Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe

Bij deze regeling horen andere regelingen die er juridisch onderdeel van zijn, zie het overzicht andere regelingen bij de wetstechnische informatie.

Geldend van 07-04-2026 t/m heden

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Begripsbepalingen die in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I een afwijkende begripsomschrijving bevat.

  • 3.

    Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Artikel 1.2 Oogmerk van de regels

De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt. 

Artikel 1.3 Tijdelijk deel omgevingsplan

Artikel 1.4 Normadressaat

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.5 Algemene gegevens en bescheiden bij melding en informatieplicht

Als gegevens bij de melding of een informatieplicht worden verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de activiteit, waarop het verstrekken van de gegevens en bescheiden betrekking heeft;

  • b.

    de naam, adres en telefoonnummer van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    als de gegevens en bescheiden worden ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde;

  • d.

    als de gegevens en bescheiden elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde;

  • e.

    het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

  • f.

    een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  • g.

    de dagtekening.

Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 1.7 Dubbele omgevingsnormen

Indien er op een locatie meerdere omgevingsnormen zijn opgenomen die op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, dan geldt de bestaande legaal gerealiseerde situatie als maximaal toegestaan.

Hoofdstuk 2 GEBRUIK - FUNCTIES

Afdeling 2.1 ALGEMENE BEPALINGEN

Paragraaf 2.1.1 Algemeen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk heeft betrekking op het gebruiksdoel van de gronden en bouwwerken en het gebruik van gronden en bouwwerken

Artikel 2.2 Meet- en rekenregels
  • 1.

    Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.

  • 2.

    Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak.

Artikel 2.3 Algemene gebruiksregel 
  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in Hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2.20.

  • 3.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort, tenzij elders in dit omgevingsplan uitdrukkelijk anders is bepaald, in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, infrastructurele en waterstaatkundige kunstwerken, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen.

  • 4.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met het aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor bij de functies behorende voorzieningen zoals erven, wegen en paden en parkeervoorzieningen.

  • 5.

    Onder het gebruik van een bij een functie behorend erf als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van een bij een functie behorend erf wordt beschouwd.

  • 6.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan uitdrukkelijk anders is bepaald, is het in ieder geval verboden om: 

    • a.

      gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van buitenpandige opslag;

    • b.

      vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van wonen;

    • c.

      gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting;

    • d.

      gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van twee of meer bedrijven op één bouwperceel; en

    • e.

      gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald anders dan op gronden en in bouwwerken waar overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2.5, detailhandel, niet zijnde ondergeschikte detailhandel, is toegestaan;

    • f.

      gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de locatie toegestane gebruik.

  • 7.

    In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, is het gebruiken van het voorerfgebied van middenwoningen voor parkeren niet toegestaan.

  • 8.

    In afwijking van het zevende lid mag het bestaand(e) gebruik van het voorerfgebied van middenwoningen ten behoeve van het parkeren worden voortgezet. 

Artikel 2.4 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden, over het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

Artikel 2.5 Bestaand gebruik
  • 1.

    Bestaand gebruik in de zin van dit omgevingsplan is gebruik dat op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp-wijzigingsbesluit waarin het artikel met het begrip bestaand(e) is opgenomen of van toepassing is geworden op een locatie, bestond.

  • 2.

    Gebruik dat weliswaar bestond maar niet in overeenstemming is met een verleende omgevingsvergunning of het geldende omgevingsplan wordt niet aangemerkt als bestaand gebruik als bedoeld in dit omgevingsplan.

Paragraaf 2.1.2 Wijzigen gebruik bestaande gebouwen

Artikel 2.7 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gaan over het wijzigen van het gebruik van een bouwwerk en de aansluitende terreinen op een wijze die niet reeds elders in dit omgevingsplan is toegestaan.

  • 2.

    Voor zover het bouwwerk is gelegen buiten de bebouwde kom is deze paragraaf alleen van toepassing op een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

Artikel 2.8 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit bedoeld in het eerste lid van artikel 2.7 te verrichten. 

Artikel 2.9 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

  • a.

    er sprake is van een goed woon- , leef- en ondernemersklimaat;

  • b.

    de belangen van naburige percelen niet onevenredig worden geschaad; en

  • c.

    er sprake is van een aanvaardbare verkeerskundige situatie.

Artikel 2.10 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.9.

Artikel 2.11 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.9 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 2.1.3 Herinrichten van openbaar gebied

Artikel 2.12 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een herinrichting van het openbare gebied op een wijze die niet reeds elders in dit omgevingsplan is toegestaan.

Artikel 2.13 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit bedoeld in artikel 2.12 te verrichten.

Artikel 2.14 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

  • a.

    er sprake is van een goed woon-, leef- en ondernemersklimaat;

  • b.

    de belangen van naburige percelen niet onevenredig worden geschaad; en

  • c.

    er sprake is van een aanvaardbare verkeerskundige situatie.

Artikel 2.15 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.14.

Artikel 2.16 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.14 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 2.2 AGRARISCH

Paragraaf 2.2.1 Algemene regels

Artikel 2.17 Toepassingsbereik
Artikel 2.18 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    agrarische bedrijven, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.2.2;

  • b.

    de uitoefening van grondgebonden agrarische activiteiten, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.2.3;

  • c.

    het hobbymatig houden van dieren.

Paragraaf 2.2.2 Agrarische bedrijven

Artikel 2.19 Agrarisch bouwvlak

Agrarische bedrijven zijn alleen toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bouwvlak.

Artikel 2.20 Agrarisch bedrijven in de kernen

Ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bedrijven in de kernen zijn alleen de bestaand(e) agrarische bedrijven toegestaan. 

Artikel 2.21 Productiegebonden detailhandel

Ter plaatse van een agrarisch bedrijf is productiegebonden detailhandel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.58 toegestaan.

Paragraaf 2.2.3 Grondgebonden agrarische activiteiten

Artikel 2.22 Grondgebonden agrarische activiteiten
  • 1.

    Het gebruik van gronden ten behoeve van Grondgebonden agrarische activiteiten is toegestaan.

Paragraaf 2.2.4 Beperkende regels voor agrarisch

Artikel 2.23 Landelijke tuin
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding landelijke tuin

  • 2.

    Alleen het gebruik van gronden en bouwwerken voor een tuin, moestuin, boomgaard, akker, weide of daarmee gelijk te stellen doeleinde is toegestaan.

  • 3.

    Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van: 

    • a.

      de opslag van mest; 

    • b.

      de opslag van goederen, materiaal en materieel in de openlucht; 

    • c.

      het gebruik als paardenbak, tennisbaan en zwembad.

Afdeling 2.3 BEDRIJF

Paragraaf 2.3.1 Algemene regels

Artikel 2.24 Toepassingsbereik
Artikel 2.25 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    bedrijven, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.3.2;

  • b.

    ondergeschikte detailhandel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.59;

  • c.

    buitenpandige opslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.33;

  • d.

    productiegebonden detailhandel; en

  • e.

    niet-zelfstandige kantoren.

Paragraaf 2.3.2 Bedrijven

Artikel 2.26 Bedrijfscategorieën 
Artikel 2.27 Risicobedrijven
  • 1.

    Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen, zijn, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding risicobedrijf toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      bedrijven waar een propaantank staat, voor zover: 

      • 1.

        de afstanden genoemd in tabel 4.899 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in Tabel A.7 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en

      • 2.

        er geen andere activiteit uitgevoerd wordt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. 

  • 3.

    Activiteiten als bedoeld in artikel 3.30, 3.33 en 3.72, eerste lid, onder f van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet toegestaan.

Artikel 2.28 Activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder veroorzaken

Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken

Artikel 2.29 Specifieke bedrijvigheid
Artikel 2.30 Verkooppunt motorbrandstoffen met lpg
Artikel 2.31 Beperkende regels voor bedrijven
Artikel 2.32 Groothandel
Artikel 2.33 Buitenpandige opslag

Het gebruik van gronden ten behoeve van buitenpandige opslag is toegestaan onder de voorwaarden dat: 

  • a.

    buitenpandige opslag plaatsvindt achter de voorgevel van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw en het verlengde daarvan; en

  • b.

    de hoogte van de buitenpandige opslag niet meer bedraagt dan 3 m.

Paragraaf 2.3.3 Omgevingsplanactiviteit

Subparagraaf 2.3.3.1 Ander bedrijf in de kernen
Artikel 2.34 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten die anders zijn dan ingevolge paragraaf 2.3.2 is toegestaan.

Artikel 2.35 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 

  • a.

    het bedrijf qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen is met de toegestane bedrijfsactiviteiten. Over de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke ter zake deskundige; 

  • b.

    het betreft geen activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken; 

  • c.

    het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 

  • d.

    productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; en

  • e.

    de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig.

Artikel 2.36 Aanvraagvereisten

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.35, waaronder in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de voorgenomen activiteit; 

  • b.

    een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof; en 

  • c.

    een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken.

Artikel 2.37 Vergunningvoorschriften

 

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.35 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:

  • a.

    het treffen van maatregelen of voorzieningen; en 

  • b.

    aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen.

Subparagraaf 2.3.3.2 Energie Opslag Systeem
Artikel 2.38 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Energie Opslag Systeem op te richten.

Artikel 2.39 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de risico's op het gebied van externe veiligheid en met name brandveiligheid aanvaardbaar zijn.

  • 2.

    Over het bepaalde in het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in bij de veiligheidsregio. 

Artikel 2.40 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden overlegd die nodig zijn voor de beoordeling aan artikel 2.39.

Artikel 2.41 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.39 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 2.4 CULTUUR EN ONTSPANNING

Paragraaf 2.4.1 Evenementen 

Subparagraaf 2.4.1.1 Algemeen
Artikel 2.42 Toepassingsbereik

Deze regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie evenementen als medegebruik.  

Subparagraaf 2.4.1.2 Evenementen als medegebruik
Artikel 2.43 Algemene regel

Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen als medegebruik is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 

  • a.

    er dient sprake te zijn van een evenement in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering / verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak; en 

  • b.

    het evenement duurt maximaal 7 (aaneengesloten) dagen.

Subparagraaf 2.4.1.3 Omgevingsplanactiviteit evenementen als zelfstandig gebruik
Artikel 2.44 Vergunningplicht

Het is verboden om gronden en bouwwerken zonder omgevingsvergunning te gebruiken ten behoeve van een evenement dat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2.43

Artikel 2.45 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 

  • a.

    er dienen voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar te zijn. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning;

  • b.

    er is vanuit milieuoogpunt (met name externe veiligheid en geluidhinder) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;

  • c.

    de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen; en

  • d.

    er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden.

Artikel 2.46 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.45

Artikel 2.47 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.45 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 2.5 DETAILHANDEL

Paragraaf 2.5.1 Algemene regels

Artikel 2.48 Toepassingsbereik
Artikel 2.49 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

Artikel 2.50 Omvang en situering
Artikel 2.51 Laden en lossen
  • 1.

    Indien op een perceel de Functieaanduiding laden en lossen is opgenomen, is het laden en lossen alleen ter plaatse van die aanduiding toegestaan.

  • 2.

    Bij maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen aan het laden en lossen worden gesteld.

  • 3.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding laden en lossen Drielplein Ochten geldt dat het laden en lossen uitsluitend is toegestaan met gesloten deuren van de laad- en losplaats en uitsluitend tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

Paragraaf 2.5.2 Detailhandel

Artikel 2.52 Supermarkt
Artikel 2.53 Volumineuze detailhandel
Artikel 2.54 Detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen
  • 1.

    Detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen is niet toegestaan.

Artikel 2.55 Verkoop van motorbrandstoffen
  • 1.

    Detailhandel in de vorm van verkoop van motorbrandstoffen is niet toegestaan.

Artikel 2.56 Detailhandel in woninginrichting

Ter plaatse van de Functieaanduiding uitsluitend detailhandel in woninginrichting toegestaan is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in artikelen voor woninginrichting waaronder meubels toegestaan.

Artikel 2.57 Overige regels

Paragraaf 2.5.3 Productiegebonden detailhandel

Artikel 2.58 Productiegebonden detailhandel bij de functie agrarisch
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.

  • 2.

    De oppervlakte aan productiegebonden detailhandel bij de functie agrarisch bedraagt niet meer bedraagt dan 100 m².

Paragraaf 2.5.4 Ondergeschikte detailhandel

Artikel 2.59 Ondergeschikte detailhandel bij functie bedrijf
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.

  • 2.

    De oppervlakte aan ondergeschikte detailhandel bij de functie bedrijf bedraagt niet meer dan 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 50 m².

Artikel 2.60 Ondergeschikte detailhandel bij functie dienstverlening
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.

  • 2.

    De oppervlakte aan ondergeschikte detailhandel bij de functie dienstverlening bedraagt niet meer dan 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 10 m2.

Afdeling 2.6 DIENSTVERLENING

Paragraaf 2.6.1 Algemene regels

Artikel 2.61 Toepassingsbereik
Artikel 2.62 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    dienstverlening;

  • b.

    ondergeschikte detailhandel, overeenkomstig het bepaalde in 2.60;

  • c.

    ondersteunende horeca, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.87.

Artikel 2.63 Omvang en situering

Paragraaf 2.6.2 Omgevingsplanactiviteit dienstverlening op locatie detailhandel

Artikel 2.64 Vergunningplicht

Ter plaatse van de Locatie detailhandel is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van dienstverlening

Artikel 2.65 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

  • a.

    het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; 

  • b.

    het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de parkeersituatie ter plaatse; 

  • c.

    het gebruik mag niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk ter plaatse;

  • d.

    het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving; en 

  • e.

    de dienstverlening is alleen op de begane grond toegestaan

Artikel 2.66 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de toetsing aan artikel 2.65.

Artikel 2.67 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen gelet op het bepaalde in artikel 2.65 voorschriften worden verbonden.

Afdeling 2.7 GROEN

Paragraaf 2.7.1 Stedelijk groen

Subparagraaf 2.7.1.1 Algemene regels
Artikel 2.68 Toepassingsbereik
Artikel 2.69 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    groenvoorzieningen;

  • b.

    speelvoorzieningen;  

  • c.

    hondenuitlaatplaatsen;

  • d.

    beeldende kunstwerken;

  • e.

    parkeervoorzieningen overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.7.1.2;

  • f.

    in- en uitritten overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.7.1.2.

Subparagraaf 2.7.1.2 Parkeervoorzieningen en in- en uitritten
Artikel 2.70 Parkeervoorzieningen

Alleen de bestaande parkeervoorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 2.71 In- en uitritten

Alleen de bestaande in- en uitritten zijn toegestaan.

Paragraaf 2.7.2 Landelijk groen

Subparagraaf 2.7.2.1 Algemene regels
Artikel 2.72 Toepassingsbereik
Artikel 2.73 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    grasvelden;

  • b.

    weilanden met voorzieningen zoals paardenbakken;  

  • c.

    parkeervoorzieningen overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.7.2.2;

  • d.

    in- en uitritten overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.7.2.2 

  • e.

    evenementen als medegebruik als bedoeld in subparagraaf 2.4.1.2.

Subparagraaf 2.7.2.2 Parkeervoorzieningen en in- en uitritten
Artikel 2.74 Parkeervoorzieningen

Alleen de bestaande parkeervoorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 2.75 In- en uitritten

Alleen de bestaande in- en uitritten zijn toegestaan.

Paragraaf 2.7.3 Omgevingsplanactiviteit nieuwe parkeervoorziening en in- en uitritten

Artikel 2.76 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe parkeervoorzieningen en in- en uitritten aan te leggen.

  • 2.

    Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vervangen van bestaande parkeervoorzieningen en in- en uitritten voor zover deze in overeenstemming met het omgevingsplan zijn aangelegd.

Artikel 2.77 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige aantasting van de groenstructuur plaatsvindt.

Artikel 2.78 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.77.

Artikel 2.79 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.77 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 2.8 HORECA

Paragraaf 2.8.1 Algemene regels

Artikel 2.80 Toepassingsbereik
Artikel 2.81 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruik ten behoeve van horecabedrijven, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.8.2.

Artikel 2.82 Omvang en situering
  • 1.

    Horeca is uitsluitend op de begane grond toegestaan, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.

  • 2.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding hotel is horeca op de verdieping toegestaan.

  • 3.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding horeca op de verdieping is horeca op de verdieping toegestaan.

  • 4.

    Ter plaatse van de Locatie centrum is horeca in de vorm van logies en een overnachtingsmogelijkheid op de verdieping toegestaan.

Artikel 2.83 Maatwerkvoorschrift terras

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de exploitatie van een terras om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Paragraaf 2.8.2 Horecabedrijven

Artikel 2.84 Horeca categorieën
Artikel 2.85 Specifieke horecabedrijven
  • 1.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding café is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een café toegestaan.

  • 2.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding hotel is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een hotel toegestaan.

Paragraaf 2.8.3 Ondersteunende horeca

Artikel 2.86 Ondersteunende horeca bij functie detailhandel
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald. 

  • 2.

    Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca bij de functie detailhandel mag niet meer bedragen dan 20% van het totale winkelvloeroppervlak tot een maximum van 35 m² van het winkelvloeroppervlak.

Artikel 2.87 Ondersteunende horeca bij functie dienstverlening
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald. 

  • 2.

    Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca bij de functie dienstverlening mag niet meer bedragen dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 35 m2 van het bedrijfsvloeroppervlak.

Artikel 2.88 Ondersteunende horeca bij functie maatschappelijk
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien dat elders in dit omgevingsplan is bepaald. 

  • 2.

    Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca mag niet meer bedragen dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 35 m2 van het bedrijfsvloeroppervlak, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.

  • 3.

    Het bedrijfsvloeroppervlak aan ondersteunende horeca mag ter plaatse van de Functieaanduiding grotere oppervlakte ondersteunende horeca, niet meer bedragen dan 175 m². 

  • 4.

    Indien op een perceel de Functieaanduiding terras toegestaan is opgenomen is een terras alleen ter plaatse van die Functieaanduiding toegestaan.

Paragraaf 2.8.4 Omgevingsplanactiviteit

Subparagraaf 2.8.4.1 Ander horecabedrijf
Artikel 2.89 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een ander horecabedrijf dan ingevolge het bepaalde in 2.84 is toegestaan.

Artikel 2.90 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde;

  • b.

    het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen;

  • c.

    de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;

  • d.

    het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

Artikel 2.91 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.90.

Artikel 2.92 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.90 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:

  • a.

    het treffen van maatregelen en voorzieningen; en

  • b.

    aan de horeca-activiteit beperkingen stellen.

Subparagraaf 2.8.4.2 Horeca op de verdieping
Artikel 2.93 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in 2.82 de verdieping van gebouwen te gebruiken ten behoeve van horeca.

Artikel 2.94 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

    • a.

      de horecafunctie op de verdieping betreft een uitbreiding van een bestaand horecabedrijf op de begane grond binnen dezelfde toegestane horecacategorie; 

    • b.

      het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde; 

    • c.

      het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning;

    • d.

      het gebruik mag niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk

    • e.

      de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;

    • f.

      uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor horeca op de verdieping; 

    • g.

      het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid onder a kan de omgevingsvergunning ook worden verleend tegelijk met het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.89

Artikel 2.95 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.94.

Artikel 2.96 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.94 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:

  • a.

    het treffen van maatregelen en voorzieningen; en

  • b.

    aan de horeca-activiteit beperkingen stellen.

Subparagraaf 2.8.4.3 Nieuwe horeca in het centrum
Artikel 2.97 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Locatie centrum.

Artikel 2.98 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op andere locaties dan aangegeven in artikel 2.84, gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een horecabedrijf.

Artikel 2.99 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    het mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon- en leefklimaat en de openbare orde;

  • b.

    het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse of er wordt in de onmiddellijke omgeving voorzien in voldoende parkeervoorzieningen;

  • c.

    de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving;

  • d.

    het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

Artikel 2.100 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.99.

Artikel 2.101 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.99 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval:

  • a.

    het treffen van maatregelen en voorzieningen; en

  • b.

    aan de horeca-activiteit beperkingen stellen.

Afdeling 2.9 KANTOOR

Paragraaf 2.9.1 Algemene regels

Artikel 2.102 Toepassingsbereik
Artikel 2.103 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van kantoren, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.9.2

Artikel 2.104 Omvang en situering

Paragraaf 2.9.2 Kantoor

Artikel 2.105 Kantoor met baliefunctie

Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie, is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor met baliefunctie toegestaan.

Artikel 2.106 Kantoor zonder baliefunctie

Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor zonder baliefunctie, is alleen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor zonder baliefunctie toegestaan. 

Afdeling 2.10 MAATSCHAPPELIJK

Paragraaf 2.10.1 Algemene regels

Artikel 2.107 Toepassingsbereik
Artikel 2.108 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    maatschappelijke doeleinden, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.10.2;

  • b.

    sport- en speelvoorzieningen;

  • c.

    ondersteunende horeca, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.86.

Artikel 2.109 Omvang en situering

Paragraaf 2.10.2 Maatschappelijke doeleinden

Artikel 2.110 Maatschappelijke doeleinden
  • 1.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier is toegestaan.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een zorginstelling is toegestaan.

  • 3.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding intramuraal wonen is ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van intramuraal wonen toegestaan.

  • 4.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van asielzoekerscentrum, crematorium, opvang van dieren, justitiële inrichting of militaire zaken is niet toegestaan.

Artikel 2.111 Beperkende regels voor maatschappelijke doeleinden
Artikel 2.112 Huisartsenpost
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding huisartsenpost.

  • 2.

    Er is alleen een huisartsenpost toegestaan.

  • 3.

    Het aantal behandelkamers dat gebruikt wordt door een huisarts, mag niet meer dan 6 bedragen.

Artikel 2.113 Locatie Betuwestraat Noord
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de de Functieaanduiding maatschappelijke voorziening Betuwestraat Noord.

  • 2.

    Maatschappelijke doeleinden zijn alleen toegestaan in de vorm van een kerk, een school met gymzaal en ondersteunde maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van een school.

  • 3.

    Voor een kerk gelden de volgende regels:

    • a.

      het bruto vloeroppervlak bedraagt niet meer dan 4.450 m2 bvo;

    • b.

      het bebouwd oppervlak bedraagt niet meer dan 2.260 m2; en

    • c.

      het aantal zitplaatsen bedraagt niet meer dan 1.750;

  • 4.

    Voor een school gelden de volgende regels:

    • a.

      het bruto vloeroppervlak bedraagt niet meer dan 2.900 m2 bvo; en

    • b.

      het bebouwd oppervlak bedraagt niet meer dan 1.100 m2

  • 5.

    Voor een gymzaal gelden de volgende regels:

    • a.

      het bruto vloeroppervlak bedraagt niet meer dan 518 m2 bvo; en

    • b.

      het bebouwd oppervlak bedraagt niet meer dan 518 m2;

  • 6.

    Het bruto vloeroppervlak ten behoeve van andere dan de in de vorige leden genoemde maatschappelijke functies bedraagt niet meer dan 840 m2 bvo.

  • 7.

    Het bruto vloeroppervlak ten behoeve van een fietsenstalling/berging ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen bedraagt niet meer dan 500 m2 bvo.

Artikel 2.114 Locatie Dr. M. van Drielplein
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding maatschappelijk Dr. M. van Drielplein.

  • 2.

    Het gebruik van ruimten voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek alleen toegestaan op de eerste verdieping van het hoofdgebouw.

  • 3.

    Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid, zijn ramen en deuren gesloten, met uitzondering van de situatie voor het onmiddelijk doorlaten van personen.

  • 4.

    De entree van het hoofdgebouw wordt voorzien van een 'geluidsluis' waarbij, tijdens het ten gehore brengen van muziek, altijd één van de deuren (binnen- of buitendeur) gesloten is.

Paragraaf 2.10.3 Omgevingsplanactiviteit

Subparagraaf 2.10.3.1 Jongerenontmoetingsplaats (JOP)
Artikel 2.115 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding omgevingsplanactiviteit jongerenontmoetingsplaats.

Artikel 2.116 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een jongerenontmoetingsplaats (JOP) te realiseren.

  • 2.

    Het verbod van het eerste lid geldt niet voor bestaande jongerenontmoetingsplaatsen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.

Artikel 2.117 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de situering van de jongerenontmoetingsplaats mag niet leiden tot een aantasting van de verkeers- en/of parkeersituatie; en

  • b.

    er is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat.

Artikel 2.118 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.117.

Artikel 2.119 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.117 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Artikel 2.120 Maatwerkvoorschrift bestaande jongerenontmoetingsplaatsen

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over het gebruik van jongerenontmoetingsplaatsen om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Afdeling 2.11 NATUUR

Paragraaf 2.11.1 Algemene regels

Artikel 2.121 Toepassingsbereik
Artikel 2.122 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van natuurgebied.

Afdeling 2.12 RECREATIE

Paragraaf 2.12.1 Volkstuin

Subparagraaf 2.12.1.1 Algemene regels
Artikel 2.123 Toepassingsbereik
Artikel 2.124 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuin.

Paragraaf 2.12.2 Verblijfsrecreatie

[Gereserveerd]

Afdeling 2.13 SPORT

Paragraaf 2.13.1 Algemene regels

Artikel 2.125 Toepassingsbereik
Artikel 2.126 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    sportvoorzieningen, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.13.2;

  • b.

    ondergeschikte niet-commerciële maatschappelijke activiteiten;

  • c.

    ondersteunende horeca.

Artikel 2.127 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de exploitatie van de functies genoemd in artikel 2.126 om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Paragraaf 2.13.2 Sportvoorzieningen

Artikel 2.128 Lawaaisporten

Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van lawaaisporten zoals autocircuit, kartbaan, motorcrossterrein en modelvliegtuigbaan, is niet toegestaan.

Afdeling 2.14 VERKEER

Paragraaf 2.14.1 Railverkeer

Subparagraaf 2.14.1.1 Algemene regels
Artikel 2.129 Toepassingsbereik
Artikel 2.130 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    spoorwegvoorzieningen;

  • b.

    wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;

  • c.

    verblijfsvoorzieningen.

Paragraaf 2.14.2 Verblijfsgebied

Subparagraaf 2.14.2.1 Algemene regels
Artikel 2.131 Toepassingsbereik
Artikel 2.132 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.14.2.2

  • b.

    hondenuitlaatplaatsen;

  • c.

    terrassen;

  • d.

    speelvoorzieningen;

  • e.

    standplaatsen voor ambulante handel;

  • f.

    beeldende kunstwerken.

Artikel 2.133 Maatwerkvoorschrift ambulante handel

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Artikel 2.134 Maatwerkvoorschrift terras

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de exploitatie van een terras om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Subparagraaf 2.14.2.2 Verblijfsgebied
Artikel 2.135 Calamiteitenroute
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding calamiteitenroute.

  • 2.

    Voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf zijn alleen toegestaan in de vorm van een verbinding voor: 

    • a.

      langzaam verkeer; en 

    • b.

      calamiteitenverkeer.

Paragraaf 2.14.3 Verkeer

Subparagraaf 2.14.3.1 Algemene regels
Artikel 2.136 Toepassingsbereik
Artikel 2.137 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van wegen met bijbehorende voorzieningen zoals bruggen.

Afdeling 2.15 WATER

Paragraaf 2.15.1 Algemene regels

Artikel 2.138 Toepassingsbereik
Artikel 2.139 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

  • a.

    waterhuishoudkundige doeleinden;

  • b.

    voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging; 

  • c.

    beeldende kunstwerken; en

  • d.

    bruggen en andere waterstaatswerken.

Afdeling 2.16 WONEN

Paragraaf 2.16.1 Wonen in de kernen

Subparagraaf 2.16.1.1 Algemene regels
Artikel 2.140 Toepassingsbereik
Artikel 2.141 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor de volgende functies:

  • a.

    het wonen in een woning overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.16.1.2;

  • b.

    werken aan huis overeenkomstig het bepaalde in subparagraaf 2.16.1.3.

 

Subparagraaf 2.16.1.2 Wonen
Artikel 2.142 Beperkende regels
Artikel 2.143 Kamerbewoning
  • 1.

    Het gebruik van bouwwerken ten behoeve van kamerbewoning is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet toegestaan.

  • 2.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding kamerbewoning toegestaan is het gebruik van bouwwerken ten behoeve van kamerbewoning toegestaan. 

Artikel 2.144 Wonen in het centrum
Subparagraaf 2.16.1.3 Werken aan huis
Artikel 2.145 Woon-/werkeenheid

Ter plaatse van de Functieaanduiding woon-/werkeenheid toegestaan, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een woon-/werkeenheid toegestaan.

Artikel 2.146 Aan huis gebonden ambacht
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aan huis gebonden ambacht toegestaan.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis gebonden ambacht is toegestaan.

  • 3.

    De activiteit genoemd in het tweede lid moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • a.

      het bruto-vloeroppervlak bedraagt niet meer dan 100 m2;

    • b.

      de hoofdgebruiker dient tevens de bewoner van de woning te zijn;

    • c.

      er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.

    • d.

      er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;

    • e.

      buitenopslag is niet toegestaan.

Artikel 2.147 Niet-publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis
  • 1.

    Het gebruik van een deel van een (bedrijfs)woning en/of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;

    • b.

      degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;

    • c.

      activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet toegestaan;

    • d.

      detailhandel mag niet plaatsvinden;

    • e.

      buitenopslag is niet toegestaan;

    • f.

      er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een niet-publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. 

Subparagraaf 2.16.1.4 Omgevingsplanactiviteit nieuwe woning
Artikel 2.148 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een nieuwe woning op een bouwperceel te realiseren.

Artikel 2.149 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de woning mag in de bouwwijze vrijstaand worden gerealiseerd of de bouwwijze van een aanwezige woning veranderen, zolang niet meer dan één extra woning wordt mogelijk gemaakt;

  • b.

    de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een vrijstaande woning aan twee zijden en bij twee aaneengebouwde woningen aan één zijde niet minder dan 3 m;

  • c.

    de maatvoering sluit aan op de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving;

  • d.

    er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;

  • e.

    uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren voor vestiging van de woning;

  • f.

    er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

  • g.

    de woning dient direct vanaf de openbare weg te worden ontsloten en dient zich op diezelfde openbare weg te oriënteren;

  • h.

    de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens dient tenminste 8 m te bedragen.

Artikel 2.150 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.149.

Artikel 2.151 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.149 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 2.16.1.5 Omgevingsplanactiviteit wonen op de begane grond
Artikel 2.152 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding wonen in het centrum.

Artikel 2.153 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het wonen op de begane grond.

  • 2.

    Het verbod van het eerste lid geldt niet ter plaatse van de Functieaanduiding wonen op de begane grond.

Artikel 2.154 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    gebruik van de begane grond door de functies detailhandel, dienstverlening, horeca of maatschappelijke doeleinden is redelijkerwijs binnen afzienbare tijd niet mogelijk;

  • b.

    uit milieuoogpunt bestaan geen bezwaren tegen vestiging van de woning.

Artikel 2.155 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.154.

Artikel 2.156 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.154 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval het aantal woningen dat wordt toegestaan.

Paragraaf 2.16.2 Woonwagens

Artikel 2.157 Toepassingsbereik
Artikel 2.158 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het wonen in een woonwagen.

Paragraaf 2.16.3 Bedrijfswoningen

Subparagraaf 2.16.3.1 Algemene regels
Artikel 2.159 Toepassingsbereik
Artikel 2.160 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van het wonen in een bedrijfswoning.

Artikel 2.161 Aantal bedrijfswoningen
  • 1.

    Per aanduidingsvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan.

Subparagraaf 2.16.3.2 Omgevingsplanactiviteit omzetting bedrijfswoning
Artikel 2.162 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning.

Artikel 2.163 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    de omzetting geen gevolgen heeft voor de exploitatie van bedrijven;

  • b.

    ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 2.164 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.163.

Artikel 2.165 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.163 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 2.16.4 Zorgwoningen

Subparagraaf 2.16.4.1 Algemene regels
Artikel 2.166 Toepassingsbereik
Artikel 2.167 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van het wonen in een zorgwoning.

Paragraaf 2.16.5 Woongebied

Subparagraaf 2.16.5.1 Algemene regels
Artikel 2.168 Toepassingsbereik
Artikel 2.169 Gebruiksdoelomschrijving
  • 1.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de volgende functies:

    • a.

      wonen;

    • b.

      voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf, waaronder in ieder geval parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden;

    • c.

      speelvoorzieningen;

    • d.

      hondenuitlaatplaatsen.

Subparagraaf 2.16.5.2 Omgevingsplanactiviteit woongebied (wonen - uit te werken)
Artikel 2.170 Toepassingsbereik
Artikel 2.171 Vergunningplicht
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te transformeren.

  • 2.

    Onder transformeren wordt verstaan het gebruiken van de gronden ten behoeve van de in artikel 2.169 genoemde functies.

Artikel 2.172 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er sprake is van:

  • a.

    een goede omgevingskwaliteit;

  • b.

    een passende stedenbouwkundige structuur;

  • c.

    een voldoende bijdrage aan de woningbouwopgave in de gemeente en een gevarieerd aanbod van woonruimte;

  • d.

    een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte;  

  • e.

    een doelmatige wegenstructuur en ontsluiting; en

  • f.

    voldoende parkeerplaatsen.  Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 2.173 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.172 waaronder in ieder geval een inrichtingsplan als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.8.

Artikel 2.174 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.172 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 2.16.6 Publieksgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis

Artikel 2.175 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een deel van een (bedrijfs)woning en/of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit te gebruiken.

Artikel 2.176 Uitzondering vergunningplicht
Artikel 2.177 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;

  • b.

    degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;

  • c.

    het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;

  • d.

    de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;

  • e.

    detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit;

  • f.

    buitenopslag is niet toegestaan;

  • g.

    er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.

Artikel 2.178 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.177.

Artikel 2.179 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.177 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 2.16.7 Bed & breakfast

Artikel 2.180 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in een (bedrijfs)woning en/of daarbij behorende aangebouwde bouwwerken een bed & breakfast te exploiteren.

Artikel 2.181 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 2.180 geldt niet voor een bestaande bed en breakfast die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.

Artikel 2.182 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bed & breakfast is uitsluitend toegestaan in de woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken;

  • b.

    het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning;

  • c.

    het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag in niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²;

  • d.

    er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden;

  • e.

    de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening is niet toegestaan;

  • f.

    als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

Artikel 2.183 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt die het bevoegd gezag noodzakelijk acht ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 2.182.

Artikel 2.184 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 2.182 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 2.16.8 Huisvesting in verband met mantelzorg

Artikel 2.185 Mantelzorg bestaand bouwwerk

Het gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan. 

Paragraaf 2.16.9 Doelgroepen woningen

Artikel 2.186 Maximale huurprijs sociale en middeldure huurwoningen
  • 1.

    Sociale huurwoningen hebben een huurprijs tot aan de liberalisatiegrens. Deze wordt jaarlijks vastgesteld conform de betreffende MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen.

  • 2.

    (Gereguleerde) middeldure huurwoningen hebben een huurprijs vanaf de liberalisatiegrens tot ten hoogste € 1.123,- (prijspeil 2024) en vervolgens jaarlijks vastgesteld conform de betreffende MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen. 

Artikel 2.187 Koopprijsgrenzen en gebruiksoppervlak betaalbare koopwoningen
  • 1.

    Een betaalbare koopwoning dient een gebruiksoppervlak van ten minste 30 m² te hebben.

  • 2.

    De koopprijs vrij op naam voor een betaalbare koopwoning met een gebruiksoppervlak tot 50m² bedraagt ten hoogste € 250.000,- voor een woning met een gebruiksoppervlak van 50 tot 70m²  ten hoogste € 275.000,- voor een woning met een gebruiksoppervlak vanaf 70m² ten hoogste € 350.000,-.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde maximale koopprijzen worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig het percentage waarmee de liberalisatiegrens wordt aangepast, zoals opgenomen in de jaarlijkse MG Circulaire met betrekking tot o.a. huurprijsgrenzen, en afgerond op een veelvoud van € 500.,-

  • 4.

    In overeenkomsten met ontwikkelende partijen worden indexatie-afspraken gemaakt vanaf prijspeildatum tot aan het moment van start verkoop, een en ander in lijn met het bepaalde in dit artikel.

  • 5.

    Het gebruiksoppervlak van een betaalbare koopwoning mag gedurende een periode van 5 jaar na de eerste oplevering niet worden vergroot.

Artikel 2.188 Doelgroep sociale huurwoning

De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal de DAEB-inkomensgrens (in 2024: € 44.699,- voor een eenpersoonshuishouden en € 52.671,- voor een meerpersoonshuishouden).

Artikel 2.189 Doelgroep geliberaliseerde woning voor middenhuur

De doelgroep voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal 1,5 keer de lage DAEB-inkomensgrens.

Artikel 2.190 Doelgroep betaalbare koopwoning

De doelgroep voor betaalbare koopwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen tot maximaal 1,5 keer de lage DAEB-inkomensgrens.

Artikel 2.191 Differentiatie woningbouw
  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dienen woningbouwplannen van tenminste 20 woningen minimaal 30% sociale huurwoningen, 20%  betaalbare koopwoningen tot € 350.000,- en 15% woningen voor middenhuur of koopwoningen tot € 395.000,- te omvatten.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dienen woningbouwplannen van minder dan 20 woningen in minimaal 30% sociale huurwoningen en 35% geliberaliseerde woningen voor middenhuur of betaalbare koopwoningen tot de NHG grens te omvatten. Indien dit om praktische redenen niet mogelijk is, zal in samenspraak met de ontwikkelaar worden bezien of compensatie op een andere locatie van deze ontwikkelaar mogelijk is. 

Artikel 2.192 Differentiatie woningbouw - specifieke locaties
  • 1.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huurwoning 30%, mogen niet minder dan 30% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale koopwoning 10%, mogen niet minder dan 10% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huurwoning 20%, mogen niet minder dan 20% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 4.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding sociale huur of koop 20%, mogen niet minder dan 20% van het aantal totaal te bouwen woningen worden gebouwd als sociale huurwoning of sociale koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 5.

    Ter plaatse van de Locatie Herenland-West Opheusden betreft minimaal 21 woningen een sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 6.

    Ter plaatse van de Locatie Oranjehof Ochten betreft minimaal 12 woningen een sociale huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.193 Instandhoudingstermijn
  • 1.

    Sociale huurwoningen worden ten minste vijfentwintig jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.188 omschreven doelgroep.

  • 2.

    Geliberaliseerde woningen voor middenhuur worden ten minste vijftien jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.189 omschreven doelgroep.

  • 3.

    Betaalbare koopwoningen worden ten minste vijf jaar na ingebruikname onafgebroken in stand gehouden voor de in artikel 2.190 omschreven doelgroep als betaalbare koopwoning.

Artikel 2.194 Aanbieding en toewijzing
  • 1.

    Het aanbieden van een sociale huurwoning dient te geschieden conform de met de corporaties overeengekomen toewijzingscriteria voor sociale verhuur.

  • 2.

    Het gestelde in dit artikel geldt niet voor andere partijen dan toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet, indien de gemeente instemt met een ontheffing.

Artikel 2.195 Rapportageverplichtingen huurwoningen
  • 1.

    De verhuurder dient op verzoek van het college een rapportage te overleggen waaruit blijkt dat ten aanzien van de verhuur is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit dit plan.

  • 2.

    Het gestelde in dit artikel geldt niet voor toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet.

Artikel 2.196 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden verbonden, over het bepaalde in deze paragraaf.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in deze paragraaf.

Artikel 2.197 Levensloopbestendig

Afdeling 2.17 RIOOLLEIDING

Artikel 2.198 Toepassingsbereik

Artikel 2.199 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en instandhouding van een rioolpersleiding.

Afdeling 2.18 WATERKERING

Paragraaf 2.18.1 Algemene regel

Artikel 2.200 Toepassingsbereik
Artikel 2.201 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg, instandhouding en verbetering van een waterkering.

Afdeling 2.19 PRIMAIRE WATERGANG

Artikel 2.202 Toepassingsbereik

Artikel 2.203 Gebruiksdoelomschrijving

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de bescherming, het beheer en de verbetering van een watergang. 

Afdeling 2.20 FUNCTIES OP SPECIFIEKE LOCATIES

Paragraaf 2.20.1 Algemeen

Artikel 2.204 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gaan over specifieke functies op specifieke locaties.

Paragraaf 2.20.2 Bedrijf

Artikel 2.205 Groothandel in en reparatie en onderhoud van scooters en bromfietsen
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding groothandel in en reparatie en onderhoud van scooters en bromfietsen.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de groothandel in scooters en bromfietsen is toegestaan.

  • 3.

    Het bruto vloeroppervlak van de activiteit bedoeld in het tweede lid, mag niet meer bedragen dan 80 m².

  • 4.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de reparatie en het onderhoud van scooters en bromfietsen is toegestaan. 

Artikel 2.206 Groothandel in fruit
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding fruitgroothandel.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een groothandel in fruit is toegestaan.

Artikel 2.207 Meubelstoffeerderij
Artikel 2.208 Installatiebedrijf
Artikel 2.209 Bakkerij
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding bakkerij.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bakkerij is toegestaan.

Artikel 2.210 Buitenpandige opslag
Artikel 2.211 Roboticabedrijf
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding roboticabedrijf

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de ontwikkeling, reparatie en vermarkten van robotica/systemen en roboticacomponenten is toegestaan.

  • 3.

    De bruto-vloeroppervlakte van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer dan 125 m² bedragen

  • 4.

    Het gebruik van gronden buiten de gebouwen ten behoeve van opslag of ander bedrijfsmatig gebruik, met uitzondering van het parkeren van voertuigen, is verboden.

Artikel 2.212 Binnenpandige opslag

Paragraaf 2.20.3 Centrum

Artikel 2.213 Beperking milieucategorie - 1
Artikel 2.214 Beperking milieucategorie - 2

Paragraaf 2.20.4 Cultuur en ontspanning

Artikel 2.215 Atelier
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding atelier.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een atelier is toegestaan.

Artikel 2.216 Atelier met theeschenkerij
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding atelier met theeschenkerij.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een atelier met theeschenkerij.

  • 3.

    Het bruto vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 125 m².

Paragraaf 2.20.5 Detailhandel

Artikel 2.217 Detailhandel in woninginrichting
Artikel 2.218 Detailhandel in scooters en bromfietsen
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding detailhandel in scooters en bromfietsen.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in scooters en bromfietsen is toegestaan.

  • 3.

    Het bruto vloeroppervlak mag, samengenomen met de activiteit als bedoeld in artikel 2.205vierde lid, niet meer bedragen dan 70 m².

Artikel 2.219 Detailhandel in fietsen
Artikel 2.220 Detailhandel in landbouwmachines
Artikel 2.221 Volumineuze detailhandel
Artikel 2.222 Bruidsmodezaak
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding bruidsmodezaak.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bruidsmodezaak is toegestaan.

  • 3.

    Het gebruik is uitsluitend op de begane grond toegestaan.

Paragraaf 2.20.6 Dienstverlening

Artikel 2.223 Fotostudio
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding fotostudio.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een fotostudio is toegestaan.

Artikel 2.224 Kapsalon
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding kapsalon.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kapsalon is toegestaan.

Paragraaf 2.20.7 Horeca

Artikel 2.225 Café en zalencentrum - 1
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding café en zalencentrum - 1.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een café en zalencentrum.

  • 3.

    Het bruto-vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 485 m².

Artikel 2.226 Café en zalencentrum - 2
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding café en zalencentrum - 2

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een café en zalencentrum.

  • 3.

    Het bruto-vloeroppervlak van de activiteit genoemd in het tweede lid mag niet meer bedragen dan 250 m².

  • 4.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een terras is alleen aan de zuidzijde van het bouwvlak toegestaan.

  • 5.

    De oppervlakte van het terras mag niet meer bedragen dan 45 m².

Artikel 2.227 Cafetaria
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding cafetaria

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van een cafetaria.

Paragraaf 2.20.8 Kantoor

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.20.9 Maatschappelijk

Artikel 2.228 Peuterspeelzaal
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding peuterspeelzaal.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een peuterspeelzaal is toegestaan.

Paragraaf 2.20.10 Verkeer

Artikel 2.229 Volière
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding volière

  • 2.

    Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een volière is toegestaan.

Artikel 2.230 Garagebox
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding garagebox.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een garagebox is toegestaan.

  • 3.

    Het gebruik anders dan voor de stalling van (motor)voertuigen en voor berging als medegebruik is niet toegestaan.

Artikel 2.231 Parkeerterrein
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding parkeerterrein.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een parkeerterrein is toegestaan.

Artikel 2.232 Openbare parkeerplaatsen

Paragraaf 2.20.11 Sport

Artikel 2.233 Recreatieve sportactiviteiten

Hoofdstuk 3 GEBRUIK - THEMA'S

Afdeling 3.1 Thematische regels over gebruik van gronden en bouwwerken

Paragraaf 3.1.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

Paragraaf 3.1.2 Inrichten en gebruiken van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing

Artikel 3.2 Inrichten en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing
  • 1.

    Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.

  • 2.

    Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

Paragraaf 3.1.3 Parkeren

Artikel 3.3 Wijzigen van bestaand gebruik
  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 is het verboden het bestaande gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer niet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, indien:

    • a.

      het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

    • b.

      voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- en stallingruimte wordt voorzien; en

    • c.

      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

      • 1.

        de parkeersituatie in de openbare ruimte; en

      • 2.

        de woon- en leefsituatie.

Artikel 3.4 Voldoende parkeergelegenheid

Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien (voor onder andere aantallen en maatvoering) wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van het wijzigen van het bestaande gebruik.

Artikel 3.5 Wijzigen aantal parkeerplaatsen op eigen terrein
  • 1.

    Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te verminderen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm.

Artikel 3.6 Specifieke locaties
  • 1.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding parkeren - 1 dienen bij vrijstaande woningen en twee-aaneengebouwde woningen ten minste 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd en in stand gehouden.

Paragraaf 3.1.4 Laden en lossen

Artikel 3.7 Specifieke zorgplicht

Voor het laden- en lossen geldt dat:

  • a.

    in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwd terrein wordt voorzien in voldoende laad- en losruimte;

  • b.

    het laden- en lossen niet leidt tot onevenredig overlast in de omgeving.

Artikel 3.8 Maatwerkvoorschrift

Bij maatwerkvoorschrift kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 3.7, nadere eisen worden gesteld aan de situering en uitvoering van het laden- en lossen.

Paragraaf 3.1.5 Bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Artikel 3.9 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf gaan over het wijzigen van het gebruik van een gebouw op een zodanige wijze dat er een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ontstaat.

Artikel 3.10 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in artikel 3.9 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek); en

    • b.

      als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.73 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 2.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de meest recente versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 3.11 Bodemonderzoek op Locatie uitgebreid bodemonderzoek

Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie uitgebreid bodemonderzoek dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek (volgens NEN 5740) worden ingediend.

Artikel 3.12 Bodemonderzoek op Locatie alternatief bodemonderzoek

Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie alternatief bodemonderzoek lood’ dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van lood in de laag tot 0,5 m-mv worden ingediend.

Artikel 3.13 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit
  • 1.

    Het gebruiken van een gebouw als bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.73 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.

  • 2.

    Het gebruiken van een gebouw als bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is pas toegestaan nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.

Paragraaf 3.1.6 Geluidgevoelig gebouw in geluidsaandachtsgebied

Artikel 3.14 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van een geluidsaandachtsgebied. 

  • 2.

    De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

    • a.

      woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • b.

      onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • c.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

    • d.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

  • 3.

    Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 4.

    Bij de toepassing van deze paragraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a Omgevingswet zijn vastgesteld.

  • 5.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik naar een geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een wijziging van het omgevingsplan, een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.15 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 3.16 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 3.17 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 3.18 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.17, wordt alleen verleend als

  • a.

    het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en

  • b.

    geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 3.19 Wanneer is geluid aanvaardbaar (standaardwaarde)
  • 1.

    Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.19:

    Tabel 3.20: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en
    waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    540 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.20 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.19 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.20:

    Tabel 3.21: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.17, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.19, is berekend.

  • 4.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.17, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.19, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.21 Belang van een geluidluwe gevel

Bij de toepassing van artikel 3.20 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

Artikel 3.22 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 3.20 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op eenindustrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, eenmilitaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.23 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 3.20 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.17, vastgelegd. 

Artikel 3.24 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. 

Artikel 3.25 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

Paragraaf 3.1.7 Geluidgevoelig gebouw in geluidzone industrie

Artikel 3.26 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Aandachtsgebied geluidzone industrie (Wgh).

Artikel 3.27 Oogmerk

De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai op geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 3.28 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 3.29 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er een hogere grenswaarde is vastgesteld als bedoeld in de Wet geluidhinder.

Artikel 3.30 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt ten behoeve van het bepaalde in artikel 3.29 een akoestisch onderzoek verstrekt.

Artikel 3.31 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang van artikel 3.27 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 3.1.8 Gewasbeschermingsmiddelen

Subparagraaf 3.1.8.1 Verboden
Artikel 3.32 Gebruik chemische gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 3.33 Verboden gebruik - voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies is niet toegestaan.

  • 3.

    Onder een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie als bedoeld in het tweede lid wordt gebruik van gronden en/of gebouwen voor functies waar mensen langdurig verblijven en daarmee een groter risico lopen op blootstelling aan (drift van) gewasbeschermingsmiddelen verstaan. Hieronder worden in ieder geval begrepen:

    • a.

      (recreatie)woningen met bijbehorende tuin(en);

    • b.

      bedrijfsgebouwen waar men langdurig verblijft, zoals detailhandel en kantoren;

    • c.

      de volgende gebouwen met bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, recreatieverblijven en andere in aard daarmee gelijk te stellen functies.

Paragraaf 3.1.9 Externe veiligheid

Subparagraaf 3.1.9.1 Plaatsgebondenrisico
Artikel 3.34 Toepassingsbereik
Artikel 3.35 Verbod gebruik zeer kwetsbaar gebouw
  • 1.

    Het is verboden om een gebouw te gebruiken als zeer kwetsbaar gebouw.

Artikel 3.36 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw of locatie
  • 1.

    Het is verboden om een gebouw te gebruiken als kwetsbaar gebouw of gronden als kwetsbare locatie.

  • 2.

    Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico is opgenomen.

Artikel 3.37 Verbod gebruik beperkt kwetsbaar gebouw of locatie
  • 1.

    Het is verboden om een gebouw te gebruiken als beperkt kwetsbaar gebouw of gronden als beperkt kwetsbare locatie.

  • 2.

    Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor beperkt kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied plaatsgebonden risico is opgenomen.

  • 3.

    Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor bestaande beperkt kwetsbare gebouwen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren overeenkomstig het op dat moment geldende bestemmingsplan of verleende omgevingsvergunning.

Subparagraaf 3.1.9.2 Aandachtsgebied
Artikel 3.38 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de gebieden bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Ter plaatse van het Brandaandachtsgebied zijn gronden aangewezen als brandaandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Ter plaatse van het Explosieaandachtsgebied zijn gronden aangewezen als explosieaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.12 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.39 Verbod gebruik zeer kwetsbare gebouwen
  • 1.

    Het is verboden om een gebouw te gebruiken als zeer kwetsbaar gebouw.

  • 2.

    Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor (de uitbreiding van) bestaand(e) zeer kwetsbare gebouwen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in gebruik waren of in gebruik of gebouwd konden worden overeenkomstig het op dat moment geldende omgevingsplan of verleende omgevingsvergunning.

Subparagraaf 3.1.9.3 Voorschriftengebieden
Artikel 3.40 Aanwijzing explosievoorschriftengebied

Ter plaatse van het Explosievoorschriftengebied geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 3.1.10 Explosieven indicatieregeling

Artikel 3.41 Indicatie explosieven

Er is een bodembelastingkaart die te raadplegen is via deze link bodembelastingkaart.

Hoofdstuk 4 BOUWEN - ACTIVITEITEN

Afdeling 4.1 ALGEMEEN

Paragraaf 4.1.1 Inleidende regels

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van:

  • a.

    een omgevingsplanactiviteit bouwwerken;

  • b.

    een omgevingsplanactiviteit slopen.

Artikel 4.2 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden, over het bepaalde in dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenregels.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk.

Artikel 4.3 Meet- en rekenregels
  • 1.

    Bij het toepassen van de regels over bouwen in dit omgevingsplan wordt gemeten op de wijze zoals aangegeven in bijlage III.

  • 2.

    Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing. 

  • 3.

    Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak. 

  • 4.

    Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 4.4 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  • 1.

    Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing: als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: 

    • a.

      zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de Functieaanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Paragraaf 4.1.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 4.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  • 1.

    Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:

    • a.

      de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

    • b.

      het straatpeil is uitgezet.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.

Paragraaf 4.1.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken 

Artikel 4.6 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken
  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet: 

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en 

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.51.

  • 3.

    Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 4.7 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van een bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129
    of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van
    het bouwwerk is:

    • a.

      ten hoogste 60 m als het gaat om een grondgebonden eengezinswoning of een bouwwerk die voorzien is van een droge buisleiding als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; of

    • b.

      ten hoogste 30 m in alle andere gevallen dan bedoeld onder a.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 4.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

  • 6.

    In afwijking van het derde lid onder b geldt dat een verbindingsweg geschikt moet zijn voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 30.000 kilogram voor de locaties waar de bluswatervoorziening niet toereikend is vanwege de aard en de ligging van een gebouw of bouwwerk en de voorzieningen die daar zijn getroffen.

Artikel 4.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 4.8derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 4.10 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 4.11 Aansluiting op distributienet voor gas
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als:

    • a.

      artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 4.12 Aansluiten op distributienet voor warmte
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:

    • a.

      het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

  • 3.

    Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 4.13 Aansluiten op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 4.14 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.2 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Paragraaf 4.1.4 Gebruik van bouwwerken

Artikel 4.15 Overbewoning
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

    • a.

      wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 4.16 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 4.17 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  • 1.

    Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 4.1.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 4.18 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.18 aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 4.18 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel 4.18 Brandgevaarlijke stoffen

    ADR-klasse1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

     

Artikel 4.19 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1.

    De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 4.20 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk - open erf of terrein

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Afdeling 4.2 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT BOUWWERKEN

Paragraaf 4.2.1 Algemeen

Artikel 4.21 Toepassingsbereik

Afdeling 4.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

Paragraaf 4.2.2 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 4.22 Vergunningplicht 

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten. 

Artikel 4.23 Beoordelingsregel - Algemeen

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.

Artikel 4.24 Aanvraagvereisten - algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een opgave van de bouwkosten; 

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; 

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; 

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; 

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en

  • f.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.

Paragraaf 4.2.3 Vergunningvrij

Subparagraaf 4.2.3.1 Algemeen
Artikel 4.25 Toepassingsbereik
  • 1.

    In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.22, niet van toepassing is.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat volgens het omgevingsplan is toegestaan, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. 

Artikel 4.26 Ruimtelijke bouwregels (Hoofdstuk 5) van toepassing 
  • 1.

    Het bepaalde in artikel 5.2 is van toepassing op bouwwerken die worden genoemd in subparagraaf 4.2.3.2

  • 2.

    Indien een bouwwerk als genoemd in subparagraaf 4.2.3.2 niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2, is de vergunningplicht van artikel 4.22 van toepassing op dat bouwwerk.

Subparagraaf 4.2.3.2 Vergunningvrije bouwwerken
Artikel 4.27 Bijbehorende bouwwerken

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, indien:

  • a.

    het bijbehorende bouwwerk is gelegen ter plaatse van 

  • b.

    het bijbehorende bouwwerk op de grond staat;

  • c.

    de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 5 m;

  • d.

    de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag is gelegen; en

  • e.

    het bijbehorende bouwwerk niet is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

Artikel 4.28 Carport bij een (bedrijfs)woning

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een carport bij een (bedrijfs)woning indien de carport achter de voorgevelrooilijn van de (bedrijfs)woning wordt gesitueerd.

Artikel 4.29 Recreatief nachtverblijf

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

  • a.

    op de grond staand; 

  • b.

    niet hoger dan 5 m; en 

  • c.

    de oppervlakte niet meer dan 70 m2.

Artikel 4.30 Openbare sport- of speeltoestel

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    niet hoger dan 4 m; en 

  • b.

    alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 

Artikel 4.31 Zwembad

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.

Artikel 4.32 Erf- of perceelsafscheiding

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een erf- of perceelafscheiding indien: 

  • a.

    de erf- of perceelsafscheiding hoger is dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

  • b.

    de erf- of perceelsafscheiding op een erf of perceel staat waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

  • c.

    de erf- of perceelsafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt, zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.

Artikel 4.33 Bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 

  • a.

    een silo; of 

  • b.

    een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m.

Artikel 4.34 Buisleiding

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.

Artikel 4.35 Veranderingen aan een bouwwerk

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

  • a.

    geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 

  • b.

    geen uitbreiding van het bouwvolume; 

  • c.

    geen toename van de bouwhoogte; en 

  • d.

    geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 4.36 Gewoon onderhoud monument

Het bepaalde in artikel 4.22 is niet van toepassing op gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. 

Subparagraaf 4.2.3.3 Beperkingen vergunningvrij
Artikel 4.37 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed
  • 1.

    Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is het bepaalde in 4.2.3.2, met uitzondering van artikel 4.36, niet van toepassing.

  • 2.

    Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is het bepaalde in 4.2.3.2, met uitzondering van de artikelen 4.304.314.324.34 en 4.35 niet van toepassing. 

  • 3.

    Op het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk dat wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de Beschermingszone integraal ensemble is toegekend, is subparagraaf 4.2.3.2, alleen van toepassing voor zover het gaat om: 

    • a.

      inpandige wijzigingen; 

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; 

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of 

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 4.38 Beperkingen vanwege externe veiligheid

Het bepaalde in 4.2.3.2 is niet van toepassing ter plaatse van:

Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels, aanvraagverreisten en vergunningvoorschriften

Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen
Artikel 4.39 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Subparagraaf 4.2.4.2 Ruimtelijke bouwregels
Artikel 4.40 Beoordelingsregel ruimtelijke regels
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.2.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.

Subparagraaf 4.2.4.3 Afwijken van ruimtelijke bouwregels
Subsubparagraaf 4.2.4.3.1 Vergunning voor afwijkingen ruimtelijke regels

Artikel 4.41 Kruimelgevallen

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op:

  • a.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;

  • b.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 10 m; en

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • c.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

  • d.

    bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, mits niet hoger dan 40 m;

  • e.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • f.

    een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;

  • h.

    een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van het bouwvlak ten behoeve van luifels, bordessen, galerijen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • i.

    een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand;

  • j.

    een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van een in dit omgevingsplan voorgeschreven goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte- en inhoudsmaat, percentage en/of afstandseis;

  • k.

    een bouwwerk waarbij sprake is van een afwijking van de voorgeschreven bouwwijze of nadere regels verbonden aan de voorgeschreven bouwwijze;

  • l.

    een bouwwerk waarbij sprake is van een overschrijding van een bouwvlak en/of een locatievlak met niet meer dan 3 m, voor zover die:

    • 1.

      in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins;

    • 2.

      noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein; of

    • 3.

      uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

Artikel 4.42 Gebouw voor infrastructurele of openbare voorziening 

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op:

  • a.

    een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 6 m; en

    • 2.

      oppervlakte niet meer dan 50 m².

Artikel 4.43 Erf- of perceelsafscheiding

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een erf- of perceelsafscheiding die vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is.

Artikel 4.44 Een nieuwe woning

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op de bouw van één nieuwe woning op een bouwperceel, waarbij voldaan wordt aan: 

  • a.

    de woning mag in de bouwwijze vrijstaand worden gerealiseerd of de bouwwijze van een aanwezige woning veranderen, zolang niet meer dan één extra woning mogelijk wordt gemaakt;

  • b.

    de woning dient direct vanaf de openbare weg te worden ontsloten en dient zich op diezelfde openbare weg te oriënteren; en

  • c.

    de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens dient tenminste 8 m te bedragen.

Artikel 4.45 Pottemsche veld - aantal woningen

  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Kesteren Pottemsche Veld.

  • 2.

    Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.2 kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.40, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op de bouw van een groter aantal woningen dan voorgeschreven.

Subsubparagraaf 4.2.4.3.2 Beoordelingsregels, aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften

Artikel 4.46 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt op grond van het bepaalde in subsubparagraaf 4.2.4.3.1 alleen verleend als :

    • a.

      de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemingsklimaat;

    • b.

      door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast;

    • c.

      het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; en

    • d.

      het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.

  • 2.

    Bij toepassing van subsubparagraaf 4.2.4.3.1 zijn de overige in Paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.

  • 3.

    Aan subsubparagraaf 4.2.4.3.1, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4.47 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.46, te kunnen doen.

Artikel 4.48 Voorschriften

Bij toepassing van subsubparagraaf 4.2.4.3.1 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 4.46 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.4 Uiterlijk van bouwwerken (welstand)
Artikel 4.49 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

  • 2.

    Of sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 4.50 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.49, eerste lid, genoemde belang. 

Artikel 4.51 Welstandvrij

Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.49, derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk van bouwwerken gelden, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is, geacht, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand te zijn.

Artikel 4.52 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk van het bouwwerk, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.49, tenzij artikel 4.51 van toepassing is: 

  • a.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 

  • b.

    principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 

  • c.

    kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 

  • d.

    een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Subparagraaf 4.2.4.5 Parkeren
Artikel 4.53 Beoordelingsregel parkeren

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de parkeergelegenheid op eigen terrein, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.24, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3.3.

Artikel 4.54 Aanvraagvereisten parkeren

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting en maatvoering van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Artikel 4.55 Voorschriften parkeren

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.

Subparagraaf 4.2.4.6 Stedenbouwkundig plan
Artikel 4.56 Toepassingsbereik
  • 1.

    De gemeenteraad kan voor een locatie een stedenbouwkundigplan vaststellen waarin eisen zijn opgenomen over de plaatsing van bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van de Locatie stedenbouwkundig plan geldt een stedenbouwkundig plan. Dit stedenbouwkundig plan is te raadplegen via bijlage V

Artikel 4.57 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving (andere bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte) of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.

  • 2.

    Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van het stedenbouwkundig plan dat voor een locatie is vastgesteld.

Artikel 4.58 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.57.

Artikel 4.59 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.57 genoemde belang.

Subparagraaf 4.2.4.7 Beeldkwaliteitsplan
Artikel 4.60 Toepassingsbereik
  • 1.

    De gemeenteraad kan voor een locatie een beeldkwaliteitsplan vaststellen waarin eisen zijn opgenomen over de plaatsing van bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van de Locatie beeldkwaliteitsplan geldt een beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan is te raadplegen via bijlage VI.

Artikel 4.61 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving (andere bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte) of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.

  • 2.

    Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van het beeldkwaliteitsplan dat voor een locatie is vastgesteld.

Artikel 4.62 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.61.

Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.61 genoemde belang.

Subparagraaf 4.2.4.8 Inrichtingsplan
Artikel 4.64 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding inrichtingsplan.

Artikel 4.65 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als:

    • a.

      de situering en maatvoering van het aangevraagde bouwwerk zowel op zich zelf als in relatie tot andere bouwwerken naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders een bijdrage levert aan een goede omgevingskwaliteit;

    • b.

      er sprake is van een doelmatige structuur van wegen en paden;

    • c.

      er sprake is van een duurzame en klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte. 

     

  • 2.

    Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap over het bepaalde in het derde lid onder e van artikel 4.66

Artikel 4.66 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een inrichtingsplan overlegd. Het inrichtingsplan voldoet aan het bepaalde in dit artikel. 

  • 2.

    Het inrichtingsplan voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het plangebied van het inrichtingsplan strekt zich uit over een stedenbouwkundig logisch afgebakend deel van een te ontwikkelen gebied;

    • b.

      Het inrichtingsplan is in overeenstemming met het handboek openbare ruimte 2024 zoals dat luidt op het moment dat de aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend;

    • c.

      Het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld beeldkwaliteitsplan als bedoeld in artikel 4.60;

    • d.

      het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld stedenbouwkundig plan als bedoeld in artikel 4.56; en

    • e.

      het inrichtingsplan is in overeenstemming met een voor een locatie vastgesteld landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2

  • 3.

    Het inrichtingsplan is voorzien van duidelijk gemaatvoerde tekeningen en bevat in ieder geval de volgende elementen:

    • a.

      de situering van wegen en paden;

    • b.

      de situering van in- en uitritten;

    • c.

      de situering van bouwpercelen en daarbinnen de situering van de hoofdgebouwen;

    • d.

      de situering van parkeerplaatsen, zowel op de bouwpercelen als collectief, vergezeld van een parkeerbalans, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017-1 van de gemeente Neder-Betuwe of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren;

    • e.

      de situering van groen en water, waaruit de verhouding tussen verharde en onverharde ruimte naar voren komt, vergezeld van een berekening waaruit blijkt dat aan de waterbergingseisen van het waterschap Rivierenland is voldaan;

    • f.

      groenvoorzieningen worden gerealiseerd met een minimale omvang van 5% van het uitgeefbare terrein;

    • g.

      de programmering van het aantal woningen, verdeeld naar type (vrijstaande woningen, tweekappers en aaneengebouwde woningen) en verdeeld naar prijscategorie (sociaal, middelduur, duur);

    • h.

      de gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte om te spelen en te verblijven, voorzien van referentiebeelden en voorzien van maatvoering;

    • i.

      de beeldkwaliteit van de beoogde woningen inclusief bouwhoogte;

    • j.

      de beoogde kwaliteit van de groenvoorzieningen en de erfafscheidingen.

  • 4.

    In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid bevat het inrichtingsplan ter plaatse van de Functieaanduiding inrichtingsplan Betuwestraat Noord ook de wijze waarop bij de inrichting van de percelen aan de Rhenenseweg en het ondergronds parkeren deel ter plaatse van de woontoren rekening wordt gehouden met het karakteristieke open agrarische landschap.

Artikel 4.67 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.65 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.9 Groene inpassing
Artikel 4.68 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding groene inpassing.

Artikel 4.69 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er wordt voorzien in voldoende groene inpassing op eigen terrein.

  • 2.

    Ter plaatse van de Locatie Dalwagenseweg 18 Opheusden is sprake van een voldoende groene inpassing indien minimaal 75 m² van de gronden een groene of onverharde inrichting krijgt.

Artikel 4.70 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling aan artikel 4.69.

Artikel 4.71 Vergunningvoorschrift

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.69 genoemde belang.

Subparagraaf 4.2.4.10 Bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
Artikel 4.72 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    Onder sanerende maatregel wordt in Subparagraaf 4.2.4.10 verstaan:

    • a.

      sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels in paragraaf 8.4.3; of

    • b.

      sanering waarop artikel 3.1 Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.

Artikel 4.73 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem
  • 1.

    De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 2.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit of de maximale waarden toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood uit tabel 4.74a.

    Tabel 4.74a: maximale waarden toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood per gebruiksfunctie

    Toekomstige Gebruiksfunctie

    Waarden (in mg/kg ds) gemeten waarde (niet gecorrigeerd voor standaardbodem) 

    Wonen met (onverharde) tuinen

    210

    Grote moestuin (> circa 200 m2 )

    210

    Plaats waar kinderen spelen (intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen)

    210

  • 3.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als het gehalte aan respirabele asbestvezels in de contactzone (0-10 cm-mv) hoger is dan 10 mg/kg d.s. gewogen

  • 4.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van: 

    • a.

      asbest 

    • b.

      lood in de bodemlaag tot 0,5 m-mv bij een gemeten gehalte van 390 mg/kg ds of hoger.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid zijn voor lood in tabel 4.74a de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (grond) voor de verschillende gebruiksfuncties opgenomen.

  • 6.

    In afwijking van het eerste lid zijn voor PFAS-verbindingen en GenX in tabel 4.74b de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (grond) opgenomen.

    Tabel 4.74b: maximale waarden toelaatbare bodemkwaliteit voor PFAS en GenX

    Stof

    Waarden (in µg/kg ds)

    PFOA (som van lineair en vertakt PFOA)

    60

    PFOS (som van lineair en vertakt PFOS)

    59

    Overige PFAS

    60

    GenX

    57

    Aanvullend criterium mengseltoxiciteit grond µg/kg

    totaalgehalte PFAS

    60

  • 7.

    Als sprake is van een mengsel van PFAS in de bodem dient rekening te worden gehouden met mengseltoxiciteit. Voor zover in grond sprake is van twee of meer soorten PFAS, en het totaalgehalte PFAS hoger is dan 60 µg/kg in tenminste 25 m3, wordt een risicobeoordeling uitgevoerd om te bepalen of de verontreiniging tevens leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 4.74 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als:

    • a.

      de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden+ of

    • b.

      een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      in afwijking van het bepaalde onder b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond betreft en het niet een verontreiniging met asbest betreft of lood bij een gemeten gehalte van 390 mg/kg ds of hoger;

    • d.

      aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen.

  • 2.

    Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als:

    • a.

      voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van stoffen waarvoor geen interventiewaarde bodemkwaliteit (bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving) is vastgesteld in meer dan 25 m³ bodemvolume een of meer van de waarden in tabel 4.74a worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

    Tabel 4.75a maximale waarde stoffen waarvoor geen interventiewaarde bodemkwaliteit is vastgesteld

    Stof

    Waarde (in μg/kg ds tenzij
    anders aangegeven)

    PFOA

    60

    PFOS

    59

    GenX

    57

    Overige PFAS 

    57

    Respirabele asbestvezels

    10 mg/kg ds (gewogen
    gewicht)

    Andere stoffen

    Indicatieve niveaus voor ernstige 
    verontreinigng, INEV

  • 3.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van:

    • a.

      Asbest en respirabele asbestvezels;

    • b.

      lood in laag tot 1,00 m- mv

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en in tabel 4.74b opgenomen maximale waarde wordt overschreden:

    Tabel 4.75b maximale waarde toelaatbare kwaliteit

    Bodemgevoelige locatie

    Maximale waarden
    (gemeten waarde - dus
    niet gecorrigeerd - in
    mg/kg ds)

    Wonen met (kleine moestuin, kinderspeelplaatsen (o.a. bij school of kinderdagverblijf), camping)

    370

    Grote moestuin (> 200 m²)

    260

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid onder a sub 2 , bij een kleinschalige ontwikkeling bepalen dat sanerende maatregelen niet nodig zijn mits de MTR-waarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage Vb en bijlage XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt overschreden.

Artikel 4.75 Vergunningvoorschriften: uitvoering sanering

Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen

  • a.

    een sanerende maatregel is genomen; en

  • b.

    het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop de sanerende maatregel is genomen.

Artikel 4.76 Vergunningvoorschriften: bodem of gebouw alsnog geschikt maken
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid, kunnen, , als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden met deze voorwaarden.

  • 2.

    Als aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop aan de voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 4.77 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.74, tweede tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 2.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. 

Artikel 4.78 Bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek

Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie uitgebreid bodemonderzoek, dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek, volgens NEN 5740, worden ingediend.

Artikel 4.79 Bodemonderzoek op locatie alternatief bodemonderzoek

Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als Locatie alternatief bodemonderzoek lood, dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van lood in de laag tot 0,5 m-mv worden ingediend.

Artikel 4.80 Meldingsplicht
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing indien er voor het bouwen van een bouwwerk geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is maar het bouwwerk wel moet worden aangemerkt als een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.

  • 3.

    Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • b.

      het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;

    • c.

      de dagtekening;

    • d.

      een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek);

    • e.

      als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.74 wordt overschreden:
      gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt
      getroffen.

  • 4.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 4.81 Maatwerkvoorschrift

Indien artikel 4.80 van toepassing is, kunnen de voorschriften bedoeld in artikel 4.75 en artikel 4.76 bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd. 

Subparagraaf 4.2.4.11 Geluidgevoelig gebouw in geluidsaandachtsgebied
Artikel 4.82 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a Omgevingswet zijn vastgesteld.

  • 4.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik naar een geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een wijziging van het omgevingsplan, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 4.83 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 4.84 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 4.85 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 4.86 Aanvaardbaar geluid
  • 1.

    Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.86:

    Tabel 4.87 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en
    waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.87 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.86 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als:

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.87.

    Tabel 4.88 Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.86, is berekend.

  • 4.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.86, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.88 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
  • 1.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.87eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die:

    • a.

      bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

    • b.

      borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

  • 3.

    Artikel 4.87derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.89 Overschrijding grenswaarde - maatregelen
  • 1.

    Artikel 4.88 wordt alleen toegepast als:

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.86eerste lid, onder c, te voldoen; en

    • b.

      de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Artikel 4.90 Belang van een geluidluwe gevel
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 4.87 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

  • 2.

    Bij de toepassing van artikel 4.88 wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.

Artikel 4.91 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 4.87 en artikel 4.88 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.92 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 4.87 en artikel 4.88 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd.

Artikel 4.93 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw.

Artikel 4.94 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

Subparagraaf 4.2.4.12 Geluidzone industrie
Artikel 4.95 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Aandachtsgebied geluidzone industrie (Wgh).

Artikel 4.96 Oogmerk

De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai op geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 4.97 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er een hogere grenswaarde is vastgesteld als bedoeld in de Wet geluidhinder.

Artikel 4.98 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt ten behoeve van het bepaalde in artikel 4.97 een akoestisch onderzoek verstrekt.

Artikel 4.99 Voorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.96 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.13 Beschermingszone rioolleiding
Artikel 4.100 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone rioolleiding.

Artikel 4.101 Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de rioolleiding.

Artikel 4.102 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.101 niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de leidingbeheerder.

Artikel 4.103 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.102.

Artikel 4.104 Voorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.101 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.14 Beschermingszone waterkering
Artikel 4.105 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone waterkering en de Functieaanduiding vrijwaringszone dijk.

Artikel 4.106 Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het beheer, de bescherming en verbetering van de waterkering.

Artikel 4.107 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.106 niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de waterkering.

Artikel 4.108 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.106.

Artikel 4.109 Voorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.106 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.15 Beschermingszone primaire watergang
Artikel 4.110 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone primaire watergang.

Artikel 4.111 Oogmerk

De regels van deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, beheer en de bescherming van een watergang.

Artikel 4.112 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.111 niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de watergang.

Artikel 4.113 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in  artikel 4.112.

Artikel 4.114 Voorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.111 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.16 Beschermingszone archeologie
Artikel 4.115 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de Beschermingszone archeologie.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken plaatsvindt ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum oppervlak archeologie, en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.

  • 3.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geen betrekking heeft op:

    • a.

      werkzaamheden in de bodem dieper dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;

    • b.

      een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of

    • c.

      gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht.

  • 4.

    De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.

Artikel 4.116 Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem

Artikel 4.117 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 4.118 Aanvraagvereiste
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien er naar het oordeel van het college voldoende informatie beschikbaar is om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen.

Artikel 4.119 Voorschriften
  • 1.

    Met het oog op artikel 4.116 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

    • a.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

    • b.

      de verplichting tot het doen van opgravingen; of

    • c.

      de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

  • 2.

    Met het oog op artikel 4.116 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden met nadere eisen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

Subparagraaf 4.2.4.17 Beschermingszone Integraal ensemble
Artikel 4.120 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.

  • 3.

    De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.121 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.

Artikel 4.122 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien de beeldkwaliteit van het integraal ensemble, zoals bedoeld in in artikel 4.121, niet onevenredig wordt aangetast dan wel herstel is verzekerd.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit omtrent het bepaalde in het eerste lid, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 4.123 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op de bepalingen in deze afdeling, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.

Artikel 4.124 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.94 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.18 Beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van belemmeringengebied gasdruk en regelstation
Artikel 4.125 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van het Belemmeringengebied gasdruk en regelstation.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf zijn alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en alleen indien:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw; en

    • b.

      het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied is opgenomen.

Artikel 4.126 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en

    • b.

      er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit waarvoor het Belemmeringengebied is opgenomen.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de vergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

Artikel 4.127 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en

  • b.

    de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp

Artikel 4.128 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.

Subparagraaf 4.2.4.19 Vrijwaringszone weg
Artikel 4.129 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf gelden ter plaatse van de Functieaanduiding vrijwaringszone weg.

Artikel 4.130 Oogmerk

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het beheer, de bescherming en verbetering van de weg, de bescherming van het wegverkeer en de bescherming van mens, dier of goederen.

Artikel 4.131 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van artikel 4.130 niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de weg.

Artikel 4.132 Aanvraagvereiste

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt ter onderbouwing van het bepaalde in artikel 4.131eerste lid.

Artikel 4.133 Voorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.130 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.20 Trillinghinder
Artikel 4.134 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek trillinghinder.

Artikel 4.135 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de mate van trillinghinder aanvaardbaar is. De trillinghinder wordt beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel trillinghinder spoor of diens rechtsopvolgers.

Artikel 4.136 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning wordt een onderzoek naar trillinghinder vanwege het spoor aangeleverd.

Artikel 4.137 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.135 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.21 Verkeersonderzoek
Artikel 4.138 Toepassingsbereik

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer.

Artikel 4.139 Beoordelingsregel
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als er geen sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeer.

  • 2.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer Betuwestraat Noord is sprake van een onaanvaardbare toename van verkeer indien op en nabij de rotonde Betuwsestraatweg - Cuneraweg sprake is van een conflictbelasting die hoger is dan 1500 pae/uur.

Artikel 4.140 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning wordt een objectief en onafhankelijk verkeerskundig onderzoek aangeleverd.

Artikel 4.141 Vergunningvoorschriften

Met het oog op de beoordeling aan artikel 4.139 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.4.22 Overige beoordelingsregels, aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften
Artikel 4.142 Aanvraagvereiste overige gegevens en bescheiden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 4.143 Aanvraagvereiste hemelwaterafvoer bij gebouwen
  • 1.

    Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop afdeling 4.4 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan. 

Artikel 4.144 Vergunningvoorschrift vluchtwegen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.

Artikel 4.145 Vergunningvoorschrift waterberging

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de realisatie van een voorziening voor waterberging.

Artikel 4.146 Vergunningvoorschrift geluidwering
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van een in de voorschriften op te nemen geluidwering van de gevel.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van isolerende of anderszins geluidwerende maatregelen.

Artikel 4.147 Vergunningvoorschrift gevelopeningen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het niet realiseren van gevelopeningen in een in de voorschriften nader aangeduide gevel van een gebouw.

Artikel 4.148 Vergunningvoorschrift entree

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het niet realiseren van een entree in een in de voorschriften nader aangeduide gevel van een gebouw.

Artikel 4.149 Vergunningvoorschrift klimaatadaptieve maatregelen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot het realiseren van klimaatadaptieve maatregelen zoals een groene daktuin of een groene gevel.

Artikel 4.150 Vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift erfafscheidingen
  • 1.

    Bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift verbonden aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen, als een erfafscheiding grenst aan openbaar toegankelijk gebied, nadere eisen worden gesteld aan de wijze waarop een erfafscheiding wordt gerealiseerd, vanwege het belang van:

    • a.

      de verkeersveiligheid; 

    • b.

      een goede landschappelijke inpassing; of

    • c.

      een groene uitstraling van het openbare gebied.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden afgeweken van regels uit hoofdstuk 4 en/of hoofdstuk 5 van dit omgevingsplan.

Artikel 4.151 Geluid - Nedereindsestraat 1
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 31 dB.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de karakteristieke geluidwering (Ga;k) tot 31 dB bedraagt bij een geluidbelasting (Lden) tot 64 dB ten behoeve van het realiseren van verblijfsruimten en verblijfsgebieden.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een akoestisch onderzoek overlegd ter onderbouwing van het bepaalde in het tweede lid.

  • 4.

    Onder GA;k wordt verstaan: grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een scheidingsconstructie en het geluidniveau in een ruimte achter deze scheidingsconstructie, herleid naar genormeerde afmetingen van de ontvangruimte, in één getal weergeeft, uitgedrukt in dB.

Artikel 4.152 Geluid - Hoofdstraat 31
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 30 dB

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de karakteristieke geluidwering (Ga;k) tot 30 dB bedraagt bij een geluidbelasting (Lden) tot 63 dB ten behoeve van het realiseren van verblijfsruimten en verblijfsgebieden.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een akoestisch onderzoek overlegd ter onderbouwing van het bepaalde in het tweede lid.

  • 4.

    Onder GA;k wordt verstaan: grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een scheidingsconstructie en het geluidniveau in een ruimte achter deze scheidingsconstructie, herleid naar genormeerde afmetingen van de ontvangruimte, in één getal weergeeft, uitgedrukt in dB.

Artikel 4.153 Geluid - Betuwestraat Noord
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Betuwestraat Noord.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien:

    • a.

      voor een woning/ wooneenheid waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld, de woning/ wooneenheid voorzien wordt van minimaal één geluidluwe zijde; en

    • b.

      door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek wordt aangetoond dat voor de woningen een binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald.

Artikel 4.154 Geluid - binnenwaarde
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding geluid - binnenwaarde.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend indien door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek wordt aangetoond dat voor de woningen een binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald.

Artikel 4.155 Beoordelingsregel ondergronds bouwen
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding waterhuishoudkundige situatie ondergronds bouwen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor het ondergrond bouwen alleen verleend indien er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie. 

  • 3.

    Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.

Afdeling 4.3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT SLOPEN

Paragraaf 4.3.1 Beschermingszone Integraal ensemble

Artikel 4.156 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.

  • 3.

    De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.157 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.

Artikel 4.158 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een integraal ensemble te verrichten.

Artikel 4.159 Uitzonderingen vergunningplicht

Het bepaalde in artikel 4.158 is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden:

  • a.

    ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag;

  • b.

    die het normale onderhoud betreffen;

  • c.

    die van ondergeschikte betekenis zijn. Het slopen is van ondergeschikte betekenis indien burgemeester en wethouders dit schriftelijk hebben verklaard;

  • d.

    die ten tijde van het van kracht worden van dit artikel in uitvoering waren.

Artikel 4.160 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als,

  • a.

    er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit zoals aangegeven in artikel 4.157, of

  • b.

    de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk niet te handhaven is, of;

  • c.

    het slopen van een bouwwerk betrekking heeft op delen van een pand of bijbehorend bouwwerk die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en de sloop van het betreffende gedeelte van het bouwwerk niet leidt tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden zoals aangegeven in artikel 4.157.

Artikel 4.161 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname;

  • b.

    gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 4.162 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang van artikel 4.157 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 4.3.2 Sloop van een asbesthoudend dak

Artikel 4.163 Gegevens en bescheiden bij sloopmelding
  • 1.

    Bij de sloop van een asbesthoudend dak met een oppervlakte van minimaal 25 m², worden bij de melding de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een voorafgaand bodemonderzoek, asbestonderzoek NEN 5707 zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (voorafgaand onderzoek). Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter plaatse van de druppelzone voor daken zonder dakgoot (afwateringzone onder het dak) of het lozingspunt van de dakgoot voor daken met dakgoot. Bij het voorafgaand bodemonderzoek is de bodem onderzocht op asbest (inclusief SEM-analyses) en PCB (polychloorbifenylen);

    • b.

      als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 4.73 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;

    • c.

      als uit vooronderzoek blijkt dat op de locatie geen sprake is van risico’s op afstroming van hemelwater vanaf het asbesthoudende dak op de bodem (direct of via het lozingspunt van de dakgoot), dan hoeft geen bodemonderzoek naar asbest en PCB te worden verstrekt.

  • 2.

    De resultaten van het onderzoek worden verstrekt in PDF- en XML-formaat. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      een PDF-bestand bevat één bodemonderzoek. Aparte bodemonderzoeken moeten in aparte bestanden worden aangeleverd;

    • b.

      een XML-bestand bevat gegevens van één bodemonderzoek;

    • c.

      een XML-bestand mag niet uit meerdere delen bestaan. Alle gegevens van één onderzoek moeten in één XMLbestand;

    • d.

      de gegevens van het PDF-bestand moeten identiek zijn aan de gegevens uit het XML-bestand;

    • e.

      het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat;

    • f.

      het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk, als de basisdataset onderzoeksgegevens zoals is opgesteld door het SIKB. Deze bestaat minimaal uit de rapportgegevens, meetpuntgegevens, monstergegevens, analysegegevens en contouren/X-Y coördinaten van boorpunten.

Afdeling 4.4 HEMELWATERAFVOER BIJ BOUWWERKEN

Artikel 4.164 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing op de openbare ruimte en gebouwen waarin milieubelastende activiteiten worden verricht in een bedrijfsmatige omvang. 

Artikel 4.165 Gebied voorzien van een gescheiden rioolstelsel

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater GS..

  • 2.

    Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.

  • 3.

    Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening. 

  • 4.

    Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.

Artikel 4.166 Gebied voorzien van een verbeterd gescheiden rioolstelsel woonwijk

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS woonwijk.

  • 2.

    Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.

  • 3.

    Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening. 

  • 4.

    Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.

Artikel 4.167 Gebied voorzien van een verbeterd gescheiden rioolstelsel bedrijventerreinen

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS bedrijventerrein.

  • 2.

    Het is verboden om afvloeiend hemelwater, afkomstig van de dakvlakken en/of verharding van gebouwen, te lozen op het openbaar vuilwaterriool en/of een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op dit openbaar vuilwaterriool.

  • 3.

    Het hemelwater dient te worden geloosd en aangesloten te zijn op een openbare hemelwater voorziening. Bij de toepassing van dit lid wordt onderscheid gemaakt tussen afvloeiend hemelwaterwater van terrein verharding en hemelwaterwater afkomstig van daken. Dak- en hemelwater riolering in het perceel dient separaat te zijn uitgevoerd en gescheiden te worden aangeboden. Het water van daken moet, al dan niet oppervlakkig worden geloosd op open water indien dit grenst aan of gelegen is tegen het perceel of geloosd worden op een openbare voorziening voor afvoer van dakwater als deze zich bevind binnen 40 meter van de perceelsgrens.

  • 4.

    Het is verboden vuilwater te lozen op de openbare hemelwatervoorziening.

Artikel 4.168 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift

  • 1.

    Bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift verbonden aan omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, kan worden afgeweken van de regels in deze afdeling, indien van de eigenaar van het gebouw bij wie het afvloeiend hemelwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. 

  • 2.

    Bij het maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang van het goed functioneren van het openbare vuilwaterriool, nadere eisen aan de lozing van hemelwater worden gesteld.

  • 3.

    Bij een verzoek om een maatwerkvoorschrift of bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, wordt door de eigenaar van het gebouw aannemelijk gemaakt dat er geen andere wijze van afvoer kan worden gevergd.

Hoofdstuk 5 BOUWEN - RUIMTELIJKE BOUWREGELS

Afdeling 5.1 ALGEMEEN

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.

Artikel 5.2 Verbod bij strijd met ruimtelijke regels

  • 1.

    Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de maatvoering en/of situering van een bouwwerk indien de maatvoering en/of situering in strijd is met een artikel in dit hoofdstuk en het een bestaand bouwwerk betreft. 

Artikel 5.3 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5.4 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden verbonden, over het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

Artikel 5.5 Bestaande bouwwerken

Bestaande bouwwerken in de zin van dit omgevingsplan zijn bouwwerken 

  • a.

    die feitelijk aanwezig of in uitvoering zijn; en 

  • b.

    die gebouwd zijn of kunnen worden in overeenstemming met:

    • 1.

      een verleende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken; en

    • 2.

      het ten tijde van de bouw van het bouwwerk geldende omgevingsplan; of

    • 3.

      een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Afdeling 5.2 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN

Artikel 5.6 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten dienste van het toegestane gebruik

Een bouwwerk is uitsluitend toegestaan indien het ten dienste staat van het gebruik van gronden en bouwwerken zoals dat: 

  • a.

    op grond van het bepaalde in hoofdstuk 2 is toegestaan;

  • b.

    op grond van een verleende omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is toegestaan;

  • c.

    op grond van een verleende omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegestaan. 

Afdeling 5.3 GEBOUWEN

Paragraaf 5.3.1 Situering

Artikel 5.7 Waar zijn gebouwen toegestaan?
  • 1.

    Een gebouw is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak.

  • 2.

    Ondergeschikte delen van een gebouw zijn buiten de Bouwaanduiding bouwvlak toegestaan, indien de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 0,5 m.

  • 3.

    Onder ondergeschikte delen van een gebouw worden verstaan: ondergeschikte delen zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen;

  • 4.

    Er is een Gebiedsaanwijzing bouwvlak.

Artikel 5.8 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen geldt het volgende:

  • a.

    ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak; en

  • b.

    ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag.

Artikel 5.9 Afstand tot zijdelingse perceelsgrens
  • 1.

    De afstand van een niet aaneengebouwde zijde van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet minder dan 3 m.

  • 2.

    De afstand van een bedrijfsgebouw tot de zijdelinge perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m.

  • 3.

    Indien de afstand van de niet aaneengebouwde zijde van een bestaand(e) hoofdgebouw of bedrijfsgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens kleiner is dan 3 m, bedraagt deze afstand niet minder dan de bestaande afstand.

Artikel 5.10 Voorgevel hoofdgebouwen
  • 1.

    De voorgevel van een bestaand hoofdgebouw is gelegen op de bestaande voorgevelrooilijn

  • 2.

    Voor niet bestaande gebouwen geldt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, dat de voorgevel van hoofdgebouwen in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak dient te staan.

Paragraaf 5.3.2 Maatvoering

Artikel 5.11 Bouwhoogte
  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte. 

  • 2.

    Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven.

  • 3.

    Ter plaatse van het Normgebied minimum bouwhoogte gebouwen bedraagt de minimum bouwhoogte van een gebouw niet minder dan met de Omgevingsnorm minimum bouwhoogte gebouwen is aangegeven. 

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt voor bestaande torens en dakruiters op religieuze gebouwen dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de op het moment van inwerkingtreding van dit artikel bestaande bouwhoogte.

  • 5.

    Indien voor een woning in de bouwwijze patiowoning een omgevingsnorm maximale bouwhoogte gebouwen geldt, geldt de aangegeven maximum bouwhoogte voor ten hoogste 80 m² van het hoofdgebouw, voor het overige deel van het hoofdgebouw geldt een maximum bouwhoogte van 4 m. 

Artikel 5.12 Goothoogte
Artikel 5.13 Bebouwd oppervlak (m2)
Artikel 5.14 Bebouwd oppervlak (%)

Paragraaf 5.3.3 Woning

Artikel 5.15 Aantal woningen
  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, mag het aantal woningen niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag het aantal woningen ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden  niet meer bedragen dan daar is aangegeven.

Artikel 5.16 Bouwwijze woning
  • 1.

    In dit artikel wordt de bouwwijze van woningen voorgeschreven. Woningen zijn uitsluitend toegestaan in de bouwwijze die in dit artikel wordt voorgeschreven. Indien er meerdere bouwwijzen worden voorgeschreven, zijn woningen in de verschillende voorgeschreven bouwwijzen toegestaan.

  • 2.

    Woningen zijn toegestaan in de bestaande bouwwijze.

  • 3.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding vrijstaand zijn woningen toegestaan in de bouwwijze vrijstaand.

  • 4.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding twee-aaneen zijn woningen toegestaan in de bouwwijze twee-aaneengebouwd.

  • 5.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding aaneengebouwd zijn woningen toegestaan in de bouwwijze aaneengebouwd.

  • 6.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding gestapeld zijn woningen toegestaan in de bouwwijze gestapeld.

  • 7.

    Ter plaatse van der Bouwaanduiding rug aan rugwoningen zijn woningen toegestaan in de bouwwijze rug aan rug.

  • 8.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding patiowoning zijn woningen toegestaan in de bouwwijze patiowoning.

Artikel 5.17 Volume (m³)
Artikel 5.18 Breedte van een woning
  • 1.

    De breedte van een woning mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer bedragen dan 12 m.

  • 2.

    Indien de breedte van het bouwperceel waarop de woning ligt breder is dan 30 m, mag de breedte van een woning niet meer bedragen dan 15 m.

  • 3.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 1 geldt dat:

    • a.

      de breedte van de voorgevel van een woning in de bouwwijze twee-aaneen niet meer mag bedragen dan 10 m;

    • b.

      de breedte van de voorgevel van een woning in de bouwwijze aaneengebouwd niet meer mag bedragen dan 8
      m.

  • 4.

    De breedte van een woning in de bouwwijze patiowoning mag niet meer bedragen dan 15 m.

  • 5.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 2, mag de breedte van de voorgevel van een woning niet meer bedragen dan 7,5 m.

Artikel 5.19 Afstand tot de achterste bouwperceelsgrens
  • 1.

    De afstand van de achtergevel van een woning tot de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 m. Indien de afstand tot de achterste perceelsgrens een wisselende waarde heeft, is de langste afstand bepalend.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand van de achtergevel van de woning tot de achterste perceelsgrens niet minder dan met de Omgevingsnorm minimale afstand woning tot achterste perceelsgrens in meter is aangegeven. 

Artikel 5.20 Bouwdiepte
  • 1.

    De bouwdiepte van een woning mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer bedragen dan:

    • a.

      15 meter bij woningen in de bouwwijze vrijstaand;

    • b.

      12 meter bij woningen in de bouwwijze twee-aaneen;

    • c.

      12 meter bij woningen in de bouwwijze aaneengebouwd;

    • d.

      12 meter bij woningen in de bouwwijze patiowoning. 

  • 2.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximale bouwdiepte woning - 1, mag de bouwdiepte van een woning niet meer bedragen dan 13 m.

Artikel 5.21 Volledig woonprogramma op begane grond
Artikel 5.22 Kap

Paragraaf 5.3.4 Bedrijfswoning

Artikel 5.23 Inhoud

De inhoud van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 750 m³.

Artikel 5.24 Goothoogte

De goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 6 m.

Artikel 5.25 Bouwhoogte

De bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 10 m.

Afdeling 5.4 BIJBEHORENDE BOUWWERKEN

Artikel 5.26 Bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning. 

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij: 

    • a.

      een woonwagen;

    • b.

      een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

    • c.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

  • 3.

    Bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan.

  • 4.

    Voor bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan geldt dat: 

    • a.

      voor de toegestane bebouwde oppervlakte per bouwperceel geldt het bepaalde in Tabel 5.26;

    • b.

      de bebouwde oppervlakte van de gronden mag niet meer bedragen dan 50%;

    • c.

      indien de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken is gesitueerd voor de voorgevel, telt de bebouwde oppervlakte van de voor de voorgevel gelegen bijbehorende bouwwerken niet mee voor de toegestane bebouwde oppervlakte als bedoeld onder b;

    • d.

      een bijbehorend bouwwerk moet worden gebouwd op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

    • e.

      de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,25 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m; en

    • f.

      de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.

    Tabel 5.26: bebouwde oppervlakte bijbehorende bouwwerken

    Oppervlakte van het bouwperceel

    Toegestane bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken

    < 200 m²

    60 m²

    200 - 400 m²

    90 m²

    400 - 600 m²

    100 m²

    600 - 800 m²

    110 m²

    800 - 1000 m²

    120 m²

    > 1000 m²

    150 m²

     

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in het vierde lid onder d en e, mag de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 1, niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van de bestaande en legaal gebouwde bijbehorende bouwwerken.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in het vierde lid onder a en b, mag de bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 2, niet meer bedragen dan de bebouwde oppervlakte van de bestaande en legaal gebouwde bijbehorende bouwwerken.

  • 7.

    In afwijking van het elders in dit artikel bepaalde geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 3, het volgende:

    • a.

      er zijn uitsluitend bijbehorende bouwwerken met een plat dak toegestaan;

    • b.

      de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,25 m;

    • c.

      het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 50%; 

    • d.

      vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden op niet minder dan 5 meter achter de voorgevellijn van het betreffende hoofdgebouw gesitueerd.

Artikel 5.27 Bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen met een maatschappelijke functie

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw met een maatschappelijke functie.

  • 2.

    Een bijbehorend bouwwerk is buiten het bouwvlak toegestaan indien:

    • a.

      de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m² bedraagt;

    • b.

      de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 5 m bedragen;

    • c.

      het bebouwingspercentage van de gronden buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt; en

    • d.

      bijbehorende bouwwerken worden gesitueerd op 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw.

Artikel 5.28 Erkers

Een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een erker bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m;

  • b.

    de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m;

  • c.

    indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m; en

  • d.

    de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m.

Artikel 5.29 Carports bij een (bedrijfs)woning

Een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een carport bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bouwhoogte van een carport bedraagt niet meer dan 3 m;

  • b.

    de bebouwde oppervlakte van de carport bedraagt niet meer dan 20 m²;

  • c.

    het aantal carports buiten de Bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan niet meer dan 1 bedraagt.

Artikel 5.30 Dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak

Een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    voorzien van een plat dak;

  • b.

    gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

  • c.

    onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

  • d.

    bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

  • e.

    zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

Artikel 5.31 Beperkingen op specifieke locaties

Afdeling 5.5 BOUWWERKEN, GEEN GEBOUWEN ZIJNDE

Artikel 5.32 Beeldende kunstwerken

Ter plaatse van het Normgebied beeldend kunstwerk is een beeldend kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte beeldend kunstwerk aangegeven waarde.

Artikel 5.33 Infrastructurele en waterstaatkundige kunstwerken

Ter plaatse van het Normgebied infrastructureel kunstwerk is een infrastructureel en waterstaatkundig kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk  aangegeven waarde.

Artikel 5.34 Erfafscheiding

  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is een erf- of perceelafscheiding toegestaan indien: 

    • a.

      de erf- of perceelsafscheiding hoger is dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • b.

      de erf- of perceelsafscheiding op een erf of perceel staat waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • c.

      de erf- of perceelsafscheiding achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt, zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.

  • 2.

    Ter plaatse van het Normgebied afwijkende hoogte erfafscheiding is een erfafscheiding toegestaan met als maximum bouwhoogte de met de Omgevingsnorm afwijkende hoogte erfafscheiding aangegeven waarde. 

  • 3.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding geluidscherm als erfafscheiding is een geluidscherm met een bouwhoogte van 3 m toegestaan bij wijze van erf- of terreinafscheiding.

Artikel 5.35 Zwembad bij (bedrijfs)woning

Een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening op het gebouwerf bij een (bedrijfs)woning is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het aantal zwembaden mag niet meer bedragen dan één per (bedrijfs)woning;

  • b.

    een zwembad is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan;

  • c.

    de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,2 m;

  • d.

    de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m.

Artikel 5.36 Openbare sport- en speeltoestel

Een sport- en speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik is toegestaan, als deze voldoet aan de volgende voorwaarden: 

  • a.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;

  • b.

    het sport- of speeltoestel is alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

Artikel 5.37 Vlaggenmasten

De bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m.

Artikel 5.38 Geluidwerende voorzieningen

De bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet meer dan 4 m.

Artikel 5.39 Silo´s, sleufsilo´s en mestopslagplaatsen

  • 1.

    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van silo´s, sleufsilo´s en mestopslagplaatsen zijn alleen ter plaatse van de Functieaanduiding agrarisch bouwvlak toegestaan.

  • 2.

    De bouwhoogte van een silo mag niet meer bedragen dan 12 m.

Artikel 5.40 Verlichtingsmasten niet toegestaan

Ter plaatse van de Bouwaanduiding verlichtingsmasten niet toegestaan, zijn verlichtingsmasten niet toegestaan.

Artikel 5.41 Bouwwerken op sportterreinen

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van sportterreinen gelden de volgende regels:

  • a.

    tribunes zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak;

  • b.

    de bouwhoogte van tribunes mag niet meer bedragen dan 3 m;

  • c.

    de bouwhoogte van masten voor de verlichting van sportvelden mag niet meer bedragen dan 15 m;

  • d.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, zoals ballenvangers, mag niet meer bedragen dan 10 m.

Artikel 5.42 Bouwwerken voor railinfrastructuur

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de railinfrastructuur gelden de volgende regels:

  • a.

    de bouwhoogte van draagconstructies voor bovenleidingen, seinpalen, bakens en andere railverkeersvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 15 m;

  • b.

    de bouwhoogte van bouwwerken voor het onderbrengen van voorzieningen van de elektrotechnische systemen mag niet meer mag bedragen dan 7 m.

Artikel 5.43 Bouwwerken ter plaatse van een waterkering

Ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwwerken ter plaatse van de waterkering geldt in aanvulling op hetgeen elders in dit omgevingsplan is bepaald, het volgende:

  • a.

    waterstaatkundige bouwwerken, geen gebouwen zijnde waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedraagt, zijn toegestaan;

  • b.

    voor zover de dijk is gelegen aan de rivierzijde van de buitenkruinlijn van de primaire waterkering (de winterdijk): masten ten behoeve van verlichting en bebakening zijn toegestaan als de hoogte niet meer bedraagt dan 10 m;

  • c.

    overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, onder de voorwaarde dat:

    • 1.

      de bouwwerken dienen ten behoeve van de bescherming en het beheer van de aangrenzende landelijke en regionale (hoofd)waterkering;

    • 2.

      de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²; en

    • 3.

      de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m.

Artikel 5.44 Specifieke bouwwerken 

  • 1.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding loopbrug is een loopbrug toegestaan, met een hoogte die niet minder mag bedragen dan 3,5 m en niet meer mag bedragen dan 7 m.

  • 2.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding luifel of overkapping is een luifel of overkapping toegestaan, met een hoogte die niet meer mag bedragen dan 6 m.

Artikel 5.45 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Artikel 5.46 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan

Ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan, zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan.

Artikel 5.47 Maximale oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Ter plaatse van het Normgebied maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde is aangegeven.

Afdeling 5.6 SPECIFIEKE REGELS OVER BOUWWERKEN

Artikel 5.48 Dierenverblijf

Ter plaatse van Bouwaanduiding dierenverblijf is een dierenverblijf toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande maatvoering.

Artikel 5.49 Volière

Ter plaatse van de Functieaanduiding volière is een volière toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande maatvoering.

Artikel 5.50 Volkstuin

Gebouwen ten behoeve van een volkstuin zijn toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

  • a.

    per volkstuin is maximaal één gebouw toegestaan;

  • b.

    de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 5 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage per volkstuin niet meer bedraagt dan 5%; en

  • c.

    de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 5.51 Begraafplaats

Gebouwen ten behoeve van een begraafplaats zijn toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

  • a.

    het gezamenlijke bruto vloeroppervlak per aanduidingsvlak niet meer mag bedragen dan 250 m²;

  • b.

    de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m;

  • c.

    de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m; en

  • d.

    de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.

Artikel 5.52 Jongerenontmoetingsplaats

Een gebouw ten behoeve van een jongerenontmoetingsplaats is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m; en

  • b.

    de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 16 m².

Artikel 5.53 Garagebox

Een gebouw ten behoeve van een garagebox is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a.

    de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; en

  • b.

    de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m².

Artikel 5.54 Nutsgebouwen

Een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a.

    gebouwd ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak;

  • b.

    de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m; en

  • c.

    de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m².

Artikel 5.55 Bestaande gebouwen ter plaatse van agrarisch met waarden - kernen

Ter plaatse van de Beschermingszone agrarisch met waarden - kernen zijn de bestaand(e) gebouwen toegestaan, met dien verstande dat de maatvoering niet meer mag bedragen dan de bestaande maatvoering.

Artikel 5.56 Overdekte laad- en losplaats

Ter plaatse van de Bouwaanduiding laad- en losplaats zijn bouwwerken ten behoeve van een overdekte laad- en losplaats, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m.

Artikel 5.57 Specifieke locatie agrarisch - 1

Ter plaatse van de Bouwaanduiding specifieke locatie agrarisch - 1 zijn gebouwen in de vorm van verblijven voor huisdieren en plantenkassen toegestaan, met dien verstande dat:

  • a.

    per bouwperceel mag niet meer dan 1 bouwwerk worden gerealiseerd;

  • b.

    de oppervlakte per bouwwerk mag niet meer bedragen dan 12 m2;

  • c.

    de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m;

  • d.

    de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;

  • e.

    per bouwperceel mag niet meer dan 1% van de oppervlakte daarvan bebouwd worden.

Artikel 5.58 Landelijk groen

Ter plaatse van de Locatie landelijk groen gebouwen toegestaan, met dien verstande dat:

  • a.

    de bebouwde oppervlakte per locatievlak niet meer mag bedragen dan 12 m²; en

  • b.

    de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Artikel 5.59 Waterkering

Ter plaatse van de Beschermingszone waterkering zijn gebouwen toegestaan die ten
dienste van de waterkering staan en waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m.

Artikel 5.60 Uitkraging van gebouw buiten het bouwvlak

Ter plaatse van de Bouwaanduiding uitkraging van een gebouw, een uitkraging van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat de eerste bouwlaag niet mag worden bebouwd.

Artikel 5.61 Rijwielstallingen

  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding rijwielstallingen.

  • 2.

    Gebouwen ten behoeve van rijwielstallingen zijn toegestaan, mits;

    • a.

      de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m; en

    • b.

      de oppervlakte niet meer bedraagt dan 15 m².

Artikel 5.62 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.63 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.64 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.65 gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 5.7 SPECIFIEKE REGELS OVER LOCATIES

Paragraaf 5.7.1 Locatie woonwagens

Artikel 5.66 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie woonwagens.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5

Artikel 5.67 Woonwagens
  • 1.

    Voor woonwagens gelden de volgende regels:

    • a.

      het aantal woonwagens mag niet meer bedragen dan 3;

    • b.

      de afstand tussen de woonwagens onderling mag niet minder bedragen dan 5 m;

    • c.

      de bebouwde oppervlakte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 105 m².

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder c mag de bebouwde oppervlakte van een woonwagen ter plaatse van de Bouwaanduiding woonwagen - 1, niet meer bedragen dan 120 m². 

Artikel 5.68 Bijbehorende bouwwerken bij een woonwagen
  • 1.

    Een bijbehorend bouwwerk is toegestaan indien:

    • a.

      de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan 4,5 m; en

    • b.

      de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woonwagen niet meer bedraagt dan 60 m².

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b, mag de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woonwagen ter plaatse van de Bouwaanduiding woonwagen - 2 niet meer bedragen dan 120 m².

Paragraaf 5.7.2 Locatie woongebied - uit te werken

Artikel 5.69 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie woongebied - uit te werken.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.70 Woongebied uit te werken - 1

Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 1 gelden de volgende regels:

  • a.

    uitsluitend zijn grondgebonden halfvrijstaande, rijen- of met garages geschakelde woningen toegestaan;

  • b.

    het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;

  • c.

    de goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 9 m en de bouwhoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 12 m;

  • d.

    de goothoogte van de woningen dient tenminste 6 m te bedragen en de bouwhoogte van de woningen dient tenminste 9 m te bedragen.

Artikel 5.71 Woongebied uit te werken - 2

Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 2 gelden de volgende regels:

  • a.

    Uitsluitend zijn grondgebonden halfvrijstaande, rijen- of met garages geschakelde woningen toegestaan;

  • b.

    het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;

  • c.

    de goothoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 6 m en de bouwhoogte van de woningen mag niet meer bedragen dan 12 m.

Artikel 5.72 Woongebied uit te werken - 3

Ter plaatse van de Functieaanduiding uit te werken - 3 gelden de volgende regels:

  • a.

    uitsluitend zijn niet-grondgebonden woningen toegestaan;

  • b.

    het aantal woningen mag niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden is aangegeven;

  • c.

    de bouwhoogte van het appartementengebouw, waarin de niet-grondgebonden woningen zijn opgenomen, mag niet meer bedragen dan 16 m, met dien verstande dat, met inbegrip van en uitsluitend voor technische ruimten op het gebouw, deze hoogte niet meer dan 18 m mag bedragen.

Artikel 5.73 Bijbehorende bouwwerken
  • 1.

    Dit artikel gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning.

  • 2.

    Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en op een afstand van minimaal  3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

  • 3.

    Voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte geldt het bepaalde in artikel 5.26.

  • 4.

    Het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel dat gelegen is achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 50% bedragen.

Artikel 5.74 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.75 Gereserveerd 

[Gereserveerd]

Artikel 5.76 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.77 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.7.3 Kesteren Pottemsche Veld

Artikel 5.78 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Kesteren Pottemsche Veld.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.79 Bouwwijze woningen
  • 1.

    Voor de bouwwijze van woningen geldt dat vrijstaande woningen, twee aaneengebouwde woningen, aaneengebouwde woningen en beneden-bovenwoningen zijn toegestaan.

  • 2.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn ter plaatse van de Bouwaanduiding Pottemsche Veld - ook gestapeld toegestaan ook gestapelde woningen toegestaan.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn ter plaatse van de Bouwaanduiding Pottemsche Veld - uitsluitend gestapeld toegestaan, uitsluitend gestapelde woningen toegestaan.

  • 4.

    In aanvulling op het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel geldt dat:

    • a.

      ten hoogste 15% van de woningen vrijstaande woningen zijn;

    • b.

      ten hoogste 15% van de woningen twee-aaneengebouwde en/of geschakelde woningen zijn;

    • c.

      ten minste 30% en ten hoogste 65% van de woningen aaneengebouwde woningen of beneden-bovenwoningen zijn; en

    • d.

      ten minste 20% en ten hoogste 40% van de woningen gestapelde woningen zijn;

  • 5.

    Aaneengebouwde woningen bestaan uit rijen van maximaal 8 aaneengebouwde woningen.

  • 6.

    Maximaal 4 aaneengebouwde woningen mogen dezelfde rooilijn hebben. Bij een rij van meer dan 4 aaneengebouwde woningen is sprake van een rooilijnverspringing van minimaal 0,5 m.

Artikel 5.80 Bouwdiepte

De bouwdiepte van een woning mag niet meer bedragen dan 15 m.

Artikel 5.81 Erkers

Voor een erker in de zijtuin van hoekwoningen geldt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens (en het openbare gebied) niet minder mag bedragen dan 1 m.

Artikel 5.82 Voorgevel hoofdgebouw
  • 1.

    Indien binnen de Locatie wonen - Pottemsche Veld in een bouwperceel de Figuur gevellijn - 1 is opgenomen, wordt de voorgevel van het hoofdgebouw op de Figuur gevellijn georiënteerd. 

  • 2.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding voorgevel hoofdgebouw - 1 geldt dat de voorgevel van hoofdgebouwen niet minder dan 3 m en niet meer dan 6 m achter de voorste perceelsgrens mag worden gebouwd.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de afstand van (de voorgevel van) aaneengebouwde woningen tot de voorste perceelsgrens minder dan 3 m bedragen, mits:

    • a.

      ten minste 50% van het blok aaneengebouwde woningen op ten minste 3 m uit de voorste perceelsgrens worden gebouwd; en

    • b.

      de afstand tot de voorste perceelsgrens niet minder bedraagt dan 2 m;

Artikel 5.83 Bijbehorende bouwwerken

Bij gestapelde woningen (waaronder ook rug-aan-rugwoningen) zijn bijbehorende bouwwerken uitsluitend toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en uitsluitend aangebouwd aan het hoofdgebouw.

Artikel 5.84 Afstand zijdelingse perceelsgrens

Paragraaf 5.7.4 Betuwestraat Noord, Kesteren

Artikel 5.85 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Betuwestraat Noord.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.86 Afwijkende bouwhoogte klokkentoren

De bouwhoogte van een klokkentoren behorende bij een kerk bedraagt niet meer dan 38 m.

Artikel 5.87 Afwijkende bouwhoogte school en gymzaal

De bouwhoogte van een school en gymzaal bedraagt niet meer dan 12,5 m.

Artikel 5.88 Bijbehorende bouwwerken
  • 1.

    Dit artikel gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning.

  • 2.

    Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak en op een afstand van minimaal  3 m achter de voorgevelrooilijn van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

  • 3.

    Voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte geldt het bepaalde in artikel 5.26.

  • 4.

    Het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel dat gelegen is achter de achtergevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 50% bedragen.

Paragraaf 5.7.5 Margrietlaan 13, Dodewaard

Artikel 5.89  Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.90 Breedte woning

De breedte van een woning mag niet meer bedragen dan 7,5 m.

Paragraaf 5.7.6 Bonegraafseweg 3, Ochten

Artikel 5.91 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Bonegraafseweg 3.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.92 Verspringen voorgevel

De voorgevel van de naastgelegen woonblokken dienen onderling minimaal 1 meter ten opzichte van elkaar te verspringen.

Paragraaf 5.7.7 Kerk Cuneraweg, Ochten

Artikel 5.93 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Kerk Cuneraweg.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5 en artikel 4.3.

Artikel 5.94 Peil

Het peil is vastgesteld op 7,06 meter + NAP.

Paragraaf 5.7.8 Lindelaan 11, Opheusden

Artikel 5.95 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Lindelaan 11, Opheusden.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.96 Bijbehorende bouwwerken

Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a.

    Bijbehorende bouwwerken mogen binnen de bouwaanduiding bouwvlak en de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

  • b.

    het bebouwingspercentage aan bijbehorende bouwwerken mag binnen de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan niet meer bedragen dan met de Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage gebouwen is aangegeven.

  • c.

    de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer bedragen dan 5 m;

  • d.

    de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.

Paragraaf 5.7.9 Boveneindsestraat 1, Kesteren

Artikel 5.97 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Boveneindsestraat 1.  

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.98 Voorgevel hoofdgebouw

Indien binnen de Locatie wonen - Boveneindsestraat 1 de Figuur gevellijn - 2 is opgenomen, wordt de voorgevel van het hoofdgebouw in of ten hoogste 1 m achter de Figuur gevellijn - 2 gebouwd. 

Artikel 5.99 Bijbehorende bouwwerken

Ter plaatse van de Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 4 geldt het volgende:

  • a.

    de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 80 m²; en

  • b.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 m.

Paragraaf 5.7.10 Smachtkamp 60, Opheusden

Artikel 5.100 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Smachtkamp 60.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.101 Voorgevel hoofdgebouw

De voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd in of maximaal 2 m achter de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak.

Paragraaf 5.7.11 Brandweerkazerne Dodewaard

Artikel 5.102 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie brandweerkazerne Dodewaard .

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.103 Stallingsruimte brandweerkazerne Dodewaard

In afwijjking van artikel 5.7 is een overdekte stallingsruimte ten behoeve van stalling van fietsen en oefenmateriaal. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:

  • a.

    de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 20 m2;

  • b.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; en

  • c.

    het realiseren van een fietsenstalling mag niet ten kosten gaan van het aantal parkeerplaatsen.

Paragraaf 5.7.12 Stationsstraat 24, Kesteren

Artikel 5.104 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Stationsstraat 24

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.105 Uitbreiding hoofdgebouw maatschappelijk
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing ter plaatse van de Bouwaanduiding uitbreiding hoofdgebouw maatschappelijk.

  • 2.

    Een uitbreiding van het hoofdgebouw is toegestaan, mits:

    • a.

      de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw;

    • b.

      het bebouwingspercentage van de gronden niet meer bedraagt dan 35%; en

    • c.

      de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer dan 3 m bedraagt.

Paragraaf 5.7.13 Rijnbandijk 5, Opheusden

Artikel 5.106 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Rijnbandijk 5 Opheusden.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.107 Voorgevel hoofdgebouw

De voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd aan de zijde met de Figuur gevellijn - 1.

Artikel 5.108 Bijbehorende bouwwerken

Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a.

    bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak;

  • b.

    bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend inpandig of aan het hoofdgebouw aangebouwd toegestaan;

  • c.

    het bepaalde in sub a, e en f van het vierde lid van artikel 5.26 is van overeenkomstige toepassing; en

  • d.

    voor carports geldt het bepaalde in artikel 5.29 met dien verstande dat de carport de voorgevelrooilijn niet mag overschrijden.

Paragraaf 5.7.14 Vicuslaan 2, Kesteren

Artikel 5.109 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Vicuslaan 2 Kesteren.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.110 Bijbehorende bouwwerken

Voor bijbehorende bouwwerken geldt:

Paragraaf 5.7.15 Oranjehof, Ochten

Artikel 5.111 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie Oranjehof Ochten.

  • 2.

    De regels in deze paragraaf gelden in aanvulling op danwel in afwijking van de overige regels van hoofdstuk 5.

Artikel 5.112 Bijbehorende bouwwerken
Artikel 5.113 Voorgevel hoofdgebouw

De voorgevel van het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd in of maximaal 2 meter achter de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak.

Artikel 5.114 Aantal woningen per jaar

Ter plaatse van de Bouwaanduiding maximaal aantal woningen per jaar mag het aantal gerealiseerde woningen per jaar in totaal niet meer bedragen dan 17.

Artikel 5.115 Goothoogte hoofdgebouw

De goothoogte mag over een breedte van 1/3 van de gevel, gelijk zijn aan de bouwhoogte die is toegestaan.

Artikel 5.116 Afstand zijdelingse perceelsgrens

De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan:

  • a.

    bij woningen in de bouwwijze 'vrijstaand': aan één zijde 3 m en aan de andere zijde 1,5 m;

  • b.

    bij woningen in de bouwwijze 'twee-aaneen' aan één zijde van de woning: 3 m;

  • c.

    bij woningen in de bouwwijze 'aaneengebouwd' aan één zijde van de hoekwoning: 0,5 m.

Artikel 5.117 Regels niet van toepassing
  • 1.

    Het bepaalde in artikel 5.19 is niet van toepassing.

  • 2.

    Het bepaalde in artikel 5.20 is niet van toepassing.

Hoofdstuk 6 GEBRUIK EN BOUWEN - SPECIFIEKE VERPLICHTINGEN

Afdeling 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 Maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift

  • 1.

    Bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk indien: 

    • a.

      de voorgeschreven maatregel of voorziening niet meer noodzakelijk is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; of

    • b.

      op een andere wijze wordt voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Afdeling 6.2 Specifieke verplichtingen

Paragraaf 6.2.1 Kwaliteitsplannen

Artikel 6.2 Landschappelijk inpassingsplan
  • 1.

    Ter plaatse van de Locatie landschappelijk inpassingsplan geldt een landschappelijk inpassingsplan. Dit landschappelijk inpassingsplan is te raadplegen via bijlage IV.

  • 2.

    De landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan dient binnen twee jaar na het verlenen van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken danwel, indien een dergelijke omgevingsvergunning niet noodzakelijk is, twee jaar nadat het gekoppelde gebruik als bedoeld in het derde lid is gestart, te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden.

  • 3.

    Indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid dan is het gekoppelde gebruik of het gekoppelde bouwen zoals aangegeven in bijlage IV  niet toegestaan.

Artikel 6.3 Ecologisch werkprotocol
  • 1.

    Ter plaatse van de Locatie ecologisch werkprotocol geldt een ecologisch werkprotocol. Dit Ecologische werkprotocol is te raadplegen via bijlage VII.

  • 2.

    De activiteiten zoals beschreven in bijlage VII in de kolom de gekoppelde activiteit moeten overeenkomstig het ecologische werkprotocol worden uitgevoerd.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 6.1 wordt niet eerder verleend of gesteld dan nadat er advies is ingewonnen bij een ecoloog. Als voorwaarde wordt aan het maatwerkvoorschrift verbonden dat de activiteit wordt uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog.

Paragraaf 6.2.2 Water

Artikel 6.4 Waterberging
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding waterberging.

  • 2.

    Er dient een retentievoorziening voor de berging van water te zijn aangelegd. Na de aanleg moet de retentievoorziening duurzaam in stand worden gehouden.

  • 3.

    Gronden en bouwwerken mogen niet gebruikt worden overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid. Het bepaalde in dit lid heeft geen betrekking op het gebruik zoals dat plaatsvond voordat de verplichting van het tweede lid is gaan gelden.

  • 4.

    Ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13 dient:

    • a.

      de oppervlakte van de retentievoorziening minimaal 75 m² te bedragen; en

    • b.

      de diepte ten opzichte van het omliggende maaiveld minimaal 30 cm te bedragen, of de bergingscapaciteit minimaal 22 m³ te bedragen.

  • 5.

    De diepte ten opzichte van het omliggende maaiveld mag niet meer bedragen dan 40 cm en de bergingscapaciteit dient minimaal de met de Omgevingsnorm minimale bergingscapaciteit aangegeven waarde te zijn.

  • 6.

    Ter plaatse van de Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten geldt dat ter plaatse van de Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten of ter plaatse van het peilgebied zoals aangegeven in Peilgebied Dokter M. van Drielplein Ochten  moet worden voorzien in de aanleg en instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van waterberging met een minimale omvang van 22 m³.

  • 7.

    Indien er geen omgevingsnorm als bedoeld in dit artikel is opgenomen wordt voldaan aan de ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldende beleidsregel van het Waterschap Rivierenland. 

  • 8.

    Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2 is vastgesteld en dit landschappelijk inpassingsplan eisen bevat voor de aanleg en in stand houding van een voorziening voor waterberging, dan dient de waterberging te worden aangelegd overeenkomstig de eisen van het landschappelijk inpassingsplan. 

  • 9.

    Ter plaatse van de Locatie Herenland fase 3a heeft de bergingsvoorziening een minimale omvang van 145 m² per 1000 m² dakvlak/terreinverharding.

Artikel 6.5 Beperking verharding
  • 1.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding beperking verharding is het aanbrengen van verhardingen bij grondgebonden woningen voor meer dan 70% van het bouwperceel, met uitzondering van de grond onder het hoofdgebouw, niet toegestaan.

Paragraaf 6.2.3 Klimaatadaptatie

Artikel 6.6 Klimaatadaptieve maatregelen
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Bouwaanduiding klimaatadaptieve maatregelen

  • 2.

    Indien er gebouwen worden gerealiseerd waarvan het (nagenoeg) platte dakoppervlak groter is dan 200 m², dient ten minste 50% van het dakoppervlak van het gebouw te worden gerealiseerd in de vorm van een vegetatiedak

  • 3.

    Het vegetatiedak bedoeld in het tweede lid dient in stand te worden gehouden.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat de realisatie van een vegetatiedak niet uitvoerbaar is én dat op een andere geschikte wijze invulling wordt gegeven aan de aanleg van klimaatadaptieve maatregelen. Deze klimaatadaptieve maatregelen dienen vervolgens in stand gehouden te worden.

Artikel 6.7 Daktuin
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding realiseren daktuin.

  • 2.

    Er moet een daktuin worden aangelegd. Na de aanleg wordt de daktuin duurzaam in stand gehouden.

  • 3.

    Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2 geldt, dan wordt de daktuin aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.

Paragraaf 6.2.4 Geluid

Artikel 6.8 Niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
  • 1.

    Ter plaatse van de Locatie niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geldt dat de gevel ter plaatse van of georiënteerd op de Bouwaanduiding niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, al dan niet nader geduid in artikel 6.9, een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving is.

  • 2.

    Totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.86tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

  • 3.

    Aan de gevel bedoeld in het eerste lid worden maatregelen getroffen en vervolgens duurzaam in stand gehouden die:

    • a.

      bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

    • b.

      borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

Artikel 6.9 Nadere duiding niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
  • 1.

    Gereserveerd

Artikel 6.10 Geluidwerende voorziening
Artikel 6.11 Geluidgevoelige gebouwen niet toegestaan
Artikel 6.12 Tuinmuur
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie tuinmuur

  • 2.

    Ter plaatse van de Bouwaanduiding tuinmuur - 1 dient een tuinmuur te worden gebouwd en in stand gehouden met een hoogte van 2,3 meter en een massa van 15 kg/m².

Artikel 6.13 Dakisolatie

Paragraaf 6.2.5 Externe veiligheid

Artikel 6.14 Bluswaterput
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aanleg bluswaterput.

  • 2.

    Binnen het aanduidingsvlak of binnen een afstand van 15 meter tot het aanduidingsvlak als bedoeld in het eerste lid, dient een bluswaterput met een minimale capaciteit van 90 m³ per uur te worden aangelegd. Het bluswaterpunt wordt na de aanleg in stand gehouden.

Artikel 6.15 Minder zelfredzame personen
Artikel 6.16 Gebruik entree (externe veiligheid)

Paragraaf 6.2.6 Groen

Artikel 6.17 Groene erfafscheiding
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding groene erfafscheiding.

  • 2.

    Indien de zijdelingse en/of achterste perceelsgrens van een bouwperceel grenst aan openbaar toegankelijk gebied, moet een groene erfafscheiding worden aangelegd en in stand worden gehouden conform de eisen uit het ter plaatse geldende beeldkwaliteitplan als bedoeld in artikel 4.60 of landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2.

Artikel 6.18 Groenblijvende windhaag
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie windhaag.  

  • 2.

    Ter plaatse van de Functieaanduiding windhaag dient in verband met het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen een groenblijvende windhaag te worden aangelegd. Na de aanleg dient de haag duurzaam in stand te worden gehouden.

  • 3.

    De windhaag heeft, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, een hoogte van tenminste 3 m.

  • 4.

    Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2 geldt, dan wordt de windhaag aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.

Artikel 6.19 Groene haag
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding aaneengesloten groene haag.

  • 2.

    Er dient een aaneengesloten groene haag te worden aangelegd. Na de aanleg dient de haag duurzaam in stand te worden gehouden.

  • 3.

     De hoogte van de haag mag, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, niet minder bedragen dan 2 m.

  • 4.

    Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2 geldt, dan wordt de groene haag aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.

Artikel 6.20 Groene afscheiding Dokter M. van Drielplein Ochten
Artikel 6.21 Groene gevel
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding realiseren groene gevel.

  • 2.

    Er moet een groene gevel worden gerealiseerd. Na de realisatie wordt de groene gevel duurzaam in stand gehouden. 

  • 3.

    Indien voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.2 geldt, dan wordt de groene gevel aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de eisen van dit landschappelijk inpassingsplan.

Paragraaf 6.2.7 Overig

Artikel 6.22 Gevelopeningen
Artikel 6.23 Hoek Dalwagenseweg - Tolsestraat
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Functieaanduiding hoek Dalwagenseweg - Tolsestraat.

  • 2.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan indien er voor GMB Civiel B.V. & GMB Services B.V. overeenkomstig het bepaalde in dit omgevingsplan geen voldoende parkeergelegenheid kan worden gewaarborgd, waarbij het gebruik van het parkeerterrein aan de Tolsestraat 4 voor GMB Civiel B.V. & GMB Services B.V. niet wordt meegeteld.

  • 3.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan indien de centrale schuur niet is gesloopt. 

Artikel 6.24 Margrietlaan 13 te Dodewaard
  • 1.

    Dit artikel geldt ter plaatse van de Locatie Margrietlaan 13.

  • 2.

    Rondom de woningen en terrassen bij woningen dient binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen, een erfafscheiding te worden gerealiseerd met een hoogte van minimaal 0,5 m en maximaal 1 m. Deze erfafscheiding dient te bestaan uit hetzelfde materiaal als de gevels van de woningen. Deze erfafscheiding mag zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Deze erfafscheiding wordt duurzaam in stand gehouden.

Hoofdstuk 7 WERK, NIET ZIJNDE BOUWWERK, OF WERKZAAMHEID

Afdeling 7.1 ALGEMEEN

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid.

  • 2.

    Onverminderd afdeling 4.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

Afdeling 7.2 ARCHEOLOGIE

Artikel 7.2 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in deze afdeling zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone archeologie.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.

Artikel 7.3 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van waardevolle agrarische informatie in de bodem.

Artikel 7.4 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a.

    grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

  • b.

    bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist;

  • c.

    het verlagen van het waterpeil;

  • d.

    het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

  • e.

    het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;

  • f.

    het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

  • g.

    het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;

  • h.

    het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 7.5 Uitzondering vergunningplicht

  • 1.

    Het verbod van artikel 7.4 geldt niet:

    • a.

      voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld;

    • b.

      voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;

    • c.

      voor het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten;

    • d.

      indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen;

    • e.

      voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een omgevingsvergunning is verleend;

    • f.

      voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in subparagraaf 4.2.4.16.

  • 2.

    Het verbod van artikel 7.4 geldt ook niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de Functieaanduiding archeologie - reeds aangetast en het activiteiten betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld.

  • 3.

    Het verbod van artikel 7.4 geldt ook niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de Omgevingsnorm maximum oppervlak archeologie, en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.

Artikel 7.6 Beoordelingsregel

  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 7.7 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 7.8 Vergunningvoorschriften

  • 1.

    Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Een voorschrift als bedoeld in artikel 7.8eerste lid kan in elk geval inhouden:

    • a.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

    • b.

      de verplichting tot het doen van opgravingen; of,

    • c.

      de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Afdeling 7.3 INTEGRAAL ENSEMBLE

Artikel 7.9 Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Beschermingszone integraal ensemble.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf hebben voorrang op de regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a Omgevingswet.

  • 3.

    De regels zoals opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het Parapluplan 2023 met IMRO-idn NL.IMRO.1740.bpNBparaplu2023-vst1 zijn niet van toepassing.

Artikel 7.10 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van het aan de gronden toegekende integraal ensemble en de daarbij behorende cultuurhistorische waarden zoals deze nader is aangeduid en beschreven in bijlage VIII.

Artikel 7.11 Vergunningplicht

 

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:

  • a.

    het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;

  • b.

    het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

  • c.

    het vellen of rooien van beplanting en/of bomen ter plaatse van de landschappelijke eenheden en elementen zoals bedoeld in 4.157;

  • d.

    het ophogen, verlagen en/of afgraven van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.

Artikel 7.12 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 7.11 geldt niet:

  • a.

    op normale onderhoudswerkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het beheer of de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit artikel reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende of nog te verlenen omgevingsvergunning;

  • b.

    indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud, beheer en gebruik betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen, watergangen, vijvers en beplantingen binnen bestaande tracés; of

  • c.

    voor zover het werkzaamheden op de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt.

Artikel 7.13 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit van het integraal ensemble zoals beschreven in artikel 7.10.

Artikel 7.14 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op artikel 7.13, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.

Artikel 7.15 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang van artikel 7.10 kunnen aan de omgevingsvergunning voor voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.4 WATERKERING

Artikel 7.16 Toepassingsbereik

De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone waterkering.

Artikel 7.17 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, bescherming en verbetering van de waterkerende functie, onder meer door middel van de aanleg en instandhouding van een dijklichaam

Artikel 7.18 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:

  • a.

    het vellen en/of rooien van houtgewas;

  • b.

    het beplanten van gronden;

  • c.

    het verlagen van de bodem en/of het egaliseren van gronden;

  • d.

    het verrichten van graafwerkzaamheden;

  • e.

    het aanbrengen van kabels of leidingen binnen 30 m uit de teen van de waterkering.

Artikel 7.19 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 7.18 geldt niet:

  • a.

    werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de waterkering;

  • b.

    werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 7.20 Beoordelingregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, hetzij direct hetzij indirect, geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de belangen van de waterkering.

  • 2.

    Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.

Artikel 7.21 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van B&W, gelet op artikel 7.20, noodzakelijk zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag.

Artikel 7.22 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang van artikel 7.17 kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.5 NATUUR

Artikel 7.23 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van de Locatie natuur.

Artikel 7.24 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.

Artikel 7.25 Vergunningplicht

 

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a.

    het kappen van bomen;

  • b.

    het aanleggen van verhardingen/halfverhardingen;

  • c.

    het ontginnen, egaliseren, afgraven, aanvullen of ophogen van gronden;

  • d.

    het winnen van mos of bosstrooisel;

  • e.

    het opslaan van goederen, waaronder begrepen het opslaan van afvalstoffen.

Artikel 7.26 Uitzondering vergunningplicht

 

Het verbod van artikel 7.24 geldt niet:

  • a.

    voor aanlegactiviteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden;

  • b.

    voor aanlegactiviteiten die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 7.27 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien er geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied.

Artikel 7.28 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen onevenredige afbreuk aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied wordt gedaan.

Artikel 7.29 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.25 voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.6 LANDELIJK GROEN

Artikel 7.30 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone landelijk groen.

Artikel 7.31 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige landschappelijke waarden.

Artikel 7.32 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te leggen.

Artikel 7.33 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door het aanleggen van de oppervlakteverhardingen, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige groenstructuur.

Artikel 7.34 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige groenstructuur.

Artikel 7.35 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.31 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.7 AGRARISCH MET WAARDEN

Artikel 7.36 Toepassingsbereik

De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone agrarisch met waarden - kernen.

Artikel 7.37 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de aanwezige natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden.

Artikel 7.38 Vergunningplicht

 

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:

  • a.

    het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden en het diepploegen;

  • b.

    het aanleggen van ondergrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;

  • c.

    het aanleggen en oppervlakteverhardingen;

  • d.

    het verlagen van het waterpeil;

  • e.

    het aanbrengen van opgaande beplanting, niet zijnde beplanting in verband met de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van boomkwekerijen.

Artikel 7.39 Uitzondering vergunningplicht

 

Het verbod van artikel 7.38 geldt niet:

  • a.

    voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden;

  • b.

    voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 7.40 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het gebied dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Artikel 7.41 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een onderbouwing verstrekt waaruit naar het oordeel van het college in voldoende mate volgt dat er geen blijvend onevenredige afbreuk aan de waarden genoemd in artikel 7.37 wordt gedaan.

Artikel 7.42 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.38 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.8 RIOOLLEIDING

Artikel 7.43 Toepassingsbereik

De regels van deze afdeling gelden ter plaatse van de Beschermingszone rioolleiding.

Artikel 7.44 Oogmerk

De regels zijn gesteld met het oog op de bescherming van de rioolleiding.

Artikel 7.45 Vergunningplicht

 

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden te verrichten:

  • a.

    het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  • b.

    het uitvoeren van graafwerkzaamheden;

  • c.

    het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;

  • d.

    het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;

  • e.

    het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;

  • f.

    het vellen of rooien van houtgewas.

Artikel 7.46 Uitzondering vergunningplicht

 

Het verbod van artikel 7.45 geldt niet:

  • a.

    voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden;

  • b.

    voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;

  • c.

    voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die direct samenhangen met een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Artikel 7.47 Beoordelingsregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, indien door de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de leidingbeheerder.

Artikel 7.48 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de rioolleiding;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en

  • d.

    de te gebruiken materialen.

Artikel 7.49 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.45 bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 8 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT

Afdeling 8.1 Algemene bepalingen

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op milieubelastende activiteiten.

Artikel 8.2 Voorrangsbepaling

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

  • a.

    een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

  • b.

    een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

Artikel 8.3 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; 

  • d.

    het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Artikel 8.4 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.3, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

 

Artikel 8.5 Maatwerkvoorschrift

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, tenzij elders in dit hoofdstuk anders bepaald. Van de artikelen 8.3, artikel 8.4 en artikel 8.12 kan niet worden afgeweken.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 8.3.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 8.6 Gegevens op verzoek

  • 1.

    Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in dit hoofdstuk, waaronder een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten en processen en een situatieschets van de activiteit en de lozingspunten;

    • b.

      die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 8.7 Informeren bij ongewoon voorval

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid geldt niet voor ongewone voorvallen bij:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 8.2 van toepassing is.

Artikel 8.8 Zelfstandige informatieplicht bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba

  • 1.

    Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of beperken.

  • 2.

    De verstrekte informatie is voldoende om te beoordelen of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk.

  • 3.

    De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.

Artikel 8.9 gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 8.2 Milieuregels anders dan lozen of bodembeheer

Paragraaf 8.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 8.10 Toepassingsbereik
  • 1.

    Afdeling 8.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 8.1, met uitzondering van:

    • a.

      activiteiten bij wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement: 

      • 1.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening;

      • 2.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of

      • 3.

        dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in artikel artikel 8.47, artikel 8.48 en artikel 8.49; en

    • f.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;

    • g.

      lozingen;

    • h.

      graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; en

    • i.

      milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder a, is afdeling 8.2 wel van toepassing op het exploiteren van een (niet-) publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is artikel 8.148 van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.

Artikel 8.11 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a Omgevingswet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12a Omgevingswet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.

Artikel 8.12 Concretisering specifieke zorgplicht
  • 1.

    De plicht, bedoeld in artikel 8.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 8.10 in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    De plicht, bedoeld in artikel 8.4, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt;

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 8.2.2 Thematische milieuregels

Subparagraaf 8.2.2.1 Energiebesparing
Artikel 8.13 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.14 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.15 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.16 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.2.2 Zwerfafval
Artikel 8.17 Opruimen zwerfafval

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Artikel 8.18 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.19 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.2.3 Geluid
Subsubparagraaf 8.2.2.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 8.20 Toepassingsbereik

Subparagraaf 8.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 8.10, met uitzondering van:

  • a.

    het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg, voor zover met dat geluid het geluidproductieplafond met toepassing van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving reeds is gewijzigd; 

  • c.

    windturbines; en

  • d.

    bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

Artikel 8.21 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 8.10 worden voor de toepassing van subparagraaf 8.2.2.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.22 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

gereserveerd

Artikel 8.23 Akoestisch onderzoek

  • 1.

    In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • c.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • d.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • e.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • f.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw
      kleiner is dan 50 m; en

    • g.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing als artikel 8.8 van toepassing is.

Artikel 8.24 Akoestisch onderzoek op verzoek

  • 1.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan voorschrijven dat een geluidonderzoek wordt verricht.

  • 2.

    In het maatwerkvoorschrift wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 8.24  derde lid.

Artikel 8.25 Verstrekken gewijzigde gegevens

  • 1.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in artikel 8.23 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij activiteiten ten aanzien waarvan op grond van artikel 8.24 onderzoek is verzocht.

Artikel 8.26 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.

    • c.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in subsubparagraaf 8.2.2.3.2 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

Artikel 8.27 Maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.28 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 8.29 Vergunningplicht voor elektro- of verbrandingsmotoren en transformatoren

  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c van het Besluit kwaliteit leefomgeving te verrichten buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

    • a.

      het geluid door die activiteit op 50 meter afstand van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht niet hoger is dan de waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt) bedoeld in tabel 8.37a; en

    • b.

      er geen significante geluidhinder wordt veroorzaakt op of in een geluidgevoelig gebouw. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met subsubparagraaf 8.2.2.3.2 van dit omgevingsplan en paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 8.30 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.31 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 Bescherming van geluidgevoelige gebouwen

Artikel 8.32 Toepassingsbereik

  • 1.

    Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

     

    In afwijking van het eerste lid is Subsubparagraaf 8.2.2.3.2 niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Voor de toepassing van subsubparagraaf 8.2.2.3.2 wordt onder een niet-geluidgevoelige gevel ook een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd, begrepen.

Artikel 8.33 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 8.32tweede lid, onder b, is subsubparagraaf 8.2.2.3.2 ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de
      Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.32 is subsubparagraaf 8.2.2.3.2 niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      die activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 8.34 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 8.35 Functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.36 Voormalige functionele binding geluid

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid op of in een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de Functieaanduiding voormalige functionele binding - geluidvoor zover het gaat om geluid door een activiteit die eerder met dat geluidgevoelig gebouw functioneel verbonden was.

Artikel 8.37 Reguliere waarde

  • 1.

    Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.37a.

    Tabel 8.37a: waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

     

    07:00 -
    19.00 uur

    19.00 -
    23.00 uur

    23.00 -
    07.00 uur

    Langtijdgemiddelde
    beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid
    van transportmiddelen

     

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid
    van andere piekgeluiden

     

    65 dB(A)

    65 dB(A)

  • 2.

    Het geluid door een activiteit in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.37b

    Tabel 8.37b: waarde voor geluid in een geluidgevoel geluidgevoelig gebouw.

     

    07.00 -
    19.00 uur

    19.00 -
    23.00 uur

    23.00 -
    07.00 uur

    Langtijdgemiddelde
    beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid
    van transportmiddelen

     

    55 dB(A)

    55 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid
    van andere piekgeluiden

     

    45 dB(A)

    45 dB(A)

Artikel 8.38 Maximaal geluidniveau binnen in- en aanpandige woning in de avondperiode: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.37tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door andere piekgeluiden dan aandrijfgeluid van transportmiddelen niet hoger dan 50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00.

Artikel 8.39 Maximaal geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op:

    • a.

      afvalpunten;

    • b.

      handelingen met metaalschroot en autowrakken;

    • c.

      onderhoud, reparatie en bouw van schepen;

    • d.

      steigerverhuurbedrijven.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.37eerste lid is het maximaal geluidniveau LAmax op een geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 70 dB(A).

  • 3.

    Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Artikel 8.40 Maximaal geluidniveau binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op:

    • a.

      detailhandel;

    • b.

      sportscholen;

    • c.

      onderhoud en reparatie van gemotoriseerde voertuigen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.37tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in - of aanpandig geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 55 dB(A).

  • 3.

    Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Artikel 8.41 Waarde aangewezen bedrijventerreinen

[Gereserveerd]

Artikel 8.42 Waarde agrarisch gebied

[Gereserveerd]

Artikel 8.43 Waarde agrarisch gebied - eerbiedigende werking

[Gereserveerd]

Artikel 8.44 Waarde bestaande tankstations

  • 1.

    In afwijking van artikel 8.37 is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden dat rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 8.44, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

    Tabel 8.44: waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden.

     

    07.00 - 21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
    LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    50 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid
    van transportmiddelen

    50 dB(A)

    50 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere
    piekgeluiden

    50 dB(A)

    50 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 8.45 Waarde industrieterrein

Als een activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 8.37eerste lid, en artikel 8.44eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.46 Maatwerkvoorschrift voor niet-representatief geluid

  • 1.

    De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikel 8.37 tot en met artikel 8.45, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten, anders dan festiviteiten bedoeld in de artikel 4.2 en 4.3 van de APV Neder-Betuwe, andere waarden kan vaststellen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.20 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift activiteiten aanwijzen waarop de waarden, bedoeld in de artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 niet van toepassing zijn.

  • 3.

    Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan het bevoegd gezag in ieder geval voorschriften stellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

Artikel 8.47 Collectieve feestdagen

  • 1.

    De waarden als bedoeld in artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 zijn niet van toepassing binnen bedrijven of instellingen op de in het tweede lid genoemde collectieve feestdagen.

  • 2.

    De collectieve feestdagen als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a.

      xxxx

  • 3.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door het bedrijf of instelling, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 4.

    De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 5.

    Op de dagen genoemd het tweede lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm uiterlijk een uur voor sluitingstijd te worden beëindigd.

Artikel 8.48 Maatwerkvoorschrift voor incidentele festiviteiten

  • 1.

    Met een maatwerkvoorschrift kan van de waarden als bedoeld in artikel 8.37 tot en met artikel 8.45 worden afgeweken voor ten hoogste zes dagen of delen van dagen per kalenderjaar ten behoeve van incidentele festiviteiten binnen bedrijven of instellingen. Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 2.

    Aanvullend op het bepaalde in het eerste lid geldt voor bedrijven of instellingen die uitsluitend de sportbeoefening in de buitenlucht ten doel hebben, dat bovenop de zes dagen of delen van dagen per kalenderjaar een extra aantal van zes dagen of dagdelen per kalenderjaar waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend, onder de voorwaarde:

    • a.

      dat de incidentele festiviteiten uitsluitend zien op het afronden van geplande wedstrijden; en

    • b.

      dat noch de incidentele festiviteiten zelf, noch de afronding daarvan (de daaropvolgende dag) op een zondag plaatsvinden; en

    • c.

      dat de hiervoor genoemde geluidsnormen tot maximaal 01.00 uur van de dag volgend op de wedstrijddag (of zoveel eerder als de wedstrijd is afgerond) niet van toepassing zijn.

  • 3.

    De aanvraag om een maatwerkvoorschrift kan geweigerd worden indien de naleving van regelgeving door het exploitant met betrekking tot de betreffende horecazaak hiertoe aanleiding geeft.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de voorgenomen festiviteit of ander evenement;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal beginnen;

    • c.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal eindigen.

  • 5.

    In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

  • 6.

    Het maatwerkvoorschrift wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:

    • a.

      aard en omvang van de festiviteit;

    • b.

      aard, omvang en situering van de locatie waar de festiviteit of ander evenement plaats vind;

    • c.

      plaatselijke omstandigheden;

    • d.

      cumulatie met andere festiviteiten en evenementen;

    • e.

      eventueel eerder veroorzaakte overlast.

  • 7.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de voorgenomen festiviteit of ander evenement;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal beginnen;

    • c.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal eindigen.

  • 8.

    In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

Artikel 8.49 Voorrangsbepaling festiviteiten

Artikel 8.47 en artikel 8.48 blijven buiten toepassing zolang de artikelen 4.2 en 4.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening nog niet is komen te vervallen

Artikel 8.50 Onversterkte muziek-overgangsrecht

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in subparagraaf 8.2.2.3 blijft het geluid van het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel voor zover het ten gehore brengen van onversterkte muziek deel uitmaakte van een activiteit op het moment dat dit artikel in werking trad.

Artikel 8.51 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.52 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.53 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.2.3.3 Beheersing van geluidemissie 

Artikel 8.54 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.55 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.56 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.57 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.58 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.59 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.60 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.61 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.62 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.63 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.2.3.4 Specifieke locaties

Artikel 8.64 Dokter M. van Drielplein Ochten

  • 1.

    In afwijking van artikel 8.37 is het geluid (LAr,LT) door de activiteiten ter plaatse van de Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein Ochten op de gevel van de woning Lambartus van Ingenstraat 1, niet hoger dan 49 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur).

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.37 is het geluid (LArLT) vanwege het voortbrengen van onversterkte muziek ter plaatse van de Functieaanduiding maatschappelijk Dr. M. van Drielplein op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan 50 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur).

  • 3.

    De geluidemissie van de onderstaande voorzieningen mag niet meer bedragen dan:

    • a.

      luchtbehandelingskast (LBK): LWAeq = 75 dB(A);

    • b.

      Condensor koeling: LWAeq = 55 dB(A);

    • c.

      Warmtepomp: LWAeq = 80 dB(A).

  • 4.

    De geluidemissie van de onderstaande voorzieningen mag niet meer bedragen dan:

    • a.

      Luchtbehandelingskast (LBK): LWAeq = 83 dB(A);

    • b.

      Warmtepomp: LWAeq = 80 dB(A).

Subparagraaf 8.2.2.4 Trillingen
Artikel 8.65 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit als bedoeld in artikel 8.10 in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op een locatie is toegelaten.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 8.66 Trillinggevoelig gebouw

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 5.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 8.67 Meet-en rekenbepalingen

Op het bepalen van trillingen als bedoeld in deze paragraaf is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 8.68 Eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 8.65tweede lid, onder b, is subparagraaf 8.2.2.4 ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet

Artikel 8.69 Meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.70 Functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.71 Voormalige functionele binding trilling

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw ter plaatse van de Functieaanduiding voormalige functionele binding - trilling voor zover het gaat om trilling door een activiteit die eerder met dat trillinggevoelig gebouw functioneel verbonden was.

Artikel 8.72 Waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 8.72.

    Tabel 8.73: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Waarden

     

    07.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 8.72.

Artikel 8.73 Waarden voor herhaald voorkomende trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 8.73.

    Tabel 8.74: Waarde voor herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Waarden

     

    07.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,2

    0,2

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,8

    0,4

    A3 trillingssterkte Vper

    0,1

    0,1

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 8.73.

Artikel 8.74 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.2.5 Geur
Subsubparagraaf 8.2.2.5.1 Algemene geurregels ter bescherming van geurgevoelige gebouwen

Artikel 8.75 Toepassingsbereik

  • 1.

     Deze subsubparagraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in Artikel 8.10 op een geurgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in de subparagrafen 22.3.6.222.3.6.4 en 22.3.6.5.

Artikel 8.76 Geurgevoelige gebouw

Een geurgevoelig gebouw is een gebouw als bedoeld in het eerste lid van artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 8.77 Voorkomen of beperken van geurhinder

  • 1.

    Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

  • 2.

    De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:

    • a.

      geuremissiewaarden kan vaststellen;

    • b.

      kan bepalen dat geur een bepaalde waarde ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet overschrijdt, of

    • c.

      kan bepalen dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 3.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 8.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, in een maatwerkvoorschrift kan voorschrijven dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.

  • 4.

    Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan, voor zover relevant, onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

    • b.

      de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen;

    • c.

      de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit;

    • d.

      de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;

    • e.

      de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en

    • f.

      de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

  • 5.

    Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder als bedoeld in dit artikel worden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in subparagraaf 8.2.3.1 de daarin genoemde waarden en afstanden in acht genomen.

Artikel 8.78 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.2.5.2 Geurregels ter beheersing van geuremissie

Artikel 8.79 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.80 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.81 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.82 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.83 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.84 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.85 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.86 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.87 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.88 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 8.2.3 Activiteitgerichte milieuregels

Subparagraaf 8.2.3.1 Specifieke geurregels voor aangewezen agrarische activiteiten

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.2 Milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.3 Activiteiten m.b.t. voedingsmiddelen
Subsubparagraaf 8.2.3.3.1 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 8.89 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met: 

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Artikel 8.90 Gegevens en bescheiden 

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.89 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen, waaronder in ieder geval de maximale verwerkingscapaciteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de emissiepunten naar de buitenlucht; 

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 aangegeven waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.91 Geur

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: 

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: 

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

Artikel 8.92 Niet-industriële voedselbereiding - overgangsrecht geur

  • 1.

    Artikel 8.91 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als:

    • a.

      het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare; en

    • b.

      die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht direct voorafgaan aan de inwerkingtreding van dit artikel. 

  • 2.

    Artikel 8.91 is gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel niet van toepassing als:

    • a.

      voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • b.

      de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

    • c.

      de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 8.93 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.3.3.2 Voedingsmiddelenindustrie 

Artikel 8.94 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit bij de voedingsmiddelenindustrie, als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 8.95 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit 

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 8.94 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Bij het stellen van het maatwerkvoorschrift is artikel 8.77 van overeenkomstige toepassing. In het maatwerkschrift kunnen voorschriften worden opgenomen om een aanvaardbaar geurklimaat te borgen.

Artikel 8.96 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    voedingTen minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.94, wordt aan het bevoegd gezag een onderbouwing verstrekt hoe voldaan kan worden aan het bepaalde in artikel 8.95.

  • 2.

    Indien de activiteit wijzigt en door de wijziging een afwijking ontstaat van de situatie die is beschreven in de onderbouwing bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt de gewijzigde onderbouwing verstrekt aan het bevoegd gezag. 

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien onvoldoende aannemelijk is dat aan artikel 8.95 wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.

  • 4.

    Een geuronderzoek als bedoeld in het derde lid wordt uitgevoerd overeenkomstig NTA 9065.

Artikel 8.97 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.3.3.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 8.98 Toepassingsbereik 

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 8.99 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.98 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

       informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.100 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

  • a.

    wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

  • b.

    worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • 1.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • 2.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie. 

Artikel 8.101 Geur slachten van dieren - overgangsrecht

Artikel 8.100 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als: 

  • a.

    voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

  • c.

    de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 8.102 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. 

Artikel 8.103 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 8.104 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 8.105 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; 

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; 

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 8.106 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.107 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. 

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 8.108 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, geïnformeerd over de begindatum. 

  • 2.

    Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum. 

Artikel 8.109 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. 

Artikel 8.110 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.4 Opwekken van elektriciteit met een windturbine
Subsubparagraaf 8.2.3.4.1 Geluid door windturbines

Artikel 8.111 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine op een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 4.

    Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 8.112 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 8.111derde lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een windturbine op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.111 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 8.113 Schakelbepaling

De artikelen 8.21 en 8.34 tot en met 8.36 zijn van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 8.114 Geluid: waarden windturbines 

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 8.115 Registratie gegevens windturbines 

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 8.116 Onderzoek en toezenden rapport

  • 1.

    Er wordt een geluidonderzoek verricht.

  • 2.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in artikel 8.114; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

  • 3.

    In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in 8.111 wordt het rapport van een geluidonderzoek, verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.117 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 8.114, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 8.118 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.119 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.120 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.3.4.2 Slagschaduw en lichtschittering door een windturbine

Artikel 8.121 Toepassingsbereik 

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt. 

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze subsubparagraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.122 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 8.121, tweede lid, is deze subsubparagraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.121, eerste lid, is deze subsubparagraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar dat mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 8.123 Slagschaduw: stilstandvoorziening 

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf keer de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: 

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 8.124 Slagschaduw: functionele binding 

Artikel 8.123 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die windturbine.

Artikel 8.125 Slagschaduw: voormalige functionele binding 

  • 1.

    Artikel 8.123 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine bij een activiteit in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw ter plaatse van de Functieaanduiding voormalige functionele binding - slagschaduw voor zover het gaat om slagschaduw door een windturbine bij een activiteit die eerder met dat slagschaduwgevoelig gebouw functioneel verbonden was.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid is bij een agrarische activiteit artikel 8.123 niet van toepassing op of in een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 8.126 Lichtschittering: beperken van reflectie 

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 8.127 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Artikel 8.128 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.129 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.5 Exploiteren van een zuiveringtechnisch werk [gereserveerd]
Artikel 8.130 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.131 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.132 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.133 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.134 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.135 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.136 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.137 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.138 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.139 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.140 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.141 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.142 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.143 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.144 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.145 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.146 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 8.147 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.6 Activiteiten met risico voor de omgeving
Artikel 8.148 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l en met een maximum van 13 m3

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 8.149 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 8.150 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.2.3.7 Overige activiteiten
Subsubparagraaf 8.2.3.7.1 In werking hebben van een acculader 

Artikel 8.151 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat. 

Artikel 8.152 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 8.153 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening 

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subsubparagraaf 8.2.3.7.2 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht 

Artikel 8.154 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. 

Artikel 8.155 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.154 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de terreinverlichting;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de hoogte van de terreinverlichting;

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.156 Licht, maatwerkvoorschriften 

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld: 

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en 

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op Koningsdag.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift kan ten hoogste twaalf dagen per kalenderjaar afgeweken worden van het bepaalde in het eerste lid voor de viering van incidentele festiviteiten en activiteiten. 

  • 4.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het derde lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 5.

    Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:

    • a.

      aard en omvang van de festiviteit of activiteit;

    • b.

      aard, omvang en situering van de locatie waar de festiviteit of activiteit plaats vind; 

    • c.

      plaatselijke omstandigheden;

    • d.

      cumulatie met andere festiviteiten en evenementen;

    • e.

      eventueel eerder veroorzaakte overlast.

  • 6.

    Het bevoegd gezag kan in het maatwerkvoorschrift voorschriften opnemen die naar hun oordeel nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

  • 7.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de datum en tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of activiteit zal beginnen;

    • b.

      de datum en tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of activiteit zal eindigen.

  • 8.

    De leden 2 tot en met 7 blijven buiten toepassing zolang artikel 4.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Neder-Betuwe 2026 nog niet is komen te vervallen. 

Artikel 8.157 Licht

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar;; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 8.158 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.3.7.3 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage 

Artikel 8.159 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 8.160 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.161 Lucht en geur: afvoeren emissies

Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

  • a.

    worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

  • b.

    wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

  • c.

    bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

Artikel 8.162 Lucht en geur parkeergarage - overgangsrecht

Artikel 8.161 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als:

  • a.

    voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

  • c.

    de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 8.163 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 8.2.3.7.4 Traditioneel schieten

Artikel 8.164 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 8.165 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 8.164 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.166 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 8.167 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in 8.166, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 8.168 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 8.169 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 8.170 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.171 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 8.172 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 8.171 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 8.171 geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 8.173 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Subparagraaf 8.2.3.8 Vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels 
Artikel 8.174 Vergunningplicht verwerken polyesterhars 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen. 

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 8.175 Vergunningplicht gesloten bodemenergiesysteem 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of 

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer. 

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt en de buitenrand van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; 

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

Artikel 8.176 Vergunningplicht kweken van maden van vliegende insecten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 8.177 Vergunningplicht antihagelkanonnen 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies; 

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en 

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 8.178 Vergunningplicht biologische agens 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia; 

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en 

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 8.179 Vergunningplicht genetisch gemodificeerde organismen 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013, te verrichten. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of 

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of artikel 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is; 

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 8.180 Vergunningplicht opslaan dierlijke meststoffen

[Gereserveerd]

Artikel 8.181 Vergunningplicht buitenschietbanen en militaire springterreinen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buitenschietbaan of een militair springterrein op een militair terrein te exploiteren. 

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het exploiteren van een buitenschietbaan verstaan het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten, anders dan traditioneel schieten bedoeld in 8.2.3.7.4; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 8.182 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen milieu 
  • 1.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in deze subparagraaf, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op artikel 8.174 en artikel 8.175

Artikel 8.183 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 8.38.4 en 8.12.

Artikel 8.184 gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 8.3 Lozen op het riool en op of in de bodem

Paragraaf 8.3.1 Lozen bij wonen

Artikel 8.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen bij wonen.

Artikel 8.186 Oogmerk

Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 8.3  in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

  • a.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

  • b.

    het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  • c.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

  • e.

    het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 8.187 Zorgplicht

De zorgplicht bedoeld in artikel 8.4 ziet ook op de belangen bedoeld in artikel 8.186.

Artikel 8.188 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

  • 2.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 3.

    Huishoudelijk afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op of in de bodem.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning voor het lozen op de bodem als bedoeld in het vierde lid wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 6.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid worden voorschriften verbonden ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8.3 en artikel 8.186.

  • 7.

    Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vierde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten.

Artikel 8.189 Verbod lozen bij voedselrestvermaling

Huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer dat voedselresten bevat, die door versnijdende of ermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 8.190 Lozen van huishoudelijk afvalwater: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 8.188 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Paragraaf 8.3.2 Lozen anders dan bij wonen

Subparagraaf 8.3.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 8.191 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen anders dan bij wonen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een (niet-)publiekgerichte beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als het lozen onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen.

Artikel 8.192 Oogmerken

Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 8.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

  • a.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

  • b.

    het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  • c.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

  • e.

    het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 8.193 Specifieke zorgplicht

De zorgplicht bedoeld in artikel 8.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.194 Nadere concretisering specifieke zorgplicht
  • 1.

    Bij het lozen houdt de plicht, bedoeld in artikel 8.4, in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd doelmatig kan worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Subparagraaf 8.3.2.2 Vergunningplicht lozen op of in de bodem of in schoonwaterriool
Artikel 8.195 Vergunningplicht lozen op of in de bodem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of

    • b.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld. 

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 8.196 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem een schoonwaterriool bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Subparagraaf 8.3.2.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater anders dan bij wonen
Artikel 8.197 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

Artikel 8.198 Algemene regels
  • 1.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.196 wordt huishoudelijk afvalwater niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.195 voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op de bodem wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 4.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden voorschriften verbonden te bescherming van de bodem en de belangen genoemd in artikel 8.3 en 8.192.

  • 5.

    Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelleden kan huishoudelijk afvalwater vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet in de bodem worden geloosd.

Artikel 8.199 Lozen van huishoudelijk afvalwater bij volkstuinparken
  • 1.

    In afwijking van artikel 8.198 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing plaats vindt in een volkstuinpark waar geen vuilwaterriool aanwezig is. 

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank: 

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 8.200 Verbod lozen bij voedselrestvermaling

Huishoudelijk afvalwater dat voedselresten bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 8.201 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 8.198 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 8.201.

    Tabel 8.194 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l 

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l 

    300 mg/l 

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l 

    60 mg/l

  • 4.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het derde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of 

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 8.202 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 8.3.2.4 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 8.203 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 8.204 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in 8.203, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 8.205 Lozen van grondwater bij saneringen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK's

    1 µg/l

    BTEX

    50 µg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 µg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 µg/l

    Minerale olie

    500 µg/l

    Cadmium

    4 µg/l

    Kwik

    1 µg/l

    Koper

    11 µg/l

    Nikkel

    41 µg/l

    Lood

    53 µg/l

    Zink

    120 µg/l

    Chroom

    24 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 8.206 Lozen van grondwater bij ontwatering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 8.207 Meet- en rekenbepalingen
Subparagraaf 8.3.2.5 Lozen van afvloeiend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening 
Artikel 8.208 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: 

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; 

  • b.

    geen drainagewater is als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

  • c.

    geen afvalwater van een kas is als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.209 Gegevens en bescheiden rijkswegen en provinciale wegen 
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.210 Lozen van afvloeiend hemelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 8.3.2.6 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 8.211 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. 

Artikel 8.212 Onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een riool of op of in de bodem geloosd, tenzij het lozen betreft als bedoeld in het tweede lid.

  • 2.

    Afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd, kan worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

Subparagraaf 8.3.2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen 
Artikel 8.213 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 8.214 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair; 

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en 

  • n.

    vlakglas.

Artikel 8.215 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.213, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.216 Lozen bij opslaan van inerte goederen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een riool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

Artikel 8.217 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 8.218 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute uitlogende goederen 

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 8.3.2.8 Lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen 
Artikel 8.219  Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet  of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. 

Artikel 8.220 Schoonmaken drinkwaterleidingen  
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast. 

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 8.3.2.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen 
Artikel 8.221 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening. 

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 8.222 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.221, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de calamiteitenoefening; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.223 Lozen bij calamiteitenoefeningen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

Subparagraaf 8.3.2.10 Lozen van koelwater 
Artikel 8.224 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 8.225 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.224, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de berekening van de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.226 Lozen van koelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 8.3.2.11 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater 
Artikel 8.227 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet.

Artikel 8.228 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 8.229 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk  rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 8.3.2.12 Lozen van afvalwater bij het maken van betonmortel 
Artikel 8.230 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd bij het maken van betonmortel indien paragraaf 4.8 Betoncentrale van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. 

Artikel 8.231 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.230 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de lozingsroute; 

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.232 Lozen van afvalwater 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een riool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 8.232, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 8.228 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 8.233 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: 

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Subparagraaf 8.3.2.13 Lozen van afvalwater bij het uitwassen van beton
Artikel 8.234 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton indien paragraaf 4.9 Vormgeven betonproducten van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

Artikel 8.235 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 8.234 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 8.236 Lozen van afvalwater
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 8.237 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 8.3.2.14 Lozen bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal 
Artikel 8.238 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. 

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op digitaal afdrukken. 

Artikel 8.239 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 8.238 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en 

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.240 Lozen van afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver. 

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster. 

Artikel 8.241 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Subparagraaf 8.3.2.15 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen 
Artikel 8.242 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen indien paragraaf 4.70 Spoelen biologisch geteelde gewassen, 4.72 Sorteren van biologisch geteeld fruit, 4.77 Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas of 4.79 Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

Artikel 8.243 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 8.245 en 8.247, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; 

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en 

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.244 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen 
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 8.245 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit 
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 8.246 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas 

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 8.247 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw 

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 8.248 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 8.3.2.16 Lozen bij opslaan van vaste mest

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.3.2.17 Lozen bij opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.3.2.18 Lozen bij fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels 

[Gereserveerd]

Subparagraaf 8.3.2.19 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding 
Artikel 8.249 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.1.

Artikel 8.250 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 8.90 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de lozing wordt verricht.

Artikel 8.251 Lozen van afvalwater: lozingsroute en vetafscheider
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 3.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: 

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of 

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 4.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 8.252 Verbod lozen bij voedselrestvermaling 

Afvalwater dat voedselresten bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen wordt niet geloosd.

Subparagraaf 8.3.2.20 Lozen bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen 
Artikel 8.253 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen als bedoeld in subsubparagraaf 8.2.3.3.3

Artikel 8.254 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 8.99 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.255 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering  
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats. 

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 8.253 is uitgevoerd. 

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd. 

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. 

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Subparagraaf 8.3.2.21 Lozen bij het wassen van motorvoertuigen 
Artikel 8.256 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 8.257 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.256 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.258 Opvangen van afvalwater 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 8.259 Lozen van afvalwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Het lozen op of in de bodem is uitsluitend toegestaan als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 4.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd op het vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, en de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen is 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid mag het afvalwater voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 8.260 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Subparagraaf 8.3.2.22 Lozen bij recreatieve visvijvers
Artikel 8.261 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 8.262 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 8.261 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.263 Water: lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Subparagraaf 8.3.2.23 Lozen van brijn
Artikel 8.264 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op:

    • a.

      het lozen van dit afvalwater bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover hierover regels zijn gesteld in dat Besluit; 

    • b.

      het lozen van dit afvalwater op of in de bodem voor zover in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening hieraan voorschriften zijn gebonden. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op een lozing die voor de gelding van dit artikel rechtmatig plaatsvond. 

Artikel 8.265 Vergunningplicht lozen brijn
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater als bedoeld in artikel 8.264 te lozen op of in de bodem of in een riool.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      de samenstelling van het afvalwater.

Afdeling 8.4 Bodem

Paragraaf 8.4.1 Algemeen

Artikel 8.266 Locatie uitgebreid bodemonderzoek

Er is een Locatie uitgebreid bodemonderzoek waarvoor bij een voorafgaand bodemonderzoek naast de onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 en de eventueel daaruit volgende onderzoeken (NTA 5755, NEN 5707 en/of NEN 5897) moeten worden verstrekt.

Artikel 8.267 Locatie alternatief bodemonderzoek

Er is een Locatie alternatief bodemonderzoek lood waarvoor bij een voorafgaand bodemonderzoek, naast de onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, altijd de resultaten van een bodemonderzoek naar het voorkomen van lood in de laag van maaiveld tot 0,5 m-mv moeten worden verstrekt. 

Artikel 8.268 Locaties afwijkende waarden voor de toelaatbare kwaliteit

Er zijn Locaties afwijkende waarden, waar afwijkende waarden gelden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of het aanwijzen van een bodemgevoelige locatie, als bedoeld in subparagraaf 4.2.4.10.

Artikel 8.269 Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Er is een Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, waar de regels uit subsubparagraaf 8.4.2.1.1 ook van toepassing zijn. Geregistreerde voormalige stortplaatsen worden als zodanig aangewezen

Artikel 8.270 Locatie bodembeheergebied

Er is een Locatie bodembeheergebied grond en baggerspecie en er zijn Zones op basis van de ontgravingskwaliteit en Zones op basis van de toepassingseisen voor het afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, artikel 4.1275; artikel 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.271 Aanwijzing bodemfunctieklassen

Locaties zijn ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen:

  • a.

    Landbouw/natuur.

  • b.

    Wonen.

  • c.

    Industrie.

Paragraaf 8.4.2 Graven

Subparagraaf 8.4.2.1 Graven bij bodemvolume kleiner dan of gelijk aan 25 m³
Subsubparagraaf 8.4.2.1.1 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 8.272 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

       locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of 

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit: 

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b Omgevingswet; of 

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 28, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit; en

    • c.

      locaties die zijn aangewezen als Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem

Artikel 8.273 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.272 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur van de activiteit.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 8.274 Informeren toezichthouder

Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De contactgegevens zijn post@ODRivierenland.nl

Artikel 8.275 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. 

Artikel 8.276 Gescheiden houden van grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:

    • a.

      partijen visueel asbest bevatten;

    • b.

      partijen meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten;

    • c.

      partijen bestaan uit verschillende grondsoorten; of

    • d.

      partijen sporen van exoten bevatten.

  • 2.

    Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter ruimte aan de voet van verschillende partijen.

  • 3.

    Om contact met een onbevoegde te voorkomen worden partijen grond, zover redelijkerwijs mogelijk, omgeven met een hekwerk.

Artikel 8.277 Milieukundige begeleiding bij nazorg

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit op locaties als bedoeld in artikel 8.272 eerste lid onder a milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en/of de ontgraving dieper reikt dan deze laag.

Subparagraaf 8.4.2.2 Graven bij bodemvolume meer dan 25 m³
Subsubparagraaf 8.4.2.2.1 Boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 8.278 Gescheiden houden van grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:

    • a.

      partijen visueel asbest bevatten;

    • b.

      partijen meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten;

    • c.

      partijen bestaan uit verschillende grondsoorten; of

    • d.

      partijen sporen van exoten bevatten.

  • 2.

    Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter ruimte aan de voet van verschillende partijen.

  • 3.

    Om contact met een onbevoegde te voorkomen worden partijen grond zover redelijkerwijs mogelijk omgeven met een hekwerk.

Artikel 8.279 Informeren toezichthouder

Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De contactgegevens zijn post@ODRivierenland.nl.

Artikel 8.280 Tijdelijk uitnemen van grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt in aanvulling op artikel 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving grond na het tijdelijk uitnemen ook niet teruggebracht in de bodem als de grond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is verontreinigd met asbest, respirabele asbestvezels en/of mobiele verontreinigingen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of sporen van exoten bevatten.

Subsubparagraaf 8.4.2.2.2 Onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 8.281 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 4.1219 Besluit activiteiten leefomgeving, gaat uitvoeren, overlegt ten minste een week voor het begin van de activiteit aanvullend aan de gegevens en bescheiden genoemd in artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving tevens de resultaten van het bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    De resultaten van het bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. 

Artikel 8.282 Gescheiden houden verschillende grondsoorten

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Aanvullend daarop worden partijen grond gescheiden gehouden als:

    • a.

      partijen visueel asbest bevatten;

    • b.

      partijen meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten;

    • c.

      partijen bestaan uit verschillende grondsoorten; of

    • d.

      partijen sporen van exoten bevatten.

  • 2.

    Verschillende partijen worden opgeslagen met 1 meter open ruimte tussen de verschillende partijen.

Paragraaf 8.4.3 Saneren

Artikel 8.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

Artikel 8.284 melding: gegevens en bescheiden
  • 1.

    In aanvulling op het gestelde in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. 

  • 2.

    Na een sanering wordt een recente kaart (niet ouder dan 3 maanden) met de kadastrale gegevens en de exacte contour van de sanering en nazorgmaatregel verstrekt.

Artikel 8.285 Saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag

In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn waterdoorlatende verhardingen toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is.

Artikel 8.286 Saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte die in tabel 8.279 is aangegeven.

    Tabel 8.279: minimale dikte van de afdeklaag

    Bodemgebruik

    Minimale dikte leeflaag 
    (in cm)

    •    Industrie/bedrijven
    •    locaties waar de gemiddelde grondwaterstand <50 cm-mv is
    •    niet grondgebonden teelten in kassen 

    50

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 8.290.  

Artikel 8.287 Terugsaneerwaarde

In afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven tot dat de stof die boven de waarde, zoals bedoeld in artikel 4.73 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een gehalte hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde zoals opgenomen in Tabel 4.74a voor lood.  

Paragraaf 8.4.4 Toepassen van bouwstoffen

Artikel 8.288 Meldplicht toepassen AVI bodemassen, immobilisaten, metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt
  • 1.

    Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden als het gaat om het toepassen van AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt.

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;

    • b.

      de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast;

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;

    • e.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof;

    • f.

      als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon;

    • g.

      de herkomst van de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;

    • h.

      de kwaliteit van de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;

    • i.

      de hoeveelheid AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en

    • j.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld.

Paragraaf 8.4.5 Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 8.289 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toepassen van grond of baggerspecie zoals bedoeld in artikel 3.48o van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.290 Bodemvreemd materiaal

De hoeveelheid hout en steenachtig bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond mag niet meer bedragen dan het de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de ontvangende bodem met een maximum van 20 gewichtsprocent.

Artikel 8.291 Gebiedsspecifiek toetsingskader

In afwijking van de kwaliteitseisen in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden Kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de vigerende versie van de Nota Bodembeheer Regio Rivierenland.

Paragraaf 8.4.6 Overige bepalingen

Subparagraaf 8.4.6.1 Nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem
Artikel 8.292 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. 

Artikel 8.293 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag. 

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c, Omgevingswet.

Subparagraaf 8.4.6.2 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 8.294 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 

Artikel 8.295 Mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 8.294 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico’s en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, – als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, de verontreiniging ongedaan te maken.

Subparagraaf 8.4.6.3 Specifieke activiteiten
Artikel 8.296 Nulonderzoek bij specifieke activiteiten

In aanvulling op artikel 7.27 van de Omgevingsregeling worden de resultaten van het nulonderzoek bodem en het eindonderzoek bodem verstrekt in PDF- en XML-formaat. In artikel 8.298 zijn de hierbij geldende voorwaarden benoemd.

Artikel 8.297 Mobiele dieseltank en mobiele puinbreker

In aanvulling op paragraaf 5.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (eindonderzoek bodem) en artikel 5.6 Besluit activiteiten leefomgeving (herstel van bodemkwaliteit) wordt bij tijdelijke activiteit (mobiele dieseltank, mobiele puinbreker) na beëindiging van de activiteit de volgende voorwaarden gesteld:

  • a.

    als de periode niet langer heeft geduurd dan 6 maanden moet een visuele inspectie plaatsvinden. De resultaten van de visuele inspectie moeten worden verstrekt in een PDF-bestand. Een PDF-bestand bevat één tijdelijke milieubelastende activiteit op één locatie. Als een tijdelijke milieubelastende activiteit op meerdere locaties heeft plaatsgevonden moeten aparte bestanden worden aangeleverd. Het PDF-bestand bevat de volgende informatie:

    • 1.

      type activiteit(en);

    • 2.

      locaties waar de activiteit(en) hebben plaatsgevonden;

    • 3.

      foto van de activiteit(en) in uitvoering: foto van de locatie zelf en foto van de activiteit met voldoende zicht op de omgeving;

    • 4.

      foto van de activiteit(en) na beëindiging: foto van de locatie zelf en foto van de activiteit met voldoende zicht op de omgeving;

    • 5.

      bevinding van de visuele inspectie.

  • b.

    als de periode langer heeft geduurd dan 6 maanden moet een eindonderzoek bodem worden verstrekt in PDF- en XML-formaat. Onderzoek moet plaatsvinden op de (deel)locatie(s) waar de tijdelijke milieubelastende activiteit heeft plaatsgevonden. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • 1.

      een PDF-bestand bevat één tijdelijke activiteit op één locatiebodemonderzoek. Aparte bodemonderzoeken moeten in aparte bestanden worden aangeleverd;

    • 2.

      een XML-bestand bevat gegevens van één bodemonderzoek;

    • 3.

      een XML-bestand mag niet uit meerdere delen bestaan. Alle gegevens van één onderzoek moeten in één XML-bestand;

    • 4.

      de gegevens van het PDF-bestand moeten identiek zijn aan de gegevens uit het XML-bestand;

    • 5.

      het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat;

    • 6.

      het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk, als de basisdataset onderzoeksgegevens zoals is opgesteld door het SIKB. Deze bestaat minimaal uit de rapportgegevens, meetpuntgegevens,
      monstergegevens, analysegegevens en contouren/X-Y coördinaten van boorpunten.

Artikel 8.298 Gegevens en bescheiden voor het begin van de milieubelastende activiteit

In aanvulling op artikel 7.27 van de Omgevingsregeling worden de resultaten van het bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 8.299 Gegevens en bescheiden na beëindiging van de milieubelastende activiteit

In aanvulling op paragraaf 5.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (eindonderzoek bodem) worden de resultaten van het eindonderzoek bodem ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Hoofdstuk 9 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 VELLEN VAN EEN HOUTOPSTAND

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 11 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE

Afdeling 11.1 OBJECTEN PLAATSEN OP DE WEG

[Gereserveerd]

Afdeling 11.2 AANLEGGEN EN VERANDEREN VAN EEN WEG

[Gereserveerd]

Afdeling 11.3 UITRIT AANLEGGEN

[Gereserveerd]

Afdeling 11.4 TERRAS AANBRENGEN

[Gereserveerd]

Afdeling 11.5 PARKEEREXCESSEN

[Gereserveerd]

Afdeling 11.6 OBJECTEN IN OPENBAAR WATER

[Gereserveerd]

Afdeling 11.7 STANDPLAATS BINNEMEN

[Gereserveerd]

Afdeling 11.8 RECLAME PLAATSEN EN AANBRENGEN

[Gereserveerd]

Afdeling 11.9 OPBREKEN EN GRAVEN IN OPENBAAR GEBIED

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 KOSTENVERHAAL 

Afdeling 12.1 Algemeen

Artikel 12.1 Kostenverhaalsbijdrage

Bij de aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18, Omgevingswet worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een situatietekening, plattegronden, gevels en doorsneden van de bestaande toestand en de nieuwe toestand; en

  • d.

    gegevens en bescheiden welke samenhangen met de toetsing aan de regels voor het kostenverhaalsgebied.

Afdeling 12.2 Kostenverhaalsgebieden met een tijdvak [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 12.3 Kostenverhaalsgebieden zonder tijdvak [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG OF WATERSCHAPSWEG 

Artikel 13.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.

Artikel 13.2 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 13.3 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 13.4 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg of
waterschapsweg 

Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

  • a.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen;

  • b.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:

    • 1.

      het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m;

    • 2.

      het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m;

    • 3.

      een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;

    • 4.

      het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of

    • 5.

      het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg.

  • c.

    een lokale spoorweg aan te leggen.

Artikel 13.5 Beoordelingsregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.4 wordt alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3; en

    • b.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

  • 2.

    De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft.

  • 3.

    Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • b.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.

Artikel 13.6 Standaardwaarde

  • 1.

    Het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen is aanvaardbaar als het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 13.6.

    Tabel 13.6 standaardwaarde geluid

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en 
    waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78m, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13.7 Geen toename geluid

Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.

Artikel 13.8 Overschrijding standaardwaarde / toename van geluid

  • 1.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 13.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als:

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 13.6 en artikel 13.7 bedoelde waarden te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de hoogste van de in artikel 13.6 en Artikel 13.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 13.8.

    Tabel 13.8 grenswaarde geluid

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    65 Lden

    Gemeentewegen en
    waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en
    hoofdspoorwegen

    70 Lden

    Industrieterreinen

    60 Lden

    50 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing

Artikel 13.9 Overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen

  • 1.

    Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de Functieaanduiding mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen.

  • 2.

    Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 13.8, eerste lid, onder c, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen

Artikel 13.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

  • 1.

    Bij de toepassing van de artikel 13.8 en artikel 13.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 13.11 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 13.8 en artikel 13.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.4, vastgelegd.

Artikel 13.12 Vergunningvoorschriften

Aan een in artikel 13.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 13.13 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een in artikel 13.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de
      wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°;

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 13.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 13.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • d.

    bij een aanvraag waarop artikel 13.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaa

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 18 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 VOORMALIGE RIJKSREGELS

Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

  • 1.

    De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten [vervangen door artikel 4.4]

[Vervallen]

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten [niet van toepassing]

[Vervallen]

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

[Vervallen]

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil [vervangen door artikel 4.5]

[Vervallen]

Artikel 22.6 Vervallen

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.7 Repressief welstand [vervangen door artikel 4.6]

[Vervallen]

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit [vervangen door artikel 4.10]

[Vervallen]

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas [vervangen door artikel 4.11]

[Vervallen]

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte [vervangen door artikel 4.12]

[Vervallen]

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater [vervangen door artikel 4.13]

[Vervallen]

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater [vervangen door artikel 4.14

[Vervallen]

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening [vervangen door artikel 4.7

[Vervallen]

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten [vervangen door artikel 4.8]

[Vervallen]

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen [vervangen door artikel 4.9

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte [ vervangen door artikel 4.15

[Vervallen]

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [vervangen door artikel 4.16

[Vervallen]

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk [vervangen door artikel 4.17]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

[Vervallen]

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken [vervangen door artikel 4.18

[Vervallen]

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen [vervangen door artikel 4.19]

[Vervallen]

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [vervangen door artikel 4.20

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed

[Vervallen]

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek [ vervangen door subparagraaf 4.2.4.16]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  • 1.

    Artikel 22.27 en artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van artikel 22.27 en artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen
  • 1.

    Voor de toepassing van subparagraaf 22.2.7.2 en subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      afstanden loodrecht;

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

    • c.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25 Mantelzorg

Voor de toepassing van  22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrich​​ten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 2.

      voorzien van een plat dak;

    • 3.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    • 4.

      onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    • 5.

      bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    • 6.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • d.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 4 m; en

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • e.

    een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

  • f.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • h.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • i.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

  • 3.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in dit omgevingsplan, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in 4.2.4.16 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in 4.2.4.16 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 4.1.4;

    • b.

      het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • c.

      de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

      • 1.

        de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

      • 2.

        bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:

    • a.

      het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of

    • b.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  • 1.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage II A bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 3.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29eerste lid aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.29eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van de ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door 4.2.4.16]

[Vervallen]

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting en maatvoering van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;

  • h.

    voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

  • i.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • j.

    als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

    • 1.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 2.

      als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

  • k.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

  • a.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • I.

        5 m;

      • II.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • III.

        het hoofdgebouw;

    • 2.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • I.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • II.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • 3.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

    • 4.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • I.

        een woonwagen;

      • II.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • III.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • b.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en

  • c.

    het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  • 1.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen:

    • a.

      in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en

    • c.

      buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

  • b.

    op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

  • b.

    op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

  • c.

    op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

    • 1.

      artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

    • 2.

      artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 3.

      artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 4.

      artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 5.

      artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 6.

      artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 7.

      artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 8.

      artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 9.

      artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 10.

      artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 11.

      artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12.

      artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

    • 13.

      artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of

    • 14.

      artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

      • 2.

        dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of

      • 3.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in afdeling 8.4.

Artikel 22.42 Oogmerken [vervangen door 8.3]

[Vervallen]

Artikel 22.43 Normadressaat [vervangen door 1.4

[Vervallen]

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht [vervangen door 8.4 en 8.12
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften [vervangen door artikel 8.5

[Vervallen]

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden [vervangen door 1.5

[Vervallen]

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat [vervangen door 1.6]
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders [vervangen door artikel 8.6]

[Vervallen]

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval [vervangen door artikel 8.7]

[Vervallen]

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval [vervangen door artikel 8.7]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.2 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.51 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.52 Gereserveerd

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

[Vervallen]

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil [vervangen door artikel 8.17]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq)veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de subparagrafen 22.3.4.222.3.4.3 en 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    De leden 4, 5, 6 en 7 zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 4.

    De leden 4, 5, 6 en 7 zijn niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    De leden 4, 5, 6 en 7 zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de subparagrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluitbedrijventerrein

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63eerstederde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 - 21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LTveroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63 derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in het artikel 22.65eerste lid, en artikel 22.66eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63eerste lid, 22.64eerste lid, artikel 22.65eerste lid en artikel 22.66eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69 en artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 8.2.3.7.4, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in artikel 22.63 tot en met, artikel 22.67 en artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in artikel  22.63 tot en met artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 22.63eerste lid, en artikel 22.64,  eerste lid, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  • 1.

    De waarden, bedoeld in artikel 22.63 tot en met artikel 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines
Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 dB Bs,dan.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5 Trillingen [ vervangen door 8.2.2.4

[Vervallen]

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

[Vervallen]

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

[Vervallen]

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

[Vervallen]

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

[Vervallen]

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen

[Vervallen]

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.6 Geur

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van 22.90tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.90eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in subparafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen  22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in subparagrafen  22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in subparagrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.98eerste lid, mag, in afwijking van artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.98eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een  geurgevoelig object  met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van  landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

geurgevoelig object  met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een  geurgevoelig object  bij geur door het houden van  landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor  of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
  • 1.

    Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
  • 1.

    Onverminderd artikel 22.98 tot en met artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.


    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een  geurgevoelig object  bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

    geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103,  eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden:

Subparagraaf 22.3.6.3 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.106 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.107 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.108 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.109 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.110 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.111 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.112 Vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.113 Vervallen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten
Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17
    Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een  geurgevoelig object  bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.
    Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.
    Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.
    Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.
    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 22.114, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 22.119, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.114derde lid, artikel 22.115,  tweede lid, artikel 22.116,  derde lid, of artikel 22.119derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.117eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.117eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.114derde lid, artikel 22.115tweede lid, artikel 22.116derde lid, artikel 22.117tweede lid, of artikel 22.119derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Artikel 22.121 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een  geurgevoelig object

    Activiteit

    geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk 

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk 

    Gelegen:
    - op een gezoneerd industrieterrein;
    - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
    - op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of
    - buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.
    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object

    Activiteit

    geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor
    1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor
    1 februari 1996

    Gelegen:
    - op een gezoneerd industrieterrein;
    - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
    - op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of
    - buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in artikel 22.122eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 22.122tweede lid, en artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122eerste lid, niet worden overschreden.

Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem [vervangen door 8.4.6.1]

[Vervallen]

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit [vervangen door 8.4.2.1.1
Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in 22.127, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico [vervangen door 8.4.6.2

[Vervallen]

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen

[Vervallen]

Artikel 22.133 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.134 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.135 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.136 Gereserveerd

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering [vervangen door 8.3.2.4]

[Vervallen]

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

[Vervallen]

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

[Vervallen]

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening [vervangen door 8.3.2.5]

[Vervallen]

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater [vervangen door 8.3.1 (lozen bij wonen) en 8.3.2.3 (lozen van huishoudelijke afvalwater anders dan bij wonen)]

[Vervallen]

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

[Vervallen]

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

[Vervallen]

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

[Vervallen]

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater [vervangen door 8.3.2.10

[Vervallen]

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.153 Koelwater

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken [vervangen door 8.3.2.6]

[Vervallen]

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen [vervangen door 8.3.2.7

[Vervallen]

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.157 Inerte goederen

[Vervallen]

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

[Vervallen]

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater [vervangen door 8.3.2.11]

[Vervallen]

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

[Vervallen]

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen [vervangen door 8.3.2.8]

[Vervallen]

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen [vervangen door 8.3.2.9

[Vervallen]

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen [vervangen door 8.3.2.15

[Vervallen]

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

[Vervallen]

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

[Vervallen]

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

[Vervallen]

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

[Vervallen]

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel [vervangen door 8.3.2.12]

[Vervallen]

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.179 Water

[Vervallen]

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton [vervangen door 8.3.2.13]

[Vervallen]

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.183 Water

[Vervallen]

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Artikel 22.185 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.186 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.187 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.188 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.189 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.190 gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.191 gereserveerd

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers [vervangen door 8.3.2.22

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal [vervangen door subparagraaf 8.3.2.14

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen [vervangen door 8.3.2.21]

Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen.

Artikel 22.193 Bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 22.194 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1 A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding [vervangen door paragraaf 8.2.3.3.1

[Vervallen]

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.198 Water

[Vervallen]

Artikel 22.199 Geur

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie [vervangen door paragraaf 8.2.3.3.2

[Vervallen]

Artikel 22.200 Toepassingsbereik 

[Vervallen]

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen. [vervangen door paragraaf 8.2.3.3.3]

[Vervallen]

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

[Vervallen]

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

[Vervallen]

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

[Vervallen]

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

[Vervallen]

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

[Vervallen]

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine [vervangen door 8.2.3.4.2

Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van tweede, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van eerste, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Artikel 22.221 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.222 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.223 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.224 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.225 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 22.226 gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader [vervangen door subparagraaf 8.2.3.7.1

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage [vervangen door subsubparagraaf 8.2.3.7.3]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten [vervangen door 8.2.3.7.4]

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht [vervangen door 8.2.3.7.2

[Vervallen]

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

Artikel 22.239 Licht

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest

Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.242 Bodem: opslag
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 22.245 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony's die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

Artikel 22.258 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars [vervangen door 8.174]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem [vervangen door 8.175]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten [vervangen door 8.176]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen [vervangen door 8.148
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG [vervangen door 8.149]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen [vervangen door 8.177
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens [vervangen door 8.178]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen [vervangen door 8.179
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen [vervangen door 8.180]
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem [vervangen door 8.195
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • c.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool [vervangen door 8.196
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen; of

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 22.261 tot en met Artikel 22.269, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS [binnen de kernen geldt Hoofdstuk 13]

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

  • a.

    aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

  • b.

    het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in eerste, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in eerste, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.274, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.274, onder c, worden getroffen.

Afdeling 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:

  • a.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;

  • b.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of

  • c.

    bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet, of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van de ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in 22.280 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 22.5.2 Aanvraagvereisten

Subparagraaf 22.5.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    22.280 van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Subparagraaf 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Vervallen.

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Subparagraaf 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Subparagraaf 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Tekeningen als bedoeld in 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto's van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto's van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in 22.290 tot en met 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

22.287 tot en met 22.294 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht [vervangen door 4.3.1]
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard en de werking van de signalering; en

  • b.

    twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen.

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2.

    Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort houtopstand;

    • b.

      de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;

    • c.

      de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal en de afmetingen van de reclame;

    • b.

      de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant;

    • c.

      de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en

    • d.

      de tekst van de reclame.

  • 2.

    Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard van de roerende zaken; en

    • b.

      de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2.

    Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

Subparagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht [niet van toepassing] 

[Vervallen]

Paragraaf 22.5.3 Voorschriften

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in het eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.

Hoofdstuk 23 ALGEMEEN OVERGANGSRECHT

Artikel 23.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk bevat algemene bepalingen over overgangsrecht. 

  • 2.

    Van dit hoofdstuk kan elders in dit omgevingsplan met specifieke overgangsrechtelijke bepalingen worden afgeweken. In dat geval is dat specifieke overgangsrecht van toepassing.  

Artikel 23.2 Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten 

  • 1.

    Een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 23.3 Overgangsrecht met betrekking tot een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit

  • 1.

    Op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat de regels over die activiteit worden toegepast zoals die op grond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, en er ook geen voorbeschermingsregels van toepassing waren.

Artikel 23.4 Overgangsrecht met betrekking tot meldingen en kennisgevingen 

  • 1.

    Als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, dient de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting te zijn gedaan, tenzij elders in dit omgevingsplan een andere termijn is gesteld.   

  • 2.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een meldingsplicht of informatieplicht gold, en die verplichting is opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt een eerdere melding of kennisgeving op grond van die verordening als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.  

  • 3.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een vergunningplicht of een ontheffingsmogelijkheid gold, en die verplichting of mogelijkheid is als meldingsplicht of informatieplicht opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt de aanvraag van een verleende vergunning of ontheffing als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.    

Artikel 23.5 Overgangsrecht met betrekking tot een nieuwe vergunningplicht

  • 1.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht. 

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.

Artikel 23.6 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

  • 1.

    In afwijking van artikel 23.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en, als gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in hoofdstuk 2, mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met die wijziging van hoofdstuk 2 expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 23.5 onverkort van toepassing. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

  • 5.

    Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 23.7 Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in artikel 5.2

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.

  • 5.

    Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. 

Artikel 23.8 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

  • 1.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in een gemeentelijke verordening die nadat het besluit is genomen zijn opgegaan in dit omgevingsplan, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 

      • 1.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3.

        de last is opgeheven.

  • 2.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 

      • 1.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3.

        de last is opgeheven.

Hoofdstuk 24 SLOTBEPALINGEN

Artikel 24.1 (citeertitel)

  • 1.

    Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Neder-Betuwe.

Bijlage I Begripsbepalingen

(sleuf)silo

Een bouwwerk – geen mestopslagplaats zijnde – voor het opslaan van agrarische producten ten behoeve van de veehouderij en/of kuilvoer.

aanbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is.

aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

aanduidingsgrens

De grens van een aanduidingsvlak.

aanduidingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde aanduiding.

aanlegactiviteit

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

aanlegactiviteit archeologische beschermingszone

Een aanlegactiviteit, bedoeld in afdeling 7.2 van dit omgevingsplan. 

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

afhaalhoreca

Horecabedrijf dat tevens is gericht op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren voor het nuttigen elders.

agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

agrarische doeleinden

Doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

agrarische gebouwen

Gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden, niet zijnde een dienstwoning.

archeologische deskundige

Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

AS SIKB 2000

Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

asielzoekerscentrum (azc)

Een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in het land verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.

bebouwing

Één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

bebouwingspercentage

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

bed & breakfast

Een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur.

bedrijf

Een onderneming, zaak of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen

bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

bedrijfswoning

Een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

begane grondbouwlaag

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

bestaand(e)

Bestaand als bedoeld in de artikel 2.5 (bestaand gebruik) en artikel 5.5 (bestaand bouwwerk).

bestaande bouwhoogte

De bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.

bestaande goothoogte

De bestaande goothoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.

bodemgevoelig gebouw

bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bodemgevoelige locatie

bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, zijnde een: 

  • a.

    kinderspeelplaats;

  • b.

    campings; en

  • c.

    moestuincomplex.

boomkwekerij

Het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters.

bos

Elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie.

bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m.

bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel.

bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

bouwwijze

De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij wordt verstaan onder:

  • a.

    aaneengebouwd:
    bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen;

  • b.

    geschakeld:
    bebouwing, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijbehorend bouwwerk verbonden is aan een ander hoofdgebouw en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelsgrens mag worden gebouwd;

  • c.

    gestapeld:
    bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;

  • d.

    twee-aan-een:
    bebouwing waarvan het hoofdgebouw aan maximaal één zijde grenst aan een ander hoofdgebouw en daardoor aan die zijde in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd;

  • e.

    vrijstaand:
    bebouwing waarbij het hoofdgebouw aan beide zijden niet in de perceelsgrens is gebouwd;

  • f.

    rug-aan-rug:
    een woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere woning.

BRL SIKB 2000

Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015

bruto-vloeroppervlakte

het bruto-vloeroppervlak berekend volgens NEN 2580.

café

Een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteiten het verstrekken van kleinere etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

caravan

Een niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte, niet zijnde een gebouw (waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto voortbewogen te worden.

carport

Een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak;

cultuurhistorische waarde

De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

dakruiter

Een kleine toren op de nok van een dak, uitsluitend ter decoratie van een gebouw.

detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.

detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten

Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd.

detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten

Het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, als ondergeschikte nevenactiviteit, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

detailhandel in volumineuze goederen

Detailhandel in auto's, boten, caravans, bouwmarkten en grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.

dienstverlening

Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, opticien, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/internetdienst, makelaarskantoor, foto-atelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven;

diepploegen

Het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.

discotheek/bar-dancing

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van (overwegend mechanische) muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt.

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

grondgebonden agrarisch bedrijf

Agrarische bedrijfsvoering gericht op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond, bijvoorbeeld melkveehouderijen en akkerbouw.

groothandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

horeca categorie 1

Vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt: restaurants, hotels, pensions.

horeca categorie 2a

Vormen van horeca-activiteiten die: 

  • a.

    qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en

  • b.

    qua exploitatie en qua openingstijden richten op de winkelactiviteiten en geen druk op de omgeving veroorzaken.

horeca categorie 2b

Vormen van horeca-activiteiten die: 

  • a.

    qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken wordt verstrekt: broodjeszaken, cafetaria's, ijssalons, eethuisjes, lunchrooms, automatiek, internetcafé voor zover een horeca-activiteit wordt ontplooid, afhaalhoreca; en

  • b.

    qua exploitatie en qua openingstijden richten op de reguliere horeca en druk op de omgeving kunnen veroorzaken.

horeca categorie 3

Vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt: café, bars, dancings, discotheken en nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.

horecabedrijven

Bedrijven, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf.

hotel / motel

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen.

houtproductie

Het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos.

huishouden

Één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid.

internetverkoop

Detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt.

jongerenontmoetingsplaats (JOP)

Een voorziening waar jongeren bij elkaar kunnen komen of elkaar kunnen ontmoeten, al dan niet met een zitgelegenheid en beschutting tegen regen en wind.

kamer

Een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.

kamerbewoning

Bewoning van een kamer.

kampeermiddelen

 

  • a.

    Een tent, tentwagen, een kampeerauto of caravan.

  • b.

    Enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor
    zover geen bouwwerk zijnde.

kantoor

Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.

kap

Een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°.

kas

Een agrarisch gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas en ander lichtdoorlatend materiaal.

kelder

Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein.

landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

levensloopbestendig

drempelloos, brede deuren en draaicirkels geschikt voor minimaal rollator, toegankelijke bergingsruimte met elektriciteit voor stalling scootmobiel, aanwezigheid van of mogelijkheid voor alle primaire voorzieningen op 1 verdieping (toilet, badkamer, 1 slaapkamer, woonkamer, keuken).

luifel

Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund.

maatschappelijke doeleinden

Voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of  geestelijke gezondheid van mens en dier.

natuurwaarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

nevenfunctie

Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel.

niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

niet-zelfstandig kantoor

Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. 

omgevingsplanactiviteit slopen

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

ondergeschikte detailhandel

Detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt en gerelateerd is aan de hoofdfunctie en waarbij geen specifieke inrichting voor de detailhandelsfunctie is toegestaan.

ondergronds

Onder peil.

ondersteunende horeca

Een horecavoorziening binnen een activiteit waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren;

overbouwing

Een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein.

 

overkapping

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand.

permanente bewoning c.q. hoofdwoonverblijf

Gebruik van een woning, recreatiewoning of andere woonruimte door eenzelfde persoon of eenzelfde huishouden op een wijze die ingevolge het bepaalde in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noopt tot inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Neder-Betuwe.

plan

Het omgevingsplan 'Neder-Betuwe' met identificatienummer XXXX van de gemeente Neder-Betuwe.

plat dak

Een dak met een dakhelling van minder dan 15º.

productiegebonden detailhandel

De verkoop van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

Een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.

recreatieve voorziening

Een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige voorziening met een dagrecreatief karakter, zoals zwembad of tennisbaan.

recreatiewoning

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden. Hieronder wordt tevens verstaan een chalet en een vakantiehuisje.

risicobedrijven

Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen.

seksinrichting

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

stacaravan

Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen.

supermarkt

Een detailhandelsbedrijf met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten.

trekkershut

Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf zonder sanitaire voorzieningen.

tuincentrum

Een bedrijf dat is gericht op het telen en voornamelijk verkopen van planten en siergewassen, alsmede het verkopen en leveren van andere goederen en materialen voor het aanleggen, onderhouden en verfraaien van tuinen.

uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap.

verblijfsrecreatie

Een vorm van recreatie waarbij de recreant voor een bepaalde tijd, maar ten minste één nacht in het recreatiegebied verblijft, met dien verstande dat geen sprake mag zijn van permanente bewoning.

verharding

Een oppervlakte welke bij regenval komt tot afstroming bestaande uit materiaal dat een solide nagenoeg waterdicht geheel vormt welke is gemaakt van asfalt, beton of bestaande uit losse aaneengesloten elementen.

voorgevel

De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied.

voorgevelrooilijn

De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel).

voortuin

Het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de voorgevelrooilijn(en).

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

winkelvloeroppervlak

De oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend gebruikt wordt voor het verkopen van producten, niet zijnde de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten.

wonen

Het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning.

woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

woon-/werkeenheid

Een ruimte, in en in combinatie met een woning, waarin een al dan niet publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis wordt uitgeoefend.

woonwagen

Een voor wonen bestemd gebouw dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

zaalaccommodatie

Een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van gelegenheid tot het houden van bruiloften, feesten en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is.

zelfstandig kantoor

Een kantoor dat op zichzelf het bedrijf vormt.

zijtuin

Het bij de woning behorende perceelsgedeelte, dat is gelegen naast de zijgevel, tussen de voor- en achtergevelrooilijn, indien het perceelsgedeelte niet reeds is aangemerkt als voortuin.

zorgwoning

Een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een zekere zorgbehoefte.

Bijlage II Begripsbepalingen bij hoofdstuk 22

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrome- trie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties = 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 858-1 A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nomi- nale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaireabsorptiespectrometrie met en zonder concentra- tie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de mineraleolie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

geurgevoelig object

a. gebouw
1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a.varkens, kippen, schapen of geiten; en
b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1.rundvee tot 24 maanden;
2.kalkoenen;
3.eenden; of
4.parelhoenders

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

straatpeil

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

Bijlage III Meetregels - bouwen

Afstand van een gebouw tot de perceelsgrens

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.

Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.

Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Peil

 

Het peil wordt als volgt bepaald:

  • a.

    voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang van het perceel aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 12 m van die weg is gelegen: 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;

  • b.

    in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein

  • c.

    voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein.

Bijlage IV Landschappelijk inpassingsplan

1 Landschappelijk inpassingsplan

Locatie 

Naam plan en te raadplegen via

het gekoppelde gebruik

het gekoppelde bouwen

Dalwagen 80a,  Dodewaard

Beplantingsplan brandweergarage Dodewaard

Het gebruiken van de gronden ten behoeve van een brandweerkazerne.

-

Kerk Cuneraweg, Ochten

Landschappelijke inpassing kerk Cuneraweg Ochten

Het gebruik van de gronden ten behoeve van de kerk.

-

Boveneindsestraat 1, Kesteren

landschappelijke inrichtingsplan boveneindsestraat 1 kesteren

Het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen.

-

Meidoornstraat 3, Opheusden

Inpassingsplan Opheusden Meidoornstraat 3

Het in gebruik nemen van de woning.

-

Stationsstraat 34, Kesteren

Inrichtingsplan Stationsstraat 34 Kesteren

Het in gebruik nemen van de woningen.

-

Stationsstraat 34a, Kesteren

Inrichtingsplan Stationsstraat 34a Kesteren

-

Het bouwen van woningen

Dalwagenseweg 64a, Kesteren

Inrichtingsplan dalwagenseweg 64a opheusden

Het in gebruik nemen van de woningen.

-

Smachtkamp 60, Opheusden

Beplantingsplan Smachtkamp 60 Opheusden

Het in gebruik nemen van de woningen.

-

Rijnbandijk 5, Opheusden

Inrichtingsplan Rijnbandijk 5 Opheusden

Het in gebruik nemen van de woning.

-

Molenhof 5, Ochten

Inrichtingstekening De Molenhof 5 Ochten

Het in gebruik nemen van de woning

-

Hoofdstraat 99, Kesteren

Schetsontwerp Hoofdstraat 99 Kesteren

Het gebruik van de gronden voor wonen

-

Broekdijk naast 42b, Kesteren

Schetsontwerp Broekdijk naast 42b Kesteren

Het gebruik van de als wonen aangewezen gronden

-

Bijlage V Stedenbouwkundig plan

1 Stedenbouwkundig plan

Locatie

Naam plan en te raadplegen via

Betuwestraat Noord, Kesteren

Stedenbouwkundige uitgangspunten Betuwestraat Noord

Oranjehof, Ochten

Stedenbouwkundig plan Oranjehof Ochten

Bijlage VI Beeldkwaliteitsplan

1 Beeldkwaliteitsplan

Locatie

Naam plan en te raadplegen via

Pottemsche Veld , Kesteren

Beeldkwaliteitsplan Pottemsche Veld

Nedereindsestraat 29, Kesteren

Nedereindsestraat 29, Beeldkwaliteitsaspecten

Casterhoven, oostzijde Hoofdstraat, Kesteren

Casterhoven, deelplannen A Beeldkwaliteit op hoofdlijnen

Casterhoven, hoek Mr. A. Datemalaan en Prof. dr. J.E. Bogaerslaan, Kesteren

Kavelpaspoort 5 woningen in Kesteren

Casterhoven, Kavels Broekdijk en Hoofdstraat, Kesteren

Addendum beeldkwaliteitplan Casterhoven Deelplan A-Randen

Casterhoven, westzijde Hoofdstraat, Kesteren

Beeldkwaliteitsplan Casterhoven deelplan B fase 7

Casterhoven, bedrijfslocatie Hoofdstraat/Vicuslaan, Kesteren

Kavelpaspoort Vensters op Kesteren

Fructus, Dodewaard

Beeldkwaliteitsplan Fructus, Dodewaard

Prunusstraat, Ochten

Beeldkwaliteitsplan Prunusstraat Ochten

Stationsstraat 34a, Kesteren

Memo Beeldkwaliteit Stationsstraat 34a, Kesteren

Oranjehof, Ochten

Beeldkwaliteitsplan Oranjehof Ochten

Bijlage VII Ecologisch werkprotocol

1 Ecologisch werkprotocol

Locatie 

Naam plan en te raadplegen via

de gekoppelde activiteit

Pottemsche veld, Kesteren

Ecologisch werkprotocol grote modderkruiper Pottemsche veld Kesteren

Het graven, vergraven of verruimen van de watergang. 

Bijlage VIII Integrale ensembles

1 Integrale ensembles

Integraal ensemble

Beschrijving

Te raadplegen via

Rijnbandijk - Boveneindsestraat

Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.2 Rijnbandijk – Boveneindsestraat van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven.

De waarden hebben betrekking op:

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;

  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;

  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;

  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;

  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;

  • de profilering van het dijklichaam.

Waardenkaart: Rijnbandijk - Boveneindsestraat

Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles

De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer

Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.3 De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven.

De waarden hebben betrekking op:

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;

  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;

  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;

  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;

  • de profilering van het dijklichaam.

Waardenkaart: De Spees - Rijnbandijk - Opheusdens Veer

Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles'

Dijkzone Dodewaard & Hien

Het integraal ensemble betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.4 Dijkzone Dodewaard & Hien van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven.

De waarden hebben betrekking op:

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;

  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;

  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;

  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;

  • de profilering van het dijklichaam.

Waardenkaart: Dijkzone Dodewaard & Hien

Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles'

Echteld

Het integraal ensemble, betreft het gebied dat is opgenomen op de waardenkaart zoals deze via de link hiernaast is te raadplegen. Op deze kaart zijn de ensemblewaarden en de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden en elementen aangegeven. De onderlinge samenhang van deze waarden en elementen vormt de beeldkwaliteit. Zowel de individuele waarden en elementen als de onderlinge samenhang (beeldkwaliteit) dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden. In paragraaf 2.5 Echteld van het rapport 'Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles' is de waardering van dit integrale ensemble beschreven.

De waarden hebben betrekking op:

  • de gebiedskenmerken, zoals het landgebruik, de groenstructuren en de verkaveling met bijbehorend slotenpatroon;

  • de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen (zoals het gevelbeeld en materialisatie) van de bebouwing;

  • de kenmerkende infra-, nederzettings- en waterstaatkundige structuren, die in samenhang ontstaan zijn;

  • de zichtrelaties en beleving van het landschap, waaronder de kenmerkende doorzichten vanaf de dijk en de afwisseling tussen open en besloten landschap;

  • de profilering van het dijklichaam.

Waardenkaart: Echteld

Rapport: Het beste van Neder-Betuwe; cultuurhistorische beschrijvingen van waardevolle integrale ensembles'

 

Bijlage IX Overzicht Informatieobjecten

Aandachtsgebied geluidzone industrie (Wgh)

/join/id/regdata/gm1740/2025/96d04b4e897c4fa7948a92e9bdf97669/nld@2026‑03‑09;06502934

Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm1740/2025/9416386f2f42421cb976f1cd1a1337ea/nld@2026‑03‑09;06502934

Belemmeringengebied gasdruk en regelstation

/join/id/regdata/gm1740/2025/8736f6cee06d4b4c8e52bcefe40e2102/nld@2026‑03‑09;06502934

Belemmeringengebied plaatsgebonden risico

/join/id/regdata/gm1740/2024/6b841b3503ec47e0844a8887a7e28dfe/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone agrarisch met waarden - kernen

/join/id/regdata/gm1740/2024/1243d306f2534aeaa526a87dd726eb29/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone archeologie

/join/id/regdata/gm1740/2025/a86ce62abc29413eb33fa25c36908191/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone integraal ensemble

/join/id/regdata/gm1740/2025/fd20ff35bf144fa68e87154c928dcbb9/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone landelijk groen

/join/id/regdata/gm1740/2024/9747537844a44d2ba6993c78c6ec8f79/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone primaire watergang

/join/id/regdata/gm1740/2025/6488595eaa944b26a28a2d2aaca44c48/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone rioolleiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/689e2f29df23435facff856d796a2520/nld@2026‑03‑09;06502934

Beschermingszone waterkering

/join/id/regdata/gm1740/2025/25253e1c72fa46c28863a67676374692/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding aanbrengen extra dakisolatie

/join/id/regdata/gm1740/2025/4e597fbf4d8642b99eb5af264c0e57c0/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding aaneengebouwd

/join/id/regdata/gm1740/2025/63f9145c6ad44c4f9b26476dac10149a/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/fa5528194c7940748253ceabd0ae4179/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/7205f71079184e4bb10f38b658082b1f/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 3

/join/id/regdata/gm1740/2025/6b78fb55e25249f980f3eb2efeb82eb4/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 4

/join/id/regdata/gm1740/2025/7b53815e5b9240bea569fd978deb2e1d/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 5

/join/id/regdata/gm1740/2025/7892313734f84b609f99e2e560daf42c/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken - 6

/join/id/regdata/gm1740/2025/ec5a42dce7b347af8a1e1f3ed90d115f/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/40e1fb8248794130a46d1f4f12f577d0/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/7b779ff0e2bd4b59b256b3607d603b38/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bijbehorende bouwwerken Vicuslaan 2 KE

/join/id/regdata/gm1740/2025/1dee48273f8044fbaee3ae7969a4cc90/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding blinde gevel

/join/id/regdata/gm1740/2025/356495bedbb741109177fd4d0d1512f9/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bouwvlak

/join/id/regdata/gm1740/2025/54fafa21f6244eecbef93ae4ad70d7d2/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bouwwerken ter plaatse van de waterkering

/join/id/regdata/gm1740/2025/1d4f820f23ac4794b3e0263db11d3040/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/dc20b5e510204629a30ed04ff93a6129/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding dierenverblijf

/join/id/regdata/gm1740/2025/1ad7422958f94f7db04ead20422fd686/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater GS.

/join/id/regdata/gm1740/2025/348aa64336d74fb0901a1224a3e2adbf/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS bedrijventerrein

/join/id/regdata/gm1740/2025/843fd0142c9e4e9aacbfeeff4379529e/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater VGS woonwijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/9c6173af329344ccbf9ba1869177a5f5/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding geluid - binnenwaarde

/join/id/regdata/gm1740/2025/579302e22f5c4bf293d7777be4629e6d/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding geluidscherm als erfafscheiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/2097ac9b64644521a068b4e789b28b88/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gestapeld

/join/id/regdata/gm1740/2025/16776c4b100a438bb408453a2ef02330/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gevel zonder entree

/join/id/regdata/gm1740/2025/7bbce0c9d5e8483b83f1403f7161d765/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gevelopening Boveneindsestraat 1 KE

/join/id/regdata/gm1740/2025/95edf371d1154cab809748fb46c4deaf/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding gevelopening Hoofdstraat 31

/join/id/regdata/gm1740/2025/07ce8771b04349738a459938ecb2c96c/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding hoofdgebouw met kap

/join/id/regdata/gm1740/2025/10b0bdf2bb6b4eecbae9d2edb4ce5103/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 30 dB

/join/id/regdata/gm1740/2025/10ed0281f89d409f9e9815025f280498/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding karakteristieke geluidwering 31 dB

/join/id/regdata/gm1740/2025/3e94099d0801469e9d340ff6d6643bb2/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding klimaatadaptieve maatregelen

/join/id/regdata/gm1740/2025/ab3ee9a958f740619b3e093487ae22e6/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding laad- en losplaats

/join/id/regdata/gm1740/2025/6d71f2300372438b82af49ceca23dab0/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding loopbrug

/join/id/regdata/gm1740/2025/16deaa80776844a38bc93521a20c0c74/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding luifel of overkapping

/join/id/regdata/gm1740/2025/6dab03af043a4d3db9fba03d5bd8b42b/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding maximaal aantal woningen per jaar

/join/id/regdata/gm1740/2025/8aff4653d92e40b48cd9b7f84e69d2c4/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding maximale bouwdiepte woning - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/5662275f41ba4cc0aaf7b2a19380dc84/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/c37e3911fff643d5a5e251a1bfb6e132/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding maximale breedte voorgevel - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/fa241c98348e4b3cb534a471097441df/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding minimale afstand zijdelingse perceelsgrens woning 1 m

/join/id/regdata/gm1740/2025/ec08eafdc9f64adda172136d4bde2fe0/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding minimum percentage woonprogramma op begane grond

/join/id/regdata/gm1740/2025/2d2db5c159fe40ffa9752d9ad15e309a/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding nader onderzoek trillinghinder

/join/id/regdata/gm1740/2025/5dd95845f2f040d48311b85dfd9f154f/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer

/join/id/regdata/gm1740/2025/8508708813ae4d90ad600e7bafcefc52/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding nader onderzoek verkeer Betuwestraat Noord

/join/id/regdata/gm1740/2025/fa63a1a6d7044428a4ca1f6e8a5b0b9a/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm1740/2025/af23f91274d844718665478b0fc76441/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding patiowoning

/join/id/regdata/gm1740/2025/c872b906b02c433085817f6b4e90f599/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding Pottemsche Veld - ook gestapeld toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/abeb72687ed24a9ba6d63ff5a0efb8df/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding Pottemsche Veld - uitsluitend gestapeld toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/4d7198cae15e4b60aa01219f85c7444f/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding rijwielstallingen

/join/id/regdata/gm1740/2025/0410156e56424605893763cb98d79b8f/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding rug aan rugwoningen

/join/id/regdata/gm1740/2025/db7e7896752848b6b31557d6e03f378c/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding specifieke locatie agrarisch - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/9f2ead99afb949d88d2888c1a40fd3de/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding tuinmuur - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/18805f3d04e34e739a1350ac7ff27f20/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding twee-aaneen

/join/id/regdata/gm1740/2025/e4f434eb5d734663a1a9438b996fa96c/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding uitbreiding hoofdgebouw maatschappelijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/ce0ae9ba1cd34aa0badf4b5740767596/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding uitkraging van een gebouw

/join/id/regdata/gm1740/2025/dfa6e29e2c194a49b9226072d1ee7620/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding verlichtingsmasten niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/7d17ba117df246678fcc04c0333ffce9/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding voorgevel hoofdgebouw - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/d5d3b5146c8144c0b05dc4bb2eff78ab/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding vrijstaand

/join/id/regdata/gm1740/2025/011272b589c8416cad083bdecf34f1ec/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding vrijstaande bijbehorende bouwwerken achter de achtergevel

/join/id/regdata/gm1740/2025/7c2e494a377145d684bf7e171ddffe61/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding woonwagen - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/519de6d40b7b45f5872b340faccfdccb/nld@2026‑03‑09;06502934

Bouwaanduiding woonwagen - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/f2ab7a631d2147ffb3195f78efec13b6/nld@2026‑03‑09;06502934

Brandaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm1740/2025/0d51959ea1d54b3695fce392571687d6/nld@2026‑03‑09;06502934

Explosieaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm1740/2025/89fdf644caab49c2ad881e5ee4e1e7f0/nld@2026‑03‑09;06502934

Explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm1740/2024/a482221ac87c4f739ca2e2cbb2fc67f1/nld@2026‑03‑09;06502934

Figuur gevel zonder entree

/join/id/regdata/gm1740/2025/4917828df6f447baa1129332a29c2fd7/nld@2026‑03‑09;06502934

Figuur gevellijn - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/e3b6823b7f54487882fc2c34c48c9868/nld@2026‑03‑09;06502934

Figuur gevellijn - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/ed5ba8c65bd44834830f05a25d65c97b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding aan huis gebonden ambacht toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/5167a70a2a8046bca65dbe4d06f9f14f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding aaneengesloten groene haag

/join/id/regdata/gm1740/2025/ee15a2cc406c46efb4bd3be7dc670d70/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding aanleg bluswaterput

/join/id/regdata/gm1740/2025/6e1f3d1d64b0405e98a2d74fd755d708/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken

/join/id/regdata/gm1740/2024/a13ce2bdf8534130ae692a81333dc0eb/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding agrarisch bedrijven in de kernen

/join/id/regdata/gm1740/2025/24335506a5fb4eb8b3ac02390fc6746c/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding agrarisch bouwvlak

/join/id/regdata/gm1740/2024/2bb3271aa3c24809a1a74d536449d6bc/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding alleen opslag en stalling

/join/id/regdata/gm1740/2024/2bf00fe805ad412fa92e1845bf5b1161/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding archeologie - reeds aangetast

/join/id/regdata/gm1740/2025/b177b4039936439583b2a570603e837c/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding atelier

/join/id/regdata/gm1740/2024/f566e51aa6454d07b9d4934ea62d73dd/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding atelier met theeschenkerij

/join/id/regdata/gm1740/2024/df6449cd772843a99e628517a74e2909/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding bakkerij

/join/id/regdata/gm1740/2024/5d2344ba56784afeb088b008cf7ed62a/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding bedrijf - tuin

/join/id/regdata/gm1740/2024/6d9fd7bdd7c144fd943d44a4518b6fca/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding bedrijf van categorie 3.1

/join/id/regdata/gm1740/2024/098843c7d35148d7a3e0495afeb96237/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding begraafplaats

/join/id/regdata/gm1740/2024/c13efbe922e74249b5fb9d072f61c82b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding beperking hoogte beplanting en bebouwing

/join/id/regdata/gm1740/2025/66147441874347d6a77a6cbe198990a4/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding beperking milieucategorie - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/0002345c514f4337997e7e8196f775dc/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding beperking milieucategorie - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/66eebe9f94e248d087462d615c57a90b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding beperking verharding

/join/id/regdata/gm1740/2025/17d35b0c35624da0beda2bc1badb38a0/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding binnenpandige opslag toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/9b380244974149199d95a4bbace54db0/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding Boveneindsestraat 1 KE

/join/id/regdata/gm1740/2025/623487f3d564488995ba70c9b95b607f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding brandweerkazerne

/join/id/regdata/gm1740/2024/28f75586ce4146b9bf0fb761fbb2ba72/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding bruidsmodezaak

/join/id/regdata/gm1740/2025/41aea927ad73428aa1d160c309b93982/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding buitenpandige opslag

/join/id/regdata/gm1740/2024/4018a47f478e4d9e8e2bdbb4067cfc1d/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding café

/join/id/regdata/gm1740/2024/3226cc6ebe01454c94ac0eff20f65c3d/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding café en zalencentrum - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/0f3eff44efcd4e8296eaf9f166a28e75/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding café en zalencentrum - 2

/join/id/regdata/gm1740/2024/f2a6833bb4414c338db7c07f8ae17cca/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding cafetaria

/join/id/regdata/gm1740/2025/491353128c7143eb9ae60f7019d89000/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding calamiteitenroute

/join/id/regdata/gm1740/2025/5dbc492c7f07404f9e07f5c9007bbfa6/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding detailhandel in fietsen

/join/id/regdata/gm1740/2024/33cb85d6842d42c38b9cfa169ade5fcf/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding detailhandel in scooters en bromfietsen

/join/id/regdata/gm1740/2024/6e0db1d56c074b88ad4cd6c989e62ab5/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding detailhandel in woninginrichting

/join/id/regdata/gm1740/2024/251ff27ccae345cc8d4770351b9edd19/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding detailhandel op eerste verdieping

/join/id/regdata/gm1740/2024/e588b234e5a644cdad993b7bcff9b466/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding fotostudio

/join/id/regdata/gm1740/2024/1687db61227341069e44ef4f9f931832/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding fruitgroothandel

/join/id/regdata/gm1740/2024/924341865efd4c8d97e7fd78e5b78458/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding garagebedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/f4b15dc9be41415686d53546c2cf4f55/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding garagebox

/join/id/regdata/gm1740/2024/5043721ab2b945059a679b401a890fa7/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding gasdrukregel- en meetstation

/join/id/regdata/gm1740/2025/70f1e333ff034430b7997a3d013b29c0/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding geluidgevoelige gebouwen niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/78a36eb873dc41efad27d5ac5fd634bf/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding geluidwerende voorziening noodzakelijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/a347a79efb81445585e20ce34aee02a8/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding gemeentewerf

/join/id/regdata/gm1740/2024/9516f7e6f5e4418e8da3d11b1215eb49/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies

/join/id/regdata/gm1740/2025/b2198c821bf14c1db812de744be4cc4b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding goederenwegvervoerbedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/2ba3afa99986422688f1aba70d24ddc7/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groene afscheiding Dr. M. van Drielplein

/join/id/regdata/gm1740/2025/792f7552a2654c0f94eb7f157a912256/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groene erfafscheiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/192ea082eabe413f966646ea26f157f1/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groene inpassing

/join/id/regdata/gm1740/2025/38ff001327fa43ebb58e928e0e01eaef/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groothandel in en reparatie en onderhoud van scooters en bromfietsen

/join/id/regdata/gm1740/2024/bff1c4be77fa44d3a9e91ab9d012baa5/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groothandel niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2024/cb998605da6b4c7f9e84b2b980f3705d/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding groothandel toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/e8b3580acfde40e88224134a9beb41e7/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding grotere oppervlakte ondersteunende horeca

/join/id/regdata/gm1740/2024/949fcd27691b4fe99b9e52e3b78311b5/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding hoek Dalwagenseweg - Tolsestraat

/join/id/regdata/gm1740/2025/0950b8b537f14fd6aa887ddddf0ae147/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding horeca categorie 2b

/join/id/regdata/gm1740/2024/9f01b90271c149d0992a587ae8c8d61e/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding horeca categorie 3

/join/id/regdata/gm1740/2024/3a8cce19a90441b6a9d8e78bce39373f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding horeca op de verdieping

/join/id/regdata/gm1740/2025/e3690a31400744bab1adc83e3fbf131a/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding hotel

/join/id/regdata/gm1740/2024/ca74590b87c542cb824b710555c7b034/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding houtverwerkingsbedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/c05bf82d2a0845c89ad9e1f41f0f325b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding huisartsenpost

/join/id/regdata/gm1740/2025/342c95f9a2744471945da45ccc2fb193/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding inrichtingsplan

/join/id/regdata/gm1740/2025/f4a799ee627d41eebe06d2d441c44059/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding inrichtingsplan Betuwestraat Noord

/join/id/regdata/gm1740/2025/b0d73151863849eeac9efd1df6a08db5/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding installatiebedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/21b6a8c18c034912a41d9689bb7f5b03/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding intramuraal wonen

/join/id/regdata/gm1740/2024/bd285cb031b340d99534c5195bfe7aee/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kamerbewoning toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/fce0e9a482354ae8b9087bb2d5bf98d5/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kantoor met baliefunctie

/join/id/regdata/gm1740/2024/69dc474a784a4cbe9eb1e9d1ce5289d7/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kantoor op de verdieping

/join/id/regdata/gm1740/2024/d4fb90b5f7dc48578239ea7ad662b4c0/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kantoor zonder baliefunctie

/join/id/regdata/gm1740/2024/947af2c47d1a4934b3cef0084df4bc3e/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kapsalon

/join/id/regdata/gm1740/2024/9be83a0b36364b40ab325e375bed7a20/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding kunststof winkelwagens met rubber wielen

/join/id/regdata/gm1740/2025/eaa7666bc4414d9e8910ceebec320903/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding laden en lossen

/join/id/regdata/gm1740/2024/ec591865e32046b59017c6ff0fe1df56/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding laden en lossen Drielplein Ochten

/join/id/regdata/gm1740/2025/b51ace8f71e34ed6961f6d3514ab5dcc/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding landelijke tuin

/join/id/regdata/gm1740/2024/6d570922bdb347baa479d0d51819f456/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding levensloopbestendige woning

/join/id/regdata/gm1740/2025/d71e9a1d06c54fc989771340445e96cc/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding maatschappelijk Dr. M. van Drielplein

/join/id/regdata/gm1740/2025/34585f7c5a8f4e04957fa1665b96411a/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding maatschappelijke doeleinden uitsluitend op begane grond

/join/id/regdata/gm1740/2025/78472ed2f89346a0a5b113f82be46db8/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding maatschappelijke voorziening Betuwestraat Noord

/join/id/regdata/gm1740/2025/811f741dd4a6420599399426315f28bf/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding metaalbewerkingsbedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/8ccdf95d9da541839e3cdfe741381a2f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding meubelstoffeerderij

/join/id/regdata/gm1740/2024/805ee9cb133744a3bc079b086f1a36cf/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding minder zelfredzame personen

/join/id/regdata/gm1740/2025/e7ced3e06b9041a08a59b5d69d750782/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding nutsvoorziening

/join/id/regdata/gm1740/2024/e66f175bf940402ebffcd2757264c77f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding omgevingsplanactiviteit jongerenontmoetingsplaats

/join/id/regdata/gm1740/2025/cb02fe217c684357b70919029e7adcf7/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding openbare parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm1740/2025/e85f0ffd148640c5b3267e92423f71c4/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding parkeerterrein

/join/id/regdata/gm1740/2025/e7361a166ee04f75abf9e62cb3a4689e/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding parkeren - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/0af535177c25461f9d35fcd086c2e212/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding peuterspeelzaal

/join/id/regdata/gm1740/2025/a9ef70edf8724114a1c7b919cf030f3a/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/992ecf5573444a289b98f5209f9d622c/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding realiseren daktuin

/join/id/regdata/gm1740/2025/cb1502c07dfc43f8853e522a805d7199/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding realiseren groene gevel

/join/id/regdata/gm1740/2025/c92e2d77929940b18040f8cbf6bd07ac/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding recreatieve sportactiviteiten

/join/id/regdata/gm1740/2025/c7ff00083fe14554a3c8f9ed6c2b43f2/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding religie

/join/id/regdata/gm1740/2024/2b702cfd5f7e48508d9f13780bcf004f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding risicobedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2024/d3aaea5e161749ebb777ea83a379050e/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding roboticabedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2025/0addbb0f42e04aca83e87129dfb2ae10/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding school

/join/id/regdata/gm1740/2024/ef574a64d036485c9b5bd16cedc325ed/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding sociale huur of koop 20%

/join/id/regdata/gm1740/2025/a2c79fe2e0024188baab810c6105e361/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding sociale huurwoning 20%

/join/id/regdata/gm1740/2025/965d26ae513f4f798c093eb9b66f72c9/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding sociale huurwoning 30%

/join/id/regdata/gm1740/2025/ca8f9d5ca903416db9752bb37905fe10/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding sociale koopwoning 10%

/join/id/regdata/gm1740/2025/748d29818ec7447b9868b0fb766aa590/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding spuitvrije zone

/join/id/regdata/gm1740/2025/c79c158fd10345ea8b2d476393bde0c3/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein 1 Ochten

/join/id/regdata/gm1740/2025/97766dd815814c8aa7af95698b31338d/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding supermarkt Dokter M. van Drielplein Ochten

/join/id/regdata/gm1740/2025/751acaecc76743e9b738ed2b5c6c7c1b/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding supermarkt niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/0dcee61556e04f08bb9c421fcbf965b2/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2024/e5fe965ab8124249a9a5d2476d3ba141/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding terras toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/2fc48d6702814cf3aa5d748becbcf7ce/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding uit te werken - 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/0dda370efa794ee884c5b0955d46e5b2/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding uit te werken - 2

/join/id/regdata/gm1740/2025/a43f5b46cb79436491176fe9bb4af43f/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding uit te werken - 3

/join/id/regdata/gm1740/2025/391a06739e544d5a95e68c33ade620cc/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding uitsluitend detailhandel in woninginrichting toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/6488e918e5204e4cb979c887e38694ea/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding uitsluitend parkeerterrein

/join/id/regdata/gm1740/2025/05b6b57bbab84cf9b19d9b86d015b856/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding verhuur en verkoop van landbouwmachines

/join/id/regdata/gm1740/2025/0c100d1f31044399b331c4e3c5775fe2/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen met lpg

/join/id/regdata/gm1740/2024/6905ba55ade64df29e2f2cf90d94ddfa/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg

/join/id/regdata/gm1740/2024/ef872480ce9b4a6e967739e3cdd58975/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding volière

/join/id/regdata/gm1740/2024/5d58ff674f3a415a925c335e8ef2f362/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding volumineuze detailhandel niet toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2024/052bf393f95b488e9bea57217cbedb79/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding volumineuze detailhandel toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/1162c8f61ce2479db649e86d37a226d9/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding voormalige functionele binding - geluid

/join/id/regdata/gm1740/2026/e1d3a52cfa86427bb4fd9fe3d61d033e/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding voormalige functionele binding - slagschaduw

/join/id/regdata/gm1740/2025/5f1dd9f0134a4ac0a910a25d174a9264/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding voormalige functionele binding - trilling

/join/id/regdata/gm1740/2026/1f82f4ca725e45289c7c50a660316f31/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding vrijwaringszone dijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/426928086872446e8d3e4e8affd6f160/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding vrijwaringszone weg

/join/id/regdata/gm1740/2025/d23e719824c84e8facaf9f139c019149/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding waterberging

/join/id/regdata/gm1740/2025/f341b4ee0c814f7bb540ef83a137d3e6/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding waterhuishoudkundige situatie ondergronds bouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/a75afbc582884a2c89e7a01043eefa89/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding weg- en waterbouwbedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/7fdcd7b88f5a42bb97f97501cebdffea/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding windhaag

/join/id/regdata/gm1740/2025/f47a79a6d5d74fea8ed3ccb5243d8717/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding wonen in het centrum

/join/id/regdata/gm1740/2025/0428846d65e14946887fa0b45f505f66/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding wonen op de begane grond

/join/id/regdata/gm1740/2025/55633d8daa6c467eb6d9bce774a39527/nld@2026‑03‑09;06502934

Functieaanduiding woon-/werkeenheid toegestaan

/join/id/regdata/gm1740/2025/44ea78c21a2b41ceb227d5499fbb4d9b/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebiedsaanwijzing bouwvlak

/join/id/regdata/gm1740/2026/0a9721c8916a4ac88f1b5857cc074d8a/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel agrarisch

/join/id/regdata/gm1740/2024/6ab959673bc340f6824a34160478b3a7/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel bedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/9c6ca47f271749c7876fab5e50102662/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel cultuur en ontspanning

/join/id/regdata/gm1740/2025/7b7adb2e3144444a9b6d7f352c1d8423/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel detailhandel

/join/id/regdata/gm1740/2025/5110998213794a66a90edd92d0d8ad7e/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel dienstverlening

/join/id/regdata/gm1740/2024/c819282311224dcc8e1ef8d74f25c572/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel horeca

/join/id/regdata/gm1740/2025/a99d3945b29c47be8d3e79d6e31e5dd5/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel kantoor

/join/id/regdata/gm1740/2025/919c4356002b4c109ff064b57ab1e33c/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel landelijk groen

/join/id/regdata/gm1740/2025/573ac8eb6e094a8382ab783543f43c83/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel maatschappelijk

/join/id/regdata/gm1740/2024/cdc2c44b9e1643f4b9e1cb0365004b69/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel natuur

/join/id/regdata/gm1740/2024/7921e634b50144f1a06aa489805599be/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel primaire watergang

/join/id/regdata/gm1740/2025/d9405d0ba1574f4aa5e13e5dd04e7aaa/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel railverkeer

/join/id/regdata/gm1740/2024/9cf41ccfeb734761b0a045f5fae6969d/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel rioolleiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/f3111627312244fca4014e70cf674663/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel sport

/join/id/regdata/gm1740/2024/07292ba6121949349e73dd36d9a29457/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel stedelijk groen

/join/id/regdata/gm1740/2024/ce765c2261144f8aaa99777ae2a8b523/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel verblijfsgebied

/join/id/regdata/gm1740/2024/88568de6c29740ca87bf228a40211982/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel verkeer

/join/id/regdata/gm1740/2025/651c45e4ced146efb31218705faf7907/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel volkstuin

/join/id/regdata/gm1740/2024/2006a1da8dde472da1ec1312669250fd/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel water

/join/id/regdata/gm1740/2025/93b05815f2f84f669534d2ec679b9fee/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel waterkering

/join/id/regdata/gm1740/2025/f5e0d46805ff4ad4a28bd2e968966b81/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel wonen

/join/id/regdata/gm1740/2025/1092cbc7fa034ba49554a67991d84bf8/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel wonen in een bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm1740/2025/715fee0f26f94cca906b4b3c72ce462e/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel wonen in een zorgwoning

/join/id/regdata/gm1740/2025/670a59f43fe24bf4ae0c5bbb89975829/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel wonen in woonwagens

/join/id/regdata/gm1740/2025/369f2fc4c7b24f889dfe4e0178587d23/nld@2026‑03‑09;06502934

Gebruiksdoel woongebied

/join/id/regdata/gm1740/2025/60e132a01bf24e3881a6d83b70582a07/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie [x]

/join/id/regdata/gm1740/2026/1b1dfd627b1a4b4c8ab061f6f59a1100/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie agrarisch

/join/id/regdata/gm1740/2024/d37c7e414bcb43e5ab414b3642e544bf/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Aldi Opheusden

/join/id/regdata/gm1740/2025/43d295faba0144b6a3ca562db2fbb3e0/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie alternatief bodemonderzoek lood

/join/id/regdata/gm1740/2025/5e35178322e44b3c8dd7afce16ff8d63/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie bedrijf

/join/id/regdata/gm1740/2024/43b6d929a3634c389379ae9751ae06c5/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm1740/2025/f42d0a9cf6bc4d1eb3561126725212f7/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie beeldkwaliteitsplan

/join/id/regdata/gm1740/2025/09b1638ffd074167a1f239819a3907ee/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie bestemmingsplannen nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm1740/2025/5bbe33a967224e868f410f7a12f53f63/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie bestemmingsplannen vervallen

/join/id/regdata/gm1740/2024/49f616a0fd4543e5ac9064a652834ae4/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Betuwestraat Noord

/join/id/regdata/gm1740/2025/03cd840da07e45c584332cb786d41d4e/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie bodembeheergebied grond en baggerspecie

/join/id/regdata/gm1740/2025/7886851ecceb42e2a6b0409b9a2757fe/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Bonegraafseweg 3

/join/id/regdata/gm1740/2025/6d7418c43ad94cf49f51b46c4f46dc04/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

/join/id/regdata/gm1740/2025/97523b65f91d427a8c87dddc82255498/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Boveneindsestraat 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/b1927ce457454539bb2cb2fb6ea31610/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie brandweerkazerne Dodewaard

/join/id/regdata/gm1740/2025/89ffbdbb6aa2490e8b17fdc1b9060923/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie centrum

/join/id/regdata/gm1740/2024/8bb571687dc44540b8f1a1cae6c0cfe0/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Dalwagenseweg 18 Opheusden

/join/id/regdata/gm1740/2025/1edec1b8bcd34f17854d33c4f45c1c29/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie detailhandel

/join/id/regdata/gm1740/2024/eec31568afb1438686451b08bce9ffb5/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie dienstverlening

/join/id/regdata/gm1740/2024/ed590913a7ea4908bedc5a560166b491/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Dr. M. van Drielplein Ochten

/join/id/regdata/gm1740/2025/6137fc54cf4146c18757bf31b9f4e0c1/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie ecologisch werkprotocol

/join/id/regdata/gm1740/2025/ec1f74225cb747bc98f5c5f87a349f96/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie evenementen als medegebruik

/join/id/regdata/gm1740/2025/7208d0ef5280472db439cd48589aa7e5/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie geluidwerende voorziening

/join/id/regdata/gm1740/2025/9057ae0929324b5da1e2e8a0a3295a2a/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Herenland fase 3a

/join/id/regdata/gm1740/2025/a6b6684d932d421ea8720ab61fccc482/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Herenland-West Opheusden

/join/id/regdata/gm1740/2025/2fc81051a1b64275a0796e77980ce8e4/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Hoofdstraat 31

/join/id/regdata/gm1740/2025/bce3e9794d174f3abe31b418a070bc63/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie horeca

/join/id/regdata/gm1740/2025/954d378de8fe48ddaa74e7278f2c9c2a/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie kantoor

/join/id/regdata/gm1740/2025/1baa79c6a9db4f138fd692eb2ac278e8/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Kerk Cuneraweg

/join/id/regdata/gm1740/2025/b0a7ce90e4e345ea8fd9ee4f9626c285/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Kesteren Pottemsche Veld

/join/id/regdata/gm1740/2025/cb74eed272414b3bac27238404726098/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie landelijk groen

/join/id/regdata/gm1740/2025/ae9fa55f72754f889f6184742ea7934a/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie landschappelijk inpassingsplan

/join/id/regdata/gm1740/2025/e42b9ffdae2c45b8ba5d88137fa01c7b/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Lindelaan 11, Opheusden

/join/id/regdata/gm1740/2025/77bc2928223e4a838958f7fff3ebf7ae/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie maatschappelijk

/join/id/regdata/gm1740/2024/7ed79b1c3bfb427eb7bd0fe73b2f1ce2/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Margrietlaan 13

/join/id/regdata/gm1740/2025/9eaff3d394e145838b7eff5973cc4a15/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie natuur

/join/id/regdata/gm1740/2024/115577af339b4c51b761f6c8db39291a/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Nedereindsestraat 29

/join/id/regdata/gm1740/2025/14bc944ab46f4057bca08b7a3f95ff30/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm1740/2025/28c11d78845341ccbb0417b60d01f375/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Oranjehof Ochten

/join/id/regdata/gm1740/2025/ba3b3c7743f742e0ab2524d9484a4013/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie railverkeer

/join/id/regdata/gm1740/2024/6fafbde460f74a3da9073864fb7aacd8/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Rijnbandijk 5 Opheusden

/join/id/regdata/gm1740/2025/36e653de81394d869a0a383262f51022/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Smachtkamp 60

/join/id/regdata/gm1740/2025/2f9f76c08c8444f9a0f36eba7b9a3ce0/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie sport

/join/id/regdata/gm1740/2024/db025d9937fd4c07859ca7b7c2185f97/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Stationsstraat 24

/join/id/regdata/gm1740/2025/5c37c00d147c4658afbbe7c8fb38ac63/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie stedelijk groen

/join/id/regdata/gm1740/2024/a1450d9e24e54f5c873292f3d6b0da13/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie stedenbouwkundig plan

/join/id/regdata/gm1740/2025/413debf95baf43a0b1336a2aaf65b5aa/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie tuinmuur

/join/id/regdata/gm1740/2025/82171550f284460385b5eb22b6635bb9/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie uitgebreid bodemonderzoek

/join/id/regdata/gm1740/2025/db2e8190f9844c56bcd64c1afa021e55/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie verblijfsgebied

/join/id/regdata/gm1740/2024/83affc9df51340ceb45a12e19d2d9676/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie verkeer

/join/id/regdata/gm1740/2025/373247719e0b4440a0debc720650cf67/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie verzamelgroep bp vervallen en nieuwe initiatieven

/join/id/regdata/gm1740/2025/b2082ef2283c4edbb3ba29a66558a343/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie Vicuslaan 2 Kesteren

/join/id/regdata/gm1740/2025/2d1c17ed389f4776a466610e0fb39ca3/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie volkstuin

/join/id/regdata/gm1740/2024/0a42c3f68d3a4e2f927b97d5d3f6c0fb/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie water

/join/id/regdata/gm1740/2025/11291f81d5e745b584fde7ef38ade00f/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie windhaag

/join/id/regdata/gm1740/2025/66afc9f2af1d4ef0971f9ec635f3ad21/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie wonen

/join/id/regdata/gm1740/2025/de6327c997dd4e1ab18e8c347306043e/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie wonen - Boveneindsestraat 1

/join/id/regdata/gm1740/2025/83bdb7ccf65e468abdaf438b975b4a28/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie wonen - Pottemsche Veld

/join/id/regdata/gm1740/2025/b4ba2728c9d043399b33a7fba42c657b/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie woongebied

/join/id/regdata/gm1740/2025/49391c4e4cbd4a96a980ac1a7160d9d0/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie woongebied - uit te werken

/join/id/regdata/gm1740/2024/820b5b18fff444f28908c7757cc53071/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie woonwagens

/join/id/regdata/gm1740/2025/9469fd7c17a24c908c45dba359d68600/nld@2026‑03‑09;06502934

Locatie zorgwoning

/join/id/regdata/gm1740/2025/c427162eecd04f8898504ac9aad8a718/nld@2026‑03‑09;06502934

Locaties afwijkende waarden

/join/id/regdata/gm1740/2025/badfd63be7ba49ec9eb171e999a26401/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied afwijkende bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

/join/id/regdata/gm1740/2025/e56a4820b61a4df084577654db16622e/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied afwijkende hoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/db6b9b35b41d402fb90ae074ce148b39/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied beeldend kunstwerk

/join/id/regdata/gm1740/2025/6eed5da44d5a42b697e36ac5bed29178/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied infrastructureel kunstwerk

/join/id/regdata/gm1740/2025/a166aee7768d468aa6960cc734fdefdd/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bebouwd oppervlak gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/ae693674023e4f36b2212de4e29e462e/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bebouwingspercentage gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/01e613d705bb41b2ae56e7ba170d3960/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bebouwingspercentage hoofdgebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/fc773a344e9e46d19d6ffb66ecca3099/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bedrijfsvloeroppervlak maatschappelijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/3b1cb874a4474c52baee37cce1ad576f/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/91f9a1cd0624461498752fa03f408e1c/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel

/join/id/regdata/gm1740/2025/10cc49f777f24560b63f1383942c53fd/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte dienstverlening

/join/id/regdata/gm1740/2025/d3e86bffb23e45e489a02f187714f9f9/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum bruto-vloeroppervlakte kantoor

/join/id/regdata/gm1740/2025/3b21451741254cbea3c33bd5f44a3412/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum goothoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/e5a15d9104bc457dbdb42ed09a8a3807/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

/join/id/regdata/gm1740/2025/548db0137647471da6dcd028702fae97/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied minimum bouwhoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/6037d23d78ba4cbd92cb4e51333920ba/nld@2026‑03‑09;06502934

Normgebied minimum goothoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/556e8d10cf25449db321b2914d51e991/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm afwijkende hoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm1740/2025/8d3709ca0b894475b36b5b0550015112/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm1740/2025/5df0907e7d6043038d7248ff18e2ae65/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximaal bruto-vloeroppervlakte dienstverlening

/join/id/regdata/gm1740/2024/87f9e87cec424caf94cbb5b93226e31f/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximale bedrijfsvloeroppervlak maatschappelijk

/join/id/regdata/gm1740/2025/4258ae578ec943e9af179260063cb501/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximale bruto-vloeroppervlakte kantoor

/join/id/regdata/gm1740/2025/d5c22e8213a04617a8cba21a52eee4ed/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden 

/join/id/regdata/gm1740/2025/499216713df2423683389c7fd78aeef9/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bebouwd oppervlak gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/f48bc090b774497b9204b4f2d0008a87/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/e1cc807d358b4afc951a18e285d647d1/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage hoofdgebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/4e58b74943134245a8b89fb70bb10c51/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bouwhoogte beeldend kunstwerk

/join/id/regdata/gm1740/2025/af5a57825559485cbf172a3f5a81d60a/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/d3e2f9317b074ffc94c3a0f93962cd07/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk 

/join/id/regdata/gm1740/2025/8f284b5584424ea5b227d5266a375847/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel

/join/id/regdata/gm1740/2024/5467d7b099874815b70b2a9c4171eca3/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum goothoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/cc843d5315ac4864ae076680da83b419/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum oppervlak archeologie

/join/id/regdata/gm1740/2025/55d5c91b058b40bdadd63514494eddd8/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

/join/id/regdata/gm1740/2025/24d74db0878d4e0cab5bd58ae0069333/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm maximum volume woning

/join/id/regdata/gm1740/2025/dc7244243eb34360a5ca919347eddb80/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimale afstand woning tot achterste perceelsgrens

/join/id/regdata/gm1740/2025/756cbd08540f47e99253dfa6b655b43d/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimale bergingscapaciteit

/join/id/regdata/gm1740/2025/f90d3c1c8845438488381e0942046bd8/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimale dakhelling kap

/join/id/regdata/gm1740/2025/11119f6446ec49e4b1396b54b930d84d/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimale hoogte geluidwerende voorziening

/join/id/regdata/gm1740/2025/6194aab130594ba09b1a989f3868cfb7/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimum aantal levensloopbestendige woningen

/join/id/regdata/gm1740/2025/9440ae5a85364a18a4d05d8da420cba7/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimum bouwhoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/80ce34fa142c4f249f49e154a52c4fa4/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimum goothoogte gebouwen

/join/id/regdata/gm1740/2025/fed9fbe0e2c84bb2a09a872f857bcb57/nld@2026‑03‑09;06502934

Omgevingsnorm minimum percentage woonprogramma sociale huurwoning begane grond

/join/id/regdata/gm1740/2025/114b9d54e2464d0f93e313e529e2ff25/nld@2026‑03‑09;06502934

Zones op basis van de ontgravingskwaliteit

/join/id/regdata/gm1740/2025/c82038d5e71e433cb62d170f6c3e8d04/nld@2026‑03‑09;06502934

Zones op basis van de toepassingseisen

/join/id/regdata/gm1740/2025/039d431a2b6e4552879071132395502a/nld@2026‑03‑09;06502934

Toelichting

Algemene toelichting

1 Inleiding

1.1 Algemeen

Voor u ligt de toelichting op het omgevingsplan voor Neder-Betuwe. Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de zorg voor de fysieke leefomgeving en de regulering van activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van alle afzonderlijke bestemmingsplannen. Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen gaat op in het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die worden gedecentraliseerd.

Kwaliteit fysieke leefomgeving centraal

In het omgevingsplan staan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en regulering van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die kwaliteit centraal. Het omgevingsplan is (anders dan het bestemmingsplan) dan ook niet beperkt tot planologische aspecten. Het omgevingsplan bevat daarom niet alleen regels over bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken, maar ook regels over andere activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is het omgevingsplan ook niet onbeperkt in het toepassingsbereik; er zijn beperkingen voor waar regels over mogen gaan. Regels die in het omgevingsplan worden gesteld, moeten betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en op activiteiten die daarop gevolgen kunnen hebben. 

Eén omgevingsplan voor heel Neder-Betuwe 

Het omgevingsplan geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan. Om dat te bereiken zijn in het omgevingsplan voor Neder-Betuwe die activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en de regulering daarvan, centraal gesteld. Overigens worden daarbij alleen die activiteiten gereguleerd waarvan dat gelet op de zorg voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk wordt geacht. Niet elke activiteit met een (mogelijk) gevolg voor de fysieke leefomgeving behoeft immers regulering. Zo is bijvoorbeeld bij het vervangen van een gazon in de tuin door een bloemperk ongetwijfeld sprake van een activiteit, en wijzigt die activiteit zelfs de fysieke leefomgeving, toch kan regulering hiervan achterwege blijven. Regels zijn alleen nodig als de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving daar om vraagt. 

Gefaseerde overgang

Het omgevingsplan zal onder andere alle bestemmingsplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal voormalige rijksregels moeten vervangen. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Neder-Betuwe is dan ook een zeer grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. Deze overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot en met in elk geval 2031 om deze opgave te realiseren. 

Met name de regels uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen gebiedsgewijs worden vervangen. De gemeente Neder-Betuwe pakt deze 'verhuizing' als volgt aan: eerst worden de bestemmingsplannen voor de Kernen overgezet naar het omgevingsplan, daarna de bestemmingsplannen voor het Buitengebied en daarna de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen. Naast de bestemmingsplannen zullen ook de met de bestemmingsplannen verwante voormalige rijksregels worden meegenomen bij de verschillende gebieden. De (delen van de) gemeentelijke verordeningen zullen op natuurlijke momenten worden overgezet. Natuurlijke momenten zijn momenten waarop de verordening moet worden aaangepast vanwege een beleidswijziging of andere actualisatie. De regels uit de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe en de Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Neder-Betuwe worden meegenomen bij de 'verhuizing' van de bestemmingsplannen voor de Kernen omdat de wettelijke grondslag van deze verordeningen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is komen te vervallen. 

Regelingen naast het omgevingsplan

Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de wet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht. Naast het omgevingsplannen blijven er ook regelingen van Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten. Zo bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving algemene regels over bouwwerken, die rechtstreeks aan de initiatiefnemer die voornemens is een bouwactiviteit te verrichten, zijn gericht. Bovendien zullen er naast het omgevingsplan ook andere gemeentelijke verordeningen van toepassing blijven. Die verordeningen kunnen ook regels bevatten over onderwerpen of activiteiten die 'aanleunen' tegen de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening en de Huisvestingsverordening. 

1.2 Over de toelichting

De toelichting op het omgevingsplan bevat een algemeen deel en een artikelgewijs deel. In het algemene deel van de toelichting wordt inzicht gegeven in de juridische aard en opbouw van het omgevingsplan. Daarbij wordt ook ingegaan op de wetgeving die aan het omgevingsplan ten grondslag ligt, en op de doelstellingen daarvan. Om allerlei juridische keuzes die in het omgevingsplan worden gemaakt te onderbouwen, wordt stilgestaan bij de mogelijkheden en verplichtingen die de Omgevingswet voor de opbouw van het omgevingsplan biedt en stelt. Wanneer in de regels wordt gekozen voor het instellen van een bepaalde vergunningplicht of meldingsplicht, dan moet bekend zijn wat een vergunningplicht of meldingsplicht inhoud en in welke gevallen die kunnen worden ingesteld. Maar ook wordt stilgestaan bij wetgeving die eisen stelt aan de inhoud en normering van regels. Zo zijn veel algemene regels in het omgevingsplan opgenomen ter uitvoering van door het Rijk gestelde instructieregels. Om te begrijpen waarom die regels zijn gesteld, is het van belang om te weten wat instructieregels zijn, en welke instructieregels leiden tot welke regels. Ook dat wordt in het algemene deel van de toelichting beschreven. 

Veel van de keuzes die zijn gemaakt en de regels die zijn opgenomen, vormen een vertaling van bestaande kaders. Die kaders kunnen bestaan uit hogere wet- en regelgeving, maar het kan ook gaan om gemeentelijke beleidskaders. Omdat keuzes en regels een uitvloeisel zijn van die hogere kaders, is inzicht in die hogere kaders nodig om de keuzes en regels te kunnen begrijpen. Daarom wordt in deze toelichting ook inzicht in de relevante kaders gegeven. 

Al deze achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan. Daarmee is deze toelichting van belang voor iedereen die met het omgevingsplan te maken krijgt. De bestuurder die het omgevingsplan moet vaststellen, de ambtenaar die ermee moet werken, maar ook de burger, de ondernemer, de ontwikkelaar. Al die uiteenlopende doelgroepen zullen waar en wanneer nodig achterliggende informatie of onderbouwing van keuzes (terug) moeten kunnen vinden. Hetgeen in de toelichting is aangegeven is van belang om het nieuwe instrument omgevingsplan te begrijpen, maar om ook te kunnen beoordelen of het omgevingsplan in zijn vorm en inhoud aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten voldoet. Wat dat laatste betreft is van belang dat een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan voor beroep vatbaar is. De algemene toelichting dient ook als juridische onderbouwing van de in het omgevingsplan gemaakte keuzes, wat ook relevant kan zijn in beroep. De algemene toelichting bevat daartoe waar nodig verwijzingen naar bovenliggende wet- en regelgeving, maar ook naar parlementaire stukken, waarin de wetgever tekst en uitleg over de Omgevingswet heeft gegeven.

Het omgevingsplan is opgesteld vanuit een verplichting van de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan is rekening gehouden met die Omgevingswet en met de daaronder hangende Algemene maatregelen van bestuur. Die landelijke wet- en regelgeving vormt het kader voor allerlei keuzes. Om de controleerbaarheid te vergroten wordt waar nodig verwezen naar wetsartikelen. Voor een deel vindt de onderbouwing ook plaats vanuit de toelichting op die wet- en regelgeving. Waar nodig wordt in dat geval verwezen naar de parlementaire stukken. Via het daarbij aangegeven kamernummer zijn deze stukken digitaal raadpleegbaar. 

Een algemeen gedeelte en een artikelsgewijs gedeelte 

De toelichting van het omgevingsplan bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte. Waar in het algemene deel met betrekking tot de regels allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes worden toegelicht, wordt in het artikelsgewijze deel, voor zover dat nodig is om het artikel te begrijpen,  per artikel uitgelegd wat de concrete strekking ervan is, en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing. 

Zo bevat het algemene deel van de toelichting bijvoorbeeld een beschrijving van wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen, en wordt in zijn algemeenheid beschreven hoe daaraan in het omgevingsplan uitvoering wordt gegeven. In de artikelsgewijze toelichting wordt vanuit die achtergrond per artikel het oogmerk en de werking van de erin opgenomen regel(s) toegelicht, maar een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelgewijze opzet ook niet goed voor. 

De toelichting bevat weliswaar een toelichting op en onderbouwing van de regeling, afzonderlijke regelonderdelen en regels, maar de toelichting bevat niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische onderbouwing van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. 

1.3 Over het wijzigen van het omgevingsplan en de motivering daarvan

Het omgevingsplan is geen regeling die ineens voor heel Neder-Betuwe kan worden vastgesteld. Dat zal gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs gebeuren. Omdat er vanaf het eerste moment sprake is van een omgevingsplan (het omgevingsplan van rechtswege, zie hoofdstuk 6 van deze toelichting) gebeurt dit door middel van wijzigingsbesluiten. Het zijn de wijzigingsbesluiten waarmee het omgevingsplan of delen ervan in werking treden. Dat inwerkingtreden leidt tot rechtsgevolgen. Die rechtsgevolgen moeten zowel bestuurlijk als juridisch worden gemotiveerd. Dat gebeurt in de motivering bij het wijzigingsbesluit. 

Bestanddelen van een besluit tot wijziging van het omgevingsplan

Het besluit waarbij een omgevingsplan wordt gewijzigd zal, net zoals dat bij een besluit tot vaststelling of aanpassing van een gewone verordening vaak gebruikelijk is, bestaan uit drie onderdelen. De wetgever heeft hierover het volgende aangegeven (Staatsblad 2018 290, p. 94):

In het eerste deel van het vaststellingsbesluit wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt aangepast. In dit motiveringsdeel wordt aangegeven op welke onderdelen een omgevingsplan wordt aangepast en wordt verwezen naar voor die aanpassingen relevant beleid uit de omgevingsvisie van gemeente, provincie of Rijk. Er wordt toegelicht op welke wijze gevolg is gegeven aan de toepasselijke instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk. Er wordt gemotiveerd om welke redenen het besluit voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er wordt aandacht geschonken aan de wijze waarop met ingekomen zienswijzen is omgegaan. Als onderdeel van de motivering kunnen ook onderzoeksgegevens en bescheiden als bijlage bij dit deel van het vaststellingsbesluit zijn verbonden. Dit deel van het vaststellingsbesluit zal overeenkomsten vertonen met het algemene deel van de toelichting bij andere verordeningen en met de toelichting bij een bestemmingsplan. 

Het tweede deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Vergelijkbaar met een wetswijziging of de wijziging van een verordening, wordt hierin aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Ook wordt als onderdeel van de regels door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd. Het werkingsgebied kan het gehele gemeentelijke grondgebied zijn (het ambtsgebied van de gemeente), maar ook een of meer delen daarvan. Regels kunnen zo per locatie (per gebied, per perceel of delen daarvan) verschillen. Regels kunnen ook een kwantitatieve norm bevatten. Zo’n waarde kan bijvoorbeeld aangeven dat op een locatie een maximale bouwhoogte, oppervlakte of andere maatvoering in acht moet worden genomen. Dit tweede deel van het besluit gaat onderdeel uitmaken van de geconsolideerde (doorlopende) versie van het omgevingsplan.

Een derde deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit aanpassingen die worden aangebracht in de geconsolideerde toelichting die bij het omgevingsplan wordt gegeven. Een dergelijke geconsolideerde toelichting is weliswaar niet verplicht, maar naar verwachting zullen gemeenten, aldus de wetgever, een dergelijke toelichting in geactualiseerde vorm bijhouden, zoals dat ook bij veel andere verordeningen gebruikelijk is. Een actuele toelichting kan de raadpleegbaarheid en toepasbaarheid van een omgevingsplan immers ten goede komen. Bij elke aanpassing van regels in het omgevingsplan wordt ook de toelichting op die regels geactualiseerd en opgenomen bij de geconsolideerde, digitaal raadpleegbare versie van het omgevingsplan. 

De bij een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan opgenomen motivering en de daarbij behorende gegevens en bescheiden over bijvoorbeeld onderzoek en zienswijzen, maken geen deel uit van het omgevingsplan zelf. Dat geldt ook voor de toelichting uit het derde deel van het vaststellingsbesluit. Deze delen van het omgevingsplan zijn, net als de toelichting bij een bestemmingsplan en de (artikelsgewijze) toelichting bij andere algemeen verbindende voorschriften, niet juridisch bindend. Wel kunnen deze delen uiteraard een doorslaggevende rol spelen bij de interpretatie van de regels van het omgevingsplan.

In de praktijk zal de motivering van het wijzigingsbesluit in sommige gevallen één op één worden toegevoegd aan of verwerkt in de toelichting. Dat is met name het geval wanneer een wijzigingsbesluit voorziet in nieuwe regels in het omgevingsplan, of in een wijziging van de bestaande regels. Bij gebiedsontwikkeling zal echter vaak sprake zijn van een gebruikmaken van reeds bestaande regels. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan gefaciliteerd doordat met het wijzigingsbesluit bepaalde regels over bouwwerken en gebruik voor een daarbij specifiek bepaalde locatie van toepassing worden. Het wijzigingsbesluit voorziet dan hoofdzakelijk in het wijzigen van het werkingsgebied van regels of het locatiegericht opnemen van normen. In dat geval voorziet de motivering vooral in een onderbouwing van de voorgenomen ontwikkeling in dat betreffende gebied. Die motivering wordt niet opgenomen in de toelichting van het omgevingsplan.   

De motivering van het wijzigingsbesluit

De motivering van het wijzigingsbesluit staat in een bepaalde verhouding tot de toelichting bij het omgevingsplan. De toelichting heeft betrekking op de regeling (van het omgevingsplan) als geheel en de regels binnen die regeling, en onderbouwt de daarin gemaakte keuzes. Deze toelichting bevat (anders dan de meeste andere gemeentelijke verordeningen) niet de volledige onderbouwing van de rechtsgevolgen van het omgevingsplan. Dat is ook niet mogelijk, omdat het omgevingsplan niet alleen veel algemene, overal geldende regels bevat, maar juist ook veel locatiegerichte regels. Het rechtsgevolg van het op een bepaalde locatie van toepassing worden van een locatiegerichte regel is niet in zijn algemeenheid te onderbouwen. Dat zal per wijzigingsbesluit waarmee een locatiegerichte regel op een locatie van toepassing wordt, moeten gebeuren. Daarbij kan vaak wel voor een deel, maar soms ook geheel, worden teruggevallen op de toelichting. 

Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Het omgevingsplan bevat regels over onder meer planologisch gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken. Het betreft locatiegerichte regels waarmee wordt bepaald waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan, waar bouwwerken zijn toegestaan. Daarbij kunnen aanvullende locatiegerichte regels over dat gebruik en het bouwwerk kunnen worden gesteld. Waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik, bijvoorbeeld detailhandel, is toegestaan, en waar en hoe hoog gebouwd mag worden, wordt echter niet ineens voor heel Neder-Betuwe bepaald. Dat kan ook niet, dat zal gebiedsgewijs gebeuren. De onderbouwing van de regels vindt plaats in de toelichting. Zo wordt in de toelichting op de regels over detailhandel de daarbij gemaakte keuzes aan de hand van onder meer het detailhandelsbeleid onderbouwd. En voor wat betreft de regels over bouwwerken wordt de keuze voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook in de toelichting onderbouwd. In het geval van een initiatief / ontwikkeling dat leidt tot een wijziging van het omgevingsplan waarbij op een specifieke locatie een bouwwerk mag komen van 10 meter hoog, en dat daarin detailhandel mag komen wordt echter niet onderbouwd in de toelichting, maar in de motivering van het wijzigingsbesluit waarmee dat bouwwerk en het gebruik voor detailhandel op de betreffende locatie worden toegestaan. In het verleden gebeurde dit bij vaststelling van een bestemmingsplan in de toelichting op het bestemmingsplan. Daarin werd dan zowel een beschrijving van het achterliggend kader (detailhandelsbeleid) als de keuze voor het bouwwerk en het gebruik voor detailhandel op de betreffende locatie opgenomen. De beschrijving van het achterliggend kader is echter opgenomen in het algemene deel van de toelichting. In de motivering van het wijzigingsbesluit kan worden volstaan met aan te geven hoe de concrete keuze voor detailhandel op deze specifieke locatie zich verhoudt tot dat beleid. Het zal ook de motivering van het wijzigingsbesluit zijn waaraan onderbouwende onderzoeken en andere bijlagen die het besluit motiveren, worden gekoppeld. Zo zal bij een gebiedsontwikkeling een eventueel benodigd milieueffectrapport, een verkeersonderzoek en een akoestisch onderzoek niet aan de toelichting van het omgevingsplan worden gehangen, maar aan de motivering van het wijzigingsbesluit. 

Wanneer sprake is van regels die overal binnen de gemeente gelden, zal de motivering veelal bestaan uit een toelichting die in het algemene en artikelgewijze deel van de toelichting moet landen. Zo zal bij de regels over onderwerpen die overal binnen de gemeente gaan werken, zoals regels over milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 8 van de regels), de algemene of artikelgewijze toelichting een groot deel van de inhoudelijke motivering bevatten. Het is met name bij wijzigingsbesluiten van meer planologische aard dat een uitgebreide aanvullende motivering nodig zal zijn. Gedacht moet worden aan wijzigingsbesluiten waarmee de bestaande ruimtelijke besluiten worden vervangen, of besluiten waarmee gebiedsontwikkeling of transformatie worden mogelijk gemaakt. 

Tegen elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. Nadat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is genomen, zal het wijzigingsbesluit inclusief motivering en bijlagen worden gepubliceerd. 

1.4 Digitale opzet van het omgevingsplan, consolidatie van de regeling en toelichting

Het omgevingsplan wordt langs elektronische weg raadpleegbaar in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). De wetgever geeft hierover het volgende aan (Staatsblad 2018 290, p. 95):

"Digitale raadpleegbaarheid is nodig omdat elke regel in het plan een werkingsgebied heeft dat met het vastleggen van coördinaten wordt bepaald. Het omgevingsplan bestaat uit regels waarin tekst is opgenomen, met een eventuele waarde zoals een bouwhoogte, en waarin met coördinaten het werkingsgebied van de regel is vastgelegd. Per locatie zullen regels en delen daarvan dus kunnen verschillen. Een omgevingsplan bestaat uit het (eerste) initiële omgevingsplan en de daarop volgende wijzigingsbesluiten. Zowel een afzonderlijk besluit tot vaststelling van het omgevingsplan (een wijzigingsbesluit) als alle besluiten tot vaststelling van het omgevingsplan die samen de actuele geconsolideerde versie van het omgevingsplan vormen, worden elektronisch beschikbaar worden gesteld. Bij de raadpleging van het omgevingsplan kan ook de relevante achterliggende informatie worden opgevraagd. Zo kan bij het raadplegen van de geconsolideerde versie van het omgevingsplan per regel (of onderdeel daarvan) worden nagegaan bij welk besluit de betreffende regel (of onderdeel daarvan) in het omgevingsplan terecht is gekomen. Ook dit besluit waarmee de betreffende regel in het omgevingsplan is vastgesteld kan worden opgevraagd en geraadpleegd. Verder wordt de achterliggende wetstechnische informatie raadpleegbaar. Bekeken kan worden welk orgaan, op welk moment, bij welk besluit de regel heeft vastgesteld. Te vinden is wanneer de regel in werking is getreden en onherroepelijk is geworden. Als aan de regel een delegatiebesluit ten grondslag ligt, omdat de gemeenteraad de bevoegdheid om bepaalde delen van het omgevingsplan vast te stellen aan het college van burgemeester en wethouders heeft gedelegeerd, kan ook dat besluit worden geraadpleegd."

Tot zover de wetgever. Omdat het omgevingsplan tot stand zal komen door middel van vele wijzigingsbesluiten, en ook gewijzigd zal blijven worden, is van belang dat die wijzigingsbesluiten worden verwerkt in de regeling. Dat gebeurt in de vorm van een geconsolideerde regeling. Daarin zal de regeling zichtbaar zijn zoals die op dat moment geldt. Van ontwerpwijzigingen of genomen besluiten die nog niet in werking zijn getreden zal een consolidatie beschikbaar zijn waarin ook die toekomstige wijzigingen raadpleegbaar zijn. 

In sommige gevallen zal een wijziging van het omgevingsplan ook leiden tot een aanpassing van de toelichting. Wanneer er bij het vervangen van een bestemmingsplan behoefte blijkt aan een extra bouwregel, dan zal die behoefte niet alleen moeten worden gemotiveerd in de motivering bij het wijzigingsbesluit, maar zal die motivering waarschijnlijk ook moeten worden vertaald naar een artikelgewijze toelichting. En wanneer een heel nieuw regelonderdeel wordt toegevoegd aan het omgevingsplan (bijvoorbeeld bij het op enig moment inpassen van de bomenverordening), dan zal de motivering van dat wijzigingsbesluit geheel of gedeeltelijk landen in zowel het algemene deel als de artikelgewijze van de toelichting. Dergelijke wijzigingen van het omgevingsplan vragen dus niet alleen om een geconsolideerde weergave van de regeling, maar ook om een geconsolideerde weergave van de toelichting. 

1.5 Overgangsperiode

Zoals in paragraaf 1.1 reeds aangegeven, komt het omgevingsplan in de plaats van heel veel verschillende regelingen, en zal het gefaseerd tot stand komen. Gedurende die overgangsfase zullen de bestemmingsplannen gebied voor gebied worden vervangen door nieuwe regels. Ook zullen verschillende verordeningen geheel of gedeeltelijk overgaan naar het omgevingsplan. 

Bij koninklijk besluit is de overgangstermijn voor het omgevingsplan bepaald. Daarbij wordt uitgegaan van een transitietermijn van 8 jaar. Dat betekent dat de overgang in 2031 moet zijn afgerond. De wetgever acht dit een haalbare termijn om tot een gefaseerde ombouw te komen van bestemmingsplannen, andere ruimtelijke planfiguren en lokale verordeningen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Tegelijkertijd erkent het Rijk dat het omzetten van alle huidige plannen naar 1 samenhangend omgevingsplan voor gemeenten een forse klus is. De voortgang wordt daarom jaarlijks gemonitord. Na 3 jaar wordt, mede in afstemming met de VNG, bezien of het nodig is om de datum van het einde van de transitietermijn te heroverwegen. Ook wordt dan bekeken in hoeverre aanvullende actie, bijvoorbeeld in de vorm van extra ondersteuning, nodig is.

Het gefaseerd vervangen van allerlei bestaande regelingen zal zowel gebiedsgewijs als themagewijs gebeuren. Gebiedsgewijs wil zeggen dat in bepaalde delen van Neder-Betuwe al wel de nieuwe regels gaan gelden, terwijl elders de oude regels nog van toepassing zijn. Zo worden de onder oud recht vastgesteld bestemmingsplannen gebied voor gebied vervangen (eerst de Kernen, dan het Buitengebied en tot slot de Bedrijventerreinen). Dat betekent onder meer dat op enig moment in sommige delen van Neder-Betuwe nog de ruimtelijke regels van een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan van toepassing zijn, terwijl elders al nieuwe ruimtelijke regels daarvoor in de plaats zijn gekomen. Themagewijs wil zeggen dat bepaalde regels voor heel Neder-Betuwe ineens worden vervangen. Dat gebeurt met name met regelonderdelen die voor heel Neder-Betuwe gelden. Zo zullen de regels waarmee de hemelwaterverordening wordt vervangen, voor heel Neder-Betuwe van toepassing zijn. 

Gedurende deze overgang moet uiteraard duidelijk zijn welke regels waar gelden. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Dat is een landelijke voorziening. Het bevat het Omgevingsloket, met als onderdeel een viewer waarin het omgevingsplan raadpleegbaar is. Met die viewer worden zowel de nieuwe regels als de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen getoond. Dat laatste zolang dat nog ergens geldt. 

Raadpleegbaarheid nieuwe regels omgevingsplan en onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen
afbeelding binnen de regeling
Regels op de kaart - Omgevingswet - Regels op de kaart - Omgevingsloket

Waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, moet voor de ruimtelijke regels over bouwwerken en gebruik in dat bestemmingsplan worden gekeken. Voor allerlei andere regels moet wel al in het omgevingsplan zelf worden gekeken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de regels waarmee een vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk in het leven wordt geroepen. Is het bestemmingsplan komen te vervallen, dan wordt dat niet meer getoond. Voor ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken wordt dan gekeken in het nieuwe deel. 

Overigens zal het ook veel voorkomen dat het bestemmingsplan nog niet is vervangen, maar dat er al wel algemene regels in heel Neder-Betuwe gaan gelden over onderwerpen die ook door bestemmingsplannen worden geregeld. Daaraan valt niet te ontkomen. Het gevolg daarvan is dat er innerlijk tegenstrijdige regels kunnen gaan gelden. In dat geval zal in het omgevingsplan zelf worden gewerkt met voorrangsregels. Die bepalen dan welke regel van toepassing is, en welke niet.    

Voor bestaande verordeningen die geheel of gedeeltelijk op moeten gaan in het omgevingsplan geldt dat die, zolang ze nog niet zijn vervangen, op de gebruikelijke wijze vindbaar blijven.  

In hoofdstuk 6 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk ingegaan op de transitie, en op de wijze waarop die voor Neder-Betuwe wordt vormgegeven. 

2 Het omgevingsplan: aanleiding, verbeterdoelstellingen en uitgangspunten voor het omgevingsplan

2.1 Aanleiding voor de Omgevingswet en verbeterdoelstellingen 

De verplichting om voor heel de gemeente Neder-Betuwe één omgevingsplan vast te stellen volgt uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor die fysieke leefomgeving. De Omgevingswet heeft kort gezegd als doel om een goede balans te vinden tussen het bereiken en in stand houden van enerzijds een goede omgevingskwaliteit en anderzijds het gebruik en de ontwikkeling van die fysieke leefomgeving. De Omgevingswet bundelt de nu nog sterk versnipperde wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Met de Omgevingswet is het voorheen geldende stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien en is het fundament van het nieuwe stelsel voor het omgevingsrecht gelegd. 

Dit heeft grote gevolgen voor het gemeentelijk juridisch stelsel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Gemeenten hebben ten opzichte van het voorheen geldende stelsel nieuwe instrumenten gekregen waarvan ze gebruik kunnen én moeten maken. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan wordt voorzien in integratie van allerlei regelingen op gemeentelijk niveau. Zo is niet alleen sprake van een stelstelselherziening op landelijk niveau, maar ook op gemeentelijk niveau. Bovendien is het omgevingsplan een nieuw instrument, waarvoor niet is bepaald hoe dat vormgegeven moet worden. De vormgeving is medebepalend voor de mate waarin het instrument daadwerkelijk een bijdrage kan leveren aan het bieden van oplossing voor gemeente-specifieke vraagstukken. De opgave om te komen tot daadwerkelijk één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan is aan de gemeenten zelf. Daarbij moet uiteraard oog zijn voor de verbeterdoelstellingen van de wet. 

Met de stelselherziening heeft de wetgever vier verbeterdoelen voor ogen:

  • a.

    het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht,

  • b.

    het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving,

  • c.

    het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving,

  • d.

    het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken op gemeentelijk niveau dient elke gemeente straks één omgevingsplan te hebben met daarin regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. 

Voor de achterliggende redenen bij de verbeterdoelstellingen wordt verwezen naar onder andere Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 986, nr. 3, onder meer blz. 6.

2.2 Juridisch karakter van het omgevingsplan

Het omgevingsplan is het instrument waarmee de doelen van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt, geoperationaliseerd en juridische doorwerking krijgen naar burgers en bedrijven. Artikel 2.4 van de Omgevingswet schrijft voor dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De regels in het omgevingsplan gaan altijd over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Met het reguleren van activiteiten vervult het omgevingsplan een sleutelrol in de overheidszorg voor het verenigen van het gebruiken en het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving (zie ook de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018 290, blz. 91, 92).

Het omgevingsplan is juridisch primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan doet daarmee wat voorheen in bestemmingsplannen werd geregeld. Een vergelijking met bestemmingplannen wordt dan ook snel gemaakt, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo bevat het omgevingsplan niet alleen regels over gebruik van gronden en bouwwerken maar ook andere regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Het omgevingsplan bestaat uit algemeen verbindende voorschriften. En net als andere algemeen verbindende voorschriften zijn de regels in het omgevingsplan gericht op een herhaalde toepassing. Het omgevingsplan lijkt in die opzichten meer op een gemeentelijke verordening dan op een bestemmingsplan. Het omgevingsplan is in bepaalde opzichten wel anders dan veel gemeentelijke verordeningen, omdat in die verordeningen de werking van regels meestal niet naar specifieke locaties binnen het gemeentelijk grondgebied is toegedeeld. Een locatiegerichte benadering is juist weer kenmerkend voor het omgevingsplan en geldt voor veel van de onderwerpen die daarin worden gereguleerd. Veel van de regels zijn op de specifieke kenmerken van locaties afgestemd en kunnen tot op perceelsniveau en binnen percelen verschillen (zie ook de Nota van toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018, nr. 290, blz. 96).

2.3 Gemeentelijke opgave en verbeterdoelstellingen

Met het vereiste van één omgevingsplan per gemeente wordt afscheid genomen van de systematiek die we onder oud recht binnen de ruimtelijke ordening kenden. Onder de Wet ruimtelijke ordening konden per gemeenten meerdere bestemmingsplannen worden vastgesteld. Per bestemmingsplan werden regels opgenomen die uitsluitend voor het plangebied van het desbetreffende bestemmingsplan golden. Dit heeft geleid tot een situatie waarbij bestemmingsplannen inhoudelijk sterk van elkaar verschillen, zowel in de formulering als in de normering over gevallen die in feite gelijk zijn. Het leidde ook tot een situatie waarbij beleidsdoorwerking naar juridische regels moeilijk en in elk geval traag realiseerbaar is. De doorwerking moest immers per bestemmingsplan worden gerealiseerd. Doordat die niet allemaal tegelijk zijn vastgesteld en worden herzien, lag aan de verschillende bestemmingsplannen uiteenlopend beleid over gelijke onderwerpen ten grondslag. Dat was inherent aan het voorheen geldende stelsel. De opgave is om vanuit dit versnipperde landschap van honderden op zichzelf staande bestemmingsplannen met uiteenlopende ruimtelijke regels, te komen tot een integraal geheel van regels waarmee onder andere planologisch gebruik en bouwen worden gereguleerd. 

Daarbij kwam dat er allerlei gemeentelijke verordeningen en andere regelingen werden vastgesteld die aanvullende regels bevatten over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld daarvan is de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe die met het oog op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (tegengaan van wateroverlast) regels bevat over de uitvoering van bouwwerken. Het bestaan van al die afzonderlijke regelingen draagt niet bij aan samenhang in de besluitvorming, maakt het omgevingsrecht weinig voorspelbaar omdat er voor één en dezelfde activiteit meerdere toestemmingen nodig zijn, en maakt besluitvorming ook traag, aldus de wetgever. Onder de Omgevingswet zal een aantal van deze regelingen of delen ervan moeten of kunnen opgaan in het omgevingsplan. Voor regelingen of onderdelen daarvan die zelfstandig blijven bestaan, is de opgave om te komen tot een goede onderlinge afstemming met het omgevingsplan. 

Integratie van regelgeving speelt ook voor een groot aantal regels over onderwerpen waarvoor onder oud recht regels door het Rijk waren gesteld. Over een aantal onderwerpen heeft het Rijk de regelgevende bevoegdheid overgedragen aan gemeenten. Het gaat onder meer om een groot aantal bouw- en milieuregels. Die moeten op een goede manier worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Tegelijkertijd blijft er een groot aantal regels op Rijksniveau bestaan. Hetzelfde geldt voor regelgeving door provincie en waterschappen. Een goede afstemming van de regels in het omgevingsplan op die hogere regelgeving is vereist. 

2.4 Uitgangspunten voor opbouw en inhoud van het omgevingsplan

Plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan 30‑6‑2021

Op 30‑6‑2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe het plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan vastgesteld. Dit plan van aanpak is te raadplegen via de volgende link: Plan van aanpak transitieperiode omgevingsplan. In het plan van aanpak wordt in globale zin een schets gegeven van het proces dat moet leiden tot een omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe. Verder worden ook enkele uitgangspunten gegeven voor het op te stellen omgevingsplan. Het belangrijkste uitgangspunt is dat het omgevingsplan een zoveel als mogelijk beleidsneutrale 'verhuizing' moet zijn van de gemeentelijke regels zoals die golden voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. De woorden zoveel als mogelijk slaan op het feit dat de gewijzigde wetgeving en met name de (digitale) vereisten die worden gesteld aan een omgevingsplan tot gevolg hebben dat een simpele één op één verhuizing niet mogelijk is. 

Nota van uitgangspunten omgevingsplan deelgebied Kernen

In de raadsvergadering van 7‑12‑2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe de nota van uitgangspunten voor een omgevingsplan voor het deelgebied Kernen vastgesteld. Deze nota van uitgangspunten is te raadplegen via de volgende link Nota van uitgangspunten omgevingsplan deelgebied Kernen. In de Nota van Uitgangspunten staan alle uitgangspunten en keuzes voor de verhuizing van de bestemmingsplannen (inclusief aan de bestemmingsplannen verwante regels die in de Bruidsschat staan) naar het omgevingsplan Kernen, het (permanente) omgevingsplan voor de kernen. In de Nota van Uitgangspunten is per thema/beleidsonderdeel bekeken hoe het nu is geregeld, of er nieuw beleid of regelgeving is op het thema/onderdeel en daarna is er een voorstel gedaan hoe we het gaan regelen in het omgevingsplan. Deze voorstellen zijn integraal afgewogen door intensief overleg met alle bij de fysieke leefomgeving betrokken vakdisciplines. Ook de omgevingsdienst Rivierenland en diverse andere ketenpartners zijn bij het proces betrokken.

Benadering vanuit activiteiten

Regels in het omgevingsplan gaan direct of indirect altijd over activiteiten (zoals bouwen, gebruiken van gronden en gebouwen, kappen, etc.) die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is het reguleren van activiteiten die moet zorgen voor een zorgvuldig gebruik van de fysieke leefomgeving. Regulering van activiteiten staat derhalve centraal. Het omgevingsplan is daarom ook opgebouwd vanuit een activiteitgerichte benadering. Uitgangspunt is dat per te reguleren activiteit die regels worden gesteld die nodig zijn. Deze regels werken in beginsel overal door waar de desbetreffende activiteit is toegestaan. Een opbouw vanuit regels per activiteit draagt zo goed als automatisch bij aan regelharmonisatie. 

Hiermee wordt afscheid genomen de systematiek in bestemmingsplannen, waarin de bestemming centraal stond. Daarbij werden per bestemming regels over meerdere activiteiten opgenomen. De regels hadden in elk geval betrekking op zowel het gebruik van gronden en bouwwerken, als op het bouwen van bouwwerken. Daarbij konden ook nog per bestemming regels worden gesteld over verschillende vormen van gebruik. Daarmee kreeg in feite elke afzonderlijke bestemming een eigen, voor dat gebied autonome set van regels. Omdat die regels alleen dáár golden, hoefden regels tussen bestemmingsplannen en zelfs bestemmingen binnen een bestemming niet op elkaar te zijn afgestemd. En dat waren ze dan ook veelal niet. Dat leidde tot uiteenlopende regelgeving over dezelfde onderwerpen. Dat wordt met de keuze om in het omgevingsplan de activiteiten als uitgangspunt te nemen anders. De activiteit staat centraal, en bij de regels over die activiteit wordt onder meer bepaald waar die mag worden uitgeoefend, en eventueel onder welke aanvullende locatiegerichte beperkingen. Ook die beperkingen worden generiek geformuleerd, waarbij ze locatiegericht doorwerken. 

Een voorbeeld hiervan is de regel die bepaald hoe hoog gebouwd mag worden: 

“Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven."

Deze regel is generiek geformuleerd en daarmee in heel Neder-Betuwe toepasbaar. Per locatie waar deze regel gaat gelden wordt de concrete bouwhoogte bepaald. Die waarde wordt niet in de regeltekst, maar op kaart weergegeven. 

Vanuit de bestaande juridische kaders is geïnventariseerd welke activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en regulering vergen. Allerlei activiteiten (wonen, bouwen, kappen van bomen) komen overal in de gemeente voor, en kunnen redactioneel een uniforme opzet krijgen. Dit leidt tot een ‘catalogus’ van regels over activiteiten als onderdeel van het omgevingsplan. Waar een regel dan geldt, of waar een activiteit dan is toegestaan, wordt bepaald door de geografische component van die regel (in hoofdstuk 7 van deze toelichting wordt inhoudelijk op die geografische component ingegaan). Het blijft mogelijk om gebiedsgericht te werken, maar wel vanuit qua opbouw geharmoniseerde regels. In de hierna volgende paragraaf wordt op de achterliggende techniek ingegaan. 

Een omgevingsplan dat is opgebouwd vanuit regels over activiteiten leidt in die zin automatisch tot harmonisatie van regels. Wanneer een bepaalde regel wordt gewijzigd, werkt die ook automatisch overal door waar die regel van toepassing is. Dit draagt bij aan snelle doorwerking van beleid naar juridische regels.  

Lokaal maatwerk 

De wens om te komen tot regelharmonisatie neemt niet weg dat lokaal maatwerk mogelijk moet zijn. Dat lokaal maatwerk wordt allereerst gerealiseerd met locatiegerichte regels, waarmee bepaald kan worden waar een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan, en onder welke voorwaarden. Die voorwaarden kunnen ook weer locatiegericht zijn. Zo kan met één locatiegerichte regel worden bepaald waar gebouwd mag worden, en kan met een andere locatiegerichte regel worden bepaald hoe hoog gebouwd mag worden. De norm in die regel verschilt dan per locatie. Dat lokaal maatwerk betekent bijvoorbeeld ook dat lokaal van algemeen geldende regels kan worden afgeweken. In de opzet van het omgevingsplan is daartoe alle ruimte. Via locatiegericht maatwerk kan dit worden gerealiseerd. Vanuit de wens van regelharmonisatie en de achterliggende doelen zal daarbij wel altijd de vraag worden gesteld of een afwijkende regel daadwerkelijk nodig is. Die noodzaak zal uit de motivering bij voorgesteld locatiegericht maatwerk moeten blijken. 

2.5 Digitaal stelsel Omgevingswet 

Naast het juridisch instrumentarium is digitalisering een ander belangrijk instrument voor het behalen van de verbeterdoelen van de wetgever. De Omgevingswet bevat de grondslagen voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Daarmee is de juridische basis gelegd voor de ontwikkeling van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en kunnen er regels worden gesteld over onder andere gemeenschappelijke definities in de standaarden en voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel. Het DSO moet zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit en draagt bij aan de verbetering van het stelsel van het omgevingsrecht. Het DSO moet een snellere en integrale besluitvorming onder de Omgevingswet stimuleren en het gebruikersgemak vergroten. Het DSO moet een digitale loket bieden waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving.

Het DSO zal drie functies krijgen: 

  • a.

    gebruikers moeten zich kunnen oriënteren op alle op een bepaalde locatie van toepassing zijnde regels

  • b.

    gebruikers moeten kunnen nagaan of een specifieke activiteit is toegestaan, en onder welke voorwaarden (bijvoorbeeld een vergunning) 

  • c.

    gebruikers moeten een vergunning kunnen aanvragen via het DSO

Het kunnen oriënteren op de voor een bepaalde locatie geldende regels gaat verder dan dat met ‘een klik op de kaart’ de daar geldende regels in beeld komen. Het gaat ook verder dan het bedienen van de burger die iets wil weten of op een bepaalde plek een specifieke activiteit is toegestaan en onder welke voorwaarden. 

Het omgevingsplan schept rechten en plichten, en die rechten en plichten hebben gevolgen voor iedereen, of het nu gaat om bijvoorbeeld burgers, ondernemers of ontwikkelaars. Regels stellen beperkingen aan het uitoefenen van bepaalde activiteiten, of maken gebiedsontwikkeling mogelijk. Een wijziging van het omgevingsplan leidt tot rechtsgevolgen. En een ieder moet in staat worden gesteld te beoordelen wat die rechtsgevolgen zijn. Aan vaststelling van regels in het omgevingsplan gaat daarom een procedure vooraf, waarbij een ieder zienswijzen over de voorgenomen wijziging naar voren kan brengen. Uiteindelijk kan een belanghebbende ook tegen een wijziging van het omgevingsplan in beroep komen. 

Het omgevingsplan wordt vanaf het moment dat een ontwerp omgevingsplan ter inzage wordt gelegd, raadpleegbaar in het omgevingsloket van het DSO. Dat omgevingsloket bevat een viewer waarmee de voor een locatie geldende regels kunnen worden geraadpleegd. Bij de opbouw en formulering van de regels in het omgevingsplan is rekening gehouden met de wijze waarop regels in die viewer worden weergegeven. 

3 Waarover het omgevingsplan regels bevat

3.1 Het toepassingsbereik van het omgevingsplan

Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht, wordt het omgevingsplan vaak vergeleken met het bestemmingsplan, maar heeft het een ander juridisch karakter. Ook inhoudelijk is er een verschil. Anders dan het bestemmingplan, blijft de inhoud van het omgevingsplan niet beperkt tot planologische aspecten. In het omgevingsplan worden allerlei bestaande gemeentelijke regelingen geïntegreerd. Dit brengt mee dat het omgevingsplan regels over uiteenlopende onderwerpen bevat. Het toepassingsbereik van het omgevingsplan is daarmee ruim, maar niet onbeperkt. Waarover het omgevingsplan regels kan bevatten en met welk doel (oogmerk) het omgevingsplan regels mag bevatten, wordt bepaald door de Omgevingswet.

Over het omgevingsplan is in artikel 2.4 van de Omgevingswet verder bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Met het oog op de doelen van de wet kunnen in het omgevingsplan regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1, eerste lid, Omgevingswet). Het omgevingsplan moet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels bevatten die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet).

3.2 Waar gaat de Omgevingswet over?

Artikel 1.2 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die fysieke leefomgeving. Regels in het omgevingsplan kunnen met het oog op de doelen van de wet worden gesteld over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die fysieke leefomgeving. Hierin is een aantal elementen te onderscheiden. 

De fysieke leefomgeving

Allereerst moet het gaan om de fysieke leefomgeving. In de wet is vastgelegd dat de fysieke leefomgeving in elk geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed omvat (artikel 1.2, lid 2 Omgevingswet). Hoewel de opsomming niet limitatief is, zijn dit volgens de wetgever in beginsel wel alle fysieke onderdelen van de fysieke leefomgeving (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 391).

Het is deze fysieke leefomgeving waarop vervolgens de maatschappelijke doelen van de wet betrekking hebben. Het maatschappelijke doel van ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het tweede doel, ‘het op een doelmatige wijze beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeftes’, ziet op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. Beide aspecten wegen even zwaar (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 394). Dat betekent dat daar waar deze doelen op gespannen voet met elkaar kunnen komen, een bestuurlijke afweging van belangen moet worden gemaakt. 

Activiteiten met (mogelijke) gevolgen voor de fysieke leefomgeving

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Er is geen definitie van het begrip activiteit in het wetsvoorstel opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan, moet blijken uit de context van de artikelen in de wet waarin het begrip activiteit wordt gebruikt, aldus de wetgever. Doorgaans zal het echter gaan om een feitelijke handeling, of om het nalaten van een feitelijke handeling. 

Niet elke activiteit valt onder de reikwijdte van de wet. Het moet gaan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dat zijn in elk geval handelingen in de zin van directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving, die de fysieke leefomgeving of onderdelen ervan wijzigen. Het gaat ook om het gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijzing van de fysieke leefomgeving. Ook dan gaat het echter wel om activiteiten die een bepaald effect hebben op de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in de vorm van emissies, hinder of risico’s. En het gaat ook om activiteiten die verandering brengen in de bruikbaarheid, gezondheid of veiligheid van de fysieke leefomgeving voor anderen of voor de intrinsieke waarde die de maatschappij aan onderdelen van de fysieke leefomgeving toekent. Vanwege de gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook regels worden gesteld over handelingen met stoffen of objecten die niet tot de fysieke leefomgeving behoren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 61, 62).

Het gaat erom dat de (negatieve) gevolgen van activiteiten op de fysieke leefomgeving gereguleerd kunnen worden. In de wet is verduidelijkt dat het in ieder geval gaat om gevolgen die kunnen voortvloeien uit (artikel 1.2, derde lid, Omgevingswet):

  • a.

    het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,

  • b.

    het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

  • c.

    activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,

  • d.

    het nalaten van activiteiten.

Vervolgens is nog bepaald dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook aangemerkt worden gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2, vierde lid, Omgevingswet). Hiermee wordt uitdrukkelijk bepaald dat gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook betrekking kunnen hebben op gevolgen voor de mens. Beschermende regels van de Omgevingswet hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Dit betekent dat overal waar de Omgevingswet regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, echter wel voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 392).

In dat laatste zit ook een grens aan het toepassingsbereik van het omgevingsplan. Activiteiten, handelingen, gedragingen en dergelijke die rechtstreeks van invloed zijn op de gezondheid of veiligheid van de initiatiefnemer zelf of op die van anderen, vallen niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De wetgever zelf geeft hierover aan dat de Omgevingswet niet de directe betrekkingen tussen mensen reguleert. Onderwerpen als veilig verkeersgedrag, voedselveiligheid, arbeidsomstandigheden, dierenwelzijn, openbare orde en woonruimteverdeling behoren niet tot de reikwijdte van de wet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 61).

De Omgevingswet is niet bedoeld om te sturen op gedrag dat ongezond of onveilig is, maar op activiteiten die via de fysieke leefomgeving gevolgen kunnen hebben op het gebied van gezondheid, veiligheid, of omgevingskwaliteit. In de kern gaat het er dus om dat het de fysieke leefomgeving moet zijn waarlangs activiteiten van de één, gevolgen hebben voor de ander.

3.3 De doelen van de wet

Artikel 2.1 van de Omgevingswet bepaalt in het eerste lid dat onder andere bestuursorganen van gemeenten hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet uitoefenen met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Dat betekent dat de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen moet worden uitgeoefend met het oog op de doelen van de wet. 

Artikel 1.3 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: 

  • a.

    bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 

  • b.

    doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Een wijziging van het omgevingsplan kan niet tot een ander doel strekken dan die aangegeven zijn in artikel 1.3 van de Omgevingswet. 

Ook in de maatschappelijke doelen van de wet werkt het toepassingsbereik door. De doelen met het oog waarop regels mogen worden gesteld, hebben telkens betrekking op de fysieke leefomgeving. Het is die fysieke leefomgeving die ook in de te bereiken doelen centraal staat. Dat betekent bijvoorbeeld dat regels wel mogen worden gesteld met als doel een gezonde fysieke leefomgeving te bereiken, maar niet met als doel gezond gedrag te bevorderen. 

Dat betekent dat de regels die in het omgevingsplan niet alleen betrekking moeten hebben op de fysieke leefomgeving, maar dat ook de doelen van die regels daarop betrekking moeten hebben. Dit geeft een beperking voor wat betreft de inzetbaarheid van het omgevingsplan als instrument om beleidsdoelen te bereiken die niet in hoofdzaak de kwaliteit van de fysieke leefomgeving tot doel hebben. Overigens moet daarbij worden opgemerkt dat een harde scheiding niet altijd goed is aan te geven. Bovendien komt het voor dat regelgeving meerdere doelen dient. Zo worden regels die horeca reguleren niet alleen ingegeven met het oog op de bescherming van de omgevingskwaliteit, maar ook met het oog op de bescherming van openbare orde en veiligheid. En regels in de Huisvestingsverordening worden niet alleen gesteld met het oog op woonruimtevoorraad, maar ook met het oog op de omgevingskwaliteit. Wanneer meerdere doelen aan de orde zijn, moet worden bekeken welk instrument het beste kan worden ingezet. Dat hoeft niet altijd het omgevingsplan te zijn, maar dat kan ook een andere gemeentelijke verordening zijn, zoals de APV of de Huisvestingsverordening. In de volgende paragraaf zal hier nader op worden ingegaan. 

3.4 Welke regels het omgevingsplan mag bevatten

Een andere beperking met betrekking tot de mogelijkheid tot het opnemen van regels in het omgevingsplan, volgt uit enkele wettelijke bepalingen die gaan over de inpassing van gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan. Met de Omgevingswet wordt erin voorzien dat ook een aantal gemeentelijke verordeningen of onderdelen daarvan, opgaan in het omgevingsplan. Behalve dat het daarbij in elk geval moet gaan om regels die onder het toepassingsbereik van de Omgevingswet vallen, gelden er enkele aanvullende beperkingen. In de Omgevingswet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur gevallen kunnen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, maar ook gevallen waarin regels over de fysieke leefomgeving niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (artikel 2.7 Omgevingswet). 

Verplichte opname 

In het Omgevingsbesluit is dit geconcretiseerd. Allereerst geldt de verplichting dat regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen (artikel 2.1, eerste lid Omgevingsbesluit). 

Vooropgesteld wordt dat hierin geen plicht moet worden gelezen tot het stellen van regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigingen. Wanneer een activiteit is toe te staan zonder daaraan beperkingen te stellen, dan hoeven daarover geen regels te worden gesteld, en hoeven dergelijke regels ook nergens te worden opgenomen. Maar als dergelijke regels noodzakelijk worden geacht, dan mag dat (niet langer) in een separate verordening, maar dan moet dit in het omgevingsplan. 

Wat wordt verstaan onder het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, wordt nader toegelicht in de toelichting op artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit (Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2020 400, p. 1702):

Bij het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving gaat het om directe fysieke ingrepen door de mens in de tastbare leefomgeving, zowel boven- als ondergronds. Gedacht kan worden aan activiteiten als bouwen en slopen, kappen van bomen, ontsieren van een monument, aanleggen van een (uit)weg, aanleggen van buisleidingen, aanbrengen van zichtbare reclame of plaatsen van een hekwerk, het plaatsen van een ondergrondse afvalcontainer en het opspuiten van zand. 

De woorden 'wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving' impliceren dat het gaat om activiteiten die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen. Om misverstanden te voorkomen wordt hierbij opgemerkt dat het plaatsen van een bouwwerk altijd moet worden gezien als een wijziging van de fysieke leefomgeving, ook als het een tijdelijk bouwwerk betreft, omdat elk bouwwerk op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet tot de fysieke leefomgeving behoort. Ook het plaatsen van een woonwagen of het aanmeren van een woonschip (dat niet is bestemd of wordt gebruikt voor de vaart) is daarom een wijziging van de fysieke leefomgeving. 

Regels over gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik de fysieke leefomgeving wijzigt, vallen buiten de verplichte opname

Zoals volgt uit artikel 1.2, derde lid, onder a, van de Omgevingswet moet het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving worden onderscheiden van het gebruik van de fysieke leefomgeving. Regels over activiteiten over gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijziging, vallen niet binnen het bereik van artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. Bij gebruik van de fysieke leefomgeving dat de fysieke leefomgeving niet wijzigt kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het maken van muziek in de openbare ruimte, het plaatsen van terrasmeubilair, het aanbieden van vuilnis in rolcontainers, het anders benutten van een gebouw zonder dat daarvoor bouwactiviteiten nodig zijn (bijvoorbeeld anti-kraak) of het gebruik van een tijdelijke evenementenlocatie.  

Ook regels die gaan over activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, vallen niet onder het bereik van het eerste lid van de artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, omdat ook het veroorzaken van emissies, hinder of risico’s in artikel 1.2, derde lid van de Omgevingswet wordt onderscheiden van het wijzigen van de fysieke leefomgeving. Dit brengt bijvoorbeeld met zich dat regels over activiteiten die emissies in de fysieke leefomgeving veroorzaken (zoals geluid, geur of fijn stof) buiten het bereik van deze bepaling vallen. Als dergelijke regels ergens in een verordening zijn gesteld, mogen ze wel worden opgenomen in het omgevingsplan, maar noodzakelijk is dat niet. Een complicerende factor hierbij is dat als het Besluit kwaliteit leefomgeving vereist dat een omgevingsplan voorziet in een aanvaardbare geluidsniveau op de gevels van woningen, het wel weer noodzakelijk kan zijn om gemeentelijke regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan. 

Verbod op opname

Naast een bepaling over welke regels (als ze worden gesteld) in het omgevingsplan moeten komen te staan, is er ook een bepaling die opname van bepaalde regels verbiedt (artikel 2.1, tweede lid, Omgevingsbesluit). Het gaat in hoofdlijnen om regels op het gebied van openbare orde en veiligheid en belastingmaatregelen.  

Het gaat om regels als bedoeld in de volgende bepalingen van de Gemeentewet: 

  • a.

    de artikelen 151a, eerste lid, 151b, eerste lid, 151c, eerste lid, 151d, eerste lid, en 154a, eerste lid; 

  • b.

    de artikelen 154, eerste lid, en 154b, eerste lid; 

  • c.

    artikel 172, tweede lid, en artikel 174, derde lid;

  • d.

    artikel 216.

De bepaling gaat ten eerste over regels die (deels) wel betrekking kunnen hebben op de fysieke leefomgeving maar die hoofdzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en (openbare) veiligheid. Dat zijn in beginsel regels over gedrag van personen die vanwege het motief waarmee ze worden gesteld (het gaat niet om het effect van het gedrag op de fysieke leefomgeving maar om het effect op de openbare orde) niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Omdat het veelal wel gaat om gedragingen in de fysieke leefomgeving en daarom twijfel zou kunnen bestaan over de vraag of dergelijke regels in het omgevingsplan thuishoren, wordt hierover in deze bepaling uitsluitsel gegeven. Het betekent dat als regels over activiteiten worden gesteld op grond van de bepalingen die zijn opgenomen in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a en c, van het Omgevingsbesluit, deze niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Ten tweede gaat deze bepaling over regels met strafbaarstellingen (onderdeel b) en over financiële regels (onderdeel d).

3.5 Vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Een belangrijk onderdeel van de zorg voor de fysieke leefomgeving betreft het verenigen van het gebruik en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving met het belang van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Bij het vinden van een balans tussen “beschermen en benutten” speelt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een cruciale rol (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, blz. 137). Artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt daartoe dat het omgevingsplan in elk geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Betekenis van het begrip ‘functie’ in de Omgevingswet

Het evenwichtig toedelen van functies aan locaties is het basisvereiste dat in de wet wordt gesteld aan het omgevingsplan. Over het begrip ‘functie’ heeft de wetgever het volgende aangegeven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3, p. 137):

Het begrip functie heeft in het wetsvoorstel een algemene betekenis. De functie is het gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. 

Elke functietoekenning heeft tenminste twee essentiële kenmerken: functiekenmerken en locatiekenmerken, aldus de wetgever. De functiekenmerken drukken een bepaalde rol, taak of dienstbaarheid uit van het desbetreffende onderdeel van de fysieke leefomgeving. De toekenning van bijvoorbeeld de functies ‘weg’ of ‘bedrijventerrein’ ziet op de taak die dat deel van de fysieke leefomgeving heeft. Die functie heeft een invloed op of stelt bijzondere eisen aan de directe omgeving daarvan of aan activiteiten die binnen dat onderdeel (kunnen) worden verricht. De toekenning van de functie ‘monument’ ziet op de bijzondere en te beschermen status van dat object (bouwwerk of terrein), waarbij uit de regels die daarvoor zijn gesteld beperkingen kunnen voortvloeien voor het gebruik of het wijzigen daarvan. 

De locatiekenmerken worden door de wetgever als volgt toegelicht. De term ‘locatie’ is een ruimtelijk begrip dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving aanduidt. Dat begrip omvat een punt, een perceel, een plaats, een gebied, een bouwwerk of ander object. Het zijn locaties die een bepaalde functie kunnen hebben. Een locatie kan in omvang heel verschillend zijn, van een enkel punt, een lange strook (infrastructuur) tot een groot gebied. De locatie wordt begrensd door middel van een geometrische plaatsbepaling. Aan een locatie kunnen ook meerdere functies worden toegekend. Zo kunnen bijvoorbeeld de functies ‘wonen’ en ‘detailhandel’ op één locatie van toepassing zijn. 

Niet iedere denkbare functie van de fysieke leefomgeving is relevant voor het reguleren van activiteiten. Een stuk grond kan voor iemand een beleggingsfunctie hebben, voor een ander een productiefunctie. Of een functie relevant is, hangt af van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan specifieke eisen stelt voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten.

Het bovenstaande maakt duidelijk dat het begrip ‘functie’ een brede betekenis heeft, breder wellicht dan de betekenis die het begrip in het normale spraakgebruik heeft, aldus de wetgever. Het is ook breder dan het begrip ‘bestemming’ dat onder oud recht werd gehanteerd om functies van gronden aan te duiden in bestemmingsplannen. Zo wordt ook een te beschermen (waardevol) object een functie genoemd. 

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren

Over het evenwichtig toedelen van functies aan locaties heeft de wetgever aangegeven dat dat in het omgevingsplan wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Dit impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 986, nr. 3, blz. 58 en 59):

De opdracht om activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren houdt geen verplichting in om locaties evenwichtig te etiketteren met functie-aanduidingen. Daar waar onder de Wet ruimtelijke ordening alle gronden een bestemming moeten hebben, is het onder de Omgevingswet niet noodzakelijk dat alle gronden zijn voorzien van een functie-aanduiding. Centraal staat de evenwichtige regulering van activiteiten over locaties. 

Regels die bepalen waar wonen is toegestaan, of een kantoor, of onder welke voorwaarden een café mag worden geëxploiteerd, regels die bepalen waar bebouwing mag komen en hoe hoog die mag worden, regels die strekken ter bescherming van een gemeentelijk monument of archeologische of natuurwaarden, regels over milieubelastende activiteiten of regels over het kappen van bomen; ze dragen allemaal bij aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Gebruik van het begrip ‘functie’ in het omgevingsplan

Door de ruime betekenis van het begrip ‘functie’ dat zich uit in een uiteenlopend doel van het gebruik van het begrip, kan verwarring ontstaan. Zoals de wetgever zelf heeft aangegeven is de betekenis ervan ook ruimer dan in het algemeen spraakgebruik het geval is. Tegelijkertijd hoeft ook niet elke functie van een locatie te worden vertaald naar regels in het omgevingsplan. 

Wanneer het begrip wordt gebruikt in die zin van het ‘gebruiksdoel’ van een locatie, heeft het min of meer dezelfde betekenis als het begrip ‘bestemming’ zoals dat in bestemmingsplannen werd gehanteerd. Het heeft betrekking op een bepaald gebruik dat op een bepaalde locatie is toegestaan. 

In het omgevingsplan Neder-Betuwe is de keuze gemaakt om locaties (vergelijkbaar met de bestemmingen zoals we die kennen uit de bestemmingsplannen) te koppelen aan een gebruiksdoel. Binnen een gebruiksdoel zijn bepaalde functies toegestaan. Als een locatie op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan meerdere gebruiksdoelen kende, zijn die allen apart aangeduid. Dit betekent dat een locatie die onder het regime van het bestemmingsplan de bestemming Centrum had, nu is aangeduid voor de gebruiksdoelen detailhandel, horeca, etc. Als er op een locatie een functie aanwezig is die niets van doen heeft met het aan de locatie toegekende gebruiksdoel (bijvoorbeeld een peuterspeelzaal binnen het gebruiksdoel wonen) dan is voor die peuterspeelzaal een Functieaanduiding opgenomen die vanwege technische redenen is geplaatst in een separate afdeling (afdeling 2.20).

In alle overige gevallen wordt de betreffende locatie aangeduid met een betekenisvolle naam. Zo worden in hoofdstuk 7 van de planregels bepaalde gebieden als ‘beschermingszone’ aangewezen. Het gaat om gebied waar vanwege de aanwezigheid van een bepaald te beschermen belang (bijvoorbeeld mogelijke archeologische vindplaatsen) beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van bepaalde activiteiten (zoals het doen van grondbewerkingen). Het gebruik van het begrip ‘beschermingszone’ geeft uiting aan het doel van de regels die daar gelden.    

Evenwichtige regulering van activiteiten 

Hoewel de Omgevingswet ertoe verplicht dat het omgevingsplan in ieder geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gaat het, zoals ook blijkt uit de parlementaire stukken, in feite om een evenwichtige regulering van activiteiten die met de Omgevingswet wordt beoogd. Naast het omgevingsplan zullen ook regels van het Rijk, provincies en waterschappen bijdragen aan een evenwichtige regulering van activiteiten, waar bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening mee moet worden gehouden.

Dat geldt ook voor de regels die een gemeente in andere verordeningen heeft gesteld. Het is niet nodig – en in sommige gevallen ook niet mogelijk – om regels te stellen in het omgevingsplan die elders al zijn gesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 986, nr. 3, blz. 58 e.v.).

4 Relaties met ander instrumentarium

4.1 Inleiding
4.1.1 Algemeen

Hoewel het omgevingsplan juridisch primair bepalend is voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden, staat het omgevingsplan niet op zichzelf, maar in een bepaalde relatie tot andere kerninstrumenten uit de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de werking en de onderlinge relaties tussen de verschillende kerninstrumenten. Naast verschillende kerninstrumenten biedt de Omgevingswet ook juridisch gereedschap dat in het omgevingsplan zelf kan worden benut. Hierop wordt in hoofdstuk 5 meer inhoudelijk ingegaan. 

4.2 Gemeentelijke beleidsinstrumenten
4.2.1 De omgevingsvisie: integraal strategisch beleid voor de lange termijn

Vanuit de gedachte van de beleidscyclus, is in het instrumentarium een onderscheid gemaakt tussen strategisch beleid en meer uitvoeringsgericht beleid. De omgevingsvisie zal het strategisch omgevingsbeleid voor de langere termijn bevatten. Juist op het strategische niveau is integratie van belang. Op strategisch niveau worden verbanden in de fysieke leefomgeving gelegd en wordt één overkoepelend en richtinggevend beeld voor de langere termijn vastgelegd dat moet leiden tot een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het is de bedoeling dat het strategische beleid voor langere tijd wordt vastgelegd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, 3, p. 116, 445).

De gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24‑2‑2022 de omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie is te raadplegen via de volgende link https://www.omgevingsvisienederbetuwe.nl. In de Nota's van Uitgangspunten voor verschillende deelgebieden, zie paragraaf 2.4 van deze toelichting, staat beschreven op welke wijze de omgevingsvisie is betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan. 

4.2.2 Het programma: integraal of sectoraal uitvoeringsgericht beleid

Het uitvoeringsbeleid kan worden vastgelegd in een of meerdere programma’s. Zo’n programma is een apart instrument en daarmee dus geen onderdeel van de omgevingsvisie. Dit maakt mogelijk de uitvoering flexibel in te richten zonder het ontwikkelingsbeeld voor de lange termijn geweld aan te doen. Zo kan een evenwicht worden gevonden tussen continuïteit en zekerheid aan de ene kant en flexibiliteit aan de andere kant. Overigens kan een omgevingsvisie ook uitvoeringsgerichte elementen bevatten. In een omgevingsvisie kan bijvoorbeeld worden vermeld hoe de uitwerking en uitvoering zal worden vormgegeven, waarbij programma’s kunnen worden aangekondigd of tegelijkertijd met de visie worden uitgebracht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, 3, p. 116, 445).

Een programma kan sectoraal zijn, of gebiedsgericht. Een programma over de ontwikkeling van een gebied kan gebruikt worden als beleidsmatig kader voor één of meer wijzingen van het omgevingsplan. Een programma bindt alleen het vaststellend bestuursorgaan zelf bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en moet binnen de beleidscyclus worden gerekend tot beleidsontwikkeling. Wel kunnen maatregelen in een programma zich onder meer vertalen in algemene regels in een omgevingsplan, bijvoorbeeld in maatwerkregels voor milieubelastende activiteiten (Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, Staatsblad 2018 290, p. 120).

4.2.3 Beleid en juridische besluitvorming

Zoals uit het voorgaande blijkt zijn de omgevingsvisie en programma’s belangrijke schakels in de beleidscyclus van een bestuursorgaan. Er is echter geen juridische koppeling tussen de omgevingsvisie, een programma, en wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning. Het is niet zo dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten zoals het omgevingsplan of de omgevingsvergunning kunnen worden ingezet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 119, 120.)

Anders is het wanneer met een juridisch besluit wordt afgeweken van in de omgevingsvisie of een programma vastgelegd beleid. Vanwege het zelfbindende karakter daarvan mogen derden er wel aanspraak op maken dat het gemeentebestuur zich aan het zelf vastgestelde beleid uitvoering geeft.

4.2.4 De omgevingsvergunning

Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat binnen het nieuwe stelsel zo veel mogelijk wordt volstaan met het stellen van algemene regels voor activiteiten, waardoor voor de initiatiefnemer geen voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan is vereist. Dit uitgangspunt geldt voor regelgeving op zowel Rijksniveau, provinciaal en waterschapsniveau, als op gemeentelijk niveau. Wanneer de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving groot kunnen zijn, en de specifieke situatie van het geval bij de beoordeling van die gevolgen een rol speelt, is een voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan soms echter noodzakelijk. Dat kan worden geborgd in de vorm van een vergunningplicht (o.a. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3, blz. 157).

De Omgevingswet bevat daartoe het instrument van de omgevingsvergunning. Er zijn verschillende omgevingsvergunningen. Een vergunningplicht geldt altijd voor een bepaalde activiteit, en volgt uit landelijke wetgeving of uit de provinciale of waterschapsverordening. Voor die activiteiten geldt dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten (artikel 5.1 Omgevingswet). Het gaat onder meer om activiteiten met betrekking tot rijksmonumenten, ontgrondingsactiviteit, stortingsactiviteiten op zee, bouwactiviteit, milieubelastende activiteit, en lozingsactiviteit. In de meeste gevallen gaat het om activiteiten waarop hogere wet- en regelgeving van toepassing is. 

In één specifiek geval staan de regels in het omgevingsplan centraal, namelijk in geval van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, lid 1, onder a, Omgevingswet). Deze categorie heeft betrekking op een vergunningplicht die volgt uit het omgevingsplan. Er zijn twee manieren waarop een vergunningplicht kan volgen uit het omgevingsplan. Wanneer een bepaalde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, dan kan daarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd en verleend. Daarmee kan in afwijking van de regels in het omgevingsplan alsnog vergunning voor de uitoefening van die activiteit worden verleend. Deze omgevingsvergunning zal in het vervolg van deze toelichting worden aangeduid als buitenplanse omgevingsvergunning. 

Daarnaast kan het omgevingsplan zelf vergunningplichten bevatten. Dit is een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. In deze toelichting wordt verder kortheidshalve gesproken van een binnenplanse omgevingsvergunning. 

Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil uitoefen, zal deze moeten bekijken of de activiteit op grond van het omgevingsplan is toegestaan. Is de activiteit in overeenstemming met de regels in het omgevingsplan, dan mag de activiteit worden uitgeoefend. Is er sprake van strijd met het omgevingsplan, dan kan de initiatiefnemer een aanvraag indienen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag moet in dat geval nagaan of de vergunning kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als de activiteit daarnaast niet in strijd is met instructieregels en instructies die het Rijk en de provincie voor het omgevingsplan hebben gesteld, kan de vergunning toch worden verleend. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op het instrument van instructieregels en instructies

Het is ook mogelijk dat voor de betreffende activiteit in het omgevingsplan zelf al een vergunningplicht is opgenomen. Het initiatief zal in dat geval aan de hand van een vergunningaanvraag worden getoetst aan de beoordelingsregels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning, de vergunning moet worden verleend. Als een vergunning wordt gevraagd voor een omgevingsplanactiviteit moet eerst worden nagegaan of de activiteit met toepassing van binnenplanse beoordelingsregels kan worden vergund. Wanneer de vergunning op grond van deze beoordelingsregels niet kan worden geweigerd, moet de vergunning worden verleend. Deze kant van het stelsel werkt limitatief-imperatief. Buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan (limitatief), kunnen geen andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. Wanneer de aangevraagde activiteit voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels, moet (imperatief) de vergunning worden verleend. 

Een initiatiefnemer kan er dus op vertrouwen dat een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit in ieder geval wordt verleend als zijn activiteit voldoet aan de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Kan de vergunning op grond van de binnenplanse beoordelingsregels niet worden verleend, en moet die dus worden geweigerd, dan dient nog wel te worden nagegaan of de vergunning buitenplans kan worden verleend. Wel is het zo dat de op een vergunningplicht van toepassing zijnde beoordelingsregels vaak een open norm (bijvoorbeeld er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van naburige gronden) bevatten. Dat geeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of aan de gestelde norm is voldaan. 

Wanneer de activiteit op grond van de beoordelingsregels niet aanvaardbaar is te achten, kan de vergunning op grond van die enkele reden nog niet worden geweigerd. Het bevoegd gezag moet in dat geval ook nagaan of een buitenplanse omgevingsvergunning kan worden verleend. Beoordeeld moet dan worden of de vergunning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend. Als de activiteit daarnaast niet in strijd is met instructieregels en instructies die het Rijk en de provincie voor het omgevingsplan hebben gesteld, kan de vergunning toch worden verleend.

4.3 Doorwerking hogere wet- en regelgeving
4.3.1 Rechtstreeks doorwerkende regels

Hoewel regulering over veel onderwerpen wordt gedecentraliseerd, blijft er allerlei hogere wet- en regelgeving bestaan die rechtstreeks bindend is voor een ieder, maar ook opdrachten kan bevatten aan gemeenten ten aanzien van regelgeving in het omgevingsplan. Die opdrachten kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening en kunnen de vorm hebben van instructies of instructieregels.

Voor zover de regels rechtstreeks bindend zijn voor een ieder, gaan deze regels voor op het omgevingsplan. Zo bevat het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden moeten zich aan deze regels houden. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Daarnaast regelt het Bal wie bevoegd gezag is. 

Hetzelfde geldt voor het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Ook bevat het Bbl een regeling voor een omgevingsplanactiviteit bouwen. Het Bbl bevat een opsomming van bouwwerken die ongeacht het omgevingsplan zonder vergunning zijn toegestaan. Deze lijst van bouwwerken is overigens aanzienlijk korter dan een soortgelijke lijst die onder oud recht in het Besluit omgevingsrecht was opgenomen.

4.3.2 Instructies

Hogere regelgeving kan instructies bevatten voor het omgevingsplan. Een instructie is een eenmalige opdracht van een hoger bestuursorgaan aan een lager bestuursorgaan en geldt dus niet voor burgers en bedrijven. De instructie kan ook een opdracht zijn om iets niet te doen. Voordat het Rijk of de provincie de instructie stelt, moet het noodzakelijke nationaal of provinciaal belang bekend zijn gemaakt in een openbaar document.

Met een instructie geven bestuursorganen aan hoe lagere overheden hun taken of bevoegdheden moeten uitvoeren. Daarmee krijgt beleid van hogere overheden een plek in het beleid van lagere overheden. De provincie kan een instructie geven aan de gemeenteraad of het waterschapsbestuur. Het Rijk kan een instructie geven aan het bestuur van een gemeente, een waterschap of een provincie. 

Een instructie is bedoeld voor beleidsdoorwerking. Het is geen correctie-instrument achteraf.

Een instructie kan een opdracht bevatten om:

  • a.

    een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan te nemen;

  • b.

    een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan niet te nemen;

  • c.

    een besluit omtrent het wijzigen van het omgevingsplan op een voorgeschreven wijze te nemen.

Ook kan een instructie gaan om een feitelijk handelen (doen of nalaten) om een taak of bevoegdheid uit te voeren. De instructie omvat dus niet alleen normstelling.

Als bestuursorganen een instructie geven, moeten zij daarbij een termijn stellen waarbinnen de overheid die de instructie heeft gekregen de instructie moet uitvoeren. Het bestuursorgaan dat de instructie moet opvolgen, moet dit juist, volledig en op tijd uitvoeren. Wanneer dat niet gebeurt, kan dat bestuursorgaan niet opnieuw een instructie of instructieregel krijgen. In zo'n geval kan het hogere bestuursorgaan andere interbestuurlijke toezichtsinstrumenten toepassen, zoals schorsing of vernietiging van besluiten.

4.3.3 Instructieregels 

Behalve instructies bevat hogere regelgeving ook instructieregels. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.

Instructieregels zijn er voor situaties die zich herhalen of voor overheden die een norm steeds moeten toepassen. Instructieregels op rijksniveau zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provinciale instructieregels zijn onderdeel van de provinciale omgevingsverordening. 

Wanneer het bestuursorgaan dat de instructieregel moet uitvoeren dit niet juist, niet volledig of niet op tijd doet, kan dat gevolgen hebben. De bestuursrechter kan het instrument waarover de instructieregel gaat (omgevingsplan, omgevingsverordening of waterschapsverordening) geheel of gedeeltelijk schorsen of vernietigen.

Een belangrijk deel van het omgevingsplan bestaat uit bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan instructieregels. Deze zijn her en der in het omgevingsplan te vinden. Zo geven beoordelingsregels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen die in de planregels zijn opgenomen uitvoering aan de instructieregels met betrekking tot geluid, en wordt met hoofdstuk dat gaat over milieubelastende activiteiten uitvoering gegeven aan een grote hoeveelheid instructieregels met betrekking tot milieubelastende activiteiten. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de diverse instructieregels.

4.3.4 De waterschapsverordening

Naast het omgevingsplan komt de waterschapsverordening te staan. De waterschapsverordening wordt vastgesteld door de waterschappen. De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten.

Het waterschap kan voor directe lozingen regels stellen in de waterschapsverordening. Ook kan het waterschap een vergunningplicht of meldingsplicht instellen en met maatwerkvoorschriften en maatwerkregels werken. Het waterschap kan voor bepaalde wateronttrekkingsactiviteiten regels opnemen in de waterschapsverordening. Dat kunnen ook vergunningplichten zijn. Sommige waterschappen zijn ook belast met het beheer van wegen. De regels in de waterschapsverordening gaan over het beoordelen van de staat en de werking van de openbare wegen. Ze zijn gericht op activiteiten die nadelige gevolgen hebben voor die wegen. Voor regionale waterstaatswerken kan het waterschap regels stellen. Een waterschap kan beperkingengebieden aanwijzen bij waterstaatswerken en daarvoor regels stellen. 

Deze regels gelden voor iedereen. De regels van de waterschapsverordening komen ook in het Omgevingsloket en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hiervoor publiceren waterschappen hun waterschapsverordening en vertalen ze juridische regels in toepasbare regels. 

Een waterschapsverordening kan geen instructies of instructieregels voor gemeenten bevatten. Wel is van belang bij het wijzigen van het omgevingsplan goed rekening te houden met de waterschapsverordening. Wanneer bijvoorbeeld de waterschapsverordening beperkingen bevat voor het bouwen van bouwwerken binnen een beperkingengebied van een regionale waterkering, dan zal bij het omgevingsplan rekening worden gehouden met die beperkingen. Het met het omgevingsplan volop mogelijk maken van ontwikkelingen binnen dat gebied ligt dan minder voor de hand.   

5 Binnenplans instrumentarium

5.1 Algemeen

De Omgevingswet biedt verschillende instrumenten om in het omgevingsplan te gebruiken. Een aantal van die instrumenten kon al wel worden toegepast in gemeentelijke verordeningen, maar niet in bestemmingsplannen.

Het omgevingsplan kan algemene verboden bevatten, algemene regels waarbinnen bepaalde activiteiten zijn toegestaan, vergunningplichten met specifieke beoordelingsregels, het kan meldingsplichten bevatten, mogelijkheden bieden voor maatwerk- of vergunningvoorschriften, en er kunnen specifieke zorgplichten worden vastgesteld. Ook is er nieuw instrumentarium, zoals de omgevingswaarde en de mogelijkheid om programma's met een programmatische aanpak aan te wijzen. De omgevingswaarde en de programma´s met programmatische aanpak hebben vooralsnog geen plaats gekregen in het omgevingsplan Neder-Betuwe. Nadere bespreking van deze instrumenten blijft dan ook achterwege.

Om een goede keuze te kunnen maken over de inzet van dit binnenplanse instrumentarium is inzicht in de toepassingsmogelijkheden van belang. In de hierna volgende paragrafen wordt in algemene zin op de mogelijkheden ingegaan. 

5.2 Algemene regels

Het omgevingsplan bevat algemene regels. Algemene regels zijn regels die rechtstreeks bepalen binnen welke grenzen een bepaalde activiteit is toegestaan. Algemene regels zijn rechtstreeks gericht tot de initiatiefnemer. Er vindt geen voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan over de toelaatbaarheid plaats. Degene die de activiteit wil ondernemen moet zelf beoordelen of dat mag. 

Het uitgangspunt dat de wetgever met de Omgevingswet voor ogen heeft, is waar mogelijk te volstaan met het stellen van algemene regels voor activiteiten, waardoor voor de initiatiefnemer van een activiteit geen voorafgaande toestemming in de vorm van een vergunning is vereist. Hiermee wordt de lastendruk beperkt. Wanneer de gevolgen die een activiteit heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving groot zijn en de specifieke situatie bij het beoordelen van deze gevolgen een rol speelt, is het echter soms noodzakelijk dat een bestuursorgaan de toelaatbaarheid van de activiteit beoordeelt. In dat laatste geval ligt een vergunningplicht meer voor de hand.

Omdat het bij algemene regels de initiatiefnemer zelf is, die beoordeelt of de activiteit en binnen welke voorwaarden deze mag worden uitgevoerd, moeten algemene regels concreet, helder, beperkt in aantal en overzichtelijk vast zijn te leggen. Is dat niet mogelijk, dan kan worden gekozen voor een binnenplanse vergunningplicht. Een vergunningplicht gaat altijd vergezeld van beoordelingsregels. Het bevoegd gezag beoordeelt of in het specifieke geval wordt voldaan aan de beoordelingsregels.

Algemene regels ontlasten in beginsel de burger en ook de gemeente, omdat er geen vergunningplicht geldt. De beoordeling of met de activiteit binnen de aangegeven grenzen wordt gebleven, is aan de initiatiefnemer (de burger, de ondernemer) zelf. Wanneer iemand van mening is dat een initiatiefnemer de regels overschrijdt, kan deze een verzoek om handhaving doen. Een verschuiving van vergunningplichten naar algemene regels betekent dan ook een verschuiving van vergunningverlening naar toezicht en handhaving.  

Ten opzichte van het voorheen geldende recht is met de keuzes die in het omgevingsplan Neder-Betuwe zijn gemaakt overigens geen sprake van een verschuiving van een aantal vergunningplichten naar algemene regels. De redenen die (vaak het Rijk) in het verleden aanleiding gaven te kiezen voor een vergunningplicht, zijn met de Omgevingswet niet anders geworden. In de volgende paragraaf wordt op die redenen ingegaan.  

5.3 Vergunningplicht
5.3.1 Binnenplanse vergunningplicht: algemeen 

Naast algemene regels kunnen in het omgevingsplan ook vergunningplichten worden opgenomen. De grondslag daarvoor is opgenomen in artikel 4.4, tweede lid, van de Omgevingswet. Deze omgevingsvergunning heet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet). 

Op grond van de wet wordt onder een omgevingsplanactiviteit verstaan een activiteit, inhoudende:   

  • a.

    een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

  • b.

    een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of 

  • c.

    een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. 

Behalve de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kent de Omgevingswet nog veel meer soorten omgevingsvergunning (zie artikel 5.1 van de Omgevingswet). Zo is er sprake van onder andere een vergunningplicht voor rijksmonumentenactiviteiten, Natura 2000-activiteiten, milieubelastende activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In de Omgevingswet is bepaald waar de vergunningplichtige activiteiten uit bestaan, welke beoordelingsregels erop van toepassing zijn, en welke aanvraagvereisten er gelden. 

Een bijzondere in de Omgevingswet aangewezen vergunningplichtige activiteit, niet zijnde een omgevingsplanactiviteit, betreft de bouwactiviteit. In artikel 5.1 Omgevingswet wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert 2 activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding wordt wel ‘de knip' genoemd. De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen bij deze activiteit. De toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk genoemd. Voor deze activiteit zijn regels opgenomen in hoofdstuk  4  en  5 . Het gaat onder meer om ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in het bestemmingsplan werden gesteld, zoals regels over bouwhoogte, oppervlakte en dergelijk. Deze zijn in hoofdstuk  5  opgenomen. Maar ook gaat het om een vergunningplicht, en daarop van toepassing zijnde beoordelingsregels, zoals die voorheen werden gesteld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk  4 . In de toelichting op dat hoofdstuk wordt dieper op de knip ingegaan. 

Een vergunningplicht heeft altijd de vorm van een verbod om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Op verschillende plaatsen in het omgevingsplan zijn vergunningplichten terug te vinden. 

Een binnenplanse vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels: regels die bepalen of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Er zijn geen bijzondere vormvereisten gesteld aan dergelijke beoordelingsregels. Er kan sprake zijn van weigeringsgronden of verleningsgronden. 

De wet geeft de mogelijkheid dat in het omgevingsplan onderwerpen worden aangewezen waarover bij de binnenplanse omgevingsvergunning vergunningvoorschriften worden gegeven (artikel 4.5 Omgevingswet). Dit biedt verdere mogelijkheden voor maatwerk per geval, rekening houdend met de lokale omstandigheden van dat geval. 

5.3.2 Vergunningplicht: flexibiliteit en verschuiving onderzoekslast

Wanneer de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving groot kunnen zijn, en de specifieke situatie van het geval bij de beoordeling van die gevolgen een rol speelt, is een voorafgaande beoordeling per geval door een bestuursorgaan gewenst. Dat kan worden vormgegeven in de vorm van een vergunningplicht. Een vergunningplicht gaat gepaard met beoordelingsregels. Boordelingsregels zullen veelal een open norm bevatten. Dat vormt immers een van de redenen om te kiezen voor een vergunningplicht. 

Gebruikmaking van open normen schept ruimte voor een op de situatie en concrete activiteit afgestemde afweging op het moment dat een concreet initiatief zich aandient. Met open normen kan bij de afweging van de toelaatbaarheid van activiteiten rekening worden gehouden met de omstandigheden van het concrete geval. De hoofdlijnen van ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden worden bij een open norm bepaald bij de vaststelling van het omgevingsplan. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt op basis van de in het omgevingsplan opgenomen regel beoordeeld in hoeverre een concreet initiatief toelaatbaar is. 

Open normen als onderdeel van de beoordelingsregels voor vergunningverlening bieden het bevoegd gezag beoordelingsruimte voor de toelaatbaarheid van activiteiten op basis van de omstandigheden van het concrete geval. Het maakt een meer dynamische aanpak mogelijk. Met een minder gedetailleerd en meer open geformuleerd normenstelsel kan het omgevingsplan flexibeler zijn, en kunnen tegelijkertijd onderzoeksopgaven voor een belangrijk deel verschuiven naar de fase van vergunningverlening. In die realisatiefase kan onderzoek zich toespitsen op de concreet voorgenomen initiatieven en hoeven er bij de vaststelling van een omgevingsplan geen fictieve varianten meer te worden doorgerekend van ontwikkelingen die mogelijkerwijs helemaal niet in die vorm zullen plaatsvinden. Hiermee vindt een verschuiving van de onderzoekslast plaats van het moment van wijziging omgevingsplan naar het moment van een vergunningaanvraag. Daarmee verschuift die onderzoekslast ook van de gemeente naar de initiatiefnemer van de vergunningplichtige activiteit. Die is immers degene die de vergunning aanvraagt, en zal, om een ontvankelijke aanvraag te kunnen doen, die onderzoeken aan moeten leveren die blijkens de aanvraagvereisten nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. 

Veelal zal overigens sprake zijn van een combinatie van gesloten en open normen. Zo kunnen de beoordelingsregels die betrekking hebben op een omgevingsplanactiviteit oprichten van bouwwerken bestaan uit gesloten normen die aangegeven waar en hoe hoog maximaal gebouwd mag worden, terwijl een andere regels de open norm bevat dat voldaan moet worden aan de redelijke eisen van welstand. In het geval van een combinatie ligt uiteraard een vergunningplicht voor de hand. 

5.3.3 Afweging op hoofdlijnen bij vaststelling omgevingsplan

Dat de wet de mogelijkheid biedt in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven te roepen, betekent niet dat daarmee de volledige afweging naar die vergunning kan worden doorgeschoven. De in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels bepalen de nog te maken afweging. Die afweging zal veelal beperkt blijven tot enkele onderwerpen binnen de totale reikwijdte van de Omgevingswet. Wanneer voor een bepaalde activiteit in het omgevingsplan een vergunningplicht in het leven wordt geroepen, dan betekent dat ook niet dat daarmee de volledige afweging, met inbegrip van de daarbij behorende onderzoeksplicht, verschuift naar het moment van vergunningverlening. De hoofdlijnen van ontwikkelingsmogelijkheden worden reeds bepaald bij de vaststelling van het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid daarvan moet dan ook al wel bij het omgevingsplan worden aangegeven. Alleen op die onderdelen waarop een nadere afweging plaats moeten vinden, zullen de beoordelingsregels door middel van open normen voorzien in de nodige beoordelingsruimte. Op die punten is ook sprake van verschuiving van de onderzoeksplicht. 

5.3.4 Gebruik van open of gesloten normen

Het omgevingsplan zal heel veel regels over activiteiten bevatten die de voorwaarden stellen waaronder een bepaalde activiteit is toegestaan. Aan de hand van die regels kan worden beoordeeld of een bepaalde activiteit kan plaatsvinden. Dergelijke beoordelingsregels kennen zowel open als gesloten normen. Het verschil in open of gesloten normen hangt samen met de mate van concreetheid van een bepaalde regel. Bij een gesloten norm is de norm objectief bepaald (bijv. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter). Bij een open norm is sprake van een norm waarbij de beoordeling of aan de norm wordt voldaan, interpretatie vraagt (bijv. er wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand). 

De keuze voor gebruikmaking van een open dan wel gesloten norm is relevant in verband met de vorm die regels krijgen. Een regel met een gesloten norm laat geen ruimte voor interpretatie; er geldt een concrete begrenzing waaraan wordt voldaan of niet. Dergelijke regels lenen zich er daardoor in veel gevallen toe dat een initiatiefnemer zelf beoordeelt of een bepaalde activiteit gelet op de norm wel of niet is toegestaan. In dat geval kan worden gekozen voor een algemene regel, die rechtstreeks bindend is. Bij gebruikmaking van open normen ligt dat anders. Dergelijke normen vergen een interpretatie. Om die interpretatie door het bevoegde gezag te vereenvoudigen kunnen (zogenoemde wetsinterpreterende) beleidsregels worden vastgesteld. In dat geval is een vergunningplicht het meest aangewezen. 

Deze principes zijn als uitgangspunt gehanteerd. Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van de Omgevingswet om zo veel mogelijk uit te gaan van algemene regels voor activiteiten. In die gevallen is geen voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan nodig. De initiatiefnemer beoordeelt zelf of hij aan de algemene regels voldoet. 

Dit is niet nieuw. Diegene die een boom wil kappen kan zelf bepalen of een vergunning nodig is of niet. Bepalend is of sprake is van een boom zoals die is gedefinieerd in de artikelen 4.10  t/m 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening. Is de boom van een bepaalde omvang, dan is een vergunning nodig; is dat niet het geval dan mag de ‘boom’ zonder vergunning worden gekapt. 

Bij vaststelling in het omgevingsplan van een beoordelingsregel met daarin een open norm geeft de gemeenteraad beoordelingsruimte aan het college van burgemeester en wethouders. Open normen vergen immers een interpretatie, en die is aan het bevoegd gezag dat gaat over vergunningverlening of handhaving, het college.  

5.3.5 Eén feitelijke handeling, meerdere juridische activiteiten

Reeds onder voorheen geldend recht kwam het voor dat één feitelijke fysieke handeling bestond uit meerdere juridische activiteiten. Gedacht kan worden aan het verbouwen van een gemeentelijk monument. De feitelijke handeling van het verbouwen bestaat uit de juridische activiteit bouwen van een bouwwerk, waarvoor op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunningplicht bestond. Daarnaast was sprake van verstoren van een gemeentelijk monument, waarvoor op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening (en de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) eveneens een vergunningplicht gold. De handeling valt met andere woorden onder verschillende categorieën vergunningplichtige activiteiten, die in de tijd niet gescheiden kunnen worden verricht. 

Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gold voor dergelijke activiteiten het vereiste van onlosmakelijke samenhang. Voor onlosmakelijke activiteiten gold onder de Wabo dat deze tegelijk in één aanvraag moeten worden aangevraagd. Met het vereiste van onlosmakelijke samenhang beperkte de Wabo de aanvrager in flexibiliteit.

Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat een initiatiefnemer zelf bepaalt voor welke activiteiten hij een vergunning aanvraagt en wanneer hij dat doet. Daarbij kan de aanvrager voor meerdere vergunningplichtige activiteiten tegelijk één aanvraag indienen of de aanvragen los en gespreid in de tijd doen. 

Belangrijk voordeel van gelijktijdige indiening van twee of meer activiteiten is dat hiermee een samenhangende beoordeling van de betrokken activiteiten aan de daarop van toepassing zijnde beoordelingsregels mogelijk is en dat voorschriften die aan een vergunning worden verbonden inhoudelijk beter op elkaar kunnen worden afgestemd. De aanvrager ontvangt hiermee één besluit van één bestuursorgaan dat ook integraal bevoegd gezag is voor toezicht en handhaving van de omgevingsvergunning. Maar de aanvrager kan er ook voor kiezen voor de verschillende activiteiten afzonderlijk vergunning aan te vragen. 

Een aanvrager is er zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. De Omgevingswet faciliteert de aanvrager hierbij doordat hij met het doorlopen van de 'vergunningscheck' uit het Omgevingsloket online kan zien voor welke activiteiten een vergunning is vereist. Bovendien rust op grond van artikel 3:20 Awb op het bevoegd gezag de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten. De initiatiefnemer kan er vervolgens zelf voor kiezen om alle activiteiten tegelijk of afzonderlijk en gespreid in de tijd aan te vragen. Zo heeft de initiatiefnemer het zelf in de hand om een fasering aan te brengen in het traject van aanvragen en verkrijgen van de vergunningen. Het is de verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer om zich te laten informeren over de geldende wet- en regelgeving en dat hij beschikt over de vereiste vergunning voor alle activiteiten die hij gaat verrichten. Eveneens is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer dat hij activiteiten tegelijk aanvraagt in gevallen waarin een gelijktijdige beoordeling van activiteiten voordelen biedt. Echter ook het bevoegd gezag vervult hierin een rol om een aanvrager te informeren over geldende wet- en regelgeving. Het vooroverleg, dat zeker bij complexere projecten vanzelfsprekend is, heeft hierin een belangrijke functie. Uiteindelijk is het aan de initiatiefnemer om te voorkomen dat hij een vergunning vraagt voor bijvoorbeeld een bouwplan dat hij, naar later eventueel blijkt, nog moet aanpassen vanwege eisen die voorvloeien uit algemene regels of een later aangevraagde vergunning voor een andere activiteit waaruit eisen voortvloeien voor dat bouwwerk.

Met het omgevingsplan wordt ervoor gekozen de onderscheiden activiteiten strikt gescheiden te houden. Dat houdt bijvoorbeeld in dat bepaalde werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van het feitelijk bouwproces, zoals het afgraven van grond ter plaatse van een archeologisch verwachtingengebied, zelfstandig vergunningplichtig zijn. De beoordeling of in een dergelijk geval het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten zich tegen vergunningverlening verzet, wordt gemaakt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone, bedoeld in afdeling 7.2, en niet in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in afdeling 4.2. Beide activiteiten kunnen in één vergunningaanvraag worden betrokken, maar dat hoeft niet. Een gefaseerde aanvraag kan in dit voorbeeld als voordeel hebben dat pas een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, met alle bijkomende kosten van dien, hoeft te worden aangevraagd, als zeker is dat de aanwezigheid van archeologische monumenten geen belemmering voor de uitvoering vormt. 

5.4 Specifieke zorgplichten 

In artikel 1.6 van de Omgevingswet is een algemene zorgplicht opgenomen die bepaalt dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. Aanvullend daarop kan het omgevingsplan specifieke zorgplichten bevatten. Een specifieke zorgplicht is gericht tot degene die een bepaalde activiteit onderneemt. 

Specifieke zorgplichten geven voor een activiteit het doel aan dat bij de bescherming van de fysieke leefomgeving moet worden bereikt zonder daarbij aan te geven met welke middelen dat doel bereikt moet worden, en zonder dat doel in kwantificeerbare termen te omschrijven. 

Specifieke zorgplichten kunnen bij een evenwichtig gebruik een positieve rol spelen in verschillende situaties: 

  • a.

    ze dragen bij aan het beperken van gedetailleerde regels, zonder dat dit afbreuk doet aan de duidelijkheid voor zowel degene die de activiteit verricht als het bevoegd gezag;

  • b.

    ze voorzien in bescherming van de leefomgeving bij nieuwe activiteiten of het op een andere manier dan gebruikelijk verrichten van bestaande activiteiten, waarmee bij het opstellen van regels geen rekening kon worden gehouden;

  • c.

    ze geven aan hoe gehandeld moet worden in gevallen waarin vanwege de verschillen in de fysieke leefomgeving een algemene regel niet kwantificeerbaar kan worden gemaakt;

  • d.

    ze geven een maatstaf voor handelen in bijzondere situaties, waarin de bescherming van de leefomgeving tijdelijk een andere of aanvullende inspanning vraagt.

De specifieke zorgplichten laten in al deze situaties de verantwoordelijkheid voor het op een voor de leefomgeving aanvaardbare manier verrichten van een activiteit bij de initiatiefnemer, zonder elke handeling die de initiatiefnemer zou kunnen verrichten en elke situatie die in de fysieke leefomgeving op zou kunnen treden, in gedetailleerde geboden en verboden proberen te vangen.

Bij het opstellen van regels over activiteiten is het vinden van de juiste balans bij de inzet van verschillende typen regels van groot belang. Dat speelt ook bij een keuze tussen inzet van specifieke zorgplichten in verhouding tot de meer uitgewerkte regels. Voorkomen moet worden dat het werken met specifieke zorgplichten leidt tot vergroting van rechtsonzekerheid, ontwikkeling van pseudoregelgeving, of beleidsregels en jurisprudentie die feitelijk de rol van de ontbrekende, meer uitgewerkte regels gaan overnemen. Steeds moet worden afgewogen tot hoe ver opnemen van meer uitgewerkte regels zinvol is, en voor welke handelingen een specifieke zorgplicht een meer passend instrument is.

Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht hoort in ieder geval dat voor de initiatiefnemer redelijkerwijs te voorzien moet zijn, wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. Is dat niet het geval, dan is het stellen van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel de aangewezen weg. 

De specifieke zorgplicht gaat niet zo ver dat daaronder ook het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen valt die in redelijkheid voor degene die de activiteit verricht niet te voorzien zijn. In dergelijke situaties zal het bevoegd gezag eerst moeten concretiseren dat maatregelen nodig zijn. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift.

Inzet van maatwerkvoorschriften biedt de mogelijkheid om concrete regels te stellen die zijn toegesneden op de lokale situatie, waarmee feitelijk de betekenis van de specifieke zorgplicht voor die situatie wordt verduidelijkt. De procedure van een maatwerkvoorschrift biedt het bevoegd gezag en degene die de activiteit verricht, de ruimte om een constructieve discussie te voeren over de noodzaak van bepaalde maatregelen ter invulling van de specifieke zorgplicht, die niet wordt overschaduwd door de dreiging van een sanctie of kostenverhaal. Als een vastgesteld maatwerkvoorschrift vervolgens niet wordt nageleefd, kan alsnog handhavend worden opgetreden tegen overtreding daarvan. 

Het initiatief voor het concreet invullen van wat onder de specifieke zorgplicht valt, hoeft overigens niet altijd bij het bevoegd gezag te liggen. Het is ook mogelijk dat degene die de activiteit verricht of een derde belanghebbende zekerheid wil verkrijgen over die gekozen invulling. Een van de mogelijkheden om deze zekerheid te verkrijgen is het verzoek aan het bevoegd gezag om een maatwerkvoorschrift te stellen. Een andere optie is overleg met het bevoegd gezag over de nadere invulling van de specifieke zorgplicht zonder de uitkomst van het overleg te formaliseren in een maatwerkvoorschrift, bijvoorbeeld als alle betrokkenen het eens zijn met die invulling. 

In dit omgevingsplan wordt een zorgplicht opgenomen als een bepaald onderwerp niet of niet volledig wordt gereguleerd door specifieke regels. Hiermee heeft de zorgplicht een vangnetfunctie. Het is in de betreffende situaties niet mogelijk, noch wenselijk, alle theoretisch mogelijke activiteiten te reguleren. 

Zo zijn er activiteiten die in het algemeen geen problemen veroorzaken, maar in specifieke gevallen toch onacceptabele gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Er zal dan niet gauw sprake zijn van overtreding van de zorgplicht, maar in extreme situaties kan het ingeroepen worden. 

Er zijn ook activiteiten of aspecten waarvoor geen specifieke regels worden gesteld of daarvan expliciet zijn uitgezonderd omdat de toepassing van specifieke regels op moeilijkheden stuit. Zo is bijvoorbeeld het onversterkt menselijk stemgeluid uitgezonderd van de geluidnormering. De reden hiervoor is dat een getalsmatige normering in de praktijk slecht toepasbaar en handhaafbaar is. Andere generieke eisen zijn ook moeilijk denkbaar. Op het stemgeluid blijft wel de specifieke zorgplicht voor het milieu gelden als vangnet. Dat kan de basis vormen om in specifieke gevallen wel nadere eisen te stellen (door een maatwerkvoorschrift te nemen) om geluidhinder te beperken (bv. gedragsregels).

In individuele gevallen kan de zorgplicht nader ingevuld/uitgewerkt worden in een maatwerkvoorschrift waarin concrete maatregelen worden verplicht. Hiermee wordt voor degene die de activiteit verricht duidelijk gemaakt wat van hem wordt verwacht. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het maatwerkvoorschrift. 

5.5 Meldingsplicht en informatieplicht 

Wanneer er met betrekking tot een bepaalde activiteit sprake is van voldoende concrete regels en er om die reden geen voorafgaande toestemming in de vorm van een vergunning is vereist, geldt als uitgangspunt dat wordt gekozen voor het stellen van algemene regels. In dat geval is het aan de initiatiefnemer zelf om te beoordelen of de activiteit mag worden ondernomen, en de daarop betrekking hebbende regels in acht te nemen. Gemeente en belanghebbenden zullen normaal gesproken niet op de hoogte zijn van het uitvoeren van de activiteit. In veel gevallen is dat niet bezwaarlijk, maar in sommige gevallen kan een voorafgaande melding wenselijk zijn. Artikel 4.4,  eerste lid, van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan voor die gevallen een meldingsplicht in het leven te roepen. De activiteit mag dan pas starten, wanneer de melding is gedaan. 

Vooral wanneer de activiteit potentieel een zwaarder gevolg voor de fysieke leefomgeving kan hebben, kan het via een melding nodig zijn dat het bestuursorgaan in staat wordt gesteld om voorafgaand aan het starten van de activiteit nog acties te verrichten, zoals: 

  • a.

    het uitvoeren van een initiële controle voordat de activiteit van start gaat, zodat het bestuursorgaan zich er van kan vergewissen dat de regels worden nageleefd en er geen onaanvaardbare risico’s voor de fysieke leefomgeving optreden, 

  • b.

    het beoordelen of gelet op de kwetsbaarheid van de fysieke leefomgeving of cumulatie met andere activiteiten het wellicht noodzakelijk is om aanvullende eisen te stellen in de vorm van maatwerkvoorschriften (het omgevingsplan moet die mogelijkheid dan wel expliciet bieden), 

  • c.

    via een publieke kennisgeving de directe omgeving over de voorgenomen activiteit te informeren. 

Omdat het niet melden het bestuursorgaan de mogelijkheid om actie te ondernemen ontneemt en tot oneigenlijk voordeel voor de initiatiefnemer kan leiden, wordt de meldingsplicht geformuleerd als een verbod om de activiteit zonder voorafgaande melding uit te voeren. Mocht een initiatiefnemer daartoe toch overgaan, dan kan in het kader van de handhaving de activiteit zo nodig zelfs stilgelegd worden, om het bevoegd gezag alsnog de tijd te bieden voor de noodzakelijke geachte acties. 

Het bevoegd gezag is vrij in de keuze op welke wijze het met een melding omgaat. Het kan een ontvangstbevestiging zenden, of schriftelijk een mening kenbaar maken over de juistheid van de melding. 

Daar waar in voorliggend omgevingsplan voor een meldingsplicht is gekozen, wordt die keuze in de artikelsgewijze toelichting van het desbetreffende artikel nader gemotiveerd. 

Naast een meldingsplicht kan het omgevingsplan ook informatieplichten bevatten. Dat houdt in de verplichting om (in enige vorm) informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan of andere instantie gedurende het verrichten van een activiteit of binnen een bepaalde termijn voorafgaand aan het starten van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten. Een dergelijke verplichting heeft geen bijzondere wettelijke grondslag nodig (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 962, nr. 3 blz. 469).

5.6 Maatwerkvoorschrift

Waar mogelijk worden activiteiten in dit omgevingsplan gereguleerd door middel van algemene regels die voor iedereen gelden. In sommige specifieke gevallen past een algemene regel echter niet. Het kan dan zijn dat in zijn algemeenheid gebruik kan worden gemaakt van algemene regels, maar dat de behoefte bestaat om in bepaalde specifieke gevallen maatwerkvoorschriften te stellen. Artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet biedt dan de mogelijkheid een maatwerkvoorschrift te stellen. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor een individueel geval van de algemene regel afwijken. 

Een maatwerkvoorschrift houdt in dat het bestuursorgaan door middel van een beschikking in een individueel geval de plicht oplegt te voldoen aan bepaalde voorschriften in aanvulling op of in afwijking van geldende algemene regels. Maatwerkvoorschriften worden bij beschikking gesteld, zodat daartegen bezwaar en beroep open staat.

Het stellen van maatwerkvoorschriften kan uitsluitend als dat in het omgevingsplan (of een hogere regeling) is bepaald.

Maatwerkvoorschriften komen in vier vormen voor: 

  • a.

    maatwerkvoorschriften waarbij strengere eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels, 

  • b.

    maatwerkvoorschriften waarbij minder strenge eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels, 

  • c.

    maatwerkvoorschriften waarbij onderwerpen nader worden ingevuld of aangevuld, en 

  • d.

    maatwerkvoorschriften waarbij van een in algemene regels expliciet opgenomen verbod ontheffing wordt verleend, al dan niet onder beperkingen of voorwaarden. 

Het van de algemene regels afwijkende maatwerkvoorschrift kan strenger of soepeler zijn. Aanleiding voor een strenger voorschrift kan bijvoorbeeld cumulatie zijn; er zijn bijvoorbeeld meerdere overlast gevende bronnen in de omgeving aanwezig waardoor de gezamenlijk belasting onwenselijk groot is. Aanleiding voor een meer soepele norm kan zijn bijzondere omstandigheden bij de bedrijfsvoering van een bedrijf, waardoor het voldoen aan de reguliere norm in alle redelijkheid niet te vergen is. 

Een maatwerkvoorschrift kan ook gebruikt worden om een algemene regel nader te concretiseren of aan te vullen voor de betere handhaafbaarheid ervan. Het is ook mogelijk om in een maatwerkvoorschrift nader te bepalen wat een open norm of een zorgplicht in een concreet geval inhoudt. 

Maatwerkvoorschriften bieden dus niet alleen de mogelijkheid om in bepaalde gevallen nadere eisen te stellen, maar ook de mogelijkheid om ontheffing te verlenen waarmee kan worden afgeweken van bepaalde algemene regels.

Van de mogelijkheid maatwerkvoorschriften te kunnen geven wordt op verschillende plekken in het omgevingsplan gebruik gemaakt. Zo is in het hoofdstuk dat gaat over milieubelastende activiteiten een brede grondslag opgenomen om maatwerk te kunnen leveren op de algemene regels van dat hoofdstuk. De mogelijkheid wordt daarbij zoveel mogelijk begrensd. Voor zover dit niet expliciet is gebeurd in de bepaling waarmee de mogelijkheid tot het geven van een maatwerkvoorschrift is gecreëerd, dan volgt dit uit het doel met het oog waarop de regel is gesteld waarover een maatwerkvoorschrift kan worden gegeven. 

Het maatwerkvoorschrift kan zowel op verzoek als ambtshalve (bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of om een eigen beleidsambitie te halen) genomen worden. 

5.7 Omgevingsnormen

Allerlei regels over activiteiten zullen normen bevatten die gaan over de aanvaardbaarheid van die bepaalde activiteit. Veel van deze normen hebben betrekking op een specifieke activiteit. Gedacht kan worden aan een regel met een norm die bepaalt hoe hoog gebouwd mag worden, welke geluidsbelasting bij een evenement aanvaardbaar is, of wat de omvang (bvo) van een horecaonderneming mag zijn. 

Er zijn echter ook normerende regels denkbaar die algemeen toepasbaar zijn in de zin dat ze betrekking hebben op allerlei typen of alle activiteiten. Ongeacht welke activiteit worden ondernomen, de initiatiefnemer dient dan te voldoen aan die regels. Gedacht kan worden aan regels ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder. Dergelijke normen hebben gemeen dat ze niet zozeer een bepaalde activiteit centraal stellen en de condities waaronder die mag plaatsvinden, maar dat ze een bepaalde kwaliteit van de fysieke leefomgeving centraal stellen (bijv. geluidsbelasting op de gevel van woningen), ten behoeve van die kwaliteit normen stellen, die vervolgens doorwerken naar alle activiteiten. Dergelijke omgevingsnormen zijn onder meer opgenomen in hoofdstuk 8

6 De transitie naar één integraal omgevingsplan

6.1 Waar het omgevingsplan voor in de plaats zal komen

Het omgevingsplan bevat regels over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van allerlei bestaande juridische regelingen. Met regelingen wordt gedoeld op besluiten van algemene strekking zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. 

Ruimtelijke besluiten

Het omgevingsplan komt in de plaats van alle ruimtelijke besluiten van de gemeente, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, maar ook exploitatieplannen, voorbereidingsbesluiten en hogere waarden-besluiten (geluid). In het vervolg van deze toelichting worden deze besluiten gezamenlijk aangeduid als ruimtelijke besluiten. Al deze ruimtelijke besluiten zullen moeten worden vervangen door het omgevingsplan. 

Bepaalde gemeentelijke verordeningen

Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen zal op enig moment moeten of kunnen opgaan in het omgevingsplan. Voor zover een verordening regels bevat over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, dan moeten die regels worden overgeheveld naar het omgevingsplan. Gedacht kan worden aan de regels over het kappen van bomen. Regels die gaan om het gebruik van de fysieke leefomgeving zonder dat dat gebruik leidt tot een wijzing van de fysieke leefomgeving, mogen in het omgevingsplan worden opgenomen. 

Gedecentraliseerde rijksregels

Tot slot geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet door het Rijk bij wet of algemene maatregel van bestuur werden gesteld, dat de regelgevende bevoegdheid is gedecentraliseerd. Het gaat met name om regels over bouwwerken die voorheen werden gesteld in de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het toenmalige Besluit omgevingsrecht (waaronder de aanwijzing van gevallen van bouwwerken die vergunningvrij zijn), en om regels over milieubelastende activiteiten, die voor een groot deel waren gesteld in het toenmalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

Het vervangen van al deze regels en regelingen zal zowel gebiedsgewijs als onderwerpgewijs plaatsvinden. Zo kunnen de regels uit ruimtelijke besluiten alleen gebiedsgewijs worden vervangen, terwijl bijvoorbeeld de gemeentelijke regels over het kappen van bomen thematisch ineens voor heel Neder-Betuwe in het omgevingsplan kunnen worden ingepast.  

Het omgevingsplan zal dus gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs worden opgebouwd, waarbij de nieuwe regels in het omgevingsplan de oude regelingen vervangen. Dat gebeurt door besluiten van de gemeenteraad. Die opgave is behoorlijk complex, met name voor wat betreft de ruimtelijke besluiten en de rijksregels. Maar ook voor het vervangen van delen van verordeningen geldt dat er haken en ogen aan zitten. In de hierna volgende paragrafen wordt de wijze toegelicht waarop deze transitie is voorzien. 

6.2 Uitgangssituatie als de Omgevingswet in werking treedt
6.2.1 Het ‘omgevingsplan van rechtswege’

Omdat veel bestaande wetgeving vervalt, zorgt de wetgever door middel van overgangsrecht ervoor dat er geen rechtsvacuüm ontstaat. Dat overgangsrecht voorziet er onder meer in dat op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt er voor elke gemeente automatisch (van rechtswege) een omgevingsplan ontstaat. Dat omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een bundeling van bestaande ruimtelijke besluiten en enkele andere besluiten en regels tot een omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat. Ook zijn hierin regels overgenomen die voorheen door het Rijk werden gesteld, maar waarover de bevoegdheid door het Rijk is overgeheveld naar gemeenten (de ‘bruidsschat’). 

Het omgevingsplan dat van rechtswege dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet tot stand is gekomen bestaat uit:

  • a.

    bestaande ruimtelijke besluiten

  • b.

    een beperkt aantal (regels uit) verordeningen

  • c.

    de ‘bruidsschat’ van het Rijk

Met het ‘omgevingsplan van rechtswege’ wordt een rechtsvacuüm voorkomen. Het deel van het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat voldoet niet aan alle wettelijke vereisten van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. Dit deel zal binnen een daartoe gestelde termijn moeten worden vervangen. Dit deel wordt daarom aangeduid als ‘tijdelijk deel’. Vervolgens zal het omgevingsplan (het nieuwe deel) gevuld raken met regels die dat tijdelijke deel gaan vervangen.

Het opbouwen van het omgevingsplan gebeurt dus niet vanuit een blanco-situatie, maar vanuit de situatie zoals die er ligt op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Die situatie is medebepalend voor de te volgen werkwijze. In het vervolg van deze toelichting wordt met 'omgevingsplan van rechtswege' gedoeld op het omgevingsplan zoals dat van rechtswege is ontstaan op 1‑1‑2024, en zoals dat blijft bestaan totdat het eerste wijzigingsbesluit is genomen.

Het ‘omgevingsplan van rechtswege’ bestaat zogezegd in het begin uitsluitend uit een tijdelijk deel en een nieuw deel: 

  • a.

    het nieuwe deel is leeg;

  • b.

    het tijdelijk deel is gevuld met bestaande regels en regelingen. 

Het is aan gemeenten om binnen een bepaalde wettelijk vastgelegde termijn (vooralsnog is dit uiterlijk 1 januari 2032) dit tijdelijk deel te vervangen door nieuwe regels. 

Het nieuwe deel van het omgevingsplan is leeg. Dat moet gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs gevuld raken. Maar er is ook een tijdelijk deel dat al wel inhoud bevat. Het vullen van het nieuwe deel gaat dus (deels) gepaard met het vervangen van het tijdelijk deel. 

Visueel is de situatie op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, en waar vervolgens naar toe gewerkt moet worden, als volgt weer te geven: 

Transitie naar één omgevingsplan
afbeelding binnen de regeling

De te onderscheiden tijdelijke onderdelen van het tijdelijk deel (ruimtelijke besluiten, verordeningen en bruidsschat) kunnen, aldus de wetgever, gebiedsgewijs en onderwerpgewijs worden vervangen. Dat is echter niet voor elk van die onderdelen in gelijke mate het geval. Zo kunnen de ruimtelijke besluiten alleen gebiedsgewijs worden vervangen, en geldt voor de verordeningen en de bruidsschat juist dat er aan gebiedsgewijs vervangen grote nadelen kleven. In de volgende paragraaf wordt hierop ingegaan. 

Het proces van de transitieopgave en de Neder-Betuwse aanpak staat beschreven in het plan van aanpak voor de transitieperiode omgevingsplan. Dit plan van aanpak is te raadplegen via de volgende link Plan van Aanpak transitieperiode

6.2.2 Inhoud en wijze van vervanging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege

6.2.2.1 Bestaande ruimtelijke besluiten

In artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet is bepaald welke gemeentelijke ruimtelijke plannen en besluiten tot het tijdelijk deel van het omgevingsplan behoren. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen,  inpassingsplannen, exploitatieplannen en voorbereidingsbesluiten. 

In artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid is geregeld dat ook hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder) gelden als deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6, lid 1, Invoeringswet.

Bestuurlijke bevoegdheden en verplichtingen op grond van de ruimtelijke besluiten

Ruimtelijke plannen kunnen bevoegdheden en verplichtingen aan het college van burgemeester en wethouders toekennen. Zo bevatten veel bestemmingsplannen binnenplanse afwijkmogelijkheden, de mogelijkheid om nadere eisen te stellen, het bestemmingsplan met inachtneming van de daarbij gestelde regels te wijzigingen, of een uitwerkingsplicht. Zolang het betreffende ruimtelijk plan nog onderdeel is van het omgevingsplan van rechtswege, moet aan deze bevoegdheden en verplichtingen uitvoering gegeven kunnen worden. Via overgangsrecht is hierin voorzien (zie bijv. artikel 22.32 en artikel 22.280). 

Vindbaarheid en raadpleegbaarheid

Deze besluiten zijn juridisch onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Technisch zijn ze daarin echter niet opgegaan. De regels die deze besluiten bevatten zijn niet opgenomen in de regelstructuur van het omgevingsplan. Voor alle afzonderlijke ruimtelijke besluiten geldt dat ze in hun bestaande vorm als ‘losse regeling’ behouden blijven. Dat betekent dat ze in die vorm vindbaar en raadpleegbaar daar waar ze in het verleden zijn gepubliceerd. Voor ruimtelijke plannen die op ruimtelijkeplannen.nl zijn gepubliceerd geldt dat die via de viewer van het DSO vindbaar en raadpleegbaar zijn. 

Wanneer voor een bepaald gebied het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan is vervangen, moet duidelijk zijn dat dat plan daar niet meer geldt. Het bevoegd gezag kan bij het aanleveren voor de bekendmaking van een besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan aangeven of dat besluit een deel van het tijdelijk omgevingsplan vervangt en daarmee dus bijvoorbeeld een bestemmingsplan vervangt. Het vervallen deel wordt dan in de viewer niet meer getoond. De extra informatie die daarvoor moet worden aangeleverd wordt de Pons genoemd. Daarmee kan een bevoegd gezag aangeven dat één of meerdere delen van o.a. een bestemmingsplan dat in de overbruggingsfunctie van DSO-LV aanwezig is, niet langer geldig is/zijn. De Pons zorgt er daarbij voor dat het deel van het bestemmingsplan niet meer wordt getoond. 

Beoogde wijze waarop ruimtelijke besluiten zullen worden vervangen 

Het vervangen van ruimtelijke besluiten vindt plaats door het van toepassing laten worden van nieuwe ruimtelijke regels en het tegelijkertijd laten vervallen van de oude ruimtelijke regels. De Omgevingswet bevat een beperking, waardoor het alleen mogelijk is dit gebiedsgewijs te doen. Artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat de voor een locatie geldende regels die zijn opgenomen in een ruimtelijk besluit (zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet) alleen alle tegelijk komen te vervallen. Het onderwerpgewijs vervangen van ruimtelijke regels is dus niet mogelijk. Het gaat per gebied. Dat betekent overigens niet dat bij het vervangen van ruimtelijke besluiten de begrenzing van die ruimtelijke besluiten moet worden gevolgd. De ruimtelijke regels uit een bestemmingsplannen kunnen in één keer voor het hele plangebied van dat bestemmingsplan worden vervangen, maar het kan ook voor meerdere bestemmingsplannen tegelijk worden gedaan, en het kan ook voor een kleiner gebied dan een plangebied van een bestemmingsplan worden gedaan. 

De ruimtelijke regels uit ruimtelijke besluiten zullen gebiedsgewijs moeten worden vervangen. Gelet op de omvang van Neder-Betuwe, het aantal bestemmingsplannen en de periode waarbinnen dit moet gebeuren, zal dat niet in één klap gebeuren. Zoals is uitgewerkt in het plan van aanpak voor de transitieperiode omgevingsplan zullen wij dit gebiedsgericht aanpakken, waarbij de volgende volgorde wordt gehanteerd: de Kernen, het Buitengebied en de Bedrijventerreinen. Met het vaststellen van het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen wordt ook meteen de structuur, opzet en indeling voor de overige deelgebieden vastgelegd. 

6.2.2.2 Een beperkt aantal regels uit verordeningen

In artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet is verder bepaald dat een drietal gemeentelijke verordeningen geheel of gedeeltelijk tot het tijdelijk deel van het omgevingsplan behoren.

Regels uit de Erfgoedverordening

Allereerst gaat het om regels uit de Erfgoedverordening die daarin zijn opgenomen op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. Omdat de Monumentenwet 1988 op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet volledig vervalt, wordt hiermee een rechtsvacuüm voorkomen. De ratio achter artikel 38 van de Monumentenwet 1988 was (aldus de wetgever) dat zaken die uit systematisch oogpunt niet bij bestemmingsplan konden worden geregeld, bij verordening geregeld konden worden. Deze regels passen wel in het omgevingsplan.

Het gaat om regels over archeologie die in de gemeente Neder-Betuwe reeds zijn verwerkt in bestemmingsplannen. Met het gebiedsgericht 'verhuizen' van de bestemmingsplannen, worden deze 'erfgoedregels' ook verwerkt in het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan. 

De Hemelwaterverordening

Ten tweede gaat het om de regels, opgenomen in de Hemelwaterverordening. Het voorheen geldende artikel 10.32a van de Wet milieubeheer gaf de bevoegdheid aan de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dit artikel is niet teruggekomen in de Omgevingswet. Voor zover het om lozingen op de riolering gaat waar het Rijk geen regels over heeft gesteld, kan het gemeentebestuur daarover zelf regels stellen in het omgevingsplan. Voor zover het Rijk wel regels stelt over deze lozingen in het Besluit activiteiten leefomgeving, kan de gemeente via maatwerkregels hetzelfde bereiken als wat artikel 10.32a van de Wet milieubeheer mogelijk maakte. Om een rechtsvacuüm te voorkomen, is ook deze verordening onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In Neder-Betuwe betreft het de Verordening op de afvoer van hemelwater. 

Met deze verordening heeft de gemeenteraad gebruik gemaakt van de hiervoor bedoelde bevoegdheid. De verordening bevat regels over waterberging bij nieuwe gebouwen. Deze regels gelden voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije bouwwerken. Deze regels zijn dus onderdeel geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en worden meegenomen bij de vaststelling van de eerste gebiedsgerichte verhuizing; het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen. 

Geurverordening 

Op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kan een gemeente met een zogenoemde geurverordening afwijken van de waarden of afstanden van de Wgv. Dit artikel is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Om een rechtsvacuüm te voorkomen, is ook deze verordening onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeenteraad kon aan de hand van dit artikel bepalen dat voor (delen van) het grondgebied andere waarden of afstanden gelden. De gemeente Neder-Betuwe heeft met de vaststelling van de Geurverordening Neder-Betuwe 2011 gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De regels uit deze verordening worden meegenomen bij de vaststelling van de tweede gebiedsgerichte verhuizing; het omgevingsplan voor het deelgebied Buitengebied.

Overige delen van verordeningen maken geen deel uit van het tijdelijk deel omgevingsplan

Alleen de hiervoor genoemde (delen van) verordeningen maken deel uit van het ‘omgevingsplan van rechtswege’. Voor alle andere (delen van) verordeningen geldt dat die geen deel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt zowel voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, als voor de onderdelen van) verordeningen die erin moeten worden opgenomen. Deze gemeentelijke verordeningen of onderdelen ervan moeten op enig moment opgaan in het omgevingsplan, maar blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gewoon als verordening bestaan. Ze zijn geen onderdeel geworden van het omgevingsplan, en ze kunnen ook op de te doen gebruikelijke manier worden gewijzigd. Deze (delen van) verordeningen moeten uiteindelijk opgaan in het omgevingsplan. Dat gebeurt door middel van wijziging van het omgevingsplan. Daarbij zal tevens moeten worden voorzien in het vervallen van de (delen van) de verordening zelf. 

Vindbaarheid en raadpleegbaarheid

Voor de betreffende regels uit de Hemelwaterverordening en de Geurverordening geldt dat deze besluiten juridisch onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Technisch zijn ze daarin echter niet opgegaan. De regels die deze besluiten bevatten zijn niet opgenomen in de regelstructuur van het omgevingsplan. Ze zijn pas technisch geïntegreerd in het omgevingsplan nadat daarin met een wijzigingsbesluit omgevingsplan is voorzien. Voor de betreffende besluiten geldt dat ze tot die tijd in hun bestaande vorm als ‘losse regeling’ behouden blijven. Dat betekent dat ze in die vorm vindbaar en raadpleegbaar daar waar ze in het verleden zijn gepubliceerd. Voor de verordeningen is dat https://www.overheid.nl/. Vanuit de DSO-viewer is daarheen geen koppeling gelegd. Directe links: Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Neder-Betuwe, Verordening geurhinder en veehouderij 2011

Voor de (delen van) verordeningen die moeten of kunnen opgegaan in het omgevingsplan, maar die niet automatisch zijn opgegaan in het omgevingsplan van rechtswege, geldt dat die sowieso pas opgaan in het omgevingsplan wanneer daartoe bij wijzigingsbesluit omgevingsplan is besloten. Tot dan zullen ook die (delen van) verordeningen niet via de DSO-viewer maar via https://overheid.nl/ vindbaar en raadpleegbaar zijn. Dat zal het geval blijven voor alle verordeningen of delen ervan die nooit in het omgevingsplan opgaan.  

Beoogde wijze waarop verordeningsregels tijdelijk deel zullen worden vervangen

Er zijn geen wettelijke beperkingen gesteld aan de wijze waarop de betreffende regels uit de Erfgoedverordening en de Hemelwaterverordening kunnen worden vervangen. Dat kan zowel gebiedsgewijs als onderwerpgewijs. Dat betekent dat de betreffende regels niet tegelijk met het vervangen van een ruimtelijk besluit voor een gebied van toepassing hoeven te worden. Ze kunnen los daarvan in het nieuwe deel van het omgevingsplan worden opgenomen. Dat kan gebied voor gebied, maar dat kan ook ineens voor heel Neder-Betuwe. 

De regels in de verordeningen gelden sowieso voor heel Neder-Betuwe. Het ligt voor de hand ook het vervangen van die regels in eens voor heel Neder-Betuwe te doen. Resteert de vraag op welk moment dat zou kunnen gebeuren. 

Voor de Hemelwaterverordening geldt dat daarin regels over bouwwerken zijn opgenomen die van toepassing zijn op zowel vergunningplichtige als vergunningvrije bouwwerken. De situatie zoals die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan, is voor wat betreft de vindbaarheid van de regels niet optimaal. Ze zijn onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege, maar als zodanig niet vindbaar via de DSO-viewer. Vanwege de samenhang met andere regels over bouwwerken en de vindbaarheid daarvan is er voor gekozen de Hemelwaterverordening zo snel mogelijk te integreren in het omgevingsplan. Deze integratie van de Hemelwaterverordening is direct voorzien bij de eerste wijziging van het omgevingsplan, het omgevingsplan deelgebied Kernen.  

6.2.2.3 De ‘bruidsschat’ van het Rijk

Artikel 22.2 van de Omgevingswet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens landelijke wetgeving waren gesteld, al dan niet tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Het betreft regels over onderwerpen die voorheen door het Rijk waren gesteld, maar nu gemeentelijke regels zijn. Deze regels komen in het omgevingsplan van rechtswege te staan. Dit is wat veelal als de ‘bruidsschat’ wordt aangeduid. Bij een besluit tot wijziging van een omgevingsplan kunnen die regels worden gewijzigd.

Het gaat grotendeels over regels met betrekking tot  bouwen en bouwwerken, en over regels met betrekking tot milieubelastende activiteiten. 

De regels over bouwen en bouwwerken komen in de plaats van regels uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Bouwbesluit. Zo wordt de bouwvergunningplicht uit de Wabo (voor zover het betreft de ‘ruimtelijke bouwactiviteit’) bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen. Hetzelfde geldt voor de daarop betrekking hebbende beoordelingsregels (zoals de welstandsbeoordeling), en de regeling voor vergunningvrije bouwwerken en bouwwerken die overal zijn toegestaan (voorheen artikelen 3 en 2 van het toenmalige Bor). Ook allerlei algemene regels met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, die voorheen in het Bouwbesluit werden gesteld, zijn in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen. 

De regels over milieubelastende activiteiten komen in de plaats van regels die voorheen in het Activiteitenbesluit milieubeheer werden gesteld. Het betreft een grote hoeveelheid veelal zeer technische regels over onderwerpen waarover gemeenten tot nu toe vrijwel uitsluitend uitvoeringsbevoegdheid heeft gehad. Deze uitvoeringsbevoegdheden werden (en worden) grotendeels uitgevoerd door de Omgevingsdienst Regio Rivierenland.

Vindbaarheid en raadpleegbaarheid

De voorheen landelijke regels die juridisch onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan zijn ook technisch in het omgevingsplan geplaatst. Anders dan de ruimtelijke besluiten en verordeningen die onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van rechtswege, zitten deze regels dus echt ‘in’ het omgevingsplan. De regels zijn terecht gekomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Daarnaast zijn ook een hoofdstuk 1 (met daarin begripsbepalingen) en een hoofdstuk 23 (met daarin de citeertitel) opgenomen. De tussenliggende hoofdstukken 2 tot en met 21 zijn dus leeg. 

Hoofdstuk 22 bestaat uit de volgende onderdelen: 

  • a.

    Afdeling 22.1: algemeen

  • b.

    Afdeling 22.2: activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen 

  • c.

    Afdeling 22.3: milieubelastende activiteiten 

  • d.

    Afdeling 22.4: aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond 

  • e.

    Afdeling 22.5: regels over overige activiteiten

Gemeenten moeten zelf beslissen of regels over de onderwerpen, zoals opgenomen in hoofdstuk 22, behouden moeten blijven. Daarbij zal veelal sprake zijn van aanpassing van de regels, teneinde te voldoende aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De regels zoals ze in hoofdstuk 22 zijn geplaatst, voldoen daaraan namelijk nog niet. Daarbij zal moeten worden nagedacht over de plek in de structuur van het omgevingsplan waar de regels moeten worden opgenomen. 

Beoogde wijze waarop de bruidsschat wordt vervangen

Er zijn meerdere redenen om de tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 snel en integraal te vervangen door regels in het nieuwe deel. De tijdelijke regels voldoen niet aan de instructieregels van het rijk. Dat geldt met name voor afdeling 22.3 en 22.4 van de bruidsschatregels. Wanneer de regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) niet voldoen aan de instructieregels, dan heeft dat gevolgen voor onder meer het faciliteren van gebiedsontwikkeling. Dat komt omdat bij gebiedsontwikkeling al snel sprake is van het mogelijk maken van vormen van gebruik waarbinnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die worden gereguleerd door afdeling 22.3. Wanneer die regels in afdeling 22.3niet voldoen aan de instructieregels, zouden voor de gebiedsontwikkeling specifieke regels over de betreffende milieubelastende activiteiten moeten worden vastgesteld, om te voldoen aan de wet. Dat zou er toe leiden dat per gebied gekeken wordt naar de wijze waarop van toepassing zijnde regels over milieubelastende activiteiten zouden moeten worden aangepast. Dat is ongewenst. De regels hebben nu de vorm van algemene regels die overal gelden binnen Neder-Betuwe. De regels uit de Bruidsschat worden zo snel als mogelijk overgezet naar het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan. Voor het grootste gedeelte vindt dit al plaats met het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen. Als daar een beleidsmatige reden voor is (geluid en geur in het buitengebied en op bedrijventerreinen) verhuizen de betreffende regels van de Bruidsschat gezamenlijk met het betreffende deelgebied; Buitengebied of Bedrijventerreinen.       

Een tweede reden voor het snel en integraal vervangen van hoofdstuk 22 heeft te maken met de inhoud van dat hoofdstuk en de gewenste structuur van het omgevingsplan. Hoofdstuk 22 bevat een groot aantal structuurbepalende artikelen. Dat geldt met name de bepalingen die gaan over bouwen. Zo bevat afdeling 22.2 de binnenplanse bouwvergunningplicht (voorheen geregeld in de Wabo), maar ook de uitzonderingen op die vergunningplicht, beoordelingsregels, en allerlei algemene regels over bouwwerken. De ruimtelijke regels waarmee ruimtelijke besluiten worden vervangen, bevatten ook algemene regels over bouwwerken. Voor de overzichtelijkheid van de regeling dienen die regels op een juiste wijze ten opzichte van elkaar in de regelingstructuur te worden geplaatst. Er is vanwege het vervangen van ruimtelijke besluiten ook behoefte aan aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot de bouwvergunning, onder meer ter vervanging van de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen zoals die in veel ruimtelijke besluiten is opgenomen. Voorkomen moet worden dat die beoordelingsregels, die van toepassing zijn op één specifieke vergunningplicht, her en der in het omgevingsplan verzeild raken. Voor de overzichtelijkheid en kenbaarheid van de regeling is het gewenst dat alle beoordelingsregels ook bij elkaar gegroepeerd zijn te vinden, in plaats van dat deze door het hele omgevingsplan verspreid zijn opgenomen. 

Bij de terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan deelgebied Kernen zal een transponeringstabel worden opgenomen. Daarin is aangegeven waar de regels uit hoofdstuk 22 zijn terechtgekomen. 

De tijdelijke regels zoals opgenomen in hoofdstuk 22 gelden voor heel Neder-Betuwe. Het ligt om bovenstaande redenen voor de hand ook het vervangen van die regels zo snel mogelijk voor heel Neder-Betuwe te doen. Daarmee kan ook de structuur van het omgevingsplan worden bepaald. De opname en wijziging van veel tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 is daarom direct voorzien bij de eerste wijzigingen van het omgevingsplan (voor het deelgebied Kernen). 

6.3 Het opbouwen van het omgevingsplan vanuit het ‘omgevingsplan van rechtswege’
6.3.1 Eerste stap in de transitie: het vaststellen van een basisregeling met het omgevingsplan deelgebied Kernen

Het opbouwen van het omgevingsplan vindt plaats vanuit het ‘omgevingsplan van rechtswege’. De regels en regelingen die onderdeel zijn van dat ‘omgevingsplan van rechtswege’ moeten worden vervangen door nieuwe regels. Daarnaast zullen bepaalde (delen van) verordeningen eveneens op enig moment worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot slot zullen er ook nieuwe regels worden opgenomen over onderwerpen waarover nu nog nergens regels zijn gesteld. Dit zijn verschillende vormen van wijziging van het omgevingsplan, met elk een eigen aanpak. In dit hoofdstuk wordt op de aanpak van deze verschillende wijzigingen ingegaan. 

Een eerste stap die daarbij is voorzien in de transitie van het ‘omgevingsplan van rechtswege’ naar het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan, is het in procedure brengen en vaststellen van een omgevingsplan voor het deelgebied Kernen. Dit omgevingsplan bevat in feite een basisregeling met regelstructuur waarbinnen regels uit bestemmingsplannen buitengebied en bedrijventerreinen en overige verordeningen kunnen worden opgenomen. Die regelstructuur is nodig omdat bepaalde typen regels altijd in een bepaalde verhouding tot elkaar staan, die ook in de volgorde van die regels en dus in de regelstructuur is terug te vinden. 

Zo kent bijvoorbeeld een regeling over een activiteit die door een vergunningplicht wordt gereguleerd (zoals het bouwen van een bouwwerk) veelal de volgende volgorde: 

  • a.

    Toepassingsbereik (waarop hebben de regels betrekking?)

  • b.

    Vergunningplicht

  • c.

    Uitzonderingen op de vergunningplicht

  • d.

    Beoordelingsregels voor vergunningaanvragen

  • e.

    Aanvraagvereisten

  • f.

    Voorschriften

  • g.

    Eventueel algemene regels die op de activiteit van toepassing zijn, of ze nu vergunningplichtig zijn of vergunningvrij

Een dergelijke regelopbouw komt de begrijpelijkheid en toepasbaarheid van de regels ten goede. Het maakt dat de regels die op dezelfde activiteit betrekking hebben op een toegankelijke en zo begrijpelijk mogelijke manier bij elkaar staan. Dat voorkomt dat bijvoorbeeld beoordelingsregels die op een bepaalde vergunningplicht van toepassing zijn, verspreid over het hele omgevingsplan worden opgenomen. Dat zou leiden tot een onnavolgbare regeling. Hetzelfde geldt voor algemene regels die op een specifieke activiteit van toepassing zijn. 

Bij het opbouwen van de basisregeling voor het omgevingsplan is gezocht naar een regelstructuur die zo goed mogelijk invulling geeft aan de vindbaarheid van regels. In die structuur zijn de tijdelijke regels uit hoofdstuk 22 en allerlei ruimtelijke regels ter vervanging van ruimtelijke besluiten opgenomen. Ook de regels uit de Hemelwaterverordening hebben daarin een plaats gekregen. Die regelstructuur zal ook ruimte moeten bieden voor de latere inpassing van verordeningen en aanvulling met andere regels. 

6.3.2 Verdere uitbouw: het vervangen van ruimtelijke besluiten

De basisregeling en daarmee dus het omgevingsplan deelgebied Kernen vormt het uitgangspunt voor het vervangen van ruimtelijke besluiten in het buitengebied en de bedrijventerreinen. In de basisregeling is voorzien in regels over die onderwerpen die ook door die ruimtelijke besluiten worden gereguleerd. Het gaat hoofdzakelijk om ruimtelijke regels over gebruik, bouwwerken en aanlegactiviteiten. 

Met de ruimtelijke regels zoals die in het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen zijn opgenomen, kan een groot deel van de ruimtelijke besluiten voor het buitengebied en de bedrijventerreinen worden vervangen. Dat gebeurt door de benodigde regels ook voor het gebied (of locaties binnen het gebied) waarop het te vervangen ruimtelijk besluit betrekking heeft, van toepassing te laten worden. Dat gebeurt door middel van wijzigingsbesluiten. Een wijziging van het omgevingsplan hoeft dus niet te betekenen dat er nieuwe regels worden toegevoegd of dat bestaande regels wijzigen. Een wijziging van het omgevingsplan kan ook bestaan uit alleen het wijzigen van het werkingsgebied van een al bestaande regel. 

6.3.3 Verdere uitbouw: het opnemen van (delen van) verordeningen die geen deel zijn van het ‘omgevingsplan van rechtswege’

Met uitzondering van de in paragraaf 6.2.2 genoemde (onderdelen van) verordeningen, maken gemeentelijke verordeningen geen deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, maar ook voor de onderdelen van) verordeningen erin moeten worden opgenomen. De gemeentelijke verordeningen zijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1‑1‑2024) gewoon als zodanig blijven bestaan. En ze kunnen ook gewoon worden gewijzigd. 

Voor de (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen, hebben gemeenten naar verwachting tot en met 2031 de tijd om dit te realiseren. Voor (onderdelen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen worden opgenomen geldt dat die integratie ook na 2031 kan plaatsvinden. Van daaruit zit er weinig druk op integratie van de verordeningen. 

Bovendien zijn de meeste verordeningen sterk thematisch van inhoud. Daarmee wordt bedoeld dat ze betrekking hebben op een of meerdere specifieke, op zichzelf staande activiteiten. Zo is de activiteit ‘vellen van een houtopstand’ zoals die in de APV wordt gereguleerd, een op zichzelf staande  activiteit met een geheel eigen, daarop van toepassing zijnde regeling. Inhoudelijke afstemming met regels over andere activiteiten is veelal niet, of slechts in beperkte mate, aan de orde. 

Tot slot hebben de meeste verordeningen geen locatiegerichte benadering (zie ook hoofdstuk 7). Dat betekent dat ze zich als regeling ervoor lenen om op enig moment integraal, voor heel de gemeente, in het omgevingsplan te worden geïntegreerd. 

Hoewel de integratie in het omgevingsplan uiteindelijk de vindbaarheid van de betreffende regels ten goede komt, is er in de meeste gevallen geen sprake van urgentie. Daar waar wel sprake is van een sterke mate van inhoudelijke verwevenheid van (delen van) verordeningen of van een locatiegerichte benadering wordt integratie naar voren gehaald. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Verordening afvoer van hemelwater en de Verordening doelgroepen woningbouw Neder-Betuwe. Om die reden worden die verordeningen wel vervangen door het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen.  

6.4 Relaties met 'TAM-omgevingsplannen'

Vanwege problemen rondom het Digitale Stelsel Omgevingswet heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1, lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.

Deze regeling is bedoeld de mogelijkheid te bieden nog enige tijd gebruik kan maken van de software die onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) wordt gebruikt voor vormgeving en publicatie overeenkomstig de zogenoemde IMRO-standaarden. Daarmee kan publicatie van een wijziging van een omgevingsplan plaatsvinden op ruimtelijkeplannen.nl, waarmee ontsluiting in het DSO mogelijk is. De publicatie van het hoofdbestanddeel van het besluit vindt daarbij plaats in het publicatieblad op officiëlebekendmakingen.nl. 

Een wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Een TAM-omgevingsplan maakt in juridisch opzicht deel uit van het (nieuwe deel van het) omgevingsplan, maar hebben technisch gezien het 'oude' formaat (namelijk IMRO). De landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl blijft na inwerkingtreding van de Omgevingswet tijdelijk beschikbaar voor gemeenten, adviesbureaus en softwareleveranciers. Dit regelt artikel 4.25 van de Invoeringswet Omgevingswet. 

Omdat het TAM-omgevingsplan juridisch onderdeel is van het omgevingsplan, maar technisch technisch gezien als een zelfstandig besluit oogt en regels heeft die van toepassing zijn op het besluit gebied, bevat het TAM-omgevingsplan regels over onderwerpen die ook elders in het omgevingsplan zijn gesteld. Zo bevat een TAM-omgevingsplan veelal begripsbepalingen die op de in erin opgenomen regels van toepassing zijn. Ook bevat een TAM-omgevingsplan, gelet op het doel ervan, veelal ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken. Voor een goede werking van de regels worden daar waar nodig in het omgevingsplan voorrangsbepalingen opgenomen.      

De gemeente moet met gebruikmaking van TAM-IMRO vastgestelde regels in het omgevingsplan bij omzetting naar STOP-TPOD opnieuw vaststellen. Bij een beleidsneutrale omzetting kan in de publicatie worden vermeld dat deze wijziging om technische redenen gebeurt en het een beleidsneutrale omzetting betreft. De TAM-omgevingsplannen die de gemeenteraad van Neder-Betuwe heeft vastgesteld, worden op het moment dat zij onherroepelijk worden 'verhuisd' naar het omgevingsplan dat met STOP/TP is opgesteld; in eerste instantie het omgevingsplan voor het deelgebied Kernen.

7 Locatiegerichte regels in het omgevingsplan

7.1 Inleiding

Zoals eerder aangegeven lijkt het omgevingsplan in meerdere opzichten meer op een gewone gemeentelijke verordening dan op een bestemmingsplan. In één belangrijk opzicht is het omgevingsplan wel anders dan de meeste gemeentelijke verordening. Het omgevingsplan bevat namelijk (net als voorheen het bestemmingsplan) locatiegerichte regels. Het gaat om regels met een beperkt werkingsgebied (ze gelden alleen in bepaalde delen van Neder-Betuwe), om regels die bepalen waar binnen Neder-Betuwe een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan, en regels met een locatiegerichte norm. Dergelijke regels kwamen voorheen veel voor in ruimtelijke besluiten en zijn ook weer in het omgevingsplan opgenomen. Zo bevat het omgevingsplan regels over planologisch gebruik, waarmee onder meer wordt bepaald waar een bepaalde vorm van gebruik wel of niet is toegestaan, en in welke omvang. En ook bevat het omgevingsplan allerlei locatiegerichte bouwregels waarmee onder andere wordt bepaald waar gebouwd mag worden, en hoe hoog. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende vormen van locatiegerichte regels.  

7.2 De geografische component van regels

Elk juridische regel heeft een geografische component, omdat elke regel een werkingsgebied heeft. Daarmee wordt gedoeld op het gebied waar de regel geldt. Veel regels in het omgevingsplan hebben (net als bij de meeste verordeningen) heel de gemeente Neder-Betuwe als werkingsgebied; ze gelden overal. Vaak geldt ook dat de normering overal gelijk is. 

Maar het omgevingsplan bevat ook heel veel regels die locatiegericht zijn. Die locatiegerichtheid kan erin zitten dat het werkingsgebied van een regel beperkt is, of dat er in de regel naar een specifieke aangewezen locatie binnen het werkingsgebied wordt verwezen waar iets wel of juist niet is toegestaan. Ook kan het gaan om regels met locatiespecifieke normen, waarbij de regel in heel Neder-Betuwe geldt, of binnen een bepaald gebied, maar waarbij de norm zelf van locatie tot locatie verschilt.  

Die uiteenlopende geografische componenten van regels zijn juridisch zeer relevant. Ze bepalen waar een regel geldt, en waar een bepaalde activiteit wel of niet is toegestaan. Ze bepalen dat er op de aangegeven locatie gebouwd mag worden, dat daarbij wel of geen maximum bouwhoogte is gegeven, maar ook per locatie hoe hoog die maximum bouwhoogte is. 

Tegelijkertijd is het vaststellen van dergelijke regels complex, in die zin dat het bepalen waar een locatiespecifieke regel moet gelden, waar een bepaalde activiteit is toegestaan, waar een bepaalde norm moet gelden, niet ineens voor heel de gemeente kan worden gedaan. Dit gebeurt in fasen; eerst voor de Kernen, dan voor het Buitengebied en tot slot voor de Bedrijventerreinen.   

7.3 Het werkingsgebied van een regel

Elke juridische regel heeft een geografisch werkingsgebied. Daarmee wordt gedoeld op het geografisch gebied waar de regel geldt. Uitgangspunt van elke gemeentelijke juridische regeling is dat die overal binnen het grondgebied  van de gemeente geldt, tenzij dit in de regel is beperkt.  

Dit principe geldt ook voor het omgevingsplan. Het omgevingsplan geldt voor heel het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe (hierna: het ambtsgebied). Alle regelonderdelen en regels daarbinnen, gelden dus overal, tenzij dit is beperkt. Wanneer niet in de regels is bepaald dat er een beperkt werkingsgebied geldt, dan geldt het hele ambtsgebied als werkingsgebied. 

Het in de regel expliciet bepalen van een beperkt werkingsgebied vindt vaak plaats bij het beperken van het werkingsgebied voor een heel regelonderdeel. In zo’n regelonderdeel wordt dan aan het begin een bepaling opgenomen waarmee het werkingsgebied van alle regels in dat onderdeel wordt beperkt. Alle regels binnen zo’n regelonderdeel hebben in dat geval als werkingsgebied het gebied dat is aangegeven in die ene bepaling. 

Zie bijvoorbeeld artikel 2.140, lid 1: De regels in deze paragraaf zijn van toepassing ter plaatse van de Locatie wonen. Daarmee wordt bepaald dat de betreffende paragraaf, die over wonen gaat, alleen geldt ter plaatse van de betreffende aanduiding. Het geografisch gebied van die locatie wordt door de gemeenteraad vastgesteld en in de viewer op kaartbeeld weergegeven. Alle regels binnen die paragraaf gelden dus uitsluitend daar.

Regels binnen een regelonderdeel met een beperkt werkingsgebied kunnen zelf wel weer een meer beperkt werkingsgebied hebben. Vaak volgt dat uit de regelformulering in de regel zelf, zonder dat dit expliciet is gedaan. 

Zie bijvoorbeeld artikel 2.145, dat onderdeel is van de paragraaf die over wonen gaat: Ter plaatse van de Functieaanduiding woon-/werkeenheid toegestaan, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een woon-/werkeenheid toegestaan.Die regel heeft alleen betrekking op de aangegeven locatie, en heeft dus die locatie als werkingsgebied. 

Koppeling van de regel aan het werkingsgebied

Het werkingsgebied van een regel wordt in plansoftware aan de regels gekoppeld. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt. Binnen het DSO is ook mogelijk om voor een locatie alleen die regels in beeld te krijgen die daar gelden. Dat draagt bij aan de toegankelijkheid van de regeling. 

7.4 Regels met een (Functie- of Bouw)aanduiding kleiner dan het werkingsgebied van de regel

Behalve dat regels een al dan niet beperkt werkingsgebied hebben, kan in een regel een locatie binnen dat werkingsgebied worden aangeduid waar vervolgens blijkens de regel iets wel of juist niet mag. 

Zie bijvoorbeeld artikel 5.7. Dat bepaalt waar gebouwen zijn toegestaan: 
Een gebouw is, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, alleen toegestaan ter plaatse van de Bouwaanduiding bouwvlak.Deze regel moet (uiteindelijk) binnen heel Neder-Betuwe gelden. De regel bepaalt waar binnen Neder-Betuwe een gebouw is toegestaan, namelijk ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’. Maar tegelijkertijd bepaalt deze regel dat op locaties waaraan niet de aanduiding ‘bouwvlak’ is gegeven, géén gebouw is toegestaan. Dit type regel werkt dus twee kanten op. Dat is ook de reden waarom artikel 5.7 gefaseerd (eerst voor de Kernen, dan voor het Buitengebied en daarna voor de Bedrijventerreinen) heel Neder-Betuwe als werkingsgebied moet hebben. 

Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en nadere aanduiding

Ook voor dit type regel geldt dat het werkingsgebied van een regel in de plansoftware aan de regels wordt gekoppeld. Dat geldt ook voor de nadere aanduiding. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar de begrenzing van de aanduiding ligt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties (werkingsgebied en aanduiding) in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar een betreffende activiteit wel of niet is toegestaan. 

Onderscheid tussen een werkingsgebied en nadere aanduiding volgt uit de strekking van de regel 

Het verschil tussen het in een regel beperken van het werkingsgebied of het binnen een bepaald werkingsgebied aanduiden van een locatie, is niet altijd even makkelijk te zien. Uit de regelopbouw en de strekking van de regel blijkt of sprake is van het werkingsgebied of van een nadere locatieaanduiding. 

Zo bevat de regeling over kantoor een onderdeel kantoor met baliefunctie, waar kantoren met baliefunctie zijn toegestaan. 

  • Artikel  2.102 :  De regels in deze paragraaf gelden ter plaatse van de Locatie kantoor.

  • Artikel 2.103: De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van kantoren, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.9.2

  • Artikel  2.105 (uit paragraaf 2.9.2): Ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie, is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een kantoor met baliefunctie toegestaan.


Het eerste lid van artikel 2.102 moet overal gelden waar kantoor is toegestaan. Binnen dat gebied geldt voor kantoor de beperking dat kantoor met baliefunctie uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de Functieaanduiding kantoor met baliefunctie. De in de regel opgenomen locatieaanduiding is dus kleiner dan het werkingsgebied. Het is de activiteit kantoor met baliefunctie waarop de beperking is gericht. Zonder de beperking zou die activiteit in het gehele werkingsgebied zijn toegestaan. De beperking voorziet erin dat dit niet het geval is. 

7.5 Een locatiegerichte norm

Er zijn ook regels die een locatiegerichte norm bevatten. Binnen het werkingsgebied van de betreffende regel wordt dan voor verschillende locaties een uiteenlopende norm gegeven. 

Zie bijvoorbeeld artikel 5.11 dat regels over de bouwhoogte van gebouwen bevat. Het eerste lid bepaalt dat in tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, voor een gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte is. Het tweede lid bepaalt echter: 

Ter plaatse van het Normgebied maximum bouwhoogte gebouwen bedraagt de maximum bouwhoogte van een gebouw niet meer dan met de Omgevingsnorm maximum bouwhoogte gebouwen in meters is aangegeven.

Het eerste lid bevat als hoofdregel dat de maximum bouwhoogte van een gebouw de bestaande bouwhoogte is. Die regel heeft de hele gemeente Neder-Betuwe als werkingsgebied. Voor situaties waar de bouwhoogte anderszins is vastgelegd, is het tweede lid van toepassing. Dat tweede lid heeft een beperkt werkingsgebied, namelijk de locatie met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte gebouw’. De locatie bevat uit allemaal afzonderlijke locaties, met elk een eigen norm:

Fictief voorbeeld weergave bouwhoogte
afbeelding binnen de regeling

Koppeling van de regel aan het werkingsgebied en normen aan locaties binnen dat werkingsgebied

Ook voor dit type regel geldt dat werkingsgebied van een regel in plansoftware aan de regels wordt gekoppeld. Dat geldt ook voor de normen en de locaties waar die gelden. Binnen het DSO wordt zichtbaar gemaakt op kaart waar die regel geldt, en waar welke norm geldt. Doordat in het DSO zowel de regel als de daarbij behorende locaties en normen in samenhang worden weergegeven is het mogelijk om locatiegericht te zien waar de regel geldt en waar welke norm geldt. 

7.6 Betekenis voor vaststelling en wijziging

Dat sommige regels overal moeten gaan gelden, en andere regels binnen meer beperkte werkingsgebieden, heeft gevolgen voor de wijze waarop de regels kunnen worden vastgesteld. Regels die overal moeten gelden, zouden ineens voor heel Neder-Betuwe van toepassing kunnen worden. Voor regels met een beperkt werkingsgebied zal gebied voor gebied bekeken moeten worden of die regels binnen dat gebied moeten gaan gelden. De regels met een beperkter werkingsgebied zijn veelal de planologische regels uit de bestemmingsplannen. Deze regels worden gefaseerd 'verhuisd' naar het omgevingsplan 'nieuwe stijl'. De eerste fase van deze verhuizing; deelgebied Kernen, bevat echter ook regels die gelden voor het hele grondgebied. Dit zijn bijvoorbeeld de regels over afvalwater, doelgroepen, bodem en hemelwater.   

8 Digitale raadpleegbaarheid 

8.1 Algemeen

Naast het juridisch instrumentarium is digitalisering een belangrijk instrument voor het behalen van de verbeterdoelen. De Omgevingswet bevat de grondslagen voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Daarmee is de juridische basis gelegd voor de ontwikkeling van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en kunnen er regels worden gesteld over onder andere gemeenschappelijke definities in de standaarden en voorzieningen die onderdeel zijn van het stelsel.

Het digitale stelsel is onder meer nodig om het omgevingsplan raadpleegbaar te maken. Dat stelt eisen aan zowel het digitale stelsel, als aan het omgevingsplan. De eisen aan het omgevingsplan zijn deels van digitale aard. Om het omgevingsplan te kunnen publiceren moet worden voldaan aan bepaalde digitale standaarden. Het voldoen aan die standaarden moet vervolgens weer bijdragen aan een optimale weergave in het DSO. 

Het DSO bevat daartoe meerdere voorzieningen: de LVBB, overheid.nl en DSO-LV. In paragraaf 8.2 wordt nader ingegaan op het DSO, de digitale standaarden en wat dit voor het omgevingsplan betekent. Hoewel de digitale standaarden voorwaarden stellen aan de digitale kant van het omgevingsplan, laten ze gemeenten veel ruimte in de opzet van het omgevingsplan. 

Een van de functies van het DSO is een digitaal loket. Via de loketfunctie van de landelijke voorziening, het omgevingsloket, kunnen diverse soorten berichten worden ingediend. Het gaat om het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet. Een andere beoogde toepassing van het digitaal loket zijn vragenbomen, waarmee de vergunningencheck kan worden gedaan. Daarmee wordt het omgevingsplan bevraagbaar gemaakt. 

8.2 Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) 
8.2.1 LVBB, overheid.nl en DSO-LV

Het omgevingsplan moeten worden bekendgemaakt en gepubliceerd. Daartoe moet het omgevingsplan langs elektronische weg worden aangeleverd aan de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaarstellen (verder: LVBB). De LVBB verzorgt vervolgens de bekendmaking van de besluiten en de consolidatie van wijzigingsbesluiten in het (geconsolideerde) omgevingsplan. Beide worden geplaatst op het internetportaal overheid.nl: de bekendmaking van de besluiten komt op www.officielebekendmakingen.nl in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag, en het geconsolideerde omgevingsplan komt in de (lokale) regelingenbank. Het geconsolideerde omgevingsplan wordt doorgeleverd aan de DSO-LV. 

DSO-LV staat voor Landelijke Voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet. De DSO-LV moet onder meer zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit . DSO-LV biedt een digitaal loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving: het Omgevingsloket. Dit omgevingsloket bevat ook een viewer, waarmee het omgevingsplan gebiedsgericht raadpleegbaar is. 

DSO-LV moet zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit en bijdragen aan de verbetering van het stelsel van het omgevingsrecht. Het stimuleert een snellere en integrale besluitvorming onder de Omgevingswet en vergroot het gebruikersgemak. DSO-LV biedt het digitale loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving: het Omgevingsloket. 

Via het Omgevingsloket kunnen zij in elk geval: 

  • a.

    vergunningen aanvragen en meldingen doen; 

  • b.

    zien welke regels en beleid van toepassing zijn op een locatie. 

Om aan deze doelstellingen van DSO-LV te kunnen voldoen, is het nodig om bepaalde besluiten en andere rechtsfiguren machineleesbaar te maken en de gebruikte gegevens uitwisselbaar te maken. Dat betekent dat ze vanuit informatiekundig en technisch oogpunt moeten worden gestructureerd en gestandaardiseerd. De Omgevingswet biedt daartoe de mogelijkheid door het stellen van regels over die besluiten en andere rechtsfiguren.

8.2.2 Raadpleegbaarheid

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is een geheel aan digitale voorzieningen dat bijdraagt aan een effectieve werking van de Omgevingswet. Het stelsel als geheel bestaat uit een landelijke voorziening en verbindingen met en tussen lokale voorzieningen, zoals eigen behandelsystemen voor het behandelen van vergunningen en meldingen van de aangesloten overheden. 

De wettelijk geregelde landelijke voorziening heeft twee functies (Staatsblad 2020 400, p. 1133):

  • a.

    het elektronisch ontsluiten van informatie over de fysieke leefomgeving; en 

  • b.

    het elektronisch kunnen indienen van een bericht. Daaronder wordt verstaan het indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet.

Dit zijn harde voorwaarden waaraan het DSO moet voldoen. Het op een voor een ieder toegankelijke manier ontsluiten van informatie over de fysieke leefomgeving heeft meerdere kanten. Het moet in elk geval voorzien in een gebiedsgerichte raadpleegbaarheid. Van belang daarbij is dat de juridische informatie in samenhang kan worden geraadpleegd. Naast deze gebiedsgerichte raadpleegbaarheid wordt met de DSO ook voorzien in locatiegerichte raadpleegbaarheid en activiteitgerichte bevraagbaarheid.    

Op www.officielebekendmakingen.nl (zie vorige subparagraaf) wordt het besluit formeel bekend gemaakt in het digitale publicatieblad van het bevoegde gezag. De authentieke tekst van het besluit wordt in PDF-formaat weergegeven en er is een zogeheten landingspagina voor de informatieobjecten. Tevens is er een web-versie van het besluit. Daarnaast worden de consolidatie-instructies verwerkt in de geldende regeling van dat moment. Dit resulteert in een documentgerichte weergave van de regeling van waaruit de informatieobjecten kunnen worden benaderd. De informatieobjecten worden afzonderlijk getoond in een interactieve viewer en kunnen vanuit daar ook worden gedownload. Raadplegen is alleen mogelijk per omgevingsdocument of regeling en dus ook alleen van één bevoegd gezag. Er is geen integraal overzicht van alle regels voor de leefomgeving. 

Het is op www.officielebekendmakingen.nl niet mogelijk de regels in samenhang met elkaar te raadplegen. Daarvoor is de DSO-LV bedoelt. In het Omgevingsloket zijn diverse functies beschikbaar voor de gebruiker. Het biedt de mogelijkheid tot het oriënteren op de integrale regels of het integrale beleid over de fysieke leefomgeving via de kaart. Met een klik op de kaart zijn de daar geldende regels en het geldende beleid te raadplegen. De locaties uit de diverse regelingen worden via een legenda gesymboliseerd op de kaart. De tekst en kaart geven ook selectiemogelijkheden, bijvoorbeeld het tonen van regeltekst en locaties voor een specifieke activiteit, het uitsluitend tonen van regels die voor iedereen gelden of het tonen van beleid over een specifiek beleidsaspect met de bijbehorende locaties. 

8.2.3 Toepassingsprofiel omgevingsplan

De regels in het omgevingsplan kunnen niet los worden gezien van de daarbij horende geografische elementen en de weergave ervan in DSO-LV. Het op een toegankelijke en samenhangende wijze weergeven van regels en geografische elementen is essentieel voor de raadpleegbaarheid van het plan. Maar bovendien moet het omgevingsplan via de verschillende landelijke voorzieningen toegankelijk zijn.  

Om hierin te voorzien, is het nodig om het omgevingsplan machineleesbaar te maken en de gebruikte gegevens uitwisselbaar te maken. Dat betekent dat ze vanuit informatiekundig en technisch oogpunt moeten worden gestructureerd en gestandaardiseerd. De Omgevingswet biedt daartoe de mogelijkheid door het stellen van regels over onder meer het omgevingsplan. Voor het omgevingsplan is dit gedaan met het Toepassingsprofiel Omgevingsplan. 

Dit toepassingsprofiel stelt een aantal (overwegend technische en structurerende) normen voor het opstellen van het omgevingsplan. Hierin is voor het omgevingsplan onder meer vastgelegd hoe de regels moeten worden ingedeeld en geannoteerd, en hoe tekst en normen aan locaties moeten worden gekoppeld, en hoe het resultaat vervolgens uitgewisseld moet worden. Het is aan de bevoegde gezagen om de inhoud te bepalen. Het toepassingsprofiel stelt ook eisen aan het door de gemeenteraad (of, indien gedelegeerd, het college) te nemen wijzigingsbesluit en de motivering ervan. 

In het Toepassingsprofiel omgevingsplan is vastgelegd hoe de regeling mag worden onderverdeeld in structuurelementen en uit welke elementen artikelen mogen bestaan. Met structuurelementen wordt gedoeld op de onderverdeling in hoofdstuk, titel, afdeling, paragraaf, subparagraaf en subsubparagraaf. Het zijn uitsluitend deze structuurelementen die gebruikt mogen worden. 

De regels in het omgevingsplan moeten worden geannoteerd. Onder annoteren wordt verstaan het toevoegen van gegevens aan (onderdelen van) regelingen, gegevens die de regelingen machineleesbaar maken. Dit zorgt ervoor dat de bij de regels behorende geografische regeling gestructureerd bevraagbaar is en dat locaties en andere gegevens op een kaart weergegeven worden. In omgevingsdocumenten met artikelstructuur waarin regels over activiteiten worden gesteld, is het annoteren nodig om toepasbare regels, oftewel vragenbomen, aan regels met locaties te verbinden. Deze toepasbare regels kunnen de vorm krijgen van aanvraagformulieren en vergunningenchecks. 

8.3 Naar een digitaal loket
8.3.1 Aanvraagformulieren

In artikel 14.1 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat via de loketfunctie van de landelijke voorziening, het omgevingsloket, diverse soorten berichten kunnen worden ingediend. Het gaat om het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, het doen van een melding, het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en het verzenden van een ander bericht op grond van de Omgevingswet. 

Het doen van een aanvraag of melding gaat via een elektronisch formulier. Het bevoegd gezag is verplicht om de informatie die nodig is voor het samenstellen van het elektronisch formulier aan te leveren bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 

Het digitale loket van de landelijke voorziening zal gebruik maken van interactieve elektronische formulieren. In dit formulier zullen zoveel mogelijk gegevens, die al bekend zijn bij de overheid, zoals die uit de basisregistraties, vooraf worden ingevuld. De vooraf ingevulde gegevens uit bijvoorbeeld de Basisregistratie Personen of het Handelsregister kunnen door de initiatiefnemer niet worden aangepast binnen het DSO. Als een initiatiefnemer wil aangeven dat er iets gewijzigd zou moeten worden, kan dit als vrije tekst bij het veld toelichting worden opgenomen. Dit vrije veld kan echter niet gebruikt worden als officieel verzoek tot het aanpassen van de gegevens in de genoemde basisregistraties (Staatsblad 2020 400 p. 1138).

Met interactieve formulieren wordt alleen die informatie gevraagd, die nodig is voor het behandelen van het bericht. Daar waar nodig zal worden gevraagd om bijlagen bij te voegen, zoals bouwtekeningen bij de aanvraag voor het oprichten van een bouwwerk. Op die manier kan het bevoegd gezag zorgen dat de initiatiefnemer alle informatie die nodig is voor het beoordelen van het bericht, aanlevert via de landelijke voorziening. De vragen die via het interactieve formulier worden gesteld en de velden die moeten worden ingevuld zijn gebaseerd op de voor de betreffende activiteit(en) relevante indieningsvereisten in specifieke rechtsfiguren, zoals het omgevingsplan, de omgevingsverordening, de waterschapsverordening of de omgevingsregeling en de andere AMvB’s onder de Omgevingswet. Onder het begrip indieningsvereisten worden in dit verband verstaan de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning, de indieningsvereisten voor een melding of de vereisten ten aanzien van het voldoen aan andere informatieverplichtingen dan een melding of een vergunningaanvraag.

De interactieve formulieren, die in de landelijke voorziening worden gebruikt, worden samengesteld uit een groot aantal mogelijke vragen. De vragen die een initiatiefnemer voorgelegd krijgt, zijn afhankelijk van de antwoorden op eerdere vragen. Welke vragen worden gesteld hangt bovendien volledig af van de vraag welke activiteiten een initiatiefnemer van plan is te gaan verrichten. In theorie kunnen alle op grond van de Omgevingswet geregelde activiteiten in alle mogelijke combinaties met elkaar worden aangevraagd c.q. gemeld via de landelijke voorziening. Door deze veelheid aan mogelijke combinaties is het niet mogelijk om een gebruiksvriendelijk generiek papieren formulier te ontwikkelen. Het staat overheden vrij om voor bepaalde veel voorkomende aanvragen of meldingen een papieren formulier te ontwikkelen en bijvoorbeeld via de balie of online beschikbaar te stellen. 

Voor mensen die hulp nodig hebben bij het invullen van het elektronische formulier in de landelijke voorziening, bestaan meerdere opties. Ze kunnen iemand machtigen de aanvraag namens hen in te dienen, bijvoorbeeld de architect die de bouwtekening en het programma van eisen voor de verbouwing heeft opgesteld. Ook kan een initiatiefnemer contact zoeken met de gemeente. Denkbaar is dat de gemeente dan samen met de initiatiefnemer het elektronische formulier zo volledig mogelijk invult. De initiatiefnemer kan het formulier daarna elektronisch indienen en nog ontbrekende bijlagen op papier sturen of het ingevulde interactieve formulier (laten) uitdraaien en deze uitdraai inclusief de benodigde bijlagen op papier indienen. Daarnaast kan een initiatiefnemer die op papier zijn bericht wil indienen, zelf nagaan welke indieningsvereisten voor het bericht gelden en deze informatie zelf op papier in een brief zetten en versturen aan het bevoegde gezag (Staatsblad 2020 400 p. 1139 ). 

8.3.2 Vergunningcheck

Het DSO zal meer bieden dan alleen de digitale weergave van het omgevingsplan. Eén van de beoogde toepassingen van het digitaal loket zijn vragenbomen, waarmee de vergunningencheck kan worden gedaan. Daarmee wordt het omgevingsplan bevraagbaar gemaakt. Met een vragenboom krijgt een gebruiker, zoals een initiatiefnemer, concreet antwoord op bijvoorbeeld de vraag: “Mag ik hier (op deze locatie) mijn initiatief starten of heb ik daar bijvoorbeeld een vergunning voor nodig?”.

Om deze vragenbomen zo gebruiksvriendelijk mogelijk te laten werken moeten de (juridische) regels over de fysieke leefomgeving vertaald worden naar ‘toepasbare regels’. Toepasbare regels gaan dus verder dan de vaak wat juridisch ervaren regels in verordeningen en omgevingsplannen. Juridische regels zetten het (lokale) beleid centraal. Toepasbare regels zetten de gebruiker en zijn activiteiten centraal.

Bij de juridische regels staat in beginsel de zorg voor de fysieke leefomgeving centraal. Dat vraagt in bepaalde gevallen juridisch taalgebruik. Om de juridische regels zo goed mogelijk te kunnen vertalen naar toepasbare regels, is van belang dat bij het opstellen van de juridische regels wel zo veel mogelijk met ook dat doel rekening wordt gehouden. Dat moet ook bijdragen aan zo goed mogelijk begrijpbare juridische regels. Daarbij dient echter wel het maatschappelijke doel van de juridische regel voorop te staan. 

Bij toepasbare regels zijn juridische regels omgezet in vragenbomen, waarmee op eenvoudige wijze bijvoorbeeld kan worden nagegaan of voor een voorgenomen activiteit een vergunningaanvraag of melding nodig is. Voor het beschikbaar stellen van toepasbare regels zijn geen landelijke regels gesteld, omdat die beschikbaarstelling niet verplicht wordt gesteld. De afweging of en welke toepasbare regels aan de gebruikers van de landelijke voorziening beschikbaar worden gesteld, is aan het bestuursorgaan dat de regels heeft vastgesteld. Wel zullen in de Omgevingsregeling regels worden gegeven over onder andere het gebruik van een standaard voor het aanleveren van toepasbare regels aan de landelijke voorziening.

Het DSO is een belangrijk hulpmiddel voor de uitvoering van de Omgevingswet. Ook de ontsluiting van informatie via de landelijke voorziening is als hulpmiddel bedoeld en treedt niet in de plaats van geldende regels of van besluiten van het bevoegd gezag. Overheden die informatie aan de landelijke voorziening leveren, zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die informatie, maar gebruikers blijven zelf verantwoordelijk voor de juistheid van informatie die zij invullen. Zo zal bijvoorbeeld de uitkomst van een vragenboom ter oriëntatie op vergunningplichten de geldende regelgeving als zodanig niet vervangen. De uitkomst van een vergunningcheck is geen besluit en heeft ook niet dezelfde juridische status. Gebruikers kunnen er daarom ook niet in gelijke mate rechten aan ontlenen. Bij het presenteren van informatie via de landelijke voorziening zal de gebruiker uiteraard goed worden geïnformeerd over de rechten die aan de informatie kunnen worden ontleend (Staatsblad 2020 400 p. 1135).

9 Wijze waarop aan instructieregels uitvoering wordt gegeven

9.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop aan instructieregels uitvoering wordt gegeven. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Zie ook paragraaf 4.3.3 van deze toelichting, en meer uitgebreid paragraaf 2.3.2 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 292).

In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn onderwerpgewijs instructieregels voor omgevingsplannen opgenomen. In paragraaf 9.2 wordt ingegaan op de wijze waarop aan deze instructieregels uitvoering wordt gegeven. 

Behalve het Besluit kwaliteit leefomgeving kan ook de provinciale omgevingsverordening instructieregels bevatten. In paragraaf 9.3 wordt ingegaan op de wijze waarop aan die instructieregels uitvoering wordt gegeven. 

Typen instructieregels

Het voorheen geldende omgevingsrecht bevatte honderden instructieregels die erop waren gericht doelstellingen van het nationale beleid te effectueren. Met het Besluit kwaliteit leefomgeving is getracht deze instructieregels te harmoniseren. Voor het harmoniseren van al deze regels, voor zover ze terugkeren in het nieuwe stelsel, is een model ontworpen waarbij in beginsel alle regels zijn in te delen in een beperkt aantal basistypen regels.

 

Basistypen van doorwerkingsconstructies in instructieregels

Wijze van bevoegdheidsuitoefening

1. Betrekken bij: 

aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten

-

2. Rekening houden met:

stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft, is afwijken (mits gemotiveerd) toegestaan

-

3. Harde, dwingende doorwerking («in acht nemen» of vergelijkbare dwingende formulering): 

het bestuursorgaan moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden

Voorbeelden:

In acht nemen

Bevatten

Wordt alleen verleend als

Besluit kwaliteit leefomgeving, par. 2.3.2.3

De instructieregels over besluiten zijn – voor zover dat past binnen de internationale verplichtingen – steeds geformuleerd volgens één van deze basistypen. Daardoor wordt uit de formulering van de instructieregel duidelijk welke afwegingsruimte het bevoegde bestuursorgaan toekomt en wordt bijgedragen aan het vergroten van de inzichtelijkheid van het omgevingsrecht, één van de verbeterdoelen van de stelselherziening. Een instructieregel omvat steeds twee elementen. Ten eerste de wijze waarop een bevoegdheid mag of moet worden uitgeoefend. En ten tweede de aard van de norm. Voor een meer uitgebreide toelichting dan hieronder wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.3.2.3 van de Nota van Toelichting van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). 

Basistype 1: 'betrekken bij'

Een instructieregel 'betrekken bij' wordt gebruikt om voor te schrijven dat (verwachtingen over) feiten of feitelijke ontwikkelingen moeten worden meegenomen bij de besluitvorming. Een dergelijke instructieregel is een concretisering van de eis van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht: Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen). Een instructieregel van dit type betekent dat het bestuursorgaan zich bij de voorbereiding van het besluit rekenschap moet geven van de in die regel aangeduide elementen. Deze categorie instructieregels wordt daarom ook wel aangeduid als aandachtscriteria. Als bepaalde gegevens door het bestuursorgaan bij de besluitvorming moeten worden betrokken, zal het besluit duidelijk moeten maken in hoeverre en waarom dat (ook) is gebaseerd op die gegevens. 

Basistype 2: 'rekening houden met' 

Bij instructieregels van type 'rekening houden met' gaat het, anders dan bij de categorie 'betrekken bij', niet om elementen die omwille van een zorgvuldige voorbereiding bij de besluitvorming moeten worden meegenomen, maar om inhoudelijke sturing op de door het bestuursorgaan uit te voeren belangenafweging. Er is sprake van een minder zware vorm van binding dan bij instructieregels van basistype 3 ('in acht nemen'). De formulering betekent dat het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft. Andere belangen dan het belang dat gediend wordt met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Het bestuursorgaan moet daar dan wel goede redenen voor hebben en dit moet deugdelijk gemotiveerd worden (artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht). Deze motivering moet worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit (artikel 3:47, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). Een eventuele afwijking van de norm mag op grond van het evenredigheidsbeginsel nooit groter zijn dan noodzakelijk om het gestelde doel te bereiken (artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht). Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat mitigerende of compenserende maatregelen worden vastgelegd in het besluit. Een instructieregel van basistype 2 brengt de zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging tot uitdrukking, zonder echter dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. 

Basistype 3: 'in acht nemen' 

Instructieregels van het type 'in acht nemen' voorzien in een harde, dwingende doorwerking. Het bestuursorgaan moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de gestelde regel houden. Hiervoor wordt in beginsel de formulering 'in acht nemen' gebruikt. In sommige gevallen is voor een alternatieve redactie gekozen, wanneer 'in acht nemen' in de betrokken instructieregel technisch gezien niet goed gebruikt kon worden. Voorbeelden hiervan zijn formuleringen als 'bevat ...', 'voldoet aan ...' en 'wordt alleen verleend als is voldaan aan ...'. Hierbij is gestreefd naar een zo beperkt mogelijke set formuleringen. Al deze instructieregels sturen dwingend op de uitkomst van de belangenafweging. Instructieregels van basistype 2 en 3 beïnvloeden de uitkomst van de besluitvorming inhoudelijk. Deze regels beperken de afwegingsruimte van het bestuursorgaan in meer of mindere mate. Daarom worden deze instructieregels ook wel aangeduid als beslissingscriteria. Hierbij geldt dat de mate van binding voor het bestuursorgaan tot wie ze zijn gericht, oploopt: bij basistype 3 is sprake van de sterkste binding.

Aard van de norm 

De uiteindelijke afwegingsruimte voor het bestuursorgaan is niet alleen afhankelijk van het type instructieregel zoals hiervoor bedoeld, maar ook van de aard van de norm waaraan de instructieregel is gekoppeld. De afwegingsruimte voor het bestuursorgaan verschilt al naar gelang de instructieregel is gekoppeld aan een open norm of juist aan een duidelijk, concreet criterium. 

Moment waarop met het omgevingsplan aan instructieregels uitvoering wordt gegeven

Aan de instructieregels moet uitvoering worden gegeven. De wijze waarop dat gebeurt is allereerst afhankelijk van het type instructieregel, en de aard van de norm. Het kan betekenen dat volstaan wordt met een motivering bij een besluit tot wijziging van het omgevingsplan, maar het kan ook zijn dat concrete regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Het omgevingsplan wordt echter niet ineens voor heel Neder-Betuwe in zijn 'eindvorm' vastgesteld; het zal voortdurend onderhevig zijn aan wijzigingen. Het omgevingsplan zal regels bevatten die (al dan niet ineens) voor heel Neder-Betuwe gaan gelden (bijvoorbeeld de regels over gemeentelijke monumenten), maar ook regels die locatiegericht zijn, en met locatiegerichte wijzigingsbesluiten van toepassing worden (bijvoorbeeld ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken). Dat betekent dat aan de uiteenlopende instructieregels op verschillende momenten uitvoering wordt gegeven.  

Voor een deel gebeurt dat reeds bij de eerste wijziging van het omgevingsplan. Zo wordt bijvoorbeeld aan instructieregels met betrekking tot milieubelastende activiteiten uitvoering gegeven door het stellen van algemene regels over onder meer geur en geluid. Het kan ook dat een vergunningplicht voor een bepaalde activiteit in het leven wordt geroepen, waarbij de instructieregels zijn vertaald naar beoordelingsregels over die vergunningplicht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de instructieregels over het geluid door gemeentewegen, waaraan uitvoering is gegeven met een vergunningplicht voor de aanleg daarvan. Het omgevingsplan geeft dan wel uitvoering aan de desbetreffende instructieregel, maar de definitieve beoordeling vindt dan plaats in het kader van een vergunningaanvraag op niveau van het concrete geval.  

In heel veel gevallen hebben de instructieregels betrekking op het al dan niet toestaan van bepaalde vormen van gebruik of bouwwerken. Het toestaan van bepaalde vormen van gebruik en bouwwerken wordt (hoofdzakelijk) geregeld in de hoofdstukken 2 en 5. Het toelaten daarvan gebeurt door middel van gebiedsgerichte wijzigingen van het omgevingsplan. Het is bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten dat gemotiveerd moet worden dat en op welke wijze aan desbetreffende instructieregels wordt voldaan. Het uitvoering geven aan een instructieregel kan dan bestaan uit het motiveren van bepaalde keuzes die zijn gemaakt, of het daarbij stellen van bepaalde regels met betrekking tot het belang waarop de instructieregel ziet. De motivering van de wijze waarop aan de instructieregel uitvoering wordt gegeven, vindt dan plaats bij het specifieke wijzigingsbesluit.  

9.2 Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving
9.2.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering wordt gegeven. Afhankelijk van het belang waarop de instructieregel betrekking heeft, de complexiteit ervan, en de relevantie voor Neder-Betuwe, wordt daarbij een toelichting gegeven. Meer achtergrondinformatie bij de instructieregels is te vinden in de op het Besluit kwaliteit leefomgeving betrekking hebbende nota's van toelichting. Waar dat relevant wordt geacht, wordt naar specifieke onderdelen van deze nota's verwezen. Deze nota's zijn onder meer te vinden op www.officielebekendmakingen.nl. 

Een deel van de instructieregels geldt alleen voor specifiek aangegeven gebieden. De begrenzing van die gebieden is vastgelegd in de Omgevingsregeling. Deze is raadpleegbaar op www.wetten.nl en via de viewer van het Omgevingsloket. Waar een specifieke begrenzing van toepassing is op Neder-Betuwe, dan is in deze toelichting een kaartbeeld van de betreffende begrenzing opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze begrenzingen door middel van een wijziging van de Omgevingsregeling kunnen wijzigen. Bepalend is uiteraard de begrenzing zoals die op grond van de Omgevingsregeling geldt.  

9.2.2 Omgevingsveiligheid

9.2.2.1 Algemeen

Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot omgevingsveiligheid. Daarbij gaat het grotendeels om wat voorheen werd genoemd externe veiligheid, met als doel het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.4 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). 

9.2.2.2 Veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises

Artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening wordt gehouden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s. Het komt erop neer dat het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee moet worden genomen in de belangenafweging. 

Dit artikel is een uitwerking van de primaire verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders voor het waarborgen van de veiligheid (artikelen 2 en 3 van de Wet veiligheidsregio’s). Dit betekent dat de gemeenteraad onder meer rekening houdt met een goede toegankelijkheid voor hulpdiensten bij (primaire) hulpverlening en de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland. Ook de bescherming van personen en de inzet van de geneeskundige hulpverlening bij een brand, een ramp of een crisis, dient op grond van dit artikel in een omgevingsplan in afweging te worden genomen. 

Dit artikel heeft ten slotte betrekking op bouwwerken die een vitale functie vervullen op het gebied van communicatie of de levering van energie of water. Te denken valt aan energiecentrales met een regionale of stedelijke verzorgingsfunctie of een gebouw voor vluchtleidingsapparatuur. Rekening moet worden gehouden met het risico op een brand, ramp of crisis die het gevolg kan zijn van het uitvallen van de vitale functie van deze bouwwerken. Deze aandacht is niet alleen van belang binnen een aandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook buiten die gebieden moet rekening worden gehouden met dergelijke risico’s met het oog op het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting.

9.2.2.3 Externe veiligheid

De overige instructieregels in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben tot doel bescherming te bieden aan mensen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen of een ongeval met een windturbine (externe veiligheid). In het omgevingsplan moet worden voldaan aan de randvoorwaarden voor externe veiligheid die het Rijk stelt voor het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Een van de eigenschappen van externe veiligheidsrisico’s is dat de hoogte van het risico in belangrijke mate wordt bepaald door afstand. Dat wil zeggen dat het risico afneemt naarmate de afstand tot de risicobron groter is en naarmate er minder personen in de directe omgeving van de risicobron aanwezig zijn. Daarmee is direct het belang van het ruimtelijk scheiden van risicobron en kwetsbare omgeving gegeven. Ruimtelijke maatregelen (het aanhouden van voldoende afstand tot een activiteit met externe veiligheidsrisico’s) zijn dan ook een belangrijk middel om een aanvaardbaar risiconiveau te bereiken en in stand te houden. Om die reden bevat paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor afstanden die in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden tot gebouwen en locaties waar zich personen bevinden, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen.

Naast ruimtelijke maatregelen kunnen in het gebied tussen de risicobron en de (bebouwde) omgeving ook maatregelen getroffen worden ter bescherming van gebouwen of locaties. Bijvoorbeeld door een watergang te graven tussen een activiteit met externe veiligheidsrisico’s en een woonwijk. Het gaat dan om maatregelen die de effecten van een incident op de omgeving beperken. Ook maatregelen die ervoor zorgen dat mensen goed kunnen schuilen of vluchten kunnen daaraan bijdragen. De grootte van de afstanden en het type maatregelen zijn onder meer afhankelijk van de aard van de risico’s die de activiteit meebrengt. Zo moeten bij een Seveso-inrichting veel grotere afstanden worden aangehouden dan bij het opslaan van propaan in een relatief kleine opslagtank.

De instructieregels hebben betrekking op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de risicovolle activiteiten genoemd.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico 

De begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico staan centraal in het beleid en de regelgeving voor externe veiligheid. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving staan deze begrippen centraal. 

Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een windturbine. Dit is om burgers een bepaald basisbeschermingsniveau te garanderen. Met het plaatsgebonden risico gaat het om een risico als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een activiteit met externe veiligheidsrisico’s, zowel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen als voor risico’s vanwege windturbines. 

De overlijdenskans van die persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn. Voor windturbines wordt de norm voor het plaatsgebonden risico in stand gelaten zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer was opgenomen. 

Het groepsrisico geeft de kans weer waarbij een groep van tien of meer personen tegelijkertijd om het leven komt door een ongeval bij een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. In een omgevingsplan moet met deze kans rekening gehouden worden binnen bepaalde gebieden in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Deze verplichting leidt ertoe dat de gemeente bij het toelaten van activiteiten, zoals wonen, binnen een aandachtsgebied omgevingsmaatregelen moet afwegen of zij een dichthedenbeleid moet voeren om het risico op overlijden van groepen te beperken. De verplichting om rekening te houden met het groepsrisico geldt ook bij het toelaten in het omgevingsplan van een activiteit met aandachtsgebied.

Beschermen van personen in gebouwen en op locaties 

De instructieregels hebben betrekking op 'gebouwen en locaties' (artikel 5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Gedoeld wordt op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties zoals bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat om gebouwen en locaties die, vanwege het gebruik, als beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar worden beschouwd voor externe veiligheidsrisico's. Het gebruik van een gebouw (of delen van een gebouw) bepaalt dus of sprake is van een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw en het gebruik van een locatie, anders dan een gebouw, bepaalt of sprake is van een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie.

De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van de voorheen geldende regelgeving, zij het dat de gebouwen die hiertoe behoren toen onder de categorie kwetsbare objecten vielen. De categorie zeer kwetsbaar omvat gebouwen waarin zich groepen personen bevinden die niet in staat zijn om zich bij een ongewoon voorval tijdig in veiligheid te brengen, zoals in basisscholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Kwetsbare gebouwen zijn in beginsel alle gebouwen met een woonfunctie en bestemd voor nachtverblijf. Daarnaast zijn bepaalde gebouwen en locaties waar doorgaans veel personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn kwetsbaar. Een voorbeeld van een kwetsbare locatie is een locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen. De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. 

Aandachtsgebieden en voorschriftengebieden 

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch (van rechtswege) zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen. 

Daarmee heeft ook een bestaande risicovolle activiteit als bedoeld in artikel 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die is toegelaten in het tijdelijk deel van het omgevingsplan en in werking is op basis van een omgevingsvergunning of melding voor een milieubelastende activiteit, een aandachtsgebied. Als een nieuwe risicovolle activiteit wordt toegelaten, geldt het aandachtsgebied vanaf het moment dat (i) de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit in werking is getreden of (ii) zodra de voor het starten van de activiteit verplichte melding is gedaan. Een aandachtsgebied kan ook gaan gelden door dit toe te laten in het omgevingsplan. Dat kan nuttig zijn als een globale functietoedeling voor bedrijvigheid in het omgevingsplan is opgenomen, die risicovolle activiteiten toestaat zonder specifiek de aard en omvang van die activiteiten te regelen. In dat geval wordt met het toelaten van het aandachtsgebied het maximum aandachtsgebied vastgesteld, waarbinnen toekomstige risicovolle activiteiten dienen te blijven. In dat geval geldt het aandachtsgebied vanaf de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Aandachtsgebieden hoeven dus niet in het omgevingsplan te worden vastgelegd, maar het kan wel. 

In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je bij het wijzigen van het omgevingsplan, of bij het verlenen van een (buitenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen. 

In een omgevingsplan moet een brandaandachtsgebied worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied als binnen het aandachtgebied en zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. Het gevolg van de aanwijzing als voorschriftengebied is dat binnen dat gebied extra bouweis