttrekkingsvoorziening zichtbaar is. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften.

 

Lid 2

In beginsel leidt elk werk in een oppervlaktewater tot risico’s voor het functioneren van het oppervlaktewater, bijvoorbeeld schade aan de oever of het talud. Om deze reden wordt voorgeschreven dat onttrekkingsvoorzieningen die niet meer worden gebruikt, dienen te worden verwijderd. Op grond van de zorgplicht dient het talud zodanig te worden hersteld dat het aansluit op de rest van het talud en dat geen verzakkingen ontstaan.

Artikel 2.8

Met het oog op waterconservering (water zo lang mogelijk vast houden in het gebied) dient drainage van landbouwgronden peilgestuurd plaats te vinden. In het noordelijk deel van ons beheersgebied geldt deze verplichting sinds 2018 voor alle gedraineerde landbouwgronden. In het midden geldt sinds 2014 dat nieuw aan te leggen drainagesystemen peilgestuurd moeten zijn. Voor 2014 aanwezig traditionele drainagesystemen moeten voor 2029 worden omgebouwd tot een peilgestuurd systeem. Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 4.56 vierde lid van deze verordening bekend maken dat een peilgestuurd systeem in de hoge stand moet worden ingesteld met het oog op het beperken van de noodzaak tot onttrekking van water uit oppervlaktewaterlichamen en van grondwater.  

In dit artikel is bepaald dat het alleen toegestaan is oppervlaktewater te onttrekken t.b.v. beregening indien het systeem van drainage in het te beregenen perceel is ingesteld in overeenstemming met de regels inzake het draineren van gronden (paragraaf 4.2.1 van deze verordening). Dit betekent dat een drainage peilgestuurd moet zijn en dat het peil daarvan is ingesteld conform de uitvoeringsregel. Deze voorwaarde is gesteld omdat een traditioneel drainagesysteem of een niet juist ingesteld systeem van peilgestuurde drainage er toe leidt dat eerder een noodzaak tot beregening ontstaat en dat beregening op percelen met een traditioneel drainagesysteem of met een onjuist ingesteld systeem van peilgestuurde drainage tot gevolg heeft dat meer onttrokken moet worden dan in de situatie dat het systeem van peilgestuurde drainage correct is ingesteld. Met het oog op het beperken van de noodzaak tot onttrekken t.b.v. beregening en daarmee met het oog op bestrijding van verdroging, geldt de in dit artikel opgenomen voorwaarde. 

Artikel 2.9

Het onttrekken dient gemeld te worden om zicht te houden op het aantal onttrekkingen en daarmee op de totale hoeveelheid water die uit een oppervlaktewater kan worden onttrokken.

Artikel 2.10

Lid 1

Als meer dan 100 m³ per uur wordt onttrokken uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer is een individuele beoordeling nodig. In verband met de omvang van de onttrekking of de status of aard van het oppervlaktewater van waaruit water wordt onttrokken, is een individuele beoordeling van het verzoek nodig met het oog op de te beschermen belangen. Naast de vergunning geldt de zorgplicht.

 

Lid 2

Als onttrokken wordt uit andere wateren dan de aangewezen oppervlaktewateren met een hoge basisafvoer is een individuele beoordeling nodig. Dit geldt ook voor onttrekkingen uit overige oppervlaktewateren (oppervlaktewateren die niet in de legger zijn opgenomen). In verband met de omvang van de onttrekking of de status of aard van het oppervlaktewater waaruit wordt onttrokken is een individuele beoordeling van het verzoek nodig met het oog op de te beschermen belangen. Naast de vergunning geldt de zorgplicht.

Artikel 2.11

In deze paragraaf staat het aanleggen, wijzigen en verwijderen van een duiker of een overkluizing in een oppervlaktewater dat in beheer is bij het waterschap centraal. De aanleg van een duiker is vaak nodig als percelen van elkaar gescheiden worden door een watergang. Door het plaatsen van een duiker worden percelen bereikbaar. Een overkluizing wordt in het algemeen om andere redenen aangelegd en heeft een grotere lengte (ten minste 15 meter) dan een duiker. Het plaatsen van een duiker en een overkluizing kan de doorstroming van een oppervlaktewater in gevaar brengen. Zeker als er in het oppervlaktewater al meerdere duikers en of overkluizingen aanwezig zijn. De aanleg van een nieuwe duiker en overkluizing kan grote impact hebben en dient om die reden afzonderlijk beoordeeld te worden. Voor de aanleg van een duiker en van een overkluizing dient daarom altijd een vergunning te worden aangevraagd.

Artikel 2.12

De zorgplicht is altijd van toepassing als activiteiten worden verricht in het beheergebied van het waterschap. Ook wanneer een duiker of overkluizing wordt gelegd in een oppervlaktewater dat niet op de legger van het waterschap staat, dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Ook overige wateren maken deel uit van het watersysteem. Problemen in de af- en doorvoer in overige wateren kunnen tot overlast leiden. De zorgplicht ziet onder andere op het voorkomen van wateroverlast.

Artikel 2.13

De aanleg van een duiker of overkluizing kan grote impact hebben op het functioneren van een watersysteem (waterdoorvoer en waterafvoer) en dient per situatie beoordeeld te kunnen worden. Daarom geldt voor deze handeling voor alle oppervlaktewateren die op de legger van het waterschap staan een vergunningplicht. Op die wijze kan elk voornemen tot het plaatsen van een duiker of overkluizing individueel beoordeeld worden en kunnen aan een te verlenen vergunning de voor die situatie benodigde voorschriften worden verbonden. De zorgplicht geldt aanvullend op de vergunning.

Artikel 2.14

In deze paragraaf staat het plaatsen, wijzigen, vervangen en verwijderen van een brug centraal. Een brug kan op verschillende manieren worden geplaatst. Indien voor de aanleg van een brug pijlers in een oppervlaktewater moeten worden geplaatst, kan dit van grote invloed zijn op de doorstroming van een oppervlaktewater. Ook kan de aanwezigheid van een brug gevolgen hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud aan de watergang. Daarom is het plaatsen, wijzigen, vervangen of verwijderen van een brug niet zonder meer toegestaan en zijn hier regels voor opgesteld.

Artikel 2.15

Door het plaatsen van palen of pijlers in een oppervlaktewater wordt deze versmald en kan het zijn dat de doorstroming van een oppervlaktewater wordt belemmerd. Voor het aanleggen van een brug over een overig oppervlaktewater stelt het waterschap geen specifieke regels. Wel geldt hiervoor de zorgplicht, die met name ziet op het borgen van de water af- en doorvoer.

Artikel 2.16

Wanneer een brug over een secundair water wordt geplaatst, dan kan worden volstaan met algemene voorschriften die in een algemene regel zijn opgenomen. Dit geldt ook in het geval een brug over een primair water wordt aangelegd, met dien verstande dat geen pijlers of palen in het oppervlaktewater worden geplaatst. Deze kunnen de doorstroming van het oppervlaktewater ernstig belemmeren. Wel is aan de algemene regel een meldplicht verbonden. Op deze wijze weet het waterschap waar een brug wordt aangelegd en kunnen, als dat in een specifieke situatie nodig mocht blijken, via een maatwerkvoorschrift aanvullende of van de algemene regels afwijkende voorschriften worden gesteld. Naast de voorschriften zoals opgenomen in de algemene regels geldt aanvullend ook de zorgplicht.

Artikel 2.17

Een brug is een object dat risico’s kan opleveren voor de doorstroming van het oppervlaktewater en voor het doelmatig kunnen uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. De in dit artikel opgenomen voorschriften zijn gericht op het beperken van de belemmeringen die de aanwezigheid van een brug kunnen opleveren.

Artikel 2.18

Enkele oppervlaktewateren in het noorden van het beheersgebied worden varend onderhouden. Teneinde dit op een doelmatige wijze uit te kunnen voeren, is het voorschrift gesteld dat een minimale doorvaarhoogte in acht genomen moet worden bij deze wateren. Informatie over het hoogwaterpeil van het betreffende oppervlaktewater kan worden verkregen bij het waterschap.

Artikel 2.19

Aan de hand van de bij de melding te verstrekken informatie kan het waterschap beoordelen of in de concrete situatie naast de in artikel 2.17 en 2.18 opgenomen voorschriften aanvullende of afwijkende voorschriften noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van het functioneren van het oppervlaktewater. Het waterschap kan via een maatwerkvoorschrift (artikel 1.14) aanvullende of afwijkende voorschriften voorschrijven. Om die reden is het dan ook van belang dat wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende melding zo spoedig mogelijk aan het waterschap worden doorgegeven.

Artikel 2.20

Als een brug met pijlers of palen in een primair oppervlaktewater wordt geplaatst dan kan dit ernstige gevolgen hebben voor de doorstroming als gevolg van bijvoorbeeld ophopende takken en maaisel. Als een brug in een meanderzone of inundatiezone wordt geplaatst dient zorgvuldig beoordeeld te worden wat het effect van de brug is op de doelstellingen die zijn verbonden aan beide zones. Een meanderzone is vastgelegd om een meanderende watergang de ruimte te geven te meanderen. Het plaatsen van een brug kan het meanderproces belemmeren. Een inundatiegebied is vastgelegd om in tijden van overvloedige neerslag overtollig water op te kunnen vangen en vervult daarmee een belangrijke functie met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijke gebieden. Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden wat de effecten zijn en welke maatregelen er getroffen moeten worden om nadelige consequenties voor de doorstroming zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Aanvullend aan de vergunning geldt ook de zorgplicht.

Artikel 2.21

In deze paragraaf staat het aanleggen, behouden of wijzigen van bouwwerken langs een oppervlaktewater dat in beheer is bij het waterschap centraal. Door het plaatsen van een bouwwerk in de zones van en behorende bij een oppervlaktewater kan het functioneren van het oppervlaktewater en de bijbehorende zones ernstig worden aangetast. Ook het kunnen voeren van doelmatig onderhoud kan dusdanig worden belemmerd dat uitvoering ervan niet meer (doelmatig) mogelijk is. Daarom is het niet zonder meer toegestaan een bouwwerk te plaatsen langs een oppervlaktewater en zijn hiervoor regels zijn opgesteld. 

Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg van grotere en gefundeerde bouwwerken die niet behoren tot kleine bouwwerken. Een klein bouwwerk is een bouwwerk zonder woon- of bedrijfsfunctie, niet dieper gefundeerd dan 50 cm in de grond. Voorbeelden zijn een tuinschuurtje, kippenhok, e.d. Voorbeelden van bouwwerken die wel onder deze paragraaf vallen zijn woningen, bedrijfspanden, garages, gefundeerde carports, e.d. Ook infrastructurele werken als wegen, spoorwegen en daarvan deel uitmakende bruggen, viaducten, e.d. worden als bouwwerk in de zin van deze paragraaf aangemerkt. Een hekwerk of schutting wordt in het kader van deze paragraaf niet als bouwwerk aangemerkt. Hierop is de aparte paragraaf afrasteringen, hekwerken en schuttingen van toepassing.

Artikel 2.23

Lid 1

Voordat een bouwwerk in de kernzone geplaatst kan worden dient beoordeeld te worden wat de gevolgen hiervan zijn voor de stabiliteit van het oppervlaktewater en daarmee voor het functioneren ervan. Een bouwwerk te dicht bij een oppervlaktewater kan tot inzakkingen van het talud leiden. Daarnaast leidt de aanwezigheid van een bouwwerk binnen de kernzone tot consequenties voor het doelmatig kunnen uitvoeren van onderhoud. Daarom is het plaatsen van een bouwwerk in de kernzone van een oppervlaktewater altijd vergunningplichtig.

 

Lid 2

Het profiel van vrije ruimte is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen aanpassen van een oppervlaktewater. De aanwezigheid van bouwwerken kan een belemmering opleveren voor het uitvoeren van aanpassingen aan een oppervlaktewater. Ter bescherming van de aanpassingsmogelijkheden geldt voor het realiseren van een bouwwerk een vergunningplicht. De aanwezigheid van een bouwwerk maakt - anders dan het realiseren van een klein bouwwerk (zie paragraaf 2.1.9) - een aanpassing aan een oppervlaktewater ter plaatse nagenoeg onmogelijk. Per situatie moet de afweging gemaakt kunnen worden of medewerking kan worden verleend aan het initiatief. Om deze reden geldt het verbod om zonder voorafgaande vergunningen een bouwwerk te bouwen in het profiel van vrije ruimte.

 

Lid 3

De meanderzone is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen meanderen van een oppervlaktewater. Het realiseren van een bouwwerk in een meanderzone is niet mogelijk zonder tot beperkingen te leiden voor de functie van het gebied. Zonder individuele beoordeling en afweging kan onvoldoende worden beoordeeld of medewerking kan worden verleend aan een initiatief. Om deze reden geldt het verbod om zonder voorafgaande vergunningen een bouwwerk te bouwen in een meanderzone.

 

Lid 4

Een inundatiegebied is een gebied dat is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen opvangen van overtollig water met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijk gebied. Het realiseren van een bouwwerk in een inundatiegebied is niet mogelijk zonder tot beperkingen te leiden voor de functie van het gebied. Zonder individuele beoordeling en afweging kan onvoldoende worden beoordeeld of medewerking kan worden verleend aan een initiatief. Om deze reden geldt het verbod om zonder voorafgaande vergunningen een bouwwerk te bouwen in een inundatiegebied.

Artikel 2.24

In deze paragraaf staat het leggen, wijzigen of verwijderen van kabels en leidingen onder of langs een oppervlaktewater dat in beheer is van het waterschap centraal. Kabels en leidingen kunnen parallel aan een oppervlaktewater worden gelegd of kunnen een oppervlaktewater kruisen. Het kruisen van oppervlaktewateren met kabels en leidingen vindt plaats onder de bodem van het oppervlaktewater en veelal langs openbare wegen. Een kabel- en leidingkruising is vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Dit geldt ook voor het leggen en wijzigen van een kabel of leiding parallel aan een oppervlaktewater. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in veel gevallen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels.

Artikel 2.25

De zorgplicht is altijd van toepassing op het leggen, hebben en wijzigen van kabels en leidingen in alle oppervlaktewateren die op de legger van het waterschap staan en binnen de daarin opgenomen zones. Met het vereiste dat het werk na afloop van de werkzaamheden in nette staat wordt achtergelaten wordt bedoeld dat oevers en taluds zodanig zijn afgewerkt dat er geen grond of puin in de watergang kan raken en dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater zijn verwijderd. Hiermee wordt voorkomen dat de doorstroming kan worden belemmerd als gevolg van de werkzaamheden.

Artikel 2.26

Lid 1

Het aanleggen van een kabel of leiding kruisend of parallel aan een primair of secundair water, is vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in veel gevallen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het is met het oog op het voorkomen van schade aan het oppervlaktewater van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Ook is van belang dat kabels en leidingen op een juiste diepte worden gelegd om te voorkomen dat als gevolg van (onderhouds)werkzaamheden kabels of leidingen worden beschadigd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Dit geldt ook voor het verwijderen van een kabel- of leidingkruising of parallel liggende kabel. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift specifieke voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Om deze redenen is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Naast de algemene regel geldt tevens de zorgplicht.

 

Lid 2

Het leggen, wijzigen en verwijderen van een kabel of leiding binnen het profiel van vrije ruimte behorende bij een oppervlaktewater is vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in veel gevallen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het profiel van vrije ruimte is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen aanpassen van een oppervlaktewater. Om die reden is het van belang dat kabels en leidingen zodanig worden aangelegd dat deze in geval van aanpassing van het oppervlaktewater geen belemmering vormen. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift specifieke voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Om deze redenen is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Naast de algemene regel geldt tevens de zorgplicht.

 

Lid 3

Het leggen, wijzigen en verwijderen van een kabel of leiding binnen een meanderzone is vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in veel gevallen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. De meanderzone is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen meanderen van een oppervlaktewater. Om die reden is het van belang dat kabels en leidingen zodanig worden aangelegd dat deze geen belemmering vormen voor het meanderen van het oppervlaktewater binnen de daarvoor gestelde zone. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift specifieke voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Om deze redenen is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Naast de algemene regel geldt tevens de zorgplicht.

Artikel 2.28

In dit artikel zijn de technische voorschriften opgenomen waaraan u bij het leggen van een kabel of leidingen parallel aan een oppervlaktewater bent gebonden. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Naast de algemene regels is ook altijd de zorgplicht van toepassing.

Artikel 2.29

In dit artikel zijn de technische voorschriften opgenomen waaraan u bij het leggen van een kabel of leidingen in het profiel van vrije ruimte bent gebonden. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Naast de algemene regels is ook altijd de zorgplicht van toepassing.

Artikel 2.30

In dit artikel zijn de technische voorschriften opgenomen waaraan u bij het leggen van een kabel of leidingen in een meanderzone bent gebonden. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Naast de algemene regels is ook altijd de zorgplicht van toepassing

Artikel 2.32

Aan de hand van de bij de melding te verstrekken informatie kan het waterschap beoordelen of in de concrete situatie naast de in artikel 2.272.282.292.30 en 2.31 opgenomen voorschriften aanvullende of afwijkende voorschriften noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van de bij het werk betrokken belangen. Het waterschap kan via een maatwerkvoorschrift aanvullende of afwijkende voorschriften voorschrijven. Om die reden is het dan ook van belang dat wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende melding zo spoedig mogelijk aan het waterschap worden doorgegeven.

Artikel 2.33

In deze paragraaf staat recreatief medegebruik in en nabij een oppervlaktewater dat door het waterschap wordt beheerd centraal. Het waterschap biedt, tenzij nadrukkelijk verboden met verbodsborden, de mogelijkheid om langs oppervlaktewateren te recreëren. Recreatief medegebruik kent vele vormen: wandelen, fietsen, kanoën, beoefenen van ruitersport, mountainbiken etc. Niet alle vormen van recreatief medegebruik zijn toegestaan. Gemotoriseerde vormen van recreatief medegebruik in en langs oppervlaktewateren zijn niet toegestaan, buiten enkele trajecten van de Roer en de Hambeek. Dit met het oog op het beschermen van oppervlaktewateren. Voor andere vormen van recreatief medegebruik zoals kanoën zijn algemene regels opgesteld.

Artikel 2.34

De zorgplicht is altijd van toepassing op recreatief medegebruik in een oppervlaktewater dat op de legger van het waterschap staat en binnen de daarbij behorende zones.

Artikel 2.36

In dit artikel zijn de voorschriften opgenomen die nageleefd moeten worden bij het varen met een kanoop de Roer. Deze voorschriften zijn gericht op het beperken van nadelige consequenties als gevolg van het varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op de Roer. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften.

De voorschriften hebben met name betrekking op het voorkomen van schade aan waterstaatswerken en voorzieningen van het waterschap. Ook zien de voorschriften op de veiligheid van de recreant.

Artikel 2.37

In dit artikel zijn de voorschriften opgenomen die nageleefd moeten worden bij het varen met een kano/kajak op de Roer. Deze voorschriften zijn gericht op het beperken van nadelige consequenties als gevolg van het varen met een kano of kajak op de Roer. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften.

De voorschriften hebben met name betrekking op het voorkomen van schade aan waterstaatswerken en voorzieningen van het waterschap. Ook zien de voorschriften op de veiligheid van de recreant.

Artikel 2.38

Aan de hand van de bij de melding te verstrekken informatie kan het waterschap beoordelen of het aantal gelijktijdig aanwezige kano’s niet wordt overschreden. Het waterschap kan via een maatwerkvoorschrift aanvullende of afwijkende voorschriften voorschrijven. Om die reden is het dan ook van belang dat wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende melding zo spoedig mogelijk aan het waterschap worden doorgegeven.

Artikel 2.41

Aan de hand van de bij de melding te verstrekken informatie kan het waterschap beoordelen of de boot voldoet aan de voorwaarden van het traject of er niet meer dan één gemotoriseerde boot per perceel is gemeld. Tevens kan het waterschap beoordelen of in de concrete situatie naast in de algemene regels opgenomen voorschriften aanvullende of afwijkende voorschriften noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van de bij het werk betrokken belangen. Het waterschap kan via een maatwerkvoorschrift aanvullende of afwijkende voorschriften voorschrijven.

Artikel 2.42

Omdat het aanleggen van een parcours (bv. wandelpad of fiets-/moutainbikeroute) vaak een permanent karakter heeft en daarmee gevolgen kan hebben voor het beheer en onderhoud van een oppervlaktewater is hiervoor een vergunning nodig. Afhankelijk van de specifieke locatie kunnen met het oog op het (dagelijks) beheer en onderhoud specifieke voorschriften nodig zijn. Aanvullend op de vergunning geldt de zorgplicht.

Artikel 2.43

Lid 1

Het gebruik van gemotoriseerde voertuigen en vaartuigen, zoals een motorfiets of een motorboot, kan schade toebrengen aan een oppervlaktewater en aan de aanwezige onderhoudsstroken. Daarom is het gebruik hiervan uitdrukkelijk niet toegestaan en geldt hiervoor een absoluut verbod. Het verbod om met gemotoriseerde vaartuigen te varen geldt niet op een deel van de Hambeek en een deel van de Roer. De betreffende trajecten zijn opgenomen op de kaart die is opgenomen aan het eind van deze paragraaf. 

Lid 2

In de andere wateren dan die zijn opgenomen op kaarten kanovaren is het verboden om te varen met een kano, kajak of stand-up paddle board. Varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op die wateren is verboden omdat het vanuit een oogpunt van ecologische kwaliteit niet gewenst is dat daarop wordt gevaren. Daarnaast is een aantal wateren vanuit een oogpunt van veiligheid niet geschikt om op te varen met een kano, kajak of stand-up paddle board. Tot slot is een groot aantal wateren fysiek te klein om in te kunnen varen met een kano, kajak of stand-up paddle board zonder schade aan het oppervlaktewater als gevolg.

Artikel 2.44

In deze paragraaf staat het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting centraal. Het aanbrengen van beplanting in of naast een oppervlaktewater is niet zonder meer toegestaan. Door het aanbrengen van beplanting kan de beschoeiing of het talud van het oppervlaktewater beschadigd raken, waardoor de doorstroming van het water en het onderhoud aan een oppervlaktewater wordt belemmerd. Om die reden zijn er regels opgesteld ten aanzien van het aanbrengen en het verwijderen van beplanting in of naast de watergang.

Artikel 2.45

De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 1.12 is altijd van toepassing op het aanbrengen en hebben van bomen en struiken binnen oppervlaktewateren en bijbehorende zones die op de legger van het waterschap staan en op het aanbrengen en hebben van bomen en struiken buiten deze zones.

Artikel 2.46

Lid 1

Het aanbrengen van bomen of struiken binnen 2 meter uit de grens van een primair en secundair water kan leiden tot ernstige belemmering van de onderhoudsmogelijkheden van een oppervlaktewater. In de algemene regel zijn voorschriften opgenomen waarmee de belemmeringen voldoende kunnen worden voorkomen of beperkt. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften.

 

Lid 2

Het profiel van vrije ruimte is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen aanpassen van een oppervlaktewater. De aanwezigheid van bomen en struiken kan een belemmering opleveren voor het uitvoeren van aanpassingen aan een oppervlaktewater. De meanderzone is een zone die is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen meanderen van een oppervlaktewater. Om die reden is het van belang dat bomen en struiken zodanig worden geplant dat deze geen belemmering vormen voor het meanderen van het oppervlaktewater binnen de daarvoor gestelde zone. Een inundatiegebied is een gebied dat is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen opvangen van overtollig water met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijk gebied. Om die reden is het van belang dat bomen en struiken zodanig worden aangelegd dat deze geen belemmering vormen voor het kunnen functioneren van het inundatiegebied. Deze belangen kunnen via algemene regels voldoende worden beschermd. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift specifieke voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de algemene regel opgenomen voorschriften. Naast de algemene regel geldt tevens de zorgplicht.

Artikel 2.47

Lid 1

In dit artikellid is een voorschrift opgenomen waaraan u dient te voldoen indien u beplanting in de vorm van bomen en struiken wilt aanbrengen binnen 2 meter uit de grens van de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater. Het voorschrift is met name gericht op bescherming van de onderhoudsmogelijkheden van het oppervlaktewater. Een ruimte van 4 meter boven maaiveld binnen de kernzone is nodig voor het voeren van doelmatig onderhoud. Indien beplanting buiten de genoemde afstand wordt geplant en behouden, geldt op basis van de zorgplicht de verplichting de beplanting zodanig te snoeien dat geen belemmeringen ontstaan voor het voeren van onderhoud aan het oppervlaktewater.

 

Lid 2

De meanderzone is gericht op het beschikbaar houden van ruimte voor het kunnen meanderen van een oppervlaktewater. Bomen en struiken mogen worden geplaatst binnen de meanderzone, mits het meanderproces niet wordt belemmerd. Daarnaast dient het oppervlaktewater bereikbaar te blijven voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud.

 

Lid 3

Een inundatiegebied is een gebied dat is vastgesteld teneinde ruimte beschikbaar te hebben voor het kunnen opvangen van overtollig water met het oog op het voorkomen van wateroverlast in stedelijk gebied. Het plaatsen van bomen en struiken binnen een inundatiegebied is mogelijk, mits de functie van het inundatiegebied daardoor niet worden aangetast. Solitaire bomen of struiken zullen het functioneren in zijn algemeenheid niet belemmeren. Het plaatsen van meerdere bomen en of struiken bij elkaar, kan wel leiden tot een ongewenste belemmering. Geadviseerd wordt dan ook vooraf af te stemmen met het waterschap.

Artikel 2.48

Het aanbrengen, verplaatsen of verwijderen van bomen en struiken in de kernzone van een oppervlaktewater kan effect hebben op de stabiliteit en het functioneren van het oppervlaktewater en kan ernstig belemmerend zijn voor het doelmatig kunnen voeren van onderhoud. Ter bescherming van deze belangen geldt een vergunningplicht voor het aanbrengen van bomen en struiken in de kernzone van een primair of secundair water. Op deze wijze kan per individuele situatie worden beoordeeld of een voorgenomen aanplant, verplaatsing of verwijdering mogelijk is en indien mogelijk, onder verbindingen van welke voorschriften.

Artikel 2.50

De zorgplicht is altijd van toepassing op het aanleggen, hebben en wijzigen van kleine bouwwerken binnen oppervlaktewateren en bijbehorende zones die op de legger van het waterschap zijn opgenomen. In specifieke situaties kunnen door het dagelijks bestuur via een maatwerkvoorschrift specifieke voorschriften worden gesteld in aanvulling op of in afwijking van de in de zorgplicht opgenomen voorschriften. Een initiatiefnemer moet er rekening mee houden en op bedacht zijn, dat het kleine bouwwerk, in geval het een belemmering vormt voor de aanpassing van een oppervlaktewater of de beoogde meandering van het oppervlaktewater, moet worden verwijderd. Omdat een initiatiefnemer vooraf bekend is met dit gegeven, moet hij er zich van bewust zijn dat hij geen recht kan doen gelden op een eventuele schadevergoeding of nadeelcompensatie van het waterschap. Hij heeft namelijk door het kleine bouwwerk aan te leggen, het risico hiervoor op zich genomen (actieve risico-aanvaarding).