Omgevingsplan gemeente Amsterdam

Bij deze regeling horen andere regelingen die er juridisch onderdeel van zijn, zie het overzicht andere regelingen bij de wetstechnische informatie.

Geldend van 22-01-2026 t/m heden

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.2 Oogmerk van de regels

De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt. 

Artikel 1.3 Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht van informatieobjecten

  • 1.

    De regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied is beperkt.

  • 2.

    Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van informatieobjecten.  

Artikel 1.4 Normadressaat

Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, wordt aan de regels over activiteiten in dit omgevingsplan voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.5 Algemene gegevens bij melding en informatieplicht

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, anders dan in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift, worden die ondertekend en voorzien van: 

  • a.

    een beschrijving van de activiteit, waarop het verstrekken van de gegevens en bescheiden betrekking heeft;

  • b.

    de naam, adres en telefoonnummer van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    als de gegevens en bescheiden worden ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde;

  • d.

    als de gegevens en bescheiden elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde;

  • e.

    het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 

  • f.

    een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  • g.

    de dagtekening.

Hoofdstuk 2 GEBRUIKSDOEL VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN, REGELS OVER GEBRUIK

Afdeling 2.1 ALGEMEEN

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Artikel 2.2 Meet- en rekenregels

Afdeling 2.2 ALGEMEEN VERBOD GRONDEN EN BOUWWERKEN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET REGELS OVER GEBRUIK

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik

  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

  • 4.

    In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

  • 5.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: 

    • a.

      groenvoorzieningen en waterpartijen;

    • b.

      nutsvoorzieningen;

    • c.

      ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel;

    • d.

      het voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

Afdeling 2.3 GEBRUIKSDOELEN VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN, TOEGESTAAN GEBRUIK EN REGELS OVER DAT GEBRUIK

Paragraaf 2.3.1 Wonen

Subparagraaf 2.3.1.1 Algemene regels over wonen
Artikel 2.4 Toepassingsbereik 
Artikel 2.5 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik
  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' hebben als gebruiksdoel wonen, en mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen

  • 2.

    Een ander gebruik van woonruimte dan voor wonen is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.

Artikel 2.6 Omvang en situering van wonen
Artikel 2.7 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf
  • 1.

    Onverminderd artikel 3.5 is het verboden een bij een woonruimte behorend bijgebouw te gebruiken voor bewoning. 

  • 2.

    In aanvulling op artikel 3.5 is het verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend gebouwerf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt: 

    • a.

      binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig; of 

    • b.

      buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren op eigen terrein niet toegestaan' is, in afwijking van het tweede lid, onder b, het stallen van een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend erf, ongeacht de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg, niet toegestaan.

  • 4.

    Het in het tweede lid opgenomen verbod is niet van toepassing op een motorrijtuig op twee wielen of op een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 2.8 Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis 
  • 1.

    Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan, maar uitsluitend voor zover: 

    • a.

      het gebruik van de woonruimte en het erf ten behoeve van bewoning overheersend blijft; en

    • b.

      het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend. 

  • 2.

    Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis dat gepaard gaat met geluidhinder of geurhinder is niet toegestaan.

  • 3.

    Het uitoefenen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening is niet toegestaan.

  • 4.

    Op degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent berust de bijzondere zorgplicht datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis te voorkomen. 

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. 

Artikel 2.9 Beperkende regel over waar short stay is toegestaan 

Het gebruik van woonruimte voor short stay is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'short stay toegestaan'.

Artikel 2.10 Garageboxen
  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'garagebox’ geldt dat uitsluitend een of meer garageboxen zijn toegestaan.

  • 2.

    Het gebruik van de in het eerste lid bedoelde garagebox voor bewoning is niet toegestaan.

Subparagraaf 2.3.1.2 Regels over specifieke woonvormen en doelgroepen
Artikel 2.11 Locaties aangewezen voor bedrijfswoningen
Artikel 2.12 Locaties aangewezen voor studentenhuisvesting

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend studentenwoningen’ mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als studentenwoning.

Artikel 2.13 Locaties aangewezen voor zorgwoningen

Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' mag woonruimte uitsluitend worden gebruikt als zorgwoning.  

Artikel 2.14 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.15 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.16 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.17 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.18 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.1.3 Regels over activiteiten waarvoor een vergunningplicht op grond van  de Huisvestingsverordening geldt 
Artikel 2.19 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor Bed and Breakfast
Artikel 2.20 Kamerverhuur
  • 1.

    Woonruimte is uitsluitend toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte, tenzij:

    • a.

      de woonruimte is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover die vergunning voorziet in het realiseren van onzelfstandige woonruimten; 

    • b.

      de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend; of

    • c.

      het een omzetting naar een onzelfstandige woning betreft die in de Huisvestingsverordening is vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingwet. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a en b, is onzelfstandige woonruimte ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte toegestaan'.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, onder c, is omzetting naar onzelfstandige woonruimte niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige woonruimte niet toegestaan'. 

  • 3.

    Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal onzelfstandige woonruimten' het minimum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde.

  • 4.

    Als onzelfstandige woonruimte is toegestaan, is ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal onzelfstandige woonruimten' het maximum aantal onzelfstandige woonruimten de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.21 Woningvorming

Het is verboden een woonruimte te verbouwen tot twee of meer woonruimten, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde woningvormingsvergunning is verleend.

Paragraaf 2.3.2 Maatschappelijke dienstverlening 

Subparagraaf 2.3.2.1 Algemene regels over maatschappelijke dienstverlening
Artikel 2.22 Toepassingsbereik 
Artikel 2.23 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening', toegestaan gebruik

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening' hebben als gebruiksdoel maatschappelijke dienstverlening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van het bieden van maatschappelijke dienstverlening

Artikel 2.24 Omvang en situering van maatschappelijke dienstverlening
Subparagraaf 2.3.2.2 Regels over specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening
Artikel 2.25 Kinderopvang
Artikel 2.26 Onderwijs 
Artikel 2.27 Ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare instellingen
  • 1.

    Het bieden van medische zorgverlening in een ziekenhuis of universitair medisch centrum is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ziekenhuis toegestaan'.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'geen geluidgevoelige ruimten' zijn geen geluidgevoelige ruimten toegestaan. 

Artikel 2.28 Verpleeghuizen en verzorgingshuizen
Artikel 2.29 Overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie met bedgebied
Artikel 2.30 Kinderboerderijen

Een kinderboerderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderboerderij'.

Artikel 2.31 Begraafplaatsen

Een begraafplaats is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats toegestaan'.

Artikel 2.32 Crematoria

Een crematorium is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'crematorium toegestaan'. 

Artikel 2.33 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.34 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.35 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.36 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.37 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.2.3 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan
Artikel 2.38 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin'

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend school(werk)tuin' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een school(werk)tuin toegestaan. 

Artikel 2.39 Beperking ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij'

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend kinderboerderij' is maatschappelijke dienstverlening uitsluitend in de vorm van een kinderboerderij toegestaan. 

Paragraaf 2.3.3 Zakelijke en administratieve dienstverlening (kantoor)

Artikel 2.40 Toepassingsbereik 
Artikel 2.41 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening', toegestaan gebruik 
  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening' hebben als gebruiksdoel zakelijke en administratieve dienstverlening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van zakelijke en administratieve dienstverlening.

  • 2.

    Voor zover sprake is van dienstverlening met een meer dan ondergeschikte baliefunctie of met overwegend rechtstreeks contact met de klant, is sprake van consumentgerichte dienstverlening als bedoeld in paragraaf 2.3.4, en is dit gebruik niet in overeenstemming met het in het eerste lid bedoelde gebruiksdoel. 

Artikel 2.42 Omvang en situering van zakelijke en administratieve dienstverlening
Artikel 2.43 Beperkingen met betrekking tot baliefuncties
Artikel 2.44 Aanbieden aan derden van vergader- en congresfaciliteiten
  • 1.

    Het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van zakelijke en administratieve dienstverlening.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve het aanbieden aan derden van faciliteiten voor het houden van vergaderingen en congressen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.45 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.46 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.47 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.48 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.4 Detailhandel

Subparagraaf 2.3.4.1 Algemene regels over detailhandel 
Artikel 2.49 Toepassingsbereik 
Artikel 2.50 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: detailhandel' hebben als gebruiksdoel detailhandel en mogen worden gebruikt voor detailhandel.

Artikel 2.51 Omvang en situering van detailhandel
Artikel 2.52 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.53 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.4.2 Vormen van detailhandel die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties
Artikel 2.54 Beperkende regel over waar loketverkoop is toegestaan

De uitoefening van loketverkoop is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'loketverkoop toegestaan'. 

Artikel 2.55 Beperkende regel over waar sekswinkels zijn toegestaan

Een sekswinkel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sekswinkel toegestaan'. 

Artikel 2.56 Beperkende regel over waar een verkooppunt motorbrandstoffen is toegestaan
Artikel 2.57 Beperkende regel over waar smartshops, headshops, seedshops, growshops en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn toegestaan

Een smartshop, headshop, seedshop, growshop en naar de aard daarmee vergelijkebare vormen van detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van:

  • a.

    smartshops ter plaatse van de aanduiding 'smartshop';

  • b.

    headshops ter plaatse van de aanduiding 'headshop';

  • c.

    seedshops ter plaatse van de aanduiding 'seedshop'; 

  • d.

    growshops ter plaatse van de aanduiding 'growshop'.

Subparagraaf 2.3.4.3 Regels over supermarkten
Artikel 2.58 Beperkende regels over waar supermarkten en mini-supermarkten zijn toegestaan
Artikel 2.59 Locaties waar uitsluitend een supermarkt is toegestaan

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend supermarkt toegestaan' is detailhandel alleen in de vorm van een supermarkt toegestaan. 

Artikel 2.60 Omvang en situering van supermarkten
Artikel 2.61 Omvang en situering van mini-supermarkten
Subparagraaf 2.3.4.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van detailhandel zijn toegestaan
Artikel 2.62 Locaties bedoeld voor grootschalige detailhandelsvestigingen en perifere detailhandel 
Artikel 2.63 Locaties waar uitsluitend een afhaaldepot van goederen is toegestaan

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend afhaaldepot goederen' is uitsluitend het leveren aan de consument van elders of elektronisch aangekochte goederen toegestaan.

Subparagraaf 2.3.4.5 Gebiedsspecifieke beperkingen met betrekking tot detailhandel [gereserveerd]
Artikel 2.64 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.65 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.66 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.67 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.68 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.5 Consumentgerichte dienstverlening

Artikel 2.69 Toepassingsbereik 
Artikel 2.70 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening' hebben als gebruiksdoel consumentgerichte dienstverlening en mogen worden gebruikt voor consumentgerichte dienstverlening.

Artikel 2.71 Omvang en situering van consumentgerichte dienstverlening
Artikel 2.72 Beperkende regel over waar geldwisselkantoren zijn toegestaan

Een geldwisselkantoren is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'geldwisselkantoor’.

Artikel 2.73 Beperkende regel over waar telefoneerinrichtingen en belhuizen zijn toegestaan

Een telefoneerinrichting of belhuis is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'telefoneerinrichting'.

Artikel 2.74 Beperkende regel over waar internetcafés zijn toegestaan

Een internetcafé is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'internetcafé'. 

Artikel 2.75 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.76 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.77 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.78 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.79 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.6 Bedrijf (industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport)

Subparagraaf 2.3.6.1 Algemene regels over bedrijven
Artikel 2.80 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'.

  • 2.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf'. 

  • 3.

    In deze paragraaf wordt onder bedrijf verstaan een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, verhuren, distributie van en groothandel in goederen.

  • 4.

    Onder bedrijf wordt niet verstaan het verhuren van goederen aan in hoofdzaak consumenten. In dat geval is sprake van detailhandel.

  • 5.

    In deze paragraaf wordt onder Lijst van bedrijfsactiviteiten verstaan de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI.

Artikel 2.81 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bedrijf' hebben als gebruiksdoel bedrijf mogen worden gebruikt voor de uitoefening van bedrijf.

Artikel 2.82 Regels over omvang en situering bedrijf
Subparagraaf 2.3.6.2 Toegestane bedrijven in verband met milieuhinder
Artikel 2.83 Toegestane bedrijven: milieuhindercategorieën

Ter plaatse van de aanduiding 'maximale milieuhindercategorie' zijn bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten vallen in een milieuhindercategorie die gelijk of lager is dan de ter plaatse van de aanduiding bepaalde maximale milieuhindercategorie.

Artikel 2.84 Toegestane bedrijven: functiemenging

Ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' zijn de volgende bedrijven en bedrijfsactiviteiten toegestaan: 

  • a.

    vervaardigen van kleding en toebehoren, anders dan het bewerken of verven van leer, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2

  • b.

    drukken en kopiëren, anders dan drukkerijen van dagbladen en drukkerijen met vlak of rotatie-diepdruk; 

  • c.

    grafisch afwerken en andere grafische activiteiten waaronder reproductie en zetten;

  • d.

    binderijen;

  • e.

    vervaardigen van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gipsproducten, voor zover het vermogen van elektrische ovens gezamenlijk minder dan 40kW bedraagt; 

  • f.

    vervaardigen van medische en optische apparaten en instrumenten, met inbegrip van reparatiewerkzaamheden;

  • g.

    stofferen van meubels met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2;

  • h.

    vervaardigen van sierraden en dergelijke;

  • i.

    aannemersbedrijven met werkplaats, timmerwerkfabrieken (inclusief vervaardiging overige artikelen van hout) en meubelmakerijen met een maximum bruto-vloeroppervlakte van  200 m2;

  • j.

    bekleden van het interieur van auto’s; 

  • k.

    repareren van goederen ten behoeve van particulieren, anders dan auto's, motorfietsen en gemotoriseerde vaartuigen;

  • l.

    ontwikkelen van foto's en films;

  • m.

    vervaardigen van producten van metaal (exclusief machines/transportmiddelen) in een gesloten gebouw, met een maximum bruto-vloeroppervlakte van 200 m2

Artikel 2.85 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift
  • 1.

    In afwijking van artikel 2.83 of 2.84 kan per maatwerkvoorschrift op verzoek of ambtshalve een bedrijf op een locatie worden toegestaan indien dat bedrijf niet meer geluid, geur en stof uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 2.83, respectievelijk artikel 2.84 op die locatie zijn toegestaan.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof; en

    • c.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken. 

  • 3.

    Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift onder meer: 

    • a.

      het treffen van maatregelen of voorzieningen verplichten;

    • b.

      aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; 

    • c.

      aanwijzingen geven. 

Artikel 2.86 Bestaande bedrijven: eerbiedigende werking

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.83 en 2.84 zijn ook bedrijven toegestaan die in bijlage VII zijn opgenomen.  

Subparagraaf 2.3.6.3 Vormen van bedrijf die uitsluitend zijn toegestaan op aangewezen locaties
Artikel 2.87 Beperkende regel over waar risicobedrijven zijn toegestaan
  • 1.

    Bedrijven waar een activiteit plaatsvindt die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'risicobedrijf toegestaan'.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      windturbines;

    • b.

      bedrijven waar een gasdrukregel- en meetstation staat, voor zover:

      • 1.

        de afstanden genoemd in tabel 4.421 van het Besluit activiteiten leefomgeving op het eigen terrein van het bedrijf blijven; en

      • 2.

        er wordt geen andere activiteit uitgevoerd die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen

    • c.

      bedrijven waar een propaantank staat, voor zover: 

      • 1.

        de afstanden genoemd in tabel 4.899 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in Tabel A.7 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving op het eigen terrein van het bedrijf blijven; en

      • 2.

        er wordt geen andere activiteit uitgevoerd die in Bijlage VII t/m X bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen. 

Artikel 2.88 Beperkende regel over waar activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn toegestaan

Bedrijven die activiteiten uitoefenen die in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken'. 

Artikel 2.89 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan
  • 1.

    Een datacenter is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'datacenters toegestaan'. 

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aansluitvermogen datacentrum' is het maximale aansluitvermogen van een datacenter in megavoltampère de daar bepaalde waarde.

  • 3.

    Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen met betrekking tot de volgende onderwerpen:

    • a.

      ruimtelijke kwaliteit en inpassing; 

    • b.

      multifunctioneel ruimtegebruik;

    • c.

      energie;

    • d.

      watergebruik;

    • e.

      restwarmte; 

    • f.

      monitoring. 

Artikel 2.90 Beperkende regel over waar windturbines zijn toegestaan

Een windturbine is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'windturbine toegestaan'. 

Artikel 2.91 Beperkende regel over waar complexe bedrijven zijn toegestaan

Bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen die in Afdeling 3.3 ('Complexe bedrijven') van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'complexe bedrijven toegestaan'.

Artikel 2.92 Beperkende regel over waar Rie-bedrijven zijn toegestaan

Bedrijven die in bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334) zijn aangewezen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Rie-bedrijven toegestaan'. 

Subparagraaf 2.3.6.4 Locaties waar uitsluitend specifieke vormen van bedrijf zijn toegestaan
Artikel 2.93 Locaties bedoeld voor havengebonden bedrijven 

Ter plaatse van de aanduiding 'havengebonden bedrijf' zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die voor aan- en/of afvoer van goederen mede afhankelijk zijn van het vervoer over water. 

Artikel 2.94 Locaties bedoeld voor windturbines

Ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend windturbine toegestaan' zijn uitsluitend windturbines toegestaan. 

Artikel 2.95 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.96 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.97 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.98 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.99 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.7 Culturele voorziening

Artikel 2.100 Toepassingsbereik 
Artikel 2.101 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerpen ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: culturele voorziening' hebben als gebruiksdoel culturele voorziening, en mogen worden gebruikt ten behoeve van een culturele voorziening

Artikel 2.102 Omvang en situering van culturele voorzieningen
Artikel 2.103 Beperkende regel over waar theaters en concertzalen zijn toegestaan

Een theater of concertzaal is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'theater en concertzaal toegestaan'. 

Artikel 2.104 Beperkende regel over waar musea en expositieruimten zijn toegestaan

Een museum of expositieruimte is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'museum en expositieruimte toegestaan'. 

Artikel 2.105 Beperkende regel over waar bioscopen en filmhuizen zijn toegestaan

Een bioscoop of filmhuis is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bioscoop en filmhuis toegestaan'. 

Artikel 2.106 Beperkende regel over waar debatcentra zijn toegestaan

Een debatcentrum is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'debatcentrum toegestaan'. 

Artikel 2.107 Waar culturele horeca met toepassing van subparagraaf [PM]  kan worden toegestaan [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 2.108 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.109 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.110 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.111 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.112 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.8 Hotel

Artikel 2.113 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'. 

  • 2.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel'.

Artikel 2.114 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: hotel' hebben als gebruiksdoel hotel en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een hotel.

Artikel 2.115 Omvang en situering van hotels
  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte hotel' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van hotel mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin hotel is toegestaan' is het exploiteren van een hotel uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal hotelkamers' is het maximum aantal hotelkamers de daar bepaalde waarde.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden' is het maximum aantal slaapplaatsen dat in het hotel is toegestaan de daar bepaalde waarde.

  • 5.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedden per kamer' is het maximum aantal slaapplaatsen dat per hotelkamer is toegestaan de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.116 Bijbehorende faciliteiten uitsluitend voor hotelgasten
  • 1.

    Bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten mogen uitsluitend door hotelgasten worden gebruikt.  

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten' geldt dat bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten ook door niet-hotelgasten mogen worden gebruikt. 

  • 3.

    Het aanbieden van faciliteiten aan derden voor het houden van vergaderingen en congressen is toegestaan voor zover dit ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van hotel.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten' is de maximum bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve het aanbieden van faciliteiten voor het houden van vergaderingen en congressen mag worden gebruikt de daar bepaalde waarde.

Artikel 2.117 Verboden gebruik bijbehorende gronden en bouwwerken
  • 1.

    Onverminderd artikel 3.5 is het verboden de bij een hotel behorende gronden en bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor:

    • a.

      het aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten; 

    • b.

      bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en vergader- en congresfaciliteiten.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het gebruik van gronden als horecaterras voor hotelgasten, tenzij artikel 3.5, derde lid van toepassing is.  

Artikel 2.118 Mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan, voor zover zij die nodig acht ter voorkoming van onaanvaardbare overlast op de omgeving, een maatwerkvoorschrift stellen over:

    • a.

      het gebruik van bij het hotel behorende faciliteiten voor hotelgasten door niet-hotelgasten;

    • b.

      het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift over het gebruik van bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten kan inhouden een verbod om bij het hotel behorende gronden en bouwwerken als horecaterras voor hotelgasten te gebruiken.

Artikel 2.119 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.120 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.121 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.122 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.123 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.9 Sportvoorziening

Artikel 2.124 Toepassingsbereik 
Artikel 2.125 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: sportvoorziening' hebben als gebruiksdoel sportvoorziening en mogen worden gebruikt als sportvoorziening

Artikel 2.126 Omvang en situering van sportvoorzieningen
Artikel 2.127 Beperkende regel over waar maneges zijn toegestaan
Artikel 2.128 Beperkende regel over waar kunstijsbanen zijn toegestaan

Een kunstijsbaan is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kunstijsbaan toegestaan'.

Artikel 2.129 Beperkende regel over waar sportscholen en fitnesscentra zijn toegestaan

Sportscholen en fitnesscentra zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportschool toegestaan'.

Artikel 2.130 Beperkende regel over waar zwembaden zijn toegestaan
  • 1.

    Zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zwembad toegestaan'.

  • 2.

    Onder een zwembad wordt in deze paragraaf verstaan een al dan niet overdekte voorziening voor het lesgeven in zwemmen, de zwemsport en het recreatief zwemmen.

  • 3.

    Niet-overdekte zwembaden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'niet-overdekt zwembad toegestaan'.

Artikel 2.131 Locaties bedoeld voor watersport-gerelateerde faciliteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'watersportvoorzieningen' zijn geen andere sportvoorzieningen dan watersport-gerelateerde faciliteiten toegestaan.

Artikel 2.132 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.133 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.134 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.135 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.136 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.10 Faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak 

Artikel 2.137 Toepassingsbereik 
Artikel 2.138 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ontspanning en vermaak' hebben als gebruiksdoel ontspanning en vermaak en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak.

Artikel 2.139 Omvang en situering van faciliteiten op het gebied van ontspanning en vermaak
Artikel 2.140 Beperkende regel over waar faciliteiten op het gebied van spel en vermaak zijn toegestaan

Een faciliteit gericht op spel en vermaak is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spel en vermaak toegestaan'. 

Artikel 2.141 Beperkende regel over waar kartbanen zijn toegestaan

Een kartbaan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kartbaan toegestaan'.  

Artikel 2.142 Beperkende regel over waar dierentuinen zijn toegestaan

Een dierentuin is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dierentuin toegestaan'.  

Artikel 2.143 Beperkende regel over waar speelautomatenhallen zijn toegestaan

Een speelautomatenhal is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'speelautomatenhal toegestaan'.

Artikel 2.144 Beperkende regel over waar casino's zijn toegestaan

Een casino is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'casino toegestaan'.

Artikel 2.145 Beperkende regel over waar wellness is toegestaan

Een wellness is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wellness toegestaan'.

Artikel 2.146 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.147 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.148 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.149 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.150 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.11 Seks en erotiek

Subparagraaf 2.3.11.1 Prostitutiebedrijf
Artikel 2.151 Toepassingsbereik
Artikel 2.152 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf' hebben als gebruiksdoel prostitutiebedrijf en mogen worden gebruikt voor een prostitutiebedrijf.

Artikel 2.153 Beperkende regel over waar raamprostitutie is toegestaan
Artikel 2.154 Omvang en situering prostitutiebedrijf 
  • 1.

    Het exploiteren van een prostitutiebedrijf is uitsluitend toegestaan in een hoofdgebouw. Op het eventueel bij het hoofdgebouw behorend erf en in de daarop aanwezige erfbebouwing is, in afwijking van artikel 3.5, eerste lid, een bedrijfsmatig gebruik voor een prostitutiebedrijf niet toegestaan.   

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan' is een prostitutiebedrijf uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

  • 3.

    De bestaande bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het exploiteren van een prostitutiebedrijf wordt gebruikt, mag niet worden vergroot:

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal prostitutieramen' is het maximum aantal ramen waar achter een prostituee zich presenteert het daar bepaalde aantal.

Artikel 2.155 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.156 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.157 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.11.2 Seksinrichting
Artikel 2.158 Toepassingsbereik
Artikel 2.159 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting' hebben als gebruiksdoel seksinrichting, en mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een seksinrichting.

Artikel 2.160 Omvang en situering seksinrichtingen 
  • 1.

    Het exploiteren van een seksinrichting is uitsluitend toegestaan in een hoofdgebouw. Op het eventueel bij het hoofdgebouw behorend erf en in de daarop aanwezige erfbebouwing is, in afwijking van artikel 3.5, eerste lid, een bedrijfsmatig gebruik voor een seksinrichting niet toegestaan.   

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan' is het exploiteren van een seksinrichting uitsluitend toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. 

  • 3.

    De bestaande bruto-vloeroppervlakte die ten behoeve van het exploiteren van een seksinrichting wordt gebruikt, mag niet worden vergroot:

Artikel 2.161 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.162 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.163 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.12 Agrarisch bedrijf

Subparagraaf 2.3.12.1 Veehouderij en paardenfokkerij
Artikel 2.164 Toepassingsbereik 
Artikel 2.165 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' hebben als gebruiksdoel veehouderij of paardenfokkerij en mogen worden gebruikt ten behoeve van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij.

Artikel 2.166 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen

De uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarbij ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren.

Artikel 2.167 Beperking met betrekking tot opslag

Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.

Artikel 2.168 Beperking met betrekking tot paardenbakken
  • 1.

    Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak paardenbak' is de maximum bruto-vloeroppervlakte van de paardenbak de daar bepaalde waarde. 

Artikel 2.169 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen

De teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf.

Artikel 2.170 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.171 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.172 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.12.2 Gewassenteelt in de open lucht
Artikel 2.173 Toepassingsbereik 
Artikel 2.174 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' hebben als gebruiksdoel gewassenteelt in de open lucht, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sier- en fruitteelt. 

Artikel 2.175 Beperking met betrekking tot opslag

Opslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijfsperceel'. 

Artikel 2.176 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen 

Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.

Artikel 2.177 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.178 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.179 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.12.3 Glastuinbouw
Artikel 2.180 Toepassingsbereik 
Artikel 2.181 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw', toegestaan gebruik 

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw' hebben als gebruiksdoel glastuinbouw, en mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw. 

Artikel 2.182 Beperking met betrekking tot kassen

Een kas is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'.

Artikel 2.183 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen 

Het aanbrengen en aangebracht houden van teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.

Artikel 2.184 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.185 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.186 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.13 Water

Artikel 2.187 Toepassingsbereik
Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik 
  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' hebben als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      bruggen;

    • b.

      beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

    • c.

      groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang;

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

    • e.

      waterstaatkundige werken.

  • 3.

    Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

Artikel 2.189 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.190 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.191 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.192 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.193 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.14 Verkeer

Subparagraaf 2.3.14.1 Algemene regels over het gebruiksdoel verkeer
Artikel 2.194 Toepassingsbereik
Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik 
  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen;

    • b.

      beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

    • c.

      groenvoorzieningen en watervoorzieningen;

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

  • 3.

    Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

Artikel 2.196 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.197 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.198 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.199 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.200 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 2.3.14.2 Aanvullende regels over waar wegen en spoorwegen zijn toegestaan
Artikel 2.201 Beperkende regels over wegen
  • 1.

    Een rijbaan is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' bedraagt het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde. 

Artikel 2.202 Beperkende regels over spoorwegen

Spoorwegen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'.

Artikel 2.203 Beperkende regels over tram- en metrolijnen
Artikel 2.204 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van gemeentewegen en waterschapswegen

Onverminderd deze subparagraaf is op het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, een waterschapsweg of een lokale spoorweg en op het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg hoofdstuk 7 onverkort van toepassing. 

Subparagraaf 2.3.14.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling
Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen
Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling

Paragraaf 2.3.15 Groen

Artikel 2.207 Toepassingsbereik
Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik 
  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen;

    • b.

      faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours;

    • c.

      vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweede lid, gestelde doel; 

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

    • e.

      waterstaatkundige werken.

  • 3.

    Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

Artikel 2.209 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.210 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.211 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.212 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.213 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.16 Hoogspanningsverbinding

Artikel 2.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de volgende aanduidingen:

Artikel 2.215 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.

Artikel 2.216 Gebruiksdoel ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' hebben als gebruiksdoel een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, en mogen worden gebruikt voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 220kV en hoger, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.

Artikel 2.217 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 110 kV of 150 kV

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV' hebben als gebruiksdoel een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, en mogen worden gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV, met inbegrip van de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen.

Artikel 2.218 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.219 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.220 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.17 Buisleiding met gevaarlijke stoffen

Artikel 2.221 Toepassingsbereik en oogmerk
Artikel 2.222 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen'

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' hebben als gebruiksdoel buisleiding gevaarlijke stoffen, en mogen worden gebruikt als tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.  

Artikel 2.223 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.224 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.225 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.226 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.18 Ambulante handel, anders dan venten 

Artikel 2.227 Toepassingsbereik
Artikel 2.228 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel'

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' hebben als gebruiksdoel ambulante handel, en mogen worden gebruikt ten behoeve van ambulante handel.

Artikel 2.229 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van ambulante handel om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.

Artikel 2.230 Waar markten zijn toegestaan 
Artikel 2.231 Waar staan- of ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan 

Ambulante handel vanaf een staan- of ligplaats ambulante handel is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt'. 

Artikel 2.232 Maximum aantal marktplaatsen, staan- of ligplaatsen buiten de markt
Artikel 2.233 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.234 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.235 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.19 Volkstuinpark

Artikel 2.236 Toepassingsbereik van de regels over 'volkstuinpark'
Artikel 2.237 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark'

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' hebben als gebruiksdoel volkstuinpark en mogen worden gebruikt ten behoeve van een volkstuinpark.  

Artikel 2.238 Gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw

Het gebruik van een gebouw voor ontmoeting en administratie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verenigingsgebouw'.

Artikel 2.239 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw

Het gebruik van een gebouw voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gemeenschappelijk gebouw'.

Artikel 2.240 Beperking met betrekking tot overnachten
  • 1.

    Overnachten is uitsluitend toegestaan op de eigen volkstuin. 

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'overnachten niet toegestaan' is overnachten niet toegestaan.

Artikel 2.241 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.242 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 2.243 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.20 Horecazaak [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.21 Darkstore [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.22 Evenementenlocaties en gebouwen, bedoeld voor het houden van evenementen [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.23 Kampeerterrein en vakantiepark [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 2.3.24 Vergader- en congresfaciliteit [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 3 OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Afdeling 3.1 ALGEMEEN

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 3.2 Meet- en rekenregels

Afdeling 3.2 ALGEMENE REGELS VAN RUIMTELIJKE AARD OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Paragraaf 3.2.1 Algemeen

Artikel 3.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

Paragraaf 3.2.2 Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing

Artikel 3.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 
Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing
  • 1.

    Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel.  

  • 2.

    Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geldt, in afwijking van het tweede lid, dat een bedrijfsmatig gebruik van het bijbehorend erf niet is toegestaan. Onder bedrijfsmatig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik voor opslag.

Paragraaf 3.2.3 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling 

Subparagraaf 3.2.3.1 Parkeernormering auto's 
Artikel 3.6 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 
Artikel 3.7 Van toepassing zijnde parkeernormen
  • 1.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende parkeernormen over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken feitelijk op eigen terrein beschikbaar is en moet blijven ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage IV.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'A-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een A-locatie.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'B-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een B-locatie.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'C-locatie (parkeernormering)' gelden de in bijlage IV aangegeven normen voor een C-locatie.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn. 

Artikel 3.8 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties

Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen als bedoeld in artikel 3.7.

Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik
  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor zover het gaat om een van de volgende wijzigingen: 

    • a.

      een wijziging van wonen naar een ander gebruik dan wonen;

    • b.

      een wijziging van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een ander gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening;

    • c.

      een wijziging van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

Artikel 3.10 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein
  • 1.

    Het is verboden het aantal parkeerplaatsen, dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is, te wijzigen.

  • 2.

    Het is eerste lid is niet van toepassing als: 

    • a.

      het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein passend wordt of blijft binnen de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm; 

    • b.

      het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk beschikbaar komt op eigen terrein meer aansluit bij de voor het legaal bestaand gebruik geldende parkeernorm. 

  • 3.

    De uitzondering, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ter plaatse van de aanduiding 'aantal autoparkeerplaatsen'. Daar dient het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar is te blijven voldoen aan de daar bepaalde waarde.

Artikel 3.11 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.9  en artikel 3.10, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; 

    • b.

      sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of 

    • c.

      het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

      • 1.

        een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; 

      • 2.

        een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.

  • 2.

    Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. 

  • 3.

    Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is;

    • b.

      een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en 

    • c.

      een motivering van het verzoek. 

Subparagraaf 3.2.3.2 Normering fietsstalling
Artikel 3.12 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 
Artikel 3.13 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling
  • 1.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf zijn de geldende fietsstallingsnormen over het aantal plaatsen voor fietsstalling dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken minimaal feitelijk beschikbaar moet zijn ten behoeve van dat gebruik de normen zoals opgenomen in bijlage V.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 1: hoge stallingsnorm fiets' gelden de bijlage V aangegeven normen voor Zone 1: hoog fietsgebruik.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor Zone 2: gemiddeld fietsgebruik.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'Zone 3: lage stallingsnorm fiets' gelden de in bijlage V aangegeven normen voor  Zone 3: laag fietsgebruik.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal fietsstallingsplaatsen' de daar bepaalde waarde als norm voor het minimum aantal plaatsen voor fietsstalling dat op eigen terrein feitelijk beschikbaar moet zijn. 

Artikel 3.14 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties

Voor een legaal bestaande situatie geldt dat bij een ongewijzigd gebruik van gronden en bouwwerken het aantal plaatsen voor fietsstalling dat feitelijk aanwezig is op het moment dat deze subparagraaf in werking treedt, niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met de normen, bedoeld in artikel 3.13.

Artikel 3.15 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik

In aanvulling op artikel 2.3 is het verboden het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende fietsstallingsnorm.

Artikel 3.16 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein  

Het is verboden het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.13.

Artikel 3.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.15 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen, en naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien; 

    • b.

      het  redelijkerwijs onmogelijk is voldoende stallingsplaatsen op eigen terrein te realiseren; of

    • c.

      de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is. 

  • 2.

    Aan het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift kunnen de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal plaatsen voor fietsstalling te waarborgen.

  • 3.

    Bij een verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      het planologisch gebruik dat plaatsvindt  en de omvang daarvan, en het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling dat daarbij aanwezig is;

    • b.

      een omschrijving van de beoogde wijziging waarop het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en

    • c.

      een motivering van het verzoek.

Paragraaf 3.2.4 Ondergeschikt kantoorgebruik

Artikel 3.18 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 
Artikel 3.19 Ondergeschikt kantoorgebruik
  • 1.

    Het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte voor ondergeschikt kantoorgebruik is toegestaan, maar uitsluitend onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      het gaat om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening; en 

    • b.

      tot een maximum van 30% kantoorvloer per bedrijf, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen.

  • 2.

    Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke worden naar evenredigheid toegekend aan de ondergeschikte kantoorruimte en overige bedrijfsruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt.

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' geldt in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per bedrijf de daar bepaalde waarde, gerekend over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. 

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' is het in het eerste lid, onder b, genoemde maximum percentage niet van toepassing op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht.

Paragraaf 3.2.5 Ondergeschikte detailhandel

Artikel 3.20 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan 
Artikel 3.21 Ondergeschikte detailhandel
  • 1.

    Op een locatie waar gelet op afdeling 2.3 detailhandel niet is toegestaan, is het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel toegestaan, maar uitsluitend als:  

    • a.

      de uitoefening van ondergeschikte detailhandel plaatsvindt binnen een ambachtelijk bedrijfconsumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een culturele instelling;

    • b.

      het assortiment ligt in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening; en

    • c.

      het gaat om maximaal 20% van de bruto-vloeroppervlakte van het onder a bedoelde bedrijf, tot een maximum van 50 m2.

  • 2.

    De omvang van de ondergeschikte detailhandel wordt bepaald door het deel van het bruto-vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan over het eerste lid een maatwerkvoorschrift geven en daarbij afwijken van het eerste lid, onder c, maar uitsluitend als:

    • a.

      de omvang van de niet-zelfstandige detailhandel ondergeschikt blijft aan de in het eerste lid bedoelde bedrijfsuitoefening; en

    • b.

      het voldoen aan het bepaalde in het eerste lid door bijzondere omstandigheden niet op overwegende bezwaren stuit.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift wordt inzicht gegeven in: 

    • a.

      de beoogde aard en omvang van de niet-zelfstandige detailhandel en de aard en omvang van de gehele bedrijfsuitoefening;

    • b.

      de bijzondere omstandigheden, bedoeld in het derde lid, onder b.

Paragraaf 3.2.6 Het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie

Artikel 3.22 Geografisch werkingsgebied
Artikel 3.23 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een:

    • a.

      woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • b.

      onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

    • c.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

    • d.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan,

    uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3

  • 2.

    Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling voor de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. 

  • 4.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de wijziging van gebruik reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 3.25 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw:  op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van
    dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 3.26 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een:

  • a.

    woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 3.27 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt alleen verleend als:

  • a.

    het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en

  • b.

    het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 3.28 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
  • 1.

    Van een aanvaardbaar geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw is in elk geval sprake als het geluid op de gevel niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.28:

    Tabel 3.28: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.28 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 3.29 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 3.28 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.29:

    Tabel 3.29: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen, gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend. 

  • 4.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.28, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: 

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 6.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 7.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 3.29 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 3.30 Belang van een geluidluwe gevel

Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. 

Artikel 3.31 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of
      industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende
      geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour
      van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een
      luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid
      door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een
      industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een
      militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.32 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 3.29 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, vastgelegd. 

Artikel 3.33 Vergunningvoorschriften
  • 1.

    Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder. 

  • 2.

    Voor zover de in het eerste lid bedoelde voorschriften betrekking hebben op het nemen van bouwkundige maatregelen, waarvoor op grond van hoofdstuk 4 een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt, dan is hoofdstuk 4 op het verrichten van die omgevingsplanactiviteit bouwwerken onverkort van toepassing. 

Artikel 3.34 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

Paragraaf 3.2.7 Huisvesting in verband met mantelzorg

Artikel 3.35 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een gebouw voor het moment dat dit artikel in werking is getreden rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'huisvesting mantelzorg toegestaan'. 

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen', voor zover huisvesting in verband met mantelzorg op grond van het nog geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is toegestaan. 

Artikel 3.36 Beoordelingsregels
  • 1.

    De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het gebouw rechtmatig is gebouwd;

    • b.

      het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en

    • c.

      het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2

  • 2.

    Op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, is paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing, zij het dat de in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste of tweede lid. 

  • 3.

    De in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht:   

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt de in artikel 3.35, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid geweigerd als de activiteit wordt verricht:   

    • a.

      op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding;

    • b.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 

      • 2.

        artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 3.

        artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 4.

        artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 5.

        artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 6.

        artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 7.

        artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 8.

        artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 9.

        artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 10.

        artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 11.

        artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 12.

        artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 13.

        artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 

      • 14.

        artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of

    • c.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

      • 2.

        bijlage VIII, onder A en B het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 3.

        artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of

      • 4.

        bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.37 Aanvraagvereisten
  • 1.

    Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, is artikel 3.34 van overeenkomstige toepassing. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt.

Paragraaf 3.2.8 Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof

Artikel 3.38 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof 

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de leiding, de druk of de vervoerde stof te wijzigen voor zover de wijziging leidt tot een wijziging van het aandachtsgebied bedoeld in artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen 
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.

  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.

  • 3.

    Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

Artikel 3.40 Aanvraagvereisten 
  • 1.

    Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en

    • b.

      de resultaten van de berekeningen van:

      • 1.

        de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en

      • 2.

        de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 2.221, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding.

Paragraaf 3.2.9 Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven

Artikel 3.42 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf'.  

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'. 

  • 3.

    Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van een legaal bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3

  • 4.

    Deze paragraaf heeft het doel een divers functieaanbod te garanderen en ambachtelijke bedrijven te behouden in centrumgebieden waar de druk op de leefbaarheid groot is. 

Artikel 3.43 Vergunningplicht wijziging ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bestaand gebruik te wijzigen van een ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik. 

Artikel 3.44 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    de beoogd ander gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en

  • b.

    het beoogd ander gebruik bijdraagt aan een divers en lokaal aanbod aan voorzieningen, passend bij het karakter van het gebied. 

Artikel 3.45 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.43 wordt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een beschrijving van het bestaande gebruik;

  • b.

    een beschrijving van het voorgenomen gebruik; 

  • c.

    een onderbouwing in welke mate het voorgenomen gebruik bijdraagt aan het aanbod aan voorzieningen als bedoeld in artikel 3.44, onder b.

Paragraaf 3.2.10 Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico 

Artikel 3.46 Geografisch werkingsgebied en oogmerk
  • 1.

    Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'. 

  • 3.

    De regels in deze paragraaf zijn gesteld om kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen te beschermen.

Artikel 3.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw
  • 1.

    Het is verboden om een gebouw te gebruiken als een kwetsbaar gebouw. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor kwetsbare gebouwen die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.

Artikel 3.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

    • a.

      het wijzigen van het gebruik van een gebouw of een deel van een gebouw dat geen kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is naar een gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw; 

    • b.

      het wijzigen van het gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beperkt kwetsbaar gebouw dat functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.

Artikel 3.49 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, wordt alleen verleend als: 

    • a.

      de wijziging naar een beperkt kwetsbaar gebouw niet in strijd is met artikel 2.3;

    • b.

      zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; 

    • c.

      alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en

    • d.

      er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied. 

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.

Artikel 3.50 Vergunningvoorschriften 

Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.

Artikel 3.51 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, voor het toelaten van een beperkt kwetsbaar gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of  het gebruik van de gronden;

  • b.

    alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en

  • c.

    gegevens over de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.

Paragraaf 3.2.11 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.12 Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.13 Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.14 Hospitaverhuur en inwoning

Artikel 3.52 Hospitaverhuur en inwoning

Voor zover in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruik van een woning door meer dan één huishouden niet is toegestaan, is omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte wel toegestaan, indien het een omzetting betreft die in de Huisvestigingsverordening is vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingswet.

Hoofdstuk 4 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN

Afdeling 4.1 ALGEMEEN

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van:

Artikel 4.2 Meet en rekenregels

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

  • 2.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: 

    • a.

      afstanden loodrecht; 

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 

    • c.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven. 

  • 3.

    Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

  • 4.

    Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing. 

  • 5.

    Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak. 

  • 6.

    Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 4.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

  • 1.

    Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:

    • a.

      de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

    • b.

      het straatpeil is uitgezet.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.

Artikel 4.4 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

       als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 4.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 4.13, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 4.2 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT BOUWWERKEN

Paragraaf 4.2.1 Algemeen 

Artikel 4.6 Toepassingsbereik

Afdeling 4.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Paragraaf 4.2.2 Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk 

Artikel 4.7 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten. 

Artikel 4.8 Algemene beoordelingsregel

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.

Artikel 4.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een opgave van de bouwkosten; 

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; 

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; 

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; 

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en

  • f.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.

Paragraaf 4.2.3 Bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 

Artikel 4.10 Toepassingsbereik
  • 1.

    In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is.

  • 2.

    Op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, is artikel 5.6 onverkort van toepassing.

Artikel 4.11 Algemene afbakeningseisen
  • 1.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan.

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op:

    • a.

      een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        op de grond staand; 

      • 2.

        gelegen in achtererfgebied; 

      • 3.

        op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 

      • 4.

        niet hoger dan 5 m; 

      • 5.

        de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 

      • 6.

        niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; 

    • b.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        op de grond staand; 

      • 2.

        niet hoger dan 5 m; en 

      • 3.

        de oppervlakte niet meer dan 70 m2

    • c.

      een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing; 

      • 2.

        voorzien van een plat dak; 

      • 3.

        gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 

      • 4.

        onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 

      • 5.

        bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 

      • 6.

        zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; 

    • d.

      een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1.

        niet hoger dan 4 m; en 

      • 2.

        alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 

    • e.

      een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; 

    • f.

      een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 

      • 2.

        op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 

      • 3.

        achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; 

    • g.

      een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 

      • 1.

        een silo; of 

      • 2.

        een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; 

    • h.

      een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

    • i.

      een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 

      • 2.

        geen uitbreiding van het bouwvolume; 

      • 3.

        geen toename van de bouwhoogte; en 

      • 4.

        geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen;

    • j.

      een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’;

    • k.

      gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. 

  • 2.

    Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, voldaan moet worden aan artikel 5.6.

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 
  • 1.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde onder k.

  • 2.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.

  • 3.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, is artikel 4.12, eerste lid, alleen van toepassing voor zover het gaat om: 

    • a.

      inpandige wijzigingen; 

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; 

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of 

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. 

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 4.14 Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 4.12 niet, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 

Artikel 4.12 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 5.6

Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten

Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen
Artikel 4.15 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Subparagraaf 4.2.4.2 Beoordeling ruimtelijke regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden
Subsubparagraaf 4.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: 

    • a.

      een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken; of 

    • b.

      een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken. 

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als:

    • a.

      in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en

    • b.

      het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend. 

  • 4.

    In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 4.17 Specifieke beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.16 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: 

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of 

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 4.18 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.16eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Subsubparagraaf 4.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken 

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: 

  • a.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;

  • b.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is;

  • c.

    een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 

    • 1.

      voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 meter; 

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en

    • 2.

      voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

  • d.

    een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 6 m; en

    • 2.

      oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • e.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 10 m; en

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • f.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

  • g.

    een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 

  • h.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • i.

    een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • j.

    het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

  • k.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;

  • l.

    overschrijdingen van het bouwvlak, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter;

  • m.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van bordessen, erkers, galerijen, buitentrappen, pothuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen ter hoogte van de eerste bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • n.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van luifels, erkers en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen vanaf de tweede bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • o.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van hijsinrichtingen voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren, en mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 2 meter bedraagt;

  • p.

    overschrijdingen van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, hijsinrichtingen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte, bedoeld in de artikel 5.17, niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand.

Artikel 4.20 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19

  • 1.

    Aan artikel 4.19 wordt alleen toepassing gegeven als: 

    • a.

      de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; 

    • b.

      door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast;

    • c.

      het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; 

    • d.

      de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11

    • e.

      de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met:

      • 1.

        een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of;

      • 2.

        een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit;

    • f.

      de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en

    • g.

      het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.

  • 2.

    Aan artikel 4.19, aanhef en onder c, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.  

  • 3.

    Bij de toepassing van artikel 4.19, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken Amsterdam. 

Artikel 4.21 Voorschriften

Bij toepassing van artikel 4.19 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 4.20 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.22 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 4.19, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.20, te kunnen doen. 

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen

  • 1.

    Bij toepassing van artikel 4.19 zijn de overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.

  • 2.

    Voor zover toepassing wordt gegeven aan artikel 4.19 en de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft uitsluitend betrekking op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, blijven in afwijking van het eerste lid de beoordelingsregels genoemd in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing. 

Subparagraaf 4.2.4.3 Uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk
Artikel 4.24 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

  • 3.

    Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

  • 4.

    Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4.25 Vergunningvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.24, eerste lid, genoemde belang. 

Artikel 4.26 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden

Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.24 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.24, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.   

Artikel 4.27 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.24, tenzij artikel 4.26 van toepassing is: 

  • a.

    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 

  • b.

    principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 

  • c.

    kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 

  • d.

    een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Subparagraaf 4.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie
Artikel 4.28 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    Onder sanerende of andere beschermende maatregel wordt in subparagraaf 4.2.4.4 verstaan:

    • a.

      sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels in paragraaf 9.4.2;

    • b.

      sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a; of

    • c.

      andere beschermende maatregel zoals uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’.

Artikel 4.29 Beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie 
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: 

    • a.

      de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem:

      • 1.

        niet wordt overschreden; of 

      • 2.

        wordt overschreden en het aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; en

    • b.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat:

      • 1.

        er  geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of

      • 2.

        er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in onderdeel a, aanhef en onder 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.

  • 2.

    Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als:

    • a.

      voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3  bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

      • 1.

        59 µg/kg ds bij PFOS; 

      • 2.

        60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

      • 3.

        59 µg/kg ds bij overige PFAS.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en:

    • a.

      de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en

    • b.

      het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. 

Artikel 4.30 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van toepassing is, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen:

  • a.

    een sanerende of andere beschermende maatregel is genomen; en

  • b.

    het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop de sanerende of andere beschermende maatregel is genomen.

 

Artikel 4.31 Vergunningvoorschrift met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: bodem of gebouw alsnog geschikt maken
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van toepassing is, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat:

    • a.

      voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht;

    • b.

      een dampdichte laag wordt aangebracht;

    • c.

      een afdeklaag wordt aangebracht; of

    • d.

      de grond wordt ontgraven.

  • 2.

    Als aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen zijn genomen.

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
  • 1.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving

    • b.

      als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en

    • c.

      als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw-of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

Subparagraaf 4.2.4.5 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling 
Subsubparagraaf 4.2.4.5.1 Parkeernormering auto's 

Artikel 4.33 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen voor auto's

Artikel 4.34 Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde parkeernormen

  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.33 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; 

    • b.

      sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of 

    • c.

      het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

      • 1.

        een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; 

      • 2.

        een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. 

Artikel 4.35 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering autoparkeerplaatsen

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein. 

  • 2.

    Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek. 

Subsubparagraaf 4.2.4.5.2 Normering fietsstalling

Artikel 4.36 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal stallingsplaatsen voor fietsen

Artikel 4.37 Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde normen voor fietsstalling

  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.36 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:

    • a.

      op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien;

    • b.

      het  redelijkerwijs onmogelijk is voldoende stallingsplaatsen op eigen terrein te realiseren; of

    • c.

      de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is.  

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een minimum aantal fietsstallingsplaatsen te waarborgen.

Artikel 4.38 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering fietsstalling

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van fietsstalling op het eigen terrein. 

  • 2.

    Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, of artikel 4.37, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek. 

Subparagraaf 4.2.4.6 Windhinder en windgevaar
Artikel 4.39  Beoordelingsregel windhinder en windgevaar bij hoogbouw (30 meter of hoger)
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk van 30 meter of hoger wordt alleen verleend als het bouwwerk niet leidt tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar. 

  • 2.

    Of bij een voorgenomen bouwwerk van 30 meter of hoger sprake is van een onaanvaardbare windhinder of windgevaar wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de beoogde bebouwing zal optreden. Op dit onderzoek is NEN 8100 van toepassing.

  • 3.

    Bij het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt in elk geval betrokken: 

    • a.

      de bebouwing die op het moment van de aanvraag in de directe omgeving van de beoogde bebouwing aanwezig is; en

    • b.

      in de directe omgeving van de beoogde bebouwing te realiseren toekomstige bebouwing, waarvoor op het moment van de aanvraag reeds een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd of verleend.

  • 4.

    Als er in de directe omgeving van het nieuw te bouwen bouwwerk ontwikkelingen zijn te verwachten waarvoor weliswaar nog geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd, maar waarvan dit op korte termijn is te verwachten, kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen dat ook die ontwikkelingen worden betrokken in het onderzoek.

Artikel 4.40 Beoordelingsregel windhinder of windgevaar bij laagbouw (lager dan 30 meter)
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk lager dan 30 meter wordt geweigerd als er bij het bevoegd gezag een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, waarbij het bevoegd gezag zich baseert op: 

    • a.

      de kenmerken en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de omvang van de voorgenomen bebouwing en de omgeving ter plaatse; en

    • b.

      eerdere windhinderonderzoeken op of in de nabijheid van de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, of de feitelijk bekende windhindersituatie ter plaatse.

  • 2.

    Als een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan wordt dit aan de aanvrager meegedeeld, waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij te stellen redelijke termijn onderzoek te overleggen waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de bebouwing zal optreden. 

  • 3.

    Op het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4.39, tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing, zij het dat een maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 4.39, vierde lid, direct bij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld.  

Artikel 4.41 Vergunningvoorschriften met betrekking tot windhinder en windgevaar

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op:

  • a.

    het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en

  • b.

    de vormgeving van bovengrondse bebouwing.

Artikel 4.42 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling windhinder en windgevaar

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor een beoordeling op windhinder moet plaatsvinden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.39 en artikel 4.40.

Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden 
Artikel 4.43 Geografisch werkingsgebied
  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'. 

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'.  

Artikel 4.44 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld. 

Artikel 4.45 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 4.46 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw:  op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van
    dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 4.47 Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw 

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 4.48 Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde
  • 1.

    Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.48

    Tabel 4.48: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 4.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 4.49 Overschrijding van de standaardwaarde
  • 1.

    Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.48 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.49.

    Tabel 4.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    60 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    65 Lden

    Industrieterreinen

    55 Lden

    45 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend. 

  • 4.

    Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als:

    • a.

      elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en

    • b.

      zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  • 5.

    Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.   

  • 6.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».

  • 7.

    Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten:

    • a.

      gelden de waarden in Lnight niet; en

    • b.

      wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».

Artikel 4.50 Overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten
  • 1.

    Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten'. 

  • 2.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht, hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als:

    • a.

      deze waarde niet meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving

    • b.

      het geluid op het gebouw in belangrijke mate wordt bepaald door die zeehavengebonden activiteiten; en 

    • c.

      het gebouw wordt toegelaten: 

      • 1.

        in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan bestaand gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie;

      • 2.

        aansluitend op een op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan bestaand aaneengesloten gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie en als alleen sprake is van een beperkte uitbreiding van dat gebied; of 

      • 3.

        in een gebied dat wordt getransformeerd. 

  • 3.

    Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 4.51 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
  • 1.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die:

    • a.

      bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 

    • b.

      borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

  • 3.

    Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 4.52 Overschrijding grenswaarde – maatregelen
  • 1.

    De artikelen 4.50 en 4.51 worden alleen toegepast als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, onder c, te voldoen; en 

    • b.

      de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. 

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Artikel 4.53 Belang van een geluidluwe gevel
  • 1.

    Bij de toepassing van artikel 4.49 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. 

  • 2.

    Bij de toepassing van de artikelen 4.50 en 4.51 wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.

Artikel 4.54 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
  • 1.

    Bij de toepassing van de artikelen 4.494.50 en 4.51 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of
      industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de gelden de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid
      door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en

    • d.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.55 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van de artikelen 4.494.50 en 4.51 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd. 

Artikel 4.56 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw. 

Artikel 4.57 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt:

  • a.

    waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en 

  • b.

    waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.

Subparagraaf 4.2.4.8 Grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen
Artikel 4.58 Geografisch werkingsgebied
Artikel 4.59 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de activiteit betrekking heeft op het bouwen van een ondergronds gebouw.

  • 2.

    De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving als gevolg van het bouwen en in stand houden van een ondergronds gebouw.  

Artikel 4.60 Begripsbepalingen, specifiek van toepassing op deze subparagraaf
  • 1.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder peil verstaan:

    • a.

      voor gebouwen direct grenzend aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

    • b.

      voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouw zich op bevindt.

  • 2.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder deklaag verstaan: de bovenste bodemlaag die in de laatste ca. 10.000 jaar is ontstaan en die tevens de ophooglaag bevat die door de mens is aangebracht voor bijvoorbeeld woningbouw.

  • 3.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geohydrologisch rapport verstaan: het resultaat van een geohydrologisch onderzoek neergelegd in een rapport met daarin de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem op een bepaalde locatie. In het geohydrologisch rapport worden in ieder geval in beeld gebracht:

    • a.

      de bodemopbouw;

    • b.

      de doorlatendheid (k-waarde) van de bodem;

    • c.

      de grondwaterfluctuatie;

    • d.

      de grondwaterstroming;

    • e.

      de gevolgen voor het grondwatersysteem door de voorgenomen activiteit;

    • f.

      de mitigerende maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen; en

    • g.

      voor de ondergrondse bouwwerken in de gebieden zoals aangewezen in de aanvraagvereisten: een geotechnisch onderdeel in het geohydrologisch onderzoek, waarin het risico op opbarsten en/of de deklaag zijn onderzocht.

  • 4.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder grondwaterneutraal bouwen verstaan: het bouwen van een ondergronds gebouw waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop het ondergronds gebouwis geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast.

  • 5.

    Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder ontwateringsdiepte verstaan: de maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP minus de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in meters ten opzichte van NAP.

Artikel 4.61 Meet- en rekenregels
  • 1.

    De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt berekend: 

    • a.

      bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld; 

    • b.

      door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 93,75ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of 

    • c.

      door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf keer per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee hoogste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.

  • 2.

    De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt berekend: 

    • a.

      bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld;

    • b.

      door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 6,25ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of

    • c.

      door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf keer per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee laagste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.

Artikel 4.62 Beoordelingsregel met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een ondergronds gebouw, alleen verleend, als de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving. 

  • 2.

    Van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving is sprake als:

    • a.

      de gemiddelde grondwaterstroming (debiet) op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd met meer dan 5% verandert door de aanleg van  het ondergronds gebouw; 

    • b.

      op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd de gemiddelde grondwaterstand meer dan 0,05 m verandert of de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 0,02 m stijgt of de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) meer dan 0,02 m daalt;

    • c.

      risico’s op opbarsten van de deklaag of welvorming zich voordoen; of

    • d.

      er een deklaag resteert van minder dan 1,5 m dikte vanwege de risico’s op opbarsten en welvorming. 

  • 3.

    Het tweede lid, onder a en b, is niet van toepassing indien de ontwateringsdiepte op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd kleiner is dan 0,90 m en vergroting van de ontwateringsdiepte door een lagere gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) mogelijk is, mits op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • 4.

    Of een ondergronds gebouw leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving wordt beoordeeld: 

    • a.

      voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter: aan de hand van de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam;

    • b.

      voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter: op basis van een geohydrologisch onderzoek.

Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving. 

Artikel 4.64 Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a
  • 1.

    Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden op een detailtekening op schaal de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      peil aan straatzijde in m NAP;

    • b.

      maaiveldniveau achterzijde in m NAP;

    • c.

      gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op de grenzen van het perceel in m NAP;

    • d.

      onderkant bestaand ophoogzand in m NAP;

    • e.

      diepte ondergronds gebouw (niveau onderkant vloer) in m NAP;

    • f.

      diepte ondergronds gebouw (onder peil) in m;

    • g.

      oppervlak ondergronds gebouw in m2;

    • h.

      dwarsdoorsnedes ondergronds gebouw. 

  • 2.

    Zo nodig worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven:

      • 1.

        dikte grondverbetering (minimaal 0,20 m) in m;

      • 2.

        geometrie grondverbetering;

      • 3.

        doorlatendheid grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw in m/dag;

      • 4.

        geometrie en uitvoeringswijze (reparerend) getrokken damwanden;

      • 5.

        geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, hart op hart-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak;

      • 6.

        geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt;

      • 7.

        geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte;

      • 8.

        geometrie intreevoorzieningen;

      • 9.

        geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak;

      • 10.

        buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten;

      • 11.

        breedte tussen ondergrondse gebouwen in m;

      • 12.

        locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, etc.);

    • b.

      een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is. Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (standstill)' bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, ongeacht de omvang van het ondergronds gebouw, een geohydrologisch onderzoek verstrekt. Artikel 4.65 is op dat geohydrologisch onderzoek van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)' tevens de volgende (geotechnische) gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven:

      • 1.

        afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput;

      • 2.

        wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving;

      • 3.

        grondwaterstand- en stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);

      • 4.

        bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);

      • 5.

        diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw;

      • 6.

        bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag;

    • b.

      evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen);

    • c.

      een beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.).

Artikel 4.65 Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b
  • 1.

    Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, wordt een geohydrologisch onderzoek verstrekt waarin de grondwatereffecten van het ondergronds gebouw op de omgeving naar het oordeel van het college in voldoende mate zijn vastgesteld.

  • 2.

    Bij het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      tekening(en) en dwarsdoorsnedes op schaal met huidige en toekomstige bouwwerken (bovengronds en ondergronds);

    • b.

      een beschrijving en tekening dimensies huidige en toekomstige bouwwerken, bovengronds en ondergronds (lengte en breedte in m, oppervlak in m2, diepte in m NAP en diepte in m ten opzichte van peil); 

    • c.

      peil aan straatzijde (zie begrip peil) in m NAP;

    • d.

      onderkant bestaand ophoogzand in m NAP;

    • e.

      ligging huidige en toekomstige perceelsgrenzen;

    • f.

      een beschrijving van de lokale bodemopbouw;

    • g.

      boorbeschrijvingen en/of sonderingen op en rond het te bebouwen perceel;

    • h.

      gehanteerde grondwaterstandgegevens en hieruit afgeleide GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG-waarden en gradiënten;

    • i.

      gehanteerde stijghoogtes in het eerste watervoerend pakket;    

    • j.

      een beschrijving van gebruik van damwanden tijdens en na de bouw;

    • k.

      bij de berekeningen gehanteerde bodemparameters en randvoorwaarden (doorlatendheid van debodem, grondwateraanvulling uit neerslag, oppervlaktewaterpeilen, vaste grondwaterstanden en stijghoogtes);

    • l.

      berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de huidige situatie in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt;

    • m.

      berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de toekomstige situatie (met ondergronds bouwwerk) in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt;

    • n.

      mate van afwijking van grondwaterstroom (debiet) in de toekomstige situatie op eigen perceel van de huidige grondwaterstroom;

    • o.

      een beschrijving van de mitigerende maatregelen en berekening van het effect van deze maatregelen op de GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG op de grenzen van het perceel bij:

      • 1.

        het huidige klimaat;

      • 2.

        het klimaat van 2050 (KNMI klimaatscenario Wh2050);

    • p.

      een tekening en dwarsdoorsnedes van de mitigerende maatregel;

    • q.

      een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is. Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd.  

  • 3.

    Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, worden zo nodig in een geohydrologisch onderzoek tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      maaiveldniveau achterzijde in m NAP;

    • b.

      aanwezigheid van polderriolen;

    • c.

      dikte, geometrie en doorlatendheid van de grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw;

    • d.

      geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, hart op hart-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak;

    • e.

      geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt;

    • f.

      geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte;

    • g.

      geometrie intreevoorzieningen;

    • h.

      geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak;

    • i.

      buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten;

    • j.

      breedte tussen ondergrondse gebouwen;

    • k.

      locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, en dergelijke).

  • 4.

    In het geotechnisch onderdeel van het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput;

    • b.

      wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving;

    • c.

      stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);

    • d.

      bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);

    • e.

      diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw;

    • f.

      bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag;

    • g.

      evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen);

    • h.

      beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.);

    • i.

      uitvoeringswijze bij (reparerend) trekken van damwanden;

    • j.

      beschrijving met lokale boringen/sonderingen die aantoont dat minimaal 1,5 m deklaag resteert onder de vloer van het ondergronds gebouw. 

Subparagraaf 4.2.4.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico
Artikel 4.66 Geografisch werkingsgebied
  • 1.

    Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.

  • 2.

    Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.  

Artikel 4.67 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover:

Artikel 4.68 Beoordelingsregels met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: 

    • a.

      zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; 

    • b.

      alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en

    • c.

      er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied. 

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om de vergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt in elk geval geweigerd als het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.

Artikel 4.69 Vergunningvoorschriften met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico

Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.

Artikel 4.70 Aanvraagvereisten in verband met de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de zwaarwegende gewichtige economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; 

  • b.

    alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en

  • c.

    de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp

Subparagraaf 4.2.4.10 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd]
Artikel 4.71 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.72 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.73 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.74 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.75 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.76 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 4.2.4.11 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd]
Artikel 4.77 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.78 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.79 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.80 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.81 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.82 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 4.2.4.12 Bouwen ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen' 
Artikel 4.83 Geografisch werkingsgebied en oogmerk 
Artikel 4.84 Beoordelingsregel, vergunningvoorschriften
  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de veiligheid van de in artikel 4.83, tweede lid bedoelde buisleiding niet wordt geschaad.

  • 2.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de in het tweede lid bedoelde buisleiding over de vraag of door de voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken de veiligheid van de buisleiding wordt geschaad en welke voorschriften indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming daarvan.

  • 3.

    Met het oog op de waarborging van de veiligheid van de in het tweede lid bedoelde buisleiding kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.85 Aanvraagvereisten 

Als deze subparagraaf van toepassing is, worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het bouwwerk;

  • b.

    de specifieke locatie waar het bouwwerk wordt gerealiseerd;

  • c.

    de functie of het beoogd gebruik van het bouwwerk;

  • d.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • e.

    de te gebruiken materialen;

  • f.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • g.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het bouwwerk.

Subparagraaf 4.2.4.13 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
Artikel 4.86 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken 

De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met: 

Subparagraaf 4.2.4.14 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten
Artikel 4.87 Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken. 

Artikel 4.88 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging
  • 1.

    Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan. 

  • 2.

    De gegevens en bescheiden betreffen in ieder geval:

    • a.

      een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn;

    • b.

      een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en

    • c.

      een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door het opgeven van de toe te passen producten onder vermelding van fabricaat en model en/of materiaal, zoals grind- of grondsoort.

Artikel 4.89 Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg 
  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: 

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; 

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en 

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet. 

Artikel 4.90 Overige gegevens en bescheiden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan. 

Afdeling 4.3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT SLOPEN

Paragraaf 4.3.1 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen ter plaatse van beschermd stads- of dorpsgezicht 

Artikel 4.91 Toepassingsbereik en oogmerk
Artikel 4.92 Uitgestelde toepassing

Deze paragraaf wordt toegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt. 

Artikel 4.93 Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht te verrichten.  

  • 2.

    Voor zover de activiteit betrekking heeft op het gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk, geldt het in het eerste lid bedoelde verbod uitsluitend voor zover het afbreken betrekking heeft op delen van de gevel en de dakvorm die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied, waaronder mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.  

Artikel 4.94 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 4.93, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.

Artikel 4.95 Beoordelingsregels
  • 1.

    De in artikel 4.93 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht naar het oordeel van burgemeester en wethouders leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.91, derde lid.

  • 2.

    Van een onevenredige aantasting van het in artikel 4.91, het derde lid, genoemde belang kan in elk geval sprake zijn als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het af te breken bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 4.96 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam
  • 1.

    De gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam, bedoeld in 17.9 van de Omgevingswet, wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

  • 2.

    Op de advisering van de gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam is de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing. 

Artikel 4.97 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname;

  • b.

    gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 

Artikel 4.98 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.91, het derde lid, genoemde belang.

Paragraaf 4.3.2 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen geluidwerende eerstelijnsbebouwing [gereserveerd]

Artikel 4.99 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.100 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.101 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.102 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.103 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.104 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.105 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.106 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 4.107 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 4.4 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN

Paragraaf 4.4.1 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit

Artikel 4.108 Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit
  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: 

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en 

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om: 

    • a.

      een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.26;

    • b.

      een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

  • 3.

    Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 4.109 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 4.108.

Paragraaf 4.4.2 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken

Artikel 4.110 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing op: 

    • a.

      nieuwe gebouwen;

    • b.

      bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021:

      • 1.

        een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd;

      • 2.

        aan het gebouw één of meer bouwlagen, een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd; of

      • 3.

        het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor:

    • a.

      voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of 

    • b.

      voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

Artikel 4.111 Begripsbepaling
  • 1.

    Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder centraal besturingssysteem verstaan: een systeem dat op basis van actuele neerslagvoorspellingen, de vulling van de hemelwaterberging en de condities van het stedelijk watersysteem, de lediging van de hemelwaterberging regelt. 

  • 2.

    Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder groen dak verstaan: een doelbewust hoofdzakelijk met planten begroeid dak.

  • 3.

    Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder hergebruiksysteem verstaan: een systeem waarmee het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt voor andere dan drinkwater toepassingen.

  • 4.

    Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder verhard oppervlak verstaan: oppervlak voorzien van verhardingen (o.a. daken, wegen, verharde terreinen, etc.), zodanig dat hemelwater van dit oppervlak niet in de bodem kan infiltreren.

Artikel 4.112 Verbod op lozen zonder waterberging
  • 1.

    Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien. 

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits:

    • a.

      geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of 

    • b.

      het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of

    • c.

      sprake is van een bouwkeet. 

Artikel 4.113 Vereisten hemelwaterberging
  • 1.

    Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.112:

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak;

    • b.

      loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en

    • c.

      is na 60 uur leeg.

  • 2.

    Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: 

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 105 liter per m2 bebouwd oppervlak; 

    • b.

      loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; 

    • c.

      is na 70 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en

    • d.

      leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. 

  • 3.

    Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2

  • 5.

    In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.

  • 6.

    Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.

  • 7.

    Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.

Afdeling 4.5 AANWIJZINGEN VOORSCHRIFTENGEBIEDEN, BEDOELD IN PARAGRAAF 4.2.14 VAN HET BESLUIT BOUWWERKEN LEEFOMGEVING

Artikel 4.114 Aanwijzing brandvoorschriftengebied

Ter plaatse van de aanduiding 'brandvoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.115 Aanwijzing explosievoorschriftengebied

Ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 5 RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN

Afdeling 5.1 ALGEMEEN

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.  

Artikel 5.2 Beperking geografisch toepassingsbereik (overgangsbepaling)

Afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 zijn uitsluitend van toepassing ter plaatse van de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

Artikel 5.3 Meet- en rekenregels

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: 

  • a.

    de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: 

    • 1.

      afstanden loodrecht; 

    • 2.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 

    • 3.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven;

  • b.

    voor de toepassing van onderdeel a wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is;

  • c.

    de bruto-vloeroppervlakte van een bouwwerk: met toepassing van NEN 2580;

  • d.

    de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

  • e.

    de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil of, wanneer dat in de regels is bepaald, vanaf N.A.P., tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

  • f.

    de verticale bouwdiepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag;

  • g.

    als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak;

  • h.

    de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine;

  • i.

    de tiphoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine.

Artikel 5.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

Artikel 5.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Artikel 5.10, aanhef en onder b, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 5.2 ALGEMEEN VERBOD BOUWWERKEN TE BOUWEN, IN STAND TE HOUDEN EN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN

Artikel 5.6 Vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken 

  • 1.

    Het is verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld  en in werking is getreden verboden een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.

Afdeling 5.3 BOUWWERKEN DIE IN BEGINSEL OVERAL ZIJN TOEGESTAAN

Artikel 5.7 Algemene afbakeningseisen

  • 1.

    Deze afdeling is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van deze afdeling neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan. 

Artikel 5.8 Bouwwerken die ruimtelijk zijn toegestaan 

Ongeacht het bepaalde in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8, een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, of een TAM-omgevingsplan, zijn de volgende bouwwerken toegestaan: 

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als voldaan wordt aan de volgende eisen: 

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in het achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; 

    • 5.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

    • 6.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 

      • I.

        5 m; 

      • II.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 

      • III.

        het hoofdgebouw; 

    • 7.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • I.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en 

      • II.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw; 

    • 8.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: 

      • I.

        bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; 

      • II.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en 

      • III.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 

    • 9.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: 

      • I.

        een woonwagen; 

      • II.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of 

      • III.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; 

  • b.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.9 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.8, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 5.8, onder a, onder 7, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 5.10 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Artikel 5.8 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: 

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of 

    • b.

      op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, tenzij het betreft een erfafscheiding, bedoelt in artikel 5.8, onder b, op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 

  • 3.

    Het tweede lid is van toepassing:

    • a.

       als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 5.11 Beperkingen vanwege externe veiligheid

  • 1.

    Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8 , aanhef en onder a, niet van toepassing als de activiteit wordt verricht:

    • a.

      op een locatie waar de activiteit op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding;

    • b.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 

      • 2.

        artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 3.

        artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 4.

        artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 5.

        artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 6.

        artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 7.

        artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 8.

        artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 9.

        artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 10.

        artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 11.

        artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 

      • 12.

        artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

      • 13.

        artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 

      • 14.

        artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; of

    • c.

      op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 

      • 1.

        artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

      • 2.

        bijlage VIII, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

      • 3.

        artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel van toepassing is; of

      • 4.

        bijlage IX, onder A tot en met C bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties

  • 1.

    Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen erfbebouwing'. 

  • 2.

    Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'. 

  • 3.

    Ter plaatse van een in de Omgevingsregeling aangewezen reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 4.12 niet van toepassing. 

Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met tijdelijk deel omgevingsplan

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing, voor zover in het daar geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, of uit de daarin opgenomen regels volgt, dat de gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. 

Afdeling 5.4 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN

Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel 

Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:  

  • a.

    een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid;

  • b.

    de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; 

  • c.

    een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3;

  • d.

    een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Afdeling 5.5 GEBOUWEN

Artikel 5.15 Waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan 

  • 1.

    Een bovengronds gebouw is, tenzij elders anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bestaande bordessen, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen, pothuizen en balkons en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, voor zover die legaal zijn gerealiseerd. Deze mogen in stand worden gehouden en binnen de bestaande afmetingen worden vernieuwd. 

Artikel 5.16 Waar ondergrondse gebouwen zijn toegestaan en tot welke verticale bouwdiepte

  • 1.

    Een ondergronds gebouw is uitsluitend toegestaan voor zover het een legaal gebouwd bestaand ondergronds gebouw betreft, met de bestaande omvang en bestaande verticale bouwdiepte ervan als maximum omvang en maximum verticale bouwdiepte.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn ondergrondse gebouwen ook toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergronds gebouw toegestaan'. 

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwdiepte ondergronds gebouw' geldt in aanvulling op het tweede lid als maximum verticale bouwdiepte de daar bepaalde waarde in meters. 

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte ondergronds gebouw' geldt in aanvulling op het tweede lid als maximum oppervlakte van een ondergronds gebouw de daar bepaalde waarde. 

Artikel 5.17 Bouwhoogte van gebouwen

  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP' de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde, gemeten ten opzichte NAP;

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte gebouw' is de minimum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.

Artikel 5.18 Goothoogte van gebouwen

  • 1.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, is voor een legaal gebouwd bestaand gebouw de bestaande goothoogte de goothoogte.  

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' de maximum goothoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.

Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte eerste bouwlaag' is de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, in meters de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Indien de vloer van de eerste verdieping onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.

Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' in die lijn dient te staan.  

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.

Artikel 5.21 Bebouwd oppervlak (percentage)

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwingspercentage' is het minimum bebouwingspercentagevan bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is het maximum bebouwingspercentage van bovengrondse gebouwen de daar bepaalde waarde.

Artikel 5.22 Bebouwd oppervlak (m2)

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwd oppervlak' is het minimum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' is het maximum bebouwd oppervlak van bovengrondse gebouwen in vierkante meters de daar bepaalde waarde.

Artikel 5.23 Bruto-vloeroppervlakte bebouwing (m2)

Artikel 5.24 Tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken

  • 1.

    In afwijking van artikel 5.15 geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' dat per volkstuin één tuinhuis, één kas en één berging is toegestaan.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5.17 gelden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' voor de in het eerste lid bedoelde gebouwen de volgende maximum bouwhoogtes:

    • a.

      voor een tuinhuis: 3,5 meter;

    • b.

      voor een kas: 2,5 meter;

    • c.

      voor een berging: 3 meter. 

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' is het maximum bebouwd oppervlak per volkstuin:

    • a.

      voor een tuinhuis: tien procent van het oppervlak van de volkstuin; 

    • b.

      voor een kas: vier procent van het oppervlak van de volkstuin; 

    • c.

      voor een berging: twee procent van het oppervlak van de volkstuin. 

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'nutstuinpark' geldt in afwijking van het eerste lid dat tuinhuizen niet zijn toegestaan.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid is het maximum bebouwd oppervlak per nutstuin:

    • a.

      voor een kas: zes procent van het oppervlak van de volkstuin; 

    • b.

      voor een berging: drie procent van het oppervlak van de volkstuin.

  • 6.

    In afwijking van het tweede tot en met vierde lid is voor een tuinhuis, een kas of een berging, die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel feitelijk is gerealiseerd, de gerealiseerde bouwhoogte en oppervlakte ervan de maximum bouwhoogte en oppervlakte.

Artikel 5.25 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.26 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.27 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.28 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.29 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.30 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.31 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.32 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.33 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.34 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.35 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 5.6 BOUWWERKEN GEEN GEBOUWEN ZIJNDE

Artikel 5.36 Bouwwerken geen gebouwen zijnde (algemeen)

  • 1.

    Tenzij elders anders is bepaald, bedraagt de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter. 

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde' is, in afwijking van het eerste lid, de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde de daar bepaalde waarde. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan' niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken geen gebouwen zijnde, voor zover die legaal zijn gebouwd. 

Artikel 5.37 Artistieke kunstwerken

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk' is een artistiek kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. 

Artikel 5.38 Infrastructurele en waterbouwkundige kunstwerken

Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk' is een infrastructureel en waterbouwkundig kunstwerk toegestaan met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. 

Artikel 5.39 Erfafscheidingen

In afwijking van artikel 5.8, onder b, geldt ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende hoogte erfafscheiding' als maximum bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding de daar bepaalde waarde. 

Artikel 5.40 Specifieke bouwwerken op sportterreinen

  • 1.

    Lichtmasten op sportterreinen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte lichtmast', met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Ballenvangers, dugouts, doelen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd tribunes, die nodig zijn voor de sportbeoefening zijn op sportterreinen toegestaan in een omvang die naar algemene maatstaven gebruikelijk is.

Artikel 5.41 Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van hoogspanningsverbindingen

Artikel 5.42 Bruggen [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 5.43 Vlaggenmasten [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 5.44 Aanlegsteigers [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 5.45 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.46 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.47 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.48 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.49 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.50 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.51 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.52 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.53 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.54 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.55 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.56 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.57 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 5.7 BIJZONDERE BOUWWERKEN

Artikel 5.58 Windturbines

  • 1.

    In afwijking van artikel 5.15 zijn windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine toegestaan'. Windturbines zijn uitsluitend daar toegestaan.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'maximum ashoogte windturbine' is een windturbine toegestaan met als maximum ashoogte de daar bepaalde waarde. 

  • 3.

    De maximum tiphoogte van een windturbine is de ter plaatse van de aanduiding 'maximum tiphoogte windturbine' bepaalde waarde.

Artikel 5.59 Tribunes

In afwijking van artikel 5.15 is een tribune toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte tribune', met als maximum bouwhoogte de daar bepaalde waarde. Een tribune is uitsluitend daar toegestaan. 

Artikel 5.60 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.61 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.62 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.63 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.64 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.65 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.66 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.67 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.68 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.69 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.70 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.71 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.72 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 5.73 Gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 5.8 OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN

Artikel 5.74 Voorgeschreven hoogte onderdoorgang

Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte onderdoorgang' mogen de gronden tot een hoogte van de daar bepaalde waarde niet worden bebouwd, met uitzondering van de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies.

Artikel 5.75 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorziening

Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting parkeervoorziening' geldt dat een ontsluiting van een auto- of fietsparkeervoorziening uitsluitend is toegestaan ter plaatse van deze aanduiding.

Artikel 5.76 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

Hoofdstuk 6 AANLEGACTIVITEITEN (HET UITVOEREN VAN EEN WERK, GEEN BOUWWERK ZIJNDE, OF VAN EEN WERKZAAMHEID)

Afdeling 6.1 ALGEMEEN

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.

  • 2.

    Onverminderd afdeling 4.2 is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk. 

Afdeling 6.2 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE ARCHEOLOGIE

Artikel 6.2 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door: 

    • a.

      het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, ontgraven, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; 

    • b.

      het aanbrengen van drainage;

    • c.

      het aanleggen en verbreden van wateren;

    • d.

      het wijzigen van het waterpeil; 

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen;

    • f.

      het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen.

Artikel 6.3 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten. 

Artikel 6.4 Uitzonderingen op de vergunningplicht

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring', en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.3, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring', en de bodemverstoring niet dieper gaat dan de daar in meters bepaalde waarde.   

Artikel 6.5 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt alleen verleend als het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zich daartegen niet verzet.  

Artikel 6.6 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.  

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien het college reeds over voldoende informatie beschikt om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt deze schriftelijke mededeling verstrekt.

Artikel 6.7 Vergunningvoorschriften

  • 1.

    Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone voorschriften worden verbonden. 

  • 2.

    Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan in elk geval inhouden: 

    • a.

      de verplichting tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek; 

    • b.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische vindplaatsen fysiek worden behouden; 

    • c.

      de verplichting tot het indienen van een programma van eisen, met betrekking tot het onder a en b gestelde;

    • d.

      de verplichting dat pas begonnen wordt met aanvullend archeologisch onderzoek, bedoeld onder a, nadat het college het programma van eisen, bedoeld onder c, heeft vastgesteld. 

  • 3.

    Als aan de vergunning het voorschrift is verbonden tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt aan de vergunning tevens het voorschrift verbonden dat het college tijdens het aanvullend archeologisch onderzoek aanwijzingen kan geven over de uitvoering van het archeologisch onderzoek, en dat de aanwijzingen van het college in acht worden genomen.

Afdeling 6.3 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE BOVENGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN'

Artikel 6.8 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: 

    • a.

      het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, niet zijnde bouwwerken, hoger dan vijf meter;

    • b.

      het opslaan van stoffen die brandgevaarlijk zijn; 

    • c.

      het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen; 

    • d.

      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waaronder de verbindingen, bedoeld in artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening.

Artikel 6.9 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding te verrichten. 

Artikel 6.10 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.9, geldt niet als:

  • a.

     de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; 

  • b.

    de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

Artikel 6.11 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, zich daartegen niet verzet.  

Artikel 6.12 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding; 

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en

  • d.

    de te gebruiken materialen.

Artikel 6.13 Advies netbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 6.14 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden. 

Afdeling 6.4 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BESCHERMINGSZONE ONDERGRONDSE HOOGSPANNINGSVERBINDINGEN'

Artikel 6.15 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit: 

    • a.

      het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

    • b.

      het aanbrengen van verhardingen, wegen en paden;

    • c.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

    • d.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en andere waterpartijen;

    • e.

      het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen,  mengen en ophogen van gronden; 

    • f.

      het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het belang van het doelmatig en veilig functioneren  van ondergrondse hoogspanningsverbindingen.

Artikel 6.16 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding te verrichten.

Artikel 6.17 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.16, geldt niet als:

  • a.

    de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; 

  • b.

    de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel, of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning;

  • c.

    graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken

Artikel 6.18 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een  wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, zich daartegen niet verzet.

Artikel 6.19 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op het functioneren van de hoogspanningsverbinding; 

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en

  • d.

    de te gebruiken materialen.

Artikel 6.20 Advies netbeheerder

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een  omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 6.21 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, kunnen aan een  omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding voorschriften worden verbonden.

Afdeling 6.5 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDING 'BELEMMERINGENGEBIED BUISLEIDING GEVAARLIJKE STOFFEN'

Artikel 6.22 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit:

    • a.

      het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

    • d.

      het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;

    • e.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem.

  • 2.

    Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.

  • 3.

    De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.

Artikel 6.23 Vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten bij een buisleiding met gevaarlijke stoffen

Ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen te verrichten.

Artikel 6.24 Uitzondering op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.23, geldt niet voor:

  • a.

    graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten; en

  • b.

    werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

Artikel 6.25 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt alleen verleend als door de in 6.22, eerste lid genoemde activiteiten de veiligheid, integriteit en werking van de leiding niet wordt geschaad.

Artikel 6.26 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard, omvang en effecten van het werk of de werkzaamheid;

  • b.

    de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;

  • c.

    de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid;

  • d.

    de te gebruiken materialen;

  • e.

    in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie;

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid.

Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder 

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 6.28 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 6.22, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen  voorschriften worden verbonden.

Afdeling 6.6 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDINGEN 'RIJKSBESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT'

Artikel 6.29 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van het openbaar toegankelijke gebied waaronder wordt verstaan het:

    • a.

      veranderen van bestaande wegprofielen door verbreden, verleggen, verharden van wegen en paden en/of wijziging van bestratingsmateriaal;

    • b.

      veranderen van bestaande dijken, kaden en andere historische hoogteverschillen door ontgronden, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden en/of wijziging van bestratingsmateriaal; 

    • c.

      veranderen van bestaande groenstructuren door verwijderen en verleggen van groenvoorzieningen, anders dan bij wijze van verzorging;

    • d.

      veranderen van bestaande waterstructuren door graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht'.

  • 3.

    Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

  • 4.

    Deze afdeling is ook van toepassing op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven. 

Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan  

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.   

Artikel 6.31 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' en de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht te verrichten.

Artikel 6.32 Uitzonderingen op de vergunningplicht

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.31, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 6.31, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

Artikel 6.33 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht wordt alleen verleend als activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht.

Artikel 6.34 Aanvraagvereisten

  • 1.

    In of bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het stads- of dorpsgezicht;

    • b.

      een situatietekening voorzien van een noordpijl, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; 

    • c.

      plattegronden en doorsnedetekeningen met bestaande en nieuwe situatie waarbij de verschillen/ ingrepen duidelijk gemarkeerd zijn, inclusief hun exacte locatie en omvang.

  • 2.

    Tekeningen, bedoeld in dit artikel, hebben een schaal die niet kleiner is dan: 

    • a.

      1:2000, als het gaat om een situatietekening; 

    • b.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en 

    • c.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 6.35 Vergunningvoorschriften

Met het oog op het in artikel 6.29, derde lid, bedoelde belang kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 7 HET AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN EEN GEMEENTEWEG, WATERSCHAPSWEG OF LOKALE SPOORWEG, OF HET WIJZIGEN VAN GEBRUIK VAN EEN LOKALE SPOORWEG (GELUIDSBEOORDELING)

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van:

    • a.

      de aanleg of wijziging van verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verwachte verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde;

    • b.

      de aanleg of wijziging van lokale spoorwegen, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en

    • c.

      de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.

  • 2.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 

  • 3.

    Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. 

  • 4.

    In afwijking van het derde lid geldt dit hoofdstuk ook ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.

Artikel 7.2 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.

Artikel 7.3 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw:  op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van
    dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.

Artikel 7.4 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigingen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of het gebruik van een lokale spoorweg

Het is verboden zonder omgevingsvergunning: 

  • a.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg aan te leggen;

  • b.

    een verharde gemeenteweg of waterschapsweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:

    • 1.

      het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; 

    • 2.

      het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; 

    • 3.

      een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;

    • 4.

      het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of 

    • 5.

      het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. 

  • c.

    een lokale spoorweg aan te leggen; 

  • d.

    een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging bestaat uit:

    • 1.

      het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m; 

    • 2.

      het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m; 

    • 3.

      een toename van het aantal sporen;

    • 4.

      het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of 

    • 5.

      het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg; of

  • e.

    het gebruik van een lokale spoorweg te wijzigen, voor zover die wijziging leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door:

    • 1.

      het verhogen van de maximumrijsnelheid;

    • 2.

      het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of

    • 3.

      het verhogen van de treinintensiteit, waaronder in elk geval ook wordt verstaan de intensiteit van (snel)tram of metro.

Artikel 7.5 Beoordelingsregels 

  • 1.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, wordt alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3; en

    • b.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

  • 2.

    De beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, heeft uitsluitend betrekking op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt, of vanwege de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg komt te liggen, in het geluidaandachtsgebied van de weg of lokale spoorweg waarop de voorgenomen omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft. 

  • 3.

    Bij de beoordeling of het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is blijft buiten beschouwing: 

    • a.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • b.

      het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.

Artikel 7.6 Omgevingsplanactiviteit (spoor)weg aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde

  • 1.

    Het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen is aanvaardbaar als het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 7.6.

    Tabel 7.6: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Standaardwaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    50 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    53 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    55 Lden

    Industrieterreinen

    50 Lden

    40 Lnight

  • 2.

    Artikel 5.78m, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.7 Wijziging van een (spoor)weg en wijziging gebruik ook aanvaardbaar als het geluid niet toeneemt

Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (spoor)weg betrekking heeft op een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of een lokale spoorweg, is het geluid ook aanvaardbaar als het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen na de wijziging niet hoger zal zijn dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging.

Artikel 7.8 Overschrijding van de standaardwaarde of toename

  • 1.

    Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6 of de heersende waarde, bedoeld in artikel 7.7, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: 

    • a.

      geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de in artikel 7.6 en 7.7 bedoelde waarden te voldoen;

    • b.

      de overschrijding van de hoogste van de in artikel 7.6 en 7.7 bedoelde waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en

    • c.

      het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 7.8, zoals opgenomen in het tweede lid.

    Tabel 7.8: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

    Geluidbronsoort

    Grenswaarde

    Provinciale wegen en rijkswegen

    65 Lden

    Gemeentewegen en waterschapswegen

    70 Lden

    Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen

    70 Lden

    Industrieterreinen

    60 Lden

    50 Lnight

  • 2.

    Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

  • 3.

    Artikel 5.78n, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.9 Overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen

  • 1.

    Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen'.

  • 2.

    Wanneer het geluid op een gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, onder c, kan het geluid aanvaardbaar zijn wanneer zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

Artikel 7.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

  • 1.

    Bij de toepassing van de artikel 7.8 en 7.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een
      militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 7.11 Bepalen van gezamenlijk geluid

Bij de toepassing van artikel 7.8 en 7.9 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 7.4, vastgelegd. 

Artikel 7.12 Vergunningvoorschriften

Aan een in artikel 7.4 bedoelde omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen. 

Artikel 7.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

Bij een aanvraag om een in artikel 7.4 bedoelde omgevingsvergunning worden in elk geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar: 

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden; 

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; 

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen; 

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende geluidbeperkende maatregelen  om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; 

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; 

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 7.6, of toeneemt ten opzichte van de heersende waarde bedoeld in artikel 7.7, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • d.

    bij een aanvraag waarop artikel 7.9 van toepassing is: een beschrijving van de zwaarwegende belangen waarop een beroep wordt gedaan. 

Hoofdstuk 8 KOSTENVERHAAL 

Afdeling 8.1 Algemeen

Artikel 8.1 Kostenverhaalsbijdrage

Bij de aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een situatietekening, plattegronden, gevels en doorsneden van de bestaande toestand en de nieuwe toestand; en

  • d.

    gegevens en bescheiden welke samenhangen met de toetsing aan de regels voor het kostenverhaalsgebied.

Afdeling 8.2 Kostenverhaalsgebieden met een tijdvak [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Afdeling 8.3 Kostenverhaalsgebieden zonder tijdvak [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 9 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Afdeling 9.1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 9.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten. 

Artikel 9.2 Voorrangsbepaling

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.

Artikel 9.3 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen;

    • 4.

      het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; en

  • d.

    het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Artikel 9.4 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.3, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 

Artikel 9.5 Maatwerk

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk. 

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, tenzij elders in dit hoofdstuk anders bepaald. Van de artikelen 9.39.4 en 9.12 kan niet worden afgeweken.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in artikel 9.3.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met  het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Artikel 9.6 Gegevens op verzoek

  • 1.

    Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in dit hoofdstuk, waaronder een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten en processen en een situatieschets van de activiteit en de lozingspunten; 

    • b.

      die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 9.7  Informeren bij ongewoon voorval

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid geldt niet voor ongewone voorvallen bij:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen, met uitzondering van activiteiten waarop afdeling 9.2 van toepassing is.

Artikel 9.8 Zelfstandige informatieplicht bij aanvraag omgevingsvergunning Bal-mba

  • 1.

    Als een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving wordt informatie verstrekt over de gevolgen van de activiteit op het gebied van geluid, geur en trilling en de maatregelen en voorzieningen die kunnen worden getroffen om deze gevolgen te voorkomen of beperken.

  • 2.

    De verstrekte informatie is voldoende om de beoordeling of wordt voldaan aan de regels van dit hoofdstuk, bedoeld in artikel 8.9, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, te kunnen maken.

  • 3.

    De informatie wordt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag verstrekt aan het bevoegd gezag dat beslist op de aanvraag.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op informatie die verstrekt moet worden op grond van artikel 7.27 van de Omgevingsregeling.

Artikel 9.9 gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 9.2 MILIEUREGELS, ANDERS DAN LOZEN OF BODEMBEHEER

Paragraaf 9.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 9.10 Toepassingsbereik
  • 1.

    Afdeling 9.2 is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 9.1, met uitzondering van: 

    • a.

      activiteiten bij wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening;

      • 2.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of

      • 3.

        dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in artikel 9.539.54 of 9.55

    • f.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;

    • g.

      lozingen;

    • h.

      graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen; en

    • i.

      milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

      • 1.

        rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

      • 2.

        elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder a, is afdeling 9.2 wel van toepassing op het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is artikel 9.203 van overeenkomstige toepassing voor zover propaan of propeen in een opslagtank wordt opgeslagen bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, onder i, is artikel 9.205 van overeenkomstige toepassing op milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen.

Artikel 9.11 Gelijkstelling industrieterrein Wet geluidhinder

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld ook verstaan een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat de gemeenteraad, respectievelijk provinciale staten, op grond van artikel 2.11a van de wet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld, respectievelijk op grond van artikel 2.12, derde lid, van de wet bij besluit als omgevingswaarden geluidproductieplafonds hebben vastgesteld rondom dat industrieterrein, en dat besluit in werking is getreden.

Artikel 9.12 Concretisering specifieke zorgplicht 
  • 1.

    De plicht, bedoeld in artikel 9.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 9.10 in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; 

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; 

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    De plicht, bedoeld in artikel 9.4, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; 

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.13 Bebouwingscontour geur [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 9.14 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.15 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.16 gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.2.2 Activiteit-overstijgende milieuaspecten

Subparagraaf 9.2.2.1 Energiebesparing [gereserveerd]
Artikel 9.17 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.18 Gereserveerd 

[Gereserveerd]

Artikel 9.19 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.20 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.21 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.22 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.2.2 Zwerfafval
Artikel 9.23 Opruimen zwerfafval 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Artikel 9.24 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.2.3 Geluid
Subsubparagraaf 9.2.2.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 9.25 Toepassingsbereik

Subparagraaf 9.2.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10, met uitzondering van: 

  • a.

    het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    het geluid van spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg, voor zover met dat geluid het geluidproductieplafond met toepassing van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving reeds is gewijzigd;

  • c.

    windturbines;

  • d.

    bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.

Artikel 9.26 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit 

Onverminderd artikel 9.10 worden voor de toepassing van subparagraaf 9.2.2.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      beschrijving van de aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die   is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 9.28 Onderzoek en toezenden rapport

  • 1.

    In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • c.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • d.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; 

    • e.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; 

    • f.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en

    • g.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. 

  • 3.

    Er wordt ook een geluidonderzoek verricht als de volgende activiteiten worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld:

    • a.

      het gelijktijdig in gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijk vermogen buiten beschouwing blijven:

      • 1.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder;

      • 2.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren die tijdelijk aanwezig zijn;

      • 3.

        elektromotoren die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie voor dat gebouw worden gebruikt; en

      • 4.

        elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; en

    • b.

      het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer.

  • 3.

    Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 en 3 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag. 

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing als artikel 9.8 van toepassing is.

Artikel 9.29 Onderzoek op verzoek

  • 1.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan voorschrijven dat een geluidonderzoek wordt verricht. 

  • 2.

    In het maatwerkvoorschrift wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 9.28,  vierde lid.

Artikel 9.30 Verstrekken gegevens bij gewijzigde uitvoering van een activiteit 

  • 1.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in artikel 9.28 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij activiteiten ten aanzien waarvan op grond van artikel 9.29 onderzoek is verzocht.

Artikel 9.31 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.

    • c.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in subsubparagraaf 9.2.2.3.2 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

Artikel 9.32 Maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in deze subparagraaf, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing. 

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 9.33 Meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze subparagraaf, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 9.34 Vergunningplicht voor elektro- of verbrandingsmotoren en transformatoren

  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c van het Besluit kwaliteit leefomgeving te verrichten buiten een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafons als omgevingswaarden zijn vastgesteld. 

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: 

    • a.

      het geluid door die activiteit op 50 meter afstand van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht niet hoger is dan de waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedoeld in tabel 9.42.a; en

    • b.

      er geen significante geluidhinder wordt veroorzaakt op of in een geluidgevoelig gebouw. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met onderdeel 9.2.2.3.2 van dit omgevingsplan en paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 9.35 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.36 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.2.3.2 Geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen

Artikel 9.37 Toepassingsbereik

  • 1.

    Subsubparagraaf 9.2.2.3.2 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 niet van toepassing: 

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; 

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Voor de toepassing van subsubparagraaf 9.2.2.3.2 wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder, zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet als gevel werd beschouwd; 

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 9.38 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.37tweede lid, onder b, is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.37 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: 

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en 

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 9.39 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte. 

Artikel 9.40 Functionele binding 

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 9.41 Voormalige functionele binding geluid

  • 1.

    De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid op of in een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'voormalige functionele binding - geluid' voor zover het gaat om geluid door een activiteit die eerder met dat geluidgevoelig gebouw functioneel verbonden was.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid zijn bij een agrarische activiteit de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 9.42 Reguliere waarde

  • 1.

    Het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 9.42.a.

    Tabel 9.42.a waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    65 dB(A)

    65 dB(A)

  • 2.

    Het geluid door een activiteit in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 9.42.b. 

    Tabel 9.42.b waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    55 dB(A)

    55 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    45 dB(A)

    45 dB(A)

Artikel 9.43 Maximaal geluidniveau binnen een in- of aanpandige woning in de avondperiode – eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.42, tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw veroorzaakt door andere piekgeluiden dan aandrijfgeluid van transportmiddelen niet hoger dan 50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00.

Artikel 9.44 Maximaal geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op:

    • a.

      afvalpunten;

    • b.

      handelingen met metaalschroot en autowrakken;

    • c.

      onderhoud, reparatie en bouw van schepen;

    • d.

      steigerverhuurbedrijven;

    • e.

      tankstations, anders dan bedoeld in artikel 9.49.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.42, eerste lid is het maximaal geluidniveau LAmax  op een geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 70 dB(A).

  • 3.

    Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Artikel 9.45 Maximaal geluidniveau binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw in dagperiode bij aangewezen activiteiten

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op:

    • a.

      detailhandel;

    • b.

      sportscholen;

    • c.

      onderhoud en reparatie van gemotoriseerde voertuigen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.42, tweede lid is het maximaal geluidniveau LAmax  in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 55 dB(A).

  • 3.

    Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Artikel 9.46 Waarde aangewezen bedrijventerreinen

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 9.42, eerste lid, geldt dat het geluid door een activiteit die wordt verricht ter plaatse van de aanduiding 'bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde' op een geluidgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde', niet hoger is dan de waarde, bedoeld in tabel 9.46

    Tabel 9.46 waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten op een aangewezen bedrijventerrein

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A) 

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    75 dB(A)

    75 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    70 dB(A)

    70 dB(A)

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger is dan de waarde, bedoeld in tabel 9.46

Artikel 9.47 Waarde agrarisch gebied 

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm' geldt in afwijking van het bepaalde in artikel 9.42, eerste lid dat het geluid door een activiteit die ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm' wordt verricht, op een geluidgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm' niet hoger is dan de waarde, bedoeld in tabel 9.47.

    Tabel 9.47 waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten in agrarisch gebied

     

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 23.00 uur 

    23.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 

    45 dB(A) 

    40 dB(A) 

    35 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    -

    65 dB(A)

    65 dB(A)

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt op een locatie anders dan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm' dat het geluid door een activiteit, waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de waarde, bedoeld in tabel 9.47.

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: 

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • b.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur.

Artikel 9.48 Waarde agrarisch gebied - eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.47, eerste lid, in samenhang met tabel 9.47, eerste rij, en het tweede lid van dat artikel, is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, en die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde bedoeld in tabel 9.48.a, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

    Tabel 9.48.a waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door bestaande agrarische activiteiten 

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur 

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 

    45 dB(A)

    40 dB(A) 

    35 dB(A)

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.47, eerste lid, in samenhang met tabel 9.47, derde rij, is het maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden dan aandrijfgeluid van transportmiddelen bij een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, en die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan 70 dB(A) tussen 6.00 en 7.00, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9.42, tweede lid, in samenhang met tabel 9.42.b, eerste rij, is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT  door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, en die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde bedoeld in tabel 9.48.b, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

    Tabel 9.48.b waarde voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, door een bestaande agrarische activiteit 

     

    06.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur 

    22.00 - 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 

    35 dB(A)

    30 dB(A) 

    25 dB(A)

  • 4.

    In afwijking van artikel 9.42, tweede lid, in samenhang met tabel 9.42.b, derde rij, en in afwijking van artikel 9.43, is het maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden dan aandrijfgeluid van transportmiddelen bij een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, en die rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde bedoeld in tabel 9.48.c, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

    Tabel 9.48.c waarde voor maximaal geluidniveau in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, door een bestaande agrarische activiteit 

     

    06.00 - 07.00

    07.00 - 19.00 uur

    19.00 - 22.00 uur 

    22.00 - 06.00 uur

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    55 dB(A)

    50 dB(A) 

    45 dB(A)

  • 5.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het tweede en vierde lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: 

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • b.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur.

Artikel 9.49 Waarde bestaande tankstations

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.42 is het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden dat rechtmatig plaatsvond op het moment dat deze bepaling in werking trad, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 9.49, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling.

    Tabel 9.49 waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 -21.00 uur

    21.00 - 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

    70 dB(A)

    70 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 9.50 Waarde industrieterrein

Als een activiteit wordt verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in artikel 9.42, eerste lid, en artikel 9.49, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Artikel 9.51 Waarde woonschepen

  • 1.

    Voor een woonschip ter plaatse van de aanduiding 'woonschip - afwijkende geluidsnorm' is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden bedoeld in artikel 9.42, eerste lid, artikel 9.47 en 9.49, eerste lid.

  • 2.

    Voor zover de aanduiding 'woonschip - afwijkende geluidsnorm' ontbreekt, is het eerste lid eveneens van toepassing als de locatie van het woonschip voor 1 juli 2012:

    • a.

      voor een woonschip was bestemd; of

    • b.

      in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en voor 1 juli 2022 voor een woonschip was bestemd.  

Artikel 9.52 Maatwerkvoorschrift voor niet-representatief geluid 

  • 1.

    De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 9.42 tot en met 9.51, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten, anders dan festiviteiten of andere evenementen bedoeld in artikel 9.54 en 9.55, andere waarden kan vaststellen. 

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.25 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift activiteiten aanwijzen waarop de waarden, bedoeld in de artikelen 9.42 tot en met 9.51 niet van toepassing zijn.  

  • 3.

    Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan het bevoegd gezag in ieder geval voorschriften stellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

Artikel 9.53 Uitzondering geluidwaarden op Koningsdag

De waarden als bedoeld in de artikelen 9.42 tot en met 9.51 zijn niet van toepassing op Koningsdag voor horeca-, sport- of recreatiebedrijven. 

Artikel 9.54 Maatwerkvoorschrift voor festiviteiten bij horeca

  • 1.

    Met een maatwerkvoorschrift kan van de waarden als bedoeld in artikelen 9.42 tot en met 9.51 worden afgeweken voor ten hoogste twee dagen of delen van dagen per kalenderjaar ten behoeve van incidentele festiviteiten en andere evenementen binnen een horecabedrijf. Een festiviteit of ander evenement die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 2.

    De aanvraag om een maatwerkvoorschrift kan geweigerd worden indien de naleving van regelgeving door de exploitant  met betrekking tot de betreffende horecazaak hiertoe aanleiding geeft. 

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de aard en omvang van de voorgenomen festiviteit of ander evenement;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal beginnen; 

    • c.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal eindigen.

  • 4.

    In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

Artikel 9.55 Maatwerkvoorschrift voor festiviteiten bij sport- en recreatiebedrijven 

  • 1.

    Met een maatwerkvoorschrift kan van de waarden als bedoeld in artikelen 9.42 tot en met 9.51 worden afgeweken voor ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen per kalenderjaar ten behoeve van incidentele festiviteiten of andere evenementen binnen een sport- of recreatiebedrijf. Een festiviteit of ander evenement die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 2.

    Het maatwerkvoorschrift wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:

    • a.

      aard en omvang van de festiviteit;

    • b.

      aard, omvang en situering van de locatie waar de festiviteit of ander evenement plaats vind; 

    • c.

      plaatselijke omstandigheden;

    • d.

      cumulatie met andere festiviteiten en evenementen;

    • e.

      eventueel eerder veroorzaakte overlast.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid worden  de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de aard en omvang van de voorgenomen festiviteit of ander evenement;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal beginnen; 

    • c.

      de datum en het tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of ander evenement zal eindigen.

  • 4.

    Als er een redelijk vermoeden bestaat dat de festiviteit waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt aangevraagd, ernstige geluidhinder voor de omgeving zal veroorzaken, dan wordt de aanvrager binnen een daarbij te stellen redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om akoestische informatie te verstrekken waaruit blijkt in welke mate geluidhinder zal optreden en welke maatregelen worden en kunnen worden getroffen om de geluidhinder te beperken.

  • 5.

    In het maatwerkvoorschrift kunnen voorschriften gesteld worden die nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

Artikel 9.56 Voorrangsbepaling festiviteiten

De artikelen 9.53 tot en met 9.55 blijven buiten toepassing zolang artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening nog niet is komen te vervallen. 

Artikel 9.57 Geluid en bedrijfswoningen van derden - overgangsrecht

Voor een activiteit waarop artikel 22.69 van dit omgevingsplan, zoals dat op grond van het Invoeringsbesluit Omgevingswet op 1 januari 2024 van toepassing was geworden, blijft dat artikel gelden gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel.

Artikel 9.58 Onversterkte muziek - overgangsrecht

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in subparagraaf 9.2.2.3 blijft het geluid van het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel voor zover het ten gehore brengen van onversterkte muziek deel uitmaakte van een activiteit op het moment dat dit artikel in werking trad.

Artikel 9.59 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.60 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.61 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.62 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.63 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.64 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.2.3.3 Geluidregels ter beheersing van geluidemissie (reservering)

Artikel 9.65 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.66 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.67 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.68 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.69 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.70 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.71 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.72 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.2.4 Trillingen
Artikel 9.73 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10 in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op een locatie is toegelaten. 

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit als bedoeld in het eerste lid: 

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en 

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 

Artikel 9.74 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

In afwijking van artikel 9.73, tweede lid, onder b, is deze subparagraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 9.75 Meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen. 

Artikel 9.76 Functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 

Artikel 9.77 Voormalige functionele binding trilling 
  • 1.

    De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'voormalige functionele binding - trilling' voor zover het gaat om trilling door een activiteit die eerder met dat trillinggevoelig gebouw functioneel verbonden was. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid zijn bij een agrarische activiteit de waarden voor trilling niet van toepassing op of in een trillinggevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 9.78 Waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 9.78

    Tabel 9.78 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Waarden 

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 9.78

Artikel 9.79 Waarden voor herhaald voorkomende trillingen 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 9.79

    Tabel 9.79 Waarde voor herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Waarden 

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,2

    0,2

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,8

    0,4

    A3 trillingssterkte Vper

    0,1

    0,1

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 9.79.

Artikel 9.80 Meet- en rekenbepalingen 

Op het bepalen van trillingen als bedoeld in deze paragraaf is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 9.81 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.82 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.2.5 Geur
Subsubparagraaf 9.2.2.5.1 Algemene geurregels ter bescherming van geurgevoelige gebouwen

Artikel 9.83 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in artikel 9.10 op een geurgevoelig gebouw

Artikel 9.84 Geurgevoelige gebouwen

Onder een geurgevoelig gebouw wordt verstaan:

  • a.

    een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:

    • 1.

      woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 2.

      onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 3.

      gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

    • 4.

      bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

  • b.

    een ander gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat volgens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt. 

Artikel 9.85 Voorkomen of beperken van geurhinder

  • 1.

    Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

  • 2.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag, indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, in een maatwerkvoorschrift kan voorschrijven dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.

  • 3.

    Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan, voor zover relevant, onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      de bestaande toetsingskaders, waaronder provinciaal en gemeentelijke beleid;

    • b.

      de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen;

    • c.

      de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit;

    • d.

      de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;

    • e.

      de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en

    • f.

      de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.

  • 4.

    De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:

    • a.

      geuremissiewaarden kan vaststellen;

    • b.

      kan bepalen dat geur een bepaalde waarde ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet overschrijdt, of

    • c.

      kan bepalen dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 5.

    Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder als bedoeld in dit artikel worden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in subparagraaf 9.2.3.1 de daarin genoemde waarden en afstanden in acht genomen. 

Artikel 9.86 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.87 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.2.5.2 Geurregels ter beheersing van geuremissie [gereserveerd]

Artikel 9.88 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.89 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.90 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.91 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.92 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.93 (gereserveerd)

[Gereserveerd]

Artikel 9.94 Meet- en rekenvoorschrift [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.2.3 Regels voor specifieke activiteiten

Subparagraaf 9.2.3.1 Specifieke geurregels voor aangewezen agrarische activiteiten
Subsubparagraaf 9.2.3.1.1 Algemene bepalingen 

Artikel 9.95 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door de volgende activiteiten:

    • a.

      het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony´s voor het berijden in een dierenverblijf als bedoeld in subsubparagraaf  9.2.3.1.2; en

    • b.

      overige agrarische activiteiten als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.1.3.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten.

Artikel 9.96 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.95, tweede lid, is deze subparagraaf ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.95, eerste lid, is deze subparagraaf niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de wet.

Artikel 9.97 Waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden en de afstanden, bedoeld in deze subparagraaf gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig gebouw: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en 

  • c.

     in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 9.98 Functionele binding 

Deze subparagraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met die activiteit. 

Artikel 9.99 Voormalige functionele binding geur

  • 1.

    Bij een activiteit bedoeld in artikel 9.95 is deze subparagraaf niet van toepassing op een geurgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'voormalige functionele binding - geur' voor zover het gaat om geur veroorzaakt door een activiteit die eerder met dat geurgevoelig gebouw functioneel verbonden was.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing bij een activiteit bedoeld in artikel 9.95 op of in een geurgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 9.100 Maatwerk vanwege cumulatie

De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag in afwijking van de waarden en afstanden als bedoeld in deze subparagraaf andere waarden en afstanden kan vaststellen vanwege cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Artikel 9.101 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.102 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.1.2 Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf

Artikel 9.103 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het in een dierenverblijf houden van: 

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 9.104 Vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze subsubparagraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.105 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    De geur op een geurgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur' en daarbuiten door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 9.105

    Tabel 9.105 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig gebouw 

    Waarde

    Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    2,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur' 

    8,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, geldt het daar bepaalde ook ter plaatse van de bebouwde kom. 

Artikel 9.106 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden 

  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 9.105, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 9.105, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: 

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en 

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen. 

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 9.105, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 9.107 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige gebouwen 

Artikel 9.105, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 9.107, tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

  • a.

    een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met  een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten;

  • d.

    een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 9.107 Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

100 m

Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

50 m

Artikel 9.108 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

De afstand bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, tot een geurgevoelig gebouw is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.108.

Tabel 9.108 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig gebouw

Afstand

Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

100 m

Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

50 m

Artikel 9.109 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

  • 1.

    Artikel 9.108 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de afstanden bedoeld in tabel 9.109.

    Tabel 9.109 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden – bestaande rechtmatige situatie

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    50 m

    Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    25 m

Artikel 9.110 Landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf 

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 9.105 tot en met 9.109 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.110.

    Tabel 9.110 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    50 m

    Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.104 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 9.111 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 9.110, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen; 

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 9.112 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 9.110, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

Artikel 9.113 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.114 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.1.3 Geur door andere aangewezen agrarische activiteiten

Artikel 9.115 Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: 

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden; 

    • b.

      champost; of 

    • c.

      dikke fractie. 

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand bij het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.115.

    Tabel 9.115 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    50 m

Artikel 9.116 Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand 

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand bij het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.116.

    Tabel 9.116 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong 

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingscontour geur'

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de aanduiding ‘bebouwingscontour geur’

    50 m

Artikel 9.117 Opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen:

    • a.

      bij een veehouderij als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving of bij een loonwerkbedrijf als bedoeld in artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      bij andere activiteiten als er sprake is van: 

      • 1.

        het opslaan van kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3 ; of

      • 2.

        het opslaan van vaste bijvoedermiddelen volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.117.

    Tabel 9.117 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 9.118 Opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder mestbassin tevens een mestkelder verstaan die niet onder een dierenverblijf ligt. 

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin,  vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.118.

    Tabel 9.118 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie in een mestbassin

    Afstand

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving 

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving 

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 9.119 Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.119.

    Tabel 9.119 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur’

    50 m

Artikel 9.120 Composteren of opslaan van groenafval: afstand 

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 9.120.

    Tabel 9.120 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig gebouw gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    100 m

    Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    50 m

Artikel 9.121 Overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 9.115, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 9.116, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 9.117, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 9.120, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 9.115, derde lid, 9.116, tweede lid, 9.117, derde lid, of 9.120, derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 9.118, eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 9.118, eerste lid, en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 9.118, tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 9.115, derde lid, 9.116, tweede lid, 9.117, derde lid, 9.118, tweede lid, of 9.120, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

Artikel 9.122 Opslaan vaste mest – overig

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van anders dan landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op een locatie; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest:

    • a.

      in een afgesloten voorziening opgeslagen en minimaal eens per twee weken afgevoerd; of

    • b.

      opgeslagen op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig gebouw.

Artikel 9.123 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.124 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.125 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.2 Milieuregels bij houden van dieren en telen van gewassen, anders dan geur
Subsubparagraaf 9.2.3.2.1 Opslaan van vaste mest

Artikel 9.126 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op een plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 9.127 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.126 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten.

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.128 Bodem: opslag

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 9.129 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 9.130 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.2.2 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 9.131 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 9.132 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.131 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.133 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 9.134 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 9.135 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.2.3 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 9.136 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 9.137 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.136 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.138 Bodem: bodembeschermende voorziening 

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 9.139 Bodem: logboek 

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 9.140 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.3 Activiteiten m.b.t. voedingsmiddelen
Subsubparagraaf 9.2.3.3.1 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 9.141 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met: 

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Artikel 9.142 Gegevens en bescheiden 

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.141 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen, waaronder in ieder geval de maximale verwerkingscapaciteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de emissiepunten naar de buitenlucht; 

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 aangegeven waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 9.143 Geur

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: 

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: 

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

Artikel 9.144 Niet-industriële voedselbereiding - overgangsrecht geur

  • 1.

    Artikel 9.143 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing als:

    • a.

      het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare; en

    • b.

      die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht direct voorafgaan aan de inwerkingtreding van dit artikel. 

  • 2.

    Artikel 9.143 is gedurende drie jaar vanaf het in werking treden van dit artikel niet van toepassing als:

    • a.

      voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • b.

      de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

    • c.

      de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 9.145 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.146 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.147 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.148 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.3.2 Voedingsmiddelenindustrie 

Artikel 9.149 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit bij de voedingsmiddelenindustrie, als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 9.150 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit 

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 9.149 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Bij het stellen van het maatwerkvoorschrift is artikel 9.85 van overeenkomstige toepassing. In het maatwerkschrift kunnen voorschriften worden opgenomen om een aanvaardbaar geurklimaat te borgen.

Artikel 9.151 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.149, wordt aan het bevoegd gezag een onderbouwing verstrekt hoe voldaan kan worden aan het bepaalde in artikel 9.150.

  • 2.

    Indien de activiteit wijzigt en door de wijziging een afwijking ontstaat van de situatie die is beschreven in de onderbouwing bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt de gewijzigde onderbouwing verstrekt aan het bevoegd gezag. 

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien onvoldoende aannemelijk is dat aan artikel 9.150 wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.

  • 4.

    Een geuronderzoek als bedoeld in het derde lid wordt uitgevoerd overeenkomstig NTA 9065.

Artikel 9.152 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.3.3 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 9.153 Toepassingsbereik 

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 9.154 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.153 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

       informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.155 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

  • a.

    wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

  • b.

    worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • 1.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • 2.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie. 

Artikel 9.156 Geur slachten van dieren - overgangsrecht

Artikel 9.155 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als: 

  • a.

    voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

  • c.

    de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 9.157 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. 

Artikel 9.158 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 9.159 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 9.160 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; 

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; 

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 9.161 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.162 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. 

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 9.163 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, geïnformeerd over de begindatum. 

  • 2.

    Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum. 

Artikel 9.164 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. 

Artikel 9.165 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.4 Opwekken van elektriciteit met een windturbine
Subsubparagraaf 9.2.3.4.1 Geluid door windturbines

Artikel 9.166 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine op een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subsubparagraaf niet van toepassing:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar;

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 4.

    Voor de toepassing van deze subsubparagraaf wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd;

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

Artikel 9.167 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.166derde lid, onder b, is deze subsubparagraaf is ook van toepassing op het geluid door een windturbine op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.166 is deze subsubparagraaf niet van toepassing op het geluid door een windturbine op en in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      die activiteit die al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 9.168 Schakelbepaling

De artikelen 9.26 en 9.39 tot en met 9.41 zijn van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 9.169 Geluid: waarden windturbines 

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 9.170 Registratie gegevens windturbines 

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 9.171 Onderzoek en toezenden rapport

  • 1.

    Er wordt een geluidonderzoek verricht.

  • 2.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in artikel 9.169; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

  • 3.

    In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in 9.166 wordt het rapport van een geluidonderzoek, verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.172 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 9.169, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 9.173 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.174 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.175 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.4.2 Slagschaduw en lichtschittering door een windturbine

Artikel 9.176 Toepassingsbereik 

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt. 

  • 2.

    Deze subsubparagraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze subsubparagraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 9.177 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking 

  • 1.

    In afwijking van artikel 9.176, tweede lid, is deze subsubparagraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.176, eerste lid, is deze subsubparagraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar dat mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 9.178 Slagschaduw: stilstandvoorziening 

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf keer de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: 

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 9.179 Slagschaduw: functionele binding 

Artikel 9.178 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die windturbine.

Artikel 9.180 Slagschaduw: voormalige functionele binding 

  • 1.

    Artikel 9.178 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine bij een activiteit in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'voormalige functionele binding - slagschaduw' voor zover het gaat om slagschaduw door een windturbine bij een activiteit die eerder met dat slagschaduwgevoelig gebouw functioneel verbonden was.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid is bij een agrarische activiteit artikel 9.178 niet van toepassing op of in een slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden.

Artikel 9.181 Lichtschittering: beperken van reflectie 

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 9.182 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Artikel 9.183 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.184 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.5 Exploiteren van een zuiveringtechnisch werk [gereserveerd]
Artikel 9.185 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.186 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.187 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.188 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.189 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.190 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.191 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.192 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.193 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.194 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.195 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.196 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.197 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.198 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.199 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.200 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.201 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.202 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.6 Activiteiten met risico voor de omgeving
Artikel 9.203 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l en met een maximum van 13 m3

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, onder e en g, 8.10a en 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 9.204 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, onder e en g, 8.10a en 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 9.205 Verbod start activiteit met risico
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit die: 

    • a.

      in bijlage VII, onderdeel A, B of E bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangewezen; en

    • b.

      die conform die bijlage een brand- of explosieaandachtsgebied heeft. 

  • 2.

    Het verrichten van een nieuwe activiteit of wijzigen van een bestaande activiteit is uitsluitend toegestaan indien: 

    • a.

      het brand- en explosieaandachtsgebied van de activiteit past in een aangewezen brand-, respectievelijk explosievoorschriftengebied; of

    • b.

      ter plaatse van het brand- en explosieaandachtsgebied van de activiteit is afgezien van het aanwijzen van een voorschriftengebied op grond van artikel 5.14, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 9.206 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.7 Overige activiteiten
Subsubparagraaf 9.2.3.7.1 In werking hebben van een acculader 

Artikel 9.207 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat. 

Artikel 9.208 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 9.209 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening 

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Subsubparagraaf 9.2.3.7.2 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht 

Artikel 9.210 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. 

Artikel 9.211 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.210 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de terreinverlichting;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de hoogte van de terreinverlichting;

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.212 Licht, maatwerkvoorschriften 

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld: 

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en 

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op Koningsdag.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift kan ten hoogste twaalf dagen per kalenderjaar afgeweken worden van het bepaalde in het eerste lid voor de viering van incidentele festiviteiten en activiteiten. 

  • 4.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het derde lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

  • 5.

    Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid wordt uitsluitend gesteld voor zover dit geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken:

    • a.

      aard en omvang van de festiviteit of activiteit;

    • b.

      aard, omvang en situering van de locatie waar de festiviteit of activiteit plaats vind; 

    • c.

      plaatselijke omstandigheden;

    • d.

      cumulatie met andere festiviteiten en evenementen;

    • e.

      eventueel eerder veroorzaakte overlast.

  • 6.

    Het bevoegd gezag kan in het maatwerkvoorschrift voorschriften opnemen die naar hun oordeel nodig zijn met het oog op het in stand houden van een goede leefomgevingskwaliteit.

  • 7.

    Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de datum en tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of activiteit zal beginnen;

    • b.

      de datum en tijdstip waarop de voorgenomen festiviteit of activiteit zal eindigen.

  • 8.

    De leden 2 tot en met 7 blijven buiten toepassing zolang artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 nog niet is komen te vervallen. 

Artikel 9.213 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subsubparagraaf 9.2.3.7.3 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage 

Artikel 9.214 Toepassingsbereik

Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 9.215 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

    • c.

      een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.216 Lucht en geur: afvoeren emissies

Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

  • a.

    worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

  • b.

    wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

  • c.

    bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

Artikel 9.217 Lucht en geur parkeergarage - overgangsrecht

Artikel 9.216 is gedurende drie jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing op een activiteit als:

  • a.

    voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

  • c.

    de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 9.218 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.8 Overige vergunningplichtige activiteiten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels 
Artikel 9.219 Vergunningplicht verwerken polyesterhars 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen. 

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 9.220 Vergunningplicht gesloten bodemenergiesysteem 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of 

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer. 

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt en de buitenrand van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; 

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

Artikel 9.221 Vergunningplicht kweken van maden van vliegende insecten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 9.222 Vergunningplicht antihagelkanonnen 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies; 

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en 

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 9.223 Vergunningplicht biologische agens 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia; 

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en 

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 9.224 Vergunningplicht genetisch gemodificeerde organismen 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013, te verrichten. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of 

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of artikel 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is; 

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 9.225 Vergunningplicht opslaan dierlijke meststoffen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins en mestkelders die niet onder een dierenverblijf of voormalige dierenverblijf zijn gelegen, met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan. 

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins en mestkelders; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 9.226 Vergunningplicht buitenschietbanen en militaire springterreinen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buitenschietbaan of een militair springterrein op een militair terrein te exploiteren. 

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het exploiteren van een buitenschietbaan verstaan het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten, anders dan traditioneel schieten bedoeld in artikel 9.231; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 9.227 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen milieu 
  • 1.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in deze subparagraaf, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op artikel 9.219 en artikel 9.220

Artikel 9.228 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 9.39.4 en 9.12.

Artikel 9.229 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.2.3.9 Overige activiteiten: meldingsplicht
Artikel 9.230 Melding recreatieve visvijver
  • 1.

    Het is verboden om een recreatieve visvijver te exploiteren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    De melding bevat: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 3.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan
    overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.231 Melding traditioneel schieten
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

  • 2.

    Het is verboden om de activiteit bedoeld in het eerste lid te verrichten zonder dit ten minste acht weken voor het begin ervan te melden. 

  • 3.

    De melding bevat: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 4.

    Ten minste acht weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan
    overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.232 gereserveerd

[Gereserveerd]

Afdeling 9.3 LOZEN OP HET RIOOL EN OP OF IN DE BODEM

Paragraaf 9.3.1 Lozen bij wonen

Artikel 9.233 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen bij wonen.

Artikel 9.234 Concretisering oogmerken
  • 1.

    Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 9.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

    • a.

      het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • b.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

    • d.

      het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

    • e.

      het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

  • 2.

    De zorgplicht bedoeld in artikel 9.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.235 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

  • 2.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 3.

    Huishoudelijk afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op of in de bodem.

  • 5.

    Een omgevingsvergunning voor het lozen op de bodem als bedoeld in het vierde lid wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 6.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het vierde lid worden voorschriften verbonden ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 9.3 en 9.234.

  • 7.

    Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vierde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten. 

Artikel 9.236 Verbod lozen bij voedselrestvermaling

Huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer dat voedselresten bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 9.237 Lozen van huishoudelijk afvalwater: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 9.235 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of 

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 

Artikel 9.238 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.239 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.240 gereserveerd

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.3.2 Lozen anders dan bij wonen

Subparagraaf 9.3.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 9.241 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen anders dan bij wonen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis, tenzij het uitoefenen ervan uitsluitend uit administratieve werkzaamheden bestaat, en op andere activiteiten met een bedrijfsmatige omvang.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als het lozen onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen.

Artikel 9.242 Concretisering oogmerken
  • 1.

    Bij het lozen wordt onder het beschermen van het milieu bedoeld in artikel 9.3 in het bijzonder ook verstaan het doelmatig beheer van afvalwater, waarbij rekening wordt gehouden met:

    • a.

      het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • b.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

    • d.

      het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; of

    • e.

      het voorkomen en beperken van verontreiniging van het grondwater.

  • 2.

    De zorgplicht bedoeld in artikel 9.4 ziet ook op de belangen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.243 Nadere concretisering specifieke zorgplicht 
  • 1.

    Bij het lozen houdt de plicht, bedoeld in artikel 9.4, in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd doelmatig kan worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.244 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.245 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.3.2.2 Vangnetvergunningplichten lozen op of in de bodem of in schoonwaterriool
Artikel 9.246 Vergunningplicht lozen op of in de bodem 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of

    • b.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld. 

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 9.247 Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem een schoonwaterriool bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving

  • 3.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Subparagraaf 9.3.2.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan bij wonen
Artikel 9.248 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer.

Artikel 9.249 Lozen van huishoudelijk afvalwater - anders dan wonen
  • 1.

    Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.247 wordt huishoudelijk afvalwater niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.246 voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op de bodem wordt uitsluitend verleend als het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan te sluiten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een particuliere zuiveringsvoorziening die het water voldoende zuivert.

  • 4.

    Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden voorschriften verbonden te bescherming van de bodem en de belangen genoemd in artikel 9.3 en 9.242.

  • 5.

    Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid wordt informatie verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelleden kan huishoudelijk afvalwater vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet in de bodem worden geloosd.

Artikel 9.250 Lozen van huishoudelijk afvalwater bij volkstuinparken
  • 1.

    In afwijking van artikel 9.249 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing plaats vindt in een volkstuinpark waar geen vuilwaterriool aanwezig is. 

  • 2.

    Bij een lozing als bedoeld in het eerste lid wordt het afvalwater geleid door een septictank: 

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 9.251 Verbod lozen bij voedselrestvermaling 

Huishoudelijk afvalwater dat voedselresten bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 9.252 Lozen van huishoudelijk afvalwater, anders dan wonen: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 9.249 kan huishoudelijk afvalwater worden geloosd op of in de bodem als de lozing rechtmatig plaatsvond op het moment dat dit artikel in werking trad, mits de lozing naar aard en omvang niet verschilt van de lozing zoals deze op dat moment plaatsvond.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 9.252.

    Tabel 9.252 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik     

    30 mg/l     

    60 mg/l 

    Chemisch zuurstofverbruik     

    150 mg/l 

    300 mg/l 

    Onopgeloste stoffen  

    30 mg/l 

    60 mg/l 

  • 4.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het derde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of 

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 9.253 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Artikel 9.254 gereserveerd

[Gereserveerd]

Artikel 9.255 gereserveerd

[Gereserveerd]

Subparagraaf 9.3.2.4 Lozen van grondwater bij ontwatering 
Artikel 9.256 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.257 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.256 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      a. de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin en de duur van de lozing.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet als het lozen niet langer dan 48 uur duurt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 12 weken.

Artikel 9.258 Lozen van grondwater bij ontwatering 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

  • 2.

    Het water bedoeld in het eerste lid wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als lozen in een schoonwaterriool, op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 5.

    Het lozen op een riool vindt plaats via een doelmatige en op het te lozen debiet gedimensioneerde bezinkinstallatie.

  • 6.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 12 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

Artikel 9.259 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en

    • b.

      voor ijzerverbindingen NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 9.3.2.5 Lozen van grondwater bij sanering
Artikel 9.260 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering.

Artikel 9.261 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.260, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin en de duur van de lozing.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.262 Lozen van grondwater bij saneringen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 9.262, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 9.262 Emissiegrenswaarden

    Stof

    in μg/l of mg/l 

    Naftaleen  

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik 

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l 

  • 4.

    Het lozen op een riool vindt plaats via een doelmatige en op het te lozen debiet gedimensioneerde bezinkinstallatie.

  • 5.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Artikel 9.263 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: 

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-EN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 9.3.2.6 Lozen van afvloeiend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening 
Artikel 9.264 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: 

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; 

  • b.

    geen drainagewater is als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

  • c.

    geen afvalwater van een kas is als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit.

Artikel 9.265 Gegevens en bescheiden rijkswegen en provinciale wegen 
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.266 Lozen van afvloeiend hemelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 9.3.2.7 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 9.267 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. 

Artikel 9.268 Onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een riool of op of in de bodem geloosd, tenzij het lozen betreft als bedoeld in het tweede lid.

  • 2.

    Afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd, kan worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

Subparagraaf 9.3.2.8 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen 
Artikel 9.269 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 9.270 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair; 

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en 

  • n.

    vlakglas.

Artikel 9.271 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.269, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.272 Lozen bij opslaan van inerte goederen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een riool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

Artikel 9.273 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 9.274 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute uitlogende goederen 

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 9.3.2.9 Lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen 
Artikel 9.275  Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet  of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. 

Artikel 9.276 Schoonmaken drinkwaterleidingen  
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast. 

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 9.3.2.10 Lozen bij calamiteitenoefeningen 
Artikel 9.277 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening. 

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 9.278 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.277, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de calamiteitenoefening; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.279 Lozen bij calamiteitenoefeningen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een riool.

Subparagraaf 9.3.2.11 Lozen van koelwater 
Artikel 9.280 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 9.281 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.280, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de berekening van de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.282 Lozen van koelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool, of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 9.3.2.12 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater 
Artikel 9.283 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 9.284 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 9.285 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk  rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 9.3.2.13 Lozen van afvalwater bij het maken van betonmortel 
Artikel 9.286 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd bij het maken van betonmortel indien paragraaf 4.8 Betoncentrale van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. 

Artikel 9.287 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.286 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de lozingsroute; 

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.288 Lozen van afvalwater 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een riool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool, zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 9.288, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 9.288 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 9.289 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: 

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Subparagraaf 9.3.2.14 Lozen van afvalwater bij het uitwassen van beton
Artikel 9.290 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton indien paragraaf 4.9 Vormgeven betonproducten van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

Artikel 9.291 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozing, bedoeld in artikel 9.290 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 

Artikel 9.292 Lozen van afvalwater
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 9.293 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 9.3.2.15 Lozen bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal 
Artikel 9.294 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. 

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing op digitaal afdrukken. 

Artikel 9.295 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 9.294 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en 

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.296 Lozen van afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver. 

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster. 

Artikel 9.297 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Subparagraaf 9.3.2.16 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen 
Artikel 9.298 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen indien paragraaf 4.70 Spelen biologisch geteelde gewassen, 4.72 Sorteren van biologisch geteeld fruit, 4.77 Drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebonden teelt in een kas of 4.79 Lozen afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

Artikel 9.299 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 9.301 en 9.303, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; 

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en 

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de lozing. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.300 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen 
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 9.301 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit 
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 9.302 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas 

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 9.303 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw 

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 9.304 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 9.3.2.17 Lozen bij opslaan van vaste mest
Artikel 9.305 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.2.1.

Artikel 9.306 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 9.127 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

    • c.

      of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

    • d.

      op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.307 Lozen van afvalwater: lozingsroute 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem. 

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.

Subparagraaf 9.3.2.18 Lozen bij opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 9.308 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.2.2

Artikel 9.309 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 9.132 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

    • c.

      of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; 

    • d.

      op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; en

    • e.

      gegevens over de lozingsroutes. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.310 Lozing van afvalwater: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem. 

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.

Artikel 9.311 Lozen van afvalwater: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als: 

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; 

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.

Subparagraaf 9.3.2.19 Lozen bij fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels 
Artikel 9.312 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.2.3.

Artikel 9.313 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 9.137 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.314 Lozen van afvalwater: lozingsroute en emissiegrenswaarde 
  • 1.

    Met het oog op de doelmatige verwijdering van afvalwater kan het te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd op het vuilwaterriool.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

Artikel 9.315 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd. 

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing. 

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Subparagraaf 9.3.2.20 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding 
Artikel 9.316 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.3.1.

Artikel 9.317 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 9.142 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de lozing wordt verricht.

Artikel 9.318 Lozen van afvalwater: lozingsroute en vetafscheider
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 3.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: 

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of 

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 4.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 9.319 Verbod lozen bij voedselrestvermaling 

Afvalwater dat voedselresten bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen wordt niet geloosd.

Subparagraaf 9.3.2.21 Lozen bij slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen 
Artikel 9.320 Toepassingsbereik 

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen als bedoeld in subsubparagraaf 9.2.3.3.3

Artikel 9.321 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 9.154 worden de volgende gegevens verstrekt: 

    • a.

      de ligging van de bedrijfsriolering;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.322 Lozen van afvalwater: lozingsroute en zuivering  
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats. 

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 9.320 is uitgevoerd. 

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd. 

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. 

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Subparagraaf 9.3.2.22 Lozen bij het wassen van motorvoertuigen 
Artikel 9.323 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze subparagraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 9.324 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.323 worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 9.325 Opvangen van afvalwater 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 9.326 Lozen van afvalwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen op het vuilwaterriool worden geloosd.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Het lozen op of in de bodem is uitsluitend toegestaan als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 4.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd op het vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, en de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen is 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid mag het afvalwater voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 9.327 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Subparagraaf 9.3.2.23 Lozen van brijn
Artikel 9.328 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars. 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op:

    • a.

      het lozen van dit afvalwater bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover hierover regels zijn gesteld in dat Besluit; 

    • b.

      het lozen van dit afvalwater op of in de bodem voor zover in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening hieraan voorschriften zijn gebonden. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is deze subparagraaf niet van toepassing op een lozing die voor de gelding van dit artikel rechtmatig plaatsvond. 

Artikel 9.329 Vergunningplicht lozen brijn
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater als bedoeld in artikel 9.328 te lozen op of in de bodem of in een riool.

  • 2.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      de samenstelling van het afvalwater.

Afdeling 9.4 BODEMBEHEER EN ACTIVITEITEN IN EN OP DE BODEM

Paragraaf 9.4.1 Graven

Subparagraaf 9.4.1.1 Kleinschalig graven
Subsubparagraaf 9.4.1.1.1 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.330 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; 

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en 

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      het graven in de waterbodem; 

    • b.

      het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of

    • c.

      het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

  • 4.

    In deze subsubparagraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 

    • c.

      partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en

    • d.

      afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.

Artikel 9.331 Gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Als het gaat om afvoer van grond of als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.330, aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; 

    • c.

      de verwachte duur ervan; en

    • d.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding bedoeld in artikel 9.339 gaan verrichten. 

  • 2.

    Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.

  • 3.

    Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in:

    • a.

      PDF-formaat; en

    • b.

      ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

  • 4.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 9.332 van toepassing.

Artikel 9.332 Gegevens en bescheiden na de activiteit in geval van spoedreparatie

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie gelegen ter plaatse van de aanduiding 'informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur' worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: 

  • a.

    de begrenzing van de activiteit; 

  • b.

    de data waarop de activiteit is verricht; en

  • c.

    de aanleiding en het doel van de activiteit.

Artikel 9.333 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 9.330, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt als het gaat om graven in de bodem op een locatie ter plaatse van de aanduiding 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven' voorafgaand aan het verrichten van de activiteit een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. 

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

  • 5.

    Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. 

Artikel 9.334 Gescheiden houden grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

  • 2.

    Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.335 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9.331, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.336 Tijdelijk uitnemen van grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond teruggebracht in de bodem in hetzelfde ontgravingsprofiel.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als:

    • a.

      een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit worden overschreden voor de in tabel 9.336 opgenomen mobiele stoffen; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

      • 1.

        59 µg/kg ds bij PFOS;

      • 2.

        60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

      • 3.

        59 µg/kg ds bij overige PFAS.

    Tabel 9.336 Lijst met mobiele stoffen 

    1

    Aromatische verbindingen:

    1.1

    Benzeen

    1.2

    Ethylbenzeen

    1.3

    Tolueen

    1.4

    Xylenen (som)

    2

    Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:

    2.1

    monochlooretheen (vinylchloride)

    2.2

    dichloormethaan

    2.3

    1,1-dichloorethaan

    2.4

    1,2-dichloorethaan

    2.5

    1,1-dichlooretheen

    2.6

    1,2-dichlooretheen (som)

    2.7

    dichloorpropanen (som)

    2.8

    trichloormethaan (chloroform)

    2.9

    1,1,1-trichloorethaan

    2.10

    1,1,2-trichloorethaan

    2.11

    trichlooretheen (tri)

    2.12

    tetrachloormethaan (tetra)

    2.13

    tetrachlooretheen (per)

    3

    Overige stoffen:

    3.1

    Minerale olie

  • 4.

    Het derde lid, aanhef en onder a geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze stoffen.

Artikel 9.337 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 9.338 Afzetting graaflocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst dan wel op andere wijze geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. 

Artikel 9.339 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Artikel 9.340 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het graven uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000, als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Subsubparagraaf 9.4.1.1.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 9.341 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: 

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; 

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      het graven in de waterbodem; 

    • b.

      het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of

    • c.

      het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

  • 4.

    In deze subsubparagraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    • c.

      partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 9.342 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 9.341, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid wordt als het gaat om graven in de bodem op een locatie ter plaatse van de aanduiding 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven' een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook als op grond van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenkling bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van subsubparagraaf 9.4.1.1.1.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

  • 5.

    Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.343 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.

  • 2.

    Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in:

    • a.

      a. PDF-formaat; en

    • b.

      ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

  • 3.

    Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 9.344 Gegevens en bescheiden na de activiteit in geval van spoedreparatie

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie ter plaatse van de aanduiding 'informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur' worden aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de spoedreparatie, gegevens en bescheiden verstrekt over: 

  • a.

    de begrenzing van de activiteit;

  • b.

    de data waarop de activiteit is verricht; en

  • c.

    de aanleiding en het doel van de activiteit. 

Artikel 9.345 Gegevens en bescheiden beschikbaar op locatie

De onderzoeken, bedoeld in artikel 9.343, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.346 Gescheiden houden grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

  • 2.

    Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.347 Tijdelijk uitnemen van grond

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 

  • 2.

    In afwijking van het eerst lid  wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

    • a.

      59 µg/kg ds bij PFOS;

    • b.

      60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

    • c.

      59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Artikel 9.348 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond 

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Subparagraaf 9.4.1.2 Graven, anders dan kleinschalig graven
Subsubparagraaf 9.4.1.2.1 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven

Artikel 9.349 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subsubparagraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 2.

    In deze subsubparagraaf wordt verstaan onder: 

    • a.

      grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en

    • b.

      partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 9.350 Afzetting graaflocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst dan wel op andere wijze geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 9.351 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Als het gaat om het graven in de bodem ter plaatse van de aanduiding 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven', wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een verkennend bodemonderzoek als bedoel in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 9.352 Informeren bij actuele risico's 

Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover onverwijld geïnformeerd.

Artikel 9.353 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 9.351, verstrekt.

  • 2.

    De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.351, worden verstrekt in:

    • a.

      PDF-formaat; en

    • b.

      ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 9.354 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.351 zijn beschikbaar tijdens het uitvoeren van de activiteit. 

Artikel 9.355 Gescheiden houden van verschillende grondsoorten

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden ook indien het licht verontreinigde grond betreft.

  • 2.

    Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.356 Geen mobiele verontreiniging terugplaatsen

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt in afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als:

    • a.

      een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in tabel 9.356 opgenomen mobiele stoffen; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarden zonder bodemtypecorrectie: 

      • 1.

        59 µg/kg ds bij PFOS; 

      • 2.

        60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 

      • 3.

        59 µg/kg ds bij overige PFAS.

    Tabel  9.356 Lijst met mobiele stoffen 

    1

    Aromatische verbindingen:

    1.1

    Benzeen

    1.2

    Ethylbenzeen

    1.3

    Tolueen

    1.4

    Xylenen (som)

    2

    Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:

    2.1

    monochlooretheen (vinylchloride)

    2.2

    dichloormethaan

    2.3

    1,1-dichloorethaan

    2.4

    1,2-dichloorethaan

    2.5

    1,1-dichlooretheen

    2.6

    1,2-dichlooretheen (som)

    2.7

    dichloorpropanen (som)

    2.8

    trichloormethaan (chloroform)

    2.9

    1,1,1-trichloorethaan

    2.10

    1,1,2-trichloorethaan

    2.11

    trichlooretheen (tri)

    2.12

    tetrachloormethaan (tetra)

    2.13

    tetrachlooretheen (per)

    3

    Overige stoffen:

    3.1

    Minerale olie

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

Subsubparagraaf 9.4.1.2.2 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven

Artikel 9.357 Toepassingsbereik

  • 1.

     Deze subsubparagraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In deze subsubparagraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het besluit bodemkwaliteit; en

    • b.

      partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Artikel 9.358 Voorafgaand bodemonderzoek

  • 1.

    Als het gaat om het graven in de bodem ter plaatse van de aanduiding 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven', wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een verkennend bodemonderzoek als bedoel in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 9.359 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 9.358, verstrekt.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in:

    • a.

      PDF-formaat; en

    • b.

      ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 9.360 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 9.358, zijn beschikbaar tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 9.361 Gescheiden houden verschillende grondsoorten

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden.

  • 2.

    Gescheiden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 9.362 Geen grond met PFAS terugplaatsen

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

  • a.

    59 µg/kg ds bij PFOS;

  • b.

    60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

  • c.

    59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Paragraaf 9.4.2 Saneren

Artikel 9.363 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder: 

    • a.

      grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 

    • b.

      baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en 

    • c.

      waarde toelaatbare kwaliteit bodem: de waarde zoals omschreven in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid;

    • d.

      gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.

Artikel 9.364 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem vindt in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw het saneren van de bodem alleen plaats volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van een verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit op de locatie van het gebouw.

  • 2.

    Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in tabel 9.364 opgenomen vluchtige stoffen.

    Tabel 9.364 Lijst met vluchtige stoffen

    1

    Aromatische verbindingen:

    1.1

    Benzeen

    1.2

    Ethylbenzeen

    1.3

    Tolueen

    1.4

    Xylenen (som)

    2

    Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:

    2.1

    monochlooretheen (vinylchloride)

    2.2

    dichloormethaan

    2.3

    1,1-dichloorethaan

    2.4

    1,2-dichloorethaan

    2.5

    1,1-dichlooretheen

    2.6

    1,2-dichlooretheen (som)

    2.7

    dichloorpropanen (som)

    2.8

    trichloormethaan (chloroform)

    2.9

    1,1,1-trichloorethaan

    2.10

    1,1,2-trichloorethaan

    2.11

    trichlooretheen (tri)

    2.12

    tetrachloormethaan (tetra)

    2.13

    tetrachlooretheen (per)

  • 3.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: 

    • a.

      fysieke belemmeringen in de bodem; of

    • b.

      de grote diepte van de verontreiniging.

Artikel 9.365 Geen mobiele verontreiniging herschikken
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als:

    • a.

      een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt overschreden voor de in tabel 9.365 opgenomen mobiele stoffen; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

      • 1.

        59 µg/kg ds bij PFOS;

      • 2.

        60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

      • 3.

        59 µg/kg ds bij overige PFAS.

    Tabel 9.365 Lijst met mobiele stoffen 

    1

    Aromatische verbindingen:

    1.1

    Benzeen

    1.2

    Ethylbenzeen

    1.3

    Tolueen

    1.4

    Xylenen (som)

    2

    Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:

    2.1

    monochlooretheen (vinylchloride)

    2.2

    dichloormethaan

    2.3

    1,1-dichloorethaan

    2.4

    1,2-dichloorethaan

    2.5

    1,1-dichlooretheen

    2.6

    1,2-dichlooretheen (som)

    2.7

    dichloorpropanen (som)

    2.8

    trichloormethaan (chloroform)

    2.9

    1,1,1-trichloorethaan

    2.10

    1,1,2-trichloorethaan

    2.11

    trichlooretheen (tri)

    2.12

    tetrachloormethaan (tetra)

    2.13

    tetrachlooretheen (per)

    3

    Overige stoffen:

    3.1

    Minerale olie

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755, blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen.

Artikel 9.366 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond

Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie van toepassing is wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde.

Artikel 9.367 Afwijkende dikte leeflaag

Als de grondwaterstand een meter of minder is ten opzichte van het toekomstige maaiveld, kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, volstaan worden met een leeflaagdikte tot het niveau van het grondwater met een minimumdikte van 0,5 meter.

Paragraaf 9.4.3 Toepassen van bouwstoffen: staalslakken en grondstabilisatie

Artikel 9.368 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 

    • a.

      het toepassen van staalslakken; en

    • b.

      grondstabilisatie.

  • 2.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 

    • b.

      bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips.

    • c.

      grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem;

    • d.

      staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak;

    • e.

      hoogovenslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; en

    • f.

      LD-staalslak: slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz.

Artikel 9.369 Melding toepassen staalslakken
  • 1.

    Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    De melding bevat:

    • a.

      de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast;

    • b.

      de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid;

    • c.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken;

    • d.

      de herkomst van de staalslakken;

    • e.

      de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast;

    • f.

      de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast;

    • g.

      de onderbouwing van de functionaliteit van het werk;

    • h.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en

    • i.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  • 3.

    Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  • 4.

    Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.370 Melding grondstabilisatie 
  • 1.

    Het is verboden om grondstabilisatie uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2.

  • 3.

    De melding bevat:

    • a.

      de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt;

    • b.

      de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid;

    • c.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat;

    • d.

      de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen;

    • e.

      de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast;

    • f.

      de dimensionering van de stabilisatie;

    • g.

      de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie;

    • h.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en

    • i.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  • 4.

    Het derde lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  • 5.

    Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 9.4.4 Toepassen van grond of baggerspecie [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.4.5 Overige bepalingen met betrekking tot bodembeheer

Subparagraaf 9.4.5.1 Nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem 
Artikel 9.367 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf geldt voor nazorg voor de volgende maatregelen: 

  • a.

    een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift over artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving die is aangebracht tijdens de sanering van de bodem; of

  • b.

    tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet.

Artikel 9.368 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalvondst
  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.

  • 2.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico's voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan.

Subparagraaf 9.4.5.2 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico  (ernst, niet-spoedlocatie)
Artikel 9.369 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 9.370 Bodem: omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 9.373, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Hoofdstuk 10 MONUMENTEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT MONUMENTEN

Afdeling 10.1 Gemeentelijke monumenten

Artikel 10.1 Toepassingsbereik en oogmerk

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op: 

  • 2.

    Deze afdeling is opgenomen met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.

  • 3.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.  

  • 4.

    Het derde lid is van toepassing:

    • a.

       als het gaat om een aangewezen gemeentelijk monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 

    • b.

      als het gaat om een gemeentelijk monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 10.2 Gedeeltelijk uitgestelde toepassing

Deze afdeling wordt toegepast met ingang van de dag dat hoofdstuk 3 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt, met uitzondering van artikel 10.11 tot en met 10.16 die vanaf inwerkingtreding van deze afdeling van toepassing zijn op een aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Erfgoedverordening Amsterdam. 

Artikel 10.3 Aangewezen gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Als gemeentelijk monument is aangewezen elk monument ter plaatse van de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. 

  • 2.

    Als gemeentelijk monument is ook aangewezen het monument waarop het bepaalde in artikel 10.1, derde en vierde lid van toepassing is. 

Artikel 10.4 Specifieke zorgplicht

Degene die een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten verricht of een andere activiteit verricht die een gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument betreft, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 10.5 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 10.4

Artikel 10.6 Vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten te verrichten voor zover die activiteit inhoudt het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 10.7 Activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument waarvoor de in artikel 11.5 bedoelde vergunningplicht niet geldt

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 10.6, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten als de activiteit betrekking heeft op: 

    • a.

      noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of

    • b.

      inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 10.6, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten voor zover de activiteit betrekking heeft op een gemeentelijk monument dat als begraafplaats in gebruik is, als de activiteit plaatsvindt met inachtneming van de monumentale waarden, en betrekking heeft op:

    • a.

      het plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

    • b.

      het doen van begravingen of asbijzettingen; of

    • c.

      het ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als rijksmonument.

Artikel 10.8 Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam

  • 1.

    De gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam, bedoeld in 17.9 van de Omgevingswet, wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in 10.6

  • 2.

    Op de advisering van de gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam is de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing. 

Artikel 10.9 Beoordelingsregels

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.6 wordt alleen verleend als het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.6 wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: 

    • a.

      het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; 

    • b.

      het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en

    • c.

      het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.

Artikel 10.10 Vergunningvoorschriften

Aan de in artikel 10.6 bedoelde omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 10.11 Aanvraagvereisten algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.6 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

     het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; 

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en 

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument. 

Artikel 10.12 Aanvullende aanvraagvereisten voor zover het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument, niet zijnde een archeologisch monument 

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 10.11 worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen: 

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

        • I.

          plattegronden; 

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of 

        • IV.

          een dakaanzicht; en 

      • 3.

        slooptekeningen; en 

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; 

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; 

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of 

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. 

Artikel 10.13 Aanvullende aanvraagvereisten voor zover het gaat om het verplaatsen van een gemeentelijk monument, niet zijnde een archeologisch monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 10.11 worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; 

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en 

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; 

    • c.

      de volgende tekeningen: 

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

        • I.

          plattegronden; 

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of 

        • IV.

          een dakaanzicht; en 

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

        • I.

          plattegronden; 

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of 

        • IV.

          een dakaanzicht; 

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en 

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; 

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; 

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; 

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of 

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 10.14 Aanvullende aanvraagvereisten voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 10.11 worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; 

    • b.

      de volgende tekeningen: 

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

        • I.

          plattegronden; 

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; 

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: 

        • I.

          plattegronden; 

        • II.

          doorsneden; 

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en 

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en 

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal. 

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; 

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; 

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; 

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; 

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; 

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of 

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. 

Artikel 10.15 Aanvullende aanvraagvereisten voor zover het gaat om het door gebruik ontsieren of in gevaar brengen van een monument

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 10.11 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 10.16 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 10.12 tot en met 10.14 

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 10.12 tot en met 10.14 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: 

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening; 

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; 

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en 

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht. 

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: 

    • a.

      balklagen: 

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; 

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. 

Afdeling 10.2 Provinciale monumenten: regels opgenomen vanwege instructieregels provinciale omgevingsverordening

Artikel 10.17 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op provinciale monumenten en op activiteiten die een provinciaal monument betreffen. 

Artikel 10.18 Zorgplicht provinciaal monument

Degene die een activiteit die een provinciaal monument betreft verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 10.19 Verboden activiteiten

Op locaties die in de provinciale omgevingsverordening zijn aangewezen als provinciaal monument is het verboden:

  • a.

    het daar aanwezige monument te beschadigen of te vernielen; of

  • b.

    aan het daar aanwezige monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 10.20 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten

Op locaties die in de provinciale omgevingsverordening zijn aangewezen als provinciaal monument is het verboden zonder omgevingsvergunning het daar aanwezige monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, te herstellen of te gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 10.21 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 10.20, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om:

    • a.

      noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of

    • b.

      alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 10.20, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, voor zover het gaat om:

    • a.

      een sondering of grondboring met een boordiameter van niet meer dan 10 cm; of

    • b.

      het dichten van een recent verstoringsgat van niet meer dan 1 m3.

Artikel 10.22 Aanvraagvereisten

  • 1.

    De artikelen 10.11 tot en met 10.16 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.20.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.20 worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en 

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; 

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; 

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; 

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; 

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; 

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en 

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 3.

    Bij een aanvraag als bedoeld in het tweede lid worden zo nodig de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; 

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; 

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen: 

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en 

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld; 

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of 

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; 

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of 

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

  • 4.

    Tekeningen, bedoeld in het tweede en derde lid, hebben een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:2000, als het gaat om een topografische kaart; 

    • b.

      1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en 

    • c.

      1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 10.23 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.20 wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning worden verleend als de activiteit in het belang is van de waterveiligheid, mits er geen reële alternatieven zijn en wordt aangetoond dat de beschadiging van het monument zo minimaal mogelijk is.

  • 3.

    Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:

    • a.

      het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;

    • b.

      het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten;

    • c.

      het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

    • d.

      het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.

Artikel 10.24 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10.20  worden de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regel, bedoeld in artikel 10.23. Daarbij geldt dat:

  • a.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie;

  • b.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden een plicht tot:

    • 1.

      het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • 4.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet;

  • c.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning kan worden verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.

Artikel 10.25 Aanwijzing adviseurs

  • 1.

    Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19.

  • 2.

    De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • 3.

    Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 11 VELLEN VAN EEN HOUTOPSTAND [GERESERVEERD VOOR INTEGRATIE BOMENVERORDENING]

Artikel 11.1 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 12 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 18 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 GERESERVEERD

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 OVERIGE VANWEGE INSTRUCTIEREGELS AANGEWEZEN LOCATIES

Artikel 21.1 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Artikel 21.2 Aanwijzing risicogebied externe veiligheid

Ter plaatse van de aanduiding 'risicogebied externe veiligheid' geldt dat de gronden zijn aangewezen als risicogebied externe veiligheid als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 21.3 Aanwijzing bebouwingscontour jacht [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN ['BRUIDSSCHAT' VAN HET RIJK] 

Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

  • 1.

    De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten [vervangen door artikel 4.4, artikel 5.10, tweede en derde lid, en artikel 10.1, derde en vierde lid

[Vervallen]

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten [vervangen door artikel 4.5 en artikel 5.5]

[Vervallen]

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil [vervangen door artikel 4.3]

[Vervallen]

Artikel 22.6 Vervallen

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7 Repressief welstand [vervangen door artikel 4.108]

[Vervallen]

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als:

    • a.

      artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:

    • a.

      het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

  • 3.

    Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

    • a.

      wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  • 1.

    Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

    ADR-klasse1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

     

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1.

    De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  • 1.

    Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken 

Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen 
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen [vervangen door artikel 4.11 en artikel 5.7]

[Vervallen]

Artikel 22.24 Meetbepalingen [vervangen door artikel 4.2, tweede en derde lid, en artikel 5.3, onder a en b]

[Vervallen]

Artikel 22.25 Mantelzorg [vervangen door onderdeel 3.2.7]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken 
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikel 4.7]

[Vervallen]

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing [vervangen door artikel 4.12]

[Vervallen]

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed [vervangen door artikel 4.13]

[Vervallen]

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen [vervangen door artikel 4.16, onderdeel 4.2.4.3 en onderdeel 4.2.4.4]

[Vervallen]

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie [vervangen met onderdeel 4.2.4.4]

[Vervallen]

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit [vervangen met onderdeel 4.2.4.4]

[Vervallen]

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht [vervangen door artikel 4.18]

[Vervallen]

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht [vervangen door artikel 4.17]

[Vervallen]

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen door artikel 4.89]

[Vervallen]

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [vervangen met aanvraagvereisten in artikel 4.9 en onderdeel 4.2.4]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan [vervangen door artikel 5.8]

[Vervallen]

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen [eerste lid vervangen door artikel 5.9, tweede lid vervallen]

[Vervallen]

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed [vervangen door artikel 5.10]

[Vervallen]

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid [vervangen door artikel 5.11]

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken 

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken [vervangen door artikel 23.7vijfde lid]

[Vervallen]

Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN MET VERGUNNINGPLICHT O.G.V. HET BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING

Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig is aangewezen en op alle activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

    • a.

      rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

    • b.

      elkaar functioneel ondersteunen.

  • 2.

    Afdeling 9.1 en 9.4 zijn eveneens van toepassing op activiteiten als bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 22.42 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43 Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.4422.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing [gereserveerd]

Artikel 22.51 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.17]

[Vervallen]

Artikel 22.52 Energie: maatregelen 

[Vervallen]

Artikel 22.53 Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht 

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

Artikel 22.54 Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.55 Toepassingsbereik
  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.55tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.55 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.57 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.58 Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.59 Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.60 Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.61 Geluid: onderzoek
  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.82; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • i.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • ii.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.62 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.61, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.63 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.62 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.64 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

Artikel 22.65 (tijdelijke uitzondering windparken)

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.66 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.67 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.66eerstederde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.68 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.66eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.66derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.69 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.66eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.66derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.70 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.66, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.68eerste lid, en 22.69eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.71 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.66eerste lid, 22.67eerste lid, 22.68eerste lid en 22.69eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.72 Geluid: eerbiedigende werking
  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.73 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.66 tot en met 22.72 en 22.74, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.66 tot en met 22.70 en 22.72, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.66 tot en met 22.72, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.74 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.66eerste lid, en 22.67eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.75 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.66 tot en met 22.72, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.76 Geluid: festiviteiten
  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.66 tot en met 22.74, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.77 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines
Artikel 22.78 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.79 Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.80 Registratie gegevens windturbines
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.81 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.82 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.83 Geluid: waarden buitenschietbanen 

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.82 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.84 Registratie gegevens buitenschietbanen
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.85 Geluid: meet- en rekenbepalingen 

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.83, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Artikel 22.86 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.87 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 22.86tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.88 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.89 Trillingen: functionele binding 

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.90 Trillingen: voormalige functionele binding 

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.91 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

    Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 22.92 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6 Geur

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.93 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.94 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.93tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.93eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.95 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.96 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.97 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.98 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
Artikel 22.99 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.100 Geur vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

    Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig object

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    2,0 ouE/m3

    Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    8,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    14,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden 
  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.101eerste lid, mag, in afwijking van artikel 22.101, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.99, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.101 eerste  lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
  • 1.

    Artikel 22.104 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

Artikel 22.106 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf 
  • 1.

    Onverminderd de artikelen 22.101 tot en met 22.105 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.

    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.100 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 22.107 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.106, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 22.108 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf 

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.106eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

Subparagraaf 22.3.6.3

[Vervallen]

Artikel 22.109

[Vervallen]

Artikel 22.110

[Vervallen]

Artikel 22.111

[Vervallen]

Artikel 22.112

[Vervallen]

Artikel 22.113

[Vervallen]

Artikel 22.114

[Vervallen]

Artikel 22.115

[Vervallen]

Artikel 22.116

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten
Artikel 22.117 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.

    Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.118 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.119 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.

    Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 22.120 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.

    Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 22.121 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

[Vervallen]

Artikel 22.122 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.

    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.123 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 22.117, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 22.119, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 22.122, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117derde lid, 22.118tweede lid, 22.119derde lid, of 22.122derde lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.120eerste lid, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.120eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.120tweede lid;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.117derde lid, 22.118tweede lid, 22.119derde lid, 22.120tweede lid, of 22.122derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Artikel 22.124 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.125 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.

    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.126 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in artikel 22.125eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 22.127 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 22.125tweede lid, en 22.126, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.125eerste lid, niet worden overschreden.

Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer 

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem
Artikel 22.128 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.371]

[Vervallen]

Artikel 22.129 Nazorg na afloop van saneren van de bodem [vervangen door artikel 9.372]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit 
Artikel 22.130 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.330]

[Vervallen]

Artikel 22.131 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit [vervangen door artikel 9.331]

[Vervallen]

Artikel 22.132 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond [vervangen door artikel 9.337]

[Vervallen]

Artikel 22.133 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven [vervangen door artikel 9.339]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 
Artikel 22.134 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.373]

[Vervallen]

Artikel 22.135 Bodem: mitigerende maatregelen [vervangen door artikel 9.374]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen [was niet van toepassing op Amsterdam]
Artikel 22.136 Vervallen

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer

Subparagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 22.137 Toepassingsbereik 

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater
Artikel 22.151 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.280]

[Vervallen]

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden [vervangen door artikel 9.281]

[Vervallen]

Artikel 22.153 Koelwater [vervangen door artikel 9.282]

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 22.174 en 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.179 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.183 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.190 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

Artikel 22.192 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.323]

[Vervallen]

Artikel 22.193 Bodem [vervangen door artikel 9.325]

[Vervallen]

Artikel 22.194 Water [vervangen door artikel 9.326]

[Vervallen]

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen [vervangen door artikel 9.327]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.198 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 22.199 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 22.200 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.149]

[Vervallen]

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit [vervangen door artikel 9.150]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen 

Artikel 22.202 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.153 en artikel 9.320]

[Vervallen]

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden [vervangen door artikel 9.154 en artikel 9.321]

[Vervallen]

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering [vervangen door artikel 9.322]

[Vervallen]

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder [vervangen door artikel 9.155]

[Vervallen]

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening [vervangen door artikel 9.157]

[Vervallen]

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening [vervangen door artikel 9.158]

[Vervallen]

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem [vervangen door artikel 9.159]

[Vervallen]

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem [vervangen door artikel 9.160]

[Vervallen]

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit [vervangen door artikel 9.161]

[Vervallen]

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit [vervangen door artikel 9.162]

[Vervallen]

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden [vervangen door artikel 9.163]

[Vervallen]

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen [vervangen door artikel 9.164]

[Vervallen]

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 22.214tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.214eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Artikel 22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is artikel 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.239 Licht
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest

Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.242 Bodem: opslag
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 22.245 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten 

Artikel 22.258 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.203 en artikel 9.204

[Vervallen]

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars [vervangen door artikel 9.219]

[Vervallen]

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem [vervangen door artikel 9.220]

[Vervallen]

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten [vervangen door artikel 9.221]

[Vervallen]

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen [vervangen door artikel 9.203]

[Vervallen]

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG [vervangen door artikel 9.204]

[Vervallen]

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen [vervangen door artikel 9.222]

[Vervallen]

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens [vervangen door artikel 9.223]

[Vervallen]

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen [vervangen door artikel 9.224]

[Vervallen]

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen [vervangen door artikel 9.225]

[Vervallen]

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem [vervangen door artikel 9.246]

[Vervallen]

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool [vervangen door artikel 9.247]

[Vervallen]

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten [vervangen door de artikelen 9.2039.2049.2279.246, en 9.247]

[Vervallen]

Afdeling 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

    • a.

      aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

    • b.

      het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

  • 2.

    Deze afdeling geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. 

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 22.272eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 22.272eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder c, worden getroffen.

Afdeling 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:

  • a.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;

  • b.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of

  • c.

    bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 22.5.2 Aanvraagvereisten

Subparagraaf 22.5.2.1 Algemene bepalingen.
Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    artikel 22.280 van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Subparagraaf 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Subparagraaf 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Subparagraaf 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen [vervangen door artikel 10.11]

[Vervallen]

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument [vervallen]

[Vervallen]

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288 [vervallen]

[Vervallen]

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument [vervangen door artikel 10.12]

[Vervallen]

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument [vervangen door artikel 10.13]

[Vervallen]

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen [vervangen door artikel 10.14]

[Vervallen]

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen [vervangen door artikel 10.15]

[Vervallen]

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292 [vervangen door artikel 10.16]

[Vervallen]

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument [vervangen door artikel 10.1, eerste lid]

[Vervallen]

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. 

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard en de werking van de signalering; en

  • b.

    twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen.

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2.

    Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort houtopstand;

    • b.

      de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;

    • c.

      de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal en de afmetingen van de reclame;

    • b.

      de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant;

    • c.

      de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en

    • d.

      de tekst van de reclame.

  • 2.

    Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard van de roerende zaken; en

    • b.

      de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2.

    Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

Subparagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Paragraaf 22.5.3 Voorschriften

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.

Hoofdstuk 23 ALGEMEEN OVERGANGSRECHT

Artikel 23.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk bevat algemene bepalingen over overgangsrecht. 

  • 2.

    Van dit hoofdstuk kan elders in dit omgevingsplan met specifieke overgangsrechtelijke bepalingen worden afgeweken. In dat geval is dat specifieke overgangsrecht van toepassing.  

Artikel 23.2 Overgangsrecht met betrekking tot verleende vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften en andere genomen besluiten 

  • 1.

    Een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 23.3 Overgangsrecht met betrekking tot een aanvraag om een vergunning, ontheffing, maatwerkvoorschrift of ander besluit

  • 1.

    Op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat de regels over die activiteit worden toegepast zoals die op grond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag, maar uitsluitend indien ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, en er ook geen voorbeschermingsregels van toepassing waren.

Artikel 23.4 Overgangsrecht met betrekking tot meldingen en kennisgevingen 

  • 1.

    Als op grond van dit omgevingsplan voor een activiteit een meldingsplicht of informatieplicht van toepassing wordt, dient de melding of kennisgeving uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van de verplichting te zijn gedaan, tenzij elders in dit omgevingsplan een andere termijn is gesteld.   

  • 2.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een meldingsplicht of informatieplicht gold, en die verplichting is opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt een eerdere melding of kennisgeving op grond van die verordening als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.  

  • 3.

    Als eerder op grond van een gemeentelijke verordening een vergunningplicht of een ontheffingsmogelijkheid gold, en die verplichting of mogelijkheid is als meldingsplicht of informatieplicht opgegaan in dit omgevingsplan, dan geldt de aanvraag van een verleende vergunning of ontheffing als een melding of kennisgeving op grond van dit omgevingsplan.    

Artikel 23.5 Overgangsrecht met betrekking tot een nieuwe vergunningplicht

  • 1.

    Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht. 

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.

Artikel 23.6 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten

  • 1.

    In afwijking van artikel 23.5, eerste lid, geldt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik gevolg van die wijziging in strijd is gekomen met de regels over gebruik, gesteld in afdeling 2.3, mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, voor zover met die wijziging van afdeling 2.3 expliciet is voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een bepaalde activiteit te verrichten. In dat geval is artikel 23.5 onverkort van toepassing. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

  • 5.

    Indien het strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  • 6.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten, opgenomen in een TAM-omgevingsplan.

Artikel 23.7 Overgangsrecht met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken als bedoeld in artikel 5.6, eerste en derde lid

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.

  • 5.

    Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden. 

Artikel 23.8 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

  • 1.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in een gemeentelijke verordening die nadat het besluit is genomen zijn opgegaan in dit omgevingsplan, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 

      • 1.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3.

        de last is opgeheven.

  • 2.

    Op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

    • a.

      de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

    • b.

      de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

    • c.

      als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom: 

      • 1.

        de last volledig is uitgevoerd;

      • 2.

        de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

      • 3.

        de last is opgeheven.

Hoofdstuk 24 SLOTBEPALINGEN

Artikel 24.1 Citeertitel

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Amsterdam.

Bijlage I Begripsbepalingen

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanlegactiviteit

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

aanlegactiviteit archeologische beschermingszone

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.22, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, als bedrijventerrein bestemd gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein

agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen.

ambachtelijk bedrijf

bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik.

ambulante handel

straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten.

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

Bed and Breakfast

het tegen betaling in gebruik geven van:

  • a.

    een ruimte binnen een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte;

  • b.

    bij zelfstandige woonruimte behorende opstallen voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte.

bedrijfswoning

een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is.

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zoals die is vastgesteld en bekendgemaakt door het college van burgemeester en wethouders, en geldt op het moment waarop een vergunningaanvraag wordt gedaan.

Besluit activiteiten leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

bestaande bouwhoogte

de bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.   

bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij op grond van of krachtens de Omgevingswet een ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen.

bijgebouw

een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet zoals een aanbouw of uitbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. 

bijna-geluidluwe gevel

een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde plus daarbij opgeteld 3dB.

bijzondere bouwlagen

keldersouterrainkap of dakopbouw

bodemgevoelig gebouw

gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bodemgevoelige locatie

gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.

bovengronds gebouw

gebouw of gedeelte van een gebouw, gelegen boven maaiveld.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015

buisleiding met gevaarlijke stoffen

buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

buurtcentrum

voor publiek toegankelijk gebouw waar sociaal-culturele activiteiten worden gefaciliteerd en georganiseerd voor met name buurtbewoners.

casino

speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.

consumentgerichte dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening.

culturele voorziening

   

dagmarkt

markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden.

dakopbouw

een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak of een toevoeging aan een plat dak.

debatcentrum

voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.

detailhandel

het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan consumenten. Onder detailhandel wordt niet verstaan een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten. 

Erfgoedverordening Amsterdam 

Erfgoedverordening van Amsterdam, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2015, gemeenteblad 2015, nr. 301/1388.

faciliteit gericht op spel en vermaak

bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljart- en snookerzaal, speel- en spelvoorziening, activiteit gericht op belevingen, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten en voorzieningen, niet zijnde een elders in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde voorziening of faciliteit.

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak, uitsluitend zijnde een: 

garagebox

gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoersmiddelen. 

gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, eerste lid. 

gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, tweede lid. 

geurgevoelig gebouw

een gebouw als bedoeld in artikel 9.84 van dit omgevingsplan. 

grootschalige detailhandelsvestiging

een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche.

hotel

onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. 

Huisvestingsverordening 

Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.

intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij.

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997

kantoorvloer

een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden

kap

bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak. 

kas

bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen.

kelder

bouwlaag, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 0,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

kinderopvang

het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.

kunstijsbaan

een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs.

Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie

De kwaliteitsnorm zoals opgenomen in de landelijke richtlijn voor archeologisch onderzoek, bedoeld in artikel 5.5, onder b, van de Erfgoedwet.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren

lokale spoorweg

spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor als zodanig is aangewezen.

loketverkoop

het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg. 

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenindelingbesluit voor de luchthaven Schiphol.

maatschappelijke dienstverlening

Het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, en levensbeschouwing. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval:

  • a.

     instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; 

  • b.

    ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; 

  • c.

    overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten,  GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;

  • d.

    overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra;

  • e.

    overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvangmuziek- en dansschool, oefenstudio, religieuze instelling en school(werk)tuin.  

manege

bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt.

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

markt

markt, zoals bedoeld in de Marktverordening.

marktplaats

marktplaats, zoals bedoeld in de Marktverordening.

mini-supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2.

museum of expositieruimte

voor het publiek toegankelijke instelling waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij  informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie.

muziek- en dansschool

instelling gericht op het bieden van onderwijs, niet zijnde onderwijs als bedoeld in subparagraaf 2.3.2.1, in hoofdzaak gericht op muziek, dans en kleinkunst, en daarmee vergelijkbare instellingen.

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017.

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016. 

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017.

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011.

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010.

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006

NEN-EN 858-1/A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004.

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006.

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002.

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015.

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014.

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012.

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik(ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.

NTA 9065

NTA 9065:2012: Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur, versie 2012

nutstuin

(hoofdzakelijk) moestuin zonder tuinhuis van een lid van de vereniging van het volkstuinpark.

omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

activiteit, bedoeld in artikel 7.4, onder a tot en met e, van dit omgevingsplan.

omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. 

omgevingsplanactiviteit culturele horeca

een niet zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is.

omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.

omgevingsplanactiviteit slopen

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Omgevingsregeling

regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken 

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 4.7 van dit omgevingsplan. 

ondergronds gebouw

onder het maaiveld gelegen gebouw of een gedeelte van een gebouw, zoals een kelder, souterrain of parkeerkelder, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil, uitgezonderd funderingsconstructies.

onzelfstandige woonruimte

woonruimte welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen.

overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie

instellingen met een gezondheidszorgfunctie, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover die niet vallen onder artikel 2.27 en artikel 2.28 van dit omgevingsplan.

paardenfokkerij

een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.

peil

in dit omgevingsplan wordt onder peil verstaan:

  • a.

    voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin grenst: de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw;

  • b.

    voor bouwwerken op gronden met bestemming 'verkeer - railverkeer', met uitzondering van viaducten en duikers: de hoogte van de spoorstaaf;

  • c.

    voor bouwwerken op het perron: de hoogte van het perron;

  • d.

    als in het water wordt gebouwd: het plaatselijk aan te houden waterpeil;

  • e.

    in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

perifere detailhandel

een detailhandelsvestiging die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra. 

periodieke markt

markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.

prostitutie

het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten.

prostitutiebedrijf

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie

raamprostitutiebedrijf 

een prostitutiebedrijf, waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg. 

religieuze instelling

voor publiek toegankelijke instelling die het ter plaatse bijeenkomen faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen.

rijbaan

elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.

rijstrook

door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.

ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.

ruwvoedergewassen

gewassen, zoals gras, maïs, voederbieten en luzerne, die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst is bestemd als voer voor landbouwhuisdieren.

school(werk)tuin

het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie.

seksinrichting

inrichting zijnde een: 

  • a.

    seksautomatenhal: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar door middel van één of meer automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven;

  • b.

    seksbioscoop: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur; of

  • c.

    sekstheater: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar ook anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven.

sekswinkel

een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd.

short stay

het structureel aanbieden van een woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt. 

souterrain

bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

speelautomatenhal

speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam.

sportvoorziening

   

  • a.

    terrein bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen, en de bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties; 

  • b.

    gebouw of gedeelte van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport; en 

  • c.

    bouwwerk of andere faciliteit ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte. 

staan- of ligplaats ambulante handel

plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.

straatpeil

 

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg
    ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het
    terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

studentenwoning

woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).

supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt.

TAM-omgevingsplan

wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. 

teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

theater of concertzaal

instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en op- en uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten.

uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is, en dat door de vorm als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw onderscheiden kan worden en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

venten

venten, bedoeld in de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten

verpleeghuis

voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling.

verzorgingshuis

voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. 

volkstuin

tuin van een lid van een volkstuinpark op een volkstuinpark.

volkstuinpark

een complex van volkstuinen, nutstuinen, verenigingsgebouwen en gemeenschappelijke bouwwerken voor de leden van de vereniging of gebruikers van het volkstuinpark en gemeenschappelijke gronden.

watersport-gerelateerde faciliteit

voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslag- of botenloods, clubhuis en kantine.

weekmarkt

markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden.

weg

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

wellness

een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.

wonen

het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. 

woning

een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres.

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bedoeld of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

zaalverhuur voor feesten en partijen

het op structurele basis tegen betaling of anders dan om niet beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.

zakelijke en administratieve dienstverlening

een activiteit in de vorm van een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. 

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

zorgwoning

woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

A-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5fea7f74c2e04297b605d0dce41e8b63/nld@2024‑09‑25;12591980

aantal autoparkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/eb8df99e55ec4491aa8cc05e0aed6ab0/nld@2026‑01‑20;12315259

aantal woningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fea0475ecb494f24876d60c4ae5f2a76/nld@2026‑01‑20;12315259

aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5108c049ffd74d6587bbf88d4cbd0e8f/nld@2026‑01‑20;12315259

aanvraagvereiste kelder (standstill)

/join/id/regdata/gm0363/2024/d1908c0408d74d90b09e553be591298a/nld@2026‑01‑20;12315259

activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken

/join/id/regdata/gm0363/2024/df07330dfb764bec88cf33882fa0bab6/nld@2026‑01‑20;12315259

afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2025/a959592b38274bf7862bc16f44fa120f/nld@2026‑01‑20;12315259

afwijkende hoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm0363/2025/ae973dc677c0470f9618c4d97be88e88/nld@2026‑01‑20;12315259

afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm0363/2025/8df3cedbbedc4ba0b775af4cb8d0114b/nld@2026‑01‑20;12315259

agrarisch bedrijfsperceel

/join/id/regdata/gm0363/2024/5317f3eb83224e22a1406b980eb206a1/nld@2026‑01‑20;12315259

agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/6f92811ae00144db903cf4efc6f7fb06/nld@2026‑01‑20;12315259

B-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2025/a98944eee6de4ac19c60a691033ba09e/nld@2025‑06‑11;12401052

baliefunctie uitgesloten

/join/id/regdata/gm0363/2024/985bc422683b4804b4a8a14f46f32140/nld@2026‑01‑20;12315259

baliefunctie uitsluitend op begane grond toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/a4573c5d8d2f405bafa85b8c9aede7b0/nld@2026‑01‑20;12315259

basisschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbcadcf692042eb82380dde83aca903/nld@2026‑01‑20;12315259

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/99a0c15b66da456aa483fb9ad09befd9/nld@2026‑01‑20;12315259

Bed and Breakfast toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aabbffee1a86480e831e62cc3eefdf0f/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijf op de begane grond

/join/id/regdata/gm0363/2025/b0890401c1a240e7bbe59be6bb63327e/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/fd62ec8149774013b33c2530127b7f4f/nld@2026‑01‑20;12315259

bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde

/join/id/regdata/gm0363/2024/99e3c20d43ac48fcb95e74966981e0bf/nld@2026‑01‑20;12315259

begraafplaats toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bad3145415414ba1a9bdad9a6ecc5d9e/nld@2026‑01‑20;12315259

belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/f1180bfa9ddd443e83263f537f1a0f84/nld@2026‑01‑20;12315259

beperkingen erfbebouwing

/join/id/regdata/gm0363/2024/0461bf430af44db8bdd79798a191fd50/nld@2026‑01‑20;12315259

beperkingengebied plaatsgebonden risico

/join/id/regdata/gm0363/2024/4f5821e968ec403b95d4382934acdf56/nld@2026‑01‑20;12315259

beschermingszone archeologie

/join/id/regdata/gm0363/2024/24e285d708454795a562dac3ebc6b494/nld@2026‑01‑20;12315259

beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen

/join/id/regdata/gm0363/2024/519f23fa3df7444e97c171399d775dcf/nld@2026‑01‑20;12315259

beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

/join/id/regdata/gm0363/2025/8da6914ca983417298f3687103e0a5b8/nld@2026‑01‑20;12315259

bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten

/join/id/regdata/gm0363/2024/7bd6678e277f44edb689bd1038a76df9/nld@2026‑01‑20;12315259

bioscoop en filmhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6cd921036f794bc3904accb40cd3871d/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9e1c7b8510d406484b861e100cee2e0/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/687db5fddc3646bab29ac37ac341fa1a/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/d65fd4d058e240bd98b92a7cd45af3bd/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/3034a32a6b8b4316a70d6959821240da/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een mini-supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/119360d6f8034d50a3938eea1362b2e3/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/8472bf6738414b8faa8fde6b2c64ee82/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/0ab682ac0e5343179123592f94d99e9c/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin een supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c60f7cb030a34ea2b8f360f2b8b30a55/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe6acb27c4424e8cb08b631ca7f76864/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin hotel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c930d93746e54597acda4bbd7330145c/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/7211c6b96d434d6383721a3352fcfa73/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c8cbec53306147558dbb832c50429335/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/a74e602d201d4fed9d01a95fe5f08157/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin wonen is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fcd011f4b5d246afbd4f99d61e221180/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/441e7667ebb34c63a26ac39bfda0550f/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8f1b7d6c3384263b34dfe54e20ee27d/nld@2026‑01‑20;12315259

bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/74c2db1a5f6c4b7fb30f6afacb04da3d/nld@2026‑01‑20;12315259

bovengrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/35fb0537184049b6aa74d1f6a166c7d2/nld@2026‑01‑20;12315259

brandvoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/9408e050e6924b8f91e725e5b5d1c56f/nld@2026‑01‑20;12315259

C-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/55647253b2b849b0957d679efbbf7d82/nld@2024‑09‑25;12591980

casino toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/37d7cf1ffa374b9b91510ce45a394888/nld@2026‑01‑20;12315259

civiel explosieaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/0cbbebf84dce47a1bd7d741db42fe504/nld@2026‑01‑20;12315259

complexe bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f1f077ba3e84d7a93b280fe119578b0/nld@2026‑01‑20;12315259

crematorium toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5b4b57f1ee624ddf81c94f357adcd037/nld@2026‑01‑20;12315259

dagmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/69281c26d9444c4fb66dea61c412101e/nld@2026‑01‑20;12315259

datacenters toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7882dd20b27b4ce7a94441d54379f430/nld@2026‑01‑20;12315259

debatcentrum toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/db120551af2c46d5ac7e591bc67299a0/nld@2026‑01‑20;12315259

dierentuin toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/67a10c207e194dc6a9fbbe352a0dbb23/nld@2026‑01‑20;12315259

explosieaandachtsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b120d7052334e69b5380f8d7cf11243/nld@2026‑01‑20;12315259

explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/6d8bc03ec05842eba2a5a7c0b6ff6148/nld@2026‑01‑20;12315259

functiemenging

/join/id/regdata/gm0363/2024/97865e0f318e4b98a4110b5365e8e695/nld@2026‑01‑20;12315259

garagebox

/join/id/regdata/gm0363/2024/79032264debd4a3087bace914e1c9835/nld@2026‑01‑20;12315259

gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/28e00c1666504daeb7e5fb21c4c8d84d/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2024/f8df353de1794ad2a79b4ea7f1e5ea54/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a36a44292fd4c5bbf2a80b70f1cbdbe/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/2db6ef505e694a75ab904bb0e9745080/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/52e8a21190e54e0ebe7ea6648610bc14/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/2822da2c52f140afad6ad3c57682aea0/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/35dbde0065824d7185e2cb24e7cf8c3f/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/5cfea604101a42d28ddd9e8564aa9737/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/7869253fe8ba4717b186a864abbd4176/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht

/join/id/regdata/gm0363/2024/e13002ea79b842e5b1d75bfd379fd91f/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: glastuinbouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b890110cb2a9443a952914d16c66a065/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: groen

/join/id/regdata/gm0363/2024/9bc2aa4e9ed2473391a7911326b59afd/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: hotel

/join/id/regdata/gm0363/2024/e472372918664f0283d124dbd07fd597/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/87ddca9690b042e488bc13313ef23644/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7fcde6c7ba946c4afb76859148c06bf/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2024/ca0a2897bbd446259e8f6f6895f31d65/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: prostitutiebedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/91f437d1fc484b6c8b9d0f31316c375e/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: seksinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/1bbfc7594d08428f9c1937379e53f9d5/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/da90b5262a504fdbab2641942de55322/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij

/join/id/regdata/gm0363/2024/77affb56444a4126a8c1633039bcb3cf/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: verkeer

/join/id/regdata/gm0363/2024/774133cd121848fd92b4facecd5d7dfb/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: volkstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f5785e41f934b88bcc80d9e46b3d87b/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: water

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ccf70e492004693ade99b1da2c44458/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: wonen

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd9e3dc2b7b445d38b76232c332bc147/nld@2026‑01‑20;12315259

gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/a0336b6745d64f4f8e7f8a9db5818075/nld@2026‑01‑20;12315259

geen geluidgevoelige ruimten

/join/id/regdata/gm0363/2024/6bb4a6093c664589ad5e50e086acb146/nld@2026‑01‑20;12315259

geldwisselkantoor

/join/id/regdata/gm0363/2024/3fb253c7fffd48dcb23383a381bb95d0/nld@2026‑01‑20;12315259

geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0363/2024/3c904166ec944b9e8d4c8fe3c4cd94c8/nld@2026‑01‑20;12315259

gemeenschappelijk gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/622239f5fd674b06951579b2d2ef3099/nld@2026‑01‑20;12315259

gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/70f87ae18ab74aae99d3fcbcf340501d/nld@2024‑09‑25;12591980

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a9e3f5e4d3948d7a99ec157bd2db863/nld@2026‑01‑20;12315259

growshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/faeb4929514d46dc88ea2a7ff898bc28/nld@2026‑01‑20;12315259

havengebonden bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7e980776f1d4513b9add497ed862df5/nld@2026‑01‑20;12315259

headshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/fcd1adbe22394d0ca7bdc096b4544be4/nld@2026‑01‑20;12315259

hogeschool en universitair onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1fa142e7c67f4059a0012e6b35f2d074/nld@2026‑01‑20;12315259

huisvesting mantelzorg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f62c1ff058a4b1bad2c4c32d53698c3/nld@2026‑01‑20;12315259

informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

/join/id/regdata/gm0363/2024/047f49c3631e4026b0b4dc258314fe96/nld@2024‑09‑25;12591980

intensieve veehouderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ee4777d7c7944cf90784a31e1965b79/nld@2026‑01‑20;12315259

internetcafé

/join/id/regdata/gm0363/2024/867a53ee2f0f456fabbf5268dae1fea2/nld@2026‑01‑20;12315259

kartbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e36ac73c81124cf796142c9772923e21/nld@2026‑01‑20;12315259

kas toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c8e79339254044ccbcfad3beba997cb0/nld@2026‑01‑20;12315259

kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/1ed487e3976f454397f4532a9d437ce4/nld@2026‑01‑20;12315259

kinderopvang toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6e8f0309694a46db9501542641f05146/nld@2026‑01‑20;12315259

kunstijsbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/708484c1afe64c239ff04f9999477851/nld@2026‑01‑20;12315259

loketverkoop toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9637481718e94f6c89449417c1c4b0da/nld@2026‑01‑20;12315259

manege toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/b6a1372efcf54973ad5f6ad15db8445a/nld@2026‑01‑20;12315259

maximaal aansluitvermogen datacentrum

/join/id/regdata/gm0363/2025/16de19428852490ebb8fbc5196b7c868/nld@2026‑01‑20;12315259

maximale milieuhindercategorie

/join/id/regdata/gm0363/2025/a1b58d18f14a4e41ad82cee37471978c/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bedden

/join/id/regdata/gm0363/2025/7b33741cd740401085235892cc5a2942/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bedden per kamer

/join/id/regdata/gm0363/2025/018f181c4547456a889f67510ac088f3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/40a9695e6d7f4d2c9a2cf30725c3eaa7/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb7b20b59b0c46a5b4d3981ed351311e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal bezoekers sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/4f88a6cdc1a14b96ad2b4a69826e8dd3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal hotelkamers

/join/id/regdata/gm0363/2025/8fab5c06322b49038af52264595762cb/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal kinderopvang

/join/id/regdata/gm0363/2025/288aaf663b7d4fc584d8f9b4aa8bd37e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal marktplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/24df4e6058ea41efbc929b4e29fe2b49/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/6311666523504a8483c611963ee55a59/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal prostitutieramen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6f7dcd7e82a847cd9c2f1da3f779a7cf/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fdd7cecad1474e1c82a05ac634bcc74b/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal rijstroken

/join/id/regdata/gm0363/2025/a335fd8877bb48d4ae01c3cfae98d6bd/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2025/8a3183c16bc745a5a6b2eec57816a2b3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum aantal supermarkten

/join/id/regdata/gm0363/2025/3a989b7edf0a4424a2416649fa826927/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum ashoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/c748cc6a4ed347eca61890bcfbda8d43/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/620e9afa1a6646d5a8d2b853f1e08b97/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/d3ce92b0131d48ffb0e8519225061648/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwdiepte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/74070727311043699d8c7aa2a34cd0b4/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/86f6af05793a4f658118bb892f7a691e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP

/join/id/regdata/gm0363/2025/f8543019a3874e93a65424f1d6f1ec9f/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/5494bddd21bb48b8ad1d91935c8d8bd5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bouwhoogte tribune

/join/id/regdata/gm0363/2025/37c3bbe88ee040ff92442140181b799b/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/542c8e9150a549a1aa0caae9ea7a513c/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2025/a88e04e1d6aa42ef81028df1cf784bc2/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/09b12a71aab44aefad974581c95a8e31/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9b3cec7e52248398d669ee213d342d3/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/a303b33b4a1d48dea50dc6464c7dd33e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2025/139dc29fa78545e991c0ac3b2e4a475d/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/09fb702478214caf9a27e18f24f74f56/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6cb3394b7e094d43b3fa7f04c941c1b6/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte hotel

/join/id/regdata/gm0363/2025/5b4337ce018444ac94052538a79da0c7/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/47443883deb2411881ee7e6240ac73d1/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/f61d2793a9a1451fb2817f6b9ef688f5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/474db66bb48c4d129f5d1bc122bdd52e/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten

/join/id/regdata/gm0363/2025/4d04e811651348f887cca5a7e1a5cba2/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte wonen

/join/id/regdata/gm0363/2025/982708dd488c4251833fc2b38e5e5753/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/b9b3425462a7487ab05e4c4c460f9f32/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/04b0408bacdc4e7ab5d6b58a3310c255/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum hoogte hoogspanningsmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/5f2323aa898e4933ab3bbb08e73d20c5/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum hoogte lichtmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/8ddd52e0f678405286c0f3defd4474ec/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlak paardenbak

/join/id/regdata/gm0363/2025/c899ebae7f504ef3bb0696dc35696f61/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/a59f21973a0143fead23ae84b8fcfc38/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum oppervlakte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/5506b5c826a54498a94fa832478e18b4/nld@2026‑01‑20;12315259

maximum tiphoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/7feea144b8e449b396c43c5496fdefaa/nld@2026‑01‑20;12315259

middelbaar beroepsonderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/f604b17c2699401fa7eac8289b9e87c8/nld@2026‑01‑20;12315259

mini-supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7b043a7086ad49de8c43ecaa5ceabe53/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2eb53f7243a44c2ba3d854f2fbfd752d/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb3cdf90f8c54855abe3915e8aa71c70/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/effc7a91a21a41eca80099025926aa26/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2d3e243b707b42ac84c8751b7f19edda/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/8def934c95a64f20a82e0156068f96e6/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/760b65addb4445fe87ed8042d28e60fb/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/79ee20f96389418e854fd728bb513d94/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bruto-vloeroppervlakte bovengrondse gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/18d8dfcd0a154515a5f8c9651ee509fa/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb4c5231a4c34ef89f9837d2946ed1cf/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum hoogte eerste bouwlaag

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe9b1d732cbc42df80fcf4a99ab20e1d/nld@2026‑01‑20;12315259

minimum hoogte onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0363/2025/e01f0be46c2c45b883245f3f94b46376/nld@2026‑01‑20;12315259

mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten

/join/id/regdata/gm0363/2024/88ce1bb8352e43ad8d198e87ba0b6a4e/nld@2026‑01‑20;12315259

museum en expositieruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c00747192f604350b0510d3cadec1786/nld@2026‑01‑20;12315259

nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9e014586e654d7f8bea75954c1f46a3/nld@2026‑01‑20;12315259

nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3622c719a30b41cebd4867c27c9af865/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2024/578f5a40f019495ebd05aab38054bc2e/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-overdekt zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bb7dc71b98d44253983a0c4d35947c1f/nld@2026‑01‑20;12315259

niet-overdekte paardenbak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/457575204bf04534834fa5a68981b030/nld@2026‑01‑20;12315259

nutstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/80a080db65124fb7aec7bad70db67be6/nld@2026‑01‑20;12315259

ondergronds gebouw toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/544d019ba061485391f1fa5332218e47/nld@2026‑01‑20;12315259

ondergrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a590a5228c144dcadec2e218bd34b00/nld@2026‑01‑20;12315259

ontsluiting parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/19faaa7e49124c21a1fe9e62e416770c/nld@2026‑01‑20;12315259

onzelfstandige woonruimte niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c0b73950f1ba4d8bb95506c84c53d1dc/nld@2026‑01‑20;12315259

onzelfstandige woonruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7aeabeb1967145f4b6a9bbce828ba0d3/nld@2026‑01‑20;12315259

overige instellingen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/af54831bdf8f46a8bf04dc966e5bc652/nld@2026‑01‑20;12315259

overnachten niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/53102a7a78104c40b50794135b9bb664/nld@2026‑01‑20;12315259

parkeerterrein

/join/id/regdata/gm0363/2024/c3983764c9c24856b6112b24d301b6d5/nld@2026‑01‑20;12315259

parkeren op eigen terrein niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/764ca63afc0e484bab58fb14d296f319/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo prostitutiebedrijf 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/cf5dfbd2e61b4d51b546d8865d54f9c8/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo prostitutiebedrijf 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8cd50c7a51b4f6e982b110ebc17a539/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo prostitutiebedrijf 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9c2a4aae40645c98c1b30d379dfa9c7/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/323a0f5e63a94c1fa1cf61a6e361cd1c/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/f4d79b26430f49dbb0c1bc640b62e6e1/nld@2026‑01‑20;12315259

peildatum bvo seksinrichting 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/918301c481e44f3bac789bcfce857668/nld@2026‑01‑20;12315259

periodieke markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/1f3183e822fb496b89a82c9b7c2a796e/nld@2026‑01‑20;12315259

plaatsgebonden risico 10-5 windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2024/22cb42048910493bb9f98e60e5202f05/nld@2026‑01‑20;12315259

publiektoegankelijke (brom)fietsstalling

/join/id/regdata/gm0363/2024/390e86f6e2cc4c6d965bb7338503b58b/nld@2026‑01‑20;12315259

raamprostitutiebedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/64467e79b00f4fc69b492a464575ff9d/nld@2026‑01‑20;12315259

Rie-bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/2722953cf8694fc3879c61a96edabb9d/nld@2026‑01‑20;12315259

rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/3a753034d4f44c84b3c29167515d5b56/nld@2024‑09‑25;12591980

risicobedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4eaef29b32d040fd86796769708f2060/nld@2026‑01‑20;12315259

risicogebied externe veiligheid

/join/id/regdata/gm0363/2024/dd5e76f613644f8d875aacddd7acea0c/nld@2026‑01‑20;12315259

rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/14452d9dad2e46f49942fbec0cb5652b/nld@2026‑01‑20;12315259

ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/46b13a6470aa4e178431220b193c5bdf/nld@2024‑09‑25;12591980

ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/b98b443889514292aa60e2daaf454e30/nld@2024‑09‑25;12591980

seedshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/f64b64c459c5424ebaa5c65bf002e371/nld@2026‑01‑20;12315259

sekswinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/33fe177d5ef94e058a3b869c54c373d6/nld@2026‑01‑20;12315259

short stay toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/784f848e1a0c4b07a7feeae300945da8/nld@2026‑01‑20;12315259

smartshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd86d41bd48b468897c69fc085521b64/nld@2026‑01‑20;12315259

speelautomatenhal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/860d9a4161924f69a1431a55a670a934/nld@2026‑01‑20;12315259

spel en vermaak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5a2bf94296e744b4a87e4ea7c5457184/nld@2026‑01‑20;12315259

spoorweg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e309c810ed0e4d50b52fcd9ea8c583c9/nld@2026‑01‑20;12315259

sportschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/ade8295a055946a0aa4a3d69ccfdf6e5/nld@2026‑01‑20;12315259

staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/41ae2e0e271c4d8281a002598514754e/nld@2026‑01‑20;12315259

supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/620dc0efea534ca4b1a101dcd8c771e6/nld@2026‑01‑20;12315259

telefoneerinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/368d4379830f43a8a86ded83fcfb545c/nld@2026‑01‑20;12315259

theater en concertzaal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/89fb04b1b6824b7b97118dcd109706b7/nld@2026‑01‑20;12315259

tram toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6edeb6ee709a4aac9988ea51f849279d/nld@2026‑01‑20;12315259

tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/150dcfc596c44283932c23ce0c174474/nld@2026‑01‑20;12315259

twee bedrijfswoningen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/3cf91f0e7be34d119246731bb3181a18/nld@2026‑01‑20;12315259

uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b0bfe3415c9b4a7fb7b4337928d212f2/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend ABC-goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/111f8f0f1c074896ba8cc49464aac525/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend afhaaldepot goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/8feabfb850e843ae810e9dd43e80f5b8/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend bouwmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/e732338e5f7a44e1befc8019909a5b82/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend grootschalige detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/cd86aa0be8414a8895d5ca831d845575/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/5d2513a1524c4d4e82f566aead54e5e7/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/339bd4047eea4532ab6077fa6f968382/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend perifere detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/b857c651efcc4da6b7b480c368ad21f3/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend school(werk)tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/b8b77e3957154c0f86a7027860a33a25/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend studentenwoningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d08d8c2969c4b95b4565b0251d57c4c/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/627876bdc82946cdaec22e8623934b1e/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend tuincentrum

/join/id/regdata/gm0363/2024/e18d5aa07c5e4b79833240521c731751/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7f5e5fea1be947618b4db77996ea0f53/nld@2026‑01‑20;12315259

uitsluitend woninginrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/ded22bfe093943b28f5df79bcf998044/nld@2026‑01‑20;12315259

uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2024/e911344e54d1409699d9463dd6546457/nld@2026‑01‑20;12315259

verenigingsgebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/83bcb5d91dbe4af7a5bd5ed5ce4df723/nld@2026‑01‑20;12315259

vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/e26123bf32b047cab10350ad1f0df622/nld@2026‑01‑20;12315259

verkoop LPG toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/47ae2f6ed5bf4234aab0f2d530e96d85/nld@2026‑01‑20;12315259

verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7648125de737466d939bb7db3df4cc4c/nld@2026‑01‑20;12315259

verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/468d2ab053b54f2390fe81942195add2/nld@2026‑01‑20;12315259

verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/a09bdda99a0e456cb192c1b7f75ea292/nld@2024‑09‑25;12591980

verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b063da5b41f4ebe9fb36a6054bd4b8d/nld@2024‑09‑25;12591980

voorgeschreven rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/f3a9dd2ae2e64dc5bc4dabc1686ac067/nld@2026‑01‑20;12315259

voorgeschreven rooilijn (minimum %)

/join/id/regdata/gm0363/2025/fd46f6576f784af8910a49fac8a13506/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - geluid

/join/id/regdata/gm0363/2024/70c8d916e0c84c65878470cebc66c9d2/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbdd9316e0141f88e59d1c9a6c45981/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - slagschaduw

/join/id/regdata/gm0363/2024/8afebd6676bb426080110b4c335c72c4/nld@2026‑01‑20;12315259

voormalige functionele binding - trilling

/join/id/regdata/gm0363/2024/435fab2ebccf4e46a46e24cba90459bc/nld@2026‑01‑20;12315259

voortgezet onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aec256ab8616447aaeb70b8e331ddabb/nld@2026‑01‑20;12315259

vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

/join/id/regdata/gm0363/2024/34a605e93bd14ee3bc5fb6f00f070896/nld@2026‑01‑20;12315259

vrijwaringsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ae2f90379dd4e20b8c1a2ceba71edca/nld@2026‑01‑20;12315259

watersportvoorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/840839c5e31540b0875533dc60362d72/nld@2026‑01‑20;12315259

weekmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/298881acc2e94d319246aa697cd8298e/nld@2026‑01‑20;12315259

weg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4c70d1af1a8745bca7dae3f2d5becfa1/nld@2026‑01‑20;12315259

wellness toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/97473188793b4681b22b7a5ce522733b/nld@2026‑01‑20;12315259

windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/94e4656a04ea436a9ac76c4eae95be89/nld@2026‑01‑20;12315259

woonschip - afwijkende geluidsnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/270127bbec214155898fb9816e8aba7e/nld@2026‑01‑20;12315259

ziekenhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1e820b3b041f4bbb847946c0bccd131e/nld@2026‑01‑20;12315259

Zone 1: hoge stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/2e0c95a3f93742f2a89228136788021b/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d1307cc877c47d2a769d28a8c7794d8/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 3: lage stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/74f0152fdb75470f988c022c66c95e8d/nld@2024‑09‑25;12591980

zorgwoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/99867d9738bc49519f4e70e23c86462f/nld@2026‑01‑20;12315259

zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ecc40b6c6cb4621b8c6185bf0f7c07f/nld@2026‑01‑20;12315259

Bijlage III Begripsbepalingen behorend bij artikel 1.1vierde lid, van dit omgevingsplan

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

Bijlage IV Parkeernormering voor auto's

1 Parkeernormering voor auto's

Parkeernormering voor auto's

Bijlage V Normering fietsstalling 

1 Normering fietsstalling 

Normering fietsstalling

Bijlage VI Lijst van bedrijfsactiviteiten

1 Lijst van bedrijfsactiviteiten

OMSCHRIJVING

 CATEGORIE

LANDBOUW EN DAARMEE SAMENHANGENDE ACTVITITEITEN

 

Loonbedrijven, plantsoenendiensten, hoveniersbedrijven e.d. 

 

- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m²

3.1

- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.<= 500 m² 

2

- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m²

3.1

- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m²

2

 

 

VISSERIJ- EN VISTEELTBEDRIJVEN

 

Zeevisserijbedrijven

3.2

Binnenvisserijbedrijven

3.1

Vis- en schaaldierkwekerijen

 

- oester-, mossel- en schelpenteeltbedrijven

3.2

- visteeltbedrijven

3.1

 

 

AARDOLIE- EN AARDGASWINNING

 

Aardolie- en aardgaswinning:

 

- aardoliewinputten

4.1

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.: < 10.000.000 N m3/d

5.1

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.: >= 10.000.000 N m3/d

5.2

 

 

WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D.

 

Steen-, grit- en krijtmalerijen (open lucht):

 

- algemeen

4.1

- steenbrekerijen

5.2

Zoutwinningbedrijven

3.2

Mergel- en overige delfstoffenwinningbedrijven

5.1

 

 

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

 

Slachterijen en overige vleesverwerking:

 

- slachterijen en pluimveeslachterijen

3.2

- vetsmelterijen

5.2

- bewerkingsinrichting van darmen en vleesafval

4.2

- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. > 1000 m²

3.2

- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 1000 m²

3.1

- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 200 m²

3.1

- loonslachterijen

3.1

- vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en-klaar maaltijden met p.o. < 2.000 m² 

3.1

Visverwerkingsbedrijven:

 

- drogen

5.2

- conserveren

4.1

- roken

4.2

- verwerken anderszins: p.o.> 1000 m²

4.2

- verwerken anderszins: p.o. <= 1000 m²

3.2

- verwerken anderszins: p.o. <= 300 m²

3.1

Aardappelproducten fabrieken:

 

- vervaardiging van aardappelproducten

4.2

- vervaardiging van snacks met p.o. < 2.000 m²

3.1

Groente- en fruitconservenfabrieken:

 

- jam

3.2

- groente algemeen

3.2

- met koolsoorten

3.2

- met drogerijen

4.2

- met uienconservering (zoutinleggerij)

4.2

Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

 

- p.c. < 250.000 t/j

4.1

- p.c. >= 250.000 t/j

4.2

Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

 

- p.c. < 250.000 t/j

4.1

- p.c. >= 250.000 t/j

4.2

Margarinefabrieken:

 

- p.c. < 250.000 t/j

4.1

- p.c. >= 250.000 t/j

4.2

Zuivelproducten fabrieken:

 

- gedroogde producten, p.c. >= 1,5 t/u

5.1

- geconcentreerde producten, verdamp. cap. >=20 t/u

5.1

- melkproducten fabrieken v.c. < 55.000 t/j

3.2

- melkproducten fabrieken v.c. >= 55.000 t/j

4.2

- overige zuivelproducten fabrieken

4.2

Consumptie-ijsfabrieken: p.o. > 200 m²

3.2

- consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m²

2

Meelfabrieken: 

 

- p.c. >= 500 t/u

4.2

- p.c. < 500 t/u

4.1

Grutterswarenfabrieken

4.1

Zetmeelfabrieken:

 

- p.c. < 10 t/u

4.1

- p.c. >= 10 t/u

4.2

Veevoerfabrieken:

 

- destructiebedrijven

5.2

- beender-, veren-, vis-, en vleesmeelfabriek

5.2

- drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. < 10 t/u water

4.2

- drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. >= 10 t/u water

5.2

- mengvoeder, p.c. < 100 t/u

4.1

- mengvoeder, p.c. >= 100 t/u

4.2

Vervaardiging van voer voor huisdieren

4.1

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

 

- v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens

2

- v.c. >= 7500 kg meel/week

3.2

Banket, biscuit- en koekfabrieken

3.2

Suikerfabrieken:

 

- v.c. < 2.500 t/j

5.1

- v.c. >= 2.500 t/j

5.3

Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

 

- Cacao- en chocoladefabrieken: p.o. > 2.000 m²

5.1

- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 2.000 m²

3.2

- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m²

2

- Suikerwerkfabrieken met suiker