Omgevingsplan gemeente Eindhoven

Bij deze regeling horen andere regelingen die er juridisch onderdeel van zijn, zie het overzicht andere regelingen bij de wetstechnische informatie.

Geldend van 29-06-2026 t/m heden

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.2 Oogmerk regels omgevingsplan

De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.

Artikel 1.3 Waar deze regels gelden

  • 1.

    De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Eindhoven, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt. 

  • 2.

    Bijlage II geeft een overzicht informatie-objecten bij dit omgevingsplan.

Artikel 1.4 Normadressaat

Tenzij elders in dit omgevingsplan specifiek anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.5 Algemene gegevens bij melding en informatieplicht 

 

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, anders dan in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht;

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat  

Voor zover gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 1.5 zijn verstrekt, worden: 

  • a.

    voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.5, wijzigen, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag;

  • b.

    ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

 

Artikel 1.7 Melding en kennisgeving

Als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of een informatieplicht van toepassing is, dient de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting te zijn gedaan, tenzij elders in dit omgevingsplan een andere termijn is gesteld. 

Artikel 1.8 Meet- en rekenregels

  • 1.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken. 

  • 2.

    Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is de NEN 2580 van toepassing.

  • 3.

    Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, geldt de betreffende norm per afzonderlijke locatie.

  • 4.

    Op het bepalen van de geluidsbelasting op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

  • 5.

    De waarden die in dit omgevingsplan in m of m2 zijn uitgedrukt worden op de volgende wijze gemeten: 

    • a.

      afstanden loodrecht:

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 

    • c.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 1 m buiten beschouwing blijven. 

  • 6.

    Voor de toepassing van het vijfde lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

  • 7.

    De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat de goothoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf aansluitend terrein.

  • 8.

    De bouwhoogte van een bouwwerk: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimtes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat de bouwhoogte van een woonwagen/woonwagenwoning wordt gemeten vanaf het aansluitend terrein.

  • 9.

    Dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

  • 10.

    De oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten, tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

  • 11.

    De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken dakkapellen.

  • 12.

    De hoogte van een windturbine: vanaf het straatpeil tot aan de (wieken)as.

Artikel 1.9 Anti-dubbeltelbepaling

  • 1.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is de anti-dubbeltelbepaling zoals die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken. 

  • 2.

    Dit artikel geldt voor alle regels in dit omgevingsplan die betrekking hebben op:

    • a.

      het bouwen van bouwwerken;

    • b.

      het gebruik van gronden, bouwwerken of andere fysieke leefomgevingsonderdelen;

    • c.

      de berekening van oppervlakten, afstanden of percentages die in dit plan zijn voorgeschreven.

  • 3.

    Grond die eenmaal is betrokken bij:

    • a.

      het toestaan van een bouwwerk, of

    • b.

      het voldoen aan een regel uit dit omgevingsplan over gebruik, oppervlakte, afstand of percentage,

     mag niet nogmaals worden meegeteld of gebruikt voor een ander bouwplan of gebruiksactiviteit op hetzelfde of een ander perceel.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan toestaan dat grond opnieuw wordt meegenomen, als:

    • a.

      dit uitdrukkelijk in dit omgevingsplan is bepaald, of

    • b.

      in de omgevingsvergunning is aangetoond dat de dubbele toerekening geen onevenredige gevolgen heeft voor het beoogde gebruik of de omgevingskwaliteit.

Artikel 1.10 Toepasbare regels Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven 2022

Dit artikel zorgt voor het mogelijk maken van dienstverlening voor de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven 2022. Het bevat geen juridische regels.

Hoofdstuk 2 VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN GEBIEDEN EN LOCATIES

Afdeling 2.1 Instructieregels van het Rijk

Artikel 2.1 Aanwijzing  brandvoorschriftengebied

Ter plaatse van brandvoorschiftengebied geldt dat de gronden zijn aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.2 Aanwijzing explosievoorschriftengebied

Ter plaatse van explosievoorschriftengebied geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 2.3 Aanwijzing risicogebied externe veiligheid

Ter plaatse van 'risicogebied externe veiligheid' geldt dat de gronden zijn aangewezen als risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.4 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap

Ter plaatse van bebouwingscontour houtkap geldt dat de gronden zijn aangewezen als bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbinnen zijn de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing.

Artikel 2.5 Aanwijzing bebouwingscontour jacht

  • 1.

    Ter plaatse van bebouwingscontour jacht geldt dat de gronden zijn aangewezen als bebouwingscontour jacht als bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen op grond van artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving de jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de jacht met het geweer eveneens niet uitgeoefend op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.

Artikel 2.6 Aanwijzing bebouwingscontour geur

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. 

Afdeling 2.2 Instructieregels van de provincie Noord-Brabant

Paragraaf 2.2.1 Waterwingebied

Artikel 2.7 Aanwijzing waterwingebied

Ter plaatse van waterwingebied zijn de gronden aangewezen voor de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in artikel 5.16 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Paragraaf 2.2.2 Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 2.8 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

Ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebied zijn de gronden aangewezen voor bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem als bedoeld in artikel 5.17 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Paragraaf 2.2.3 Boringsvrije zone

Artikel 2.9 Aanwijzing boringsvrije zone

Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 2.2.4 Attentiezone waterhuishouding

Artikel 2.10 Aanwijzing attentiezone waterhuishouding

Ter plaatse van Attentiezone Waterhuishouding geldt dat de gronden zijn aangewezen tot attentiezone waterhuishouding als bedoeld in artikel 5.41 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Paragraaf 2.2.5 Behoud en herstel watersystemen

Artikel 2.11 Aanwijzing behoud en herstel watersystemen

Ter plaatse van Behoud en Herstel Watersystemen geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud en herstel van watersystemen als bedoeld in artikel 5.42 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Paragraaf 2.2.6 Natuur Netwerk Brabant

Artikel 2.12 Aanwijzing Natuur Netwerk Brabant

Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 2.2.7 Ecologische verbindingszone

Artikel 2.13 Aanwijzing ecologische verbindingszone

Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 2.2.8 Aardkundige waarden

Artikel 2.14 Aanwijzing aardkundige waarden

Ter plaatse van Aardkundige Waarde geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken als bedoeld in artikel 5.43 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Paragraaf 2.2.9 Regionale waterberging

Artikel 2.15 Aanwijzing regionale waterberging

Ter plaatse van Regionale Waterberging geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud van het waterbergend vermogen als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Paragraaf 2.2.10 Groenblauwe waarden

Artikel 2.16 Aanwijzing groenblauwe waarden

Ter plaatse van Groenblauwe Waarden geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken, als bedoeld in artikel 5.46 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Paragraaf 2.2.11 Aanwijzing beperking grootschalige logistiek

Artikel 2.17 Beperking grootschalige logistiek

Ter plaatse van Beperkingen Grootschalige Logistiek geldt dat de gronden zijn aangewezen voor beperkingen van grootschalige logistiek als bedoeld in artikel 5.56a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

Hoofdstuk 3 GEBRUIKSDOEL VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN (REGELS OVER GEBRUIK)

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Afdeling 3.2 Algemeen verbod gebruik gronden en bouwwerken in strijd met regels over gebruik

Paragraaf 3.2.1 Strijdig gebruik

Artikel 3.2 Strijdig gebruik en voorrangsregel
  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4, voor zover die van toepassing zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4, voor zover die van toepassing zijn. 

  • 4.

    In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

Paragraaf 3.2.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing

Artikel 3.3 Voorrangsregel over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan
Artikel 3.4 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing
  • 1.

    Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.

  • 2.

    Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

Afdeling 3.3 Parkeren

Paragraaf 3.3.1 Parkeernormen voor auto's en fietsen

Artikel 3.5 Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan
Artikel 3.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. 

Artikel 3.7 Parkeernormen

Voor de toepassing van deze paragraaf gelden de parkeernormen volgens de beleidsregel Nota parkeernormen 2024.

Artikel 3.8 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2 is het verboden om de gebruiksactiviteit van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksactiviteit, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregel Nota parkeernormen 2024, zoals opgenomen in bijlage IIINota parkeernormen 2024

Artikel 3.9 Maatwerkvoorschrift bij wijzigen bestaand gebruik
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.8, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en

    • b.

      geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of fysieke leefomgeving.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan inhouden een voorschrift met betrekking tot het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen.

  • 3.

    Bij het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is;

    • b.

      een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en

    • c.

      een motivering van het verzoek.

Afdeling 3.4 Gebruiksdoelen

Paragraaf 3.4.1 Gebiedsaanwijzingen

Artikel 3.10 Gebiedstypen

Paragraaf 3.4.2 Algemeen

Artikel 3.11 Gebruik in overeenstemming met aan locatie gegeven gebruiksdoel

Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel behoren in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: 

  • a.

    groenvoorzieningen;

  • b.

    nutsvoorzieningen;

  • c.

    voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;

  • d.

    water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  • e.

    het voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

Artikel 3.12 Beperking grootschalige logistiek

Ter plaatse van beperkingen grootschalige logistiek is nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek verboden.

Artikel 3.13 Beperking beschermingszone hoogspanningsverbinding

Het is verboden ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding  nieuwe gevoelige gebouwen toe te voegen. 

Artikel 3.14 Verbod hyperscale datacenter
  • 1.

    Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een hyperscale datacentrum.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig wordt verricht of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of voor 16 februari 2022.

Paragraaf 3.4.3 Ondergeschikte vormen van gebruik

Artikel 3.15 Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan
Artikel 3.16 Ondergeschikte detailhandel

Het uitoefenen van ondergeschikte detailhandel is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt binnen en ten dienste van een maatschappelijke voorziening in een maatschappelijk gebied.

Artikel 3.17 Ondergeschikte horeca

Het uitoefenen van ondergeschikte horeca is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt ten dienste en/of ter ondersteuning van:

  • a.

    een dagrecreatieve voorziening en voor zover genoemd in de Lijst van horeca activiteiten tot maximaal categorie 1;

  • b.

    maatschappelijke voorzieningen;

  • c.

    sportvoorzieningen.

Artikel 3.18 Ondergeschikte dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen

Het uitoefenen van ondergeschikte dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen is toegestaan als de uitoefening hiervan plaatsvindt ten dienste van een maatschappelijke voorziening.

Paragraaf 3.4.4 Agrarisch

Artikel 3.19 gereserveerd

Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.5 Agrarisch bedrijf

Artikel 3.20 gereserveerd

Dit onderdeel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.6 Bedrijf

Subparagraaf 3.4.6.1 Algemene regels
Artikel 3.21 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsgebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van bedrijf mogen worden gebruikt voor: 

    • a.

      het exploiteren van een bedrijf, genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten en behorende tot de categorieën zoals benoemd in artikel 3.24;

    • b.

      productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld onder a, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen.

  • 3.

    In deze paragraaf wordt onder de Lijst van bedrijfsactiviteiten verstaan de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage III.

Artikel 3.22 Regels over omvang en situering bedrijf
Artikel 3.23 Specifieke regels over gebruik
  • 1.

    Het is verboden bedrijfsgebouwen te gebruiken voor kantoren, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf.

  • 2.

    Het is verboden de gronden en bouwwerken behorende bij een bedrijf te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting.

  • 3.

    Het is verboden bedrijfsgebouwen te gebruiken voor bewoning.

Subparagraaf 3.4.6.2 Milieuhindercategorieën: toegestane bedrijven
Artikel 3.24 Toegestane bedrijven
Artikel 3.25 Afwijkingen van artikel 3.24
Artikel 3.26 Maatwerkvoorschrift: toestaan bedrijven
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.24 kan per maatwerkvoorschrift een bedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat bedrijf niet meer geluid, stof en geur uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 3.24 zijn toegestaan.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, stof en geur; en

    • c.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken.

  • 3.

    Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift:

    • a.

      het treffen van maatregelen of voorzieningen verplicht stellen;

    • b.

      aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen;

    • c.

      aanwijzingen geven.

Subparagraaf 3.4.6.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend op aangewezen locaties zijn toegestaan
Artikel 3.27 Risicobedrijven
Artikel 3.28 Activiteiten die een aanzienlijke mate van geluid veroorzaken

Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.75b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bedrijf die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken.

Artikel 3.29 Complexe bedrijven

Bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen die in Afdeling 3.3 ('Complexe bedrijven') van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van complex bedrijf.

Artikel 3.30 Rie-bedrijven

Bedrijven die in bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334) zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van Rie-bedrijf.

Subparagraaf 3.4.6.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijven zijn toegestaan
Artikel 3.31 Handel auto's, motorfietsen en scooters

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.24 is handel in auto's, motorfietsen en scooters uitsluitend ter plaatse van handel in auto's, motorfietsen en scooters toegestaan.

Subparagraaf 3.4.6.5 Andere functies binnen bedrijf
Artikel 3.32 Dansschool

Een dansschool met zalencentrum uitsluitend ter plaatse van dansschool.

Artikel 3.33 Sportschool

Een sportschool uitsluitend ter plaatse van sportschool.

Artikel 3.34 Zwembad

Een zwembad uitsluitend ter plaatse van zwembad.

Paragraaf 3.4.7 Buisleiding met gevaarlijke stoffen

Artikel 3.35 Toepassingsbereik, gebruiksdoel en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op buisleiding met gevaarlijke stoffen.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen ter plaatse van buisleiding met gevaarlijke stoffen worden gebruikt voor het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld in verband met het externe veiligheidsrisico van de buisleiding met gevaarlijke stoffen voor de omgeving.

Paragraaf 3.4.8 Cultuur en ontspanning

Subparagraaf 3.4.8.1 Algemene regels cultuur en ontspanning
Artikel 3.36 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Artikel 3.37 Omvang en situering cultuur en ontspanning
  • 1.

    Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte cultuur en ontspanning is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van cultuur en ontspanning mag worden gebruik de daar bepaalde waarde.

Subparagraaf 3.4.8.2 Beperkende regels waar cultuur en ontspanning is toegestaan
Artikel 3.38 Seksinrichting

Een seksinrichting (hieronder mede begrepen een erotisch getinte vermaaksfunctie) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van seksinrichting

Artikel 3.39 Casino

Een casino is uitsluitend toegestaan ter plaatse van casino.

Paragraaf 3.4.9 Detailhandel

Subparagraaf 3.4.9.1 Algemene regels detailhandel
Artikel 3.40 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Artikel 3.41 Omvang en situering detailhandel
  • 1.

    Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid mag, indien ter plaatse van detailhandel - centrum geen maximum bruto-vloeroppervlakte is aangegeven, het verkoopvloeroppervlak niet meer dan 800 m2 per detailhandelsvestiging bedragen.

Subparagraaf 3.4.9.2 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan
Artikel 3.42 Beperkende regels over verkooppunt motorbrandstoffen
  • 1.

    Een verkooppunt motorbrandstoffen is uitsluitend ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan, waarbij een bijbehorend detailhandelsverkooppunt tot een maximum van 100 m2 en overige bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan.

  • 2.

    Ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen is de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkooppunt LPG.

Artikel 3.43 Detailhandel volumineus / perifeer
Subparagraaf 3.4.9.3 Regels over supermarkten
Artikel 3.44 Beperkende regels over supermarkten

Detailhandel in de vorm van een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van supermarkt.

Artikel 3.45 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.46 Omvang en situering supermarkten

Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte-supermarkt is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van een supermarkt mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

Subparagraaf 3.4.9.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.4.10 Dienstverlening

Subparagraaf 3.4.10.1 Algemene regels dienstverlening
Artikel 3.47 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op dienstverleningsgebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van dienstverlening mogen worden gebruikt voor een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling.

Artikel 3.48 Omvang en situering dienstverlening
  • 1.

    Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte dienstverlening is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van dienstverlening mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde. 

  • 2.

    Ter plaatse van bouwlaag dienstverlening is dienstverlening alleen toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

Paragraaf 3.4.11 Evenementen

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.4.12 Groen

Subparagraaf 3.4.12.1 Algemene regels groen
Artikel 3.49 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op groengebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van groen mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      groenvoorzieningen;

    • b.

      bermen en beplanting;

    • c.

      paden;

    • d.

      speelvoorzieningen;

    • e.

      water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

    • f.

      beheer en/of zuivering van oppervlakte- en rioolwater;

    • g.

      kunstobjecten.

Artikel 3.50 Specifieke regels over gebruik

Geluidwerende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van geluidwerende voorzieningen.

Subparagraaf 3.4.12.2 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van groen zijn toegestaan
Artikel 3.51 Dierenweide

Een dierenweide is uitsluitend toegestaan ter plaatse van dierenweide.

Subparagraaf 3.4.12.3 Andere functies binnen groen
Artikel 3.52 Cafetaria

Een cafetaria is uitsluitend toegestaan ter plaatse van cafetaria.

Paragraaf 3.4.13 Hoogspanningsverbindingen

Artikel 3.53 Toepassingsbereik

Paragraaf 3.4.14 Horeca

Subparagraaf 3.4.14.1 Algemene regels horeca
Artikel 3.54 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op horecagebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van horeca mogen worden gebruikt voor horeca.

  • 3.

    In deze paragraaf wordt onder de Lijst van horeca-activiteiten verstaan de Lijst van horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage III.

Artikel 3.55 Omvang en situering horeca
  • 1.

    Ter plaatse van maximum bruto-vloeroppervlakte horeca is de maximale bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van horeca mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

Subparagraaf 3.4.14.2 Horeca categorieën 
Artikel 3.56 Horeca categorieën 
  • 1.

    Ter plaatse van horeca categorie 1a zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca categorie 1a van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.  

  • 2.

    Ter plaatse van horeca categorie 1b zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca categorie 1b van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 3.

    Ter plaatse van horeca categorie 2a zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 2a van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 4.

    Ter plaatse van horeca categorie 2b zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 2b van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 5.

    Ter plaatse van horeca categorie 3 zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 3 van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 6.

    Ter plaatse van horeca categorie 4a zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 4a van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 7.

    Ter plaatse van horeca categorie 4b zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 4b van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

  • 8.

    Ter plaatse van horeca categorie 5 zijn horecabedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in horeca horeca categorie 5 van de Lijst van horeca-activiteiten vallen.

Artikel 3.57 Maatwerkvoorschrift: toestaan horeca-bedrijven
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.56 kan per maatwerkvoorschrift een horecabedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat horecabedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de horecabedrijven die op grond van artikel 3.56 op die locatie zijn toegestaan.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de invloed op de omgeving; en

    • c.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de invloed op de omgeving te beperken.

  • 3.

    Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift:

    • a.

      het treffen van maatregelen of voorzieningen verplicht stellen;

    • b.

      aan de horeca-activiteit beperkingen stellen;

    • c.

      aanwijzingen geven.

Subparagraaf 3.4.14.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van horeca zijn toegestaan

[Gereserveerd]

Subparagraaf 3.4.14.4 Regels over omvang en situering horeca
Artikel 3.58 Omvang en situering horecabedrijf

Ter plaatse van bouwlaag horeca is horeca uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

Paragraaf 3.4.15 Kantoor

Subparagraaf 3.4.15.1 Algemene regels kantoor
Artikel 3.59 Toepassingsbereik gebruikdsoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op kantorengebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van kantoor mogen worden gebruikt voor zelfstandige kantoren. 

Artikel 3.60 Omvang en situering kantoren
  • 1.

    Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

  • 2.

    Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 3.4.15.2 Andere functies binnen kantoor
Artikel 3.61 Laboratorium met opslagruimte

Ter plaatse van  laboratorium met opslagruimte  is tevens een laboratorium met opslagruimten toegestaan.

Paragraaf 3.4.16 Maatschappelijk

Subparagraaf 3.4.16.1 Educatieve voorzieningen
Artikel 3.62 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op educatie.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor educatieve voorzieningen.  

Subparagraaf 3.4.16.2 Medische voorzieningen 
Artikel 3.63 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op medische voorzieningen.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor medische voorzieningen.  

Subparagraaf 3.4.16.3 Sociaal-culturele voorzieningen
Artikel 3.64 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op sociaal-culturele voorzieningen.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor sociaal-culturele voorzieningen.

Subparagraaf 3.4.16.4 Levensbeschouwelijke voorzieningen
Artikel 3.65 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op levensbeschouwelijke voorzieningen.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor levensbeschouwelijke voorzieningen. 

Subparagraaf 3.4.16.5 Sport en sportieve recreatie
Artikel 3.66 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op sport en sportieve recreatie.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor sport en sportieve recreatie. 

Subparagraaf 3.4.16.6 Beschermd en/of verzorgd wonen
Artikel 3.67 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op beschermd wonen en verzorgd wonen.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor beschermd en/of verzorgd wonen. 

Subparagraaf 3.4.16.7 Openbare dienstverlening en openbaar bestuur
Artikel 3.68 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Subparagraaf 3.4.16.8 Kinderopvang
Artikel 3.69 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op kinderopvang.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor kinderopvang. 

Subparagraaf 3.4.16.9 Begraafplaats
Artikel 3.70 Begraafplaatsen

Ter plaatse van 'begraafplaats' is uitsluitend een begraafplaats toegestaan.

Subparagraaf 3.4.16.10 Omvang en situering maatschappelijke voorzieningen
Artikel 3.71 Omvang en situering maatschappelijke voorzieningen

Ter plaatse van bouwlaag maatschappelijk  zijn maatschappelijke voorzieningen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

Paragraaf 3.4.17 Nutsvoorzieningen

Artikel 3.72 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op nutsvoorziening.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van nutsvoorziening mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      nutsvoorzieningen;

    • b.

      en de daarbij behorende:

      • 1.

        open terreinen, waaronder parkeergelegenheid;

      • 2.

        water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

      • 3.

        gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Paragraaf 3.4.18 Natuur

Subparagraaf 3.4.18.1 Algemene regels natuur
Artikel 3.73 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op natuurgebied

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van natuur mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van natuur- en groenwaarden;

    • b.

      duurzame instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

    • c.

      extensief agrarisch grondgebruik;

    • d.

      extensief recreatief medegebruik;

    • e.

      water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 

    • f.

      instandhouding van (onverharde) wegen.

  • 3.

    De bij het tweede lid behorende voorzieningen zoals (onverharde) voet- en fietspaden, informatieborden, banken, picknicktafels en prullenbakken.

Artikel 3.74 Specifieke regels over gebruik
  • 1.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover dit plaatsvindt in het kader van het op het gebruiksdoel gerichte gebruik. 

  • 2.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- en verwerken van producten, behoudens voor zover dit plaatsvindt in het kader van het op het gebruiksdoel gerichte gebruik. 

  • 3.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor handel en dienstverlening zonder dat direct verband houdt met het gebruiksdoel. 

  • 4.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het uitoefenen van lawaaisporten en -hobby's, zoals racen/crossen met en beproeven van motoren en motorvoertuigen en het vliegen met modelvliegtuigen en drones uitgerust met verbrandings- of elektromotoren. 

  • 5.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor verblijfsrecreatie, waarbij gebruik gemaakt wordt van kampeermiddelen, met uitzondering van kamperen in scoutingverband. 

  • 6.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor het plaatsen van teeltondersteunende voorzieningen of zend-, ontvang- en/of sirenemasten. 

Subparagraaf 3.4.18.2 Natuur Netwerk Brabant
Artikel 3.75 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 3.4.18.3 Ecologische verbindingszone
Artikel 3.76 Ecologische verbindingszone

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.19 Dagrecreatie

Artikel 3.77 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op dagrecreatie gebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van dagrecreatie mogen worden gebruikt voor dagrecreatieve voorzieningen.

Paragraaf 3.4.20 Sport

Subparagraaf 3.4.20.1 Algemene regels
Artikel 3.78 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op sportgebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van sport mogen worden gebruikt voor: 

    • a.

      sportterreinen;

    • b.

      sportvoorzieningen;

    • c.

      horecavoorzieningen uitsluitend voor zover ter ondersteuning en ten dienste van de aanwezige sportvoorzieningen.

Artikel 3.79 Omvang en situering sport

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.21 Verkeer

Subparagraaf 3.4.21.1 Algemene regels verkeer
Artikel 3.80 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op verkeersgebied.

  • 2.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van verkeer mogen worden gebruikt voor: 

    • a.

      wegen en straten;

    • b.

      voet- en fietspaden;

    • c.

      kunstwerken, zoals bruggen, tunnels en duikers;

    • d.

      aanleg en gebruik van groenvoorzieningen;

    • e.

      aanleg en gebruik (ondergrondse) parkeervoorzieningen;

    • f.

      nutsvoorzieningen;

    • g.

      geluidwerende voorzieningen.

     

Artikel 3.81 Specifieke regels busstation

Een busstation en bijbehorende bushaltes zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van openbaar vervoerstation.

Subparagraaf 3.4.21.2 Verblijfsgebied
Artikel 3.82 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op verblijfsgebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van verblijf mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      woonstraten;

    • b.

      pleinen;

    • c.

      voet- en fietspaden;

    • d.

      (ondergrondse) parkeervoorzieningen;

    • e.

      terras ten behoeve van horecabedrijven gesitueerd in de aangrenzende percelen;

    • f.

      groenvoorzieningen;

    • g.

      speelvoorzieningen;

    • h.

      nutsvoorzieningen.

Subparagraaf 3.4.21.3 Railverkeer
Artikel 3.83 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.22 Volkstuinen

Artikel 3.84 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 3.4.23 Water

Subparagraaf 3.4.23.1 Algemene regels water
Artikel 3.85 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op watergebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van water mogen worden gebruikt voor:

    • a.

      alle oppervlaktewateren, zoals kanalen, rivieren, beken en andere waterlopen, alsmede sloten, greppels, (infiltratie)vijvers ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;

    • b.

      waterberging;

    • c.

      waterhuishouding;

    • d.

      oevers en taluds;

    • e.

      andere voorzieningen voor de waterhuishouding.

Artikel 3.86 Specifieke regels over gebruik
  • 1.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het aanleggen van woonschepen.

  • 2.

    Het is verboden de gronden te gebruiken voor het opslaan, storten, of bergen van voorwerpen, stoffen, materialen of chemicaliën, en soortgelijke producten, behoudens voor zover zulks nodig is voor het op de gebruiksactiviteit gerichte gebruik. 

Subparagraaf 3.4.23.2 Locaties waar specifieke vormen van water zijn toegestaan

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.4.24 Wonen

Subparagraaf 3.4.24.1 Wonen algemeen
Artikel 3.87 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op woongebied.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen ter plaatse van wonen worden gebruikt voor wonen in een woongebouw, waarbij inwoning is toegestaan.

Artikel 3.88 Omvang en situering wonen
  • 1.

    Ter plaatse van aantal woningen is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Ter plaatse van bouwlaag wonen is wonen uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 3.89 Specifieke regels over gebruik 
  • 1.

    Het is verboden een bijbehorend bouwwerk en/of garagebox te gebruiken als zelfstandige woonruimte.

  • 2.

    Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting.

  • 3.

    Geluidwerende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van geluidwerende voorzieningen.

Artikel 3.90 Garageboxen
  • 1.

    Ter plaatse van garagebox zijn uitsluitend garageboxen toegestaan.

  • 2.

    Een garagebox mag niet worden gebruikt voor de uitoefening van enige tak van handel, waaronder mede wordt verstaan een beroep of bedrijf aan huis.

Subparagraaf 3.4.24.2 Wonen in een woonwagen/woonwagenwoning
Artikel 3.91 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op woonwagenstandplaats.

  • 2.

    De gronden en bouwwerken mogen ter plaatse van woonwagenstandplaats worden gebruikt voor:

    • a.

      woonwagenstandplaatsen;

    • b.

      woonwagens en/of woonwagenwoningen.

     

Artikel 3.92 Omvang en situering woonwagenstandplaatsen

Binnen woonwagenstandplaats is ter plaatse van aantal woningen, het maximum aantal woonwagens en/of woonwagenwoningen de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.93 Specifieke regels over gebruik
  • 1.

    Het is verboden om een caravan te plaatsen.

  • 2.

    Het is verboden om enige vorm van handel en/of bedrijf anders dan een beroep aan huis, uit te oefenen.

  • 3.

    Het is verboden bijgebouwen voor zelfstandige bewoning te gebruiken.

  • 4.

    Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting.

  • 5.

    Het is verboden de gronden en/of bouwwerken te gebruiken voor het opslaan, storten, bergen of lozen van (on)bruikbare of aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken materialen, stoffen en producten, behoudens voor zover noodzakelijk voor het op het gebruiksdoel gerichte gebruik.

  • 6.

    Het is verboden de gronden en/of bouwwerken te gebruiken voor het opslaan van hout en/of aannemersmaterialen.

  • 7.

    Het is verboden de gronden en/of bouwwerken te gebruiken voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte onderdelen, samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, of onderdelen daarvan, die bruikbaar zijn en niet aan hun oorspronkelijke gebruik zijn onttrokken.

Subparagraaf 3.4.24.3 Kamerbewoning en woningsplitsing
Artikel 3.94 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen:

  • a.

    een (woonwagen)woning te wijzigen naar kamerbewoning;

  • b.

    een pand met legaal bestaande kamerbewoning uit te breiden met een of meer kamers;

  • c.

    een bedrijfswoning te wijzigen naar kamerbewoning;

  • d.

    een (woonwagen)woning en/of kamersgewijs bewoonde (woonwagen)woning en/of woonwagen en/of kamersgewijs bewoonde woonwagen te wijzigen naar twee of meer (woonwagen)woningen/woonwagens;

  • e.

    een bedrijfswoning en/of kamersgewijs bewoonde bedrijfswoning te wijzigen naar twee of meer bedrijfswoningen;

  • f.

    een oorspronkelijk als (woonwagen)woning gebouwd pand, dat korter dan 2 jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de vergunningaanvraag legaal in gebruik is genomen voor een andere functie dan wonen, te wijzigen naar twee of meer woningen.

Artikel 3.95 Uitzondering verbod

Het verbod zoals opgenomen in artikel 3.94 geldt niet voor kamerbewoning van een (woonwagen)woning of woonwagen in een bestaande situatie.

Artikel 3.96 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    situatietekening met minimaal 2 straten;

  • b.

    gegevens van de bestaande legale situatie: plattegrondtekeningen met functieaanduidingen van de verschillende ruimtes (zoals: woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer/douche, toilet, berging);

  • c.

    gegevens van de nieuwe situatie: plattegrondtekeningen met functieaanduidingen van de verschillende ruimtes (zoals: kamer 1, kamer 2, gezamenlijke woonkamer, keuken, badkamer/douche, toilet, berging);

  • d.

    een tekening van parkeermogelijkheden op eigen terrein, als die aanwezig zijn;

  • e.

    het resultaat van de rekentool parkeernormen;

  • f.

    een machtiging als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde.

Artikel 3.97 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.94 wordt alleen verleend als de verkamering of splitsing niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse van en in de omgeving van het betreffende gebouw. 

Of sprake is van een onaanvaardbare negatieve inbreuk op het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld aan de hand van de 'Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2026', met dien verstande dat, indien deze beleidsregels worden gewijzigd, de gewijzigde beleidsregels gelden.

Subparagraaf 3.4.24.4 Bijzondere woonvormen
Subsubparagraaf 3.4.24.4.1 Bedrijfswoningen

Artikel 3.98 Bedrijfswoningen

Subsubparagraaf 3.4.24.4.2 Studio's

Artikel 3.99 Studio

Ter plaatse van woonstudio zijn woonstudio's toegestaan.

Subparagraaf 3.4.24.5 Andere functies binnen wonen
Subsubparagraaf 3.4.24.5.1 Beroep en bedrijf aan huis

Artikel 3.100 Vergunningplicht beroep en bedrijf aan huis

Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van wonen:

  • a.

    een gedeelte van een woning te gebruiken voor een bedrijf aan huis;

  • b.

    een gedeelte van een woning te gebruiken voor een beroep aan huis waarbij de vloeroppervlakte groter is dan 50 m2 .

Artikel 3.101 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de hoofd- en nevenactiviteiten van het beroep of bedrijf aan huis,  zoals:

    • 1.

      openingstijden;

    • 2.

      worden er producten gemaakt of ook verkocht;

    • 3.

      betreft het alleen het afhalen van maaltijden of ook de mogelijkheid om ter plekke te eten;

    • 4.

      worden producten alleen verkocht of worden ze ook afgehaald;

    • 5.

      door hoeveel personen wordt de activiteit uitgeoefend;

    • 6.

      hoeveel m2 BVO per functie. 

Artikel 3.102 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.100 wordt alleen verleend als:

  • a.

    het bedrijf aan huis een bruto-vloeroppervlakte heeft van maximaal 30 m2 ;

  • b.

    het beroep aan huis een vloeroppervlakte heeft van maximaal 75 m2 ;

  • c.

    de totale oppervlakte voor een bedrijf aan huis en een beroep aan huis gezamenlijk niet meer dan 75 m2 bedraagt;

  • d.

    de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;

  • e.

    het niet betreft detailhandel, met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten;

  • f.

    het niet betreft de vervaardiging van voedsel;

  • g.

    deze activiteiten door ten hoogste twee personen wordt uitgeoefend, waarvan minstens een persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal een persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;

  • h.

    de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in bijlage III opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen behorende tot de categorie 1, alsmede voor zover het bedrijfsactiviteiten betreft die niet in deze lijst zijn opgenomen maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als genoemd in deze lijst;

  • i.

    dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen betreffen die niet vallen onder de in sub h genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub h.

Subsubparagraaf 3.4.24.5.2 Overig

Artikel 3.103 Werkplaats

Ter plaatse van werkplaats is uitsluitend een werkplaats toegestaan.

Artikel 3.104 Werken bij wonen

Ter plaatse van werken bij wonen zijn uitsluitend bedrijven in categorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteitenzoals opgenomen in bijlage III, kantoren, vrije en maatschappelijke beroepen, showrooms en dienstverlening toegestaan.

Hoofdstuk 4 OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Afdeling 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken.

Afdeling 4.2 Algemene ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken

Paragraaf 4.2.1 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie

Artikel 4.2 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van afweging geluid bij wijziging gebruik voor de afweging geluid bij wijziging gebruik. 

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangegeven met 'afweging geluid bij wijziging gebruik'.

  • 3.

    Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

    • a.

      woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • b.

      onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • c.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

    • d.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan,

    uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 3.2

  • 4.

    Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 5.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet, zijn vastgesteld. 

  • 6.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Artikel 4.3 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 4.4 Waar waarden gelden

 

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen,  met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 4.5 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

 

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 4.6 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

 

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, wordt alleen verleend als:

  • a.

    het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 3.2; en

  • b.

    het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 4.7 Aanvaardbaarheid bij wijziging gebruik
  • 1.

    Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.7:

    Tabel 4.7 : standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.7 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.7 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 4.8 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.7 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      het gaat om de realisatie van 10 of minder geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen); 

    • b.

      het gaat om de realisatie van 11 of meer geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) en de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, waarbij de regels met betrekking tot financiële doelmatigheid volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gevolgd, dan wel er met redenen omkleed geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 

    • c.

      minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is per woning/studio of er worden compenserende maatregelen getroffen;

    • d.

      het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.8:

     Tabel 4.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing. 

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.8 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.8 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 4.9 Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen 

Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.8  bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:  

  • a.

    sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen; 

  • b.

    door middel van onderzoek aangetoond wordt dat: 

    • 1.

      het doel in redelijke verhouding staat tot de afwijking van de grenswaarde; 

    • 2.

      het afwijken van de grenswaarde geschikt is om het doel te behalen; 

    • 3.

      het initiatief niet anders uitgevoerd kan worden en maatregelen en compensatie niet mogelijk zijn en monitoring mogelijk noodzakelijk is; 

    • 4.

      maatschappelijk draagvlak voor het afwijken van de grenswaarde aanwezig is; en

  • c.

    Minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is of minimaal 1 gedeeltelijk geluidluwe gevel aanwezig is en hierbij compenserende maatregelen worden getroffen. 

Artikel 4.10  Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 

Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.8  bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:  

  • a.

    de uitwendige scheidingsconstructie van de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van de vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert; of 

  • b.

    aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde. 

Artikel 4.11 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 4.8 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

  • 4.

    Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt. 

  • 5.

    Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan. 

Artikel 4.12 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid – zwaarwegende belangen 
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 4.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. 

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: 

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; 

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; 

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en 

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.  

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 

  • 4.

    Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt. 

  • 5.

    Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan. 

Artikel 4.13 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Dit betreft in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen.

  • 2.

    Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 5 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 5 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing. 

Artikel 4.14 Aanvraagvereisten

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5 wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaard en/of grenswaarde, inzicht wordt gegeven in de mogelijk te treffen:

    • 1.

      bronmaatregelen;

    • 2.

      overdrachtsmaatregelen;

    • 3.

      maatregelen bij de ontvanger.

Paragraaf 4.2.2 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties binnen plaatsgebonden risicocontour

Artikel 4.15 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van Plaatsgebonden risicocontour.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met 'plaatsgebonden risicocontour'.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.

Artikel 4.16 Verbod gebruik binnen plaatsgebonden risicocontour
  • 1.

    Het is ter plaatse van de plaatsgebonden risicocontour verboden om de gronden te gebruiken:

    • a.

      voor een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw;

    • b.

      als een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor het plaatsgebonden risicocontour is opgenomen. 

Paragraaf 4.2.3 Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen brandaandachtsgebied

Artikel 4.17 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf geldt binnen een brandaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een brandaandachtsgebied. 

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.

Artikel 4.18 Verbod gebruik binnen brandaandachtsgebied

Binnen een brandaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.

Paragraaf 4.2.4 Beperkingen voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen explosieaandachtsgebied

Artikel 4.19 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf geldt binnen een explosieaandachtsgebied, als bedoeld in artikel 5.12. tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover het TAM-omgevingsplan valt binnen een explosieaandachtsgebied. 

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.

Artikel 4.20 Verbod gebruik binnen explosieaandachtsgebied

Binnen een explosieaandachtsgebied zijn nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties verboden.

Paragraaf 4.2.5 Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof

[Gereserveerd]

Afdeling 4.3 Overige algemene regels over het gebruik van  bouwwerken, open erven en terreinen (voorheen gesteld door het Rijk)

Paragraaf 4.3.1 Algemeen

Artikel 4.21 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over deze afdeling.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 4.3.2 Gebruik van bouwwerken

Artikel 4.22 Overbewoning woonruimte
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

    • a.

      wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 4.23 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 4.24 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  • 1.

    Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 4.3.3 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 4.25 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 4.25.

    Tabel 4.25

    ADR-klasse 1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 4.25 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Artikel 4.26 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1.

    De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 4.27 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Hoofdstuk 5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN

Afdeling 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

 

Dit hoofdstuk is van toepassing op: 

 

Artikel 5.2 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

  • 1.

    Met het bouwen van een hoofdgebouw waarvoor een melding bouwactiviteit, een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend, wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat ten aanzien van vloerpeil en perceelsgrenzen op basis van een actueel hoogteplan (inclusief een voorstel voor het vloerpeil) overleg heeft plaatsgevonden met de gemeentelijk landmeetkundige.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.

Artikel 5.3 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 5.4 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 5.5 Mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. 

Artikel 5.6 Verbod hyperscale datacentra

  • 1.

    Het is verboden om een hyperscale datacentrum te bouwen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een activiteit die op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig wordt verricht of is toegestaan op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of voor 16 februari 2022.

Afdeling 5.2 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Paragraaf 5.2.1 Algemeen

Artikel 5.7 Toepassingsbereik

Afdeling 5.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Paragraaf 5.2.2 Vergunningplicht bouwen, in stand houden en gebruiken bouwwerk

Artikel 5.8 Vergunningplicht bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.

Artikel 5.9 Algemene beoordelingsregel

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 5.2.4 zijn gesteld.

Artikel 5.10 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; 

  • f.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; en

  • g.

    bodemonderzoek naar mobiele verontreinigingssituatie;

  • h.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

 

Artikel 5.11 Invulling algemeen aanvraagvereiste mobiele verontreinigingssituatie
  • 1.

    Voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, wordt onderzocht of sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie, zoals aangegeven in artikel 5.10 sub g, door:

    • a.

      raadpleging van het bodeminformatiesysteem Nazca Bodem;

    • b.

      voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het overleggen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel het voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2;  of

    • b.

      een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 .

  • 3.

    Er is sprake van een mobiele verontreinigingssituatie als het grondwater:

    • a.

      een verontreinigingscontour heeft in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume die de signaleringsparameter grondwatersanering, zoals opgenomen in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord Brabant overschrijdt; of

    • b.

      in een kwetsbaar gebied, als bedoeld in artikel 3.49 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, de verontreinigende stof in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde grondwater overschrijdt, bedoeld in 'Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater' van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Paragraaf 5.2.3 Bouwwerken waarvoor vergunningplicht niet geldt (ruimtelijke regels onverkort van toepassing)

Artikel 5.12 Toepassingsbereik
  • 1.

    In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.8, niet van toepassing is.

  • 2.

    Op bouwwerken waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.8 niet van toepassing is, is artikel 6.4 onverkort van toepassing.

Artikel 5.13 Afbakeningseisen
  • 1.

    Artikel 5.14 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van artikel 5.14 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 5.14 lid 1 onder a, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.14 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod als bedoeld in artikel 5.8 geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: 

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in het achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag, en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 4 m;

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • d.

    een zwembad, een bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

  • e.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m, maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;

  • f.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      en ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • g.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • h.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 5.15 Inperkingen vanwege cultureel erfgoed
  • 1.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 5.14 niet van toepassing.

  • 2.

    Op een  omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 5.14, aanhef en onder d tot en met h, van toepassing.

  • 3.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of wederopbouwgebied van nationaal belang is gegeven, is artikel 5.14 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is artikel 5.14,  aanhef en onder a en b, ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 5.16 Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 5.14 niet, vergunningplicht artikel 5.8 van toepassing 

Artikel 5.14 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 6.4.

Paragraaf 5.2.4 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten

Subparagraaf 5.2.4.1 Algemeen
Artikel 5.17 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Subparagraaf 5.2.4.2 Beoordeling aan algemene regels over bouwwerken en afwijkmogelijkheden
Subsubparagraaf 5.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 5.18 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 6.4

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit passend is binnen:

    • a.

      een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken; of

    • b.

      een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingswet om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 3.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als:

  • 4.

    In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of b. artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 5.19 Beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 5.18 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 5.20 Beoordelingsregels bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

  • 1.

    In afwijking van artikel artikel 5.18, eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

Subsubparagraaf 5.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 5.21 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken

 

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.4, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.18, eerste lid, toch worden verleend als de  omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op:

  • a.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;

  • b.

    een bouwwerk dat is uitgezonderd van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 5.14, voor zover daarop vanwege artikel 5.15 of artikel 5.16, toch de vergunningplicht uit artikel 5.8, van toepassing is; 

  • c.

    een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom tot 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;

  • d.

    een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 150 m2

  • e.

    een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p sub 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 5 m, en;

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • f.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 10 m, en;

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • g.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

  • h.

    een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

  • i.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • j.

    een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • k.

    het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

  • l.

    de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages, (dak)hellingen tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen, percentages en (dak)hellingen;

  • m.

    de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 m, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen 2 m is;

  • n.

    de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten 20 m is;

  • o.

    de overschrijding van het bouwvlak met maximaal 40 cm ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen;

  • p.

    de realisatie van bouwwerken ten behoeve van het opwekken van duurzame energie en toestaan dat de maximum oppervlakte wordt vergroot tot maximaal 100 m2.

 

Artikel 5.22 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.21

  • 1.

    Aan artikel 5.21 wordt alleen toepassing gegeven als:

    • a.

      de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • b.

      door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast;

    • c.

      door de activiteit de beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig worden aangetast;

    • d.

      het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet;

    • e.

      de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 5.21 onder a en b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 6.10;

    • f.

      het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 3.2;

    • g.

      bij toepassing van artikel 5.21 sub c en d het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald, of wanneer er geen maximum is bepaald is, het toevoegen van woningen niet toegestaan, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • h.

      voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in paragraaf 5.2.4.

  • 2.

    Aan artikel 5.21, eerste lid, aanhef en onder c en d, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.23 Voorschriften

Bij toepassing van artikel 5.21 kunnen aan de  omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 5.22 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5.24 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 5.21, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 5.22, te kunnen doen. 

Subsubparagraaf 5.2.4.2.3 Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijken van ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden

Artikel 5.25 Specifieke mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over hoofdgebouwen binnen cultuurhistorische gebieden

Als een  omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels, bedoeld in artikel 6.53, kan de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 5.18, eerste lid, toch worden verleend indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Artikel 5.26 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 5.25

Aan artikel 5.25 wordt alleen toepassing gegeven als een advies is ingewonnen van de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven waaruit blijkt dat de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Artikel 5.27 Vergunningvoorschriften

Bij toepassing van artikel 5.25 kunnen aan de  omgevingsvergunning voor een  omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken kunnen worden behouden.

Subparagraaf 5.2.4.3 Uiterlijk en plaatsing bouwwerk
Artikel 5.28 Beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

  • 3.

    Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

  • 4.

    Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van strijd met de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.29 Vergunningvoorschriften uiterlijk en plaatsing van bouwwerken

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 5.28, eerste lid, genoemde belang. 

Artikel 5.30 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden

Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 5.28 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 5.28, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.

Artikel 5.31 Aanvraagvereisten beoordeling uiterlijk plaatsing van bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk of de plaatsing van bouwwerken, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 5.28

  • a.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 

  • b.

    principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 

  • c.

    kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 

  • d.

    een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

 

Subparagraaf 5.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie
Artikel 5.32 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 5.33 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als:

    • a.

      de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 

    • b.

      bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen.

  • 2.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 4.

    Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in hetderde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 5.34 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 5.33, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van tevoren is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.35 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden, als het onverminderd de regels in artikelen 5.33 en 5.34, van oordeel is dat de bodem zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw. Deze voorschriften strekken ertoe dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.

Artikel 5.36 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.33 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

  • b.

    als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel  5.33 tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel  5.33 tweede tot en met vierde lid, redelijkerwijs is uit te sluiten.

 

Subparagraaf 5.2.4.5 Parkeernormering auto's en fietsen
Artikel 5.37 Beoordelingsregel parkeerplaatsen
Artikel 5.38 Met vergunningvoorschrift afwijken van de parkeernormen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 5.37 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

  • a.

    sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en

  • b.

    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.

Artikel 5.39 Maatwerkvoorschrift maatvoering parkeervoorzieningen

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, indien dit gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Artikel 5.40 Aanvraagvereisten beoordeling normering auto's en fietsen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein. 

Subparagraaf 5.2.4.6 Windhinder
Artikel 5.41 Beoordelingsregel windhinder

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.42 Instandhouding acceptabel windklimaat

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.43 Aanvraagvereisten windhinder

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
Artikel 5.44 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

  • 3.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied.

  • 4.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 5.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. 

Artikel 5.45 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de waarden voor het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 5.46 Waar waarden gelden

 

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen, met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 5.47 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 5.48 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
  • 1.

    Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.48

    Tabel 5.48: standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 5.48 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 5.48 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 5.49 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.48 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      het gaat om de realisatie van 10 of minder geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen); 

    • b.

      het gaat om de realisatie van 11 of meer geluidgevoelige gebouwen (woningen/appartementen) en de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, waarbij de regels met betrekking tot financiële doelmatigheid volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gevolgd, dan wel er met redenen omkleed geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • c.

      minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is per woning/studio of er worden compenserende maatregelen getroffen; en

    • d.

      het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.49.

     Tabel 5.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 5.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 5.50 Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen 

Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.49  bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:  

  • a.

    sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen; 

  • b.

    door middel van onderzoek aangetoond wordt dat: 

    • 1.

      het doel in redelijke verhouding staat tot de afwijking van de grenswaarde; 

    • 2.

      het afwijken van de grenswaarde geschikt is om het doel te behalen; 

    • 3.

      het initiatief niet anders uitgevoerd kan worden en maatregelen en compensatie niet mogelijk zijn en monitoring mogelijk noodzakelijk is; 

    • 4.

      maatschappelijk draagvlak voor het afwijken van de grenswaarde aanwezig is; en

  • c.

    Minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig is of minimaal 1 gedeeltelijk geluidluwe gevel aanwezig is en hierbij compenserende maatregelen worden getroffen. 

Artikel 5.51 Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 

Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 5.49  bedoelde grenswaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als:  

  • a.

    de uitwendige scheidingsconstructie van de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van de vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert; of 

  • b.

    aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde. 

Artikel 5.52 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid 
  • 1.

    Bij de toepassing van de artikelen 5.49 en 5.52  wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. 

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: 

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; 

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; 

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en 

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBSdan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.  

  • 3.

    Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt. 

  • 4.

    Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan. 

  • 5.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 

Artikel 5.53 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid - zwaarwegende belangen
  • 1.

    Bij de toepassing van de artikelen 5.49 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS  dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Het gecumuleerde geluid wordt niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt. 

  • 4.

    Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan. 

  • 5.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 5.54 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. Deze voorschriften kunnen in ieder geval het gezamenlijke geluid, de gevel met maatregelen, de geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen betreffen.

Artikel 5.55 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen

 

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de waarde van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaard- en/of grenswaarde, inzicht wordt gegeven in mogelijk te treffen:

    • 1.

      bronmaatregelen;

    • 2.

      overdrachtsmaatregelen;

    • 3.

      maatregelen bij de ontvanger

Subparagraaf 5.2.4.8 Bouwen bij belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen
Artikel 5.56 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van belemmeringsgebied buisleiding gevaarlijke stoffen.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.

  • 3.

    De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen

Artikel 5.57 Beoordelingsregel en vergunningvoorschriften
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de veiligheid van de in artikel 5.56 derde lid bedoelde buisleiding niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de in artikel 5.56 derde lid bedoelde buisleiding, over de vraag of door de voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken de veiligheid van de buisleiding wordt geschaad en welke voorschriften indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming daarvan.

  • 3.

    Met het oog op de waarborging van de veiligheid van de in artikel 5.56 derde lid bedoelde buisleiding, kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Artikel 5.58 Aanvraagvereisten

 

Als deze subparagraaf van toepassing is, worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het bouwwerk;

  • b.

    de specifieke locatie waar het bouwwerk wordt gerealiseerd;

  • c.

    de functie of het beoogd gebruik van het bouwwerk;

  • d.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • e.

    de te gebruiken materialen;

  • f.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • g.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het bouwwerk.

Subparagraaf 5.2.4.9 Waterberging
Artikel 5.59 Groen en waterberging
Artikel 5.60 Aanvraagvereisten bij waterbergingsopgave

gereserveerd

Subparagraaf 5.2.4.10 Trillingen
Artikel 5.61 Trillingen

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.62 Aanvraagvereisten trillingen

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.11 Cultuurlandschappen
Artikel 5.63 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in cultuurlandschappen.

Artikel 5.64 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Hierbij wordt advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven.

Artikel 5.65 Vergunningvoorschriften

In de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden opgenomen waarmee cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

Artikel 5.66 Aanvraagvereisten cultuurlandschappen

gereserveerd

Subparagraaf 5.2.4.12 Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Artikel 5.67 Toepassingsbereik

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.68 Beoordelingsregels

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 5.69 Aanvraagvereisten Natuur Netwerk Brabant

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 5.2.4.13 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten
Artikel 5.70 Overgangsregeling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg
  • 1.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5.71 Overige gegevens en bescheiden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 5.2.4.14 Mobiele verontreinigingssituatie
Artikel 5.72 Beoordelingsregel mobiele verontreinigingssituatie

 

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: 

  • a.

    geen sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie, zoals bedoeld in artikel 5.11;

  • b.

    sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie zoals bedoeld in artikel 5.11, maar de bron van de mobiele verontreinigingssituatie niet ligt op het perceel waarop wordt gebouwd; of

  • c.

    sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie en uit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat:

    • 1.

      gevaar voor het grondwater is uit te sluiten;

    • 2.

      als gevaar voor het grondwater niet is uit te sluiten, voor de bodemsanering een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingediend;

    • 3.

      als gevaar voor het grondwater aanwezig is, een grondwatersanering is uitgevoerd in overeenstemming met de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.52 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; of

    • 4.

      als de bodemsanering of grondwatersanering nog niet is afgerond, de bouwactiviteiten geen belemmering opleveren voor de sanering.

 

Artikel 5.73 Aanvraagvereisten 

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de resultaten van het voorafgaande bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.11;

  • b.

    de resultaten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

  • c.

    de naam en het adres van degene die de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit heeft uitgevoerd;

  • d.

    de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; en

  • e.

    het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht.

Artikel 5.74 Gegevens en bescheiden naar Gedeputeerde Staten

Het bevoegd gezag stuurt een kopie van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 5.73, aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.75 Start bouwactiviteit

De bouwactiviteit start niet eerder dan nadat het bevoegd gezag is geinformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere maatregelen, die voortvloeien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, zijn uitgevoerd.

Subparagraaf 5.2.4.15 Archeologische (verwachtings-)waarde
Subsubparagraaf 5.2.4.15.1 Archeologische (verwachtings-)waarde: categorie 1

Artikel 5.76 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 1: gemeentelijk archeologisch monument

Artikel 5.77 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

  • a.

    het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

  • b.

    een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

  • c.

    uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

Artikel 5.78 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.79 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.2 Archeologische (verwachtings-)waarde: categorie 2

Artikel 5.80 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in: categorie 2: terrein van hoge archeologische waarde

Artikel 5.81 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 10 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 10 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.82 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.83 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.3 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 3

Artikel 5.84 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 3: terrein van archeologische verwachtingswaarde .

Artikel 5.85 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 50 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 50 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.86 Vergunningvoorschriften

 

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.87 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.4 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 4

Artikel 5.88 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 4: hoge verwachting, historische kern.

Artikel 5.89 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 100 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 100 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.90 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.91 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.5 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 5

Artikel 5.92 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 5: hoge archeologische verwachting.

Artikel 5.93 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 250 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 250 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.94 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.95 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.6 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 6

Artikel 5.96 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 6: middelhoge archeologische verwachting.

Artikel 5.97 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 2.500 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 2.500 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.98 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.99 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subsubparagraaf 5.2.4.15.7 Archeologische (verwachtings-)waarde categorie 7 

Artikel 5.100 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in categorie 7: lage archeologische verwachting.

Artikel 5.101 Beoordelingsregels

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt uitsluitend verleend als:

    • a.

      het gaat om gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

    • b.

      een archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

    • c.

      uit het onderzoek blijkt dat door de oprichting van het bouwwerk dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige verstoring van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk als het gaat om: 

    • a.

      het bebouwen van gronden waarbij maximaal 25.000 m2  van de grond wordt geroerd; of

    • b.

      het bebouwen van gronden waarbij werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte vanaf 25.000 m2  tot een maximum diepte van 0,3 m onder maaiveld. 

Artikel 5.102 Vergunningvoorschriften

Als uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende regels verbonden: 

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); en/of 

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een Programma van Eisen. 

Artikel 5.103 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Subparagraaf 5.2.4.16 Geurgevoelig gebouw binnen geurzone RWZI (zuiveringstechnisch werk)
Artikel 5.104 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een geurgevoelig gebouw in geurzone RWZI.

Artikel 5.105 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als:

  • a.

    sprake is van vervangende nieuwbouw van een geurgevoelig gebouw;

  • b.

    het bestaande gebruik niet wordt gewijzigd, tenzij niet of minder geurgevoelige gebouwen worden gebouwd;

  • c.

    de bruto-vloeroppervlakte van de geurgevoelige gebouwen niet wordt uitgebreid; en

  • d.

    de gebouwen niet dichter bij de RWZI worden gebouwd.

Artikel 5.106 Aanvraagvereisten

gereserveerd

Subparagraaf 5.2.4.17 Wederopbouwgebied van nationaal belang
Artikel 5.107 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen in wederopbouwgebied van nationaal belang.

Artikel 5.108 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als:

  • a.

    het een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk, geen gebouw zijnde betreft. Bij hoofdgebouwen zijn uitsluitend interne verbouwingen toegestaan;

  • b.

    de bestaande voorgevelrooilijnen niet worden overschreden;

  • c.

    de bestaande goot- en bouwhoogte niet wordt overschreden;

  • d.

    van de bestaande dakvorm, dakhelling en nokrichting van gebouwen niet wordt afgeweken; en

  • e.

    niet wordt gebouwd in voor-, zij- en achtertuinen, voor zover grenzend aan de openbare ruimte.

Artikel 5.109 Aanvraagvereisten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Afdeling 5.3 Omgevingsplanactiviteit slopen

Paragraaf 5.3.1 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen wederopbouwgebied van nationaal belang

Artikel 5.110 Toepassingsbereik en oogmerk
Artikel 5.111 Vergunningplicht sloopactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een  omgevingsplanactiviteit slopen binnen wederopbouwgebied van nationaal belang te verrichten. 

Artikel 5.112 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 5.111 geldt niet als de bedoelde activiteiten:  

  • a.

    het normale onderhoud en beheer betreffen;

  • b.

    onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend;

  • c.

    plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag;

  • d.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • e.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 5.113 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een  omgevingsplanactiviteit slopen binnen wederopbouwgebied van nationaal belang wordt alleen verleend als: 

  • a.

    de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben, en

  • b.

    een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor:

    • 1.

      een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, of

    • 2.

      het verbouwen van het bouwwerk.

Artikel 5.114 Aanvraagvereisten

 

In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen wederopbouwgebied van nationaal belang wordt, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

  • a.

    een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overlegd waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven een advies is uitgebracht. Dit onderzoek dient aan te tonen dat de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben;

  • b.

    aannemelijk wordt gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd;

  • c.

    een rapport wordt verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 5.115 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen wederopbouwgebied van nationaal belang worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 5.110, derde lid, genoemde belang.

Paragraaf 5.3.2 Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van karakteristiek

Artikel 5.116 Toepassingsbereik en oogmerk
Artikel 5.117 Vergunningplicht sloopactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk te verrichten. 

Artikel 5.118 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 5.117 geldt niet voor actviteiten die:

  • a.

    het normale onderhoud en beheer betreffen;

  • b.

    onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend; 

  • c.

    plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag;

  • d.

    die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • e.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 5.119 Beoordelingsregels

Een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk wordt alleen verleend als:

  • a.

    de sloopactiviteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben; en

  • b.

    een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor:

    • 1.

      een in plaats van het de slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, of

    • 2.

      het verbouwen van het bouwwerk.

Artikel 5.120 Aanvraagvereisten

In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk wordt, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

  • a.

    een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek overlegd waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven een advies is uitgebracht. Dit onderzoek dient aan te tonen dat de sloopactiviteiten geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben.

Artikel 5.121 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 5.116, derde lid, genoemde belang.

Afdeling 5.4 Overige regels bouwwerken en activiteiten over bouwwerken

Paragraaf 5.4.1 Algemeen

Artikel 5.122 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk.

Artikel 5.123 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over paragraaf 5.4.2.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in paragraaf 5.4.2.

Paragraaf 5.4.2 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 5.124 Repressief welstand
  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

  • 3.

    Totdat beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.125 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.126 Aansluiting op distributienet voor gas
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als:

    • a.

      artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.127 Aansluiting op distributienet voor warmte
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:

    • a.

      het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

  • 3.

    Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 5.128 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.129 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.123 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.130 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.131 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.132 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.131, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Hoofdstuk 6 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN

Afdeling 6.1 Algemeen 

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.

Artikel 6.2 Beperking geografisch toepassingsbereik

Paragraaf 6.3.3 tot en met Paragraaf 6.3.6  zijn uitsluitend van toepassing ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

Artikel 6.3 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 6.9, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 6.2 Voorrangsregel ruimtelijke regels bouwwerken

Artikel 6.4 Voorrangsregel ruimtelijke regels bouwwerken

  • 1.

    Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met paragraaf 6.3.1 of met het ter plaatse geldende  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. 

Afdeling 6.3 Ruimtelijke regels over bouwwerken

Paragraaf 6.3.1 Bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan

Artikel 6.5 Algemene afbakeningseisen
  • 1.

    Artikel 6.7 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van artikel 6.7 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 6.7 onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

     

Artikel 6.6 Mantelzorg als functioneel verbonden met hoofdgebouw

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. 

Artikel 6.7 Bouwwerken die zijn toegestaan

Ongeacht het bepaalde in paragraaf 6.3.3 tot en met 6.3.6, een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, of een TAM-omgevingsplan, zijn de volgende bouwwerken toegestaan:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;

    • 5.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

    • 6.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • I.

        5 m;

      • II.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • III.

        het hoofdgebouw;

    • 7.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • I.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • II.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • 8.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

    • 9.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • I.

        een woonwagen;

      • II.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • III.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

  • b.

    een erf- of perceelafscheiding, als voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;

  • c.

    het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor de huisvesting van mantelzorg.

 

Artikel 6.8 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  • 1.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7 onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 6.7, onder a, onder 7, onder 2, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 6.7, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 6.7, onder a, onder 8, gestelde eisen de volgende eisen: 

    • a.

      in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; 

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en 

    • c.

      buiten de bebouwde kom. 

  • 3.

    Het tweede lid is alleen van toepassing als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het tweede lid niet voldoet aan  de in artikel 6.7, onder a, onder 8 gestelde eisen.

Artikel 6.9 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed
  • 1.

    Artikel 6.7 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: 

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

    • b.

      op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of wederopbouwgebied van nationaal belang is gegeven.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 3.

    Het tweede lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 6.10 Beperkingen vanwege externe veiligheid
Artikel 6.11 Beperkingen op aangewezen locaties

Artikel 6.7, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing ter plaatse van:

 

Paragraaf 6.3.2 Gebruik van bouwwerken

Artikel 6.12 Bouwwerken uitsluitend toegestaan voor het toegestane gebruik

Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:

  • a.

    een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in artikel 3.2 eerste lid; 

  • b.

    de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid;

  • c.

    een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels voor gebruik, bedoeld in artikel 3.2;

  • d.

    een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Paragraaf 6.3.3 Gebouwen

Subparagraaf 6.3.3.1 Algemeen
Artikel 6.13 Waar zijn gebouwen toegestaan
  • 1.

    Een gebouw is, tenzij in dit omgevingsplan anders bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van een bouwvlak.

  • 2.

    Ter plaatse van natuur en water is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. 

  • 3.

    Ter plaatse van groenblauwe waarden is het niet toegestaan af te wijken van de bouwregels die zijn opgenomen in de daar voorkomende gebruiksdoelen, dit met uitzondering van die gevallen waarin ook een positieve bijdrage geleverd wordt aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden.

  • 4.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.14 Bouwhoogte gebouwen
  • 1.

    De maximum bouwhoogte van een gebouw is de ter plaatse bepaalde waarde.

  • 2.

    De minimale bouwhoogte van een gebouw is de ter plaatse bepaalde waarde. 

  • 3.

    Ter plaatse van karakteristiek mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan bestaand.

  • 4.

    Ter plaatse van hoogtes monumenten mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan bestaand.

  • 5.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste en tweede lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.15 Goothoogte gebouwen
  • 1.

    De maximum goothoogte van een gebouw is de ter plaatse bepaalde waarde.

  • 2.

    De minimale goothoogte van een gebouw is de ter plaatse bepaalde waarde. 

  • 3.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste en tweede lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.16 Bebouwd oppervlak (m2)
Artikel 6.17 Bebouwd oppervlak (%)
Artikel 6.18 Bruto-vloeroppervlakte (m2)
Artikel 6.19 Begraafplaats

Ter plaatse van begraafplaats zijn gebouwen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 5 m en een totale maximale oppervlakte van 100 m2 .

Artikel 6.20 Volkstuinen

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 6.3.3.2 Bijbehorende bouwwerken bij wonen
Artikel 6.21 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van wonen.

Artikel 6.22 Bijbehorend bouwwerk binnen en buiten bouwvlak

Bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Artikel 6.23 Afstand voorgevel tot bijbehorend bouwwerk
  • 1.

    Een bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan gebouwd wanneer de zijzijde aan het openbaar toegankelijk gebied grenst. In andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 m.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, zijn bijbehorende bouwwerken ter plaatse van bijbehorende bouwwerken wonen voor de voorgevel toegestaan. 

Artikel 6.24 Oppervlakte bijbehorend bouwwerk
  • 1.

    De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2,  met dien verstande  dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwwerkperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bouwwerkperceel groter dan 750 m² maximaal 10 % van de oppervlakte van het bouwwerkperceel mag bedragen.

Artikel 6.25 Goothoogte bijbehorend bouwwerk

De maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,5 m, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap bedraagt de maximale bouwhoogte 4,5 m.

Artikel 6.26 Bijbehorend bouwwerk voor de voorgevel van de woning

Voor de voorgevel van een woning mag een bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden tot een maximum diepte van 1,5 m en met een maximale goothoogte van 3,5 m, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert.

Artikel 6.27 Bestaande situatie

Voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde in artikelen 6.23 tot en met 6.26, gelden die maten als maximum.

Subparagraaf 6.3.3.3 (dak)opbouw
Artikel 6.28 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van wonen, met dien verstande dat deze regels niet van toepassing zijn op een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of het wederopbouwgebied van nationaal belang.

Artikel 6.29 Dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw

Er mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een woning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    er is geen sprake van een bungalow en/of patiowoning;

  • b.

    aan de achterzijde van het hoofdgebouw;

  • c.

    de bouwhoogte  van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 m onder de nok van het hoofdgebouw blijft;

  • d.

    de hellingshoek van een eventuele kap van de dakopbouw gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak waarop wordt gebouwd; en

  • e.

    de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 m is.

Artikel 6.30 Opbouw bungalow/patiowoning

Er mag een opbouw op een bungalow of een patiowoning worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de opbouw wordt geplaatst op het hoofdgebouw;

  • b.

    de oppervlakte van de opbouw bedraagt maximaal 25% van het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw; en

  • c.

    de bouwhoogte bedraagt maximaal 7 m, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een reeds bestaande tweede bouwlaag op een bungalow / patiowoning niet hoger mag zijn dan de bestaande bouwhoogte van de tweede bouwlaag.

Subparagraaf 6.3.3.4 Gebouwen voor het opwekken van duurzame energie
Artikel 6.31 Gebouwen voor het opwekken van duurzame energie
  • 1.

    Gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan.

  • 2.

    De maximale bouwhoogte bedraagt 3 m.

  • 3.

    De maximale oppervlakte bedraagt 15 m2.

Subparagraaf 6.3.3.5 Woonwagen of woonwagenwoning
Artikel 6.32 Toepassingsbereik
Artikel 6.33 Waar zijn gebouwen toegestaan

Indien een bouwvlak is opgenomen binnen woonwagenstandplaatsen, zijn gebouwen uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak.

Artikel 6.34 Bebouwingspercentage

Het maximale bebouwingspercentage van een woonwagenstandplaats bedraagt 80%. Voor zover de bestaande situatie hiervan afwijkt, gelden dat bebouwingpercentage als maximum.

Artikel 6.35 Woonwagen/woonwagenwoning
  • 1.

    De maximum bouwhoogte van een woonwagen of woonwagenwoning is de ter plaatse bepaalde waarde.

  • 2.

    De maximum goothoogte van een woonwagen/woonwagenwoning is de ter plaatse bepaalde waarde. 

  • 3.

    De maximum breedte woonwagen van een woonwagen of woonwagenwoning is de ter plaatse bepaalde waarde.  

  • 4.

    De minimale afstand zijdelingse perceelsgrens van een woonwagen of woonwagenwoning tot de zijdelingse perceelsgrens is de ter plaatse bepaalde waarde. 

  • 5.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid,  gelden die maten als maximum.

Artikel 6.36 Bijbehorende bouwwerken
  • 1.

    De maximum bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt 3,5 m.

  • 2.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid,  gelden die maten als maximum.

Paragraaf 6.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Artikel 6.37 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde 
  • 1.

    Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 5 m.

  • 2.

    Ter plaatse van overkapping is een overkapping toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3,5 m.

  • 3.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.38 Erf- en terreinafscheiding
  • 1.

    Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum hoogte van een erf- en terreinafscheiding:

    • a.

      2 m, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn;

    • b.

      1 m, voor zover gelegen voor de voorgevelrooilijn. 

  • 2.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.39 Lichtmasten
  • 1.

    Lichtmasten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkeerverblijf  en sport

  • 2.

    De maximum bouwhoogte van een lichtmast bedraagt 10 m, met dien verstande dat ter plaatse van sport lichtmasten met een maximum bouwhoogte van 25 m zijn toegestaan.

Artikel 6.40 Geluidwerende voorzieningen
  • 1.

    Tenzij anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen 2,5 m.

  • 2.

    Ter plaatse van geluidwerende voorzieningen zijn geluidschermen toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. 

Artikel 6.41 Kunstwerken
  • 1.

    Kunstwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van verkeer.

  • 2.

    De maximum bouwhoogte van kunstwerken bedraagt 8 m.

Artikel 6.42 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen

Ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding zijn uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leidingen toegestaan. 

Artikel 6.43 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkooppunt motorbrandstoffen
  • 1.

    Ter plaatse van verkooppunt motorbrandstoffen zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum van 5 m, met uitzondering van: 

    • a.

      reclamezuilen waarvan de maximum bouwhoogte 15 m bedraagt; 

    • b.

      een overkapping waarvan de maximum bouwhoogte 5,5 m bedraagt;

    • c.

      terreinafscheidingen waarvan de maximum bouwhoogte 2,5 m bedraagt.

  • 2.

    Voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde in het eerste lid, gelden die maten als maximum.

Artikel 6.44 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van begraafplaatsen

Ter plaatse van begraafplaats zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum hoogte van 5 m, met uitzondering van:

  • a.

    verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten waarvan de maximum bouwhoogte 15 m bedraagt.

Artikel 6.45 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor dagrecreatie

Ter plaatse van dagrecreatie zijn:

  • a.

    erf- en terreinafscheidingen toegestaan tot maximaal 2 m;

  • b.

    andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum hoogte van 6 m.

 

Artikel 6.46 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor volkstuinen

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.47 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bij woonwagens
  • 1.

    In afwijking van de regels zoals opgenomen in artikelen 6.37 tot en met 6.41 gelden ter plaatse van woonwagenstandplaats de regels zoals opgenomen in artikel 6.47.

  • 2.

    De maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2,5 m.

Paragraaf 6.3.5 Bijzondere bouwwerken

[Gereserveerd]

Paragraaf 6.3.6 Overige regels over bouwwerken

Artikel 6.48 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen
Artikel 6.49 Bouwregels waterwingebied

Ter plaatse van waterwingebied mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de drinkwatervoorziening en de bescherming daarvan.

Artikel 6.50 Bouwregels grondwaterbeschermingsgebied

Ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebied bedraagt de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 3 m onder maaiveld. 

Artikel 6.51 Bouwregels behoud en herstel watersystemen
Artikel 6.52 Bouwregels ecologische verbindingszone

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 6.53 Bouwregels cultuurhistorische gebieden

Ter plaatse van cultuurhistorische gebieden gelden de volgende bouwregels voor hoofdgebouwen:

  • a.

    de bestaande voorgevelrooilijn mag niet worden overschreden;

  • b.

    de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet worden overschreden;

  • c.

    van de bestaande dakvorm, dakhelling en nokrichting van gebouwen mag niet worden afgeweken.

 

Artikel 6.54 Onderdoorgang

Ter plaatse van onderdoorgang mogen de gronden op basis van de minimale bouwhoogte onderdoorgang tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd.

Artikel 6.55 Bouwregels regionale waterberging
  • 1.

    Ter plaatse van regionale waterberging mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de waterberging. 

  • 2.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van regionale waterberging mag maximaal 2 m bedragen.

Artikel 6.56 Bouwregels natuur
  • 1.

    Ter plaatse van natuur zijn:

    • a.

      perceelafscheidingen niet toegestaan, met uitzondering van open afrasteringen met een maximum hoogte van 1 m;

    • b.

      overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde zend-, ontvang- en/of sirenemasten, toegestaan met een maximum bouwhoogte van 2 m. 

  • 2.

    voor zover de bestaande situatie afwijkt van het bepaalde onder het eerste lid sub a en b, gelden die maten als maximum. 

  • 3.

    In afwijking van de hoogtes zoals genoemd in het eerste lid sub a en b, kan het bevoegd gezag middels het verlenen van een maatwerkvoorschrift een maximale hoogte van 4 m toestaan, mits dit noodzakelijk is voor natuurbeheer. 

Hoofdstuk 7 AANLEGACTIVITEITEN

Afdeling 7.1 Algemeen

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.

  • 2.

    Onverminderd afdeling 5.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk. 

Afdeling 7.2 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten 'beschermingszone archeologie' 

Artikel 7.2 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door:

    • a.

      het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen;

    • b.

      het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

    • c.

      het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

    • d.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

    • e.

      het rooien en vellen van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;

    • f.

      het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;

    • g.

      het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;

    • h.

      het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;

    • i.

      het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand;

    • j.

      het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt;

    • k.

      het aanbrengen van verhardingen.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van beschermingszone archeologie.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het tegengaan van het ontstaan of kunnen ontstaan van een onevenredige aantasting van de archeologische waarden.

Artikel 7.3 Vergunningplicht aanlegactiviteiten

Ter plaatse van beschermingszone archeologie is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde.

Artikel 7.4 Uitzonderingen op de vergunningplicht

  • 1.

    Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de bedoelde activiteiten:

    • a.

      van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.

  • 2.

    Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van beschermingszone archeologie en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan is aangegeven in tabel 7.4 bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde.

    Tabel 7.4

    afbeelding binnen de regeling
    archeologische verwachtingGemeente Eindhoven
  • 3.

    Het verbod bedoeld in artikel 7.3 geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van beschermingszone archeologie en de bodemverstoring niet dieper gaat dan is aangegeven in tabel 7.4 bij de ter plaatse geldende archeologische (verwachtings-)waarde.

Artikel 7.5 Beoordelingsregels

 

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt verleend als:

  • a.

    archeologisch onderzoek is uitgevoerd; en

  • b.

    uit het onderzoek blijkt dat door die werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaan of kunnen ontstaan.

Artikel 7.6 Aanvraagvereisten

 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat:

  • a.

    het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd door middel van planaanpassing (behoud in situ) of door middel van opgraving (behoud ex situ); 

  • b.

    de (te verwachten) archeologische waarden door de verstoring naar oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad; of

  • c.

    naar oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Artikel 7.7 Advies gemeentelijk adviseur archeologie

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone, wordt advies gevraagd bij de gemeentelijk adviseur archeologie.

Artikel 7.8 Vergunningvoorschriften

 

Als het uitvoeren van de aanlegactiviteit archeologische beschermingszone waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, dan worden aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ), en/of;

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ), op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.

Afdeling 7.3 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'

Artikel 7.9 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanbrengen en/of kappen van hoogopgaande beplanting of bomen;

    • b.

      het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 m;

    • c.

      het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;

    • d.

      het ophogen en egaliseren, bodemverlagen of afgraven of anderszins wijzigen van maaiveld of weghoogte;

    • e.

      aanleg van kabels en leidingen, tenzij voor instandhouding infrastructuur;

    • f.

      aanbrengen van zonnepanelen en bijbehorende installaties;

    • g.

      aanleg van wegen, parkeerplaatsen en andere verhardingen;

    • h.

      aanleggen, vergraven of dempen van watergangen.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding .

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de veiligheid en bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. 

Artikel 7.10 Vergunningplicht aanlegactiviteiten

Ter plaatse van beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding te verrichten. 

Artikel 7.11 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.10 geldt niet als de bedoelde activiteiten:

  • a.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    het normale onderhoud van leidingen betreffen. 

Artikel 7.12 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend als door de genoemde werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.

Artikel 7.13 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en

  • d.

    de te gebruiken materialen.

Artikel 7.14 Advies leidingbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag advies in bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding wordt aangetast.

Artikel 7.15 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.9, derde lid, kunnen aan een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.4 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen'

Artikel 7.16 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting of bomen;

    • b.

      het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 m;

    • c.

      het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, anders dan ten dienste van de in artikel 3.53 vierde lid omschreven gebruiksdoel, tenzij voor instandhouding infrastructuur;

    • d.

      het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;

    • e.

      het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 0,80 meter onder  maaiveld;

    • f.

      het aanleggen van wegen, paden of parkeerplaatsen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • g.

      het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;

    • h.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld;

    • i.

      het aanbrengen van zonnepanelen en bijbehorende installaties.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding.  

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de veiligheid en bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. 

Artikel 7.17 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten

Ter plaatse van beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding te verrichten.  

Artikel 7.18 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.17 geldt niet als de bedoelde activiteiten:

  • a.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    het normale onderhoud van leidingen betreffen. 

Artikel 7.19 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend als door de genoemde werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.

Artikel 7.20 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en

  • d.

    de te gebruiken materialen.

Artikel 7.21 Advies leidingbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag advies in bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten veiligheidsrisico´s ontstaan en de betreffende leiding wordt aangetast.

Artikel 7.22 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.16, derde lid, kunnen aan een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.5 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de 'beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen'

Artikel 7.23 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden en/of het anderszins wijzigen van de bodemstructuur;

    • b.

      het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld voor het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;

    • c.

      het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;

    • d.

      het aanbrengen van gesloten verhardingen;

    • e.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

    • f.

      het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;

    • g.

      het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen. 

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van belemmeringsgebied buisleiding gevaarlijke stoffen.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Artikel 7.24 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten

Ter plaatse van belemmeringsgebied buisleiding gevaarlijke stoffen is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen te verrichten.

Artikel 7.25 Uitzonderingen vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.24, geldt niet als de bedoelde activiteiten:

  • a.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    het normale onderhoud betreffen;

  • d.

    graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.

Artikel 7.26 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt alleen verleend als het behoud van een veilige ligging van de leiding en de werking van de  leiding zijn gewaarborgd.

Artikel 7.27 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.28 Advies leidingbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 7.29 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 6.22, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.6 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van cultuurlandschappen

Artikel 7.30 Toepassingbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

    • b.

      het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;

    • c.

      het diepwoelen en diepploegen;

    • d.

      het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;

    • e.

      het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;

    • f.

      het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;

    • g.

      het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van het cultuurlandschappengebied.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het aangewezen gebied en/of de aanwezige cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende (landschaps)elementen. 

Artikel 7.31 Vergunningplicht voor aanlegactiviteiten

Ter plaatse van cultuurlandschappen is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit cultuurlandschappen te verrichten. 

Artikel 7.32 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.31 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    het normale onderhoud betreffen. 

Artikel 7.33 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit cultuurlandschappen wordt alleen verleend als:

  • a.

    naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen. Ter beoordeling of daarvan sprake is, wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Eindhoven of de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur, en/of wordt op grond van een cultuurhistorisch onderzoek vastgesteld dat met het uitvoeren van de werken en werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen.

Artikel 7.34 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.30 kan, in aanvulling op het bepaalde in Hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling, ten behoeve van de beoordeling van deze aanvraag door het college worden bepaald dat een bouwhistorisch of cultuurhistorisch onderzoek wordt ingediend. 

  • a.

    Dit is in ieder geval aan de orde in het geval dat sprake is van:

    • 1.

      ingrijpende verbouwing;

    • 2.

      onduidelijkheid van de authenticiteit van onderdelen;

    • 3.

      de aanwezigheid van een verouderd onderzoek dat de huidige feitelijke situatie onvoldoende weergeeft.

  • b.

    Het bouwhistorisch of cultuurhistorisch onderzoek wordt uitgevoerd door een deskundig bureau.

Artikel 7.35 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.30, kan de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

Afdeling 7.7 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'wederopbouwgebied van nationaal belang'

Artikel 7.36 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het wijzigen van straten, wegen, pleinen, bomen en erfafscheidingen, niet zijnde bouwwerken;

    • b.

      verhardingen aan te brengen, behoudens toegangspaden.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van wederopbouwgebied van nationaal belang.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het wederopbouwgebied van nationaal belang. 

Artikel 7.37 Vergunningplicht voor de aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van het wederopbouwgebied van nationaal belang is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit wederopbouwgebied van nationaal belang te verrichten.

Artikel 7.38 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.37 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 

Artikel 7.39 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wederopbouwgebied van nationaal belang wordt alleen verleend als de ruimtelijke en visuele karakteristiek van de gronden en de gebouwde omgeving niet in onevenredige mate worden aangetast. 

Artikel 7.40 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wederopbouwgebied van nationaal belang worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het wederopbouwgebied van nationaal belang;

  • b.

    plattegronden van bestaande en gewenste situatie van het gehele perceel;

  • c.

    doorsneden met hierop hoogteverschillen aangegeven;

  • d.

    beschrijving van de kleuren en materialen;

  • e.

    indien van toepassing: tuin- of landschapsplan.

Artikel 7.41 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.36 derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wederopbouwgebied van nationaal belang voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.8 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'natuur'

Artikel 7.42 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: 

    • a.

      het dieper dan 0,5 m afgraven, diepploegen, en verlagen van gronden;

    • b.

      in afwijking van het bepaalde in sub a geldt ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant het dieper dan 0,3 m afgraven, diepploegen, en verlagen van gronden;

    • c.

      het egaliseren, ophogen en/of anderszins wijzigen van de bodemstructuur; 

    • d.

      het wijzigen van de perceelsindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven; 

    • e.

      het aanleggen of verharden van wegen, fiets- en wandelpaden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een totale oppervlakte van meer dan 100 m2 , met dien verstande dat het aanleggen of verharden van wegen ter plaatse van  Natuur Netwerk Brabant niet is toegestaan; 

    • f.

      het graven, verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, greppels en poelen;

    • g.

      het opslaan, storten of bergen van materialen en producten voor andere doeleinden dan die bedoeld in artikel 3.73 tweede lid;

    • h.

      het planten, het vellen, rooien of verminken van houtopstand en hagen; 

    • i.

      het (onder)bemalen, het onttrekken van grondwater door het slaan van putten en het aanbrengen van drainage; 

    • j.

      het aanbrengen van oeverbeschoeiingen en het aanleggen van kaden en aanlegplaatsen; 

    • k.

      het aanbrengen van (infrastructurele) leidingen, zoals ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatieleidingen en het plaatsen/uitbreiden van de daarbij behorende installaties en apparatuur. 

  • 2.

    Deze afdeling is toepassing ter plaatse van natuur.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van natuur- en groenwaarden. 

Artikel 7.43 Vergunningplicht

Ter plaatse van natuur is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit natuur te verrichten.

Artikel 7.44 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.42 geldt niet als de bedoelde activiteiten:  

  • a.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; 

  • c.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • d.

    zijn toegestaan conform een omgevingsvergunning voor ontgrondingenactiviteiten.

Artikel 7.45 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit natuur wordt verleend als:

  • a.

    de werken of werkzaamheden nodig zijn in verband met natuurontwikkeling en/of beheer van natuur, landschap, cultuurhistorische waarden en kenmerken, extensief recreatie medegebruik en watersystemen;

  • b.

    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden zoals beschreven in artikel 7.42 derde lid.

Artikel 7.46 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit natuur worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.47 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.42 derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit natuur voorschriften worden verbonden.

Afdeling 7.9 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'water'

Artikel 7.48 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het dempen van water;

    • b.

      het vergraven van oevers;

    • c.

      het verleggen van water;

    • d.

      het herprofileren van waterlopen.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van water.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de waterhuishoudkundige belangen. 

Artikel 7.49 Vergunningplicht

Ter plaatse van water is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit water te verrichten.

Artikel 7.50 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.49 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale onderhoud betreffen;

  • b.

    de aanleg van ecologische oevers betreffen;

  • c.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.

Artikel 7.51 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwantiteit en waterkwaliteit ontstaat.

Artikel 7.52 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.53 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.48, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.54 Advies waterbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit water, wordt advies gevraagd bij de waterbeheerder met betrekking tot de vraag of door de ingreep het waterhuishoudkundig belang niet onevenredig wordt aangetast.

Afdeling 7.10 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten bij instructieregels 

Paragraaf 7.10.1 Waterwingebied

Artikel 7.55 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

    • c.

      het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond of schadelijke stoffen;

    • d.

      het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; en

    • e.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van waterwingebied.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het in stand houden van de openbare drinkwatervoorziening.  

Artikel 7.56 Vergunningplicht aanlegactiviteiten

Ter plaatse van waterwingebied is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit waterwingebied te verrichten.

Artikel 7.57 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.56 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale onderhoud betreffen;

  • b.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;

  • c.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.

Artikel 7.58 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit waterwingebied kan slechts worden verleend, indien de openbare drinkwatervoorziening niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 7.59 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit waterwingebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.60 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.55, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit waterwingebied voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.61 Advies gedeputeerde staten

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit waterwingebied, wordt advies gevraagd bij gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. 

Paragraaf 7.10.2 Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 7.62 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

    • b.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

    • c.

      het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond of schadelijke stoffen;

    • d.

      het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; en

    • e.

      werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebied.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. 

Artikel 7.63 Vergunningplicht

Ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebied is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied te verrichten.

Artikel 7.64 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.63 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale onderhoud betreffen;

  • b.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;

  • c.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel.

Artikel 7.65 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied kan slechts worden verleend, indien de kwaliteit van het grondwater en de bodem niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 7.66 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.67 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 7.62, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.68 Advies gedeputeerde staten

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied, wordt advies gevraagd bij gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.

Paragraaf 7.10.3 Boringsvrije zone

Artikel 7.69 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      boringen of grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 10 m beneden maaiveld.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van boringsvrije zone.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen.  

Artikel 7.70 Vergunningplicht

Ter plaatse van boringsvrije zone is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit boringsvrije zone te verrichten.

Artikel 7.71 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit boringsvrije zone kan slechts worden verleend, indien de werkzaamheden de beschermende kleilaag niet aantasten. 

Artikel 7.72 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit boringsvrije zone worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Paragraaf 7.10.4 Attentiezone waterhuishouding

Artikel 7.73 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van een ontgrondingsactiviteit;

    • b.

      de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;

    • c.

      het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

    • d.

      het beperken van het buiten een agrarisch bouwwerkperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Attentiezone Waterhuishouding.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

Artikel 7.74 Vergunningplicht

Ter plaatse van attentiezone waterhuishouding is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding te verrichten.

Artikel 7.75 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.74 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 

 

Artikel 7.76 Beoordelingsregels

 

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding kan slechts worden verleend, indien:

  • a.

     de werken of werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op de waterhuishouding;

  • b.

    het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.

Artikel 7.77 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.78 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.73, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 7.10.5 Behoud en herstel watersystemen

Artikel 7.79 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten;

    • b.

      het ophogen van gronden.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Behoud en Herstel Watersystemen.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het belang de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.

Artikel 7.80 Vergunningplicht

Ter plaatse van behoud en herstel watersystemen is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen te verrichten.

Artikel 7.81 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.80 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 

Artikel 7.82 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden de verwezenlijking of het behoud, beheer en herstel van watersystemen niet in onevenredige mate worden aangetast.

Artikel 7.83 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.84 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.79, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.85 Advies waterschap

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen, wordt advies gevraagd bij het waterschap.

Paragraaf 7.10.6 Natuur Netwerk Brabant

Artikel 7.86 Toepassingsbereik en oogmerk

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.87 Vergunningplicht

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.88 Uitzondering vergunningplicht

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.89 Beoordelingsregels

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.90 Aanvraagvereisten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.91 Vergunningsvoorschriften

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 7.10.7 Ecologische verbindingszone

Artikel 7.92 Toepassingsbereik en oogmerk

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.93 Vergunningplicht

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.94 Uitzondering vergunningplicht

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.95 Beoordelingsregels

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.96 Aanvraagvereisten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 7.97 Vergunningvoorschriften

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Paragraaf 7.10.8 Aardkundige waarde

Artikel 7.98 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen;

    • b.

      het afgraven, ophogen, of egaliseren van de bodem;

    • c.

      het verwijderen van houtopstanden;

    • d.

      het diepwoelen of - ploegen van de bodem;

    • e.

      het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Aardkundige Waarde.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden.

Artikel 7.99 Vergunningplicht

Ter plaatse van aardkundige waarde is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied te verrichten.

Artikel 7.100 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.99 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 

Artikel 7.101 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige aantasting van de aardkundige waarden plaatsvindt. 

Artikel 7.102 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.103 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.98, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 7.10.9 Regionale waterberging

Artikel 7.104 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ophogen van gronden;

    • b.

      het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Regionale Waterberging.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van het waterbergend vermogen van het regionale waterbergingsgebied.

Artikel 7.105 Vergunningplicht

Ter plaatse van regionale waterberging is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit regionale waterberging te verrichten.

Artikel 7.106 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.105 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

  • d.

    noodzakelijk zijn in verband met het op het gebruiksdoel gerichte beheer of gebruik van de grond.

Artikel 7.107 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging kan slechts worden verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden. 

Artikel 7.108 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.109 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.104, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging, voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.110 Advies waterschap

Voordat wordt besloten over een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit regionale waterberging, wordt advies gevraagd bij het waterschap.

Paragraaf 7.10.10 Groenblauwe waarde

Artikel 7.111 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;

    • b.

      het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;

    • c.

      het vellen of rooien van houtgewas.

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Groenblauwe Waarden.

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel, of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden.    

Artikel 7.112 Vergunningplicht

Ter plaatse van groenblauwe waarden is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit groenblauwe waarde te verrichten.

Artikel 7.113 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 7.105 geldt niet als de bedoelde activiteiten: 

  • a.

    het normale beheer en onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel;

  • c.

    mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.114 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit groenblauwe waarde  kan slechts worden verleend als aangetoond is dat de uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de ecologische, landschappelijke dan wel hydrologische waarden en kenmerken van het gebied.

Artikel 7.115 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit groenblauwe waarde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 7.116 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 7.104, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit groenblauwe waarde, voorschriften worden verbonden.

Artikel 7.117 Advies waterschap

Voor zover de aangevraagde ingrepen (mede) effect hebben op de hydrologische waarden, kan het bevoegd gezag, voorafgaand aan de vergunningverlening, advies inwinnen bij het waterschap.

Hoofdstuk 8 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van:

    • a.

      de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde;

    • b.

      de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en

    • c.

      de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 

  • 3.

    Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.

Artikel 8.2 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 8.3 Waar waarden gelden

 

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel, niet zijnde niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen,  met dien verstande dat een balkon niet bij de verblijfsruimte of het verblijfsgebied mag worden getrokken;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 8.4 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigingen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of het gebruik van een lokale spoorweg

Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

  • a.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen;

  • b.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:

    • 1.

      het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; 

    • 2.

      het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; 

    • 3.

      een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;

    • 4.

      het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of 

    • 5.

      het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. 

  • c.

    een lokale spoorweg aan te leggen; 

  • d.

    een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:

    • 1.

      het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m;

    • 2.

      het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m; 

    • 3.

      een toename van het aantal sporen;

    • 4.

      het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of 

    • 5.

      het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg; of

  • e.

    het gebruik van een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door:

    • 1.

      het verhogen van de maximumrijsnelheid;

    • 2.

      het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of

    • 3.

      het verhogen van de treinintensiteit, waaronder in elk geval ook wordt verstaan de intensiteit van (snel)tram of metro.

Artikel 8.5 Beoordelingsregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.4, wordt alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit in overeenstemming is met artikel 3.2; en

    • b.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

  • 2.

    De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft. 

  • 3.

    Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing: 

    • a.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • b.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.

Artikel 8.6 Omgevingsplanactiviteit (spoor)weg aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

  • 1.

    Het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen is aanvaardbaar als het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 8.6:

    Tabel 8.6: standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78m, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.7 Wijziging van een (spoor)weg en wijziging gebruik ook aanvaardbaar als het geluid niet toeneemt

Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.

Artikel 8.8 Overschrijding van de standaardwaarde of toename

  • 1.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 8.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 8.6 en 8.7 bedoelde waarden te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de hoogste van de in artikel 8.6 en 8.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 8.8, zoals opgenomen in dit eerste lid.

     Tabel 8.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    65 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    70 Lden

    Industrieterrein

    60 Lden

    50 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.9 Overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen

  • 1.

    Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen.

  • 2.

    Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onder c, en de geluidbelasting volgens artikel 8.8 aanvaardbaar is, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

Artikel 8.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

  • 1.

    Bij de toepassing van de artikelen 8.8 en 8.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de gelden de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 dBBS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein;

    • e.

      de aanwezigheid van:

      • 1.

        minimaal 1 geluidluwe gevel; of

      • 2.

        er compenserende maatregelen worden getroffen.

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

  • 4.

    Een geluidgevoelig gebouw wordt aanvaardbaar geacht indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitwijst dat op basis van het gezamenlijke geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan. 

Artikel 8.11 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikelen  8.8 en 8.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 8.4, vastgelegd. 

Artikel 8.12 Vergunningvoorschriften

Aan een in artikel 8.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen. 

Artikel 8.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

Bij een aanvraag om een in artikel 8.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden; 

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; 

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen; 

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; 

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; 

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 8.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 8.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • d.

    bij een aanvraag waarop artikel 8.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaan. 

Hoofdstuk 9 KOSTENVERHAAL

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Afdeling 10.1 Algemene bepalingen

Artikel 10.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten.

Artikel 10.2 Voorrangsbepaling

  • 1.

    Ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften verbonden zijn aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 10.3 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en 

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3.

      het doelmatig beheer van afvalstoffen.

 

Artikel 10.4 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.3, is verplicht: 

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.5 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikelen 10.3 en 10.4.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 10.3.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.6 Gegevens en bescheiden op verzoek

  • 1.

    Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. 

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 10.7 Informeren bij ongewoon voorval

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 3.

    Het eerste en het tweede lid gelden niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 10.2 van toepassing is.

     

Artikel 10.8 Zelfstandige informatieplicht bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba

  • 1.

    Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of te beperken.

  • 2.

    De verstrekte informatie is voldoende om de beoordeling of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk, bedoeld in artikel 8.9, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, te kunnen maken.

  • 3.

    De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.

Afdeling 10.2 Milieubelastende activiteiten anders dan lozen of bodembeheer

Paragraaf 10.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 10.9 Toepassingsbereik
  • 1.

    Afdeling 10.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 10.1, met uitzondering van:

    • a.

      activiteiten bij wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de ten tijde van het vaststellen van dit omgevingsplan geldende Algemene plaatselijke verordening;

      • 2.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of

      • 3.

        dat niet aangemerkt kan worden als festiviteit behorende bij een milieubelastende activiteit;

    • f.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; 

    • g.

      lozingen; 

    • h.

      graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen;

    • i.

      situaties waarbij sprake is van het opslaan van propaan in tanks bij woningen; en

    • j.

      milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 

      • 1.

        rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

      • 2.

        elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder a, is deze titel wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

Artikel 10.10 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.

Paragraaf 10.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten

Subparagraaf 10.2.2.1 Energiebesparing
Artikel 10.11 Toepassingsbereik

gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.12 Energie: maatregelen

gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subparagraaf 10.2.2.2 Zwerfafval
Artikel 10.13 Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Subparagraaf 10.2.2.3 Geluid
Subsubparagraaf 10.2.2.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 10.14 Toepassingsbereik

Subparagraaf 10.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 10.9, met uitzondering van:

  • a.

    het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    op het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;

  • c.

    windturbines;

  • d.

    bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV;

  • e.

    het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 6.7, aanhef en onder a of c.

 

Artikel 10.15 Meerdere activiteiten beschouwen als 1 activiteit

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 10.16 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; 

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; 

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 10.17 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit. 

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 10.17 In welke gevallen akoestisch onderzoek

  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er altijd een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden (gemiddeld gemeten over de periode van een jaar) met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • c.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • d.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • e.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • f.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; 

    • g.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het bevoegd gezag ziet af van het verzoeken om een akoestisch rapport indien:

    • a.

      op basis van redelijke kennis aannemelijk is dat de geluidswaarden zoals bedoeld in deze paragraaf niet worden overschreden of voldaan kan worden aan de voorschriften in de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift;

    • b.

      voldoende vaststaat dat de activiteiten niet relevant zijn mee te nemen in het kader van het toezicht op de omgevingswaarde geluidproductieplafond die voor het industrieterrein is gesteld op grond van dit omgevingsplan. 

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als artikel 10.8 van toepassing is.

Artikel 10.18 Onderzoek op verzoek bevoegd gezag

  • 1.

    Een geluidonderzoek wordt in afwijking van artikel 10.17 ook verricht als het bevoegd gezag hierom verzoekt omdat:

    • a.

      het gelet op de aard, omvang of locatie van de activiteit aannemelijk is dat niet voldaan wordt aan de van toepassing zijnde geluidswaarden van dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

  • 2.

    Bij het verzoek wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.19 Termijn overhandigen akoestisch onderzoek

Een akoestisch onderzoek wordt verstrekt:

  • a.

    ten minste vier weken voordat een nieuwe activiteit wordt uitgevoerd;

  • b.

    ten minste vier weken voordat de activiteit akoestisch relevant wijzigt en de activiteiten op een andere manier worden verricht dan op grond van een eerder opgesteld geluidonderzoek bekend was bij het bevoegd gezag;

  • c.

    ten minste vier weken voorafgaand aan een nieuwe of bestaande activiteit als met toepassing van artikel 10.18 om onderzoek wordt verzocht, tenzij een andere termijn wordt gecommuniceerd. 

Artikel 10.20 Inhoud akoestisch onderzoek

Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen: 

  • a.

    wat de geluidbelasting is en of waarmee aan de waarden bedoeld in dit omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan;

  • b.

    welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze maatregelen worden getroffen.

Artikel 10.21 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; 

    • c.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • d.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; 

    • e.

      het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire terreinen.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax ), blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport-. educatieve of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

Artikel 10.22 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax) zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subsubparagraaf 10.2.2.3.2 Geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen

Artikel 10.23 Toepassingsbereik geluidnormen

  • 1.

    Deze geluidregels in deze subsubparagraaf zijn van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Voor de toepassing van de geluidregels in deze paragraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid;

    • c.

      in het tijdelijk deel van het omgevingsplan middels een voorwaardelijke verplichting in de ruimtelijke regels is opgenomen dat een gevel geen te openen delen mag bevatten of “doof” uitgevoerd moet worden.

Artikel 10.24 Eerbiedigende werking tijdelijkheid

In afwijking van artikel 10.23, tweede lid, onder b, zijn de geluidregels uit subsubparagraaf  10.2.2.3.2 ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

 

Artikel 10.25 Eerbiedigende werking geprojecteerde gevoelige gebouwen

In afwijking van artikel 10.23 zijn de geluidregels in deze subsubparagraaf 10.2.2.3.2 niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

  • a.

    die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

    • 1.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • 2.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

  • b.

    het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

    • 1.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • 2.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

 

Artikel 10.26 Eerbiedigende werking drijvende woonschepen

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden zoals genoemd in deze paragraaf als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; 

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en: 

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 10.27 Waar waarden gelden 

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 10.28 Functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 

 

Artikel 10.29 Voormalige functionele binding geluid

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 10.30 Waarde reguliere activiteiten

  • 1.

    Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 10.30.a.

    Tabel 10.30.a.

     

    07.00–19.00 uur

    19.00–23.00 uur

    23.00–07.00 uur

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    65 dB(A)

    65 dB(A)

     

  • 2.

    Het geluid door een activiteit binnen een in- en of aanpandig geluidgevoelig gebouw, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 10.30.b.

    Tabel 10.30.b.

     

    07.00–19.00 uur

    19.00–23.00 uur

    23.00–07.00 uur

    LAr,LT in de geluidgevoelige ruimte

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    -

    55 dB(A)

    55 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    45 dB(A)

    45 dB(A)

     

     

Artikel 10.31 Waarde aangewezen bedrijventerrein

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 10.30 eerste lid geldt dat het geluid door een activiteit die wordt verricht ter plaatse van bedrijventerrein - afwijkende geluidwaarde op een geluidgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde, niet hoger is dan de waarde, bedoeld in tabel 10.31.

    Tabel 10.31

     

    07.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    -

    75 dB(A)

    75 dB(A)

    LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

     

  • 2.

    Zolang dit omgevingsplan bedrijventerrein - afwijkende geluidwaarde nog niet bevat geldt in aanvulling op het eerste lid geldt dat het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger is dan de waarde, bedoeld in de in het eerste lid genoemde tabel. 

     

Artikel 10.32 Waarde geluid agrarische activiteiten agrarisch gebied

In afwijking van het bepaalde in artikel 10.30, eerste lid, geldt dat het geluid door een activiteit die in hoofdzaak agrarisch is dan wel die daarmee verband houden,  de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de waarde in tabel 10.32:

Tabel 10.32

 

06.00-0.700 uur

07.00-19.00 uur

19.00-22.00 uur

22.00-06.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

35 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

65 dB(A)

-

65 dB(A)

65 dB(A)

Artikel 10.33 Waarde geluid bestaande tankstations

  • 1.

    In afwijking van artikel 10.30 eerste lid is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden dat rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 10.33.

    Tabel 10.33

     

    06.00-0.700 uur

    07.00-19.00 uur

    19.00-22.00 uur

    22.00-06.00 uur

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    65 dB(A)

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen door andere piekgeluiden

    65 dB(A)

    -

    65 dB(A)

    65 dB(A)

  • 2.

    In afwijking van tabel 10.33 geldt voor tankstations die aanwezig waren voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingswet tussen 19:00 en 22:00 een LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen door andere piekgeluiden een waarde van 70 dB(A) en een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van 50 dB(A). 

Artikel 10.34 Waarde industrieterrein

Als een activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 10.30 eerste lid, en artikel 10.33 eerste  lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Artikel 10.35 Maatwerkvoorschrift voor niet-representatief geluid

  • 1.

    De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 10.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 10.30 tot en met 10.33, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten, anders dan festiviteiten of andere evenementen bedoeld in artikelen 10.37 en 10.38, andere waarden kan vaststellen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.14 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift activiteiten aanwijzen waarop de waarden, bedoeld in de artikelen 10.30 tot en met 10.33 niet van toepassing zijn.

  • 3.

    Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan het bevoegd gezag in ieder geval voorschriften stellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

Artikel 10.36 Uitzondering op geluidwaarden tijdens festiviteiten

  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 10.2610.30 tot en met 10.35 en 10.39 zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 10.37 Maatwerkvoorschriften voor festiviteiten bij horeca

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.38 Maatwerkvoorschrift voor festiviteiten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.39 Geluid en bedrijfswoningen van derden - overgangsrecht

Voor een activiteit waarop artikel 22.69 van dit omgevingsplan, zoals dat op grond van het Invoeringsbesluit Omgevingswet op 1 januari 2024 van toepassing was geworden, blijft dat artikel gelden gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel.

Subparagraaf 10.2.2.4 Trillingen
Artikel 10.40 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit als bedoeld in artikel 10.9 in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op een locatie is toegelaten.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

     

Artikel 10.41 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 
  • 1.

    In afwijking van artikel 10.40, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 6.7, aanhef en onder a of c.

Artikel 10.42 Functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 10.43 Voormalige functionele binding 
  • 1.

    De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw ter plaatse van voormalige functionele binding - trilling voor zover het gaat om trilling door een activiteit die eerder met dat trillinggevoelig gebouw functioneel verbonden was.

  • 2.

    In aanvulling op het tweede lid zijn bij een agrarische activiteit de waarden voor trilling niet van toepassing op of in een trillinggevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 10.44 Meerdere activiteiten beschouwen als 1 activiteit

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

 

Artikel 10.45 Termijn overhandigen trilling onderzoek

Een trillingonderzoek wordt verstrekt:

  • a.

    Ten minste vier weken voordat een nieuwe activiteit wordt uitgevoerd waarbij trillinghinder te verwachten valt.

  • b.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit qua trillingen relevant wijzigt en de activiteiten op een andere manier worden verricht dan op grond van een eerder opgesteld onderzoeken bekend was bij het bevoegd gezag.

 

Artikel 10.46 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 10.47 Waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 10.47.

  • 2.

    ls niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 10.47.

    Tabel  10.47

    Soort

    07.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

     

Artikel 10.48 Waarden voor herhaald voorkomende trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax , bedoeld in tabel 10.48.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 10.48.

    Tabel 10.48

    Soort

    07.00-23.00 uur

    23.00-07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,2

    0,2

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,8

    0,4

    A3 trillingssterkte Vper

    0,1

    0,1

     

Artikel 10.49 Maatwerk bij trillinghinder

In afwijking van de waarden genoemd in artikel 10.47 en 10.48 kan het bevoegd gezag middels het verlenen van een maatwerkvoorschrift een hoger trillingsniveau toestaan in trillinggevoelige ruimten op het moment dat: 

  • a.

    toepassing van artikel 10.47 en artikel 10.48 zal leiden tot het moeten verlangen van verdergaande maatregelen dan het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT); 

  • b.

    het gaat om een activiteit die wordt verricht ter plaatse van “bedrijf” en de waarden niet hoger zijn dan de waarden benoemd in artikel 10.47 en artikel 10.48 vermenigvuldigd met 1,8.  

  • c.

    als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen het rechtervaardigen een hogere waarde dan de standaardwaarden of grenswaarde  toe te passen. 

 

Subparagraaf 10.2.2.5 Geur
Subsubparagraaf 10.2.2.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 10.50 Toepassingsbereik

 

Deze subsubparagraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in artikel 10.9 op een geurgevoelig gebouw, met uitzondering van:

  • a.

    het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    op het trillingen van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;

  • c.

    situaties waarbij sprake is van het opslaan van propaan in tanks bij woningen.

Artikel 10.51 Geurgevoelige gebouwen

  • 1.

    Onder een geurgevoelig gebouw wordt verstaan:

    • a.

      een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:

      • 1.

        woonfunctie en nevenfuncties daarvan;

      • 2.

        onderwijsfunctie en nevenfuncties daarvan;

      • 3.

        gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

      • 4.

        bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • b.

      een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op of in een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 10.52 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 10.51, tweede lid, is deze subparagraaf ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.51, eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 10.51, eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of een geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegestaan op grond van artikel 6.7, aanhef, en onder a of c.

Artikel 10.53 Waar waarden en tot waar afstanden gelden

 

De waarden en de afstanden, bedoeld in deze subparagraaf gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig gebouw: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 10.54 Functionele binding 

Deze paragraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 10.55 Voormalige functionele binding geur

  • 1.

    Bij een activiteit is deze paragraaf niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met het gevoelige gebouw in de gevallen dat er sprake is van:

    • a.

      het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony´s voor het berijden in een dierenverblijf;

    • b.

      overige agrarische activiteiten;

    • c.

      een horecagelegenheid.

  • 2.

    Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op een geurgevoelig gebouw ter plaatse van voormalige functionele binding - geur.

  • 3.

    In aanvulling op het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing voor de geurbelasting van het bedrijf waarmee het geurgevoelige object een voormalige functionele binding aangaat bij een activiteit bedoeld in het eerste lid op of in een geurgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden.

     

Artikel 10.56 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

 

Voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 10.57 In welke gevallen geurrapportage

  • 1.

    Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, verzoeken dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.

Artikel 10.58 Inhoud geurrapportage

  • 1.

    Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.

  • 2.

    Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      de toetsingskaders voor geur zoals benoemd in dit omgevingsplan;

    • b.

      de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen;

    • c.

      de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit;

    • d.

      de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;

    • e.

      de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en

    • f.

      de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

Artikel 10.59 Maatwerkvoorschrift

De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:

  • a.

    geuremissiewaarden kan vaststellen;

  • b.

    kan bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet worden overschreden, of

  • c.

    kan bepalen dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Artikel 10.60 Maatwerk vanwege cumulatie

De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag in afwijking van de waarden en afstanden als bedoeld in deze paragraaf andere waarden en afstanden kan vaststellen vanwege cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Subsubparagraaf 10.2.2.5.2 Geurregels bij industriële activiteiten

Artikel 10.61 Toepassingsbereik

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.62 Handreiking geur

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.63 Omgevingscategorieën 

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.64 Uitgangspunten voor beoordeling

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.65 Ontvankelijkheid geur industriële activiteiten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.66 Eisen aan de berekening van de geurbelasting

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.67 Beoordeling van de aanvraag

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.68 Bestaande activiteiten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.69 Nieuwe activiteiten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.70 Nieuwe en bestaande activiteiten

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 10.71 Maatwerkvoorschriften

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Subsubparagraaf 10.2.2.5.3 Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf 

Artikel 10.72 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren;

    • b.

      het hobbymatig houden van dieren; en

    • c.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige dieren.

Artikel 10.73 Vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze subsubparagraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.74 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig gebouw door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 10.74.

    Tabel  10.74

    Geurgevoelig gebouw

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    14,0 ouE/m3

     

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 10.75 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 10.74, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 10.74, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en 

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 10.74, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

     

Artikel 10.76 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige gebouwen

Artikel 10.74, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 10.76 , tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

  • a.

    een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; 

  • d.

    een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

 Tabel 10.76

Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

 

Artikel 10.77 Eerbiedigende werking cumulatieve waarden

Indien de achtergrondgeurbelasting hoger is dan de beschreven percentagemaatregelen mag een veehouderij met geuremissiefactoren worden gewijzigd indien maatregelen worden getroffen die een daling van de achtergrondgeurbelasting teweeg brengen die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.

Artikel 10.78 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

De afstand bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, tot een geurgevoelig gebouw is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.78.

Tabel 10.78

Geurgevoelig gebouw

Afstand

gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

 

Artikel 10.79 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

  • 1.

    Artikel 10.78 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de afstanden bedoeld in tabel 10.79.

    Tabel 10.80

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

     

Artikel 10.80 Landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 10.74 tot en met 10.79 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.80.

    Tabel 10.80

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom 

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.73 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 10.81 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 10.80, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

 

Artikel 10.82 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf 

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 10.80, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

Subsubparagraaf 10.2.2.5.4 Geur door andere aangewezen agrarische activiteiten

Artikel 10.83 Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand bij het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.83.

    Tabel 10.83

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

     

Artikel 10.84 Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.84.

    Tabel 10.84

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 10.85 Opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen:

    • a.

      bij een veehouderij als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving of bij een loonwerkbedrijf als bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      bij andere activiteiten als er sprake is van:

      • 1.

        het opslaan van kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3 ; of

      • 2.

        het opslaan van vaste bijvoedermiddelen volume van meer dan 3 m3 .

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.85.

    Tabel 10.85

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

     

Artikel 10.86 Opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.86.

    Tabel 10.86

    Opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie in een mestbassin

    Zonder functionele binding met dierverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijk oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    25 m

     

Artikel 10.87 Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.87.

    Tabel 10.87

    Voorzieningen voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

     

Artikel 10.88 Composteren of opslaan van groenafval: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3 .

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 10.88.

    Tabel 10.88

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 10.89 Overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 10.83, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 10.84, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 10.85, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 10.88, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 10.83, derde lid, 10.84, tweede lid, 10.86, derde lid, of 10.88, derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 10.86, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 10.86, eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 10.86, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 10.83, derde lid, 10.84, tweede lid, 10.85, derde lid, 10.86, tweede lid, of 10.88, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

Artikel 10.90 Opslaan vaste mest - overig

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van anders dan landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op een plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig gebouw.

Subsubparagraaf 10.2.2.5.5 Geur bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 10.91 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 10.92 Geur

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. 

Subsubparagraaf 10.2.2.5.6 Geur bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 10.93 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.94 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.93 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 10.95 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

  • a.

    wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

  • b.

    worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • 1.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • 2.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

 

Subsubparagraaf 10.2.2.5.7 Geur bij het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 10.96 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.97 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 10.97.

    Tabel 10.97

    Activiteit

    Geurgevoelig gebouw

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 OuE/m3

    Gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, op een activiteitenbesluit bedrijventerrein of buiten de bebouwde kom

    1 OuE/m3

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was

    Gelegen binnen de bebouwde kom anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 OuE/m3

    Gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, op een activiteitenbesluit bedrijventerrein of buiten de bebouwde kom

    3,5 OuE/m3

     

  • 2.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 10.98 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in artikel 10.97, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 10.99 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 10.97, tweede lid, en 10.98, is de waarde van de geur op een geurgevoelig gebouw als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 10.97, eerste lid, niet worden overschreden.

Subparagraaf 10.2.2.6 Activiteiten met een externe veiligheidsrisico
Subsubparagraaf 10.2.2.6.1 Toelaten van activiteiten met externe veiligheidsrisico's, niet zijnde civiele of militaire explosieven

Artikel 10.100 Toepassingsbereik en oogmerk

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Artikel 10.101 Vergunningplicht voor milieubelastende activiteiten externe veiligheidsrisico's

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Artikel 10.102 Uitzonderingen vergunningplicht

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Artikel 10.103 Beoordelingsregels

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Artikel 10.104 Aanvraagvereisten

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Artikel 10.105 Registerplicht

Gereserveerd voor toekomstige invullingen.

Paragraaf 10.2.3 Regels voor specifieke activiteiten

Subparagraaf 10.2.3.1 Milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur
Subsubparagraaf 10.2.3.1.1 Opslaan van vaste mest

Artikel 10.106 Toepasssingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 .

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.107 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.106  worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.108 Bodem: opslag

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 10.109 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subsubparagraaf 10.2.3.1.2 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 10.110 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3 ; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3 .

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.111 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.110 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.112 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 10.113 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subsubparagraaf 10.2.3.1.3 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 10.114 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.115 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.114 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.116 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 10.117 Bodem: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subparagraaf 10.2.3.2 Activiteiten met betrekking tot voedingsmiddelen
Subsubparagraaf 10.2.3.2.1 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 10.118 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 10.119 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.118 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Subsubparagraaf 10.2.3.2.2 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 10.120 Toepassingsbereik 

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 6.7, aanhef en onder a of c.

Artikel 10.121 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 10.120 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

Subsubparagraaf 10.2.3.2.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 10.122 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.123 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.122 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

     

Artikel 10.124 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 10.125 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 10.126 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 10.127 Bodem: rapport van eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 10.128 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.129 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 10.130 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 10.131 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen. 

Subparagraaf 10.2.3.3 Opwekken van elektriciteit met een windturbine
Subsubparagraaf 10.2.3.3.1 Geluid door windturbines en windparken

Artikel 10.132 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 4.

    Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad- en milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 10.133 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 10.132, derde lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een windturbine op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.132 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 10.134 Schakelbepaling

De artikelen 10.15 en 10.27 tot en met 10.29 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.135 Waarden windturbine

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47Lden en 41Lnight.

Artikel 10.136 Registratie gegevens windturbine

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 10.137 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 10.135, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 10.138 Geluidonderzoek windturbine

  • 1.

    Er wordt een geluidonderzoek verricht.

  • 2.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in artikel ; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidwaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

  • 3.

    In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in 10.132 wordt het rapport van een geluidonderzoek, verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Subsubparagraaf 10.2.3.3.2 Slagschaduw en lichtschittering door een windturbine

Artikel 10.139 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze subsubparagraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 10.140 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 10.139, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.139, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 10.139, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine binnen een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 6.7 aanhef en onder a en c.

Artikel 10.141 Slagschaduw: stilstandvoorziening 

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 10.142 Slagschaduw: functionele binding 

Artikel 10.141 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 10.143 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is artikel 10.141 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 10.144 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 10.145 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Subparagraaf 10.2.3.4 Overige activiteiten
Subsubparagraaf 10.2.3.4.1 In werking hebben van een acculader

Artikel 10.146 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 10.147  Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 10.148 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subsubparagraaf 10.2.3.4.2 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 10.149 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 10.150 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.149 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.151 Licht

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Subsubparagraaf 10.2.3.4.3 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 10.152 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 10.153 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.154 Lucht en geur: afvoeren emissies

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Subsubparagraaf 10.2.3.4.4 Traditioneel schieten

Artikel 10.155 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 10.156 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.155 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.157 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 10.158 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 10.157, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 10.159 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 10.160 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 10.161 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 10.162 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.163 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 10.164 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 10.163 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 10.163 geïnformeerd over de einddatum.

Subsubparagraaf 10.2.3.4.5 (geluid door) Civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 10.165 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 10.166 Waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 10.165 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 10.167 Registratie gegevens buitenschietbanen

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 10.168 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 10.166, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subsubparagraaf 10.2.3.4.6 Exploiteren van een recreatieve visvijver

Artikel 10.169 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 10.170 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.169 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.171 Lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Subparagraaf 10.2.3.5 Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels
Artikel 10.172 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.173 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 10.174 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 10.175 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 10.176 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 10.177 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 10.178 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 10.179 Omgevingsvergunning biologische agens
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262)

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 10.180 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 10.181 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3 ; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 10.182 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  • 1.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in deze subparagraaf, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op artikelen 10.173 en 10.174.

Artikel 10.183 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 10.3 en 10.4.

Afdeling 10.3 Lozen op het riool en op of in de bodem

Paragraaf 10.3.1 Lozen bij wonen

Artikel 10.184 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen bij wonen.

Artikel 10.185 Concretisering oogmerken
  • 1.

    Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 10.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

    • a.

      het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • b.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

    • d.

      het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

    • e.

      het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

  • 2.

    De zorgplicht bedoeld in artikel 10.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10.186 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

  • 2.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 3.

    Huishoudelijk afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op of in de bodem.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning voor het lozen op de bodem als bedoeld in het vierde lid wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 6.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid worden voorschriften verbonden ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 10.3 en 10.185.

  • 7.

    Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vierde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten.

Artikel 10.187 Verbod lozen bij voedselrestvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 10.188 Lozen van huishoudelijk afvalwater: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 10.186 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Paragraaf 10.3.2 Lozen anders dan bij wonen

Subparagraaf 10.3.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 10.189 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen anders dan bij wonen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als het lozen onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen.

Artikel 10.190 Concretisering oogmerken
  • 1.

    Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 10.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

    • a.

      het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • b.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

    • d.

      het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

    • e.

      het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

  • 2.

    De zorgplicht bedoeld in artikel 10.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10.191 Nadere concretisering specifieke zorgplicht
  • 1.

    Bij het lozen houdt de plicht, bedoeld in artikel 10.4, in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd doelmatig kan worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Subparagraaf 10.3.2.2 Vangnetvergunningplicht lozen op of in de bodem of in schoonwaterriool
Artikel 10.192 Vergunningplicht lozen op of in de bodem 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 10.193 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem een schoonwaterriool bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Subparagraaf 10.3.2.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan bij wonen
Artikel 10.194 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

Artikel 10.195 Lozen huishoudelijk afvalwater, anders dan bij wonen 
  • 1.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 2.

    In afwijking van artikel 10.193 wordt huishoudelijk afvalwater niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.192 voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op de bodem wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via
    een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 4.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden voorschriften verbonden te bescherming van de bodem en de belangen genoemd in artikel 10.3 en 10.190.

  • 5.

    Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelleden kan huishoudelijk afvalwater vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet in de bodem worden geloosd.

Artikel 10.196 Verbod lozen bij voedselrestvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 10.197 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan bij wonen: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 10.195 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 10.197.

    Tabel 10.197 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 4.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het derde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 10.198 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 10.3.2.4 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 10.199 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 10.200 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 10.199, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het grondverzet ten hoogste 25 m3 bedraagt; en 

    • b.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 10.201 Lozen van grondwater bij saneringen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd in de volgende voorkeursvolgorde:

    • a.

      op of in de bodem;

    • b.

      in het oppervlaktewater;

    • c.

      in een schoonwaterriool;

    • d.

      in een vuilwaterriool.

     

  • 2.

    Het is verboden om op of in de bodem te lozen, als daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Voor het lozen van dat grondwater in het oppervlaktewater, in een schoonwaterriool of in een vuilwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 10.201 , gemeten in een steekmonster.

    Tabel 10.201

    Stof

    Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l 

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK's

    0,3 µg/l

    BTEX

    50 µg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 µg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 µg/l

    Minerale olie

    500 µg/l

    Cadmium

    4 µg/l

    Kwik

    1 µg/l

    Koper

    11 µg/l

    Nikkel

    41 µg/l

    Lood

    53 µg/l

    Zink

    120 µg/l

    Chroom

    24 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

    Naftaleen

    0,2 µg/l

Artikel 10.202 Lozen van grondwater bij ontwatering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd in de volgende voorkeursvolgorde:

    • a.

      op of in de bodem;

    • b.

      in het oppervlaktewater;

    • c.

      in een hemelwaterriool;

    • d.

      in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Het is verboden om op of in de bodem te lozen, als daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem, in het oppervlaktewater of in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, en moet de pH-waarde (zuurgraad) tussen de 6,5 en 9,0 bedragen, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 5.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3 /u.

Artikel 10.203 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 10.3.2.5 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 10.204 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 10.205 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.206 Lozen van afvloeiend hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 10.3.2.6 Lozen van koelwater
Artikel 10.207 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.208 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 10.207 , worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.209 Koelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 10.3.2.7 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 10.210 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 10.211 Periodieke reinigingen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 10.3.2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 10.212 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 10.213 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 10.214 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 10.212, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.215 Lozen bij het opslaan van inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

Artikel 10.216 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 10.217 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 10.3.2.9 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 10.218 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 10.219 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 10.220 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 10.3.2.10 Lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen
Artikel 10.221 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 10.222 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 10.3.2.11 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 10.223 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.224 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 10.223, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

       de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.225 Lozen bij calamiteitenoefening

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Subparagraaf 10.3.2.12 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 10.226 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.227 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 10.229 en 10.231, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.228 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 10.229 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit 
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 10.230 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 10.231 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 10.232 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 10.3.2.13 Lozen bij het maken van betonmortel
Artikel 10.233 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.234 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een milieubelastende lozingsactiviteit uitvoert die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is verplicht overeenkomstig artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (good housekeeping): 

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken; en 

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2.

    Aangaande alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd geldt een voorkeursvolgorde:

    • a.

      Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt spoelwater opnieuw gebruikt, overeenkomstig artikel 4.139 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

    • b.

      Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid door een bezinkvoorziening, overeenkomstig artikel 4.141.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

    • c.

      Voor dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster, en is de zuurgraad ten hoogste pH 10, gemeten in een steekmonster, overeenkomstig artikel 4.141.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

    • d.

      Het bezinksel uit de bezinkvoorziening dient als zijnde bouwafval te worden behandeld en verwerkt.

Artikel 10.235 Water

In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, zijnde een schoonwaterriool of een vuilwaterriool. 

Artikel 10.236 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Subparagraaf 10.3.2.14 Lozen bij het uitwassen van beton
Artikel 10.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.238 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een milieubelastende lozingsactiviteit uitvoert die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is verplicht overeenkomstig artikel 2.11 van het Bal (good housekeeping): 

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken; en 

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

  • 2.

     

    Aangaande alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd geldt een voorkeursvolgorde:

    • a.

      Met het oog op het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt spoelwater opnieuw gebruikt,  overeenkomstig artikel 4.139 van het Bal.

    • b.

      Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met betonmortel wordt beton uitgewassen boven een aaneengesloten bodemvoorziening, overeenkomstig artikel 4.155 van het Bal.

    • c.

      Met het oog op de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt het afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam geleid door een bezinkvoorziening, overeenkomstig artikel 4.141.1 van het Bal.

    • d.

      Het bezinksel uit de bezinkvoorziening dient als zijnde bouwafval te worden behandeld en verwerkt.

Artikel 10.239 Water

In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een schoonwaterriool of vuilwaterriool.

Artikel 10.240 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 10.3.2.15 Lozen bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 10.241 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op digitaal afdrukken.

Artikel 10.242 Gegevens en bescheiden
  • 1.

     

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 10.241 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.243 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 10.244 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Subparagraaf 10.3.2.16 Lozen bij het wassen van motorvoertuigen
Artikel 10.245 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 10.246 Bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 10.247 Water 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 10.248 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Subparagraaf 10.3.2.17 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding
Artikel 10.249 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.3.2.1.

Artikel 10.250 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    In aanvulling op artikel 10.119 worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 10.251 Lozen van afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Subparagraaf 10.3.2.18 Lozen bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen
Artikel 10.252 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.3.2.3.

Artikel 10.253 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    In aanvulling op artikel 10.123 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.254 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 10.252 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Subparagraaf 10.3.2.19 Lozen bij opslaan van vaste mest
Artikel 10.255 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.3.1.1.

Artikel 10.256 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    1. In aanvulling op artikel 10.107 worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

    • c.

      of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

    • d.

      op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.257 Lozen van afvalwater: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Subparagraaf 10.3.2.20 Lozen bij opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 10.258 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.3.1.2

Artikel 10.259 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    In aanvulling op artikel 10.111 worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

    • c.

      of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool;

    • d.

      op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; en

    • e.

      gegevens over de lozingsroutes.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.260 Lozen van afvalwater: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 10.261 Lozen van afvalwater: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Subparagraaf 10.3.2.21 Lozen bij fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
Artikel 10.262 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren andere zoogdieren of vogels als bedoeld in subsubparagraaf 10.2.3.1.3.

Artikel 10.263 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    In aanvulling op artikel 10.115 worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

    • c.

      of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool;

    • d.

      op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; en

    • e.

      gegevens over de lozingsroutes.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 10.264 Lozen van afvalwater: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

Artikel 10.265 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Afdeling 10.4 Bodembeheer

Paragraaf 10.4.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 10.266 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

Artikel 10.267 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

Paragraaf 10.4.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 10.268 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 10.269 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 10.268, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan. 

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 10.270 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 10.271 Milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Paragraaf 10.4.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 10.272 Toepassingsbereik

 

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie met een historische bodemverontreiniging. Er is sprake van een historische bodemverontreiniging als de bodem is verontreinigd en voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is, wat blijkt uit:

  • a.

    een beschikking, vastgesteld krachtens artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

  • b.

    een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA-5755.

Artikel 10.273 Mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit verricht op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico, neemt in het belang van bescherming van het bodem- en watersysteem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 10.4.4 Saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen

Artikel 10.274 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een locatie binnen het zinkassengebied De Kempen als:

  • a.

    het huidig dan wel toekomstig gebruik van de locatie wonen met moestuin, wonen met siertuin of industrie betreft; en

  • b.

    de verontreiniging van de bodem bestaat uit of het gevolg is van zinkassen.

 

Artikel 10.275 Voorafgaand bodemonderzoek

In afwijking van de voorschriften over bodemonderzoek, bedoeld in de artikelen 5.7b en 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het ook toegestaan om het bodemonderzoek te verrichten overeenkomstig het Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven.

Artikel 10.276 Saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneringswaarde

In afwijking van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat de saneringsaanpak bij deze categorie saneringen uit:

  • a.

    het ontgraven van de aanwezige verontreinigde grond en zinkassen tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde, bedoeld in artikel 10.277;

  • b.

    het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond en zinkassen; en

  • c.

    het aanvullen van de ontgraving met grond of baggerspecie met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 10.277 Terugsaneerwaarde
  • 1.

    Als terugsaneerwaarden gelden de waarden die gelijk zijn aan de waarden voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de terugsaneerwaarden voor de stoffen arseen, cadmium, koper, lood en zink ten hoogste gelijk aan de lokale maximale waarden voor het betreffende gebruik, bedoeld in tabel 10.277.

    Tabel 10.277 Terugsaneerwaarden saneren van de bodem zinkassengebied De Kempen

    Stof

    Terugsaneerwaarden (mg/kg ds)

    Gebruik wonen met moestuin

    Gebruik wonen met siertuin

    Gebruik industrie

    Arseen

    55

    55

    76

    Cadmium

    3,7

    12

    12

    Koper

    190

    190

    190

    Lood

    85

    276

    530

    Zink

    720

    720

    720

    De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

Hoofdstuk 11 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 ACTIVITEITEN OP OF BIJ OPENBARE PLAATSEN, WEGEN EN BIJ WATEREN

Afdeling 12.1 Algemeen

[Gereserveerd]

Afdeling 12.2  Activiteiten op of bij openbare plaatsen, wegen en bij wateren

Paragraaf 12.2.1 Aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.2 Maken of veranderen van een uitweg

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.3 Hinderlijke dieren

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.4 Opslag voertuigen, vaartuigen, kampeermiddelen, mest, afvalstoffen

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.5 Hinderlijke of gevaarlijke reclame

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.6 Kamperen buiten kampeerterreinen

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.7 Parkeerexcessen

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.8 Loketverkoop

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.9 Openbaar water en waterstaatswerken

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.10 Crossterreinen

[Gereserveerd]

Paragraaf 12.2.11 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 ACTIVITEITEN OVER FLORA EN FAUNA

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 PROCEDUREREGELS

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 18 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 AANVULLENDE REGELS GEBIEDSONTWIKKELINGEN

Afdeling 21.1 Ontwikkeling 'Onze Lieve Vrouwestraat' 

Paragraaf 21.1.1 Aanvullende regels paragraaf 6.3.3

Artikel 21.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing ter plaatse van Onze Lieve Vrouwestraat.

Artikel 21.2 Bijbehorend bouwwerk binnen en buiten bouwvlak

Bijbehorende bouwwerken mogen binnen bijbehorende bouwwerken maatschappelijk worden gebouwd.

Artikel 21.3 Afstand voorgevel tot bijbehorend bouwwerk

Een bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan gebouwd wanneer de zijzijde aan het openbaar toegankelijk gebied grenst. In andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 m.

Artikel 21.4 Oppervlakte bijbehorend bouwwerk

De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 150 m2.

Artikel 21.5 Goothoogte bijbehorend bouwwerk

De maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,5 m, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap bedraagt de maximale bouwhoogte 4,5 m.

Paragraaf 21.1.2 Vervangende regels subparagraaf 5.2.4.7

Artikel 21.6 Hogere waardenbesluit

In afwijking van subparagraaf 5.2.4.7 geldt ter plaatse van hogere waardenbesluit Onze Lieve Vrouwstraat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als wordt voldaan aan de in het 'Hogere waardenbesluit Onze Lieve Vrouwestraat' opgenomen voorwaarden, zoals opgenomen in bijlage III.

Afdeling 21.2 Ontwikkeling 'De Majoor'

Paragraaf 21.2.1 Afwijkende regels subparagraaf 6.3.3.1

Artikel 21.7 Bouwhoogte

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.14, geldt dat ter plaatse van De Majoor de maximum bouwhoogte de ter plaatse bepaalde waarde is, met dien verstande dat er sprake dient te zijn van een oplopende bouwhoogte in noordelijke richting, waarbij de bouwhoogte in de zuidwestelijke hoek maximaal 10 meter mag zijn en in de noordoostelijke hoek maximaal 18 meter.

Artikel 21.8 Bouwvlak

 

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.13, eerste lid, mogen ter plaatse van De Majoor:

  • a.

    balkons tot 2 m buiten het bouwvlak worden gerealiseerd;

  • b.

    mogen (vlucht)trappen behorende bij het hoofdgebouw buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

 

Afdeling 21.3 Ontwikkeling Gen. de Colleartpad 2 - Gen. Coenderslaan 59

Paragraaf 21.3.1 Afwijkende regels subparagraaf 6.3.3.2

Artikel 21.9 Bijbehorende bouwwerken

 

In afwijking van het bepaalde in subparagraaf 6.3.3.2 gelden ter plaatse van Gen. De Collaertpad 2 - Gen. Coenderslaan 59 de volgende regels:

  • a.

    bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bijbehorende bouwwerken bij woongebouw;

  • b.

    de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3,5 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen.

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN (BRUIDSSCHAT VAN HET RIJK)

Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

  • 1.

    De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 

  • 2.

    De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten [ook opgenomen in artikelen 5.3 en 6.9

  • 1.

    Voor de toepassing van de artikelen 22.28, 22.38, 22.28722.28822.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten [vervangen door artikel 5.4 en 6.3]

[Vervallen]

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften [vervangen door artikelen 4.215.2 en 5.123]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil [vervangen door artikel 5.2]

[Vervallen]

Artikel 22.6

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.7 Repressief welstand [vervangen door artikel 5.124]

[Vervallen]

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit [vervangen door artikel 5.125]

[Vervallen]

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas [vervangen door artikel 5.126]

[Vervallen]

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte [vervangen door artikel 5.127]

[Vervallen]

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater [vervangen door artikel 5.128]

[Vervallen]

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater [vervangen door artikel 5.129]

[Vervallen]

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening [vervangen door artikel 5.130]

[Vervallen]

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten [vervangen door artikel 5.131]

[Vervallen]

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen [vervangen door artikel 5.132]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte [vervangen door artikel 4.22]

[Vervallen]

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [vervangen door artikel 4.23]

[Vervallen]

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk [vervangen door artikel 4.24]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

[Vervallen]

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken [vervangen door artikel 4.25]

[Vervallen]

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen [vervangen door artikel 4.26]

[Vervallen]

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk [vervangen door artikel 4.27]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed

[Vervallen]

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

[Vervallen]

Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen [vervangen door artikelen 5.13 en 6.5]

[Vervallen]

Artikel 22.24 Meetbepalingen [vervangen door artikel 1.8]

[Vervallen]

Artikel 22.25 Mantelzorg [vervangen door artikelen 5.5 en 6.6]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikel 5.8]

[Vervallen]

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26– omgevingsplan onverminderd van toepassing (vervangen door artikel 5.14]

[Vervallen]

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed [vervangen door artikel 5.15]

[Vervallen]

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen [vervangen door artikel 5.185.2.4.3 en 5.2.4.4]

[Vervallen]

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie [vervangen door artikel 5.33]

[Vervallen]

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [vervangen door artikel 5.34]

[Vervallen]

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht [vervangen door artikel 5.20]

[Vervallen]

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht [vervangen door artikel 5.19]

[Vervallen]

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikel 5.70]

[Vervallen]

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikelen 5.105.315.365.40 en 5.71]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

[Vervallen]

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan [vervangen door artikel 6.7]

[Vervallen]

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen [vervangen door artikel 6.8]

[Vervallen]

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36vanwege cultureel erfgoed [vervangen door artikel 6.9]

[Vervallen]

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid [vervangen door artikel 6.10]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken [vervangen door artikel 23.7]

[Vervallen]

Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

    • a.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

    • b.

      elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    Afdeling 10.1 en 10.4 zijn ook van toepassing op activiteiten als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.

Artikel 22.42 Oogmerken [ook opgenomen in artikel 10.3]

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43 Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht [ook opgenomen in artikel 10.4]
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften [ook opgenomen in artikel 10.5]
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.4422.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders [ook opgenomen in artikel 10.6]
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval [ook opgenomen in artikel 10.7]
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval [ook opgenomen in artikel 10.7]
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

[Vervallen]

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

[Vervallen]

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil [vervangen door artikel 10.13]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.54 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.14 en 10.23]
  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

  • 5.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op: 

    • a.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikelen 10.24 en 10.25 en 10.133]
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

  • 4.

    Paragraaf 22.3.4 is niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit [ook opgenomen in artikel 10.15]

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden [ook opgenomen in artikel 10.27 eerste lid]

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.28]

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.29]

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek [ook opgenomen in artikelen 10.17 en 10.20 en 10.138]
  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • i.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • ii.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek [ook opgenomen in artikelen 10.16 en 10.19]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.60 en artikel 22.61, het eerste en het tweede lid, zijn de regels als bedoeld in het vierde tot en met het zevende lid van dit artikel van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 4.

    Het derde tot en met het zevende lid is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Het derde tot en met het zevende lid  is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in het derde lid worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoelt in het derde lid, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.62 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.23]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen [ook opgenomen in artikelen 10.30 en 10.31]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation [ook opgenomen in artikel 10.33]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden
     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied [ook opgenomen in artikel 10.32]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

[Vervallen]

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

[Vervallen]

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012 [ook opgenomen in artikel 10.26]

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63eerste lid, 22.64eerste liden 22.65eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen [ook opgenomen in artikel 10.21]
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein [ook opgenomen in artikel 10.34]

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

[Vervallen]

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten [ook opgenomen in artikel 10.36
  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.22]

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines
Artikel 22.75 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.132]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines [ook opgenomen in artikel 10.135]

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines [ook opgenomen in artikel 10.136]
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.137]

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.79 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.165]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen [ook opgenomen in artikel 10.166]

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen [ook opgenomen in artikel 10.167]
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.168]

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Artikel 22.83 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.40]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikel 10.41]
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.83tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    Paragraaf  22.3.5  is niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel  22.36, aanhef en onder a of c.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit [ook opgenomen in artikel 10.44]

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.42]

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.43]

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen [ook opgenomen in artikel 10.47]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

    Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.46]

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6 Geur

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.90 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.50]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikel 10.52]
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.90eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn ook niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c. 

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden [ook opgenomen in artikel 10.53]

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.54]

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.55]

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
Artikel 22.96 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.72]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden [ook opgenomen in artikel 10.73]

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden [ook opgenomen in artikel 10.74]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

    Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig object

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    2,0 ouE/m3

    Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    8,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    14,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden [ook opgenomen in artikel 10.75]
  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.98, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten [ook opgenomen in artikel 10.76]

Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand [ook opgenomen in artikel 10.78]

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand [ook opgenomen in artikel 10.79]
  • 1.

    Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf [ook opgenomen in artikel 10.80]
  • 1.

    Onverminderd de artikelen 22.98 tot en met 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.

    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf [ook opgenomen in artikel 10.81]

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf [ook opgenomen in artikel 10.82]

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

Subparagraaf 22.3.6.3

[Vervallen]

Artikel 22.106

[Vervallen]

Artikel 22.107

[Vervallen]

Artikel 22.108

[Vervallen]

Artikel 22.109

[Vervallen]

Artikel 22.110

[Vervallen]

Artikel 22.111

[Vervallen]

Artikel 22.112

[Vervallen]

Artikel 22.113

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten
Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand [ook opgenomen in artikel 10.83]
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.

    Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand [ook opgenomen in artikel 10.84]
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand [ook opgenomen in artikel 10.85]
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.

    Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand [ook opgenomen in artikel 10.86]
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.

    Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand [vervangen door artikel 10.87]

[Vervallen]

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand [ook opgenomen in artikel 10.88]
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.

    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikel 10.89
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 22.119, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, of 22.119, derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.117eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.117eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, 22.117, tweede lid, of 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Artikel 22.121 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.96]

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde [ook opgenomen in artikel 10.97]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.

    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten [ook opgenomen in artikel 10.98]

De waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikel 10.99]

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 22.122, tweede lid, en 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.

Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

[Vervallen]

Artikel 22.125 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.266]

[Vervallen]

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem [vervangen door artikel 10.267]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

[Vervallen]

Artikel 22.127 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.268]

[Vervallen]

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit [vervangen door artikel 10.269]

[Vervallen]

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond [vervangen door artikel 10.270]

[Vervallen]

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven [vervangen door artikel 10.271]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

[Vervallen]

Artikel 22.131 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.272]

[Vervallen]

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen [vervangen door artikel 10.273]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen
Artikel 22.133 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.274]

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een locatie binnen het zinkassengebied De Kempen als:

  • a.

    het huidig dan wel toekomstig gebruik van de locatie wonen met moestuin, wonen met siertuin of industrie betreft; en

  • b.

    de verontreiniging van de bodem bestaat uit of het gevolg is van zinkassen.

Artikel 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek [ook opgenomen in artikel 10.275]

In afwijking van de voorschriften over bodemonderzoek, bedoeld in de artikelen 5.7b en 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het ook toegestaan om het bodemonderzoek te verrichten overeenkomstig het Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven.

Artikel 22.135 Bodem: saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde [ook opgenomen in artikel 10.276]

In afwijking van paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat de saneringsaanpak bij deze categorie saneringen uit:

  • a.

    het ontgraven van de aanwezige verontreinigde grond en zinkassen tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde, bedoeld in artikel 22.136;

  • b.

    het van de saneringslocatie afvoeren van de ontgraven verontreinigde grond en zinkassen; en

  • c.

    het aanvullen van de ontgraving met grond of baggerspecie met een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde [ook opgenomen in artikel 10.277]
  • 1.

    Als terugsaneerwaarden gelden de waarden die gelijk zijn aan de waarden voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, bedoeld in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de terugsaneerwaarden voor de stoffen arseen, cadmium, koper, lood en zink ten hoogste gelijk aan de lokale maximale waarden voor het betreffende gebruik, bedoeld in tabel 22.3.25.

    Tabel 22.3.25 Terugsaneerwaarden saneren van de bodem zinkassengebied De Kempen

    Stof

    Terugsaneerwaarden (mg/kg ds) 2

    Gebruik wonen met moestuin

    Gebruik wonen met siertuin

    Gebruik industrie

    Arseen

    55

    55

    76

    Cadmium

    3,7

    12

    12

    Koper

    190

    190

    190

    Lood

    85

    276

    530

    Zink

    720

    720

    720

     2 De waarden in deze tabel gelden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). Op het omrekenen van de meetwaarden naar een standaardbodem zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer

Subparagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 22.137 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.199]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.200]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen [ook opgenomen in artikel 10.201]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering [ook opgenomen in artikel 10.202]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.203]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 22.142 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.204]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.205]
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater [ook opgenomen in artikel 10.206
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 22.145 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.194]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.186 lid 4]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling [ook opgenomen in artikelen 10.187 en 10.196]

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater [ook opgenomen in artikelen 10.186 en 10.195]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater [ook opgenomen in artikel 10.197]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.198]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater

[Vervallen]

Artikel 22.151 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.207]

[Vervallen]

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden [vervangen door artikel 10.208]

[Vervallen]

Artikel 22.153 Koelwater [vervangen door artikel 10.209]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 22.154 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.210]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen [ook opgenomen in artikel 10.211

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 22.156 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.212]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen [ook opgenomen in artikel 10.213]

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.214]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen [ook opgenomen in artikel 10.215]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.216]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen [ook opgenomen in artikel 10.217]

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 22.162 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.218]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel [ook opgenomen in artikel 10.219]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen [ook opgenomen in artikel 10.220]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 22.165 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.221]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen [ook opgenomen in artikel 10.222]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 22.167 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.223]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.224]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen [ook opgenomen in artikel 10.225]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 22.170 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.226]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.227]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 22.174 en 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas [ook opgenomen in artikel 10.230]

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen [ook opgenomen in artikel 10.228]
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit [ook opgenomen in artikel 10.229]
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw [ook opgenomen in artikel 10.231]

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.232]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Artikel 22.177 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.233]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.234]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.179 Water [ook opgenomen in artikel 10.235]
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.236]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

Artikel 22.181 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.237]

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.238]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.183 Water [ook opgenomen in artikel 10.239]
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.240]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

Artikel 22.185 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.169]

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.170]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute [ook opgenomen in artikel 10.171]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 22.188 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.241]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.242]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.190 Water [ook opgenomen in artikel 10.243]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.244]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

[Vervallen]

Artikel 22.192 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.245]

[Vervallen]

Artikel 22.193 Bodem [vervangen door artikel 10.246]

[Vervallen]

Artikel 22.194 Water [vervangen door artikel 10.247]

[Vervallen]

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen [vervangen door artikel 10.248

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 22.196 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikelen 10.9110.118 en 10.249]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikelen 10.119 en 10.250]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.198 Water [ook opgenomen in artikel 10.251]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 22.199 Geur [ook opgenomen in artikel 10.92]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

[Vervallen]

Artikel 22.200 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.120]

[Vervallen]

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit [vervangen door artikel 10.121]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.

[Vervallen]

Artikel 22.202 Toepassingsbereik [vervangen door artikelen 10.93 en 10.122 ]

[Vervallen]

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden [vervangen door artikel 10.94 en 10.123]

[Vervallen]

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering [vervangen door artikel 10.254]

[Vervallen]

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder [vervangen door artikel 10.95]

[Vervallen]

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening [vervangen door artikel 10.124]

[Vervallen]

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [vervangen door artikel 10.125]

[Vervallen]

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem [vervangen door artikel 10.126]

[Vervallen]

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem [vervangen door artikel 10.127]

[Vervallen]

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit [vervangen door artikel 10.128]

[Vervallen]

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit [vervangen door artikel 10.129]

[Vervallen]

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden [vervangen door artikel 10.130]

[Vervallen]

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen [vervangen door artikel 10.131]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

Artikel 22.214 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.139]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking [ook opgenomen in artikel 10.140]
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.214eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    Paragraaf 22.3.18 ook niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening [ook opgenomen in artikel 10.141]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.142]

Artikel 22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding [ook opgenomen in artikel 10.143]

Bij een agrarische activiteit is artikel 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie [ook opgenomen in artikel 10.144]

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden [ook opgenomen in artikel 10.145]

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Artikel 22.221 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.146]

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.147]

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.148]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 22.224 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.152]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.153]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies [ook opgenomen in artikel 10.154]
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

Artikel 22.227 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.155]

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.156]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid [ook opgenomen in artikel 10.157]

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.158]
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.159]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem [ook opgenomen in artikel 10.160]
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem [ook opgenomen in artikel 10.161]

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit [ook opgenomen in artikel 10.162]

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit [ook opgenomen in artikel 10.163]
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden [ook opgenomen in artikel 10.164]
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 22.237 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.149]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.150]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.239 Licht [ook opgenomen in artikel 10.151]
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest

Artikel 22.240 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.106]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.107]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.242 Bodem: opslag [ook opgenomen in artikel 10.108]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.109]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute [ook opgenomen in artikel 10.257]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 22.245 Geur [ook opgenomen in artikel 10.90]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 22.246 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.110]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikelen 10.111 en 10.259]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.112]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.113]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen [ook opgenomen in artikel 10.260]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.261]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 22.252 Toepassingsbereik [ook opgenomen in artikel 10.114]
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden [ook opgenomen in artikel 10.115 en 10.263]
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening [ook opgenomen in artikel 10.116]
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 22.255 Bodem: logboek [ook opgenomen in artikel 10.117]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde [ook opgenomen in artikel 10.264]
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen [ook opgenomen in artikel 10.265]
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

[Vervallen]

Artikel 22.258 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 10.172]

[Vervallen]

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars [vervangen door artikel 10.173]

[Vervallen]

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem [vervangen door artikel 10.174]

[Vervallen]

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten [vervangen door artikel 10.175]

[Vervallen]

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen [vervangen door artikel 10.176]

[Vervallen]

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG [vervangen door artikel 10.177]

[Vervallen]

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen [vervangen door artikel 10.178]

[Vervallen]

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens [vervangen door artikel 10.179]

[Vervallen]

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen [vervangen door artikel 10.180]

[Vervallen]

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen [vervangen door artikel 10.181]

[Vervallen]

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem [vervangen door artikel 10.192]

[Vervallen]

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool [vervangen door artikel 10.193]

[Vervallen]

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten [vervangen door artikelen10.18210.192, derde lid en 10.193, derde lid]

[Vervallen]

Afdeling 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

    • a.

      aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

    • b.

      het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

  • 2.

    Deze afdeling geldt uitsluitend ter plaatse van ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking.

  • 3.

    In aanvulling op afdeling 22.4 gelden het vierde, vijfde en zesde lid bij het bepalen en het beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in afdeling 22.4.

  • 4.

    Onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg.

  • 5.

    Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:

    • a.

      voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en

    • b.

      voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling.

  • 6.

    Voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:

    • a.

      de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en

    • b.

      een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 52 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 51 dB: niet meer dan 1 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:

    • a.

      waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c; of

    • b.

      dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

      • 1.

        op grond van dit omgevingsplan, met uitzondering van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 1 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt de omgevingsvergunning verleend als de grenswaarde alleen wordt overschreden op:

    • a.

      een niet-geluidgevoelige gevel;

    • b.

      een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; of

    • c.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder c, worden getroffen.

Afdeling 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:

  • a.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;

  • b.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of

  • c.

    bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

  • 3.

     

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: 

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 22.5.2 Aanvraagvereisten

Subparagraaf 22.5.2.1 Algemene bepalingen.
Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    artikel 22.280 van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Subparagraaf 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Subparagraaf 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Subparagraaf 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Tekeningen als bedoeld in artikel 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

De artikelen 22.287 tot en met 22.294 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

[Vervallen]

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

[Vervallen]

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2.

    Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort houtopstand;

    • b.

      de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;

    • c.

      de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

[Vervallen]

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard van de roerende zaken; en

    • b.

      de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2.

    Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

Subparagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

[Vervallen]

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht [vervangen door artikel 5.114]

[Vervallen]

Paragraaf 22.5.3 Voorschriften

[Vervallen]

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

[Vervallen]

Hoofdstuk 23 OVERGANGSRECHT

Afdeling 23.1 Algemeen

Artikel 23.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk bevat algemene regels over het overgangsrecht.

  • 2.

    Van dit hoofdstuk kan elders in dit omgevingsplan met specifieke overgangsregels worden afgeweken. In dat geval is dat specifieke overgangsrecht van toepassing.

Artikel 23.2 Overgangsrecht voor verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere besluiten

  • 1.

    Een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit blijft ook na wijziging van dit omgevingsplan gelden.

Artikel 23.3 Overgangsrecht voor een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit

  • 1.

    Op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat de regels over die activiteit worden toegepast zoals die op grond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, en er ook geen voorbeschermingsregels van toepassing waren.

Artikel 23.4 Overgangsrecht voor meldingen en kennisgevingen

  • 1.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een meldingsplicht of informatieplicht gold, en die verplichting is opgenomen in dit omgevingsplan, dan geldt een eerdere melding of kennisgeving op grond van die verordening als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een vergunningplicht of een ontheffingsmogelijkheid gold, en die verplichting of mogelijkheid is als meldingsplicht of informatieplicht opgenomen in dit omgevingsplan, dan geldt de aanvraag van een verleende vergunning of ontheffing als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.

  • 3.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een vergunningplicht gold en die verplichting is opgenomen in dit omgevingsplan, dan geldt een eerder verleende vergunning op grond van die verordening als een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Omgevingswet.

Artikel 23.5 Overgangsrecht voor een nieuwe vergunningplicht

  • 1.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.

Artikel 23.6 Overgangsrecht voor het gebruik van gronden en bouwwerken, bedoeld in afdeling 3.4

  • 1.

    In afwijking van artikel 23.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in afdeling 3.4, , mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met die wijziging van afdeling 3.4 expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 23.5 onverkort van toepassing.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

  • 5.

    Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 23.7 Overgangsrecht voor ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in artikel 6.4, eerste en derde lid

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.

  • 5.

    Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. 

Artikel 23.8 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop

  • a.

    de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of;

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd;

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of;

    • 3.

      de last is opgeheven.

 

Hoofdstuk 24 SLOTBEPALINGEN

Artikel 24.1 (citeertitel)

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Eindhoven.

Bijlage I Begrippen

aaneengebouwde woning

een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen.

aanlegactiviteit

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

aanlegactiviteit aardkundig waardevol gebied

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.98 eerste lid.

aanlegactiviteit archeologische beschermingszone

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid.

aanlegactiviteit attentiezone waterhuishouding

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.73, eerste lid.

aanlegactiviteit behoud en herstelwatersystemen

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.79, eerste lid.

aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen

aanlegactiviteit bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid.

aanlegactiviteit beschermingszone buisleiding met gevaarlijke stoffen

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel PM:

aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid.

aanlegactiviteit boringsvrije zone

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.69, eerste lid.

aanlegactiviteit cultuurlandschappen

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.30, eerste lid.

aanlegactiviteit ecologische verbindingszone

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.92, eerste lid

aanlegactiviteit groenblauwe waarde

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.111, eerste lid.

aanlegactiviteit grondwaterbeschermingsgebied

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.62, eerste lid.

aanlegactiviteit natuur

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid

aanlegactiviteit Natuur Netwerk Brabant

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.86, eerste lid.

aanlegactiviteit regionale waterberging

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.104, eerste lid.

aanlegactiviteit water

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.48, eerste lid.

aanlegactiviteit waterwingebied

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.55, eerste lid.

aanlegactiviteit wederopbouwgebied van nationaal belang

aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 7.36,  eerste lid.

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt.

Aanvullingsbesluit geluid

Besluit van 9 december 2020 tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en enkele andere besluiten met het oog op de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen;

aardkundige waarden

landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, grondwaterhuishouding, (kwelgebieden), bodemopbouw/bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

abiotische waarde

geheel van waarden in verband met het abiotische milieu (=niet levende natuur), in de vorm van specifieke aardkundige verschijnselen zoals steilranden en bodemovergangen.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voorbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

glastuinbouwbedrijf:

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend is gericht op het telen van gewassen in kassen en/of hoge tunnels, welke ter plaatse (overwegend) permanent aanwezig zijn.

grondgebonden agrarisch bedrijf;

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf.

intensieve veehouderij:

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden vee, anders dan melkvee, weidevee of paarden, en/of het houden van pluimvee en/of pelsdieren de hoofdzaak is en waarbij dientengevolge sprake is van specifieke belasting van de leefomgeving en het natuurlijk milieu door stank/geur, mest en ammoniak.

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf;

een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf.

paardenhouderij;  

een agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend gericht is op het   africhten van paarden dan wel het bieden van verblijf aan paarden (bijvoorbeeld   paardenpension).

archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door een daartoe gecertificeerde instantie en werkend volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden).

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

bed & breakfast

een accommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend nachtverblijf met het serveren van ontbijt. Het is gevestigd in een huis en wordt gerund door de eigenaren van het betreffende huis en heeft maximaal 2 verhuurde kamers.

bedrijf aan huis

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend (niet zijnde prostitutie).

bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op het gebruiksdoel van het gebouw of het terrein wenselijk is.

behoud ex situ

behoud van archeologische informatie door middel van een opgraving.

behoud in situ

behoud van archeologische resten op dezelfde plaats door planaanpassing (behoudsmaatregelen).

Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven

beleidsregel over groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals vastgesteld op 18 juni 2024, gepubliceerd op 16 juli 2024 en in werking getreden op 17 juli 2024.

Beleidsregels gemeentelijke normen windhinder

Beleidsregels over windhinder, gepubliceerd op 4 juni 2020 en in werking getreden op 5 juni 2020.

Beleidsregels kamerbewoning en woningsplitsing 2026

Beleidsregels over kamerbewoning en woningsplitsing, vastgesteld op 11 november 2025 en in werking getreden op 1 januari 2026.

Beleidsregels kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen

Bij collegebesluit van 20 april 2021 vastgestelde nadere regels ter uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019).

belemmeringenstrook

een strook grond ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding waarbinnen geen bebouwing mag worden opgericht en/of werken en werkzaamheden (niet zijnde bouwen) mogen worden uitgevoerd die van invloed kunnen zijn op de ongestoorde ligging van de buisleiding.

beroep aan huis

een vrij beroep, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Bijvoorbeeld gastouderopvang; detailhandel via internet zonder opslag en/of verkoop aan huis; of het enkel uitoefenen van een administratie ten behoeve van een bedrijf. Onder vrije beroepen worden verstaan: (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerp-technische, administratieve, sociaal-maatschappelijke, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten die in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

bestaand

bij bouwwerken:  legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het wijzigingsbesluit, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.

bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij op grond van of krachtens de Omgevingswet een ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen.

bodemgevoelig gebouw

gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bodemgevoelige locatie

locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het besluit kwaliteit leefomgeving.

boerderij

een boerderij is een gebouw waarin de woonfunctie van een boerenbedrijf is gevestigd, in combinatie met interne bedrijfsruimte.

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond (=bouwlaag 1) en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015.

bromfiets

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, RVV 1990

buisleiding met gevaarlijke stoffen

buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

buitenplanse omgevingsvergunning

omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

buitenschoolse opvang (BSO)

het in georganiseerd verband opvangen van meer dan 6 kinderen in de leeftijdscategorie 4 tot 13 jaar voor en na schooltijd, in de middagpauze en tijdens schoolvakanties.

cafetaria/snackbar/afhaalservice

een bedrijf gericht op het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak-alcoholische en niet-alcoholische dranken.

café

horeca, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

coffeeshop

een bedrijf gericht op het verstrekken van niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met eventueel als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid, en van verdovende en/of hallucinerende stoffen.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied.

cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied.

dagrecreatie

Een vorm van recreëren die zich beperkt tot één dag (zonder overnachting), dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld kamperen en dergelijke waarbij men zich voor meerdere dagen van huis begeeft.

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel wordt ook begrepen grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum, internetwinkel/webwinkel, afhaalpunten en supermarkt.

dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaken, belwinkels, internetcafé, schoonheidsinstituten, fotostudio´s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

discotheek of dancing

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en daarmee vergelijkbare evenementen.

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater.

ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde.

eengezinswoningen

als type eengezinswoning wordt beschouwd: elke woning welke tevens een geheel pand vormt. Hieronder vallen vrijstaande woningen, aaneengebouwde woningen, zoals twee onder één kap gebouwde hele huizen, boerderijen met woningen en voorts alle rijenhuizen.

erotisch getinte vermaaksfunctie

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.

extensief recreatief medegebruik

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

garagebox

gebouwen voor de stalling van auto´s en andere voertuigen.

gedeeltelijk geluidluwe gevel

een deel van een gevel (geveldeel) dat niet rechtstreeks wordt belast met een geluidniveau boven de standaardwaarde.

geluidaandachtgebied

geluidaandachtgebied als bedoeld in artikel 3.20 van het besluit kwaliteit leefomgeving.

geluidgevoelig gebouw

geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

geluidgevoelige ruimte

geluidgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

geluidluwe gevel

Een gevel waarop het gezamenlijke geluidniveau maximaal 53 dB bedraagt.

gemeentelijk adviseur archeologie

een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen aantoonbaar ervaringsdeskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

geurgevoelig object

 

  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gevoelig gebouw

Een gebouw waarin personen langdurig verblijven, met een minimaal verblijf van 14 uur, of gebouwen waarin kinderen verblijven. Dit zijn in ieder geval woningen, scholen, kinderdagverblijven, verpleeghuizen of instellingen voor mensen met een beperking.

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

groothandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of afleveren van goederen aan wederverkopers, dan wel instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

horeca 

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

hotel

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

huishouden

een meerderjarige alleenstaande, dan wel twee of meer personen waarvan er ten minste één meerderjarig is, die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren.

hyperscale datacentrum

het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.

internetwinkel

Internetwinkels worden aangemerkt als een specifieke vorm van detailhandel waarbij:

a de transactie via internet of andere media tot stand komt, en;

b de goederen ter plaatse kunnen worden afgehaald; en/of

c de goederen ter plaatse kunnen worden afgerekend; en/of

d de goederen ter plaatse kunnen worden bekeken of geprobeerd.

inwoning

- woonvorm, waarbij de volledig eigenaar/volledig eigenaren van de woning die gedurende de inwoning door hem/hen en eventueel zijn/hun gezin ten minste één jaar in ongewijzigde samenstelling (behoudens naar algemene maatstaven passende wijzigingen) wordt bewoond, in die woning één (of meerdere) kamer(s) in gebruik geeft/geven aan maximaal één persoon en maximaal twee minderjarige kinderen van die persoon;

- woonvorm, waarbij de hoofdhuurder van de woning van een woningcorporatie die gedurende de inwoning door hem en eventueel zijn gezin ten minste één jaar in ongewijzigde samenstelling (behoudens naar algemene maatstaven passende wijzigingen) wordt bewoond, in die woning één (of meer) kamer(s) in gebruik geeft aan maximaal één persoon en maximaal twee minderjarige kinderen van die persoon.

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997.

kamerbewoning

woonvorm - niet zijnde inwoning  - waarbij sprake is van woonruimte die bestaat uit één of meer verblijfsruimten, die geen eigen afzonderlijke toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche/bad en/of toilet) buiten die onzelfstandige woonruimte, met dien verstande dat hieronder niet wordt verstaan maatschappelijke voorzieningen in de vorm van beschermd en/of verzorgd wonen. De huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren wordt niet als kamerbewoning aangemerkt.

kantoor

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor het bestuurlijk/ambtelijk of bedrijfsmatig uitoefenen van juridische, financiële, administratieve en naar de aard daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, zoals sociaal wetenschappelijke onderzoek of een architectenbureau.

kleinschalig kamperen

Kleinschalig kamperen is een kampeerfunctie, uitsluitend als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf.

koffie-/theehuis

een bedrijf gericht op het verstrekken van zwak-alcoholische en niet-alcoholische dranken, met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren.

kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten.

kunstwerk

bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.

landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

a. varkens, kippen, schapen of geiten; en

b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

1. rundvee tot 24 maanden;

2. kalkoenen;

3. eenden; of

4. parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

landschappelijke waarden

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.

lijst van bedrijfsactiviteiten

de Lijst van bedrijfsactiviteiten ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG en opgenomen in Bijlage III behorende bij deze regels. 

lijst van horeca-activiteiten

lijst met een onderverdeling van horeca-activiteiten naar de mate van mogelijke overlast voor de omgeving zoals opgenomen in Bijlage III Lijst van horeca-activiteiten behorende bij deze regels.

lunchroom

een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren en niet-alcoholische dranken.

maatschappelijke voorzieningen

educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Onder maatschappelijke voorzieningen zijn tevens begrepen kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.

manege

een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.

meergezinswoningen

als meergezinswoning wordt beschouwd: elke woning die samen met andere woonruimten c.q. bedrijfsruimten een pand vormt. Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten, voor zover deze zijn voorzien van een buiten de bedrijfsruimte gelegen toegangsdeur.

moestuin

perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie.

motorvoertuig

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990

natuurwaarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017.

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016.

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017.

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011.

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010.

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019.

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005.

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006.

NEN-EN 858-1/A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004.

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002.

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999.

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015.

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014.

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018.

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019.

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003.

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000.

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997.

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012.

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012.

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001.

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003.

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016.

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008.

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003.

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.

nevenactiviteiten

het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen.

Nota parkeernormen 2024

parkeernormen gepubliceerd op 15 april 2025 en in werking getreden op 16 april 2025.

nutsvoorzieniningen

voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d.

omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

activiteit, bedoeld in artikel 8.4, onder a tot en met e, van dit omgevingsplan.

omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.

omgevingsplanactiviteit slopen

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

omgevingsplanactiviteit slopen binnen wederopbouwgebied van nationaal belang

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een wederopbouwgebied van nationaal belang.

omgevingsplanactiviteit slopen karakteristiek bouwwerk

omgevingsplanactiviteit slopen karakteristieke bouwwerken.

omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken.

Omgevingsregeling

Regeling van 11 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 5.8 van dit omgevingsplan.

onzelfstandige woonruimte

woonruimte (kamer) in een (deel van een) gebouw, die door de aard van de inrichting en het gebruik het privédomein van de bewoner is, die (mede) is aangewezen op het gebruik van gezamenlijke wezenlijke voorzieningen elders in dat (deel van het) gebouw.

openbaar water

wateren die voor het publiek bevaarbaar of op een andere wijze toegankelijk zijn

openbare plaats

wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan

pension

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van logies voor langere tijd met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten.

productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of hersteld, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

prostitutiebedrijf

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin tegen vergoeding seksuele handelingen worden verricht.

Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven

voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019.

recreatiewoning

een gebouw of woning (geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde) bedoeld  voor recreatief gebruik in de vorm van recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.

restaurant

een bedrijf uitsluitend gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van dranken.

ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn vervallen.

seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

showroom

een uitstallingsruimte van groothandels - of productiebedrijven ten behoeve van wederverkopers of afnemers voor het gebruik in eigen bedrijf of instelling.

siertuin zoals opgenomen in paragraaf 10.4.4

perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt.  

stacaravan

een permanent kampeermiddel in de vorm van een caravan, die als een gebouw valt aan te merken.

straatpeil

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

TAM-omgevingsplan

besluit tot wijziging van dit omgevingsplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 11.1, tweede lid, Besluit elektronische publicaties. 

teeltondersteunende voorzieningen

 

voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën:

  • a.

     laag/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,5 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels;

  • b.

    laag/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;

  • c.

    hoog/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 3,5 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;

  • d.

    hoog/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 2,5 m met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen;

  • e.

    overig: vraatnetten, boomteelthekken.

tuincentrum

een kwekerij en/of een verkoopplaats waar artikelen voor verwerking/gebruik in tuin en huis, daaronder ook begrepen dierbenodigdheden voor huisdieren, direct aan particulieren ter verkoop worden aangeboden, van welke verkoopplaats een koffiehoek deel kan uitmaken ter ondersteuning van de tuincentrumfunctie.

verdieping

de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.

verkoopvloeroppervlakte

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

vloerpeil

de hoogte van de afgewerkte begane grondvloer.

voertuig

voertuig als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen

voorgevel

de naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

voorkeurswaarde grondwater

concentratie aan verontreinigende stof waarboven er sprake is van verontreiniging van het grondwater;

warmteplan

Besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. 

water

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

waterberging

voorziening voor het tijdelijk vasthouden van regenwater dat afstroomt vanaf de oppervlakte van een bouwwerk.

waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.).

weg

weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

de -al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen;

de -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke stegen, pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

andere voor het publiek toegankelijke -al dan niet afsluitbare- stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht is bevoegd zijn afgesloten.

winkel

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel.

woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren. Een woonwagen wordt niet tot een woning gerekend.

woongebouw

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

woonwagen

een voor bewoning bestemd gebouw, niet zijnde een woning, dat is geplaatst op een standplaats en in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

woonwagenwoning

een op traditionele wijze gebouwd voor bewoning bestemd hoofdgebouw dat is geplaatst op een standplaats.

zinkassen

restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.

zinkassengebied De Kempen

gebied waarbij zinkassen in de bodem aanwezig zijn of waarbij de bodem verontreinigd is geraakt door de aanwezigheid van zinkassen in het verleden.

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aantal woningen

/join/id/regdata/gm0772/2024/d086906d98574248b0ae3f0e0393c3a6/nld@2026‑05‑28;09185621

aardkundige waarde

/join/id/regdata/gm0772/2024/12c8ff3bea3f49d5a60cbed17af019b4/nld@2025‑05‑21;06235231

Aardkundige Waarde

/join/id/regdata/gm0772/2024/d0b3e2de93354977b2a481941306b203/nld@2025‑05‑21;06235231

afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0772/2025/5c305b59177a4f8a8d5d0a29b5706be6/nld@2026‑05‑28;09185621

afweging geluid bij wijziging gebruik

/join/id/regdata/gm0772/2024/40b7b4e6c15d43cfa8fb8088d84915b4/nld@2026‑05‑28;09185621

archeologische (verwachtings-)waarde

/join/id/regdata/gm0772/2024/b76baa22ea45491fad516b5547ed9c0d/nld@2026‑05‑28;09185621

attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/gm0772/2024/513071ee205a44f6a7d7bec6da97fb27/nld@2026‑05‑28;09185621

Attentiezone Waterhuishouding

/join/id/regdata/gm0772/2024/f319e24305eb459180f03c95989cd2cc/nld@2026‑05‑28;09185621

bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm0772/2025/21d2288a864f41e7bae9ae2d48fdc178/nld@2026‑05‑28;09185621

bebouwingscontour jacht

/join/id/regdata/gm0772/2025/acc3cff8a41149e18584eebed611f021/nld@2026‑05‑28;09185621

bedrijf

/join/id/regdata/gm0772/2024/b7b69b32008a4e0ca8198c617d774515/nld@2026‑05‑28;09185621

bedrijf die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken

/join/id/regdata/gm0772/2024/9db588eb0c894de4be3d1cfb520dd490/nld@2025‑05‑21;06235231

bedrijfsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/fc13332513da405c8797fba9f0762825/nld@2026‑05‑28;09185621

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0772/2024/186c6730076049ed913cce0c2e1106e5/nld@2026‑05‑28;09185621

bedrijventerrein - afwijkende geluidwaarde

/join/id/regdata/gm0772/2025/396cee6d14f14c3a9da90f3e28f1dad1/nld@2026‑05‑28;09185621

begraafplaats

/join/id/regdata/gm0772/2024/9717036c93cf4d51b086248e116ec44b/nld@2026‑05‑28;09185621

behoud en herstel watersystemen

/join/id/regdata/gm0772/2024/5e30638289fc43b2b6870287e597021a/nld@2026‑05‑28;09185621

Behoud en Herstel Watersystemen

/join/id/regdata/gm0772/2024/865bcb27238f4abfb8d143b92809558f/nld@2026‑05‑28;09185621

belemmeringsgebied buisleiding gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0772/2025/8d5969d3459f4c73a50ab9bc4b74af05/nld@2026‑05‑28;09185621

beperkingen grootschalige logistiek

/join/id/regdata/gm0772/2024/375e91736fb04cf6b34f0dcdbc580ce6/nld@2026‑05‑28;09185621

Beperkingen Grootschalige Logistiek

/join/id/regdata/gm0772/2024/6d3a63af03454aff83e543b31b06a711/nld@2026‑05‑28;09185621

beschermd wonen

/join/id/regdata/gm0772/2024/10d4a736aed842d189592a7a5b478356/nld@2026‑05‑28;09185621

beschermingszone archeologie

/join/id/regdata/gm0772/2024/0532658ffcd44503b807c33a786aba80/nld@2026‑05‑28;09185621

beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding 

/join/id/regdata/gm0772/2024/68d544b612444e459db0bc514b960d77/nld@2026‑05‑28;09185621

beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

/join/id/regdata/gm0772/2025/a8f8f35b68f14cb3994b1b39da7d86f1/nld@2026‑05‑28;09185621

bestaande milieuhindercategorie 1 en 2

/join/id/regdata/gm0772/2024/4746140942f5455786c0bdcebb6d8b31/nld@2025‑05‑21;06235231

bestaande milieuhindercategorie 3.1 en 3.2

/join/id/regdata/gm0772/2024/32a050ea17034472a333fa94c9cccfd4/nld@2025‑05‑21;06235231

bijbehorende bouwwerken bij woongebouw

/join/id/regdata/gm0772/2025/ba418dde4a82469db649c21b11d3bbda/nld@2026‑05‑28;09185621

bijbehorende bouwwerken maatschappelijk

/join/id/regdata/gm0772/2025/266275ed994a4ed493b61cfb360d9083/nld@2026‑05‑28;09185621

bijbehorende bouwwerken wonen

/join/id/regdata/gm0772/2025/dc4b266f110343bab4e884f6199ce82c/nld@2026‑05‑28;09185621

boringsvrije zone

/join/id/regdata/gm0772/2025/69c727682124423c8b0d2925343c8301/nld@2026‑05‑28;09185621

bouwlaag dienstverlening

/join/id/regdata/gm0772/2025/003c3868976d4ee59884b6b318848fe9/nld@2026‑05‑28;09185621

bouwlaag horeca

/join/id/regdata/gm0772/2024/dd43b2c14d6c4504b738aa80000a776f/nld@2026‑05‑28;09185621

bouwlaag maatschappelijk 

/join/id/regdata/gm0772/2025/e2dc9dfcd17b45c0a0a08ad27fa34464/nld@2026‑05‑28;09185621

bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0772/2024/948105daa5114452bc78ffb53e51f1df/nld@2025‑05‑21;06235231

bouwlaag wonen

/join/id/regdata/gm0772/2024/65c31a30ed8d4ab1a3a507140a86bad0/nld@2026‑05‑28;09185621

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0772/2024/93bb20df981146cf861ac1933a602394/nld@2026‑05‑28;09185621

bovengrondse hoogspanningsverbinding 110 of 150 kV 

/join/id/regdata/gm0772/2024/443bade222054f94aa87e43845eca70a/nld@2026‑05‑28;09185621

bovengrondse hoogspanningsverbinding tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0772/2025/f19843bec03e46eebff7299f1b817fc5/nld@2026‑05‑28;09185621

brandvoorschiftengebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/fc5953e3a5a5433984d7f3454c041424/nld@2026‑05‑28;09185621

buisleiding met gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0772/2025/ec60a35d853e431a871f524a7f136f0c/nld@2026‑05‑28;09185621

cafetaria

/join/id/regdata/gm0772/2024/6c0183d38a8d4eacafd40ca7700216a4/nld@2025‑05‑21;06235231

casino

/join/id/regdata/gm0772/2024/d4013ccfe7dd4fa1b68f76046312543e/nld@2025‑05‑21;06235231

categorie 1: gemeentelijk archeologisch monument

/join/id/regdata/gm0772/2026/fb16bbbd4cd84ff2a943cf79345a1efc/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 2: terrein van hoge archeologische waarde

/join/id/regdata/gm0772/2026/12601224e3b94895a0d8849e86090281/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 3: terrein van archeologische verwachtingswaarde

/join/id/regdata/gm0772/2025/75975c7cac654b56b85bd78cdcb203de/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 4: hoge verwachting, historische kern

/join/id/regdata/gm0772/2025/13eee8d372164b389f938c47d2e55710/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 5: hoge archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0772/2025/756b2b8eae94484baf1409a3d531dfa9/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 6: middelhoge archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0772/2025/cc476b1c846c4737b88497502e866e71/nld@2026‑05‑28;09185621

categorie 7: lage archeologische verwachting

/join/id/regdata/gm0772/2025/9029924abc54499088939e7d1cd2c6b8/nld@2026‑05‑28;09185621

centrumgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/61e2828574df43be963a742f9c1750cd/nld@2026‑05‑28;09185621

complex bedrijf

/join/id/regdata/gm0772/2024/3bea26add2e848e0a5027d3974bf0fd1/nld@2025‑05‑21;06235231

cultuur en ontspanning

/join/id/regdata/gm0772/2024/1f0a10c733ca403b9bc7f7b746925d5e/nld@2025‑05‑21;06235231

cultuur en ontspanningsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/9e82d7f7af5f446084b5401fd998ffe3/nld@2025‑05‑21;06235231

cultuurhistorische gebieden

/join/id/regdata/gm0772/2024/fcf26234c0944a8caeefb32ab8c81a60/nld@2026‑05‑28;09185621

cultuurlandschappen

/join/id/regdata/gm0772/2024/8e0fd0f19d99494b960b0b62c507d27f/nld@2026‑05‑28;09185621

cultuurlandschappengebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/da9fa082c5c946baad581569c043f39e/nld@2026‑05‑28;09185621

dagrecreatie

/join/id/regdata/gm0772/2024/05b7692fc56e46c8afe6b1813d1c7c92/nld@2025‑05‑21;06235231

dagrecreatie gebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/259524344bc147718eac9c84f1094d0b/nld@2025‑05‑21;06235231

dansschool

/join/id/regdata/gm0772/2024/c8f898628c6c4e26a25676122de93de2/nld@2026‑05‑28;09185621

De Majoor

/join/id/regdata/gm0772/2025/b842e9bace0846c7b786b577c5cce4db/nld@2026‑05‑28;09185621

detailhandel

/join/id/regdata/gm0772/2024/fa780def67a94a0888f6b4e14bffe6dd/nld@2026‑05‑28;09185621

detailhandel - centrum

/join/id/regdata/gm0772/2024/0b7db965ac60438c907ed21d8dac45e9/nld@2025‑05‑21;06235231

detailhandelsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/fc1cb515628b4c7c8dfd8a454d7d4b96/nld@2026‑05‑28;09185621

dienstverlening

/join/id/regdata/gm0772/2024/e61c3e63be5340db885b25465f646614/nld@2026‑05‑28;09185621

dienstverleningsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/dbff411488014559be4b75a002e38b8a/nld@2026‑05‑28;09185621

dierenweide

/join/id/regdata/gm0772/2024/f974057251804c1bbdfe53d79d4ce1c5/nld@2025‑05‑21;06235231

educatie

/join/id/regdata/gm0772/2024/4a015cae18234dd09d7bf22192c8ebc3/nld@2026‑05‑28;09185621

explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/fb13f528e0e54cbc9913115be2edd1ad/nld@2026‑05‑28;09185621

garagebox

/join/id/regdata/gm0772/2024/bd9b530e2d364baa9f3fa18ab8811f4c/nld@2026‑05‑28;09185621

geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0772/2024/45593686c48544ef899819ec96cf2741/nld@2025‑05‑21;06235231

geluidwerende voorzieningen

/join/id/regdata/gm0772/2024/3a36406035ef4b64b50c6c1d9f8dac65/nld@2025‑05‑21;06235231

Gen. De Collaertpad 2 - Gen. Coenderslaan 59

/join/id/regdata/gm0772/2025/7b7cb2d61ce8432e826409b51f8b7a1a/nld@2026‑05‑28;09185621

geurzone RWZI

/join/id/regdata/gm0772/2025/83be0e4493ba4592951a2c1b2d24b61b/nld@2026‑05‑28;09185621

groen

/join/id/regdata/gm0772/2024/779ece24a05a4ee5934e29820a8ab7aa/nld@2026‑05‑28;09185621

groenblauwe waarden

/join/id/regdata/gm0772/2024/328a07a5d66849ffa0d964463778f4eb/nld@2026‑05‑28;09185621

Groenblauwe Waarden

/join/id/regdata/gm0772/2024/9fc71ab0172b4695a651e5c2ede6ef16/nld@2026‑05‑28;09185621

groengebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/95fcca57db0e46f59af29897ffd2ec18/nld@2026‑05‑28;09185621

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/cb3c79c5144641a0a96d76adcf959da9/nld@2026‑05‑28;09185621

handel in auto's, motorfietsen en scooters

/join/id/regdata/gm0772/2024/e1daed53809449f1bc09d42294147725/nld@2026‑05‑28;09185621

hogere waardenbesluit Onze Lieve Vrouwstraat

/join/id/regdata/gm0772/2025/647c00ba9e434108baaca84f4031f2b3/nld@2026‑05‑28;09185621

hoogtes monumenten

/join/id/regdata/gm0772/2025/baa5f198d1da4714809982ec2c5a9375/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca

/join/id/regdata/gm0772/2024/d285f0e482044b04b90546e07fa14f3e/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 1a

/join/id/regdata/gm0772/2024/bc113fe2d75e46808cd49ae2e898be0f/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 1b

/join/id/regdata/gm0772/2024/00d95c7661554afd87d02c7221dbbfe4/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 2a

/join/id/regdata/gm0772/2025/f71277d877124499bef967043551a08b/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 2b

/join/id/regdata/gm0772/2025/bf07f4880cda4868aa92c7d76d3a2082/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 3

/join/id/regdata/gm0772/2025/adae159181bb4e2ab3d081aebf160645/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 4a

/join/id/regdata/gm0772/2025/f76b1169ee6941f8adbe2f4163928b93/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 4b

/join/id/regdata/gm0772/2025/b2b468d13e244213ada65870b5c96ad7/nld@2026‑05‑28;09185621

horeca categorie 5

/join/id/regdata/gm0772/2025/f35e90eac15d44b98c643550ed484bf1/nld@2026‑05‑28;09185621

horecagebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/1b1a252d314447bda38ab823e6b16a7b/nld@2026‑05‑28;09185621

kantoor

/join/id/regdata/gm0772/2025/302974912111456b91a5a609d77791c2/nld@2026‑05‑28;09185621

kantorengebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/a3f3bd0476e948b4924b47eb400e46e4/nld@2026‑05‑28;09185621

karakteristiek

/join/id/regdata/gm0772/2024/8155d7a26849404aa8a2df6e491a0bf6/nld@2026‑05‑28;09185621

Karakteristiek

/join/id/regdata/gm0772/2025/ba4ab099b03b44af8002c04c2ccb67be/nld@2026‑05‑28;09185621

kinderopvang

/join/id/regdata/gm0772/2024/320894afa2b941ddae35f558131af8b6/nld@2026‑05‑28;09185621

laboratorium met opslagruimte

/join/id/regdata/gm0772/2025/0974b32c2de445b696a2de16d51ce01e/nld@2026‑05‑28;09185621

levensbeschouwelijke voorzieningen

/join/id/regdata/gm0772/2024/3a392e9fdfbb4b8189986ca5bbf5e6bc/nld@2026‑05‑28;09185621

maatschappelijk gebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/06164eae34c041289cd095fa9ce025c0/nld@2026‑05‑28;09185621

maximale bebouwde oppervlakte

/join/id/regdata/gm0772/2024/6a41472644e24b4b8efc9e4d5144cc8f/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0772/2024/d2b12d5c1e1a49d7bddfaa96dda800d8/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0772/2024/d115abdfdb514e6c80aa1d7d26c05835/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum breedte woonwagen

/join/id/regdata/gm0772/2025/0b9ebd3089a3422283a28c9fc6a83b29/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum bruto-vloeroppervlakte

/join/id/regdata/gm0772/2024/8e8678440c704b1f820083f5e63c6421/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum bruto-vloeroppervlakte-supermarkt

/join/id/regdata/gm0772/2026/1b577326f78a4583b885aeda54c58bf7/nld@2026‑05‑28;09185621

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0772/2024/5963aeca62734486aeea3cb892d68945/nld@2026‑05‑28;09185621

medische voorzieningen

/join/id/regdata/gm0772/2024/0ee53b61271b4b58ba878f6963ebcfdc/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 1

/join/id/regdata/gm0772/2024/c26582afb19747fcaec29c83c3193687/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 2

/join/id/regdata/gm0772/2024/ebe39a0162c048ebae03cc2b03fd21e2/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 3.1

/join/id/regdata/gm0772/2024/de7b1aa8bf7248e79110930f09b5d775/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 3.2

/join/id/regdata/gm0772/2024/6a02cb594db14bd1ad8517e1a25f2744/nld@2025‑05‑21;06235231

milieuhindercategorie 4.1

/join/id/regdata/gm0772/2025/ad3f5bfd08ba459a9dbfbf28abd7fe45/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 4.2

/join/id/regdata/gm0772/2025/d8c3dffc05e54a83b6d8eaba14cad87e/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 5.1

/join/id/regdata/gm0772/2025/c4a7cf90aa4044be850a79d2e915d85b/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 5.2

/join/id/regdata/gm0772/2025/3dcc0f3d2b984166933262bbe5961b67/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 5.3

/join/id/regdata/gm0772/2025/be6c6401cc874529945c71c162e164df/nld@2026‑05‑28;09185621

milieuhindercategorie 6

/join/id/regdata/gm0772/2025/11e28d7c7bb74f7587148140949d6d7b/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale afstand zijdelingse perceelsgrens

/join/id/regdata/gm0772/2025/91735573d96540aa82885cab852891a6/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale bebouwde oppervlakte

/join/id/regdata/gm0772/2024/61609d403f12481ea760d25aca39e481/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0772/2024/70bf910b073543e7aaab011dff2ba649/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0772/2024/9fb3bfe25ec54ac5bed0f738892c10a5/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale bouwhoogte onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0772/2025/5bda2d96036b4a69aa05af1922a48016/nld@2026‑05‑28;09185621

minimale goothoogte

/join/id/regdata/gm0772/2024/db6fe8e264c74882ba89af8c710fded3/nld@2026‑05‑28;09185621

minimum bruto vloeroppervlakte

/join/id/regdata/gm0772/2026/4881a90be3a34757bc01105dab66eaf8/nld@2026‑05‑28;09185621

minimum bruto-vloeroppervlak bedrijf

/join/id/regdata/gm0772/2024/d9a097e448f84c359e6782f7ff6b2f63/nld@2026‑05‑28;09185621

minimum vloeroppervlakte bedrijf 5.000 m2 bij milieucategorie 2

/join/id/regdata/gm0772/2025/de9a95e7fd724c91b084189b781a1594/nld@2026‑05‑28;09185621

mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen

/join/id/regdata/gm0772/2024/3e820543a11e4d0e9aad0ef0be40cb20/nld@2025‑05‑21;06235231

natuur

/join/id/regdata/gm0772/2025/6dd87daf7e7c4d42b959f90598f90dc9/nld@2026‑05‑28;09185621

natuurgebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/5868811e900e42578a6149f416869ec5/nld@2026‑05‑28;09185621

niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0772/2024/3a470c24fc064e66902f569c061bb6c3/nld@2025‑05‑21;06235231

nutsvoorziening

/join/id/regdata/gm0772/2024/798d626517bb4695a9700395d8d5e734/nld@2026‑05‑28;09185621

onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0772/2025/768b400b3eba42d5aa7d3a8d09725072/nld@2026‑05‑28;09185621

ondergrondse hoogspanningsverbinding tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0772/2025/e74918d1a62f48c8a19e96eece03d89f/nld@2026‑05‑28;09185621

Onze Lieve Vrouwestraat

/join/id/regdata/gm0772/2025/4a2d043086984079b7ce46aa2c7514a1/nld@2026‑05‑28;09185621

openbaar vervoerstation

/join/id/regdata/gm0772/2025/8eb04571591947ee9806f0f58d317bda/nld@2026‑05‑28;09185621

openbare dienstverlening en openbaar bestuur

/join/id/regdata/gm0772/2024/b6e88c0d730b426db5df142e870bebbd/nld@2026‑05‑28;09185621

overkapping

/join/id/regdata/gm0772/2025/4255c494221d484f881eabcde507ad25/nld@2026‑05‑28;09185621

perifere detailhandel

/join/id/regdata/gm0772/2024/01f314459a1a4b56ba3a9d75ceb105cb/nld@2025‑05‑21;06235231

plaatsgebonden risicocontour

/join/id/regdata/gm0772/2024/74dcca430a7c4a949dc6197ccefb4402/nld@2026‑05‑28;09185621

Plaatsgebonden risicocontour

/join/id/regdata/gm0772/2024/f563b95bbab64729812d4e1ccd020a6a/nld@2026‑05‑28;09185621

regionale waterberging

/join/id/regdata/gm0772/2024/10f7643b90bb43d79b3f27ea88bdf48f/nld@2026‑05‑28;09185621

Regionale Waterberging

/join/id/regdata/gm0772/2024/8dc5e605d03b463b845d9be0cdff2cc8/nld@2026‑05‑28;09185621

Rie-bedrijf

/join/id/regdata/gm0772/2024/96af306695d2461b807a44ea8be48c1c/nld@2025‑05‑21;06235231

risicobedrijf

/join/id/regdata/gm0772/2024/73ac3554c7b74c17bd4614def8881e98/nld@2025‑05‑21;06235231

risicogebied externe veiligheid

/join/id/regdata/gm0772/2025/bb01bfa816b34274b3d12c228eab573f/nld@2026‑05‑28;09185621

ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking

/join/id/regdata/gm0772/2024/fb7234bb3230470a861729b0115792d8/nld@2026‑05‑28;09185621

ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking

/join/id/regdata/gm0772/2024/70131200172b4fd7b17ba0d2daffd4d6/nld@2026‑05‑28;09185621

ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

/join/id/regdata/gm0772/2024/940e4bbb013940db9f131b70630d5697/nld@2026‑05‑28;09185621

seksinrichting

/join/id/regdata/gm0772/2024/6318d1500a9147b2ae471a9a7f1e4d95/nld@2025‑05‑21;06235231

sociaal-culturele voorzieningen

/join/id/regdata/gm0772/2024/04196ae005d44416b7b5cf165601d9fa/nld@2026‑05‑28;09185621

sport

/join/id/regdata/gm0772/2024/4affee9aa2144f419020cd19cfeb0ba4/nld@2026‑05‑28;09185621

sport en sportieve recreatie

/join/id/regdata/gm0772/2024/fb23477249bd49afa52cbedec6921a66/nld@2026‑05‑28;09185621

sportgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/15169fd7e5fe469fb7c084c1d46022e1/nld@2026‑05‑28;09185621

sportschool

/join/id/regdata/gm0772/2024/3f90af89c9c8429f9b5157aa78fd7c32/nld@2026‑05‑28;09185621

supermarkt

/join/id/regdata/gm0772/2024/949b7a0eebb74ee39722c280ed3baf09/nld@2025‑05‑21;06235231

verblijf 

/join/id/regdata/gm0772/2024/9cee8c3a166b4b139acd939dfb73d8b3/nld@2026‑05‑28;09185621

verblijfsgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/a1d105e6207e4998a60a657a2941c328/nld@2026‑05‑28;09185621

verkeer

/join/id/regdata/gm0772/2024/5c441ac77f54461c920f2641674c5478/nld@2026‑05‑28;09185621

verkeersgebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/6028b4d6d23a4da682878c58e982e389/nld@2026‑05‑28;09185621

verkooppunt LPG

/join/id/regdata/gm0772/2024/722615c48d064f92bd628bafff26b900/nld@2025‑05‑21;06235231

verkooppunt motorbrandstoffen

/join/id/regdata/gm0772/2024/77e44c7325e74f2b975cb00bb87b3d93/nld@2026‑05‑28;09185621

verzorgd wonen

/join/id/regdata/gm0772/2024/d01105e251304341b339324165ffe4c5/nld@2026‑05‑28;09185621

volumineuze detailhandel

/join/id/regdata/gm0772/2024/5675a23360984aa5a3825828e5a6e4df/nld@2025‑05‑21;06235231

voormalige functionele binding - geur

/join/id/regdata/gm0772/2024/d39873b9723e4057a8863d6969a070f5/nld@2025‑05‑21;06235231

voormalige functionele binding - trilling

/join/id/regdata/gm0772/2024/8a90c20c0432417ab36f8e919f2609d5/nld@2025‑05‑21;06235231

water

/join/id/regdata/gm0772/2024/8758b835eea945b5b8ea8b8c51fb2ec0/nld@2026‑05‑28;09185621

watergebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/e3d5d390df034c9e81b910aac987e9d5/nld@2026‑05‑28;09185621

waterwingebied

/join/id/regdata/gm0772/2025/385110373e47434ea5c0454dc15d3b2f/nld@2026‑05‑28;09185621

wederopbouwgebied van nationaal belang

/join/id/regdata/gm0772/2025/4d6594048d6b44b0955314ab73df7e18/nld@2026‑05‑28;09185621

werken bij wonen

/join/id/regdata/gm0772/2024/388b9f7eeb1349819afdc4e3cf097781/nld@2025‑05‑21;06235231

werkplaats

/join/id/regdata/gm0772/2024/616a7e5cbe32485aae336edb73296db2/nld@2025‑05‑21;06235231

wonen

/join/id/regdata/gm0772/2024/5f03b36188384d74b5f87a411a5f1a41/nld@2026‑05‑28;09185621

woongebied

/join/id/regdata/gm0772/2024/cca60aa563a44510921b952fad970960/nld@2026‑05‑28;09185621

woonstudio

/join/id/regdata/gm0772/2025/1628fa9ed4a74a97b83c61b27ee5dd64/nld@2025‑05‑21;06235231

woonwagenstandplaats

/join/id/regdata/gm0772/2025/e95c1876feb441c6bd03e7ee8cedf0c2/nld@2026‑05‑28;09185621

zwembad

/join/id/regdata/gm0772/2024/3ce8807f33fd430cbba37b8c3c3532bd/nld@2025‑05‑21;06235231

Bijlage III Overzicht Documentenbijlagen

Toelichting

Algemene toelichting

1 Inleiding

1.1 Doel van de toelichting

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna Ow) in werking getreden. Met de Ow wordt het accent verlegd van behoud en bescherming in de fysieke leefomgeving, naar het bieden van ruimte voor ontwikkeling in die fysieke leefomgeving. De Ow verplicht gemeenten om de regels over deze fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving op te nemen in één instrument: het omgevingsplan.  

Maar alleen het opnemen van de regels zou mogelijk onduidelijkheden laten voor de (rechts)praktijk en iedereen die met het omgevingsplan te maken krijgt. Daarnaast wordt uit de regels niet duidelijk welk doel wordt gediend en welke afwegingen zijn gemaakt. Om aan te geven welke afwegingen gemaakt zijn en ter onderbouwing van de gemaakte keuzes gaan de regels van het omgevingsplan (het juridische deel) vergezeld van een toelichting op zowel de gekozen systematiek als op de inhoud. 

De keuze is gemaakt om deze toelichting op te delen in een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte. In het algemene deel worden algemene uitgangspunten, doelen en principes worden toegelicht. In het artikelsgewijze deel (voor zover nodig) wordt per artikel uitgelegd wat de concrete strekking ervan is. De volgende paragraaf gaat dieper in op de strekking van het algemene en het artikelsgewijze deel. 

1.2 Algemene en artikelsgewijze toelichting

Zoals hiervoor genoemd bestaat de toelichting van het omgevingsplan uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte.  

Het algemene deel licht allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes met betrekking tot de regels toe. Ook bevat de toelichting in zijn algemeenheid een beschrijving hoe aan het gemeentelijk beleid en de landelijke wet- en regelgeving uitvoering wordt gegeven. Hierbij wordt ook op hoofdlijnen ingegaan op het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten. De achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan. 

Het artikelsgewijze deel legt (voor zover nodig) per artikel uit wat de concrete strekking ervan is en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. Ook geeft het uitleg over de desbetreffende regels voor de rechtspraktijk, waarbij geldt dat bij discrepanties tussen wettekst en toelichting, de rechter aan de wetsartikelen meer waarde toekent. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing.  Een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelsgewijze opzet ook niet goed voor.  

 

1.3 Leeswijzer

Naast deze inleiding beslaat het algemeen deel van deze toelichting het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten (hoofdstuk 2) en een specifieke toelichting van het belangrijkste instrument, namelijk het omgevingsplan (hoofdstuk 3). 

Bij het lezen van het omgevingsplan en de toelichting is het van belang op te merken dat de toelichting weliswaar een toelichting op en onderbouwing van de regels bevat, maar dat de toelichting niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische onderbouwing van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd bevat. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. 

Daarna volgt het artikelsgewijze deel, waarbij per artikel van het omgevingsplan een artikelsgewijze toelichting is opgenomen. Deze artikelsgewijze toelichting is te vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna DSO). In het algemeen deel onder hoofdstuk 3.6 wordt de werking van het DSO in relatie tot het omgevingsplan nader toegelicht.  

 

2 Omgevingswet

2.1 Doelen algemeen

Met de Ow is een lang wetgevingstraject afgerond waarmee een grote wijziging in het omgevingsrecht is gerealiseerd. De Ow gaat over de fysieke leefomgeving en over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor die fysieke leefomgeving. 

De Ow heeft, onder het motto “ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit”, als algemeen maatschappelijk doel om een goede balans te vinden tussen het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en gebruik en ontwikkeling van die fysieke leefomgeving.  

De wetgever heeft vier specifieke verbeterdoelen voor ogen met de Ow: 

  • a.

    Het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; 

  • b.

    Het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; 

  • c.

    Het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving;

  • d.

    Het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving. 

De Ow bundelt de voor 1 januari 2024  versnipperde wetgeving en regels voor onder meer ruimte, bouwen, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, erfgoed en water. De stelselherziening heeft, gelet op de verbeterdoelen, daarnaast tot doel te zorgen voor een meer geïntegreerde besluitvorming, kortere procedures, het reguleren van activiteiten zoveel mogelijk met behulp van algemene regels en gebiedsgericht maatwerk.  

Een en ander zal moeten leiden tot een fysieke leefomgeving, ten aanzien waarvan de houding tot nieuwe ontwikkelingen of activiteiten door overheden zal worden gekenmerkt door het adagium “van nee, tenzij, naar ja, mits”.  

De Ow zal zich de komende jaren, onder meer door verdere wetsaanpassingen en jurisprudentie verder gaan ontwikkelen tot een juridisch stelsel van beleid, regels en procedures die op een aantal onderdelen uiterlijk voor 1‑1‑2032 afgerond dienen te zijn. 

2.2 Gevolgen voor de gemeente

De Ow heeft voor alle overheden (Rijk, provincies, waterschappen, gemeenten), belast met taken en bevoegdheden op het gebied van de fysieke leefomgeving, gevolgen. De overheden zullen hun taken moeten uitvoeren met het oog op de maatschappelijke doelen waarop de Ow is gericht.  

Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten moeten, in het kader van de gedecentraliseerde eenheidsstaat, ook rekening met elkaar houden bij hun taakuitoefening.  

Als hoofdregel (“decentraal, tenzij”) geldt op basis van de Ow dat de uitoefening van taken en bevoegdheden in het kader van de algemene zorg voor de fysieke leefomgeving primair bij de gemeente ligt. Rijk of provincies hebben wel de mogelijkheid om de gemeentelijke bevoegdheidsuitoefening te sturen, bijvoorbeeld met specifieke beheerstaken in de Ow of uniforme landelijke algemene regels voor activiteiten of  instructieregels. 

2.3 Kerninstrumenten Omgevingswet

In dit algemene deel van de toelichting wordt op hoofdlijnen  ingegaan op het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten.  

Op het belangrijkste kerninstrument, het omgevingsplan, wordt in het volgende hoofdstuk van deze algemene toelichting specifieker ingegaan, omdat het om de wijziging van het omgevingsplan gemeente Eindhoven gaat. 

De Ow kent de volgende zes kerninstrumenten: 

1. Algemene rijksregels 

In de algemene rijksregels staan in de eerste plaats de regels die nodig zijn voor de werking van het stelsel van de Omgevingswet. Deze regels vormen de grondslag voor de instrumenten, en de taken en bevoegdheden van overheden. De regels bevatten ook de normen voor de kwaliteit van de leefomgeving die het Rijk stelt in omgevingswaarden. Verder gaat het om procedurele regels die gelden voor de instrumenten van de wet. Deze regels staan in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Daarnaast staan in de algemene rijksregels de regels van het Rijk die van invloed zijn op het beleid van decentrale overheden. Bijvoorbeeld de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevatten algemene en direct werkende rijksregels voor resp. milieubelastende- en bouwactiviteiten in de leefomgeving.  

2. Projectbesluit 

Het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap.  Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied. De gemeente heeft geen bevoegdheid tot het nemen van een projectbesluit. 

3. Omgevingsvisie 

De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan over de leefomgeving. Dit plan richt zich op de hele fysieke leefomgeving en houdt rekening met alle ontwikkelingen in een gebied. Het Rijk, de provincie en de gemeente stellen elk een omgevingsvisie vast voor hun hele grondgebied. De omgevingsvisie van de gemeente Eindhoven is door de raad vastgesteld. 

4. Omgevingsprogramma 

Het programma bevat maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het doel van een programma kan ook zijn om aan omgevingswaarden te voldoen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied en wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. Voor sommige onderwerpen verplicht de Omgevingswet de overheid een programma op te stellen. 

5. Omgevingsvergunning 

Veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leefomgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning (of een melding) nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf, naar aanleiding van een aanvraag, of dat mag. De toetsing is zo eenvoudig mogelijk en initiatiefnemers kunnen via een aanvraag bij een loket snel duidelijkheid krijgen of een vergunning nodig is. 

6. Decentrale regels van gemeente (omgevingsplan), waterschap (waterschapsverordening) en provincie (omgevingsverordening) 

Decentrale overheden (gemeente, provincie en waterschap) hebben ieder een regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld regels voor allerlei activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben. 

3 Omgevingsplan Eindhoven

3.1 Algemeen

Het omgevingsplan is het kerninstrument uit de Omgevingswet voor de gemeente voor het stellen van regels over de fysieke leefomgeving. De artikelen 2.4, 4.1 en 4.2 Omgevingswet bieden daarvoor de juridische grondslag. 

Het omgevingsplan is primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan is hierin anders dan het (oude) bestemmingsplan. Het bestemmingsplan beperkte zich tot planologische aspecten met regels over bouwen en gebruik van gronden en bouwwerken. Het omgevingsplan ziet op meer aspecten van de fysieke leefomgeving en bevat daarom ook regels voor andere activiteiten. De integratie van regels, die met de Omgevingswet wordt beoogd, krijgt op gemeentelijk niveau gestalte in het omgevingsplan, met als centraal criterium een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

3.2 Omgevingsplan per 1 januari 2024

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft de wetgever de gemeente een omgevingsplan ‘van rechtswege’ toebedeeld. Hierin zijn de oude bestemmingsplannen opgenomen, regels van het rijk en -in voorkomende gevallen- een aantal verordeningen. Dit om te bewerkstelligen dat er regels over de fysieke leefomgeving blijven gelden, die vanaf genoemd moment gewijzigd kunnen worden. Vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet begint er een overgangstermijn te lopen tot 1 januari 2032. Op dat moment moet het omgevingsplan voldoen aan alle eisen die de wet stelt aan het omgevingsplan. Dit geschiedt door de bestaande regels in het omgevingsplan van rechtswege te wijzigen. De wijzigingen kunnen gebiedsgewijs of thematisch worden behandeld en worden doorgevoerd. 

 

3.3 Juridisch karakter en kaders

Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat regels over de fysieke leefomgeving “decentraal, tenzij” worden gesteld. Er is voor de gemeente autonomie om regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving te stellen. Deze regels kunnen een grote variëteit hebben: van niet-regelen tot zorgplichten, algemene regels, meldingsplichten, informatieplichten, maatwerkvoorschriften, maatwerkregels en vergunningplichten.  

Die autonomie is echter niet onbegrensd. Er zijn namelijk kaders gesteld waarmee in het omgevingsplan of bij een verleende vergunning rekening moet worden gehouden. Deze kaders zijn er voor gemeenten vanuit het Rijk (Besluit bouwwerken leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving), de provincie (omgevingsverordening) en het waterschap (waterschapsverordening). Daarnaast kunnen de provincie en waterschap voor hun grondgebied ook zelf bindende regels voor burgers en bedrijven opstellen.  

Het omgevingsplan geldt voor de hele gemeente Eindhoven. De Omgevingswet gaat uit van een consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan.  

 De regels in het omgevingsplan hebben het karakter van algemene verbindende voorschriften, vergelijkbaar met een verordening: ze zijn bindend voor burgers en bedrijven en vormen daarmee een grondslag voor toezicht en handhaving bij geconstateerde overtredingen. 

3.4 Omgevingsplan Eindhoven

Ook voor de gemeente Eindhoven geldt per 1 januari 2024 het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege. 

Na de eerste wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan krijgt het omgevingsplan Eindhoven de hieronder weergegeven structuur en opzet. De indeling van het omgevingsplan volgens deze opzet is voor de verdere wijzigingen van het omgevingsplan bepalend en biedt een kader waarbinnen de wijzigingen zo duidelijk mogelijk en binnen de doelstellingen van de Omgevingswet kunnen worden opgenomen. 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 

Dit hoofdstuk bevat de verwijzingen naar de begripsbepalingen die gelden voor het omgevingsplan, het oogmerk van de regels van het omgevingsplan, waar en voor wie de regels gelden en de artikelen over de verstrekking van gegevens. 

Hoofdstuk 2 Vanwege instructieregels aangewezen gebieden en locaties  

In dit hoofdstuk staan de door het Rijk en de provincie gegeven instructieregels waar de gemeente in het omgevingsplan rekening mee moet houden. 

Hoofdstuk 3 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken (regels over gebruik) 

Gebruik van gronden en bouwwerken is alleen toegestaan als het in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Het begrip gebruiksdoel komt in de plaats van het begrip bestemming zoals we dat kennen vanuit de bestemmingsplannen. In dit hoofdstuk zijn de in Eindhoven voorkomende gebruiksdoelen opgenomen met bijbehorende regels. Een voorbeeld is regels over een beroep of bedrijf aan huis bij het gebruiksdoel wonen.  

Hoofdstuk 4 Overige regels over het gebruik van gebouwen en gronden 

De overige regels over het besluit van gronden en bouwwerken staan in dit hoofdstuk. Dit zijn bijvoorbeeld regels die voortvloeien uit het gemeentelijk beleid, zoals de parkeernota bij wijziging van gebruik, maar ook regels over geluid of de inrichting en gebruik van een erf. 

Hoofdstuk 5 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken 

Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of slopen. In dit hoofdstuk is de bouwvergunningplicht opgenomen maar ook de regels over vergunningsvrij en de beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten. In afdeling 5.3 staan de regels over vergunningplichtige sloopactiviteiten. 

Hoofdstuk 6 Ruimtelijke regels over bouwwerken 

In dit hoofdstuk staan onder andere  de bouwregels van gebouwen en bouwwerken. In deze regels staat bijvoorbeeld wat waar gebouwd mag worden, de bouwhoogte etc. 

Hoofdstuk 7 Aanlegactiviteiten 

Dit hoofdstuk bevat regels over aanlegactiviteiten. Dit zijn regels over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Dit hoofdstuk bevat ook regels en vergunningplichten voor verschillende aanlegactiviteiten, bijvoorbeeld voor een aanlegactiviteit in een beschermingszone archeologie. 

Hoofdstuk 8 Het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg 

Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van het aanleggen of wijzigen van bepaalde gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen of het gebruik van een lokale spoorweg. 

Hoofdstuk 9 Kostenverhaal 

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor de regels over kostenverhaal. 

Hoofdstuk 10 Milieubelastende activiteiten   

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Deze begripsbepalingen is zeer ruim en omvat een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. De meeste regels in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit de  ‘bruidsschat’ (zie ook bij hoofdstuk 22). 

Hoofdstuk 11 Gemeentelijke monumenten 

Dit hoofdstuk is van toepassing op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten en de zorg daarvoor en het verrichten van een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten. Deze regels zijn pas van toepassing als de regels van hoofdstuk 2 en 3 van de Erfgoedverordening zijn vervallen. Daarmee wordt voorkomen dat zowel de vergunningplicht op grond van de Erfgoedverordening als de vergunningplicht op grond van deze paragraaf gaat gelden (met uitzondering van de regels in artikel 11.10 t/m 11.17). 

Hoofdstuk 12 Activiteiten op of bij openbare plaatsen, wegen en bij wateren 

In dit hoofdstuk komen regels uit de gemeentelijke verordeningen. 

Op basis van de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet dienen op gemeentelijk niveau de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving uiterlijk 1 januari 2032 te zijn geïntegreerd in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Veel van de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in gemeentelijke verordeningen. Deze zijn op basis van de Gemeentewet of bijzondere wetgeving door de gemeenteraad vastgesteld.

De overgang van deze regels naar het omgevingsplan wordt ingekaderd door hetgeen daarover bij of krachtens de Omgevingswet is bepaald: er zijn regels die moeten overgaan, er zijn regels die niet mogen overgaan, en er zijn regels waar een nadere afweging mag worden gemaakt. In alle gevallen is in de Omgevingswet bepaald dat indien de regels niet op genoemde datum van uiterlijk 1‑1‑2032 zijn overgezet naar het omgevingsplan, deze van rechtswege komen te vervallen.

Opname van deze bepalingen in een separaat hoofdstuk is voor de uitvoering van de VTH-taken op de “oude” APV-regels goed werkbaar.

Hoofdstuk 13 Activiteiten over flora en fauna 

Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels over flora en fauna, onder andere de Bomenverordening. 

Hoofdstuk 14 Procedureregels 

Gereserveerd 

Hoofdstuk 15-21  

Gereserveerd 

Hoofdstuk 22 Activiteiten (Bruidsschat van het rijk) 

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen overgeheveld. Deze zijn automatisch naar hoofdstuk 22 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan verhuisd. Deze regels heten de ‘bruidsschat’.  Een deel van deze regels is aangepast en opgenomen in de nieuwe structuur van het omgevingsplan Eindhoven. Een groot deel van deze bruidsschat wordt in hoofdstuk 22 gehandhaafd. 

Hoofdstuk 23 Overgangsrecht 

In dit hoofdstuk staan de algemene regels van het overgangsrecht. 

Hoofdstuk 24 Slotbepalingen 

Dit hoofdstuk bestaat uit 1 artikel dat bepaalt dat dit omgevingsplan wordt aangehaald als Omgevingsplan gemeente Eindhoven. 

Bijlagen 

Toelichting 

3.5 Eerste wijziging omgevingsplan
3.5.1 Procedureel

Een wijziging van het omgevingsplan vindt allereerst plaats door het publiceren van een kennisgeving, waarna participatie plaatsvindt met en door burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen. Hun belangen worden zo inzichtelijk gemaakt in de voorbereiding van de wijziging.  

Een ontwerp-wijziging van het omgevingsplan wordt vervolgens via de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Gedurende zes weken kan door iedereen een zienswijze daartegen worden ingediend. Vervolgens stelt de gemeenteraad, met inachtneming van de ingediende zienswijzen, het gewijzigde omgevingsplan vast. Tegen dat besluit staat bij de Raad van State binnen zes weken beroep open.

 

3.5.2 Inhoudelijk

De eerste wijziging van het omgevingsplan Eindhoven heeft, naast het bepalen van een vaste structuur en hoofdstukindeling, op de volgende twee onderwerpen betrekking: 

1. Bruidsschat 

Met de ‘bruidsschat’ wordt gedoeld op diverse regels van het Rijk met betrekking tot bijvoorbeeld milieu, geur, geluid en trillinghinder, alsook bouwregels. De wetgever heeft gemeend dat dit regels zijn waarover de gemeenten het beste zelf kunnen bepalen of deze moeten gelden: meer maatwerk voor gemeenten dus.  

Omdat dit maatwerk per 1 januari 2024 nog niet kon zijn verwerkt, zijn al deze regels tijdelijk in het omgevingsplan geplaatst (in hoofdstuk 22) en is het aan de gemeente om te bepalen wat er met de bruidsschatregels gebeurt.  

Met de eerste wijziging van het omgevingsplan Eindhoven worden de regels van de bruidsschat (met inachtneming van rijks- en provinciale instructieregels) aangepast en opgenomen in de nieuwe structuur van het omgevingsplan. Daarmee worden deze algemene regels, die voldoen aan instructieregels, voor het gehele grondgebied van de gemeente Eindhoven relevant en bieden ze een grondslag voor gebiedsontwikkelingen. 

2. Bestemmingsplan Woensel Noord

Zoals eerder aangegeven zijn alle eerder genomen ruimtelijke besluiten van de gemeente Eindhoven onderdeel geworden van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan Eindhoven. Zo ook het Bestemmingsplan Woensel Noord, dat op 5 mei 2023 in werking is getreden. 

In deze eerste wijziging van het van het omgevingsplan is ervoor gekozen om een concreet gebied te verwerken. Zodat het voor iedereen duidelijk wordt hoe dit in het DSO eruit komt te zien. Dit concrete gebied is bestemmingsplan Woensel Noord. Het is een bestaand gebied, zonder ontwikkelingen. Daarnaast is het een bestemmingsplan dat recent nog is vastgesteld, waarbij sprake is van diverse gebruiksactiviteiten. De bestaand, legale gebruiks- en bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan zijn vertaald in het omgevingsplan Eindhoven. 

3.5.3 Bruidsschat en plan-MER

De bruidsschat bevat ongeveer 400 milieuregels die voorafgaand aan de Omgevingswet nog door het Rijk waren vastgesteld. De verantwoordelijkheid is naar de gemeenten overgedragen en zijn automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.  

Voor de bruidsschatregels zelf is geen plan-milieueffectrapport (plan-MER) opgesteld, maar voor het omgevingsplan kan dit wel aan de orde zijn. Om juridische onzekerheid en dubbel werk te voorkomen wil de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een plan-MER opstellen voor de bruidsschatregels. Het plan-MER wordt gekoppeld aan een nieuw Programma bruidsschat, een vrijwillig programma onder de Omgevingswet.  

Zolang het plan-MER van het programma Bruidsschat nog niet gereed is kan een gemeente het toepassingsbereik aanpassen bij het omzetten van de milieuregels van de bruidsschat. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om de "nieuwe" regels niet van toepassing te laten zijn op de vergunningplichtige activiteiten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).  Hiermee zijn deze nieuwe regels niet kaderstellend voor de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor mer-plichtige of mer-beoordelingsplichtige projecten. Daardoor is de meest voor de hand liggende aanleiding voor een plan-mer-plicht niet meer van toepassing op het deel van de regels dat gewijzigd wordt. Hiervoor heeft de gemeente Eindhoven gekozen. 

Op een later moment wordt het omgevingsplan gewijzigd om ook de regels voor de vergunningplichtige activiteiten van het Bal om te zetten, inclusief een bijbehorende plan-MER. 

Voor een deel van hoofdstuk 10 is het toepassingsbereik daarom beperkt tot milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving ('milieuvergunning') nodig is. Het gaat om afdeling 10.2 en afdeling 10.3

Voor zover sprake is van een milieubelastende activiteit waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig is, gelden van hoofdstuk 10 alleen de afdelingen 10.1 en 10.4. Daarnaast worden deze milieubelastende activiteiten gereguleerd door afdeling 22.3. Die afdeling is voor deze milieubelastende activiteiten ongewijzigd in stand gelaten. Het toepassingsbereik van deze afdeling, zoals geregeld in artikel 22.41 is wel aangepast; nu geldt het alleen voor milieubelastende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving ('milieuvergunning') benodigd is. Voor alle overige milieubelastende activiteiten is hoofdstuk 10 van toepassing. 

3.6 Digitale aspecten van het omgevingsplan
3.6.1 Inleiding

Zoals in hoofdstuk 2 van deze Toelichting aangegeven heeft de wetgever meerdere verbeterdoelen voor ogen gehad met het invoeren van de Omgevingswet. Een van deze doelen was het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht. Een belangrijk instrument om dit doel te behalen is digitalisering van het stelsel voor omgevingsrecht.  

 Een belangrijk hulpmiddel bij de inzichtelijkheid van de regels is het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) waarop elke gemeente is aangesloten. Hierin wordt de regelgeving of regeling zowel vanuit een locatie op de kaart als vanuit de regels zelf, voor iedereen raadpleegbaar gemaakt.  

3.6.2 Digitaal Stelsel Omgevingsloket (DSO) / Regels op de kaart

Bij het opstellen van de Omgevingswet heeft de wetgever rekening gehouden met de uitwerking van een van zijn verbeterdoelen, namelijk het vergroten van de inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en het gebruikersgemak van het omgevingsrecht.  

 De wetgever heeft daarom ook regels in de Omgevingswet opgenomen die helpen dit doel te realiseren. Deze regels zijn de juridische basis voor het Digitale Stelsel Omgevingsloket (DSO). 

 Het DSO is één digitaal loket waar initiatiefnemers, overheden en belanghebbende snel kunnen zien wat kan en mag in de fysieke leefomgeving. Hiermee moet het DSO zorgen voor samenhangende, eenduidige en toegankelijke informatie van goede kwaliteit, met als gevolg dat het DSO het gebruikersgemak vergroot. 

Bij het ontwikkelen van het DSO heeft men drie hoofdfuncties voor ogen gehad voor het DSO:   

  • gebruikers moeten zich kunnen oriënteren op alle op een bepaalde locatie van toepassing zijnde regels;   

  • gebruikers moeten kunnen nagaan of een specifieke activiteit is toegestaan, en onder welke voorwaarden;    

  • gebruikers moeten een vergunning kunnen aanvragen via het DSO.   

 

Wil een initiatiefnemer weten welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden of van toepassing zijn op een bepaalde locatie, dan kijkt deze initiatiefnemer in het DSO onder het kopje ‘Regels op de Kaart’. De initiatiefnemer heeft vervolgens de mogelijkheid om niet alleen het omgevingsplan te raadplagen, maar ook de oude bestemmingsplannen  (zo lang deze nog niet verwerkt zijn in het Omgevingsplan) om te weten te komen welke regels op de gekozen locatie gelden. Kiest de initiatiefnemer een andere locatie, dan kan het zijn dat daar andere regels gelden. Dit omdat elke regel in het omgevingsplan een werkingsgebied heeft dat met het vastleggen van coördinaten wordt bepaald. Op die manier kan bijvoorbeeld in het centrumgebied van de gemeente een andere maximaal toegestane waarde voor bouwhoogte naar voren komen dan in het landelijk buitengebied. 

Een omgevingsplan bestaat uit het (eerste) initiële omgevingsplan en de daarop volgende wijzigingsbesluiten. Omdat het omgevingsplan blijft wijzigen is het voor de raadpleger belangrijk te weten op welk moment welke regeling van toepassing is. Het is daarom belangrijk dat de wijzigingsbesluiten in de regeling worden verwerkt.  

De regeling die het meest actueel en geldend is wordt geconsolideerde regeling genoemd. Is de regeling in het verleden gewijzigd, dan is het voor de raadpleger ook mogelijk om de regeling zoals die voor het wijzigingsbesluit gold te raadplegen. Dit geldt ook voor ontwerpwijzigingen of besluiten die nog niet in werking zijn getreden. Deze toekomstige wijzigingen van de regels zijn ook te raadplegen in een geconsolideerde versie. 

Ook kan de raadpleger per regel de achterliggende informatie raadplegen. Zo kan deze nagaan bij welk besluit de betreffende regel (of onderdeel daarvan) in het omgevingsplan terecht is gekomen en kan de raadpleger de achterliggende wetstechnische informatie raadplegen (zoals wanneer de regel in werking is getreden en onherroepelijk is geworden). 

Hoewel een initiatiefnemer op het DSO alle op een locatie geldende regels kan raadplegen, is daarmee niet gezegd dat de regels duidelijk zijn. Daar is echter ook aan gedacht en om die reden vertaalt iedere gemeente zijn juridische regels naar begrijpelijke vragenbomen voor de initiatiefnemer. Dit vertalen wordt het toepasbaar maken van de regels genoemd.  

Toepasbare regels worden op het DSO gebruikt in de drie onderdelen: Vergunningcheck, Aanvragen en Maatregelen op maat:

  • Met de vergunningcheck krijgt de initiatiefnemer een concreet antwoord op de vraag: 'Mag ik op deze locatie mijn initiatief starten, of moet ik daar een vergunning voor aanvragen, een melding doen of geldt er een informatieplicht? 

  • Heeft de initiatiefnemer de vergunningcheck doorlopen en geldt er een vergunning-, meldings- of informatieplicht, dan gaat de initiatiefnemer naar het onderdeel Aanvragen. Onder Aanvragen wordt door middel van toepasbare regels een formulier met relevante vragen aan de gebruiker getoond. Heeft de initiatiefnemer de vragen ingevuld dan kan deze de aanvraag via het DSO bij het betreffende bestuursorgaan (provincie, waterschap of gemeente) indienen. 

  • Bij maatregelen op maat kan de gebruiker via vragenbomen een overzicht krijgen van de maatregelen die hij of zij moet treffen. De maatregelen die de initiatiefnemer moet treffen variëren per activiteit en kunnen ook variëren van een eenmalige actie tot een regelmatig terugkerende actie van de initiatiefnemer. 

3.6.3 Annoteren

Zoals al eerder genoemd bestaat het omgevingsplan uit regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit zijn juridische regels die mogelijk al wel digitaal te raadplegen zijn, maar niet zonder meer in het DSO aan de juiste locatie gekoppeld zijn. Om ervoor te zorgen dat de raadpleger de juiste regels te zien krijgt wanneer deze een locatie kiest, moet de gemeente de regels annoteren. Annoteren betekent het toevoegen of markeren van eigenschappen aan juridische regels in omgevingsdocumenten. Anders gezegd, door te annoteren maakt de gemeente haar regels digitaal leesbaar. Dit zorgt ervoor dat de juiste informatie zichtbaar is op het DSO en dat de raadpleger op het DSO kan zoeken naar de informatie in een omgevingsdocument, het juiste werkingsgebied van de regel en andere gegevens op een kaart te zien zijn. Zou de gemeente de regels niet annoteren, dan zou de raadpleger in het DSO niet kunnen zien welke regels gelden op de gekozen locatie. 

Daarnaast is annoteren belangrijk om de juridische vragenbomen van de vergunningcheck, aanvragen en maatregelen op maat op het DSO te plaatsen. Met de annotatie maakt de gemeente de verbinding tussen de juridische regels en de toepasbare regels. De annotatie is als het ware de digitale kapstok waaraan de vragenboom opgehangen kan worden. 

Artikelsgewijze Toelichting

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 heeft betrekking op begrippen die in het omgevingsplan worden gehanteerd. Dit artikel komt in de plaats van artikel 1.1 van de Bruidsschat. 

Eerste lid:

In het eerste lid wordt bepaald dat de in bijlage I opgenomen begripsbepalingen op het omgevingsplan van toepassing zijn. Die bijlage bevat definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. Voor de toegankelijkheid en leesbaarheid van het omgevingsplan zijn die begripsbepalingen gebundeld opgenomen in een bijlage. 

Niet elk begrip behoeft een begripsomschrijving. In veel gevallen is duidelijk wat onder een bepaald begrip wordt verstaan. Daarbij wordt in beginsel gekeken naar wat in het normale taalgebruik onder een begrip wordt verstaan. Wanneer dat niet tot een eenduidige uitleg leidt, kan een begripsomschrijving worden opgenomen. Wanneer een begrip gelet op het normale taalgebruik geen uitleg behoeft, wordt van opname van een omschrijving afgezien.

Tweede lid:

Veel van de in het omgevingsplan gehanteerde begrippen kennen een begripsbepaling in het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving of de Omgevingsregeling. Het tweede lid bepaalt dat die eveneens van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Daarbij is gekozen voor een zogenaamde dynamische verwijzing. Deze begripsbepalingen zijn dus niet in bijlage I overgenomen. Dit komt de eenduidige uitleg van het omgevingsrecht ten goede. In het tweede lid is wel de mogelijkheid opengelaten voor het in bijlage I opnemen van een afwijkende definitie van een begrip.

Er is geen reden om ook de begripsbepalingen, opgenomen in de Omgevingswet, van toepassing te verklaren. De begripsbepalingen die zijn opgenomen in de Omgevingswet zijn op grond van de wet zelf ook van toepassing op bepalingen die op de Omgevingswet berusten (artikel 1.1, eerste lid, Omgevingswet).

Derde lid:

Het derde lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking' zijn de begripsbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels in deze besluiten. Zolang deze ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in die besluiten zelf, van toepassing blijven. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het derde lid regelt dit.

Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan, anders dan het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat tijdelijk deel niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de locatie ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied, dat eerst het gehele gemeentelijke grondgebied van Eindhoven (minus Woensel Noord) is, geleidelijk aan steeds kleiner.

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het eerste en tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing zijn op de regels in dat TAM-omgevingsplan.

In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.

Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Eindhoven, bevat zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels die zijn opgenomen in het TAM-omgevingsplan. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Eindhoven, is het belangrijk dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in een TAM-omgevingsplan, van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, en omdat het eerste lid wel geldt daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. 

Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in TAM-omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat TAM-plan niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.

Vijfde lid:

Het vijfde lid bevat een voorrangsbepaling voor als bijlage I een begripsbepaling bevat voor een begrip waarvoor ook een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan een begripsbepaling bevat. Dan wordt voor de uitleg van het begrip voor wat betreft de desbetreffende regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan de begripsbepaling uit dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan toegepast.

Artikel 1.2 Oogmerk regels omgevingsplan

Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In artikel 1.3 Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald:

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

  • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

 

Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld. Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met het oog op een ander doel dan genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet mogen worden gesteld. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In artikel 1.2 van dit omgevingsplan is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.

Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.

Artikel 1.3 Waar deze regels gelden

Artikel 1.3 bevat bepalingen over het geografisch werkingsgebied van de regels en over het overzicht van informatieobjecten dat onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat de regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Eindhoven, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in Eindhoven. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen Eindhoven. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf. Hoewel dit een algemeen juridisch gegeven is voor juridische regels, is ervoor gekozen dit expliciet in dit artikel op te nemen, als uitgangspunt voor de uitzondering op die regel.

Tweede lid:

In het tweede lid is opgenomen dat bijlage II bij dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat. Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.

Artikel 1.4 Normadressaat

Artikel 1.4 bepaalt tot wie de regels van dit omgevingsplan zijn gericht. Het artikel bevat een hoofdregel, maar laat ruimte om daarop elders in dit omgevingsplan uitzonderingen te maken. De hoofdregel is dat de regels zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden.

Onder ‘degene die de activiteit verricht’ wordt ook verstaan degene die de activiteit laat verrichten (zie toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving). Zo bepaalt artikel 4.3 Besluit bouwwerken leefomgeving van dat besluit dat aan de regels in hoofdstuk 4 wordt voldaan 'door degene die het bouwwerk bouwt'. Uit de toelichting op dat artikel (staatsblad 2018, nr. 291) blijkt dat wordt daaronder ook degene wordt verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander. 

Onder degene die de activiteit verricht wordt dus meer verstaan dan alleen degene die feitelijk de activiteit verricht. De Omgevingswet noch de AMvB's bevatten een nadere duiding aan welke criteria 'degene die de activiteit verricht' in een concreet geval zou moeten voldoen. Wel is een aantal elementen aan te geven (zie paragraaf 2.3.2 van de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293). Degene moet (economische) zeggenschap hebben over de activiteit. Dat is degene die het feitelijk of juridisch voor het zeggen heeft/in zijn macht heeft om de activiteit te starten, aanpassen of staken (de overtreding te beëindigen). Bij de meeste activiteiten is het degene die de vergunning aanvraagt of melding doet. In andere gevallen: degene met zeggenschap. Vaak zal het de eigenaar of huurder van het perceel/pand zijn. 

Dit alles is ook van toepassing op de uitleg van wie moet worden verstaan onder degene die de activiteit verricht, zoals opgenomen in dit artikel 1.4. Het artikel biedt wel ruimte om elders in dit omgevingsplan, mocht dat nodig blijken, een afwijkende normadressaat te bepalen. Dit laatste in navolging van wat bijvoorbeeld gebeurt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin voor een aantal regelonderdelen een van de hoofdregel afwijkende normadressaat wordt aangegeven.

Artikel 1.5 Algemene gegevens bij melding en informatieplicht 

Artikel 1.5 komt in de plaats van artikel 22.46 van de Bruidsschat. De bepaling is aangepast en in lijn gebracht met artikel 7.3 en 7.217 van de Omgevingsregeling. Door opname van de bepaling in dit hoofdstuk 1 is het toepassingsbereik verruimd tot heel het omgevingsplan.

Als op grond van een bepaling in dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt of een melding moet worden gedaan, worden die gegevens en bescheiden of die melding begeleid door een aantal algemene gegevens. Dat wordt bepaald in dit artikel. De plicht zelf om gegevens te verstrekken of om een melding te doen vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen elders in dit omgevingsplan. Als in dit omgevingsplan het verstrekken van gegevens en bescheiden of een meldplicht is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die specifieke gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Dit artikel heeft betrekking op gegevens die op grond van dit omgevingsplan in het kader van een melding of informatieplicht moet worden aangeleverd. Voor zover op grond het omgevingsplan een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd, dan bepaalt artikel 7.3, respectievelijk 7.217 van de Omgevingsregeling dat algemene gegevens aangeleverd moeten worden. Omdat dit dus al elders geregeld is, is het verstrekken van algemene gegevens in het kader van die besluiten in dit artikel expliciet uitgesloten.

Deze systematiek komt overeen met die van het Besluit activiteiten leefomgeving en voorkomt dat bij iedere meldings- of informatieplicht de algemene gegevens herhaald moeten worden. De term bescheiden wordt gebruikt om allerlei vormen van schriftelijke documentatie of bewijsstukken aan te duiden.

Artikel 1.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat  

Artikel 1.6 komt in de plaats van artikel 22.47 van de Bruidsschat. De bepaling is inhoudelijk ongewijzigd, behalve dat deze in het algemene deel van het omgevingsplan is opgenomen. In de bruidsschat stond deze bepaling alleen bij de milieubelastende activiteiten.

Onderdeel a: 

Onderdeel a regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. 

Onderdeel b: 

Onderdeel b regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 1.7 Melding en kennisgeving

Dit artikel bepaalt als hoofdregel dat als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting moet zijn gedaan. Elders in dit omgevingsplan kan echter een andere andere termijn zijn gesteld. In dat geval geldt die andere termijn.

Artikel 1.8 Meet- en rekenregels

Artikel 1.8 bevat meet- en rekenbepalingen die bij de toepassing van dit hoofdstuk moeten worden gehanteerd. 

Eerste lid:

Het eerste lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking’ zijn de meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied steeds kleiner.

Tweede lid:

Dit onderdeel bepaalt dat op de bruto-vloeroppervlakte de NEN 2580 van toepassing is. Hiermee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin is als begripsbepaling voor bruto-vloeroppervlakte opgenomen dat het betrekking heeft op ‘bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580’. 

Derde lid:

Dit onderdeel bepaalt dat als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, dat dan de betreffende norm geldt per afzonderlijk vlak. Deze meetbepaling is nodig omdat een in een regel opgenomen norm uit meerdere vlakken kan bestaan. Wanneer daaraan een normwaarde is gekoppeld, is in sommige gevallen niet duidelijk of die normwaarde betrekking heeft op alle vlakken gezamenlijk, of op elk vlak afzonderlijk. Dit meet- en rekenvoorschrift bepaalt dat de normwaarde op elk vlak afzonderlijk van toepassing is. Dit speelt bijvoorbeeld bij het artikel dat bepaalt dat ter plaatse van 'maximum brutovloeroppervlakte wonen' de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van wonen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde is. De begrenzing van 'maximum brutovloeroppervlakte wonen' wordt geografisch bepaald. Die begrenzing zal uit meerdere vlakkenbestaan. Per vlak wordt een normwaarde bepaald. Die normwaarde bepaalt, in samenhang met de regel, het maximum bruto-vloeroppervlakte. Wanneer die normwaarde voor meerdere vlakken gelijk is, dan moet duidelijk zijn of die normwaarde voor de verschillende vlakken gezamenlijk geldt, of voor elk vlak afzonderlijk.

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Vijfde en zesde lid:

Dit onderdeel komt in de plaats van artikel 22.24 van de Bruidsschat. Het onderdeel is inhoudelijk ongewijzigd. In dit onderdeel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. 

Zevende lid:

Dit onderdeel bepaalt dat de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Daarbij is een extra toevoeging opgenomen voor woonwagens/woonwagenwoningen.

Achtste lid:

Dit onderdeel bepaalt dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Daarbij is een extra toevoeging opgenomen voor woonwagens/woonwagenwoningen.

Negende lid:

Dit onderdeel bepaalt hoe de dakhelling gemeten moet worden.

Tiende lid:

Dit onderdeel  bepaalt hoe de oppervlakte van een bouwwerk gemeten moet worden. 

Elfde lid:

Dit onderdeel bepaalt hoe de inhoud van een bouwwerk gemeten moet worden.

Twaalfde lid:

Dit onderdeel bepaalt dat de hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het straatpeil tot aan de (wieken)as.

Artikel 1.9 Anti-dubbeltelbepaling

De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat dezelfde grond meer dan één keer meetelt bij het toepassen van planregels. Dit zorgt voor een rechtvaardige en ruimtelijk consistente toepassing van de regels.
Bijvoorbeeld: een deel van een perceel dat nodig is om aan een maximale bebouwingspercentage te voldoen, kan niet nogmaals worden gebruikt om een ander bouwwerk op te baseren. 

Artikel 1.10 Toepasbare regels Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven 2022

De dienstverlening met toepasbare regels ontstaat door annotaties aan het omgevingsplan. Omdat de juridisch regels voor de vergunningverlening voor kabels en leidingen niet in het omgevingsplan zitten, maar in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven 2022, kunnen de annotaties nog niet worden gekoppeld. Om de annotaties voor deze vergunningverlening alvast te kunnen koppelen aan het DSO, is een leeg artikel in het omgevingsplan opgenomen. Dit is een technisch artikel zonder juridische regels waaraan de annotaties opgehangen worden. De juridische regels voor de betreffende activiteiten bevinden zich dus buiten het omgevingsplan, namelijk in voornoemde verordening. 

Artikel 2.1 Aanwijzing  brandvoorschriftengebied

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van brandvoorschriftengebieden. Het gevolg van deze bepaling is dat ter plaatse van 'brandvoorschriftengebied' aanvullende bouwmaatregelen moeten worden getroffen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat een brandvoorschriftengebied is. Dat zijn de locaties die in het omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied is toegelaten en waar voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt. Het is mogelijk om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen in plaats van de maatregelen die op grond van hiervoor genoemde bepaling zijn vereist. 

Het tweede lid van artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in het omgevingsplan een (reeds geldend) brandaandachtsgebied wordt aangewezen als brandvoorschriftengebied.

Het aandachtsgebied en het voorschriftengebied zijn nieuw kernbegrippen van de gemoderniseerde omgevingsveiligheid van het Rijk. De aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident bij een aangewezen risicoactiviteit nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Een aandachtsgebied ontstaat van rechtswege bij het begin van een nieuwe aangewezen risicoactiviteit met aandachtsgebied. De aandachtsgebieden zijn zichtbaar op de Atlas Leefomgeving. 

In tegenstelling tot de aandachtsgebieden ontstaan voorschriftengebieden voor brand- en explosie pas als deze in het omgevingsplan worden aangewezen. Het gevolg van de aanwijzing van een voorschriftengebied is dat nieuw te bouwen gebouwen binnen dat gebied van bouwkundige maatregelen moeten worden voorzien om de daarin verblijvende personen te beschermen. Terwijl het aandachtsgebied iets zegt over de te verwachten risico’s, bepaalt het voorschriftengebied waar extra bescherming in de vorm van bouwkundige maatregelen nodig is.

De gemeente heeft enige vrijheid om te bepalen waar voorschriftengebieden worden aangewezen. Het eerste lid van art. 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving biedt ruimte om in gebieden waarvan de concrete invulling nog niet vaststaat alvast aandachtsgebieden toe te laten voor toekomstige risicoactiviteiten en deze locatie te aan te wijzen als brandvoorschriften- of explosievoorschriftengebied.

Als er eenmaal een aandachtsgebied voor brand -en explosie is ontstaan (omdat een nieuwe aangewezen risicoactiviteit is gestart), dan moet het voorschriftengebied aangewezen worden (gelet op het tweede lid van art. 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving). Echter, het is niet altijd verplicht om het (reeds ontstane) aandachtsgebied aan te wijzen als voorschriftengebied. Op grond van artikel 5.14, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving is het mogelijk om, in afwijking van het tweede lid, af te zien van de aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied. Ook kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dat kan aan de orde zijn wanneer de risico’s binnen het aandachtsgebied, al dan niet na het treffen van maatregelen, aanvaardbaar zijn en de bouwkundige voorzieningen aan nieuwe gebouwen niet nodig zijn. Deze mogelijkheid geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. 

Artikel 2.2 Aanwijzing explosievoorschriftengebied

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van explosievoorschriftengebieden. Het gevolg van deze bepaling is aldus dat ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' aanvullende bouwmaatregelen moeten worden getroffen op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.14, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt wat een explosievoorschriftengebied is. Dat zijn de locaties die in het omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een explosieaandachtsgebied is toegelaten en waar voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt. Het is mogelijk om andere gelijkwaardige maatregelen te treffen in plaats van de maatregelen die op grond van hiervoor genoemde bepaling zijn vereist.

Het tweede lid van artikel 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in het omgevingsplan een (reeds geldend) explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als explosievoorschriftengebied.

Het aandachtsgebied en het voorschriftengebied zijn nieuw kernbegrippen van de gemoderniseerde omgevingsveiligheid van het Rijk. De aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident bij een aangewezen risicoactiviteit nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Een aandachtsgebied ontstaat van rechtswege bij het begin van een nieuwe aangewezen risicoactiviteit met aandachtsgebied. De aandachtsgebieden zijn zichtbaar op de Atlas Leefomgeving. 

In tegenstelling tot de aandachtsgebieden ontstaan voorschriftengebieden voor brand en explosie als deze in het omgevingsplan worden aangewezen. Het gevolg van de aanwijzing van een voorschriftengebied is dat nieuwe gebouwen binnen dat gebied van bouwkundige maatregelen moeten worden voorzien om de daarin verblijvende personen te beschermen. Terwijl het aandachtsgebied iets zegt over de te verwachten risico’s, bepaalt het voorschriftengebied waar extra bescherming in de vorm van bouwkundige maatregelen nodig is. 

De gemeente heeft enige vrijheid om te bepalen waar voorschriftengebieden worden aangewezen. Het eerste lid van art. 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving biedt ruimte om in gebieden waarvan de concrete invulling nog niet vaststaat alvast aandachtsgebieden toe te laten voor toekomstige risicoactiviteiten en deze locatie te aan te wijzen als brandvoorschriften- of explosievoorschriftengebied.

 Als er eenmaal een aandachtsgebied voor brand en explosie is ontstaan (omdat een nieuwe aangewezen risicoactiviteit is gestart), dan móet het voorschriftengebied aangewezen worden (gelet op het tweede lid van art. 5.14 Besluit kwaliteit leefomgeving). Echter, het is niet altijd verplicht om het (reeds ontstane) aandachtsgebied aan te wijzen als voorschriftengebied. Op grond van artikel 5.14, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving is het mogelijk om, in afwijking van het tweede lid, af te zien van de aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied. Ook kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dat kan aan de orde zijn wanneer de risico’s binnen het aandachtsgebied, al dan niet na het treffen van maatregelen, aanvaardbaar zijn en de bouwkundige voorzieningen aan nieuwe gebouwen niet nodig zijn. Deze mogelijkheid geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. 

Artikel 2.3 Aanwijzing risicogebied externe veiligheid

Artikel 5.16, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om een risicogebied of meerdere risicogebieden aan te wijzen. Risicogebieden externe veiligheid zijn bedoeld om risicovolle bedrijven die bij elkaar liggen extra ruimte te geven. Op de grens van het risicogebied mag het plaatsgebonden risico niet meer dan 1 op de miljoen per jaar zijn. Ten aanzien van risicogebieden staan instructieregels in paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Risicogebieden zijn vergelijkbaar met de veiligheidscontour als bedoeld in artikel 14 van het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen. Met dit artikel kan (een deel van) de veiligheidscontour als risicogebied worden aangewezen. Uiteraard kunnen ook nieuwe gebieden aangewezen worden.

Artikel 2.4 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap

Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour houtkap. Dat is nodig, omdat de regels in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitsluitend gelden buiten het stedelijk gebied van gemeenten (artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, Besluit activiteiten leefomgeving). De grenzen daarvan – de 'bebouwingscontour kap' – worden door de gemeenteraad vastgesteld in het omgevingsplan. 

Artikel 2.5 Aanwijzing bebouwingscontour jacht

Artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht. 

Om redenen van veiligheid mag er geen jacht plaatsvinden direct bij of tussen bebouwing. Artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verbiedt dat. Het is de gemeente die op grond van artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving de desbetreffende 'bebouwingscontour jacht' aanwijst. De regeling is een voortzetting van de bepalingen die voorheen waren gesteld in artikel 3.21, derde lid, van de Wet natuurbescherming, en artikel 3.12, derde lid, aanhef en onder e, van het Besluit natuurbescherming. Bij de vaststelling van de bebouwingscontour jacht houdt de gemeenteraad rekening met het belang van veiligheid. 

Artikel 2.7 Aanwijzing waterwingebied

Ter plaatse van ‘waterwingebied’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening (zoals bedoeld in artikel 5.16 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels voor de aanlegactiviteiten staan in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.8 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

Ter plaatse van ‘grondwaterbeschermingsgebied’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem (zoals bedoeld in artikel 5.17 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels voor de aanlegactiviteiten staan in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.10 Aanwijzing attentiezone waterhuishouding

Ter plaatse van ‘attentiezone waterhuishouding’ geldt dat de gronden zijn aangewezen als een attentiezone voor de waterhuishouding (zoals bedoeld in artikel 5.41 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels voor de aanlegactiviteiten staan in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.11 Aanwijzing behoud en herstel watersystemen

Ter plaatse van ‘behoud en herstel watersystemen’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud en het herstel van watersystemen (zoals bedoeld in artikel 5.42 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels voor de bouw- en aanlegactiviteiten staan in hoofdstuk 6 en 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.14 Aanwijzing aardkundige waarden

Ter plaatse van ‘aardkundige waarden’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden (zoals bedoeld in artikel 5.43 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels staan in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan.

Artikel 2.15 Aanwijzing regionale waterberging

Ter plaatse van ‘regionale waterberging’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud van het waterbergend vermogen (zoals bedoeld in artikel 5.44 Omgevingsverordening Noord-Brabant). De bijbehorende regels staan in hoofdstuk 6 en 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.16 Aanwijzing groenblauwe waarden

Ter plaatse van ‘groenblauwe waarde’ geldt dat de gronden zijn aangewezen voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken, als bedoeld in artikel 5.46 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De bijbehorende regels staan in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan. 

Artikel 2.17 Beperking grootschalige logistiek

Ter plaatse van 'Beperking grootschalige logistiek' zijn de gronden aangewezen voor beperkingen van grootschalige logistiek als bedoeld in artikel 5.56a van de Omgevingsverordening Noord Brabant.

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Artikel 3.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken. Daarmee wordt een invulling gegeven aan regulering van gebruik zoals onder oud recht in de vorm van een 'bestemming' en de daarop betrekking hebbende 'gebruiksregels'. Het aan de locatie gegeven gebruiksdoel, en de regels over gebruik van gronden en bouwwerken, vormen het uitgangspunt voor de regulering van planologisch gebruik. 

Het tweede lid bepaalt dat afdeling 3.4 niet van toepassing is ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking'. Daar wordt het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken bepaald door de bestemming die op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt.

Artikel 3.2 Strijdig gebruik en voorrangsregel

Artikel 3.2 regelt in samenhang met de regels in afdeling 3.4 welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals die ook onder oud recht bestond. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Die 'vangnetfunctie' wordt nu overgenomen door dit artikel.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 4. In afdeling 3.4 wordt geregeld waar welk gebruiksdoel geldt. Aan een locatie kunnen meerdere gebruiksdoelen kunnen zijn gegeven. Met betrekking tot het gebruiksdoel worden ook regels gesteld over het gebruik. Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 4.2. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 10.

Tweede lid:

Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard, en regelt hetzelfde als het eerste lid voor gebieden waar het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen. Bepaald wordt dat het ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking' verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik.

In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Daar waar een ruimtelijk besluit nog van toepassing is, wordt de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Het tweede lid regelt dit.

Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking’.

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Het derde lid is alleen van toepassing op de situatie dat bij het vaststellen van het TAM-omgevingsplan tevens is besloten dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen.

In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. 

Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Eindhoven, bevat over het algemeen zelf ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Eindhoven, zijn deze regels mede bepalend voor de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan.

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

In de meeste gevallen zal een TAM-omgevingsplan voor het besluitgebied ervan in de plaats komen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het is echter ook mogelijk dat met een TAM-omgevingsplan alleen aanvullende regels worden gegeven. In dat geval moeten ook de regels van het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan van toepassing blijven. Het vierde lid voorziet daarin. Dit vierde lid is daarom aanvullend op het tweede lid. Dat betekent dat het tweede lid van toepassing blijft.

Artikel 3.3 Voorrangsregel over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan

Dit artikel bevat enkele voorrangsregels.

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatsegeldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. 

Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Het Rijk heeft een tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM IMRO.Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling.

Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAM-omgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn. Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.4 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing

Artikel 3.4 bevat algemene regels over het gebruik van het bij hoofdgebouwen behorend erf en de daarop aanwezige erfbebouwing. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het gebruik en het erf behorende bij een hoofdgebouw overeenkomstig het gebruiksdoel van dit hoofdgebouw dient te zijn. Het gebruiksdoel volgt uit afdeling 3.4. Het bij een hoofdgebouw behorende erf zal in de meeste gevallen hetzelfde gebruiksdoel hebben als dat van het hoofdgebouw. Omdat het hoofdgebouw meerdere gebruiksdoelen kan hebben, kan dat ook gelden voor het bijbehorend erf. Ook is mogelijk dat bij een hoofdgebouw met meerdere gebruiksdoelen het bijbehorend erf slechts een enkel gebruiksdoel heeft. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een onder afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd. Denk hierbij een parkeervoorzieningen op het erf behorend bij een bedrijf, het gebruik van het erf bij een woning als tuin, speelmogelijkheden voor kinderen op een bij een kinderdagverblijf behorend erf, of dat bij een kantoor medewerkers zich in de tuin begeven om te lunchen. Hiermee wordt de jurisprudentie onder de Wro gevolgd (zie o.a. ABRvS 20 april 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BQ1895 en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1790).

Artikel 3.5 Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan

Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing.

Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Het Rijk heeft tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze paragraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. 

Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAM-omgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud rechtvastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn. Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.6 Toepassingsbereik

In paragraaf 3.3.1 zijn regels opgenomen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen, dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden.

Artikel 3.7 Parkeernormen

Er dient voldaan te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de beleidsregeling Nota parkeernormen 2024.

Artikel 3.8 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

In artikel 3.8 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal parkeerplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan. Op grond van artikel 3.2 in samenhang met de regels onder afdeling 3.4 wordt per locatie bepaald welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Op een locatie zijn bijvoorbeeld zowel wonen, dienstverlening als maatschappelijke voorzieningen toegestaan.  

Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 3.8.

Er is een verbod opgenomen om het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Daarbij is aangegeven dat dit in aanvulling is op het bepaalde in artikel 3.2 . Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden; het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van gebruik moet dus worden voldaan aan de geldende parkeernorm. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit de beleidsregeling 'Nota Parkeernormen 2024'.

Artikel 3.9 Maatwerkvoorschrift bij wijzigen bestaand gebruik

Artikel 3.9 biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift in concrete gevallen af te wijken van het verbod zoals opgenomen in artikel 3.8. Daarbij is aangegeven in welke gevallen van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Dit sluit aan bij de regeling die was opgenomen in het 'parapluplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021'.

Het gaat hierbij om bijzondere gebieden of bijzondere situaties waarbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of de ruimtelijke situatie. 

De vraag of aan de gestelde condities is voldaan, is aan het bevoegd gezag dat op een verzoek om een maatwerkvoorschrift heeft te beslissen. In het tweede lid is aangegeven dat aan het maatwerkvoorschrift voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. In het derde lid zijn specifiek hierop betrekking hebbende aanvraagvereisten geformuleerd.

Artikel 3.10 Gebiedstypen

In het omgevingsplan zijn meerdere gebiedsaanwijzingen opgenomen, om de verschillende type gebieden mee aan te geven. Deze staan bij elkaar in dit artikel.

Artikel 3.11 Gebruik in overeenstemming met aan locatie gegeven gebruiksdoel

In bestemmingsplannen werd vaak in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat gronden mede waren bedoeld voor bepaalde bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en waterpartijen. Hoewel dergelijke bijbehorende voorzieningen vanzelfsprekend moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met alle gebruiksdoelen, is in dit artikel bepaald dat dit een gebruik betreft dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Daarbij is aangegeven dat het genoemde gebruik ‘in elk geval’ in overeenstemming is met het betreffende gebruiksdoel. Dat betekent dat de opgenomen lijst niet limitatief is. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot een nog geldende bestemming is niet nodig, omdat dit in bestemmingsplannen geregeld is in de bestemmingsomschrijvingen.

Artikel 3.12 Beperking grootschalige logistiek

Dit artikel is een uitwerking van de instructieregel die is opgenomen in artikel 5.56a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende begrippen, die in de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn opgenomen:

  • vestiging: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

  • nieuwvestiging: vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende omgevingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

  • uitbreiding: vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende omgevingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

  • grootschalige logistiek: gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter, waarop grootschalige bebouwing staat en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit.

Artikel 3.13 Beperking beschermingszone hoogspanningsverbinding

Hoogspanningsleidingen hebben een elektromagnetische straling. In verband met de gezondheidsrisico’s heeft het Rijk in 2005 voorzorgbeleid vastgesteld voor nieuwe situaties rond hoogspanningslijnen. Het Rijk adviseert om bij de vaststelling van ruimtelijke plannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen daarvan, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Dit voorzorgbeleid geldt alleen voor nieuwe situaties bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Het geldt niet voor andere bronnen van magneetvelden, zoals ondergrondse kabels, hoogspanningsstations en transformatorhuisjes en ook niet voor bestaande situaties.

Als gevolg van het advies uit 2005 wordt er in de praktijk in nieuwe situaties bij bovengrondse hoogspanningslijnen zo mogelijk afstand gehouden tot bestemmingen waarin mensen langdurig verblijven (“gevoelige bestemmingen”, zoals woningen en scholen). Dit heeft bijgedragen aan een werkbare uitvoeringspraktijk bij de ruimtelijke inpassing van bovengrondse hoogspanningslijnen en de realisatie van nieuwe woningen. Bij brief van 21 april 2023 heeft de minister voor Klimaat en Energie bevoegde gezagen ruimtelijke ordening (gemeenten, provincies, Rijk) en de netbeheerders voor de elektriciteit geadviseerd het bestaande voorzorgbeleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen voort te zetten.

De magneetveldzones waren opgenomen in de bestemmingsplannen van de gemeente Eindhoven. Deze zijn daarom ook opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 3.14 Verbod hyperscale datacenter

Dit artikel is opgenomen vanwege de 'voorbeschermingsregels hyperscale datacentra'. Deze zijn door het Rijk vastgesteld. Gemeente Eindhoven geldt als 'uitsluitingsgebied'. Daarom ligt het verbod op heel Eindhoven. Dit artikel gaat alleen over het oprichten en in gebruik nemen van datacentra met een omvang van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer.  Het verbod ten aanzien van het bouwen is opgenomen in artikel 5.6

Artikel 3.15 Voorrangsbepaling over regels in het tijdelijk deel omgevingsplan

Dit artikel bevat enkele voorrangsregels.

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. 

Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Het Rijk heeft tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (InformatiemodelRuimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze paragraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAM-omgevingsplan van toepassing zijn. 

Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAM-omgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn. Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.16 Ondergeschikte detailhandel

Voor die locaties waar detailhandel niet is toegestaan, bepaalt dit artikel dat ondergeschikte detailhandel dan alleen is toegestaan bij maatschappelijke voorzieningen. Een souvenirshop bij een cultuurinstelling zoals een museum is hier een voorbeeld van.

Artikel 3.17 Ondergeschikte horeca

Voor die locaties waar horeca niet is toegestaan, bepaalt dit artikel dat ondergeschikte horeca dan alleen is toegestaan bij dagrecreatieve voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en sportvoorzieningen. Een ondergeschikt restaurant bij een cultuurinstelling of een kantine bij een sportvereniging is een voorbeeld hiervan.

Artikel 3.18 Ondergeschikte dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen

Voor die locaties waar dienstverlening niet is toegestaan, bepaalt dit artikel dat ondergeschikte dienstverlening dan alleen is toegestaan bij maatschappelijke voorzieningen. 

Artikel 3.21 Toepassingsbereik gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over bedrijven. Artikel 3.21 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.  

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op de locatie ‘bedrijf’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is aangegeven waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. 

Derde lid:

In bijlage III is een Lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen. Deze lijst is een essentieel element in de regeling over milieuhinder zoals opgenomen in subparagraaf 3.4.6.2 .Door het gebruik van deze begripsbepaling wordt voorkomen dat in iedere regel waarin de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt benoemd de vindplaats ervan vermeld hoeft te worden. Dat komt de leesbaarheid van de betreffende regels ten goede. 

Artikel 3.22 Regels over omvang en situering bedrijf

Artikel 3.22 bevat regels over de omvang en situering van een bedrijf. 

Eerste lid:

Met het eerste lid kunnen locatiegericht beperkingen worden gesteld aan de omvang van het totale bedrijvenprogramma in een groter gebied of per perceel.  Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Daarnaast kan het bedrijf dan nog in omvang zijn beperkt vanwege de maxima die gelden voor de bebouwing (maximum bouwhoogte, bebouwingspercentage of bouwvlak).

Artikel 3.23 Specifieke regels over gebruik

In dit artikel zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, zodat het duidelijk is dat deze activiteiten niet zijn toegestaan. 

Artikel 3.24 Toegestane bedrijven

Op alle locaties waar bedrijven worden toegelaten, wordt de milieuhindercategorie bepaald door middel van het plaatsen van een locatie-aanduiding met de maximale categorie. Hoe hoger de milieuhindercategorie is, hoe meer milieuhinder te verwachten valt. Een bedrijf dat zich op een bepaalde locatie wil vestigen dient dus niet alleen na te gaan of de locatie het gebruiksdoel ‘bedrijf’ heeft, maar ook of het voldoet aan de maximale milieuhindercategorie zoals op die locatie is aangegeven. Hierbij moet men de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage III raadplegen. Mocht een bedrijf hoger ingeschaald zijn in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, dan kan dat bedrijf per maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden als de milieugevolgen gelet op de concrete bedrijfsvoering vergelijkbaar zijn met die van de toegestane categorieën (zie artikel 3.26). Ook bedrijven die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen, kunnen onder dezelfde voorwaarden toegestaan worden met een maatwerkvoorschrift (zie artikel 3.26).

Artikel 3.25 Afwijkingen van artikel 3.24

De in artikel 3.25 opgenomen regelingen zijn specifiek opgenomen voor Woensel Noord. In het bestemmingsplan voor Woensel Noord waren regelingen opgenomen waarbij bestaande bedrijfscategorieën waren toegestaan, ter plaatse van andere bedrijfscategorieën. 

Er zijn bijvoorbeeld bedrijven behorende tot de categorie 3.1 en 3.2 toegestaan. Hierbinnen zijn alleen bestaande bedrijven behorende tot de categorie 1 en 2 toegestaan. Tot slot zijn nieuwe categorie 2 bedrijven uitsluitend toegestaan ter plaatse van 'minimum vloeroppervlakte bedrijf 5.000 m2 bij milieucategorie 2' voor zover zij een minimale bruto-vloeroppervlakte hebben van 5.000 m2

Artikel 3.26 Maatwerkvoorschrift: toestaan bedrijven

Eerste lid:
Bedrijven die niet voldoen aan de criteria van de vorige artikelen kunnen met een maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden. Het gaat om bedrijven die:

  • in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in een hogere milieuhindercategorie vallen dan ter plaatse toegestaan of 

  • niet voorkomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten.


De milieuhindercategorieën zijn gebaseerd op de gemiddelde bedrijfsvoering van een gemiddeld bedrijf met een bepaalde bedrijfsactiviteit. Deze categorieën geven een indicatie van de te verwachten milieuhinder. Hierbij zijn vooral de aspecten geluid, geur en stof bepalend. Voor externe veiligheid zijn specifieke regels in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen die dit onderwerp voldoende regelen. Bij concrete initiatieven kan de indeling in de Lijst van bedrijfsactiviteiten soms ‘te hoog’ uitvallen (bv. als het betreffende bedrijf extra geluidarme apparatuur gebruikt). In dergelijk geval kan een bedrijf alsnog toegelaten door middel van een maatwerkvoorschrift. Een vergelijkbare mogelijkheid bestond ook in bestemmingsplannen (binnenplanse afwijkmogelijkheid).

Hoewel de Lijst van bedrijfsactiviteiten een uitgebreide lijst is, staan niet alle denkbare bedrijfsactiviteiten daarop. Dat betekent echter niet dat activiteiten die niet op de Lijst staan per definitie nergens welkom zijn. Dergelijke activiteiten kunnen per maatwerkvoorschrift alsnog toegelaten worden.
Bij het toekennen van het gebruiksdoel bedrijf aan een betreffende locatie vindt de beoordeling plaats of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Daarbij wordt ook de toegestane milieuhindercategorie op een concrete locatie bepaald. Daarmee worden bedrijven uit de toegestane milieuhindercategorie in beginsel aanvaardbaar gevonden. Het ligt dan ook in de rede om ook andere bedrijven met dezelfde geluid-, geur- en stofbelasting aanvaardbaar te vinden. Daarom kan het maatwerkvoorschrift op grond van dit artikel worden genomen als een bedrijf niet meer uitstoot veroorzaakt dan bedrijven die toegestaan zijn. Als het bedrijf meer uitstoot veroorzaakt, dan kan het alleen door middel van een buitenplanse vergunning worden toegelaten. Hiervoor wordt beoordeeld of bij de zwaardere milieugevolgen toch nog sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Tweede lid:
In het tweede lid zijn de aanvraagvereisten voor het maatwerkvoorschrift vastgelegd indien vaststelling op verzoek gebeurt.

Derde lid:
Om te borgen dat de milieueffecten van een bedrijf daadwerkelijk beperkt blijven tot die van de rechtstreeks toegestane bedrijven, kunnen in het maatwerkvoorschrift verplichtingen worden opgenomen, zoals:
(a) het treffen van maatregelen, zoals het toepassen van geluidarme apparatuur of het realiseren van een geluidscherm;
(b) beperken van de bedrijfsactiviteit, bijvoorbeeld kortere openingstijden of beperking van duur of frequentie van bepaalde hindergevende processen;
(c) uitvoeren van aanwijzingen, zoals de verplichte situering van bepaalde geluidbronnen.

Artikel 3.27 Risicobedrijven

Artikel 3.27 bevat een beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan. 

Eerste lid:

Uit het eerste lid volgt dat het gaat om bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. Dergelijke bedrijven zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van 'risicobedrijf'. 

De vestiging van een bedrijf dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving als risicovolle activiteit is aangewezen betekent veiligheidsrisico’s voor de omgeving (personen en objecten). Om deze risico’s te beperken, worden beperkingen aan het gebruik van gronden in de omgeving gesteld. Gelet hierop kunnen risicobedrijven alleen op nader aangewezen locaties zich gaan vestigen. 

Ter plaatse van ‘risicobedrijf’ kunnen dus nieuwe risicoactiviteiten starten. Bij de vestiging van deze bedrijven is daarnaast een melding of nadere toestemming vereist (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning op grond van Hoofdstuk 10 van dit omgevingsplan). In voorkomende gevallen worden de risico’s vooraf beperkt door in het omgevingsplan een aandachtsgebied toe te laten waaraan vergunningaanvragen kunnen worden getoetst. 

Tweede lid:

Het tweede lid bevat uitzonderingen waarop het eerste lid niet van toepassing is. In onderdeel a en b zijn uitzonderingen opgenomen voor gasdrukregel- en meetstations en voor propaantanks. Dit zijn risicoactiviteiten die als ondersteunende activiteit veelvuldig voorkomen bij een andere (hoofd)activiteit. Deze activiteiten kunnen overal in de stad voorkomen en vanuit ruimtelijk oogpunt is er geen noodzaak om locaties aan te wijzen waar deze activiteiten mogen worden verricht. Dit uiteraard voor zover de externe veiligheidsrisico’s beperkt voor de omgeving beperkt blijven. Daarvoor zijn in beide onderdelen een tweetal voorwaarden opgenomen. Voor gasdrukregel- en meetstations en voor propaantanks bevat het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels met het oog op waarborgen van externe veiligheid. Zo zijn in tabel 4.421, respectievelijk in tabel 4.899 afstanden opgenomen die verplicht aangehouden moeten worden tot (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties. Deze afstanden dienen op eigen terrein blijven om risico’s en gebruiksbeperkingen voor de omgeving te voorkomen. Als er een andere aangewezen risicoactiviteit aanwezig is, dan geldt de locatiebeperking van het eerste lid ook onverminderd.

Artikel 3.28 Activiteiten die een aanzienlijke mate van geluid veroorzaken

Artikel 3.28 bevat een beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zijn toegestaan. In artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn activiteiten aangewezen die ‘in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken’. Deze bedrijven, die in de praktijk grote lawaaimakers worden genoemd, mogen zich alleen op nader aangeduide locaties vestigen. 

Enerzijds zorgt de te verwachten geluidproductie van deze bedrijven ervoor dat deze bedrijven uitsluitend op specifieke plekken (percelen of delen van industrieterreinen) toegestaan worden waar deze geluidbelasting geen onaanvaardbare hinder voor de omgeving met zich meebrengt. Anderzijds heeft de vestiging van dergelijke bedrijven ook juridische consequenties, namelijk een plicht voor de gemeente om de geluidproductie van de betreffende gronden te reguleren via de systematiek van geluidproductieplafonds (voorheen: geluidzonering). De locatie bedoeld in dit artikel valt overigens doorgaans niet samen met de grens van het industrieterrein waarvoor de zonering-/ gpp-plicht geldt. Het industrieterrein is meestal groter dan de gronden waar grote lawaaimakers zijn toegestaan. 

Artikel 3.29 Complexe bedrijven

Artikel 3.29 bevat een beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde complexe bedrijven, die in Afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen. 

Artikel 3.30 Rie-bedrijven

Artikel 3.30 bevat een beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan. De zogenaamde Rie-bedrijven die in de Richtlijn industriële emissies zijn aangewezen, behoren tot de zwaarste categorieën van bedrijven. Daarom is het wenselijk dat deze zwaarste categorie zich uitsluitend in nader aan te wijzen gebieden mag vestigen. 

Artikel 3.31 Handel auto's, motorfietsen en scooters

In de Lijst van bedrijfsactiviteiten is de handel in auto's, motorfietsen en scooters niet opgenomen. Deze bedrijfsactiviteiten zijn alleen toegestaan ter plaatse van 'handel in auto's, motorfietsen en scooters'. 

Artikel 3.32 Dansschool

Binnen 'bedrijf' zitten op enkele locaties bestaande, als zodanig in het tijdelijk deel van het omgevingsplan vastgelegde functies, die niet passen binnen het gebruiksdoel 'bedrijf'. Deze zijn specifiek binnen het gebruiksdoel 'bedrijf' aangewezen.

Artikel 3.33 Sportschool

Binnen 'bedrijf' zitten op enkele locaties bestaande, als zodanig in het tijdelijk deel van het omgevingsplan vastgelegde functies, die niet passen binnen het gebruiksdoel 'bedrijf'. Deze zijn specifiek binnen het gebruiksdoel 'bedrijf' aangewezen.

Artikel 3.34 Zwembad

Binnen 'bedrijf' zitten op enkele locaties bestaande, als zodanig in het tijdelijk deel van het omgevingsplan vastgelegde functies, die niet passen binnen het gebruiksdoel 'bedrijf'. Deze zijn specifiek binnen het gebruiksdoel 'bedrijf' aangewezen.

Artikel 3.35 Toepassingsbereik, gebruiksdoel en oogmerk

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over cultuur en ontspanning. Artikel 3.35 bepaalt het toepassingsbereik, gebruiksdoel en het oogmerk van de regels in dit onderdeel.  

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op 'buisleiding met gevaarlijke stoffen'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is aangegeven waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. 

Derde lid:

In het derde lid is aangegeven wat het oogmerk is van deze regels. Deze regels zijn gesteld in verband met het externe veiligheidsrisico van de buisleiding met gevaarlijke stoffen voor de omgeving.

Artikel 3.36 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over cultuur en ontspanning. Artikel 3.36 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.  

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op de locatie ‘cultuur en ontspanning’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is aangegeven waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. 

Artikel 3.37 Omvang en situering cultuur en ontspanning

Artikel 3.37 bevat regels over de omvang en situering van cultuur en ontspanning. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover deze norm op een locatie van toepassing is. Is geen locatie opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'maximum bruto-vloeroppervlakte cultuur en ontspanning' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van cultuur en ontspanning mag worden gebruikt de ter plaatse van die locatie bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor cultuur en ontspanning. De waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 1.8 geldt dat maximum per afzonderlijk vlak.

Tweede lid:

gereserveerd

Artikel 3.38 Seksinrichting

Een seksinrichting (hieronder mede begrepen een erotisch getinte vermaaksfunctie) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie 'seksinrichting'.

Artikel 3.39 Casino

Een casino is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie 'casino'.

Artikel 3.40 Toepassingsbereik gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.4.9 bevat regels over detailhandel. Artikel 3.40 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op de locatie ‘detailhandel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor veel regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald dat de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor detailhandel. 

Artikel 3.41 Omvang en situering detailhandel

Artikel 3.41 bevat regels over de omvang en situering van detailhandel. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover deze norm op een locatie van toepassing is. Is geen locatie opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'maximum bruto-vloeroppervlakte' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt de ter plaatse van die locatie bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor detailhandel. De waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 1.8 geldt dat maximum per afzonderlijk vlak.

Tweede lid:

Dit lid is specifiek opgenomen voor een aantal detailhandelslocaties in Woensel Noord. Indien er geen bruto-vloeroppervlakte is aangegeven voor de detailhandelsvestiging binnen 'detailhandel-centrum', geldt een maximaal verkoopvloeroppervlak van 800 m2 per detailhandelsvestiging. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van 'bouwlaag detailhandel' geldt dat detailhandel uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend voor detailhandel. De waarde bepaalt in welke bouwlaag of bouwlagen detailhandel is toegestaan.

Artikel 3.42 Beperkende regels over verkooppunt motorbrandstoffen

In subparagraaf 3.4.9.2 zijn regels opgenomen over specifieke vormen van detailhandel die om uiteenlopende redenen slechts bij uitzondering en alleen op aangewezen locaties zijn toegestaan.
Artikel 3.42, eerste lid, bepaalt dat dit geldt voor de verkoop van motorbrandstoffen. Ter plaatse van 'verkooppunt motorbrandstoffen' is alleen de verkoop van motorbrandstoffen toegestaan. Het tweede lid vult hierop aan dat ter plaatse van 'verkooppunt motorbrandstoffen' de verkoop van LPG uitsluitend toegestaan is ter plaatse van 'verkoop LPG'.

Artikel 3.43 Detailhandel volumineus / perifeer

Dit artikel bepaalt dat ter plaats van ‘volumineuze detailhandel’ / 'perifere detailhandel' uitsluitend volumineuze of perifere detailhandel is toegestaan. 

Artikel 3.44 Beperkende regels over supermarkten

In subparagraaf 3.4.9.3 zijn regels opgenomen die specifiek betrekking hebben op supermarkten. Artikel 3.44 bevat regels over waar supermarkten zijn toegestaan, en over locaties waar uitsluitend supermarkten zijn toegestaan.

Het artikel bepaalt dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van ‘supermarkt’. Dat betekent dat waar detailhandel is toegestaan, een supermarkt in beginsel niet is toegestaan, tenzij dit expliciet mogelijk is gemaakt.

Artikel 3.45 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.46 Omvang en situering supermarkten

Artikel 3.46 bevat regels over de omvang en situering van specifiek supermarkten. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover het op een locatie van toepassing is. Deze beperkingen zijn aanvullend op eventuele beperkingen over omvang en situering van detailhandel in zijn algemeenheid. 

Het artikel bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak supermarkt dat is toegestaan ter plaatse van 'maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt'. Dit gaat altijd gepaard met een waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Dit geldt per afzonderlijk vlak.

Artikel 3.47 Toepassingsbereik gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.4.10 bevat regels over dienstverlening. Artikel 3.47 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op de locatie ‘dienstverlening'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald dat de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een dienstverlenend bedrijf en/of een dienstverlenende instelling. 

Artikel 3.48 Omvang en situering dienstverlening

Artikel 3.48 bevat regels over de omvang en situering van dienstverlening. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover deze norm op een locatie van toepassing is. Is geen norm opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'maximum bruto-vloeroppervlakte dienstverlening' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van dienstverlening mag worden gebruikt de ter plaatse van die locatie bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor dienstverlening. De waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 1.8 geldt dat maximum per afzonderlijk vlak.

Tweede lid:

Het artikel bepaalt dat ter plaatse van 'bouwlaag dienstverlening' geldt dat dienstverlening uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze beperking geldt uitsluitend voor dienstverlening. De waarde bepaalt in welke bouwlaag of bouwlagen dienstverlening is toegestaan.

Artikel 3.50 Specifieke regels over gebruik

Binnen groen zijn geluidwerende voorzieningen alleen toegestaan ter plaatse van de aangegeven locatie.

Artikel 3.51 Dierenweide

In subparagraaf 3.4.12.2 zijn functies aangegeven die uitsluitend op een aangegeven locatie zijn toegestaan. Ter plaatse van dierenweide is een dierenweide toegestaan.

Artikel 3.52 Cafetaria

In subparagraaf 3.4.12.3 zijn functies aangegeven die niet passen binnen het gebruiksdoel 'groen' maar daar wel bestaand, legaal zijn gesitueerd. 

Artikel 3.53 Toepassingsbereik

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.4.13 bevat regels over bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Artikel 3.53 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Algemeen

In artikel 5.159, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat als een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een (bovengrondse of ondergrondse) hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding bevat. Het omgevingsplan moet daarbij het gebruik als hoogspanningsverbinding en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen toelaten. 

De locaties van de betreffende hoogspanningsverbindingen zijn opgenomen in de Bijlage XV, onder C van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De geometrische begrenzing van de tracés zijn bij ministeriële regeling vastgelegd. Voor de ligging van deze verbindingen wordt verwezen naar de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl), waar de ligging zichtbaar is.

Het tracé van een hoogspanningsverbinding bestaat uit een strook met een bepaalde afstand tot het hart van de hoogspanningsverbinding, die ook wel de zakelijk rechtstrook genoemd wordt. De breedte van deze strook grond is doorgaans tussen de 60 en 80 meter. Een omgevingsplan dient het gebruik als hoogspanningsverbinding op die locaties toe te laten. Dat geldt eveneens voor de met de hoogspanningsverbinding verbonden schakel- en transformatorstations en andere noodzakelijke hulpmiddelen, omdat die onderdeel uitmaken van de hoogspanningsverbinding. 

Het gaat hierbij om een bevestiging van de bestaande situatie. De op grond van artikel 5.156, derde lid, aangewezen locaties voor een hoogspanningsverbinding betreffen alleen bestaande hoogspanningsverbindingen. De handhaving van het tracé van de hoogspanningsverbinding in het omgevingsplan betekent dat het omgevingsplan ook de bruikbaarheid van de hoogspanningsverbinding in stand moet laten. Met bruikbaarheid wordt gedoeld op de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening. In dat verband moet het tracé van de hoogspanningsverbinding zoveel als mogelijk gevrijwaard blijven van nieuwe ontwikkelingen die aan die functionaliteit in de weg kunnen staan, zoals bouwwerken met een bepaalde hoogte of de opslag van stoffen die brandgevaarlijk zijn. 

Van ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV wordt de ligging niet in het omgevingsplan wordt gereguleerd. Voor deze verbindingen geldt geen wettelijke regeling voor aanleg en bescherming en er zijn beleidsmatig ook geen aanwijzingen of aanleidingen om dit te regelen. Deze leidingen vallen onder de reikwijdte van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat betekent dat ze niet door middel van het omgevingsplan kunnen worden gereguleerd.


Eerste lid: 

In het eerste lid is bepaald dat deze paragraaf van toepassing is op locaties met:

- 'bovengrondse hoogspanningsverbinding 110 of 150 kV';

- bovengrondse hoogspanningsverbinding tenminste 220 kV;

- ondergrondse hoogspanningsverbinding tenminste 220 kV.

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een hoogspanningsverbinding van 150 kV en hoger, en de daarmee verbondenschakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In combinatie met artikel 3.2, eerste lid, betekent dit dat de hoogspanningsverbinding 150 kV op andere locaties niet is toegestaan.

Artikel 3.54 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘horeca'. Artikel 3.54 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van ‘horeca’. 

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Derde lid: 

De lijst van horeca-activiteiten is te vinden in bijlage III. Deze sluit aan bij de lijst van horeca-activiteiten die ook bij de voormalige bestemmingsplannen was opgenomen.

Artikel 3.55 Omvang en situering horeca

Artikel 3.55 bevat regels over de omvang en situering van horeca. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover deze norm op een locatie van toepassing is. Is geen locatie opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'maximum bruto-vloeroppervlakte horeca' geldt dat de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van horeca mag worden gebruikt de ter plaatse van die locatie bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend voor horeca. De waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 1.8 geldt dat maximum per afzonderlijk vlak.

Tweede lid:

gereserveerd

Artikel 3.56 Horeca categorieën 

Op alle locaties waar horecabedrijven worden toegelaten, wordt tevens de horecacategorie bepaald door middel van het plaatsen van een locatie-aanduiding met de categorie. Een horecabedrijf dat zich op een bepaalde locatie wil vestigen dient dus niet alleen na te gaan of de locatie het gebruiksdoel ‘horeca’ heeft, maar ook of het voldoet aan de horecacategorie zoals op die locatie is aangegeven. Hierbij moet men de Lijst van horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage III raadplegen. Mocht een horecabedrijf hoger ingeschaald zijn in deze lijst, dan kan dat horecabedrijf per maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden als de gevolgen vergelijkbaar zijn met die van de toegestane categorieën (zie artikel 3.57). Ook horecabedrijven die niet in de Lijst van horeca-activiteiten voorkomen, kunnen onder dezelfde voorwaarden toegestaan worden met een maatwerkvoorschrift (zie artikel 3.57). 

Artikel 3.57 Maatwerkvoorschrift: toestaan horeca-bedrijven

Eerste lid:
Horecabedrijven die niet voldoen aan de criteria van de vorige artikelen kunnen met een maatwerkvoorschrift alsnog toegestaan worden. Het gaat om horecabedrijven die:

  • in de Lijst van horeca-activiteiten in een hogere categorie vallen dan ter plaatse toegestaan of 

  • niet voorkomen in de Lijst van horeca-activiteiten.


Een vergelijkbare regeling was ook al opgenomen in de bestemmingsplannen.


Tweede lid:
In het tweede lid zijn de aanvraagvereisten voor het maatwerkvoorschrift vastgelegd indien vaststelling op verzoek gebeurt.

Derde lid:
Om te borgen dat de effecten van een horecabedrijf daadwerkelijk beperkt blijven tot die van de rechtstreeks toegestane horecabedrijven, kunnen in het maatwerkvoorschrift verplichtingen worden opgenomen, zoals:
(a) het treffen van maatregelen; 
(b) beperken van de horeca-activiteit, bijvoorbeeld kortere openingstijden;
(c) uitvoeren van aanwijzingen, zoals de verplichte situering van bepaalde geluidbronnen.

Artikel 3.58 Omvang en situering horecabedrijf

Ter plaatse van de locatie ‘bouwlaag horeca’ is horeca enkel toegestaan op bepaalde bouwlagen. 

Artikel 3.59 Toepassingsbereik gebruikdsoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘kantoor’. Artikel 3.59 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van ‘kantoor’. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval zelfstandige kantoren.

Artikel 3.60 Omvang en situering kantoren

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.61 Laboratorium met opslagruimte

Ter plaatse van 'laboratorium met opslagruimte' is tevens een laboratorium met opslagruimten toegestaan. Dit is opgenomen conform het hiervoor geldende bestemmingsplan.

Artikel 3.62 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘educatie’. Artikel 3.62 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties ‘educatie’. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval educatieve voorzieningen.

Artikel 3.63 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van locaties ‘medische voorzieningen’. Artikel 3.63 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties ‘medische voorzieningen’. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval medische voorzieningen.

Artikel 3.64 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel ‘sociaal-culturele voorzieningen’. Artikel 3.64 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘sociaal-culturele voorzieningen’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval sociaal culturele voorzieningen. 

Artikel 3.65 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘levensbeschouwelijke voorzieningen’. Artikel 3.65 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘levensbeschouwelijke voorzieningen’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval levensbeschouwelijke voorzieningen.

Artikel 3.66 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘sport en sportieve recreatie’. Artikel 3.66 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Deze paragraaf gaat nadrukkelijk over gebruik van gronden en bouwwerken als sport/ sportieve recreatie, en niet over de activiteit van het sporten zelf. Dit onderdeel regelt dus niet bijvoorbeeld het voetballen of tennissen zelf, maar gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor voorzieningen die deze sporten mogelijk maken. Dit onderdeel gaat niet over het hardlopen in parken, maar over specifieke hardloopfaciliteiten zoals een atletiekbaan. Daarmee richten de regels zich ook niet tot de sporter zelf, maar tot degene die met de sportvoorziening het sporten faciliteert. 

Eerste lid:

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘sport en sportieve recreatie’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval sport en sportieve recreatie.

Artikel 3.67 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘beschermd en/of verzorgd wonen’. Artikel 3.67 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘beschermd en/of verzorgd wonen’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval beschermd en/of verzorgd wonen.

Artikel 3.68 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over maatschappelijke voorzieningen. Deze maatschappelijke voorzieningen zijn opgesplitst in meerdere gebruiksdoelen, gebaseerd op de begripsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen. 

Deze subparagraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘openbare dienstverlening en openbaar bestuur’. Artikel 3.67 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘openbare dienstverlening en openbaar bestuur’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval openbare dienstverlening en openbaar bestuur. 

Artikel 3.69 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van locaties ‘kinderopvang’. Artikel 3.69 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het bieden van kinderopvang uitsluitend  is toegestaan ter plaatse van 'kinderopvang'. Reden voor deze beperkende regel is onder meer dat gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in beginsel zijn aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Ook vanuit oogpunt van externe veiligheid en luchtkwaliteit verdient kinderopvang, ook die zonder bedgebied, extra bescherming. Dat maakt dat kinderopvang, anders dan allerlei andere vormen van maatschappelijke dienstverlening, niet overal kan worden toegestaan waar maatschappelijke dienstverlening in zijn algemeenheid is toegestaan. Overigens spelen bij die beoordeling meer aspecten. Ook kan kinderopvang bepaalde effecten op de omgeving kan hebben (denk aan stemgeluid van spelende kinderen). Met dit eerste lid wordt binnen 'maatschappelijke dienstverlening' gestuurd op waar kinderopvang gevestigd mag worden.   

Tweede lid: Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval kinderopvang.

Artikel 3.70 Begraafplaatsen

Artikel 3.70 bevat de beperking voor begraafplaatsen dat die uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de locatie‘begraafplaats’.

Artikel 3.71 Omvang en situering maatschappelijke voorzieningen

In dit artikel is aangegeven binnen welke bouwlaag maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan.

Artikel 3.72 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel 'nutsvoorziening’. Artikel 3.72 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel 'nutsvoorziening’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval nutsvoorzieningen.

Artikel 3.73 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel 'natuur’. Artikel 3.73 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Deze regels zijn opgenomen voor zowel natuur als bos. Er wordt hierin geen onderscheid meer gemaakt, zoals voorheen in bestemmingsplannen wel werd gedaan (bestemmingen Bos en Natuur). De aanduidingen Groenblauwe mantel en Natuur Netwerk Brabant van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vallen meestal ook binnen het gebruiksdoel natuur.

Eerste lid: 

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel 'natuur’. De inhoudelijke regels over het gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waarvoor de gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt. 

Derde lid:

In het derde lid zijn bijbehorende voorzieningen opgenomen.

Artikel 3.74 Specifieke regels over gebruik

Voor het gebruiksdoel natuur zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. 

Artikel 3.75 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.76 Ecologische verbindingszone

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.77 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van locaties ‘dagrecreatie’. Artikel 3.77 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘dagrecreatie’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval dagrecreatieve voorzieningen.

Artikel 3.78 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van locaties ‘sport’. Artikel 3.78 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid:

Dit bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘sport’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt, in dit geval sportterreinen, sportvoorzieningen en ondersteunende horecavoorzieningen.

Artikel 3.79 Omvang en situering sport

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.80 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘verkeer’. Artikel 3.80 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid: 

Dit lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘verkeer’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Artikel 3.81 Specifieke regels busstation

Een busstation en bijbehorende bushaltes zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van 'openbaar vervoerstation'.

Artikel 3.82 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘verblijfsgebied’. Artikel 3.82 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid: 

Dit lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘verblijfsgebied’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Artikel 3.83 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.84 Toepassingsbereik en gebruiksdoel

Gereserveerd voor toekomstige aanvullingen.

Artikel 3.85 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Deze paragraaf bevat regels over het gebruiksdoel van ‘water’. Artikel 3.85 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. 

Eerste lid: 

Dit lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘water’. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen. 

Tweede lid: 

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Artikel 3.86 Specifieke regels over gebruik

In dit artikel zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, zodat het duidelijk is dat deze activiteiten niet zijn toegestaan. 

Artikel 3.87 Toepassingsbereik gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 3.4.24 bevat regels over wonen. Artikel 3.87 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘wonen'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.   

Tweede lid:

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Artikel 3.88 Omvang en situering wonen

Dit artikel bevat regels over de omvang en situering van wonen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende locatie van toepassing is. Is geen locatie opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. 

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van 'aantal woningen' het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde is. Dit gaat altijd gepaard van een op de kaartviewer weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal. Het maximum aantal woningen wordt tevens begrensd door het verbod op woningsplitsing en kamerbewoning. Zie subparagraaf 3.4.24.3.

Tweede lid: 

Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van 'bouwlaag wonen' het wonen uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Dit gaat altijd gepaard met een waarde. Die waarde bepaalt in welke bouwlaag of bouwlagen wonen is toegestaan. 

Artikel 3.89 Specifieke regels over gebruik 

Het is niet toegestaan om een bijbehorend bouwwerk of garagebox te gebruiken voor zelfstandige woonruimte. Daarnaast is het verboden om een woongebouw (en bijbehorend erf) te gebruiken voor een seksinrichting.

Geluidwerende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aangewezen locaties. 

Artikel 3.90 Garageboxen

In dit artikel zijn enkele regels met betrekking tot garageboxen opgenomen. 

Eerste lid:
Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van ‘garagebox’ geldt dat daar uitsluitend één of meerdere garageboxen zijn toegestaan.

Tweede lid:

Een garagebox mag niet worden gebruikt voor de uitoefening van enige tak van handel, waaronder mede wordt verstaan een beroep of bedrijf aan huis. In artikel 3.89 is tevens aangegeven dat een garagebox niet gebruikt mag worden als zelfstandige woonruimte.

Artikel 3.91 Toepassingsbereik gebruiksdoel

In afdeling 3.4 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Subparagraaf 3.4.24.2 bevat regels over woonwagenstandplaatsen. Artikel 3.91 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze subparagraaf. 

Eerste lid:

In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ‘woonwagenstandplaats'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.   

Tweede lid:

Hierin is bepaald waar de gronden en bouwwerken voor mogen worden gebruikt.

Artikel 3.92 Omvang en situering woonwagenstandplaatsen

Het aantal woonwagens en/of woonwagenwoningen is door middel van een norm op de kaartviewer aangegeven.

Artikel 3.93 Specifieke regels over gebruik

In dit artikel is het specifieke verboden gebruik aangegeven.

Artikel 3.94 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Binnen dit artikel is geregeld dat woningsplitsing en kamerbewoning verboden zijn zonder omgevingsvergunning. 

Een woning of een kamersgewijs bewoonde woning of woonwagen mag niet worden verbouwd tot meer woningen / woonwagens. Hiermee wordt geregeld dat het in strijd is met het omgevingsplan als in een woning of woonwagen één of meer woonvoorzieningen (zoals wc, keuken en sanitair) en/of (een) scheidingswand(en) worden geplaatst, waardoor meer woningen of woonwagens ontstaan. Ditzelfde geldt als een kamersgewijs bewoonde woning of woonwagen wordt verbouwd tot meer zelfstandige woningen/appartementen/woonwagens.

Onder het verbod zonder omgevingsvergunning wordt ook het uitbreiden van een legale situatie, waarin reeds kamerbewoning plaatsvindt, met een of meerdere kamers, verstaan.

Een onvrije woning of onvrije etage is een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal, maar met de beschikking over een eigen keuken, douche en toilet. De vertrekken zijn afsluitbaar. Te denken valt aan woonsituaties waarin voor ieder huishouden per saldo voldoende eigen wezenlijke voorzieningen aanwezig zijn. Een onvrije woning/etage wordt dus ook tot een zelfstandige woonruimte gerekend.

Artikel 3.95 Uitzondering verbod

Het verbod zoals opgenomen in artikel 3.94 geldt niet voor kamerbewoning van een (woonwagen)woning of woonwagen in een bestaande situatie en kamerbewoning ter plaatse van 'kamerbewoning'.

Artikel 3.96 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In dit artikel zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen.

Artikel 3.97 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

Dit betreft een beoordelingsregel op basis waarvan het college een omgevingsvergunning kan verlenen indien de verkamering of splitsing niet leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat ter plaatse van en in de omgeving van het betreffende gebouw.

Artikel 3.98 Bedrijfswoningen

Artikel 3.98 regelt de aanwijzing van woonruimte als bedrijfswoning. In bijlage I is bepaald dat onder een bedrijfswoning wordt verstaan een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is. Hiermee wordt aangesloten op de begripsomschrijving zoals die in de provinciale omgevingsverordening wordt gehanteerd, zij het dat het begrip 'de bestemming' is vervangen door 'het gebruiksdoel'. 

Eerste lid:

In het eerste lid is gesteld dat het benutten van woonruimte als bedrijfswoning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van 'bedrijfswoning'. 

Tweede lid:

In het tweede lid is bepaald dat waar een bedrijfswoning is toegestaan, woonruimte ook uitsluitend als bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen. Met andere woorden, de functionele binding dient behouden te blijven. 

Derde lid: 

Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van 'bedrijfswoning' maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. 

Artikel 3.99 Studio

Ter plaatse van 'studio's' zijn studio's toegestaan.

Artikel 3.100 Vergunningplicht beroep en bedrijf aan huis

Regelmatig wordt wordt woonruimte gebruikt voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis. Hiervoor is in artikel 3.100 een verbod opgenomen waarmee met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Voor een beroep aan huis is tot en met 50 m2 geen omgevingsvergunning nodig.

Artikel 3.101 Bijzondere aanvraagvereisten

In dit artikel zijn de bijzondere aanvraagvereisten opgenomen.

Artikel 3.102 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In artikel 3.102 staan de beoordelingsregels voor een beroep aan huis (groter dan 50 m2 ) en een bedrijf aan huis. Deze sluiten aan bij de voorwaarden zoals opgenomen in de oude bestemmingsplannen.

Artikel 3.103 Werkplaats

Binnen het gebruiksdoel wonen kan in het voormalige bestemmingsplan een functie zijn toegestaan die niet past binnen het gebruiksdoel wonen. Conform het voormalige bestemmingsplan voor Woensel Noord is de werkplaats specifiek opgenomen in dit omgevingsplan. 

Artikel 3.104 Werken bij wonen

Binnen het gebruiksdoel wonen kan in het voormalige bestemmingsplan een functie zijn toegestaan die niet past binnen het gebruiksdoel wonen. Conform het voormalige bestemmingsplan voor Woensel Noord is het 'werken bij wonen' specifiek opgenomen in dit omgevingsplan. 

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Artikel 4.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken. 

Artikel 4.2 Toepassingsbereik

In paragraaf 4.2.1 is een vergunningplicht opgenomen voor het wijzigen van het het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. De regeling is aanvullend op het in artikel 3.2 opgenomen verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Uit de formulering van dat artikel blijkt al dat aan een locatie één gebruiksdoel kan zijn gegeven, maar dat dat er ook meerdere kunnen zijn. 

Artikel 3.2 staat er op zich zelf niet aan in de weg dat wanneer aan een locatie meerdere gebruiksdoelen gegeven zijn, het gebruik vrijelijk gewijzigd kan worden. Onder oud recht werd dit ook vaak binnen bestemmingsplannen toegestaan. Zo kon aan een bepaalde locatie een gemengde bestemming worden gegeven, waarbinnen het gebruik in beginsel zonder nader beoordelingsmoment kon worden gewijzigd. In bepaalde gevallen is een nader toetsmoment echter noodzakelijk. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een wijziging van gebruik plaatsvindt waardoor het gebouw een geluidgevoelige functie krijgt. Daarmee wordt het een geluidgevoelig gebouw in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een dergelijke wijziging kan alleen worden toegestaan wanneer dat niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. De regels in deze paragraaf voorzien erin dat die afweging kan worden gemaakt. 

Artikel 4.2 bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf geldt ter plaatse van 'afweging geluid bij wijziging gebruik'. Waar de regeling moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bepaald. 

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.6 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald.

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

  • woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; 

  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of 

  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Met deze bepaling wordt aangesloten op artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin is bepaald wat onder een geluidgevoelig gebouw wordt verstaan. Met de wijziging van het gebruik naar de genoemde geluidgevoelige functies, wijzigt het gebouw in een geluidgevoelig gebouw. 

Het eerste lid bepaalt tevens dat de paragraaf uitsluitend van toepassing is voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 3.2. Dat houdt in dat als het beoogde gebruik in strijd is met artikel 3.2 , de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5 niet kan worden verleend. Volledigheidshalve is dit ook bepaald in de beoordelingsregel (artikel 4.6, aanhef en onder a). Bij strijd met artikel 3.2 kan aan een dergelijke gebruikswijziging slechts medewerking worden verleend door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat voor de toepassing van deze paragraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. 

Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 10 van dit omgevingsplan. Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

Vijfde lid:

Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Op grond van de Wet geluidhinder vindt volledige toetsing aan geluid aan de voorkant, bij toelating van het geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan plaats, conform de systematiek en rekenmethodes zoals bij die wet is bepaald. Een nadere toetsing op grond van dit onderdeel zou niet alleen juridisch gezien overbodig, maar ook onmogelijk zijn gelet op de andere werkwijze van het Besluit kwaliteit leefomgeving die de basis vormt voor deze paragraaf. 

Zesde lid:

Het zesde lid bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing is voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 5.2.4.7 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken. Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de situatie dat sprake is van een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit zesde lid voorziet hierin.

Artikel 4.3 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Artikel 4.4 Waar waarden gelden

Dit artikel bepaalt waar waarden voor geluid gelden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.78, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit is aangevuld met bepalingen uit het 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden' van de gemeente Eindhoven. Voor een inhoudelijke toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.78, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.5 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

Dit artikel bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Onder een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik wordt volgens de omschrijving in bijlage I verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken.

Een nevengebruiksfunctie is een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie (bijlage I, onderdeel A bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.  

Een nevengebruiksfunctie is dus zelf ook een gebruiksfunctie. Maar is als het ware bedoeld voor een andere gebruiksfunctie (‘ten dienste van’). Voorbeelden van nevengebruiksfuncties zijn een: 

  • garage of buitenberging (overige gebruiksfunctie) bij een woning (woonfunctie) 

  • kantoor (kantoorfunctie) aan huis (woonfunctie) 

  • kantine (bijeenkomstfunctie) in een kantoor (kantoorfunctie) 

  • fietsenstalling (overige gebruiksfunctie) bij een kantoor (kantoorfunctie) 

  • werkplaats (industriefunctie) in een gevangeniscomplex (celfunctie) 

  • liftschacht (overige gebruiksfunctie) bij een tunnel (bouwwerk geen gebouw zijnde) 

Artikel 4.6 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

Artikel 4.6 bevat beoordelingsregels die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. 

Onderdeel a:

De aanhef en onderdeel a bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 3.2. Dat artikel geeft aan dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 3.4 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Artikel 4.5 voorziet er dus in dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Heeft de vraag betrekking op een wijziging naar gebruik als wonen, maar wonen is op grond van artikel 3.2 op de betreffende locatie niet toegestaan, dan moet de omgevingsvergunning wijziging gebruik worden geweigerd.

Onderdeel b:

De aanhef en onderdeel b bevat de feitelijke beoordelingsregel met betrekking tot het wijzigen van het gebruik naar een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtgebied. In dit onderdeel is bepaald dat een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 4.5 alleen wordt verleend als de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, gelet op het belang van de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 4.7 Aanvaardbaarheid bij wijziging gebruik

Met artikel 4.7 wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit sluit tevens aan bij de bepalingen uit het 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden' van de gemeente Eindhoven. 

Eerste lid: 

Artikel 4.7 neemt als uitgangspunt dat aan de voorwaarde van aanvaardbare mate van geluid in elk geval is voldaan wanneer het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.7. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.5, te weigeren.

Als het geluid initieel niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. In artikel 4.13 is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Daarmee kan worden geborgd dat noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde ook daadwerkelijk worden genomen. Het kan daarbij uiteraard alleen gaan om maatregelen waarbij het in de macht van de vergunninghouder ligt om die te nemen.

Tweede lid: 

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. 

Derde en vierde lid: 

Het derde en vierde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78t, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Artikel 4.8 Overschrijding van de standaardwaarde

Artikel 4.8 bepaalt dat ook een hogere mate van geluid op de gevel dan de standaardwaarde aanvaardbaar kan zijn. 

Met dit artikel wordt binnenplans invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt. Dat artikel maakt mogelijk dat als het geluid op een toe te laten geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, besloten kan worden om meer geluid dan de standaardwaarde toe te laten. De in het omgevingsplan opgenomen voorwaarden sluiten aan bij de bepalingen uit het 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden' van de gemeente Eindhoven. 

Eerste lid:

Hierin staan de voorwaarden opgenomen waaronder kan worden afgeweken van de standaardwaarden. Afwijken is mogelijk is tot ten hoogste de grenswaarden van tabel 4.8. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Dit artikel biedt dus flexibiliteit tussen de standaardwaarde en de grenswaarde. In artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat aan de grenswaarde wordt voldaan. De instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf, maar kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel is voor dat laatste gekozen. 

Tweede lid:

In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. 

Derde en vierde lid:

Het derde en vierde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78u, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Artikel 4.9 Overschrijding grenswaarde bij zwaarwegende maatschappelijke belangen 

Dit artikel is een uitwerking van artikel 5.78o van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een overschrijding van de grenswaarde is mogelijk indien zwaarwegende maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen en geen maatregelen in aanmerking komen om het geluid te laten voldoen aan de grenswaarde. De opgenomen regeling sluit aan bij het 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden', zoals vastgesteld door het college van B&W van Eindhoven.

Zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn bijvoorbeeld ontwikkelingen:

  • die het niveau van de maatschappelijke voorzieningen in een gebied verhogen;

  • die het realiseren van sociaal beleid ondersteunen;

  • die het behoud of de ontwikkeling van kwetsbare functies of delen van de fysieke leefomgeving ondersteunen.

De grotere geluidbelasting mag dan maar voor een beperkt aantal gebouwen of mensen gelden.

De volgende onderdelen dienen in dit geval in het onderzoek aan de orde te komen.

  • Is het doel gerechtvaardigd? Hierbij spelen de doelen van de Omgevingswet en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties een belangrijke rol.

  • Is het afwijken geschikt om het doel mee te bereiken?

  • Staat de afwijking in redelijke verhouding tot het doel?

  • Is de afwijking van de grenswaarden noodzakelijk? Met andere woorden kan het anders en is compensatie of monitoring nodig?

  • Is er genoeg maatschappelijk draagvlak voor de afwijking van de grenswaarden?

 

Artikel 4.10  Overschrijding grenswaarde - niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 

Een overschrijding van de grenswaarde is eveneens mogelijk indien de uitwendige scheidingsconstructie van het geluidgevoelig gebouw, waar de overschrijding van de grenswaarde plaatsvindt, geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang. Geborgd moet worden dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie, die direct grenzen aan een verblijfsgebied, niet hoger is dan de grenswaarde. 

Hierbij wordt op basis van de toelichting op het aanvullingsspoor geluid een geluidgedempt ventilatierooster (suskast) niet beschouwd als een te openen deel. Ook deuren die onderdeel zijn van een gemeenschappelijke doorgang worden niet beschouwd als een te openen deel.

De opgenomen regeling sluit aan bij het 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden', zoals vastgesteld door het college van B&W van Eindhoven.

Artikel 4.11 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

Artikel 4.11 bevat een aanvullend beoordelingscriterium dat analoog is aan artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 4.8 voorziet in de mogelijkheid tot het toelaten van geluid dat de standaardwaarde overschrijdt. Het kan zijn dat het geluidgevoelige gebouw ook wordt belast door geluid afkomstig van andere geluidbronsoorten. Bijvoorbeeld een woning die wordt belast door geluid afkomstig van een gemeenteweg en tegelijkertijd ook door geluid afkomstig van een industrieterrein. Als zo’n woning binnen het geluidaandachtsgebied van beide geluidbronsoorten wordt toegelaten, moet uiteraard getoetst worden aan de standaard- en grenswaarden van beide geluidbronsoorten. 

Eerste lid:  

In het eerste lid is bepaald dat de gemeente bij het toepassen van de artikelen waarmee de standaardwaarde overschreden kan worden, ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de betreffende geluidgevoelige gebouwen moet beoordelen. 

Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van dit begrip ook verwezen naar artikel 3.38 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. 

Tweede en derde lid: 

Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Daarbij wordt in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (tweede lid) en dat op het bepalen van het gecumuleerde geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (derde lid). Hoewel dit uit de begripsbepaling kan worden opgemaakt, zijn artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overgenomen in respectievelijk het tweede en derde lid. 

Vierde lid:

Het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt. Dit sluit aan bij de regeling 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden', zoals vastgesteld door het college van B&W van Eindhoven.

Vijfde lid:

Een geluidgevoelig gebouw, dat is gelegen in de geluidaandachtsgebieden van meerdere verkeers- en/of spoorwegen wordt aanvaardbaar geacht, indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels, uitwijst dat op basis van het gezamenlijk geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.

Artikel 4.12 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid – zwaarwegende belangen 

Artikel 4.12 bevat een aanvullend beoordelingscriterium dat analoog is aan artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 4.9 voorziet in de mogelijkheid tot het toelaten van geluid dat de grenswaarde overschrijdt vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Het kan zijn dat het geluidgevoelige gebouw ook wordt belast door geluid afkomstig van andere geluidbronsoorten. Bijvoorbeeld een woning die wordt belast door geluid afkomstig van een gemeenteweg en tegelijkertijd ook door geluid afkomstig van een industrieterrein. Als zo’n woning binnen het geluidaandachtsgebied van beide geluidbronsoorten wordt toegelaten, moet getoetst worden aan de standaard- en grenswaarden van beide geluidbronsoorten. 

Eerste lid:  

In het eerste lid is bepaald dat de gemeente bij het toepassen van de artikelen waarmee de standaardwaarde overschreden kan worden, ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de betreffende geluidgevoelige gebouwen moet beoordelen. 

Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van dit begrip ook verwezen naar artikel 3.38 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. 

Tweede en derde lid: 

Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Daarbij wordt in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (tweede lid) en dat op het bepalen van het gecumuleerde geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (derde lid). Hoewel dit uit de begripsbepaling kan worden opgemaakt, zijn artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overgenomen in respectievelijk het tweede en derde lid. 

Vierde lid:

Het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt. Dit sluit aan bij de regeling 'Geluidbeleid - Geluid in geluidaandachtsgebieden', zoals vastgesteld door het college van B&W van Eindhoven.

Vijfde lid:

Een geluidgevoelig gebouw, dat is gelegen in de geluidaandachtsgebieden van meerdere verkeers- en/of spoorwegen wordt aanvaardbaar geacht, indien onderzoek naar de geluidwering van de gevels, uitwijst dat op basis van het gezamenlijk geluid aan de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt voldaan.

Artikel 4.13 Vergunningvoorschriften

Artikel 4.13 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. 

Artikel 4.14 Aanvraagvereisten

In artikel 4.14 worden de aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.5 aangegeven.

Artikel 4.15 Toepassingsbereik en oogmerk

Met paragraaf 4.2.2 wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze paragraaf ziet erop dat binnen een ‘plaatsgebonden risicocontour’ zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties niet zijn toegestaan. Zeer/ kwetsbaar of beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen.
Dit artikel bepaalt waar deze paragraaf geldt.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf geldt ter plaatse van 'plaatsgebonden risicocontour'. Waar deze locatie moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan bepaald.

De beschermende regeling in deze paragraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met 'plaatsgebonden risicocontour’. In het eerste lid is bepaald dat deze paragraaf alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Het toekennen van deze locatie vindt in eerste instantie plaats bij het vervangen van het oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, zoals een bestemmingsplan. Waar dat nog niet is gebeurd, is deze naam nog niet aan een locatie gegeven. Dat brengt mee
dat deze paragraaf niet geldt waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervallen.

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Het Rijk heeft tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, deze paragraaf toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar alleen voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid.

Derde lid:

In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk de bescherming van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De bescherming wordt bereikt door de vestiging van deze gebouwen en locaties binnen het gebied te beperken. Hiermee blijven deze gebouwen (en de daarin verblijvende personen) op een grotere, en veiligere afstand van de risicobronnen.

Artikel 4.16 Verbod gebruik binnen plaatsgebonden risicocontour

Eerste lid:
Op grond van artikel 5.7, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties.

Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving).

Aan deze instructieregel wordt in de eerste instantie uitvoering gegeven om in het beperkingengebied (waar het plaatsgebonden risico hoger is dan genoemde grenswaarde) geen gebruiksdoelen toe te laten die beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties kunnen bevatten.

De definities van deze gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit artikel ziet op het gebruik van bestaande gebouwen. Het oprichten van nieuwe kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen de plaatsgebonden risicocontour is tevens verboden op grond van de samenhang van de artikelen 3.25.186.12 en dit artikel.

Tweede lid:
Op grond van artikel 5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving geldt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico niet voor functioneel gebonden kwetsbare gebouwen. Met het tweede lid wordt aan die instructieregel uitvoering gegeven.

Artikel 4.17 Toepassingsbereik en oogmerk

Dit artikel bepaalt waar deze paragraaf geldt.

Algemeen:

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch (van rechtswege) zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen.

In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je bij het wijzigen van het omgevingsplan, of bij het verlenen van een (buitenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen.

In een omgevingsplan moet een brandaandachtsgebied worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied. Het gevolg van de aanwijzing als voorschriftengebied is dat binnen dat gebied extra bouweisen gelden die in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn opgenomen (paragraaf 4.2.14 en artikel 4.124). In het omgevingsplan kan gemotiveerd van de opdracht tot het aanwijzen van deze voorschriftengebieden worden afgeweken. In dat geval wijst de gemeente geen voorschriftengebied aan of wijst zij maar een deel van het aandachtsgebied aan als voorschriftengebied. Dit kan aan de orde zijn als voldoende andere beschermende maatregelen zijn of worden genomen, zoals schuilplaatsen, opvanggeulen of (niet) natuurlijke afschermende bouwlichamen die voor voldoende bescherming zorgen.

Voor een gifwolkaandachtsgebied kan geen voorschriftengebied worden aangewezen, want naast de mogelijkheid om mechanische ventilatie uit te zetten, kunnen er geen algemeen toepasbare en effectieve extra bouwmaatregelen genomen worden. In het geval van een gifwolk luidt het advies: ramen en deuren gesloten houden en mechanische ventilatie uitschakelen. Het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie is in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen als landelijke algemene bouweis voor nieuwe bouwwerken (artikel 4.124 van dat besluit).

De mogelijkheid om een brand- of explosieaandachtsgebied niet of ten dele aan te wijzen als brand- of explosievoorschriftengebied geldt niet voor locaties waar het bouwen van een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. Dat betekent dat als een nieuw zeer kwetsbaar gebouw binnen een aandachtsgebied wordt toegelaten, die locatie in ieder geval als brand- of explosievoorschriftengebied moet worden aangewezen. Na de aanwijzing van een locatie als brand- of explosievoorschriftengebied, gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving extra bouweisen voor nieuwe gebouwen. Eventueel kunnen gelijkwaardige maatregelen getroffen worden indien die ten minste hetzelfde resultaat bereiken als de wetgever met de voorgeschreven maatregel heeft beoogd.

Zolang het aandachtsgebied (of een deel daarvan) nog niet in het omgevingsplan is aangewezen als brandvoorschriftengebied of explosievoorschriftengebied en een (zeer of beperkt) kwetsbaar gebouw in dat gebied is toegelaten, hoeft een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan toegelaten en nieuw op te richten (zeer of beperkt) kwetsbaar gebouw niet te voldoen aan aanvullende bouwtechnische eisen die zijn opgenomen in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of aan gelijkwaardige maatregelen. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit zal in die situatie ook niet kunnen worden geweigerd, als de aanvraag voor het overige voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze subparagraaf geldt binnen een 'brandaandachtsgebied' ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. Een brandaandachtsgebied wordt niet vastgesteld in het omgevingsplan zelf, maar kan worden geraadpleegd in het Register Externe Veiligheid (REV), via de website Atlas Leefomgeving | Atlas Leefomgeving. De brandaandachtsgebieden binnen de locatie 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen' zijn niet aangewezen als brandvoorschriftengebied. Binnen deze brandaandachtsgebieden zijn namelijk geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toegestaan.

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Het Rijk heeft tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, deze subparagraaf toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan.

Derde lid:

De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.

Artikel 4.18 Verbod gebruik binnen brandaandachtsgebied

Het is verboden om binnen een brandaandachtsgebied nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te staan.

Artikel 4.19 Toepassingsbereik en oogmerk

Dit artikel bepaalt waar deze paragraaf geldt.

Algemeen:

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden volgen uit het toestaan van een bepaalde risicobron op een locatie en gelden automatisch (van rechtswege) zodra de risicoactiviteit vergund is dan wel met de risicoactiviteit is begonnen.

In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden drie aandachtsgebieden geïntroduceerd: het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. In brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebieden, moet je bij het wijzigen van het omgevingsplan, of bij het verlenen van een (buitenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, rekening houden met gevaren die door bedrijven of door het transport van gevaarlijke stoffen veroorzaakt worden. Binnen deze aandachtsgebieden kunnen voorwaarden worden gesteld voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, scholen, kantoorpanden en ziekenhuizen.

In een omgevingsplan moet een brandaandachtsgebied worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als een explosievoorschriftengebied. Het gevolg van de aanwijzing als voorschriftengebied is dat binnen dat gebied extra bouweisen gelden die in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn opgenomen (paragraaf 4.2.14 en artikel 4.124). In het omgevingsplan kan gemotiveerd van de opdracht tot het aanwijzen van deze voorschriftengebieden worden afgeweken. In dat geval wijst de gemeente geen voorschriftengebied aan of wijst zij maar een deel van het aandachtsgebied aan als voorschriftengebied. Dit kan aan de orde zijn als voldoende andere beschermende maatregelen zijn of worden genomen, zoals schuilplaatsen, opvanggeulen of (niet) natuurlijke afschermende bouwlichamen die voor voldoende bescherming zorgen.

Voor een gifwolkaandachtsgebied kan geen voorschriftengebied worden aangewezen, want naast de mogelijkheid om mechanische ventilatie uit te zetten, kunnen er geen algemeen toepasbare en effectieve extra bouwmaatregelen genomen worden. In het geval van een gifwolk luidt het advies: ramen en deuren gesloten houden en mechanische ventilatie uitschakelen. Het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie is in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen als landelijke algemene bouweis voor nieuwe bouwwerken (artikel 4.124 van dat besluit).

De mogelijkheid om een brand- of explosieaandachtsgebied niet of ten dele aan te wijzen als brand- of explosievoorschriftengebied geldt niet voor locaties waar het bouwen van een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. Dat betekent dat als een nieuw zeer kwetsbaar gebouw binnen een aandachtsgebied wordt toegelaten, die locatie in ieder geval als brand- of explosievoorschriftengebied moet worden aangewezen. Na de aanwijzing van een locatie als brand- of explosievoorschriftengebied, gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving extra bouweisen voor nieuwe gebouwen. Eventueel kunnen gelijkwaardige maatregelen getroffen worden indien die ten minste hetzelfde resultaat bereiken als de wetgever met de voorgeschreven maatregel heeft beoogd.

Zolang het aandachtsgebied (of een deel daarvan) nog niet in het omgevingsplan is aangewezen als brandvoorschriftengebied of explosievoorschriftengebied en een (zeer of beperkt) kwetsbaar gebouw in dat gebied is toegelaten, hoeft een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan toegelaten en nieuw op te richten (zeer of beperkt) kwetsbaar gebouw niet te voldoen aan aanvullende bouwtechnische eisen die zijn opgenomen in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of aan gelijkwaardige maatregelen. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit zal in die situatie ook niet kunnen worden geweigerd, als de aanvraag voor het overige voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze subparagraaf geldt binnen een 'explosieaandachtsgebied' ter plaatse van 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. Een explosieaandachtsgebied wordt niet vastgesteld in het omgevingsplan zelf, maar kan worden geraadpleegd in het Register Externe Veiligheid (REV). De explosieaandachtsgebieden binnen de locatie 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen' zijn niet aangewezen als explosievoorschriftengebied. Binnen deze explosieaandachtsgebieden zijn namelijk geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toegestaan.

Tweede lid:

Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Het Rijk heeft tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, deze subparagraaf toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan.

Derde lid:

De regels in deze paragraaf zijn gesteld om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties te beschermen.

Artikel 4.20 Verbod gebruik binnen explosieaandachtsgebied

Het is verboden om binnen een explosieaandachtsgebied nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te staan.

Artikel 4.21 Maatwerkvoorschriften

Artikel 4.21 komt in de plaats van artikel 22.4 van de Bruidsschat. Met dit artikel is de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor onderwerpen die in deze afdeling zijn opgenomen. Het artikel is inhoudelijk ten opzichte van artikel 22.4 Bruidsschat ongewijzigd.

Artikel 4.22 Overbewoning woonruimte

Artikel 4.22 komt in de plaats van artikel 22.16 van de Bruidsschat. De inhoud is ongewijzigd. 

Eerste lid:

Het eerste lid stelt met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners regels over hoeveel bewoners een woonruimte mogen bewonen. Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren. Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Gemeenten kunnen nu zelf bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering. 

Tweede lid:

Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo’n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG). 

Artikel 4.23 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Artikel 4.23 komt in de plaats van artikel 22.17 van de Bruidsschat. De bepaling is ongewijzigd. 

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is.

Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 4.24 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

Artikel komt in de plaats van artikel 22.18 van de Bruidsschat. De bepaling is ongewijzigd. 

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht (‘kapstokartikel’) heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn geregeld. 

Eerste lid:

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar. 

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen. 

Tweede lid:

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen. 

Derde lid:

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

Artikel 4.25 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Artikel komt in de plaats van artikel 22.19 van de Bruidsschat. De bepaling is ongewijzigd. 

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan. 

Eerste lid:

Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan. 

In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling ‘stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn’ van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen. 

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 2.57. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt. 

Tweede lid:

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld ‘ontvlambaar’) en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld ‘niet roken tijdens het gebruik’). 

Derde lid:

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c). 

Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten. 

Vierde lid:

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter. 

Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen. 

Vijfde lid:

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.

Artikel 4.26 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

Artikel  4.26 komt in de plaats van artikel 22.20 van de bruidsschat. De bepaling is ongewijzigd. 

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit. Deze zorgplicht (‘kapstokartikel’) heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een ‘kapstok’ om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel. 

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar. 

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. 

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen. 

Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen. 

Artikel 4.27 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Artikel komt in de plaats van artikel 22.21 van de Bruidsschat. De bepaling is ongewijzigd. 

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last 17 onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Artikel 5.1 bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op het bouwen, in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk (zonder vergunningplicht),  het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen. Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk.

Centraal in dit hoofdstuk staan activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Wat een 'bouwwerk' is, wordt bepaald door de in de Omgevingswet opgenomen begripsomschrijving. Het gaat om een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties, anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

Onderdeel a 

De aanhef en onderdeel b bepalen dat dit hoofdstuk van toepassing is op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waaronder wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. De omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt geregeld in afdeling 5.2. Daarin is onder meer een vergunningplicht opgenomen, is bepaald wanneer die vergunningplicht niet van toepassing is, en zijn beoordelingsregels opgenomen. Aanvullend daarop bevat afdeling 5.4 algemene regels die eveneens van toepassing zijn op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Verder bevat hoofdstuk 6 ruimtelijke regels over bouwwerken, die eveneens bij de uitoefening van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in acht moeten worden genomen. Tot slot bevat ook hoofdstuk 22 algemene regels die van toepassing zijn op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In bijlage I bij de Omgevingswet is aangegeven dat onder bouwen wordt verstaan 'plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vergroten' van een bouwwerk. Dat betekent dat niet alleen het realiseren van een nieuw bouwwerk onder het bouwen van een bouwwerk valt, maar ook het veranderen van een bouwwerk. Met betrekking tot het 'in stand houden' en 'gebruiken' van bouwwerken wordt expliciet gemaakt dat de regels niet alleen zien op de bouwactiviteit (het bouwen van een bouwwerk), maar ook op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet. Er is ten opzichte van die rechtspraktijk geen materiële wijziging beoogd. Belangrijk is dat voor zover dit hoofdstuk van toepassing is op het gebruik van bouwwerken, dit betrekking heeft op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Het antwoord op de vraag welk gebruik is toegestaan, en onder welke voorwaarden, wordt gegeven in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan. 

Onderdeel b:

De aanhef en onderdeel c bepalen dat dit hoofdstuk van toepassing is op een omgevingsplanactiviteit slopen, waaronder wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op bijlage I bij de Omgevingswet, waarin is bepaald dat onder slopen wordt verstaan het 'geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen'. De omgevingsplanactiviteit slopen wordt geregeld in afdeling 5.3.Wanneer sprake is van sloopwerkzaamheden in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk, bijvoorbeeld bij het vervangen van een kozijn, is in juridische zin geen sprake van het 'slopen van een bouwwerk', maar van het 'bouwen van een bouwwerk'. Er is dan immers sprake van een 'veranderen van een bouwwerk'. In dat geval vallen ook de sloopwerkzaamheden, die worden verricht in het kader van de verandering van het bouwwerk, onder de reikwijdte van afdeling 5.2. Dat betekent dat de sloopwerkzaamheden pas mogen plaatsvinden nadat voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de in artikel 5.8 bedoelde vergunning is verleend (tenzij de vergunningplicht niet van toepassing is). 

Samenloop met andere activiteiten

Het kan voorkomen dat een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een omgevingsplanactiviteit slopen geheel of gedeeltelijk samenvalt met de uitoefening van een andere activiteit waarover in dit omgevingsplan of in een andere regeling regels zijn gesteld. Bijvoorbeeld het verbouwen van een bouwwerk waarvoor ook een vergunning voor een aanlegactiviteit noodzakelijk is. Over beide activiteiten bevat dit omgevingsplan afzonderlijke regels. De regels over die verschillende activiteiten zijn gesteld met een uiteenlopend oogmerk. Per activiteit vindt met het oog daarop een belangenafweging plaats. Eén feitelijke handeling kan dus bestaan uit meerdere juridische activiteiten, zoals bedoeld in dit omgevingsplan of in enige andere regeling. Die activiteiten hebben een onlosmakelijke samenhang (want één feitelijke handeling), maar worden elk afzonderlijk gereguleerd. Dat kan inhouden dat voor die ene feitelijke handeling meerdere omgevingsvergunningen nodig zijn. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben (artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet).

Artikel 5.2 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.5 en 22.4 van de Bruidsschat. Artikel 22.5 is aangepast.

Gemeente Eindhoven gaat uit van het begrip vloerpeil (in plaats van straatpeil), dat is gedefinieerd in bijlage I

In dit artikel is geregeld dat met het bouwen van een meldings- of vergunningplichtig hoofdgebouw pas mag worden begonnen, als ten aanzien van vloerpeil en perceelsgrenzen op basis van een actueel hoogteplan (inclusief een voorstel voor het vloerpeil) overleg heeft plaatsgevonden met de gemeentelijk landmeetkundige. 

Uitgaan van een juist vloerpeil is onderdeel van het bouwtraject. Bij de beoordeling van een plan moet de gemeente in staat zijn om de hoogte waarop gebouwd gaat worden te kunnen toetsen. Dit gebeurt op basis van een actueel hoogteplan inclusief voorstel vloerpeilhoogte. Om overlast in de toekomst te voorkomen is het van belang om in een vroeg stadium  te beoordelen of er problemen kunnen ontstaan.

Het tweede lid bepaalt, in navolging van artikel 22.4 van de Bruidsschat, maatwerkvoorschriften over het eerste lid kunnen worden gesteld.

Artikel 5.3 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Artikel 5.3 bevat overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Het artikel komt in de plaats van artikel 22.2 van de Bruidsschat. Het artikel is ongewijzigd overgenomen. 

De reden voor de overgangsbepaling is dat in dit hoofdstuk regels voorkomen die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Wat verstaan wordt onder 'gemeentelijk monument' en een 'voorbeschermd gemeentelijk monument' is vastgelegd in de begripsbepalingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij een gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Bij een voorbeschermd gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven. 

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven. 

Zoals hiervoor is aangegeven bepaalt artikel 1.1, tweede lid, in samenhang met het Besluit bouwwerken leefomgeving wat moet worden verstaan onder een 'gemeentelijk monument' of een 'voorbeschermd gemeentelijk monument'. Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen ‘gemeentelijk monument’ en ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’ dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’).  

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ tijdens deze overgangsfase wel worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.  

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet zijn toegevoegd. Maar voor een goede bescherming van deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ is ook vereist dat de onderdelen van het omgevingsplan die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ van toepassing zijn. Artikel 5.3 voorziet hierin voor wat betreft dit regelonderdeel. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een ‘monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is’ als bedoeld in het eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in het tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt. 

Artikel 5.4 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 5.4 bevat overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten voor de duur dat deze nog niet als zodanig in het omgevingsplan zijn aangewezen. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.3 van de Bruidsschat. De inhoud is ongewijzigd.  

Het bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten overgangsrecht. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van artikel 5.15, derde lid, en artikel 6.9, aanhef en onder b, in dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, maar deze functie-aanduiding was er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.  

Voor de toepassing van artikel 5.15, derde lid, en artikel 6.9, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat - zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt - die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking van toepassing zouden zijn. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat artikel 5.15, derde lid, en artikel 6.9, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. 

Artikel 5.5 Mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw

Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.25 van de Bruidsschat. De inhoud is ongewijzigd.  

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt. Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.

Artikel 5.6 Verbod hyperscale datacentra

Dit artikel is opgenomen vanwege de 'voorbeschermingsregels hyperscale datacentra'. Deze zijn door het Rijk vastgesteld. Gemeente Eindhoven geldt als 'uitsluitingsgebied'. Daarom ligt het verbod op heel Eindhoven. Dit artikel gaat alleen over het bouwen van datacentra met een omvang van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Het verbod ten aanzien van het gebruik is opgenomen in artikel 3.14.

Artikel 5.7 Toepassingsbereik

In artikel 5.7 is bepaald dat afdeling 5.2 van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In de begripsbepalingen is een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder een omge