Verordening van de raad van de gemeente Edam-Volendam houdende regels omtrent de inrichting van de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Edam-Volendam)

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Verordening van de raad van de gemeente Edam-Volendam houdende regels omtrent de inrichting van de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving Edam-Volendam)

De raad van de gemeente Edam-Volendam;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 december 2021, nr. D-RVS - 21168617;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

gelet op artikel 8 en 11 van de Woningwet;

gelet op artikel 15 van de Monumentenwet

gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet;

overwegende dat het in verband met de stelselwijziging van de Omgevingswet wenselijk is de regels, die toezien op een wijziging van de fysieke leefomgeving uit diverse verordeningen in één verordening te integreren;

dat dit bijdraagt aan een gefaseerde invoering in het omgevingsplan van de gemeente na de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

B E S L U I T:

vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Edam-Volendam.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • aansluitleiding: het gedeelte van het particulier riool op openbaar terrein vanaf de perceelsgrens tot en met het aansluitpunt.

  • aansluitpunt:

    • bij gemengde en (verbeterd) gescheiden stelsels en drainage het punt waar de aansluitleiding op het openbaar riool wordt aangesloten;

    • bij drukriolering het punt waar het particulier riool wordt aangesloten op de pompput of vacuümput;

    • bij IBA’s het punt waar het particuliere riool aansluit op de IBA;

    • indien een vetafscheider, olieafscheider of andere voorziening die onderdeel uitmaakt van het particulier riool in openbare grond is gelegen: het punt waar die voorziening wordt aangesloten op de perceelaansluitleiding; en

    • indien het openbaar riool in particuliere grond is gelegen: het punt dat als aansluitpunt is aangeduid in de overeenkomst tot het vestigen van een recht van opstal.

  • afvalwater: alle water waarvan de houder zich – met het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

  • bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;

  • beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers;

  • bouwhistorisch onderzoek: een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van een gebouw of ensemble met een nadruk op de fysieke samenstelling, conform de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;

  • bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • bronneringswater: grondwater onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • contra-expertise: een deskundigenadvies met daarin een afweging van de cultuurhistorische waarde ten opzichte van de bouwtechnische staat van het object, zoals aangegeven in een bouwhistorisch onderzoek;

  • controlevoorziening: voorziening ten behoeve van het nemen van monsters.

  • cultureel erfgoed: alle materiële getuigenissen uit het verleden die de samenleving van belang vindt om te conserveren, te onderzoeken, te presenteren en over te informeren;

  • drainagewater: grondwater ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem;

  • drainage stelsel: het openbaar riool, voor de afvoer van drainagewater.

  • drukriolering: het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater exclusief hemelwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van onder- of overdruk;

  • gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • geluidgevoelige ruimten: ruime binnen en woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2.

  • gemeente: de gemeente Edam-Volendam;

  • gemeentelijke adviescommissie: de op basis van de verordening op de gemeentelijke adviescommissie Fysieke Leefomgeving Edam-Volendam ingestelde adviescommissie;

  • gemengd stelsel: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater;

  • gescheiden stelsel en verbeterd gescheiden stelsel: het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater en een buizenstelsel voor de afvoer van het overige afvalwater. Bij een gescheiden stelsel gaat al het hemelwater direct naar oppervlaktewater, het afvalwater gaat via het gemaal naar de RWZI. In een verbeterd gescheiden stelsel lopen hemel- en afvalwater allebei naar een gemaal. Vanaf het gemaal gaat een klein deel van het hemelwater naar de RWZI;

  • gevoelige gebouwen: een bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw, niet zijnde een woning, dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het omgevingsplan, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • gevoelige terreinen: een bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, waarbij wat betreft de bestemming wordt uitgegaan van het gebruik dat is toegestaan op grond van het omgevingsplan, met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  • huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

  • hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

  • IBA : voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater, in eigendom bij de gemeente;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 3.23 en 3.25 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de omgevingswet ;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

  • openbaar riool : het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor de inzameling, transport en behandeling van afvalwater, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen, IBA’s, persleidingen en werken en installaties van overeenkomende aard, met uitzondering van de aansluitleidingen;

  • NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

  • particulier riool : de binnenriolering, perceelleiding en aansluitleiding tot aan het aansluitpunt.

  • perceelsgrens: De grens tussen het perceel in eigendom bij de rechthebbende en het aansluitend (openbaar) terrein;

  • omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 5.1 en 5.2 Omgevingswet;

  • perceelleiding: het riool en voorzieningen die deel uitmaken van het riool op particulier terrein;

  • vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • verblijfsruimten:

    • leslokalen, theorielokalen van onderwijsgebouwen,

    • onderzoeks- en behandelingsruimen van ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven,

    • recreatie- en conversatieruimten verzorgingshuizen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven, patiëntenhuisvesting,

    • woon- en slaapruimten verzorgingshuizen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.

  • vet- en/of olieafscheider: een put, in het rioolstelsel, met als doel te voorkomen dat etensresten, vet, slib en minerale olie in het afvalwater terechtkomen;

  • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze verordening is van toepassing op activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen en benodigd zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bepaald in de Omgevingswet.

  • 2. Voor de Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam wordt Verordening fysieke leefomgeving gelezen.

Hoofdstuk 2 Indeling van het gebied van de gemeente en aanwijzingen van gemeentelijke monumenten, monumentale en andere beschermenswaardige bomen

Artikel 2.1 Indeling van het gebied van de gemeente (Bouwverordening)

  • 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente:

    • a.

      het gebied binnen de bebouwde kom;

    • b.

      het gebied buiten de bebouwde kom.

  • 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat in de algemene plaatselijke verordening als zodanig is aangegeven. Voor zover aanduiding ontbreekt geldt dat voor het bepalen of een gebied binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen aansluiting wordt gezocht met het begrip bebouwde kom uit de Wegenverkeerswet.

Artikel 2.2 Gemeentelijk monument (Erfgoedverordening)

  • 1. Als gemeentelijk monument wordt aangemerkt:

    • a.

      een onroerende zaak en/of terrein die of dat in een tijdelijk omgevingsplan en de daarbij behorende verbeelding is bestemd tot “Waarde-Edams-Volendams erfgoed” met de daarbij nadere aanduiding:

      • 1º specifieke bouwaanduiding – karakteristiek waardevol bouwwerk

      • 2º specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend bouwwerk

      • 3º specifieke bouwaanduiding – stolp

      • 4º specifieke bouwaanduiding – waardevol cultuurhistorisch element

      • 5º cultuurhistorisch attentiegebied;

    • b.

      een onroerende zaak en/of terrein die of dat als gemeentelijk monument is aangewezen en geregistreerd op grond van de ‘Erfgoedverordening 2010 Gemeente Zeevang’;

  • 2. Voor de gemeentelijke monumenten zoals bepaald in lid 1 gelden de regels in afdeling 3.3.

Artikel 2.3 Bomenlijst (APV)

  • 1. Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld.

  • 2. Voor de monumentale en andere beschermenswaardige bomen zoals bepaald in lid 1 gelden de regels in afdeling 3.6.

Hoofdstuk 3 Regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving

AFDELING 3.1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3.1 Weigeringsgronden (APV)

  • 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de volksgezondheid;

    • b.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 3.2 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (APV)

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    de houder dit verzoekt.

AFDELING 3.2 BODEM EN BODEMSANERING

Artikel 3.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Bouwverordening)

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

  • a.

    waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

  • b.

    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en

  • c.

    dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 3.4 Bodemonderzoek (Bouwverordening)

  • 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl.

  • 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, uitgevoerd door een persoon of een instelling erkend op grond van het Besluit Bodemkwaliteit, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikel 2.15f Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en afdeling 22.2 bruidsschat Invoeringsbesluit Omgevingswet. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in artikel 2.15 f Bbl en afdeling 22.2 bruidsschat Invoeringsbesluit Omgevingswet

  • 3. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, uitgevoerd door een persoon of een instelling erkend op grond van het Besluit Bodemkwaliteit toe als voor toepassing van artikel 3.3 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

  • 4. Het college kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, uitgevoerd door een persoon of instelling erkend op grond van het Besluit Bodemkwaliteit, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 5.36 Omgevingswet en 10.23 Omgevingsbesluit als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen.

  • 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3.5 Voorschriften omgevingsvergunning voor het bouwen (Bouwverordening)

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.3 kan het college voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het Besluit Bodemkwaliteit bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel dat op grond van onderzoeken en eindresultaten t.b.v. de milieubelastende activiteit saneren op grond van artikel 4.1241 e.v. Besluit activiteit leefomgeving (Bal)., dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorschriften alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften (Bouwverordening)

Het college is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

AFDELING 3.3 SLOPEN EN WIJZIGEN MONUMENTEN

Artikel 3.7 Verbodsbepaling (Erfgoedverordening)

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening:

    • a.

      te slopen of

    • b.

      te verstoren, te verplaatsen, te beschadigen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

    • c.

      te wijzigen door in of nabij het gemeentelijke monument bouwwerken op te richten, te veranderen, te vergroten of te vervangen anders dan op grond van het tijdelijk omgevingsplan is toegestaan.

  • 2. Lid 1 is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is, tenzij bij de werkzaamheden een monumentaal onderdeel wordt of dreigt te worden aangetast.

  • 3. Lid 2 onder a en b is alleen van toepassing onder de volgende voorwaarden:

    • 1º er is sprake is van een technische noodzaak voor het vervangen of herstellen van materiaal op beperkte schaal;

    • 2º aangetaste delen mogen worden vervangen of hersteld;

    • 3º de werkzaamheden dienen zonder hak- en breekwerk in het historisch casco te worden uitgevoerd.

  • 4. Werkzaamheden als bedoeld in lid 2 dienen te worden gemeld aan het college.

  • 5. De in lid 1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg, de algemene uitgangspunten zoals neergelegd in artikel 3.8 en het bepaalde in het tijdelijk omgevingsplan zich daartegen niet verzet.

Artikel 3.8 Algemene uitgangspunten ten behoeve van onderhoud, herstel of wijzigen aan gemeentelijke monumenten (Erfgoedverordening)

  • 1. Ten behoeve van onderhoud- en herstelwerkzaamheden (restauratie) aan karakteristieke en beeldbepalende bouwwerken alsmede aan cultuurhistorische elementen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

    • a.

      Behoud gaat vóór vernieuwen. Historische bouwmaterialen, structuren en constructies geven een pand belangrijke monumentale en historische waarde. Door de aanwezigheid hiervan is de geschiedenis en ontwikkeling van het monument duidelijk afleesbaar. Vervangen of wijzigen van de bestaande constructies, structuren, materialen en details gaan ten koste van de authenticiteit. Deze waarde dient gerespecteerd te worden.

    • b.

      Herstel van authentiek materiaal. Indien het bestaande materiaal in slechte staat is, wordt in eerste instantie onderzocht of technisch herstel mogelijk is. Bij noodzakelijke vervanging van authentiek materiaal wordt tot op detailniveau uitgegaan van gelijksoortig materiaalgebruik conform bestaande toestand. Indien dit niet mogelijk blijkt dient aansluiting gezocht te worden bij de historische materialen en substanties, zelfs tot op het detailniveau van de samenstelling van de mortel voor het voegwerk.

    • c.

      Respect voor authenticiteit. Bij restauratie moet men de historische gelaagdheid en de afleesbaarheid van het verleden in vormgeving, constructie en materiaalgebruik respecteren. Het transformatieproces, door verandering van het gebruik of functie, dat een gebouw door de tijd heen ondergaat, heeft een grote historische waarde. Een monument ontleent veelal zijn waarde aan de bouwgeschiedenis.

    • d.

      Behoud door zorgvuldig ontwikkelen en vernieuwen. Indien vanwege gemotiveerde redenen voor vernieuwing en ontwikkeling wordt gekozen, dient dit te geschieden vanuit deze cultuurhistorische randvoorwaarden. Toevoegingen dienen bij voorkeur tot stand te komen op, in of bij de minst kwetsbare plekken van het beschermde pand. Daarbij dienen de veranderingen of toevoegingen bij voorkeur reversibel te zijn. Dit wil zeggen dat deze ooit weer ongedaan gemaakt kunnen worden zonder de monumentale waarden aan te tasten. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument.

    • e.

      Structuren eerbiedigen. Externe hoofdstructuren moeten gerespecteerd worden. Dit geldt voor de voor- en achtergevelrooilijnen en de herkenbaarheid van bouwvolumes.

    • f.

      Respect voor details. De kwaliteit van een monument wordt vaak bepaald door de aanwezigheid van authentieke details. De oorspronkelijke detaillering in de vorm van voegwerk, gevelafwerking, decoraties, metselpatronen, roedeverdelingen in vensters et cetera dient optimaal gerespecteerd te worden. Indien er sprake is van eigentijdse interventies, dient de detaillering qua maat en schaal in overeenstemming te zijn met het historische karakter van het pand.

    • g.

      Zorgvuldigheid tijdens uitvoering werkzaamheden. Historisch waardevolle elementen moeten tijdens restauratie- en verbouwingswerkzaamheden afdoende beschermd worden tegen beschadigingen. Indien tijdens de uitvoering van vergunde werkzaamheden historische onderdelen tevoorschijn komen waarvan het bestaan voordien niet bekend was, is de vergunninghouder verplicht dit te melden bij de gemeente Edam-Volendam.

  • 2. Voor onderhoud en wijzigingen binnen het cultuurhistorisch attentiegebied zijn de volgende algemene uitgangspunten van toepassing:

    • a.

      Behoud gaat vóór vernieuwen, vervangen of wijzigen. Indien toch voor vernieuwing, vervanging of wijziging wordt gekozen, dient dit te geschieden vanuit onderstaande cultuurhistorische randvoorwaarden en bij voorkeur door middel van een eigentijds ontwerp, afgestemd op de omgeving:

      • i.

        de historisch gegroeide en stedenbouwkundige structuur, inclusief de openbare ruimte en groenstructuren, moet men zoveel mogelijk intact laten en de ruimtelijke samenhang daarvan zoveel mogelijk behouden, respecteren en zo mogelijk versterken;

      • ii.

        bij onderhoud en/ of verandering moet men het oorspronkelijk stedenbouwkundig concept respecteren. Hierbij dient rekening gehouden te worden met oorspronkelijke en/of bestaande rooilijnen, bouwmassa’s, hoogten, bebouwingseenheden, kapvormen, situering, openingen in de gevelwand, parcelering, groenstructuren enz.;

      • iii.

        wijzigingen in het cultuurhistorisch attentiegebied moeten afgestemd zijn op de schaal en maat van de historische karakteristiek en het architectonisch idioom. Gevel- en raamindeling, kleur- en materiaalgebruik alsmede de textuur en de korrelgrootte van de vernieuwing dienen afgestemd te zijn op de omgeving;

      • iv.

        IV bij de inrichting van de openbare ruimte dient men rekening te houden met waardevolle details zoals bijvoorbeeld straatmeubilair, terreinafscheidingen, bestratingsmateriaal en beeldbepalende bomen of hagen.

Artikel 3.9 Aanvraag om vergunning (Erfgoedverordening)

  • 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 16.55 Omgevingswet en artikel 7.3 Omgevingsregeling en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 3-voud ingediend.

  • 2. De aanvraag om vergunning als bedoeld in lid 1 moet schriftelijk worden ingediend bij het college. Hierbij gelden de indieningsvereisten conform artikel 7.3 Omgevingsregeling

  • 3. Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan het college de aanvrager verzoeken een bouwhistorisch onderzoek van het object over te leggen.

Artikel 3.10 Vergunning voor beschermde rijksmonumenten (art. 5.1 sub b Omgevingswet) (Erfgoedverordening)

  • 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de gemeentelijke adviescommissie.

  • 2. De gemeentelijke adviescommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.

  • 3. Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek van het object over te leggen.

AFDELING 3.4 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN

Artikel 3.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV)

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het college, als de activiteiten zijn verboden bij een tijdelijk omgevingsplan, of voorbereidingsbesluit.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de omgevingsverordening NH 2020, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Edam-Volendam 2017.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 3.12 Omgevingsvergunning maken of veranderen van een uitweg (APV)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    • a.

      ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    • b.

      als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de omgevingsverordening NH 2020.

AFDELING 3.5 RIOLERING

Artikel 3.13 Aansluitvergunning (Aansluitverordening riolering)

  • 1. Het is zonder daartoe verleende aansluitvergunning van het college niet toegestaan een aansluiting of een lozing op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen.

  • 2. Het is verboden zonder daartoe verleende aansluitvergunning van het college op een andere wijze dan met een rioolaansluiting te lozen op het openbaar riool.

  • 3. Het college verleent alleen een aansluitvergunning voor het tot stand brengen en in stand houden van een aansluiting tussen de aansluitleiding en het openbaar riool:

    • a.

      voor de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is;

    • b.

      voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een (verbeterd) gescheiden stelsel aanwezig is;

    • c.

      voor de afvoer van hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een (verbeterd) gescheiden stelsel aanwezig is;

    • d.

      voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater indien ter plaatse riolering onder overdruk en/of onderdruk of een IBA aanwezig is;

    • e.

      voor de afvoer van drainagewater naar het daarvoor bedoelde stelsel indien ter plaatse een drainage stelsel aanwezig is;

    • f.

      voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater indien ter plaatse een IBA aanwezig is.

  • 4. Indien meer dan één aansluiting van een aansluitleiding op het openbaar riool tot stand dient te worden gebracht, alsmede wanneer meer dan één aansluiting of bestaande lozing dient te worden gewijzigd, is het eerste lid voor iedere aansluiting of wijziging afzonderlijk van toepassing.

  • 5. In de aansluitvergunning kunnen nadere voorschriften worden opgenomen met betrekking tot:

    • a.

      het tot stand brengen van de aansluiting;

    • b.

      het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding;

    • c.

      de aard en omvang van de (gewijzigde) lozing;

    • d.

      de periode waarvoor de aansluitvergunning wordt verleend, indien een tijdelijke aansluitvergunning wordt aangevraagd;

    • e.

      de aan te brengen controlevoorziening en/of vet- of olieafscheider, indien de rechthebbende een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, betreft;

    • f.

      sloopwerkzaamheden op het perceel van de aanvrager.

  • 6. Een rechthebbende van een perceel kan het college tevens verzoeken een aansluitleiding aan te leggen of een wijziging van een aansluitleiding uit te voeren. De rechthebbende dient daarvoor een schriftelijk verzoek door middel van een daartoe bestemd aanvraagformulier in te dienen.

Artikel 3.14 Vangnetbepaling (Aansluitverordening riolering)

  • 1. Afvalwater dat huishoudelijke stoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet in een voorziening voor inzameling en het transport van afvalwater gebracht.

  • 2. Bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater worden overigens slechts in een openbaar riool gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen en/of hoeveelheid ervan:

    • a.

      de doelmatige werking van een openbaar riool, een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur niet wordt belemmerd;

    • b.

      de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk niet wordt belemmerd; en

    • c.

      de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlakte water zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 3. Het college kan nadere eisen stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van afvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht met het oog op de doelmatige werking, bedoeld in het tweede lid onder a, de verwerking, onder b en de kwaliteit van het oppervlaktewater, bedoeld in het tweede lid onder c.

  • 4. Met betrekking tot afvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor inzameling en het transport van afvalwater, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing;

  • 5. Onder de werkingssfeer van deze vangnetbepaling, valt tevens het afvalwater:

    • a.

      met een temperatuur die hoger is dan 30 graden Celsius op het regenwaterriool;

    • b.

      waarvan de zuurgraad lager is dan de pH = 6,5 of hoger dan pH = 10 is;

    • c.

      waarvan de sulfaatconcentratie groter is dan 300 mg/l;

    • d.

      dat brand- of explosiegevaar kan veroorzaken; of

    • e.

      dat door een IBA is geleid.

Artikel 3.15 Het verkrijgen van de aansluitvergunning/ de aanvraag (Aansluitverordening riolering)

  • 1. De aanvraag om aansluitvergunning wordt schriftelijk met behulp van een daartoe bestemd aanvraagformulier, bij het college ingediend door de rechthebbende van het aan te sluiten dan wel aangesloten perceel.

  • 2. Bij een aanvraag om aansluitvergunning dienen de volgende gegevens door de rechthebbende te worden vermeld:

    • a.

      de naam en het adres van de rechthebbende;

    • b.

      de ligging van het aan te sluiten dan wel aangesloten perceel aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel en een situatieschets 1:1000 of grotere schaal;

    • c.

      de aard en de hoeveelheid van het af te voeren afvalwater en of er regenwater, drainagewater of bronneringswater zal worden afgevoerd;

    • d.

      van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool ten minste de volgende gegevens:

      • i.

        het leidingverloop en de dimensies van de leidingen;

      • ii.

        de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt;

      • iii.

        het toe te passen duidelijke verschil in kleur of symbolen tussen afvalwater, hemelwater en drainageafvoerleidingen.

  • 3. Indien de gegevens zoals bedoeld in het tweede lid, reeds zijn vastgelegd in een voor het perceel afgegeven omgevingsvergunning, kan bij de aanvraag worden volstaan met een verwijzing naar die vergunning.

  • 4. Op de aanvraag voor een aansluitvergunning of het tot stand brengen van een lozing, het wijzigen van een lozing of het wijzigen van de bestaande lozing wordt pas beslist nadat bij de aanvraag alle in het tweede lid vermelde gegevens in het bezit van de gemeente zijn. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens alsnog aan te vullen.

  • 5. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag en alle in het tweede lid vermelde gegevens over de aansluitvergunning.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid houdt het college de beslissing omtrent een aanvraag aansluitvergunning aan, indien er geen reden is de aansluitvergunning te weigeren:

    • a.

      terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen;

    • b.

      terwijl er voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een lozingsvergunning vanuit een inrichting krachtens de Wet milieubeheer(Wm),of in de AMVB op grond van artikel 8.40 van de Wm, van toepassing op de inrichting;

    • c.

      indien het een ´overige´ lozing betreft vanuit een niet-inrichting en een ontheffingsprocedure in behandeling is op grond van artikel 10.47 Wm.

    • d.

      terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een watervergunning;

    • e.

      terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een vergunning krachtens het lozingsbesluit Wet , zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • f.

      terwijl het afvalwater (mogelijk) in strijd is met deze verordening en hiervoor advies noodzakelijk is van het Waterschap;

  • 7. Rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld. Na verlening van de in sub a. en b. bedoelde vergunningen, neemt het college alsnog binnen 8 weken na verlening een besluit op de aanvraag.

Artikel 3.16 Het weigeren van de aansluitvergunning (Aansluitverordening riolering)

  • 1.

    Vergunning tot aansluiting, lozing of wijziging kan slechts worden geweigerd indien aansluiting van de aansluitleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting of wijziging van de bestaande lozing vanwege technische, juridische, milieutechnische of milieueconomische redenen bezwaarlijk is.

  • 2.

    Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool, wijziging van die aansluiting of wijziging van de bestaande lozing is in ieder geval bezwaarlijk indien:

    • a.

      de gevraagde aansluiting een afvoerleiding betreft die niet voldoet aan de eisen die daaraan krachtens de bouwregelgeving zijn gesteld;

    • b.

      de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval kan plaatsvinden;

    • c.

      de aansluiting op een drukriool onder verhoogde atmosferische druk moet plaatsvinden, maar de aangegeven drukhoogte onvoldoende is;

    • d.

      de aansluiting op een drukriool moet plaatsvinden, maar er geen balkeerklep of terugslagklep aanwezig is;

    • e.

      de hoogteligging van het aansluitpunt (binnenonderkant buis) lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding;

    • f.

      de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een (verbeterd) gescheiden openbaar riool aanwezig is;

    • g.

      de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater en/of bronneringswater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieu en/of water wetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan;

    • h.

      het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren;

    • i.

      niet wordt voldaan aan de bepalingen in artikel 3.14;

    • j.

      het een lozing van niet verontreinigd drainage water betreft;

    • k.

      het een lozing niet verontreinigd regenwater betreft, terwijl er een openbaar regenwater riool aanwezig is;

    • l.

      de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of middels retourbemaling kan worden afgevoerd;

    • m.

      een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een watervergunning of een vergunning op grond van de Wet Bodembescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor het aan te sluiten perceel is geweigerd;

    • n.

      de rechthebbende bij het aanbrengen van de benodigde voorzieningen op particulier terrein, geen recht van opstal en/of een erfdienstbaarheid aan de gemeente wil verstrekken;

    • o.

      er bij een bedrijfsmatige aansluiting geen controle voorziening en (indien van toepassing) een vet- of olieafscheider wordt aangebracht;

    • p.

      de afstand van het particulier riool tot het openbaar riool waarop de aansluiting kan plaatsvinden 40 meter of meer bedraagt.

  • 3.

    Een weigering om aansluitvergunning is met redenen omkleed, waarbij het college de nadere eisen aangeven waaraan moet worden voldaan om voor een aansluitvergunning in aanmerking te komen.

Artikel 3.17 Intrekken, wijzigingen of vervallen van de aansluitvergunning (Aansluitverordening riolering)

  • 1. De aansluitvergunning kan door het college worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      er ter verkrijging van de aansluitvergunning onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt, dan wel blijkt dat het gebruik van de aansluiting door rechthebbende niet overeenkomstig de bij de aansluitvergunning verstrekte gegevens is;

    • b.

      na het verlenen van de aansluitvergunning, op grond van een wijziging van omstandigheden of inzichten, door het college wordt aangenomen dat een intrekking of wijziging noodzakelijk is geworden voor de bescherming van de kwaliteit van het rioolslib, van de riolering en de goede werking daarvan;

    • c.

      de bepalingen van deze verordening en/of de aan de aansluitvergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      de rechthebbende dit verzoekt.

  • 2. Indien de rechthebbende binnen 26 weken na het verlenen van de aansluitvergunning de gevraagde voorzieningen en/of maatregelen niet heeft gerealiseerd vervalt de aansluitvergunning van rechtswege.

  • 3. De intrekking van de aansluitvergunning is met redenen omkleed. Voordat tot intrekking wordt overgegaan krijgt rechthebbende de gelegenheid gedurende 2 weken schriftelijk haar/zijn zienswijze omtrent de intrekking kenbaar te maken.

Artikel 3.18 Uitvoering aanleg of wijziging van een aansluitleiding (Aansluitverordening riolering)

  • 1. De uitvoering van de aanleg of wijziging van een aansluitleiding, inclusief de aansluiting op het openbaar riool, vindt niet plaats anders dan door of namens het college.

  • 2. Het college verzorgt uitsluitend de uitvoering van de aanleg of wijziging vanaf het openbaar riool tot aan de perceelsgrens. Vanaf de perceelsgrens komt de aanleg van het riool voor rekening en risico van de rechthebbende;

  • 3. In afwijking van lid 1 kan het college na overleg met de rechthebbende besluiten dat de rechthebbende zelf de aansluiting uitvoert. Dit wordt aan de rechthebbende schriftelijk medegedeeld. De rechthebbende meldt het tijdstip van uitvoering minimaal 3 werkdagen van te voren aan het college.

  • 4. De aansluiting van de aansluitleiding op de perceelleiding vindt slechts plaats, als de perceelleiding voldoet aan de geldende bouwregelgeving.

Artikel 3.19 Zorgplicht (Aansluitverordening riolering)

  • 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat verzanding van het openbaar riool en de aansluitleiding wordt voorkomen;

  • 2. Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft het college de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende;

  • 3. Indien het gebruik van een aansluiting definitief wordt beëindigd, is de rechthebbende verplicht het college hiervan per ommegaande in kennis te stellen;

  • 4. Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, wordt de aansluitleiding op kosten van de rechthebbende verwijderd.

Artikel 3.20 Hardheidsclausule (Aansluitverordening riolering)

  • 1. Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan het college in bijzondere gevallen van het gestelde in deze verordening afwijken.

  • 2. In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

AFDELING 3.6 VELLEN VAN HOUTOPSTANDEN

Artikel 3.21 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (APV)

  • 1. Het college stelt een bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde bomenlijst.

  • 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

    • a.

      de natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

    • f.

      de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  • 5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 3.22 Bestrijding van iepziekte (APV)

  • 1. Als zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever is de rechthebbende, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen een termijn van tien werkdagen:

    • a.

      de iepen te vellen;

    • b.

      de iepen met inbegrip van het resterende stamdeel direct en ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen, of;

    • c.

      de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te versnipperen.

  • 2. Het is verboden gevelde niet-ontbaste iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren tenzij het gaat om versnipperd iepenhout.

AFDELING 3.7 VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING

Artikel 3.23 Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV)

  • 1. De geluidsnormen bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.25 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 (bruidsschat) Invoeringsbesluit Omgevingswet gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen, wijken of kernen van de gemeente.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.25, op zondag en maandag tot en met donderdag uiterlijk om 01.00 uur, en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 02.00 uur, beëindigd.

  • 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.24 Melding incidentele festiviteiten (APV)

  • 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal acht dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.25, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal acht dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 2.239 bruidsschat Invoeringsbesluit Omgevingswet niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  • 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 75dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de subparagrafen 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 3.25, op zondag en maandag tot en met donderdag uiterlijk om 01.00 uur, en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 02.00 uur, beëindigd.

  • 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.25 Onversterkte muziek (APV)

  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in 5.73 Besluit kwaliteit leefomgeving binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  • 2. Tabel

     
     

    7.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-7.00 uur

    LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3. Voor de duur van tien uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3.23 en 3.24.

Artikel 3.26 Geluidhinder in de openlucht (APV)

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a.

      het maximale geluidsniveau;

    • b.

      de situering van geluidsbronnen;

    • c.

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Besluit kwaliteit leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland.

Artikel 3.27 Overige geluidhinder (APV)

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Besluit kwaliteit leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland.

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

AFDELING 4.1 PROCESREGELS VOOR VERGUNNINGEN NIET ZIJNDE OMGEVINGSVERGUNNINGEN

Artikel 4.1 Beslistermijn (APV)

  • 1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het college kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 4.2 Voorschriften en beperkingen (APV)

  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 4.3 Termijnen (APV)

  • 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

AFDELING 4.2 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 4.4 Intrekking oude verordeningen

  • 1. De Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam, de bouwverordening 2019 en de Aansluitverordening riolering Edam-Volendam worden ingetrokken.

  • 2. In de Algemene plaatselijke verordening Edam-Volendam komen de artikelen 2:11, 2:12, 4:1, 4:2, 4:3, 4:5, 4:5b, 4:6, 4:10, 4:11 en 4:12te vervallen.

Artikel 4.5 Overgangsbepalingen

  • 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 4.4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening.

  • 3. Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de (bepalingen van de) verordeningen als bedoeld in artikel 4.4, gelden als vergunning of ontheffing op grond van deze verordening.

Artikel 4.6 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de datum dat de Omgevingswet in werking treedt.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Edam-Volendam.

Ondertekening

Aldus besloten door de gemeenteraad van

Edam-Volendam in zijn openbare vergadering

d.d. 10 februari 2022,

de griffier,

mr. M. van Essen.

de voorzitter,

L.J. Sievers.