Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Afdeling 1.2 Aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden

Artikel 1.2 Begrenzing beheergebied

De geometrische begrenzing van het beheergebied van het hoogheemraadschap is opgenomen in het geometrische informatieobject 'beheergebied’ in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 1.3 Begrenzing beperkingengebieden

Artikel 1.4 Begrenzing overige gebieden

Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

  • 1.

    Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan, projectbesluit of omgevingsvergunning zijn geplaatst of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.

  • 2.

    Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone, opgenomen in bijlage II.

Afdeling 1.3 Normadressaat

Artikel 1.6 Normadressaat

Aan deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit uitvoert, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Afdeling 1.4 Algemene bepalingen omgevingsvergunning, melding, maatwerkvoorschrift en informatieplicht

Artikel 1.7 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting 

  • 1.

    Een melding of de verstrekking van gegevens en documenten wordt ondertekend en bevat ten minste: 

    • a.

      de aanduiding van de activiteit; 

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit uitvoert; 

    • c.

      het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en 

    • d.

      de dagtekening. 

  • 2.

    Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en documenten verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, ook gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

  • 3.

    Gegevens en documenten als bedoeld in het tweede lid worden verstrekt voor zover degene die de activiteit uitvoert er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 1.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat 

  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.7, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 2.

    Ten minste vijftien werkdagen voordat de activiteit door een ander zal gaan worden uitgevoerd, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 1.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; 

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en 

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt. 

  • 3.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op:

      • 1.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;

      • 2.

        wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of

      • 3.

        het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van afdeling 2.2 van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid; 

    • b.

      het in stand houden van de infrastructuur van de wegen; en 

    • c.

      het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming.

Artikel 1.10 Wijzigen en intrekking omgevingsvergunning

  • 1.

    Een omgevingsvergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2.

    Een vergunning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de vergunning gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is gebruikt.

  • 3.

    Wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning kan plaatsvinden met het oog op de doelen van deze verordening. Intrekking van een omgevingsvergunning kan ook plaatsvinden op verzoek van de vergunninghouder.

  • 4.

    Wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning vindt ook plaats als een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning wordt niet ingetrokken als kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van die vergunning.

Artikel 1.11 Afwijken van regels door maatwerkvoorschrift

  • 1.

    Door middel van een maatwerkvoorschrift kan, ambtshalve of op aanvraag, worden bepaald dat kan of moet worden afgeweken van de algemene regels die in deze verordening zijn gesteld aan een wateractiviteit.

  • 2.

    Aan het maatwerkvoorschrift kunnen voorwaarden worden verbonden. 

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt slechts gesteld, indien het met die regels gediende doel zich daartegen niet verzet.

  • 4.

    Een maatwerkvoorschrift wordt slechts gesteld in het belang dat met die regels is gediend.

  • 5.

    Als gelijktijdig zowel een omgevingsvergunning als een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd, wordt het maatwerkvoorschrift integraal opgenomen in de omgevingsvergunning.

Artikel 1.12 Wijzigen en intrekken maatwerkvoorschrift

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan worden gewijzigd met het oog op de bescherming van de doelen van deze verordening.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan worden ingetrokken als de bescherming van de doelen van deze verordening zich daartegen niet langer verzet.

  • 3.

    Wijziging of intrekking van een maatwerkvoorschrift kan zowel op aanvraag als ambtshalve plaatsvinden.

Afdeling 1.5 Uitzondering beheeractiviteiten

Artikel 1.13 Uitzondering beheeractiviteiten

  • 1.

    De hoofdstukken 23 en 4 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het hoogheemraadschap, voor beheer, onderhoud en herstel.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen en wijzigen van waterstaatswerken.

  • 3.

    De hoofdstukken 23 en 4 van deze verordening zijn niet van toepassing voor de uitvoering van een door het bestuur vastgesteld projectbesluit door of in opdracht van het hoogheemraadschap. 

Afdeling 1.6 Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.14 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn:

  • a.

    waterschaarste en dreigende waterschaarste; 

  • b.

    overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; 

  • c.

    aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en 

  • d.

    het falen van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan. 

Artikel 1.15 Algeheel verbod bij calamiteiten 

  • 1.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; 

    • b.

      water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren;

    • d.

      activiteiten uit te voeren in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering; en

    • e.

      activiteiten uit te voeren in het gebied weg.

  • 2.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.

  • 3.

    Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of stopgezet. 

  • 4.

    Het besluit wordt ingetrokken als het bestuur instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt.

Afdeling 1.7 Ongewoon voorval

Artikel 1.16 Informeren over een ongewoon voorval

  • 1.

    Het bestuur wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

    • b.

      particuliere huishoudens. 

Artikel 1.17 Gegevens en documenten bij een ongewoon voorval

  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en documenten bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bestuur:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; 

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; 

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en 

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. 

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: 

    • a.

      leefomgeving; en

    • b.

      particuliere huishoudens. 

Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater, bergingsgebieden, waterkeringen en wegen

Afdeling 2.1 Activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen

Paragraaf 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden of kernzones en beschermingszones van de waterkeringen en de daarbij behorende kunstwerken.

Artikel 2.2 Oogmerken
  • 1.

    De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het beschermen van de ontwaterende, af- en aanvoerende en voldoende bergende functie van het watersysteem;

    • b.

      het beschermen van de ecologische en chemische toestand van het watersysteem;

    • c.

      het instandhouden van het peilbeheer;

    • d.

      het beperken van het risico op wateroverlast, waarbij een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar voorkomt niet leidt, door inundatie vanuit het watersysteem, tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen;

    • e.

      het beperken van waterschaarste en het vasthouden of bergen van neerslag voor nuttig gebruik;

    • f.

      het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de functie van het watersysteem; en

    • g.

      het waarborgen van de doorvaarbaarheid van de vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.

  • 2.

    De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor waterkeringen zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het beschermen van de waterkerende functie van waterkeringen en de beschermingszones;

    • b.

      het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van waterkeringen; en

    • c.

      het behoud van noodzakelijke ruimte voor toekomstige versterkingen van waterkeringen

Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd

  • 2.

    Voor activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden houdt deze plicht in ieder geval in dat deze op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken wordt uitgevoerd dat:

    • a.

      het functioneren van het watersysteem blijft voldoen aan de toegekende maatschappelijke functies;

    • b.

      de waterstanden in stand worden gehouden zoals vastgesteld is in:

      • 1.

        het ter plekke geldende peilbesluit; 

      • 2.

        het waterbeheerprogramma; of

      • 3.

        een omgevingsvergunning;

    • c.

      de aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem en het waterkwantiteitsbeheer gewaarborgd blijven;

    • d.

      het onderhoud van het watersysteem en de beschikbare aan- en afvoercapaciteit op elkaar zijn afgestemd en de onderhoudskosten niet toenemen;

    • e.

      de aanwezige waterberging intact blijft of wordt gecompenseerd;

    • f.

      de neerslag doelmatig in de bodem kan infiltreren;

    • g.

      er geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand plaatsvindt;

    • h.

      een achteruitgang van de lichtkwaliteit en van de habitatgeschiktheid van het water en de oever ten aanzien van de ecologische doelen uit de stroomgebiedbeheerplannen wordt voorkomen;

    • i.

      de verspreiding van flora en fauna in het watersysteem mogelijk blijft of wordt verbeterd;

    • j.

      de scheiding tussen verschillende peilgebieden bij natuurlijke peilfluctuaties voldoende gewaarborgd blijft; en

    • k.

      de mogelijkheden voor het voeren van flexibel peilbeheer niet worden beperkt.

  • 3.

    Voor activiteiten met gevolgen voor waterkeringen houdt deze plicht in ieder geval in dat deze:

    • a.

      op zodanige wijze en tijdens zodanige weersomstandigheden worden uitgevoerd dat de functie van de waterkering geborgd blijft;

    • b.

      op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de waterkering mogelijk blijft;

    • c.

      op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de noodzakelijke ruimte voor een toekomstige versterking van een waterkering niet nadelig wordt beïnvloed; en

    • d.

      op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken worden uitgevoerd dat de waterkering in de bestaande toestand intact blijft of, indien dit niet mogelijk is, de waterkering in gelijke toestand wordt hersteld of verbeterd.

  • 4.

    Degene die voornemens is een activiteit uit te voeren, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied of waterkering die op grond van deze afdeling is vereist, worden de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het oppervlaktewaterlichaam, het bergingsgebied of de waterkering; 

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; 

  • d.

    als een oppervlaktewaterlichaam of waterkering wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie: 

    • 1.

      een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat; 

    • 2.

      een tekening met een aanduiding van de boorlijn;

    • 3.

      een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en

    • 4.

      gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de bij de boring in te brengen mantelbuis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

  • e.

    bij het weghalen en niet terugplaatsen van een beschoeiing of een andere profielbescherming in een oever of waterbodem met een grondverontreiniging boven de interventiewaarden dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd;

  • f.

    in het geval van het verbreden of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd wanneer zich in de waterbodem, oever of grond een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt; en

  • g.

    als de activiteit op, in of bij een waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze afdeling is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt weggehaald, in aanvulling op artikel 2.4 de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    een opgave van de hoeveelheid weg te halen baggerspecie in kubieke meter;

  • b.

    een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in vierkante meter; en

  • c.

    in het geval van het vergraven van de vaste waterbodem dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd wanneer zich in de vaste waterbodem een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt.

Artikel 2.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bodem (verticale drainage)

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater die op grond van deze afdeling is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij verticale drainage wordt geplaatst, in aanvulling op artikel 2.4 de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    een opgave van de beoogde einddiepte van de verticale drainage ten opzichte van de onderzijde van de klei- of veenlaag zodanig dat er een minimale laagdikte van de klei- of veenlaag van 1,0 m overblijft op de watervoerende zandlaag;

  • b.

    bodemonderzoeksgegevens; en

  • c.

    een interpretatie van de bodemonderzoeksgegevens bedoeld onder b.

Artikel 2.7 Algemene regel onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam

Onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam in overeenstemming met de in bijlage IV opgenomen uitgangspunten en eisen blijft mogelijk.

Artikel 2.8 Tijdelijk weghalen bouwwerk

Een bouwwerk wordt tijdelijk weggehaald op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dat nodig is voor werkzaamheden door of in opdracht van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.9 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.7.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.7.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitvoeren van een activiteit in afwijking van artikel 2.7 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.2 Plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken

Artikel 2.10 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkeringbeschermingszone A van de waterkering en molenbiotoop.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen, bedoeld in paragraaf 2.1.3;

    • b.

      het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten, bedoeld in paragraaf 2.1.4;

    • c.

      het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, sifons of hevels, bedoeld in paragraaf 2.1.5;

    • d.

      het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.6;

    • e.

      het plaatsen, behouden en weghalen van steigers, vlonders en aanmeervoorzieningen, bedoeld in paragraaf 2.1.7;

    • f.

      het plaatsen, behouden en weghalen van boothuizen, bedoeld in paragraaf 2.1.8;

    • g.

      het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.9;

    • h.

      het plaatsen, behouden en weghalen van drijvende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.10;

    • i.

      het plaatsen, behouden en weghalen van woonboten, bedoeld in paragraaf 2.1.11;

    • j.

      het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.13;

    • k.

      het plaatsen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.14;

    • l.

      het plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.17;

    • m.

      het plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen, bedoeld in paragraaf 2.1.26; en

    • n.

      het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.30.

Artikel 2.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.13 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst of weggehaald; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het bouwwerk; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.14 Plaatsen bouwwerk
  • 1.

    Een bouwwerk wordt niet geplaatst binnen een afstand van 5 meter van een duiker. 

  • 2.

    Als het bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst, is paragraaf 2.1.25 van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Als het bouwwerk boven een oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst, blijft het vrije doorvaartprofiel geborgd. 

Artikel 2.15 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van het bouwwerk en de grond of het oppervlaktewaterlichaam binnen 1 meter rondom het bouwwerk, wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.16 Gesloten seizoen

In het gebied beschermingszone A van de primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.17 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.7 en 2.15 tot en met 2.16.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.15 tot en met 2.16.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of weghalen van een bouwwerk in afwijking van artikel 2.72.152.14 of 2.16 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.3 Plaatsen, behouden en weghalen van bruggen

Artikel 2.18 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.19 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.20 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.21 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de brug worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de brug wordt geplaatst of weggehaald; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de brug worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de brug; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.22 Eisen aan de brug
  • 1.

    De overspanning wordt aangebracht buiten het oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Landhoofden worden geplaatst buiten het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren. 

  • 3.

    Een brug in een watersysteem dat varend wordt onderhouden heeft: 

    • a.

      een minimaal doorvaartprofiel met een breedte van 2,50 meter;

    • b.

      een minimale doorvaarthoogte van 1,10 meter ten opzichte van het plaatselijk hoogste geldende streefpeil; en

    • c.

      een minimale waterdiepte van 0,90 meter ten opzichte van het plaatselijk laagst geldende streefpeil.

  • 4.

    Bij recreatieve vaarroutes wordt de minimale doorvaarthoogte, bedoeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan, aangehouden.

Artikel 2.23 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam en de bergingscapaciteit
  • 1.

    Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

  • 2.

    De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 3.

    Aanwezige oude beschoeiingsresten of andere oeververdedigingen worden volledig weggehaald.

  • 4.

    Het verlies aan bergingscapaciteit in het oppervlaktewaterlichaam door het plaatsen van de brug wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden of nieuw oppervlaktewater te graven met tenminste hetzelfde oppervlak als is gedempt. De bergingscapaciteit wordt bepaald op basis van het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit. 

  • 5.

    Het vierde lid geldt niet als er bij het plaatsen van de brug minder dan 35 m2 van het oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt.

Artikel 2.24 Weghalen van de brug

Een brug die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

Artikel 2.25 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.22 en 2.23.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.22 en 2.23.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een brug in afwijking van artikel 2.72.22 of 2.23 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

     

Paragraaf 2.1.4 Plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten

Artikel 2.26 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Paragraaf 2.1.5 Plaatsen, behouden en weghalen van duikers, sifons of hevels

Artikel 2.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, sifons of hevels in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.29 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.30 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.31 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de duiker wordt geplaatst of weggehaald; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de duiker; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.32 Afmetingen en capaciteit duiker
  • 1.

    De duiker heeft een lengte van ten hoogste 15 meter.

  • 2.

    De duiker heeft een inwendige diameter van minimaal 1,2 m. De binnenonderkant van de duiker wordt gelegd op 0,8 m onder het laagst geldende streefpeil ter plaatse.

  • 3.

    Een duiker in een watersysteem dat varend wordt onderhouden heeft:

    • a.

      een minimaal doorvaartprofiel met een breedte van 2,50 meter.

    • b.

      een minimale doorvaarthoogte van 1,10 meter ten opzichte van het plaatselijk hoogste geldende streefpeil.

    • c.

      een minimale waterdiepte van 0,90 meter ten opzichte van het plaatselijk laagst geldende streefpeil.

  • 4.

    Bij recreatieve vaarroutes wordt de minimale doorvaarthoogte, bedoeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan, aangehouden.

Artikel 2.33 Waterpeil

De duiker wordt zodanig geplaatst dat het waterpeil en peilbeheer aan beide zijden van de duiker gelijk blijven.

Artikel 2.34 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    De oever aan weerszijde van de duiker wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.

  • 2.

    Het beheer en onderhoud van de duiker en het oppervlaktewater binnen 3 meter rondom de duiker wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.35 Weghalen duiker

Een duiker die zijn functie in het watersysteem verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

Artikel 2.36 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.7 en 2.32 tot en met 2.35.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.32 tot en met 2.35.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een duiker in afwijking van artikel 2.72.322.332.34 of 2.35. worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.6 Plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen

Artikel 2.37 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.39 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.40 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de toegangsdam wordt geplaatst of weggehaald; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de toegangsdam; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.41 Aanleggen en onderhouden toegangsdam
  • 1.

    De toegangsdam wordt voorzien van een duiker.

  • 2.

    Bij het plaatsen van de duiker wordt voldaan aan paragraaf 2.1.5.

  • 3.

    Het beheer en onderhoud van de toegangsdam en het oppervlaktewaterlichaam binnen 3 meter rondom de toegangsdam wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.42 Bergingscapaciteit oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    Het verlies aan bergingscapaciteit in het oppervlaktewaterlichaam door aanleg van de toegangsdam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden of nieuw oppervlaktewater te graven met tenminste hetzelfde oppervlak. De bergingscapaciteit wordt bepaald op basis van het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet als er bij de aanleg van de toegangsdam minder dan 35 m2 van het oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt.

Artikel 2.43 Weghalen toegangsdam

Een toegangsdam die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

Artikel 2.44 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.41 en 2.42.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.41 en 2.42.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of weghalen van een toegangsdam in afwijking van artikel 2.72.41 of 2.42 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.7 Plaatsen, behouden en weghalen van steigers, vlonders en aanmeervoorzieningen

Artikel 2.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van steigers, vlonders en aanmeervoorzieningen in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.47 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.48 Gegevens en documenten
Artikel 2.49 Plaatsing van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening
Artikel 2.50 Onderhoud van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening

Het beheer en onderhoud van de steigervlonder of aanmeervoorziening en de grond of het oppervlaktewaterlichaam binnen één meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.51 Weghalen van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening
Artikel 2.52 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.49 tot en met 2.51.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.49 tot en met 2.51.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een steigervlonder of aanmeervoorziening, in afwijking van artikel 2.72.492.50 of 2.51 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.8 Plaatsen, behouden en weghalen van boothuizen

Artikel 2.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van boothuizen in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.54 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.55 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.56 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van het boothuis worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het boothuis wordt geplaatst; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het boothuis worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het boothuis; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.57 Plaatsing van het boothuis
  • 1.

    Het boothuis wordt meer dan 50 meter van de in- of uitstroomopening van een gemaal, inlaat of stuw geplaatst.

  • 2.

    Het boothuis wordt buiten het geldende profiel van de Legger Wateren geplaatst, zodat de aan- en afvoer van het oppervlaktewaterlichaam en het onderhoud daarvan niet worden belemmerd.

  • 3.

    Het boothuis wordt dusdanig geplaatst dat de vrije doorvaartbreedte blijft geborgd.

  • 4.

    In het gebied rietoever wordt het boothuis voor de rietkraag geplaatst en verbonden met de oever met een loopplank van maximaal 1 meter breed.

Artikel 2.58 Onderhoud van het boothuis

Het beheer en onderhoud van het boothuis en de grond of het oppervlaktewaterlichaam binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.59 Weghalen van het boothuis
  • 1.

    Indien er bij het weghalen van het boothuis palen worden getrokken die dieper dan drie meter in de waterbodem zijn aangebracht, wordt het gat dat hierdoor ontstaat opgevuld met zwelklei. 

  • 2.

    Het weghalen van het boothuis in het gebied natuurvriendelijke oever wordt uitgevoerd vanaf het water.

Artikel 2.60 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.57 tot en met 2.59.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.57 tot en met 2.59.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een boothuis, in afwijking van artikel 2.72.572.58 of 2.59 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.9 Plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen

Artikel 2.61 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een taludtrap te plaatsen, te behouden of weg te halen in de gebieden kernzone van de primaire waterkeringkernzone van de regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of beschermingszone A bij die waterkeringen.

Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen, behouden of weghalen van een taludtrap in het gebied kernzone of beschermingszone A van de regionale waterkering niet bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of kernzone van de overige waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.64 tot en met 2.68.

Artikel 2.64 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de taludtrap wordt geplaatst; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de taludtrap; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.65 Constructie van de taludtrap
  • 1.

    De taludtrap wordt opgebouwd uit losse elementen van beton die opgesloten worden.

  • 2.

    De hoogte van de elementen en de opsluiting is gelijk aan het maaiveld.

  • 3.

    De taludtrap bevat geen openingen in de constructie en in de aansluiting op de weg of het pad dat aansluit op de taludtrap.

  • 4.

    Voor fietsen wordt een betonnen voorziening in de vorm van een fietsgoot aangebracht.

Artikel 2.66 Plaatsing van de taludtrap
  • 1.

    De taludtrap wordt direct op het dijkmateriaal aangebracht.

  • 2.

    De elementen van de taludtrap worden gesteld met zandcement.

  • 3.

    Onder de taludtrap wordt een kleilaag aangebracht die minimaal even dik is als de bestaande kleilaag van de waterkering.

Artikel 2.67 Onderhoud

Het beheer en onderhoud van de taludtrap en de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.68 Weghalen taludtrap

Een taludtrap die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

Artikel 2.69 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.65 tot en met 2.67.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.65 tot en met 2.67.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een taludtrap in afwijking van de artikelen 2.652.66 of 2.67 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.10 Plaatsen, behouden en weghalen van drijvende bouwwerken

Artikel 2.70 Toepassingsbereik
Artikel 2.71 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.72 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.73 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van het drijvend bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het drijvend bouwwerk wordt geplaatst; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het drijvend bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

Artikel 2.74 Plaatsing van het drijvend bouwwerk
  • 1.

    Het drijvend bouwwerk wordt meer dan 50 meter van de in- of uitstroomopening van een gemaal, inlaat of stuw geplaatst.

  • 2.

    In het gebied rietoever wordt een drijvend bouwwerk voor de rietkraag geplaatst en verbonden met de oever met een loopplank van maximaal 1 meter breed.

  • 3.

    De waterbreedte tussen twee tegenover elkaar liggende bouwwerken mag niet minder worden dan zes meter. Bij een oppervlaktelichaam breder dan zes meter op de waterlijn wordt de beschikbare ruimte gelijkelijk verdeeld over beide zijden van de oever.

  • 4.

    De doorvaart wordt niet door het drijvend bouwwerk belemmerd.

Artikel 2.75 Onderhoud van het drijvend bouwwerk

Het beheer en onderhoud van het drijvend bouwwerk en de grond of het oppervlaktewaterlichaam binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.76 Weghalen van het drijvend bouwwerk
  • 1.

    Indien er bij het weghalen van het drijvend bouwwerk palen worden getrokken die dieper dan drie meter in de waterbodem zijn aangebracht, wordt het gat dat hierdoor ontstaat opgevuld met zwelklei. 

  • 2.

    Het weghalen van het drijvend bouwwerk in het gebied natuurvriendelijke oever wordt uitgevoerd vanaf het water.

Artikel 2.77 Maatwerkvoorschrift
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.74 tot en met 2.76.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.32.72.74 tot en met 2.76.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een drijvend bouwwerk in afwijking van artikel 2.72.742.75 of 2.76. worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.11 Plaatsen, behouden en weghalen van woonboten

Artikel 2.78 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van woonboten in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering

Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Paragraaf 2.1.12 Aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak

Artikel 2.80 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak in het beheergebied.

Artikel 2.81 Aanwijzing van vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.82 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanbrengen, behouden en weghalen van minder dan 25 m2 verhard oppervlak binnen het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.

  • 2.

    Bij het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.

  • 3.

    Bij het aanbrengen van verhard oppervlak tussen 230 m2 en 2000 m2 wordt tevens voldaan aan de artikelen 2.83 en 2.84.

  • 4.

    Wanneer initiatiefnemer in de 10 jaar voorafgaand aan de activiteit al eerder verhard oppervlak heeft aangelegd, wordt deze eerdere oppervlakte ook betrokken bij het bepalen van de omvang van de activiteit. 

Artikel 2.83 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het verhard oppervlak wordt aangebracht; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van het verhard oppervlak; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.84 Compensatie verhard oppervlak
  • 1.

    In gebied zonder peilbesluitplicht moet water dat afvloeit van verhard oppervlak worden geïnfiltreerd in de bodem en behouden blijven binnen hetzelfde beperkingengebied. 

  • 2.

    In gebied met peilbesluitplicht zal water bij voorkeur worden geïnfiltreerd in de bodem voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen.

  • 3.

    Indien gebruik gemaakt wordt van een infiltratievoorziening, moeten de voorwaarden hiervoor worden besproken met het hoogheemraadschap.

  • 4.

    Voor zover infiltratie op grond van het tweede lid niet mogelijk of wenselijk is, zal het nieuw aangebrachte verharde oppervlak worden gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 15 procent van de oppervlakte ervan als verbreed of nieuw oppervlaktewater te graven.

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing als er minder dan 230 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht.

  • 6.

    Voordat het verharde oppervlak wordt aangelegd, wordt de vereiste compensatie gerealiseerd.

Artikel 2.85 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.84.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.84.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van verhard oppervlak in afwijking van artikel 2.84 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.13 Plaatsen, behouden en weghalen van windturbines

Artikel 2.86 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines in het beheergebied.

Artikel 2.87 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een windturbine te plaatsen, te behouden of weg te halen in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Artikel 2.88 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen of behouden van een windturbine in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszones van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.89.

Artikel 2.89 Afstand tot de kernzone en beschermingszones van de waterkering

De afstand tussen de windturbine en het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering is ten minste gelijk aan de tiphoogte van de windturbine.

Artikel 2.90 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.89.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.89.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of behouden van een windturbine in afwijking van artikel 2.89 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • b.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • c.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • d.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.14 Plaatsen van bodemenergiesystemen

Artikel 2.91 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen van bodemenergiesystemen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.92 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te plaatsen in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering.

Paragraaf 2.1.15 Uitvoeren van ontgravingen

Artikel 2.93 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van ontgravingen in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.2;

    • b.

      het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen, bedoeld in paragraaf 2.1.3;

    • c.

      het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten, bedoeld in 2.1.4;

    • d.

      het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, bedoeld in paragraaf 2.1.5;

    • e.

      het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.6;

    • f.

      het plaatsen en behouden van steigers, vlonders, aanmeervoorzieningen, bedoeld in paragraaf 2.1.7;

    • g.

      het plaatsen en behouden van boothuizen, bedoeld in paragraaf 2.1.8

    • h.

      het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.9;

    • i.

      het plaatsen en behouden van drijvende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.10.

    • j.

      het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.13;

    • k.

      het plaatsen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.14;

    • l.

      het plaatsen en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.17;

    • m.

      het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels, bedoeld in paragraaf 2.1.18;

    • n.

      het leggen, behouden en weghalen van kabels en leidingen, bedoeld in paragraaf 2.1.21;

    • o.

      het graven van proefsleuven, bedoeld in paragraaf 2.1.22;

    • p.

      het graven van nieuw oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.23;

    • q.

      het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in paragraaf 2.1.24; en

    • r.

      het aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers, bedoeld in paragraaf 2.1.27.

Artikel 2.94 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ontgraving uit te voeren in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.95 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van een ontgraving in het gebied beschermingszone B van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.96.

Artikel 2.96 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het uitvoeren van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie van de ontgraving; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de ontgraving; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.97 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 2.3.

Paragraaf 2.1.16 Aanbrengen of plaatsen van grond en bouwstoffen op de waterkering

Artikel 2.98 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen of plaatsen van grond en bouwstoffen in de kernzone van de waterkering.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.2;

    • b.

      het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen, bedoeld in paragraaf 2.1.3;

    • c.

      het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten, bedoeld in 2.1.4;

    • d.

      het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, sifons en hevels bedoeld in paragraaf 2.1.5;

    • e.

      het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.6;

    • f.

      het plaatsen, behouden en weghalen van steigers, vlonders, en aanmeervoorzieningen, bedoeld in paragraaf 2.1.7;

    • g.

      het plaatsen, behouden en weghalen van drijvende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.10;

    • h.

      het plaatsen, behouden en weghalen van boothuizen, bedoeld in paragraaf 2.1.8;

    • i.

      het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.9;

    • j.

      het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak, bedoeld in paragraaf 2.1.12;

    • k.

      het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.13;

    • l.

      het plaatsen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.14;

    • m.

      het plaatsen en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.17;

    • n.

      het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels, bedoeld in paragraaf 2.1.18;

    • o.

      het leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen, bedoeld in paragraaf 2.1.21;

    • p.

      het graven van proefsleuven, bedoeld in paragraaf 2.1.22;

    • q.

      het graven van nieuw oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.23;

    • r.

      het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in paragraaf 2.1.24

    • s.

      het dempen, versmallen of verondiepen van oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.25;

    • t.

      het plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen, bedoeld in paragraaf 2.1.26;

    • u.

      het aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers, bedoeld in paragraaf 2.1.27;

    • v.

      het ophogen van percelen in bergingsgebieden, bedoeld in paragraaf 2.1.28;

    • w.

      het realiseren van peilafwijkingen, bedoeld in paragraaf 2.1.29; en

    • x.

      het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.30

Artikel 2.99 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond en bouwstoffen aan te brengen of te plaatsen in het gebied kernzone van de waterkering.

Paragraaf 2.1.17 Plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken

Artikel 2.100 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.101 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozings- of onttrekkingswerk te plaatsen, te behouden of weg te halen in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering.

Paragraaf 2.1.18 Plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels

Artikel 2.102 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels in het beheergebied.

Artikel 2.103 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.104 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen of aanbrengen, behouden of weghalen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.105 tot en met 2.107.

Artikel 2.105 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de drainagebuis of het aanbrengen van de ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de drainagebuis wordt geplaatst of de ontwateringsgreppel wordt aangebracht; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de drainagebuis of het aanbrengen van de ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de drainagebuis of ontwateringsgreppel; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.106 Ligging en plaatsing
  • 1.

    Bij het aanbrengen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel worden geen peilgrenzen gekruist. 

  • 2.

    De hoge kant van de drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt meer dan 5 meter uit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geplaatst of aangebracht.

Artikel 2.107 Weghalen

Een drainagebuis of ontwateringsgreppel die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

Artikel 2.108 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.106.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.106.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een drainagebuis of het aanbrengen van een ontwateringsgreppel in afwijking van artikel 2.106 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.19 Plaatsen en behouden van verticale drainages

Artikel 2.109 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van verticale drainages in het beheergebied.

Artikel 2.110 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.111 Specifieke zorgplicht
Artikel 2.112 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 2.3 en 4.3, met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.3tweede lid, onder a.

Paragraaf 2.1.20 Onderzoek

Subparagraaf 2.1.20.1 Uitvoeren van grondonderzoek
Artikel 2.113 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondonderzoek in het gebied kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.114 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van grondonderzoek door middel van grondboring of sondering in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.115 en 2.116.

Artikel 2.115 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het uitvoeren van het grondonderzoek worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar het grondonderzoek wordt uitgevoerd; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.116 Uitvoering
  • 1.

    Gedurende wateroverlast, hogere waterstanden dan normale peilen, verweking van de waterkering of andere waterkeringbedreigende omstandigheden vinden geen werkzaamheden plaats.

  • 2.

    De werkzaamheden worden alleen uitgevoerd als de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade wordt veroorzaakt.

  • 3.

    Boorgaten worden na uitvoering van de werkzaamheden gevuld met zwelstaven of kleikorrels om verbindingen tussen watervoerende lagen af te dichten.

Artikel 2.117 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.116.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.116.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitvoeren van grondonderzoek in afwijking van artikel 2.116 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Subparagraaf 2.1.20.2 Uitvoeren van seismisch onderzoek
Artikel 2.118 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van seismisch onderzoek in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Artikel 2.119 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning seismisch onderzoek uit te voeren in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Subparagraaf 2.1.20.3 Plaatsen, behouden en weghalen van peilbuizen
Artikel 2.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van peilbuizen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.122 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een peilbuis worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit; 

  • b.

    de locatie waar de peilbuis wordt geplaatst; 

  • c.

    de diepte en afmeting van de peilbuis;

  • d.

    de gegevens van de eigenaar van de peilbuis; en 

  • e.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. 

Artikel 2.123 Uitvoering
  • 1.

    Gedurende wateroverlast, hogere waterstanden dan normale peilen, verweking van de waterkering of andere waterkeringbedreigende omstandigheden vinden geen werkzaamheden plaats.

  • 2.

    De werkzaamheden worden alleen uitgevoerd als de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade wordt veroorzaakt.

Artikel 2.124 Weghalen van een peilbuis
  • 1.

    Nadat de peilbuis is weggehaald wordt de bodem zo snel mogelijk aangevuld.

  • 2.

    De verdichting van de aanvulling is gelijk aan de bestaande dichtheid van het grondlichaam van de kernzone of beschermingszone A van de waterkering. De afsluitende laag wordt afgesloten met zwelklei om overlast te voorkomen.

  • 3.

    De aanvulling is homogeen zonder vreemde bestanddelen zoals zand, stenen, wortels en verontreinigingen.

  • 4.

    De aanvulling wordt zodanig afgewerkt dat boven en naast de aanvulling geen plasvorming ontstaat.

  • 5.

    Bij een aanvulling in het talud wordt het talud afgewerkt in goede aansluiting op de taludhelling.

  • 6.

    Overtollige of uitgekomen grond, puin of ander materiaal wordt direct afgevoerd en wordt voor zoveel als nodig is vervangen door schone grondsoorten. 

  • 7.

    Onder een grasmatvegetatie bestaat de bovenste aanvulling uit 0,20 meter teelaarde.

Artikel 2.125 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.123 en 2.124.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.123 en 2.124.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een peilbuis in afwijking van artikel 2.123 of 2.124 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en 

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. 

Paragraaf 2.1.21 Leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen

Artikel 2.126 Toepassingsbereik
Artikel 2.127 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.128 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.129 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de kabelleiding of huisaansluiting wordt gelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk vier weken na afronding van het leggen van de kabelleiding of huisaansluiting worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • 3.

    Informatie over de start van de werkzaamheden wordt verstrekt door middel van het MOOR platform.

Artikel 2.130 Ligging van de kabel, leiding of huisaansluiting
  • 1.

    De kabelleiding of huisaansluiting moet ondergronds liggen.

  • 2.

    De kabelleiding of huisaansluiting moet op voldoende afstand van een waterloop liggen:

    • a.

      ten minste 1 meter uit het leggerprofiel; of

    • b.

      als het bestaande profiel groter is dan het leggerprofiel: 1 meter uit het bestaande profiel en minimaal 1 meter onder de vaste waterbodem.

  • 3.

    De kabelleiding of huisaansluiting moet op minimaal 5 meter afstand van een kunstwerk liggen, zodat onbelemmerd onderhoud aan het kunstwerk en de kabelleiding of huisaansluiting mogelijk is. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste en derde lid kan een kabelleiding of huisaansluiting aan een kunstwerk worden bevestigd, als:

    • a.

      de functies van het kunstwerk niet worden beïnvloed;

    • b.

      doorstroming of het doorvaartprofiel niet wordt verkleind; en 

    • c.

      vervanging of vernieuwing van het kunstwerk te allen tijde mogelijk blijft.

  • 5.

    Het tracé van een huisaansluiting bedraagt maximaal 50 meter parallel aan de lengterichting van de waterkering. Indien de huisaansluiting geheel of gedeeltelijk parallel aan de lengterichting van de waterkering loopt, vindt overleg plaats met het hoogheemraadschap.

Artikel 2.131 Tijdens en direct na werkzaamheden 
  • 1.

    Een huisaansluiting in een waterkering wordt uitsluitend aangelegd in open ontgraving. De open ontgraving wordt aan het einde van de dag weer dichtgemaakt.

  • 2.

    Tijdens het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting worden de doorstroming en doorvaart in het oppervlaktewaterlichaam en kunstwerken niet gestremd of belemmerd.

  • 3.

    Direct na het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting worden het talud en de waterbodem in oorspronkelijke staat hersteld in goede aansluiting op het bestaande talud en de waterbodem.

Artikel 2.132 Behouden en onderhoud van een kabel, leiding of huisaansluiting
  • 1.

    Een kabelleiding of huisaansluiting mag alleen behouden blijven, mits deze in bedrijf is. Een buiten bedrijf gestelde kabel of leiding wordt weggehaald door of in opdracht van de initiatiefnemer of zijn rechtsopvolger. De wijze van weghalen wordt afgestemd met het hoogheemraadschap.

  • 2.

    De leiding wordt zodanig onderhouden dat er geen lekkage ontstaat.

  • 3.

    Een beschadigde leiding wordt zo snel mogelijk gerepareerd of vervangen. De wijze van reparatie en vervanging wordt afgestemd met het hoogheemraadschap.

Artikel 2.133 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.130 tot en met 2.132.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen en 2.130 tot en met 2.132.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het leggen, behouden of weghalen van een kabelleiding of huisaansluiting in afwijking van artikel 2.1302.131 of 2.132 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.22 Graven van proefsleuven

Artikel 2.134 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven van proefsleuven in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.135 Aanwijzing algemene regels

Bij het graven van een proefsleuf in de gebieden kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.136 tot en met 2.139.

Artikel 2.136 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het graven van de proefsleuf worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit; en

  • b.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.137 Toegestane ontgravingen
  • 1.

    Een ontgraving vindt alleen plaats:

    • a.

      bij reguliere waterpeilen van buitenwater en boezemwater;

    • b.

      tot een diepte maximaal 1 m;

    • c.

      tot een sleufbreedte van maximaal 0,5 m; en

    • d.

      als maximaal de helft van de kruin van de waterkering gelijktijdig wordt ontgraven.

  • 2.

    In het gebied kernzone van de primaire waterkering of beschermingszone A van de primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april.

Artikel 2.138 Aanvullen van de ontgraving
  • 1.

    De ontgraving wordt zo snel mogelijk aangevuld.

  • 2.

    De verdichting van de aanvulling is gelijk aan de bestaande dichtheid van het grondlichaam van de waterkering of beschermingszone.

  • 3.

    De aanvulling is homogeen zonder vreemde bestanddelen zoals zand, stenen, wortels en verontreinigingen.

  • 4.

    De aanvulling wordt zodanig afgewerkt dat boven en naast de aanvulling geen plasvorming ontstaat.

  • 5.

    Bij een aanvulling in het talud wordt het talud afgewerkt in goede aansluiting op de taludhelling.

  • 6.

    Overtollige of uitgekomen grond, puin of ander materiaal wordt direct afgevoerd en wordt voor zoveel als nodig is vervangen door schone grondsoorten. 

  • 7.

    Onder een grasmatvegetatie bestaat de bovenste aanvulling uit 0,20 meter teelaarde.

Artikel 2.139 Grasmat
  • 1.

    Direct voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het gras gemaaid en afgevoerd.

  • 2.

    De zoden van de grasmat worden vakkundig afgestoken en terzijde gelegd.

  • 3.

    De ontgraving wordt zo snel mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden aangevuld en afgedekt met de afgestoken zoden.

  • 4.

    Als hergebruik van de zoden niet mogelijk is, wordt de bekleding hersteld door het inzaaien met een dijkgrasmengsel.

Artikel 2.140 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.137 tot en met 2.139.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.137 tot en met 2.139.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van een proefsleuf in afwijking van artikel en 2.1372.138 of 2.139 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.23 Graven van nieuw oppervlaktewater

Artikel 2.141 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven van nieuw oppervlaktewater in het beheergebied.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het uitvoeren van compenserende maatregelen die zijn voorgeschreven in een vergunning. 

Artikel 2.142 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.143 Aanwijzing algemene regels

Bij het graven van nieuw oppervlaktewater in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het hellend gebied en gebied met droge beddingen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.144 tot en met 2.147.

Artikel 2.144 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het graven van het oppervlaktewater worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het oppervlaktewater wordt gegraven;

    • c.

      de afmetingen van de te graven waterloop;

    • d.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en

    • e.

      wanneer zich in de grond waarin wordt gegraven een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het graven worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van het oppervlaktewater; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.145 Eisen aan het oppervlaktewater
  • 1.

    Er wordt geen verbinding gemaakt tussen oppervlaktewateren met verschillende waterpeilen.

  • 2.

    De initiatiefnemer neemt contact op met het hoogheemraadschap om de juiste leggerclassificatie en afmeting(en) te bepalen.

  • 3.

    De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen. De taludhelling van een oever zonder beschoeiing is daarbij niet steiler dan 1 : 1,5.

  • 4.

    Indien op grond van artikel 2.144 eerste lid sub e een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit.

Artikel 2.146 Ligging van het oppervlaktewater
  • 1.

    Het oppervlaktewater wordt gegraven op grond die eigendom is van de initiatiefnemer.

  • 2.

    Het oppervlaktewater wordt gegraven op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf de kadastrale grens, tenzij het aangrenzende perceel ook eigendom van de initiatiefnemer is.

Artikel 2.147 Oppervlak en diepte van de ontgraving

 Een ontgraving mag niet dieper zijn dan 1,20 meter ten opzichte van het streefpeil dat opgenomen is in het geldende peilbesluit. 

Artikel 2.148 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.7 en 2.145 tot en met 2.147.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.145 tot en met 2.147.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van nieuw oppervlaktewater in afwijking van artikel 2.72.1452.146 of 2.147 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.24 Verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam

Artikel 2.149 Toepassingsbereik
Artikel 2.150 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.151 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.152 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het verbreden van het oppervlaktewaterlichaam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het oppervlaktewaterlichaam wordt verbreed;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en 

    • d.

      wanneer zich in de grond waarin het oppervlaktewaterlichaam wordt verbreed een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van de verbreding worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de verbreding; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.153 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

  • 2.

    De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen. De taludhelling van een oever zonder beschoeiing is daarbij niet steiler dan 1 : 1,5.

  • 3.

    Beschoeiingen of andere werken die hun functie verliezen worden weggehaald.

  • 4.

    Het oppervlaktewaterlichaam wordt zodanig verbreed en onderhouden dat er geen verlanding plaatsvindt.

  • 5.

    De verbreding bedraagt minimaal 0,30 m.

  • 6.

    Indien op grond van artikel 2.152 eerste lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. 

Artikel 2.154 Oppervlak en diepte van de ontgraving

 Een ontgraving mag niet dieper zijn dan 1,20 meter ten opzichte van het streefpeil dat opgenomen is in het geldende peilbesluit. 

Artikel 2.155 Ligging van het oppervlaktewater
  • 1.

    Het oppervlaktewater wordt verbreed op grond die eigendom is van de initiatiefnemer.

  • 2.

    Het oppervlaktewater wordt verbreed op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf de kadastrale grens, tenzij het aangrenzende perceel ook eigendom van de initiatiefnemer is.

Artikel 2.156 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.1532.154 en 2.155.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.1532.154 en 2.155.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in afwijking van artikel 2.72.1532.154 en 2.155 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.25 Dempen, versmallen en verondiepen van oppervlaktewater

Artikel 2.157 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het dempen, versmallen of verondiepen van oppervlaktewater in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.158 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.159 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.160 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het dempen, versmallen of verondiepen van het oppervlaktewaterlichaam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het water wordt gedempt of versmald; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van de demping, versmalling of verondieping worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de demping, versmalling of verondieping; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.161 Demping over de totale lengte

Door de demping ontstaat er geen afgesloten oppervlaktewater waaruit het water niet kan wegstromen.

Artikel 2.162 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    Het oppervlaktewaterlichaam blijft na het uitvoeren van de versmalling voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

  • 2.

    Het oppervlaktewaterlichaam voldoet direct na het uitvoeren van de verondieping aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren, vermeerderd met 20 centimeter diepte.

  • 3.

    De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen. De taludhelling van een oever zonder beschoeiing is daarbij niet steiler dan 1 : 1,5.

  • 4.

    Beschoeiingen of andere werken die hun functie verliezen worden weggehaald.

Artikel 2.163 Compensatie
  • 1.

    Het verlies aan berging in het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied bestaand oppervlaktewater te verbreden of een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven met tenminste dezelfde oppervlakte. De bergingscapaciteit wordt bepaald op basis van het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.

  • 2.

    Bij het graven van oppervlaktewater wordt voldaan aan paragraaf 2.1.23.

  • 3.

    Bij het verbreden van bestaand oppervlaktewater wordt voldaan aan paragraaf 2.1.24.

Artikel 2.164 Ligging van het oppervlaktewater
  • 1.

    Het oppervlaktewater wordt gedempt, versmald of verondiept op grond die eigendom is van de initiatiefnemer.

  • 2.

    De te dempen, versmallen of verondiepen waterloop is volledig eigendom van de initiatiefnemer.

  • 3.

    Het oppervlaktewater wordt gedempt, versmalt of verondiept op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf de kadastrale grens, tenzij het aangrenzende perceel ook eigendom van de initiatiefnemer is.

Artikel 2.165 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.7 en 2.161 tot en met 2.164.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.161 tot en met 2.164.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het dempen, versmallen of verondiepen van oppervlaktewater in afwijking van artikel 2.72.1612.1622.163 of 2.164 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.26 Plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen

Artikel 2.166 Toepassingsbereik
Artikel 2.167 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.168 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.169 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de beschoeiing of andere profielbescherming wordt geplaatst; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • 3.

     

    Ten minste vijftien werkdagen voor het weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de beschoeiing of andere profielbescherming wordt weggehaald; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en 

    • d.

      wanneer zich in de grond, oever of waterbodem waaruit de beschoeiing of andere profielbescherming wordt weggehaald en niet wordt teruggeplaatst, een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.

Artikel 2.170 Plaatsing beschoeiing of andere profielbescherming

De beschoeiing of andere profielbescherming wordt geplaatst:

  • a.

    op de oever, voor zover die droog is bij het hoogst gevoerde waterpeil; of

  • b.

    in het water, waarbij wordt voldaan aan de regels over het versmallen van oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.25.

Artikel 2.171 Weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming
  • 1.

    De beschoeiing of andere profielbescherming wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.

  • 2.

    Indien op grond van artikel 2.169 derde lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. 

Artikel 2.172 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.170 en 2.171.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.170 en 2.171.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een beschoeiing of andere profielbescherming in afwijking van artikel 2.72.170 of 2.171 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.27 Aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers

Artikel 2.173 Toepassingsbereik
Artikel 2.174 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.175 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever in het gebied oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.176 tot en met 2.178.

Artikel 2.176 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

    • d.

      wanneer zich in de waterbodem of oever waarin de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

Artikel 2.177 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    De oever ligt buiten het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

  • 2.

    De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen. De taludhelling van een oever zonder beschoeiing is daarbij niet steiler dan 1 : 1,5. 

  • 3.

    Beschoeiingen of andere constructies die hun functie verliezen worden weggehaald.

  • 4.

    De oever wordt zodanig aangelegd en onderhouden dat er geen verlanding plaatsvindt.

  • 5.

    Indien op grond van artikel 2.176 eerste lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit.

Artikel 2.178 Onderhoud

Het onderhoud van de oever wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.179 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.177 en 2.178.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.72.177 en 2.178.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in afwijking van artikel 2.72.177 of 2.178 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.28 Ophogen van percelen in bergingsgebieden

Artikel 2.180 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ophogen van percelen in het bergingsgebied.

Artikel 2.181 Aanwijzing algemene regels

Bij het ophogen van een perceel in het bergingsgebied wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.182 en 2.183.

Artikel 2.182 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het ophogen van het perceel in het bergingsgebied worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar het perceel in het bergingsgebied wordt opgehoogd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het ophogen van het perceel in het bergingsgebied worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de ophoging; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.183 Compensatie verlies bergingscapaciteit

Het verlies aan bergingscapaciteit in het bergingsgebied wordt in overleg met het hoogheemraadschap gecompenseerd.

Artikel 2.184 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.183.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.183

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het ophogen van een perceel in het bergingsgebied in afwijking van artikel 2.183 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.29 Realiseren of wijzigen van peilafwijkingen

Artikel 2.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren of wijzigen van peilafwijkingen in het beheergebied.

Artikel 2.186 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.187 Aanwijzing algemene regels

Bij het realiseren of wijzigen van een peilafwijking in het aangewezen gebied peilafwijkingen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.188 en 2.189, als de peilafwijking wordt gerealiseerd:

  • a.

    zonder een pomp; en

  • b.

    zonder waterinlaat van buiten de polder.

Artikel 2.188 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het realiseren of wijzigen van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de peilafwijking wordt gerealiseerd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na afronding van het realiseren of wijzigen van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve locatie van de peilafwijking; en

    • b.

      de objectgegevens.

Artikel 2.189 Peilregeling
  • 1.

    De peilregeling leidt niet tot wateroverlast, watertekort of verdroging in de omliggende gebieden.

  • 2.

    De peilregeling leidt niet tot onvoldoende kwellengte bij de bestaande peilscheidende kunstwerken.

Artikel 2.190 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.189.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.189.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het realiseren of wijzigen van een peilafwijking in afwijking van artikel 2.189 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.30 Plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken

Artikel 2.191 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.192 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregelend of peilscheidend kunstwerk aan te leggen, te behouden of weg te halen in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Paragraaf 2.1.31 Uitzetten of onttrekken van vis

Artikel 2.193 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitzetten en onttrekken van vis met het oog op een verantwoord visstandsbeheer ten bate van het beschermen van de ecologische en chemische waterkwaliteit van het oppervlaktewater in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.194 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitzetten of onttrekken van vis in het gebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.195.

Artikel 2.195 Schriftelijke afspraken

Het uitzetten of onttrekken van vis is toegestaan, indien daarover specifieke schriftelijke afspraken gemaakt zijn met het hoogheemraadschap. Deze schriftelijke afspraken:

  • a.

    geven voorwaarden en kaders voor visuitzettingen en onttrekkingen. 

  • b.

    zijn door of namens het bestuur van het hoogheemraadschap ondertekend; en

  • c.

    kunnen in de vorm van een visplan zijn vastgelegd.

Artikel 2.196 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.195.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.195

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitzetten of onttrekken van vis in afwijking van artikel 2.195 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.32 Weiden van dieren

Artikel 2.197 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het weiden van dieren in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.198 Aanwijzing algemene regels

Bij het weiden van dieren in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.199 en 2.200.

Artikel 2.199 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het weiden van de dieren worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de dieren worden geweid; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.200 Bescherming van de grasmat
Artikel 2.201 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.200.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.200.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het weiden van dieren in afwijking van artikel 2.200 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.33 Aanplanten, behouden en rooien van bomen en bosschages

Artikel 2.202 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten, behouden en rooien van bomen en bosschages in de gebieden oppervlaktewaterlichaamkernzone van de waterkeringbeschermingszone A van de waterkering en molenbiotoop.

Artikel 2.203 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.204 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.205 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de boom of bosschage en de grond binnen 1 meter rondom de kroonbreedte van de boom of bosschage wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.206 Doorstroomprofiel

Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

Artikel 2.207 Afstand tot duiker

Een boom of bosschage wordt niet geplaatst binnen een afstand van 5 meter van een duiker.

Artikel 2.208 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.32.72.205 tot en met 2.207.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.72.205 tot en met 2.207.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanplanten of behouden van beplanting in afwijking van artikel 2.72.2052.206 of 2.207, worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.1.34 Organiseren van evenementen op onverhard oppervlak

Artikel 2.209 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het organiseren van evenementen op onverhard oppervlak in het gebied kernzone van de waterkering.

Artikel 2.210 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een evenement te organiseren dat plaatsvindt op onverhard oppervlak in het gebied kernzone van de waterkering.

Paragraaf 2.1.35 Plaatsen van explosiegevaarlijk materiaal

Artikel 2.211 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van explosiegevaarlijk materiaal in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Artikel 2.212 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning explosiegevaarlijk materiaal te plaatsen of te behouden in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Afdeling 2.2 Activiteiten bij wegen

Paragraaf 2.2.1 Algemeen

Artikel 2.213 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van activiteiten in het gebied weg.

Artikel 2.214 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de verkeersveiligheid;

  • b.

    het in stand houden van de infrastructuur van de wegen; en

  • c.

    het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming.

Artikel 2.215 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.214, is verplicht: 

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat: 

    • a.

      de verkeersveiligheid geborgd wordt;

    • b.

      de verkeersdoorstroming geborgd wordt; en

    • c.

      de infrastructuur van de weg intact blijft of, als dit niet mogelijk is, de aantasting van de infrastructuur wordt hersteld.

  • 3.

    Degene die voornemens is een activiteit uit te voeren, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 2.216 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in het gebied weg die op grond van deze afdeling is vereist, worden de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; 

  • b.

    een toelichtende tekening met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé́ van de kabel of de leiding;

  • c.

    het adres ter hoogte waarvan de activiteit wordt uitgevoerd;

  • d.

    en toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; en

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.

Artikel 2.217 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden. 

Paragraaf 2.2.2 Aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen

Artikel 2.218 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen in het gebied weg.

Artikel 2.219 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats aan te leggen of te behouden in het gebied gebiedsontsluitingsweg of solitair fietspad.

Artikel 2.220 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of behouden van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in het gebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215, en de artikelen 2.221 tot en met 2.224.

Artikel 2.221 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het aanleggen van de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats wordt geplaatst; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.222 Het aanbrengen van verharding

De verharding:

  • a.

    heeft een deugdelijke constructie;

  • b.

    wordt lager aangebracht dan de weg;

  • c.

    wordt zodanig aangebracht dat de geldende voorrangssituatie voldoende duidelijk is;

  • d.

    wordt niet aangebracht in of binnen 5 meter van een bocht; en

  • e.

    is een constructie die los van de hoofdweg ligt.

Artikel 2.223 Bescherming omgeving
  • 1.

    De afwatering van de weg verslechtert niet.

  • 2.

    Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. 

  • 3.

    Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger.

Artikel 2.224 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de verharding wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.225 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.215 en 2.222 tot en met 2.224.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.222 tot en met 2.224.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in afwijking van artikel 2.2222.223 of 2.224 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.2.3 Plaatsen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling

Artikel 2.226 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het gebied weg.

Artikel 2.227 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen en behouden werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het gebied weg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215, en de artikelen 2.228 tot en met 2.231.

Artikel 2.228 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van het werk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar het werk wordt aangebracht; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.229 De aanleg
  • 1.

    Het werk heeft een deugdelijke constructie.

  • 2.

    De afmetingen van het werk belemmeren de verkeersveiligheid niet.

  • 3.

    Verharding wordt niet aangebracht in of binnen 5 meter van een bocht.

Artikel 2.230 Bescherming omgeving
  • 1.

    De afwatering van de weg verslechtert niet.

  • 2.

    Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 3.

    Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger.

Artikel 2.231 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van het werk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.232 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.215 en 2.229 tot en met 2.231.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.229 tot en met 2.231.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een werk met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in afwijking van artikel 2.2292.230 of 2.231. worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.2.4 Leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen

Artikel 2.233 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen in het gebied weg.

Artikel 2.234 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.235 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de kabelleiding of huisaansluiting wordt gelegd; en

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

  • 2.

    De informatie over de start van de werkzaamheden wordt verstrekt door middel van het MOOR platform.

Artikel 2.236 Ligging langs de weg
  • 1.

    De kabelleiding of huisaansluiting ligt op een diepte van ten minste 0,60 meter.

  • 2.

    De sleuf ligt op een afstand van ten minste 1,25 meter van de wegverharding.

  • 3.

    De kabelleiding of huisaansluiting wordt op een afstand van ten minste 2 meter van de stam van een boom gelegd. 

Artikel 2.237 Mantelbuis
  • 1.

    De kabelleiding of huisaansluiting wordt in een mantelbuis gelegd.

  • 2.

    De mantelbuis wordt aan beide kanten afgesloten.

  • 3.

    De minimale gronddekking van de mantelbuis is 1 meter.

Artikel 2.238 Wijze van plaatsen
  • 1.

    De kabelleiding of huisaansluiting wordt gelegd door middel van een boring of persing.

  • 2.

    Als het leggen door middel van een boring of persing door plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is, wordt de verharding van de weg opgebroken.

Artikel 2.239 Herstel van de weg
  • 1.

    Als de verharding van de weg wordt opgebroken, wordt deze na het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting in oorspronkelijk staat hersteld.

  • 2.

    Voordat de verharding van de weg in de oorspronkelijke staat wordt hersteld, wordt deze voor de duur van een jaar tijdelijk hersteld door de verharding dicht te leggen met betonklinkers.

  • 3.

    De betonklinkers:

    • a.

      sluiten goed aan op de aangrenzende, niet opgebroken of geroerde delen van het wegdek;

    • b.

      steken niet meer dan 2 centimeter boven het asfalt uit; en

    • c.

      verzakken niet meer dan 2 centimeter. 

  • 4.

    Als de betonklinkers meer dan 2 centimeter verzakken en er kuilvorming ontstaat, wordt het wegdek onmiddellijk hersteld.

Artikel 2.240 Bescherming omgeving
  • 1.

    Bij het leggen en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 2.

    Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger.

Artikel 2.241 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.215 en 2.236 tot en met 2.240.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.236 tot en met 2.240.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het leggen of behouden van een kabelleiding of huisaansluiting in afwijking van artikel 2.2362.2372.2382.239 of 2.240 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.2.5 Plaatsen en behouden van overige werken, reclameborden en stoffen en houden van dieren

Artikel 2.242 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van werken, reclame-uitingen, stoffen en het houden van dieren in het gebied weg.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen, bedoeld in paragraaf 2.2.2;

    • b.

      het plaatsen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling, bedoeld in paragraaf 2.2.3; en

    • c.

      het leggen van kabels, leidingen en huisaansluitingen, bedoeld in paragraaf 2.2.4.

Artikel 2.243 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, reclame-uiting of stof te plaatsen of te behouden of dieren te houden in het gebied gebiedsontsluitingsweg of solitair fietspad.

Artikel 2.244 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in het gebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215, en de artikelen 2.245 tot en met 2.248.

Artikel 2.245 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van het werk, de reclame-uiting of de stof of het houden van de dieren worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.246 De plaatsing
  • 1.

    Het werk, de reclame-uiting, de stof of de dieren worden op een afstand van ten minste 2 meter van de weg geplaatst of gehouden en zijn veilig bereikbaar vanaf de weg.

  • 2.

    Het werk heeft een deugdelijke constructie.

  • 3.

    De afmetingen van het werk belemmeren de verkeersveiligheid niet.

Artikel 2.247 Bescherming omgeving
  • 1.

    Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht.

  • 2.

    Aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger.

Artikel 2.248 Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van de het werk, de reclame-uiting of de stof wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd.

Artikel 2.249 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.215 en 2.246 tot en met 2.248.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.246 tot en met 2.248.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in afwijking van artikel 2.2462.247 of 2.248 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 2.2.6 Afsluiten van een weg

Artikel 2.250 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg in het gebied weg.

Artikel 2.251 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg geheel af te sluiten in het gebied weg.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg gedeeltelijk af te sluiten in het gebied gebiedsontsluitingsweg of solitair fietspad.

Artikel 2.252 Aanwijzing algemene regels

Bij het gedeeltelijk afsluiten van een weg in het gebied erftoegangsweg wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215, en de artikelen 2.253 tot en met 2.255.

Artikel 2.253 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het afsluiten van de weg worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.254 Belemmering
  • 1.

    De bereikbaarheid van aan de weg gelegen bestemmingen wordt zo min mogelijk belemmerd.

  • 2.

    Het openbaar vervoer, hulpdiensten en eigenaren of gebruikers van de percelen die hinder van kunnen ondervinden van de afsluiting worden op voorhand, bij aanvang en na afronding over de afsluiting geïnformeerd.

Artikel 2.255 Afbakening van de versmalling
  • 1.

    Het te versmallen weggedeelte wordt afgebakend in overeenstemming met de richtlijnen in publicatie 96b van de CROW.

  • 2.

    De afbakening van het te versmallen weggedeelte is voor rekening van de initiatiefnemer.

Artikel 2.256 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.2152.254 en 2.255.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.254 en 2.255.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het gedeeltelijk afsluiten van een weg in afwijking van artikel 2.254 of 2.255 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.215; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Hoofdstuk 3 Lozingsactiviteiten

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het hoogheemraadschap.

Artikel 3.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk;

  • d.

    het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

  • e.

    het instandhouden van het peilbeheer; en

  • f.

    het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.2, is verplicht: 

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2.

    De plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; 

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; 

    • e.

      lozingen van huishoudelijk afvalwater van groepsaccommodaties en bedrijfsmatige lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; 

    • f.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • g.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • h.

      de activiteit op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken wordt uitgevoerd dat:

      • 1.

        de functies van het watersysteem blijven voldoen voor de gebruiksfunctie; en

      • 2.

        de waterstanden aangehouden blijven zoals vastgesteld is in:

        • I.

          het ter plekke geldende peilbesluit; 

        • II.

          het waterbeheerprogramma; of

        • III.

          een omgevingsvergunning.

  • 3.

    Degene die voornemens is een activiteit uit te voeren, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 3.4 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;

  • b.

    de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;

  • c.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • d.

    een riooltekening;

  • e.

    de locaties van de lozingspunten;

  • f.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;

  • g.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • h.

    een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;

  • i.

    de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;

  • j.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • k.

    de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. 

Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.7 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, en de afdelingen 3.2 tot en met 3.20

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering.

Artikel 3.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in een oppervlaktewaterlichaam in het kwetsbaar gebied oppervlaktewater.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te lozen in een oppervlaktewaterlichaam in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater, als:

    • a.

      er door een initiatiefnemer meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur; of

    • b.

      het water afkomstig is van gecontroleerde of peilgestuurde drainage;

Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.11 tot en met 3.14, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.11 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt;

    • b.

      het lozen plaatsvindt vanaf percelen met een woonfunctie afkomstig van een onttrekking volgens het polderprincipe; of

    • c.

      het lozen plaatsvindt vanaf agrarische percelen met drainage onder vrij verval.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en documenten ten minste vijftien werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 3.12 Meet- en rekenbepalingen

Artikel 3.13 Lozen van grondwater bij saneringen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.1, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.1 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l 

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK's

    1 µg/l

    BTEX

    50 µg/l

    Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 

    20 µg/l

    Aromatische organohalogeenverbindingen

    20 µg/l

    Minerale olie

    500 µg/l

    Cadmium

    4 µg/l

    Kwik

    1 µg/l 

    Koper

    11 µg/l

    Nikkel

    41 µg/l

    Lood

    53 µg/l

    Zink

    120 µg/l

    Chroom

    24 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.2, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.2 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l 

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK's

    1 µg/l

    Minerale olie

    50 µg/l

    Cadmium

    0,4 µg/l

    Kwik

    0,1 µg/l

    Koper

    1,1 µg/l

    Nikkel

    4,1 µg/l

    Lood 

    5,3 µg/l

    Zink

    12 µg/l

    Chroom

    2,4 µg/l

    Onopgeloste stoffen 

    20 mg/l

    Benzeen

    2 µg/l

    Tolueen

    7 µg/l

    Ethylbenzeen

    4 µg/l

    Xyleen

    4 µg/l

    Tetrachlooretheen

    3 µg/l

    Trichlooretheen

    20 µg/l

    1,2-dichlooretheen

    20 µg/l

    1,1,1-trichloorethaan

    20 µg/l

    Vinylchloride

    8 µg/l

    Som van de vijf hier bovenstaande stoffen

    20 µg/l

    Monochloorbenzeen

    7 µg/l

    Dichloorbenzenen

    3 µg/l

    Trichloorbenzenen 

    1 µg/l

  • 4.

    Voor het te lozen grondwater is de concentratie van chloride lager of vergelijkbaar met de chloride concentratie van het ontvangende oppervlaktewater.

Artikel 3.14 Lozen van grondwater bij ontwatering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  • 2.

    Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het te lozen grondwater afkomstig van bronnering is de concentratie van chloride lager of vergelijkbaar met de chloride concentratie van het ontvangende oppervlaktewater.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater vanaf percelen met een woonfunctie afkomstig van een onttrekking volgens het polderprincipe.

Artikel 3.15 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.13 en 3.14

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.13 en 3.14.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.13 of 3.14 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 3.16 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening.

Artikel 3.17 Aanwijzingen algemene regels

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.18 en 3.19

Artikel 3.18 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.19 Lozen van afvloeiend hemelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • c.

      geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 3.20 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.19

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.19

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.19 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Paragraaf 3.4.1 Lozingen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens

Artikel 3.21 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van groepsaccommodaties. 

Artikel 3.22 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.23 tot en met 3.27.

Artikel 3.23 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen
Artikel 3.25 Lozen huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden geplaatst.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.26 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.3.

    Tabel 3.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik 

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.4.

    Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik 

    20 mg/l

    40 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.27 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd in oppervlaktewater.

Artikel 3.28 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.253.26 en 3.27 . 

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.253.26 en 3.27.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.253.26 of 3.27 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Paragraaf 3.4.2 Bedrijfsmatige lozingen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 3.29 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bedrijfsmatig lozen van huishoudelijk afvalwater en op het lozen van huishoudelijk afvalwater van afkomstig groepsaccommodaties.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.30 Verbod bedrijfsmatig lozen huishoudelijk afvalwater
Artikel 3.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater bedrijfsmatig te lozen in het gebied primair oppervlaktewater.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater afkomstig van groepsaccommodaties te lozen in het gebied primair oppervlaktewater als de vervuilingswaarde 6 of meer inwonerequivalenten bedraagt. 

Artikel 3.32 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.33 Gegevens en documenten
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling en de type zuivering van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.34 Meet- en rekenbepalingen
Artikel 3.35 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.5.

    Tabel 3.5 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik 

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.6.

    Tabel 3.6 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik 

    20 mg/l

    40 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.36 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd in oppervlaktewater.

Artikel 3.37 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.33.35 en 3.36

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.35 en 3.36

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.35 of 3.36 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.5 Lozen van koelwater

Artikel 3.38 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van koelwater.

Artikel 3.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.40 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van koelwater in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.41 en 3.42, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur

Artikel 3.41 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.42 Koelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

  • 3.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

  • 4.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.43 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.42

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.42

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.42 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Artikel 3.44 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken.

Artikel 3.45 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.46 tot en met 3.51.

Artikel 3.46 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

    • a.

      voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.49; of

    • b.

      voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.50.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt weggehaald.

Artikel 3.47 Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 3.48 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen 

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om:

  • a.

    afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of

  • b.

    afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

Artikel 3.49 Werkinstructie bij reinigen en conserveren

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: 

    • a.

      is een werkinstructie opgesteld; en

    • b.

      wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

  • 2.

    In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      welke technieken worden toegepast;

    • b.

      welke stoffen kunnen vrijkomen; en

    • c.

      welke stoffen worden gebruikt.

  • 3.

    Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:

    • a.

      op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;

    • b.

      wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;

    • c.

      of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;

    • d.

      op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en

    • e.

      welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 3.50 Werkinstructie bij bouwen en slopen

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

  • a.

    op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en

  • b.

    welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 3.51 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 3.52 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.483.49 en 3.50

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.483.49 en 3.50

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.483.49 of 3.50 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 3.53 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen.

Artikel 3.54 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 3.55 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.56 en 3.57.

Artikel 3.56 Lozen bij opslaan inerte goederen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.57 Lozen bij overslaan van inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij particuliere huishoudens.

Artikel 3.58 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.56 en 3.57

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.56 en 3.57

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.56 of 3.57 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan en overslaan van niet-inerte goederen

Artikel 3.59 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij opslaan en overslaan van niet-inerte goederen.

Artikel 3.60 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij opslaan en overslaan van niet-inerte goederen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.61 tot en met 3.64.

Artikel 3.61 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:

    • a.

      zout voor het strooien op wegen;

    • b.

      niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • c.

      niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

Artikel 3.62 Meet- en rekenbepalingen

Artikel 3.63 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.7, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.7 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde 

    Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink

    1 mg/l

    Minerale olie 

    20 mg/l 

    Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

    50 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Som van stikstofverbindingen

    10 mg/l

    Som van fosforverbindingen

    2 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

Artikel 3.64 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:

    • a.

      het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;

    • b.

      het overslaan van zout voor het strooien op wegen;

    • c.

      het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • d.

      het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 3.65 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.63 en 3.64.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.63 en 3.64.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.63 of 3.64 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 3.66 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater.

Artikel 3.67 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.68 en 3.69.

Artikel 3.68 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 3.69 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 3.70 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.33.68 en 3.69

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.68 en 3.69.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.68 of 3.69 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 3.71 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.72 Aanwijzing algemene regel

Bij het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.73 tot en met 3.77.

Artikel 3.73 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

    • a.

      de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;

    • b.

      als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.75; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Artikel 3.74 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.75 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

  • a.

    de toe te passen baggertechniek, en

  • b.

    de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 3.76 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.74 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.77 Lozen van algen en bacteriën

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.78 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.74 tot en met 3.77

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.74 tot en met 3.77

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.743.753.76 of 3.77 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 3.79 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen.

Artikel 3.80 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en artikel 3.81.

Artikel 3.81 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

  • 2.

    Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Artikel 3.82 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.81.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.81.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.81 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 3.83 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij calamiteitenoefeningen.

Artikel 3.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.85 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij calamiteitenoefeningen in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.86 en 3.87, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.86 Gegevens en documenten

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en

  • b.

    welke stoffen dat blusschuim bevat.

Artikel 3.87 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

Artikel 3.88 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.87

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.87

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.87 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 3.89 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.

Artikel 3.90 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.91 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de regels die daarover zijn opgenomen in paragrafen 3.6.2, 3.6.3 en 3.6.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

  • 2.

    Bij het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.92 tot en met 3.98, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.92 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      In het geval van het lozen van afvalwater afkomstig van omgekeerde osmose en ionenwisselaars zoals bedoeld in artikel 3.97, de gebruikte hulpstoffen die zijn toegevoegd aan het te lozen water.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.93 Meet- en rekenbepalingen

Artikel 3.94 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.8, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.8 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden geplaatst.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 3.95 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden geplaatst.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 3.96 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.9, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.9 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

Artikel 3.97 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.10, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.10 Emissiegrenswaarden

    Stof 

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Chloride

    200 mg/l

    IJzer

    2 mg/l

  • 3.

    De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 3.98 Lozen bij ontijzeren grondwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden geplaatst.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 3.99 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.94 tot en met 3.98

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.94 tot en met 3.98

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.943.953.963.97 of 3.98 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Artikel 3.100 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton.

Artikel 3.101 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.102 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en artikel 3.103, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.103 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute

Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Artikel 3.104 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.103

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.103.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.103 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 3.105 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij niet-industriële voedselbereiding.

Artikel 3.106 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 3.107 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.108 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij niet-industriële voedselbereiding in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.109 en 3.110, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.109 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteitworden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.110 Lozen bereiden van voedingsmiddelen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:

    • a.

      grootkeukenapparatuur;

    • b.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • c.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

  • 2.

    Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

Artikel 3.111 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.110

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.110

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.110 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 3.112 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.

Artikel 3.113 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.114 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en de artikelen 3.115 en 3.116, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur en als er geen watersysteemvreemd water wordt geloosd.

Artikel 3.115 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.116 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.117 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.3 en 3.116.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.116

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.116 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 3.118 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind.

Artikel 3.119 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.120 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en artikel 3.121, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur en als er geen watersysteemvreemd water wordt geloosd.

Artikel 3.121 Lozen Spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

  • a.

    afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en

  • b.

    afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

Artikel 3.122 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.121

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.121

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.121 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.18 Lozen van afvalwater vanuit een weilanddepot

Artikel 3.123 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater vanuit een weilanddepot, bedoeld in paragraaf 4.124, van het Besluit activiteiten leefomgeving. De artikelen in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving blijven van toepassing, tenzij daarvan in deze paragraaf expliciet wordt afgeweken.

Artikel 3.124 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.125 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van afvalwater vanuit een weilanddepot, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en artikelen 3.126 tot en met 3.128, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur.

Artikel 3.126 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      De aard en omvang van de lozing;

    • b.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      Wettelijk erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de baggerspecie.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.

Artikel 3.127 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 3.128 Lozen vanuit een weilanddepot

Voor de activiteit geldt dat:

  • a.

    de beste beschikbare technieken worden toegepast;

  • b.

    het afvalwater door een goed onderhouden en toegankelijke bemonsteringsvoorziening stroomt;

  • c.

    het te lozen afvalwater, gemeten volgens NEN-EN 872, voldoet aan de emissiegrenswaarden van de in tabel 3.11 genoemde stoffen/parameters.

  • d.

    Het lozingswater dient gedurende de baggerwerkzaamheden en tot twee weken na afronding daarvan wekelijks door de vergunninghouder te worden bemonsterd, en door een STERLAB gecertificeerd laboratorium geanalyseerd te worden op onopgeloste bestanddelen conform NEN-EN 872.

  • e.

    Na deze periode dient het lozingswater elke drie weken door de vergunninghouder te worden bemonsterd, en door een STERLAB gecertificeerd laboratorium geanalyseerd te worden op onopgeloste bestanddelen conform NEN-EN 872.

Tabel 3.11 Emissiegrenswaarde

Stof

Emissiegrenswaarde in mg/l

Onopgeloste stoffen

500 bij een lozing in het zelfde watersysteem; of 

250 bij een lozing in een ander watersysteem dan waaruit het te lozen water afkomstig is.

Artikel 3.129 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.128.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.128.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.128 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      wettelijk erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de baggerspecie;

    • d.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • e.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • f.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en

    • g.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.19 Uitstrooien van as

Artikel 3.130 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitstrooien van as in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.131 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitstrooien van as in het gebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3 en artikel 3.132.

Artikel 3.132 Uitstrooien van as

Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel uitstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.

Artikel 3.133 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.3 en 3.132.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 3.132

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor een lozingsactiviteit in afwijking van artikel 3.132 worden gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de aard van de activiteit; 

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; 

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; 

    • d.

      de reden voor het aanvragen van het maatwerkvoorschrift;

    • e.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3; en 

    • f.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 3.20 Andere lozingen

Artikel 3.134 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op andere lozingen

Artikel 3.135 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het lozen, bedoeld in de afdelingen 3.2 tot en met 3.19;

    • c.

      het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

Artikel 3.136 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 3.

    Het verbod geldt niet voor gemeenten waarmee een afvalwaterakkoord is overeengekomen.

Hoofdstuk 4 Wateronttrekkingsactiviteiten

Afdeling 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam en het onttrekken van grondwater.

Artikel 4.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het in stand houden van de aanwezige grondwaterkwaliteit;

  • b.

    het voorkomen van grondwaterschaarste en grondwateroverlast; en

  • c.

    het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen;

  • d.

    het beschermen van de ontwaterende, af- en aanvoerende en bergende functie van het watersysteem;

  • e.

    het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem;

  • f.

    het instandhouden van het peilbeheer; en

  • g.

    het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    Degene die oppervlaktewater of grondwater onttrekt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht: 

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en 

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat: 

    • a.

      een wijziging van de grondwaterstromen en verspreiding van aanwezige verontreinigingen of van koude- en warmtebellen wordt voorkomen;

    • b.

      doorboring van slecht doorlatende bodemlagen wordt voorkomen of ongedaan wordt gemaakt;

    • c.

      de aanwezige grondwaterkwaliteit in stand wordt gehouden;

    • d.

      verzilting van zoet grondwater wordt voorkomen; 

    • e.

      verzakkingen van de bodem worden voorkomen;

    • f.

      uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten wordt voorkomen;

    • g.

      de functies van het watersysteem blijven voldoen voor de gebruiksfunctie;

    • h.

      de waterstanden aangehouden blijven zoals vastgesteld is in:

      • 1.

        het ter plekke geldende peilbesluit; 

      • 2.

        het waterbeheerprogramma; of

      • 3.

        een omgevingsvergunning;

    • i.

      de aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem en het waterkwantiteitsbeheer gewaarborgd blijft;

    • j.

      het onderhoud van het watersysteem en de beschikbare aan- en afvoercapaciteit op elkaar is afgestemd en de onderhoudskosten niet toenemen;

    • k.

      de aanwezige waterberging intact blijft of wordt gecompenseerd;

    • l.

      geen verontreiniging wordt veroorzaakt; en

    • m.

      negatieve gevolgen door gelijktijdige onttrekkingen worden voorkomen.

  • 3.

    Degene die voornemens is oppervlaktewater of grondwater te onttrekken, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit.

Artikel 4.4 Gegevens en documenten vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van dit hoofdstuk geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het bestuur de volgende gegevens en documenten verstrekt: 

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; 

    • e.

      de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

    • h.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;

    • i.

      als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

      • 1.

        de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

      • 2.

        de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

      • 3.

        een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

      • 4.

        de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

      • 5.

        een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken. 

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet: 

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen melding van de wateronttrekkingsactiviteit hoeft te worden gedaan. 

Artikel 4.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit grondwater

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van dit hoofdstuk is vereist, worden de volgende gegevens en documenten verstrekt: 

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal in te richten putten;

  • c.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

  • d.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; 

  • e.

    de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

  • f.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  • g.

    de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

  • h.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • i.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

  • j.

    als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

    • 1.

      de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

    • 2.

      de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

    • 3.

      een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

    • 4.

      de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

    • 5.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

Artikel 4.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit oppervlaktewaterlichaam

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en documenten verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt;

  • b.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt;

  • c.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt;

  • d.

    de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken;

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en

  • f.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

Artikel 4.7 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit 

  • 1.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. 

  • 2.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van dit hoofdstuk is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.8 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van dit hoofdstuk is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.9 Meetverplichting onttrekking van grondwater en infiltratie van water

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%. 

  • 2.

    Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bestuur de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 3.

    Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het bestuur in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 4.

    Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 4.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

    Tabel 4.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    Cl

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    nikkel

    Ni

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

    gewasbeschermingsmiddelen

    GBM

    vierwekelijks

  • 5.

    De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling. 

  • 6.

    Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet: 

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden uitgevoerd.

Artikel 4.10 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

Afdeling 4.2 Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 4.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.12 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam in het kwetsbaar gebied oppervlaktewater.

Artikel 4.13 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in het beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3 en aan de artikelen 4.14 en 4.15.

Artikel 4.14 Gegevens en documenten

Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van water aan een het oppervlaktewaterlichaam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

  • a.

    de aard van de activiteit;

  • b.

    de locatie waar water wordt onttrokken; en

  • c.

    de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.15 Omvang van de onttrekking

  • 1.

    De onttrekking is afgestemd op de capaciteit van de waterloop zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

  • 2.

    De onttrekking wordt beperkt in overeenstemming met de aanvoernormen zoals vastgelegd in de Legger Wateren.

Artikel 4.16 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.15.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 4.15.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in afwijking van artikel 4.15 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 4.3 Onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen

Artikel 4.17 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen.

Artikel 4.18 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3 en aan de artikelen 4.9 en 4.20 tot en met 4.24.

Artikel 4.20 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur de gegevens en documenten verstrekt zoals bedoeld in artikel 4.4.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3.

    Uiterlijk een maand na afronding van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de in het lopende kalenderjaar gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater; en

    • b.

      de datum waarop de onttrekking is beëindigd.

Artikel 4.21 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.9 en artikel 4.20 derde lid sub a zijn niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.22 Debiet en duur

  • 1.

    Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

  • 2.

    De onttrekking duurt ten hoogste zes aaneengesloten kalendermaanden uit dezelfde onttrekkingsfilters.

Artikel 4.23 Stijghoogte watervoerend pakket

De freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket worden niet verder verlaagd dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.24 Retourneren of lozen van onttrokken water

  • 1.

    Het onttrokken water kan worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2.

    Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.25 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.21 tot en met 4.24.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.21 tot en met 4.24.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor een proefonttrekking in afwijking van artikel 4.224.23 of 4.24 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 4.4 Onttrekken van grondwater voor bronbemalingen

Artikel 4.26 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen.

Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 4.28 Aanwijzing algemene regels

Artikel 4.29 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur de gegevens en documenten verstrekt zoals bedoeld in artikel 4.4.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3.

    Uiterlijk een maand na afronding van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de in het lopende kalenderjaar gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater; en

    • b.

      de datum waarop de onttrekking is beëindigd.

Artikel 4.30 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.9 en artikel 4.29 derde lid sub a zijn niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.31 De onttrekking

De onttrekking duurt ten hoogste zes aaneengesloten kalendermaanden uit dezelfde onttrekkingsfilters.

Artikel 4.32 Stijghoogte watervoerend pakket

De freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket worden niet verder verlaagd dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.33 Retourneren of lozen

  • 1.

    In het kwetsbaar gebied grondwater wordt het onttrokken grondwater geretourneerd in hetzelfde watervoerend pakket als waaruit het is onttrokken.

  • 2.

    Het onttrokken water kan binnen een straal van 500 meter van het onttrekkingspunt worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 3.

    Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.34 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.30 tot en met 4.33.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.30 tot en met 4.33.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling in afwijking van artikel 4.314.32 of 4.33 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 4.5 Onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen

Artikel 4.35 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen.

Artikel 4.36 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 4.37 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwater- of bodemsanering in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.9 en 4.38 tot en met 4.42, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3 per maand.

Artikel 4.38 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur de gegevens en documenten verstrekt zoals bedoeld in artikel 4.4.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3.

    Uiterlijk een maand na afronding van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de in het lopende kalenderjaar gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater; en

    • b.

      de datum waarop de onttrekking is beëindigd.

Artikel 4.39 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.9 en artikel 4.38 derde lid sub a zijn niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.40 De onttrekking

De onttrekking duurt ten hoogste zes aaneengesloten kalendermaanden.

Artikel 4.41 Stijghoogte watervoerend pakket

De freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket worden niet verder verlaagd dan ten hoogste 0,5 meter onder het ontgravingsniveau.

Artikel 4.42 Retourneren of lozen

  • 1.

    Het onttrokken water kan worden geretourneerd in de bodem in hetzelfde watervoerende pakket als waaruit het onttrokken is.

  • 2.

    Het onttrokken water kan ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als retourneren in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 4.43 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.39 tot en met 4.42.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.39 tot en met 4.42.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor een grondwater- of bodemsanering in afwijking van artikel 4.404.41 of 4.42 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 4.6 Onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking

Artikel 4.44 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 4.46 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.9 en 4.47 tot en met 4.50, als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 8.000 m3 per maand.

Artikel 4.47 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur de gegevens en documenten verstrekt zoals bedoeld in artikel 4.4.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3.

    Uiterlijk een maand na afronding van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de in het lopende kalenderjaar gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater; en

    • b.

      de datum waarop de onttrekking is beëindigd.

Artikel 4.48 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.9 en artikel 4.47 derde lid sub a zijn niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.49 Onttrekken oppervlaktewater niet mogelijk 

Er wordt alleen grondwater onttrokken als het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is.

Artikel 4.50 De onttrekking

  • 1.

    Het grondwater wordt uitsluitend onttrokken uit het eerste watervoerend pakket.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het grondwater ook worden onttrokken uit het tweede watervoerend pakket, als er in het eerste watervoerend pakket onvoldoende water beschikbaar is.

Artikel 4.51 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.48 tot en met 4.50.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.48 tot en met 4.50.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking in afwijking van artikel 4.49 of 4.50 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Afdeling 4.7 Onttrekken van grondwater en infiltreren van water voor een noodvoorziening

Artikel 4.52 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem voor een noodvoorziening en op het plaatsen van een noodvoorziening in de gebieden kernzone van de waterkeringbeschermingszone A van de waterkering en het kwetsbaar gebied grondwater.

Artikel 4.53 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Afdeling 4.8 Onttrekken van grondwater voor het drooghouden van kelders en kruipruimten

Artikel 4.54 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van kelders en kruipruimten van woningen en gebouwen in de gebieden kernzone van de waterkeringbeschermingszone A van de waterkering en het kwetsbaar gebied grondwater.

Artikel 4.55 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Afdeling 4.9 Permanent onttrekken van grondwater voor het drooghouden van werken volgens het polderprincipe

Artikel 4.56 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het permanent onttrekken van grondwater voor het drooghouden van civieltechnische en bouwkundige werken volgens het polderprincipe.

Artikel 4.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

 Het is verboden zonder omgevingsvergunning permanent grondwater te onttrekken voor het drooghouden van een civieltechnisch of bouwkundig werk volgens het polderprincipe.

Afdeling 4.10 Onttrekken van grondwater voor overige doeleinden

Artikel 4.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater, voor zover de afdelingen 4.2 tot en met 4.9 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 4.59 Verbod onttrekken grondwater in kwetsbaar gebied grondwater

Het is verboden grondwater te onttrekken in het kwetsbaar gebied grondwater.

Artikel 4.60 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 4.61 Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van grondwater in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3, en de artikelen 4.9 en 4.62 tot en met 4.65.

Artikel 4.62 Gegevens en documenten

  • 1.

    Ten minste vijftien werkdagen voor het onttrekken van het grondwater worden aan het bestuur de gegevens en documenten verstrekt zoals bedoeld in artikel 4.4.

  • 2.

    Uiterlijk twee weken na aanvang van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de definitieve ligging van de onttrekking; en

    • b.

      de objectgegevens.

  • 3.

    Uiterlijk een maand na afronding van de onttrekking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: 

    • a.

      de in het lopende kalenderjaar gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater; en

    • b.

      de datum waarop de onttrekking is beëindigd.

Artikel 4.63 Uitzondering meetverplichting

Artikel 4.9 en artikel 4.62 derde lid sub a zijn niet van toepassing als er niet meer grondwater wordt onttrokken dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.64 Debiet

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan 4.000 m3 per maand.

Artikel 4.65 Verlaging grondwaterstand

De grondwaterstand wordt niet verder verlaagd dan tot aan de oppervlaktewaterstand in het gebied waar de onttrekking plaatsvindt.

Artikel 4.66 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 4.3 en 4.63 tot en met 4.65.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 4.63 tot en met 4.65.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het onttrekken van grondwater in afwijking van artikel 4.64 of 4.65 worden gegevens en documenten verstrekt over:

    • a.

      de aard van de activiteit;

    • b.

      de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit;

    • d.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.3; en

    • e.

      de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 5.1 Overgangsbepalingen

Artikel 5.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening. 

  • 2.

    Als voor een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod op grond van deze verordening geldt om zonder omgevingsvergunning de activiteit uit te voeren, gelden voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit als maatwerkvoorschrift. Dit geldt alleen voor zover het hoogheemraadschap over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van deze verordening. 

  • 3.

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze waterschapsverordening een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning uit te voeren, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning rechtmatig is uitgevoerd en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit uit te voeren of een algeheel verbod van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding.

Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als het verstrekken van gegevens en documenten voor die activiteit op grond van deze verordening, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting om gegevens en documenten te verstrekken van toepassing is.

  • 2.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als het verstrekken van gegevens en documenten voor die activiteit op grond van deze verordening, als voor die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verplichting om gegevens en documenten te verstrekken van toepassing is.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.

Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing: 

  • a.

    tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; 

  • b.

    tot het tijdstip waarop de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of 

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom, tot het tijdstip waarop: 

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd; 

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 

    • 3.

      de last is opgeheven. 

Afdeling 5.2 Slotbepalingen

Artikel 5.4 Intrekking oude verordening

Deze verordening vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016.

Artikel 5.5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Bijlage I Begripsbepalingen

aangewezen oppervlaktewaterlichaam

Oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II.

aanmeervoorziening

Een aanmeervoorziening is een constructie die wordt gebruikt voor het tijdelijk of permanent aanleggen (aanmeren) van vaartuigen, en die bestaat uit vaste bouwwerken, al dan niet direct verbonden met de oever of waterkering.

afvalwaterakkoord

Een overeenkomst tussen een gemeente en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier over de samenwerking in de afvalwaterketen en de overdracht van afvalwater bij de overnamepunten, zoals bedoeld in het Bestuursakkoord Water 2011.

beschoeiing

Een kerende constructie die een talud of waterkant beschermt tegen afkalven, golfkrachten en andere invloeden die de stabiliteit van de waterkant in gevaar brengen.

bestuur

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap.

drijvend bouwwerk

Een drijvende constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

groepsaccommodatie

Een voorziening ten behoeve van verblijven van meerdere personen.

huisaansluiting

Een huisaansluiting is een directe, individuele kabel of leiding die één specifiek gebouw verbindt met het publieke hoofdnet van een nutsvoorziening.

infiltreren van water

In de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater.

insteek

Snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld.

kabel

Een transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte.

legger

Legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet en artikel 2.39 Omgevingswet.

leiding

Een hol transportmedium voor vloeistof of gas.

lozingswerk

Een werk waarmee afvalwater geloosd kan worden op het oppervlaktewaterlichaam.

natuurvriendelijke oever

Een oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen.

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019.

NEN 6646

NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015.

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.

NEN-EN 13284-1

NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001.

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018.

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019.

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003.

NEN-EN-ISO 6878

NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004.

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000.

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997.

NEN-EN-ISO 11732

NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005.

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.

NEN-EN-ISO 13395

NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997.

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.

NEN-EN-ISO 15681-1

NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005.

NEN-EN-ISO 15681-2

NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018.

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001.

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016.

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008.

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.

NEN-ISO 5663

NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993.

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003.

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.

niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

Ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II

oever

Het gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt.

ondersteunend kunstwerk

Kunstwerk dat van belang is voor de taakuitoefening van het hoogheemraadschap of voor het functioneren van het watersysteem.

onttrekken

Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting.

onttrekking volgens het polderprincipe

Bij het onttrekken volgens het polderprincipe van civieltechnische en bouwkundige werken zoals kelders en kruipruimte, wordt ter plaatse permanent of seizoensgebonden een kunstmatig grondwaterniveau gecreëerd dat lager is dan het omringende grondwaterniveau.

particulier huishouden

Een particulier huishouden, niet zijnde bedrijfsmatig, bestaande uit één of meerdere personen die samenwonen in een woning en gezamenlijk een huishouding voeren, waarbij afvalwater vrijkomt uit dagelijkse huishoudelijke activiteiten zoals koken, wassen, douchen en het gebruik van het toilet.

profielbescherming

Een kunstmatige verdediging van talud of waterbodem.

sifon

Kokervormige constructie met een verlaagd middengedeelte dat geheel met water is gevuld en die twee waterlopen met elkaar verbindt.

sleufbemaling

Een grondwateronttrekking voor werkzaamheden langs een tracé, zoals bijvoorbeeld voor werkzaamheden aan kabels en leidingen. Naarmate de werkzaamheden vorderen verschuift de bemaling naar andere onttrekkingsfilters langs het tracé.

steiger

Een boven het oppervlaktewater aangebrachte of op het oppervlaktewater drijvende constructie.

streefpeil

Waterniveau waar conform het peilbesluit naar wordt gestreefd.

talud

Onder helling gelegen vlak.

verticale drainage

Mechanisch geplaatste verticale drainage (drains) met als doel grondwater natuurlijk en versneld te laten afvloeien.

vlonder

Een constructie van horizontale delen, soms gefundeerd op palen, grotendeels boven het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewater.

vrije doorvaartprofiel

Het deel van het oppervlaktewaterlichaam dat vrij moet blijven van obstakels, zodat vaartuigen veilig en onbelemmerd kunnen passeren. Het doorvaartprofiel bestaat uit een vrije doorvaartbreedtevrije doorvaarthoogte en vrije doorvaartdiepte.

vrije doorvaartbreedte

Horizontale breedte waarbinnen een vaartuig moet kunnen passeren. De vrije doorvaartbreedte bedraagt ten minste zes meter met drie meter aan weerszijden uit de hartlijn van de waterloop. 

vrije doorvaarthoogte

Verticale ruimte tussen de waterlijn en de onderkant van obstakels, zoals bruggen of overhangende bouwwerken. De hoogte wordt gemeten vanaf het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit. 

vrije doorvaartdiepte

Voldoende diepgang, afhankelijk van het type vaarweg. De diepte wordt gemeten vanaf het laagst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.

werk

Door menselijk toedoen ontstane of te maken constructie met toebehoren.

woonboot

Een drijvend werk waarop gewoond wordt of waarop gewoond zou kunnen worden qua afmeting of inrichting. 

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aangewezen gebied peilafwijkingen

/join/id/regdata/ws0651/2023/07e1ea151c62434c9330bb220f03075c/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden

/join/id/regdata/ws0651/2024/1c49b6c708f8407198e8875c266cf5ac/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden buiten de molenbiotoop en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/f2b09a8ba0f8488eaaca9e5cf00e00c6/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden buiten de natuurvriendelijke oever en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2024/a1da6bd61dd64066aa0fc59135902d7e/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2024/3c56202432f24c709b3d46f6d6e0208a/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden in de kernzone van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2025/7d2be53780f04dc0872fe1b3254eb9cf/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen hoge gronden in de kernzone van de waterkering buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/76aa685b2ea84514bfee9ca0f9cadbe1/nld@2025‑12‑02;09410631

aangewezen oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0651/2023/d28e503ad696465e8a0a8683d39949e1/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied

/join/id/regdata/ws0651/2023/47ed226884394e9db78b32f415a0dc80/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/6d824e92b15642bb803fdb4d799a1d66/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het hellend gebied en gebied met droge beddingen

/join/id/regdata/ws0651/2024/4ee5fb5a579a4b678a777428a1bb6037/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het kwetsbaar gebied grondwater

/join/id/regdata/ws0651/2023/64d27cd061704e569ee990515142d68e/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten de kernzone en beschermingszones van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/a0402b8b73e04ae6a024ddc3057e35c3/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen

/join/id/regdata/ws0651/2023/6263f29a35754faaacdbeabcc781abfc/nld@2025‑12‑02;09410631

beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater

/join/id/regdata/ws0651/2023/7c1f277321a340698ebd7e77fcbc6d1e/nld@2025‑12‑02;09410631

bergingsgebied

/join/id/regdata/ws0651/2023/5bf38d4c44d145039499eca474eed1a9/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A aan de landzijde van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/7ba349e917174f0f9eef5bcef6d51afb/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A aan de zeezijde van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/85153868df6f4397a8e5dd6825818b15/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de overige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/9317b1e5ad8d4405b6e64ac09c339a7c/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de primaire harde waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/f658816d65234a52869c93bb9d4cd875/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de primaire of regionale waterkering buiten de natuurvriendelijke oever, rietoever, molenbiotoop en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/407520c24f394c9b8fb342cd27d263aa/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/6692a56303e1416ab4e6ff51f6af14bf/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/22b2af31615b42649163247995985e2d/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/a19190152211416fbf75787c1a0cfcf7/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer

/join/id/regdata/ws0651/2023/b318aac8716343bda786fe883bb2bde2/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/3abc86311483482b992227e8afb7ac75/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B aan de landzijde van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/a01d895484b749159471137fe4878b6c/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B aan de zeezijde van een primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/74545b774166457eb8d841b67d8252d2/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de overige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/36e6ebae12d940329d7553be4da90a1d/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de primaire harde waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/78dc8e83894b45cb8c2efad3d61c2985/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/cb8a14b215554aac8fd0c2714567f842/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de primaire waterkering buiten vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en het hellend gebied en gebied met droge beddingen

/join/id/regdata/ws0651/2025/30297cab45984feea8c8476476d2dbba/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/9dcaf71e4ded4124b41811ff0f33a770/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/fda7b55f654e44e793f93612efb89e38/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer

/join/id/regdata/ws0651/2023/f71950425acd45e4a62bf7ae20d5a8ae/nld@2025‑12‑02;09410631

beschermingszone B van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/ef38bc5cb54f4c2d85ce7c6c21efb523/nld@2025‑12‑02;09410631

erftoegangsweg

/join/id/regdata/ws0651/2023/49b2ee9cb8a4476c80c433640ac506e9/nld@2025‑12‑02;09410631

gebied met peilbesluitplicht

/join/id/regdata/ws0651/2024/365d4b6e230748f68de44a4050c21e6c/nld@2025‑12‑02;09410631

gebied zonder peilbesluitplicht

/join/id/regdata/ws0651/2024/bcd1c3e512a1497c8db7d9c2541b9e22/nld@2025‑12‑02;09410631

gebiedsontsluitingsweg

/join/id/regdata/ws0651/2023/944ec46cf9b74ff398a5433096b658b6/nld@2025‑12‑02;09410631

hellend gebied en gebied met droge beddingen

/join/id/regdata/ws0651/2023/177300a913a14c65a4bd5a56d4a8ad96/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone en beschermingszone A van de overige waterkering buiten de natuurvriendelijke oever, rietoever, molenbiotoop en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/8fa7ffa31c5a42648519398333341bb4/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden

/join/id/regdata/ws0651/2024/f28ade010fcd42939bd3078675b768d2/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden buiten de natuurvriendelijke oever

/join/id/regdata/ws0651/2025/9b959db9c3034b56938dabef2b865536/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone en beschermingszones van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/9bf7945f9d37402ebe108dbb98c134dd/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone of beschermingszone A van de regionale waterkering niet bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer

/join/id/regdata/ws0651/2025/6a258cca47514d74b2160eab62674585/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de overige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/4d8f4c8aec834435b04e24d117b2e5f4/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de primaire harde waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/2ee7aba987874ecfaa6cb21337035ae5/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/2852b236507548f983200ecb930d6458/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de primaire zandige waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/3d90d919b6ee423299d45666c7d16f71/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/1ede5900642944c7b62bb17a7d6c6d04/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer

/join/id/regdata/ws0651/2023/d5e2a34fdcf94ea7b429e5c493fe682a/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/a0b0a1ce821e43e3a27d014589024f73/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de waterkering buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/e20f9778769e4658a4c5eba706928ed6/nld@2025‑12‑02;09410631

kernzone van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden

/join/id/regdata/ws0651/2025/cddd82daabf540b8baf76ab1a3e4917f/nld@2025‑12‑02;09410631

kwetsbaar gebied grondwater

/join/id/regdata/ws0651/2023/70a5bd28550b48469a4696c4661dfab9/nld@2025‑12‑02;09410631

kwetsbaar gebied grondwater buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/54177e604de54747bc8bb4ad2fc64c75/nld@2025‑12‑02;09410631

kwetsbaar gebied oppervlaktewater

/join/id/regdata/ws0651/2023/72502554bb964a96a84d09ce881f9440/nld@2025‑12‑02;09410631

molenbiotoop

/join/id/regdata/ws0651/2023/2d41fe5ff1414f179207a1d97fe1a084/nld@2025‑12‑02;09410631

natuurvriendelijke oever

/join/id/regdata/ws0651/2024/e9dfe1e27766410fb8d1b947a30088a3/nld@2025‑12‑02;09410631

niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0651/2023/77c654012014480298854e3ecd58944c/nld@2025‑12‑02;09410631

niet-risicovol gebied verticale drainage

/join/id/regdata/ws0651/2023/d0ce6ba8cbe8421ea4bbf8a41f4cdd69/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0651/2023/ae89d10c1f8a4fbe8d20c36bdd25dd3d/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/497f18e65c8b47fab2f384d19182661f/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2023/32615153500e4084b196190a7ebd9ea4/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en het hellend gebied en gebied met droge beddingen

/join/id/regdata/ws0651/2025/6b3a70c96b9d4fee8e90362338541137/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden

/join/id/regdata/ws0651/2024/39f3fc6bb786444cbcda9bca485f7d19/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden en buiten de molenbiotoop en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2024/f13d71897eb44ca4887e3bb713937f71/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden en buiten de natuurvriendelijke oever en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2024/3b9dcc9ddda8448e993acfb6bf268224/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden en buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2024/d203668b965b49aca8f8829a0f51c87b/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone van de primaire en regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2024/eccaa579f859464eaa3fec59bc45d874/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone van de primaire en regionale waterkering en buiten de natuurvriendelijke oever, rietoever, molenbiotoop en vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2025/070f04889d5c48f091b0bf57dff7fbf0/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone van de waterkering zonder aangewezen hoge gronden

/join/id/regdata/ws0651/2025/3f584186a8be4246b823e4c7a401218a/nld@2025‑12‑02;09410631

oppervlaktewaterlichaam buiten de natuurvriendelijke oever

/join/id/regdata/ws0651/2025/65d82f5cf6ab4cf8b087ac045c3e0046/nld@2025‑12‑02;09410631

primair oppervlaktewater

/join/id/regdata/ws0651/2023/70bbc02bf9844d82bc33e7f697d73a87/nld@2025‑12‑02;09410631

rietoever

/join/id/regdata/ws0651/2024/092db4e9719a401880385315bd99346e/nld@2025‑12‑02;09410631

risicovol gebied verticale drainage

/join/id/regdata/ws0651/2023/ebfc19e2e0e946ccb85a004ddb00094d/nld@2025‑12‑02;09410631

secundair of tertiair oppervlaktewater buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2023/adfd64e799f94d6f9137bb89b82ecb23/nld@2025‑12‑02;09410631

secundair of tertiair oppervlaktewater buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2023/5c6c9863116145c1bcdf4dc4af04ea99/nld@2025‑12‑02;09410631

secundair oppervlaktewater

/join/id/regdata/ws0651/2023/236f3a90e0f04e85a10b2c484b59844e/nld@2025‑12‑02;09410631

solitair fietspad

/join/id/regdata/ws0651/2023/067d7631245a4add95b32e664979b92f/nld@2025‑12‑02;09410631

tertiair oppervlaktewater

/join/id/regdata/ws0651/2023/2970d6b8960c4d3eb588bf4524ae5c7d/nld@2025‑12‑02;09410631

tertiair oppervlaktewater buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering

/join/id/regdata/ws0651/2024/82b412d1accd4779b34b67df0445e0ce/nld@2025‑12‑02;09410631

vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap

/join/id/regdata/ws0651/2023/3866ebd7dcee4f72a63744e72debea57/nld@2025‑12‑02;09410631

vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap buiten de natuurvriendelijke oever

/join/id/regdata/ws0651/2025/4ef5d9c936be440897aaf9d9b2ca8d9c/nld@2025‑12‑02;09410631

weg

/join/id/regdata/ws0651/2023/4a9146f905d54c42bae56ea061692ebe/nld@2025‑12‑02;09410631

Bijlage III Aangewezen oppervlaktewaterlichamen

1 Aangewezen oppervlaktewaterlichamen

Aangewezen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in deze waterschapsverordening zijn:

  • Balgzandkanaal

  • Beemsterringvaart

  • Buitenlinie Gracht

  • Buitenwaterloop Aagtdorperpolder

  • Buitenwaterloop gemaal De Kampen

  • Buitenwaterloop gemaal De Leyen

  • Buitenwaterloop Groeterpolder

  • Buitenwaterloop van de Kostverlorenpolder

  • De Kolk

  • De Rijd

  • Den Oeversche Vaart

  • Egalementsloot

  • Fortgracht fort Dirksz. Admiraal

  • Fortgracht fort Erfprins

  • Fortgracht fort Westoever

  • Gat van de Meer bij Akkersloot

  • Groote Sloot

  • Haven melkfabriek te Lutjewinkel

  • Haven van Avenhorn

  • Haven van Schagen

  • Haven van Uitgeest

  • Haven westoever en Spoorweghaven te Den Helder

  • Havens van Den Helder

  • Helders Kanaal

  • Houtvaart

  • Industriehaven

  • Kanaal Alkmaar (Omval) – Kolhorn

  • Keelgracht of Fortgracht fort Oostoever

  • Knollendammervaart

  • Koopvaardersbinnenhaven

  • Krabbendammervaart

  • Kromme Gouw

  • Maritieme Binnenhaven en Afsluitingskanaal

  • Markervaart en Kogerpolderkanaal

  • Molensloot of Oudevaart

  • Nauernasche Vaart

  • Nieuwlandersingel

  • Noordhollandsch Kanaal

  • Ooster Egalementsloot

  • Oosterveersloot

  • Oudburgervaart

  • Parallelsloot zandwinplas Dirkshorn

  • Purmerringvaarten

  • Ringvaart van de Schagerwaard

  • Ringvaart van de Koogpolder

  • Ringvaart Wijde Wormer

  • Scarpetten (Groot en Klein)

  • Scheidingsvliet

  • Schermerringvaart

  • Slootvaart

  • Spoorweghaven te Den Helder

  • Stadsgrachten ’De Schooten’

  • Stadswateren Nieuw Den Helder

  • Stinkevuil of Purmer Ee

  • ’t Zwet

  • Trekvaart van Het Schouw naar Monnickendam

  • Uitwatering van de Broekermolen

  • Uitwateringskanaal Geestmerambacht

  • Ursemmervaart

  • Van Ewijcksvaart en Boezem van de Zijpe

  • Veersloot bij Dirkshorn

  • Veersloot of Schermersloot

  • Verbindingssloot Noordhollands Kanaal

  • Vuile Graft

  • Waardkanaal

  • Waterloop van de Zuurvenspolder

  • Werkhaven Spaansen

  • Wester Egalementsloot

  • Wieringerwerfvaart

  • Wijzend

  • Zandwinplas Dirkshorn

  • Zeddegat

Bijlage IV Onderhoud

1 Aanleiding

Deze bijlage bevat de uitgangspunten voor het onderhoud van oppervlaktewater en kunstwerken en de eisen die ten behoeve daarvan aan het oppervlaktewaterlichaam en de omgeving worden gesteld. Wanneer het hoogheemraadschap of een door hen aangestelde partij dit onderhoud uitvoert, moet ervoor gezorgd worden dat het onderhoud mogelijk blijft. Het onderhoud van oppervlaktewater kan op twee manieren plaatsvinden: vanaf de oever (droog onderhoud) of vanaf het water (nat onderhoud). 

In nieuwe stedelijke gebieden is het uitgangspunt dat varend onderhoud moet kunnen worden gepleegd. In verband hiermee geldt voor die gebieden dat nieuw aan te leggen en bestaande, te handhaven waterlopen (inclusief grenssloten) worden aangelegd zoals aangegeven bij onderstaand punt 3.

In samenspraak met het hoogheemraadschap kan in nieuwe stedelijke gebieden worden afgeweken van aanleg van varend te onderhouden waterlopen. In dat geval zullen de waterlopen moeten voldoen aan de uitgangspunten van onderstaand punt 2.

 

2 Onderhoud van oppervlaktewater vanaf de droge oever (rijdend)

Bij onderhoud vanaf de droge oever moet de oever aan de volgende eisen voldoen:

  • Bij een waterbreedte tot 4 meter moet er aan één zijde een strook van minimaal 5 meter zijn. Deze strook wordt gemeten vanaf de insteek en moet berijdbaar en vrij van obstakels zijn.

  • Bij een waterbreedte van 4 tot 6 meter moeten er aan beide zijden stroken van minimaal 5 meter zijn. Deze strook wordt gemeten vanaf de insteek en moet berijdbaar en vrij van obstakels zijn.

  • Bij T-splitsingen of haakse hoeken in watergangen is een draaicirkel van 21 meter in diameter vereist voor het onderhoudsvoertuig.

  • Als een onderhoudspad na een bocht (T-splitsing/haakse hoek) niet mogelijk is, moet een draaiplaats met een draaicirkel van minimaal 21 meter in diameter worden aangelegd.

  • Bij werken (bouw- en kunstwerken) moet er minimaal 5 meter ruimte tussen de werken zijn voor onderhoud met de maaikorf, of de nieuwe werken moeten direct aansluiten op bestaande werken zodat het oppervlaktewater nog onderhouden kan worden.

3 Onderhoud van oppervlaktewater vanaf het water (varend)

Bij onderhoud vanaf het water moeten het oppervlaktewater en de omgeving aan de volgende eisen voldoen:

  • Het maaiboottracé moet voldoen aan:

    • Er moeten doorvaarbare dammen of bruggen worden aangebracht. Indien men hiervan wil afwijken, kan een maatwerkvoorschrift bij het hoogheemraadschap worden aangevraagd. Hierbij moet er nog wel een doorvaarbaar tracé van minimaal 500 meter overblijven.

    • Bij gestremde of belemmerde doorvaart moet aan beide zijden een keerplaats met een draaicirkel van minimaal 10 meter in diameter worden aangelegd.

  • Het dwarsprofiel van de waterloop moet voldoen aan:

    • Minimaal 8 meter breedte op de waterlijn bij het laagst geldende streefpeil.

    • Taludhelling ten hoogste 1 : 1,5.

    • Bodembreedte minimaal 4 meter.

    • Minimaal 10 meter breedte op de waterlijn bij T-splitsingen/haakse hoeken vanwege de draaicirkel van de maaiboot.

    • Minimaal 1,2 meter diepte bij het laagst geldende streefpeil.

  • De kunstwerken zoals bruggen en duikers in de waterloop moeten een:

    • Doorvaartdiepte van minimaal 90 centimeter (bij laagst geldende streefpeil) hebben.

    • Doorvaarthoogte van minimaal 110 centimeter (bij hoogst geldende streefpeil) hebben.

    • Doorvaartbreedte van minimaal 250 centimeter hebben.

  • De maaiboot-te-waterlaatplaats moet:

    • Bereikbaar zijn voor transportvoertuigen via openbare gronden.

    • Minimaal twee per doorvaarbaar tracé aanwezig zijn.

    • De waterloop moet ter plaatse van een losplaats bij voorkeur meer dan 8 meter breed zijn op de waterlijn.

    • Als maaiboot-te-waterlaatplaats kan een (half) verharde of onverharde oever dienen, vrij van obstakels over minimaal 10 meter breedte in de lengterichting van de waterloop.

  • De maaisel-uitdraai-plaats moet:

    • Bereikbaar zijn voor transportvoertuigen via openbare gronden.

    • Ongeveer één keer per 200 meter tracé aanwezig zijn.

    • Als losplaats kan een verharde of onverharde oever dienen, vrij van obstakels over circa 10 meter breedte in de lengterichting van de waterloop. 

    • De waterloop moet ter plaatse van een losplaats bij voorkeur meer dan 8 meter breed zijn op de waterlijn.

    • Het maaiveld mag ter plaatse niet meer dan 0,50 meter boven het waterpeil uitsteken. 

4 Onderhoud van kunstwerken

Bij onderhoud van kunstwerken moeten deze aan de volgende eisen voldoen:

  • Het kunstwerk moet bereikbaar zijn voor onderhoudsmaterieel via openbare gronden.

  • Bij niet-doorvaarbare duikers of bruggen moet er een ruimte van minimaal 10 meter breed zijn.

Toelichting

Algemene toelichting

1 Doelen, strekking en uitgangspunten

1.1 Inleiding

De Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet.

In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de doelstelling van de waterschapsverordening en de systematiek. Daarna volgt een artikelsgewijze toelichting. 

1.2 Verbeterdoelen van Omgevingswet

Naar aanleiding van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden, heeft het hoogheemraadschap de regelgeving over de fysieke leefomgeving in een waterschapsverordening vastgelegd. De Omgevingswet heeft een aantal verbeterdoelen: een inzichtelijk omgevingsrecht, waarin de leefomgeving centraal staat, waarin ruimte is voor maatwerk en waarin besluitvorming over projecten sneller en beter verloopt. In de toelichting op de Omgevingswet zijn deze doelen verder uitgewerkt en die luiden als volgt:

  • Minder en daardoor overzichtelijkere regels

  • Ingericht volgens het 'ja, mits'-principe

  • Meer ruimte voor initiatieven

  • Lokaal maatwerk

  • Vertrouwen

1.3 Systematiek waterschapsverordening
1.3.1 Systematiek waterschapsverordening 

De waterschapsverordening is ingericht conform het 'ja, mits' principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden. Om dit vorm te geven wordt er gewerkt met zorgplichten en algemene regels. Dit zorgt ervoor dat de waterschapsdoelen goed worden beschermd en dat er tegelijkertijd voldoende ruimte is voor initiatieven van derden en lokaal maatwerk. 

1.3.2 Doelstelling waterschapsverordening 

Een van de doelstellingen van de Omgevingswet is het gebruik van minder en vooral overzichtelijkere regels. Een belangrijk onderdeel hiervan is de verbinding van de regels aan de doelstellingen van het waterschap. De kerntaken van een waterschap zijn het beheer van watersystemen, het waterketenbeheer en wegenbeheer. Volgens de Omgevingswet worden er regels gesteld ten aanzien van deze taken met het oog op: 

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en

  • het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. 

Het doel van de waterschapsverordening is ervoor te zorgen dat deze taken, ongeacht activiteiten van derden, nog steeds goed en onbelemmerd uitgevoerd kunnen worden en dat de doelstellingen worden gewaarborgd. Daarmee wordt beschermd wat nodig is en vrij gelaten wat kan. Om dit te bewerkstelligen is de waterschapsverordening opgebouwd aan de hand van vijf thema's: Waterkwantiteit & Grondwater, Waterkeringen, Wegen en Waterkwaliteit & Zuiveringen. Voor het thema Waterkwaliteit & Zuiveringen is grotendeels aangesloten bij de regels die vanuit de centrale overheid naar het hoogheemraadschap overgaan. Voor de overige thema's heeft het hoogheemraadschap hoofddoelen geformuleerd die zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Waterkwantiteit

  • Het beschermen van de ontwaterende, af-/aanvoerende en bergende functie van het watersysteem.

  • Het beschermen van de ecologische toestand van het watersysteem.

  • Het in stand houden van het peilbeheer.

  • Het reguleren van onttrekking en lozingen van en naar het oppervlaktewater.

  • Het reguleren van aan-/afvoeren van water buiten het poldersysteem.

  • Het beperken van een toename van het risico op wateroverlast en waterschaarste.

  • Het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de functie van het watersysteem.

Waterkwaliteit

  • Het voorkomen dat activiteiten in, op en langs het oppervlaktewater leiden tot verslechtering van de chemische- en ecologische toestand van het oppervlaktewater.

  • Het voorkomen van vernietiging, beschadiging of beschaduwing van het aquatische biotoop.

  • Het voorkomen van directe- of indirecte lozingen van stoffen die negatieve invloed hebben op de chemische waterkwaliteit of het aquatische leven.

Grondwater

  • Het in stand houden van de aanwezige grondwaterkwaliteit.

  • Het voorkomen van grondwaterschaarste en grondwateroverlast.

  • Het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen

Waterkeringen

  • Het beschermen van de waterkerende functie van waterkeringen en de beschermingszones.

  • Het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van waterkeringen.

  • Het behoud van noodzakelijke ruimte voor toekomstige versterkingen van waterkeringen. 

Wegen

  • Het waarborgen van de verkeersveiligheid.

  • Het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming

  • Het faciliteren van functioneel en recreatief medegebruik. 

1.3.3 Zorgplicht

Ter bescherming van de genoemde doelen is per thema een algemene zorgplicht geformuleerd. Kort gezegd is hierin bepaald dat de initiatiefnemer of de rechtsopvolger alle maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat activiteiten nadelige gevolgen hebben voor de hiervoor genoemde doelen van het hoogheemraadschap. Een initiatiefnemers of de rechtsopvolger die activiteiten uitvoeren, die de te beschermen doelen mogelijkerwijs (nadelig) beïnvloeden, zullen deze zorgplicht altijd in acht moeten nemen. Activiteiten die de doelen van het hoogheemraadschap bedreigen, kunnen met behulp van deze zorgplicht worden voorkomen dan wel teniet worden gedaan. De zorgplicht werkt als een vangnet maar ook als verplichting voor initiatiefnemers om aan te tonen dat de activiteit geen negatieve effecten heeft voor het oppervlaktewater. De zorgplicht werkt daarmee als een vangnet. Dat betekent dat als er niets geregeld is, het hoogheemraadschap kan handhaven op grond van de specifieke zorgplichten. 

1.3.4 Algemene voorschriften en informatieplicht

Met inachtneming van de zorgplicht, geldt als uitgangspunt dat activiteiten zijn toegestaan. Om initiatiefnemers houvast te bieden, zijn voor de meest voorkomende activiteiten voorschriften geformuleerd. Activiteiten die conform de zorgplicht en de voorschriften worden uitgevoerd, zijn vergunningsvrij. Wel geldt voor deze activiteiten vaak een informatieplicht, zodat het hoogheemraadschap op voorhand bekend is met activiteiten die worden uitgevoerd en zo nodig toezicht kan houden.

1.3.5 Afwijken algemene voorschriften en maatwerkvoorschriften

Indien een initiatiefnemer of de rechtsopvolger wenst af te wijken van de geformuleerde voorschriften, is dat nog steeds mogelijk zonder een vergunningplicht. Wel geldt in dat geval dat een initiatiefnemer of de rechtsopvolger een aanvraag voor een maatwerkvoorschrift moet indienen. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

1.3.6 Vergunningplicht

Voor bepaalde activiteiten blijft een vergunningplicht gelden. Het betreft activiteiten die een grote(re) invloed hebben op de te beschermen doelstellingen van het hoogheemraadschap en slechts bij uitzondering zijn toegestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een peilafwijking, een bouwwerk op een kering of de aanleg van een nieuwe weg. Deze activiteiten laten zich niet goed reguleren met behulp van algemene voorschriften en een informatieplicht. Om deze reden blijft voor deze activiteiten een vergunningplicht gelden.

1.3.7 Samenvatting systematiek

Resumerend zijn er dus feitelijk twee hoofdcategorieën. De eerste hoofdcategorie bestaat uit activiteiten die zijn toegestaan met inachtneming van de zorgplicht en de algemene voorschriften. Voor deze activiteiten geldt vaak wel een informatieplicht. Indien een initiatiefnemer of de rechtsopvolger wenst af te wijken van de geformuleerde voorschriften is dat mogelijk. Maar in dat geval geldt dat een maatwerkvoorschrift moet worden aangevraagd. De tweede hoofdcategorie bestaat uit activiteiten waar een vergunningplicht voor blijft gelden.

1.4 Digitalisering
1.4.1 DSO en werkingsgebieden

De regelgeving van het hoogheemraadschap wordt onder de Omgevingswet ontsloten via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Deze digitalisering is onderdeel van het landelijke DSO waarin ook de regelgeving van Rijk, provincie, gemeenten en andere waterschappen digitaal ontsloten wordt. Hierbij zijn de regels over activiteiten gekoppeld aan geometrisch aangewezen en begrensde werkingsgebieden, waarbij men met een eenvoudige klik op een kaart kan zien welke regels op het betreffende gebied van toepassing zijn. Om dit mogelijk te maken, moet iedere individuele regel van het hoogheemraadschap zijn voorzien van een zogenoemd werkingsgebied en op een kaartlaag zijn aangeleverd. Waar geen specifiek werkingsgebied is benoemd, geldt het hele beheergebied van het hoogheemraadschap als werkingsgebied.

1.4.2 Toepasbare regels

Naast het sec laten zien welke regels van toepassing zijn, maakt het DSO eveneens inzichtelijk onder welke voorwaarden activiteiten zijn toegestaan. Om dit mogelijk te maken, is de juridische regelgeving van het hoogheemraadschap vertaald in zogenaamde toepasbare regels en vragenbomen. Zo kan aan de hand van vragen die men doorloopt in het DSO worden bepaald of er al dan niet een vergunning aangevraagd moet worden, of dat er bijvoorbeeld alleen een informatieplicht geldt.

1.5 Hoofdstukindeling

De Waterschapsverordening bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen over begrippen, beperkingengebieden, beoordelingsregels en enkele algemene bepalingen over de omgevingsvergunning, melding en informatieplicht. Verder komen er nog enkele uitzonderingen aan bod, waaronder het uitvoeren van beheeractiviteiten door het hoogheemraadschap zelf en een regeling voor bijzondere omstandigheden zoals calamiteiten en ongewone voorvallen. 

Hoofdstuk 2 bevat regels over activiteiten bij oppervlaktewater, waterkeringen en wegen. In het eerste deel zijn de oogmerken uitgewerkt, het toepassingsbereik, de specifieke zorgplicht en de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Vervolgens worden per activiteit het toepassingsbereik gegeven en worden -indien van toepassing- de vergunningplichtige gevallen aangewezen. Vervolgens worden de algemene regels voor de uitvoering van de betreffende activiteit uiteengezet en wordt de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift aan te vragen vermeld.

Hoofdstuk 3 gaat over lozingsactiviteiten en hoofdstuk 4 over wateronttrekkingsactiviteiten. Deze hoofdstukken hebben dezelfde opbouw als hoofdstuk 2.

Tot slot bevat hoofdstuk 5 de overgangs- en slotbepalingen. 

Artikelsgewijze Toelichting

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippen van de wet en de algemene maatregelen van bestuur, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening. In de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de stelselcatalogus bij de Omgevingswet.

Artikel 1.2 Begrenzing beheergebied

Aan iedere regel in deze waterschapsverordening is een werkingsgebied gekoppeld. De werkingsgebieden verschillen per type activiteit. Dit artikel geeft aan dat de verordening bedoeld is voor het beheergebied van het hoogheemraadschap. Deze bepaling fungeert als een vangnet voor alle regels waarvoor in hoofdstukken 23 en 4 geen specifieker werkingsgebied is opgenomen.

Artikel 1.3 Begrenzing beperkingengebieden

De werkingsgebieden van de regels in deze verordening zijn in bijlage II bij deze verordening aangewezen en geometrisch begrensd. Door het opnemen van de geometrische informatieobjecten (GIO’s) in de bijlage, worden de GIO’s met daarin de werkingsgebieden een integraal onderdeel van de verordening.

In dit artikel gaat het om de beperkingengebieden waarvoor het hoogheemraadschap het waterbeheer en het wegbeheer voert. Beperkingengebieden zijn in de Omgevingswet gedefinieerd als “bij of krachtens de wet aangewezen gebieden waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object”. Ieder gebied waar een regel geldt ter bescherming van een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of bergingsgebied is dus onderdeel van het beperkingengebied met betrekking tot dat waterstaatswerk.

Er zijn verschillende zones waarvoor de bepalingen uit de waterschapsverordening gelden. Zo staan vermeld de beperkingengebieden voor oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en weg. Andere voorbeelden zijn beperkingengebied voor bergingsgebieden, natuurvriendelijke oevers en rietoevers.

Het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam omvat zowel het water, de oevers en bijbehorende kunstwerken. 

Het beperkingengebied kernzone van de waterkering, omvat het waterstaatswerk waterkering. De bijbehorende beschermingszones A en B zijn aparte beperkingengebieden en worden apart benoemd indien van toepassing.

Waterkeringen zijn bedoeld om water tegen te houden. Voorbeelden van waterkeringen zijn dijken, dammen, duinen, kunstwerken en hoge gronden. Er zijn drie typen waterkeringen: Primaire waterkeringen bieden beveiliging tegen overstroming (bijv. de zee en het IJsselmeer), regionale waterkeringen zijn belangrijk voor een specifiek gebied en alle andere zijn overige waterkeringen.

Binnen ons gebied zijn er verschillende locaties die aangeduid zijn als hoge gronden. Dit zijn gebieden waar het maaiveld hoger ligt dan het maalstoppeil, en waar vanwege de aanwezigheid van zeer brede en hoge dijken, een dijkdoorbraak praktisch onmogelijk is. Een treffend voorbeeld hiervan is de stad Alkmaar, waar grote delen van de binnenstad zich 30 tot 40 centimeter boven het maalstoppeil bevinden. Hierdoor is de kans op overstroming in deze gebieden nihil, aangezien het water, met uitzondering van incidentele windopstuwing, niet hoger kan komen dan het maalstoppeil. Gezien het minimale overstromingsrisico in deze hoge gronden, is besloten om bepaalde regels uit de waterschapsverordening voor deze gebieden te versoepelen of niet van toepassing te verklaren. Deze beslissing draagt bij aan een efficiënter beheer van het gebied en voorkomt onnodige regeldruk, terwijl de waterveiligheid gewaarborgd blijven.

In de legger is vastgelegd aan welke eisen de waterstaatswerken moeten voldoen wat betreft ligging, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 1.4 Begrenzing overige gebieden

Dit artikel wijst de overige gebieden aan waarvoor de bepalingen uit de waterschapsverordening gelden. Het gaat om de volgende overige gebieden:

  • a.

    'aangewezen gebied peilafwijkingen';

  • b.

    'hellend gebied en gebied met droge beddingen';

  • c.

    'kwetsbaar gebied oppervlaktewater' en ‘kwetsbaar gebied grondwater'; en

  • d.

    'risicovol gebied verticale drainage' en 'niet-risicovol gebied verticale drainage'.

Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone opgenomen in bijlage II.

Artikel 1.6 Normadressaat

Eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot en gebruikers van de grond zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de verordening op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is niet de eigenaar, maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.

Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht, moet voldoen aan de regels over activiteiten van dit hoofdstuk. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van die activiteit. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en ervoor zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit hoofdstuk, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteiten houden.

Artikel 1.7 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting 

Als op grond van deze verordening gegevens en documenten aan het hoogheemraadschap worden verstrekt, worden die gegevens en documenten begeleid door een aantal algemene gegevens. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het om een aanduiding van welke activiteit er zal worden uitgevoerd. Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit uitvoert. Als het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd waarover gegevens worden verstrekt, een ander adres is dan het adres van degene die de activiteit uitvoert, bijvoorbeeld omdat er meerdere bedrijfslocaties zijn, wordt ook dat adres verstrekt.

Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en documenten verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uit artikel 4:2 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Artikel 1.7 tweede lid regelt daarom dat gegevens en documenten moeten worden verstrekt aan het hoogheemraadschap, als dat hoogheemraadschap die gegevens en documenten nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en documenten waar het hoogheemraadschap om vraagt. Degene die de activiteit uitvoert hoeft in beginsel niet uit eigen beweging gegevens of documenten te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het hoogheemraadschap wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn.

Het verstrekken van gegevens en documenten (ook wel informatieverplichting genoemd) is iets anders dan een melding in de zin van artikel 4.4 van de Omgevingswet; het daaruit voortvloeiende verbod om te starten met de activiteit is niet van toepassing. Het verstrekken van gegevens en documenten kan zowel elektronisch als per post; zie daarvoor afdeling 14.1 van het Omgevingsbesluit en de toelichting daarop.

Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 1.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat 

Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het hoogheemraadschap vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer of de rechtsopvolger zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het hoogheemraadschap op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij het uitvoeren van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het hoogheemraadschap worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 1.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen.

In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 4.

Artikel 1.10 Wijzigen en intrekking omgevingsvergunning

Het hoogheemraadschap krijgt in dit artikel de mogelijkheid om een vergunning te wijzigen of in te trekken. Die mogelijkheid is aanwezig wanneer de doelen van deze verordening niet gehaald worden. Een initiatiefnemer kan ook vragen om het intrekken van een vergunning. Een andere mogelijkheid om een vergunning te wijzigen of in te trekken is een verplichting voorvloeiend uit een voor Nederland bindend verdrag van een volkenrechtelijke organisatie of wettelijke voorschrift dat een gevolg is van dit bindend verdrag. Voorbeelden van een volkenrechtelijke organisatie zijn de Verenigde Naties en de Europese gemeenschap. Het hoogheemraadschap trekt een vergunning niet in wanneer een wijziging van of aanvulling op die vergunning volstaat.

Artikel 1.11 Afwijken van regels door maatwerkvoorschrift

Indien een initiatiefnemer niet voldoet aan de algemene regels, kan een verzoek om een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd. Ook het hoogheemraadschap zelf kan ambtshalve besluiten om maatwerkvoorschriften op te leggen als dat nodig is. 

Indien zowel een vergunningplichtige activiteit als een maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd, worden deze activiteiten in gezamenlijkheid beoordeeld en gemotiveerd, zonder dat hierbij expliciet onderscheid gemaakt wordt tussen vergunningplichtige activiteiten en maatwerkvoorschriften.

Artikel 1.12 Wijzigen en intrekken maatwerkvoorschrift

Het hoogheemraadschap krijgt in dit artikel de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te wijzigen of in te trekken.

Artikel 1.13 Uitzondering beheeractiviteiten

Het hoogheemraadschap voert als beheerder van het watersysteem vele handelingen aan waterstaatswerken uit. De handelingen die het hoogheemraadschap daar uitvoert, zijn in het belang van de aan het hoogheemraadschap opgedragen taken en vallen onder beheer en onderhoud. Vaak zijn deze handelingen overeenkomstig de functie van het betreffende waterstaatswerk. Daarom geldt voor deze handelingen geen vergunningplicht, informatieplicht of verplichting om een maatwerkvoorschrift aan te vragen. Wel heeft het hoogheemraadschap een vergunning nodig voor handelingen die het hoogheemraadschap niet als beheerder uitvoert, maar bijvoorbeeld als eigenaar van grond of gebouwen. 

Een onderhoudsproject wordt gedefinieerd als een werk waarbij: 

  • de (norm)afmetingen van de legger in stand worden gehouden (bijvoorbeeld dijkherstel inclusief een bepaalde overhoogte en bij baggeren inclusief de overdiepte); 

  • het gaat over het vervangen van een bestaand kunstwerken (bijvoorbeeld grotere diameter duiker of automatisering van een stuw, het vervangen van een gemaal door gemaal met een vergelijkbare capaciteit (+/-15%) ed.); 

  • het moeten verplaatsen van een kunstwerk. Dit gebeurt zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke kunstwerk. Aanvullend wordt hierbij gebruik gemaakt van een cirkel van max. 15 meter in diameter waarbinnen het nieuwe object dan wordt gerealiseerd. Valt het object buiten deze cirkel dan geldt een vergunningplicht; 

  • het werk geen nadelig effect (beperkingen) heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Indien het hoogheemraadschap als beheerder evenwel nieuwe werken uitvoert of wijzigingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken, waardoor de normatieve staat (ligging, richting, vorm, afmeting en constructie) van het waterstaatswerk wijzigt in de legger kan het bestuur ofwel:

  • a.

    een projectbesluit vaststellen als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet;

  • b.

    een vergunning aanvragen op grond van deze verordening.

Als er een projectbesluit is vastgesteld, is vergunning op grond van deze verordening niet meer aan de orde. 

Artikel 1.14 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Artikel 19.0 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om bij waterschapsverordening een onderwerp aan te wijzen als een ‘bijzondere omstandigheid in de fysieke leefomgeving’. Door dit te doen kan het bestuur met een besluit afwijken van de regels uit de verordening, op het moment dat de bijzondere omstandigheid zich voordoet.

Als zich een omstandigheid zoals genoemd in dit artikel voordoet, kan het bestuur dus beslissen om bijvoorbeeld uitzonderingen op de vergunningplicht geheel of gedeeltelijk op te schorten.

Artikel 1.15 Algeheel verbod bij calamiteiten 

In dit artikel worden regels gesteld als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het gaat om alle activiteiten, of deze vergunningplichtig zijn of niet. Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, verleende vergunningen of geldende peilbesluiten. Die afwijking is tijdelijk en duurt zolang de bijzondere omstandigheden duren. Voor de afwijking is geen vergunning nodig is en gelden ook geen algemene regels. De Omgevingswet (afdeling 19.4) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken en beschermingszones. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.

Artikel 1.16 Informeren over een ongewoon voorval

Een ongewoon voorval is een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder: a. een geval van een inbreuk op vergunningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn industriële emissies, of b. een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de Seveso-richtlijn.

Dit artikel bepaalt dat het hoogheemraadschap onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het hoogheemraadschap direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de waterkwaliteit, waterkwantiteit, veiligheid van de waterkering of wegen niet wenselijk.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en afkomstig van particuliere huishoudens. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen of particuliere huishoudens komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht. Tot particuliere huishoudens worden niet gerekend zorginstellingen, de huisvesting van seizoensarbeiders en groepsaccommodaties.

Artikel 1.17 Gegevens en documenten bij een ongewoon voorval

In dit artikel is omschreven welke gegevens en documenten over het ongewoon voorval aan het hoogheemraadschap moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het ‘voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen’ is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Elke paragraaf, afdeling of hoofdstuk van deze verordening begint met een artikel dat het toepassingsbereik bevat. Dat artikel geeft aan over welke activiteiten de paragraaf gaat met bijbehorend werkingsgebied. Het toepassingsbereik van de paragraaf is veelal ruim, zoals het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. De inhoudelijke regels over die activiteiten in de betreffende paragraaf hebben vaak een beperkter werkingsgebied (zoals de kernzone of de kernzone plus beschermingszone). Door het artikel over het toepassingsbereik het ruimste werkingsgebied te geven, is voor alle activiteiten in dat gebied in ieder geval de specifieke zorgplicht van de afdeling of paragraaf van toepassing is. De specifieke zorgplicht fungeert daarmee als vangnet voor activiteiten die niet aan andere inhoudelijke algemene regels of een vergunningplicht zijn gebonden. Zo heeft het hoogheemraadschap altijd een grond om een initiatiefnemer of de rechtsopvolger aan te spreken als diegene een activiteit uitvoert die potentiële schade voor een waterstaatswerk kan opleveren.

Dit artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op het uitvoeren van activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden of kernzones en beschermingszones van de waterkeringen.

Artikel 2.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de activiteiten rekening moeten houden De oogmerken zijn de doelstellingen die het hoogheemraadschap stelt voor de verschillende onderdelen van het watersysteem. Deze doelstellingen luiden:

  • a.

    het beschermen van het functioneren van het watersysteem. Daarbij gaat het om een ontwaterende functie, de aan- en afvoer en de bergende functie;

  • b.

    Het beschermen de kwaliteit van het water. Die kwaliteit bestaat uit twee onderdelen: de ecologische en chemische toestand. Activiteiten mogen aantoonbaar de kwaliteit niet verslechteren;

  • c.

    Het instandhouden van de waterpeilen. Het hoogheemraadschap stelt peilbesluiten vast voor het instellen van waterpeilen. Activiteiten mogen deze peilen niet beïnvloeden;

  • d.

    Het beperken van de risico's op wateroverlast. De neerslag wordt door de klimaatverandering extremer. Het hoogheemraadschap past daarvoor het watersysteem aan, zodanig dat het risico op wateroverlast niet toeneemt. Activiteiten moeten daar ook aan voldoen. Het hoogheemraadschap neemt daarvoor de landelijk afgesproken neerslagsituatie als leidraad. Een neerslagsituatie van 70 mm/uur die thans 1 keer per 100 jaar voorkomt mag niet tot inundatie van het watersysteem leiden en tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen leiden;

  • e.

    Het beperken van waterschaarste en het vasthouden of bergen van neerslag voor nuttig gebruik. Neerslag kan ook langdurig achterwege blijven. Voorbeelden zijn het jaar 2018 met een maandenlange droge periode. Het hoogheemraadschap werkt met een programma aan het beperken van waterschaarste in deze droge perioden. Het kan neerslag daarvoor vasthouden met tijdelijk hogere waterstanden tot gevolg of het kan neerslag bergen om in de droge perioden te gebruiken voor aanvoerwater. Activiteiten mogen de maatregelen voor waterschaarste en het vasthouden of bergen van neerslag niet belemmeren;

  • f.

    Het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de functie van het watersysteem; Om de aan- en afvoer van water te borgen is het belangrijk dat het watersysteem ook goed bereikbaar is voor machinaal onderhoud. Dit onderhoud kan varend met de maaiboot plaats vinden of middels rijdend materieel vanaf de oever. Bij onderhoud vanaf de kant is het van belang dat er een obstakelvrije onderhoudszone op de oever langs de waterloop aanwezig is van minimaal 5 meter.

  • g.

    Het waarborgen van de doorvaarbaarheid van vaarwegen. In opdracht van de provincie Noord-Holland onderhoudt het hoogheemraadschap ca 100 km vaarwegen. Deze vaarwegen moeten voldoen aan internationale of nationale afmetingen. Activiteiten mogen deze afmetingen niet verkleinen.

Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen in deze afdeling. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van deze afdeling is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle activiteiten die onder de reikwijdte van deze afdeling vallen. De algemene regels van de afdeling en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete activiteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 2.2. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit uitvoert onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het hoogheemraadschap zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift maar dat hoeft niet. Ook wanneer het hoogheemraadschap degene die de activiteit uitvoert mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal (Stb. 2018, 293, p. 526–527).

Artikel 2.3 bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het watersysteem. Deze zorgplicht geldt voor een ieder, en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Het artikel bestaat uit twee delen. Het eerste deel, bestaande uit het tweede lid, verplicht degene die de activiteit uitvoert om zorg te dragen voor bepaalde milieubelangen. In het tweede deel (tweede en derde lid) wordt de open norm van lid 1 nader geconcretiseerd. Dit geeft een handvat aan degene die de activiteit uitvoert om de vereiste zorg in te vullen. 

Onderdeel g , h, i en j van het tweede lid is gebaseerd op de kaderrichtlijn water. Met de stroomgebiedbeheerplannen gaat het om de plannen als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water. De stroomgebiedbeheerplannen en de bijbehorende factsheets geven een overzicht van de toestand, problemen, doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor het betreffende stroomgebied. 

Onderdeel g is de basisregel van de kaderrichtlijn water dat activiteiten in en langs het water niet tot een achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van dat betreffende water en/of ontvangende water mogen leiden. Onderdeel h verplicht activiteiten met een toets aan te tonen dat die chemische en ecologische toestand inderdaad niet achteruit gaat. Onderdeel i gaat in op het beschermen van de bestaande lichtinval in en op het water en gaat tevens in op de condities voor plantengroei in en langs het water zodanig dat de ecologische doelen van dat water niet in gevaar komen. Onderdeel j gaat over de verspreiding van flora en fauna in het watersysteem. Planten en dieren in het water bewegen zich in en door het water. De verspreiding van planten gaat langzaam, vissen verspreiden zich veel sneller. Het hoogheemraadschap maakt de verspreiding van flora en fauna mogelijk met onder andere vispassages. Activiteiten mogen deze verspreiding niet belemmeren.

Onderdeel k van het tweede lid ziet voorts op de bescherming van peilgebieden. Het hoogheemraadschap heeft voor de verschillende peilgebieden peilbesluiten vastgesteld. Hierin zijn waterstanden (ook wel aangeduid als waterpeilen) of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgelegd, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Peilgebieden zijn onderling verbonden met elkaar door peil regulerende kunstwerken zoals stuwen of gemalen. Door beheer en bediening van deze peil regulerende kunstwerken wordt gezorgd dat waterpeilen gehandhaafd worden en in neerslagsituaties peilgebieden gedoseerd en gecontroleerd hun water afvoeren naar benedenstrooms gelegen peilgebieden. Daarmee wordt gezorgd dat bij natuurlijke peilfluctuaties in neerslagomstandigheden benedenstrooms gelegen peilgebieden niet onevenredig belast worden met afvoer vanuit bovenstrooms gelegen peilgebieden.

Hevige en/of langdurige neerslag omstandigheden kunnen kortstondig grotere peilstijgingen tot gevolg hebben. Een ieder dient er van bewust te zijn dat dergelijke peilstijgingen tot overlast en/of schade kunnen leiden aan eigendommen, en draagt daarin een eigen verantwoordelijkheid voor het eventueel treffen van maatregelen ter beperking hiervan. 

De scheiding tussen peilgebieden loopt echter voor het grootste deel over landerijen en percelen grond. Het is van belang dat ook die landerijen hoog genoeg zijn om ook bij natuurlijke peilfluctuaties een scheiding te blijven vormen tussen de verschillende peilgebieden, waardoor in neerslagsituaties het af te voeren regenwater via de peil regulerende kunstwerken blijft stromen en niet ongecontroleerd op andere plekken over peilgebiedsgrenzen stroomt. Activiteiten op of gebruik van percelen of landerijen waarover een scheiding tussen peilgebieden loopt dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de scheiding tussen verschillende peilgebieden bij natuurlijke peilfluctuatie voldoende gewaarborgd blijft.

Het vierde lid van dit artikel bevat de verplichting voor initiatiefnemer de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit te informeren en te betrekken. Deze geldt ook voor activiteiten die onder algemene regels vallen. Dit betekent dat burgers of bedrijven ook het hoogheemraadschap als grondeigenaar moeten betrekken. Participatie door initiatiefnemers bij de aanvraag van omgevingsvergunningen is al geregeld in artikel 7.4 Omgevingsregeling.

Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

In dit artikel zijn de indieningsvereisten opgenomen. Gelet op het belang van waterkeringen heeft het hoogheemraadschap in het algemeen specifiek beleid vastgesteld over activiteiten bij waterkeringen. Als een initiatiefnemer vermoedt dat voor zijn activiteit geen stabiliteitsberekening nodig is, kan hij daarover contact opnemen met het hoogheemraadschap.

Toelichting op sub e en f:

Via de kaart van www.bodemloket.nl kan inzicht worden verkregen of zich in de oever grondverontreinigingen bevinden. De kaart geeft ook weer of er reeds saneringsactviteiten zijn uitgevoerd. Na uitvoering van een sanering kan een restverontreiniging in de oever achter gebleven zijn. Het is voor een initiatiefnemer dus zaak om bij een aantekening op de kaart nader te bepalen wat de verontreinigingsituatie is. 

Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterbodem

Als sprake is van werkzaamheden aan of in een waterstaatswerk waarbij een verontreinigde of een niet verontreinigde waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt weggehaald, zoals bij baggeren van een haven, moet inzicht worden gegeven in de hoeveelheid weg te halen baggerspecie. Daarnaast moet de omvang van het te baggeren oppervlak worden vermeld. In het geval van het vergraven van de vaste waterbodem dient een waterbodemimmissietoets uitgevoerd te worden indien zich in de nieuwe waterbodem een grondverontreiniging boven de inventiewaarden bevindt. De waterbodemimmissietoets geeft een inschatting wat de impact van de nieuwe sterk verontreinigde waterbodem is op de chemisch en ecologische toestand van het oppervlaktewater. Achteruitgang van de ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater is niet toegestaan. 

Een waterbodemimmissietoets is vereist bij vergraving van de waterbodem indien zich in de waterbodem een verontreiniging boven de interventiewaarden bevindt. Met de waterbodemimmissietoets wordt vastgesteld wat het effect van de nieuwe waterbodem op de chemische en ecologische waterkwaliteit is. Uitgezonderd zijn onderhoudswerkzaamheden.

Artikel 2.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bodem (verticale drainage)

Als sprake is van werkzaamheden, waarbij verticale drainage in de bodem wordt geplaatst, moet inzicht worden gegeven in de wijze van aanleg en de einddiepte zodat het waterschap kan toetsen of er voldoende waarborg is op het voorkomen van zoute of brakke kwel. Er is in ieder geval voldoende waarborg, indien de einddiepte minimaal 1,0 m boven de onderzijde van de klei- of veenlaag (deklaag) blijft.

Daarnaast moet de initiatiefnemer bodemonderzoeksgegevens en de interpretatie hiervan overhandigen. Een voorbeeld hiervan zijn de uitgevoerde geotechnische sonderingen en een bijbehorende interpretatie van de sonderingen naar grondsoorten door het geotechnisch adviesbureau. Hoeveel boringen nodig zijn hangt af van de omvang van het initiatief. Aantal boringen en sonderingen volgens de geldende NEN-normen moeten voldoende zijn om zettingen te kunnen bepalen. Initiatiefnemer kan hierover contact opnemen met het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg.

Artikel 2.7 Algemene regel onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam

Het hoogheemraadschap heeft uitgangspunten en eisen opgesteld voor de wijze waarop onderhoud wordt uitgevoerd aan oppervlaktewater vanaf de droge oever of vanaf het water. Het moet mogelijk blijven het onderhoud te kunnen uitvoeren.

Artikel 2.8 Tijdelijk weghalen bouwwerk

Kleine werken worden tijdelijk weggehaald door en op kosten van de initiatiefnemer. Dit wordt bij maatwerkschrift bepaald als dat nodig is voor werkzaamheden door het hoogheemraadschap.

Artikel 2.9 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en de algemene regel inzake onderhoud van artikel 2.7. De keuze om maatwerkvoorschriften mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 2.1 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document.

Artikel 2.10 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering. Van de werking van deze regels worden uitgezonderd verschillende bijzondere bouwwerken vermeld in dertien paragrafen van hoofdstuk 2. Hiervoor zijn aparte regels opgenomen in deze verordening.

Artikel 2.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bouwwerken in of nabij vaarwegen kunnen de doorvaart belemmeren of het doorvaartprofiel aantasten. Bij het realiseren van bouwwerken moet daarom rekening worden gehouden met de vrije doorgang. Dit betekent dat breedte, diepte en doorvaarthoogte behouden blijven en dat constructies geen obstakels vormen voor vaarverkeer of de waterstroming. Het hoogheemraadschap beoordeelt of het bouwwerk een belemmering vormt voor de doorvaart en kan voorschriften opleggen om dit te waarborgen.

Bouwwerken op en nabij een waterkering kunnen een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Door belasting van eigen gewicht, kiervorming langs fundering, winddruk, erosie rondom het bouwwerk door stromingsconcentratie kunnen belastingen optreden die verschillende faalmechanismen beïnvloeden. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom in een groot aantal gevallen beoordelen of de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften. 

Alle bouwwerken in de kernzone van de primaire en regionale waterkering zijn vergunningplichtig. 

Daarnaast zijn in de kernzone van de overige waterkering of beschermingszone A van alle waterkeringen ook bouwwerken die een woon- of verblijfsfunctie hebben, een fundering hebben die dieper is dan 30 cm of die niet eenvoudig te verplaatsen of weg te halen zijn, altijd vergunningplichtig. 

Bouwwerken in beschermingszone A van de primaire of regionale kering zijn ook vergunningplichtig als ze niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in het vijfde lid, maar wel groter zijn dan 10 m2.

 Bouwwerken in de kernzone of beschermingszone A van de overige kering, of bouwwerken die kleiner zijn dan 10 m2 in beschermingszone A van de primaire of regionale kering, zijn niet vergunningplichtig en vallen onder de algemene regels van artikel 2.12.

Aangewezen rietoevers en natuurvriendelijke oevers spelen een belangrijke rol in de ecologie. Deze oevers worden daarom extra beschermd middels een vergunningplicht waarbij goed gekeken wordt of de natuurwaarde/functie van de oever niet verslechterd na het plaatsen een de bouwwerken.

Maalvaardige molens worden bij hevige regenval ingezet om het water snel af te kunnen voeren. Daarom is het belangrijk dat er binnen de molenbiotoop geen hoge bouwwerken geplaatst worden zodat de werking van de molen gegarandeerd kan worden.

Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels

Het plaatsen of weghalen van een bouwwerk heeft invloed op de stabiliteit van een waterkering. Door het weghalen van objecten of plaatsen van extra gewicht op een gedeelte van de waterkering wordt de waterkering minder erosiebestendig en wordt het risico op piping vergroot. Om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren heeft het hoogheemraadschap algemene regels opgesteld.

Artikel 2.13 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een bouwwerk aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het bouwwerk aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van het bouwwerk en de objectgegevens.

Artikel 2.14 Plaatsen bouwwerk

Bij aanleg van een bouwwerk in het water of de oever wordt water gedempt, waardoor de waterberging afneemt. Voor deze demping gelden de regels voor versmallen van bestaand water. Daarnaast kunnen in de zone naast het oppervlaktewater duikers waaronder inlaatduikers aanwezig zijn. Om te voorkomen dat er boven op deze kunstwerken wordt gebouwd wordt een vrije afstand van minimaal 5 meter aangehouden. 

Voorkomen moet worden dat een bouwwerk schade kan veroorzaken aan een (inlaat) duiker, of dat het kunnen plegen van onderhoud aan een duiker bemoeilijkt wordt.

Onder bouwwerken vallen ook uitkragende constructies boven het oppervlaktewater welke geen steunpunt in het water hebben (zoals balkons). Onder deze overhangende constructies geldt bij waterlopen die varend worden onderhouden een vrije doorvaarthoogte van minimaal 1,10 meter en een doorvaartdiepte van minimaal 1,00 meter. De vrije doorvaartbreedte bedraagt (net als bij Artikel 2.56) minimaal zes meter (3 meter aan weerszijde uit de as van de waterloop).

Artikel 2.15 Beheer en onderhoud

Om hinder van een bouwwerk voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water en waterkering zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat het bouwwerk goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. De initiatiefnemer of rechtsopvolger is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het water of de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk. In het water hoopt zich daar meer slootvuil op en bovendien wordt zo schade aan het bouwwerk door derden voorkomen. 

Artikel 2.16 Gesloten seizoen

Het gebied waar deze regel voor geldt is beschermingszone A van de primaire waterkering. Tussen 15 oktober en 15 april valt het gesloten seizoen. In deze periode komen over het algemeen de meeste stormen en hoogwater voor. De golven slaan bij een storm hard tegen de waterkering. Een goede grasbekleding is noodzakelijk voor de stabiliteit van de waterkering in het gesloten seizoen hoog water. Activiteiten die mogelijk negatief effect kunnen hebben op de waterkering zijn gedurende het gesloten seizoen niet toegestaan. 

Artikel 2.17 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.7 en 2.15 tot en met 2.16

Artikel 2.18 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.19 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het hoogheemraadschap wil elke aanleg van een brug beoordelen op de te stellen voorwaarden en mogelijke aantasting van de betrokken belangen. Elke situatie is anders. Als een brug geheel of gedeeltelijk in het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst kan dit effect hebben op de wateraanvoer of -afvoer en op de bergende functie van het water. Daarom worden eisen gesteld aan de afmeting van het kunstwerk moet het verlies aan waterberging gecompenseerd worden. Daarnaast kan het gewicht van het kunstwerk de stabiliteit van de oever beïnvloeden. Het plaatsen van een brug kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Het is van belang dat een brug het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam en de oevers niet belemmert. Wanneer deze kunstwerken te dicht bij elkaar liggen kan het doelmatig onderhoud met behulp van machines onmogelijk worden. Bij doorvaart en varend onderhoud zijn er eisen aan de hoogte van het kunstwerk ten opzichte van de waterlijn.

De aanleg van een brug kan effect hebben op het vaarwegprofiel van een vaarweg, zijnde diepte, breedte en hoogte van de vaarweg). Met bijvoorbeeld verkeerskundige maatregelen zal de verkleinde doorvaart functioneel blijven. Ook speelt bij beweegbare bruggen het aspect wie de bediening gaat verzorgen en welke openingstijden voor de vaarweg zullen gelden.

Artikel 2.20 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een brug in het gebied secundair oppervlaktewater of tertiair oppervlaktewater gelden algemene regels, mits er geen vergunningplicht geldt op basis van artikel 2.26. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.21 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de brug aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de brug wordt geplaatst of weggehaald en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de brug aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de brug en de objectgegevens.

Artikel 2.22 Eisen aan de brug

Een brug heeft tot doel om het water te kunnen oversteken. Met overspanning wordt bedoeld het deel van de brug wat ondersteunt wordt door palen of landhoofden. De overspanning hindert de aan- en afvoer van water niet als hij boven het water hangt.

Landhoofden zijn de constructie waar de brug op steunt. Door ze buiten het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren te plaatsen blijft de benodigde aan- en afvoer van water geborgd bij perioden met hevige neerslag. Dit minimaal benodigde doorstroomprofiel is te vinden via de pagina Legger Wateren op de website van het hoogheemraadschap.

Om doorvaart van pleziervaart te garanderen is het nodig om de brug voldoende breed en hoog te maken. De minimale afmetingen voor bruggen in een recreatieve vaarroute staan in verordening van de provincie of de gemeente.

Artikel 2.23 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam en de bergingscapaciteit

Het minimaal benodigde doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd in de Legger Wateren, moet in stand worden gehouden. Een potentieel risico bij het plaatsen van een brug is uitspoeling van het talud. Door uitspoeling, verzakking van talud of oever wordt het doorstroomprofiel verkleind. Daarom is een regel opgenomen die er voor zorgt dat het risico van uitspoeling of uitzakken van het talud tot een minimum beperkt blijft. Aan- en afvoer van water blijft gewaarborgd evenals bergingscapaciteit. 

Bij aanleg van landhoofden in het water wordt water gedempt, waardoor de waterberging afneemt. Om vermindering van het waterbergend vermogen van het watersysteem te voorkomen dient dit verlies aan waterberging gecompenseerd te worden. Kleine dempingen voor landhoofden tot 35 m2 hoeven niet te worden gecompenseerd. Als in een project gelijktijdig of kort na elkaar meerdere bruggen of dammen aangelegd worden, wordt het oppervlak hiervan bij elkaar opgeteld ter bepaling van de benodigde compensatie ervan.

Artikel 2.24 Weghalen van de brug

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen wordt met het hoogheemraadschap afgestemd over het moment en de wijze waarop het weghalen wordt uitgevoerd.

Artikel 2.25 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.72.22 en 2.23.

Artikel 2.26 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het hoogheemraadschap wil elke aanleg van een aquaduct beoordelen op de te stellen voorwaarden en mogelijke aantasting van de betrokken belangen. Als een aquaduct geheel of gedeeltelijk in het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst kan dit effect hebben op de wateraanvoer of -afvoer en op de bergende functie van het water. Daarom worden eisen gesteld aan de afmeting van het kunstwerk moet het verlies aan waterberging gecompenseerd worden. Daarnaast kan het gewicht van het kunstwerk de stabiliteit van de oever beïnvloeden. Het plaatsen van een brug of een aquaduct kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Het is van belang dat een aquaduct het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam en de oevers niet belemmert. Wanneer deze kunstwerken te dicht bij elkaar liggen kan het doelmatig onderhoud met behulp van machines onmogelijk worden. Bij doorvaart en varend onderhoud zijn er eisen aan de hoogte van het kunstwerk ten opzichte van de waterlijn.

Artikel 2.28 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van duikers in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.29 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het plaatsen van duikers in een vaarweg, primair oppervlaktewater, kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Dit geldt ook voor het plaatsen, behouden of weghalen van een duiker, hevel of sifon in het gebied oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering. Sifons worden geplaatst als een gebied met eenzelfde waterpeil wordt doorsneden door een watergang met een ander, afwijkend waterpeil. Ook worden dit soort constructies gemaakt om het water van de ene waterloop in het gebied vast te houden, bijvoorbeeld als het water van een beek van een betere samenstelling is dan het water van een kanaal.

Een hevel is een geheel met water gevulde slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor water van hoge zijde naar de lage zijde stroomt. Hevels worden gebruikt om water vanuit een hoger gelegen waterpeil, over of door een waterkerende constructie, naar een lager gelegen waterpeil te voeren.

Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen, gelet op de functie en het gebruik van de watergang en de waterkering. Daarom zijn deze activiteiten aangewezen als vergunningplichtig. Duikers kunnen het bestaande en toekomstige vaarverkeer stremmen. Als een duiker in het oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst kan dit effect hebben op de doorstroming en de bergende functie van het water. De doorstroming van het primaire stelsel van wateren is van dusdanig belang dat het hoogheemraadschap de maatwerkberekening zelf wil uitvoeren. Het plaatsen van een duiker kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Artikel 2.30 Aanwijzing algemene regels

Aan het plaatsen, behouden en weghalen van duikers zijn algemene regels verbonden, als het plaatsen, behouden of weghalen niet valt onder de vergunningplichtige gevallen zoals vermeld in artikel 2.36.

Artikel 2.31 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de duiker aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de duiker wordt geplaatst of weggehaald en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de duiker aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de duiker en de objectgegevens.

Artikel 2.32 Afmetingen en capaciteit duiker

Bij het plaatsen van een dam is het belangrijk dat de waterverbinding aan weerzijden van de dam in stand blijft. Een duiker zorgt ervoor dat de benodigde aan- en afvoer van water niet gestremd of belemmerd wordt. De benodigde afmetingen van de duiker hangen af van hoeveel water er doorheen moet kunnen stromen in perioden met hevige neerslag of de wijze van onderhoud van de waterloop. Lange duikers vormen een risico voor de waterafvoer door een grote kans op verstopping en zijn lastiger te onderhouden. Bovendien kan in lange duikers zuurstofloos water ontstaan. Daarom vallen alleen duikers tot een lengte van 15 meter onder de informatieplicht.

Artikel 2.33 Waterpeil

Waterpeilen zijn afgestemd op onder meer de hoogte en het grondgebruik van gebieden. Als gebieden met verschillende waterpeilen op een onjuiste manier met elkaar verbonden worden kan water wegstromen uit het gebied met het hoogste waterpeil, waardoor het waterpeil daar zakt. Dit heeft met mogelijk nadelige gevolgen voor bijvoorbeeld funderingen van gebouwen of oevers. In het gebied met het laagste waterpeil waar het water dan heen stroomt kan het waterpeil dan stijgen, wat wateroverlast tot gevolg kan hebben.

Artikel 2.34 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Artikel 2.35 Weghalen duiker

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen is het nodig dit met het hoogheemraadschap af te stemmen over het moment en de wijze waarop het weghalen wordt uitgevoerd.

Artikel 2.36 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.7 en 2.32 tot en met 2.34.

Artikel 2.37 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen van een toegangsdam wordt gezien als twee gecombineerde activiteiten: het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en, indien dit voor de doorstroming van water noodzakelijk is, gaat het ook om het plaatsen van een duiker. Voor het plaatsen van een toegangsdam in het gebied kernzone van de waterkering, beschermingszone A van waterkering of vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen gelet op de functie en gebruik van de watergang en de waterkering, dit is per locatie anders. Het plaatsen van een toegangsdam kan leiden tot instabiliteit van de waterkering.

Artikel 2.39 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden en weghalen van een toegangsdam gelden algemene regels, tenzij de situatie valt onder de vergunningplichtige gevallen zoals genoemd in artikel 2.45. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.40 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen van de toegangsdam aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de toegangsdam wordt geplaatst of weggehaald en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de toegangsdam aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de toegangsdam en de objectgegevens.

Artikel 2.41 Aanleggen en onderhouden toegangsdam

Bij het plaatsen van een dam is het belangrijk dat de waterverbinding aan weerzijden van de dam in stand blijft. Een duiker zorgt voor de benodigde aan- en afvoer van water. De voorschriften voor de duiker staan onder de regels voor een oppervlaktewater verbindend kunstwerk.

De toegangsdam met duiker moeten worden onderhouden om te voorkomen dat de aan- en afvoer wordt gestremd of belemmerd. Denk hierbij aan het verzakken van de duiker, of het dichtslibben van de duiker of de groei van (water)planten voor de in- en uitstroom van de duiker.

Artikel 2.42 Bergingscapaciteit oppervlaktewaterlichaam

In perioden met hevige neerslag kan niet al het water direct worden afgevoerd. In het oppervlaktewater is ruimte om water tijdelijk te bergen door het waterpeil te laten stijgen tot het water kan worden afgevoerd. Om te voorkomen dat door het dempen van water voor de aanleg van de dam de capaciteit voor waterberging vermindert, is compensatie vereist. Kleine dempingen tot 35 m2 hoeven niet te worden gecompenseerd. Als in een project gelijktijdig of kort na elkaar meerdere dammen of bruggen aangelegd worden, wordt het oppervlak hiervan bij elkaar opgeteld ter bepaling van de benodigde compensatie ervan.

Artikel 2.43 Weghalen toegangsdam

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze buiten gebruik zijn gesteld en niet meer nodig zijn.

Artikel 2.44 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.72.41 en 2.42.

Artikel 2.45 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van steigers, vlonders en aanmeervoorzieningen in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering. 

Een drijvende steigervalt onder de definitie steiger en niet onder de definitie drijvend bouwwerk.

Bij aanmeervoorzieningen kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan remmingswerken, bolders, meerpalen, dukdalven of andere vergelijkbare aanleginrichtingen.

Artikel 2.46 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het gebied natuurvriendelijke oevers mag er niet zonder vergunning een steigervlonder of aanmeervoorziening worden geplaatst. Dit om de oevers te beschermen die zijn aangelegd ter bescherming, behoud en verbetering van de ecologische waterkwaliteit. 

Ook voor het plaatsen van een steigervlonder of aanmeervoorziening in een vaarweg, in een kernzone of beschermingszone A van de waterkering of een oppervlaktewaterlichaam is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen. Het effect op de waterkwaliteit verschilt per waterlichaam en per project. De gevolgen zijn bovendien afhankelijk van de constructie en de mate van bedekking van het water. 

Het plaatsen van een steigervlonder of aanmeervoorziening kan ook mogelijk invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Ook leidt het plaatsen van een steiger of aanmeervoorziening tot het versmallen van de vaarweg.

Artikel 2.47 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een (drijvende) steigervlonder of aanmeervoorziening in de gebieden hoge gronden en oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen, waterkeringen, rietoevers en natuurvriendelijke oevers, gelden algemene regels, mits er geen vergunningplicht geldt op basis van artikel 2.53. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.48 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de steigervlonder of aanmeervoorziening aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Een drijvende steiger valt onder de definitie steiger en niet onder de definitie drijvend bouwwerk

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de steigervlonder of aanmeervoorziening aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de steigervlonder of aanmeervoorziening en de objectgegevens.

Artikel 2.49 Plaatsing van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening

Om de afvoer van water in gebieden ook in perioden van hevige neerslag te kunnen borgen is het belangrijk dat er geen obstakels zijn binnen een afstand van 50 meter van een gemaal, inlaat of stuw, waar zich vuil kan ophopen. Bovendien is het vanuit veiligheidsoogpunt vanwege de periodiek hoge stroomsnelheid risicovol om binnen deze afstand van een gemaal, inlaat of stuw te zwemmen of varen. Daarom zijn bouwwerken alleen op grotere afstand toegestaan.

De steigervlonder of aanmeervoorziening met eventueel daartegen of onder aanwezige beplanting, bagger, etc. kunnen leiden tot belemmering van de waterdoorvoer. Daarom dienen deze te worden aangebracht buiten het ter plaatse geldende profiel van de legger wateren.

Om geen belemmering te vormen voor de doorvaart dient minimaal 6 meter waterloop vrij te blijven van obstakels, ook als het ter plaatse geldende profiel van de legger wateren kleiner is.

Artikel 2.50 Onderhoud van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening

Om hinder van een bouwwerk voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water en waterkering zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat het bouwwerk goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. De initiatiefnemer of rechtsopvolger is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het water of de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk. In het water kan zich daar meer slootvuil ophopen. Door de verantwoording voor het onderhoud van het water onder en rondom het bouwwerk bij te initiatiefnemer of rechtsopvolger te leggen, wordt bovendien de kans op aanbrengen van schade aan het bouwwerk door derden voorkomen.

Artikel 2.51 Weghalen van de steiger, vlonder of aanmeervoorziening

Het verwijderen van lange palen van steigers, vlonders of aanmeervoorzieningen uit de waterbodem kan tot gevolg hebben dat (grond-)waterscheidende lagen blijvend worden beschadigd. Door de paalgaten af te dichten met zwelklei wordt de waterscheidende eigenschappen hersteld en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld het oppervlaktewater via de paalgaten wordt belast met opkwellend zout grondwater. Bij korte palen wordt het risico als klein ingeschat en kan met algemene regels worden volstaan.

Wanneer de te verwijderen steigervlonder of aanmeervoorziening zich binnen of langs het gebied natuurvriendelijke oever bevindt, worden de werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd waarbij voorkomen wordt dat de vegetatie in de natuurvriendelijke oever wordt beschadigd. 

Artikel 2.52 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.72.49 tot en met 2.51.

Artikel 2.53 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van boothuizen in de gebieden oppervlaktewaterlichaam en de kernzone en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.54 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Boothuizen zijn bouwwerken die de vaarweg versmallen. Ook hebben deze mogelijk een negatief effect op de stabiliteit van waterkeringen of de ecologie, als er sprake is van een natuurvriendelijke oever. Daarom geldt er een vergunningplicht voor het plaatsen van een boothuis in een vaarweg, in de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en een natuurvriendelijke oever.

Artikel 2.55 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden en weghalen van een boothuis zijn algemene regels opgesteld waarmee de belangen van het hoogheemraadschap voldoende worden beschermd, tenzij er sprake is van een vergunningplicht zoals gesteld in artikel 2.54. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.56 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van het boothuis aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het boothuis wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het boothuis aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van het boothuis en de objectgegevens.

Artikel 2.57 Plaatsing van het boothuis

Om de afvoer van water in gebieden ook in perioden van hevige neerslag te kunnen borgen is het belangrijk dat er geen obstakels zijn binnen een afstand van 50 meter van een gemaal, inlaat of stuw, waar zich vuil kan ophopen. Bovendien is het vanuit veiligheidsoogpunt vanwege de periodiek hoge stroomsnelheid risicovol om binnen deze afstand van een gemaal, inlaat of stuw te varen. Daarom zijn boothuizen alleen op grotere afstand toegestaan.

Het boothuis met eventueel daartegen of onder aanwezige beplanting, bagger etc. kunnen leiden tot belemmering van de waterdoorvoer. Daarom dient dit te worden aangebracht buiten het ter plaatse geldende profiel van de legger wateren.

Om geen belemmering te vormen voor de doorvaart dient minimaal 6 meter waterloop vrij te blijven van obstakels, ook als het ter plaatse geldende profiel van de legger wateren kleiner is.

Rietoevers vervullen een belangrijke rol voor de ecologie waarde van het watersysteem. Het is daarom belangrijk dat deze behouden blijven. Boothuizen mogen daarom niet in een rietoever geplaatst worden, maar moeten langs het riet worden geplaatst. Via een losse loopplank kunnen deze dan worden bereikt zonder dat er schade wordt toegebracht aan het riet. 

Artikel 2.58 Onderhoud van het boothuis

Om hinder van een bouwwerk voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water en waterkering zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat het bouwwerk goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. De initiatiefnemer of rechtsopvolger is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het water of de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk. In het water kan zich daar meer slootvuil ophopen. Door de verantwoording voor het onderhoud van het water onder en rondom het bouwwerk bij te initiatiefnemer of rechtsopvolger te leggen, wordt bovendien de kans op aanbrengen van schade aan het bouwwerk door derden voorkomen.

Artikel 2.59 Weghalen van het boothuis

Het verwijderen van lange palen van boothuizen uit de waterbodem kan tot gevolg hebben dat (grond-)waterscheidende lagen blijvend worden beschadigd. Door de paalgaten af te dichten met zwelklei wordt de waterscheidende eigenschappen hersteld en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld het oppervlaktewater via de paalgaten wordt belast met opkwellend zout grondwater. Bij korte palen wordt het risico als klein ingeschat en kan met algemene regels worden volstaan.

Wanneer de te verwijderen boothuizen zich binnen of langs het gebied natuurvriendelijke oever bevindt, worden de werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd waarbij voorkomen wordt dat de vegetatie in de natuurvriendelijke oever niet wordt beschadigd. 

Artikel 2.60 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.72.572.58 en 2.59.

Artikel 2.61 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de primaire of regionale waterkering.

Artikel 2.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bij een overslaggevoelige waterkering zal het water wat over de waterkering heen komt tussen de constructie van de trap en de grond gaan zitten. Hierdoor ontstaat erosie aan het dijklichaam, wat de waterkering ernstig in gevaar brengt. Ook de overgangen tussen de harde trap en waterkering uit grondachtig materiaal zijn gevoelig voor uitspoeling. Een taludtrap zal erosiebestendig moeten worden ontworpen en geplaatst. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze gevallen vergunningplichtig.

Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een taludtrap het gebied kernzone of beschermingszone A van de regionale waterkering niet bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of kernzone van de overige waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.64 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen van de taludtrap aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de taludtrap wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de taludtrap aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de taludtrap en de objectgegevens.

Artikel 2.65 Constructie van de taludtrap

Bij een waterkering zonder golfoverslag zijn taludtrappen mogelijk. Taludtrappen vormen een mogelijk gevaar indien er golfoverslag kan voorkomen. Hierdoor kan grote erosie ontstaan rondom de waterkering.

Verzakking of andere afwijkingen van een taludtrap zijn niet te inspecteren als het één deel is. Bij meerdere delen valt dit makkelijker te inspecteren.

Artikel 2.66 Plaatsing van de taludtrap

Met het plaatsen van treden of leuningen kan ook onderloopsheid van de waterkering worden voorkomen. Leuningen worden bij voorkeur in het midden geplaatst. Met het begrip onderloopsheid wordt bedoeld dat er water onder een kade, dijk of ander kunstwerk stroomt als gevolg van een groot waterstandsverschil. 

Artikel 2.67 Onderhoud

Het beheer en onderhoud van de taludtrap en de grond eromheen wordt door of namens initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Het in goede staat houden van deze werken en het voorkomen van defecten draagt bij aan een goed beheer van de waterkering. 

Artikel 2.68 Weghalen taludtrap

Overbodige obstakels kunnen het onderhoud van de waterkering hinderen. Als een taludtrap buiten gebruik is en niet langer nodig moet deze worden weggehaald.

Artikel 2.69 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.65 tot en met 2.67.

Artikel 2.70 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van drijvende bouwwerken in de gebieden oppervlaktewaterlichaam en kernzone en beschermingszone A van de waterkering zonder hoge gronden. Onder drijvende bouwwerken worden objecten bedoeld zoals pontons, terrassen en dergelijken. Drijvende steigers vallen onder paragraaf 2.1.7, woonboten vallen onder paragraaf 2.1.11

Artikel 2.71 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Drijvende bouwwerken leiden tot een versmalling van de vaarweg. Indien de drijvende bouwwerken worden geplaatst voor een periode van langer dan één jaar, is er mogelijk sprake van significante, langdurige belemmering van het vaarverkeer en de doorstroming. Ook wordt door een drijvend bouwwerk die inspectie aan dijken belemmerd als deze hier langer dan één jaar ligt. Drijvende bouwwerken kunnen ook schade toebrengen aan natuurvriendelijke oevers, ongeacht de duur van de ligging. Daarom zijn de drijvende bouwwerken in deze situaties vergunningplichtig.

Artikel 2.72 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een drijvend bouwwerk voor een periode van maximaal 12 maanden in de gebieden vaarweg, kernzone en beschermingszone A van de waterkering en oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels, mits er geen vergunningplicht geldt op basis van artikel 2.71. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.73 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een drijvend bouwwerk aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het drijvende bouwwerk aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van het drijvend bouwwerk en de objectgegevens.

Artikel 2.74 Plaatsing van het drijvend bouwwerk

Om de afvoer van water in gebieden ook in perioden van hevige neerslag te kunnen borgen is het belangrijk dat er geen obstakels zijn binnen een afstand van 50 meter van een gemaal, inlaat of stuw, waar zich vuil kan ophopen. Bovendien is het vanuit veiligheidsoogpunt vanwege de periodiek hoge stroomsnelheid risicovol om binnen deze afstand van een gemaal, inlaat of stuw te zwemmen of varen. Daarom zijn bouwwerken alleen op grotere afstand toegestaan.

Rietoevers vervullen een rol in de ecologie. Schade aan rietoevers moet worden voorkomen en daarom zijn er regels gesteld aan hoe de drijvende bouwwerken vanaf het land bereikt kunnen worden.

Drijvende bouwwerken belemmeren mogelijk de doorvaart, de doorstroming en het onderhoud aan de waterloop. Als er minimaal zes meter aan vrije ruimte overblijft in het midden van de waterlopen, blijft er voldoende ruimte over zonder significante belemmeringen of stremmingen.

Artikel 2.75 Onderhoud van het drijvend bouwwerk

Een drijvend bouwwerk belemmert het beheer van en onderhoud aan de waterloop rondom het bouwwerk. De initiatiefnemer of rechtsopvolger is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud aan de waterloop rondom en onder het drijvende bouwwerk.

Artikel 2.76 Weghalen van het drijvend bouwwerk

Het verwijderen van lange palen van drijvende bouwwerken uit de waterbodem kan tot gevolg hebben dat (grond-)waterscheidende lagen blijvend worden beschadigd. Door de paalgaten af te dichten met zwelklei wordt de waterscheidende eigenschappen hersteld en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld het oppervlaktewater via de paalgaten wordt belast met opkwellend zout grondwater. Bij korte palen wordt het risico als klein ingeschat en kan met algemene regels worden volstaan.

Wanneer de te verwijderen drijvende bouwwerken zich binnen of langs het gebied natuurvriendelijke oever bevindt, worden de werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd waarbij voorkomen wordt dat de vegetatie in de natuurvriendelijke oever wordt beschadigd. 

Artikel 2.77 Maatwerkvoorschrift

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.72.74 tot en met 2.76.

Artikel 2.78 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van woonboten in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering. 

Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een woonboot in een vaarweg, in de kernzone en beschermingszone A van de waterkering of een oppervlaktewaterlichaam is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap.

Het effect op de waterkwaliteit verschilt per waterlichaam en per object. De gevolgen zijn bovendien afhankelijk van de constructie en de mate van bedekking van het water. Ook bij vaarwegen is de aantasting en versmalling van de vaarweg voor elke locatie anders. Woonboten kunnen de waterkering of de (ecologische) waterkwaliteit schaden. Voor waterveiligheid is het van belang dat de doorstroming gewaarborgd blijft, dat de dijkbekleding niet aangetast wordt en dat er geen erosie van de kering plaatsvindt. Daarbij moet het leggerprofiel van de waterkering aanwezig blijven en is het niet toegestaan dat er wordt gegraven in de waterkering.

Artikel 2.80 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanbrengen van verhard oppervlak in het beheergebied van het hoogheemraadschap. Het doel van deze regels is het beschermen van het functioneren van het bestaande oppervlaktewatersysteem en het voorkomen van wateroverlast door versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater. Deze regels gaan specifiek over de wijze waarop regenwater het watersysteem bereikt.

Regenwater dat op een onverhard oppervlak valt, zakt voor een belangrijk deel weg in de bodem (infiltratie). Een deel van het regenwater verdampt, een deel stroomt ondergronds vertraagd af naar het oppervlaktewater (ontwatering) of komt elders weer aan de oppervlakte (kwel), terwijl een ander deel terecht komt in het grondwater (wegzijging). Slechts een beperkt deel van de regen stroomt bovengronds direct af naar het oppervlaktewater. 

De mate waarin het water kan infiltreren verschilt per bodemtype. Zandgrond infiltreert goed en kan veel regenwater bergen, klei- en veengrond veel minder.

Bij het maken van werken, zoals bij de nieuwbouw van stedelijk gebied, de bouw van schuren of kassen, de aanleg van parkeerterreinen of wegen, is er sprake van het verharden van oppervlak waar voorheen water in de bodem kon infiltreren. Bij verhard oppervlak vindt nauwelijks of geen infiltratie in de bodem plaats. Vrijwel al het water stroomt direct of via het (regenwater)rioolstelsel af naar het oppervlaktewater. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote regenwaterhoeveelheid moet opvangen dan een onverhard oppervlak. Dat kan tot ongewenste peilstijgingen leiden. Tevens zal minder water worden toegevoegd aan het grondwater. Dit kan leiden tot (ongewenst) verlaging van de grondwaterstand en zelfs tot verdroging van de bodem.

Het hoogheemraadschap wil niet dat het oppervlaktewatersysteem na de realisering van een verhardingstoename zwaarder wordt belast dan voordien. Om het basisniveau voor preventie van wateroverlast te behouden, is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende waterberging wordt aangebracht zodat de extra regenwaterhoeveelheid in de ontwikkeling zelf geborgen kan worden en niet wordt afgewenteld op de omgeving (waterneutraal bouwen). De initiatiefnemer van de verhardingstoename neemt voldoende compenserende maatregelen, zodat het oppervlaktewatersysteem na de realisering van de verhardingstoename niet zwaarder wordt belast dan voordien. De kosten van deze maatregelen komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer. 

Het hoogheemraadschap hanteert de volgende voorkeurvolgorde voor het compenseren van de verhardingstoename: 

  • a.

    Infiltratie in de bodem, al dan niet met behulp van een infiltratievoorziening;.

  • b.

     Compensatie door realisatie extra oppervlaktewater

  • c.

    Compensatie door middel van alternatieve vormen van waterberging zoals bijvoorbeeld een wadi.

In het geval er gebruik gemaakt wordt van alternatieve vormen van waterberging, wil het hoogheemraadschap de alternatieve waterberging wel inzichtelijk hebben omdat het hoogheemraadschap deze waterberging opneemt in de legger. In dat geval zullen er dus regels gelden op grond van de waterschapsverordening.

Het hoogheemraadschap hanteert:

  • een vergunningplicht voor het aanbrengen van verhard oppervlak boven 2000 m2;

  • een zorgplicht (algemene regels) onder de 2000 m2.

Artikel 2.81 Aanwijzing van vergunningplichtige gevallen

Daar waar de verharding toeneemt met meer dan 2000 m2, is het nodig om de benodigde compensatiemaatregel te kwantificeren met een maatwerkberekening. Gezien de diversiteit aan grondsoorten, droogleggingen, afvoersituaties enzovoort zijn maatwerkberekeningen noodzakelijk om per verhardingstoename de vereiste hoeveelheid compensatie te bepalen.

Het hoogheemraadschap volgt overeenkomstig de handreiking wateroverlast beperken voor de compensatiemaatregelen de landelijke maatlat groen klimaatadaptieve gebouwde omgeving. De maatwerkberekening wordt gebaseerd op de in deze maatlat genoemde neerslagsituatie van 70 mm per uur die 1 keer per 100 jaar (T=100) voorkomt. 

Voor een meer exacte bepaling kan een ontwikkelaar ervoor kiezen om de benodigde compensatie zelf te berekenen. Hiervoor kunnen aanvullende modelberekeningen door of namens en voor rekening van de initiatiefnemer worden uitgevoerd. De benodigde compensatie kan hierbij iets hoger of lager uitvallen. Bij uitvoering van een modelberekening door de initiatiefnemer geeft het hoogheemraadschap de randvoorwaarden mee voor het bepalen van de referentiesituatie en benodigde compenserende maatregelen. Een initiatiefnemer kan hiervoor contact opnemen met het hoogheemraadschap.

Binnen de beschermingszones van waterkeringen geldt een vergunningsplicht voor verhardingen groter dan 25 m². Deze grens is gekozen omdat kleinere verhardingen meestal geen merkbaar effect hebben op de waterkering, terwijl grotere verhardingen wel risico’s kunnen veroorzaken. Grote verhardingen zorgen voor meer afstromend water, wat kan leiden tot waterophoping en daarmee de stabiliteit van de kering kan beïnvloeden. Ook kunnen ze de afwatering verstoren en het toezicht op de waterkering bemoeilijken. Daarom moet het hoogheemraadschap beoordelen of grotere verhardingen veilig zijn en geen risico vormen voor de waterkering. Kleinere verhardingen hebben meestal weinig effect en zijn daarom vergunningsvrij. Het hoogheemraadschap beoordeelt grotere verhardingen om te zorgen dat de veiligheid van de waterkering niet in gevaar komt.

Artikel 2.82 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanbrengen van verhard oppervlak met een maximum van 2000 m2 gelden algemene regels. Bij het aanbrengen van minder dan 230 m2 verhard oppervlakte geldt alleen de specifieke zorgplicht en hoeft er geen informatie te worden aangeleverd of compensatie te worden gerealiseerd. 

Deze regels gaan uit van het eenmalig aanbrengen van verharding. Wanneer een initiatiefnemer of de rechtsopvolger meerdere malen verhard oppervlak aanbrengt, ook met een oppervlakte minder dan totaal 230 m2, kan het hoogheemraadschap eventueel maatwerkvoorschriften stellen of geldt een vergunningplicht indien de grens van 2.000 m2 (cumulatief) wordt overschreden.

Artikel 2.83 Gegevens en documenten

De initiatiefnemer voor het verharden van een oppervlak levert vijftien dagen voor het graven informatie waaruit blijkt:

  • Wijze van verharden;

  • Locatie van de verharding

  • Locatie en de wijze van de compensatiemaatregel;

  • Startdatum en de geschatte einddatum van het aanbrengen van de verharding en de compensatiemaatregel. 

 

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het aanbrengen van het verhard oppervlak aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van het verhard oppervlak en de objectgegevens.

Artikel 2.84 Compensatie verhard oppervlak

In dit artikel heeft het hoogheemraadschap de voorkeursvolgorde voor compensatie uitgewerkt: 

  • a.

    Bij zandgrond is er sprake van verplichte infiltratie in de bodem vanwege het beschermen van de grondwaterstand; 

  • b.

    Ook bij andere grondsoorten heeft infiltratie in de bodem de voorkeur, voor zover dat niet leidt tot (grond)wateroverlast in de directe omgeving. 

Als de initiatiefnemer extra verhard oppervlak wil aanleggen in een gebied waar het niet mogelijk of wenselijk is regenwater snel in de bodem te infiltreren, is de volgende compensatie in de vorm van aanleg van oppervlaktewater vereist: 

Oppervlakte aanleg extra verhard oppervlak

Minimaal benodigd extra oppervlakte water, uitgedrukt als percentage van het aan te leggen extra verhard oppervlak

< 230 m²

Geen, op grond van artikel  2.84   vijfde lid

≥ 230 m² < 2.000 m²

15%

≥ 2.000 m²

Maatwerkberekening

Het benodigde extra wateroppervlak kan de initiatiefnemer realiseren door bestaande waterlopen te verbreden of door nieuw water te graven. Voor de realisatie van het benodigde compenserende oppervlaktewater hanteert het hoogheemraadschap de regels zoals opgenomen in de paragraven 2.1.23 'Graven van nieuw oppervlaktewater' en 2.1.24 'Verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam'.

Het hoogheemraadschap stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer de compensatiemaatregel voorafgaand aan het verharden van het oppervlak aanlegt. Een andere volgorde leidt tot een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem waardoor het risico voor wateroverlast toeneemt.

Artikel 2.85 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel gaat over activiteiten volgens artikel 2.3 en 2.84 waar het hoogheemraadschap de mogelijkheid heeft om maatwerkvoorschriften te stellen. Het biedt het hoogheemraadschap en de initiatiefnemer de mogelijkheid om af te wijken van de regels in artikel 2.84

Als er in het gebied geen of onvoldoende mogelijkheden zijn om compenserend oppervlaktewater te realiseren, kan compensatie plaatsvinden door de aanleg van een alternatieve vorm van waterberging, zoals bassins, doorlatende verharding met waterbuffering en -infiltratie en de bodem enz. Dit kan ook wenselijk zijn als er bijvoorbeeld sprake is van waterbuffering in de bodem. Over het toepassen van een alternatieve vorm van waterberging dient vooraf overleg te worden gevoerd en overeenstemming gekregen met het hoogheemraadschap.

De initiatiefnemer dient een maatwerkvoorschriftaanvraag te voorzien van de volgende gegevens:

  • Wijze van verharden;

  • Locatie van de verharding;

  • Locatie en de wijze van de compensatiemaatregel;

  • Startdatum en de geschatte einddatum van het aanbrengen van de verharding en de compensatiemaatregel;

  • Hoe de initiatiefnemer de zorgplicht overeenkomstig artikel 2.3 invult;

  • Hoe de initiatiefnemer de omgeving heeft betrokken bij het plannen voor het initiatief. 

Artikel 2.86 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.87 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het plaatsen van een windturbine in het het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het plaatsen, behouden en weghalen van een windturbine kan leiden tot instabiliteit van en schade aan de waterkering. 

Artikel 2.88 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen of behouden van een windturbine in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszones van de waterkering gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Buiten de waterkering en de beschermingszone geldt een informatieplicht, omdat de windturbine bij bezwijken nog steeds een gevaar kan vormen.

Artikel 2.89 Afstand tot de kernzone en beschermingszones van de waterkering

Windturbines worden steeds groter en daarom is er bepaald dat de afstand tot het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering gelijk moet zijn aan de hoogte. Hoogte is van maaiveld tot de top de wiek op het hoogste punt.

Artikel 2.90 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.89.

Artikel 2.91 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van bodemenergiesystemen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.92 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen van een bodemenergiesysteem kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering en de waterstromen in de waterkering zelf. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.93 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van ontgravingen in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Volgens het tweede lid van dit artikel worden een groot aantal activiteiten in andere paragrafen van de werking van de regels van deze paragraaf uitgezonderd.

Artikel 2.94 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Ontgravingen kunnen een negatieve invloed hebben op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.95 Aanwijzing algemene regels

Voor het uitvoeren van een ontgraving in beschermingszone B van de waterkering gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.96 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het uitvoeren van de ontgraving aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie van de ontgraving en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van de ontgraving aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de ontgraving en de objectgegevens.

Artikel 2.97 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3.

Artikel 2.98 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanbrengen of plaatsen van grond en bouwstoffen in de kernzone van de waterkering. 

In het tweede lid van dit artikel zijn activiteiten uitgezonderd die elders in de verordening al zijn geregeld. 

Artikel 2.99 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanbrengen of plaatsen van grond en bouwstoffen heeft vaak een grote impact op de waterkering. Daarom zijn deze ook niet onder te brengen in algemene regels. Elke situatie is zeer specifiek en zal dus individueel moeten worden beoordeeld. Om deze redenen moet dit dan ook vergunningplichtig in kernzone van de waterkering blijven. 

Grond en bouwstoffen omvat alle materialen die worden toegevoegd aan de bodem of in constructies, variërend van natuurlijke grondsoorten zoals zand en klei, tot primaire bouwmaterialen zoals grind en natuursteen, en gerecyclede materialen zoals betongranulaat.

Artikel 2.100 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.101 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen of weghalen van lozings- en ontrekkingswerken kan leiden tot instabiliteit van de waterkering. Voor deze activiteiten in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering. is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze gevallen vergunningplichtig. 

Artikel 2.102 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Artikel 2.103 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel kan leiden tot instabiliteit van de waterkering en kan effecten hebben op de waterstromen in de waterkering zelf. 

Samengestelde, gecontroleerde en peilgestuurde drainages zijn voorts typen drainages die van grotere invloed kunnen zijn op het functioneren van het watersysteem. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.104 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel in het beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.105 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de drainagebuis wordt geplaatst of ontwateringsgreppel wordt aangebracht en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de drainagebuis of het aanbrengen van de ontwateringsgreppel aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de drainagebuis of ontwateringsgreppel en de objectgegevens.

Artikel 2.106 Ligging en plaatsing

Als bijvoorbeeld na demping van één of meerdere waterlopen drainage aangebracht wordt zouden peilgrenzen, volgens het ter plaatse vastgestelde peilbesluit, kunnen worden gekruist. Dit zou in de praktijk dan een wijziging van peilgebieden tot gevolg hebben. Voor gewenste wijzigingen van het peilbesluit dient echter vooraf toestemming gevraagd te worden bij en verleend door het hoogheemraadschap.

Ter voorkoming van de verbinding van waterlopen wordt de hoge kant van de drainage meer dan 5 meter vanuit de insteek geplaatst. Drainage is bedoeld om het grondwaterniveau in percelen te reguleren. Het is echter niet de bedoeling dat er via drainage water gaat stromen tussen waterlopen aan weerzijden van een perceel. Door de voorgeschreven wijze van aanleg wordt dit voorkomen.

Artikel 2.107 Weghalen

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn.

Artikel 2.108 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.106.

Artikel 2.109 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van verticale drainages in het beheergebied. 

Artikel 2.110 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen van verticale drainage in de (nabijheid van) een waterkering kan ook een negatieve invloed hebben op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. 

Met verticale drainage wordt grondwater versneld uit slappe grondlagen zoals klei en veen weggehaald met als doel om versneld zettingen te realiseren en de draagkracht van deze slappe lagen in een kort tijdsbestek te verbeteren. Grind- en zandpalen hebben tot doel om drassigheid te verminderen maar in het risicovolle gebied verticale drainage kunnen deze onbedoeld tot zoute kwel leiden. 

In gebieden met zoute kwel remmen de klei- en veenlagen, door hun slechte doorlatendheid, de toestroom van zout grondwater uit de diepte naar het ondiepe grondwater en oppervlaktewater af. Wanneer de verticale drains in gebieden met zoute kwel de klei- en veenlagen perforeren is de natuurlijke barrière tegen verzilting beschadigd en neemt de verziltingsdruk toe. 

Ten behoeve van de oppervlaktewaterkwaliteit is het zonder de perforaties al noodzakelijk om het oppervlaktewatersysteem door te spoelen. De zoetwatervoorraad is beperkt en wordt door de klimaatverandering minder vanzelfsprekend. Het is onwenselijk dat de vraag naar zoetwater toeneemt. Het optreden van deze negatieve effecten is het hoogst in bepaalde risicovolle gebieden binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil daarom in de risicovolle gebieden voorkomen dat de verticale drainage de natuurlijke barrière tegen verzilting perforeren. 

Daarom wil het hoogheemraadschap elk geval van verticale drainage in de opgenomen beperkingengebieden vooraf beoordelen en geldt een vergunningplicht.

Artikel 2.111 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor het plaatsen en behouden van een verticale drainage in het niet risicovol gebied verticale drainage. De zorgplicht van artikel 2.3 en 4.3 is daarbij van toepassing. Het in stand houden van de grondwaterstand valt hier niet onder en wordt uitgezonderd van de zorgplicht voor verticale drainages.

In de niet risicovolle gebieden is de kans op negatieve effecten van verticale drainage klein en daarom is hier slechts de zorgplicht van toepassing. 

Artikel 2.112 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en 4.3, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder a van artikel 4.3.

Artikel 2.113 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van grondonderzoek in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.114 Aanwijzing algemene regels

Grondonderzoek heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap heeft algemene regels opgesteld om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.115 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het uitvoeren van het grondonderzoek aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het grondonderzoek wordt uitgevoerd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.116 Uitvoering

Dit artikel bevat voorwaarden om te waarborgen dat grondonderzoek zodanig wordt uitgevoerd dat de veiligheid van de waterkering niet in het geding komt. Werkzaamheden zoals sonderingen en boringen kunnen tijdelijke verzwakkingen in de dijk veroorzaken. Het is daarom van belang om deze alleen onder geschikte omstandigheden uit te voeren.

Het gesloten seizoen, dat loopt van oktober tot en met april, valt grotendeels binnen de periode waarin de kans op waterkeringbedreigende omstandigheden toeneemt. Binnen deze maanden kunnen zich echter ook droge en stabiele omstandigheden voordoen waarin grondonderzoek wel mogelijk is.

Werkzaamheden zijn niet toegestaan bij wateroverlast, hogere waterstanden dan de normale peilen, verweking van de waterkering of andere omstandigheden die de stabiliteit van de kering kunnen bedreigen. Daarnaast mogen de werkzaamheden alleen plaatsvinden wanneer de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade ontstaan.

Na uitvoering van het grondonderzoek dienen boorgaten zorgvuldig te worden afgedicht met zwelstaven of kleikorrels. Daarmee worden ongewenste verbindingen tussen watervoerende lagen voorkomen.

Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de actuele weersomstandigheden en de toestand van de waterkering. Bij twijfel over de uitvoerbaarheid of mogelijke risico’s wordt geadviseerd contact op te nemen met het hoogheemraadschap.

Artikel 2.117 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in het artikel 2.116.

Artikel 2.118 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van seismisch onderzoek iin het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Artikel 2.119 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het uitvoeren van seismisch onderzoek heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.120 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van peilbuizen in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels

Het plaatsen van peilbuizen heeft invloed op de grondmechanische stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Het hoogheemraadschap heeft algemene regels opgesteld om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.122 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het uitvoeren van de activiteiten aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.123 Uitvoering

Dit artikel dient er om te zorgen dat de werkzaamheden enkel buiten kritische perioden uitgevoerd worden. Door werkzaamheden zoals sonderingen en peilbuizen plaatsen, creëer je zwakke plekken in de dijk, terwijl het belangrijk is deze intact te houden, zodat deze op het moment van hoog water of storm zijn functie uit kan voeren. Wateroverlast, hoge waterstanden en verweking van de waterkering (of een combinatie hiervan) kan het risico vergroten van een instabiele dijk. Het gesloten seizoen duurt van oktober t/m april. Dit is een vrij lange periode waarbinnen we ook vaak te maken hebben met normale/droge omstandigheden. In deze perioden kunnen bovenstaande werkzaamheden zonder risico's uitgevoerd worden. De toezichthouder dijken is op de hoogte van de werkzaamheden en kan tevens bepalen of het waterkeringbedreigende omstandigheden betreft.

Artikel 2.124 Weghalen van een peilbuis

In dit artikel zijn de algemene regels beschreven die van toepassing zijn bij het weghalen van een peilbuis. 

In dit artikel wordt genoemd dat de afsluitende laag moet worden afgesloten met zwelklei. Zwelklei is een kleisoort met grote zwelcapaciteit en lage doorlatendheid en wordt o.a. gebruikt voor het dichten van gaten in de kernzone of beschermingszone van de waterkering. Werkzaamheden kunnen gaten achterlaten in de onderliggende grondlagen. Door toepassing van zwelklei worden gaten afgedicht. Dit gebeurt doordat de klei het aanwezige water in de ondergrond opneemt en opzwelt. Hiermee is het gat afgedicht.

Artikel 2.125 Maatwerkvoorschriften

Artikel 2.247 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.123 en 2.124.

Artikel 2.126 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen in het gebied oppervlaktewaterlichaam en de kernzone en beschermingszones van de waterkering.

De paragraaf is niet van toepassing als er bij het leggen van de kabelleiding of huisaansluiting gebruik wordt gemaakt van bestaande mantelbuizen en er minimale grondroering nodig is om de mantelbuis te bereiken. In dat geval is er namelijk geen risico dat onze belangen worden geschaad. Daarom is dit uitgezonderd van werking van de waterschapsverordening.

Artikel 2.127 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het leggen of weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen heeft invloed op de stabiliteit en waterdichtheid van de waterkering. Bij een mediumvoerende leiding bestaat er een kans op het ontstaan van een ontgrondingskuil bij falen van de leiding. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.128 Aanwijzing algemene regels

Voor het leggen, behouden en weghalen van een kabel of leiding in het gebied oppervlaktewaterlichaam, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.129 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het leggen of weghalen van de kabelleiding of huisaansluiting aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de kabelleiding of huisaansluiting wordt gelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk vier weken na afronding van het leggen van de kabelleiding of huisaansluiting aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de kabelleiding of huisaansluiting en de objectgegevens.

Artikel 2.130 Ligging van de kabel, leiding of huisaansluiting

De kabelleiding of huisaansluiting moet worden gelegd op een afstand van ten minste 1 meter uit het leggerprofiel of (als het bestaande profiel groter is dan het leggerprofiel) 1 meter uit het bestaande profiel. Dit geldt voor zowel langsliggende als kruisende kabels, leidingen en huisaansluitingen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat dit een diepte is die bij normaal onderhoud geen hinder of schade veroorzaakt.

Om schade aan kabels, leidingen en huisaansluitingen bij onderhoud aan kunstwerken als bruggen, duikers, stuwen en gemalen te voorkomen moeten kabels, leidingen en huisaansluitingen op een zodanige afstand worden gelegd dat dit onderhoud niet belemmerd wordt.

Een kabelleiding of huisaansluiting kan aan een brug worden bevestigd als de doorvaartbreedte en -hoogte van de brug hierdoor niet kleiner worden. Bovendien moet vervanging of aanpassing van de brug mogelijk blijven.

Artikel 2.131 Tijdens en direct na werkzaamheden 

De aan- en afvoer van water en beroeps- of recreatievaart moeten geborgd blijven bij het leggen van kabels en leidingen. Het stremmen of belemmeren van de waterdoorvoer zou namelijk kunnen leiden tot overlast en schade in het gebied.

Herstel van talud en waterbodem zijn van belang om uitspoeling van de bodem en oever te voorkomen. Daardoor zouden kabels en leidingen bloot kunnen komen te liggen met mogelijke schade bij onderhoud tot gevolg. Door uitzakken of uitspoelen van de oever of van de waterbodem komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Artikel 2.132 Behouden en onderhoud van een kabel, leiding of huisaansluiting

Kabels en leidingen zijn obstakels in de kernzone of beschermingszone van een waterkering of in de waterbodem of oever waar rekening mee moet worden gehouden bij onderhoud of graafwerkzaamheden. Zodra een kabel of leiding buiten bedrijf is gesteld, is het uitgangspunt dat deze wordt verwijderd. 

Door lekkage kan schade ontstaan aan het water en de oevers en daarmee hinder van de aan- en afvoer van water. Daarom moeten leidingen in een zodanige staat worden onderhouden dat er geen lekkage ontstaat. Het in goede staat houden van kabels en leidingen voorkomt schade aan het watersysteem.

Bij onderhoud van het water bestaat het risico dat kabels en leidingen beschadigen. Daarom moeten ze minimaal 1 meter onder de vaste waterbodem worden gelegd. Hierbij wordt er van uitgegaan dat dit een diepte is die bij normaal onderhoud geen hinder of schade veroorzaakt.

Herstel van talud en waterbodem zijn van belang om uitspoeling van de bodem en oever te voorkomen. Daardoor zouden kabels- en leidingen bloot kunnen komen te liggen met mogelijke schade bij onderhoud tot gevolg. Door uitzakken of uitspoelen van de oever of van de waterbodem komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Beschadigde kabels en leidingen kunnen zorgen voor schade aan het oppervlaktewater en de oevers en daarmee de aan- en afvoer van water hinderen. Daarom moeten ze zo spoedig mogelijk weggehaald, gerepareerd of vervangen worden.

Een buiten gebruik gestelde kabel kan in de loop der tijd in kwaliteit achteruitgaan. Hierdoor ontstaat het risico dat kwelwater langs of door de kabel gaat stromen, wat erosie van de omliggende bodem tot gevolg kan hebben. Om deze risico’s te voorkomen, dient een buiten gebruik gestelde kabel te worden verwijderd.’

Artikel 2.133 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikelen 2.130 tot en met 2.132

Artikel 2.134 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het graven van proefsleuven in het gebied kernzone van de waterkering en in beschermingszone A van de waterkering.

Artikel 2.135 Aanwijzing algemene regels

Het graven van een proefsleuf heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering. Het hoogheemraadschap heeft daarom algemene regels opgesteld om deze invloed zoveel mogelijk te mitigeren. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.136 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het graven van de proefsleuf aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.137 Toegestane ontgravingen

Grote ontgravingen kunnen invloed hebben op de stabiliteit of waterdichtheid van een waterkering. Beperkte ontgravingen volgens de algemene regels in dit artikel zijn wel toegestaan. Proefsleuven op een primaire kering moeten buiten het gesloten seizoen gegraven worden. 

Artikel 2.138 Aanvullen van de ontgraving

De erosiebestendigheid van de waterkering moet gewaarborgd blijven. Door het graven van de proefsleuf wordt de erosiebestendige deklaag weggehaald. Het weghalen van grond uit een kering kan leiden tot instabiliteit door het verplaatsen van gewicht in de kering.

Artikel 2.139 Grasmat

De erosiebestendigheid van de waterkering moet gewaarborgd blijven. Na het graven van proefsleuven moet de grasmat hersteld worden om te zorgen dat er geen erosie optreedt.

Artikel 2.140 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.137 tot en met 2.139.

Artikel 2.141 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het graven van nieuwe sloten en watergangen oppervlaktewater in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Wanneer in een vergunning (voor bijvoorbeeld een demping of verhardingstoename) als compenserende maatregel wordt voorgeschreven dat er oppervlaktewater moet worden gegraven, valt het uitvoeren daarvan onder de voorschriften van die desbetreffende vergunning. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat in dat geval paragraaf 2.1.23 niet van toepassing is. 

Artikel 2.142 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder een vergunning een sloot of watergang te graven in de kernzone of beschermingszone A van een waterkering. Een sloot of watergang kan de stevigheid van de waterkering ondergraven

Het is verboden zonder een vergunning een sloot of watergang in of langs een hellend gebied te graven. Hellende gebieden zijn de duinen, de strandwallen en stuwwallen of die gebieden waar geen peilbesluitplicht geldt. Sloten of watergangen in hellende gebieden kunnen de grondwaterstand onnodig verlagen als deze te diep of niet altijd watervoerend zijn gegraven. Het hellend gebied is vrij afwaterend en het benodigde profiel voor de aan-/afvoer van water is onder meer afhankelijk van de helling van de bodem van het oppervlaktewaterlichaam. De helling van de bodem volgt vaak de helling van het maaiveld en de wateren zijn soms alleen bij neerslag watervoerend. In deze gebieden, bestaande uit de duinen en duinrand en de stuwwallen op Texel en Wieringen, is het noodzakelijk afwijkende normen te hanteren. De wateren moeten voldoende afvoercapaciteit hebben. Maar de wateren mogen niet te diep worden gemaakt, omdat dit de grondwaterstand (negatief) kan beïnvloeden.

Het is verboden zonder vergunning een sloot of watergang te graven in de Wieringermeer en de Westzanerpolder. Deze polders hebben zoute kwel waarbij het slootpatroon is ontworpen op enerzijds het afvangen van de kwel (diepe sloten en watergangen) en anderzijds het vasthouden van neerslagwater met de ondiepe sloten of beddingen die kunnen droogvallen. Een nieuwe sloot of watergang kan de balans in of tussen deze systemen verstoren. In de Wieringermeer en Westzanerpolder gelden daarom afwijkende uitgangspunten voor het secundaire en tertiaire stelsel.

Artikel 2.143 Aanwijzing algemene regels

Algemene regels gelden voor het graven van nieuwe sloten/watergangen wanneer dit niet valt onder de vergunningplicht zoals gesteld in artikel 2.142, of wanneer het graven van oppervlaktewater wordt voorgeschreven als compenserende maatregel van een andere vergunningplichtige activiteit. 

Artikel 2.144 Gegevens en documenten

De initiatiefnemer voor het graven van een nieuwe sloot of watergang levert vijftien dagen voor het graven informatie waaruit blijkt:

  • Wijze van ontgraven;

  • Locatie waar de sloot gegraven wordt;

  • Lengte van de sloot en de profielafmetingen; 

  • Startdatum en de geschatte datum dat het graven gereed is. 

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het graven van het water aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt gegraven en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Wanneer zich in de toekomstige waterbodem een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden uitgevoerd. De waterbodemimmissietoets heeft tot doel om te bepalen of de kwaliteit van de toekomstige waterbodem nadelige effecten heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. 

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het graven aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van het oppervlaktewater en de objectgegevens.

Artikel 2.145 Eisen aan het oppervlaktewater

Het hoogheemraadschap stelt de volgende eisen aan een nieuwe sloot of watergang:

  • a.

    Een nieuwe sloot of watergang mag geen verbinding maken tussen gebieden met verschillende waterpeilen. De waterpeilen zullen hierdoor veranderen. Dat kan nadelige gevolgen hebben voor onder andere het grondgebruik, funderingen van gebouwen en oevers van het hoge gelegen peilgebied. Voorafgaand aan een dergelijke wijziging van waterpeilen dient een belangenafweging uitgevoerd te worden, en een wijziging van het peilbesluit door het hoogheemraadschap te worden vastgesteld..

  • b.

    De afmetingen zijn afhankelijk van de hoeveelheden water die door een sloot of watergang moet stromen. Deze hoeveelheden baseert het hoogheemraadschap voor een afvoersloot op een neerslaghoeveelheid die statistisch één keer per jaar valt op het bovenstrooms gelegen afstromend oppervlak van de sloot. Voor een aanvoersloot baseert het hoogheemraadschap zich op het oppervlak van het verzorgingsgebied van de aanvoerlocatie. Voor de afmetingen van de meeste sloten is een berekening nodig. Voor het gebruik van deze algemene regel heeft het hoogheemraadschap de afmetingen van een nieuwe sloot of watergang vastgesteld op een doorstroomprofiel met een breedte van minimaal 2 meter op de waterlijn. Daarom dient een initiatiefnemer hiervoor tijdig contact op te nemen met het hoogheemraadschap voor het bepalen van de juiste afmetingen en leggerclassificatie.

  • c.

    De vorm van de sloot en watergang is zodanig dat de helling van de slootkant stabiel is. Afhankelijk van de grondsoort is de helling flauwer of steiler, maar nooit steiler dan 1 : 1,5. 

Wanneer zich in de toekomstige waterbodem een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden uitgevoerd. De waterbodemimmissietoets heeft tot doel om te bepalen of de kwaliteit van de toekomstige waterbodem nadelige effecten heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Wanneer een grondverontreiniging boven de interventiewaarde wordt verwijderd, zodat geen interventiewaardenoverschrijdingen zich meer bevinden in de toekomstige waterbodem, kan een waterbodemimmissietoets achterwege blijven.

Artikel 2.146 Ligging van het oppervlaktewater

Dit artikel gaat over de plek waar de nieuwe sloot of watergang gegraven wordt. Die plek bevindt zich op het eigendom van de initiatiefnemer.

Artikel 2.147 Oppervlak en diepte van de ontgraving

Dit artikel is opgesteld ten behoeve van het beschermen van de plaatselijke bodemomstandigheden, waarbij moet worden voorkomen dat bijvoorbeeld toename van (zoute) kwel of opbarsten kan optreden. 

Artikel 2.148 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.7 en 2.145 tot en met 2.147.

Artikel 2.149 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam de gebieden oppervlaktewaterlichaam en kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Wanneer in een vergunning (voor bijvoorbeeld een demping of verhardingstoename) als compenserende maatregel wordt voorgeschreven dat een bestaand oppervlaktewaterlichaam moet worden verbreed, valt het uitvoeren daarvan onder de voorschriften van die desbetreffende vergunning. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat in dat geval paragraaf 2.1.24 niet van toepassing is. 

Artikel 2.150 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het verbreden van bestaand water in de nabijheid van een waterkering kan leiden tot instabiliteit van de waterkering. In de Westzanerpolder en Wieringermeer kan opbarsting met zoute kwel optreden bij een ontgraving. In bestaande waterlopen kunnen voorzieningen zijn getroffen om opbarsten te voorkomen in de vorm van een zinkstuk met ballast daarop. In hellend gebied zoals de binnenduinrand, Wieringen en Texel, kan een verbreding tot extra ontwatering van het gebied leiden. De aanvoer van water naar hellend gebied is niet mogelijk waardoor extra ontwatering niet altijd wenselijk is. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.151 Aanwijzing algemene regels

Voor het verbreden van bestaand water in het gebied oppervlaktewaterlichaam buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten de vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap en het hellend gebied en gebied met droge beddingen en in beschermingszone B van primaire waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.152 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het verbreden van het water aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt verbreed en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Wanneer zich in de toekomstige waterbodem een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden uitgevoerd. De waterbodemimmissietoets heeft tot doel om te bepalen of de kwaliteit van de toekomstige waterbodem nadelige effecten heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Wanneer een grondverontreiniging boven de interventiewaarde wordt verwijderd, zodat geen interventiewaardenoverschrijdingen zich meer bevinden in de toekomstige waterbodem, kan een waterbodemimmissietoets achterwege blijven.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van de verbreding aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van de verbreding en de objectgegevens.

Artikel 2.153 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam over de breedte en diepte.

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind.

Obstakels kunnen de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn.

Wanneer uit de waterbodemimmissietoets blijkt dat de grondverontreiniging boven de interventiewaarde in de toekomstige waterbodem geen nadelige gevolgen heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kunnen de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden zonder aanvullende maatregelen.

Artikel 2.154 Oppervlak en diepte van de ontgraving

Dit artikel is opgesteld ten behoeve van het beschermen van de plaatselijke bodemomstandigheden, waarbij moet worden voorkomen dat bijvoorbeeld toename van (zoute) kwel of opbarsten kan optreden.

Artikel 2.155 Ligging van het oppervlaktewater

Vanuit de legger is bepaald dat over het algemeen, bij secundaire waterlopen, de kadastrale eigenaren aan weerszijden van de waterloop elk verantwoordelijk zijn voor de helft van het onderhoud. Daarom moet de grond ter plaatse van de verbreding eigendom zijn van de initiatiefnemer, om te voorkomen dat een derde partij meer onderhoud moet uitvoeren.

Artikel 2.156 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.72.153 en 2.154.

Artikel 2.157 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het dempen of versmallen van oppervlaktewater in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de waterkering.

Onder geheel dempen wordt verstaan het dempen over de gehele breedte van een waterloop. Onder versmallen van een waterloop wordt verstaan het gedeeltelijk dempen van een waterloop, bijvoorbeeld door het talud aan te passen, of door het aanleggen van een eiland in een groot water of het plaatsen van een pijler voor een brug. 

Artikel 2.158 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het versmallen van bestaand primair oppervlaktewater is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Primaire waterlopen zijn zeer belangrijk voor de aan- en afvoer van water. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Voor een goede aan- en afvoer van water is het belangrijk dat waterlopen van voldoende afmeting blijven, met name die oppervlaktewateren die nodig zijn voor het waterbeheer op regionaal en polderniveau. Door middel van een categorie-indeling geeft het hoogheemraadschap het belang van elk oppervlaktewaterlichaam. Om schade te beperken tijdens de steeds vaker optredende klimaatbuien is het nodig om het overschot aan water flexibel te kunnen sturen naar speciaal hiervoor ingerichte waterbergingen of naar locaties waar de schade minder groot is. Hierin spelen de zogenoemde primaire en secundaire oppervlaktewateren een belangrijke rol. 

Artikel 2.159 Aanwijzing algemene regels

Voor het dempen van een tertiair oppervlaktewater en het versmallen of verondiepen van een secundair of tertiair oppervlaktewater, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het is hierbij belangrijk dat er geen afgesloten oppervlaktewater over blijft dat niet vrij kan afstromen naar het omringende watersysteem.

Artikel 2.160 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het dempen of versmallen van het water aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het water wordt gedempt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van de demping, versmalling of verondieping aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van de demping, versmalling of verondieping en de objectgegevens.

Artikel 2.161 Demping over de totale lengte

Tertiaire oppervlaktewateren zijn de haarvaten van het regionale watersysteem. Omdat ze een beperkte rol hebben in de aan- en afvoer van water kunnen ze worden gedempt onder de voorwaarde dat het water over een bepaalde lengte volledig wordt gedempt. Het is hierbij belangrijk dat er geen afgesloten oppervlaktewater over blijft dat niet vrij kan afstromen naar het omringende watersysteem. De strekking van de regel is dat er geen nieuw doodlopende watergangen ontstaan. Voor zover er sprake is van een reeds bestaande doodlopende watergang mag deze wel worden verkort.

Artikel 2.162 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het oppervlaktewater over de breedte en diepte.

Nieuwe watergangen dienen te worden aangelegd met grotere afmetingen dan de leggerafmetingen. Dit om te voorkomen dat bij eventuele aanwezige bagger, begroeiing e.d. meteen niet meer voldaan wordt aan de leggerafmetingen.

Door uitzakken of uitspoelen van de oever komen grond of andere stoffen in het water. Hiermee wordt het doorstroomprofiel verkleind. Een te steile taludhelling vergroot de kans op uitzakken of uitspoelen van de oever.

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn.

Artikel 2.163 Compensatie

In perioden met hevige neerslag kan niet al het water direct worden afgevoerd. In het oppervlaktewater is ruimte om water tijdelijk te bergen door het waterpeil te laten stijgen tot het water kan worden afgevoerd. Om te voorkomen dat door het dempen of versmallen van oppervlaktewater de capaciteit voor waterberging vermindert, is compensatie vereist.

Artikel 2.164 Ligging van het oppervlaktewater

Vanuit de legger en onderhoudsverordening is bepaald dat over het algemeen, bij secundaire en tertiaire watergangen, de kadastrale eigenaren aan weerszijden van de watergang elk verantwoordelijk zijn voor de helft van het onderhoud. Daarom moet de grond ter plaatse van de versmalling of verondieping eigendom zijn van de initiatiefnemer, om te voorkomen dat een derde partij meer onderhoud moet uitvoeren. Het kan namelijk zijn dat er na versmalling en/of verondieping van een watergang intensiever onderhoud nodig is om te kunnen blijven voldoen aan de benodigde aan- en/of afvoernormen.

Artikel 2.165 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.7 en 2.161 tot en met 2.163.

Artikel 2.166 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiing in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering en beschermingszone A van de van de waterkering. Een beschoeiing bestaat veelal uit een verticaal geplaatste houten wand. Het is een type (profiel)verdediging ook wel oeverbescherming genoemd. Andere typen profielverdedigingen zijn bijvoorbeeld een damwand, kademuur, perkoenpalen, wiepen of betuining. Het zijn grondkerende constructies om afkalving van de oever (of het talud) te voorkomen zodat de doorstroming of het vaarwegverkeer niet wordt belemmerd door afgekalfde grond.

Artikel 2.167 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van beschoeiing en andere profielbeschermingen in het gebied vaarweg in beheer bij het hoogheemraadschap of kernzone of beschermingszone A van de waterkering is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval apart beoordelen, zo'n voorziening is op elke locatie anders. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Artikel 2.168 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen, behouden of weghalen van een beschoeiing en andere profielbeschermingen in het gebied oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels, mits er geen vergunningplicht geldt op basis van artikel 2.167. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.169 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de beschoeiing of andere profielbeschermingen wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de beschoeiing of andere profielbescherming aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve ligging van de beschoeiing of andere profielbescherming en de objectgegevens.

Wanneer een beschoeiing of andere profielbescherming wordt weggehaald en niet wordt teruggeplaatst, kan het op grond van dit artikel nodig zijn om een waterbodemimmissietoets te overleggen. Met een waterbodemimmissietoets wordt bepaald of een grondverontreiniging boven de interventiewaarden de oppervlaktewaterkwaliteit wel of niet negatief beïnvloedt. Wanneer een grondverontreiniging boven de interventiewaarde in de grond, oever of waterbodem wordt verwijderd, zodat geen interventiewaardenoverschrijdingen zich meer bevinden in de toekomstige oever, kan een waterbodemimmissietoets achterwege blijven.

Artikel 2.170 Plaatsing beschoeiing of andere profielbescherming

Een beschoeiing of andere profielbescherming is een constructie die de oever beschermt tegen uitzakken of uitspoelen van de oever. In sommige gebieden voeren we in bepaalde perioden van het jaar (meestal zomerperiode) hogere waterpeilen. Als de beschoeiing wordt geplaatst bij het hoogst gevoerde waterpeil is het niet nodig om het verlies van waterberging te compenseren.

Een beschoeiing dient in goede staat gehouden te worden, om bijvoorbeeld te voorkomen dat grond langs de beschoeiing of de beschoeiing zelf in de watergang zakt.

Artikel 2.171 Weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn. Om dit op een veilige manier te doen is het vereist om met het hoogheemraadschap af te stemmen over het moment en de wijze waarop het weghalen wordt uitgevoerd.

Als een beschoeiing verwijderd wordt, en er daarna op dezelfde plaats geen nieuwe beschoeiing aangebracht zal worden, is er in sommige gebieden kans op uitloging van grondverontreiniging naar het oppervlaktewater. Dat moet worden voorkomen. Daarom, als er een bestaande verontreiniging bekend is waarin de interventiewaarde wordt overschreden, moet er in deze gevallen een waterbodemimmissietoets worden uitgevoerd.

Wanneer uit de waterbodemimmissietoets blijkt dat de grondverontreiniging boven de interventiewaarde in de grond, oever of waterbodem geen nadelige gevolgen heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan de beschoeiing worden verwijderd zonder aanvullende maatregelen. 

Artikel 2.172 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.7 en 2.170.

Artikel 2.173 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van natuurvriendelijke oevers in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering, beschermingszone A van de waterkering en natuurvriendelijke oever.

Wanneer in een vergunning (voor bijvoorbeeld een demping of verhardingstoename) als compenserende maatregel wordt voorgeschreven dat er oppervlaktewater moet worden gegraven, valt het uitvoeren daarvan onder de voorschriften van die desbetreffende vergunning. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat in dat geval paragraaf 2.1.27 niet van toepassing is.

Artikel 2.174 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in het gebied kernzone van de waterkering of de beschermingszone A van de waterkering, is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval apart beoordelen, zo'n oever is op elke locatie anders. Deze activiteit is daarom vergunningplichtig.

Artikel 2.175 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever in het gebied oppervlaktewaterlichaam, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.176 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van de natuurvriendelijke oever en de objectgegevens.

Artikel 2.177 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam

Bij aanleg van de natuurvriendelijke oever buiten het doorstroomprofiel wordt de waterafvoer niet gehinderd. In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Obstakels kunnen de doorstroming van het water of het onderhoud van het water hinderen en moeten daarom weggehaald worden als ze niet meer nodig zijn.

Het wateroppervlak binnen de natuurvriendelijke oever draagt bij aan de waterberging van een gebied.

Zonder onderhoud kan door de groei en sterfte van oeverplanten na enige tijd de bodem boven water komen te liggen zodat er geen waterberging meer kan plaatsvinden. Dit moet worden voorkomen.

Wanneer uit de waterbodemimmissietoets blijkt dat de grondverontreiniging boven de interventiewaarde in de toekomstige waterbodem geen nadelige gevolgen heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kunnen de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden zonder aanvullende maatregelen.

Artikel 2.178 Onderhoud

De natuurvriendelijke oever functioneert het beste als deze goed wordt onderhouden. Zonder onderhoud vindt verlanding plaats.

Artikel 2.179 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.72.177 en 2.178.

Artikel 2.180 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het ophogen van percelen in het gebied bergingsgebied. Bergingsgebieden zijn gebieden die specifiek zijn aangelegd om de waterberging in de polder te vergroten om zo de wateroverlast in de polder te beperken. Bergingsgebieden zijn meestal ook ruimtelijk vastgelegd.

Artikel 2.181 Aanwijzing algemene regels

Voor het ophogen van percelen in een bergingsgebied gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.182 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het ophogen van percelen in een bergingsgebied aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het perceel wordt opgehoogd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het ophogen van percelen aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van de ophoging en de objectgegevens.

Artikel 2.183 Compensatie verlies bergingscapaciteit

Als door hevige neerslag vanuit het watersysteem omliggende percelen en of bebouwing onder water komen te staan spreken we van wateroverlast door inundatie. In diverse polders zijn waterbergingsgebieden gerealiseerd om de wateroverlast in de polder te beperken. Deze bergingsgebieden dienen om overtollig regenwater tijdelijk te bergen om wateroverlast bij aangrenzende percelen te beperken. Het ophogen van deze percelen leidt tot vermindering van de bergingscapaciteit waardoor de rest van de polder meer/sneller wateroverlast kan krijgen. De hoeveelheid water die in de oude situatie op het perceel kon worden geborgen, oftewel de bergingscapaciteit, moet worden gecompenseerd. Daarom dient een initiatiefnemer hiervoor tijdig contact op te nemen met het hoogheemraadschap voor het bepalen van de benodigde compensatie en de realisatie daarvan.

Artikel 2.184 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.183

Artikel 2.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het realiseren of wijzigen van peilafwijkingen in het beheergebied van het hoogheemraadschap.

Een peilafwijking met behulp van een pomp valt niet onder deze activiteit. Een peilregeling die wordt gerealiseerd door waterinlaat van buiten de polder, zoals water uit de boezem of het IJsselmeer valt niet onder deze activiteit.

Artikel 2.186 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Indien buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen de peilafwijking niet kan worden gerealiseerd of gewijzigd met bestaande kunstwerken, wordt vergunning aangevraagd.

Voor het verlagen of verhogen van het waterpeil door middel van een pomp is een vergunning noodzakelijk om voorschriften vast te leggen over de maximale verlaging of verhoging van het waterpeil. 

Door het aanvoeren van water van buiten de polder, wordt het gemaal mogelijk te veel extra belast. Om eventuele effecten hiervan te beoordelen moet vergunning aangevraagd worden.

Artikel 2.187 Aanwijzing algemene regels

Voor het realiseren of wijzigen van een peilafwijking in het aangewezen gebied peilafwijkingen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.188 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het realiseren of wijzigen van de peilafwijking aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de peilafwijking wordt gerealiseerd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Ook verplicht het artikel om uiterlijk twee weken na afronding van het realiseren of wijzigen van de peilafwijking aan het bestuur gegevens en documenten te verstrekken over de definitieve locatie van de peilafwijking en de objectgegevens.

Artikel 2.189 Peilregeling

Een peilafwijking mag geen negatieve gevolgen hebben op de omgeving. De peilregeling mag niet leiden tot wateroverlast, watertekort of verdroging in de omliggende gebieden. De peilregelende kunstwerken aan de hoogwaterzijde en de laagwaterzijde mogen niet tegelijkertijd open staan. Ook mag de peilafwijking niet leiden tot onvoldoende kwellengte bij de bestaande peilscheidende kunstwerken. Richtlijn daarbij is dat er sprake is van voldoende kwellengte als minimaal 1 meter horizontale en verticale kwellengte per 10 cm peilverschil wordt gehanteerd.

Artikel 2.190 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.189.

Artikel 2.191 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.192 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het plaatsen en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het gebied oppervlaktewaterlichaam is een voorafgaande beoordeling nodig van het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen op de effecten van deze activiteiten op de waterhuishouding die voor elke locatie anders kunnen zijn. Deze activiteiten zijn daarom vergunningplichtig.

Het vastgestelde waterpeil is het resultaat van de afweging die het hoogheemraadschap heeft gemaakt met als doel een duurzaam en goed functionerend watersysteem voor het – waar mogelijk – faciliteren van de ruimtelijke gebruiksfunctie. Het waterpeil moet de aanwezige belangen zo optimaal mogelijk faciliteren en een doelmatig waterbeheer tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk maken. Voor specifieke omstandigheden kan een (eventueel tijdelijke) afwijking van het vastgestelde waterpeil gewenst zijn. Het hoogheemraadschap toetst de motivatie voor een peilafwijking en gebruikt deze bij de afweging voor de vergunning. De voorwaarden in de vergunning zijn maatwerkberekeningen. Per peilafwijking wordt aangegeven welk gebied de peilafwijking beslaat, wat de toegestane peilfluctuaties zijn, wat de maximaal toegestane pompcapaciteit is en welke compenserende maatregelen worden genomen.

Artikel 2.193 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitzetten en onttrekken van vis met het oog op een verantwoord visstandsbeheer ten bate van het beschermen en verbeteren van de ecologische- en chemische waterkwaliteit van het oppervlaktewater in het gebied oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.194 Aanwijzing algemene regels

Voor het uitzetten of onttrekken van vis in het gebied oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels. Een goede visstand is van belang voor de ecologische- en chemische waterkwaliteit. Deze goede visstand kan verstoord worden door het onoordeelkundig uitzetten of onttrekken van vis. Om deze reden zijn algemene regels opgenomen voor het uitzetten of onttrekken van vis.

Artikel 2.195 Schriftelijke afspraken

Een goede visstand is van belang voor de waterkwaliteit en vice versa. Het onttrekken of uitzetten van vis kan leiden tot wijziging van de visstand. Soms is dit gewenst, maar het kan ook ongewenste effecten hebben. Dit is mede afhankelijk van de staat van de ecologische- en chemische waterkwaliteit ter plekke en de actuele visstand. Daarom worden verzoeken tot uitzet en onttrekking getoetst en leggen we afspraken hierover schriftelijk vast. Bij voorkeur zijn afspraken over uitzet en onttrekking een integraal onderdeel van een visplan dat visrechthebbenden onderling afsluiten.

Het hoogheemraadschap toetst de schriftelijke afspraken en visplannen onder andere aan de doelstellingen uit de (Europese) Kaderrichtlijn Water, de Richtlijnen uitzet karper (herziening 18 december 2020) en aan het beleid van het hoogheemraadschap. Bovendien toetst het hoogheemraadschap specifiek of de uitzet en onttrekking in lijn is met het streefbeeld voor de visstand, zoals aangegeven in het uitwerkingskader visstand.

Artikel 2.196 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.195.

Artikel 2.197 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het weiden van dieren in de gebieden kernzone van de waterkering en beschermingszone A van waterkering.

Artikel 2.198 Aanwijzing algemene regels

Voor het weiden van dieren in het gebied kernzone van de waterkering of beschermingszone A van de waterkering, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.199 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het weiden van de dieren aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de dieren worden geweid en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.200 Bescherming van de grasmat

Dieren groter dan schapen kunnen de grasmat stuktrappen en daardoor ontstaat erosie aan het dijklichaam wat tot instabiliteit kan leiden.

Artikel 2.201 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in artikel 2.200.

Artikel 2.202 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanplanten, behouden en rooien van bomen of bosschages in de gebieden oppervlaktewaterlichaam, kernzone van de waterkering, beschermingszone A van de waterkering en molenbiotoop.

Artikel 2.203 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het hoogheemraadschap wil elke aanplant, behouden en rooien van bomen of bosschages beoordelen op de te stellen voorwaarden en mogelijke aantasting van de betrokken belangen. Elke situatie is anders. Bomen en bosschages kunnen omvallen en ontgrondingskuilen achterlaten. De dijk kan eroderen waardoor de stabiliteit in gevaar komt. Kwaliteit van de vegetatie en bekleding van de waterkering wordt minder door de aanwezigheid van bomen en bosschages. Daarnaast kunnen bomen en bosschages een belemmering vormen voor het regulier onderhoud. Tot slot kunnen bomen of bosschages toekomstige versterkingen van de waterkering bemoeilijken

Maalvaardige molens zijn bemalingsinstallaties, die voor het malen van water afhankelijk zijn van de wind en kunnen worden ingezet om het waterbeheer van de polder uit te voeren. De werking van deze door wind aangedreven bemalingsinstallaties kan belemmerd worden door hoge bebouwing of begroeiing. Hoewel de molenbiotoop ook langs planologische weg in zekere mate beschermd is via provinciale regelgeving, biedt dit niet voldoende zekerheid vanwege de mogelijke uitzonderingen daarop.

Artikel 2.204 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanplanten, behouden of rooien van een boom of bosschage in het gebied aangewezen hoge gronden bij een waterkering of oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels. In de gebieden aangewezen hoge gronden en oppervlaktewaterlichaam zijn -voor zover deze niet overlappen met vergunningplichtige gebieden- de regels versoepeld ten opzichte van andere beperkingengebieden en wordt volstaan met algemene regels.

Artikel 2.205 Beheer en onderhoud

Om hinder van de boom of bosschage voor de aan- en afvoer en het onderhoud van het water zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat de boom of bosschage goed wordt beheerd en onderhouden door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. In goede staat houden van de boom of bosschage en het voorkomen van defecten draagt bij aan een goed waterbeheer. 

Artikel 2.206 Doorstroomprofiel

In perioden met hevige neerslag is het om wateroverlast te voorkomen van belang dat dit water goed kan worden afgevoerd. Daarom stelt het hoogheemraadschap eisen aan de minimale afmetingen van het water over de breedte en diepte.

Artikel 2.207 Afstand tot duiker

Om te voorkomen dat een boom of bosschage schade kan veroorzaken aan een (inlaat)duiker, of dat het kunnen plegen van onderhoud aan een duiker bemoeilijkt wordt, wordt een vrije afstand van minimaal 5 meter aangehouden.

Artikel 2.208 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels in de artikelen 2.72.205 en 2.206.

Artikel 2.209 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het organiseren van evenementen op onverhard oppervlak in het gebied kernzone van de waterkering.

Artikel 2.210 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het organiseren van een evenement op onverhard oppervlak in het gebied kernzone van de waterkering heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.211 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van explosiegevaarlijk materiaal in het gebied kernzone en beschermingszones van de waterkering.

Artikel 2.212 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het plaatsen van explosiegevaarlijk materiaal in de nabijheid van of op de kernzone van de waterkering heeft invloed op de stabiliteit van de waterkering en er is een mogelijk risico op het ontstaan van een erosiekrater. Elke situatie is anders. Het hoogheemraadschap wil daarom elk geval beoordelen onder welke voorwaarden de activiteit gerealiseerd kan worden en onder welke vergunningvoorschriften.

Artikel 2.213 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van activiteiten in het gebied weg.

Artikel 2.214 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in deze afdeling zijn gesteld. De verordening stelt regels in het belang van de aanleg, instandhouding en bruikbaarheid van wegen en de vrije, veilige en vlotte afwikkeling van het verkeer over die wegen.

Artikel 2.215 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg. De formulering van deze specifieke zorgplicht is ook hier gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een activiteit bij een weg uitvoert moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren.

Onder het borgen van de verkeersveiligheid (onderdeel a van het tweede lid) moet bijvoorbeeld klei op de weg worden voorkomen. Als bij het uitvoeren van een activiteit de weg toch vervuild is geraakt door klei, dan moet deze worden opgeruimd met een schuiver of via afspoeling. De vervuiler is verantwoordelijk voor de wegvervuiling en gevolgen daarvan. Wanneer de weg vervuild is geraakt, moeten de weggebruikers gewaarschuwd worden voor gevaarlijke situaties. Dit kan door het plaatsen van borden zodat weggebruikers tijdig op gevaarlijke situatie gewezen worden.

Artikel 2.216 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

De indieningsvereisten in dit artikel zijn gebaseerd op de vereisten van artikel 2.4 (Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit).

Artikel 2.217 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen of vergunningvoorschrift te verbinden aan een omgevingsvergunning. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 2.2 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document. 

Artikel 2.218 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen in het gebied weg.

Artikel 2.219 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats heeft effect op de lokale verkeersafwikkeling en -veiligheid. Per geval moet beoordeeld worden of deze voorzieningen mogelijk zijn, en zo ja waar en hoe ze een zo klein mogelijk ongunstig effect hebben op het verkeer. Het hoogheemraadschap wil elk geval beoordelen en daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig. 

Artikel 2.220 Aanwijzing algemene regels

Voor het aanleggen of behouden van een uitrit, parkeervoorziening of halteplaats in het gebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.221 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het aanleggen van de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de uitrit, parkeervoorziening of halteplaats wordt aangelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.222 Het aanbrengen van verharding

Een aangebrachte verharding in de berm moet qua uiterlijk dusdanig te onderscheiden zijn van de rijbaan of rijbanen, dat duidelijk is dat de aangebrachte verharding nooit als een evenredige rijbaan wordt gezien die mogelijk voorrang zou hebben op de rijbaan. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. Met de geldende voorrangssituatie wordt bedoeld de bij die weg behorende regeling rond voorrang verlenen en geven. Bijvoorbeeld: 'rechts gaat voor' of 'u rijdt op een voorrangsweg'.

Op of vanaf uitritten of andere verhardingen bevinden zich voertuigen of vinden voertuigbewegingen – al dan niet richting of vanaf de rijbaan – plaats. Nabij een bocht kan het zicht van of tussen het verkeer op de rijbaan en verkeer op de verharding slecht zijn. Voor de verkeersveiligheid is daarom de locatie van een verharding gesitueerd verder van een bocht af. Een bocht in de rijbaan is het gehele deel tussen rechtstand van de rijbaan aan de ene kant tot aan de rechtstand aan de andere kant. De vijf meter wordt dus gemeten vanaf de overgang tussen bocht en rechtstand.

Bij het koppelen van de constructie van een aangebrachte verharding aan de constructie van een of de rijbaan, kan door ongelijke zetting of belasting de constructie van de rijbaan (versneld) aangetast worden of zelfs kapot gaan. Om deze reden moet een (berm) verharding los van de rijbaan worden aangebracht, dus met een soort van dilatatievoeg. Een aparte constructie van de aangebrachte verharding is een constructie die op zichzelf staat, alleen de verharding draagt, dus los is van de verharding van de rijbaan.

Artikel 2.223 Bescherming omgeving

Een naast de rijbaan aangebrachte verharding mag niet tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld plasvorming op de rijbaan ontstaat. Plasvorming kan ontstaan doordat de verharding in de berm te hoog wordt aangebracht of de afwatering van de rijbaan richting onverharde berm, sloot of greppel wordt gehinderd. Met afwatering van de weg wordt bedoeld dat het water dat op de rijbaan komt, bijvoorbeeld door regenval, zo snel mogelijk afstroomt richting berm, sloot of greppel, waardoor op de rijbaan zo min mogelijk water blijft staan.

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.224 Beheer en onderhoud

Degene die de verharding gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze verharding. Zo komen de kosten voor een particulier niet ten laste van de algemene gelden voor wegenbeheer.

Artikel 2.225 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215 en over de algemene regels in artikelen 2.222 tot en met 2.224

Artikel 2.226 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het gebied weg. Voorzieningen en werken met een verkeersfunctie worden aangebracht door de wegbeheerder zelf, het hoogheemraadschap dus. Het betreffen werken die onderdeel uitmaken van de rijbaan (bijvoorbeeld passeerstroken) en verkeersvoorzieningen (zoals bebording). Beide worden ten behoeve van de verkeersveiligheid geplaatst. De plaats en constructie moet voldoen aan de wettelijke vereisten of richtlijnen.

Artikel 2.227 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen en behouden werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling in het gebied weg, gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.228 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen van het werk met een verkeersfunctie aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het werk met een verkeersfunctie wordt geplaatst en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.229 De aanleg

Een werk kan de verkeersveiligheid verslechteren als bijvoorbeeld de aandacht wordt afgeleid, het zicht wordt belemmerd of als de constructie op de rijbaan terecht komt. Daarom is vereist dat het werk een deugdelijke constructie heeft en dat de afmetingen van het werk de verkeersveiligheid niet belemmeren. Nabij een bocht kan het zicht van of tussen het verkeer op de rijbaan belemmerd worden door het werk. Voor de verkeersveiligheid is daarom de locatie van een werk gesitueerd verder van een bocht af. Een bocht in de rijbaan is het gehele deel tussen rechtstand van de rijbaan aan de ene kant tot aan de rechtstand aan de andere kant. De vijf meter wordt dus gemeten vanaf de overgang tussen bocht en rechtstand.

Artikel 2.230 Bescherming omgeving

Een naast de rijbaan aangebrachte verharding mag niet tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld plasvorming op de rijbaan ontstaat. Plasvorming kan ontstaan doordat de verharding in de berm te hoog wordt aangebracht of de afwatering van de rijbaan richting onverharde berm, sloot of greppel wordt gehinderd. Met afwatering van de weg wordt bedoeld dat het water dat op de rijbaan komt, bijvoorbeeld door regenval, zo snel mogelijk afstroomt richting berm, sloot of greppel, waardoor op de rijbaan zo min mogelijk water blijft staan.

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer of de rechtsopvolger. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.231 Beheer en onderhoud

Degene die het werk met een verkeersfunctie gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze verharding. 

Artikel 2.232 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215 en over de algemene regels in artikelen 2.229 tot en met 2.231.

Artikel 2.233 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het leggen, behouden en weghalen van kabels, leidingen en huisaansluitingen in het gebied weg.

Artikel 2.234 Aanwijzing algemene regels

Voor het leggen of behouden van een kabelleiding of huisaansluiting in het gebied weg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.235 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het leggen van de kabelleiding of huisaansluiting aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de kabelleiding of huisaansluiting wordt gelegd en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.236 Ligging langs de weg

In verband met onderhoud van de berm (meestal maaien) is voldoende gronddekking op de kabelleiding of huisaansluiting nodig zodat de kabelleiding of huisaansluiting door de onderhoudswerkzaamheden niet beschadigd kan raken. De aanlegdiepte is de diepte onder het maaiveld waar de kabelleiding of huisaansluiting gesitueerd moet worden (verticaal gemeten), in dit geval dus met een gronddekking van 60 cm.

De wegfundering, het grondpakket dat de rijbaan/-banen draagt, is breder dan de rijbaanverharding zelf. Om de wegfundering niet te beschadigen, of instabiliteit in de berm direct naast de verharding te veroorzaken, worden sleuven of goten met een minimale (horizontale) afstand van 1,25 m van de verharding gegraven. De sleuf of kabelgoot is een gegraven goot waar de kabelleiding of huisaansluiting op de bodem wordt ingelegd. Na plaatsing van de kabelleiding of huisaansluiting wordt de sleuf weer gedicht en verdicht met de uitgekomen grond.

De kabelleiding of huisaansluiting wordt ofwel met open ontgraving (sleuf) gelegd of middels boring of persing geplaatst. Rondom een boom worden met deze werkzaamheden boomwortels doorsneden. Om de levensvatbaarheid van de boom zo groot mogelijk te houden, zo min mogelijk schade aan te brengen aan het wortelstelsel van de boom en de meest cruciale wortels niet te beschadigen, is een minimale afstand van 2 meter een vereiste. De minimale afstand van 2 meter vanaf de boomstam wordt gemeten vanaf de buitenzijde van de stam. In het algemeen kan worden gesteld dat het wortelstelsel van een boom (ondergronds) rondom even breed is als de kruin van de boom (bovengronds). Met de genoemde 2 meter kan bij een grotere boom aangenomen worden dat er sowieso schade aan het wortelstelsel ontstaat.

Artikel 2.237 Mantelbuis

Onder de weg door wordt een mantelbuis gedrukt, geperst of geboord. Hierdoor is een open ontgraving – en dus het openbreken van de verharding – niet nodig. Door toepassing van een mantelbuis is vervangen of herstellen van de kabelleiding of huisaansluiting mogelijk (door aan het uiteinde van de mantelbuis de kabel te trekken). Oude kabels, leidingen of huisaansluitingen worden niet onnodig verlaten of steeds nieuwe locaties aangeboord.

De mantelbuis kan (grond)water vervoeren. Dit kan een oneigenlijke grondwaterstroming veroorzaken of verschillende peilgebieden ter weerszijden van de weg onbedoeld met elkaar verbinden. Om dit te voorkomen dient de mantelbuis aan beide zijden te worden afgesloten. Een mantelbuis is een holle buis met een ruimere diameter dan de kabel(s), leiding(en) of huisaansluiting(en) die hierin komt te liggen.

Ter bescherming van de wegfundering en raken bij onderhoudswerkzaamheden is een minimale gronddekking van 1 meter vereist. De gronddekking van de mantelbuis wordt (horizontaal) gemeten tussen bovenzijde mantelbuis en maaiveld.

Artikel 2.238 Wijze van plaatsen

Deze plaatselijke omstandigheden kan een te smalle berm zijn waardoor het boren van een mantelbuis vanuit de berm niet mogelijk is. Eventueel kan de boring of persing vanuit een verderop gelegen perceel plaatsvinden.

Artikel 2.239 Herstel van de weg

Een hersteld wegdek blijft altijd een zwak punt in de verharding. Daarnaast zal de verkeersgebruiker de locatie als hobbel of kuil ervaren met onveilige situaties tot gevolg. Dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen. In geval van het openbreken van de verharding van de weg, wordt de verharding in oorspronkelijk staat hersteld.

Artikel 2.240 Bescherming omgeving

Bij het leggen en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.241 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215 en over de algemene regels in artikelen 2.236 tot en met 2.240.

Artikel 2.242 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van werken, reclame-uitingen, stoffen en het houden van dieren in het gebied weg. Uitgezonderd van het toepassingsbereik van deze paragraaf zijn: 

  • het aanleggen en behouden van uitritten, parkeervoorzieningen en halteplaatsen;

  • het plaatsen en behouden van werken met een verkeersfunctie door een overheidsinstelling; en

  • het leggen van kabels en leidingen.

Artikel 2.243 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Deze activiteiten kunnen een ongunstig effect hebben op de verkeersveiligheid en is voor elke situatie anders. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf kunnen beoordelen, daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig.

Artikel 2.244 Aanwijzing algemene regels

Voor het plaatsen of behouden van een werk, reclame-uiting of stof of het houden van dieren in het gebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 

Artikel 2.245 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het plaatsen van het werk, de reclame-uiting of de stof of het houden van de dieren aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. 

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de activiteit plaatsvindt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.246 De plaatsing

Vanwege de verkeersveiligheid – scheiding obstakel of activiteit met doorgaand verkeer – wordt werk, stof of dier op gepaste afstand van de rijbaan geplaatst.

De locatie van het werk, stof of dier is dusdanig gesitueerd dat het verkeer op de rijbaan de situatie tijdig en goed kan inschatten, zicht heeft op de situatie. Onverwachte activiteiten of op een plek waar het doorgaande verkeer niet tijdig de situatie kan inschatten, kan leiden tot verkeersonveilige situaties of ongevallen. Met 'veilig' wordt bedoeld de veiligheid van de gebruikers of bezoekers van werk, stof of dier, én van de weggebruikers op de rijbaan.

Afmetingen van het aangebrachte werk zijn zodanig dat het zicht op de rijbaan niet (verkeersonveilig) wordt belemmerd. Onder verkeersveiligheid verstaan we de veiligheid van en tussen het verkeer, ter beoordeling van de wegbeheerder.

Artikel 2.247 Bescherming omgeving

Bij de aanleg en het gebruik wordt zo min mogelijk schade aan de berm en beplanting aangebracht. Eventuele aangebrachte schade wordt hersteld door de initiatiefnemer. De berm en inrichting rondom de aangebrachte verharding blijft de zorg voor de wegbeheerder.

Artikel 2.248 Beheer en onderhoud

Degene die de werken, reclame-uitingen of stoffen gebruikt en er belang bij heeft, draagt ook zorg voor het functioneren en onderhouden van deze objecten. Zo komen de kosten voor een particulier niet ten laste van de algemene gelden voor wegenbeheer.

Artikel 2.249 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215 en over de algemene regels in artikelen 2.246 tot en met 2.248.

Artikel 2.250 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg in het gebied weg.

Artikel 2.251 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het geheel of gedeeltelijk afsluiten van een weg heeft effect op een groter deel van het wegennetwerk. Het hoogheemraadschap wil elk geval vooraf beoordelen, daarom zijn deze activiteiten vergunningplichtig. Per situatie zal beoordeeld worden welke omleidingsroute aanbevolen wordt, en onder welke voorwaarden de percelen langs de afgesloten weg (verminderd) bereikbaar blijven.

Artikel 2.252 Aanwijzing algemene regels

Voor het gedeeltelijk afsluiten van een weg in het gebied erftoegangsweg gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 2.253 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het afsluiten van een weg aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. 

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar de activiteit plaatsvindt en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 2.254 Belemmering

De aan de weg gelegen bestemmingen zijn over het algemeen alleen bereikbaar vanaf deze weg. Daarmee zijn bestemmingen afhankelijk voor toegang via deze weg. Mogelijke schade of verhindering – in welke vorm dan ook: economisch, gezondheid, calamiteit, etc. - door tijdelijke onbereikbaarheid moet zoveel als mogelijk voorkomen worden. Hiertoe heeft gedeeltelijke afsluiting de voorkeur, als in de lengterichting van de weg een deel van de rijbaan begaanbaar blijft. Enige vertraging is hierbij acceptabel, één rijrichting per keer wordt dan afgewikkeld. Een omleidingsroute met acceptabele vertraging kan ook.

Artikel 2.255 Afbakening van de versmalling

Door de CROW-richtlijnen toe te passen bij afbakening van de weg bij een wegversmalling wordt voldoende rekening gehouden met de veiligheid van de weggebruiker en de doorstroming van het wegverkeer. De initiatiefnemer moet zorgdragen voor de juiste afbakening.

Artikel 2.256 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.215 en over de algemene regels in artikelen 2.254 en 2.255.

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het hoogheemraadschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.

Artikel 3.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Dit zijn, kort gezegd, de doelstellingen van het waterbeheer (zie de begripsomschrijving van beheer van watersystemen in de memorie van toelichting van de Omgevingswet) die betrekking hebben op de waterkwaliteit en functievervulling door watersystemen, aangevuld met de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken. 

Op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer moet het hoogheemraadschap bij het stellen van regels in de waterschapsverordening ook rekening houden met de in dat artikel opgenomen voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Bij het opstellen van de regels over lozingen in een oppervlaktewaterlichaam in dit hoofdstuk is daarom niet alleen rekening gehouden met de bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken, maar ook met bijvoorbeeld de voorkeur om afvalwater, dat ten aanzien van de biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron te hergebruiken of lokaal terug te brengen in het milieu. Daarom is in verschillende artikelen in dit hoofdstuk bepaald dat afvalwaterstromen onder voorwaarden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen enerzijds de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam (dat leidt tot beperking van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam) en anderzijds de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken en de voorkeur voor lokale verwerking van afvalwater (dat leidt tot beperking van lozingen op de vuilwaterriolering). Waar het oogmerk «doelmatig beheer van afvalwater» staat, duidt dit erop dat deze afweging heeft gespeeld.

Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een lozingsactiviteit uitvoert moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren.

De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in de afdelingen 3.2 tot en met 3.19. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van afdeling 3.20 is vereist.

Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van de afdelingen 3.2 en verder en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 3.2 (waarnaar in het eerste lid van dit artikel wordt verwezen) en de strekking die in het tweede lid van dit artikel is opgenomen. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen. 

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.

Artikel 3.4 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling. In dit artikel wordt gevraagd om basale informatie van lozingsactiviteit, zoals: de aard, het debiet, de locatie van de lozingspunten, verwachte tijdstip en duur van de lozing, eventuele maatregelen of voorzieningen om lozingen (van bijvoorbeeld ongezuiverd huishoudelijk afvalwater) te voorkomen, de noodzaak om te moeten lozen, de samenstelling van het afvalwater, de invloed van de lozing op het ontvangende oppervlaktewater en een beschrijving hoe metingen aan het afvalwater worden verricht, geregistreerd en gerapporteerd aan in dit geval het bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 

Artikel 3.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 3.6 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Ook de voorschriften die op grond van het Bkl aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 3.7 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels over lozingsactiviteiten in de afdelingen 3.2 tot en met 3.20. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit ook hier aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.8 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering.

Artikel 3.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) grondwater.

Artikel 3.10 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.11 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en documenten te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanaf percelen met een woonfunctie afkomstig van een onttrekking volgens het polderprincipe en lozingen vanaf agrarische percelen met drainage onder vrij verval. Met drainage onder vrij verval wordt bedoeld, drainage waarvoor geen pomp nodig is om het water te lozen. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en documenten: ten minste vijftien werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken

Artikel 3.12 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van de stofconcentraties in het te lozen water. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater beschrijven de wijze van bemonstering. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 3.13 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel. 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. 

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.

Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening.

Artikel 3.14 Lozen van grondwater bij ontwatering

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt. De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden. In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.

De meetverplichting en de verplichting voor chloride zijn niet van toepassing op lozingen van grondwater van particuliere huishoudens afkomstig van onttrekkingen volgens het polderprincipe. In de praktijk betreffen dit doorlopende of seizoensgebonden onttrekkingen van freatisch grondwater met een klein debiet om kelders en kruipruimten droog te houden. Omdat de te lozen debieten relatief klein zijn en het onttrokken grondwater doorgaans een vergelijkbare kwaliteit heeft als het ontvangende oppervlaktewater vormen deze lozingen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Voor particuliere huishoudens wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.

Artikel 3.15 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.16 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. 

Artikel 3.17 Aanwijzingen algemene regels

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.18 Gegevens en documenten

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken worden geplaatst of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig, ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg of wijziging, op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

Artikel 3.19 Lozen van afvloeiend hemelwater

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit. 

De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht (artikel 2.4) worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn geplaatst. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. De regels hierover staan in het omgevingsplan. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Als laatste mogelijkheid is het lozen in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam aangegeven. Dit is alleen toegestaan wanneer het lozen via een andere route niet mogelijk is. 

Artikel 3.20 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.21 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. Zorginstellingen, huisvesting van seizoensarbeiders en andere groepsaccommodaties vallen niet onder deze paragraaf. Omdat de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater afkomstig van zorginstellingen, huisvesting van seizoensarbeiders en groepsaccommodaties van zo’n grote omvang is, zijn de regels voor het bedrijfsmatig lozen van huishoudelijk afvalwater hierop van toepassing en zijn ze uitgezonderd van de regels lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. 

Artikel 3.22 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens gelden algemene regels. Particuliere huishoudens moeten per huishouden voldoen aan deze regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.23 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en documenten te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals het aantal inwonerequivalenten en de wijze van behandelen van het afvalwater. Eveneens moeten gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt worden als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse. 

Artikel 3.25 Lozen huishoudelijk afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct in het oppervlaktewater te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden in het oppervlaktewater.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding te plaatsen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding geplaatst kan worden. De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk. 

Artikel 3.26 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en niet-aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). De lijst van aangewezen wateren is opgenomen in bijlage III bij deze verordening. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport ‘Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen’ van januari 1999 ten grondslag. 

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater. Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 2.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo’n voorziening geloosd mogen worden. 

Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is. 

Artikel 3.27 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het oppervlaktewater. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping van de septic tank, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater en het oppervlaktewater.

Artikel 3.28 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de artikelen 3.33.253.26 en 3.27. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.29 Toepassingsbereik

Huishoudelijk afvalwater ontstaat bij particulieren (huishoudens) en bedrijven. Het bevat verontreinigingen die samenhangen met het voeren van een huishouding, zoals koken, (af-)wassen en gebruik van toilet. Dit type afvalwater komt ook vrij bij bedrijven. Voorbeelden zijn tijdelijke huisvesting, campings, kantoren, hotel of restaurant. Denk bijvoorbeeld aan afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding met grootkeukenapparatuur in de keuken van een hotel. De voorkeursroute voor deze lozingen is via het vuilwaterriool naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Deze paragraaf gaat over het bedrijfsmatig lozen van huishoudelijk afvalwater in het beheergebied. Ten opzichte van huishoudelijk afvalwater afkomstig van wonen bevatten de bedrijfsmatige lozingen een grotere hoeveelheid stoffen en de impact op de watergangen is groter. Het waterschap wil deze lozingen scherper reguleren.

Voor deze nieuwe strengere regels geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in afdeling 5.1 van deze waterschapsverordening. De regels zijn niet direct van toepassing op de situaties die voorheen niet vergunningplichtig of verboden waren en daarna wel. Er geldt een overgangstermijn van 2 jaar, zie hiervoor artikel 5.1vierde lid.

Omdat de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater afkomstig van groepsaccommodaties (bijvoorbeeld voor tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, accommodaties voor recreatief gebruik en campings) van zo’n grote omvang is, wil het waterschap deze lozingen reguleren alsof het bedrijfsmatige lozingen zijn. Het toepassingsbereik van deze paragraaf geldt daarom ook voor die lozingen. De bestaande locaties liggen vooral in het buitengebied en zijn niet aangesloten op het riool, omdat er geen riolering in de buurt is geplaatst en aansluiten financieel en technisch niet doelmatig is. Deze locaties hebben voor het zuiveren van afvalwater vaak een IBA-systeem (Individuele Behandeling van Afvalwater) of septic tank(s). Uit metingen blijkt dat de eerder aangebrachte systemen onvoldoende functioneren. Dit heeft te maken met de hoeveelheid afvalwater, het gebruik en het niet continu in gebruik zijn van het systeem (seizoensafhankelijk). Daarnaast zijn de IBA-systemen minder geschikt voor piekbelastingen. Dat leidt ertoe dat de waterkwaliteit door deze lozingen achteruit gaat. Op Europees en landelijk niveau is afgesproken om minimaal het stand still-beginsel toe te passen. Dat betekent dat de waterkwaliteit niet mag verslechteren. Dit blijkt ook uit recente jurisprudentie: op 5 mei 2022 heeft het Hof van Justitie EU een arrest gewezen over de Kaderichtlijn Water (KRW) (ECLI:EU:C:2022:350) waaruit blijkt dat tijdelijke achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam is niet toegestaan.

Met de verwachte toename van grootschaligere locaties in het buitengebied, zal de belasting op het watersysteem vele malen groter worden en de waterkwaliteit achteruitgaan. Uit uitgevoerde modelstudies blijkt ook dat de belasting van de lozingen op sommige delen van ons watersysteem dusdanig groot is, dat het systeem niet meer herstelt. Vanuit de KRW zijn de relevante criteria, de normen voor P, N, NH4, O2 en verontreinigende stoffen beschouwd. Ook is gekeken naar niet genormeerde stoffen, zoals bijvoorbeeld medicijnresten. Getoetst is of een activiteit leidt tot “achteruitgang”. Daarvan is sprake wanneer de activiteit leidt tot een achteruitgang van de toestandsklasse van een stof of kwaliteitselement. Indien het betreffende kwaliteitselement zich reeds in de laagste klasse bevindt, vormt iedere achteruitgang van dat element een ‘achteruitgang van de toestand’ van een oppervlaktewaterlichaam (Wezer arrest). Uit de studie blijkt dat met name de kleinere watergangen de grotere lozingsvrachten niet aan kunnen. Het hoogheemraadschap wil verdere achteruitgang voorkomen.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van groepsaccommodaties. Onder het begrip groepsaccommodatie wordt verstaan: een voorziening ten behoeve van het verblijven van meerdere personen. Onder wonen worden normaal gesproken diverse uiteenlopende vormen van huisvesting of bewoning begrepen, zoals het gebruik van een pand voor een particulier huishouden of de huisvesting van arbeidsmigranten of seizoensarbeiders. Het waterschap wil hier een onderscheid maken. Deze verblijfsgroepen vallen niet onder de regels van het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van wonen (paragraaf 3.4.1).

Voor het begrip groepsaccommodatie gaat het om een accommodatie anders dan een particulier huishouden. In een groepsaccommodatie wordt er voor een bepaalde duur overnacht buiten de eigen woonplaats. Bij bewoning door arbeidsmigranten van zo’n accommodatie is geen sprake van een huishouding. Huisvesting van een zo’n groep personen valt onder het begrip groepsaccommodatie. In het geval huishoudelijk afvalwater vrijkomt bij een bedrijf zoals een camping, kantoor, locatie met gezondheidsfunctie, locatie met logiesfunctie (hotel, restaurant, bed & breakfast of asielzoekerscentra), wordt gezien als het bedrijfsmatig lozen van huishoudelijk afvalwater. Mocht er geen sprake zijn van een bedrijf dan valt de bewoning van een groep onder de regels van groepsaccommodaties.

De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 3.30 Verbod bedrijfsmatig lozen huishoudelijk afvalwater

De secundaire en tertiaire wateren kunnen worden beschouwd als de kleinere watergangen. De waterkwaliteit in deze wateren is kwetsbaar. Een lozing van huishoudelijk afvalwater heeft grote impact op dergelijke kleinere wateren waardoor het ecologisch evenwicht snel kan verschuiven en achteruitgang optreedt. In deze wateren is de waterkwaliteit zodanig slecht, dat er geen herstel meer mogelijk is indien deze lozingen plaatsvinden.

Daarom worden lozingen in deze wateren helemaal niet toegestaan en er geldt ook een algeheel verbod voor bedrijfsmatige lozingen en lozingen van huishoudelijk afvalwater door groepsaccommodaties (laatst genoemde als de vervuilingswaarden 6 of meer inwonerequivalenten bedraagt). Aansluiten op de riolering heeft de voorkeur. Als aansluiting op en afvoer van het huishoudelijk afvalwater naar het riool niet mogelijk is dan moet er een andere oplossing worden gezocht: bijvoorbeeld het bufferen van dat afvalwater en per as afvoeren naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 3.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het gebied primair oppervlaktewater is minder kwetsbaar en een bedrijfsmatige lozing kan in bepaalde gevallen onder voorschriften worden toegestaan. Andere zuiveringsvoorzieningen (die eenzelfde of zelfs beter zuiveringsrendement opleveren) wil het waterschap niet uitsluiten. Deze gevallen wil het waterschap per geval beoordelen en toetsen bij een aanvraag om vergunning.

Artikel 3.32 Aanwijzing algemene regels

Voor kleine bedrijfsmatige lozingen van huishoudelijk afvalwater en het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van groepsaccommodaties (tot en met 5 inwonerequivalenten) gelden algemene regels. De kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam kan met deze algemene regels voldoende worden beschermd en verontreiniging wordt zoveel mogelijk voorkomen.

Artikel 3.33 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en documenten te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals het aantal inwonerequivalenten en de wijze van behandelen van het afvalwater. Eveneens moeten gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt worden als er wijzigingen plaatsvinden.

Artikel 3.34 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I. 

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse. 

Artikel 3.35 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het eerste lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo’n voorziening geloosd mogen worden. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 3.36 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het oppervlaktewater. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping van de septic tank, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater en het oppervlaktewater.

Artikel 3.37 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen over artikel 3.3 en 3.35. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.38 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van koelwater.

Artikel 3.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.40 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van koelwater buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.41 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag gegevens en documenten te verstrekken. Daarbij wordt informatie verschaft over de maximale warmtevracht. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.42 Koelwater

Deze afdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening; andere oppervlaktewaterlichamen zijn niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd: De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij L = lozingsdebiet (m3/s) ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius. W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging. Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist. 

Artikel 3.43 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.44 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken.

Artikel 3.45 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.46 Gegevens en documenten

Op grond van dit artikel moeten aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor aanvang van de reinigings- of conserveringswerkzaamheden of de bouw- of sloopwerkzaamheden de in het eerste lid van dit artikel genoemde gegevens en documenten verstrekt worden. Daarbij moet de werkinstructie worden toegestuurd. Het derde lid bevat een uitzondering op deze plicht voor periodieke reinigingswerkzaamheden waarbij alleen vuilafzetting wordt weggehaald. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld gevelreiniging.

Artikel 3.47 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van stof. 

Artikel 3.48 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen 

Deze afdeling heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater. 

De regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (paragraaf 3.1.6) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.5) schreven voor dat bij het reinigen en conserveren maatregelen getroffen dienden te worden om het op het oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen. Deze regels betroffen gedetailleerde instructies waaraan de lozer moest voldoen. Hierdoor mocht slechts afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd bij het afwassen met water en het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigings- en conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 2.24. 

Artikel 3.49 Werkinstructie bij reinigen en conserveren

Het onderhouden van bouwwerken houdt veelal in dat de bouwwerken van verontreinigingen worden ontdaan, dat roest en oude verflagen worden weggehaald en dat een nieuwe verflaag wordt aangebracht. Bij de werkzaamheden worden reinigings- of conserveringstechnieken toegepast en komen stoffen vrij of worden stoffen gebruikt die emissies veroorzaken naar oppervlaktewaterlichaam. Om deze emissies te voorkomen of te beperken zijn milieubeschermende maatregelen nodig. In het algemeen gebeurt dit door het afschermen van de ruimte waarin wordt gewerkt en opvangen en verwerken van vrijkomende stofdeeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de weg te halen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen milieubeschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor het milieu beperkt worden. 

Voor de reinigings- en conserveringswerkzaamheden moet een werkinstructie opgesteld worden waarin in ieder geval de maatregelen staan die getroffen worden om het lozen te voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De werkinstructie kan de maatregelen bevatten die onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen worden beschreven, maar het is ook mogelijk om andere maatregelen of technieken te treffen. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.23 van het Bal.

Artikel 3.50 Werkinstructie bij bouwen en slopen

Als bouwwerken worden gesloopt, gerenoveerd of gebouwd is het bijna onvermijdelijk dat vaste delen in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Het is daarom van belang dat bij deze werkzaamheden aan bouwwerken, die in de buurt van of boven het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden, verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. De werkwijze en een zorgvuldige bedrijfsvoering zijn daarbij van doorslaggevend belang. Daarom moet een werkinstructie worden opgesteld waarin naast de werkwijze in ieder geval is aangegeven welke preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Er moet worden gehandeld conform deze werkinstructie en de daarin genoemde maatregelen moeten worden getroffen. 

Artikel 3.51 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Als het bij het reinigen of conserveren nodig is om te werken met een gesloten hulpconstructie en afzuiging, geldt een emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid stof die naar de buitenlucht wordt afgevoerd. Deze eis is bedoeld om te voorkomen dat het stof alsnog in het oppervlaktewater terecht kan komen. Als de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam zodanig groot is dat een lozing redelijkerwijs niet te verwachten is, geldt dit artikel niet

Artikel 3.52 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.53 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het opslaan en overslaan van inerte goederen.

Artikel 3.54 Inerte goederen

Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting. Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. 

Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om ‘het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen’. Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De afdeling heeft geen betrekking op ‘opslaan’. Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal. 

Artikel 3.55 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.56 Lozen bij opslaan inerte goederen

Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd in oppervlaktewater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt voordat het wordt geloosd. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn.

Artikel 3.57 Lozen bij overslaan van inerte goederen

Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (bijvoorbeeld zand of grind op een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen. In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.

De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.

Artikel 3.58 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.59 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het opslaan en overslaan van niet-inerte goederen.

Artikel 3.60 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij opslaan en overslaan van niet-inerte goederen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.61 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag bepaalde gegevens en documenten te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.62 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 3.63 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening. 

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 3.63 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen

Dit artikel heeft betrekking op goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Dit artikel geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is dus een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden ‘uitgezet’. Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan. 

Lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 meter aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening. 

Bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel. Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang. 

Artikel 3.64 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het: 

  • bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; 

  • overslaan van zout voor het strooien op wegen; 

  • overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en 

  • overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

 

Met ‘bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen’ wordt het overslaan bedoeld wat in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld voor inrichtingen.

De andere overslaghandelingen (strooizout, niet-inerte goederen die vrijkomen bij of nodig zijn in een werk) hebben betrekking op wat in het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld voor het overslaan buiten een inrichting. Bij ‘niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk’ kan gedacht worden aan het vervangen of plaatsen van een walbeschoeiing in het oppervlaktewater, het plaatsen of vervangen van kabels in de bodem of oppervlaktewater en andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Dit materiaal kan van allerlei aard zijn, zoals beschadigde walbeschoeiing en oude kabels. Ook het nieuwe materiaal kan worden overgeslagen voordat het in het werk wordt aangebracht. In dit geval betreft het dus de nieuwe walbeschoeiing, nieuwe kabels en soortgelijk materiaal die nodig zijn in een werk. 

Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (op bijvoorbeeld een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen. 

In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep. 

De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.

Artikel 3.65 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.66 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater.

Artikel 3.67 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij opslaan en overslaan van niet-inerte goederen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.68 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven. Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De Omgevingswet gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Ongetwijfeld zal het college het waterschap daarbij betrekken. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam ‘rioleringsprogramma’ is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 3.69 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit ‘overheids-IBA’s’ geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.68.

Artikel 3.70 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.71 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.72 Aanwijzing algemene regel

Bij het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.73 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de in het eerste lid genoemde gegevens en documenten aan het bevoegd gezag te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.74 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden 

Dit artikel heeft betrekking op baggerwerkzaamheden en ontgravingen en geldt alleen voor de lozingen bij het baggeren en ontgraven zelf. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een eventuele toepassing van de bagger of de opgegraven materie. Het artikel is van toepassing op waterbeheerders die baggerwerkzaamheden en ontgravingen verrichten. Ook als die werkzaamheden door derden worden verricht (zoals de onderhoudsplichtigen), is het artikel van toepassing. Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan als die plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewater waar ook het baggeren of ontgraven plaatsvindt.

Artikel 3.75 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, tweede lid, onder a en derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.

Artikel 3.76 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Dit artikel heeft betrekking op lozingen afkomstig van andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Bijvoorbeeld het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.

Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan zonder verdere voorwaarden. Vanzelfsprekend geldt wel de specifieke zorgplicht. 

Artikel 3.77 Lozen van algen en bacteriën

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van algen en bacteriën op een oppervlaktewaterlichaam wat door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvindt in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Het artikel bepaalt dat algen en bacteriën afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam geloosd mogen worden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Daarbij geldt de voorwaarde dat beide oppervlaktewaterlichamen in beheer zijn bij dezelfde waterbeheerder. Het artikel maakt mogelijk dat de waterbeheerder, in het kader van het oppervlaktewaterbeheer, algen en bacteriën naar eigen inzicht in het eigen beheersgebied kan verplaatsten. 

Artikel 3.78 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.79 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen.

Artikel 3.80 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.81 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater. 

Artikel 3.82 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 3.3, over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels over lozingsactiviteiten in de afdelingen 3.2 tot en met 3.20. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit ook hier aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.83 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij calamiteitenoefeningen.

Artikel 3.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.85 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij calamiteitenoefeningen buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.86 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt en welke stoffen dat blusschuim bevat.

Artikel 3.87 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip ‘calamiteitenoefening’. Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloei-eigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.

Om overlap met regels uit het Bal te voorkomen, is een afstemmingsbepaling opgenomen in dit artikel. Het artikel heeft geen betrekking op afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Bal. 

Artikel 3.88 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.89 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.

Artikel 3.90 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.91 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.92 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.93 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van ‘NEN-ISO 15705’ wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening. 

Artikel 3.94 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden geplaatst dan hemelsbreed de kortste lijn. 

Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. 

Artikel 3.95 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden geplaatst dan hemelsbreed de kortste lijn. 

Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. 

Artikel 3.96 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen

Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden geplaatst dan hemelsbreed de kortste lijn. 

Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. 

Artikel 3.97 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

Op grond van de artikelen 4.801 en 4.804 van het Bal mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt. 

Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden voor dit afvalwater.

Artikel 3.98 Lozen bij ontijzeren grondwater

Het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten is niet geregeld in het Bal. De lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel opgenomen. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden geplaatst dan hemelsbreed de kortste lijn. 

Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing. 

Artikel 3.99 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.100 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton.

Artikel 3.101 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.102 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.103 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute

Volgens de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 3.104 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.105 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij niet-industriële voedselbereiding.

Artikel 3.106 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze afdeling is van toepassing op lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze afdeling is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Artikel 3.107 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.108 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij niet-industriële voedselbereiding buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.109 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, aan het bevoegd gezag te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.110 Lozen bereiden van voedingsmiddelen

Het afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding wordt in het algemeen geloosd op een vuilwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Als er geen vuilwaterriool aanwezig is, kan het afvalwater ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater wordt behandeld in een zuiveringsvoorziening zoals een IBA. Die zuiveringsvoorziening moet wel berekend zijn op de verwerking van het afvalwater afkomstig van de voedselbereiding.

Artikel 3.111 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.112 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het van spuiwater uit recreatieve visvijvers.

Artikel 3.113 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bij het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur en als er geen watersysteemvreemd water wordt geloosd, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.114 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen bij niet-industriële voedselbereiding buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.115 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.116 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd. 

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers. 

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan. Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam of elders geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan. 

Artikel 3.117 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.118 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind. 

Artikel 3.119 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.120 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur en als er geen watersysteemvreemd water wordt geloosd, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.121 Lozen Spoelwater

Dit artikel heeft betrekking op het lozen van een tweetal afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig. Onderdeel a regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport ervan, is toegestaan. Het zoute zeezand wordt meestal tijdens het varen naar de plaats waar het zand wordt toegepast, met steeds zoeter wordend oppervlaktewater gespoeld, om de zoutvracht naar beneden te brengen. Als voorwaarde is opgenomen dat het lozen tijdens het varen plaatsvindt. Onderdeel b regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het scheiden van zand en grind, is toegestaan. De regels over het lozen van spoelwater van zeezand in brak oppervlaktewater en het lozen van organismen en slib veroorzaakt door het kweken en verwerken van mosselen en oesters zijn niet overgenomen uit het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Deze lozingen komen in de praktijk alleen voor in de rijkswateren.

Artikel 3.122 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.123 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater vanuit een weilanddepot dat is ingericht voor het tijdelijk opslag ten behoeve van de ontwatering van baggerspecie. De initiatiefnemer beoogt met deze activiteit het door de ontwatering vrijgekomen afvalwater te lozen op het oppervlaktewaterlichaam waar de baggeractiviteit heeft plaatsgevonden of op een ander oppervlaktewaterlichaam. Deze regels worden gesteld met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. 

Voor deze activiteit geldt een informatieplicht, omdat het waterschap zicht wil houden op lozingen vanuit weilanddepots vanwege de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in het afvalwater.

Artikel 3.124 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Om wateroverlast te voorkomen stelt het hoogheemraadschap een maximum aan de afvoer van water naar oppervlaktewater van 50 m3 per uur. Het gaat in dit voorschrift alleen om (schoon) hemelwater en systeemeigen water. Met dit laatste wordt water bedoeld dat onderdeel is van hetzelfde watersysteem als het water waarin het wordt gebracht.

Artikel 3.125 Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van afvalwater buiten het kwetsbaar gebied oppervlaktewater gelden, als er niet meer water wordt geloosd dan 50 m3 per uur, algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.126 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag gegevens en documenten te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en documenten worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.127 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 3.128 Lozen vanuit een weilanddepot

In dit artikel zijn algemene regels opgenomen waar de initiatiefnemer aan moet voldoen.

Artikel 3.129 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift kan het waterschap in een individueel, concreet geval (bijvoorbeeld een innovatieve techniek) een lozing na beoordeling alsnog toestaan. De initiatiefnemer of de rechtsopvolger zal hierbij moeten onderbouwen dat met de afwijking nog steeds kan worden voldaan aan de zorgplicht en aan de voorgeschreven normen. Het hoogheemraadschap kan vervolgens al dan niet instemmen met de aanvraag. Indien noodzakelijk, kan het hoogheemraadschap daarnaast nadere maatwerkvoorschriften aan de aanvraag verbinden.

Artikel 3.130 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitstrooien van as.

Artikel 3.131 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitstrooien van as gelden algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 3.132 Uitstrooien van as

De toegestane lozing betreft het incidenteel verstrooien op een voor de overledene of de nabestaanden bijzondere plek. Het artikel heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien.

Artikel 3.133 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 en over de algemene regels in artikel 3.123.

Artikel 3.134 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op andere lozen die niet op een andere plek in deze waterschapsverordening zijn geregeld.

Artikel 3.135 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

Voor het verrichten van een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap is een omgevingsvergunning vereist, als die lozing niet is geregeld in de afdelingen 3.2 tot en met 3.19 van deze waterschapsverordening. De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.

Artikel 3.136 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk

Voor het lozen van water, warmte of stoffen op een zuiveringtechnisch werk, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit vereist. Voor lozingen die wel afkomstig zijn van zo’n milieubelastende activiteit is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist.

In dit artikel is eveneens geregeld dat de vangnetvergunningplicht niet geldt indien er een afvalwaterakkoord is overeengekomen tussen een gemeente en het hoogheemraadschap.

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam en het onttrekken van grondwater. Het bevat de algemene bepalingen die van toepassing zijn op deze activiteiten. 

Artikel 4.2 Oogmerken

Dit artikel geeft aan met welke oogmerken de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. 

Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht

Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam en grondwater en bevat een opsomming met voorbeelden. De nadruk ligt in dit artikel op de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Het uitvoeren van onttrekkingen uit oppervlaktewater en grondwater is grotendeels geregeld via algemene regels. Bij gelijktijdige onttrekking van kleine hoeveelheden die binnen de algemene regels vallen, kan de gecombineerde hoeveelheid van de afzonderlijke onttrekkingen tot negatieve gevolgen leiden. Negatieve gevolgen kunnen zijn een ontoelaatbare daling van het oppervlaktewater- en grondwaterpeil waardoor onder andere schade aan waterleven en schade aan funderingen kunnen optreden. Onttrekkers hebben zelf de zorgplicht om ontoelaatbare peildaling te voorkomen en zonodig onderling af te stemmen om de negatieve gevolgen te voorkomen. 

Artikel 4.4 Gegevens en documenten vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.

Artikel 4.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit grondwater

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.

Artikel 4.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit oppervlaktewaterlichaam

De beoordelingsregel van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten.

Artikel 4.7 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit 

Ook de voorschriften die volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving aan een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water in de bodem moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.8 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

De beoordelingsregel van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten.

Artikel 4.9 Meetverplichting onttrekking van grondwater en infiltratie van water

De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Op grond van lid 2 moeten de gemeten geïnfiltreerde en onttrokken hoeveelheden alsmede de kwaliteit van het infiltratiewater uiterlijk op 31 januari van het daaropvolgende jaar of binnen één maand na beëindiging van de onttrekking aan het hoogheemraadschap worden doorgegeven. Op grond van het derde lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. In deze waterschapsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.

Er zijn ook een tweetal stoffen opgenomen vanuit het regionale waterprogramma van de provincie Noord-Holland, te weten nikkel en gewasbeschermingsmiddelen. Onder gewasbeschermingsmiddelen wordt verstaan de werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante omzettings-, afbraak- en reactieproducten daarvan. 

Artikel 4.10 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning te verbinden. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 4 kan worden verbonden. Hiervoor is gekozen om voorschriften voor een activiteit zo veel mogelijk samen te brengen in één document.

Artikel 4.11 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 4.12 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Iedere onttrekking van oppervlaktewater in een kwetsbaar gebied kan de waterkwaliteit of -kwantiteit nadelig beïnvloeden. Het aanpassen van de waterhuishouding in en nabij de waterkering heeft ook invloed op de stabiliteit van de waterkering. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

In peilgebieden waar het hoogheemraadschap geen of beperkt water kan aanvoeren is het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam beperkt mogelijk. Het betreft het hellend gebied met name in en langs de duinen, de strandwallen en stuwwallen en geheel Texel. De peilgebieden met beperkte aanvoermogelijkheden liggen verspreid over het beheergebied, het betreft hier ook zogenoemde hoogwatervoorzieningen waar het van belang is dat het waterpeil niet verlaagd wordt. Daarnaast wil het hoogheemraadschap het onttrekken van water beperken in peilgebieden waar het peilbeheer is gericht op het verminderen van het inlaten van gebiedsvreemd water.

Artikel 4.13 Aanwijzing algemene regels

Onttrekkingen van oppervlaktewater buiten kwetsbare gebieden moeten voldoen aan de algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 4.14 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van het oppervlaktewater aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar water wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.15 Omvang van de onttrekking

Volgens de zorgplicht moeten de waterpeilen aangehouden blijven zoals vastgesteld door het hoogheemraadschap. Daarmee is de afmeting van een waterloop limiterend voor de aan te voeren hoeveelheid water per tijdseenheid (capaciteit).

Het watersysteem is gedimensioneerd (dat wil zeggen de watergangen hebben bepaalde afmetingen) overeenkomstig in het Beschrijvend deel, inclusief toelichting bij de Legger Wateren opgenomen aanvoernormen per type grondgebruik.

Artikel 4.16 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikel 4.15.

Artikel 4.17 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen.

Artikel 4.18 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of kan de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade aan andere maatschappelijke belangen kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht voor proefonttrekkingen in de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en kwetsbare gebieden, waardoor het hoogheemraadschap per geval kan nagaan en beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels

Onttrekkingen van grondwater voor een proefonttrekking buiten de waterkeringen en kwetsbare gebieden moeten voldoen aan de algemene regels. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Artikel 4.20 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor proefonttrekkingen aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie waar het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.21 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m3) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.22 Debiet en duur

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen debiet zodanig beperkt dat hier geen schade voor de omgeving van wordt verwacht. Het effect van de onttrekking blijft voor de duur van zes aaneengesloten kalendermaanden beperkt zolang de onttrekking plaatsvindt uit dezelfde filters. Zodra de onttrekking uit filters op een andere locatie plaatsvindt, zoals bij een sleufbemaling, verschuift het beperkte effect. 

Artikel 4.23 Stijghoogte watervoerend pakket

Voorschrift is ter voorkoming van onnodige wegpompen van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon grondwater. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft zodanig beperkt dat er geen schade of uitputting van de grondwatervoorraad van wordt verwacht.

Artikel 4.24 Retourneren of lozen van onttrokken water

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan: verantwoord omgaan, benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.25 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.22 tot en met 4.24.

Artikel 4.26 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen.

Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor bronbemaling kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde of uitputting van de grondwaterstand kan ontstaan. Om deze reden hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht bij bepaalde onttrekkingen, namelijk alle onttrekkingen voor bronbemaling in de waterkeringen en grote onttrekkingen voor bronbemaling in kwetsbare gebieden. In deze gevallen kan het hoogheemraadschap nagaan of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan. 

Artikel 4.28 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.29 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor bronbemalingen aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.30 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m3) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord-Holland. 

Artikel 4.31 De onttrekking

De onttrekkingsduur heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door de duur zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. Het effect van de onttrekking blijft voor de duur van zes aaneengesloten kalendermaanden beperkt zolang de onttrekking plaatsvindt uit dezelfde filters. Zodra de onttrekking uit filters op een andere locatie plaatsvindt, zoals bij een sleufbemaling, verschuift het beperkte effect. 

Artikel 4.32 Stijghoogte watervoerend pakket

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwater grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.33 Retourneren of lozen

Het grondwaterbeleid is er op gericht om de functies in kwetsbare gebieden te beschermen. Om de invloed op de gebieden te beperken is voorgeschreven om een mitigerende maatregelen zoals infiltratie van zoetwater in de bodem toe te passen.

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan. Het verantwoord omgaan benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.34 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.31 tot en met 4.33.

Artikel 4.35 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen.

Artikel 4.36 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen, de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan of de kwaliteit van het grondwater negatief beïnvloeden. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap in aangewezen gevallen een vergunningplicht, namelijk als dit plaatsvindt in een waterkering of in een kwetsbaar gebied of (als het daar buiten plaatsvindt) als er meer dan 15.000 m3 per maand of meer wordt onttrokken. In deze gevallen kan het hoogheemraadschap vooraf beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.37 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade of uitputting van de grondwatervoorraad of grondwaterschaarste wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.38 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor grondwater- en bodemsaneringen aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. 

Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.39 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m3) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.40 De onttrekking

De onttrekkingsduur heeft invloed op de freatische grondwaterstand. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door de duur zodanig beperkt dat hier geen negatieve gevolgen voor de omgeving van wordt verwacht. 

Artikel 4.41 Stijghoogte watervoerend pakket

Voorschrift is ter voorkoming van onnodige wegpompen van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon grondwater. De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft zodanig beperkt dat er geen schade van wordt verwacht.

Artikel 4.42 Retourneren of lozen

Het hoogheemraadschap streeft naar het in stand houden van de grondwatervoorraad en -kwaliteit van het grondwatersysteem. De voorkeursvolgorde geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met grondwater moet omgaan. Het verantwoord omgaan benutten en duurzaam verbeteren.

Artikel 4.43 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.40 tot en met 4.42.

Artikel 4.44 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het debiet heeft invloed op het effect op de freatische grondwaterstand. Het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing of veedrenking kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap in bepaalde gevallen een vergunningplicht, namelijk als de onttrekking plaatsvindt in een waterkering of (als het daar buiten plaatsvindt) als er meer dan 8.000 m3 per maand of meer wordt onttrokken. Het hoogheemraadschap kan dan per geval nagaan en beoordelen of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.46 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.47 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.48 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m3) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.49 Onttrekken oppervlaktewater niet mogelijk 

Dit artikel is ter voorkoming van onnodige gebruik van grondwater. Het hoogheemraadschap zet in op een duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon zoetwater. Het gebruik van het grondwater is toegestaan indien de oppervlaktewaterkwaliteit niet geschikt is voor beregenen, bevloeiing en veedrenking.

Artikel 4.50 De onttrekking

Omdat schoon grondwater schaars is en niet onnodig moet worden verbruikt is in dit artikel geregeld dat grondwater wordt onttrokken uit het eerste watervoerend pakket. Pas als dat onvoldoende water heeft dan wordt gewonnen uit het tweede watervoerende pakket.

Artikel 4.51 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.49 en 4.50

Artikel 4.52 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem voor een noodvoorziening en op het plaatsen van een noodvoorziening. Onder een noodvoorziening wordt verstaan een put of een tijdelijke voorziening (zoals een geboorde put voorzien van een aansluitstuk) die nodig is voor het bestrijden van een calamiteit zoals bijvoorbeeld een brandblusvoorziening.

Artikel 4.53 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water voor een noodvoorziening kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.54 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van kelders en kruipruimten van woningen en gebouwen.

Artikel 4.55 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrokken of water te infiltreren in de bodem voor een noodvoorziening kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor een derde kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.56 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het permanent onttrekken van grondwater voor het drooghouden van civieltechnische en bouwkundige werken volgens het polderprincipe. Bij het drooghouden volgens het polderprincipe wordt ter plaatse een kunstmatig waterniveau gecreëerd dat lager is dan het omringende grondwaterniveau.

Artikel 4.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van een civieltechnisch of bouwkundig werk volgens het polderprincipe kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor derde of uitputting van de grondwatervoorraad kan ontstaan. Om deze redenen hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater, voor zover de afdelingen 4.2 tot en met 4.9 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 4.59 Verbod onttrekken grondwater in kwetsbaar gebied grondwater

Het onttrekken van grondwater voor overige doeleinden is niet toegestaan in kwetsbaar gebied grondwater om te voorkomen dat dit gebied verdroogt.

Artikel 4.60 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het onttrekken van grondwater voor overige doeleinden kan de stabiliteit van de waterkering ernstig in gevaar brengen of kan de grondwaterstand zodanig beïnvloeden dat schade voor derde kan ontstaan. Om deze reden hanteert het hoogheemraadschap een vergunningplicht voor het onttrekken van grondwater voor overige doeleinden in de kernzone en beschermingszone A van de waterkeringen, zodat per geval nagegaan kan worden of en onder welke voorwaarden het onttrekken kan worden toegestaan.

Artikel 4.61 Aanwijzing algemene regels

De mate van verlaging van de grondwaterstand buiten de gebieden kwetsbaar gebied grondwater en kernzone of beschermingszone A van de watering blijft door het opgenomen maximale debiet zodanig beperkt dat hier geen schade van wordt verwacht. De kleinere grondwateronttrekkingen zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de algemene regels.

Artikel 4.62 Gegevens en documenten

Dit artikel verplicht om vijftien werkdagen voor het onttrekken van grondwater voor overige doeleinden aan het bestuur de gegevens en documenten, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard van de activiteit, de locatie het grondwater wordt onttrokken en de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.

Artikel 4.63 Uitzondering meetverplichting

De grens (onttrekkingen van meer dan 12.000 m3 per jaar) geeft uitvoering aan een instructieregel van de Omgevingsverordening Noord Holland.

Artikel 4.64 Debiet

Het maximaal debiet voor alle overige onttrekkingen is gesteld op 4.000 mper maand. De grondwaterstand mag als gevolg van de onttrekking niet lager liggen dan het plaatselijke slootpeil. De onttrekking mag geen merkbaar effect hebben op de grondwaterstand hebben.

Artikel 4.65 Verlaging grondwaterstand

De onttrekking mag geen merkbaar effect hebben op de grondwaterstand hebben.

Artikel 4.66 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 4.3 en over de algemene regels in artikelen 4.63 tot en met 4.65.

Artikel 5.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor vergunningen, verleend op basis van de voorgaande waterschapsverordening.

Als de handelingen zowel op basis van de voorgaande waterschapsverordening als deze vergunningplichtig zijn, en er is een vergunning verleend op basis van de voorgaande waterschapsverordening, dan wordt deze vergunning geacht te zijn verleend op basis van deze waterschapsverordening. Voor oudere vergunningen en ontheffingen, die zijn verleend op basis van de keur (of eerdere keuren van vóór de laatst geldende keur) gold het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt dat een vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld (onder andere) de waterschapsverordening die tegelijk met inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit. Kort gezegd: reeds verleende vergunningen worden gelijkgesteld met een vergunning op grond van die “waterschapsverordening van rechtswege”. Dit geldt ook voor fictieve vergunningen die op grond van het overgangsrecht van de laatste keur (of voorafgaande keuren) zijn ontstaan.

Het tweede lid bevat een regeling voor activiteiten die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer vergunningplichtig zijn. De voorschriften van dergelijke vergunningen blijven als maatwerkvoorschrift bestaan, mits het voorschrift past binnen de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen op grond van deze verordening.

In het derde lid is een voorziening getroffen voor lopende aanvragen om een omgevingsvergunning. De aanvraag wordt afgehandeld onder het oude recht, mits de activiteit ook in de nieuwe waterschapsverordening vergunningplichtig is. Dit zorgt ervoor dat het er gedurende het vergunningentraject geen omschakeling naar het nieuwe beleid hoeft plaats te vinden. Zodra de vergunning onherroepelijk wordt, wordt de vergunning gelijkgesteld met een vergunning op grond van de nieuwe verordening. Het overgangsrecht voor lopende aanvragen voor activiteiten die niet meer vergunningplichtig zijn, is opgenomen in artikel 5.2.

Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften

Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit uit te voeren van toepassing is.

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit uit te voeren van toepassing is.

Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.

Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing:

  • a.

    tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    tot het tijdstip waarop de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom, tot het tijdstip waarop:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd;

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

    • 3.

      de last is opgeheven.

Artikel 5.4 Intrekking oude verordening

De waterschapsverordening vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. 

Artikel 5.5 Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van de waterschapsverordening wordt gekoppeld aan het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.