Omgevingsplan gemeente Oosterhout

Bij deze regeling horen andere regelingen die er juridisch onderdeel van zijn, zie het overzicht andere regelingen bij de wetstechnische informatie.

Geldend van 29-04-2026 t/m heden

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving bevat.

Artikel 1.2 Waar deze regels gelden

  • 1.

    De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Oosterhout, tenzij in de regels anders is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.

  • 2.

    Bijlage II geeft een overzicht informatie-objecten bij dit omgevingsplan.

Artikel 1.3 Normadressaat

Aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in dit omgevingsplan specifiek anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.4 Verhouding omgevingsplan en het tijdelijk deel omgevingsplan (voorrangsregel)

De regels in dit omgevingsplan gaan voor op de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, tenzij expliciet anders in dit omgevingsplan is bepaald. 

Hoofdstuk 2 GEBIEDSAANWIJZINGEN

Afdeling 2.1 BEBOUWINGSCONTOUREN

Artikel 2.1 Bebouwingscontour geur

De locaties binnen de bebouwingscontour geur en buiten de bebouwingscontour geur zijn aangewezen als bebouwingscontouren voor geur zoals bedoeld in artikel 5.97 (bebouwingscontour geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.  

Artikel 2.2 Bebouwingscontour houtkap

De locaties bebouwingscontour houtkap zijn aangewezen als bebouwingscontour houtkap zoals bedoeld in artikel 5.165b (bebouwingscontour houtkap) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Artikel 2.3 Bebouwingscontour jacht

De locaties bebouwingscontour jacht zijn aangewezen als bebouwingscontour jacht zoals bedoeld in artikel 5.165a (bebouwingscontour jacht) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 2.2 BODEM

Artikel 2.4 Bodemfunctieklasse - industrie

De locaties bodemfunctieklasse - industrie zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - industrie zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.5 Bodemfunctieklasse - landbouw

De locaties bodemfunctieklasse - landbouw zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - landbouw zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.6 Bodemfunctieklasse - natuur

De locaties bodemfunctieklasse - natuur zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - natuur zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.7 Bodemfunctieklasse - wonen

De locaties bodemfunctieklasse - wonen zijn aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse - wonen zoals bedoeld in artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.8 Voormalige stortplaats

De locaties voormalige stortplaats zijn aangewezen als voormalige stortplaats.

Afdeling 2.3 ERFGOED

Artikel 2.9 (Te verwachten) archeologisch monument

De locaties (te verwachten) archeologisch monument zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied.

Artikel 2.10 Beschermd stads- of dorpsgezicht

De locatie beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen als Rijks beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 2.11 Gemeentelijk monument

De locaties gemeentelijk monument zijn aangewezen als gemeentelijk monument

Afdeling 2.4 LUCHTVAART

Artikel 2.12 Funnel en IHCS

De locatie luchtvaartverkeerzone – funnel en IHCS is aangewezen als belemmeringengebied voor de funnel en het Inner Horizontal and Conical Surface van de vliegbasis Gilze-Rijen.

Artikel 2.13 ILS

De locatie luchtvaartverkeerzone – ILS-zone is aangewezen als belemmeringengebied voor het Instrument Landing Systeem (ILS) van de vliegbasis Gilze-Rijen.

Artikel 2.14 Radar

De locatie vrijwaringszone – radar is aangewezen als belemmeringengebied voor het radarsysteem van de vliegbasis Gilze-Rijen.

Hoofdstuk 3 MILIEU

Afdeling 3.1 REGELS VOOR ALLE MILIEUACTIVITEITEN

Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

      • 2.

        dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of

      • 3.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in afdeling 3.9.

  • 5.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.    

Artikel 3.2 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor hebben voor het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

  • 4.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse van de locatie bedrijventerrein vanwege lichthinder zoveel mogelijk wordt voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

  • 5.

    Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 3.23.8 en 3.9 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.11.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 3.8 en 3.9 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.11.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de volgende belangen:

    • a.

      het waarborgen van de veiligheid;

    • b.

      het beschermen van de gezondheid; en

    • c.

      het beschermen van het milieu, waaronder:

      • 1.

        het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

      • 2.

        het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

      • 3.

        een doelmatig beheer van afvalstoffen.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 3.5 Meet- en rekenbepalingen

Voor het meten en berekenen van de waarden en normen in dit hoofdstuk zijn de normen uit hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 3.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 3.4, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 3.8 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Afdeling 3.2 ENERGIE (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Afdeling 3.3 AFVAL

Paragraaf 3.3.1 Zwerfafval

Artikel 3.10 Afval: zwerfafval

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Afdeling 3.4 VEILGHEID

Paragraaf 3.4.1 Waarborgen veiligheid

Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

[Gereserveerd]

Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1.

    De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 3.13 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 3.14 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 3.14.1 aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 3.14.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel  3.14.1Brandgevaarlijke stoffen

    ADR-klasse

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

Afdeling 3.5 GELUID DOOR ACTIVITEITEN

Paragraaf 3.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.15 Toepassingsbereik
  • 1.

    Afdeling 3.5 is van toepassing op het toelaten:

    • a.

      op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.5 niet van toepassing op:

    • a.

      geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein  of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel;

    • c.

      een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar, met uitzondering van artikel 3.19 van dit omgevingsplan en artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      het geluid door activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, met uitzondering van windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;

    • e.

      het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;

    • f.

      verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; en

    • g.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.

  • 3.

    Deze afdeling is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

  • 4.

    Deze afdeling is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 5.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.

Artikel 3.16 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.15tweede lid, onder c, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 3.15 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

         het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

Artikel 3.17 Tijdelijke uitzondering windparken
  • 1.

    Afdeling 3.5 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor:

    • a.

      uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • b.

      een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en

    • c.

      sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt.

Artikel 3.18 Geluid: nevengebruiksfuncties

Een nevengebruiksfunctie als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving mag geen geluidgevoelige ruimte bevatten of als geluidgevoelig gebouw worden gebruikt.

Artikel 3.19 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

 

Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd:

  • a.

    een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  • b.

    als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 

    • 1.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 

    • 2.

      elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 3.20 Geluid: waar waarden gelden

 

De waarden voor het geluid door een activiteit:

  • a.

    op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen, gelden: 

    • 1.

      op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en 

    • 2.

      op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw;

  • b.

    op een woonschip of woonwagen gelden op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • c.

    in een geluidgevoelige ruimte gelden in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 3.21 Geluid: functionele binding

De waarden voor het geluid door een activiteit, zijn niet van toepassing op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 3.22 Geluid: voormalige functionele binding

De waarden voor geluid zijn voor de volgende activiteiten niet van toepassing op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit:

  • a.

    in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein;

  • c.

    in de horecasector; of

  • d.

    op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 3.23 Geluid: informatieplicht activiteit waarvoor geluidsonderzoek noodzakelijk is
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit waarvoor een geluidsonderzoek noodzakelijk is.

  • 2.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en

    • h.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 3.

    Bij het berekenen van het gemiddelde aantal transportbewegingen, zoals bedoeld in het tweede lid onder a, wordt uitgegaan van een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 4.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het tweede lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 5.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het tweede lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift;

    • c.

      in het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 3.23, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.24 Geluid: informatieplicht activiteit op gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein met gpp's
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.TVl

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 3.23 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 3.5.2 Geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten

Artikel 3.25 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.5.3.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.30, niet van toepassing op:

    • a.

      activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht;

    • b.

      evenementen:

      • 1.

        die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; of 

      • 2.

        die geen festiviteiten als bedoeld in artikel 3.28 zijn; en

    • c.

      geluid dat niet representatief is voor een activiteit.

Artikel 3.26 Geluid: aanvaardbaarheid

Van een aanvaardbaar niveau van geluid geluidgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.27.

Artikel 3.27 Geluid: standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen
  • 1.

    Het toelaatbaar geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.1.

    Tabel  3.27 .1 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

     

     07.00 – 19.00 uur 

     19.00 – 23.00 uur 

     23.00 – 07.00 uur 

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 

    50 dB(A) 

    45 dB(A) 

    40 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -- 

    70 dB(A) 

    70 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -- 

    65 dB(A) 

    65 dB(A) 

  • 2.

    Het toelaatbaar geluid door een activiteit in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen is niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.2.

    Tabel  3.27 .2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

     

     07.00 – 19.00 uur 

     19.00 – 23.00 uur 

     23.00 – 07.00 uur 

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 

    35 dB(A) 

    30 dB(A) 

    25 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -- 

    55 dB(A) 

    55 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -- 

    45 dB(A) 

    45 dB(A) 

  • 3.

    Het toelaatbaar geluid door een activiteit die wordt verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein is op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.3.

    Tabel  3.27 .3 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

     

     07.00 – 19.00 uur 

     19.00 – 23.00 uur 

     23.00 – 07.00 uur 

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 

    55 dB(A) 

    50 dB(A) 

    45 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 

    -- 

    75 dB(A) 

    75 dB(A) 

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 

    -- 

    70 dB(A) 

    70 dB(A) 

  • 4.

    In afwijking van het eerstetweede en derde lid, is een hogere waarde voor een activiteit van toepassing die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten op het moment van inwerking treding van dit artikel.

Artikel 3.28 Geluid: uitzondering standaardwaarde en grenswaarde voor festiviteiten
  • 1.

    De waarden, bedoeld in de artikel 3.27, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die krachtens artikel 4.30 zijn aangewezen; en

    • b.

      festiviteiten die krachtens artikel 4.31 zijn toegestaan.

  • 2.

    Waarbij aanvullend geldt dat:

    • a.

      indien een festiviteit buiten plaatsvindt, en er is sprake van het ten gehore brengen van muziek, deze om 0:00 uur dient te worden gestaakt;

    • b.

      indien een festiviteit niet buiten plaatsvindt, en er is sprake van het ten gehore brengen van muziek, na 0:00 uur de ramen en deuren gesloten dienen te blijven - behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.

  • 3.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 3.29 Geluid: regels over activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken
  • 1.

    Een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c, Besluit kwaliteit leefomgeving wordt niet verricht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.27.1.

Artikel 3.30 Geluid: uitzonderingen geluidbronnen
  • 1.

    De waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en

    • b.

      onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.: kerkgeluid

  • 2.

    De regels over geluid, anders dan de waarden voor geluid, gelden niet voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a.

Artikel 3.31 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 3.27, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen om het geluid te beperken die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Paragraaf 3.5.3 Geluid door specifieke activiteiten

Artikel 3.32 Windturbines en windparken

Voor het geluid van het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark, geldt als waarde de standaardwaarde 47 Lden en 41 Lnight voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 3.33 Tijdelijke uitzondering windparken

Artikel 3.32 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 3.34 Registratie gegevens windturbines
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 3.35 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 3.32, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 3.36 Civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein als bedoeld in bijlage XIII van het Besluit kwalitet leefomgeving.

  • 2.

    Voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, geldt als waarde de standaardwaarde 50 Bs,dan voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw.

Afdeling 3.6 GELUID DOOR WEGEN, SPOORWEGEN EN INDUSTRIETERREINEN (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Afdeling 3.7 TRILLINGEN

Artikel 3.37 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het toelaten:

    • a.

      op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

     

    In afwijking van het eerste lid is deze afdeling:

    • a.

      niet van toepassing op een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      met uitzondering van artikel 3.39 van dit omgevingsplan en artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet van toepassing op een trillinggevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      met uitzondering van de artikelen 3.393.40 en 3.41 niet van toepassing op: 

      • 1.

        activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en 

      • 2.

        evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; en

    • d.

      niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

Artikel 3.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 3.37tweede lid, onder b, is deze afdeling ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 3.39 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

 

Voor de toepassing van deze afdeling wordt als één activiteit beschouwd:

  • a.

    een activiteit als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  • b.

    als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

    • 1.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 

    • 2.

      elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 3.40 Trillingen: functionele binding

De standaardwaarden voor trillingen zoals opgenomen in de artikelen 3.42 en 3.43 zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 3.41 Trillingen: voormalige functionele binding

De standaardwaarden voor trillingen zoals opgenomen in de artikelen 3.42 en 3.43 zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met de volgende activiteiten: 

  • a.

    in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; of

  • c.

    in de horecasector.

Artikel 3.42 Trillingen: standaardwaarden continue trillingen

  • 1.

    Voor de toelaatbare continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten gelden als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.42.

    Tabel  3.42 Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

     Soort 

     Standaardwaarde 

     

     07.00 – 23.00 uur 

     23.00 – 07.00 uur 

    A1 trillingssterkte Vmax 

    0,1 

    0,1 

    A2 trillingssterkte Vmax 

    0,4 

    0,2 

    A3 trillingssterkte Vper 

    0,05 

    0,05 

  • 2.

    De continue trillingen voldoen aan:

    • a.

      de opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1; en

    • b.

      als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: continue trillingen voldoen aan de opgenomen waarden onder A2 en A3.

  • 3.

    Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.43 Trillingen: standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen

  • 1.

    Voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten gelden als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 3.43.

    Tabel  3.43  Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten

     

     07.00 – 23.00 uur 

     23.00 – 07.00 uur 

    A1 trillingssterkte Vmax 

    0,2 

    0,2 

    A2 trillingssterkte Vmax 

    0,8 

    0,4 

    A3 trillingssterkte Vper 

    0,1 

    0,1 

  • 2.

    De herhaald voorkomende trillingen voldoen aan:

    • a.

      de waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1; en

    • b.

      als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de opgenomen waarden onder A2 en A3.

  • 3.

    Op het bepalen van de trillingen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.44 Trillingen: aanvaardbaarheid

Van aanvaardbare trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als de trillingssterkte niet hoger is dan de standaardwaarden in tabel 3.42 en in tabel 3.43.

Afdeling 3.8 GEUR

Paragraaf 3.8.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.45 Toepassingsbereik
  • 1.

    Afdeling 3.8 is van toepassing op het toelaten:

    • a.

      op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving, niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar.

Artikel 3.46 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.45eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.8.2 en 3.8.3, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 3.8.3 en 3.8.4 en artikel 22.117, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

  • 2.

    In afwijking van artikel 3.45eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 3.8.2 en 3.8.3, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 3.8.3 en 3.8.4 en artikel 22.117, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten op grond van:

Artikel 3.47 Geurgevoelige gebouwen
  • 1.

    In aanvulling op artikel 5.91, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geurgevoelig gebouw ook begrepen:

    • a.

      kantoorfunctie;

    • b.

      bijeenkomstfunctie;

    • c.

      logiesfunctie; en

    • d.

      functie voor recreatief nachtverblijf.

  • 2.

    Een nevengebruiksfunctie als bedoeld in artikel 5.91, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet worden gebruikt als een geurgevoelig gebouw.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid geldt het verbod niet, indien dat op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid al is toegestaan op grond van een geldend bestemmingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning.

Artikel 3.48 Geur: waar waarden gelden
  • 1.

    De waarden voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden:

    • a.

      op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw;

    • b.

      op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en

    • c.

      in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

  • 2.

    De waarden voor geur door een activiteit op een locatie gelden op de grens van de locatie.

Artikel 3.49 Geur: tot waar afstanden gelden
  • 1.

    De afstanden voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden:

    • a.

      tot de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw;

    • b.

      tot de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en

    • c.

      in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

  • 2.

    De afstanden voor geur door een activiteit op een locatie gelden tot de grens van de locatie.

Artikel 3.50 Geur: functionele binding

De waarden en de afstanden die zijn opgenomen voor geur door een activiteit, zijn niet van toepassing op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 3.51 Geur: voormalige functionele binding

De waarden of afstanden voor geur door de volgende activiteit zijn niet van toepassing op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit:

  • a.

    in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    verricht ter plaatse van de locatie bedrijventerrein; of

  • c.

    in de horecasector.

Paragraaf 3.8.2 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 3.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.53 Geur zuiveringstechnisch werk: aanvaardbaarheid

Van een aanvaardbaar niveau van geur door een zuiveringstechnisch werk op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.54 of artikel 3.55.

Artikel 3.54 Geur zuiveringtechnisch werk: grenswaarde
  • 1.

    Voor het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk geldt de grenswaarde 0,5 ouE/m3 voor de toelaatbare geur op een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur, met uitzondering van een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, of ter plaatse van de locatie bedrijventerrein.

  • 2.

    Voor het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk geldt de grenswaarde 1 ouE/m3 voor de toelaatbare geur op een geurgevoelig gebouw gelegen:

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 3.55 Geur zuiveringtechnisch werk: geen grenswaarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen

De waarden, bedoeld in artikel 3.54, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die:

  • a.

    op het moment van verlening van de omgevingsvergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gebouwd; of

  • b.

    in de omgevingsvergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

 

Artikel 3.56 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 3.55, is de waarde van de geur op een geurgevoelig gebouw als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw, voorafgaand aan de verandering, tenzij de grenswaarden, bedoeld in artikel 3.54, niet worden overschreden.

Paragraaf 3.8.3 Geur door het houden van landbouwhuisdieren

Artikel 3.57 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 5.104 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder het houden van landbouwhuisdieren ook verstaan het houden van meer dan 10 paarden of pony's.

Artikel 3.58 Geur landbouwhuisdieren: vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.59 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: aanvaardbaarheid
  • 1.

    Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan:

  • 2.

    Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is ook sprake als de afstand kleiner is dan de op grond van artikel 3.69 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als op die locatie:

    • a.

      de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet toeneemt; en

    • b.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt.

Artikel 3.60 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: standaardwaarde
  • 1.

    Voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor geldt als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur een standaardwaarde van 2,0 ouE/m3.

  • 2.

    Voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor geldt als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur een standaardwaarde van 8,0 ouE/m3.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor de geur op een geurgevoelig gebouw zijnde een werkschuur bij glastuinbouwbedrijf een standaardwaarde van 4,0 ouE/m3.

  • 4.

    Op het berekenen van geur is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 3.61 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 3.60eerste lid, mag bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen; en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 3.61, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 3.62 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000
  • 1.

    De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor een locatie gelegen binnen de bebouwingscontour geur, ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan.

  • 2.

    De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor een locatie gelegen buiten de bebouwingscontour geur, ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan.

     

Artikel 3.63 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning
  • 1.

    De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

      • 1.

        op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

      • 2.

        in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

      • 3.

        in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

  • 2.

    De artikelen 3.60 en 3.61 zijn niet van toepassing als voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen buiten de bebouwingscontour geur:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

      • 1.

        op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

      • 2.

        in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

      • 3.

        in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

     

Artikel 3.64 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: aanvaardbaarheid
  • 1.

    Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan:

  • 2.

    Van een aanvaardbaar niveau van geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor op geurgevoelige gebouwen is ook sprake als de afstand kleiner is dan de op grond van artikel 3.653.67 of 3.69 in acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als op die locatie het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt.

Artikel 3.65 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw
  • 1.

    Voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor, wordt ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.

  • 2.

    Voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor, wordt ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen.

Artikel 3.66 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gehouden in een bestaand dierenverblijf: afstand tot geurgevoelig gebouw
  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.65 geldt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in geurzone 1 of 2 als bedoeld in het derde en vierde lid, dat ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht wordt genomen.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.65 geldt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor in geurzone 1 of 2 als bedoeld in het het derde en vierde lid, dat ten minste een afstand van 25 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht wordt genomen.

  • 3.

    Geurzone 1 is het gebied dat is gelegen op minder dan 50 meter van een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur c.q. op minder dan 25 meter van een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwingscontour geur.

  • 4.

    Geurzone 2 is het gebied dat is gelegen tussen de 50 en 100 meter van een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur c.q. tussen de 25 en 50 meter van een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwingscontour geur.

Artikel 3.67 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor ruimtewoning
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.65 wordt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor ten minste een afstand van 100 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

      • 1.

        op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

      • 2.

        in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

      • 3.

        in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 3.65 wordt voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor ten minste een afstand van 50 m in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen gelegen buiten de bebouwingscontour geur:

    • a.

      een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

      • 1.

        op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

      • 2.

        in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

      • 3.

        in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

    • b.

      een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd.

Artikel 3.68 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand
  • 1.

    Artikel 3.65 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen.

Artikel 3.69 Geur landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor: afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw
  • 1.

    Onverminderd de artikelen 3.61 tot en met 3.67 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor de afstand van de gevel van een dierenverblijf niet kleiner dan 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur.

  • 2.

    Onverminderd de artikelen 3.61 tot en met 3.67 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor de afstand van de gevel van een gevel van een dierenverblijf niet kleiner dan 25 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur.

Artikel 3.70 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 3.69, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 3.71 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 3.69, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor niet toenemen.

Paragraaf 3.8.4 Geur door andere agrarische activiteiten

Artikel 3.72 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door andere agrarische activiteiten dan bedoeld in paragraaf 3.8.3.

Artikel 3.73 Geur door andere agrarische activiteiten: aanvaardbaarheid

Van een aanvaardbaar niveau van geur door andere agrarische activiteiten is in ieder geval sprake als toepassing wordt gegeven aan als toepassing wordt gegeven aan artikel 3.743.753.763.773.783.79 of 3.80.

Artikel 3.74 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • e.

      het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • f.

      het houden van meer dan 10 paarden of pony’s.

  • 2.

    Voor het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, een afstand van ten minste 100 m vanaf de opslagplaats tot een gergevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.

  • 3.

    Voor het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m3, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, een afstand van ten minste 50 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen.

Artikel 3.75 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • d.

      het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Voor het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 100 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur  in acht genomen.

  • 3.

    Voor het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 50 m vanaf de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen.

Artikel 3.76 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 4.841 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 3.76, in acht genomen.

    Tabel  3.76  Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

Artikel 3.77 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • c.

      het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in artikel 4.855 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3, worden bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf het mestbassin ten minste de afstanden, bedoeld in tabel 3.77, in acht genomen.

    Tabel  3.77 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m3

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 3.78 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Voor een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan dierlijke meststoffen, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de voorziening ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen.

  • 3.

    Voor een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar aan dierlijke meststoffen, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, vanaf de voorziening ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen.

Artikel 3.79 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • d.

      het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • e.

      het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • f.

      het voor onderhoud van de openbare ruimte opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen, bedoeld in artikel 3.250 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Voor het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 100 m tot een geurgevoelig gebouw binnen de bebouwingscontour geur in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval.

  • 3.

    Voor het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, ten minste een afstand van 50 m tot een geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval.

Artikel 3.80 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 3.74, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 3.75, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 3.76, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 3.79, als:

    • a.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 3.74tweede en derde lid, artikel 3.75tweede en derde lid, artikel 3.76tweede lid, of artikel 3.79tweede en derde lid; 

    • b.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 3.77eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 3.77eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 3.77tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    Voor een activiteit als bedoeld in het eerste of tweede lid:

    • a.

      wordt de rechtmatig kleinere afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, in acht genomen; en

    • b.

      moeten maatregelen of voorzieningen worden getroffen die ertoe leiden dat de geur aanvaardbaar is.

Afdeling 3.9 BODEM

Paragraaf 3.9.1 Saneren van de bodem

Artikel 3.81 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

Artikel 3.82 Bodem: maatwerkvoorschrift terugsaneren

Met een maatwerkvoorschrift kan voor de terugsaneerwaarden teruggesaneerd worden tot de hoogste waarden behorend bij de bodemkwaliteitsklasse in de gebiedsspecifieke toepassingskaart.

Paragraaf 3.9.2 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 3.83 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als:

  • a.

    saneren van de bodem heeft plaatsgevonden, waarbij een afdeklaag is aangebracht die blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem voorkomt, op grond van:

    • 1.

      het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • 2.

      dit omgevingsplan;

    • 3.

      een omgevingsvergunning;

    • 4.

      of een maatwerkvoorschrift; of

  • b.

    tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen die de bron van de verontreiniging niet wegnemen, maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Artikel 3.84 Bodem: nazorg na afloop van saneren van de bodem
  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Paragraaf 3.9.3 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit kleiner dan of gelijk aan 25 m3

Artikel 3.85 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        vooronderzoek conform NEN 5725 en/of;

      • 2.

        verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740;

      • 3.

        verkennend bodemonderzoek asbest en nader bodemonderzoek asbest volgens NEN 5707 of NEN 5897 als sprake is van een puinlaag; of

      • 4.

        nader bodemonderzoek conform NTA 5755.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 3.86 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.85, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

  • 4.

    Bij het graven in de bodem in verband met een spoedoperatie als bedoeld in het derde lid onder b, die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, moet de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd over de locatie, het tijdstip en de aard van de spoedreparatie.

Artikel 3.87 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  • 2.

    Er worden maatregelen genomen om verspreiding van verontreinigingen van opgeslagen grond naar de onderliggende bodem en omgeving tegen te gaan.

  • 3.

    Partijen verontreinigde grond, opgeslagen in de openbare ruimte, zijn fysiek niet toegankelijk gemaakt.

Artikel 3.88 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een leeflaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze leeflaag.

  • 2.

    Als sprake is van een duurzaam aaneengesloten afdeklaag zoals beton, asfalt, asfaltbeton betonplaat of bestrating met klinkers of tegels, die na de werkzaamheden wordt hersteld is geen milieukundige begeleiding noodzakelijk.

Paragraaf 3.9.4 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3

Artikel 3.89 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3

Artikel 3.90 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1220 Bal)
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van het bodemonderzoek als bedoeld in artikel 4.1221, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste een week voor het begin van de activiteiten verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO).

Paragraaf 3.9.5 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3

Artikel 3.91 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3, voor zover het graven wordt verricht op een locatie met verontreinigingen boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Deze paragraaf is eveneens van toepassing bij het graven in stortmateriaal onder dezelfde condities.

Artikel 3.92 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1225 Bal)

In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de resultaten van het daar bedoelde bodemonderzoek verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 en conform het informatiemodel BRO, zoals vermeld in de vigerende Basisregistratie Ondergrond Catalogus Milieuhygiënisch bodemonderzoek.

Artikel 3.93 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1231 Bal)
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden er maatregelen genomen om verspreiding van verontreinigingen van opgeslagen grond naar de onderliggende bodem en omgeving tegen te gaan.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn partijen verontreinigde grond die opgeslagen worden in de openbare ruimte fysiek niet toegankelijk.

Artikel 3.94 Bodem: informatieplicht bij actuele risico's

Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover onverwijld geïnformeerd.

Paragraaf 3.9.6 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 3.95 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 3.96 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.95, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 3.9.7 Activiteiten op of in een voormalige stortplaats

Subparagraaf 3.9.7.1 Tijdelijk gebruiken van een voormalige stortplaats
Artikel 3.97 Toepassingsbereik

 

Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk gebruiken van (een deel van) een voormalige stortplaats voor:

  • a.

    het organiseren van een evenement.

 

Artikel 3.98 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats
  • 1.

    Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.97 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen

  • 2.

    Een melding wordt ondertekend en bevat:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit die het betreft;

    • b.

      start en duur van de activiteit die het betreft;

    • c.

      naam en adres van degene die de activiteit verricht/organiseert;

    • d.

      bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd;

    • e.

      een risicorapport, zoals bedoeld in artikel 3.99, met een beoordeling van de risico’s en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen.

  • 3.

    Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

  • 4.

    De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het tweede lid onder d, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO).

Artikel 3.99 Bodem: risicorapport
  • 1.

     

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de deelnemers aan een evenement wordt een risicorapport opgesteld, dat ten minste een beschrijving bevat van:

    • a.

      de huidige (humane) risico’s:

      • 1.

        risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter); en

      • 2.

        risico’s voor de gezondheid als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest);

    • b.

      de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:

      • 1.

        de risico’s, bedoeld onder a, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en

      • 2.

        beschadiging te voorkomen aan de afdeklaag en de eventueel aanwezige voorzieningen die zijn
        getroffen ter bescherming van de bodem- en grondwaterkwaliteit.

  • 2.

    Het risicorapport wordt verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    De voorzieningen en maatregelen worden uitgevoerd volgens de beschrijving in het risicorapport.

Artikel 3.100 Graven of doorboren

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit worden op een voormalige stortplaats voor een activiteit als bedoeld in 3.97 geen activiteiten verricht waarbij de grond, de afdeklaag of het stortmateriaal op of in een voormalige stortplaats wordt afgegraven of doorboord.

Subparagraaf 3.9.7.2 Graven in of doorboren van een voormalige stortplaats
Artikel 3.101 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waarbij de grond, de afdeklaag of het stortmateriaal op of in een voormalige stortplaats wordt afgegraven of doorboord.

Artikel 3.102 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats
  • 1.

    Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.101 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor het graven in de bodem als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond waarbij de deklaag niet wordt doorboord een termijn van een week.

  • 3.

    Een melding wordt ondertekend en bevat:

    • a.

      een beschrijving van de activiteit die het betreft;

    • b.

      start en duur van de activiteit die het betreft;

    • c.

      naam en adres van degene die de activiteit verricht/organiseert;

    • d.

      bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd;

    • e.

      het verzet van grond en stortmateriaal dat plaats gaat vinden en de behandeling en bestemming van vrijkomende grond- en afvalstromen;

    • f.

      een risicorapport zoals bedoeld in artikel 3.103, met een beoordeling van de risico’s, de effecten van het toekomstig gebruik en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

Artikel 3.103 Bodem: risicorapport
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid wordt een risicorapport opgesteld, dat ten minste een beschrijving bevat van:

    • a.

      de huidige (humane) risico’s:

      • 1.

        risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter); en

      • 2.

        risico’s voor de gezondheid als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest);

      • 3.

        risico’s van verontreinigd grondwater als gevolg van uitspoeling vanuit de voormalige stort;

    • b.

      de effecten van het toekomstig gebruik van de locatie op de risico’s, bedoeld onder a;

    • c.

      de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:

      • 1.

        de risico’s, bedoeld onder a, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en

      • 2.

        de effecten, bedoeld onder b, te voorkomen of tegen te gaan;

    • d.

      voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om:

      • 1.

        beschadiging te voorkomen aan de afdeklaag en de eventueel aanwezige voorzieningen die zijn
        getroffen ter bescherming van de bodem- en grondwaterkwaliteit.

      • 2.

        de bereikbaarheid van de eventueel aanwezige nazorgvoorzieningen te garanderen;

      • 3.

        te voorkomen dat de uitvoering van nazorgmaatregelen wordt belemmerd; en

      • 4.

        verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen.

  • 2.

    Het risicorapport wordt verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    De voorzieningen en maatregelen worden uitgevoerd volgens de beschrijving in het risicorapport.

Artikel 3.104 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101 , worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    • b.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding (indien van toepassing) gaan verrichten.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

Artikel 3.105 Bodem: gescheiden houden grond en stort materiaal

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel.

Artikel 3.106 Bodem: tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel

Artikel 3.107 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond of stortmateriaal
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond of stortmateriaal die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  • 2.

    Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 3.105 worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 3.108 Bodem: kwaliteitsborging

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort.

Artikel 3.109 Bodem: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort.

Artikel 3.110 Bodem: informatieplicht bij beëindigen activiteit

Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    de datum van de beëindiging van de activiteit;

  • b.

    als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 3.109: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:

    • 1.

      gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    • 2.

      de bestemming van grond of stortmateriaal die niet wordt teruggeplaatst; en

    • 3.

      de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.

Subparagraaf 3.9.7.3 Herontwikkelen van een voormalige stortplaats
Artikel 3.111 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk en werken en werkzaamheden op een voormalige stortplaats.

Artikel 3.112 Bodem: meldingsplicht herontwikkeling voormalige stortplaats
  • 1.

    Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 3.111 te verrichten zonder dit ten minste acht weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk drie jaar nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van drie jaar zijn aangevangen.

  • 2.

    Een melding wordt ondertekend en bevat

    • a.

      een beschrijving van de activiteit die het betreft;

    • b.

      naam en adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 3.113, met een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid, de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit, de effecten van het toekomstig gebruik en de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om het voorgenomen gebruik mogelijk te maken.

  • 3.

    Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

Artikel 3.113 Bodem: hergebruiksplan

Een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 5.32 onder j en artikel 6.2derde lid, bevat ten minste een omschrijving van:

  • a.

    het voorgenomen gebruik van de voormalige stortplaats;

  • b.

    de huidige situatie van de locatie, de bodem en het grondwater;

  • c.

    bodemonderzoeksrapporten die op de locatie zijn uitgevoerd;

  • d.

    de huidige risico’s:

    • 1.

      risico’s op contact met (verontreinigd) stortmateriaal als gevolg van onvoldoende dikte van de deklaag (minder dan 0,5 meter of bij functie wonen minder dan 1 meter);

    • 2.

      risico’s als gevolg van een sterk verontreinigde deklaag (inclusief asbest);

    • 3.

      risico’s van verontreinigd grondwater als gevolg van uitspoeling vanuit de voormalige stort;

    • 4.

      risico’s van verontreinigd naastgelegen oppervlaktewater als gevolg van afspoeling van de voormalige stort;

    • 5.

      risico’s als gevolg van stortgasvorming;

    • 6.

      zettingsrisico’s;

  • e.

    de effecten van het toekomstig gebruik van de locatie op de risico’s, bedoeld onder d;

  • f.

    de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om het voorgenomen gebruik mogelijk te
    maken en om:

    • 1.

      de risico’s, bedoeld onder d, weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken; en

    • 2.

      de effecten, bedoeld onder e, te voorkomen of tegen te gaan;

  • g.

    het verzet van grond en stortmateriaal dat plaats gaat vinden en de behandeling en bestemming van vrijkomende grond- en afvalstromen;

  • h.

    het tijdpad voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan; en

  • i.

    de nazorg en het beheer van de getroffen voorzieningen en maatregelen.

Artikel 3.114 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.111, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en

    • b.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding (indien van toepassing) gaan verrichten.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt.

Artikel 3.115 Bodem: gescheiden houden grond en stortmateriaal

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, het opslaan en het afvoeren of terugplaatsen van grond en stortmateriaal, grond en stortmateriaal gescheiden gehouden.

Artikel 3.116 Bodem: tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond of stortmateriaal, die grond of stortmateriaal teruggebracht in hetzelfde ontgravingsprofiel.

Artikel 3.117 Bodem: tijdelijke opslag van vrijkomende grond of stortmateriaal
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond of stortmateriaal die bij het graven is vrijgekomen
    niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

  • 2.

    Gescheiden partijen grond als bedoeld in artikel 3.115 worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 3.118 Bodem: kwaliteitsborging

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning
bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort.

Artikel 3.119 Bodem: milieukundige begeleiding graafwerkzaamheden

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning
bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 als de ontgraving dieper reikt dan de afdeklaag van de voormalige stort.

Artikel 3.120 Bodem: informatieplicht bij beëindigen activiteit

Ten hoogste een week na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in artikel 3.111, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

     de datum van de beëindiging van de activiteit;

  • b.

    als er sprake is van begeleiding als bedoeld in artikel 3.119: de resultaten van de milieukundige begeleiding met daarbij in ieder geval:

    • 1.

      gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel;

    • 2.

      de bestemming van grond of stortmateriaal die niet wordt teruggeplaatst; en

    • 3.

      de bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan.

Paragraaf 3.9.8 Grond of baggerspecie toepassen

Artikel 3.121 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.

Artikel 3.122 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1266 Bal)

In aanvulling op artikel 4.1266, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt het toetsformulier ingevuld dat is opgenomen in bijlage 5 van de Nota Bodembeheer.

Artikel 3.123 Milieukundige verklaring (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1267 Bal)

In aanvulling op artikel 4.1267, eerste lid, onder d tot en met k, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij een onverdachte situatie worden volstaan met ingevuld toetsformulier zoals opgenomen in bijlage 5 van de Nota Bodembeheer.

Paragraaf 3.9.9 Grond ter plaatse van bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom toepassen

Artikel 3.124 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van grond op of in de bodem ter plaatse van bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom.

Artikel 3.125 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1266 Bal)
  • 1.

    Bij indienen van de melding voor het toepassen van grond ter plaatse van bermen van doorgaande wegen in het buitengebied, moet aanvullend op artikel 4.1266 van het Besluit activiteiten leefomgeving, informatie over de volgende voorwaarden worden aangeleverd:

    • a.

      De partij voldoet aan één van de volgende eisen:

      • 1.

        De partij is afkomstig uit het beheergebied uit een weg of berm van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg. Door middel van een verificatieonderzoek (bodemonderzoek conform de NEN 5740 met een gepaste strategie om de bodemkwaliteit aan te tonen dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001) van de bovengrond (0,0 - 0,50 m -mv.) is aangetoond dat de kwaliteit minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie;

      • 2.

        De partij is afkomstig uit het beheergebied en voldoet op basis van een NEN 5740-onderzoek met passende strategie dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001 aan de kwaliteitsklasse industrie.

    • b.

      Deze vrijgekomen grond kan uitsluitend worden toegepast op locaties die zijn aangewezen als toepassingskwaliteit industrie.

    • c.

      Uit het vooronderzoek dan wel Toets herkomst conform de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de vrijkomende bermgrond, anders dan de afspoeling van de naastgelegen weg.

    • d.

      Voor de definitie van een berm van zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie wordt aangesloten bij de brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009).

    • e.

      Voor bermen gelegen in het Natuur Netwerk Brabant kan onder wegen en bermen van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg, tevens grond met de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast, tot maximaal 1,5 meter vanaf de verharding.

  • 2.

    De voorwaarden zoals genoemd in het eerste lid zijn niet van toepassing op:

    • a.

      Verplaatsing van grond van wegen en bermen van doorgaande wegen en spoorwegen over gemeentegrenzen heen. Hier is het wel verplicht om een verificatieonderzoek te verrichten. De gemeente toetst of dit onderzoek is uitgevoerd.

    • b.

      Bij verplaatsing van grond van wegen en bermen van doorgaande wegen naar andere wegen en bermen van doorgaande wegen binnen de gemeentegrenzen is geen verificatieonderzoek vereist.

Paragraaf 3.9.10 Bouwstoffen toepassen: staalslakken en thermisch gereinigde grond

Artikel 3.126 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van staalslakken en thermisch gereinigde grond.

Artikel 3.127 Bodem: meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden een activiteit als bedoeld in 3.126 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. De activiteiten vangen aan uiterlijk twaalf maanden nadat het bevoegd gezag de melding heeft ontvangen. De melding vervalt indien de activiteiten niet binnen de termijn van twaalf maanden zijn aangevangen.

  • 2.

    Het toepassen van staalslakken en thermisch gereinigde grond is alleen toegestaan als:

    • a.

      een plan van aanpak is aangeleverd dat is afgestemd met de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB);

    • b.

      de toepassing plaatsvindt in een grootschalige bodemtoepassing (minimaal 5000 m3);

    • c.

      de toepassing plaatsvindt onder een duurzaam aaneengesloten afdeklaag zoals beton, asfalt, asfaltbeton betonplaat of bestrating met klinkers of tegels;

    • d.

      de toepassing plaatsvindt boven de gemiddelde hoogte grondwaterstand (GHG); en

    • e.

      de toepassing voldoet aan de zorgplicht. Voor deze beoordeling worden de richtlijnen gevolgd die zijn genoemd in het document ‘Toepassing van thermisch gereinigde grond'.

Paragraaf 3.9.11 Niet gescheiden ontgraven bij tijdelijke uitname van grond

Artikel 3.128 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij sprake is van tijdelijke uitname ten behoeve van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen, waaronder werkzaamheden aan het riool. 

Artikel 3.129 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1225 Bal)

Bij het ontvangen van de melding voor het graven in de bodem met betrekking tot het terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom, wordt getoetst of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    De werkzaamheden bevinden zich op een locatie die is aangeduid alsbodemfunctieklasse - landbouwbodemfunctieklasse - natuurbodemfunctieklasse - wonen of bodemfunctieklasse - industrie.

  • b.

    In het volledige verticale bodemtraject is reeds sprake van geroerde grond. Indien binnen dit traject (gedeeltelijk) ongeroerde grond wordt aangetroffen, dient deze ongeroerde grond separaat te worden ontgraven, afzonderlijk te worden opgeslagen en vervolgens te worden teruggeplaatst op de oorspronkelijke locatie binnen het betreffende bodemtraject.

  • c.

    Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste bodemtraject (maximaal 2,5 m -mv) zoals op de ontgravingskaart in de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf.

  • d.

    Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen.

Afdeling 3.10 WATER

Paragraaf 3.10.1 Afvalwaterbeheer

Subparagraaf 3.10.1.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 3.130 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 3.131 Lozen van grondwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 3.132 Lozen van grondwater: bij saneringen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid op of in de bodem, zijn de emissiegrenswaarden , bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van toepassing, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid in een schoonwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 3.132, van toepassing, gemeten in een steekmonster.

    Tabel  3.132  Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

  • 4.

    Het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Artikel 3.133 Lozen van grondwater: bij ontwatering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van het grondwater zoals bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 3.134 Lozen van grondwater: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 3.10.1.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 3.135 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 3.136 Lozen van afvloeiend hemelwater: informatieplicht
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.137 Lozen van afvloeiend hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 3.10.1.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 3.138 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 3.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.140 Lozen van huishoudelijk afvalwater: geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 3.141 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.142 Lozen van huishoudelijk afvalwater: zuiveringsvoorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.142.

    Tabel  3.142  Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.143 Lozen van huishoudelijk afvalwater: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 3.10.1.4 Lozen van koelwater
Artikel 3.144 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.145 Lozen van koelwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.144, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.146 Lozen van koelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 3.10.1.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 3.147 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 3.148 Periodiek reinigen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 3.10.1.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 3.149 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 3.150 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen: inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 3.151 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.149, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 3.152 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 3.153 Lozen bij opslaan van inerte goederen: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 3.154 Lozen bij opslaan van inerte goederen: uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 3.10.1.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 3.155 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 3.156 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 3.157 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 3.10.1.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 3.158 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 3.159 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 3.10.1.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 3.160 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.161 Lozen bij calamiteitenoefeningen: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.160, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.162 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Subparagraaf 3.10.1.10 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 3.163 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.164 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 3.166 en 3.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.165 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 3.166 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 3.167 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 3.168 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 3.169 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 3.10.1.11 Lozen bij maken van betonmortel
Artikel 3.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.171 Lozen bij maken van betonmortel: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.170 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.172 Lozen bij maken van betonmortel: water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.172, gemeten in een steekmonster.

    Tabel  3.172  Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 3.173 Lozen bij maken van betonmortel: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Subparagraaf 3.10.1.12 Lozen in de bodem: vangnetregeling
Artikel 3.174 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het lozen van afvalwater in de bodem als het lozen op grond van afdeling 3.10 of 3.11 niet is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • c.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

Artikel 3.175 Lozen in de bodem: vangnetvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van afdeling 3.10 of 3.11 is toegestaan.

Artikel 3.176 Lozen in de bodem: aanvraagvereisten vangnetvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.175 voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

  • b.

    het soort afvalwater.

Artikel 3.177 Lozen in de bodem: beoordelingsregels vangnetvergunning

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Subparagraaf 3.10.1.13 Lozen in schoonwaterriool
Artikel 3.178 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het lozen in een schoonwaterriool als het lozen op grond van afdeling 3.10 of 3.11 niet is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen; of

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.179 Lozen in schoonwaterriool: vangnetvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

Artikel 3.180 Lozen in schoonwaterriool: aanvraagvereisten vangnetvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3.179 voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

  • b.

    het soort afvalwater.

Artikel 3.181 Lozen in schoonwaterriool: beoordelingsregels vangnetvergunning

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.10.2 Hemelwaterbeheer (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Afdeling 3.11 OVERIGE MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 3.11.1 Uitwassen van beton

Artikel 3.182 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.183 Uitwassen van beton: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.182 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.184 Uitwassen van beton: water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 3.185 Uitwassen van beton: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 3.11.2 Recreatieve visvijvers

Artikel 3.186 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 3.187 Recreatieve visvijvers: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.186 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.188 Recreatieve visvijvers: lozingsroute water

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 3.11.3 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 3.189 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 3.190 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.189 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.191 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 3.192 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Paragraaf 3.11.4 Wassen van motorvoertuigen

Artikel 3.193 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen.

Artikel 3.194 Wassen van motorvoertuigen: bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing als per week ten hoogste één motorvoertuig, die niet is gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 3.195 Wassen van motorvoertuigen: water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan als per week ten hoogste één motorvoertuig, die niet is gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 3.196 Wassen van motorvoertuigen: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Paragraaf 3.11.5 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 3.197 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 3.198 Niet-industriële voedselbereiding: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.197 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 3.199 Niet-industriële voedselbereiding: water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 3.200 Niet-industriële voedselbereiding: geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, of ter plaatse van de locatie bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 3.11.6 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 3.201 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.202 Voedingsmiddelenindustrie: geur bij beginnen of uitbreiden activiteit
  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 3.201 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

Paragraaf 3.11.7 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 3.203 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.204 Slachten van dieren: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.203 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.205 Slachten van dieren: water lozingsroute en zuivering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 3.203 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 3.206 Slachten van dieren: voorkomen of beperken geurhinder
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 3.207 Slachten van dieren: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 3.208 Slachten van dieren: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 3.209 Slachten van dieren: informatieplicht na het beëindigen van de activiteit en eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  • 4.

    Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

    • a.

      de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

    • b.

      de wijze waarop het onderzoek is verricht;

    • c.

      de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

    • d.

      informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

    • e.

      bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

    • f.

      als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO).

Artikel 3.210 Slachten van dieren: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het herstel van de bodem uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

  • 3.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het herstel van de bodem begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 3.211 Slachten van dieren: informatieplicht herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 3.212 Slachten van dieren: gemorste en gelekte stoffen in afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 3.11.8 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

Artikel 3.213 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 3.214 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.213tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 3.213eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

Artikel 3.215 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: stilstandvoorziening voorvoorkomen of beperken van slagschaduw
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 3.216 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: slagschaduw en functionele binding

Artikel 3.215 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 3.217 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: slagschaduw en voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is artikel 3.215 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 3.218 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: beperken van reflectie voor voorkomen of beperken lichtschittering

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 3.219 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: meten reflectiewaarden lichtschittering

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Paragraaf 3.11.9 In werking hebben van een acculader

Artikel 3.220 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 3.221 In werking hebben van een acculader: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 3.222 In werking hebben van een acculader: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 3.11.10 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 3.223 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 3.224 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.225 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage: afvoeren emissies lucht en geur
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 3.11.11 Traditioneel schieten

Artikel 3.226 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 3.227 Traditioneel schieten: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.226 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.228 Traditioneel schieten: bodem en veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 3.229 Traditioneel schieten: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 3.228, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 3.230 Traditioneel schieten: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 3.231 Traditioneel schieten: informatieplicht bij het beëindigen van de activiteit en eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt het rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  • 5.

    Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

    • a.

      de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

    • b.

      de wijze waarop het onderzoek is verricht;

    • c.

      de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

    • d.

      informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

    • e.

      bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

    • f.

      als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

  • 6.

    De resultaten van een bodemonderzoek zoals bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de bestandsformaten PDF en XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101 die voldoet aan de eisen voor aanlevering bij Basisregistratie Ondergrond (BRO).

Artikel 3.232 Traditioneel schieten: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het herstel van de bodem uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

  • 3.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt het herstel van de bodem begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 3.233 Traditioneel schieten: informatieplicht herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 3.232 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 3.232 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 3.11.12 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 3.234 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 3.235 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.234 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.236 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht: licht
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      festiviteiten die krachtens artikel 4.30 zijn aangewezen; en

    • b.

      festiviteiten die krachten artikel 4.31 zijn toegestaan.

  • 3.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 4.

    Bij het beoordelen van lichthinder moet worden voldaan aan de Richtlijn Lichthinder van de NSVV.

Paragraaf 3.11.13 Opslaan van vaste mest

Artikel 3.237 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.238 Opslaan van vaste mest: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.239 Opslaan van vaste mest: maatregelen opslag ten aanzien van verontreiniging van de bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 3.240 Opslaan van vaste mest: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 3.241 Opslaan van vaste mest: lozingsroute afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 3.242 Opslaan van vaste mest: geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig gebouw.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 3.11.14 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 3.243 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.244 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.243 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.245 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 3.246 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 3.247 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 3.248 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 3.11.15 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 3.249 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 3.250 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: informatieplicht voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.249 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3.251 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 3.252 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 3.253 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 3.254 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 3.11.16 Verwerken polyesterhars

Artikel 3.255 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verwerken van polyesterhars voorzover deze activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.256 Verwerken polyesterhars: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

Artikel 3.257 Verwerken polyesterhars: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.256 wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

Artikel 3.258 Verwerken polyesterhars: beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.256 wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

  • 2.

    De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn overeenkomstig van toepassing.

Paragraaf 3.11.17 Installeren gesloten bodemenergiesysteem

Artikel 3.259 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem voorzover deze activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.260 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

Artikel 3.261 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.260 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

  • b.

    de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

  • c.

    gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

  • d.

    een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

  • e.

    informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

  • f.

    de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

Artikel 3.262 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.260 wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

  • 2.

    De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn overeenkomstig van toepassing.

Paragraaf 3.11.18 Kweken maden van vliegende insecten

Artikel 3.263 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het kweken van maden van vliegende insecten.

Artikel 3.264 Kweken maden van vliegende insecten: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

Artikel 3.265 Kweken maden van vliegende insecten: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.264 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

  • b.

    het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

  • c.

    een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

  • d.

    de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 3.266 Kweken maden van vliegende insecten: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.19 Opslaan propaan of propeen

Artikel 3.267 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van propaan of probeen voorzover deze activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.268 Opslaan propaan of propeen: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.

Artikel 3.269 Opslaan propaan of propeen: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.268 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

    • 1.

      de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

    • 2.

      de grootte in kubieke meters; en

    • 3.

      een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

  • b.

    als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen, met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

    • 1.

      de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

    • 2.

      als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

    • 3.

      als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

    • 4.

      een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

  • c.

    als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen, met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3, of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

    • 1.

      de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

    • 2.

      de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

    • 3.

      de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 3.270 Opslaan propaan of propeen: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.20 Tanken met LPG

Artikel 3.271 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG.

Artikel 3.272 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

Artikel 3.273 Tanken met LPG: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.272 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

  • b.

    de coördinaten van:

    • 1.

      het vulpunt;

    • 2.

      de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

    • 3.

      de aansluitpunten van die leiding en pomp;

    • 4.

      de bovengrondse opslagtank; en

    • 5.

      de tankzuil;

  • c.

    het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

  • e.

    een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 3.274 Tanken met LPG: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.21 Antihagelkanonnen

Artikel 3.275 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

Artikel 3.276 Antihagelkanonnen: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

Artikel 3.277 Antihagelkanonnen: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.276 voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    de aard en omvang van de geluidemissies;

  • b.

    de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

  • c.

    een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 3.278 Antihagelkanonnen: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.22 Biologische agens

Artikel 3.279 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een praktijkruimte of laboratorium waar gericht wordt gewerkt met biologische agens.

Artikel 3.280 Biologische agens: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

Artikel 3.281 Biologische agens: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.280worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

  • b.

    informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

  • c.

    een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 3.282 Biologische agens: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.23 Genetisch gemodificeerde organismen

Artikel 3.283 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 voorzover deze activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

Artikel 3.284 Genetisch gemodificeerde organismen: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

Artikel 3.285 Genetisch gemodificeerde organismen: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.284 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

    • 1.

      waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

    • 2.

      waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

  • b.

    een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 3.286 Genetisch gemodificeerde organismen: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.24 Opslaan dierlijke meststoffen

Artikel 3.287 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van dierlijke meststoffen voorzover deze activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.288 Dierlijke meststoffen opslaan: omgevingsvergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

  • a.

    drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

  • b.

    meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

Artikel 3.289 Dierlijke meststoffen opslaan: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.288 worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a.

    het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

  • b.

    het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 3.290 Dierlijke meststoffen opslaan: beoordelingsregels

De beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn van toepassing.

Paragraaf 3.11.25 Gebruik generator, hoofdmotor of hulpmotor bij een aangemeerde schip

Artikel 3.291 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van een generator, hoofdmotor of hulpmotor bij een aangemeerd schip ter plaatse van locaties waar voorzieningen voor walstroom aanwezig zijn.

Artikel 3.292 Generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip gebruiken: omgevingsvergunning
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie verbod gebruik generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip is het verboden zonder omgevingsvergunning, ten behoeve van een aangemeerd schip, een generator, hoofdmotor of hulpmotor in werking te hebben.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      direct voor en direct na aankomst van het schip; 

    • b.

      direct voor en direct na vertrek van het schip; 

    • c.

      indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op een geluidgevoelig gebouw vanwege een generator, hoofdmotor of hulpmotor, niet meer bedraagt dan de standaardwaarde in tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de bedrijfsduurcorrectieterm (als bedoeld in de bijlagen bij de Omgevingsregeling) niet wordt betrokken.

Artikel 3.293 Generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip gebruiken: aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.292 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt:

  • a.

    voor welke momenten (dagen en tijden) de omgevingsvergunning wordt aangevraagd;

  • b.

    voor welke locatie en schip de omgevingsvergunning wordt aangevraagd;

  • c.

    dat vanwege veiligheidseisen het in werking hebben van een generator, hoofdmotor of hulpmotor noodzakelijk is, of het aansluiten van het schip op de walstroomvoorziening technisch onmogelijk is.

Artikel 3.294 Generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip gebruiken: beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.292 wordt verleend als:

    • a.

      het in werking hebben van een generator, hoofdmotor of hulpmotor noodzakelijk is vanuit veiligheidseisen, of;

    • b.

      het technisch onmogelijk is het schip aan te sluiten op de walstroomvoorziening.

  • 2.

    Er sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau op een geluidsgevoelig gebouw. 

Artikel 3.295 Generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip gebruiken: maatwerkvoorschriften

Het college kan maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.292 verbinden ten aanzien van het geluidsniveau in de etmaalperiode. 

Paragraaf 3.11.26 Vuur stoken

Artikel 3.296 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verbranden van afvalstoffen of het anderszins stoken van vuur.

Artikel 3.297 Vuur stoken: verbod
  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod onder het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het verbranden van kerstbomen;

    • b.

      het houden van kampvuren door de plaatselijke scouting;

    • c.

      het houden van oefeningen door de brandweer; 

    • d.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • e.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; of

    • f.

      vuur voor koken, bakken en braden; en

    • g.

      er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving.

  • 3.

    Het verbod onder het eerste lid is eveneens niet van toepassing indien er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten die ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn toegestaan en nader worden gereguleerd. 

Hoofdstuk 4 GEBRUIK

Afdeling 4.1 REGELS VOOR ALLE GEBRUIKSACTIVITEITEN

Paragraaf 4.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 4.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruiksactiviteiten anders dan toegestaan in dit hoofdstuk zijn verboden, met uitzondering van:

Artikel 4.3 Omgevingsvergunning bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht: beoordelingsregel

In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit, die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels, toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 4.4 Omgevingsvergunning gebruik bij ruimtelijk plan in procedure: beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor gebruiksactiviteiten als bedoeld in dit hoofdstuk en in het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag een ontwerp van een wijziging van het omgevingsplan ter inzage is gelegd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning worden verleend als deze voldoet aan de regels in het omgevingsplan én de regels in het in procedure zijnde wijziging van het omgevingsplan.

  • 3.

    Het eerste lid komt te vervallen op het moment dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 

Afdeling 4.2 ACTIVITEITEN IN DE OPENBARE BUITENRUIMTE

Paragraaf 4.2.1 Voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

Artikel 4.5 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen van voorwerpen in de openbare buitenruimte in beheer bij de gemeente. 

Artikel 4.6 Omgevingsvergunning voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voorwerpen in de openbare buitenruimte te plaatsen anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor: 

    • a.

      evenementen, die ingevolge het omgevingsplan en de Algemene Plaatselijke Verordening zijn toegestaan; 

    • b.

      ambulante detailhandel, die ingevolge paragraaf 4.2.4 zijn toegestaan;   

    • c.

      door of met toestemming van de gemeente aangelegde geveltuinen of kabelgoten ten dienste van het opladen van auto's; 

    • d.

      beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; 

    • e.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare buitenruimte is verleend. 

Artikel 4.7 Aanvraagvereisten voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6 voor het plaatsen van voorwerpen in de openbare buitenruimte worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:  

  • a.

    een situatietekening van de locatie met het te gebruiken oppervlak in vierkante meters; 

  • b.

    een opgave van moment van aanvang en de duur van het gebruik;  

  • c.

    een beschrijving van de voorwerpen die op of aan de openbare buitenruimte worden geplaatst; en

  • d.

    indien van toepassing een beschrijving of tekening van de tijdelijke verkeersmaatregelen die getroffen worden om de verkeersveiligheid van het verkeer te waarborgen.

Artikel 4.8 Beoordelingsregels voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6 kan worden geweigerd als het beoogde gebruik:

  • a.

    schade toebrengt aan de openbare buitenruimte;

  • b.

    gevaar oplevert voor (de bruikbaarheid van) de openbare buitenruimte ; of

  • c.

    een belemmering kan vormen voor het gebruik, beheer en onderhoud van de openbare buitenruimte.  

 

Paragraaf 4.2.2 Hinderlijke of gevaarlijke beplanting en voorwerpen op of nabij wegen

Artikel 4.9 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen of hebben van beplanting of een voorwerp, in of nabij de openbare weg. 

Artikel 4.10 Verbod hinderlijke of gevaarlijke beplanting en voorwerpen op of nabij wegen 

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben, op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 

Paragraaf 4.2.3 Parkeerexcessen

Artikel 4.11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het parkeren van motorvoertuigen, aanhangers, kampeermiddelen en (brom-)fietsen op of langs de openbare weg.

Artikel 4.12 Verbod (brom-)fietsen parkeren
  • 1.

    Het is verboden om (brom-)fietsen op of langs de openbare weg te parkeren op zodanige wijze dat daardoor schade, gevaar of overlast ontstaat voor het gebruik van de weg, openbare gezondheid of de toegankelijkheid. 

  • 2.

    Ter plaatse van de locatie verbod parkeren (brom)fietsen is het omwille van het uiterlijk aanzien verboden om, buiten de daarvoor bestemde ruimten, (brom-)fietsen te parkeren. 

Artikel 4.13 Verbod kampeermiddelen, aanhangers e.d. op de openbare weg plaatsen

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben, op of langs de openbare weg binnen de bebouwde kom.

Artikel 4.14 Verbod voertuigwrakken parkeren
  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, te plaatsen of te hebben, op of langs de openbare weg.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 4.15 Verbod voertuigen bedrijfsmatig parkeren
  • 1.

    Het is verboden op of langs de openbare weg voertuigen bedrijfsmatig te stallen, te repareren, te onderhouden, te verhandelen of te verhuren. 

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op een voertuig:

    • a.

      die de persoon die een activiteit zoals genoemd in lid 1 uitvoert, (mede) voor persoonlijke doeleinden gebruikt; of

    • b.

      waarvoor de in lid 1 genoemde activiteiten in totaal niet meer dan een uur duren. 

Artikel 4.16 Verbod uitzicht belemmerende voertuigen parkeren
  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op of langs de openbare weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 4.17 Verbod aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door, of deze te laten staan in, een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2.

    Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: 

    • a.

      op de weg; 

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; of

    • c.

      op voertuigen, ten dienste van ambulante detailhandel die ingevolge paragraaf 4.2.4 zijn toegestaan.  

Artikel 4.18 Omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

Het is verboden ter plaatse van de locatie verbod parkeren van grote voertuigen zonder omgevingsvergunning op of langs de openbare weg een voertuig te parkeren dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter.

Artikel 4.19 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.18 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    kenteken van het voertuig; 

  • b.

    maatvoering van het voertuig (lengte en hoogte); 

  • c.

    soort voertuig (merk en type); 

  • d.

    naam- en adresgegevens van de aanvrager; 

  • e.

    gegevens waaruit blijkt dat aanvrager eigenaar is van de auto, of in het geval het een leasevoertuig betreft, een verklaring van de leasemaatschappij of werkgever;

  • f.

    locatie van parkeren van het voertuig; 

  • g.

    omschrijving van de noodzaak. 

Artikel 4.20 Beoordelingsregels omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

 

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.18 wordt op kenteken verleend indien:

  • a.

    de aanvrager woonachtig is in Oosterhout; en 

  • b.

    de aanvrager in het bezit is van een algemene gehandicapten parkeerkaart én medisch afhankelijk is
    van een specifiek aangepast voertuig om zichzelf te kunnen verplaatsen; en

  • c.

    het voertuig niet hoger is dan 2,9 meter; of

  • d.

    naar oordeel van het college sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang.

 

Paragraaf 4.2.4 Standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden innemen

Artikel 4.21 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het innemen van een standplaats voor ambulante detailhandel of voor maatschappelijke doeleinden.

Artikel 4.22 Omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats ten behoeve van ambulante detailhandel of  maatschappelijke doeleinden in te nemen. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      een standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • b.

      een standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden op een evenement als bedoeld in afdeling 7 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

Artikel 4.23 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de NAW-gegevens, e-mailadres, telefoonnummer, kopie van een geldig legitimatiebewijs, en indien van toepassing een document waaruit rechtmatig verblijf blijkt op grond van de Vreemdelingenwet, van diegene die gebruik gaat maken van de omgevingsvergunning; 

  • b.

    bij een aanvraag door een rechtspersoon dient een natuurlijk persoon als vergunninghouder te worden aangegeven;

  • c.

    een recent (niet ouder dan 6 maanden) uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

  • d.

    in verband met de wettelijke aansprakelijkheid, een verzekeringsbewijs; 

  • e.

    de maatvoering van kraam of verkoopwagen wanneer deze is uitgestald, niet zijnde de vervoersmaten;

  • f.

    een duidelijke foto van de kraam of verkoopwagen;

  • g.

    indien van toepassing het kenteken van de kraam- of verkoopwagen;

  • h.

    de gewenste locatie;

  • i.

    een plattegrond met daarop de indeling van de kraam of verkoopwagen op locatie;

  • j.

    de dag(en) en tijden waarop men gebruik wenst te maken van de omgevingsvergunning;

  • k.

    de branche en de activiteiten die men wil ontplooien, waaronder het al dan niet ter plaatse bereiden van voedsel;

  • l.

    indien de aanvraag betrekking heeft op een locatie op privaat terrein, dient de aanvraag vergezeld te gaan van een schriftelijke verklaring van toestemming van de eigenaar van dat terrein.

Artikel 4.24 Beoordelingsregels omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22wordt geweigerd ingeval: 

    • a.

      de aanvraag een locatie betreft op een rijbaan of fietspad/-strook;

    • b.

      de aanvraag een locatie betreft op betaalde parkeerplaatsen, parkeerplaatsen voor vergunninghouders, gereserveerde (gehandicapten)parkeerplaatsen en in een blauwe zone;

    • c.

      de aanvraag een locatie betreft op particulier terrein en:

      • 1.

        de eigenaar van het terrein geen toestemming heeft verleend; of

      • 2.

        als het terrein openbaar toegankelijk is, dit leidt tot parkeeroverlast in de directe omgeving;

    • d.

      de aanvraag een locatie betreft op een parkeerplaats van een parkeerterrein bij een winkelcentrum en/of sporthal, waarbij de parkeerdruk dit niet toelaat;

    • e.

      er sprake is van een locatie die vrij toegankelijk moet blijven ingeval van noodsituaties, waaronder bereikbaarheid van hulpdiensten;

    • f.

      de aanvraag een locatie en datum betreft waarop de weekmarkt wordt gehouden;

    • g.

      er sprake is van marktvorming; 

    • h.

      van strijdigheid met overige regels in dit omgevingsplan, het Besluit activiteiten leefomgeving of de Winkeltijdenwet; 

  • 2.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 kan worden geweigerd: 

    • a.

      in het belang van verkeersveiligheid en een goede doorstroming, waaronder een vrije doorgang op openbare wegen en vanuit gebouwen waar zich personen bevinden; of 

    • b.

      in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder een goed woon- en leefklimaat; 

    • c.

      in het belang van de volksgezondheid; 

    • d.

      in het belang van het uiterlijk aanzien, al dan niet redelijke eisen van welstand; 

    • e.

       indien te verwachten is dat door het verlenen van de omgevingsvergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse of elders in de gemeente in gevaar komt.

  • 3.

    Wanneer binnen een verzorgingsgebied, als gevolg van bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing het verzorgingsniveau in het gedrang komt, kan ter waarborging van een redelijk voorzieningenniveau, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 worden verleend voor zover daarmee wordt voorzien in het weggevallen aanbod, ook indien dit in strijd is met het tweede lid van dit artikel.

Artikel 4.25 Meldingsplicht geen gebruik omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden
  • 1.

    Indien de vergunninghouder de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden niet neemt of afwezig is, dient dit te worden gemeld.

  • 2.

    Onderdeel van deze melding is een geldige reden (zoals ziekte, vakantie, privéomstandigheden), waarbij kan worden verlangt dat deze wordt ondersteunt met bewijsmateriaal.

Artikel 4.26 Gebods- en verbodsbepalingen standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden
  • 1.

    De vergunninghouder is verplicht:

    • a.

      er voor te zorgen dat de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden steeds een goed verzorgd aanzien biedt;

    • b.

      bij het ontruimen de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden en de onmiddellijke omgeving, binnen een straal van vijf meter, schoon op te leveren; 

    • c.

      om ingeval van het aanbieden van direct voor consumptie geschikte etenswaren en dranken, op de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden een afvalbak te plaatsen en zelf zorg te dragen voor de lediging van de afvalbak;

    • d.

      ingeval van gebruikmaking van een generator, tussen de locatie van de generator en de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming, zoals een woning, een minimale afstand van vijf meter in acht te nemen; 

    • e.

      zelf zorg te dragen voor de benodigde nutsvoorzieningen, waarbij ter voorkoming van (verkeers)onveilige situaties de vergunninghouder zelf de benodigde maatregelen treft;

    • f.

      de standplaats zelf in te nemen, of te laten innemen door een persoon die familie is van de vergunninghouder of een persoon die een dienstverband heeft bij de vergunninghouder, de persoon die de standplaats namens de vergunninghouder inneemt dient aan te kunnen tonen dat aan deze bepaling wordt voldaan.

  • 2.

    Het is de vergunninghouder verboden: 

    • a.

      te graven, te boren en/of pennen te slaan in de grond, of anderszins aanpassingen te doen aan de openbare ruimte;

    • b.

      buiten de verkoopwagen of kraam en een afvalbak andere objecten (zoals een terras) op of nabij de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden te plaatsen;

    • c.

      geluidsinstallaties in werking te hebben, tenzij hiervoor op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening een ontheffing of op basis van dit omgevingsplan een vergunning is verleend; 

    • d.

      ingeval van evenementen en werkzaamheden aan of in de openbare ruimte de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden in te nemen, hiervan wordt vergunninghouder minimaal drie dagen van tevoren in kennis gesteld.

Artikel 4.27 Maatwerkvoorschriften omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden

Het college kan maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 verbinden met betrekking tot:

  • a.

    de maximale afmetingen van de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden;

  • b.

    de werkingsduur van de omgevingsvergunning;

  • c.

    het maximaal aangesloten dagen waarop de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden mag worden ingenomen.

Artikel 4.28 Intrekken of wijzingen omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.22 kan worden ingetrokken als:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de omgevingsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is vereist;

  • c.

    de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    de standplaats voor ambulante detailhandel of maatschappelijke doeleinden op drie peilmomenten per kalenderjaar zonder geldige reden of opgaaf van reden niet is ingenomen.

Afdeling 4.3 EVENEMENTEN EN FESTIVITEITEN

Paragraaf 4.3.1 Festiviteiten

Artikel 4.29 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het organiseren van festiviteiten in de openbare ruimte en bij bedrijven, horeca- en recreatiebedrijven en (sport)verenigingen.  

Artikel 4.30 Aangewezen collectieve festiviteiten

 

Op de volgende dagen zijn festiviteiten toegestaan als bedoeld in artikel 3.28 en 3.236:

  • a.

    de nacht van 31 december op 1 januari; 

  • b.

    carnavalszaterdag, -zondag, -maandag en -dinsdag; 

  • c.

    koningsnacht; en 

  • d.

    de kermis-vrijdag, -zaterdag, -zondag, -maandag, -dinsdag en -woensdag. 

Artikel 4.31 Meldingsplicht niet aangewezen, individuele festiviteiten

Aanvullend op artikel 4.30 is het voor bedrijven, horeca- en recreatiebedrijven en (sport)verenigingen toegestaan maximaal zes festiviteiten als bedoeld in artikel 3.28 en 3.236 per kalenderjaar te houden, voor zover men 2 weken voor aanvang dit heeft gemeld.  

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten melding niet aangewezen, individuele festiviteiten

De melding als bedoeld in artikel 4.31 bevat:

  • a.

    naam en contactgegevens van organiserend bedrijf of vereniging; 

  • b.

    locatie waar de festiviteiten plaats vinden; 

  • c.

    datum, tijdstip van aanvang en beëindiging van de festiviteiten;

  • d.

    de omschrijving van de festiviteiten, waaronder of er wel of niet sprake is van (live)muziek en zo ja welk genre het betreft;

  • e.

    hoe eventuele overlast wordt ingeperkt. 

Afdeling 4.4 WONEN

Paragraaf 4.4.1 Algemeen

Artikel 4.33 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen.

Artikel 4.34 Verbod overbewoning woonruimte
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners is het niet toegestaan:

    • a.

      een woning te bewonen door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      een woonwagen te bewonen door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Hoofdstuk 5 BOUWEN

Afdeling 5.1 REGELS VOOR ALLE BOUWACTIVITEITEN

Paragraaf 5.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over het bouwen van bouwwerken, het in stand houden van bouwwerken en de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken.

Artikel 5.2 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

Artikel 5.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving en/of op grond van het omgevingsplan is verleend, wordt onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: 

  • a.

    de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

  • b.

    het straatpeil is uitgezet.

Artikel 5.4 Meetbepalingen (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.1.2 Welstand - excessenregeling

Artikel 5.5 Verbod welstandsexces
  • 1.

    Het uiterlijk van bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand (zogenaamd exces) volgens de criteria in de “Nota uiterlijk van bouwwerken Oosterhout 2025", of de opvolger ervan of in een beleidsregel op grond van artikel 4.19 Omgevingswet.

  • 2.

    Het college wint advies in bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit over de vraag of sprake is van een exces zoals bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5.1.3 Algemene regels aansluitingen op distributienet

Artikel 5.6 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk, aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand:

    • a.

      niet groter is dan 100 m; of

    • b.

      groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap of op een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.7 Aansluiting op distributienet voor gas
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk, aangesloten op het distributienet voor gas als:

    • a.

      artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of 

    • c.

      groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap of op een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.8 Aansluiting op distributienet voor warmte
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden, aangesloten op het in het Warmteprogramma bedoelde distributienet voor warmte als:

    • a.

      het in het Warmteprogramma geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of 

    • c.

      groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het Warmteprogramma voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

  • 3.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap of op een drijvend bouwwerk. 

Artikel 5.9 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

 

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk, aangesloten op het distributienet voor drinkwater als:

  • a.

     de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of

  • b.

    groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.10 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater, is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.2 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Paragraaf 5.1.4 Algemene regels voorzieningen brandweer

Artikel 5.11 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

     

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.12 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste één toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen, een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • b.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt;

    • c.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist;

    • d.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • e.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.13 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig, dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • b.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist;

    • c.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.12derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 5.1.5 Algemene regels luchtvaartzones

Artikel 5.14 Luchtvaartverkeerzone – ILS-zone
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie luchtvaartverkeerzone – ILS-zone mag de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond niet meer bedragen dan 42 m boven NAP.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde onder het eerste lid is het bouwen van hogere objecten in, op of boven de grond ten behoeve van de overige functies van deze gronden toegestaan, mits deze geen belemmering opleveren voor het functioneren van het Instrument Landing System van vliegbasis Gilze en Rijen. Hiertoe dient voorafgaand aan vergunningverlening instemming te worden verkregen van het Ministerie van Defensie. 

Artikel 5.15 Luchtvaartverkeerzone – funnel en IHCS
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie luchtvaartverkeerzone – funnel en IHCS mag de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond niet meer bedragen dan 55 m boven NAP.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde onder het eerste lid is het bouwen van hogere objecten in, op of boven de grond ten behoeve van de overige functies van deze gronden toegestaan, mits de objecten geen onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Hiertoe dient voorafgaand aan vergunningverlening instemming te worden verkregen van het Ministerie van Defensie. 

Artikel 5.16 Vrijwaringszone – radar
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie vrijwaringszone – radar mag de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond niet meer bedragen dan 90 m boven NAP.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde onder het eerste lid is het bouwen van hogere objecten in, op of boven de grond ten behoeve van de overige functies van deze gronden toegestaan, mits de objecten geen onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Hiertoe dient voorafgaand aan vergunningverlening instemming te worden verkregen van het Ministerie van Defensie. 

Afdeling 5.2 BOUWEN - OMGEVINGSVERGUNNINGSVRIJ

Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.17 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over omgevingsvergunningvrije bouwactiviteiten.

  • 2.

    Voor de activiteiten uit deze afdeling is geen omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig als wordt voldaan aan de regels in dit hoofdstuk.

Artikel 5.18 Beperkingen omgevingsvergunningvrije bouwactiviteiten vanwege erfgoed
  • 1.

    Deze afdeling is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument of monumentale boom, of ter plaatse van een voorbeschermd monument of rijksmonument.

  • 2.

    Artikelen 5.255.27 en 5.28 zijn niet van toepassing op activiteiten op een bouwperceel waarop zich een gemeentelijk monument, voorbeschermd monument of rijksmonument bevindt.

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht ter plaatse van de locatie beschermd stads- of dorpsgezicht, tenzij het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk achter de achtergevel van het hoofdgebouw dat niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Deze afdeling is niet van toepassing als een omgevingsvergunning nodig is voor een bodemverstorende activiteit ter plaatse van de locatie archeologisch waardevol gebied als bedoeld in artikel 6.37, en deze nog niet is verleend.

  • 5.

    Deze afdeling is niet van toepassing als op basis van de regels in hoofdstuk 6 of in het tijdelijk deel van het omgevingsplan een omgevingsvergunning nodig is voor werken en werkzaamheden ter plaatse van een monumentale boom.

Artikel 5.19 Algemene beperkingen omgevingsvergunningvrije bouwactiviteiten
  • 1.

    Deze afdeling is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing als de activiteit in strijd is met de in dit hoofdstuk en de in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen.

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing als de activiteit in strijd is met de in hoofdstuk 4 en de in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gestelde regels over gebruiken.

  • 4.

    Bij de toepassing van deze afdeling blijft het aantal woningen gelijk, tenzij er een omgevingsvergunning is verleend voor de huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.20 Beperkingen omgevingsvergunningvrije bouwactiviteiten vanwege omgevingsveiligheid

Artikel 5.27 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: 

  • a.

    op een locatie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

  • b.

    op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

  • c.

    op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

    • 1.

      artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

    • 2.

      artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 3.

      artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 4.

      artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 5.

      artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 6.

      artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 7.

      artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 8.

      artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 9.

      artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 10.

      artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 11.

      artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12.

      artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 13.

      artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of

    • 14.

      artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Artikel 5.21 Meldingsplicht omgevingsvergunningsvrije bouwactiviteiten
  • 1.

    Het is verboden vergunningvrij een bouwwerk te bouwen zonder ten minste vier weken voor de bouw een melding in te dienen als:

    • a.

      een bouwwerk groter is dan 50 m2; en

    • b.

      aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.

  • 2.

    Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de bodemonderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;

    • d.

      de dagtekening; en

    • e.

      bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 3.

    Het tweede lid, onder a en e, is niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, redelijkerwijs is uit te sluiten.

Paragraaf 5.2.2 Omgevingsvergunningvrije bouwwerken

Artikel 5.22 Erf- of perceelafscheiding (vergunningvrij)

Voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    niet hoger dan 2 m;

  • b.

    op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

  • c.

    achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of achter het hoofdgebouw komt.

Artikel 5.23 Sport- of speeltoestel (vergunningvrij)

Voor het plaatsen van een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    niet hoger dan 4 m; en

  • b.

    alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

Artikel 5.24 Zwembad, bubbelbad of vijver (vergunningvrij)

Voor het plaatsen van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of het bouwen van een vijver op het erf bij een woning of woongebouw is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als deze niet van een overkapping is voorzien.

Artikel 5.25 Dakkapel (vergunningvrij)

Voor het plaatsen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    voorzien van een plat dak;

  • b.

    gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

  • c.

    onderzijde minimaal 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

  • d.

    bovenzijde minimaal 0,5 m onder de daknok; en

  • e.

    zijkanten minimaal 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

Artikel 5.26 Bouwwerk veranderen (vergunningvrij)

 

Voor het veranderen van een bouwwerk is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

  • b.

    geen uitbreiding van het bouwvolume; en

  • c.

    geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 5.27 Bijbehorend bouwwerk (vergunningvrij)

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    op de grond staand;

  • b.

    gelegen in achtererfgebied;

  • c.

    op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

  • d.

    niet hoger dan 5 m; 

  • e.

    ingeval van een verblijfsgebied, deze zich alleen op de eerste bouwlaag bevindt; en 

  • f.

    niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

Artikel 5.28 Stacaravans (vergunningvrij)

Voor het bouwen van een stacaravan is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    een oppervlakte van niet meer dan 90 m2;

  • b.

    niet hoger dan 3,5 m; en

  • c.

    een maximum oppervlak van 10 m2 aan bijbehorende bouwwerken.

Artikel 5.29 Silo of ander bouwwerk ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering (vergunningvrij)

Voor het plaatsen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een maximale hoogte van 2 meter, of een silo, ten dienste voor agrarische bedrijfsvoering, is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist.

Artikel 5.30 Ondergrondse buis- en leidingstelsel (vergunningvrij)

Voor de activiteit bouwen van een ondergronds buis- en leidingstelsel, anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°,van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, is geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist.

Afdeling 5.3 BOUWEN - OMGEVINGSVERGUNNINGPLICHT

Paragraaf 5.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.31 Omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, met uitzondering van de bouwactiviteiten als bedoeld in afdeling 5.2.

Artikel 5.32 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand op schaal met daarop aangegeven:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de bluswatervoorziening(en);

    • 5.

      de opstelplaats voor brandweervoertuigen;

    • 6.

      de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

    • 7.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; 

    • 8.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; en

    • 9.

      een noordpijl;

  • e.

    doorsneden en geveltekeningen op schaal, bestaande en nieuwe situatie, waarop de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen zichtbaar is inclusief hoogtemaatvoering; 

  • f.

    plattegrondtekeningen op schaal, bestaande en nieuwe situatie, van alle van toepassing zijnde bouwlagen inclusief hoofdmaatvoering en gebruiksfunctie(s);

  • g.

    parkeerberekening, bestaande en nieuwe situatie, op basis van het parkeerbeleid;

  • h.

    voor zover dat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

  • i.

    als welstand van toepassing is, de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand volgens de criteria in de “Nota uiterlijk van bouwwerken Oosterhout 2025", of de opvolger ervan: 

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • j.

    als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

    • 1.

      de bodemonderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.35, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 2.

      als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.35, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.35, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 3.

      de onderzoeken als bedoeld onder 1 dienen in de geldende versie van xml en in PDF te worden aangeleverd;

  • k.

    als de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk op een voormalige stortplaats, een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 3.113;

  • l.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 5.33 Algemene beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 wordt alleen verleend als: 

  • a.

    de activiteit voldoet aan:

  • b.

    daar waar sprake is van strijd met het gestelde onder a, er reeds een omgevingsvergunning is verleend die deze strijdige activiteiten toestaat.

Artikel 5.34 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk bouwen - uiterlijk van bouwwerken
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie welstand van toepassing wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met een goede omgevingskwaliteit.

  • 2.

    Voor de beoordeling of sprake is van strijd met een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, wordt advies gevraagd aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, die op basis van de criteria in de “Nota uiterlijk van bouwwerken Oosterhout 2025", of de opvolger ervan, of in een beleidsregel op grond van artikel 4.19 Omgevingswet, advies uitbrengt.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het advies als bedoelt in het tweede lid.

Artikel 5.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk bouwen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  • 1.

    Als de bouwactiviteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 alleen verleend als:

    • a.

      de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

    • b.

      bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: het aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen, met dien verstande dat een sanerende of andere beschermende maatregel, in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  • 2.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 4.

    Het zinsdeel "in meer dan 25 m3 bodemvolume" in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 5.36 Voorschrift omgevingsvergunning bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 5.35eerste lid, aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 5.35eerste lid, aanhef en onder b.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie kan het bevoegd gezag, als het van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw, voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.

Artikel 5.37 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk bouwen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

In afwijking van artikel 5.33 kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 die in strijd is met de in die onderdelen bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.38 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk bouwen bij ruimtelijk plan in procedure
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 wordt geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag een ontwerp van een wijziging van het omgevingsplan ter inzage is gelegd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 worden verleend als deze voldoet aan de regels in het omgevingsplan én de regels in het in procedure zijnde wijziging van het omgevingsplan.

  • 3.

    Het eerste lid komt te vervallen op het moment dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 

Paragraaf 5.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken 

Artikel 5.39 Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    het bouwwerk is verkeerskundig en stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • b.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad;

  • c.

    indien gelegen buiten de bebouwde kom geldt aanvullend:

    • 1.

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf; en

    • 2.

      de oppervlakte bedraagt niet meer dan 150 m2

Artikel 5.40 Beoordelingsregels gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening 

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, dat niet voldoet aan de in artikel 2.29 onder p van Besluit bouwen leefomgeving genoemde eisen, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 5 m;

  • b.

    de oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m2;

  • c.

    het bouwwerk is verkeerskundig en stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • d.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.41 Beoordelingsregels bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk (eruit?), wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m; 

  • b.

    de totale oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m2;

  • c.

    het bouwwerk is verkeerskundig en stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • d.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.42 Beoordelingsregels dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    het bouwwerk is verkeerskundig en stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • b.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.43 Beoordelingsregels een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    het bouwwerk is stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • b.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.44 Beoordelingsregels uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    het bouwwerk is verkeerskundig en stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • b.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.45 Beoordelingsregels voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    het bouwwerk is stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • b.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 5.46 Beoordelingsregels antenne-installatie

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.31 voor een antenne-installatie, dat niet voldoet aan de in artikel 2.29 onder m, n of o van Besluit bouwen leefomgeving genoemde eisen, wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    de bouwhoogte wordt niet hoger dan 40 m;

  • b.

    het bouwwerk is stedenbouwkundig aanvaardbaar; en

  • c.

    de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

Hoofdstuk 6 WERKEN EN WERKZAAMHEDEN

Afdeling 6.1 REGELS VOOR ALLE WERKEN EN WERKZAAMHEDEN

Paragraaf 6.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van werken en werkzaamheden voor zover daarover regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn opgenomen en op de werken en werkzaamheden als bedoeld in afdeling 6.8.

Artikel 6.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning werken en werkzaamheden
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Voor zover dat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

  • 3.

    Als de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid op een voormalige stortplaats wordt een een hergebruiksplan zoals bedoeld in artikel 3.113 aangeleverd.

Artikel 6.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden bij ruimtelijk plan in procedure
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden als bedoeld in dit hoofdstuk en in het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag een ontwerp van een wijziging van het omgevingsplan ter inzage is gelegd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning als bedoeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan en als bedoeld in afdeling 6.8 worden verleend als deze voldoet aan de regels in het omgevingsplan én de regels in het in procedure zijnde wijziging van het omgevingsplan.

  • 3.

    Het eerste lid komt te vervallen op het moment dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden of in beroep is vernietigd. 

Afdeling 6.2 BOUWWERK SLOPEN

Artikel 6.4 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het slopen van een gebouw waarvoor een vergunningplicht geldt in tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 6.5 Aanvraagvereiste bouwwerk slopen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 6.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk slopen

Voor zover in het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Afdeling 6.3 WEG OF SPOORWEG ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS AANLEGGEN OF WIJZIGEN

Artikel 6.7 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

  • a.

    aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

  • b.

    het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

Artikel 6.8 Omgevingsvergunning aanleggen weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 52 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder: niet meer dan 1 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde; of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 51 dB: niet meer dan 1 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 6.9 Aandachtsgebied

  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 6.8,eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen de bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten de bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 6.8,eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

Artikel 6.10 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning aanleggen weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.8 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 6.11 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.8 wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning ook verleend als de grenswaarde alleen wordt overschreden op:

    • a.

      een niet-geluidgevoelige gevel; of

    • b.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.

Artikel 6.12 Meet- en rekenbepalingen geluid weg of spoorweg

Bij het bepalen en het beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in deze afdeling gelden de volgende regels:

  • a.

    onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg;

  • b.

    het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:

    • 1.

      voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

    • 2.

      voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling;

  • c.

    voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder wordt:

    • 1.

      de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en

    • 2.

      een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

Artikel 6.13 Voorschriften omgevingsvergunning geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.8 worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in artikel 6.10, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in artikel 6.10, onder c, worden getroffen.

Afdeling 6.4 UITWEG MAKEN OF VERANDEREN

Artikel 6.14 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het maken of veranderen van een uitweg naar de openbare weg in beheer bij de gemeente. 

Artikel 6.15 Omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren: 

    • a.

      een uitweg te maken naar de openbare weg;

    • b.

      van de openbare weg gebruik te maken, voor het hebben van een uitweg; of

    • c.

      verandering aan te brengen aan een bestaande uitweg naar de openbare weg. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor een uitweg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 6.16 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.15 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, parkeerplaatsen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 6.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.15 kan worden geweigerd als al een uitweg op het betreffende perceel aanwezig is. 

  • 2.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.15 kan ook worden geweigerd in het belang van: 

    • a.

      de bruikbaarheid van de openbare weg; 

    • b.

      het veilige en doelmatig gebruik van de openbare weg; 

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; 

    • d.

      de bescherming en behoud van groenvoorzieningen of andere voorzieningen van openbaar nut zoals parkeerplaatsen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen; of

    • e.

      strijd met de overige bepalingen die in dit omgevingsplan van toepassing zijn. 

Afdeling 6.5 WEG BESCHADIGEN OF VERANDEREN

Artikel 6.18 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het beschadigen of veranderen van een weg in beheer bij de gemeente. 

  • 2.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      beschadigen: het graven of spitten aan de weg, de verharding van de weg openbreken en het kapotmaken, misvormen en/of het onbruikbaar maken van de weg;

    • b.

      veranderen: de aard of breedte van de wegverharding veranderen.

Artikel 6.19 Verbod

  • 1.

    Het is verboden de weg te beschadigen of te veranderen. 

  • 2.

    Het verbod in lid 1 geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van de publieke taak.

  • 3.

    Het verbod in lid 1 geldt niet voor het aanleggen, wijzigen, verplaatsen, verwijderen van kabels, buizen en ondergrondse objecten die op grond van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) zijn toegestaan.

Afdeling 6.6 MONUMENTALE BOOM BESCHADIGEN OF KAPPEN

Paragraaf 6.6.1 Boom kappen

Artikel 6.20 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het kappen van bomen die zijn aangewezen als monumentale boom.

Artikel 6.21 Omgevingsvergunning bomen kappen
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie monumentale boom is het verboden om zonder omgevingsvergunning een of meerdere monumentale bomen te kappen. 

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing als:

    • a.

      de burgemeester op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, toestemming verleent voor het kappen van een of meerdere monumentale bomen;

    • b.

      de eigenaar van het naburige erf, op basis van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, heeft gevorderd dat de boom moet worden verwijderd.

     

Artikel 6.22 Aanvraagvereisten bomen kappen
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 voor het kappen van een of meerder monumentale bomen, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere monumentale boom waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2.

    Per genummerde boom worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort boom;

    • b.

      de locatie van de boom op het voor-, zij-, of achtererf;

    • c.

      de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 6.23 Beoordelingsregels bomen kappen
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 kan worden geweigerd op grond van: 

    • a.

      de natuurwaarde van de monumentale boom; 

    • b.

      de landschappelijke waarde van de monumentale boom;

    • c.

      de waarde van de monumentale boom voor stads- en dorpsschoon; 

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de monumentale boom; 

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de monumentale boom; of

    • f.

      de waarde voor de leefbaarheid van de omgeving van de monumentale boom.

Artikel 6.24 Voorschriften bomen kappen
  • 1.

    Het college kan voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 verbinden met betrekking tot de herplantplicht, waaronder de termijn waarbinnen en de wijze waarop dat moet gebeuren. 

  • 2.

    Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze, niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

Artikel 6.25 Procedureregels bomen kappen
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 moet worden aangevraagd door of namens de eigenaar van de betreffende bomen of bomen. 

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 vervalt één jaar na het onherroepelijk worden daarvan, tenzij in de omgevingsvergunning een andere termijn is opgenomen. 

  • 3.

    Van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.21 mag geen gebruik worden gemaakt binnen een termijn van 4 weken na bekendmaking van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 16.79 tweede lid van de Omgevingswet. Indien binnen deze termijn door één of meer belanghebbenden een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is ingediend, mag van de vergunning geen gebruik worden gemaakt totdat op dat verzoek is beslist.

Afdeling 6.7 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN BESCHADIGEN OF VERANDEREN

Artikel 6.26 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op gronden en bijbehorende bouwwerken die zijn aangewezen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Met een gemeentelijk monument als bedoeld in het eerste lid wordt ook een voorbeschermd gemeentelijke monument bedoeld.

Artikel 6.27 Absoluut verbod

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.  

Artikel 6.28 Omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

    • a.

      een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of

    • b.

      een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;

    • b.

      alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

    • c.

      het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:

      • 1.

        plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

      • 2.

        doen van begravingen of asbijzettingen;

      • 3.

        ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

     

Artikel 6.29 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.28 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

 

Artikel 6.30 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: archeologisch monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 6.28 worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

  • 3.

    Tekeningen als bedoeld in lid 1 en 2 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

    • b.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

    • c.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 6.31 Aanvraagvereisten slopen van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij de aanvraag als bedoeld in artikel 6.28 worden, voor zover het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 6.32 Aanvraagvereisten verplaatsen van een gemeentelijk monument

  • 1.

    Bij de aanvraag als bedoeld in artikel 6.28 worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 6.33 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

  • 1.

    Bij de aanvraag als bedoeld in artikel 6.28 worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

  • 3.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 6.29 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 6.34 Aanvraagvereisten tekeningen als bedoeld in de artikelen 10.6 tot en met 10.8

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6.316.32 en 6.33 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 6.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.28 wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg, zijnde:

    • a.

      het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van een (archeologisch monument) monument; 

    • b.

      het voorkomen van verplaatsing van een monument of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van dat monument; 

    • c.

      het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

    • d.

      het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

  • 2.

    Het college vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie voordat wordt beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.28.

Afdeling 6.8 ARCHEOLOGISCHE TERREINEN

Artikel 6.36 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van bodemverstorende activiteiten op gronden die zijn aangewezen als (te verwachten) archeologisch monument met het oog op de bescherming en instandhouding van archeologische (verwachtings)waarde. 

  • 2.

    De volgende activiteiten vallen (in ieder geval) onder bodemverstorende activiteiten:

    • a.

      het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden en vergelijkbare activiteiten;

    • b.

      het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen of het verlagen van de waterpeil; en

    • c.

      het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 6.37 Omgevingsvergunning (te verwachten) archeologisch monument

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning bodemverstorende activiteiten te verrichten ter plaatse van de locatie (te verwachten) archeologisch monument voor zover:

    • a.

      de bodem dieper wordt verstoord dan 40 centimeter onder maaiveld; en

    • b.

      de bodem over een groter oppervlakte wordt verstoord dan de met maximum oppervlakte archeologie aangegeven waarde; of

    • c.

      met heipalen wordt gebouwd en volgens het palenplan de totale verstoring door heipalen meer bedraagt dan 2% van de oppervlakte van het bouwwerk waarvoor de heipalen worden aangebracht, of de afstand tussen de rijen heipalen minder dan 4 meter bedraagt; of

    • d.

      gronden worden opgehoogd, waarbij de bodem als gevolg van het ophogen meer wordt belast dan 0,8 ton/m², tenzij het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn.

  • 2.

    Het verbod onder lid 1 geldt niet voor activiteiten die: 

    • a.

      gericht zijn op onderhoud en/of vervanging van bestaande bestratingen en beplantingen, waarbij niet dieper of breder gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte en breedte en/of wortelpakket;

    • b.

      plaats vinden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen, waarbij niet dieper of breder gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte en breedte;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

    • d.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; 

    • e.

      gericht zijn op archeologisch onderzoek; of

    • f.

      worden verricht op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden, die even diep of dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondst-laag.

Artikel 6.38 Aanvraagvereisten (te verwachten) archeologisch monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 6.37 worden, voor zover het gaat om een (te verwachten) archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het (te verwachten) archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

  • 3.

    Tekeningen als bedoeld in lid 1 en 2 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

    • b.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

    • c.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 6.39 Beoordelingsregels (te verwachten) archeologisch monument

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.37 wordt alleen verleend als op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat: 

    • a.

      er geen archeologische waarden aanwezig zijn;  of

    • b.

      de archeologische waarden door bodemverstorende werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of

    • c.

      door het treffen van maatwerkvoorschriften behoudenswaardige archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. 

  • 2.

    Bij de beoordeling van archeologische rapporten, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA), vastgesteld door burgemeester en wethouders.

Artikel 6.40 Maatwerkvoorschriften (te verwachten) archeologisch monument

Het college kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor behoudenswaardige archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hiervoor is een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan verplicht;

  • b.

    het uitvoeren van een booronderzoek op basis van een door het college goedgekeurd Plan van Aanpak;

  • c.

    de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek of een opgraving, hiervoor is een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, conform de KNA, verplicht; 

  • d.

    de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de KNA, door een daartoe gecertificeerde instantie. Deze vorm van onderzoek kan alleen bij hoge uitzondering, zoals verwoord in de KNA, worden toegepast. Hiervoor is een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, conform de KNA, verplicht.

Hoofdstuk 7 FINANCIËLE BEPALINGEN (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 8 OVERGANGSRECHT

Afdeling 8.1 TIJDELIJK OMGEVINGSPLAN

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijk deel van het omgevingsplan op grond waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.

Artikel 8.2 Omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan

Voor zover voor een activiteit in het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 8.3 Aanvraagvereisten afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het huidige en het beoogde gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop, op schaal, met een noordpijl:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • c.

    zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Afdeling 8.2 OVERGANGSRECHT BOUWWERKEN

Artikel 8.4 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken, zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van toepassing is, mag conform die regeling in stand worden gehouden.

Afdeling 8.3 OVERGANGSRECHT GEBRUIK

Artikel 8.5 Overgangsrecht bestaand gebruik

Gebruik waarop het overgangsrecht voor bestaand gebruik, zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van toepassing is, mag conform die regeling worden gehandhaaft.

Hoofdstuk 9 SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.1 Citeertitel

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Oosterhout. 

Bijlage I Begripsbepalingen

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt.

ambulante detailhandel

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, dan wel het aanbieden van diensten, op een openbare en in de open lucht gelegen locatie (de zogenaamde standplaats), al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

archeologisch(e) rapport(en)

een rapportage(s) waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld en waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek).

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

behoudsmaatregelenplan

document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien.

bestaand gebruik

het gebruik van grond en/of opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan.

bestaande bebouwing

bebouwing, zoals legaal aanwezig of in uitvoering op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, dan wel bebouwing, die mag worden gebouwd krachtens een verleende en in werking getreden vergunning.

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015.

deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

een door burgemeester en wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater.

gecertificeerde instantie

instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet.

gemeentelijk monument

monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997.

kampeermiddel

een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, zoals een tent, tentwagen, kampeerwagen, camper of caravan dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders.

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

maatschappelijke doeleinden

voorzieningen inzake welzijn, openbare dienstverlening, volksgezondheid (medisch en paramedisch), zorginstellingen, cultuur, religie, verenigingsleven, onderwijs, openbare orde en veiligheid, kinderopvang, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen en daarmee gelijk te stellen bedrijven of instellingen, al dan niet met ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel.

openbaar water

wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.

openbare buitenruimte

voor het publiek vrij toegankelijke ruimte, in de open lucht, waaronder begrepen alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen, of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

parkeren

het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

peil
  • voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitende terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Plan van Aanpak (PvA)

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van booronderzoek (verkennende of karterende boringen) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

Programma van Eisen (PvE)

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van gravend onderzoek (proefsleuven, opgraving of archeologische begeleiding) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

rechthebbende

degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

recreatief nachtverblijf

verblijf inclusief overnachting, door personen die hun hoofdwoonverblijf elders hebben, al dan niet door een wisselend publiek, dat ter plaatse met een recreatieve doelstelling plaatsvindt; hieronder wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke, seizoensgebonden of permanente werkzaamheden en/of arbeid of overnachting in afwachting van een nieuwe woning.

recreatiewoning

een gebouw dat dient  voor recreatief dag- en nachtverblijf, niet zijnde een stacaravan.

stacaravan

een bouwwerk voor recreatief dag- en nachtverblijf in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen.

tijdelijk deel van het omgevingsplan

de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

voertuigen

fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams, (aanhang)wagens en opleggers.

voormalige stortplaats

stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd.

warmteprogramma

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

(te verwachten) archeologisch monument

/join/id/regdata/gm0826/2026/4906328fd7064b51abdcd57290dce87c/nld@2026‑03‑31;06583329

bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm0826/2026/5607b3a96f3f44faa839888229662a66/nld@2026‑03‑31;06583329

bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm0826/2026/b1f75e547a1d460ab285aac085e00ee8/nld@2026‑03‑31;06583329

bedrijventerrein

/join/id/regdata/gm0826/2026/f3fa2c699d874a1698a09da93709a6e8/nld@2026‑03‑31;06583329

beschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0826/2026/47de38e08bf44531b8364be1609a2af6/nld@2026‑03‑31;06583329

binnen de bebouwde kom

/join/id/regdata/gm0826/2026/a068aee6c5904c0a92e2bd33766a50de/nld@2026‑03‑31;06583329

binnen de bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0826/2026/0f3454a58b9849f89625a99317c4d539/nld@2026‑03‑31;06583329

bodemfunctieklasse - industrie

/join/id/regdata/gm0826/2026/31ea232359484276981449fa7286c18e/nld@2026‑03‑31;06583329

bodemfunctieklasse - landbouw

/join/id/regdata/gm0826/2026/6e49b56e42aa44428d347ffed9b302d2/nld@2026‑03‑31;06583329

bodemfunctieklasse - natuur

/join/id/regdata/gm0826/2026/c952818f146e4c5da40b63b7443525f2/nld@2026‑03‑31;06583329

bodemfunctieklasse - wonen

/join/id/regdata/gm0826/2026/e619e951a8e447869e2d73e9a7c6a8b8/nld@2026‑03‑31;06583329

buiten de bebouwde kom

/join/id/regdata/gm0826/2026/75cd58e2cc4f449e86cfcbd17ec35d3d/nld@2026‑03‑31;06583329

buiten de bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0826/2026/e55ebd175a104f3faa9cce5d3b3933a9/nld@2026‑03‑31;06583329

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0826/2026/b52714f16eaf45a78e11caeb8effeb89/nld@2026‑03‑31;06583329

luchtvaartverkeerzone – funnel en IHCS

/join/id/regdata/gm0826/2026/d88eaae72acf4bdf8ff1c6ceef75fb67/nld@2026‑03‑31;06583329

luchtvaartverkeerzone – ILS-zone

/join/id/regdata/gm0826/2026/dd95cfe354c141b99146eacb7d83e967/nld@2026‑03‑31;06583329

maximum oppervlakte archeologie

/join/id/regdata/gm0826/2026/955f8f0e1fac4ef497e7551b36b6f77b/nld@2026‑03‑31;06583329

monumentale boom

/join/id/regdata/gm0826/2026/cc48af04923e461282fc2bae63516ae6/nld@2026‑03‑31;06583329

verbod gebruik generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip

/join/id/regdata/gm0826/2026/72f1ff3718db44bea3f2ccbacb89939c/nld@2026‑03‑31;06583329

verbod parkeren (brom)fietsen

/join/id/regdata/gm0826/2026/dd4e961cd1ab496bb6c081d826550d0f/nld@2026‑03‑31;06583329

verbod parkeren van grote voertuigen

/join/id/regdata/gm0826/2026/464e1da377824974a320b7ac9f8bacc9/nld@2026‑03‑31;06583329

voormalige stortplaats

/join/id/regdata/gm0826/2026/607b43e39a8341eb93a16b0ca70fd85c/nld@2026‑03‑31;06583329

vrijwaringszone – radar

/join/id/regdata/gm0826/2026/59f650c45ace467993ace8a9b1a56e7d/nld@2026‑03‑31;06583329

welstand van toepassing

/join/id/regdata/gm0826/2026/1045f0e96f764725a3d3c256ac5a6e33/nld@2026‑03‑31;06583329

Toelichting

Algemene toelichting

1 Algemeen

Het omgevingsplan is het kerninstrument uit de Omgevingswet voor de gemeente voor het stellen van regels over de fysieke leefomgeving. De artikelen 2.4, 4.1 en 4.2 Omgevingswet bieden daarvoor de juridische grondslag.

In het omgevingsplan is vastgelegd welke activiteiten op welke locatie en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan is hierin anders dan het (oude) bestemmingsplan. Het bestemmingsplan beperkte zich tot planologische aspecten met regels over bouwen en gebruik van gronden en bouwwerken. Het omgevingsplan ziet op meer aspecten van de fysieke leefomgeving en bevat daarom ook regels voor andere activiteiten. De integratie van regels, die met de Omgevingswet wordt beoogd, krijgt op gemeentelijk niveau gestalte in het omgevingsplan, met als centraal criterium een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikelsgewijze Toelichting

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in bijlage I.

Artikel 3.1 Algemeen toepassingsbereik

Artikel 22.41 Bruidsschat. Lid 5 komt uit artikel 22.1, tweede lid, Bruidsschat.

In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor heel hoofdstuk 3. Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.

Eerste lid
In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.

Tweede lid
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling. 

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen. 

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd. 

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen. 

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat: 
a) activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt; 
b) activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven. 

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de ’onderkant’ van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan. 

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen. 

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen. 

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd. De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria ’een omvang alsof zij bedrijfsmatig is’, ’binnen een zekere begrenzing’ en ’pleegt te worden verricht’ binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling. 

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht. 

Onderdeel a 
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl. 

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium ‘een omvang alsof zij bedrijfsmatig is’ ook altijd een grijs gebied. 

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal. 

Onderdeel b 
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 5.1 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 3.11). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden. Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn. 

Onderdeel c 
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling. 

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd. Onderdeel d Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan. 

Onderdeel e 
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen. 

Onderdeel f 
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling. 

Onderdeel g 
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling  van dit omgevingsplan. 

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Derde lid
Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.

Vierde lid
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in afdeling 3.9 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.

Artikel 3.1 lid 5

Het tweede lid (van art 22.1, Bruidsschat) bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking ’voor zover’ betekent ’in de mate dat’. Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. 
Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing. Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan: paragraaf 22.3.2 Energiebesparing 5 paragraaf 22.3.3 Zwerfafval paragraaf 22.3.4 Geluid paragraaf 22.3.5 Trillingen paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Artikel 3.2 Specifieke zorgplicht

Artikel 22.44 Bruidsschat

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn. 

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal. 

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen. 

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal. 

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:  de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; 
 de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw; 
 de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit; 
 de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder; 
 de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en 
 de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Vierde lid
Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

Artikel 3.2 lid 3

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. 

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een ‘integrale’ aanpak van duurzame mobiliteit. 

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder. 

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid. 

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit.

Artikel 3.2 lid 4

Toegevoegd aan regeling bruidsschat. Onder het oude recht was aanvaardbare lichthinder ook niet verder uitgewerkt. In de praktijk kan worden aangesloten bij gangbare richtlijnen en inzichten.Bij bedrijven kan het worden uitgewerkt in maatwerkvoorschriften.

Artikel 3.3 Maatwerkvoorschriften

Artikel 22.45 Bruidsschat

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 3.2. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling.

Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken voor deze afdeling en mag daar niet mee in strijd zijn.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.

Artikel 3.4 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Artikel 22.46 Bruidsschat

Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Artikel 3.5 Meet- en rekenbepalingen

In de begripsbepalingen in bijlage 1 bij de Bruidsschat waren verschillende NEN-normen opgenomen die in dit hoofdstuk zijn genoemd. Per 1 oktober 2025 is de Omgevingsregeling gewijzigd. De wijziging heeft ervoor gezorgd dat de verwijzingen in omgevingsplannen naar nationale en internationale NEN-normen worden opgenomen in hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling. Daarmee worden deze meet- en rekenregels naar centraal niveau overgeheveld.

De begripsbepalingen met betrekking tot de NEN-normen zijn geschrapt. Dit artikel is toegevoegd om duidelijk te maken dat de beschrijving van de NEN-normen is opgenomen in hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling.

De wijziging van de Omgevingsregeling is gepubliceerd in de Staatscourant 2025, 32862.

Artikel 3.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Artikel 22.47 Bruidsschat

Het eerste lid regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 3.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Artikel 22.48 Bruidsschat

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over «ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu» en «ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu». Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 3.8 Informeren over een ongewoon voorval

Artikel 22.49 bruidsschat

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.

De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal . Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. In de bruidsschat was vastgelegd dat de regeling ook niet van toepassing is op ongewone voorvallen bij wonen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht. Het deel m.b.t. wonen is niet uit de bruidsschat overgenomen, omdat de regels in hoofdstuk 5 niet van toepassing zijn op het wonen (zie artikel 3.1).

Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

Artikel 22.50

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.

Artikel 3.10 Afval: zwerfafval

Art 22.53 Bruidsschat

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten.

De voorrangsbepaling van artikel 3.1vijfde lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • –.

    als sprake is van geluidhinder;

  • –.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • –.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • –.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • –.

    als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • –.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

Artikel 22.20 Bruidsschat

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • –.

    als sprake is van lawaaihinder;

  • –.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • –.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • –.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • –.

    op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • –.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Artikel 3.13 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 3.14 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Artikel 22.19 Bruidsschat

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.

Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.

In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).

Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.

Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.

Artikel 3.15 Toepassingsbereik

Artikel 22.54 Bruidsschat

Eerste lid
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 3.1 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 3.1tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Artikel 3.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte
Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben. Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.
Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.
In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.
In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften. 

Tweede lid, onderdeel b 
Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten. De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Tweede lid, onderdeel c
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als ‘doof’ werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder ‘niet-geluidgevoelige gevel’ ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde ‘dove gevel’, evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Tweede lid, onderdeel g 
Dit lid is toegevoegd naar aanleiding van artikel 2.3a van de Vangnetbepaling van 1 oktober 2025. Artikel 2.3a corrigeert het in de bruidsschat opgenomen overgangsrecht voor immissies op niet-geluidgevoelige gevels. Hier is sprake van het repareren van een omissie. Het zou onredelijk zijn als bedrijven of wegbeheerders in de knel komen doordat een gevel die bewust is geplaatst op een locatie die niet aan de geluideisen voldoet een beperking zou vormen voor hun activiteiten.

Derde lid, onderdeel a
Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 ‘Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk’ van het Bal.
Derde lid, onderdeel b
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.
Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 3.2, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Vierde lid
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
- elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of
- stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.
Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 3.2 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.16 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Artikel 22.55 Bruidsschat

Eerste lid 
De uitzondering in artikel 3.15tweede lid, onder c, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm ‘aanvaardbaar’ uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw. 

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten. 

Tweede lid 
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw. Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

 

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

 

Activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 5.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 5.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 5.4 zijn niet van toepassing

 

 

 

Artikel 3.19 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Artikel 22.56 Bruidsschat in overeenstemming gebracht met art. 5.58 Bkl.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit. 

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht. 

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog ‘binnen’ de activiteit. 

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder 
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als ‘directe hinder’. Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. 

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als ‘directe hinder’. Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als ‘indirecte hinder’. Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 3.2derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 3.2derde lid. 

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Artikel 3.20 Geluid: waar waarden gelden

Artikel 22.57 Bruidsschat in overeenstemming gebracht met 5.60 Bkl.

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit. 

Onderdeel b 
Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming ‘gevoelige terreinen’ gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt. In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als ‘drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip’. 

In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

Artikel 3.21 Geluid: functionele binding

Artikel 22.58 Bruidsschat is gelijk aan artikel 5.61 Bkl.

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 

Artikel 3.22 Geluid: voormalige functionele binding

Artikel 22.59 Bruidsschat in overeenstemming gebracht met 5.62 Bkl. Sub d komt uit de bruidsschat. (Toeliching nog op aanpassen).

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten. 

Onderdeel a 
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde ‘plattelandswoningen’ die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c). 

Onderdeel b 
Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden. Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft. 

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. 

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder ‘Voormalige bedrijfswoningen’, en paragraaf 8.1.3 onder ‘Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties’, van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 3.23 Geluid: informatieplicht activiteit waarvoor geluidsonderzoek noodzakelijk is

Artikel 22.60 Bruidsschat

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 3.3 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.

De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien.

In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 3.3 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.

Lid 6 en 7: artikel 22.61 Bruidsschat

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 3.4 worden verstrekt.

Artikel 3.24 Geluid: informatieplicht activiteit op gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein met gpp's

Artikel 22.61a

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 3.23 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 3.3 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 3.24 van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

Artikel 3.25 Toepassingsbereik

Artikel 22.62 Bruidsschat in overeenstemming gebracht met artikel 5.63 Bkl. (Toelichting nog op aanpassen).

Eerste lid 
Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan. 

Tweede lid 
Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt. 
Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld. 
Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Artikel 3.27 Geluid: standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

Artikel 22.63 Bruidsschat aangepast aan artikel 5.56 Bkl (toelichting op aanpassen)

Eerste lid 
Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode. 

Tweede lid 
In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen. 

Derde lid 
Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het derde lid van dit artikel overgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen. 

Vierde lid 
Onder het oude recht golden in het Activiteitenbesluit voor de genoemde activiteiten afwijkende regels. Soms geldt de waarde voor de dagperiode ook in een deel van de avondperiode en soms geldt de waarde voor de nachtperiode ook in een deel van de avondperiode, soms geldt de waarde voor de dagperiode ook in een deel van de nachtperiode. Dat gebeurde door een andere tijdsperiode te gebruiken. In het nieuwe recht is het niet mogelijk om de etmaalperiode te wijzigen, wel de waarde daarbinnen.

Voor bestaande situaties wordt het bestaand recht gerespecteerd via het vierde lid.

Voor nieuwe situaties kan een algemene regel worden gesteld of een maatwerkvoorschrift worden vastgesteld op het moment dat daar behoefte aan is (bij een aanvraag omgevingsvergunning of een melding Besluit activiteiten leefomgeving).

Artikel 3.27 lid 4

Dit is een overgangsrechterlijke bepaling. Voor nieuwe situaties geldt de nieuwe standaardregel. In specifieke gevallen kan een maatwerkvoorschrift worden gemaakt.

Artikel 3.28 Geluid: uitzondering standaardwaarde en grenswaarde voor festiviteiten

Artikel 22.73 + artikelen APV zijn erin verwerkt (toelichting opnemen over wat to APV is aangepast)

In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.

Artikel 3.31 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

Artikel 22.72 Bruidsschat

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in artikel 3.27, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.

Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van artikel 3.3 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.

Artikel 3.32 Windturbines en windparken

Artikel 22.76 Bruidsschat tekstueel in overeenstemming gebracht met art. 5.74 Bkl.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 3.3 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.

Artikel 3.34 Registratie gegevens windturbines

Artikel 22.77 Bruidsschat

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.

Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in artikel 3.23

Verwijzingen naar bijlagen van de Omgevingsgregeling klopten niet meer. Deze zijn aangepast.

Artikel 3.35 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.78 Bruidsschat

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

Artikel 3.37 Toepassingsbereik

Gebaseerd op artikel 22.83 Bruidsschat. In overeenstemming gebracht met 5.79 Bkl.

Artikel 3.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Artikel 22.84 Bruidsschat

In artikel 3.37tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Artikel 3.39 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Gebaseerd op artikel 22.85 Bruidsschat. In overeenstemming gebracht met 5.82 Bkl.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 3.1, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.

Artikel 3.40 Trillingen: functionele binding

Artikel 22.86

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.

Artikel 3.41 Trillingen: voormalige functionele binding

Artikel 22.87 Bruidsschat

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw. Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten. 

Onderdeel a 
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde ‘plattelandswoningen’ die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c). 

Onderdeel b 
Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden. 

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft. 

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder ‘Voormalige bedrijfswoningen’, en paragraaf 8.1.3 onder ‘Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties’, van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 3.44 Trillingen: aanvaardbaarheid

Met dit artikel wordt toepassing gegeven aan artikel 5.83 en artikel 5.86 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.45 Toepassingsbereik

Gebaseerd op artikel 22.90 Bruidsschat. In overeenstemming gebracht met 5.90 Bkl.

Eerste lid 
Activiteiten 
Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 3.1, van dit omgevingsplan vallen. 

In dit omgevingsplan wordt het begrip geurgevoelig gebouw gehanteerd zoals bedoeld in het Bkl. In de bruidsschat werd het begrip geurgevoelig object gehanteerd in plaats van geurgevoelig gebouw. 

Geurgevoelig gebouw
Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: 
a.woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
b.onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
c.gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
d.bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Het Bkl biedt de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 

Tweede lid 
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit met uitzondering van artikel 5.92 Bkl. Hierin is vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Ook moet het omgevingsplan erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 3.46 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Artikel 22.91 Bruidsschat

Eerste lid 
In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten. 
Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. 
Dit tot het moment dat bij: 
- het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of
- het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 
beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is. 

Tweede lid 
Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing 

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing 

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing 

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

Artikel 3.47 Geurgevoelige gebouwen

In artikel 5.91 van het Bkl is vastgelegd dat onder een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte ervan met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezonheidsfunctie met bedfunctie of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied worden verstaan. De gemeente kiest ervoor om de onder het eerste lid genoemde functies hieraan toe te voegen.

Ik afwijking van het Bkl kiest de gemeente er ook voor om nevengebruiksfuncties van de genoemde functies niet als geurgevoelig te zien, omdat het vaak gaat om bijgebouwen of functies die onnodige beperkingen opleveren voor omliggende bedrijven.

Artikel 3.48 Geur: waar waarden gelden

Gebaseerd op artikel 22.92 Bruidsschat. Aangepast aan de formulering van artikel 5.93 Bkl.

Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).

Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.

Artikel 3.49 Geur: tot waar afstanden gelden

Artikel 22.92 Bruidsschat. Aangepast aan art. 5.94 Bkl.

Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).

Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.

Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.

Artikel 3.50 Geur: functionele binding

Artikel 22.93 Bruidsschat. Aangepast aan art. 5.95 Bkl.

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.

Artikel 3.51 Geur: voormalige functionele binding

Artikel 22.94 Bruidsschat. Aangepast aan art. 5.96 Bkl.

Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven. 

Onderdeel a 
Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde ‘plattelandswoningen’ die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c). 

Onderdeel b 
Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan. 

Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden. 

Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft. 

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder ‘Voormalige bedrijfswoningen’, en paragraaf 8.1.3 onder ‘Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties’, van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 3.52 Toepassingsbereik

Artikel 22.121 Bruidsschat. In overeenstemming met 5.98 Bkl.

Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal.

De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.

Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van subparagraaf 3.8.2 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.

Artikel 3.54 Geur zuiveringtechnisch werk: grenswaarde

Artikel 22.122 Bruidsschat. In overeenstemming met 5.100 Bkl.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen  wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.

In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 «Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur». Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 3.55 Geur zuiveringtechnisch werk: geen grenswaarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen

Artikel 22.123 Bruidsschat. In overeenstemming met art. 5.103 Bkl.

De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.56 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Artikel 22.124 Bruidsschat.

Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 3.54eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 3.54eerste lid blijft.

Paragraaf 3.8.3 Geur door het houden van landbouwhuisdieren

Indeling paragraaf 
Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’ van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 

De paragraaf stelt regels voor: 
 landbouwhuisdieren met geuremissiefactor; en 
 landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden. 

Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan. 
Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor deze paragraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo’n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet. 

Vergunningplichtige activiteiten 
De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder artikel 5.1 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal. 

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd. 

Voorrang voor geurverordening 
Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.

Artikel 3.57 Toepassingsbereik

Artikel 22.96 Bruidsschat. Aangepast aan 5.105 Bkl.

Eerste lid 
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan. 

Het gaat in deze paragraaf dus om: 
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde: 
 zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en 
 paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. 

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren. 

Tweede lid 
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 3.58 Geur landbouwhuisdieren: vanaf waar afstanden gelden

Artikel 22.97 Bruidsschat. In overeenstemming met art. 22.98 Bkl.

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:

  • a.

    het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

  • b.

    bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In artikel 3.69 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.

Artikel 3.59 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: aanvaardbaarheid

In overeenstemming met art. 5.92 en art. 506 Bkl.

Artikel 3.60 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: standaardwaarde

Artikel 22.98 Bruidsschat. In overeenstemming met art. 5.109 Bkl en aangepast aan gemeentelijk geurbeleid.

Eerste lid 
Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld. 

De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd. 

Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 
a. varkens, kippen, schapen of geiten; of 
b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 
1°. rundvee tot 24 maanden; 
2°. kalkoenen; 
3°. eenden; of 
4°. parelhoenders. 

Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip ‘bebouwde kom’ was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan. 

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 3.61

Tweede Lid 
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.

Artikel 3.61 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

Artikel 22.99 Bruidsschat. In overeenstemming met 5.109 Bkl.

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 3.58. De standaardwaarden uit artikel 3.60 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

  • a.

    Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • b.

    Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.

In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.

Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

Artikel 3.62 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000

Artikel 22.100 Bruidsschat. In overeenstemming gebracht met art. 5.111 Bkl.

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 3.60 en 3.61 voldaan worden.

Artikel 3.63 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning

Artikel 22.100 Bruidsschat. In overeenstemming gebracht met art. 5.111 Bkl.

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 3.60 en 3.61 voldaan worden.

Artikel 3.64 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: aanvaardbaarheid

In overeenstemming met art. 5.92 en art. 506a Bkl.

Artikel 3.65 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot geurgevoelig gebouw

Artikel 22.101 Bruidsschat. In overeenstemming met art. 5.112 Bkl.

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in I bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

Artikel 3.66 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gehouden in een bestaand dierenverblijf: afstand tot geurgevoelig gebouw

Verordening geurhinder en veehouderij Oosterhout 2016

Artikel 3.67 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: afstand tot ruimte-voor ruimtewoning

Dit artikel geeft inulling aan artikel 5.115 Bkl.

Artikel 3.68 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand

Artikel 22.102 Bruidsschat (paarden en pony's niet afzonderlijk benoemd, zie toepassingsbereik).

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 3.60.

In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.

Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.69 Geur landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor: afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw

Artikel 22.103 Bruidsschat. In overeenstemming met art. 5.116 Bkl.

Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 3.60 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikelen 3.65 en 3.68 gelden.

Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.70 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Artikel 22.104 Bruidsschat

In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 3.69. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.

Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.71 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Artikel 22.105 Bruidsschat

In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 3.70, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.

Artikel 3.73 Geur door andere agrarische activiteiten: aanvaardbaarheid

In overeenstemming met artikel 5.118 Bkl.

Artikel 3.74 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Artikel 22.114 Bruidsschat, aangepast aan artikel 5.119 Bkl (toelichting nog aanpassen)
sub f toegevoegd nav gemeentelijk beleid

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 3.8.4 geregeld. Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 3.1.1, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker. 

Eerste lid, onderdeel a 
Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.113. 

Tweede lid, onderdeel a 
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. 

Tweede lid, onderdeel b 
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht. 

Tweede lid, onderdeel c 
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.132 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest. 

Derde lid
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

Artikel 3.75 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

Artikel 22.115 Bruidsschat, aangepast aan artikel 5.121 Bkl.

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 3.8.4 geregeld. 

Eerste lid 
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. 

Tweede lid 
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.76 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

Artikel 22.116 Bruidsschat, aangepast aan artike 5.122 Bkl.

Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 3.1. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.

Artikel 3.77 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

Artikel 22.117 Bruidsschat, aangepast aan art. 5.123 Bkl

Eerste lid 
Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet. Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3 . Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 22.132 van dit omgevingsplan. 

Tweede lid 
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij. 

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.

Artikel 3.78 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

Artikel 22.118 Bruidsschat, aangepast aan art. 5.124 Bkl.

Eerste lid 
Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen. Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 3.1.1. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid. 

Tweede lid 
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal. Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie. 

Derde lid 
Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over: 
- de situering van de voorziening; 
- het gesloten uitvoeren van de voorziening; 
- de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen; 
- de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 3.79 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

Artikel 22.119 Bruidsschat, aangepast aan art. 5.125 Bkl

Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval. 

Eerste lid en tweede lid 
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal. 

Derde lid 
Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 3.80 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

Artikel 22.120 Bruidsschat, aangepast aan art. 5.126 Bkl.

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.74, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • a.

    de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • b.

    het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • c.

    de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Artikel 3.82 Bodem: maatwerkvoorschrift terugsaneren

Paragraaf 13 Nota bodembeheer

Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was in de Circulaire bodemsanering (2013) vastgelegd dat de bodemfunctieklasse (of de vastgestelde Lokale Maximale Waarde) leidend is bij het bepalen van de terugsaneerwaarde in geval van verwijderen, herschikken en/of bewerken (zoals zeven) op de saneringslocatie. Op het gebied van terugsaneerwaarden geldt er in de huidige situatie (situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) binnen de regio Midden- en West-Brabant gebiedsspecifiek beleid.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de saneringsregels opgenomen als algemene regels in het Bal (onder meer artikel 4.1242). Bij de milieubelastende activiteit saneren van de bodem bepaalt in principe de bodemfunctieklasse die hoort bij het gebied waar de saneringslocatie is gelegen de terugsaneerwaarde. Dit komt overeen met het huidige saneringsbeleid voor immobiele verontreinigingen in de Circulaire bodemsanering en de Regeling uniforme saneringen (stelsel Wet bodembescherming). De gemeente heeft ook onder de Omgevingswet de ruimte om (lokaal afwijkende) waarden die voor het toepassen van grond of baggerspecie, ook als terugsaneerwaarden te laten gelden. De deelnemende gemeenten willen na inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestaande beleid voortzetten.

Het gebiedsspecifieke beleid leidt ertoe dat er teruggesaneerd dient te worden tot de gebiedsspecifieke toepassingswaarde, zie ook hoofdstuk 5 in deel 1 van de Nota bodembeheer. Voor gebieden waar geen gebiedsspecifiek beleid voor is opgesteld, is de kwaliteitsklasse die volgt uit de bodemfunctieklassekaart van toepassing als terugsaneerwaarde. Dit is tevens aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen in bijlage 3 van de Nota bodembeheer. Er dient ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de terugsaneerwaarden te worden uitgegaan van de gebiedsspecifieke toepassingswaarden zoals die voor het betreffende gebied vastgesteld zijn.

De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor de milieubelastende activiteit saneren van de bodem met de standaardaanpak verwijderen binnen haar grondgebied of er sprake is van een situatie waarin niet de generieke maar de gebiedsspecifieke toepassingskaart gevolgd dient te worden voor de terugsaneerwaarden. De gemeente houdt zich voor om in deze gevallen een maatwerkvoorschrift op te kunnen leggen. 

Paragraaf 3.9.2 Nazorg na saneren van de bodem

Paragraaf 22.3.7.1 Bruidsschat

Artikelen 5.78 Toepassingsbereik en artikel 5.79 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. 

Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 5.79 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. 

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. 

De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem. 

Tweede lid 
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

Artikel 3.83 Toepassingsbereik

Artikel 22.125 Bruidsschat

Dit artikel regelt dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. 

Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. 

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. 

De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem. 

Artikel 3.84 Bodem: nazorg na afloop van saneren van de bodem

Artikel 22.126 Bruidsschat

Dit artikel regelt dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. 

Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 3.84 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. 

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. 

De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem. 

Tweede lid 
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

Artikel 3.85 Toepassingsbereik

Artikel 22.127 Bruidsschat

In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf. 

Eerste lid 
Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3 . In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen. b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 18.2, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Tweede lid 
De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b. 

Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit. 

Derde lid 
In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.

Artikel 3.86 Bodem: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.128 Bruidsschat

Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht. 

Eerste lid 
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit. 

Tweede lid
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. 

Derde lid
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond. 

Artikel 3.87 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Artikel 22.129 Bruidsschat

Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.

Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.

Lid 2 en 3 zijn toegevoegd.

Artikel 3.88 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Artikel 22.130 Bruidsschat

Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.

Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.

Het woord 'afdeklaag' uit artikel 22.130 is vervangen door 'leeflaag'. In gevallen waarin de deklaag bestaat uit een duurzame,  aaneengesloten afdeklaag – waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, beton, asfalt, asfaltbeton, betonplaten of bestrating met klinkers of tegels – en deze deklaag onmiddellijk na de uitvoering van de werkzaamheden wordt hersteld, is milieukundige begeleiding door een bedrijf dat beschikt over een erkenning conform BRL SIKB 6000 niet vereist. De administratieve en financiële lasten zijn niet proportioneel in verhouding tot de mogelijke risico’s. Bovendien zal in gevallen van onvolkomenheden, zoals het niet herstellen van de deklaag bij ontgravingen van minder dan 25 m³, geen directe risico’s voor de volksgezondheid of milieuhygiëne ontstaan. De deklaag kan op eenvoudige wijze worden hersteld.

Artikel 3.90 lid 2

Toelichting toevoegen.

Artikel 3.94 Bodem: informatieplicht bij actuele risico's

Toegevoegd op verzoek van afdeling bodem.

Artikel 3.95 Toepassingsbereik

Artikel 22.131 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 3.96 Bodem: mitigerende maatregelen

Artikel 22.132 Bruidsschat

Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 3.95, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Artikel 3.96 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

Paragraaf 3.9.7 Activiteiten op of in een voormalige stortplaats

Regeling voormalige stortplaatsen is toegevoegd. Aangesloten bij ‘Notitie voorbeeldregels voormalige stortplaatsen in het omgevingsplan (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 11 september 2023)

Artikel 3.98 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats

Met dit artikel kunnen deze activiteiten worden gereguleerd door middel van een melding aan het college van burgemeester en wethouders. De gemeente kan naar aanleiding van de melding zo nodig maatwerkvoorschriften opleggen, waaraan degene die de activiteit verricht moet voldoen. Gedacht kan worden aan specifieke maatregelen en voorzieningen ter bescherming van de gezondheid van de
deelnemers aan het evenement.
Veelal zullen de betreffende activiteiten geen effecten hebben op de humane risico’s, maar bij bijvoorbeeld mountainbiken kunnen de risico’s op contact met stortmateriaal toenemen als gevolg van het afslijten van de afdeklaag.
De meeste voormalige stortplaatsen zijn onderzocht in het kader van het landelijke onderzoekstraject NAVOS (Nazorg Voormalige Stortplaatsen). Indien het gebruik van de stortlocatie sindsdien niet is gewijzigd, kan vaak volstaan worden met deze onderzoeken. Soms is een aanvullend of actueler onderzoek noodzakelijk.

Artikel 3.100 Graven of doorboren

Deze paragraaf gaat alleen over het gebruiken van de locatie van de voormalige stortplaats. Als het (ook) de bedoeling is dat grond, de afdeklaag of het stortmateriaal worden afgegraven of doorboord dan gelden daarvoor de regels van paragraaf 5.3.2 of 5.3.3. Daar zal dus een afzonderlijke melding voor moeten worden gedaan en er zal aan de regels van die paragraaf moeten worden voldaan. Dat geldt dus bijvoorbeeld ook voor de situatie dat voor een evenement gaten worden gegraven of palen of vlaggenmasten worden geplaatst in de bodem.

Artikel 3.101 Toepassingsbereik

De activiteiten waaraan kan worden gedacht zijn het aanleggen van kabels en leidingen, het plaatsen van palen of vlaggenmasten etc. Het gemeenschappelijke van deze activiteiten is dat er in de bodem, de afdeklaag of het stortmateriaal wordt getreden.
Er kan sprake zijn van overlap met andere activiteiten die al elders in het omgevingsplan zijn geregeld. Te denken valt aan regels over het aanleggen van kabels en leidingen. De regels in deze paragraaf gelden als aanvulling op die andere regels.

Artikel 3.102 Bodem: meldingsplicht gebruiken voormalige stortplaats

Met dit artikel kunnen deze activiteiten worden gereguleerd door middel van een melding aan het college van burgemeester en wethouders. De gemeente kan naar aanleiding van de melding zo nodig maatwerkvoorschriften opleggen, waaraan degene die de activiteit verricht moet voldoen. Gedacht kan worden aan specifieke maatregelen en voorzieningen ter bescherming van de gezondheid van de
deelnemers aan het evenement.
Veelal zullen de betreffende activiteiten geen effecten hebben op de humane risico’s, maar bij bijvoorbeeld mountainbiken kunnen de risico’s op contact met stortmateriaal toenemen als gevolg van het afslijten van de afdeklaag.
De meeste voormalige stortplaatsen zijn onderzocht in het kader van het landelijke onderzoekstraject NAVOS (Nazorg Voormalige Stortplaatsen). Indien het gebruik van de stortlocatie sindsdien niet is gewijzigd, kan vaak volstaan worden met deze onderzoeken. Soms is een aanvullend of actueler onderzoek noodzakelijk.

Artikel 3.125 Bodem: meldingsplicht (maatwerkregel aanvullend op artikel 4.1266 Bal)

Beleidsregel 9.2 Nota bodembeheer.

Lid 1 sub 2: binnen gemeentegrenzen zijn geen locaties aangewezen als toepassingskwaliteit industrie. Binnen de regio kan dit wel.

Artikel 3.126 Toepassingsbereik

Deze regel komt uit hoofdstuk 11 van de Nota bodembeheer en toepassen van staalslakken is aan deze regels toegevoegd.

Artikel 3.127 Bodem: meldingsplicht

De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding van het toepassen van thermisch gereinigde grond binnen haar grondgebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de OMWB. De OMWB zal de toepasser vragen om de uitwerking van de voorgenomen toepassing vast te leggen in een plan van aanpak dat voor goedkeuring moet worden voorgelegd. Daarbij zal er afstemming tussen toepasser en de OMWB en tussen OMWB en gemeente plaatsvinden. Dat zal dan met name gaan om nadere uitwerking van de zorgplicht-aspecten, vastlegging van het eigenaarschap in de beheerfase, borging van de drooglegging (zetting). Het plan van aanpak met een advies van de OMWB zal worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft daarbij altijd de mogelijkheid om een toepassing te weigeren;
2. de toepassing vindt plaats in een grootschalige bodemtoepassing (minimaal 5000 m3);
3. de toepassing voldoet aan de zorgplicht. Voor deze beoordeling worden de richtlijnen gevolgd die zijn genoemd in het document ‘Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader’ RIVM-briefrapport 2021-016810.

Artikel 3.128 Toepassingsbereik

Nota Bodembeheer beleidsregel 10.2

Artikel 3.130 Toepassingsbereik

Artikel 22.137 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

Artikel 3.131 Lozen van grondwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.138 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.

Artikel 3.132 Lozen van grondwater: bij saneringen

Artikel 22.139 Bruidsschat

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

Artikel 3.133 Lozen van grondwater: bij ontwatering

Artikel 22.140 Bruidsschat

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 3.134 Lozen van grondwater: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.141 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 3.135 Toepassingsbereik

Artikel 22.142 Bruidsschat

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

Artikel 3.136 Lozen van afvloeiend hemelwater: informatieplicht

Artikel 22.143 Bruidsschat

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

Artikel 3.137 Lozen van afvloeiend hemelwater

Artikel 22.144 Bruidsschat

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 3.138 Toepassingsbereik

Artikel 22.145 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 3.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.146 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.136 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

De Inwonerequivalent (i.e.) is in Nederland een eenheid van vervuiling. Het is de gemiddelde hoeveelheid vervuiling in het afvalwater, die een persoon in huis veroorzaakt en is gebaseerd op de gemiddelde vervuiling door zuurstofbindende stoffen die een persoon per dag produceert. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt voor het begrip verwezen naar artikel 2 van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater. In deze richtlijn is vastgelegd dat "1 inwonerequivalent" of "(1 i.e.)": de biologisch afbreekbare organische vracht per dag met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag is.

Artikel 3.140 Lozen van huishoudelijk afvalwater: geen voedselvermaling

Artikel 22.147 Bruidsschat

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

Artikel 3.141 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 22.148 Bruidsschat

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

De Inwonerequivalent (i.e.) is in Nederland een eenheid van vervuiling. Het is de gemiddelde hoeveelheid vervuiling in het afvalwater, die een persoon in huis veroorzaakt en is gebaseerd op de gemiddelde vervuiling door zuurstofbindende stoffen die een persoon per dag produceert. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt voor het begrip verwezen naar artikel 2 van de Richtlijn Stedelijk Afvalwater. In deze richtlijn is vastgelegd dat "1 inwonerequivalent" of "(1 i.e.)": de biologisch afbreekbare organische vracht per dag met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag is.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

Artikel 3.142 Lozen van huishoudelijk afvalwater: zuiveringsvoorziening

Artikel 22.149 Bruidsschat

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 3.143 Lozen van huishoudelijk afvalwater: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.150 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

Artikel 3.144 Toepassingsbereik

Artikel 22.151 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

Artikel 3.145 Lozen van koelwater: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.152 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.146 Lozen van koelwater

Artikel 22.153 Bruidsschat

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:

De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij

L = lozingsdebiet (m3/s).

∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.

W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

Artikel 3.147 Toepassingsbereik

Artikel 22.154 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

Artikel 3.148 Periodiek reinigen

Artikel 22.155 Bruidsschat

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

Artikel 3.149 Toepassingsbereik

Artikel 22.156 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

Artikel 3.150 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen: inerte goederen

Artikel 22.157 Bruidsschat

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

Artikel 3.151 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.158 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.152 Lozen bij opslaan van inerte goederen

Artikel 22.159 Bruidsschat

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

Artikel 3.153 Lozen bij opslaan van inerte goederen: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.160 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.154 Lozen bij opslaan van inerte goederen: uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Artikel 22.161 Bruidsschat

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

In de waterschapsverordening is in artikel 2.177 een uitzondering van de voorgeschreven lozingsroute opgenomen voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan

Artikel 3.155 Toepassingsbereik

Artikel 22.162 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

Artikel 3.156 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Artikel 22.163 Bruidsschat

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.

De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 3.157 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Artikel 22.164 Bruidsschat

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.156.

Artikel 3.158 Toepassingsbereik

Artikel 22.165 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

Artikel 3.159 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

tweedertikel 22.166 Bruidsschat

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Artikel 3.160 Toepassingsbereik

Artikel 22.167 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

Artikel 3.161 Lozen bij calamiteitenoefeningen: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.168 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.162 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 22.169 Bruidsschat

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.

Artikel 3.163 Toepassingsbereik

Artikel 22.170 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 3.164 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.171 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.165 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 22.172 Bruidsschat

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

Artikel 3.166 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

Artikel 22.173 Bruidsschat

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 3.167 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

Artikel 22.174 Bruidsschat

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 3.168 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Artikel 22.175 Bruidsschat

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

Artikel 3.169 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.176 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.170 Toepassingsbereik

Artikel 22.177 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 3.171 Lozen bij maken van betonmortel: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.178 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.172 Lozen bij maken van betonmortel: water

Artikel 22.179 Bruidsschat

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 3.173 Lozen bij maken van betonmortel: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.180 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.174 Toepassingsbereik

Artikel 22.268, tweede lid, Bruidsschat

De vergunningplicht in deze paragraaf geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 3.175 Lozen in de bodem: vangnetvergunning

Artikel 22.268, eerste lid, Bruidsschat

In afdeling 3.10 en 3.11 zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Artikel 3.176 Lozen in de bodem: aanvraagvereisten vangnetvergunning

Artikel 22.268, derde lid, Bruidsschat

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.

Artikel 3.177 Lozen in de bodem: beoordelingsregels vangnetvergunning

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.178 Toepassingsbereik

Artikel 22.269, tweede lid, Bruidsschat

De vergunningplicht in deze paragraaf geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 3.179 Lozen in schoonwaterriool: vangnetvergunning

Artikel 22.269, eerste lid, Bruidsschat

In afdeling 3.10 en 3.11 zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Artikel 3.180 Lozen in schoonwaterriool: aanvraagvereisten vangnetvergunning

Artikel 22.269, derde lid, Bruidsschat

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Artikel 3.182 Toepassingsbereik

Artikel 22.181 Bruidsschat

MoM van toepassing: 

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 3.183 Uitwassen van beton: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.182 Bruidsschat

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 3.184 Uitwassen van beton: water

Artikel 22.183 Bruidsschat

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 3.185 Uitwassen van beton: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.184 Bruidsschat

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.186 Toepassingsbereik

Artikel 22.185 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Artikel 3.187 Recreatieve visvijvers: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.186 Bruidsschat

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • a.

    de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • b.

    de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • c.

    wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 3.7 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 3.4 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 3.6 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

Artikel 3.188 Recreatieve visvijvers: lozingsroute water

Artikel 22.187 Bruidsschat

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

Artikel 3.189 Toepassingsbereik

Artikel 22.188 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.

Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 3.190 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.189 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.191 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: water

Artikel 22.190 Bruidsschat

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

Artikel 3.192 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.191 Bruidsschat

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.193 Toepassingsbereik

Artikel 22.192 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

Artikel 3.194 Wassen van motorvoertuigen: bodem

Artikel 22.193 Bruidsschat

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 3.195tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 3.195 Wassen van motorvoertuigen: water

Artikel 22.194 Bruidsschat

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 3.196 Wassen van motorvoertuigen: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.195 Bruidsschat

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.197 Toepassingsbereik

Artikel 22.196 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

Artikel 3.198 Niet-industriële voedselbereiding: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.197 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.199 Niet-industriële voedselbereiding: water

Artikel 22.198 Bruidsschat

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

Artikel 3.200 Niet-industriële voedselbereiding: geur

Artikel 22.199 Bruidsschat

Eerste lid
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 3.3 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd. 

Tweede lid 
Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool. 

Derde lid, onderdeel a 
Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende. 

Vierde lid 
Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 3.201 Toepassingsbereik

Artikel 22.200 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Artikel 3.202 Voedingsmiddelenindustrie: geur bij beginnen of uitbreiden activiteit

Artikel 22.201 Bruidsschat

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.3 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

Artikel 3.203 Toepassingsbereik

Artikel 22.202 Bruidsschat

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 3.203eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 3.204 Slachten van dieren: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.203 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.205 Slachten van dieren: water lozingsroute en zuivering

Artikel 22.204 Bruidsschat

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Artikel 3.206 Slachten van dieren: voorkomen of beperken geurhinder

Artikel 22.205 Bruidsschat

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 3.2 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 3.207 Slachten van dieren: bodembeschermende voorziening

Artikel 22.206 Bruidsschat

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 3.208 Slachten van dieren: logboek bodembeschermende voorziening

Artikel 22.207 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.203eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.209 Slachten van dieren: informatieplicht na het beëindigen van de activiteit en eindonderzoek bodem

Artikel 22.210 Bruidsschat

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.210 Slachten van dieren: herstel van de bodemkwaliteit

Artikel 22.211 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal. 

Eerste lid 
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot: – De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd. – De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart. – De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 3.2 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar. 

Tweede lid 
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 3.211 Slachten van dieren: informatieplicht herstelwerkzaamheden

Artikel 22.212 Bruidsschat

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 3.212 Slachten van dieren: gemorste en gelekte stoffen in afvalwater

Artikel 22.213 Bruidsschat

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Artikel 3.213 Toepassingsbereik

Artikel 22.214 Bruidsschat

Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. In artikel 5.89b van het besluit kwaliteit leefomgeving is een begrip voor slagschaduwgevoelig gebouw opgenomen.

Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.

Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark met 3 of meer windturbines valt niet onder deze paragraaf.

Artikel 3.214 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Artikel 22.215 Bruidsschat

Eerste lid 
In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij: 
- het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of 
- het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is. 

Tweede lid 
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

Artikel 3.215 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: stilstandvoorziening voorvoorkomen of beperken van slagschaduw

Artikel 22.216 Bruidsschat

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 3.215 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 3.216 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: slagschaduw en functionele binding

Artikel 22.217 Bruidsschat

Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.

Artikel 3.217 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: slagschaduw en voormalige functionele binding

Artikel 22.218 Bruidsschat

Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw. Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines. 

Onderdeel a 
Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde ‘plattelandswoningen’ die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c). 

Onderdeel b 
Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan. 

In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan. 

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft. 

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder ‘Voormalige bedrijfswoningen’, en 8.1.3, onder ‘Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties’, van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 3.218 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: beperken van reflectie voor voorkomen of beperken lichtschittering

Artikel 22.219 Bruidsschat

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 3.218 of artikel 3.219 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 3.219 Opwekken van elektriciteit met een windturbine: meten reflectiewaarden lichtschittering

Artikel 22.220 Bruidsschat

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 3.218 of artikel 3.219 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 3.220 Toepassingsbereik

Artikel 22.221 Bruidsschat

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 3.221 In werking hebben van een acculader: bodembeschermende voorziening

Artikel 22.222 Bruidsschat

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 3.222 In werking hebben van een acculader: logboek bodembeschermende voorziening

Artikel 22.223 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.223 Toepassingsbereik

Artikel 22.224 Bruidsschat

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

Artikel 3.224 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.225 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

Artikel 3.225 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage: afvoeren emissies lucht en geur

Artikel 22.226 Bruidsschat

Eerste lid 
De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid. 

Tweede lid
Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 3.226 Toepassingsbereik

Artikel 22.227 Bruidsschat

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.
Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.
Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

Artikel 3.227 Traditioneel schieten: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Art 22.228 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

Artikel 3.228 Traditioneel schieten: bodem en veiligheid

Artikel 22.229 Bruidsschat

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico’s van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 3.229 Traditioneel schieten: bodembeschermende voorziening

Artikel 22.230 Bruidsschat

Eerste lid 
Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is. 

Tweede lid 
De kogelvanger, bedoeld in artikel 3.228, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen). Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. 
Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

Artikel 3.230 Traditioneel schieten: logboek bodembeschermende voorziening

Artikel 22.231 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.231 Traditioneel schieten: informatieplicht bij het beëindigen van de activiteit en eindonderzoek bodem

Artikel 22.234 Bruidsschat

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal.
De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.232 Traditioneel schieten: herstel van de bodemkwaliteit

Artikel 22.235 Bruidsschat

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal. 

Eerste lid 
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. 
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot: 
 de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd; 
 de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of 
 de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit. 

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 3.2 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar. 

Tweede lid 
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 3.233 Traditioneel schieten: informatieplicht herstelwerkzaamheden

Artikel 22.236 Bruidsschat

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 3.234 Toepassingsbereik

Artikel 22.237 Bruidsschat

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 3.235 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.238 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.236 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht: licht

Artikel 22.239 Bruidsschat

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

Artikel 3.237 Toepassingsbereik

Artikel 22.240 Bruidsschat

Eerste lid 
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 3.288 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest. 

Tweede lid, onderdeel a 
Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht. 

Tweede lid, onderdeel b 
Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 3.238 Opslaan van vaste mest: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.241 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.239 Opslaan van vaste mest: maatregelen opslag ten aanzien van verontreiniging van de bodem

Artikel 22.242 Bruidsschat

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 3.240 Opslaan van vaste mest: logboek bodembeschermende voorziening

Artikel 22.243 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.241 Opslaan van vaste mest: lozingsroute afvalwater

Artikel 22.244 Bruidsschat

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

Artikel 3.242 Opslaan van vaste mest: geur

Artikel 22.245 Bruidsschat

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 3.74 en verder.

Artikel 3.243 Toepassingsbereik

Artikel 22.246 Bruidsschat

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 3.76 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

Artikel 3.244 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Art 22.247 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.245 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: bodembeschermende voorziening

Artikel 22.248 Bruidsschat

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

Artikel 3.246 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: logboek bodembeschermende voorziening

Artikel 22.249 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.247 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Artikel 22.250 Bruidsschat

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Artikel 3.248 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Artikel 22.251 Bruidsschat

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 3.247.

Artikel 3.249 Toepassingsbereik

Artikel 22.252 Bruidsschat

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.

Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit paragraaf 3.8.3 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden).

Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.

Artikel 3.250 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: informatieplicht voor het begin van de activiteit

Artikel 22.253 Bruidsschat

Zie de toelichting bij artikel 3.187 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 3.251 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: bodembeschermende voorziening

Artikel 22.254 Bruidsschat

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.

Artikel 3.252 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: logboek

Artikel 22.255 Bruidsschat

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 3.9, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 3.253 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: lozingsroute en emissiegrenswaarde

Artikel 22.256 Bruidsschat

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden.

Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.

Artikel 3.254 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: meet- en rekenbepalingen

Artikel 22.257 Bruidsschat

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 3.255 Toepassingsbereik

Artikel  22.258 en 22.259 Bruidsschat

De vergunningplicht in deze paragraaf geldt niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen al vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.

Artikel 3.256 Verwerken polyesterhars: omgevingsvergunning

Artikel 22.259 Bruidsschat

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het "loslaten" uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Artikel 3.257 Verwerken polyesterhars: aanvraagvereisten

Artikel 22.259 Bruidsschat

Tweede lid 
De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.258 Verwerken polyesterhars: beoordelingsregels

Artikel 22.259, derde lid, en artikel 22.270 Bruidsschat

Paragraaf 3.11.17 Installeren gesloten bodemenergiesysteem

MoM van toepassing

Artikel 3.259 Toepassingsbereik

Artikel  22.258 en 22.260 Bruidsschat

De vergunningplicht in deze paragraaf geldt niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen al vergunningplichtig.

Artikel 3.260 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: omgevingsvergunning

Artikel 22.260 Bruidsschat

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen. In Oosterhout is geen sprake van aangewezen interferentiegebieden zoals bedoeld in artikel 22.260, eerste lid, onder a. Deze regeling is niet overgenomen.

Artikel 3.261 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: aanvraagvereisten

Artikel 22.260, tweede lid, Bruidsschat

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.262 Installeren gesloten bodemenergiesysteem: beoordelingsregels

Artikel 22.260, derde lid, en artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.263 Toepassingsbereik

In het Bal zijn geen regels opgenomen voor het kweken van maden vanvliegende insecten. 

Artikel 3.264 Kweken maden van vliegende insecten: omgevingsvergunning

Artikel 22.261, eerste lid, Bruidsschat

Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

Artikel 3.265 Kweken maden van vliegende insecten: aanvraagvereisten

Artikel 22.261, tweede lid, Bruidsschat

Artikel 3.266 Kweken maden van vliegende insecten: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.267 Toepassingsbereik

Artikel 22.260 en 22.262 Bruidsschat

De vergunningplicht in deze paragraaf geldt niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen al vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3

Artikel 3.268 Opslaan propaan of propeen: omgevingsvergunning

Artikel 22.262, eerste lid, Bruidsschat
Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk. 

Artikel 3.269 Opslaan propaan of propeen: aanvraagvereisten

Artikel 22.262, tweede lid, Bruidsschat
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.270 Opslaan propaan of propeen: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.272 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Artikel 22.263, eerste lid, Bruidsschat

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.273 Tanken met LPG: aanvraagvereisten

Artikel 22.263, tweede lid, Bruidsschat

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.274 Tanken met LPG: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.275 Toepassingsbereik

Artikel 22.264 Bruidsschat

Er zijn geen regels in het Bal opgenomen over deze activiteit.

Artikel 3.276 Antihagelkanonnen: omgevingsvergunning

Artikel 22.264 Bruidsschat

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

Artikel 3.277 Antihagelkanonnen: aanvraagvereisten

Artikel 22.264 Bruidsschat

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

Artikel 3.278 Antihagelkanonnen: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.279 Toepassingsbereik

Artikel 22.265 Bruidsschat

Artikel 3.280 Biologische agens: omgevingsvergunning

Artikel 22.265, eerste lid, Bruidsschat

Eerste lid 
Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262). 

Tweede lid 
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.281 Biologische agens: aanvraagvereisten

Artikel 22.265, tweede lid, Bruidsschat
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.282 Biologische agens: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.283 Toepassingsbereik

Artikel 22.258 en 22.266, tweede lid, Bruidsschat

Deze paragraaf is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal. 

Artikel 3.284 Genetisch gemodificeerde organismen: omgevingsvergunning

Artikel 22.266, eerste lid, Bruidsschat

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal. 

Artikel 3.285 Genetisch gemodificeerde organismen: aanvraagvereisten

Artikel 22.266, derde lid, Bruidsschat
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.286 Genetisch gemodificeerde organismen: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.287 Toepassingsbereik

Artikel 22.258 en 22.267 Bruidsschat

Artikel 3.288 Dierlijke meststoffen opslaan: omgevingsvergunning

Artikel 22.267, eerste lid, Bruidsschat

De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3 . Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. 

Artikel 3.289 Dierlijke meststoffen opslaan: aanvraagvereisten

Artikel 22.267, tweede lid, Bruidsschat

Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 3.290 Dierlijke meststoffen opslaan: beoordelingsregels

Artikel 22.270 Bruidsschat

Artikel 3.291 Toepassingsbereik

APV 4:21en 4:22

Artikel 3.292 Generator, hoofdmotor of hulpmotor door aangemeerd schip gebruiken: omgevingsvergunning

APV 4:21 en 4:22

Bedoeld voor beperking overlast nabij woningen daar waar een schip kan aanmeren, omdat daar voorzieningen voor zijn.

Paragraaf 3.11.26 Vuur stoken

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, uitgezonderd

  • a.

    het verbranden van kerstbomen;

  • b.

    het houden van kampvuren door de plaatselijke scouting;

  • c.

    het houden van oefeningen door de brandweer;

  • d.

    verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

  • e.

    sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

  • f.

    vuur voor koken, bakken en braden.

mits dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

Artikel 3.297 Vuur stoken: verbod

Artikel 5:34 APV

Artikel 4.3 Omgevingsvergunning bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht: beoordelingsregel

In artikel 22.32 Bruidsschat was een regeling opgenomen waarin, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel xxx, de mogelijkheid werd gegeven om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Zie voor een uitgebreide toelichting de toelichting op artikel xx

Er is voor gekozen om ook de wijziging in gebruik dat mogelijk was op basis van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht op te nemen als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 4.4 Omgevingsvergunning gebruik bij ruimtelijk plan in procedure: beoordelingsregels

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 5.33 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 7.36 genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

Artikel 4.6 Omgevingsvergunning voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

Artikel 2:10 APV

Kabelgoot is toegevoegd om te voldoen aan de huidige uitvoeringspraktijk en de beleidsregels t.a.v. laadpalen.


Zowel de VNG als de stuurgroep van het project Administratieve Lastenverlichting hebben voorgesteld de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Dit voorstel was overgenomen, maar in de praktijk werden geen algemene regels opgesteld en wordt van geval tot geval bekeken of het plaatsen van een object in de openbare ruimte acceptabel is en of er bijzondere voorschriften moeten worden gesteld. Ook moet er steeds een beoordeling plaatsvinden of precariorechten moeten worden betaald. Dit is het geval voor zover bij het gebruik van openbare grond, beslag wordt gelegd op een openbare parkeerplaats of wanneer het gaat om het inrichten van een bouwplaats of een terras. Daarom moet altijd een ontheffing worden aangevraagd.

In delen van de stad waar woningen of winkels geen voortuin hebben, kan de aanleg van zogenaamde groene geveltuintjes een bijdrage leveren aan duurzaamheid, klimaatadaptatie en de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte. Om dit mogelijk te maken is artikel 2.10 lid 5, sub c opgenomen en worden door het college nadere regels opgesteld.

In december 2016 is de verwijzing naar de Welstand geschrapt.

Artikel 4.7 Aanvraagvereisten voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

Artikel 2:10 APV + toevoeging op basis van inbreng vergunningverlening (sub b. en d.)

Artikel 4.8 Beoordelingsregels voorwerp in de openbare buitenruimte plaatsen

Artikel 2.10 APV

Artikel 4.10 Verbod hinderlijke of gevaarlijke beplanting en voorwerpen op of nabij wegen 

Artikel 2:15 APV

Artikel 4.12 Verbod (brom-)fietsen parkeren

Artikel 5:12 APV  + Aanwijzingsbesluit stallingsverbod fietsen en bromfietsen omgeving busstation Leijsenhoek, d.d. 25‑9‑2019 (tevens beleidsregeling tav uitvoering verbod)

 

  • a.

    Het is verboden om (brom-)fietsen op de weg te parkeren op zodanige wijze dat daardoor schade, gevaar of overlast ontstaat voor het gebruik van de weg, openbare gezondheid en/of de toegankelijkheid.

  • b.

    Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, aangewezen plaatsen (brom-)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaatsen op de weg te parkeren.

Artikel 4.13 Verbod kampeermiddelen, aanhangers e.d. op de openbare weg plaatsen

Artikel 5:6 APV

Artikel 4.14 Verbod voertuigwrakken parkeren

Artikel 5:5 APV

Artikel 4.15 Verbod voertuigen bedrijfsmatig parkeren

Artikel 5:2 APV

Artikel 4.16 Verbod uitzicht belemmerende voertuigen parkeren

Artikel 5:9 APV

Artikel 4.17 Verbod aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Artikel 5:11 APV

Artikel 4.18 Omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

Artikel 5:8 APV en aanwijzingsbesluit 

Artikel 4.19 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

Beleidsregels ontheffing van het verbod op het parkeren van grote voertuigen

Artikel 4.20 Beoordelingsregels omgevingsvergunning parkeren van grote voertuigen

Beleidsregels ontheffing van de verboden op het parkeren van grote voertuigen (artikel 1 en 2) 

Artikel 4.22 Omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden

Artikel 5:18 APV

Artikel 4.24 Beoordelingsregels omgevingsvergunning standplaats ambulante detailhandel en maatschappelijke doeleinden

Artikel 5:18 APV

Artikel 4.30 Aangewezen collectieve festiviteiten

Artikel 4:2 APV

Artikel 4.31 Meldingsplicht niet aangewezen, individuele festiviteiten

Artikel 4:3 APV

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten melding niet aangewezen, individuele festiviteiten

Artikel 4:4 

Artikel 4.34 Verbod overbewoning woonruimte

Artikel 22.16 Bruidsschat

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.

Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.

Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo’n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).

Artikel 5.2 Maatwerkvoorschriften

Artikel 22.4 Bruidsschat

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 5.10 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 5.2 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

Artikel 5.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Artikel 22.5 Bruidsschat

In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.

Artikel 5.4 Meetbepalingen (gereserveerd)

Artikel 22.24 Bruidsschat

In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.

Artikel 5.5 Verbod welstandsexces

Artikel 22.7 Bruidsschat + aangepast aan welstandsregeling Oosterhout.

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 5.2 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 5.5 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken, waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is, aan de daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 5.33.

Artikel 5.6 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Artikel 22.8 Bruidsschat
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».

De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.

Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Artikel 5.7 Aansluiting op distributienet voor gas

Artikel 22.9 Bruidsschat
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.

Artikel 5.8 Aansluiting op distributienet voor warmte

Artikel 22.0 Bruidsschat

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht.

Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 5.8,eerste lid, is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.

Artikel 5.9 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Artikel 22.11 Bruidsschat

Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.

Artikel 5.10 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

Artikel 22.12 Bruidsschat

In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 5.2. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 5.2 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.

Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

Artikel 5.11 Bluswatervoorziening

Artikel 22.13 Bruidsschat

Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.

Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld.

De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.

Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of andere objecten.

Artikel 5.12 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Artikel 22.14 Bruidsschat

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.

Artikel 5.13 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Artikel 22.15 Bruidsschat

Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.

Artikel 5.17 Toepassingsbereik

In deze afdeling zijn regels opgenomen voor vergunningvrije bouwwerken. De vergunningplicht voor bouwwerken in artikel 5.31 is niet van toepassing op deze afdeling. Voorwaarde voor het vergunningvrij bouwen van bouwwerken is dat de bouwwerken ook passen binnen de andere regels in de omgevingsplan voor bouwen en gebruiken en binnen de regels voor bouwen en gebruiken in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de oude bestemmingsplannen).

De regels voor de vergunningvrije bouwwerken komen voort uit artikel 22.27 en 22.36 van de Bruidsschat. Met de bouwwerken uit artikel 22.27 Bruidsschat wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken  alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. In artikel 22.36 van de Bruidsschat was geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. In afwijking van de Bruidsschat is geregeld dat als het bouwwerk in strijd is met de andere regels uit dit omgevingsplan, toch een vergunning moet worden aangevraagd. Op deze wijze is gezorgd voor een eenduidige regeling die in overeenstemming is met de regels uit de bestemmingsplannen voor bouwen en waarbij een bouwwerk dat aan de regels voldoet vergunningvrij kan worden gerealiseerd.

In paragraaf 2.3.3 van het Besluit bouwen leefomgeving (Bbl) zijn ook regels opgenomen voor vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken. Deze regels gaan voor op de regels in dit omgevingsplan: i.a.w. wordt er voldaan aan de regels in paragraaf 2.3.3 uit het Bbl, dan is er geen toetsing omgevingsvergunning nodig. Ook niet als de bouwactiviteit in strijd is met dit omgevingsplan.

Artikel 5.18 lid 1

Art. 22.28 lid 1 + 22.38 lid 1 BS

Artikel 5.18 lid 2

Art. 22.28 lid 2 BS

Artikel 5.18 lid 3

Art. 22.28 lid 2 + 22.38 lid 2 BS

Artikel 5.19 lid 1

Art. 22.23 lid 1 BS

Artikel 5.19 lid 4

Art. 22.23 lid 2 BS omgebouwd naar beleid gemeente

Artikel 5.20 Beperkingen omgevingsvergunningvrije bouwactiviteiten vanwege omgevingsveiligheid

Voormalig artikel 22.39 Bruidsschat.

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 5.27 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel 5.27 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 5.20, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 5.20, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 5.27, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 5.20, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in artikel 5.20, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 5.20, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 5.20, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 5.20, onder c, buiten beschouwing te laten.

Artikel 5.21 Meldingsplicht omgevingsvergunningsvrije bouwactiviteiten

Toegevoegd op grond van art. 5.89g en l Bkl

Artikel 5.22 Erf- of perceelafscheiding (vergunningvrij)

Artikel 22.27 onder f en artikel 22.36 onder b van de Bruidsschat. 

Sub a is aangepast. In het Besluit bouwen leefomgeving is geregeld dat tot 1 m vergunningvrij is, daarom komt ondergrens van 1 m niet terug in de tekst.

afbeelding binnen de regeling
Visualisatie vergunningvrij erfafscheiding bouwen Schutting of erfafscheiding plaatsen - Vergunningsvrij bouwen, bouwvergunning, Wabo |

 

Artikel 5.23 Sport- of speeltoestel (vergunningvrij)

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 sub d.

Artikel 5.24 Zwembad, bubbelbad of vijver (vergunningvrij)

Dit is voormalig bruidsschat artikel 22.27 sub e.

Dit artikel betreft het bouwen van bouwwerken zoals zwembaden, whirlpools en vijvers op het erf van een woning of woongebouw. Met deze regeling wordt buiten discussie gesteld dat voor het bouwen van genoemde bouwwerken geen omgevingsvergunning nodig is. Er moet wel sprake zijn van een bouwwerk. Daarbij gaat het om alle met de grond verbonden constructies van enige omvang met een plaatsgebonden karakter. Een zwembad dat slechts voor enkele dagen of enkele weken wordt opgezet, wordt niet gezien als een bouwwerk. Bij dergelijke objecten ontbreekt een plaatsgebonden karakter en is geen sprake van een bouwwerk. Bij vijvers ontbreekt vaak het constructieve element en is om die reden geen sprake van een bouwwerk. Dat is bijvoorbeeld het geval indien er slechts sprake is van een verdieping in de grond of een uitgegraven gat, waarin eventueel een plastic zeil is aangebracht. Zo’n vijver is niet als bouwwerk aan te merken, zodat ook geen omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen. Indien met bouwmaterialen (steen, staal, beton, hout, enzovoort) een constructie is gebouwd, hetgeen bij een zwembad en whirlpool veelal het geval zal zijn, is er wel sprake van bouwen. Dit bouwen kan zonder omgevingsvergunning plaatsvinden mits voldaan wordt aan de in dit onderdeel gestelde eisen.

Artikel 5.27 Bijbehorend bouwwerk (vergunningvrij)

Art. 22.36 Bruidsschat

Voor deze activiteiten is geen omgevingsvergunning voor bouwen vereist. Ook niet als deze in strijd zijn met de regels voor bouwen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 7.26, waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.31, is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel 7.26. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 5.5. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel 7.27 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel 7.26. De aanwijzing in artikel 7.20 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.31 Omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Art. 22.26 Bruidsschat

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen zijn in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In afdeling 5.2 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en in artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken.

Artikel 5.32 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Artikel 22.35 Bruidsschat

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

In aanvulling op de regeling uit de Bruidsschat zijn aanvraagvereisten toegevoegd met betrekking tot bluswatervoorzieningen en de opstelplaats voor de brandweer. Om te kunnen controleren of er voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd wordt ook gevraagd om een parkeerberekening.


Onderdeel j
De aanvraagvereisten met betrekking tot welstand zijn alleen van toepassing als welstand van toepassing is. Welstand is van toepassing ter plaatse van de locatie welstand van toepassing.


Onderdeel k
Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 22.29, derde lid, en 22.30). Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening. Onderdeel 3 onder j toegevoegd.

Aanlevering bodemonderzoek
Bodemonderzoeken moeten altijd in zowel pdf-bestand én als XML-bestand worden geleverd. Als er geen XML-bestand bijgeleverd wordt, kan de aanvraag niet in behandeling worden genomen.
Houd bij het toevoegen van de onderzoeken met het volgende rekening:

  • Een pdf-bestand bevat één bodemonderzoek inclusief bijlagen. Lever aparte bodemonderzoeken aan in aparte bestanden.

  • Een XML-bestand bevat gegevens van één bodemonderzoek.

  • Een XML-bestand mag niet uit meerdere delen bestaan. Zet alle gegevens van één onderzoek ook in één bestand.

  • De gegevens van het pdf-bestand moeten identiek zijn aan de gegevens uit het XML-bestand.

  • Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat en is minimaal de vigerende versie.

  • Het XML-bestand voldoet aan het BRO Informatiemodel zoals vemeld in de vigerende Basisregistratie Ondergrond Catalogus Milieuhygiënisch.

  • Het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk, als de basisdataset onderzoeksgegevens zoals is opgesteld door het SIKB. Deze bestaat minimaal uit de rapportgegevens, meetpuntgegevens, monstergegevens, analysegegevens en contouren/X-Y coördinaten van boorpunten.

Hiervoor kan de validatietool gebruikt worden: https://tools.sikb.nl/0101/Validation/Validate

Artikel 5.33 Algemene beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk bouwen

Artikel 22.29 Bruidsschat, eerste lid onder a

Dit artikel regelt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend als de activiteit voldoet aan de in dit omgevingsplan gestelde regels voor bouwen en gebruiken. Hieronder vallen ook de regels uit het tijdelijk deel (de bestemmingsplannen).

Onder b is in aanvulling op de bruidsschat geregeld dat de omgevingsvergunning voor het bouwen ook kan worden verleend als er reeds een omgevingsvergunning is verleend die de strijdige activiteiten (o.a. bouwen en/of werken en werkzaamheden en/of gebruik) toestaat. Hiermee wordt zowel een omgevingsvergunning voor een binnenplanse als voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) bedoeld. Dit heeft tot gevolg dat een omgevingsvergunning niet alleen wordt getoetst aan het omgevingsplan, maar ook een eerder verleende omgevingsvergunning  (waaronder een bopa), waardoor een dergelijke aanvraag als een binnenplanse omgevingsvergunning kan worden verleend en niet meer als  een opvolgende bopa. 

Artikel 5.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk bouwen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Lid 1 is overgenomen uit art. 22.29, eerste lid, onder c BS
Het 2e, 3e en 4e lid zijn overgenomen uit art. 22.30 BS

Eerste lid
Op grond van artikel 5.31 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. 

Tweede lid
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
Derde lid
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit ‘het geval van verontreiniging’ genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
Vierde lid
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 5.36 Voorschrift omgevingsvergunning bodemgevoelig gebouw bouwen op een bodemgevoelige locatie

Lid 1
Artikel 22.31 Bruidsschat
Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:

  • a.

    gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of

  • b.

    woonschip of woonwagen.

Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan ( artikel 1.1).

Lid 2
Ingevoegd op basis van artikel 1.10 Vangnetregeling. Artikel 1.10 continueert de bevoegdheid van gemeenten op grond van de Wabo in samenhang met de Woningwet en de gebruikelijke bepalingen in hun bouwverordening om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden als de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw. 

Artikel 5.37 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk bouwen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.32 Bruidsschat

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 5.33, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 5.33 niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Artikel 5.38 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk bouwen bij ruimtelijk plan in procedure

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 5.33 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 7.36 genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

Artikel 6.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning werken en werkzaamheden

Voormalig artikel 22.284 BS.

Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 6.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden bij ruimtelijk plan in procedure

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 5.33 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 7.36 genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

Artikel 6.5 Aanvraagvereiste bouwwerk slopen

Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit artikel 6.6 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt artikel 6.6 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast artikel 6.6 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.

Artikel 6.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwwerk slopen

Voormalig artikel 22.279

In dit artikel is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.180 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.180 hierop aanvullend.

Artikel 6.7 Toepassingsbereik

Art 22.271 Bruidsschat

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

Artikel 6.8 Omgevingsvergunning aanleggen weg of spoorweg

Art 22.272 Bruidsschat

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.

In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

De waarden in het tweede lid onder f zijn aangepast naar aanleiding van artikel 2.4g van de Vangnetregeling van 1 oktober 2025. Artikel 2.4g, eerste lid, aanhef en onder b, bevat een aanvullende uitzondering op de vergunningplicht voor de aanleg of de wijziging van wegen of spoorwegen als in de nabijheid van die weg of spoorweg een geluidgevoelig gebouw is gelegen dat onder nieuw recht is toegelaten voor een periode van niet meer dan tien jaar. Hier is sprake van een omissie.

Artikel 6.9 Aandachtsgebied

Art 22.273 Bruidsschat

Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen «bebouwde kom», «buitenstedelijk gebied» en «stedelijk gebied» uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro’s waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.

Artikel 6.10 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning aanleggen weg of spoorweg

Art 22.274 Bruidsschat

Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.

Artikel 6.11 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning geluid weg of spoorweg

Art 22.275 Bruidsschat

Eerste lid
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 6.10 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

Tweede lid
Het tweede lid is toegevoegd naar aanleiding van artikel 2.4i van de Vangnetregeling van 1 oktober 2025. Artikel 2.4i corrigeert het in de bruidsschat opgenomen overgangsrecht voor immissies op niet-geluidgevoelige gevels. Hier is sprake van het repareren van een omissie. Het zou onredelijk zijn als bedrijven of wegbeheerders in de knel komen doordat een gevel die bewust is geplaatst op een locatie die niet aan de geluideisen voldoet een beperking zou vormen voor hun activiteiten.

Artikel 6.12 Meet- en rekenbepalingen geluid weg of spoorweg

Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van artikel 2.4f van de Vangnetregeling van 1 oktober 2025. Artikel 2.4f corrigeert de in de bruidsschat opgenomen regels over het bepalen en het beoordelen van geluid door aan te leggen of te wijzigen wegen of spoorwegen. Hier is sprake van het repareren van omissies.

Artikel 6.13 Voorschriften omgevingsvergunning geluid weg of spoorweg

Art 22.276 Bruidsschat

Afdeling 6.4 UITWEG MAKEN OF VERANDEREN

De VNG heeft voorgesteld de vergunningplicht voor een uitweg te vervangen door algemene regels. In Oosterhout is de praktijk dat de gemeente zelf na vergunningverlening de uitweg aanlegt, om grip te houden op de locatie, de afmetingen en de kwaliteit van de uitvoering. In 2012 is als weigeringsgrond expliciet opgenomen de situatie dat al een uitweg op een perceel aanwezig is. Bij een aanvraag voor een tweede uitweg zal in ieder geval worden gekeken naar de noodzaak om deze tweede uitrit te hebben. De achterliggende gedachte is dat elke uitweg een reservering is van de openbare ruimte, waar geen parkeergelegenheid, groenvoorziening of verkeersmeubilair meer kan worden geplaatst. Daarnaast betekent elke uitweg een extra kruising van verkeer en dus een toename van verkeersonveiligheid.

Deze vergunning valt onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.15 Omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

Artikel 2:12 APV

Artikel 6.16 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

Artikel 22.297 Bruidsschat

Artikel 6.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning uitweg maken of veranderen

Artikel 2:12 APV

Afdeling 6.5 WEG BESCHADIGEN OF VERANDEREN

Deze vergunning is afgeschaft in navolging van het project Administratieve Lastenverlichting.

Artikel 6.19 Verbod

Artikel 2:11 APV

Artikel 6.21 Omgevingsvergunning bomen kappen

Artikel 4:11 APV

Artikel 6.22 Aanvraagvereisten bomen kappen

Artikel 22.299 uit de Bruidsschat

Artikel 6.23 Beoordelingsregels bomen kappen

Artikel 4:11 APV

Artikel 6.24 Voorschriften bomen kappen

Artikel 4:11 APV

Artikel 6.25 Procedureregels bomen kappen

Artikel 4:11 APV

Afdeling 6.7 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN BESCHADIGEN OF VERANDEREN

Erfgoedverordening is verwerkt in deze afdeling m.u.v. de regels voor het aanwijzen van een monument en het inschakelen van de adviescommissie.

Artikel 6.26 Toepassingsbereik

Art. 22.295 bruidsschat toegevoegd (voorbeschermd monument).

Artikel 6.27 Absoluut verbod

Art. 10 Erfgoedverordening

Artikel 6.29 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: algemeen

Art. 22.287 bruidsschat

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument. Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).
Onderdeel a
Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.
Onderdeel b
Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.
Onderdeel c
Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

Artikel 6.30 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: archeologisch monument

Art. 22.288 

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 12.21).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
- bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,
- de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.
Ook kan het gaan om:
- het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
- het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
- het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
- het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
- het wijzigen van het grondwaterpeil,
- het winnen van grondstoffen,
- agrarische grondwerkzaamheden, en
- activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
Eerste lid
In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.
Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Eerste lid, onderdeel b
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Eerste lid, onderdeel d
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Eerste lid, onderdeel e
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
Eerste lid, onderdeel f
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Eerste lid, onderdeel g
Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Tweede lid
Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Tweede lid, onderdeel a
Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Tweede lid, onderdeel b
Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Tweede lid, onder d
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
Tweede lid, onderdeel e
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Tweede lid, onderdeel f
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde ‘multibeamopnamen’. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 6.31 Aanvraagvereisten slopen van een gemeentelijk monument

Art. 22.288 en 22.289 bruidsschat

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
- bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,
- de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.
Ook kan het gaan om:
- het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
- het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
- het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
- het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
- het wijzigen van het grondwaterpeil,
- het winnen van grondstoffen,
- agrarische grondwerkzaamheden, en
- activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
Eerste lid
In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.
Eerste lid, onderdeel a en c
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.
Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Eerste lid, onderdeel b
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Eerste lid, onderdeel d
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Eerste lid, onderdeel e
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
Eerste lid, onderdeel f
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Eerste lid, onderdeel g
Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Tweede lid
Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Tweede lid, onderdeel a
Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Tweede lid, onderdeel b
Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Tweede lid, onder d
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
Tweede lid, onderdeel e
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Tweede lid, onderdeel f
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde ‘multibeamopnamen’. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 6.33 Aanvraagvereisten gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Art. 22.292 en 22.293 bruidsschat

Artikel 6.34 Aanvraagvereisten tekeningen als bedoeld in de artikelen 10.6 tot en met 10.8

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 6.31, 6.32 en 6.33. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

Artikel 6.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Vergelijkbaar met beoordelingsregels art. 8.80 Bkl voor rijksmonumenten + art. 12 lid 1 Erfgoedverordening

Artikel 6.36 lid 2

Lid 2 sub a ook van toepassing bij bouwen.

Artikel 6.38 Aanvraagvereisten (te verwachten) archeologisch monument

Art. 22.288 

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 12.21).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
- bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,
- de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.
Ook kan het gaan om:
- het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
- het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
- het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
- het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
- het wijzigen van het grondwaterpeil,
- het winnen van grondstoffen,
- agrarische grondwerkzaamheden, en
- activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
Eerste lid
In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.
Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Eerste lid, onderdeel b
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Eerste lid, onderdeel d
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Eerste lid, onderdeel e
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
Eerste lid, onderdeel f
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Eerste lid, onderdeel g
Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Tweede lid
Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Tweede lid, onderdeel a
Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Tweede lid, onderdeel b
Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Tweede lid, onder d
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
Tweede lid, onderdeel e
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Tweede lid, onderdeel f
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde ‘multibeamopnamen’. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.

De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.

Artikel 8.2 Omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan

Artikel 22.280 Bruidsschat

Artikel 8.2 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in artikel 8.2van dit omgevingsplan geregeld. Met artikel 8.2 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.

Artikel 8.3 Aanvraagvereisten afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan

Artikel 22.286 Bruidsschat

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 8.2. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in artikel 8.3 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 8.4 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Art 22.40 Bruidsschat

Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.

aansluitafstand

Overgenomen uit de bruidsschat.

ambulante detailhandel

Om onderscheid te maken tussen standplaatsen voor woonwagens en afzonderlijke marktkramen, is voor de marktkramen het begrip ambulante detailhandel opgenomen. Dit begrip is op deze wijze opgenomen bij de eerste wijziging van het omgevingsplan.

AS SIKB 2000

Overgenomen uit de bruidsschat.

bestaand gebruik

Sluit aan bij begrip uit handboek voor bestemmingsplannen.

BRL SIKB 2000

Overgenomen uit de bruidsschat.

BRL SIKB 7000

Overgenomen uit de bruidsschat.

distributienet voor warmte

Overgenomen uit de bruidsschat.

Dit begrip is gedefinieerd als ‘collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater’. Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een ‘klein’ wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

gezoneerd industrieterrein

Overgenomen uit de bruidsschat.

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds -als omgevingswaarde- vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

ISO 11423-1

Overgenomen uit de bruidsschat.

kampeermiddel

Overgenomen uit de APV.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Overgenomen uit de bruidsschat.

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

Overgenomen uit de bruidsschat.

maatschappelijke doeleinden

Begrip komt uit Handboek bestemmingsplannen.

parkeren

Overgenomen uit artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

peil

UIt handboek bestemmingsplannen.

rechthebbende

Overgenomen uit APV.

voertuigen

Overgenomen uit artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

warmteprogramma

Overgenomen uit de bruidsschat.