Regeling vervallen per 01-01-2012

AfstemmingsverordeningWet werk en bijstand 2007

Geldend van 28-08-2008 t/m 31-12-2011

Intitulé

AfstemmingsverordeningWet werk en bijstand 2007

De raad van de gemeente Langedijk;

Overwegende:

- dat de gemeenteraad gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, en de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, artikel 18 en 30 van de Wet werk en bijstand, verplicht is nadere regels te stellen;

- dat het noodzakelijk is het afstemmen van de Algemene bijstand bij verordening te regelen.

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 oktober 2007, nummer 103;

besluit :

de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2007 vast te stellen.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet werk en bijstand, hierna te noemen WWB;

b. algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;

c. bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;

d. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

e. bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;

f. voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet: een instrument binnen een traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen;

g. traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door het college aan hem opgelegd geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid;

h. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

i. Algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid zonder beperkende voorwaarden qua aard en omvang van het werk en aansluiting op opleiding en ervaring, met uitzondering van illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk minimum en rekening houdend met gewetensbezwaren zodanig dat deze strikt persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk conflict opleveren met de te verrichten werkzaamheden;

j. CWI: Centrale organisatie Werk en Inkomen;

k. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

l. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk.

Artikel 2 Het verlagen van de uitkering

1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college dan wel ambtenaren zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd of de betaling van de bijstand opgeschort.

2. De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm.

2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.

3. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging op basis van de bijstandsnorm worden toegepast op de bijzondere bijstand, indien de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand

In het besluit tot opleggen van een verlaging worden vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden waarom een hogere of lagere verlaging wordt opgelegd.

Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand

1. Het college ziet af van verlaging indien:

a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of;

b. de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en gedraging heeft plaatsgevonden.

2. Het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3. Het college kan in het onder lid 2. genoemde geval besluiten een waarschuwing op te leggen.

4. Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan, overeenkomstig hetgeen gesteld is onder lid 3.

Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive

1. De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt.

2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald.

3. Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan, opnieuw zijn verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, worden de minimale termijnen waarnaar in lid 3 wordt verwezen en die in de hoofdstukken 2 tot en met 4 vermeld staan verdubbeld.

Artikel 7 Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor de zwaarste verlaging geldt.

Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8 Categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

1. Categorie 1:

a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het CWI of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek door de gemeente naar de rechtmatigheid en/of doelmatigheid van de bijstand en /of mogelijkheden tot abeidsinschakeling.

2. Categorie 2:

het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare reden niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een andere door het college noodzakelijk geacht en aangeboden voorziening (arbeidsinschakeling, scholing, sociale activering of zorgtraject), voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.

3. Categorie 3:

a. het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

b. het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare reden niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college noodzakelijke geacht en aangeboden voorziening (arbeidsinschakeling, scholing, sociale activering of zorgtraject), als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject, ook wordt hieronder verstaan; het niet ondertekenen van een reïntegratie plan.

4. Categorie 4:

a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging

Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde lid, wordt de verlaging van artikel 8 vastgesteld op:

a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij gedragingen in categorie 1;

b. 35 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij gedragingen in categorie 2;

c. 50 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij gedragingen in categorie 3;

d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij gedragingen in categorie 4.

Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht

Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen

1. Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet een verlaging toegepast waarbij de betreffende bijstands(norm) gedurende 1 maand met 10 procent wordt verlaagd.

2. Indien een belanghebbende de in het eerste lid genoemde verplichting herhaaldelijk niet tijdig nakomt, kan, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging worden toegepast van 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

3. Van het verlagen van de bijstandsnorm kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen

1. Indien het herhaaldelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand kan, onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast worden van 10 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

2. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

3. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze vastgesteld:

a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,--;

b. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij een benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,--;

c. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--;

d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer.

Artikel 12 Omschrijving begrip 'onverwijld uit eigen beweging' mededelen

Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet dient als 'onverwijld' te worden verstaan:

a. direct mondeling (eventueel telefonisch) of indien dit niet mogelijk is.

b. direct op het rechtmatigheidonderzoeksformulier (periodieke verklaringen, statusformulieren, mutatieformulieren of hoe ook genoemd) in de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich heeft voorgedaan of, indien dit niet van toepassing is.

c. vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich heeft voorgedaan.

Artikel 13 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht

1. Indien de verlaging als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, wordt de bijstand die belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, door middel van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag dat voortvloeit uit de herziening wordt van belanghebbende teruggevorderd.

2. Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is ontvangen, ten gevolge van het schenden van de inlichtingenplicht, tezamen met het bedrag van de terugvordering zoals vermeld in het eerste lid, meer bedraagt dan het totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging toegepast worden tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel ontvangen bijstand.

Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot verlaging

Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt, met uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.

2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld:

a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij een periode van korter dan 3 maanden;

b. 50 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij een periode van 3 tot 6 maanden;

c. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij een periode van langer dan 6 maanden.

3. In afwijking van lid 1 en lid 2 wordt bij onverantwoord interen van vermogen:

a. de bijstandsuitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de periode waarop feitelijk ingeteerd had moeten worden;

b. een verlaging van 10 procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende minimaal 3 maanden toegepast.

4. Indien er sprake is van woonkosten boven de maximum huurgrens en belanghebbende in onvoldoende mate heeft voldaan aan de opgelegde bijzondere voorwaarde om, in financieel opzicht, naar passende woonruimte te zoeken en deze te accepteren, wordt de hoogte van de woonkosten tegemoetkoming verlaagd, rekening houdende met artikel 2, tweede lid van deze verordening.

Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen

1. Van een zeer ernstige misdraging kan alleen sprake zijn als tevens sprake is van

a. verwijtbaarheid én;

b. gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen onacceptabel is.

2. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast van minimaal 50 procent gedurende minimaal 1 maand.

Artikel 16 Nadere verplichtingen

Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20 procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand.

Artikel 17 Oneigenlijk gebruik en misbruik van bijstand

1. Het college biedt jaarlijks een Handhavingsplan aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de gemeenteraad.

2. Het in lid 1 genoemde Handhavingsplan bevat in ieder geval de informatie met betrekking tot het beleid inzake:

a. terugvordering van teveel of ten onrechte betaalde bijstand;

b. verhaal van bijstand op derden;

c. het aantal aangeboden fraudezaken aan het Openbaar Ministerie.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 18 Uitvoering

a. De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

b. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels vaststellen.

c. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 19 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2007”

Artikel 21 Inwerkingtreding

Hoofdstuk

Artikel Bijlagen

Toelichting afstemmingsverordening

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Langedijk in zijn openbare vergadering van 7 november 2007.
De voorzitter,
drs. J.F.N. Cornelisse
De griffier,
mr. H.U. van der Zee