Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR696162
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR696162/5
Bij deze regeling horen andere regelingen die er juridisch onderdeel van zijn, zie het overzicht andere regelingen bij de wetstechnische informatie.
Geldend van 24-04-2026 t/m heden
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
-
1
Voor dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen in Bijlage 1.
-
2
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit:
-
3
De begripsbepalingen bedoeld in Artikel 1.1, lid 2 volgen steeds de nieuwste geldende versie van de genoemde regelingen.
-
4
De begripsbepalingen van dit omgevingsplan gelden niet voor de regels van Hoofdstuk 32 Voorlopige regels. Voor de regels van Hoofdstuk 32 gelden de begrippen van de laatste versie van de 'Bruidsschat omgevingsplan'. Deze zijn te vinden in Bijlage 1 Omgevingsplan gemeente Groningen per 1 januari 2024.
Afdeling 1.2 Meet- en rekenregels
Artikel 1.2 Meetregels
-
1
Afstanden worden gemeten op de volgende manier:
-
a.
afstanden tussen bouwwerken: loodrecht;
-
b.
afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen, bouwgrenzen en te vergelijken grenzen: loodrecht op de grens;
-
c.
afstanden die afgelegd of overbrugd moeten worden via een route, zoals aansluitafstanden, ontsluitingen en loopafstanden: de kortste afstand die via de route mogelijk is, c.q. de kortste route die redelijkerwijs mogelijk is;
-
d.
afstand tussen schepen: loodrecht.
-
a.
-
2
Andere maten worden gemeten op de volgende manier:
- 1 bouwhoogte van bouwwerken op het land:
-
de afstand van het hoogste punt van een bouwwerk tot de hoogte van het aangrenzend terrein. Het aangrenzende terrein is het natuurlijk verloop van het terrein rond het bouwwerk.
- 2 bouwhoogte van bouwwerken op of in het water die niet meebewegen met het wateroppervlak:
-
de afstand van het wateroppervlak tot aan het hoogste punt van het gebouw of een ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen.
- 3 breedte van drijvende bouwwerken en varende schepen voor verblijf:
-
de afstand tussen de zijkanten van het schip, daarin begrepen gangboorden en eventuele aanbouwsels aan de zijkanten.
- 4 dakhelling:
-
langs het dakvlak, ten opzichte van het horizontale vlak.
- 5 gebouwoppervlakte:
-
tussen de buitenkant van de buitenste uitwendige scheidingsconstructies en/of het hart van de scheidingsmuren, verticaal geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; oppervlakten gelden zowel boven- als ondergronds, tenzij een regel in dit omgevingsplan iets anders meldt.
- 6 gebruiksoppervlakte van een woning:
-
de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580, waarbij niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld.
- 7 goothoogte van een bouwwerk:
-
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
- 8 hoogte van drijvende bouwwerken:
-
de afstand van het wateroppervlak tot aan het hoogste punt van het gebouw of een ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen.
- 9 hoogte van schepen en andere drijvende objecten die geen bouwwerk zijn:
-
de afstand van het wateroppervlak tot de bovenkant (dek of dak) van het schip, masten, antennes en schoorstenen daaronder niet begrepen.
- 10 inhoud van een gebouw:
-
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuur en de buitenzijde van daken, dakkapellen en dakopbouwen.
- 11 lengte, breedte en diepte van een gebouw:
-
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevelvlakken en/of de buitenkant dakoverstek en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven.
- 12 lengte van drijvende bouwwerken en varende schepen voor verblijf:
-
de afstand tussen de voorkant en achterkant van een schip over alles gemeten, inclusief eventuele aanbouwsels, maar exclusief roer en een eventuele boegspriet of kluiverboom.
- 13 netto-hoogte van de gebruiksoppervlakte
-
loodrechte afstand tussen de bovenkant van een afgewerkte vloer of het aansluitende terrein en de onderkant van een daarboven aanwezig plafond, vloer of dak, waarbij incidentele constructiedelen buiten beschouwing worden gelaten.
- 14 oppervlakte van een bouwwerk:
-
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
- 15 oppervlakte, bruto-vloeroppervlakte (BVO)
-
het vloeroppervlak van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen.
- 16 oppervlakte, winkelverkoopvloeroppervlak (WVO)
-
het vloeroppervlak van een (winkel)unit dat voor het publiek vrij toegankelijk is, dan wel zichtbaar is, inclusief de ruimten die direct met de verkoop of het uitvoeren van diensten samenhangen.
Afdeling 1.3 Algemene regels
Artikel 1.3 Waar regels gelden
Als niet is genoemd waar een regel geldt, geldt de regel voor het gebied nieuwe regels.
Artikel 1.4 Meten in grensgevallen
Als een activiteit zich uitstrekt over plaatsen waar de regels verschillen, dan moet de activiteit op elke plaats voldoen aan de regels die daar gelden. Dat geldt ook voor getalsmatige of tekstuele normen: de activiteit moet op elke plek voldoen aan de daar geldende waarde(n).
Deze regel geldt niet als een andere regel het expliciet anders regelt.
Artikel 1.5 Algemene voorrangsregel
-
1
Wijken de regels van Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen tot en met Hoofdstuk 31 Overgangsrecht van dit omgevingsplan af van de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a en b Omgevingswet? Of van de regels in Hoofdstuk 32 Voorlopige regels van dit omgevingsplan? Dan gaan de regels van Hoofdstuk 1 tot en met Hoofdstuk 31 voor. De andere onderdelen van het tijdelijk deel en van Hoofdstuk 32 blijven wel gewoon gelden.
-
2
Staat ergens anders in dit omgevingsplan een regel die de voorrang in specifieke gevallen anders regelt? Dan geldt die.
Hoofdstuk 2 Doelen
Afdeling 2.1 Doelen omgevingsplan
Paragraaf 2.1.1 Algemene doelen
Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan
Met dit omgevingsplan streven we, binnen de doelen van de Omgevingswet, het volgende hoofddoel na: het zorgen voor een zo hoog mogelijke leefkwaliteit in een groene, gezonde en veilige omgeving.
Om het hoofddoel te bereiken zijn de volgende subdoelen geformuleerd:
-
a.
het zorgen voor een groter, meer gespreid en toegankelijk aanbod van woningen;
-
b.
het ontwikkelen van gemengde stedelijke gebieden met zowel ruimte voor woningen als bedrijven;
-
c.
het realiseren van meer groen in de gemeente;
-
d.
het laten meegroeien van voorzieningen, passend bij de specifieke behoeften van wijken en dorpen;
-
e.
het autoluw maken van de binnenstad en het bieden van ruimte aan voetgangers en fietsers;
-
f.
het beschermen en versterken van de karakteristieke waarden in de gemeente;
-
g.
het inpassen van de energietransitie op een landschappelijk verantwoorde wijze.
Hoofdstuk 3 Aanwijzing van gebieden en objecten
Afdeling 3.3 Aanwijzingen cultureel erfgoed
Paragraaf 3.3.1 Aanwijzingen archeologie
Artikel 3.4 Aanwijzing aandachtsgebied archeologische verwachting
Het gebied 'aandachtsgebied archeologische verwachting' is aangewezen met de functie-aanduiding 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 3.5 Aanwijzing gemeentelijk archeologisch monument
Objecten en/of waarden op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk archeologisch monument' zijn aangewezen als gemeentelijk archeologisch monument.
Artikel 3.5a Archeologische Rijksmonumenten
In het gebied ‘archeologische Rijksmonumenten’ bevinden zich door het Rijk aangewezen archeologische rijksmonumenten.
Paragraaf 3.3.2 Rijksmonumenten
Artikel 3.6 Rijksmonumenten
In het gebied 'rijksmonumenten' bevinden zich door het Rijk aangewezen rijksmonumenten.
Paragraaf 3.3.3 Aanwijzing gemeentelijke monumenten
Artikel 3.7 Aanwijzing gemeentelijke monumenten
Een gemeentelijk monument is een monument dat is opgenomen in Bijlage 5, en dat is aangewezen op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'.
Paragraaf 3.3.4 Aanwijzingen overige gebouwen en objecten
Artikel 3.8 Aanwijzing karakteristieke gebouwen en objecten
Karakteristieke gebouwen en objecten zijn gebouwen en gebouwde objecten die zijn opgenomen in Bijlage 6, en die zijn aangewezen met de functie-aanduiding 'karakteristieke gebouwen en objecten'.
Paragraaf 3.3.5 Aanwijzing monumentale bomen en houtopstanden
Artikel 3.9 Aanwijzing monumentale bomen en houtopstanden
Monumentale bomen en houtopstanden zijn aangewezen met de functie-aanduiding 'monumentale bomen en houtopstand'.
Afdeling 3.4 Aanwijzingen beperkingengebieden, aandachtsgebieden etc.
Paragraaf 3.4.1 Aanwijzingen infrastructuur
Artikel 3.11 Aanwijzing vrijwaringsgebied rioolpersleiding
Het gebied vrijwaringsgebied rioolpersleiding' is aangewezen met de functie-aanduiding 'vrijwaringsgebied rioolpersleiding'.
Paragraaf 3.4.2 Aanwijzingen geluid
Artikel 3.13 Aanwijzing geluidaandachtsgebied gemeentewegen
In het gebied 'geluidaandachtsgebied wegen' kunnen plichten en beperkingen gelden vanwege het geluidaandachtsgebied dat daar ligt volgens artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In dit geval gaat het om een geluidaandachtsgebied rond gemeentelijke wegen en waterschapswegen.
Artikel 3.14 Aanwijzing industrieterreinen Wet geluidhinder
-
1
De industrieterreinen in de volgende leden zijn aangewezen als een industrieterrein zoals bedoeld in de ingetrokken Wet geluidhinder.
-
2
Het 'industrieterrein Zuidoost'.
Artikel 3.15 Aanwijzing geluidzones Wet geluidhinder
-
1
De geluidzones in de volgende leden zijn aangewezen als een geluidzone voor een industrieterrein zoals bedoeld in de ingetrokken Wet geluidhinder.
-
2
De 'geluidzone industrie Zuidoost' is de geluidzone die hoort bij industrieterrein Zuidoost.
Hoofdstuk 4 Ontwikkelgebieden
Afdeling 4.2 Ontwikkelgebied Stadshavens
Paragraaf 4.2.1 Ontwikkelgebied Stadshavens - aanwijzingen
Artikel 4.1 Stadshavens ontwikkelgebied - aanwijzing
Het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens' is aangewezen als ontwikkelgebied Stadshavens.
Artikel 4.2 Stadshavens deelgebied Noordoost - aanwijzing
Het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost' is aangewezen als deelgebied Noordoost in het ontwikkelgebied Stadshavens.
Artikel 4.3 Stadshavens deelgebied Noordwest - aanwijzing
Het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest' is aangewezen als deelgebied Noordwest in het ontwikkelgebied Stadshavens.
Artikel 4.4 Stadshavens deelgebied Zuidoost - aanwijzing
Het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost' is aangewezen als deelgebied Zuidoost in het ontwikkelgebied Stadshavens.
Artikel 4.5 Stadshavens deelgebied Zuidwest - aanwijzing
Het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidwest' is aangewezen als deelgebied Zuidwest in het ontwikkelgebied Stadshavens.
Paragraaf 4.2.2 Ontwikkelgebied Stadshavens - doelen
Artikel 4.6 Ontwikkelgebied Stadshavens - doelen
De stad Groningen blijft groeien. Het gebied Stadshavens is één van de 'ontwikkelzones' in Groningen waaraan in de komende jaren een nieuwe invulling zal worden gegeven, om zo (een deel van) de groei van de stad op korte termijn te kunnen opvangen. Om dit te bereiken en ervoor te zorgen dat de invulling aansluit op de lokale behoeften en het karakter van Groningen, zijn meerdere doelen voor Stadshavens geformuleerd.
Doel 1: het faciliteren van een deel van de groei van de stad Groningen in Stadshavens
Het eerste doel volgt uit de Omgevingsvisie ‘Levende Ruimte’ van de gemeente Groningen, waarin de behoefte en noodzaak centraal staat om de gemeente leefbaar te houden voor iedereen. Stadshavens zal één van de gebieden zijn waarin de groei van de stad gedeeltelijk zal worden opgevangen. De gemeenteraad heeft naast de Omgevingsvisie ook een Woonvisie vastgesteld met als ondertitel ‘Een thuis voor iedereen’, waarin enkele speerpunten uit de Omgevingsvisie nader worden uitgewerkt. Deze ondertitel geeft al aan dat bij het tegemoetkomen aan de groeiende vraag naar woningen in Groningen niet alleen rekening gehouden wordt met de hoeveelheid woningen die nodig is, maar ook met de verschillende doelgroepen voor wie deze woningen worden gebouwd.
Specifiek wordt de groei van Groningen in Stadshavens opgevangen door daar ruimte te maken voor 2.400 woningen in de deelgebieden Noordwest, Noordoost en Zuidoost, waarbij wordt ingezet op minimaal 15% sociale huurwoningen bij nieuwbouw, en 10% middenhuur. Dit is afgestemd op de lokale vraag, waarbij ook rekening is gehouden met de bestaande woningvoorraad en de vraag naar woningen in overige stadsdelen, om uiteindelijk te zorgen voor een goede balans tussen vraag en aanbod in de gehele stad. Naast huurwoningen zullen in Stadshavens ook koopwoningen gebouwd worden in verschillende prijssegmenten. Dit laat zien hoe bij de ontwikkeling van het gebied maatwerk wordt geleverd en hoe dit zich vertaalt in plannen die zijn afgestemd op de lokale behoefte.
Naast het deels voorzien in de vraag naar woningen in Groningen, valt onder dit doel ook het bieden van de mogelijkheid aan maatschappelijke organisaties en ondernemers om zich te vestigen in Stadshavens. Om dit te faciliteren wordt minimaal 24.000 en maximaal 30.000 m2 aan commerciële en maatschappelijke bedrijfsruimte gerealiseerd. Op deze manier wordt niet alleen voorzien in de groeiende woningbehoefte die in Groningen bestaat, maar is er ook ruimte voor andere voorzieningen in het gebied die de levendigheid en het voorzieningenniveau versterken. Daarnaast zal een park worden aangelegd met ruimte voor ontmoeting, spelen, sport, horeca en cultuur op de huidige locatie van de zandoverslag. Zo wordt Stadshavens een divers en levendig stadsdeel, met ruimte om te wonen, werken en ontspannen.
Doel 2: het beschermen van de cultuurhistorische waarden door de instandhouding van karakteristieke gebouwen en objecten en gemeentelijke monumenten
Naast het faciliteren van een deel van de groei van de stad geldt er nog een doel voor de ontwikkeling van het gebied, namelijk het behoud van de cultuurhistorische en karakteristieke waarden van Stadshavens. Niet voor niets luidt één van de uitgangspunten van de Omgevingsvisie: ‘Benutten en beschermen van bestaande kwaliteiten en zorgdragen voor cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden’.
Zo zijn in Stadshavens enkele historische gebouwen aanwezig die karakter geven aan het gebied en daarom behouden blijven, wat zal resulteren in een interessante en aantrekkelijke combinatie van nieuw en oud. Een voorbeeld van het in stand houden van het karakter van Stadshavens is de oude Cova-fabriek aan het Damsterdiep. Het stookhuis en de schoorsteen van de fabriek worden behouden en zullen geïntegreerd worden in de plannen voor Stadshavens. Ook blijven bijvoorbeeld de zakkenloods en de EMG-silo behouden. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met het cultureel erfgoed in en rondom Stadshavens.
Doel 3: het versterken van groen en het realiseren van een netwerk van verbindingen
Een derde doel is om Stadshavens zo in te richten dat ook ruimte over blijft voor het realiseren, dan wel het behouden van een natuurlijke omgeving. Daarbij valt onder meer het zorgen voor een groene inrichting van de (openbare) ruimte. Om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de beschikbare ruimte zal nieuwbouw in Stadshavens met name bestaan uit hogere bouw, zodat in de openbare ruimte voor een groene en blauwe invulling bestaat. Zowel ter plaatse van het Havenpark, park damsterdiep, als in de nieuwe bouwvelden wordt groen gerealiseerd. Bij de concrete uitwerking wordt gekeken op welke wijze verbindingen tussen groen in en om Stadshavens tot stand kan worden gebracht. Door het groen met elkaar te verbinden, krijgt dit een meerwaarde voor de biodiversiteit.
Doel 4: het benutten van de diversiteit en karakteristieke kwaliteiten in Stadshavens
Stadshavens moet een divers en eigenzinnig deel van de stad Groningen worden. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het gebied langs de kade. Hier wordt specifiek gezorgd voor het realiseren van bebouwing die aantrekkelijk en afwisselend is, maar waarbij toch aandacht wordt besteed aan het creëren van een goede samenhang met de bebouwing in de directe omgeving.
Doel 5: heroriëntatie op het water
Onder meer vanwege de gunstige ligging van Stadshavens speelt water een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het gebied. Zo wordt een deel van het gebied langs het water ingericht als een plek waar mensen samen kunnen komen om te ontspannen en genieten. Daarnaast speelt Stadshavens als onderdeel van de Eemskanaalzone een belangrijke rol bij het creëren van een verbinding tussen de verschillende delen van de stad onderling, en de bereikbaarheid van de stad in het algemeen. Deze heroriëntatie op het water draagt hiermee bij aan het realiseren van een gezonde, aantrekkelijke, en daarmee toekomstbestendige stad.
Doel 6: het ontwikkelen van een levendige, sociaal veilige woon-, werk- en leefomgeving in Stadshavens
Dit zesde en laatste doel heeft in feite raakvlakken met alle eerdergenoemde doelen. Door maatwerk toe te passen wordt Stadshavens een divers gebied waarin zowel gewoond als gewerkt kan worden, maar het is van groot belang dat het gebied tegelijk veilig en leefbaar blijft.
Hierbij hoort onder meer het zorgen voor een goede bereikbaarheid van het gebied. In het bijzonder omdat Stadshavens een verbinding vormt tussen de Groningse binnenstad en het ommeland. Daarom worden voet- en fietspaden aangelegd ten behoeve van de bereikbaarheid van Stadshavens voor zowel bezoekers als bewoners. Verder blijft het gebied autoluw, wat ten goede komt aan de veiligheid in Stadshavens. Ook worden de parkeerplaatsen bij hoogbouw inpandig aangelegd, zodat niet in openbaar gebied geparkeerd hoeft te worden.
Doordat er geen auto’s meer in het openbaar gebied zijn creëren we dus leefkwaliteit. Door bewust om te gaan met de beschikbare ruimte, ontstaat de mogelijkheid om deze in te richten ten behoeve van het verbeteren van de leefkwaliteit in Stadshavens. Zo is er in het openbaar gebied aandacht voor het creëren van plaatsen waar men kan ontspannen en samenkomen, zowel voor omwonenden als voor bezoekers van de stad. Onder meer het in doel 3 genoemde park waarin gerecreëerd en gesport kan worden is hier een voorbeeld van, net als de ontmoetingsplekken langs het water waarover gesproken wordt in doel 5 en de plekken en tussenpleintjes die in de deelgebieden worden gerealiseerd.
Conclusie
Aan de hand van bovenstaande doelen is te zien dat in Stadshavens ruimte zal zijn om te wonen, werken en te recreëren. Hierbij wordt per deelplan specifiek onderzocht aan welk soort woningen en bedrijven behoefte bestaat, om zo de groei van de stad Groningen te faciliteren. Dat het gebied desondanks autoluw zal zijn, draagt bij aan het creëren van een rustige, veilige en leefbare omgeving. Ook wordt het karakter van Stadshavens niet uit het oog verloren, zowel door het behoud van bestaande cultuurhistorische en karakteristieke elementen als het versterken van groen in de omgeving. Zo wordt Stadshavens ingericht als een levendig en veelzijdig gebied voor iedereen.
Paragraaf 4.2.3 Ontwikkelgebied Stadshavens - regels voor de ontwikkeling
Artikel 4.7 Stadshavens - functietoedeling
Voor het 'ontwikkelgebied Stadshavens' wordt een industrie- en bedrijventerrein getransformeerd naar een levendige, compacte woonwijk met maatschappelijke en commerciële voorzieningen.
Artikel 4.8 Stadshavens deelgebied Zuidoost - functietoedeling
In aanvulling op het bepaalde in Artikel 4.7 wordt, in het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost', een Havenpark gerealiseerd. Het park krijgt, naast het wonen en SES-compensatie, onder andere een bijzondere rol als kunst-, sport-, cultuur- en beweegpark: een openbare ruimte waar sport- en spelfaciliteiten, culturele broedplaatsen samenkomen in een parkachtige setting met een duidelijke verbinding met het water en waar ruimte is voor kleinere (culturele en muziek)evenementen. De kracht van de combinatie’ voegt een geheel nieuwe dimensie toe aan bewegen, verblijven en de openbare ruimte in Groningen. Door de integrale aanpak ontstaat één parkgebied dat als geheel werkt als groene, culturele en sportieve broedplaats. Dus een vrije ruimte die de inwoners de kans geeft om te ontmoeten, te verblijven en actief te zijn.
Artikel 4.9 Gouden regels ontwikkelgebied Stadshavens
Ter plaatse van het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens' gelden de volgende gouden regels als kader voor de ontwikkeling van Stadshavens:
Regel 1: een ongedeelde wijk
Stadshavens is voor iedereen toegankelijk om te wonen, te verblijven en te gebruiken. De belangrijkste pijlers hiertoe zijn: een evenwichtig woon- en werkprogramma, verschillende typen publieke functies en een voor iedereen toegankelijke openbare ruimte.
Regel 2: klimaatrobuust, sociaal en energetisch duurzaam
Stadshavens heeft een klimaatrobuuste groenstructuur en een systematiek om regenwater voldoende vast te houden. De structuur is bedoeld om verblijfscomfort maar ook verkoeling en beschutting te bieden voor mens, flora en fauna. Stadshavens is natuurinclusief en aardgasloos; er wordt geanticipeerd op duurzame energiestromen. In de openbare ruimte is er de mogelijkheid om te bewegen en te ontmoeten.
Regel 3: vaste plandelen
Het ontwerp en profiel voor het Damsterdiep en de kade aan de noordzijde van het Eemskanaal staan vast om de kwaliteit en samenhang van de wijkoverstijgende elementen te borgen. Deze 'lange lijnen' vormen de eerste orde openbare ruimtes. Hierin is de aanhechting aan de grotere stad georganiseerd: de routes, de doorlopende straatbeelden maar ook het ondergrondse pakket van kabels en leidingen. Ook is het Havenpark - in het verlengde van de Sontweg - als een van de vaste plandelen gedefinieerd.
Regel 4: de groene werf
De kade aan de noordzijde van het Eemskanaal is met het Damsterdiep verbonden door een schakering van openbare ruimtes die samen de (groene) werfvloer vormen.
Regel 5: dooradering
Volgend uit de uitwerking van de gebouwensembles ontstaat een kleinschalig netwerk van straatjes, hoven, binnenterreinen en pleinen. Randvoorwaarde is het bewerkstellingen van een dwaalmilieu en een dooradering van routes door het hele gebied heen. De dwarsverbanden in noord-zuid richting tussen het Damsterdiep en de kade aan de noordzijde van het Eemskanaal en het oost-west verband tussen Balkgat en Eltjo Ruggeweg in het midden van de zone tussen Damsterdiep en kade, vormen de tweede orde openbare ruimtes. Op de kruispunten tussen de noord-zuid en oost-west routes ontstaan buurtpleinen. Het dwaalmilieu en de dooradering vormen de derde orde openbare ruimtes. Het principe en een indicatie van de maatvoering van de tweede en derde openbare orde ruimtes liggen vast, de uitwerking is flexibel: volgend uit de uitwerking van de gebouwensembles.
Regel 6: deelgebieden en gebouwensembles: expressie en samenhang
Een ontwikkelgebied is onderverdeeld in deelgebieden en daarbinnen in gebouwensembles. Gebouwen kunnen binnen het deelgebied en binnen de gebouwensembles een eigen expressiviteit hebben en divers zijn, maar het geheel van gebouwen spreekt één taal en zet een samenhangend beeld neer. Een bijzonder gebouw of gebouwensemble is in het Havenpark als landmark gepositioneerd.
Regel 7: diversiteit in één gezicht
Diversiteit in één gezicht ontstaat doordat het gebied als geheel één samenhangende uitstraling heeft; verschillende gebouwensembles maken deel uit van de totaalsamenhang. De gebouwen beslaan daarin vijf sporen:
-
●
representatief naar het Damsterdiep;
-
●
eigenzinnig en expressief aan de kade, maar wel op basis van een plint;
-
●
het middendeel legt relaties tussen het Damsterdiep, de kade aan de noordzijde van het Eemskanaal (noord- zuid richting) en Balkgat en Eltjo Ruggeweg (oost-west-verbinding). De gebouwensembles maken een dwaalmilieu met straatjes, binnenterreinen, hoven en pleinen;
-
●
de buurtpleinen aan het kruispunt tussen de oost-west en noord-zuid routes door het gebied (tweede orde) zijn drager voor een actief straatbeeld;
-
●
een bijzondere landmark in het Havenpark.
Regel 8: transparantie in het bouwpatroon
Het bouwpatroon heeft als geheel een transparante opzet. De relatie met het water is door het hele ontwikkelgebied heen ervaarbaar. Dit wordt bijvoorbeeld bereikt door te ontwerpen aan gebouwen en gebouwensembles met vizieren en zichtrelaties, aan de positionering van binnenterreinen en aan de compositie, richting en geleding van de gebouwgevels.
Regel 9: de groene werf & binnenterreinen in de volle grond
Naast de groenstructuur in de openbare ruimte hebben de binnenterreinen hun eigen groene uitwerking. Ieder deelgebied heeft minimaal één groot binnenterrein in de volle grond. Een hof dat daadwerkelijk als flinke 'stadstuin' wordt ingericht, met volwaardige bomen en minimale verharding. Overige binnenterreinen, eventueel bovenop een parkeergarage, zijn ook groen ingericht en werken als verblijfsruimte voor de bewoners. Per deelgebied ligt de balans onbebouwd - bebouwd op 60%-40%. Daarbij tellen de (half)verdiepte parkeergarages en het parkeren in gebouwen niet mee als bebouwd oppervlak.
Regel 10: een autovrij straatbeeld
In Stadshavens is het straatbeeld autovrij; in principe staan er geen auto's in de openbare ruimte, er worden gebouwde parkeergarages gerealiseerd. Incidenteel verkeer (hulpdiensten, afvalinzameling, etc.) is wel mogelijk. In de openbare ruimte worden plekken aangewezen voor laden en lossen bij de commerciële en maatschappelijke voorzieningen.
Regel 11: inpandig fietsparkeren
Het fietsparkeren voor de nieuwe functies wordt inpandig per gebouw/gebouwensemble in een gezamenlijke fietsenstalling gerealiseerd. Makkelijk toegankelijk op hetzelfde niveau als het aansluitende terrein. De fietstoegang is duidelijk zichtbaar, herkenbaar en zoveel mogelijk gericht op de doorfietsroute. De voetgangerstoegang is nabij de eindbestemming, dichtbij de in- en uitgang van het gebouw/gebouwensemble. De fietsenstalling en de toegangen tot de fietsenstalling zijn sociaal veilig.
Regel 12: een actieve, open en transparante begane grond
Stadshavens kenmerkt zich door een actieve begane grond gecombineerd met hoogwaardige openbare ruimtes. De interactie tussen beiden staat centraal in het toekomstige straatbeeld. Daarom is de begane grond met bijzondere aandacht ontworpen - zowel ruimtelijk als ook programmatisch. Flexibel wonen/werken en commerciële en maatschappelijke voorzieningen op de begane grond creëren een levendige sfeer en bruisend straatbeeld.
Extra hoogte op de begane grond en een maximaal open en transparant gevelbeeld vormen het uitgangspunt. Daarom worden de fietsenstallingen en de installatieruimtes voor nutsvoorzieningen in de gebouwen en kunstwerken ingepast, uitgezonderd voorzieningen voor varende schepen. Er mag geen dicht gevelbeeld ontstaan. Een goede programmering van de begane grond mag niet belemmerd worden.
Regel 13: markante plekken en bestaande karakteristieken zijn identiteitsdragers
Bestaande karakteristieken worden ingezet ter verankering van de 'eigenheid' van het gebied. Het samenspel van Stadshavens met (nieuwe) markante plekken maakt als geheel de identiteitsdragers voor het nieuwe ontwikkelgebied.
Artikel 4.10 Ontwikkelregels Stadshavens
Voor de gebieden ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest, ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost en ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost gelden de volgende ontwikkelregels.
Woonprogramma
-
a.
Het totaal aantal woningen (exclusief het bestaande aantal) is maximaal 2.400, met de volgende verdeling per deelgebied:
-
b.
Het aandeel aan sociale huurwoningen is per deelgebied minimaal 15%.
-
c.
Het aandeel aan grondgebonden woning is per deelgebied minimaal 10%. Hieronder wordt tevens verstaan een appartement op de begane grond van een gebouw.
Werkprogramma
-
a.
De totale bruto-vloeroppervlakte aan commerciële en maatschappelijke voorzieningen is minimaal 24.000 m2 en maximaal 30.000 m².
Bebouwing
-
a.
De autotoegangen om de ontwikkelgebieden te ontsluiten zijn minimaal 15 meter breed.
-
b.
Parkeren vindt uitsluitend plaats in gebouwen. In de deelgebieden Noordwest, Noordoost en Zuidoost worden maximaal 2.400 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan minimaal 1.200 parkeerplaatsen in (half)verdiepte parkeergarages.
-
c.
Per deelgebied dient sprake te zijn van een gesloten parkeerbalans (zowel voor auto’s als fietsen).
-
d.
De bebouwing:
-
1.
is representatief naar het Damsterdiep (bandbreedte van 5 tot 9 bouwlagen);
-
2.
is eigenzinnig & expressief aan de kade, maar wel op basis van een plint (bandbreedte van 5 tot 10 bouwlagen, accenten tot 15 bouwlagen);
-
3.
legt in het middendeel in ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest en ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost relaties tussen beide en maakt milieu binnenhoven, plekken en tussenstraatjes (bandbreedte van 5 tot 9 bouwlagen);
-
4.
het ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost wordt gekenmerkt door een 'landmark' gebouw (maximaal 21 bouwlagen).
-
1.
-
e.
Het minimum aantal bouwlagen in onderdeel d. geldt niet voor grondgebonden woningen.
-
f.
Er wordt natuurinclusief gebouwd.
-
g.
Benodigde installatieruimtes voor nutsvoorzieningen worden ingepast in de gebouwen en kunstwerken, uitgezonderd voorzieningen voor varende schepen.
Openbare ruimte
-
a.
De autotoegangen om de ontwikkelgebieden te ontsluiten zijn minimaal 15 meter breed.
-
b.
In ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest en ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost wordt per deelgebied of gebouwensemble minimaal 1 doorbreking, derde orde openbare ruimte gerealiseerd, één van noord naar zuid, één van oost naar west.
-
c.
Er wordt rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Water
-
a.
Er dient per deelgebied geborgd te worden dat een bui van 73 mm/uur kan worden opgevangen, met dien verstande dat hierdoor geen overlast ontstaat.
Cultureel erfgoed
Artikel 4.11 Ontwikkelregels Stadshavens Noord
In het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens noord' gelden de volgende regels:
Hoofdstuk 5 Activiteiten - regels voor alle activiteiten
Afdeling 5.1 Regels voor alle activiteiten - inleidende regels
Artikel 5.1 Activiteiten - waar de regels over gaan
De regels in dit hoofdstuk gelden voor alle activiteiten die zijn geregeld in dit omgevingsplan, behalve als een regel in dit omgevingsplan iets anders zegt.
Artikel 5.3 Activiteiten - waar de regels gelden
De regels voor alle activiteiten gelden voor het gebied 'nieuwe regels', behalve als een regel in dit omgevingsplan iets anders zegt.
Artikel 5.4 Activiteiten - voor wie de regels gelden
De regels over activiteiten gelden voor degene die een activiteit uitvoert, behalve als een regel in het omgevingsplan iets anders zegt.
De regels voor activiteiten gelden ook voor degene die gelegenheid geeft om een activiteit uit te voeren, behalve als een regel in het omgevingsplan iets anders zegt.
Beiden houden zich aan de regels en zorgen dat ze worden nageleefd.
Artikel 5.5 Activiteiten - de activiteit valt in meerdere gebieden
Een activiteit kan in meerdere gebieden vallen. De activiteit moet op elke plek voldoen aan de regels die op die plek gelden, behalve als een regel in het omgevingsplan iets anders zegt.
Artikel 5.6 Activiteiten - bevoegd gezag
Als een provinciale- of rijksregeling een ander bevoegd gezag aanwijst dan het college, houdt dat bevoegd gezag zich aan de regels van dit omgevingsplan. Dit geldt niet als een provinciale- of rijksregeling iets anders zegt.
Artikel 5.7 Activiteiten - indeling activiteiten
-
1
De activiteiten in dit omgevingsplan zijn ingedeeld op meerdere niveaus. Elke activiteit valt onder een hogere activiteit, de zogenaamde bovenliggende activiteit. De regels van die hogere activiteit gelden ook voor de activiteiten eronder, behalve als een regel in het omgevingsplan iets anders zegt.
-
2
Alle activiteiten in dit omgevingsplan zijn direct of indirect gerangschikt onder de activiteit 'Omgevingsplanactiviteit Groningen', die op zijn beurt gerangschikt is onder de 'Activiteit gereguleerd in het omgevingsplan van de gemeente Groningen'.
Afdeling 5.2 Regels voor alle activiteiten - gebruik wettelijke termen
Artikel 5.8 Activiteiten - namen van activiteiten
Voor activiteiten in dit omgevingsplan gebruiken we voor de leesbaarheid verkorte namen van de officiële juridische benamingen.
Artikel 5.9 Activiteiten - omschrijving toestemmingsvrij
Als in dit omgevingsplan staat dat een activiteit “toestemmingsvrij” is, is voor de activiteit geen toestemming of actie nodig.
Als een activiteit onder voorwaarden toestemmingsvrij is, is die activiteit alleen toestemmingsvrij zolang voldaan wordt aan deze voorwaarden. Wordt niet langer aan de voorwaarden voldaan, dan is de activiteit ook niet langer toestemmingsvrij.
Artikel 5.10 Activiteiten - omschrijving verbod
Als in dit omgevingsplan staat dat voor een activiteit een “verbod” geldt of dat een activiteit verboden is, bedoelen wij daarmee dat het verboden is de activiteit uit te voeren of voort te zetten.
Artikel 5.11 Activiteiten - omschrijving vergunning
Staat in dit omgevingsplan dat een activiteit “vergunningplichtig” is, dat een “vergunningplicht” geldt of dat een vergunning nodig is? Dan bedoelen wij daarmee een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geregeld in dit omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet.
Het is verboden de activiteit uit te voeren of voort te zetten zonder die vergunning.
Artikel 5.12 Activiteiten - omschrijving melding
Staat in dit omgevingsplan dat een activiteit “meldingsplichtig” is, dat een “meldingsplicht” geldt, of dat een melding nodig is? Dan bedoelen wij daarmee een melding zoals bedoeld in artikel 4.4 eerste lid van de Omgevingswet.
Het is verboden de activiteit uit te voeren of voort te zetten zonder melding vooraf.
Als een activiteit onder voorwaarden meldingplichtig is, is het verboden de activiteit uit te voeren of voort te zetten zolang niet aan die voorwaarden wordt voldaan. Wordt niet langer aan de voorwaarden voldaan? Dan is de activiteit niet meer meldingplichtig. De activiteit kan dan vergunningplichtig of verboden zijn.
Artikel 5.13 Activiteiten - omschrijving informatieplicht
Als in dit omgevingsplan staat dat voor een activiteit een “informatieplicht” geldt, is de activiteit informatieplichtig. Dat betekent dat er informatie moet worden aangeleverd. Dat kan eenmalig zijn, maar ook terugkerend, bijvoorbeeld jaarlijks.
Afdeling 5.3 Regels voor alle activiteiten - regels vóór, tijdens en na de activiteit
Paragraaf 5.3.2 Regels voor alle activiteiten - tijdens de activiteit
Artikel 5.15 Algemene zorgplicht
-
1
Als een activiteit nadelige gevolgen kan hebben, en degene die de activiteit uitvoert of gelegenheid geeft om de activiteit uit te voeren, weet dat of kan dat redelijkerwijs vermoeden, dan moet diegene:
-
a.
alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
-
b.
als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: de gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en
-
c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet uitvoeren als dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
-
a.
-
2
In een regel in dit omgevingsplan kan een specifieke zorgplicht staan die dit artikel aanvult of uitwerkt.
Artikel 5.16 Ongewoon voorval - zorgplicht
De veroorzaker van een ongewoon voorval die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dat nadelige gevolgen kan hebben, moet:
Artikel 5.17 Ongewoon voorval - informeren college
De veroorzaker informeert het college zo spoedig mogelijk over een ongewoon voorval.
Ook degene van wie redelijkerwijs kan worden gevraagd het college over een ongewoon voorval te informeren moet dit doen.
Artikel 5.18 Ongewoon voorval - gegevens en stukken
De veroorzaker van een ongewoon voorval levert alle relevante gegevens en stukken aan. Dat geldt ook voor anderen die over die gegevens en stukken beschikken en van wie redelijkerwijs kan worden gevraagd deze gegevens en stukken te leveren. In Bijlage 3 in 3.2 Specifieke eisen - informatie ongewoon voorval staat welke gegevens en stukken in ieder geval moeten worden aangeleverd.
Afdeling 5.5 Regels voor alle activiteiten - maatwerk
Artikel 5.20 Maatwerk - maatwerkbevoegdheid
-
1
Het college kan met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift afwijken van de regels voor activiteiten en de beoordelingsregels over een onderwerp in dit omgevingsplan.
-
2
Het college gebruikt geen maatwerkvoorschrift als hetzelfde geregeld kan worden met een vergunningvoorschrift.
-
3
Het college gebruikt geen maatwerkvoorschrift en verbindt geen voorschrift aan een vergunning als een regel in het omgevingsplan dit verbiedt.
-
4
Het college gebruikt maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften alleen met het oog op het doel van de regels voor de activiteit en de beoordelingsregels over een onderwerp.
Afdeling 5.7 Regels voor alle activiteiten - eisen aan aanvragen, meldingen, informatieplicht, stukken en gegevens
Paragraaf 5.7.1 Aanleveren van stukken en gegevens
Artikel 5.21 Waar deze regels over gaan
De regels in deze Afdeling gelden voor aanvragen, meldingen en het verstrekken van informatie om te voldoen aan een informatieplicht.
Artikel 5.22 Voor wie deze regels gelden
Als we spreken over een aanvrager, bedoelen we daarmee ook iedereen die een melding doet of informatie verstrekt om te voldoen aan een informatieplicht.
Artikel 5.23 Eisen vullen elkaar aan
-
1
De eisen in dit omgevingsplan aan aanvragen, meldingen en het verstrekken van informatie komen bovenop de eisen die staan in hoofdstuk 7 van de Omgevingsregeling.
-
2
Als ergens anders in dit omgevingsplan extra eisen staan, gelden ook die eisen. Dit geldt niet als in een regel in dit omgevingsplan iets anders staat.
Artikel 5.24 Algemene eisen aan aanvragen, meldingen en het verstrekken van informatie
[Gereserveerd]
Artikel 5.26 Tijdstip van aanleveren stukken
De aanvrager voegt alle benodigde gegevens en stukken bij de aanvraag, bij de melding of bij de aan te leveren informatie. Dit geldt niet als in een regel in dit omgevingsplan iets anders staat.
Hoofdstuk 6 Activiteiten - bouwen - regels voor alle bouwwerken
Afdeling 6.1 Regels voor alle bouwwerken - inleidende regels
Artikel 6.1 Bouwen - waar de bouwregels over gaan
-
1
De regels in dit hoofdstuk en Hoofdstuk 7 gelden voor de activiteit “Bouwactiviteit (omgevingsplan)”. Deze activiteit gaat over het ‘bouwen’, in stand houden en gebruiken van ‘bouwwerken’. In dit omgevingsplan noemen we deze activiteit kortweg ‘bouwen’ of de ‘bouwactiviteit’.
Deze ‘bouwactiviteit’ is niet de bouwactiviteit zoals genoemd in artikel 5.1 van de Omgevingswet (ook wel technische bouwactiviteit genoemd).
Ook het slopen van bouwwerken valt er niet onder. Het slopen van bouwwerken is geregeld in Hoofdstuk 8 Activiteiten - slopen.
-
2
De regels in dit hoofdstuk zijn algemene regels voor het bouwen van alle bouwwerken. In Hoofdstuk 7 Activiteiten - bouwen - regels voor specifieke bouwwerken staan regels voor specifieke bouwwerken. De regels van dit hoofdstuk gelden ook voor de bouwwerken in Hoofdstuk 7.
Artikel 6.4 Bouwen - waar de bouwregels gelden
Als niet is genoemd waar een bouwregel geldt, geldt de bouwregel voor het gebied 'nieuwe regels'.
Artikel 6.5 Bouwen - vangnetverbod niet geregelde bouwactiviteiten
Alleen die bouwactiviteiten zijn toegestaan:
-
a.
die expliciet worden genoemd of toegestaan in dit omgevingsplan;
-
b.
die vergund zijn;
-
c.
vergunningvrij bouwen volgens § 2.3.3 Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
d.
die zijn begonnen voor 1 januari 2024 en waren toegestaan volgens het recht van het moment dat de bouw begon.
Artikel 6.6 Bouwen - in stand houden en gebruiken van een bouwwerk
-
1
Een bouwwerk mag alleen in stand worden gehouden en worden gebruikt:
-
a.
als het op moment van het bouwen gebouwd mocht worden volgens het recht van dat moment; of
-
b.
er later alsnog toestemming is verleend het bouwwerk in stand te houden.
Dit geldt niet als het omgevingsplan in een regel iets anders zegt.
-
a.
-
2
Hoofdstuk 31 kan uitzonderingen regelen op Artikel 6.6, lid 1.
Artikel 6.7 Bouwen - maatwerkvoorschrift bouwwerkpeil
Het college kan een maatwerkvoorschrift stellen over het bouwwerkpeil.
Artikel 6.8 Bouwen - voorkant en voorgevel
-
1
De voorkant van een bouwwerkperceel is de kant die aan de weg ligt of die naar de weg gericht is. De voorgevel van een gebouw is gericht naar de voorkant van het bouwwerkperceel.
-
2
Het college kan een (andere) voorkant aanwijzen als:
-
3
Artikel 6.8, lid 1 en Artikel 6.8, lid 2 gelden niet als op een bouwwerkperceel een voorkantlijn ligt, dan geeft die lijn aan wat de voorkant van het bouwwerkperceel is.
Afdeling 6.2 Bouwproces en formaliteiten
Paragraaf 6.2.2 Bouwproces en formaliteiten - aanvragen, meldingen, berichten en mededelingen
[Gereserveerd]
Paragraaf 6.2.3 Bouwproces - plichten vóór start bouw
Artikel 6.9 Bouwproces - uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en bouwwerkpeil
-
1
De bouw van een bouwwerk waarvoor een vergunning is verleend op grond van dit omgevingsplan, mag niet beginnen voordat:
-
a.
de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en
-
b.
het bouwwerkpeil is uitgezet.
Dat geldt niet als de vergunning iets anders zegt.
-
a.
-
2
De bouw van een bouwwerk waarvoor volgens dit omgevingsplan een meldingsplicht geldt, mag niet beginnen voordat:
-
a.
de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en
-
b.
het bouwwerkpeil is uitgezet.
Dat geldt niet als het college iets anders zegt.
-
a.
Artikel 6.10 Bouwproces - informatieplicht start bouw van een bouwwerk
-
1
Ten minste vier weken voor de start van de bouw van een bouwwerk zoals bepaald in Artikel 6.9, is de vergunninghouder verplicht om de start van de bouw aan het college aan te kondigen.
-
2
De aankondiging start van de bouw bevat de gegevens opgenomen in Bijlage 3 onder 2.1 en onder 2.2.
Paragraaf 6.2.4 Bouwproces - plichten tijdens de bouw
Artikel 6.13 Bouwproces - zorgplicht bescherming omgeving bouwwerkzaamheden
De zorgplicht voor bouwactiviteiten houdt in dat:
-
a.
beschadiging van bestaande bouwwerken zo veel mogelijk wordt voorkomen;
-
b.
belemmering van het gebruik van bestaande bouwwerken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en
-
c.
degene die bouwwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren alle maatregelen moet nemen om beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren voor:
Afdeling 6.3 Gebruik bouwwerken
Artikel 6.15 Gebruik bouwwerken - zorgplicht voorkomen gevaar, overlast en hinder
-
1
Kan het gebruik van een bouwwerk leiden tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid? En weet de gebruiker dat of kan hij dat redelijkerwijs vermoeden? Dan moet die gebruiker alles doen wat redelijkerwijs haalbaar is om dat gevaar te voorkomen of te stoppen.
Deze regel gaat niet over het gebruik van een bouwwerk zoals bedoeld in afdeling 6.2 Brandveiligheid van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
-
2
Doet iemand iets in, op of aan een bouwwerk? Of doet hij iets juist niet? En kan dat overlast of hinder veroorzaken voor de omgeving? En weet diegene dat of kan hij dat redelijkerwijs vermoeden? Dan moet diegene alles doen wat redelijkerwijs haalbaar is om die overlast of hinder te voorkomen of te stoppen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om overlast of hinder door:
Afdeling 6.4 Bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
Artikel 6.17 Bodemgevoelig gebouw - meldingsplicht en verbod start bouw
-
1
Wil een vergunninghouder beginnen met de bouw van een bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie? Dan moet hij dat minimaal vier weken van tevoren aankondigen bij het college.
-
2
Zonder de aankondiging zoals bedoeld in Artikel 6.17, lid 1 mag de bouw niet beginnen.
-
3
De aankondiging start bouw bevat de gegevens opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 2.3.
Artikel 6.18 Bodemgevoelig gebouw - meldingsplicht start gebruik
-
1
Wil een vergunninghouder een bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie in gebruik nemen? Dan moet hij dat minimaal vier weken van tevoren aankondigen bij het college.
-
2
De aankondiging start gebruik bevat de gegevens die zijn opgenomen in Bijlage 3 onder 2.3.
Artikel 6.19 Bodemgevoelig gebouw - informatieplicht start gebruik na sanerende maatregelen
Een bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie mag niet gebruikt worden voordat het college is geïnformeerd over de wijze waarop er één of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen, zoals geregeld in Artikel 20.2.
Artikel 6.20 Bodemgevoelig gebouw - verbod gebruik gebouw zonder sanerende maatregelen
Zijn op een bodemgevoelige locatie één of meer sanerende of andere maatregelen getroffen? Dan mag een bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw alleen gebruikt worden zolang deze sanerende of andere maatregelen in stand worden gehouden. De maatregelen worden minimaal in stand gehouden vanaf de melding aan het college als bedoeld in Artikel 6.18 tot het gebruik stopt zoals geregeld in Artikel 20.2.
Afdeling 6.5 Algemene bouwregels
Paragraaf 6.5.1 Algemene bouwregels - inleidende regels
Paragraaf 6.5.2 Algemene bouwregels - minimumeisen ruimtelijke kwaliteit
Artikel 6.24 Uiterlijk van bouwwerken
-
1
Het uiterlijk van een bouwwerk moet voldoen aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit.
-
2
Artikel 6.24, lid 1 geldt niet:
-
3
Of voldaan wordt aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit wordt beoordeeld met beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit. De gemeenteraad stelt de beleidsregels vast.
-
4
Zolang er geen nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld, geldt als beleidsregel de welstandsnota van de gemeente Groningen, inclusief de nadien vastgestelde aanvullingen daarop, al dan niet in beeldkwaliteitplannen. Situaties die in Hoofdstuk 5 van de Welstandsnota worden aangemerkt als exces, voldoen niet aan de minimumeisen voor ruimtelijke kwaliteit.
Paragraaf 6.5.3 Algemene bouwregels - ruimte tussen bouwwerken
Artikel 6.25 Algemene bouwregels - ruimte tussen bouwwerken
-
1
Als bouwwerken aan weerskanten van een perceelsgrens niet aan elkaar zijn gebouwd, moeten ze 1 meter of verder uit elkaar staan. Deze afstand geldt in ieder geval vanaf het bouwwerkpeil tot 2,2 meter daarboven.
-
2
De in Artikel 6.25, lid 1 genoemde afstanden mogen kleiner zijn als er voldoende mogelijkheid is voor reiniging en onderhoud van de ruimte tussen de bouwwerken.
-
3
De ruimte tussen de bouwwerken moet toegankelijk zijn.
Paragraaf 6.5.4 Algemene bouwregels - aansluitingen op voorzieningen
Artikel 6.26 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
Een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als:
Artikel 6.27 Aansluiting op distributienet voor gas
Een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas als:
Artikel 6.28 Aansluiting op distributienet voor warmte
-
1
Een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden moet worden aangesloten op het distributienet voor warmte zoals bedoeld in het warmteplan als:
-
a.
op het moment van de vergunningaanvraag voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet nog niet is bereikt; en
-
b.
de aansluitafstand niet groter is dan 40 meter of de aansluitafstand groter is dan 40 meter maar de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
-
a.
-
2
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft minimaal dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
-
3
Als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) voor een gebied een aansluitplicht gold op het distributienet voor warmte, blijft die aansluitplicht voor dat gebied gelden. Het gaat om de aansluitplicht op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012.
Artikel 6.29 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Artikel 6.30 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
-
1
Een ondergrondse doorvoer voor een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk moet zoveel mogelijk haaks op die scheidingsconstructie liggen. Dit om de gezondheid te beschermen.
-
2
De gebouwaansluiting van een afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de riolering, of een andere voorziening voor de afvoer van afvalwater op het eigen gebouwerf of terrein, moet dicht blijven en moet de afvoer blijven werken, ook als er zetting optreedt.
-
3
Een terreinleiding voor huishoudelijk afvalwater:
-
4
Het college kan bij maatwerkvoorschrift bepalen:
-
a.
als de afvoer van huishoudelijk afvalwater kan worden aangesloten op een openbaar vuilwaterriool of een systeem zoals bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet: hoe de perceelaansluitleiding wordt aangelegd bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of terrein: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn;
-
b.
als de afvoer van hemelwater kan worden aangesloten op een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool, én hemelwater op dat stelsel of riool mag worden geloosd: hoe de perceelaansluitleiding wordt aangelegd bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of terrein: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn;
-
c.
of, en zo ja welke, voorzieningen gemaakt moeten worden in de afvoervoorziening of de op het gebouwerf of terrein gelegen riolering om te zorgen dat de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater blijven functioneren.
-
a.
Paragraaf 6.5.5 Algemene bouwregels - voorzieningen voor hulpverlening
Artikel 6.31 Hulpverlening - waarom we deze regels stellen
We stellen de regels in deze paragraaf met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 6.32 Hulpverlening - bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
-
1
Er moet een verbindingsweg liggen tussen de openbare weg en minimaal één toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen.
-
2
Een verbindingsweg is niet verplicht:
-
a.
als de verbindingsweg niet nodig is door de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk;
-
b.
als de toegang van het bouwwerk niet verder dan 10 meter van een openbare weg ligt;
-
c.
voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van 50 m² of minder;
-
d.
voor een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van niet meer dan 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090; of
-
e.
voor een lichte industriefunctie voor alleen het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee te vergelijken producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090.
-
a.
-
3
De verbindingsweg moet geschikt zijn voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
-
4
De verbindingsweg:
-
a.
moet minstens 4,5 meter breed zijn;
-
b.
heeft een verharding van minstens 3,25 meter breed. De verharding is geschikt voor motorvoertuigen met een massa van 14.600 kilogram of meer;
-
c.
moet een obstakelvrije hoogte hebben van minstens 4,2 meter boven de kruin van de weg; en
-
d.
heeft een doeltreffende afwatering.
Deze eisen gelden niet als in een verordening of ergens anders in dit omgevingsplan iets anders is geregeld.
-
a.
-
5
De verbindingsweg wordt vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten, over de hoogte en breedte bedoeld in Artikel 6.32, lid 4.
-
6
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, moeten door hulpdiensten snel en gemakkelijk geopend kunnen worden of worden ontsloten met een systeem dat is bepaald in overleg met het college.
Artikel 6.33 Hulpverlening - bluswatervoorziening
-
1
Bij een bouwwerk moet een toereikende bluswatervoorziening aanwezig zijn, behalve als die niet nodig is door de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk.
-
2
De bluswatervoorziening ligt niet verder dan 40 m van een brandweeringang zoals bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Als er geen brandweeringang is, ligt de bluswatervoorziening niet verder dan 40 m van een andere toegang van het bouwwerk.
-
3
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 6.34 Hulpverlening - opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
-
1
Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen moeten een of meer opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn.
-
2
Opstelplaatsen zijn niet verplicht:
-
a.
als geen opstelplaats niet nodig is door de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk;
-
b.
voor een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van niet meer dan 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090;
-
c.
voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m²; of
-
d.
voor een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee te vergelijken producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090.
-
a.
-
3
De hoeveelheid opstelplaatsen en de plaats ervan moeten zijn afgestemd op een doeltreffende bluswatervoorziening voor het gebouw. De opstelplaatsen zijn zo aangelegd dat een doeltreffende verbinding kan worden gelegd tussen de voertuigen en de bluswatervoorziening.
-
4
Een opstelplaats ligt niet verder dan 40 meter van een brandweeringang zoals bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Als er geen brandweeringang is, ligt de opstelplaats niet verder dan 40 meter van een andere toegang van het bouwwerk.
-
5
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 6.32, lid 4.
-
6
Hulpdiensten moeten hekwerken die een opstelplaats afsluiten, snel en gemakkelijk kunnen openen of ontsluiten met een systeem dat is bepaald in overleg met het college.
Hoofdstuk 7 Activiteiten - bouwen - regels voor specifieke bouwwerken
Afdeling 7.1 Bouwen - wegwijzer regels specifieke bouwwerken
Artikel 7.1 Bouwen - wegwijzer, samenloop en rangorde
-
1
De regels voor de verboden, geboden, vergunningplichten, meldingsplichten, informatieplichten en zorgplichten voor het bouwen van een bouwwerk zijn te vinden in:
-
●
Afdeling 7.3 voor het bouwen van een bouwwerk met een dak;
-
●
Afdeling 7.4 over het bouwen van een bouwwerk zonder een dak.
-
●
-
2
Valt het bouwen van een bouwwerk onder meerdere activiteiten in dit hoofdstuk? Dan gelden de regels van die activiteit steeds voor zover het bouwwerk in die activiteit valt.
Artikel 7.2 Bouwen - rangorde in activiteiten
De activiteiten in dit hoofdstuk hebben de activiteit ‘Bouwen (omgevingsplan)’ zoals opgenomen in Artikel 6.1 als bovenliggende activiteit.
Afdeling 7.2 (Vervallen)
Afdeling 7.3 Bouwen - bouwwerk met een dak
Paragraaf 7.3.1 Bouwwerk met een dak - inleidende regels
Artikel 7.83 Bouwwerk met een dak - omschrijving activiteit
-
1
De regels in deze afdeling gelden voor de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’. Hieronder valt het bouwen van bouwwerken met een dak. Een bouwwerk met een dak is een overdekte en voor mensen toegankelijke ruimte.
-
2
De regels in deze afdeling gelden niet als het bouwen vergunningvrij is volgens § 2.3.3. Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 7.84 Bouwwerk met een dak - waar de regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied ‘bouwwerken met een dak’, tenzij een regel in deze afdeling iets anders zegt.
Artikel 7.85 Bouwwerk met een dak - bovenliggende activiteit
-
1
De activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ is onderdeel van de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’.
-
2
De regels van de activiteit ‘bouwen’ gelden ook voor de subactiviteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’.
-
3
Een vergunning voor de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ wordt aangevraagd als vergunning voor de activiteit ‘Bouwactiviteit omgevingsplan’.
Paragraaf 7.3.3 Bouwwerk met een dak - toestemming en beoordeling
Subparagraaf 7.3.3.1 Bouwwerk met een dak - toestemming en beoordeling - het systeem
Artikel 7.89 Bouwwerk met een dak - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf regelt wat er geldt voor de activiteit ‘bouwen bouwwerken met een dak’:
-
a.
een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
de activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt een of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen bij de conclusies voor de onderwerpen zijn voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit; en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie "vergunning nodig" is. Bij elk onderwerp staat vermeld met welke regels moet worden beoordeeld.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie "meldingsplicht" worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie “informatieplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Subparagraaf 7.3.3.2 Bouwwerk met een dak - conclusie stedenbouw
Artikel 7.91 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘stedenbouw’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.92 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - verbod
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘stedenbouw’ is ‘verboden’ in één of meer van de volgende gevallen.
-
2
Het bouwwerk staat buiten het gebied bouwwerken met een dak.
-
3
Het bouwwerk staat in het gebied bouwverbod.
-
4
Het te bouwen of uit te breiden bouwwerk staat bij een illegaal hoofdgebouw.
-
5
Het gaat om een uitbreiding van een illegaal bouwwerk.
Artikel 7.95 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij algemeen
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak is de conclusie ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan Artikel 7.95, lid 1 tot en met Artikel 7.95, lid 9.
-
2
Het gaat om:
-
3
Het bouwwerk staat op de grond.
-
4
Het bouwwerk staat in het 'achtererfgebied'.
-
5
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
6
Als het bouwwerk een buitenruimte heeft, ligt die buitenruimte op de grond (dus bijvoorbeeld geen balkon of dakterras).
-
7
Als het bouwwerk meer dan een bouwlaag heeft, zijn er alleen verblijfsgebieden op de eerste bouwlaag.
-
8
Het aantal woningen neemt niet toe. Dit geldt niet voor een mantelzorgverblijf zolang dit wordt gebruikt als mantelzorgverblijf.
-
9
Het bouwwerk:
-
a.
voldoet aan:
-
1.
de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden; en
-
2.
de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit en Hoofdstuk 16 Beoordelingsregels - stedenbouw die op die plek gelden; óf
-
1.
-
b.
voldoet aan de alternatieve eisen voor een bouwwerk in Artikel 7.95, lid 10.
-
a.
-
10
De alternatieve eisen voor een bouwwerk zijn:
-
a.
het bouwwerk staat niet bij één van de volgende bouwwerken en is ook geen uitbreiding van:
-
1.
een woonwagen;
-
2.
een tijdelijk hoofdgebouw. Een tijdelijk hoofdgebouw is een hoofdgebouw waarover in de vergunning (voor de bouwactiviteit en/of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit) staat dat de vergunninghouder de toestand zoals die bestond vóór de verlening van de vergunning moet herstellen en wel binnen een bij die vergunning gestelde termijn; of
-
3.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
-
1.
-
b.
Staat het hele bouwwerk op meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
1.
het gebruik van het bouwwerk is ondergeschikt aan het gebruik van het hoofdgebouw, tenzij het gaat om een mantelzorgverblijf;
-
2.
Is het bouwwerk hoger dan 3 meter? Dan gelden ook deze eisen:
-
i.
het heeft een schuin dak,
-
ii.
de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken,
-
iii.
de dakhelling van de dakvlakken is niet meer dan 55°;
-
iv.
de dakvoet van de dakvlakken is niet hoger dan 3 meter;
-
v.
de nok van het dak is niet hoger dan 5 meter; en
-
vi.
de nok van het dak is ook niet hoger dan de uitkomst van de volgende formule: (afstand daknok tot de perceelsgrens in meters x 0,47) + 3 meter;
-
i.
-
1.
-
c.
Staan delen van het bouwwerk op 4 meter of minder van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
d.
De oppervlakte van bouwwerken bedoeld onder Artikel 7.95, lid 2 in het bebouwingsgebied mag niet meer zijn dan:
-
1.
als het bebouwingsgebied niet groter is dan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;
-
2.
als het bebouwingsgebied groter is dan 100 m², maar niet groter dan 300 m²: 50 m², plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 100 m²; en
-
3.
als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m²: 90 m², plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 300 m², maar nooit meer dan in totaal 150 m²;
-
1.
-
e.
Artikel 7.95, lid 10 onder d geldt niet als het bouwwerk wordt gebruikt als mantelzorgverblijf en:
-
a.
Artikel 7.96 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij bij agrarisch bedrijf
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak dat een bouwwerk bij een agrarisch bedrijf is, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het bouwwerk staat op de grond.
-
3
Het bouwwerk staat in het achtererfgebied.
-
4
Het bouwwerk is geen gebouw.
-
5
Het bouwwerk is een silo of is 2 meter of lager.
-
6
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
7
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.97 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij bij recreatief nachtverblijf
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak dat een bouwwerk voor een recreatief nachtverblijf is, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is bestemd voor recreatief nachtverblijf.
-
3
Het bouwwerk staat op de grond.
-
4
Het bouwwerk is 5 meter of lager.
-
5
Het bouwwerk heeft een oppervlakte van 70 m² of minder.
-
6
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
7
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.98 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij veranderen
-
1
Voor het inpandig veranderen van een bouwwerk met een dak en/of het aanbrengen van ondergeschikte bouwwerkinstallaties in of aan een bouwwerk met dak is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Er is geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.
-
3
Er is geen uitbreiding van het bouwvolume.
-
4
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
-
5
Het gaat niet om bouwwerken die vergunningvrij zouden kunnen zijn volgens artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, maar dat toch niet zijn omdat ze niet voldoen aan de eisen in dat artikel.
-
6
Het gaat niet om bouwwerken die mogelijk toestemmingsvrij zouden kunnen zijn volgens Artikel 7.95 tot en met Artikel 7.97, maar dat toch niet zijn omdat ze niet voldoen aan de eisen in dat artikel.
Artikel 7.99 Bouwwerk met een dak - stedenbouw - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet is ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.3 Bouwwerk met een dak - conclusie gebruiksregels
Artikel 7.103 Bouwwerk met een dak - gebruiksregels - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gebruiksregels’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.104 Bouwwerk met een dak - gebruiksregels - verbod
Artikel 7.108 Bouwwerk met een dak - gebruiksregels - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.4 Bouwwerk met een dak - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 7.111 Bouwwerk met een dak - gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 7.112 Bouwwerk met een dak - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze paragraaf bepaalt voor het onderwerp ‘bouwen bouwwerk met een dak’ de conclusie zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.116 Bouwwerk met een dak - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gaat om het bouwen:
-
a.
in, aan of op een onderdeel van het monument dat geen waarde heeft uit het oogpunt van monumentenzorg, waarbij het monument niet wordt ontsierd, beschadigd, verplaatst of in gevaar wordt gebracht; of
-
b.
waarbij er sprake is van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben; of
-
c.
waarbij er sprake is van het uitvoeren van normaal onderhoud waarbij:
-
d.
waarbij er sprake is van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben.
-
a.
-
3
Het monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
4
Het monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 7.119 Bouwwerk met een dak - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.5 Bouwwerk met een dak - conclusie karakteristieke gebouwen en objecten
Artikel 7.122 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ gelden in het gebied 'karakteristieke gebouwen en objecten'.
Artikel 7.123 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.125 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.126 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.127 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
De bestaande hoofdvorm van een bouwwerk van het gebouw of object verandert niet.
-
3
De bestaande gevelindeling van het bouwwerk of object verandert niet.
-
4
Het bouwwerk of object blijft op dezelfde plaats.
Artikel 7.128 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - toestemmingsvrij algemeen
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak is de conclusie ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan Artikel 7.128, lid 2 tot en met Artikel 7.128, lid 9.
-
2
Het gaat om:
-
a.
een uitbreiding van een hoofdgebouw; en/of
-
b.
een bouwwerk op hetzelfde perceel als een hoofdgebouw. Het bouwwerk mag tegen het hoofdgebouw aangebouwd zijn, maar dat hoeft niet en dat past binnen het gebruik genoemd in Hoofdstuk 10.
-
a.
-
3
Het bouwwerk staat op de grond.
-
4
Het bouwwerk staat in het achtererfgebied.
-
5
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
6
Als het bouwwerk een buitenruimte heeft, ligt die buitenruimte op de grond (dus bijvoorbeeld geen balkon of dakterras).
-
7
Als het bouwwerk meer dan een bouwlaag heeft, zijn er alleen verblijfsgebieden op de eerste bouwlaag.
-
8
Het aantal woningen neemt niet toe. Dit geldt niet voor een mantelzorgverblijf zolang dit wordt gebruikt als mantelzorgverblijf.
-
9
Het bouwwerk:
-
a.
voldoet aan:
-
1.
de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden; en
-
2.
de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden; óf
-
1.
-
b.
voldoet aan de alternatieve eisen voor een bouwwerk in Artikel 7.128, lid 10.
-
a.
-
10
De alternatieve eisen voor een bouwwerk zijn:
-
a.
het bouwwerk staat niet bij één van de volgende bouwwerken en is ook geen uitbreiding van:
-
1.
een woonwagen;
-
2.
een tijdelijk hoofdgebouw. Een tijdelijk hoofdgebouw is een hoofdgebouw waarover in de vergunning (voor de bouwactiviteit en/of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit) staat dat de vergunninghouder de toestand zoals die bestond vóór de verlening van de vergunning moet herstellen en wel binnen een bij die vergunning gestelde termijn; of
-
3.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
-
1.
-
b.
Staat het hele bouwwerk op meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
1.
het gebruik van het bouwwerk is ondergeschikt aan het gebruik van het hoofdgebouw, tenzij het gaat om een mantelzorgverblijf;
-
2.
Is het bouwwerk hoger dan 3 meter? Dan gelden ook deze eisen:
-
i.
het heeft een schuin dak,
-
ii.
de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken,
-
iii.
de dakhelling van de dakvlakken is niet meer dan 55°;
-
iv.
de dakvoet van de dakvlakken is niet hoger dan 3 meter;
-
v.
de nok van het dak is niet hoger dan 5 meter; en
-
vi.
de nok van het dak is ook niet hoger dan de uitkomst van de volgende formule: (afstand daknok tot de perceelsgrens in meters x 0,47) + 3 meter;
-
i.
-
1.
-
c.
Staan delen van het bouwwerk op 4 meter of minder van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
d.
De oppervlakte van bouwwerken bedoeld onder Artikel 7.128, lid 2 in het bebouwingsgebied mag niet meer zijn dan:
-
1.
als het bebouwingsgebied niet groter is dan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;
-
2.
als het bebouwingsgebied groter is dan 100 m², maar niet groter dan 300 m²: 50 m², plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 100 m²; en
-
3.
als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m²: 90 m², plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 300 m², maar nooit meer dan in totaal 150 m²;
-
1.
-
e.
Artikel 7.128, lid 10, onderdeel d. geldt niet als het bouwwerk wordt gebruikt als mantelzorgverblijf en:
-
a.
Artikel 7.129 Bouwwerk met een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.5a Bouwwerk met een dak - conclusie gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 7.131a Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 7.131b Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ de conclusies zoals bedoeld Artikel 7.89, lid 2 .
Artikel 7.131c Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 7.131d Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.131e Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.131f Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt en/of te laten gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 7.131g Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.131h Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 7.131i Bouwwerk met een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Subparagraaf 7.3.3.6 Bouwwerk met een dak - conclusie archeologische verwachting
Artikel 7.132 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ gelden in het gebied dat is aangewezen met de functie 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 7.133 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.134 Bouwwerk met een dak - conclusie onderwerp archeologische verwachting - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 7.135 Bouwwerk met een dak - conclusie onderwerp archeologische verwachting - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.137 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle leden hieronder.
-
2
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied archeologische percelen'? Dan wordt de bodem binnen het gebied archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied ‘archeologische zones’:
Artikel 7.138 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.139 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 7.140 Bouwwerk met een dak - archeologische verwachting - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Subparagraaf 7.3.3.7 Bouwwerk met een dak - conclusie ondergrondse hoogspanningsleidingen
Artikel 7.141 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘ondergrondse hoogspanningsleidingen’ gelden in het gebied 'ondergrondse hoogspanningsleidingen'.
Artikel 7.142 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘ondergrondse hoogspanningsleidingen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.144 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.145 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.146 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - toestemmingsvrij algemeen
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak is de conclusie ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan Artikel 7.146, lid 1 tot en met Artikel 7.146, lid 9.
-
2
Het gaat om:
-
a.
een uitbreiding van een hoofdgebouw; en/of
-
b.
een bouwwerk op hetzelfde perceel als een hoofdgebouw. Het bouwwerk mag tegen het hoofdgebouw aangebouwd zijn, maar dat hoeft niet en dat past binnen het gebruik genoemd in Hoofdstuk 10.
-
a.
-
3
Het bouwwerk staat op de grond.
-
4
Het bouwwerk staat in het achtererfgebied.
-
5
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
6
Als het bouwwerk een buitenruimte heeft, ligt die buitenruimte op de grond (dus bijvoorbeeld geen balkon of dakterras).
-
7
Als het bouwwerk meer dan een bouwlaag heeft, zijn er alleen verblijfsgebieden op de eerste bouwlaag.
-
8
Het aantal woningen neemt niet toe. Dit geldt niet voor een mantelzorgverblijf zolang dit wordt gebruikt als mantelzorgverblijf.
-
9
Het bouwwerk:
-
a.
voldoet aan:
-
1.
de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden; en
-
2.
de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden;
-
1.
-
b.
òf voldoet aan de alternatieve eisen voor een bouwwerk in Artikel 7.146, lid 10.
-
a.
-
10
De alternatieve eisen voor een bouwwerk zijn:
-
a.
het bouwwerk staat niet bij één van de volgende bouwwerken en is ook geen uitbreiding van:
-
1.
een woonwagen;
-
2.
een tijdelijk hoofdgebouw. Een tijdelijk hoofdgebouw is een hoofdgebouw waarover in de vergunning (voor de bouwactiviteit en/of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit) staat dat de vergunninghouder de toestand zoals die bestond vóór de verlening van de vergunning moet herstellen en wel binnen een bij die vergunning gestelde termijn; of
-
3.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
-
1.
-
b.
Staat het hele bouwwerk op meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
1.
het gebruik van het bouwwerk is ondergeschikt aan het gebruik van het hoofdgebouw, tenzij het gaat om een mantelzorgverblijf;
-
2.
Is het bouwwerk hoger dan 3 meter? Dan gelden ook deze eisen:
-
i.
het heeft een schuin dak,
-
ii.
de daknok wordt gevormd door twee of meer schuine dakvlakken,
-
iii.
de dakhelling van de dakvlakken is niet meer dan 55°;
-
iv.
de dakvoet van de dakvlakken is niet hoger dan 3 meter;
-
v.
de nok van het dak is niet hoger dan 5 meter; en
-
vi.
de nok van het dak is ook niet hoger dan de uitkomst van de volgende formule: (afstand daknok tot de perceelsgrens in meters x 0,47) + 3 meter;
-
i.
-
1.
-
c.
Staan delen van het bouwwerk op 4 meter of minder van het oorspronkelijk hoofdgebouw? Dan gelden ook deze eisen:
-
d.
de oppervlakte van bouwwerken bedoeld onder Artikel 7.146, lid 2 in het bebouwingsgebied mag niet meer zijn dan:
-
1.
als het bebouwingsgebied niet groter is dan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;
-
2.
als het bebouwingsgebied groter is dan 100 m², maar niet groter dan 300 m²: 50 m², plus 20% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 100 m²; en
-
3.
als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m²: 90 m², plus 10% van het deel van het bebouwingsgebied boven de 300 m², maar nooit meer dan in totaal 150 m²;
-
1.
-
e.
Artikel 7.146, lid 10, onderdeel d. geldt niet als het bouwwerk wordt gebruikt als mantelzorgverblijf en:
-
a.
Artikel 7.147 Bouwwerk met een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.8 Bouwwerk met een dak - conslusie rioolpersleidingen
Artikel 7.150 Bouwwerk met een dak - rioolpersleidingen - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘rioolpersleidingen’ gelden in het gebied 'vrijwaringsgebied rioolpersleiding'.
Artikel 7.151 Bouwwerk met een dak - rioolpersleidingen - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘rioolpersleidingen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.156 Bouwwerk met een dak - rioolpersleidingen - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.3.3.9 Bouwwerk met een dak - conclusie bodemgevoelige gebouwen
Artikel 7.159 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘bodemgevoelige gebouwen’ gelden voor bodemgevoelige gebouwen.
Artikel 7.160 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘bodemgevoelige gebouwen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.164 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Voor het bouwen van een bouwwerk met dak is de conclusie ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel;
-
2
Het bouwwerk is geen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie;
-
3
Het gebouw is niet groter dan 50 m2;
-
4
Het gebouw:
-
a.
is een uitbreiding van een hoofdgebouw; en/of
-
b.
staat op hetzelfde perceel als een hoofdgebouw. Het bouwwerk mag tegen het hoofdgebouw aangebouwd zijn, maar dat hoeft niet; en
-
c.
wordt gebruikt op een manier die is toegestaan volgens Hoofdstuk 10 Activiteiten - gebruik.
-
a.
Artikel 7.165 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.166 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - extra beoordelingsregels
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor het onderwerp ‘bodemgevoelige gebouwen’ beoordeeld met de volgende regels:
Artikel 7.167 Bouwwerk met een dak - bodemgevoelige gebouwen - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in Bijlage 3 onder 5.2.1 Specifieke eisen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - onderzoeken en 5.2.2 Specifieke eisen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - maatregelen.
Subparagraaf 7.3.3.10 Bouwwerk met een dak - conclusie hemelwaterberging
Artikel 7.167a Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp 'hemelwaterberging' gelden in het gebied ' nieuwe regels - buiten Stadshavens'.
Artikel 7.167b Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - hoe het werkt
De regels in deze subparagraaf bepalen wat voor het onderwerp 'hemelwaterberging' de conclusies zijn zoals bedoeld in Artikel 7.89, lid 2.
Artikel 7.167f Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Is de activiteit onderdeel van een verzameling samenhangende niet, onderdeelen die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer , onderdeelen? En is het totale projectgebied groter dan 500 m²? Dan is in de volgende gevallen de conclusie ‘niets nodig’.
-
a.
Voor het project is een , onderdeel opgesteld en het bouwplan voldoet daaraan. Het hemelwaterbergingsplan moet voldoen aan de volgende eisen:
-
1.
het hemelwaterbergingsplan is goedgekeurd door of namens het college;
-
2.
het hemelwaterbergingsplan omvat de totale hemelwaterberging voor het hele projectgebied. De hemelwaterberging moet minimaal voldoen aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor het berekenen van de hoeveelheid op te vangen en te bergen regenwater in de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte mee van het hele projectgebied en van alle bouwwerken en verhardingen die daar gerealiseerd worden.
-
3.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de toedeling van de totale opgave en de verplichtingen aan de gronden in het projectgebied en hun huidige én toekomstige eigenaren; en
-
4.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de realisatie, het beheer en het in stand houden van de hemelwaterberging.
-
1.
-
b.
Is er voor een project (nog) geen goedgekeurd hemelwaterbergingsplan? En betreft de aanvraag een afzonderlijke kavel in het projectgebied? Dan is de conclusie ook ‘niets nodig’ als de hemelwaterberging voor de kavel voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied.
-
a.
-
2
Vindt de activiteit plaats in een gebied waar een project is uitgevoerd waarvoor een hemelwaterbergingsplan is gemaakt als bedoeld in het vorige lid? En voldoet het bouwplan aan dat hemelwaterbergingsplan? Ook dan is de conclusie ‘niets nodig’.
-
3
Vindt het bouwen plaats buiten een project of een projectgebied? En is er sprake van een of meer van de volgende gevallen? Ook dan is de conclusie 'niets nodig".
-
4
Is in de leden hiervoor nergens de conclusie 'niets nodig'? Dan is de conclusie alsnog 'niets nodig' als een hemelwaterberging wordt gemaakt die voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging.
Artikel 7.167g Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - vergunningplicht
Is de conclusie in de artikelen hiervoor niet 'verboden', 'melding nodig', 'informatie nodig' of 'niets nodig'? Dan is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.167h Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - extra beoordelingsregels
Is de conclusie 'vergunning nodig'? Dan wordt de vergunningaanvraag voor het onderwerp 'hemelwaterberging' beoordeeld met de volgende regels:
Artikel 7.167i Bouwwerk met een dak - hemelwaterberging - extra stukken en gegevens
Voor de beoordeling van de aanvraag worden de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.6 Extra eisen - hemelwaterberging.
Afdeling 7.4 Bouwen - bouwwerk zonder een dak
Paragraaf 7.4.1 Bouwwerk zonder een dak - inleidende regels
Artikel 7.168 Bouwwerk zonder een dak - omschrijving activiteit
-
1
De regels in deze afdeling gelden voor de activiteit ‘Bouwen bouwwerk zonder een dak’. Hieronder valt het bouwen van een bouwwerk zonder een dak.
-
2
De regels in deze afdeling gelden niet als het bouwen vergunningvrij is volgens § 2.3.3 Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 7.169 Bouwwerk zonder een dak - waar de regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied 'bouwwerken zonder een dak', behalve als een regel in deze afdeling iets anders zegt.
Artikel 7.170 Bouwwerk zonder een dak - bovenliggende activiteit
-
1
De activiteit ‘Bouwen bouwwerk zonder een dak’ is onderdeel van de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’.
-
2
De regels van de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’ gelden ook voor de subactiviteit ‘Bouwen bouwwerk zonder een dak’.
-
3
Een vergunning voor de activiteit ‘Bouwen bouwwerk zonder een dak’ wordt aangevraagd als vergunning voor de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’.
Paragraaf 7.4.3 Bouwwerk zonder een dak - toestemming en beoordeling
Subparagraaf 7.4.3.1 Bouwwerk zonder een dak - vergunning en melding - het systeem
Artikel 7.174 Bouwwerk zonder een dak - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf bepaalt wat er geldt voor de activiteit ‘bouwen bouwwerk zonder een dak’:
-
a.
Een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
Een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
Een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
De activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
Een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt een of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
-
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen in de conclusies voor de onderwerpen gelden als voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit; en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie "vergunning nodig" is. Bij elk onderwerp staat vermeld aan welke regels moet worden getoetst.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie “meldingsplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie “informatieplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Subparagraaf 7.4.3.2 Bouwwerk zonder een dak - conclusie stedenbouw
Artikel 7.176 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘stedenbouw’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.177 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - verbod
-
1
De conclusie voor het onderwerp stedenbouw is ‘verboden’ in één of meer van de volgende gevallen.
-
2
Het bouwwerk staat buiten het gebied bouwwerken zonder een dak.
-
3
Gereserveerd.
-
4
Het te bouwen of uit te breiden bouwwerk staat bij een illegaal hoofdgebouw.
-
5
Het gaat om een uitbreiding van een illegaal bouwwerk.
Artikel 7.180 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - erf- en terreinafscheidingen
-
1
Als het bouwen een bouwwerk zonder een dak een erf- of terreinafscheiding betreft, is de conclusie ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden van dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is hoger dan 1 meter.
-
3
Het bouwwerk is 2 meter of lager.
-
4
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
5
Het bouwwerk staat op een gebouwerf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee het bouwwerk in functionele relatie staat.
-
6
Het bouwwerk staat achter de lijn die langs de voorkant van het gebouw bedoeld in Artikel 7.180, lid 5 evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 7.181 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - sport- en speeltoestellen
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een speeltoestel betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het betreft een sport- of speeltoestel.
-
3
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
4
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.182 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - agrarisch bedrijf
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een bouwwerk bij een agrarisch bedrijf betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het bouwwerk staat op de grond.
-
3
Het bouwwerk staat in het achtererfgebied.
-
4
Het bouwwerk is geen gebouw.
-
5
Het bouwwerk is een silo of heeft een hoogte van 2 meter of lager.
-
6
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
7
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.183 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - recreatief nachtverblijf
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een bouwwerk voor een recreatief nachtverblijf betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is bestemd voor recreatief nachtverblijf.
-
3
Het bouwwerk staat op de grond.
-
4
Het bouwwerk is 5 meter of lager.
-
5
Het bouwwerk heeft een oppervlakte van 70 m² of minder.
-
6
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
7
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.184 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - zwembaden e.d.
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is gelegen op het gebouwerf bij een woning of woongebouw.
-
3
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
4
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.185 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - buisleidingen
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een buisleiding betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
De buisleiding is geen buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is.
-
3
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
4
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
Artikel 7.186 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - toestemmingsvrij - veranderen bouwwerk
-
1
Voor het veranderen van een bouwwerk zonder een dak, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Er is geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.
-
3
Er is geen uitbreiding van het bouwvolume.
-
4
Het bouwwerk voldoet aan de gebruiksregels van Hoofdstuk 10 die op die plek gelden.
-
5
Het bouwwerk voldoet aan de beoordelingsregels van Hoofdstuk 15 en Hoofdstuk 16 die op die plek gelden.
-
6
Het gaat niet om bouwwerken die vergunningvrij zouden kunnen zijn volgens artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, maar dat toch niet zijn omdat ze niet voldoen aan de eisen in dat artikel.
-
7
Het gaat niet om bouwwerken die mogelijk toestemmingsvrij zouden kunnen zijn volgens Artikel 7.180 tot en met Artikel 7.185, maar dat toch niet zijn omdat ze niet voldoen aan de eisen in dat artikel.
Artikel 7.187 Bouwwerk zonder een dak - stedenbouw - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.3 Bouwwerk zonder een dak - conclusie gebruiksregels
Artikel 7.190 Bouwwerk zonder een dak - onderwerp gebruiksregels - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gebruiksregels’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.191 Bouwwerk zonder een dak - gebruiksregels - verbod
Artikel 7.195 Bouwwerk zonder een dak - gebruiksregels - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.4 Bouwwerk zonder een dak - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 7.198 Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp gemeentelijke monumenten gelden in het gebied met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 7.199 Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.203 Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Als het bouwwerk zonder een dak een erf- of terreinafscheiding is, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden van dit artikel.
-
2
Het gaat om het bouwen:
-
a.
in, aan of op een onderdeel van het monument dat geen waarde heeft uit het oogpunt van monumentenzorg, of
-
b.
waarbij het monument niet wordt ontsierd, beschadigd, verplaatst of in gevaar wordt gebracht; of
-
c.
waarbij er sprake is van het uitvoeren van normaal onderhoud waarbij:
-
d.
waarbij er sprake is van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben.
-
a.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
4
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt en/of te laten gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 7.208 Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.5 Bouwwerk zonder een dak - conclusie karakteristieke gebouwen en objecten
Artikel 7.211 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ gelden in het gebied 'karakteristieke gebouwen en objecten'.
Artikel 7.212 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.213 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 7.214 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.215 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.216 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
De bestaande hoofdvorm van een bouwwerk van het gebouw of object verandert niet.
-
3
Het bouwwerk of object blijft op dezelfde plaats.
-
4
De bestaande gevelindeling van het bouwwerk of object verandert niet.
Artikel 7.217 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - toestemmingsvrij bij erf- en terreinafscheidingen
-
1
Als het bouwen van een bouwwerk zonder een dak een erf- of terreinafscheiding betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden van dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is hoger dan 1 meter.
-
3
Het bouwwerk is 2 meter of lager.
-
4
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
5
Het bouwwerk staat op een gebouwerf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee het bouwwerk in functionele relatie staat.
-
6
Het bouwwerk staat achter de lijn die langs de voorkant van het gebouw bedoeld in Artikel 7.217, lid 5 evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 7.218 Bouwwerk zonder een dak - karakteristieke gebouwen en objecten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.6 Bouwwerk zonder een dak - conclusie archeologische monumenten
Artikel 7.220a Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 7.220b Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2 .
Artikel 7.220c Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 7.220d Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.220e Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.220f Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt en/of te laten gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 7.220g Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.220h Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 7.220i Bouwwerk zonder een dak - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Subparagraaf 7.4.3.7 Bouwwerk zonder een dak - conclusie archeologische verwachting
Artikel 7.220a Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 7.221 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.224 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.225 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - toestemmingsvrij
-
1
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' is 'niets nodig' als voldaan wordt aan alle onderstaande leden in dit artikel.
-
2
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen'? Dan wordt de bodem binnen het gebied archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische zones':
Artikel 7.226 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.227 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 7.228 Bouwwerk zonder een dak - archeologische verwachting - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Subparagraaf 7.4.3.8 Bouwwerk zonder een dak - conclusie ondergrondse hoogspanningsleidingen
Artikel 7.229 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ondergrondse hoogspanningsleidingen gelden in het gebied 'ondergrondse hoogspanningsleidingen'.
Artikel 7.230 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘ondergrondse hoogspanningsleidingen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.232 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.233 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 7.234 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - toestemmingsvrij - erf- en terreinafscheidingen
-
1
Als het bouwen een bouwwerk zonder een dak een erf- of terreinafscheiding betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden van dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is hoger dan 1 meter.
-
3
Het bouwwerk is 2 meter of lager.
-
4
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
5
Het bouwwerk staat op een gebouwerf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee het bouwwerk in functionele relatie staat.
-
6
Het bouwwerk staat achter de lijn die langs de voorkant van het gebouw bedoeld in Artikel 7.234, lid 5 evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 7.235 Bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleidingen - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.9 Bouwwerk zonder een dak - conclusie rioolpersleidingen
Artikel 7.238 Bouwwerk zonder een dak - rioolpersleidingen - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp rioolpersleidingen gelden in het gebied 'vrijwaringsgebied rioolpersleiding'.
Artikel 7.239 Bouwwerk zonder een dak - rioolpersleidingen - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘rioolpersleidingen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 7.174, lid 2.
Artikel 7.243 Bouwwerk zonder een dak - rioolpersleidingen - toestemmingsvrij - erf- en terreinafscheidingen
-
1
Als het bouwen een bouwwerk zonder een dak een erf- of terreinafscheiding betreft, is de conclusie ook ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden van dit artikel.
-
2
Het bouwwerk is hoger dan 1 meter.
-
3
Het bouwwerk is 2 meter of lager.
-
4
Het bouwwerk staat meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied.
-
5
Het bouwwerk staat op een gebouwerf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee het bouwwerk in functionele relatie staat.
-
6
Het bouwwerk staat achter de lijn die langs de voorkant van het gebouw bedoeld in Artikel 7.243, lid 5 evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 7.244 Bouwwerk zonder een dak - rioolpersleidingen - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 7.4.3.10 Bouwwerk zonder een dak - conclusie hemelwaterberging
Artikel 7.246a Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp 'hemelwaterberging' gelden in het gebied ' nieuwe regels - buiten Stadshavens'.
Artikel 7.246b Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - hoe het werkt
De regels in deze subparagraaf bepalen wat voor het onderwerp 'hemelwaterberging' de conclusies zijn zoals bedoeld in Artikel 7.174 Bouwwerk zonder een dak - vergunning of melding nodig?
Artikel 7.246f Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Is de activiteit onderdeel van een verzameling samenhangende niet-, onderdeelen die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer , onderdeelen? En is het totale projectgebied groter dan 500 m²? Dan is in de volgende gevallen de conclusie 'niets nodig'.
-
a.
Voor het project is een , onderdeel opgesteld en het bouwplan voldoet daaraan. Het hemelwaterbergingsplan moet voldoen aan de volgende eisen:
-
1.
het hemelwaterbergingsplan is goedgekeurd door of namens het college;
-
2.
het hemelwaterbergingsplan omvat de totale hemelwaterberging voor het hele projectgebied. De hemelwaterberging moet minimaal voldoen aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor het berekenen van de hoeveelheid op te vangen en te bergen regenwater in de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte mee van het hele projectgebied en van alle bouwwerken en verhardingen die daar gerealiseerd worden;
-
3.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de toedeling van de totale opgave en de verplichtingen aan de gronden in het projectgebied en hun huidige én toekomstige eigenaren; en
-
4.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de realisatie, het beheer en het in stand houden van de hemelwaterberging.
-
1.
-
b.
Is er voor een project (nog) geen goedgekeurd hemelwaterbergingsplan? En betreft de aanvraag een afzonderlijke kavel in het projectgebied? Dan is de conclusie ook ‘niets nodig’ als de hemelwaterberging voor de kavel voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied.
-
a.
-
2
Vindt de activiteit plaats in een gebied waar een project is uitgevoerd waarvoor een hemelwaterbergingsplan is gemaakt als bedoeld in het vorige lid? En voldoet het bouwplan aan dat hemelwaterbergingsplan? Ook dan is de conclusie ‘niets nodig’.
-
3
Vindt het bouwen plaats buiten een project of een projectgebied? En is er sprake van een of meer van de volgende gevallen? Ook dan is de conclusie 'niets nodig'.
-
4
Is in de leden hiervoor de conclusie nergens 'niets nodig'? Dan is de conclusie alsnog 'niets nodig' als een hemelwaterberging wordt gemaakt die voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging.
Artikel 7.246g Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - vergunningplicht
Is de conclusie in de artikelen hiervoor niet 'verboden', 'melding nodig', 'informatie nodig' of 'niets nodig'? Dan is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 7.246h Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - extra beoordelingsregels
Is de conclusie 'vergunning nodig'? Dan wordt de vergunningaanvraag voor het onderwerp 'hemelwaterberging' beoordeeld met de volgende regels:
Artikel 7.246i Bouwwerk zonder een dak - hemelwaterberging - extra stukken en gegevens
Voor de beoordeling van de aanvraag worden de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 5.6 Extra eisen - hemelwaterberging.
Hoofdstuk 8 Activiteiten - slopen
Afdeling 8.1 Slopen - wegwijzer slopen
Artikel 8.1 Wegwijzer, samenloop en rangorde
-
1
Voor het slopen van een bouwwerk zijn de regels voor de verboden, geboden, vergunningplichten, meldingsplichten, informatieplichten en zorgplichten te vinden in:
Activiteit
(Sub)paragraaf
Slopen - algemene regels
Slopen - toestemming en melding
Slopen - cultureel erfgoed
Paragraaf 8.3.2 (gemeentelijke monumenten)
Paragraaf 8.3.3 (karakteristieke gebouwen en object)
Paragraaf 8.3.4 (gemeentelijke archeologische monumenten)Paragraaf 8.3.5 (archeologische verwachting)
-
2
Valt het slopen onder meerdere (sub)activiteiten in dit hoofdstuk? Dan gelden de regels van die activiteit steeds voor zover het slopen in die activiteit valt.
Afdeling 8.2 Slopen - algemene regels
Paragraaf 8.2.1 Slopen - inleidende regels
Artikel 8.2 Slopen - omschrijving activiteit
De regels in deze afdeling gelden voor de activiteit ‘Sloopactiviteit (omgevingsplan)’. Deze activiteit gaat over het slopen van een bouwwerk: de sloopactiviteit zoals opgenomen in de Omgevingswet. In dit omgevingsplan noemen we deze activiteit ook wel kortweg 'slopen' of de 'sloopactiviteit'.
Artikel 8.3 Slopen - waar de regels gelden
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied 'nieuwe regels', behalve als een regel in deze afdeling iets anders zegt.
Paragraaf 8.2.2 Slopen - algemene regels
Subparagraaf 8.2.2.2 Slopen - plichten tijdens de sloop
Artikel 8.5 Slopen - zorgplicht tijdens de sloop
-
1
Diegene die een sloopactiviteit uitvoert of gelegenheid geeft om een sloopactiviteit uit te voeren, zorgt ervoor dat bij de werkzaamheden:
-
a.
bouwwerken die niet gesloopt worden, zo weinig mogelijk worden beschadigd;
-
b.
het gebruik van andere bouwwerken niet of zo weinig mogelijk wordt belemmerd;
-
c.
objecten in en op terreinen in de buurt niet worden beschadigd;
-
d.
het gebruik van terreinen in de buurt en de zaken daarop niet wordt belemmerd.
-
a.
-
2
Als het voorkomen van de onder Artikel 8.5, lid 1 bedoelde beschadiging of belemmering redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de beschadiging of belemmering zo beperkt mogelijk gehouden en zo snel mogelijk verholpen respectievelijk beëindigd.
Afdeling 8.3 Slopen - toestemming en beoordeling
Paragraaf 8.3.1 Slopen - vergunning en melding - het systeem
Artikel 8.6 Slopen - vangnetverbod niet geregelde sloopactiviteiten
De volgende sloopactiviteiten zijn toestemmingsvrij. Artikel 8.7 Slopen - vergunning of melding nodig? geldt hier niet voor.
-
a.
sloopactiviteiten die vergund zijn;
-
b.
sloopactiviteiten die vergunningvrij zijn volgens § 2.3.3 Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
c.
sloopactiviteiten die zijn begonnen voor 1 januari 2024 en waren toegestaan volgens het recht van het moment dat de sloop begon.
-
d.
de sloop van bouwwerken die zijn gebouwd na 1 oktober 1992 en die vergunningvrij waren volgens het recht op het moment dat de bouw begon.
Artikel 8.7 Slopen - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf regelt wat er geldt voor de activiteit ‘slopen’:
-
a.
Een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
Een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
Een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
De activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
Een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt één of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
-
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen in de conclusies voor de onderwerpen gelden als voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit, en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie 'vergunning nodig' is. Bij elk onderwerp staat vermeld aan welke regels moet worden getoetst.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie 'meldingsplicht' worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie 'informatieplicht' worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Paragraaf 8.3.2 Slopen - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 8.9 Slopen - gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijk monument’ gelden in het gebied dat is aangewezen met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 8.10 Slopen - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 8.7, lid 2.
Artikel 8.14 Slopen - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gaat om het slopen waarbij:
-
a.
het monument niet wordt ontsierd, beschadigd, verplaatst of in gevaar gebracht;
-
b.
er sprake is van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben, of
-
c.
er sprake is van het uitvoeren van normaal onderhoud waarbij:
-
a.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
4
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 8.15 Slopen - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de voorgaande artikelen niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Paragraaf 8.3.3 Slopen - conclusie karakteristieke gebouwen en objecten
Artikel 8.18 Slopen - karakteristieke gebouwen en objecten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ gelden in het gebied 'karakteristieke gebouwen en objecten'.
Artikel 8.19 Slopen - karakteristieke gebouwen en objecten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 8.7, lid 2.
Artikel 8.23 Slopen - karakteristieke gebouwen en objecten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het slopen onderwerp ‘karakteristieke gebouwen en objecten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan het volgende lid in dit artikel.
-
2
De sloopwerkzaamheden betreffen alleen een of meer van de volgende situaties:
-
a.
het uitvoeren van normaal onderhoud en herstel;
-
b.
inpandige delen van een gebouw;
-
c.
het uitvoeren van destructief onderzoek;
-
d.
het geheel of gedeeltelijk slopen van een gebouw of object als hiervoor een sloopvergunning is verleend; en/of
-
e.
de noodzakelijke sloop van een karakteristiek gebouw of object ter voorkoming van instortingsgevaar bij acute dreiging voor de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing of percelen, en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen.
-
a.
Artikel 8.24 Slopen - karakteristieke gebouwen en objecten - vergunningplicht
Als de conclusie in de voorgaande artikelen niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Paragraaf 8.3.4 Slopen - conclusie gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 8.26a Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 8.26b Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze paragraaf bepaalt voor het onderwerp ‘Slopen’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 8.7, lid 2 .
Artikel 8.26f Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet ontsierd, verstoord, beschadigd, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd of in gevaar gebracht.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 8.26g Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 8.26h Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 8.26i Slopen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Paragraaf 8.3.5 Slopen - conclusie archeologische verwachting
Artikel 8.27 Slopen - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ gelden in het gebied dat is aangewezen met de functie 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 8.28 Slopen - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 8.7, lid 2.
Artikel 8.32 Slopen - archeologische verwachting - toestemmingsvrij algemeen
-
1
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' is 'niets nodig' als voldaan wordt aan alle onderstaande leden in dit artikel.
-
2
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische zones':
Artikel 8.33 Slopen - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 8.34 Slopen - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 8.35 Slopen - archeologische verwachting - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Hoofdstuk 9 Activiteiten - werken en werkzaamheden
Afdeling 9.1 Werken en werkzaamheden - inleidende regels
Artikel 9.1 Werken en werkzaamheden - waar de regels over gaan
-
1
De regels in dit hoofdstuk gelden voor de activiteit ‘werken en werkzaamheden'.
De regels voor de activiteit 'werken en werkzaamheden' gelden niet voor bouwwerken en sloopwerken. De regels daarvoor staan:
-
1
voor bouwwerken: in Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7;
-
2
voor slopen van bouwwerken: in Hoofdstuk 8
-
1
-
2
De regels in de volgende afdeling zijn algemene regels voor alle werken en werkzaamheden. In de daaropvolgende afdelingen van dit hoofdstuk staan regels voor de verschillende subactiviteiten van werken en werkzaamheden.
Artikel 9.4 Werken en werkzaamheden - waar de regels gelden
Als niet is genoemd waar een regel voor werken en werkzaamheden geldt, geldt de regel voor het gebied 'nieuwe regels'.
Artikel 9.5 Werken en werkzaamheden - wegwijzer regels
-
1
Voor werken en werkzaamheden zijn de regels voor de verboden, geboden, vergunningplichten, meldingsplichten, informatieplichten en zorgplichten te vinden in:
-
2
Als werken en werkzaamheden in meerdere activiteiten vallen, dan gelden de regels van die activiteit steeds voor zover werken en werkzaamheden in die activiteit vallen.
Afdeling 9.2 Werken en werkzaamheden - algemene regels
Paragraaf 9.2.1 Werken en werkzaamheden - aanvragen, meldingen, berichten en mededelingen
[Gereserveerd]
Paragraaf 9.2.4 Werken en werkzaamheden - plichten tijdens de werkzaamheden
Artikel 9.9 Werken en werkzaamheden - zorgplicht beschermen omgeving
-
1
De opdrachtgevers en uitvoerenden van werken en werkzaamheden zorgen ervoor dat bij die werken en werkzaamheden:
-
a.
het gebruik van bouwwerken niet of zo weinig mogelijk wordt belemmerd;
-
b.
terreinen in de buurt en de zaken daarop niet worden beschadigd;
-
c.
het gebruik van terreinen in de buurt en de zaken daarop niet wordt belemmerd;
-
d.
de weg en wat daarbij hoort niet wordt beschadigd;
-
e.
de weg en wat daarbij hoort niet wordt belemmerd;
-
f.
openbaar water of openbaar groen niet wordt beschadigd; en
-
g.
het gebruik van openbaar water of openbaar groen niet wordt belemmerd.
-
a.
-
2
Als het voorkomen van de onder het eerste lid bedoelde beschadiging of belemmering redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de beschadiging of belemmering zo beperkt mogelijk gehouden en zo snel mogelijk verholpen respectievelijk beëindigd.
Afdeling 9.3 Werken en werkzaamheden - werkzaamheden met planten
Paragraaf 9.3.1 Werkzaamheden met planten - inleidende regels
Artikel 9.11 Werkzaamheden met planten - omschrijving activiteit
-
1
De regels in deze paragraaf gelden voor de activiteit ‘werkzaamheden met planten’. Hieronder verstaan wij het aanbrengen of verwijderen van planten.
-
2
Het kappen van een boom en het vellen van houtopstanden valt hier niet onder. Dat is geregeld in Afdeling 9.4.
Artikel 9.12 Werkzaamheden met planten - bovenliggende activiteit
-
1
De activiteit ‘werkzaamheden met planten’ is onderdeel van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
-
2
De regels van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’ gelden ook voor de subactiviteit ‘werkzaamheden met planten’.
-
3
Een vergunning voor de subactiviteit ‘werkzaamheden met planten’ wordt aangevraagd als vergunning voor de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
Paragraaf 9.3.3 Werkzaamheden met planten - toestemming en beoordeling
Subparagraaf 9.3.3.1 Werkzaamheden met planten - vergunning en melding - het systeem
Artikel 9.16 Werkzaamheden met planten - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf regelt wat er geldt voor de activiteit ‘werkzaamheden met planten’:
-
a.
een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
de activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt een of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
-
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen in de conclusies voor de onderwerpen gelden als voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Afdeling 15.5 Algemene beoordelingsregels - werken en werkzaamheden, en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie "vergunning nodig" is. Bij elk onderwerp staat vermeld aan welke regels moet worden getoetst.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie “meldingsplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie “informatieplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Subparagraaf 9.3.3.2 Werkzaamheden met planten - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 9.18 Werkzaamheden met planten - conclusie onderwerp gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ gelden in het gebied met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 9.19 Werkzaamheden met planten - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze paragraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.16, lid 2.
Artikel 9.23 Werkzaamheden met planten - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp gemeentelijke monumenten is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gaat om werkzaamheden met planten waarbij:
-
a.
het monument niet wordt ontsierd, beschadigd, verplaatst of in gevaar wordt gebracht; of
-
b.
er sprake is van het uitvoeren van normaal onderhoud waarbij:
-
c.
het gaat om inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben.
-
a.
-
3
Het monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
4
Het monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 9.24 Werkzaamheden met planten - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 9.3.3.2a Werkzaamheden met planten - conclusie gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 9.26a Werkzaamheden met planten - conclusie onderwerp gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 9.26b Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.16, lid 2 .
Artikel 9.26c Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 9.26d Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.26e Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.26f Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt en/of te laten gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 9.26g Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.26h Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 9.26i Werkzaamheden met planten - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Subparagraaf 9.3.3.3 Werkzaamheden met planten - conclusie archeologische verwachting
Artikel 9.27 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp archeologische verwachting gelden in het gebied 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 9.28 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.16, lid 2.
Artikel 9.31 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.32 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - toestemmingsvrij I
-
1
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' is 'niets nodig' als voldaan wordt aan alle onderstaande leden in dit artikel.
-
2
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen'? Dan wordt de bodem binnen het gebied archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische zones':
Artikel 9.32a Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - toestemmingsvrij II
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' in de gebieden 'archeologische percelen' en 'archeologische zones' is ook 'niets nodig' in een of meer van de volgende gevallen:
Artikel 9.33 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.34 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 9.35 Werkzaamheden met planten - archeologische verwachting- extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Afdeling 9.5 Werken en werkzaamheden - grondbewerkingen
Paragraaf 9.5.1 Grondbewerkingen - inleidende regels
Artikel 9.36 Grondbewerkingen - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor de activiteit ‘grondbewerkingen’. Hieronder verstaan wij graven, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, dempen, ontginnen, ophogen, opwerpen van verhogingen en het aanleggen van drainage of het op een andere manier roeren van de bodem, als deze activiteiten plaatsvinden in of op de bodem.
Artikel 9.37 Grondbewerkingen - bovenliggende activiteit
-
1
De activiteit ‘grondbewerkingen’ is onderdeel van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
-
2
De regels van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’ gelden ook voor de subactiviteit ‘grondbewerkingen’.
-
3
Een vergunning voor de subactiviteit ‘grondbewerkingen’ wordt aangevraagd als vergunning voor de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
Paragraaf 9.5.3 Grondbewerkingen - toestemming en beoordeling
Subparagraaf 9.5.3.1 Grondbewerkingen - vergunning en melding - het systeem
Artikel 9.41 Grondbewerkingen - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf regelt wat er geldt voor de activiteit ‘grondbewerkingen’:
-
a.
een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
de activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt een of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
-
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen in de conclusies voor de onderwerpen gelden als voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Afdeling 15.5 Algemene beoordelingsregels - werken en werkzaamheden, en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie "vergunning nodig" is. Bij elk onderwerp staat vermeld aan welke regels moet worden getoetst.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie “meldingsplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie “informatieplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Subparagraaf 9.5.3.2 Grondbewerkingen - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 9.43 Grondbewerkingen - gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ gelden in het gebied met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 9.44 Grondbewerkingen - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.41, lid 2.
Artikel 9.48 Grondbewerkingen - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp gemeentelijke monumenten is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het monument wordt niet gesloopt, ontsierd, beschadigd, verstoord, verplaatst, in gevaar gebracht of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
-
4
Het gaat om het uitvoeren van normaal onderhoud aan het monument waarbij:
-
5
Er is sprake van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben.
Artikel 9.49 Grondbewerkingen - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 9.5.3.2a Grondbewerkingen - conclusie gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 9.51a Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 9.51b Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.41, lid 2 .
Artikel 9.51d Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.51e Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.51f Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt en/of te laten gebruiken op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 9.51g Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.51h Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 9.51i Grondbewerkingen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Subparagraaf 9.5.3.3 Grondbewerkingen - conclusie archeologische verwachting
Artikel 9.52 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp archeologische verwachting gelden in het gebied 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 9.53 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘archeologische verwachting’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.41, lid 2.
Artikel 9.57 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - toestemmingsvrij I
-
1
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' is 'niets nodig' als voldaan wordt aan alle onderstaande leden in dit artikel.
-
2
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen' Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische zones':
Artikel 9.57a Grondbewerkingen - archeologische verwachting - toestemmingsvrij II
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' in de gebieden 'archeologische percelen' en 'archeologische zones' is ook 'niets nodig' in een of meer van de volgende gevallen:
Artikel 9.58 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.59 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 9.60 Grondbewerkingen - archeologische verwachting - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Afdeling 9.6 Werken en werkzaamheden - aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen
Paragraaf 9.6.1 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - inleidende regels
Artikel 9.61 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor de activiteit ‘aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen’. Hieronder verstaan wij het aanleggen en veranderen van verharde en onverharde wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen en veranderen van andere oppervlakteverhardingen. Het gaat niet om bouwwerken.
Artikel 9.62 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - bovenliggende activiteit
-
1
De activiteit ‘aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen’ is onderdeel van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
-
2
De regels van de activiteit ‘werken en werkzaamheden’ gelden ook voor de subactiviteit ‘aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen’.
-
3
Een vergunning voor de subactiviteit ‘aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen’ wordt aangevraagd als vergunning voor de activiteit ‘werken en werkzaamheden’.
Paragraaf 9.6.2 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - algemene regels
Artikel 9.63 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - specifieke zorgplichten
[Gereserveerd]
Artikel 9.64 Wijzigingen op of aan het Damsterdiep
Wijzigingen op of aan het Damsterdiep mogen er niet toe leiden dat:
-
a.
één of meer rijstroken met meer dan 2 meter in het horizontale vlak wordt/worden verplaatst in de richting van bestaande geluidgevoelige gebouwen;
-
b.
één of meer rijstroken in het verticale vlak met meer dan 1 meter wordt/worden verhoogd of verlaagd;
-
c.
het aantal rijstroken toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie, waarbij voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken niet meetellen;
-
d.
het wegdek wordt vervangen door een minder stil type wegdek;
-
e.
bestaande geluidwerende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken worden verwijderd.
Paragraaf 9.6.3 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - toestemming en beoordeling
Subparagraaf 9.6.3.1 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - vergunning en melding - het systeem
Artikel 9.67 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - vergunning of melding nodig?
-
1
Deze paragraaf regelt wat er geldt voor de activiteit ‘aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen’:
-
a.
Een verbod: de activiteit is verboden.
-
b.
Een meldingsplicht: de activiteit is toegestaan, maar we willen het wel weten. Daarom is een melding nodig. De regels bepalen ook hoe en wanneer de melding moet worden gedaan.
-
c.
Een informatieplicht: de activiteit is toegestaan, maar wij willen iets weten. Daarom moet informatie worden aangeleverd. De regels bepalen ook hoe en wanneer.
-
d.
De activiteit is toestemmingsvrij: voor de activiteit is geen toestemming nodig en we hoeven ook niet te worden geïnformeerd.
-
e.
Een vergunningplicht: we willen de activiteit beoordelen en daarom is een vergunning nodig. De regels bepalen ook hoe de vergunningaanvraag daarna wordt beoordeeld.
-
a.
-
2
Wat er precies geldt, hangt af van de volgende subparagrafen. Elke subparagraaf behandelt een onderwerp en trekt een of meer conclusies. Alle conclusies samen bepalen wat er geldt, volgens het stappenplan hieronder. Let op: een vergunningplicht, een meldingsplicht en een informatieplicht kunnen tegelijkertijd gelden.
Stap 1
Verbod
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “verboden”?
Zo ja, dan is de activiteit verboden. Er is dan geen andere uitkomst meer mogelijk. Stap 2 tot en met 5 vervallen.
Zo nee: ga door naar stap 2.
Stap 2
Melding
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “melding nodig”?
Zo ja, dan is een melding nodig.
Ga door naar stap 3.
Stap 3
Informatie
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “informatie nodig”?
Zo ja, dan moet er informatie worden aangeleverd.
Ga door naar stap 4.
Stap 4
Vergunning
-
Is voor een of meer van de onderwerpen de conclusie “vergunning nodig”?
Zo ja, dan is de activiteit vergunningplichtig. Stap 5 vervalt.
Zo nee, ga door naar stap 5.
Stap 5
Niets nodig
-
Was er in de stappen 1 tot en met 4 géén verbod, géén vergunningplicht, géén meldingsplicht en géén informatieplicht? Dan is de activiteit toestemmingsvrij.
-
3
De eisen in de conclusies voor de onderwerpen gelden als voorwaarden voor de activiteit.
-
4
Als er een vergunningplicht is, wordt de aanvraag beoordeeld:
-
a.
met de algemene beoordelingsregels van Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels en Afdeling 15.5 Algemene beoordelingsregels - werken en werkzaamheden, en
-
b.
op die onderwerpen waarvoor de conclusie "vergunning nodig" is. Bij elk onderwerp staat vermeld aan welke regels moet worden getoetst.
-
a.
-
5
Als er een meldingsplicht is kan bij de conclusie “meldingsplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de melding.
-
6
Als er een informatieplicht is kan bij de conclusie “informatieplicht” worden doorverwezen naar extra eisen aan de informatieplicht.
Subparagraaf 9.6.3.2 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - conclusie gemeentelijke monumenten
Artikel 9.69 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijk monument’ gelden in het gebied met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten.
Artikel 9.70 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.67, lid 2.
Artikel 9.71 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 9.72 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.73 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.74 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het monument wordt niet gesloopt, ontsierd, verstoord, beschadigd verplaatst of op welke manier dan ook veranderd of in gevaar gebracht.
-
3
Het monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
-
4
Het uitvoeren van normaal onderhoud aan het monument waarbij:
-
5
Er is sprake van inpandige veranderingen van het monument, wanneer dit alleen gebeurt aan onderdelen die uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde hebben.
Artikel 9.75 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Subparagraaf 9.6.3.2a Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - conclusie gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 9.77a Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp ‘gemeentelijke archeologische monumenten’ gelden in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'. De regels voor dit onderwerp gelden ook voor voorbeschermde gemeentelijke archeologische monumenten.
Artikel 9.77b Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp ‘gemeentelijke arscheologische monumenten’ de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.67, lid 2 .
Artikel 9.77c Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 9.77d Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.77e Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.77f Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
De conclusie voor het onderwerp ‘gemeentelijke monumenten’ is ‘niets nodig’ als voldaan wordt aan alle volgende leden in dit artikel.
-
2
Het gemeentelijk monument wordt niet gesloopt, verstoord, verplaatst of op welke manier dan ook veranderd.
-
3
Het gemeentelijk monument wordt niet hersteld en/of gebruikt op een manier waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Artikel 9.77g Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.77h Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra beoordelingsregels
Als de activiteit ‘bouwen bouwwerk met een dak’ vergunningplichtig is, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels.
Artikel 9.77i Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - gemeentelijke archeologische monumenten - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
Subparagraaf 9.6.3.3 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - conclusie archeologische verwachting
Artikel 9.78 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp archeologische verwachting gelden in het gebied 'aandachtsgebied archeologische verwachting'.
Artikel 9.79 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - hoe het werkt
Deze subparagraaf bepaalt voor het onderwerp 'archeologische verwachting' de conclusies zoals bedoeld in Artikel 9.67, lid 2.
Artikel 9.80 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 9.81 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.82 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.83 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - toestemmingsvrij I
-
1
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' is 'niets nodig' als voldaan wordt aan alle onderstaande leden in dit artikel.
-
2
Vind het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische percelen':
-
3
Is lid 2 niet van toepassing? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan wordt de bodem binnen het gebied 'archeologische zones':
Artikel 9.83a Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - toestemmingsvrij II
De conclusie voor het onderwerp 'archeologische verwachting' in de gebieden 'archeologische percelen' en 'archeologische zones' is ook 'niets nodig' in een of meer van de volgende gevallen:
Artikel 9.84 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet ‘verboden’, ‘melding nodig’, 'informatie nodig' of 'niets nodig’ is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.85 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - extra beoordelingsregels
-
1
Als in het artikel hiervoor de conclusie is ‘vergunning nodig’, wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
2
In de vergunning voor bouwen voor het bouwen van een hoofdgebouw, kunnen, vanwege het onderwerp ‘archeologische verwachting’, de volgende voorschriften worden opgenomen:
-
a.
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
het doen van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde manier, als die manier in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
a.
Artikel 9.86 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - archeologische verwachting - extra stukken en gegevens
Als de conclusie voor dit onderwerp ‘vergunning nodig’ is, moeten de gegevens aangeleverd worden die staan in bijlage 3 onder 5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen en 5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen.
Subparagraaf 9.6.3.4 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - conclusie hemelwaterberging
Artikel 9.87 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - waar de regels gelden
De regels voor het onderwerp 'hemelwaterberging' gelden in het gebied nieuwe regels - buiten Stadshavens'.
Artikel 9.88 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - hoe het werkt
De regels in deze subparagraaf bepalen wat voor het onderwerp 'hemelwaterberging' de conclusies zijn zoals bedoeld in Artikel 9.67 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - vergunning of melding nodig?
Artikel 9.89 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - verbod
[Gereserveerd]
Artikel 9.90 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - meldingsplicht
[Gereserveerd]
Artikel 9.91 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - informatieplicht
[Gereserveerd]
Artikel
9.92
Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - toestemmingsvrij
onder voorwaarden
-
1
Is de activiteit onderdeel van een verzameling samenhangende niet-, onderdeelen die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer , onderdeelen? En is het totale projectgebied groter dan 500 m²? Dan is in de volgende gevallen de conclusie 'niets nodig'.
-
a.
Voor het project is een , onderdeel opgesteld en het bouwplan voldoet daaraan. Het hemelwaterbergingsplan moet voldoen aan de volgende eisen:
-
1.
het hemelwaterbergingsplan is goedgekeurd door of namens het college;
-
2.
het hemelwaterbergingsplan omvat de totale hemelwaterberging voor het hele projectgebied. De hemelwaterberging moet minimaal voldoen aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor het berekenen van de hoeveelheid op te vangen en te bergen regenwater in de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied en van alle bouwwerken en verhardingen die daar gerealiseerd worden;
-
3.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de toedeling van de totale opgave en de verplichtingen aan de gronden in het projectgebied en hun huidige én toekomstige eigenaren; en
-
4.
in het hemelwaterbergingsplan staan afspraken over de realisatie, het beheer en het in stand houden van de hemelwaterberging.
-
1.
-
b.
Is er voor een project (nog) geen goedgekeurd hemelwaterbergingsplan? En betreft de aanvraag een afzonderlijke kavel in het projectgebied? Dan is de conclusie ook ‘niets nodig’ als de hemelwaterberging voor de kavel voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied.
-
a.
-
2
Vindt de activiteit plaats in een gebied waar een project is uitgevoerd waarvoor een hemelwaterbergingsplan is gemaakt als bedoeld in het vorige lid? En voldoet de activiteit aan dat hemelwaterbergingsplan? Ook dan is de conclusie ‘niets nodig’.
-
3
Vindt de activiteit plaats buiten een project of projectgebied? En is er sprake van een of meer van de volgende gevallen? Ook dan is de conclusie 'niets nodig'.
-
a.
Er komt minder dan 50 m2 , onderdeel bij en er wordt ook niet meer dan 50 m² verharding vervangen.
-
b.
De verharding wordt toegevoegd of vervangen op een kavel van 250 m2 of minder.
-
c.
De verharding vindt plaats op een perceel met alleen een woonfunctie.
-
d.
Het gaat om herstraten waarbij niet dieper dan 20 cm wordt ingegraven. Waar nodig mogen bij het herstraten kolken opnieuw worden gesteld en aansluitleidingen aangepast.
-
a.
-
4
Is in de leden hiervoor de conclusie nergens 'niets nodig'? Dan is de conclusie alsnog 'niets nodig' als een hemelwaterberging wordt gemaakt die voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging .
Artikel 9.93 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - vergunningplicht
Als de conclusie in de artikelen hiervoor niet 'verboden', 'melding nodig', 'informatie nodig' of 'niets nodig' is, is de conclusie 'vergunning nodig'.
Artikel 9.94 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - extra beoordelingsregels
Is de conclusie 'vergunning nodig'? Dan wordt de vergunningaanvraag voor het onderwerp 'hemelwaterberging' beoordeeld met de volgende regels:
Artikel 9.95 Aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen - hemelwaterberging - extra stukken en gegevens
Voor de beoordeling van de aanvraag worden de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.6 Extra eisen - hemelwaterberging.
Hoofdstuk 10 Activiteiten - gebruik
Afdeling 10.1 Gebruiksactiviteiten - inleidende regels
Paragraaf 10.1.1 Gebruiksactiviteiten - inleidende regels
Artikel 10.1 Waar de gebruiksregels over gaan
-
1
Dit regels in hoofdstuk gaan over de ‘gebruiksactiviteit’. Deze activiteit en de subactiviteiten noemen we hierna ‘gebruiksactiviteiten’ of ‘gebruik’. Het gaat over het gebruiksdoel van de gronden en bouwwerken. Ofwel: waar de gronden en bouwwerken voor gebruikt mogen worden. Dit wordt ook wel aangeduid als ruimtelijk gebruik.
-
2
De eerste afdelingen in dit hoofdstuk zijn algemene regels voor alle gebruiksactiviteiten. Vanaf Afdeling 10.5 gelden de regels alleen voor specifieke activiteiten. Dat zijn direct of indirect subactiviteiten van de 'gebruiksactiviteit'.
Artikel 10.2 Waarom we regels stellen over gebruik
We stellen regels over ruimtelijke gebruiksactiviteiten om het gebruik van de fysieke leefomgeving in de gemeente te reguleren.
Artikel 10.3 Waar de regels over gebruik gelden
De regels voor gebruik gelden in de in dit hoofdstuk aangewezen gebieden. Voor deze gebieden is aangegeven hoe de fysieke leefomgeving gebruikt mag worden. Als er geen specifiek gebied is geregeld, geldt een regel in het gebied 'nieuwe regels'.
Artikel 10.4 Wegwijzer, samenloop en rangorde
-
1
Voor de gebruiksactiviteiten zijn de regels voor de verboden, geboden, vergunningplichten, meldingsplichten, informatieplichten en zorgplichten te vinden in:
-
2
Als een activiteit onder meerdere gebruiksactiviteiten valt, dan gelden de regels van die activiteit steeds voor zover het bouwwerk in die activiteit valt.
Afdeling 10.2 Gebruiksactiviteiten - eisen aan de aanvragen, meldingen en informatieplichten [gereserveerd]
Afdeling 10.3 Gebruiksactiviteiten - algemene regels
Paragraaf 10.3.1 Gebruiksactiviteiten - algemene regels
Artikel 10.15 Vangnetverbod niet geregelde gebruiksactiviteiten
Gronden en bouwwerken mogen alleen worden gebruikt voor het gebruik dat dit hoofdstuk expliciet toestaat. Gebruik waarvoor op grond van dit omgevingsplan vergunning is verleend is ook toegestaan, net als gebruik waarvoor aan de meldingsplicht is voldaan. Ander gebruik is verboden.
Artikel 10.16 Speciale zorgplicht gebruik
Gebruiksactiviteiten worden zodanig uitgeoefend dat ze naar aard en omvang passend zijn voor de plek en de omgeving.
Artikel 10.17 Ondergeschikt gebruik
-
1
Bij gebruiksactiviteiten is ondergeschikt gebruik toegestaan. Onder ondergeschikt gebruik verstaan wij gebruik dat naar aard en omvang past bij het gebruik dat op die locatie is toegestaan. Onder ondergeschikt gebruik kunnen onder meer vallen:
-
2
Ondergeschikt gebruik moet een beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang hebben. Het hoofdgebruik moet in overwegende mate in stand blijven en herkenbaar zijn.
Artikel 10.18 Gebruik openbaar gebied
Als onderdeel van het gebruik van het openbaar gebied is in ieder geval toegestaan:
Afdeling 10.5 Gebruiksactiviteiten - tijdelijk gebruik
Paragraaf 10.5.1 Tijdelijke gebruiksactiviteiten
Subparagraaf 10.5.1.2 Tijdelijk gebruik - specifieke situaties
Artikel 10.40 Tijdelijk gebruik - te vervallen hoogspanningsleiding
In het gebied te vervallen hoogspanningsleiding '' mogen de gronden tot 24 november 2024, maximaal twee jaar nadat het bestemmingsplan '110 kV kabelverbinding Groningen, Hunze - Bloemsingel' onherroepelijk is geworden, worden gebruikt voor een hoogspanningsleiding met bijbehorende voorzieningen.
Artikel 10.41 Algemeen gebruiksverbod deelgebieden Stadshavens - omschrijving verbod
Ter plaatse van de locaties ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest', ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost' en ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost' is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken voor andere gebruiksactiviteiten dan in dit hoofdstuk zijn toegestaan.
Artikel 10.42 Tijdelijk gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest
In het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordwest ' mag voor de bedrijven genoemd in Bijlage 4 Bijzondere overgangsrechten het gebruik dat bestond op 4 juli 2024 worden voortgezet tot de datum zoals genoemd in kolom G van de betreffende tabel. In de tabel wordt het bestaande gebruik benoemd.
Artikel 10.43 Tijdelijk gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost
In het gebied 'ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Noordoost' mag voor de bedrijven genoemd in Bijlage 4 Bijzondere overgangsrechten het gebruik dat bestond op 4 juli 2024 worden voortgezet tot de datum zoals genoemd in kolom G van de betreffende tabel. In de tabel wordt het bestaande gebruik benoemd.
Artikel 10.44 Tijdelijk gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost
In het gebied ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidoost' mag voor de bedrijven genoemd in Bijlage 4 Bijzondere overgangsrechten het gebruik dat bestond op 4 juli 2024 worden voortgezet tot de datum zoals genoemd in kolom G van de betreffende tabel. In de tabel wordt het bestaande gebruik benoemd.
Artikel 10.45 Tijdelijk gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidwest
In het gebied ontwikkelgebied Stadshavens deelgebied Zuidwest' geldt voor de oefenlocatie en de brandweer dat de gebruiksactiviteiten zoals die bestonden op 4 juli 2024 mogen worden voortgezet tot en met 31 maart 2029.
Artikel 10.46 Tijdelijk gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens - maatwerkbevoegdheid
-
1
Voor de regels genoemd in Artikel 10.42, Artikel 10.43, Artikel 10.44 en Artikel 10.45 kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld voor het verkorten of verlengen van de overgangstermijn voor bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 4 Bijzondere overgangsrechten.
-
2
Het maatwerkvoorschrift kan worden gesteld als door de ontwikkeling van Stadshavens:
Afdeling 10.6 Gebruiksactiviteiten - specifieke vormen van gebruik
Paragraaf 10.6.1 Woonactiviteiten
Subparagraaf 10.6.1.1 Woonactiviteiten - inleidende regels
Artikel 10.51 Woonactiviteiten - waar de regels in deze paragraaf over gaan
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied wonen en gaan over de 'Woonactiviteit'. De regels in Subparagraaf 10.6.1.2 gelden voor alle woonactiviteiten. In de daaropvolgende subparagrafen staan regels over subactiviteiten. Die hebben de activiteit 'Woonactiviteit' direct of indirect als bovenliggende activiteit.
Subparagraaf 10.6.1.2 Woonactiviteiten - algemeen
Subparagraaf 10.6.1.3 Wonen in een woning
Subsubparagraaf 10.6.1.3.1 Wonen in een zelfstandige woning
Artikel 10.53 Wonen in een zelfstandige woning - omschrijving activiteit
Deze paragraaf gaat over het gebruik ‘wonen in een zelfstandige woning’.
Onder het gebruik ‘wonen in een zelfstandige woning’ verstaan wij het wonen in een zelfstandige woning.
Artikel 10.54 Wonen in een zelfstandige woning - algemene regels
-
1
Wonen in een zelfstandige woning is alleen toegestaan in het gebied 'wonen in een zelfstandige woning'.
-
2
Gereserveerd.
-
3
Wonen in vrijstaande gebouwen buiten het hoofdgebouw mag niet.
-
4
Het gebruiken van aangebouwde gebouwen aan het hoofdgebouw als zelfstandige woning mag niet.
-
5
In een woning mag maximaal 1 huishouden wonen.
-
6
Een zelfstandige woning mag niet worden veranderd of gesplitst in twee of meer woningen of woonruimten. Ook bij sloop en vervangende nieuwbouw mag het aantal woningen niet toenemen.
-
7
De gebruiksoppervlakte van alle zelfstandige woningen moet minimaal voor de helft op of boven bouwwerkpeil liggen. Dit geldt niet voor woningen waarvan de gebruiksoppervlakte op of voor 25 juni 2020 voor de helft of meer beneden het bouwwerkpeil lag.
-
8
Gereserveerd.
-
9
Gereserveerd.
-
10
In het gebied 'gebruiksoppervlakte - zelfstandige woning - minimum' moet de gebruiksoppervlakte van een woning meer zijn dan het aangegeven aantal m2. Deze regel geldt niet in de volgende gevallen:
-
a.
Als de bestaande en legale gebruiksoppervlakte van een bestaande woning minder bedraagt, dan geldt de bestaande gebruiksoppervlakte als minimum;
-
b.
Als er sprake is van een meergeneratiewoning; of
-
c.
Voor woningen die worden gecreëerd door het omvormen van bestaande onzelfstandige woningen naar zelfstandige woningen, maar alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
-
1.
alle onzelfstandige woningen en eenheden voor kamerverhuur vervallen;
-
2.
alle onzelfstandige woningen en eenheden voor kamerverhuur moeten al bestaan en als zodanig legaal zijn;
-
3.
het totaal aantal woningen en eenheden moet verminderen;
-
4.
minimaal 24 m² van de gebruiksoppervlakte van elke nieuwe woning bevindt zich op één bouwlaag;
-
5.
minimaal 24 m² van de gebruiksoppervlakte van elke woning heeft een netto-hoogte van 2,1 meter of meer; en
-
6.
omvormen mag alleen binnen een pand; samenvoegen van (gedeelten van) meer dan één pand mag niet.
-
1.
-
a.
-
11
Het is toegestaan een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. Huisvesting in verband met mantelzorg hoeft niet te voldoen aan de vereisten van een woning in dit omgevingsplan.
Subparagraaf 10.6.1.4 Wonen anders dan in een zelfstandige woning
Subsubparagraaf 10.6.1.4.1 Wonen anders dan een zelfstandige woning - algemeen
Artikel 10.55 Wonen anders dan in een zelfstandige woning - omschrijving activiteit
Deze paragraaf gaat over het gebruik ‘wonen anders dan in een zelfstandige woning’.
Onder het gebruik ‘wonen anders dan in een zelfstandige woning’ verstaan wij het wonen anders dan in een onzelfstandige woning. Voorbeelden zijn kamerverhuur en beschermd wonen.
Subsubparagraaf 10.6.1.4.2 Beschermd wonen
Artikel 10.56 Beschermd wonen - bestaand
In het gebied bestaand beschermd wonen - toestemmingsvrij '' is beschermd wonen toestemmingsvrij als:
-
a
het beschermd wonen op 26 juni 2020 was toegestaan krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en ook daadwerkelijk plaatsvond; of
-
b
er een omgevingsvergunning voor geldt die is verleend na 26 juni 2020;
Ander beschermd wonen is verboden.
Subsubparagraaf 10.6.1.4.3 Kamerverhuur
Artikel 10.57 Kamerverhuur - omschrijving activiteit
Deze paragraaf gaat over het gebruik kamerverhuur. Onder het gebruik kamerverhuur verstaan wij bewoning anders dan door een huishouden of voor beschermd wonen.
Artikel 10.58 Kamerverhuur - bestaand
-
1
In het gebied 'kamerverhuur bestaand - toestemmingsvrij' is toestemmingsvrij:
het hebben of gebruiken van wooneenheden voor kamerverhuur:
-
a
die op 26 juni 2020 legaal en daadwerkelijk aanwezig waren, in de op dat moment aanwezige samenstelling van het aantal bewoners en het aantal wooneenheden c.q. woningen; of
-
b
die op 26 juni 2020 nog niet daadwerkelijk aanwezig waren, maar wel al waren toegestaan op grond van vóór dat tijdstip verleende specifieke toestemmingen; of
-
c
waarvoor een omgevingsvergunning geldt die is verleend na 26 juni 2020;
-
a
-
2
Het gebruik is alleen toestemmingsvrij zolang:
Artikel 10.59 Kamerverhuur - nieuw - verboden
In het gebied 'kamerverhuur - nieuw - verboden' is nieuwe kamerverhuur verboden.
Paragraaf 10.6.2 Beroep aan huis
Subparagraaf 10.6.2.1 Beroep aan huis - algemene regels
Artikel 10.60 Beroep aan huis - omschrijving activiteit
Onder het gebruik ‘beroep aan huis’ verstaan wij het uitoefenen van een beroep op:
Artikel 10.61 Beroep aan huis - algemene regels
-
1
Het beroep wordt uitgeoefend in het gebied 'beroep aan huis'.
-
2
Het beroep wordt uitgeoefend in combinatie met de activiteit wonen .
-
3
De activiteit is beperkt van omvang en het wonen blijft belangrijker dan het beroep.
-
4
Het beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning.
-
5
Het beroep heeft een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die in overeenstemming is met de activiteit wonen.
Subparagraaf 10.6.2.2 Beroep aan huis - vergunning nodig?
Artikel 10.62 Beroep aan huis - toestemmingsvrij onder voorwaarden
Het gebruik ‘beroep aan huis’ is toestemmingsvrij, maar alleen als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
-
a.
het beroep wordt uitgeoefend in het hoofdgebouw en/of in aan het hoofdgebouw gebouwde gebouwen; en
-
b.
er wordt voldaan aan de voorwaarden uit Artikel 10.61.
Paragraaf 10.6.3 Bedrijfsactiviteiten
Subparagraaf 10.6.3.1 bedrijfstypen - cat. 3.2 t/m 5 - verboden
Artikel 10.63 bedrijfstypen - cat. 3.2 t/m 5 - verboden
In het gebied ‘bedrijfstypen - cat. 3.2 tot en met 5 - verboden' is het verboden om activiteiten uit te oefenen die vallen onder de categorieën 3.2 tot en met 5 van de Lijst van Bedrijfstypen van het bestemmingsplan Hoogkerk-Gravenburg.
Paragraaf 10.6.4 Zakelijke dienstverlening
Subparagraaf 10.6.4.1 Zakelijke dienstverlening
Artikel 10.67 Zakelijke dienstverlening - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘zakelijke dienstverlening’. Onder het gebruik ‘zakelijke dienstverlening’ valt in ieder geval:
Artikel 10.68 Zakelijke dienstverlening - toestemmingsvrij
In het gebied 'zakelijke dienstverlening - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘zakelijke dienstverlening’ toestemmingsvrij.
Paragraaf 10.6.5 Horeca
Subparagraaf 10.6.5.1 Horeca - algemeen
Subsubparagraaf 10.6.5.1.1 Horeca - algemeen - beperkingen
Artikel 10.69 Horeca - beperking bedrijventerrein Zuidoost
In het gebied horeca - beperking’ is als horecagebruik alleen horeca toegestaan die wordt genoemd in artikel 7 .1.1 onder i van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Zuidoost.
Artikel 10.70 Horeca - verbod nieuwe horeca
In het gebied ‘horeca - nieuwe horeca verboden’ is nieuwe horeca verboden.
Was hier eerder een horecabedrijf gevestigd dat is verplaatst? En moet het bedrijf op de nieuwe locatie de activiteiten staken door een gerechtelijke uitspraak? Dan is terugkeer toegestaan.
Subparagraaf 10.6.5.2 Bed en breakfast
Subsubparagraaf 10.6.5.2.2 Bed en breakfast - toestemmingsvrij onder voorwaarden
Artikel 10.72 Bed & breakfast - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Het gebruik 'bed en breakfast' is toestemmingsvrij, maar alleen als voldaan wordt aan alle eisen in de volgende leden.
-
2
Het vindt plaats in het gebied 'bed en breakfast'.
-
3
Het is alleen toegestaan in een woning en is ondergeschikt aan het wonen.
-
4
Er mogen maximaal twee vertrekken voor bed en breakfast worden gebruikt.
-
5
Er is alleen toeristisch-recreatief nachtverblijf toegestaan.
-
6
Er wordt ontbijt verstrekt.
-
7
Bed en breakfast is alleen toegestaan in het hoofdgebouw. Is het hoofdgebouw geen woning? Dan is de breakfast niet toegestaan in het hoofdgebouw, maar alleen in de woning.
Subparagraaf 10.6.5.3 Ondergeschikte horeca
Subsubparagraaf 10.6.5.3.2 Ondergeschikte horeca - toestemmingsvrij onder voorwaarden
Artikel 10.73 Ondergeschikte horeca - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
Het gebruik ‘ondergeschikte horeca’ is toestemmingsvrij, maar alleen als voldaan wordt aan alle eisen in de volgende leden.
-
2
Het vindt plaats in het gebied 'ondergeschikte horeca'.
-
3
Het omgevingsplan moet de hoofdactiviteit op die plek toestaan.
-
4
De horeca-activiteit is rechtstreeks verbonden met de hoofdactiviteit en is daaraan ondergeschikt, zowel naar aard als naar omvang.
Paragraaf 10.6.6 Detailhandel
Subparagraaf 10.6.6.2 Detailhandel - supermarkten
Artikel 10.84 Verbod nieuwe supermarkt
Het is verboden om een bestaande supermarkt uit te breiden in het gebied supermarkt - alleen bestaand'. Is er een supermarkt aanwezig of aanwezig geweest op het Haderaplein in Haren? Zo ja, dan is het verboden om in het gebied ‘supermarkt - alleen bestaand’ nieuwe supermarkten te starten of van formule te veranderen.
Artikel 10.85 Maximum aantal supermarkten vanaf 500 m²
-
1
In het gebied 'supermarkten vanaf 500 m2 - aantal - maximum' is het aantal supermarkten van minimaal 500 m² bruto-vloeroppervlakte of 400 m² winkelvloeroppervlakte niet meer dan het aangegeven aantal.
-
2
Heeft in het gebied supermarkten vanaf 500 m2 - geen uitbreiding' een supermarkt een bruto-vloeroppervlakte van 500 m² of meer? Dan mag die oppervlakte niet toenemen.
-
3
Heeft in het gebied supermarkten vanaf 500 m2 - geen uitbreiding' een supermarkt een winkelvloeroppervlakte van 400 m² of meer? Dan mag die oppervlakte niet toenemen.
Paragraaf 10.6.7 Maatschappelijke activiteiten
Subparagraaf 10.6.7.1 Kinderopvang
Subsubparagraaf 10.6.7.1.2 Kinderopvang - toestemmingsvrij
Artikel 10.98 Kinderopvang - toestemmingsvrij
In het gebied 'kinderopvang - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘kinderopvang’ toestemmingsvrij.
Subparagraaf 10.6.7.5 Overige medische activiteiten
Subsubparagraaf 10.6.7.5.2 Overige medische activiteiten - toestemmingsvrij
Artikel 10.106 Overige medische activiteiten - toestemmingsvrij
In het gebied 'overige medische activiteiten - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘overige medische activiteiten’ toestemmingsvrij.
Subparagraaf 10.6.7.6 Sociaal-culturele activiteiten
Subsubparagraaf 10.6.7.6.1 Sociaal-culturele activiteiten - algemene regels
Subsubparagraaf 10.6.7.6.2 Sociaal-culturele activiteiten - toestemmingsvrij
Artikel 10.108 Sociaal-culturele activiteiten - toestemmingsvrij
In het gebied 'sociaal-culturele activiteiten - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘sociaal-culturele activiteiten’ toestemmingsvrij.
Subparagraaf 10.6.7.7 Levensbeschouwelijke instellingen
Subsubparagraaf 10.6.7.7.1 Levensbeschouwelijke instellingen - algemene regels
Artikel 10.109 Levensbeschouwelijke instellingen - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘levensbeschouwelijke instellingen’. Onder het gebruik ‘levensbeschouwelijke instellingen’ verstaan wij een voor publiek toegankelijke instelling die ter plaatse bijeenkomsten faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen.
Subsubparagraaf 10.6.7.7.2 Levensbeschouwelijke instellingen - toestemmingsvrij
Artikel 10.110 Levensbeschouwelijke instellingen - toestemmingsvrij
In het gebied 'levensbeschouwelijke instellingen - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘levensbeschouwelijke instellingen’ toestemmingsvrij.
Paragraaf 10.6.8 Kunstzinnige en culturele activiteiten
Subparagraaf 10.6.8.1 Kunstzinnige en culturele activiteiten - algemene regels
Subparagraaf 10.6.8.2 Kunstzinnige en culturele activiteiten - toestemmingsvrij
Artikel 10.112 Kunstzinnige en culturele activiteiten - toestemmingsvrij
In het gebied 'kunstzinnige en culturele activiteiten - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘kunstzinnige en culturele activiteiten’ toestemmingsvrij.
Paragraaf 10.6.9 Sport- en speelvoorzieningen
Subparagraaf 10.6.9.1 Sport- en speelvoorzieningen - algemene regels
Subparagraaf 10.6.9.2 Sport- en speelvoorzieningen - toestemmingsvrij
Artikel 10.114 Sport- en speelvoorzieningen - toestemmingsvrij
In het gebied 'sport- en speelvoorzieningen - toestemmingsvrij' is het gebruik ‘sport- en speelvoorzieningen’ toestemmingsvrij.
Paragraaf 10.6.10 Verkeersactiviteiten
Subparagraaf 10.6.10.1 Gemotoriseerd weggebruik
Subsubparagraaf 10.6.10.1.1 Gemotoriseerd weggebruik - algemene regels
Artikel 10.115 Gemotoriseerd weggebruik - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘gemotoriseerd weggebruik’. Onder het gebruik ‘gemotoriseerd weggebruik’ verstaan wij de aanleg, het gebruik en het onderhoud van een weg voor gemotoriseerd verkeer, met inbegrip van bermen, kunstwerken en wat verder naar zijn aard tot de weg behoort, met een inrichting die vooral gericht is op het afwikkelen van verkeer.
Subsubparagraaf 10.6.10.1.2 Gemotoriseerd weggebruik - vergunning nodig?
Artikel 10.116 Gemotoriseerd weggebruik - toestemmingsvrij
In het gebied 'gemotoriseerd weggebruik' is het gebruik ‘gemotoriseerd weggebruik’ toegestaan.
Subparagraaf 10.6.10.2 Fietspaden
Subsubparagraaf 10.6.10.2.1 Fietspaden - algemene regels
Artikel 10.117 Fietspaden - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘fietspaden’. Onder het gebruik ‘fietspaden’ verstaan wij de naaleg, het gebruik en het onderhoud van een fietspad met inbegrip van bermen, kunstwerken en wat verder naar zijn aard tot een fietspad behoort.
Subsubparagraaf 10.6.10.2.2 Fietspaden - vergunning nodig?
Artikel 10.118 Fietspaden - toestemmingsvrij
In het gebied 'fietspaden' is het gebruik ‘fietspaden’ toestemmingsvrij.
Subparagraaf 10.6.10.3 Voetpaden
Subsubparagraaf 10.6.10.3.2 Voetpaden - vergunning nodig?
Artikel 10.120 Voetpaden - toestemmingsvrij
In het gebied 'voetpaden' is het gebruik ‘voetpaden’ toestemmingsvrij.
Subparagraaf 10.6.10.4 Scheepvaartverkeer en ligplaatsen
Subsubparagraaf 10.6.10.4.1 Scheepvaartverkeer en ligplaatsen - algemene regels
Artikel 10.121 Scheepvaartverkeer - omschrijving activiteit
De regels in deze subparagraaf gelden voor het gebruik ‘scheepvaartverkeer en ligplaatsen’. Onder ‘scheepvaartverkeer’ verstaan wij het vervoer en verkeer van goederen, mensen en dieren over water. Ook het innemen van een ligplaats valt hieronder.
Subsubparagraaf 10.6.10.4.2 Scheepvaartverkeer en ligplaatsen - vergunning nodig?
Artikel 10.122 Scheepvaartverkeer - toestemmingsvrij
In het gebied 'scheepvaartverkeer' is het gebruik ‘scheepvaartverkeer’ toestemmingsvrij.
Subsubparagraaf 10.6.10.4.3 Ligplaatsen - algemene regels
Artikel 10.123 Ligplaats - nieuwe schepen verboden
Verlaat in het gebied 'ligplaats - nieuwe schepen verboden' een schip een ligplaats? Dan is het verboden om met hetzelfde of met een ander schip daar weer een ligplaats in te nemen.
Subparagraaf 10.6.10.5 Varende schepen
Subsubparagraaf 10.6.10.5.1 Ligplaats - varende schepen - algemene regels
Artikel 10.124 Ligplaats - varende schepen - omschrijving activiteit
-
1
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘ligplaats - varende schepen’. Daaronder verstaan wij het aanleggen van een varend schip.
-
2
De regels in deze paragraaf gelden niet voor passagiersschepen, die zijn geregeld in Subparagraaf 10.6.10.6.
Artikel 10.125 Ligplaats - varende schepen - algemene regels
-
1
Ligplaatsen voor varende schepen zijn alleen toegestaan in het gebied 'aanlegplaats - varende schepen'.
-
2
In het gebied 'aanlegplaats - varende schepen - maximum aantal' mogen niet meer varende schepen liggen dan het aangegeven aantal.
-
3
In het gebied 'aanlegplaats - varende schepen - maximum lengte' mag geen varend schip liggen dat langer is dan de aangegeven lengte.
-
4
In het gebied 'aanlegplaats - varende schepen - maximum breedte' mag geen varend schip liggen dat breder is dan de aangegeven breedte.
-
5
In het gebied 'aanlegplaats - varende schepen - aanlegduur' mag een varend schip niet langer dan het aangegeven aantal maanden aaneengesloten op deze locaties liggen.
-
6
Gereserveerd.
Subsubparagraaf 10.6.10.5.2 Ligplaats varende schepen - vergunning nodig?
Artikel 10.126 Ligplaats - varende schepen - toestemmingsvrij onder voorwaarden
-
1
In het gebied 'aanlegplaats - varende schepen' is het gebruik ‘varende schepen’ toestemmingsvrij zolang voldaan wordt aan de algemene regels in Artikel 10.125. Dat wil zeggen dat geen vergunning, melding of andere actie nodig is op grond van dit omgevingsplan. Het kan zijn dat er wel andere regels gelden.
-
2
In het gebied 'geen passagiersschepen' mogen geen passagiersschepen liggen.
Subparagraaf 10.6.10.6 Passagiersschepen
Subsubparagraaf 10.6.10.6.1 Ligplaats - passagiersschepen - algemene regels
Artikel 10.127 Ligplaats - passagiersschepen - omschrijving activiteit
-
1
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik als ligplaats voor passagiersschepen.
-
2
Op een passagiersschip is het exploiteren van een horecabedrijf toegestaan, gericht op het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden of dranken voor gebruik door de passagiers van het passagiersschip.
Artikel 10.128 Ligplaats - passagiersschepen - algemene regels
-
1
Ligplaatsen voor passagiersschepen zijn uitsluitend toegestaan in het gebied 'ligplaats - passagiersschepen'.
-
2
In het gebied 'ligplaats - passagiersschepen - maximum aantal' mogen niet meer passagiersschepen aanleggen dan het aangegeven aantal.
-
3
In het gebied 'ligplaats - passagiersschepen - maximum lengte' mag geen passagiersschip liggen dat langer is dan de aangegeven lengte.
-
4
In het gebied 'ligplaats - passagiersschepen - maximum breedte' mag geen passagiersschip liggen dat breder is dan de aangegeven breedte.
-
5
In het gebied 'ligplaats - passagiersschepen - aanlegfrequentie' mag een ligplaats voor een passagiersschip in een jaar niet vaker gebruikt worden dan het aangegeven aantal keren.
-
6
In het gebied '' mag een ligplaats niet langer aaneengesloten bezet zijn dan twee weken.
Subsubparagraaf 10.6.10.6.2 Ligplaats - passagiersschepen - vergunning nodig?
Artikel 10.129 Ligplaats - passagiersschepen - toestemmingsvrij onder voorwaarden
In het gebied ligplaats - passagiersschepen zijn ligplaatsen voor passagiersschepen toestemmingsvrij zolang voldaan wordt aan de algemene regels in Artikel 10.128. Dat wil zeggen dat geen vergunning, melding of andere actie nodig is op grond van dit omgevingsplan. Het kan zijn dat er wel andere regels gelden.
Subparagraaf 10.6.10.7 Recreatieschepen
Subsubparagraaf 10.6.10.7.1 Ligplaats - recreatieschepen - algemene regels
Subsubparagraaf 10.6.10.7.2 Ligplaats - recreatieschepen - vergunning nodig?
Artikel 10.132 Ligplaats - recreatieschepen - toestemmingsvrij
In het gebied 'ligplaats - recreatieschepen' zijn ligplaatsen voor recreatieschepen toestemmingsvrij. Dat wil zeggen dat geen vergunning, melding of andere actie nodig is op grond van dit omgevingsplan. Het kan zijn dat er wel andere regels gelden.
Paragraaf 10.6.11 Nutsvoorzieningen
Subparagraaf 10.6.11.2 Rioolpersleiding
Subsubparagraaf 10.6.11.2.2 Rioolpersleiding - vergunning nodig?
Artikel 10.136 Rioolpersleiding - toestemmingsvrij
In het gebied 'vrijwaringsgebied rioolpersleiding' is het gebruik ‘rioolpersleiding’ toegestaan.
Paragraaf 10.6.12 Groen
Subparagraaf 10.6.12.1 Groen - algemene regels
Artikel 10.137 Groen - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik ‘groen’. Onder het gebruik ‘groen’ verstaan wij het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.
Subparagraaf 10.6.12.2 Groen - toestemmingsvrij
Artikel 10.138 Groen - toestemmingsvrij
In het gebied 'groen' is het gebruik ‘groen’ toegestaan.
Paragraaf 10.6.13 Water
Subparagraaf 10.6.13.1 Water - algemene regels
Artikel 10.139 Water - omschrijving activiteit
De regels in deze paragraaf gelden voor het gebruik 'water'. Onder het gebruik 'water' verstaan wij het realiseren, in stand houden en gebruiken van waterlopen en waterpartijen, onder meer voor waterhuishouding en waterberging, met de voorzieningen die daarvoor nodig zijn.
Het gebruik voor ligplaatsen valt hier niet onder. Dat wordt geregeld in Subparagraaf 10.6.10.4 Scheepvaartverkeer en ligplaatsen.
Subparagraaf 10.6.13.2 Water - toestemmingsvrij
Artikel 10.140 Water - toestemmingsvrij
In het gebied 'water' is het gebruik 'water' toegestaan.
Paragraaf 10.6.14 Tuin
Subparagraaf 10.6.14.2 Tuin - toestemmingsvrij
Artikel 10.142 Tuin - toestemmingsvrij
In het gebied 'tuin' is het gebruik ‘tuin’ toegestaan.
Paragraaf 10.6.15 Agrarische activiteiten
Subparagraaf 10.6.15.1 Geitenhouderijen
Subsubparagraaf 10.6.15.1.2 Geitenhouderijen - verbod
Artikel 10.144 Geitenhouderijen - verbod
In het gebied 'nieuwe geitenhouderijen - verboden' is het volgende verboden:
Hoofdstuk 11 Activiteiten - milieubelastende activiteiten
Afdeling 11.1 Milieubelastende activiteiten - inleidende regels
Artikel 11.1 Waar de regels voor milieubelastende activiteiten over gaan
-
1
De regels in dit hoofdstuk gelden voor de activiteit ‘Milieubelastende activiteit gereguleerd in het omgevingsplan’. Deze activiteit gaat over milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. In dit omgevingsplan noemen we deze activiteit kortweg ‘milieubelastende activiteit’.
-
2
Een milieubelastende activiteit bevat alle milieubelastende activiteiten die samen binnen een zeker gebied worden uitgeoefend.
-
3
De volgende activiteiten zijn geen milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in dit hoofdstuk:
-
a.
activiteiten bij wonen, behalve als het gaat om een beroep of bedrijf aan huis;
-
b.
het feitelijk uitvoeren van bouwwerkzaamheden of onderhoud aan een bouwwerk;
-
c.
het feitelijk uitvoeren van sloopwerkzaamheden;
-
d.
het feitelijk uitvoeren van onderhoud aan een terrein;
-
e.
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
-
f.
een evenement:
-
a.
Artikel 11.3 Wegwijzer, samenloop en rangorde
Voor de diverse milieubelastende activiteiten zijn de regels voor de verboden, geboden, vergunningplichten, meldingsplichten, informatieplichten en zorgplichten te vinden in:
Afdeling 11.5 Milieubelastende activiteiten - geluid
Paragraaf 11.5.3 Voorrangsregel - industrieterrein Zuidoost
Artikel 11.5 Voorrangsregel - geluid door activiteiten op het industrieterrein Zuidoost
-
1
In aanvulling op het bepaalde in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en Artikel 32.74 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, geldt voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, geldt voor de milieubelastende activiteiten binnen het gebied 'industrieterrein Zuidoost', het bepaalde in Artikel 11.5, lid 2.
-
2
De equivalente geluidbelasting door alle milieubelastende activiteiten die binnen het in het eerste lid bedoelde industrieterrein worden uitgeoefend, mag binnen het gebied 'vervangende zone industrielawaai Zuidoost' niet hoger zijn dan 50 dB(A) als etmaalwaarde.
-
3
Voor zover dit artikel strijdig is met Paragraaf 32.3.4 Geluid van dit omgevingsplan, gaat dit artikel voor.
Afdeling 11.7 Milieubelastende activiteiten - bodemkwaliteit
Paragraaf 11.7.1 Bodemkwaliteit - algemene regels
Artikel 11.5a Bodem - voorrangsregeling
Voor zover deze afdeling strijdig is met Paragraaf 32.3.7 Bodembeheer van dit omgevingsplan, gaat deze afdeling voor.
Artikel 11.5b Bodem - aanwijzing bodembeheergebied
Het bodembeheergebied van de gemeente Groningen, zoals bedoeld in artikel 5.89o van het Besluit kwaliteit leefomgeving, omvat het grondgebied van de Provincie Groningen, aangevuld met de boezemkades van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s binnen de provincies Drenthe en Fryslân. In het 'bodembeheergebied' is alleen het bodembeheergebied binnen het grondgebied van de gemeente Groningen weergegeven.
Artikel 11.5c Bodem - aanwijzing bodemfunctieklassen
-
1
Het gebied bodemfunctieklasse-GR1 is aangewezen als bodemfunctieklasse - GR1'.
-
2
Het gebied bodemfunctieklasse-GR2 is aangewezen als bodemfunctieklasse - GR2'.
-
3
Het gebied bodemfunctieklasse-GR2L is aangewezen als bodemfunctieklasse - GR2L'.
-
4
Het gebied bodemfunctieklasse-GR3 is aangewezen als 'bodemfunctieklasse - GR3'.
-
5
Het gebied bodemfunctieklasse-GR2W is aangewezen als bodemfunctieklasse - GR2W'.
Artikel 11.5d Bodem - toepassen grond en baggerspecie
-
1
Voor het functioneel toepassen van grond en baggerspecie, zoals bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de bodemfunctieklassen zoals aangegeven in Artikel 11.5c Bodem - aanwijzing bodemfunctieklassen. Voor de op de kaart aangegeven bodemfunctieklassen gelden de normen die zijn genoemd in de tabel Bodembeheer.
Tabel Bodembeheer Stof
Maximale Waarden (mg/kg droge stof)
Bodemfunctieklassen
GR1
GR2
GR2L
GR2W
GR3
Zware metalen
Barium
190
550
550
550
920
Cadmium
0,6
1,2
1,2
1,2
4,3
Kobalt
15
35
35
35
190
Koper
40
54
54
30**
190
Kwik
0,15
0,83
0,83
0,83
4,8
Lood
50
210
100**
150**
530
Molybdeen
1,5
88
88
88
190
Nikkel
35
39
39
39
100
Zink
140
200
200
200
720
Organische en overige stoffen
Som PCB7
0,02
0,02
0,02
0,5
0,02
Som PAK10
1,5
6,8
6,8
6,8
40
Minerale Olie
190
190
190
190
500
Asbest*
100
100
100
100
100
Chloride
200
200
200
200
200
PFAS in µg/kg droge stof (geen bodemtypecorrectie bij organische stof gehalten > 10%)
PFOS¹̛
1,4
3
3
3
3
PFOA¹̛
1,9
7
7
7
7
GenX ¹̛
1,4
3
3
3
3
Overige PFAS¹̛
1,4
3
3
3
3
* betreft het gehalte serpentijnasbest + 10 x het gehalte amfiboolasbest.
** betreft vaste waarde (geen correctie lutum en organische stof).
¹ Generieke waarde en LMW betreft norm op stofniveau (30 individuele PFAS-stoffen).
-
2
Voor de in het eerste lid genoemde grond en baggerspecie is het percentage niet puinachtig bodemvreemd materiaal maximaal 1% (gewichtsprocent).
-
3
Voor de in het eerste lid genoemde grond en baggerspecie is het percentage puinachtig bodemvreemd materiaal maximaal:
-
-
0% voor puinachtig bodemvreemd materiaal bestaande uit brokken met een volume groter dan 1260 cm3
-
-
1% (gewichtsprocent) voor puinachtig bodemvreemd materiaal met een diameter groter dan 63 mm tot en met een volume van maximaal 1260 cm3.
-
-
9% (gewichtsprocent) voor puinachtig bodemvreemd materiaal met een diameter tot en met 63 mm.
-
-
-
4
In de gebieden 'bodemfunctieklasse - GR2', 'bodemfunctieklasse - GR2L' en 'bodemfunctieklasse - GR2W' mogen geen
zichtbare stukjes asbest zitten.
Artikel 11.5e Bodem - bodemkwaliteitskaarten
-
1
In dit artikel is de bodemkwaliteit aangewezen op bodemkwaliteitskaarten zoals bedoeld in artikel 25g van het Besluit bodemkwaliteit.
-
2
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - bovengrond - industrie’ geldt de kwaliteitsklasse 'industrie' voor de bodemkwaliteit van de bovengrond tot en met een diepte van 0,5 meter. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
3
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - bovengrond - kwaliteit niet bepaald' geldt de kwaliteitsklasse 'bodemkwaliteit niet bepaald' voor de bodemkwaliteit van de bovengrond tot en met een diepte van 0,5 meter. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
4
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - bovengrond - landbouw en natuur' geldt de kwaliteitsklasse 'landbouw en natuur' voor de bodemkwaliteit van de bovengrond tot en met een diepte van 0,5 meter. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
5
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - bovengrond - wonen' geldt de kwaliteitsklasse 'wonen' voor de bodemkwaliteit van de bovengrond tot en met een diepte van 0,5 meter. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
6
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - ondergrond - industrie’ geldt de kwaliteitsklasse 'industrie' voor de bodemkwaliteit van de ondergrond van 0,5 tot en met 2,5 meter diep. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
7
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - ondergrond - kwaliteit niet bepaald' geldt de kwaliteitsklasse 'kwaliteit niet bepaald' voor de bodemkwaliteit van de ondergrond van 0,5 tot en met 2,5 meter diep. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
8
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - ondergrond - landbouw en natuur' geldt de kwaliteitsklasse 'landbouw en natuur' voor de bodemkwaliteit van de ondergrond van 0,5 tot en met 2,5 meter diep. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
-
9
In het gebied 'bodemkwaliteitsklasse - ondergrond - wonen' geldt de kwaliteitsklasse 'wonen' voor de bodemkwaliteit van de ondergrond van 0,5 tot en met 2,5 meter diep. Daarvoor gelden de maximale waarden die zijn genoemd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022.
Afdeling 11.8 Milieubelastende activiteiten - geur
Paragraaf 11.8.1 Geur - algemene regels
Artikel 11.6 Geur - voorrangsregeling
Voor zover deze afdeling strijdig is met Paragraaf 32.3.6 van dit omgevingsplan, gaat deze afdeling voor.
Artikel 11.7 Geur - geurgevoelige gebouwen
Een geurgevoelig gebouw is een gebouw zoals bedoeld in artikel 5.91 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 11.8 Geur - voorkomen en beperken van geurhinder
-
1
Als een milieubelastende activiteit geur veroorzaakt, wordt onaanvaardbare geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen. Als dat niet mogelijk is, wordt de geurhinder beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
-
2
Het college kan bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar geurniveau. Hierbij kan het onder andere rekening houden met de volgende aspecten:
-
a.
de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
-
b.
de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen;
-
c.
de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit;
-
d.
de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;
-
e.
de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en
-
f.
de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.
-
a.
-
3
Als het college het redelijk vermoeden heeft dat er sprake is van onaanvaardbare geurhinder kan het een rapport van een geuronderzoek vragen. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd volgens de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.
-
4
De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen zoals bedoeld in Afdeling 5.5 houdt in ieder geval in dat om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen:
Artikel 11.9 Geur - tot waar afstanden gelden
-
1
Afstanden die in deze afdeling worden genoemd gelden:
-
2
Artikel 11.9, lid 1 geldt niet als het gaat om een woonschip of woonwagen, dan wordt gemeten tot de grens waar een woonschip of woonwagen geplaatst mag worden.
Afdeling 11.9 Milieubelastende activiteiten - rook
Paragraaf 11.9.1 Rook - rookoverlast
Artikel 11.10 Buitenopslag met brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen met een grondoppervlak van afvalstoffen van meer dan 100 m2 én minder dan 625 m2
-
1.
Deze regel is van toepassing in het gebied nieuwe regels op een buitenopslag van brandbare stoffen en goederen die niet milieugevaarlijk zijn, met een grondoppervlak van afvalstoffen van meer dan 100 m2 en minder dan 625 m2.
-
2.
Voor afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen gelden de volgende regels:
-
a.
De afstand van een buitenopslag van brandbare stoffen en goederen die niet milieugevaarlijk zijn van minder dan 625 m2 tot naastgelegen percelen of objecten (waaronder gebouwen, en andere opslagen) is zo groot dat de stralingswarmte ter hoogte van deze naastgelegen percelen of objecten ten hoogste 15 kW/m2 bedraagt;
-
b.
De afstand tot een primaire bluswatervoorziening is ten hoogste 100 meter;
-
c.
De activiteit is tot op 10 meter te bereiken door een brandweerwagen. Daarvoor gelden de volgende eisen:
-
1.
verharde rijstrookbreedte van minimaal 3,25 meter en minimaal 3,50 meter vrije doorgang;
-
2.
vrije doorgangshoogte van minimaal 4,20 meter;
-
3.
geschikt voor voertuigen met een draaicirkel met een binnenstraal van 5,5 meter en een buitenstraal van 10 meter; en
-
4.
geschikt voor een totale belasting van 16 ton en een as-last van 11,5 ton.
-
1.
-
a.
-
3.
Het college kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de gegevens en bescheiden worden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over het bedrijfsmatig opslaan van stoffen.
Artikel 11.11 Buitenopslag met brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen met een grondoppervlak van meer dan 625 m2
-
1.
Deze regel is van toepassing in het gebied nieuwe regels op een buitenopslag met een grondoppervlak van meer dan 625 m2 brandbare stoffen en goederen die niet milieugevaarlijk zijn.
-
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten genoemd in Artikel 11.11, lid 1. te verrichten.
-
3.
Het college kan deze omgevingsvergunning verlenen als in geval van een brand:
-
a.
brandoverslag kan worden voorkomen;
-
b.
het ontstaan van een onbeheersbare brand kan worden voorkomen;
-
c.
de omvang van de brand past binnen de inzetcapaciteit van de brandweer;
-
d.
rookoverlast in de omgeving kan worden voorkomen; en
-
e.
wordt voldaan aan de eisen in Artikel 20.3 Beoordelingsregel opslag van brandbare stoffen en goederen in een gebied.
-
a.
-
4.
Voorafgaande aan het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor deze activiteit wordt advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Groningen.
Hoofdstuk 12 Activiteiten - vangnetregels cultureel erfgoed
Afdeling 12.1 Vangnetregels cultureel erfgoed - uitleg
Afdeling 12.2 Vangnetregels gemeentelijke monumenten
Artikel
12.6
Vangnetregels gemeentelijke monumenten - waar de regels gelden
-
1
De regels in dit afdeling gelden in het gebied 'gemeentelijk monument'.
Artikel 12.8 Vangnetregels gemeentelijke monumenten - beschrijving waarden
-
1
Of er sprake is van onevenredig ontsieren, beschadigen, vernielen, verstoren of in gevaar brengen van het monument wordt beoordeeld aan de hand van de redengevende beschrijvingen van de monumenten en de monumentale waarden in Bijlage 6.
Bij voorbeschermde monumenten blijken de monumentale waarden en de beschrijving uit het voorbereidingsbesluit.
Artikel 12.10 Vangnetregels gemeentelijke monumenten - vergunningplicht
-
1
Het is verboden een gemeentelijk monument:
-
2
Het verbod in Artikel 12.10, lid 1 is niet van toepassing op:
-
3
De aanvraag van de vergunning wordt beoordeeld met de beoordelingsregels van Afdeling 19.3.
Artikel 12.11 Vangnetregels gemeentelijke monumenten - zorgplicht
Als iemand:
-
a.
in het gebied met de functie 'gemeentelijk monument' en/of een voorbeschermd gemeentelijk monument een activiteit uitvoert;
-
b.
en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument;
moet diegene alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Afdeling 12.4 Vangnetregels - omgeving cultureel erfgoed
Artikel 12.25 Vangnetregels - omgeving cultureel erfgoed - waar de regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied nieuwe regels.
Artikel 12.26 Vangnetregels - omgeving archeologische rijksmonumenten
Het is verboden de omgeving van een archeologisch Rijksmonument aan te tasten als daardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
Artikel 12.27 Vangnetregels - omgeving archeologische gemeentelijke monumenten
Het is verboden de omgeving van een archeologisch gemeentelijk monument aan te tasten als daardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
Artikel 12.28 Vangnetregels - omgeving rijksmonumenten
Het is verboden om de omgeving van een rijksmonument en/of een voorbeschermd rijksmonument aan te tasten waardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
Artikel 12.29 Vangnetregels - omgeving gemeentelijk monument
-
1
Het is verboden om de omgeving van een gemeentelijk monument aan te tasten waardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
-
2
Of er sprake is van onevenredig ontsieren of beschadigen van het monument wordt beoordeeld aan de hand van de redengevende beschrijvingen van de monumenten en de monumentale waarden in Bijlage 6 Lijst karakteristieke gebouwen en objecten.
Bij voorbeschermde monumenten blijken de monumentale waarden en de beschrijving uit het voorbereidingsbesluit.
Artikel
12.30
Vangnetregels - omgeving karakteristieke gebouwen en objecten
-
1
Het is verboden om de omgeving van karakteristieke gebouwen en objecten aan te tasten waardoor die worden ontsierd of beschadigd.
-
2
Of er sprake is van het onevenredig ontsieren of beschadigen van karakteristieke gebouwen en objecten wordt beoordeeld aan de hand van de beschrijvingen in:
- a.
-
b.
Bijlage 8 RAAP-rapport 4413 en de daarin opgenomen toelichting.
Hoofdstuk 13 Activiteiten - overig
Afdeling 13.1 Lozingen
Paragraaf 13.1.1 Lozen van water - algemeen
Artikel 13.1 Lozen - afvloeiend hemelwater - waar de regels gelden
De regels in deze paragraaf gelden in de hele gemeente Groningen, behalve als een regel iets anders zegt.
Artikel 13.2 Lozen van water - Eemskanaal
In het 'ontwikkelgebied Stadshavens' is de afvoerhoogte van het lozen van water op het Eemskanaal minimaal 1,50 meter boven NAP.
Paragraaf 13.1.3 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater
Artikel 13.20 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - waar de regels over gaan
-
1
De regels in deze paragraaf gaan over het lozen van afvloeiend hemelwater en van overtollig grondwater.
-
2
De regels in deze paragraaf gelden niet voor:
-
a.
afvloeiend hemelwater dat van een bodembeschermende voorziening komt;
-
b.
drainagewater van een kas volgens § 4.77 Besluit activiteiten leefomgeving.
-
c.
afvalwater van een kas volgens § 4.78 Besluit activiteiten leefomgeving.
-
d.
grondwater afkomstig van sanering of ontwatering.
-
a.
-
3
De regels in deze paragraaf gelden naast eventuele regels van een waterschap.
Artikel 13.21 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - waar de regels gelden
De regels in deze paragraaf gelden voor de hele gemeente Groningen, behalve als een specifieke regel iets anders zegt.
Artikel 13.22 Lozen - afvloeiend hemelwater - hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen
-
1
Afvloeiend hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom moet geloosd worden op of in de bodem. Is dat redelijkerwijs niet mogelijk? Dan mag het geloosd worden op het schoonwaterriool.
-
2
Komt het water uit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte? Dan moet er een voorziening zijn die het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool loost. Als dat tenminste redelijkerwijs mogelijk is.
-
3
Gaan rijk en provincie buiten de bebouwde kom rijkswegen en provinciale wegen aanleggen, reconstrueren of ingrijpend wijzigen, met de eventuele bruggen, viaducten en andere kunstwerken? Dan sturen zij het college minimaal zes maanden voor de start gegevens en bescheiden over:
Artikel 13.23 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen op bodem of oppervlaktewater
-
1
Het is toegestaan afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, in de bodem of op de bodem.
-
2
Dat geldt niet voor afvloeiend hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom. Daarvoor geldt Artikel 13.22 Lozen - afvloeiend hemelwater - hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen.
Artikel 13.24 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen in schoonwaterriool
-
1
Dit artikel geldt niet voor afvloeiend hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom. Daarvoor geldt Artikel 13.22 Lozen - afvloeiend hemelwater - hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen.
-
2
Het is toegestaan afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater te lozen op een schoonwaterriool, maar alleen als voldaan wordt aan de volgende leden.
-
3
Schrijft een omgevingsvergunning of het omgevingsplan een hemelwaterberging voor? En is die gerealiseerd? Dan mag de te bergen hoeveelheid hemelwater pas worden geloosd twee uur nadat het in de berging kwam.
-
4
Betreft het een openbaar schoonwaterriool? Dan moet ook worden voldaan aan Artikel 13.27 Lozen - afvloeiend hemelwater - lozen op openbaar vuil- of schoonwaterriool.
Artikel 13.25 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen in vuilwaterriool - verbod
-
1
Afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater mag niet worden geloosd in een vuilwaterriool, behalve in de situaties die worden beschreven in de volgende leden. De lozing moet voldoen aan de voorwaarden in Artikel 13.26 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen in vuilwaterriool - voorwaarden.
-
2
Is lozen van afvloeiend hemelwater in de bodem, op de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk? Dan mag afvloeiend hemelwater toch in een vuilwaterriool worden geloosd.
-
3
Vonden de lozingen op het vuilwaterriool al plaats voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen voor de lozing ging gelden? Dan mogen de lozingen op het vuilwaterriool worden voortgezet.
-
4
Vonden de lozingen op het vuilwaterriool al plaats met een ontheffing als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Verordening rioolaansluiting 2018 aangewezen gebieden? Dan mogen de lozingen op het vuilwaterriool worden voortgezet.
-
5
Het meest vervuilde hemelwater afkomstig uit de pompkelder van een tunnel of verdiept weggedeelte mag ook op het vuilwaterriool worden geloosd. Zie ook Artikel 13.22 Lozen - afvloeiend hemelwater - hemelwater van rijkswegen en provinciale wegen.
-
6
In het gebied 'gemeente - behalve Stadshavens' mag afvloeiend hemelwater afkomstig van woonpercelen tijdelijk nog geloosd worden, tot één jaar nadat het wijzigingsbesluit “Omgevingsplanwijziging 2 gemeente Groningen” is gaan gelden.
-
7
In het ontwikkelgebied Stadshavens mag afvloeiend hemelwater afkomstig van woonpercelen geloosd worden.
Artikel 13.26 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen in vuilwaterriool - voorwaarden
-
1
Is lozen op het vuilwaterriool toegestaan volgens Artikel 13.25 Lozen - afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater - lozen in vuilwaterriool - verbod? Dan mag dat alleen als voldaan wordt aan de voorwaarden in de volgende leden.
-
2
Geldt in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning een verplichting om een hemelwaterberging te maken? En is die gerealiseerd? Dan mag de te bergen hoeveelheid hemelwater pas worden geloosd twee uur nadat het in de berging kwam.
-
3
Betreft het een openbaar vuilwaterriool in het gebied hemelwaterbergingsplicht in wateroverlastgebieden? Dan moet ook worden voldaan aan Artikel 13.27 Lozen - afvloeiend hemelwater - lozen op openbaar vuil- of schoonwaterriool.
Artikel 13.27 Lozen - afvloeiend hemelwater - lozen op openbaar vuil- of schoonwaterriool
-
1
In het gebied hemelwaterbergingsplicht in wateroverlastgebieden is een hemelwaterberging verplicht. Afvloeiend hemelwater van bouwwerken en verhardingen mag alleen geloosd worden op een openbaar vuil- of schoonwaterriool als op de kavel een hemelwaterberging aanwezig is en wordt gebruikt.
-
2
Er geldt een overgangstermijn van een jaar. De hemelwaterberging moet worden gerealiseerd binnen een jaar nadat dit artikel voor de kavel is gaan gelden. Zolang de hemelwaterberging nog niet is gerealiseerd, mag afvloeiend hemelwater nog geloosd worden op een openbaar vuil- of schoonwaterriool.
Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging
-
1
De eisen in dit artikel gelden voor hemelwaterbergingen die verplicht zijn volgens de regels van dit plan of volgens de voorschriften bij een omgevingsvergunning, behalve als de omgevingsvergunning zelf wat anders zegt.
-
2
Worden bouwwerken of verhardingen toegevoegd? In de tabel hieronder staat hoeveel liter hemelwater er daarvoor extra opgevangen en geborgen moet worden. Dat kan door het maken van een nieuwe hemelwaterberging, maar ook door het uitbreiden van een al bestaande hemelwaterberging.
-
3
De hemelwaterberging houdt het opgevangen hemelwater minimaal twee uur vast.
-
4
Is er nog overcapaciteit in een al bestaande berging op de kavel of in het projectgebied? En voldoet die berging aan de eisen in de volgende leden? Dan hoeft voor de nog beschikbare ruimte geen nieuwe bergingsruimte te worden gemaakt.
In Artikel 13.28, lid 7 staat beschreven wanneer er overcapaciteit is.
-
5
Raakt de hemelwaterberging voor meer dan 10% gevuld? Dan moet de berging uiterlijk twee dagen daarna weer voor 90% leeg zijn, om nieuw hemelwater te kunnen bergen.
-
6
De hemelwaterberging moet naar behoren blijven werken.
-
7
De overcapaciteit wordt als volgt bepaald:
-
a.
Welke bouwwerken en verhardingen zijn gerealiseerd na 1 januari 2024 of zijn in uitvoering?
-
b.
Voor welke oppervlakte daarvan gold of geldt een bergingsverplichting volgens dit omgevingsplan, volgens een omgevingsvergunning of volgens de Verordening afvoer hemel- en grondwater Groningen 2023?
-
c.
Welke bergingscapaciteit was daarin voorgeschreven?
-
d.
Is daarvoor al een berging gemaakt of wordt die al gemaakt? En heeft die een grotere capaciteit dan de bergingscapaciteit die was voorgeschreven? Dan geldt het verschil als overcapaciteit.
-
e.
De overcapaciteit telt alleen als die op verzoek kan worden aangetoond. Aantonen gebeurt met berekeningen en documenten waaruit de eerdere bergingsverplichting en de capaciteit van de berging blijken.
-
a.
-
8
Het college kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting en het beheer van de hemelwaterberging.
Hoofdstuk 13a Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens [gereserveerd voor overbrenging bijlage 3]
Hoofdstuk 14 Beoordelingsregels - inleidende regels
Afdeling 14.1 Beoordelingsregels - inleidende regels
Paragraaf 14.1.1 Beoordelingsregels algemeen - inleidende regels
Artikel 14.1 Waar de beoordelingsregels over gaan
-
1
Vergunningaanvragen voor activiteiten in dit omgevingsplan in het gebied nieuwe regels worden beoordeeld met de relevante regels waarnaar wordt verwezen in Hoofdstuk 5 tot en met Hoofdstuk 13. Uitzonderingen zijn expliciet genoemd.
-
2
Vergunningaanvragen worden ook beoordeeld met de algemene beoordelingsregels in Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit, tenminste als die activiteit daar voorkomt.
-
3
De beoordelingsregels kunnen ook het volgende regelen:
Artikel 14.2 Wegwijzer beoordelingsregels
|
Beoordelingsregels |
Paragraaf |
|
BEOORDELINGSREGELS PER ACTIVITEIT |
- |
|
Bouwen - algemene beoordelingsregels bouwen |
|
|
Slopen - algemene beoordelingsregels slopen |
|
|
BEOORDELINGSREGELS PER ONDERWERP |
- |
|
Stedenbouw |
|
|
stedenbouw - regels voor alle bouwwerken |
|
|
stedenbouw - regels voor hoofdgebouwen |
|
|
stedenbouw - regels voor bouwwerken met een dak |
|
|
stedenbouw - regels voor bouwwerken zonder een dak |
|
|
Uiterlijk & plaatsing bouwwerken |
|
|
Cultureel erfgoed |
|
|
cultureel erfgoed - rijksmonumenten |
|
|
cultureel erfgoed - gemeentelijke monumenten |
|
|
cultureel erfgoed - karakteristieke gebouwen en objecten |
|
|
cultureel erfgoed - beeldondersteunende gebouwen en objecten |
|
|
cultureel erfgoed - gemeentelijke archeologische monumenten |
|
|
cultureel erfgoed - archeologische verwachting |
|
|
cultureel erfgoed - historische dijken |
|
|
cultureel erfgoed - historische wegen |
|
|
cultureel erfgoed - houtwallen en -singels |
|
|
Milieu en veiligheid |
|
|
milieu - bodem |
|
|
milieu - geluidhinder |
|
|
milieu - geurhinder |
|
|
milieu - trillingshinder |
|
|
milieu - stofhinder |
|
|
milieu - rookhinder |
|
|
milieu - lichthinder |
|
|
milieu - schaduwhinder |
|
|
veiligheid - hinder door windturbines |
|
|
veiligheid - aanvliegrouterisico door windturbines |
|
|
Natuur, klimaat en duurzaamheid |
|
|
berging en afvoer hemelwater |
|
|
grondwaterbescherming en drinkwatervoorziening |
|
|
natuurinclusief bouwen |
|
|
klimaatnormen |
|
|
flora en fauna |
|
|
boom kappen of houtopstand vellen |
|
|
Kabels en leidingen |
|
|
hogedrukgasleidingen |
|
|
warmtenetten |
|
|
bovengrondse hoogspanningsleidingen |
|
|
ondergrondse hoogspanningsleidingen |
|
|
rioolpersleidingen |
|
|
Belemmeringenzones en vrijwaringsgebieden |
|
|
aanvliegroutes |
|
|
vrijwaringsgebied vaarwegen |
|
|
reservering infrastructuur |
|
|
Overig |
|
|
veiligheid |
|
|
verkeer en parkeren |
Paragraaf 14.1.2 Beoordelingsregels algemeen - toetsing, samenloop en integraliteit
Artikel 14.4 Hoe een vergunningaanvraag wordt beoordeeld
De vergunning voor een activiteit in dit omgevingsplan wordt verleend als de aangevraagde activiteit voldoet aan alle beoordelingsregels die van toepassing zijn verklaard in Hoofdstuk 5 tot en met Hoofdstuk 13. De vergunning wordt niet verleend als niet aan alle beoordelingsregels wordt voldaan.
De beoordeling beperkt zich tot de criteria in de beoordelingsregels. Ook het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties is geen reden om de vergunning te weigeren, behalve als dat expliciet in de beoordelingsregel staat.
Hoofdstuk 15 Beoordelingsregels - algemene beoordelingsregels per activiteit
Afdeling 15.2 Algemene beoordelingsregels - alle activiteiten
Artikel 15.1 Algemene beoordelingsregels alle activiteiten - bescherming omgeving van gemeentelijke monumenten
Een vergunningaanvraag voor een activiteit die invloed heeft op de omgeving van een gemeentelijk monument wordt beoordeeld met de beoordelingsregels van Artikel 19.3.
Artikel 15.2 Algemene beoordelingsregels alle activiteiten - bescherming omgeving van karakteristieke gebouwen en objecten
Een vergunningaanvraag voor een activiteit die invloed heeft op de omgeving van karakteristieke gebouwen en objecten wordt beoordeeld met de beoordelingsregels van Artikel 19.5.
Artikel 15.3 Algemene beoordelingsregels alle activiteiten - bescherming omgeving van (voorbeschermde) rijksmonumenten
Een vergunningaanvraag voor een activiteit die invloed heeft op de omgeving van een rijksmonument en/of een voorbeschermd rijksmonument wordt beoordeeld met de beoordelingsregels van Artikel 19.1.
Afdeling 15.3 Algemene beoordelingsregels - bouwen
Paragraaf 15.3.1 Algemene beoordelingsregels bouwen
Artikel 15.4 Algemene beoordelingsregels bouwen - waarvoor deze regels gelden
De regels in deze paragraaf worden toegepast als dat is aangegeven in Hoofdstuk 6 Activiteiten - bouwen - regels voor alle bouwwerken of Hoofdstuk 7 Activiteiten - bouwen - regels voor specifieke bouwwerken .
Artikel 15.6 Algemene beoordelingsregels bouwen - indieningsvereisten
Bij de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een bouwwerk, worden voor de beoordeling van de aanvraag de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 4.1 .
Artikel 15.7 Algemene beoordelingsregels bouwen - aansluitvereisten
Een bouwwerk moet voldoen aan Paragraaf 6.5.4 van het omgevingsplan.
Artikel 15.8 Algemene beoordelingsregels bouwen - voorzieningen voor hulpverleningsdiensten
Een bouwwerk moet voldoen aan de regels over voorzieningen voor hulpverleningsdiensten van Paragraaf 6.5.5.
Artikel 15.10 Algemene beoordelingsregels bouwen - gebruik
Een te bouwen bouwwerk en het gebruiksdoel ervan moeten overeenkomen met het toegestane gebruik, zoals geregeld in Hoofdstuk 10.
Artikel 15.11 Algemene beoordelingsregels bouwen - milieubelastende activiteit
Een te bouwen bouwwerk en het gebruiksdoel ervan moeten voldoen aan de regels voor milieubelastende activiteiten in Hoofdstuk 11 Activiteiten - milieubelastende activiteiten .
Artikel 15.12 Algemene beoordelingsregels bouwen - parkeren
Een bouwwerk moet voldoen aan Afdeling 24.3 Beoordelingsregels verkeer en parkeren van het omgevingsplan.
Afdeling 15.4 Algemene beoordelingsregels - slopen
Artikel 15.13 Algemene beoordelingsregels slopen - waar deze regels gelden
De regels in deze afdeling worden toegepast als dat is aangegeven in Hoofdstuk 8 Activiteiten - slopen.
Afdeling 15.5 Algemene beoordelingsregels - werken en werkzaamheden
Artikel 15.15 Algemene beoordelingsregels werken en werkzaamheden - waarvoor deze regels gelden
De regels in deze afdeling worden toegepast als dat is aangegeven in Hoofdstuk 9 Activiteiten - werken en werkzaamheden.
Artikel 15.20 Algemene beoordelingsregels werken en werkzaamheden - indieningsvereisten algemeen
Bij de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor Hoofdstuk 9, worden voor de beoordeling van de aanvraag de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 4.3.
Hoofdstuk 16 Beoordelingsregels - stedenbouw
Afdeling 16.1 Inleidende regels
Artikel 16.1 Waar de beoordelingsregels stedenbouw over gaan
-
1
De regels in dit hoofdstuk zijn beoordelingsregels voor bouwwerken, of het nu gebouwen zijn of niet.
-
2
De beoordelingsregels gelden niet voor bouwwerken die volgens de regels van Hoofdstuk 7 toestemmingsvrij, meldingsplichtig en/of informatieplichtig zijn, tenzij een regel in dat hoofdstuk iets anders zegt.
Artikel 16.2 Waar de beoordelingsregels stedenbouw gelden
De regels in deze dit hoofdstuk gelden in de gebieden 'bouwwerken met een dak', 'bouwwerken zonder een dak' en 'hoofdgebouwen', behalve als een regel iets anders zegt.
Artikel 16.3 Vangnetverbod typen bouwwerken
Zijn in een gebied geen beoordelingsregels gesteld over een type bouwwerk? Dan is het verboden dit type bouwwerk in dat gebied te bouwen.
Artikel 16.5 Voorrang en samenloop
Als een regel iets zegt over een specifiek bouwwerk gaat deze regel voor een algemenere regel.
Gelden op een locatie meerdere maten en afstanden voor hetzelfde bouwwerk en hetzelfde onderwerp? Dan geldt de strengste eis. Dit geldt niet als een regel iets anders zegt.
Afdeling 16.2 Beoordelingsregels stedenbouw - regels voor alle bouwwerken
Artikel 16.7 Waarvoor deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden voor alle vergunningplichtige bouwwerken.
Artikel 16.10 Beoordelingsregels voor alle bouwwerken - beperking type bouwwerk
-
1
In het gebied 'alleen botenhuizen' staan als hoofdgebouwen alleen botenhuizen.
-
2
In het gebied 'alleen erf- en terreinafscheidingen' staan in het voorerf als bouwwerken alleen erf- en terreinafscheidingen.
-
3
In het gebied 'onderdoorgang' wordt niet gebouwd in een onderdoorgang.
Artikel 16.12 Beoordelingsregels voor alle bouwwerken
-
1
In het gebied 'bebouwingspercentage - achtererfgebied - maximum' wordt in het achtererfgebied van een bouwwerkperceel niet meer bebouwd dan het aangegeven bebouwingspercentage.
-
2
In het gebied 'bebouwde oppervlakte - achtererfgebied - maximum' wordt in het achtererfgebied van een bouwwerkperceel niet meer gebouwd dan de aangegeven oppervlakte.
Artikel 16.13 Beoordelingsregels voor alle gebouwen
-
1
In het gebied 'uitzondering - gebouwen toegestaan buiten gebied hoofdgebouwen en gebied bouwwerken met een dak' mogen gebouwen worden gebouwd. Dat is een uitzondering op Artikel 16.16 en Artikel 16.28.
-
2
Op een bouwwerkperceel is in het gebied 'bebouwde oppervlakte - buiten gebied hoofdgebouwen en gebied bouwwerken met een dak - maximum' de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen niet meer dan de aangegeven maximum oppervlakte.
-
3
In het gebied 'bouwhoogte - gebouw - maximum' is een gebouw niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
Afdeling 16.3 Beoordelingsregels stedenbouw - regels voor hoofdgebouwen
Artikel 16.15 Waar deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied 'hoofdgebouwen', behalve als een regel iets anders zegt.
Artikel 16.16 Beoordelingsregels hoofdgebouwen - plaats
-
1
Alle hoofdgebouwen staan in het gebied 'hoofdgebouwen'.
-
2
Als een bouwwerkperceel een 'voorkantlijn' heeft, geeft die lijn aan wat de voorkant van het perceel is. De voorgevel van een hoofdgebouw wordt gebouwd aan de voorkant.
Artikel 16.17 Beoordelingsregels hoofdgebouwen - afstanden tot perceelsgrenzen
-
1
In het gebied 'afstand tot perceelsgrens - hoofdgebouw - niet aangebouwde zijde - zijkant - minimum' staat een hoofdgebouw met een zijkant die niet tegen een ander gebouw is aangebouwd op minimaal de aangegeven afstand van de grens van het bouwwerkperceel. Als de bestaande afstand minder is, geldt als minimum afstand de bestaande afstand.
-
2
In het gebied 'afstand tot perceelsgrens - hoofdgebouw - vrijstaand - zijkant - minimum' staat een vrijstaand hoofdgebouw aan de zijkanten op minimaal de aangegeven afstand van de grens van het bouwwerkperceel. Als de bestaande afstand minder is, geldt als minimum afstand de bestaande afstand.
Artikel 16.20 Beoordelingsregels hoofdgebouwen - bouwhoogte - maximum
In het gebied 'bouwhoogte - hoofdgebouw - maximum' is een hoofdgebouw niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
Artikel 16.22 Beoordelingsregels hoofdgebouwen - goothoogte - maximum
In het gebied 'goothoogte - hoofdgebouw - maximum' is de goothoogte van het hoofdgebouw niet hoger dan de aangegeven maximum goothoogte.
Artikel 16.24 Beoordelingsregels hoofdgebouwen - dakhelling - maximum
In het gebied 'dakhelling - hoofdgebouw - maximum' is de dakhelling van een hoofdgebouw niet steiler dan de aangegeven maximum helling.
Afdeling 16.4 Beoordelingsregels stedenbouw - regels voor bouwwerken met een dak
Artikel 16.26 Waarvoor deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden voor bouwwerken met een dak die geen hoofdgebouwen zijn.
Artikel 16.27 Waar deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied 'bouwwerken met een dak', behalve als een regel iets anders zegt.
Artikel 16.28 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - plaats
-
1
Alle bouwwerken met een dak staan in het gebied 'bouwwerken met een dak'.
-
2
In het gebied 'horizontale bouwdiepte - bouwwerk met een dak - aangebouwd - maximum' steekt het bouwwerk niet meer dan de maximum horizontale bouwdiepte achter het verlengde van de achtergevel van de hoofdmassa van de bebouwing.
-
3
In het gebied 'bouwwerk met een dak alleen in achtererfgebied' staan bouwwerken met een dak alleen in het achtererfgebied.
Artikel 16.29 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - afstanden tot perceelsgrenzen
-
1
In het gebied 'afstand tot perceelsgrens - bouwwerk met een dak - achterkant - minimum' staat een bouwwerk met een dak aan de achterkant op minimaal de aangegeven afstand van de grens van het bouwwerkperceel.
-
2
In het gebied 'afstand tot perceelsgrens - bouwwerk met een dak - zijkant - minimum' staat een bouwwerk met een dak aan de zijkant op minimaal de aangegeven afstand van de grens van het bouwwerkperceel.
-
3
In het gebied 'afstand tot perceelsgrens - bouwwerk met een dak - zijkant - openbaar toegankelijk gebied - minimum' staat een bouwwerk met een dak aan de zijkant op minimaal de aangegeven minimum afstand van die grens van het bouwwerkperceel die grenst aan openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 16.32 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - bebouwde oppervlakte - achtererfgebied - maximum
In het gebied 'bebouwde oppervlakte - bouwwerken met een dak - achtererfgebied - maximum' wordt van het achtererfgebied op een bouwwerkperceel niet meer bebouwd dan de aangegeven maximum oppervlakte.
Artikel 16.33 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - bebouwde oppervlakte - achtererfgebied - minimum
[Gereserveerd]
Artikel 16.34 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - bebouwingspercentage - achtererfgebied - maximum
In het gebied bebouwingspercentage - bouwwerken met een dak - achtererfgebied - maximum wordt van het achtererfgebied op een bouwwerkperceel niet meer bebouwd dan het aangegeven maximum bebouwingspercentage.
Artikel 16.35 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - bebouwingspercentage - achtererfgebied - minimum
[Gereserveerd]
Artikel 16.36 Beoordelingsregels bouwwerken met een dak - bouwhoogte - maximum
-
1
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk met een dak - maximum' is de bouwhoogte van het bouwwerk met een dak niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
2
In het gebied 'bouwhoogte - overkapping - maximum' is de bouwhoogte van een overkapping niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
3
In het gebied bouwhoogte - bouwwerk met een dak - aangebouwd - hoogte boven verdiepingsvloer hoofdgebouw - maximum' steekt een bouwwerk met dak niet meer dan de aangegeven hoogte boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw.
-
4
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk met een dak - vrijstaand - maximum' is een vrijstaand bouwwerk met een dak niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
5
Gereserveerd.
-
6
Gereserveerd.
-
7
Gereserveerd.
-
8
Gereserveerd.
Afdeling 16.5 Beoordelingsregels stedenbouw - regels voor bouwwerken zonder een dak
Paragraaf 16.5.1 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - inleidende regels
Artikel 16.43 Waarvoor deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden voor bouwwerken zonder een dak.
Artikel 16.44 Waar deze regels gelden
De regels in deze afdeling gelden in het gebied 'bouwwerken zonder een dak', behalve als een regel iets anders zegt.
Paragraaf 16.5.2 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - hoofdregels
Artikel 16.45 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - voorrangsregeling
De regels in deze paragraaf gelden voor alle bouwwerken zonder een dak, behalve als een regel in Paragraaf 16.5.3 iets anders zegt voor een specifiek bouwwerk of een specifieke situatie. Dan geldt die regel.
Artikel 16.46 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - plaats
Alle bouwwerken zonder een dak staan in het gebied 'bouwwerken zonder een dak'.
Artikel 16.48 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - hoogte
-
1
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk zonder een dak - maximum' is een bouwwerk zonder een dak niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
2
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk zonder een dak - geen erf- perceel- of terreinafscheiding - maximum' is een bouwwerk zonder een dak niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte. Dit geldt niet voor erf-, perceel- en terreinafscheidingen.
-
3
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk - geen gebouw - voor wegverkeer en spoorwegverkeer - maximum' is een bouwwerk dat geen gebouw is voor wegverkeer en spoorwegverkeer niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
4
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk - geen gebouw - voor nautische- waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden - maximum' is een bouwwerk dat geen gebouw is en bedoeld is voor nautische-, waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
Paragraaf 16.5.3 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - regels specifieke bouwwerken
Artikel 16.49 Beoordelingsregels bouwwerken zonder een dak - voorrangsregeling
Zeggen de regels in deze paragraaf voor een specifiek bouwwerk of een specifieke situatie iets anders dan de regels in Paragraaf 16.5.2? Dan gaan de regels in deze paragraaf voor.
Artikel 16.50 Beoordelingsregels erf-, terrein- en terreinafscheidingen
-
1
In het gebied 'bouwhoogte - erf- of terreinafscheiding - voor voorgevelrooilijn - maximum' is een erf- of terreinafscheiding voor de voorgevelrooilijn niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
2
In het gebied 'bouwhoogte - erf- of terreinafscheiding - achter voorgevelrooilijn - maximum' is een erf- of terreinafscheiding achter de voorgevelrooilijn niet hoger dan de aangegeven maximum bouwhoogte.
-
3
Gereserveerd.
-
4
Gereserveerd.
Hoofdstuk 17 Beoordelingsregels - uiterlijk & plaatsing van bouwwerken
Artikel 17.1 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken
-
1
Het uiterlijk van bouwwerken moet van voldoende kwaliteit zijn. Dit artikel geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.
-
2
De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert over het uiterlijk van een bouwwerk aan de hand van de beleidsregels. De commissie brengt hier schriftelijk advies over uit. Het college houdt rekening met dit advies.
-
3
Het college kan gemotiveerd afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
-
4
Of het uiterlijk van een bouwwerk voldoende kwaliteit heeft, beoordeelt het college met de beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit. De gemeenteraad stelt de beleidsregels vast.
-
5
Zolang er geen nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld, geldt als beleidsregel de welstandsnota van de gemeente Groningen, inclusief de vastgestelde aanvullingen daarop, al dan niet in beeldkwaliteitplannen.
-
6
Bevat een vergunningaanvraag de activiteit bouwen? Dan levert de aanvrager de stukken en gegevens aan die staan in Bijlage 3 onder 5.1 .
-
7
Moet de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden beoordeeld met zowel Artikel 17.1 als Artikel 17.2? Dan hoeft de aanvrager de stukken uit Artikel 17.1, lid 6 niet in tweevoud aan te leveren, behalve als het college er toch om vraagt.
Artikel 17.2 Beoordelingsregels plaatsing van bouwwerken
-
1
Het bouwwerk moet zo worden geplaatst dat het redelijk past in zijn omgeving. Dit artikel geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.
-
2
De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert over de plaats van het bouwwerk aan de hand van de beleidsregels. Het college houdt rekening met dit advies.
-
3
Het college kan gemotiveerd afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
-
4
Of het bouwwerk zo geplaatst is dat het redelijk past in zijn omgeving, beoordeelt het met de beleidsregels voor ruimtelijke kwaliteit. De gemeenteraad stelt de beleidsregels vast.
-
5
Zolang er geen nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld, geldt als beleidsregel de welstandsnota van de gemeente Groningen, inclusief de vastgestelde aanvullingen daarop, al dan niet in beeldkwaliteitplannen.
-
6
Bevat een vergunningaanvraag de activiteit bouwen? Dan levert de aanvrager de stukken en gegevens aan die staan in Bijlage 3 onder 5.1.
-
7
Moet de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden beoordeeld met zowel Artikel 17.1 als Artikel 17.2? Dan hoeft de aanvrager de stukken uit Artikel 17.2, lid 6 niet in tweevoud aan te leveren, behalve als het college er toch om vraagt.
Hoofdstuk 19 Beoordelingsregels - cultureel erfgoed
Afdeling 19.2 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - rijksmonumenten
Artikel 19.1 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - bescherming omgeving van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten
-
1
De regels in dit artikel gelden voor vergunningaanvragen voor activiteiten met invloed op:
-
2
De adviescommissie bedoeld in Afdeling 29.3 brengt advies uit over de aanvraag. De commissie:
-
a.
stelt vast of de activiteit van invloed is op de omgeving van het monument;
-
b.
geeft aan of zij vindt dat de activiteit de omgeving onevenredig aantast;
-
c.
en geeft aan of zij vindt dat daardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
Het advies van de commissie wordt meegenomen bij de beslissing op de aanvraag.
-
a.
-
3
Wat beschermd is en wat de monumentale waarden zijn, staat:
-
a.
voor de rijksmonumenten: in het rijksmonumentenregister en zo nodig het afschrift dat de minister het college heeft toegezonden op grond van de Erfgoedwet;
-
b.
voor de voorbeschermde rijksmonumenten: in het ontwerpbesluit voor de aanwijzing van het rijksmonument, zoals weergegeven in de begripsomschrijving van de Omgevingswet.
Deze bronnen worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
-
a.
-
4
De vergunning wordt geweigerd als:
-
5
De regels in dit artikel gelden voor het gebied 'nieuwe regels'.
Afdeling 19.3 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - gemeentelijke monumenten
Artikel 19.2 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - (voorbeschermde) gemeentelijke monumenten
-
1
De regels in dit artikel gelden voor vergunningaanvragen:
-
2
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
-
a.
het belang van de rechthebbende om de activiteit aan, in, om of bij het gemeentelijke monumenten en/of voorbeschermd gemeentelijk monument uit te voeren groter is dan het belang van het behoud van de monumentale waarden, met het oog op de schaarste en gaafheid daarvan; en
-
b.
wanneer het een kerkelijk monument betreft: na overleg met de eigenaar.
-
a.
-
3
De adviescommissie bedoeld in Afdeling 29.3 brengt advies uit over het gemeetnelijk monument of (delen van) het gemeentelijke monument en de aanvraag. Het advies van de commissie wordt meegenomen in de beoordeling van de vergunningaanvraag.
-
4
Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag zoals bedoeld in Artikel 19.2, lid 2, maar adviseur dan:
-
5
In afwijking van Artikel 19.3, lid 1 wordt bij de beslissing op de aanvraag rekening gehouden met de volgende beginselen:
-
a.
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van het gemeentelijk monument;
-
b.
het voorkomen van verplaatsing van het gemeentelijk monument of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van het monument; en
-
c.
het bevorderen van het gebruik van het gemeentelijk monument, zo nodig door wijziging ervan, rekening houdend met de monumentale waarden.
-
a.
-
6
Wat beschermd is en wat de monumentale waarden zijn, staat:
-
a.
voor de gemeentelijke monumenten: in Bijlage 5;
-
b.
voor de voorbeschermde monumenten: in het voorbereidingsbesluit waarmee het voorbeschermd monument is aangewezen.
De beschrijving wordt betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
-
a.
-
7
Bij de indiening van een aanvraag worden voor de beoordeling van die aanvraag de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 5.5 .
Artikel 19.3 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - bescherming omgeving van gemeentelijke monumenten
-
1
Dit artikel geldt voor vergunningaanvragen in de omgeving van gemeentelijke monumenten, voor activiteiten met effecten op de omgeving van die monumenten.
-
2
De adviescommissie bedoeld in Afdeling 29.3 brengt advies uit over de aanvraag. De commissie:
-
a.
stelt vast of de activiteit van invloed is op de omgeving van het monument;
-
b.
geeft aan of zij vindt dat de activiteit de omgeving onevenredig aantast;
-
c.
en geeft aan of zij vindt dat daardoor het monument wordt ontsierd of beschadigd.
Het advies van de commissie wordt meegenomen bij de beslissing op de aanvraag.
-
a.
-
3
Wat beschermd is en wat de monumentale waarden zijn, staat:
-
a.
voor de gemeentelijke monumenten: in Bijlage 5;
-
b.
voor de voorbeschermde monumenten: in het voorbereidingsbesluit waarmee het voorbeschermd monument is aangewezen.
De beschrijving wordt betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
-
a.
-
4
De vergunning wordt geweigerd als:
-
5
De omgevingsvergunning wordt echter niet geweigerd als het belang van de aanvrager bij het uitvoeren van de activiteit groter is dan het belang van het college en de eigenaar en/of de gebruiker van het monument bij het behoud van de monumentale waarde, gelet op de schaarste en de gaafheid daarvan.
-
6
De regels in dit artikel gelden voor het gebied 'nieuwe regels'.
-
7
Betreft de aanvraag de activiteit slopen? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.5 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - slopen.
-
8
Betreft de aanvraag het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van het monument? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.6 Extra eisen - gemeentelijk monument - geheel of gedeeltelijk verplaatsen.
-
9
Betreft de aanvraag het wijzigen of herstellen van het monument? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.7 Extra eisen - gemeentelijk monument - wijzigen of herstellen.
-
10
Betreft de aanvraag het gebruiken van het document? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.8 Extra eisen - gemeentelijk monument - gebruiken van het monument
-
11
De voor de beoordeling van de aanvraag aan te leveren tekeningen moeten voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.5.4 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - eisen aan tekeningen
-
12
Het college kan van de aanvrager aanvullende gegevens eisen, zoals de rapportage van een bouwhistorisch onderzoek.
Afdeling 19.4 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - karakteristieke gebouwen en objecten
Artikel 19.4 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - karakteristieke gebouwen en objecten
-
1
De regels in dit artikel gelden voor het gebied 'karakteristieke gebouwen en objecten'.
-
2
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend in de volgende gevallen:
-
a.
er is een algemeen ruimtelijk belang waarvoor (delen van) het karakteristiek gebouw of object moeten plaatsmaken;
-
b.
bij een belangenafweging weegt het belang van de vergunningaanvrager om (delen van) het karakteristiek gebouw of object te slopen zwaarder dan het belang van het behoud ervan;
-
c.
er wordt aangetoond dat:
-
1.
het objectief gezien zinvol is het gebouw of object te (her)gebruiken overeenkomstig de toegekende functie of voor een andere passende functie; en
-
2.
de gebruiksfunctie wordt verbeterd of gebreken in de constructieve veiligheid worden opgeheven; al dan niet na het nemen van bouwkundige- of bouwtechnische maatregelen aan het gebouw;
-
1.
-
d.
de karakteristieke hoofdvorm is er niet meer en kan alleen worden hersteld met ingrijpende wijzigingen aan het gebouw of het object;
-
e.
karakteristieke delen van een gebouw of object worden vervangen door gelijkwaardige karakteristieke delen; of
-
f.
het gaat om delen van een gebouw of object die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en de activiteit tast de karakteristieke hoofdvorm niet onevenredig aan;
-
g.
het college vindt het aannemelijk dat:
-
a.
-
3
de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ wordt ook verleend als de volgende kenmerken van karakteristieke gebouwen en objecten worden gewijzigd:
-
a.
de goothoogte en de bouwhoogte;
-
b.
de kapvorm;
-
c.
de nokrichting;
-
d.
de oppervlakte;
-
e.
de gevelindeling; en/of
-
f.
de ligging.
én de wijziging geen onevenredige afbreuk doet aan de karakteristieke verschijningsvorm van het gebouw of object.
-
a.
-
4
Wat de karakteristieke gebouwen en objecten zijn, de beschrijvingen ervan en de beschrijving van de karakteristieke waarden staan in:
Deze documenten worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
-
5
De adviescommissie bedoeld in Afdeling 29.3 brengt advies uit over de aanvraag. De commissie:
-
a.
stelt vast of de activiteit van invloed is op de omgeving van het karakteristiek gebouw of object;
-
b.
geeft aan of zij vindt dat de activiteit de omgeving onevenredig aantast;
-
c.
en geeft aan of zij vindt dat daardoor het karakteristiek gebouw of object wordt ontsierd of beschadigd.
Het advies van de commissie wordt meegenomen bij de beslissing op de aanvraag.
-
a.
-
6
Bij de indiening van een aanvraag worden voor de beoordeling van die aanvraag de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 5.5.
-
7
Betreft de aanvraag de activiteit slopen? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.5 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - slopen.
-
8
Betreft de aanvraag het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van het monument? Dan worden voor beoordeling van de aanvraag aanvullend de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens in 5.5.6 Extra eisen - gemeentelijk monument - geheel of gedeeltelijk verplaatsen.
-
9
De voor de beoordeling van de aanvraag aan te leveren tekeningen moeten voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.5.4 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - eisen aan tekeningen
Artikel 19.5 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - bescherming omgeving van karakteristieke gebouwen en objecten
-
1
De regels in dit artikel gelden voor vergunningaanvragen met effecten op karakteristieke gebouwen en objecten.
-
2
De adviescommissie bedoeld in Afdeling 29.3 brengt advies uit over de aanvraag. De commissie:
-
a.
stelt vast of de activiteit van invloed is op de omgeving van het karakteristiek gebouw of object;
-
b.
geeft aan of zij vindt dat de activiteit de omgeving onevenredig aantast;
-
c.
en geeft aan of zij vindt dat daardoor het karakteristiek gebouw of object wordt ontsierd of beschadigd.
Het advies van de commissie wordt meegenomen bij de beslissing op de aanvraag.
-
a.
-
3
Wat de karakteristieke gebouwen en objecten zijn, de beschrijvingen ervan en de beschrijving van de karakteristieke en cultuurhistorische waarden staan in:
Deze documenten worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
-
4
De vergunning wordt geweigerd als:
-
5
De omgevingsvergunning wordt echter niet geweigerd als het belang van de aanvrager bij het uitvoeren van de activiteit groter is dan het belang van het college en de eigenaar en/of de gebruiker van het karakteristiek gebouw of object bij het behoud van de karakteristieke waarde, gelet op de schaarste en de gaafheid daarvan.
Afdeling 19.5 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - beeldondersteunende gebouwen en objecten
[Gereserveerd]
Afdeling 19.6 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - gemeentelijke archeologische monumenten
Artikel 19.5a Beoordelingsregels cultureel erfgoed - gemeentelijke archeologische monumenten
-
1
Deze regels zijn van toepassing op vergunningaanvragen voor activiteiten in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument', wanneer in dit omgevingsplan naar deze beoordelingsregels is verwezen.
-
2
De vergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende leden in dit artikel.
-
3
Het belang van de monumentenzorg verzet zich niet tegen de het verlenen van de omgevingsvergunning
-
4
De vergunning wordt alleen verleend als uit een archeologisch rapport voldoende blijkt dat:
-
a.
er op de plaats van de werken of werkzaamheden geen archeologische waarden aanwezig zijn;
-
b.
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
-
c.
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door voorschriften te verbinden aan de vergunning.
-
a.
-
5
Bij de vergunningaanvraag levert de aanvrager de stukken en gegevens aan die staan in Bijlage 3 onder 5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument.
-
6
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
-
7
Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit in of op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
-
a.
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet;
-
c.
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
-
d.
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet.
-
e.
het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
-
f.
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
-
g.
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
-
h.
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
-
i.
het uitvoeren van de activiteit in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen
-
a.
Afdeling 19.7 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - archeologische verwachting
Artikel 19.6 Beoordelingsregels cultureel erfgoed - archeologische verwachting
-
1
Deze regels zijn van toepassing op vergunningaanvragen voor activiteiten in de gebieden 'archeologische percelen' en 'archeologische zones', wanneer in dit omgevingsplan naar deze beoordelingsregels is verwezen.
-
2
De vergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het volgende lid.
-
3
Uit het archeologisch rapport blijkt naar het oordeel van het college dat:
-
a.
dat het rapport is opgesteld door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg; en
-
b.
dat in het rapport de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; en
-
c.
dat het belang van de monumentenzorg zich niet verzet tegen het verlenen van de omgevingsvergunning; en
-
d.
dat er op de plaats van de uit te voeren werken of werkzaamheden geen archeologische waarden aanwezig zijn;
-
e.
dat de archeologische waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
-
f.
dat de archeologische waarde kan worden behouden door voorschriften te verbinden aan de vergunning.
-
a.
-
4
Als archeologische waarden worden aangetroffen, moet een advies worden ingewonnen over de voorgenomen activiteit bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Dit advies wordt bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.
-
5
De adviescommissie zoals bedoeld in Afdeling 29.3 Advies, met een of meer deskundigen op het terrein van archeologische monumentenzorg, brengt advies uit aan het college als aan de te verlenen vergunningvoorschriften worden verbonden zoals genoemd in lid 3 sub c. Het advies van de commissie wordt meegenomen in de beoordeling van de vergunningaanvraag.
-
6
Bij de vergunningaanvraag levert de aanvrager de stukken en gegevens aan die staan in Bijlage 3 onder 5.5.4 .
Hoofdstuk 20 Beoordelingsregels - milieu en veiligheid
Afdeling 20.2 Beoordelingsregels milieu - bodem
Artikel 20.1 Beoordelingsregels bodem - normen bodem
-
1
De grenswaarden die de toelaatbare kwaliteit van de bodem beschrijven, staan in bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
2
Voor stoffen opgenomen in bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem overschreden als voor één of meer stoffen de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de in deze lijst opgenomen grenswaarde voor de bodemkwaliteit.
Artikel 20.2 Beoordelingsregels bodem - bouwen bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie - beoordelingsregel
-
1
Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
-
2
Aan de beoordelingsregels voor dit onderwerp wordt voldaan als de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in Artikel 20.1 waarop een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwd, niet wordt overschreden.
-
3
Aan de beoordelingsregels voor dit onderwerp kan ook worden voldaan als de grenswaarden voor de bodemkwaliteit worden overschreden. Dit kan alleen als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen die aantoonbaar voldoende bescherming bieden. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 (saneren van de bodem) van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
4
Er is sprake van voldoende bescherming als het beschermingsniveau hetzelfde of beter is dan wanneer zou zijn voldaan aan de waarden in bijlage IIa (interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
5
Een bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw mag pas in gebruik worden genomen als het college is geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Dit hoeft niet als niet gesaneerd hoeft te worden.
-
6
Als sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen dienen deze in stand te worden gehouden zolang het gebruik van het bodemgevoelig gebouw of een deel van een bodemgevoelig gebouw voortduurt.
-
7
Bij beoordeling van de aanvraag betrekt het college de onderzoeken naar de bodemkwaliteit én gegevens en stukken die zijn aangeleverd in het kader van Artikel 20.2, lid 9 en Artikel 20.2, lid 10.
-
8
De aanvrager levert bij de vergunningaanvraag de stukken en gegevens aan die staan in Bijlage 3 onder 5.4.1.
-
9
Wordt de toelaatbare kwaliteit zoals bepaald in 3 en 5 overschreden? Dan moet de aanvrager bij de aanvraag ook de stukken en gegevens aanleveren in Bijlage 3 onder 5.4.2.
-
10
Heeft de aanvraag betrekking op een locatie waarvoor dit omgevingsplan zegt dat een overschrijding van de toelaatbare redelijkerwijs is uit te sluiten? Dan zijn de stukken en gegevens uit Artikel 20.2, lid 8 en Artikel 20.2, lid 9 niet nodig.
Afdeling 20.7 Beoordelingsregels milieu - rookhinder
Artikel 20.3 Beoordelingsregel opslag van brandbare stoffen en goederen in een gebied
-
1.
De vergunningaanvraag voldoet aan de beoordelingsregel van deze afdeling als uit het brandbeheersingsplan in voldoende mate blijkt dat een brand beheersbaar is.
-
2.
Het uitgangspunt van het brandbeheersingsplan is een beheersbare brand met een maximale duur van 4 uur.
-
3.
De aanvrager levert bij de vergunningaanvraag een brandbeheersingsplan aan. Dat bevat de gegevens en onderdelen zoals opgenomen in Bijlage 3 onder 5.3.1 Specifieke eisen - brandbeheersingsplan. Het college betrekt het brandbeheersingsplan bij de beoordeling van de aanvraag.
Hoofdstuk 21 Beoordelingsregels - natuur, klimaat en duurzaamheid
Afdeling 21.1 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater
Artikel 21.1 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater - wanneer ze gelden
De regels in deze afdeling zijn van toepassing wanneer in dit omgevingsplan naar deze beoordelingsregels is verwezen.
Artikel 21.2 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater
-
1
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de volgens artikel Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging vereiste hemelwaterberging redelijkerwijs niet van aanvrager kan worden gevergd.
-
2
De omgevingsvergunning mag ook worden verleend als:
-
3
Als alternatieve hemelwaterberging door of namens de initiatiefnemer niet voldoende is verzekerd, kan de gemeente de alternatieve bergingsopgave overnemen. Het college kan daartoe aan de omgevingsvergunning financiële voorschriften verbinden. Waar van toepassing wordt Afdeling 13.6 Omgevingswet over kostenverhaal toegepast. De financiële voorschriften worden gesteld met het oog op de bestrijding van de kosten van de gemeente om elders de vereiste hoeveelheid waterberging te realiseren en te onderhouden.
-
4
Het college kan een beleidsregel vaststellen voor de uitvoering en uitwerking van dit artikel.
Hoofdstuk 22 Beoordelingsregels - kabels en leidingen
Afdeling 22.5 Beoordelingsregels ondergrondse hoogspanningsleidingen
Artikel 22.1 Beoordelingsregels ondergrondse hoogspanningsleidingen - algemene regels
In het gebied 'ondergrondse hoogspanningsleidingen':
Artikel 22.2 Beoordelingsregels bouwwerk zonder een dak - hoogte
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk zonder een dak - ondergrondse hoogspanningsleiding - maximum' is een bouwwerk zonder een dak voor de ondergrondse hoogspanningsleiding niet hoger dan de aangegeven hoogte.
Afdeling 22.6 Beoordelingsregels rioolpersleidingen
Artikel 22.3 Beoordelingsregels rioolpersleidingen - algemene regels
In het gebied 'vrijwaringsgebied rioolpersleiding':
Artikel 22.4 Beoordelingsregels bouwwerk zonder een dak - hoogte
In het gebied 'bouwhoogte - bouwwerk zonder een dak - rioolleiding - maximum' is een bouwwerk zonder een dak voor de rioolleiding niet hoger dan de aangegeven hoogte.
Hoofdstuk 24 Beoordelingsregels - overig
Afdeling 24.3 Beoordelingsregels verkeer en parkeren
Artikel 24.1 Algemene beoordelingsregels - verkeer en parkeren
-
1
De vergunningaanvraag voldoet aan de beoordelingsregels van deze afdeling als wordt voldaan aan de volgende leden.
-
2
Er moet sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen en bromfiets(en). Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als wordt voldaan aan de beleidsregels met betrekking tot het parkeren van de gemeente Groningen.
-
3
De gerealiseerde parkeergelegenheid moet in stand gehouden worden én beschikbaar gehouden worden voor de doelgroepen waarvoor de parkeerbehoefte volgens de in het tweede lid genoemde beleidsregels nodig is.
-
4
Als de norm voor de benodigde parkeergelegenheid in de beleidsregels naar beneden wordt bijgesteld, mag vanaf dat moment de parkeergelegenheid in stand worden gehouden en beschikbaar worden gehouden volgens de gewijzigde norm.
-
5
Als de norm voor de benodigde parkeergelegenheid in de beleidsregels naar boven wordt bijgesteld, mag vanaf dat moment de parkeergelegenheid in stand worden gehouden en beschikbaar worden gehouden volgens de oorspronkelijke norm.
Hoofdstuk 31 Overgangsrecht
Afdeling 31.1 Overgangsrecht algemeen
Paragraaf 31.1.1 Overgangsregels bij wijziging omgevingsplan - lopende procedures en beschikkingen
Artikel 31.1 Overgangsregels - lopende aanvragen en ambtshalve besluiten
-
1
Als door een wijziging van het omgevingsplan dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, en vóór het moment van inwerkingtreding daarvan een aanvraag om een besluit te nemen is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
-
2
Als door een wijziging van het omgevingsplan dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
-
3
Als door een wijziging van het omgevingsplan dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:
Artikel 31.2 Overgangsregels - vergunningplichten uit verordeningen
-
1
Als:
-
a.
een activiteit voorheen in een verordening vergunningplichtig was;
-
b.
die activiteit is nu in het omgevingsplan geregeld; en
-
c.
de activiteit is daarin opnieuw vergunningplichtig,
dan geldt een onherroepelijke vergunning voor die activiteit op grond van die gemeentelijke verordening als een vergunning op grond van dit omgevingsplan.
-
a.
-
2
Als in de in Artikel 31.2, lid 1 bedoelde vergunning op grond van de verordening voorschriften staan, en voor die activiteit is in dit omgevingsplan geen vergunning vereist, dan gelden die voorschriften als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Artikel 31.3 Overgangsregels - meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften uit verordeningen
-
1
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct vóór dat moment, als een melding of informatieplicht op grond van dit omgevingsplan, al naar gelang voor die activiteit een melding is vereist en/of voor die activiteit informatie verstrekt moet worden.
-
2
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct vóór dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
-
3
Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct vóór dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Artikel 31.4 Overgangsrecht - handhavingsbesluiten
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en vóór dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is begonnen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een beschikking met een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
Hoofdstuk 32 Voorlopige regels
Afdeling 32.1 Algemeen
Artikel 32.1 Waar de regels in dit hoofdstuk gelden
De regels in dit hoofdstuk gelden in het gebied 'voorlopige regels', behalve als een regel in dit hoofdstuk iets anders zegt.
Artikel 32.2 Voorrangsregel tijdelijk deel - bouwen, erven en terreinen
-
1
De regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gaan vóór de regels in Afdeling 32.3 Milieubelastende activiteiten. De regels in deze afdeling gelden dus alleen voor zover ze niet in strijd zijn met het tijdelijk deel. Als ze wel in strijd zijn, gaan de regels van het tijdelijk deel voor.
- 2
Artikel 32.3 Voorrangsregel tijdelijk deel - milieubelastende activiteiten
De regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gaan vóór de regels in Afdeling 32.3 Milieubelastende activiteiten. De regels in deze afdeling gelden dus alleen voor zover ze niet in strijd zijn met het tijdelijk deel. Als ze wel in strijd zijn, gaan de regels van het tijdelijk deel voor.
Artikel 32.3a Voorrangsregel - voorschriften milieubelastende activiteiten vóór Omgevingswet
De regels in Afdeling 32.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in Hoofdstuk 3 Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
-
a.
een voor 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding van de Omgevingswet) onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
-
b.
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding van de Omgevingswet) en daarna onherroepelijk wordt of is geworden.
Artikel 32.4 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
-
1
Voor de toepassing van Artikel 32.28, lid 1 en Artikel 32.28, lid 2, Artikel 32.28c, Artikel 32.278, Artikel 32.279, Artikel 32.280,Artikel 32.281, Artikel 32.282, Artikel 32.283, Artikel 32.284, Artikel 32.285 en Artikel 32.286 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
-
2
Het eerste lid is van toepassing:
-
a.
als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
-
b.
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
-
a.
Artikel 32.4a Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
De artikelen Artikel 32.28, lid 3, en Artikel 32.28c, aanhef en onder Artikel 32.28c, onderdeel b., zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 32.2 Bouwwerken, open erven en terreinen
Paragraaf 32.2.2 Bouwen en slopen - uitzetten grenzen en peil
Artikel 32.6 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Paragraaf 32.2.3 Bouwwerken - welstand, aansluitingen en hulpverlening
Artikel 32.7 Repressief welstand
-
1
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota van de gemeente Groningen, inclusief de vastgestelde aanvullingen daarop, al dan niet in beeldkwaliteitplannen.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 32.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
-
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 32.9 Aansluiting op distributienet voor gas
Artikel 32.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
-
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:
-
a.
het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en
-
b.
de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
-
a.
-
2
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
-
3
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
-
4
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 32.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 32.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
-
1
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
-
2
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen gebouwerf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
-
3
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
-
4
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 32.5 kan in ieder geval worden bepaald:
-
a.
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of terrein wordt aangelegd;
-
b.
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of terrein wordt aangelegd; en
-
c.
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het gebouwerf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
-
a.
Artikel 32.13 Bluswatervoorziening
-
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
-
2
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
-
3
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 32.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
-
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing:
-
a.
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
-
b.
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
-
c.
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
-
d.
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
-
e.
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
-
a.
-
3
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
-
4
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
-
5
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 32.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
-
1
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing:
-
a.
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
-
b.
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
-
c.
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
-
d.
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
-
a.
-
3
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
-
4
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 32.15, lid 3, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
-
5
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 32.2.4 Bouwwwerken - overbewoning, gevaar en overlast
Artikel 32.16 Overbewoning woonruimte
Artikel 32.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 32.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
-
1
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
-
2
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 32.2.5 Open erven en terreinen - gevaar en overlast
Artikel 32.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
-
1
Op een open gebouwerf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 32.2.1 aanwezig.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing als:
-
a.
de in tabel 32.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;
-
b.
de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
-
c.
de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
-
a.
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing op:
-
a.
brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
-
b.
brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;
-
c.
voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
-
d.
gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
-
e.
dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en
-
f.
brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
-
a.
-
4
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
-
5
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 32.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1)
Omschrijving
Verpakkingsgroep
Toegestane maximum hoeveelheid
2
UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)
n.v.t.
50 kg
3
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton
II
25 liter
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C
Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten
III
50 liter
4.1, 4.2, 4.3
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders
4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink
4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide
II en III
50 kg
5.1
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide
II en III
50 liter
5.2
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide
n.v.t.
1 liter
Artikel 32.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
-
1
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open gebouwerf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open gebouwerf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
-
2
Degene die een open gebouwerf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
-
3
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open gebouwerf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
-
a.
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
-
b.
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
-
c.
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open gebouwerf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
-
a.
Paragraaf 32.2.7 Bouwwerken - vergunningplicht
Subparagraaf 32.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 32.24 Meetbepalingen
-
1
Voor de toepassing van de Subparagraaf 32.2.7.2 en Subparagraaf 32.2.7.4 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
-
a.
afstanden loodrecht;
-
b.
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
-
c.
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
-
a.
-
2
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 32.25 Mantelzorg
Voor de toepassing van de Subparagraaf 32.2.7.2 en Subparagraaf 32.2.7.4 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 32.2.7.2 Bouwwerken - vergunningplicht
Artikel 32.26 Bouwwerken - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 32.26a Bouwwerken - vergunningvrij - alleen legale bouwwerken en gelijkblijvend aantal woningen
-
1
Artikel 32.27 en Artikel 32.28a zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
-
2
Bij de toepassing van Artikel 32.27en Artikel 32.28a blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 32.27, onder a, of Artikel 32.28a, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 32.28a, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 32.27 Bouwwerken - vergunningvrij A (alleen als activiteit past in omgevingsplan)
Het verbod, bedoeld in Artikel 32.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
-
a.
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
1.
op de grond staand;
-
2.
gelegen in achtererfgebied;
-
3.
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
-
4.
niet hoger dan 5 m;
-
5.
als het bouwwerk meer dan één bouwlaag heeft, mag een verblijfsgebied alleen op de eerste bouwlaag liggen; en
-
6.
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
-
1.
-
b.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
c.
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
1.
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
-
2.
voorzien van een plat dak;
-
3.
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
-
4.
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
-
5.
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
-
6.
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
-
1.
-
d.
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
e.
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
-
f.
een erf- of terreinafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
1.
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
-
2.
op een gebouwerf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
-
3.
de afscheiding staat achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
-
1.
-
g.
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
-
h.
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
-
i.
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 32.28 Bouwwerken - vergunningvrij A - uitzondering - cultureel erfgoed
-
1
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is de uitzondering op de vergunningplicht in Artikel 32.27 niet van toepassing.
-
2
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 32.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
-
3
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is de uitzondering op de vergunningplicht in Artikel 32.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:
-
a.
inpandige wijzigingen;
-
b.
een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
-
c.
een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
-
d.
een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
-
a.
-
4
(Vervallen)
Artikel 32.28a Bouwwerken - vergunningvrij B (ook als activiteit niet past in omgevingsplan)
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 32.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
-
a.
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 32.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
-
1.
voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
-
2.
voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
-
i.
als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
-
ii.
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
-
i.
-
3.
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
-
i.
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
-
ii.
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
-
iii.
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
-
i.
-
4.
uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
-
i.
een woonwagen;
-
ii.
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
-
iii.
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
-
i.
-
1.
-
b.
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of terreinafscheiding als bedoeld in Artikel 32.27, onder f; en
-
c.
het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 32.28b Bouwwerken - vergunningvrij B - bijbehorend bouwwerk - 4 metergrens, mantelzorg
-
1
Staat een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 32.28a, onder a, voor een deel binnen 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor een deel daarbuiten? En is er geen inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen? Dan is op het deel binnen 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw Artikel 32.28a, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
-
2
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 32.28a, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de eisen in Artikel 32.28a, onder a, onder 3, de volgende eisen:
Artikel 32.28c Bouwwerken - vergunningvrij B - uitzondering - cultureel erfgoed
Artikel 32.28a is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
-
a.
in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of
-
b.
op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 32.28d Bouwwerken - vergunningvrij B - uitzondering - externe veiligheid
Artikel 32.28a, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
-
a.
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
-
b.
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
-
c.
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
-
1.
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
-
2.
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
3.
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
4.
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
-
5.
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
6.
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
7.
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
-
8.
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
9.
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
-
10.
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
11.
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
12.
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
-
13.
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
-
14.
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.
-
1.
Subparagraaf 32.2.7.3 Bouwwerken - beoordelingsregels vergunningen
Artikel 32.29 Bouwwerken - beoordelingsregel - algemeen
-
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
-
a.
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 32.2.4 Bouwwwerken - overbewoning, gevaar en overlast;
-
b.
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota van de gemeente Groningen, inclusief de vastgestelde aanvullingen daarop, al dan niet in beeldkwaliteitplannen.
-
c.
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
-
1.
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
-
2.
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
1.
-
d.
Er sprake is van een van de gevallen als bedoeld in Artikel 32.29, lid 2..
-
a.
-
2.
De gevallen bedoeld in Artikel 32.29, lid 1., onderdeel d. zijn de volgende:
-
a.
De activiteit is onderdeel van een verzameling samenhangende niet-, onderdeelen die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer , onderdeelen van in totaal meer dan 500 m², waarbij er sprake is van één of meer van de volgende gevallen:
-
1.
in het project wordt , onderdeel gerealiseerd. De hemelwaterberging moet voldoen aan een , onderdeel dat is goedgekeurd door of namens burgemeester en wethouders. Het hemelwaterbergingsplan voorziet voor het totale projectgebied tenminste in een totale hemelwaterberging die voldoet aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied en het totaal van de in het projectgebied te realiseren bouwwerken en verhardingen. In het hemelwaterbergingsplan staan ook afspraken over de toedeling van de totale opgave en de verplichtingen aan de gronden in het projectgebied en hun huidige én toekomstige eigenaren; en afspraken over de realisatie, het beheer en het in stand houden van de hemelwaterberging;
-
2.
de aanvraag betreft een afzonderlijke kavel in een projectgebied waarvoor (nog) geen goedgekeurd hemelwaterbergingsplan is én de aanvraag voorziet in een hemelwaterberging die voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied.
-
1.
-
b.
De activiteit vindt plaats in een gebied waar een project is uitgevoerd, voor dat project is een hemelwaterbergingsplan gemaakt zoals hierboven bedoeld, én het bouwplan voldoet aan dat hemelwaterbergingsplan.
-
c.
Het bouwwerk of de bouwwerken worden niet gebouwd binnen een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld, er komt minder dan 50 m² aan bouwwerken bij en er wordt ook minder dan 50 m² aan bouwwerken vervangen.
-
d.
Het bouwwerk of de bouwwerken worden niet gebouwd binnen een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld en het bouwwerk of de bouwwerken worden toegevoegd of vervangen op een kavel van 250 m2 of minder.
-
e.
Het bouwwerk of de bouwwerken worden niet gebouwd binnen een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld, en het gaat om een bijbehorend bouwwerk bij een woning of bij een gebouw met meerdere woningen.
-
f.
Er wordt niet gebouwd in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld, en er wordt een hemelwaterberging gerealiseerd die voldoet aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging;
-
g.
Het bouwwerk of de bouwwerken worden niet gebouwd binnen een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld en er wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 21.2 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater
-
a.
-
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
-
a.
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
-
b.
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
-
a.
Artikel 32.30 Bouwwerken - beoordelingsregel - bodemgevoelig gebouw - nadere invulling
-
1
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 32.29, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
2
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
-
3
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 32.31 Bouwwerken - beoordelingsregel - bodemgevoelig gebouw - voorschrift
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 32.29, lid 1., aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 32.29.
Artikel 32.32 Bouwwerken - beoordelingsregel - wijziging en uitwerking
-
1
In afwijking van Artikel 32.29, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
-
2
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
-
a.
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
-
b.
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
-
c.
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
-
a.
Artikel 32.33 Bouwwerken - beoordelingsregel - voorbereidingsbesluit, stads- en dorpsgezichten
-
1
In afwijking van Artikel 32.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
-
a.
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
-
b.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
-
c.
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
-
a.
-
2
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 32.34 Bouwwerken - beoordelingsregel - archeologie - voorschriften
Vervallen. Zie Afdeling 32.6 Vervangende regels archeologie
Subparagraaf 32.2.7.4 Bouwwerken - aanvraagvereisten
Artikel 32.35 Bouwwerken - aanvraagvereisten
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een opgave van de bouwkosten;
-
b.
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
-
c.
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
-
d.
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
-
1.
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
-
2.
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
-
3.
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
-
4.
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
-
5.
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
-
1.
-
e.
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
-
f.
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
-
g.
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
-
h.
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
-
i.
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
-
1.
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
-
2.
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
-
3.
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
-
4.
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
-
1.
-
j.
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
-
1.
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 32.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
-
2.
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 32.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 32.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
-
1.
-
k.
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
-
a.
-
2
Over het onderwerp hemelwaterberging worden de gegevens verstrekt zoals opgenomen inBijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.6 Extra eisen - hemelwaterberging.
Afdeling 32.3 Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 32.3.1 Algemene bepalingen
Artikel 32.41 Algemeen toepassingsbereik
-
1
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
-
2
Deze afdeling is niet van toepassing op:
-
a.
wonen;
-
b.
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
-
c.
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
-
d.
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
-
e.
een evenement:
-
f.
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
-
g.
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
-
a.
-
3
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
-
4
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 32.3.7.
Artikel 32.42 Waar de regels in deze afdeling gelden
De regels in deze afdeling gelden in de hele gemeente Groningen, tenzij anders bepaald. Dat wijkt af van Artikel 32.1.
Artikel 32.43 Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Artikel 32.44 Normadressaat
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 32.45 Specifieke zorgplicht
-
1
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 32.43, is verplicht:
-
a.
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
-
b.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
-
c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
-
a.
-
2
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
-
a.
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
-
b.
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
-
c.
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
-
d.
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
-
e.
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
-
f.
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
-
g.
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
-
h.
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
-
i.
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
-
j.
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
-
a.
-
3
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:
-
4
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.46 Maatwerkvoorschriften
-
1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over Artikel 32.45, Artikel 32.50 en de Paragraaf 32.3.2 tot en met Paragraaf 32.3.6.
-
2
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 32.50, Artikel 32.51 en de Paragraaf 32.3.2 tot en metParagraaf 32.3.6.
-
3
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in Artikel 32.43.
-
4
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32.47 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:
Artikel 32.48 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
-
1
Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 32.47, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.49 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
-
1
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
-
2
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 32.51 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
-
1
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:
-
a.
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
-
b.
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
-
c.
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
-
d.
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
-
a.
-
2
Het eerste lid geldt niet voor:
Paragraaf 32.3.3 Zwerfafval
Artikel 32.54 Afval: zwerfvuil
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Paragraaf 32.3.4 Geluid
Subparagraaf 32.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 32.55 Toepassingsbereik
-
1
Paragraaf 32.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
-
2
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door:
-
a.
een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
-
b.
een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
-
c.
een activiteit op een niet-geluidgevoelige gevel.
-
d.
bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
-
a.
-
3
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
-
a.
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
-
b.
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
-
a.
-
4
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
Artikel 32.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
-
1
In afwijking van Artikel 32.56, lid 2, onderdeel b., is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
-
2
In afwijking van Artikel 32.55 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
Artikel 32.57 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd Artikel 32.41 worden voor de toepassing van Paragraaf 32.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 32.58 Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:
-
a.
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
-
b.
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
-
c.
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en
-
d.
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 32.59 Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 32.60 Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:
-
a.
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
-
b.
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 32.61 Geluid: onderzoek
-
1
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
-
a.
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
-
b.
bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
-
c.
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
-
d.
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
-
e.
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
-
f.
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
-
g.
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;
-
h.
bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 32.82; en
-
i.
als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
-
a.
-
2
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
-
3
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
-
4
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:
-
a.
de waarden, bedoeld in de paragrafen Subparagraaf 32.3.4.2, Subparagraaf 32.3.4.3 en Subparagraaf 32.3.4.4; of
-
b.
de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
-
a.
Artikel 32.62 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 32.61, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.63 Gegevens en bescheiden
-
1
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:
-
a.
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
-
b.
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
-
c.
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
-
d.
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
-
e.
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
-
f.
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
-
g.
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
-
h.
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
-
i.
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
-
a.
-
3
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 32.62 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
-
4
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
5
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Subparagraaf 32.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 32.64 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de Subparagraaf 32.3.4.3 en Subparagraaf 32.3.4.4.
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Artikel 32.65 (tijdelijke uitzondering windparken)
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 32.66 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.1.
-
2
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.2.
Tabel 32.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
75 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
-
3
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.3.
Tabel 32.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
-
4
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Artikel 32.67 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 32.66, lid 1, Artikel 32.66, lid 3 en Artikel 32.66, lid 3, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.4.
Tabel 32.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur
21.00 – 07.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
40 dB(A
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
70 dB(A)
60 dB(A)
-
2
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 32.68 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 32.66, lid 1, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.5.
Tabel 32.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur
19.00 – 22.00 uur
22.00 – 06.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
-
2
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 32.66, lid 3, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.6.
Tabel 32.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied. 06.00 – 19.00 uur
19.00 – 22.00 uur
22.00 – 06.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
-
3
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
-
a.
laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
-
b.
laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
-
c.
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
-
a.
Artikel 32.69 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 32.66, lid 1, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.7.
Tabel 32.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur
19.00 – 22.00 uur
22.00 – 06.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
-
2
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van Artikel 32.66, lid 3, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.8.
Tabel 32.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur
19.00 – 22.00 uur
22.00 – 06.00 uur
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
-
3
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
Artikel 32.70 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
-
1
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 32.66, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
-
2
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in Artikel 32.68, lid 1, en Artikel 32.69, lid 1 gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Artikel 32.71 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de Artikel 32.66, lid 1, Artikel 32.67, lid 1, Artikel 32.68, lid 1 en Artikel 32.69, lid 1, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:
Artikel 32.72 Geluid: eerbiedigende werking
-
1
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
-
2
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.
Artikel 32.73 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
-
1
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 32.66 en Artikel 32.74, blijft buiten beschouwing:
-
a.
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
-
b.
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
-
c.
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
-
d.
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
-
e.
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
-
f.
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
-
g.
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;
-
h.
het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;
-
i.
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en
-
j.
het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 32.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
-
a.
-
2
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 32.66 en Artikel 32.72, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
-
3
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 32.66 tot en met Artikel 32.72 en artikel Artikel 32.74, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
Artikel 32.74 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein
Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de Artikel 32.66, lid 1, en Artikel 32.67, lid 1 ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 32.75 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
-
1
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 32.66 tot en met Artikel 32.72, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
-
2
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
Artikel 32.76 Geluid: festiviteiten
-
1
De waarden, bedoeld in de in Artikel 32.66 tot en met Artikel 32.74, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
-
a.
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
-
b.
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
-
a.
-
2
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Subparagraaf 32.3.4.3 Geluid door windturbines
Artikel 32.78 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.
-
2
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 32.79 Geluid: waarden windturbines
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.
Artikel 32.80 Registratie gegevens windturbines
-
1
De volgende gegevens worden geregistreerd:
-
a.
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
-
b.
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
-
a.
-
2
De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
Artikel 32.81 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in Artikel 32.79, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Subparagraaf 32.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 32.82 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.
Artikel 32.83 Geluid: waarden buitenschietbanen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in Artikel 32.82 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.
Artikel 32.84 Registratie gegevens buitenschietbanen
Artikel 32.85 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in Artikel 32.83, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Paragraaf 32.3.5 Trillingen
Artikel 32.86 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
-
a.
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
-
b.
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
-
a.
Artikel 32.87 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van Artikel 32.86, lid 2, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
Artikel 32.88 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
Onverminderd Artikel 32.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 32.89 Trillingen: functionele binding
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 32.90 Trillingen: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:
-
a.
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
-
b.
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.
Artikel 32.91 Trillingen: waarden voor continue trillingen
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 32.3.9.
-
2
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.
Paragraaf 32.3.6 Geur
Subparagraaf 32.3.6.1 Algemene bepalingen
Artikel 32.93 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
-
2
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Artikel 32.94 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
-
1
In afwijking van Artikel 32.93, lid 2, zijn de waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
-
2
In afwijking van Artikel 32.93, lid 1, zijn de waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Artikel 32.95 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
De waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
-
a.
als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;
-
b.
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
-
c.
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
Artikel 32.96 Geur: functionele binding
De waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
Artikel 32.97 Geur: voormalige functionele binding
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 32.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
-
a.
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
-
b.
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
Artikel 32.98 Geur: cumulatie
Bij de waarden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.4, en de afstanden, bedoeld in de Subparagraaf 32.3.6.2 en Subparagraaf 32.3.6.3 en Artikel 32.236, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Subparagraaf 32.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
Artikel 32.99 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
Artikel 32.100 Geur vanaf waar afstanden gelden
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.101 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.10.
Tabel 32.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig object
Waarde
Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
2,0 ouE/m3
Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
3,0 ouE/m3
Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
8,0 ouE/m3
Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij
14,0 ouE/m3
-
2
Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 32.102 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
-
1
Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in Artikel 32.101, lid 1, mag, in afwijking van Artikel 32.101, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
-
2
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
-
a.
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
-
b.
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in Artikel 32.99, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
-
a.
Artikel 32.103 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten
Artikel 32.101, lid 1, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:
-
a.
een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
-
b.
een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
-
c.
een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
-
1.
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
-
2.
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
-
3.
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
-
1.
-
d.
een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
|
Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwde kom |
100 m |
|
Gelegen buiten de bebouwde kom |
50 m |
Artikel 32.104 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.12.
Artikel 32.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
-
1
Artikel 32.104 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
-
2
In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.
Artikel 32.106 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
-
1
Onverminderd Artikel 32.101 tot en metArtikel 32.105 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.13.
-
2
In afwijking van Artikel 32.100 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Artikel 32.107 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 32.106, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Artikel 32.108 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 32.106, lid 1, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:
Subparagraaf 32.3.6.3 Geur door andere agrarische activiteiten
Artikel 32.109 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op:
-
3
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.17.
Artikel 32.110 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
-
2
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.18.
Tabel 32.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong
Afstand
Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom
100 m
Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom
50 m
Artikel 32.111 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.
-
3
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.19.
Artikel 32.112 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.
-
2
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.20.
Tabel 32.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin
Afstand tot geurgevoelig gevoelig object
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving
Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2
50 m
25 m
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2
100 m
50 m
Artikel 32.113 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
3
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.21.
Tabel 32.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten
Afstand
Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom
100 m
Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom
50 m
Artikel 32.114 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
-
1
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
-
3
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 32.3.22.
Artikel 32.115 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
-
1
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 32.109, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in Artikel 32.110, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 32.111, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 32.114, als:
-
a.
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
-
b.
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 32.109, lid 3, Artikel 32.110, lid 2, Artikel 32.111, lid 3, of Artikel 32.114, lid 3; en
-
c.
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
-
a.
-
2
Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 32.112, lid 1, als:
-
a.
de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 32.112, lid 1, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 32.112, lid 2;
-
b.
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en
-
c.
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
-
a.
-
3
In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel 32.109, lid 3, Artikel 32.110, lid 2, Artikel 32.111, lid 3, Artikel 32.112, lid 2, of Artikel 32.114, lid 3, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.
Subparagraaf 32.3.6.4 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Artikel 32.116 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.117 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.23.
Tabel 32.3.23 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object Activiteit
Geurgevoelig object
Grenswaarde
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
0,5 ouE/m3
Gelegen:
– op een gezoneerd industrieterrein;
– op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
– op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of
– buiten de bebouwde kom
1 ouE/m3
-
2
In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 32.3.24.
Tabel 32.3.24 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object Activiteit
Geurgevoelig object
Grenswaarde
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
1,5 ouE/m3
Gelegen:
– op een gezoneerd industrieterrein;
– op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
– op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of
– buiten de bebouwde kom
3,5 ouE/m3
-
3
Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 32.118 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten
De waarden, bedoeld in Artikel 32.117, lid 1, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:
Artikel 32.119 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de Artikel 32.117, lid 2, en Artikel 32.118, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in Artikel 32.117, lid 1, niet worden overschreden.
Paragraaf 32.3.7 Bodembeheer
Subparagraaf 32.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem
Artikel 32.120 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
Artikel 32.121 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
-
1
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
-
2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Subparagraaf 32.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Artikel 32.122 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:
-
a.
locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of
-
b.
locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
-
a.
-
2
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Artikel 32.123 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
-
1
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.122, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing:
Artikel 32.124 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Artikel 32.125 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Subparagraaf 32.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 32.126 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 32.127 Bodem: mitigerende maatregelen
Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 32.126, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Paragraaf 32.3.8 Afvalwaterbeheer
Subparagraaf 32.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 32.128 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:
Artikel 32.129 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.128, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:
-
4
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Artikel 32.130 Lozen van grondwater bij saneringen
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
-
2
Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.
-
3
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 32.3.26, gemeten in een steekmonster.
-
4
Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.
Tabel 32.3.26 Emissiegrenswaarden Stof
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l
Naftaleen
0,2 μg/l
PAK’s
1 μg/l
BTEX
50 μg/l
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor
20 μg/l
Aromatische organohalogeen-verbindingen
20 μg/l
Minerale olie
500 μg/l
Cadmium
4 μg/l
Kwik
1 μg/l
Koper
11 μg/l
Nikkel
41 μg/l
Lood
53 μg/l
Zink
120 μg/l
Chroom
24 μg/l
Onopgeloste stoffen
50 mg/l
Artikel 32.131 Lozen van grondwater bij ontwatering
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
-
2
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
-
3
Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.
-
4
Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.
-
5
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.
Artikel 32.132 Meet- en rekenbepalingen
-
1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
-
2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
-
3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
-
a.
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
-
b.
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
-
c.
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
-
d.
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
-
e.
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
-
f.
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
-
g.
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
-
h.
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
-
i.
voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;
-
j.
voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;
-
k.
voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;
-
l.
voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;
-
m.
voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;
-
n.
voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;
-
o.
voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;
-
p.
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
-
q.
voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;
-
r.
voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;
-
s.
voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;
-
t.
voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en
-
u.
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
-
a.
Subparagraaf 32.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (vervallen)
Subparagraaf 32.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 32.136 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.
Artikel 32.137 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.139, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Artikel 32.138 Geen voedselvermaling
Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Artikel 32.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
-
a.
40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
-
b.
100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
-
c.
600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
-
d.
1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
-
e.
3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
-
a.
-
2
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
-
3
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
-
4
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:
Artikel 32.140 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
-
2
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 32.3.27.
-
3
Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
-
4
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Artikel 32.141 Meet- en rekenbepalingen
Subparagraaf 32.3.8.4 Lozen van koelwater
Artikel 32.142 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.143 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.142, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.144 Koelwater
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.
-
2
Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
-
3
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
Subparagraaf 32.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 32.145 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.
Artikel 32.146 Periodiek reinigen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Subparagraaf 32.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 32.147 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.
Artikel 32.148 Inerte goederen
Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
-
a.
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
-
b.
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
-
c.
A-hout en ongeshredderd B-hout;
-
d.
snoeihout;
-
e.
banden van voertuigen;
-
f.
autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;
-
g.
straatmeubilair;
-
h.
tuinmeubilair;
-
i.
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
-
j.
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
-
k.
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
-
l.
papier en karton;
-
m.
textiel en tapijt; en
-
n.
vlakglas.
Artikel 32.149 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.147, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
3
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 32.150 Lozen bij opslaan van inerte goederen
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
-
2
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
-
3
Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
-
4
Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
-
5
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 32.152 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Subparagraaf 32.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 32.153 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:
Artikel 32.154 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 32.155 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Subparagraaf 32.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 32.156 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.
Artikel 32.157 Schoonmaken drinkwaterleidingen
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
-
2
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
-
3
Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.
-
4
Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.
Subparagraaf 32.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 32.158 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.
-
2
Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.159 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 32.158, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Paragraaf 32.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 32.161 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Artikel 32.162 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in Artikel 32.165 en Artikel 32.166, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.163 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 32.164 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
-
1
In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
-
2
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
-
3
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
Artikel 32.165 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
-
1
In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
-
2
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
-
3
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.
Artikel 32.166 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Paragraaf 32.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
Artikel 32.168 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Artikel 32.169 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.168 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.170 Water
-
1
In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
-
2
Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 32.3.28, gemeten in een steekmonster.
-
3
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Artikel 32.171 Meet- en rekenbepalingen
Paragraaf 32.3.11 Uitwassen van beton
Artikel 32.172 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Artikel 32.173 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.172 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.174 Water
-
1
In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.
-
2
Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Paragraaf 32.3.12 Recreatieve visvijvers
Artikel 32.176 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.
Artikel 32.177 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.176 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Paragraaf 32.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 32.180 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.179 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.181 Water
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
-
2
Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
-
3
In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.
-
4
Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.
Artikel 32.182 Meet- en rekenbepalingen
-
1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
-
2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
-
3
Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.
Paragraaf 32.3.14 Wassen van motorvoertuigen
Artikel 32.183 Toepassingsbereik
Artikel 32.184 Bodem
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
-
2
Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Artikel 32.185 Water
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
-
2
Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
-
3
Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:
Artikel 32.186 Meet- en rekenbepalingen
-
1
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
-
2
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
-
3
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Paragraaf 32.3.15 Niet-industriële voedselbereiding
Artikel 32.187 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 32.188 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.187 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
-
3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 32.189 Water
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
-
2
Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.
-
3
Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
-
4
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
-
5
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Artikel 32.190 Geur
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:
-
2
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.
-
3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
-
a.
op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en
-
b.
als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.
-
a.
-
4
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Paragraaf 32.3.16 Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 32.191 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.192 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
-
1
Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.191 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.
-
2
Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.
Paragraaf 32.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
Artikel 32.193 Toepassingsbereik
Artikel 32.194 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.193 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.195 Water: lozingsroute en zuivering
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.
-
2
Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:
-
a.
het bewerken van dierlijke bijproducten; of
-
b.
het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in Artikel 32.193 is uitgevoerd.
-
a.
-
3
Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
-
4
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
-
a.
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
-
b.
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of
-
c.
een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
-
a.
-
5
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
-
6
Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.
-
7
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 32.196 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
-
1
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:
-
2
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Artikel 32.197 Bodem: bodembeschermende voorziening
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 32.198 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 32.199 Bodem: eindonderzoek bodem
-
1
Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
-
2
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.
-
3
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Artikel 32.200 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
-
a.
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
-
b.
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
-
c.
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
-
d.
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
-
e.
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
-
f.
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Artikel 32.201 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.202 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
-
1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:
-
a.
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;
-
b.
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
-
c.
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
-
a.
-
2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Artikel 32.204 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
-
2
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Paragraaf 32.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine
Artikel 32.205 Toepassingsbereik
-
1
Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:
-
2
Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
-
3
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 32.206 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
-
1
In afwijking van Artikel 32.205, lid 2, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
-
2
In afwijking van Artikel 32.205, lid 1, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Artikel 32.207 Slagschaduw: stilstandvoorziening
-
1
Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.
-
2
De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:
Artikel 32.208 Slagschaduw: functionele binding
Artikel 32.207is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.
Artikel 32.209 Slagschaduw: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit is Artikel 32.207 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:
-
a.
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
-
b.
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.
Paragraaf 32.3.19 In werking hebben van een acculader
Artikel 32.212 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.
Paragraaf 32.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Artikel 32.215 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.
Artikel 32.216 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.217 Lucht en geur: afvoeren emissies
-
1
Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:
-
a.
worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;
-
b.
wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en
-
c.
bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.
-
a.
-
2
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Paragraaf 32.3.21 Traditioneel schieten
Artikel 32.218 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Artikel 32.219 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.218 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.220 Bodem en externe veiligheid
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.
Artikel 32.221 Bodem: bodembeschermende voorziening
-
1
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.
-
2
De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in Artikel 32.220, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.
Artikel 32.222 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 32.223 Bodem: eindonderzoek bodem
-
1
Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
-
2
Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.
-
3
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Artikel 32.224 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
-
a.
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
-
b.
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
-
c.
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
-
d.
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
-
e.
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
-
f.
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Artikel 32.225 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.226 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
-
1
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:
-
a.
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
-
b.
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
-
c.
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
-
a.
-
2
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Artikel 32.227 Informeren: herstelwerkzaamheden
-
1
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 32.226 geïnformeerd over de begindatum.
-
2
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 32.226 geïnformeerd over de einddatum.
Paragraaf 32.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
Artikel 32.228 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.
Artikel 32.229 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.228 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.230 Licht
-
1
Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:
-
a.
de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
-
b.
de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of
-
c.
door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
-
a.
-
3
Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Paragraaf 32.3.23 Opslaan van vaste mest
Artikel 32.231 Toepassingsbereik
Artikel 32.232 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.231 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
1.
de grenzen van het terrein;
-
2.
de ligging en de indeling van de gebouwen;
-
3.
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
-
4.
de ligging van de bedrijfsriolering;
-
5.
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
-
6.
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
-
7.
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
-
1.
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
-
d.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.233 Bodem: opslag
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:
-
2
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
-
a.
in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;
-
b.
in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
-
c.
op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
-
a.
Artikel 32.234 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Paragraaf 32.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 32.237 Toepassingsbereik
Artikel 32.238 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
1.
de grenzen van het terrein;
-
2.
de ligging en de indeling van de gebouwen;
-
3.
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
-
4.
de ligging van de bedrijfsriolering;
-
5.
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
-
6.
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
-
7.
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
-
1.
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
-
d.
gegevens over de lozingsroutes; en
-
e.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.239 Bodem: bodembeschermende voorziening
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
Artikel 32.240 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 32.241 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
-
2
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
-
3
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Artikel 32.242 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:
-
2
Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
-
3
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Paragraaf 32.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
Artikel 32.244 Gegevens en bescheiden
-
1
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 32.243 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
-
b.
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
-
c.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
-
d.
per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
-
e.
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:
-
f.
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
-
a.
-
2
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 32.245 Bodem: bodembeschermende voorziening
-
1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.
Artikel 32.246 Bodem: logboek
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Artikel 32.247 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
-
1
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
-
2
Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
-
3
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Paragraaf 32.3.26 Vergunningplichten milieubelastende activiteiten
Artikel 32.249 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 32.250 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
-
3
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Artikel 32.251 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
-
b.
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
-
c.
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
-
d.
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
-
e.
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
-
f.
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
-
a.
-
3
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Artikel 32.252 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
Artikel 32.253 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:
-
b.
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:
-
1.
de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;
-
2.
als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;
-
3.
als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en
-
4.
een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en
-
1.
-
c.
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:
-
1.
de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;
-
2.
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
-
3.
de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.
-
1.
-
a.
Artikel 32.254 Omgevingsvergunning tanken met LPG
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
het aantal opslagtanks dat aanwezig is;
-
b.
de coördinaten van:
-
c.
het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
-
d.
de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en
-
e.
een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.
-
a.
Artikel 32.255 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:
Artikel 32.256 Omgevingsvergunning biologisch agens
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
-
2
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
-
b.
informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en
-
c.
een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.
-
a.
Artikel 32.257 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
-
a.
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
-
b.
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.
-
a.
-
3
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 32.258 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
Artikel 32.259 Vangnetvergunning lozen in de bodem
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
-
a.
wonen;
-
b.
een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
-
c.
het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.
-
a.
-
3
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 32.260 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
-
3
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 32.261 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 32.252 tot en met Artikel 32.260, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 32.4 Aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds
Artikel 32.262 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:
Artikel 32.263 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
-
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
-
2
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
-
a.
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
-
b.
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
-
c.
de snelheid wordt verlaagd;
-
d.
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
-
e.
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
-
f.
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
-
1.
niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
-
2.
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
-
3.
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.
-
1.
-
a.
-
3
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
-
a.
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
-
b.
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
-
c.
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
-
d.
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
-
e.
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
-
a.
Artikel 32.264 Aandachtsgebied weg
-
1
Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in Artikel 32.263, lid 1, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:
-
2
Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in Artikel 32.263, lid 1, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:
-
3
Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.
-
4
Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.
Artikel 32.265 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 32.263, lid 1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een akoestisch onderzoek naar:
-
1.
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
-
2.
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
-
3.
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
-
4.
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
-
1.
-
b.
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
-
c.
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 32.266 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 32.263, lid 1, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
Artikel 32.267 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 32.263, lid 1, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:
-
a.
maatregelen als bedoeld in Artikel 32.265, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en
-
b.
maatregelen als bedoeld in Artikel 32.265, onder c, worden getroffen.
Afdeling 32.5 Vergunningplichten uit tijdelijk deel omgevingsplan en verordeningen
Paragraaf 32.5.1 Vergunningplichten uit tijdelijk deel omgevingsplan en verordeningen - vergunningplichten en beoordelingsregels
Artikel 32.268 Waar de regels in deze paragraaf over gaan
Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:
-
a.
het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
-
b.
het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of
-
c.
bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.
Artikel 32.269 Werk of werkzaamheid - specifieke beoordelingsregel - voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
-
1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
-
a.
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
-
b.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
-
c.
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
-
a.
-
2
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 32.269a Werk of werkzaamheid - specifieke beoordelingsregel - hemelwaterberging bij verharding
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, wordt, in aanvulling op de regels in dat tijdelijke deel over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, de omgevingsvergunning voor die activiteit alleen verleend in de volgende gevallen:
-
1.
De activiteit is onderdeel van een verzameling samenhangende niet-, onderdeelen die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer , onderdeelen van in totaal meer dan 500 m², waarbij sprake is van een van de volgende gevallen:
-
a.
in het project wordt , onderdeel gerealiseerd. De hemelwaterberging moet voldoen aan een , onderdeel dat is goedgekeurd door of namens burgemeester en wethouders. Het hemelwaterbergingsplan voorziet voor het totale projectgebied tenminste in een totale hemelwaterberging die voldoet aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel in Artikel 13.28, lid 2 telt de oppervlakte van het hele projectgebied. In het hemelwaterbergingsplan staan ook afspraken over de toedeling van de totale opgave en de verplichtingen aan de gronden in het projectgebied en hun huidige én toekomstige eigenaren; en afspraken over de realisatie, het beheer en het in stand houden van de hemelwaterberging; of
-
b.
de aanvraag betreft een afzonderlijke kavel in een projectgebied waarvoor (nog) geen goedgekeurd hemelwaterbergingsplan is én de aanvraag voorziet in een hemelwaterberging die voldoet aan de eisen in Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Voor de toepassing van de tabel telt de oppervlakte van het hele projectgebied;
-
a.
-
2.
De activiteit vindt plaats in een gebied waar een project is uitgevoerd zoals hierboven bedoeld, voor dat project is een hemelwaterbergingsplan gemaakt als hierboven bedoeld, én het bouwplan voldoet aan dat hemelwaterbergingsplan.
-
3.
De verharding vindt niet plaats in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld, er komt minder dan 50 m² , onderdeel bij en er wordt ook minder dan 50 m² verharding vervangen;
-
4.
De verharding vindt niet plaats in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld en de verharding wordt toegevoegd of vervangen op een kavel van 250 m² of minder;
-
5.
De verharding vindt niet plaats in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld en de verharding vindt plaats op een kavel met alleen een woonfunctie;
-
6.
De verharding vindt niet plaats in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld en het gaat om herstraten waarbij niet dieper dan 20 cm wordt ingegraven. Waar nodig mogen bij het herstraten kolken opnieuw worden gesteld en aansluitleidingen aangepast.
-
7.
De verharding vindt niet plaats in een project of een projectgebied zoals hierboven bedoeld, en er wordt een hemelwaterberging gerealiseerd die voldoet aan Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging.
-
8.
Er wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 21.2 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater
Artikel 32.269b Slopen bouwwerk - uitzondering vergunningplicht
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, is die vergunningplicht niet van toepassing voor:
-
a.
sloopactiviteiten die vergund zijn;
-
b.
sloopactiviteiten die vergunningvrij zijn volgens § 2.3.3 Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
c.
sloopactiviteiten die zijn begonnen voor 1 januari 2024 en waren toegestaan volgens het recht van het moment dat de sloop begon.
-
d.
de sloop van bouwwerken die zijn gebouwd na 1 oktober 1992 en die vergunningvrij waren volgens het recht op het moment dat de bouw begon.
Artikel 32.270 Slopen bouwwerk - beoordelingsregel
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 32.271 Afwijken regels tijdelijk deel - vergunningplicht
Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Artikel 32.272 Afwijken regels tijdelijk deel - aard bevoegdheid
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in Artikel 32.271 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Artikel 32.273 Afwijken regels tijdelijk deel - wijziging of uitwerking
-
1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 32.271 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
-
2
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
-
a.
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
-
b.
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
-
c.
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
-
a.
Paragraaf 32.5.2 Vergunningplichten uit tijdelijk deel omgevingsplan en verordeningen - aanvraagvereisten
Subparagraaf 32.5.2.1 Aanvraagvereisten - algemene bepalingen
Artikel 32.274 Voor welke aanvragen gelden deze aanvraagvereisten?
Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:
-
a.
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;
-
b.
Artikel 32.271 van dit omgevingsplan;
-
c.
een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of
-
d.
artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Subparagraaf 32.5.2.2 Aanvraagvereisten - omgevingsvergunningen tijdelijk deel omgevingsplan
Artikel 32.275 Aanvraagvereisten - werk of werkzaamheid
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
-
2
Vervallen. Zie artikel Artikel 32.294 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteiten met gevolgen voor archeologie
-
3
Over het onderwerp hemelwaterberging worden de gegevens verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.6 Extra eisen - hemelwaterberging.
Subparagraaf 32.5.2.3 Aanvraagvereisten - afwijken regels tijdelijk deel
Artikel 32.277 Aanvraagvereisten - afwijken regels tijdelijk deel - wijziging of uitwerking
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 32.271 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
-
b.
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
-
1.
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
-
2.
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
-
3.
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
-
4.
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
-
5.
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
-
1.
-
a.
-
2
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
Subparagraaf 32.5.2.4 Aanvraagvereisten - omgevingsvergunningen andere gemeentelijke regelingen
Artikel 32.278 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
-
b.
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
-
c.
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 32.281 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: slopen
-
1
Gaat de aanvraag bedoeld in Artikel 32.278 om het slopen van het monument? Dan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
-
b.
de volgende tekeningen:
-
c.
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
-
a.
-
2
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
-
b.
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
-
c.
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
-
d.
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
-
a.
Artikel 32.282 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: verplaatsen
-
1
Gaat de aanvraag bedoeld in Artikel 32.278 om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument? Dan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
-
b.
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
-
c.
de volgende tekeningen:
-
d.
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
-
e.
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
-
a.
-
2
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
-
b.
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
-
c.
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
-
d.
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
-
e.
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
-
a.
Artikel 32.283 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
-
1
Gaat de aanvraag bedoeld in Artikel 32.278 om het wijzigen of herstellen van een monument? En kan het monument daardoor worden ontsierd of in gevaar gebracht? Dan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
-
b.
de volgende tekeningen:
-
1.
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
-
2.
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
-
3.
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
-
4.
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
-
5.
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
-
1.
-
c.
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
-
a.
-
2
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
-
b.
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
-
c.
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
-
d.
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
-
e.
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
-
f.
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
-
g.
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
-
a.
Artikel 32.284 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen
Gaat de aanvraag als bedoeld in Artikel 32.278 om het gebruiken van het monument? En kan het monument daardoor worden ontsierd of in gevaar gebracht? Dan wordt in ieder geval een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 32.285 Eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 32.281 tot en met Artikel 32.283.
-
1
Bij een aanvraag als bedoeld in de Artikel 32.281 en Artikel 32.283 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
-
2
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
-
3
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
-
4
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
-
a.
balklagen:
-
b.
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
-
c.
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
-
d.
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
-
a.
Artikel 32.286 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
De Artikel 32.278 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Artikel 32.287 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
-
2
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 32.288 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;
-
b.
de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;
-
c.
de te gebruiken materialen; en
-
d.
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.
Artikel 32.289 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 32.290 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
-
2
Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
de soort houtopstand;
-
b.
de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;
-
c.
de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en
-
d.
de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
-
a.
Artikel 32.291 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
2
Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.
Artikel 32.292 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
2
Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.
Subparagraaf 32.5.2.5 Aanvraagvereisten - omgevingsvergunningen in Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 32.293 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
-
1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
-
2
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Afdeling 32.6 Vervangende regels archeologie
Artikel 32.294 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteiten met gevolgen voor archeologie
-
1
In het gebied ‘voorlopige regels’ gaan de regels in dit artikel voor op alle regels over de bescherming van archeologische waarden in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
-
2
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te roeren in de gevallen genoemd in Artikel 32.294, lid 3, Artikel 32.294, lid 4 of Artikel 32.294, lid 5.
-
3
Vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'gemeentelijk archeologisch monument'? Dan is een vergunning nodig.
-
4
Is Artikel 32.294, lid 3 niet van toepassing? En vindt het bodem roeren geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische percelen'? Dan is een vergunning nodig als de bodem binnen het gebied aandachtsgebied archeologische verwachting:
-
5
Is Artikel 32.294, lid 3 niet van toepassing? En Artikel 32.294, lid 4 ook niet? En vindt het roeren van de bodem geheel of gedeeltelijk plaats in het gebied 'archeologische zones'? Dan is alsnog een vergunning nodig als de bodem binnen het gebied ‘archeologische zones’:
-
6
Betreft de activiteit grondbewerkingen die niet samenhangen met een bouwactiviteit? Dan is de vergunning bedoeld in Artikel 32.294, lid 5 en Artikel 32.294, lid 4 in de volgende gevallen niet nodig:
-
7
Is volgens dit artikel een vergunning nodig? Dan wordt de vergunningaanvraag voor dit onderwerp beoordeeld met de volgende regels:
-
8
Ten behoeve van de beoordeling worden de stukken en gegevens ingediend zoals opgenomen in Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens onder 5.4 Extra eisen - archeologie.
Artikel 32.295 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
-
1
Kan een omgevingsvergunning bedoeld in een van de volgende artikelen van invloed zijn op een archeologisch monument?
- a.
-
b.
Slopen, werken en werkzaamheden, afwijken van regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan: Artikel 32.268 Waar de regels in deze paragraaf over gaan
Dan kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning voorschriften worden verbonden.
-
2
De voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
-
a.
een plicht tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
-
b.
een plicht tot het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
-
c.
een plicht tot het laten begeleiden van een activiteit die leidt tot bodemverstoring, door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
-
d.
een plicht tot het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
-
e.
voorschriften over de wijze van uitvoering van de activiteit.
-
a.
Bijlage 1 Begrippenlijst
In dit omgevingsplan hebben de begrippen de betekenis zoals weergegeven in deze bijlage.
- aansluitafstand
-
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
- afvloeiend hemelwater
-
hemelwater dat afvloeit van verharde oppervlakken en bouwwerken;
- bebouwingsgebied
-
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
- AS SIKB 2000
-
Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
- bebouwingspercentage
-
het deel van een terrein of terreingedeelte dat maximaal mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten;
- bed en breakfast
-
het bieden van toeristisch-recreatief nachtverblijf en ontbijt in een woning in maximaal twee kamers en dat ondergeschikt is aan het hoofdgebruik;
- beschermd wonen
-
wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
- bestaand
-
bestaand betekent bestaand en legaal. Als een ander begrip het woord bestaand anders gebruikt, geldt die betekenis;
- bouwlaag
-
een doorlopend gedeelte van een gebouw tussen vloeren en/of balklagen die op gelijke of bijna gelijke hoogte doorlopen of aansluiten. De begane grond wordt gerekend als een bouwlaag, een onderbouw, een zolder en een dakopbouw ten behoeve van technische voorzieningen niet;
- bouwwerkpeil
-
de hoogte van het dichtstbijzijnd aansluitend terrein zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- brandbare stoffen en goederen
-
vaste stoffen, vloeistoffen en gassen meer dan 100 kg of liter in totaal die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren;
- (brom)fiets
-
vervoermiddel met tenminste twee wielen, aangedreven door middel van spierkracht, trapondersteuning of een verbrandings- of elektromotor en met een maximale snelheid van 45 km per uur; hieronder ook gehandicaptenvoertuigen;
- college
-
het college van burgemeester en wethouders van Groningen;
- cultuurhistorische waarden
-
de waarde of de bundeling van waarden die het resultaat zijn van het menselijk handelen als gevolg van diverse ontwikkelingen en die de identiteit van een gebouw, object en/of gebied bepalen;
- dakhelling
-
de hoek die het dakvlak maakt met het horizontale vlak;
- dakkapel
-
een constructie die het gebouw vergroot en die staat in of op een dakvlak. De onderzijde van de constructie ligt in het dakvlak, boven de dakvoet. De bovenzijde ligt onder de daknok;
- dakopbouw
-
een constructie die het gebouw vergroot, op of in een of meerdere dakvlakken, deels uitstekend boven de oorspronkelijke daknok, met de onderzijden van de constructie boven de dakvoet in de dakvlakken;
- destructief onderzoek
-
onderzoek van materialen of objecten waarbij die geheel of gedeeltelijk beschadigd worden of verloren gaan;
- detailhandel
-
het bedrijfsmatig uitstallen voor verkoop, het te koop aanbieden, het verkopen, of het leveren van goederen, aan personen die die goederen niet gebruiken voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
- dienst
-
elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt;
- distributienet voor warmte
-
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warm tapwater;
- gebouwd object
-
een bouwwerk dat geen gebouw is, of onderdelen van zo’n bouwwerk;
- gebruiksoppervlakte
-
de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580 met dien verstande dat daarbij aangebouwde bergingen, garages en andere niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld;
- geitenhouderij
-
het houden van 20 geiten of meer;
- gemeentelijk monument
-
gemeentelijk monument zoals genoemd in Bijlage I Besluit bouwwerken leefomgeving;
- gezoneerd industrieterrein
-
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde op de dag voordat de Omgevingswet is gaan gelden (31 december 2023);
- grondgebonden woning
-
een gebouw met een of meer woningen waarbij elke woning rechtstreeks toegankelijk is vanaf het straatniveau;
- hemelwater
-
neerslag in de vorm van regen, hagel, sneeuw of dauw;
- hemelwaterberging
-
een voorziening om hemelwater tijdelijk op te vangen, te bergen en vertraagd weer af te geven;
- hemelwaterbergingsplan
-
een door burgemeester en wethouders goedgekeurd plan, waarin voor een verzameling samenhangende projectactiviteiten voor het hele projectgebied afspraken zijn gemaakt over de hoeveelheid hemelwater die geborgen moet worden en waar, hoe en door wie dat zal gebeuren;
- hoofdvorm van een bouwwerk
-
ruimtelijke verschijningsvorm van een bouwwerk zoals die wordt bepaald door de bestaande massa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, dakvorm, nokrichting en goothoogte;
- huishouden
-
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; hieronder niet begrepen bewoning in de vorm van kamerverhuur.
- kamerverhuur
-
gebruik voor bewoning anders dan door een huishouden of voor beschermd wonen;
- karakteristiek gebouw of object
-
gebouwen, delen daarvan en/of gebouwde objecten die van cultuurhistorische waarde zijn op grond van de hoofdvorm, dakoverstekken, gevelindeling, materiaalgebruik, daklijsten en schoorstenen, erkers en balkons en landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, die bijdragen aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid;
- ligplaats
-
een plaats in het water bedoeld voor het afmeren van een vaartuig voor langere tijd;
- meergeneratiewoning
-
een woonhuis met meerdere zelfstandige woningen die inpandig zijn verbonden en worden bewoond door huishoudens met een familierelatie, waarbij sprake is van mantelzorg voor ouderen of personen met een beperking;
- NEN 6090:
-
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
- NEN-EN 858-1/A1:
-
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
- NEN-EN 858-2:
-
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
- NEN-EN 872:
-
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
- NEN-EN 1825-1:
-
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
- NEN-EN 1825-2:
-
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
- NEN-EN 12566-1:
-
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
- NEN-EN 12673:
-
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
- NEN-EN 16693:
-
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
- NEN-EN-ISO 2813:
-
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
- NEN-EN-ISO 5667-3:
-
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
- NEN-EN-ISO 5815-1:
-
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
- NEN-EN-ISO 5815-2:
-
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
- NEN-EN-ISO 9377-2:
-
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
- NEN-EN-ISO 9562:
-
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
- NEN-EN-ISO 10301:
-
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
- NEN-EN-ISO 10523:
-
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
- NEN-EN-ISO 11885:
-
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
- NEN-EN-ISO 12846:
-
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
- NEN-EN-ISO 14403-1:
-
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
- NEN-EN-ISO 14403-2:
-
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
- NEN-EN-ISO 15587-1:
-
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
- NEN-EN-ISO 15587-2:
-
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
- NEN-EN-ISO 15680:
-
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
- NEN-EN-ISO 15682:
-
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
- NEN-EN-ISO 15913:
-
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
- NEN-EN-ISO 17294-2:
-
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
- NEN-EN-ISO 17852:
-
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
- NEN-EN-ISO 17993:
-
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
- NEN-ISO 15705
-
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
- NEN-ISO 15705:
-
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
- NEN-ISO 15923-1
-
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013
- NEN-ISO 15923-1:
-
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
- normaal onderhoud
-
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;
- NTA 9065
-
de NTA (Nederlands technische afspraak) geeft eisen en aanwijzingen voor de standaardwerkwijze voor het doen van geuronderzoek in Nederland;
- nutsvoorziening
-
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals:
-
●
Infrastructuur voor het leveren van elektriciteit, gas, water, signalen en warmte zoals:
-
●
voorzieningen voor de waterhuishouding en waterberging zoals:
-
●
voorzieningen voor de afvoer van (vuil)water zoals:
-
●
voorzieningen voor afvalinzameling;
-
●
voorzieningen voor het openbaar vervoer zoals:
-
●
openbare toiletten; en
-
●
voorzieningen die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de hiervoor genoemde voorzieningen;
-
●
- ondergeschikte bouwonderdelen
-
ondergeschikte delen aan een gebouw, zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
- onzelfstandige woning
-
een woning die geen zelfstandige woning is;
- onzelfstandige woonruimte
-
woonruimte die geen eigen toegang heeft endie niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte;
- openbaar riool
-
voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en/of hemelwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
- overige medische activiteiten
-
het leveren van medische diensten, behalve:
- overkapping
-
een bouwwerk dat geen gebouw is, maar wel een gesloten dak heeft;
- parkeergelegenheid
-
een gelegenheid voor het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;
- particuliere projectactiviteit
-
een projectactiviteit die wordt verricht zonder winstoogmerk door een natuurlijk persoon. De persoon moet ten minste een zakelijk recht op het gebruik van de grond hebben en/of krijgen; en volledige zeggenschap hebben over het gebruik van de grond en over het ontwerp en de realisatie van het object en daar ook verantwoordelijkheid voor dragen. In plaats van een natuurlijk persoon mag ook worden gelezen meerdere natuurlijke personen georganiseerd als vereniging of rechtspersoon zonder winstoogmerk.
- passagiersschip
-
een schip dat alleen of vooral bestemd is voor personenvervoer als beroep of bedrijf en dat als zodanig beschikt over een Certificaat van Onderzoek;
- projectgebied
-
het gebied waar samenhangende projectactiviteiten zijn gepland of worden uitgevoerd.
- projectactiviteit
-
een activiteit, zoals het bouwen van bouwwerken, die wordt uitgevoerd in samenhang met andere projectactiviteiten, met het doel te komen tot gecoördineerde ingrepen in de fysieke leefomgeving om een beoogd projectdoel te bereiken.
- recreatieschip
-
een schip bestemd voor recreatiedoeleinden;
- schip
-
elk vaartuig, daaronder vallen ook drijvende werktuigen, glijboten en pontons;
- seizoensgebonden bouwwerk
-
een bouwwerk dat gedurende een aantal opeenvolgende kalenderjaren steeds in hetzelfde tijdvak wordt gebouwd, gebruikt en verwijderd;
- varend schip
-
schip dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;
- verharding
-
materialen die de natuurlijke bodem op een kunstmatige manier afdekken en die geen onderdeel zijn van een bouwwerk;
- verhard oppervlak
-
verharde oppervlakten zijn alle oppervlakken die zijn bedekt met verhardingen. Oppervlakken onder bouwwerken tellen niet mee;
- warmteplan
-
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
- wateroverlast
-
het ontstaan van gevaar, schade of hinder doordat hemelwater zich verzamelt;
- wonen
-
activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;
- woning
-
een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
- woonruimte
-
een voor mensen bedoelde besloten ruimte of ruimten om in te wonen. Onder woonruimte vallen ook standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen. In een woonruimte mag maximaal een huishouden wonen;
- zelfstandige woning
-
een woning met een eigen afsluitbare toegang die een huishouden kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte;
- ziekenhuis
-
medisch-specialistisch centrum voor behandeling en verpleging met overnachting;
- primaire bluswatervoorziening
-
een bluswatervoorziening die:
- psychosociale zorg
-
psychosociale ondersteuning en psychologische zorg;
Bijlage 3 Indieningseisen - aan te leveren stukken en gegevens
Deel I Leeswijzer
Het omgevingsplan regelt wanneer er vergunning of melding nodig is of wanneer iemand informatie moet aanleveren. Welke stukken en gegevens daarbij nodig zijn, staat op twee plekken. De landelijke eisen staan in Hoofdstuk 7 Omgevingsregeling. De gemeentelijke eisen staan in het omgevingsplan. Beide gelden: aanvragen, meldingen etc. moeten aan beide voldoen.
In het omgevingsplan staan in Afdeling 5.7 Regels voor alle activiteiten - eisen aan aanvragen, meldingen, informatieplicht, stukken en gegevens een aantal algemene regels. In de rest van het omgevingsplan staan de eisen voor bijvoorbeeld specifieke activiteiten, locaties of onderwerpen.
Die extra eisen zijn onder te verdelen in twee categorieën. De eerste categorie zijn de eisen die horen bij een bepaalde activiteit. Bij een aanvraag om te mogen bouwen gaat het dan bijvoorbeeld om plattegronden, geveltekeningen et cetera. Voor een aanvraag om te mogen slopen worden weer andere dingen gevraagd. De tweede categorie zijn eisen die nodig zijn om te kunnen beoordelen welke gevolgen een aanvraag zal hebben voor bepaalde waarden of belangen. Kan een aanvraag bijvoorbeeld archeologische waarden beschadigen? Dan kan een archeologisch onderzoek nodig zijn. Of als een gebouw in geluidzone ligt, kan een geluidonderzoek nodig zijn.
In de hoofdstukken over de activiteiten en de beoordelingsregels wordt voor de concrete eisen meestal verwezen naar deze bijlage. In deze bijlage staan de eisen concreet uitgeschreven.
Wie moet de stukken en gegevens aanleveren?
We spreken in deze bijlage steeds over 'de aanvrager'. Daarmee bedoelen we ook iedereen die een melding doet of informatie moet aanleveren.
|
Onderwerp |
Vindplaats |
|
Meldingen en informatieplichten |
|
|
Meldingen en informatieplichten |
|
|
- algemene eisen meldingen |
|
|
- algemene eisen informatieplichten |
|
|
- aankondiging bouw bouwwerk |
|
|
- bouw en gebruik bodemgevoelig gebouw |
2.3 Specifieke eisen - melding bouw en gebruik bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie |
|
- ongewoon voorval |
|
|
Vergunningaanvragen, per activiteit |
Deel IV Eisen aan vergunningaanvragen - algemene eisen per activiteit |
|
- vergunningaanvragen bouwwerken |
|
|
- vergunningaanvragen werken en werkzaamheden |
|
|
Vergunningaanvragen, per locatie of onderwerp |
Deel V Eisen aan vergunningaanvragen - extra eisen voor specifieke locaties of onderwerpen |
|
- uiterlijk en plaatsing bouwwerken |
|
|
- bodemgevoelig gebouw - onderzoek |
5.2.1 Specifieke eisen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - onderzoeken |
|
- bodemgevoelig gebouw - maatregelen |
5.2.2 Specifieke eisen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - maatregelen |
|
- brandbeheersplan |
|
|
- archeologie |
|
|
- gemeentelijke monumenten, karakteristieke en beeldondersteunende gebouwen en objecten |
Deel II Eisen aan meldingen
Deel III Eisen aan informatieplichten
3.1 Algemene eisen - informatieplichten
Informatie die wordt aangeleverd om te voldoen aan een informatieplicht wordt ondertekend en bevat:
Een regel in het omgevingsplan kan extra of afwijkende eisen stellen aan het verstrekken van informatie.
3.2 Specifieke eisen - informatie ongewoon voorval
Is er sprake van een ongewoon voorval zoals bedoeld in Artikel 5.17 en Artikel 5.18 van dit omgevingsplan? En is dat ongewoon voorval geen milieubelastende activiteit waarop Afdeling 32.3 van toepassing is? Dan bevat deaan te leveren informatie de volgende stukken en gegevens:
-
1
de aanduiding van de activiteit;
-
2
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
-
3
het adres waarop de activiteit wordt verricht;
-
4
de dagtekening,
-
5
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval;
-
6
de situatie waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
-
7
als van toepassing, informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
-
8
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
- 9
Deel IV Eisen aan vergunningaanvragen - algemene eisen per activiteit
4.1 Eisen vergunningaanvragen - bouwen
Een vergunning voor een activiteit met betrekking tot een bouwwerk bevat de volgende stukken en gegevens:
-
1
een opgave van de bouwkosten;
-
2
het bestaande gebruik en het voorgenomen gebruik van het bouwwerk waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
-
3
het bestaande gebruik en het voorgenomen gebruik van de gronden die horen bij het bouwwerk waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
- 4
-
5
situatietekeningen van de bestaande toestand én van de nieuwe situatie, met daarop:
-
a
de afmetingen van het bouwwerkperceel;
-
b
de oppervlakte van het bebouwd oppervlak;
-
c
de plaatsing van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de kant van de weg;
-
d
de manier waarop de locatie wordt ontsloten;
-
e
de aangrenzende percelen en de bebouwing daarop; en
-
f
het voorgenomen gebruik van de gronden die horen bij het bouwwerk waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
-
a
-
6
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het bouwwerkpeil en het aantal bouwlagen;
-
7
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; en
-
8
overige stukken en gegevens die nodig zijn voor de toetsing aan dit omgevingsplan.
Deel V Eisen aan vergunningaanvragen - extra eisen voor specifieke locaties of onderwerpen
5.1 Extra eisen - uiterlijk en plaatsing van bouwwerken
Moet een vergunningaanvraag worden beoordeeld op het onderwerp uiterlijk en plaatsing van bouwwerken? Dan bevat de aanvraag voor een bouwwerk in ieder geval de volgende stukken en gegevens:
-
1
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de naastgelegen bebouwing. Hieruit moet blijken hoe het bouwwerk past in de directe omgeving;
-
2
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
-
3
kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
- 4
5.2 Extra eisen - bodemgevoelige gebouwen
5.2.1 Specifieke eisen - bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - onderzoeken
Betreft de aanvraag een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie? Dan bevat de aanvraag de volgende stukken en gegevens:
-
1
de onderzoeken bedoeld in § 5.2.2 Besluit activiteit leefomgeving (voorafgaand bodemonderzoek).
5.3 Extra eisen - brandbeheersingsplan
5.3.1 Specifieke eisen - brandbeheersingsplan
De aanvraag bevat een brandbeheersingsplan. Het brandbeheersingsplan omvat een beschrijving en afweging van de volgende onderdelen, voor zover die van toepassing zijn of relevant zijn met het oog op het doel van Artikel 20.3, lid 2.:
-
1.
onderdeel algemeen:
- 2.
- 3.
-
4.
onderdeel voorkomen uitbreiding brand:
-
a.
de minimale afstand tussen de opslagvakken en tussen een opslagvak en een object, is de afstand waarop de stalingswarmte maximaal 15 kW/m2 bedraagt;
-
b.
de minimaal afstand tussen een opslagvak en de perceelsgrens is, op basis van spiegelsymmetrie, de afstand waarop stalingswarmte maximaal 15 kW/m2 bedraagt;
-
c.
op welke wijze brandoverslag buiten het opslagvlak wordt voorkomen;
-
d.
hoe wordt omgegaan met het verdicht opslaan van materiaal;
-
a.
-
5.
onderdeel brand bestrijden:
-
a.
welke (vast opgestelde) brandblus- en beheersvoorzieningen.in relatie tot het doel (blussing of beheersing) aanwezig zijn;
-
b.
de afstand tot brandkraan is ten hoogste 100 meter
- c.
-
d.
de bereikbaarheid van de activiteiten en opslagen door de hulpdiensten;
-
e.
motivering of het een gevaar is dat vervuild bluswater in het oppervlaktewater terecht komt. En zo ja, welke maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen; en
-
a.
- 6.
5.4 Extra eisen - archeologie
5.4.1 Extra eisen - archeologische verwachting - rapport algemeen
Vindt de activiteit plaats in het aandachtsgebied archeologische verwachting? Dan bevat de aanvraag de volgende stukken en gegevens:
-
1
een rapport dat is opgesteld door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, waarin:
-
2
Uit het rapport blijkt in ieder geval dat in voldoende mate is vastgesteld:
-
a
dat de archeologische waarde van het terrein waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet zal worden verstoord; en
-
b
indien van toepassing, hoe de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; en/of
-
c
indien van toepassing, is aangetoond dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; en/of
-
d
indien van toepassing, is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; en/of
-
e
indien van toepassing, door te treffen technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; en/of
-
f
indien van toepassing, dat er een archeologisch onderzoek door middel van opgraving wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg.
-
a
5.4.2 Extra eisen - archeologische verwachting - diversen
Vindt de voorgenomen activiteit plaats in het aandachtsgebied archeologische verwachting? Dan bevat de aanvraag ook de volgende stukken en gegevens:
-
1
de precieze locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;
-
2
een omschrijving van de aard van de activiteit;
- 3
- 4
-
5
Is er sprake van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 centimeter? Dan bevat de aanvraag een plan van aanpak voor een booronderzoek.
-
6
Is er sprake van een bouwactiviteit die van invloed in op de fundering? Dan bevat de aanvraag ook funderingstekeningen.
- 7
- 8
- 9
- 10
5.4.3 Bijzondere indieningsvereisten - archeologisch gemeentelijk monument
Vindt de voorgenomen activiteit plaats in het aandachtsgebied gemeentelijk archeologisch monument? Dan bevat de aanvraag ook de volgende stukken en gegevens:
-
1.
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
-
2.
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
-
3.
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
- 4.
-
5.
een topografische kaart met de exacte locatie en omvang van de activiteit, voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen;
-
6.
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
-
g.
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;
-
8.
als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;
-
9.
als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
-
10.
voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
-
11.
zo nodig worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
a.
een rapport waarin in voldoende mate nader is vastgesteld wat de archeologische waarde is van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is;
-
b.
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;
- c.
- d.
-
e.
als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of
-
f.
als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
-
a.
- 12.
5.5 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed
5.5.1 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - inleiding
De eisen in 5.5 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed gelden voor aanvragen die betrekking hebben op:
Als een eis niet voor alle genoemde categorieën geldt, staat vermeld voor welke categorie de eis wel geldt.
5.5.2 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - nummer en naam
Een aanvraag bevat de volgende gegevens:
5.5.3 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - omschrijving activiteit
Een aanvraag bevat de volgende gegevens:
-
1
het bestaande gebruik en het voorgenomen gebruik van het gebouw of object, waarvoor de aanvraag wordt ingediend. Het voorgenomen gebruik is alleen nodig wanneer dit afwijkt van het bestaande (huidige) gebruik; en
-
2
waarom de aanvrager de activiteit wil uitvoeren;
-
3
een omschrijving van de aard van de activiteit; en daarbij
-
4
een omschrijving van de gevolgen van de activiteit voor het gebouw of object.
5.5.4 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - eisen aan tekeningen
- 1
- 2
-
3
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening hebben een schaal van minimaal 1:100 en bevatten de volgende historische gegevens:
- a
-
b
Geornamenteerde plafonds: gestippeld aangegeven in de plattegronden van de ruimten waar ze zich bevinden.
-
c
Houtafmeting, balklagen en kapconstructie: aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
-
d
Bijzondere ruimten of bouwdelen die direct of indirect betrokken bij de activiteit: aangegeven in plattegronden en doorsneden.
5.5.5 Extra eisen - gebouwd en aangelegd erfgoed - slopen
Betreft de aanvraag slopen? Dan bevat de aanvraag de volgende gegevens en stukken:
- 1
-
2
situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie, als er door de sloop van een deel van het gebouw of object de omvang ervan verandert;
- 3
-
4
slooptekeningen; en
- 5
-
6
Betreft de aanvraag een monument? Dan bevat de aanvraag, als dat voor de beoordeling nodig is, een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over:
-
7
Voor zover dit nodig is:
5.5.6 Extra eisen - gemeentelijk monument - geheel of gedeeltelijk verplaatsen
Bestaat de aanvraag uit het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van een (voorbeschermd) gemeentelijk monument? Dan bevat de aanvraag de volgende stukken en gegevens:
5.5.7 Extra eisen - gemeentelijk monument - wijzigen of herstellen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het wijzigen of herstellen van (delen van) een (voorbeschermd) gemeentelijk monument waardoor het monument kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, levert de aanvrager de volgende stukken en gegevens aan:
-
1
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
-
a
een opgave het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
-
b
overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en
-
c
detailfoto’s van de bestaande toestand,
De foto's geven een duidelijke indruk van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden uitgevoerd;
-
a
-
2
de volgende tekeningen:
-
a
een situatietekening van de bestaande situatie. Wijkt de nieuwe situatie daarvan af? Dan bevat de aanvraag ook een situatietekening van de nieuwe situatie;
- b
-
c
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
-
d
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
-
e
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
-
a
-
3
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
- 4
-
5
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
- 6
-
7
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
-
8
Gelden er voor de activiteit algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten? Dan vermeldt de aanvraag of en hoe de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd.
-
9
Betreft het monument een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg? Dan bevat de aanvraag een beheervisie.
5.5.8 Extra eisen - gemeentelijk monument - gebruiken van het monument
Kan door het aanvraagde gebruik een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument worden ontsierd of in gevaar gebracht? Dan omschrijft de aanvraag de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk beperken.
5.5.9 Extra eisen - karakteristieke gebouwen en objecten - slopen
Betreft de aanvraag het slopen van een karakteristiek gebouw of object of een onderdeel daarvan? Dan bevat de aanvraag ook:
- a
-
b
een of meer stukken met informatie over de nieuwe inrichting van de locatie:
-
1
in ieder geval de planning van de sloop en de herinrichting van de locatie; en
-
2
een bij het college aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen; en/of
-
3
een door de gemeenteraad vastgesteld stedenbouwkundig plan voor de herinrichting van de locatie; en/of
-
4
schriftelijke documenten waarin de uitvoering van de sloop en de herinrichting van de locatie is vastgelegd;
-
1
-
c
gegevens waaruit blijkt dat het voldoende aannemelijk is dat de uitvoering van de nieuwe inrichting daadwerkelijk zal gebeuren.
5.6 Extra eisen - hemelwaterberging
De aanvraag om omgevingsvergunning bevat gegevens ter onderbouwing van de aanvraag, waaronder in ieder geval:
-
1
voor activiteiten tijdens of na een project:
-
a.
of de activiteit onderdeel is van een verzameling samenhangende niet-particuliere projectactiviteiten die een of meer initiatiefnemers willen uitvoeren in één of meer projectgebieden, of het totale projectgebied groter dan 500 m² is, of er voor het project een hemelwaterbergingsplan is gemaakt dat voldoet aan de gestelde eisen én of de activiteit voldoet aan het hemelwaterbergingsplan. Het hemelwaterbergingsplan wordt bijgevoegd, net als de gegevens waaruit blijkt dat de activiteit voldoet aan het hemelwaterbergingsplan.
-
b.
of de activiteit plaats vindt in een gebied waar een project is uitgevoerd waarvoor een hemelwaterbergingsplan is gemaakt als bedoeld in het vorige onderdeel en of de activiteit voldoet aan dat hemelwaterbergingsplan. Het hemelwaterbergingsplan wordt bijgevoegd net als de gegevens waaruit blijkt dat de activiteit voldoet aan het hemelwaterbergingsplan.
-
a.
-
2
als er geen sprake is van activiteiten tijdens of na een project zoals bedoeld in , onderdeel 1 : de gegevens die bepalen of de aanvraag beoordeeld moet worden op het onderwerp hemelwaterberging:
-
a.
de oppervlakte en situering van de toe te voegen c.q. te vervangen bebouwing c.q. verharding en het type en de eventuele doorlatendheid van de verharding;
-
b.
de grootte van de kavel waarop de werkzaamheden plaatsvinden;
-
c.
of het gaat om een bijbehorend bouwwerk bij een woning of bij een gebouw met meerdere woningen;
-
d.
of het gaat om verharding op een perceel met alleen een woonfunctie;
-
e.
of gaat om herstraten waarbij niet dieper dan 20 cm wordt ingegraven met uitzondering van het opnieuw stellen van kolken en het aanpassen van aansluitleidingen;
-
a.
-
3
als een hemelwaterberging wordt gerealiseerd: gegevens waaruit blijkt dat de hemelwaterberging voldoet aan artikel Artikel 13.28 Lozen - afvloeiend hemelwater - eisen aan een hemelwaterberging. Heeft de gemeente een tool beschikbaar gesteld om de benodigde bergingscapaciteit te berekenen? Bijvoorbeeld op https://rekentool.groningen.nl/? Dan kan de uitdraai daarvan worden meegeleverd.
-
4
als een voorgeschreven hemelwaterberging niet wordt gerealiseerd of maar voor een deel: of een beroep wordt gedaan op toepassing van Artikel 21.2 Beoordelingsregels berging en afvoer hemelwater: en zo ja, de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling. Gedacht kan worden aan:
-
a.
als de aanvrager vindt dat de vereiste hemelwaterberging niet van hem gevergd kan worden:
-
b.
als de aanvrager een beroep doet op de mogelijkheid van een alternatieve hemelwaterberging elders:
-
1.
de beschrijving van de alternatieve hemelwaterberging;
-
2.
gegevens over de realisatie, het beheer en het onderhoud van de hemelwaterberging
-
3.
gegevens waaruit blijkt dat de alternatieve waterberging de wateroverlast op de locatie van de activiteit voldoende terugdringt en geen problemen veroorzaakt op de alternatieve locatie;
-
1.
- c.
-
d.
overige onderbouwing.
-
a.
Bijlage 4 Bijzondere overgangsrechten
1 Overgangsrecht gebruik
1.1 Overgangsrecht gebruik - ontwikkelgebied Stadshavens
|
BvgAdres |
BvgBranche |
SbicodeOms |
Hoofdgroep |
Subgroep |
Mag blijven tot eind |
|
|
Eemskanaal 30 3, 9713 AB Groningen |
Uitvoeren van onderhoudsklussen en kleine bouwwerken |
Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw |
Bouw |
Aannemersbedrijven / Klussenbedrijven |
|
2025 |
|
Eemskanaal 32, 9713 AB Groningen |
|
Banenpools (werkgelegenheidsprojecten) |
Dienstverlening |
Uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling |
|
2025 |
|
Eemskanaal 32, 9713 AB Groningen |
|
Uitgeverijen van tijdschriften |
Productie |
Uitgeverijen / Drukkerijen |
|
2025 |
|
Eemskanaal 32, 9713 AB Groningen |
Wassalon voor Thuis en Daklozen |
Wassalons en -verzendinrichtingen |
Dienstverlening |
Wassalons - chemisch reinigen |
|
2025 |
|
Eemskanaal 32, 9713 AB Groningen |
|
Maatschappelijk werk |
Welzijn en Zorg |
Maatschappelijk- / Sociaal-cultureel werk |
|
2025 |
|
Eemskanaal 32, 9713 AB Groningen |
individuele begeleiding aan mensen in een zorgtraject |
Overig maatschappelijk advies, gemeenschapshuizen en samenwe |
Welzijn en Zorg |
Maatschappelijk- / Sociaal-cultureel werk |
|
2025 |
|
Damsterdiep 201, 9713 EC Groningen |
Zeilmakerij Gea |
Vervaardiging van geconfectioneerde artikelen van textiel (g |
Productie |
Textiel / Kleding / Leer |
|
2032 |
|
Damsterdiep 267, 9713 EE Groningen |
Woonbegeleiding |
Maatschappelijk werk |
Welzijn en Zorg |
Maatschappelijk- / Sociaal-cultureel werk |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269, 9713 EE Groningen |
Kringloopwinkel |
Winkels in tweedehands goederen (geen kleding) |
Detailhandel |
Antiek en tweede hands goederen |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269, 9713 EE Groningen |
Verkoop tweedehands kleding |
Winkels in tweedehands kleding |
Detailhandel |
Antiek en tweede hands goederen |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269, 9713 EE Groningen |
Heren Kapsalon |
Haarverzorging |
Dienstverlening |
Persoonlijke verzorging |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 121, 9713 EE Groningen |
|
Ontwikkelen, produceren en uitgeven van software |
Dienstverlening |
Automatisering |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 29, 9713 EE Groningen |
|
Haarverzorging |
Dienstverlening |
Persoonlijke verzorging |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 32, 9713 EE Groningen |
|
Overige recreatie n.e.g.(geen jachthavens) |
Sport, recreatie en toerisme |
Overig |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 60, 9713 EE Groningen |
|
Kunstzinnige vorming van amateurs (geen dansscholen) |
Onderwijs / opleidingen |
Overige opleidingen |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 7, 9713 EE Groningen |
|
Overige zakelijke dienstverlening n.e.g. |
Dienstverlening |
Overig |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 87, 9713 EE Groningen |
|
Dtl via p en i in kleding en mode-artikelen |
Detailhandel |
Markthandel en overige detailhandel |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 88, 9713 EE Groningen |
|
Ontwikkelen, produceren en uitgeven van software |
Dienstverlening |
Automatisering |
|
2030 |
|
Damsterdiep 269 95, 9713 EE Groningen |
|
Dtl via p en i in huis- en tuinartikelen |
Detailhandel |
Markthandel en overige detailhandel |
|
2030 |
|
Damsterdiep 271, 9713 EE Groningen |
Reclassering |
Maatschappelijk werk |
Welzijn en Zorg |
Maatschappelijk- / Sociaal-cultureel werk |
|
2030 |
|
Damsterdiep 273, 9713 EE Groningen |
Snelservice auto |
Auto-onderdelenservicebedrijven |
Autobranche |
Autobedrijven |
|
2030 |
|
Damsterdiep 273a, 9713 EE Groningen |
Spuiterij |
Carrosserieherstel |
Autobranche |
Autobedrijven |
|
2030 |
|
Damsterdiep 275 25, 9713 EE Groningen |
|
Dtl via p en i in huis- en tuinartikelen |
Detailhandel |
Markthandel en overige detailhandel |
|
2030 |
|
Damsterdiep 275 48, 9713 EE Groningen |
|
Winkels in medische en orthopedische artikelen |
Detailhandel |
Drogisterijen / Parfumerien |
|
2030 |
|
Damsterdiep 275 62, 9713 EE Groningen |
|
Overige zakelijke dienstverlening n.e.g. |
Dienstverlening |
Overig |
|
2030 |
|
Damsterdiep 275 64, 9713 EE Groningen |
Coachingsbureau |
Overige paramedische praktijken (geen fysiotherapie en psych |
Gezondheidszorg |
Overige medische praktijken |
|
2030 |
|
Damsterdiep 287a, 9713 EG Groningen |
Drumschool |
Kunstzinnige vorming van amateurs (geen dansscholen) |
Onderwijs / opleidingen |
Overige opleidingen |
|
2030 |
|
Damsterdiep 289, 9713 EG Groningen |
Gebakkraam (kermis) |
Fastfoodrestaurants, cafetaria's,ijssalons, eetkramen e.d |
Horeca |
Restaurants / Eetgelegenheden |
|
2030 |
|
Damsterdiep 289, 9713 EG Groningen |
|
Kermisattracties |
Sport, recreatie en toerisme |
Overig |
|
2030 |
|
Damsterdiep 289, 9713 EG Groningen |
|
Fastfoodrestaurants, cafetaria's,ijssalons, eetkramen e.d |
Horeca |
Restaurants / Eetgelegenheden |
|
2030 |
|
Damsterdiep 291-293 |
|
Drumfanfare |
|
|
|
2030 |
|
Damsterdiep 307, 9713 EH Groningen |
Pers.wagen banden/olie/remmen/uitlaten |
Bandenservicebedrijven |
Autobranche |
Autobedrijven |
|
2035 |
|
Damsterdiep 307, 9713 EH Groningen |
Kringloopbedrijf (detailhandel) |
Winkels in tweedehands goederen (geen kleding) |
Detailhandel |
Antiek en tweede hands goederen |
|
2035 |
|
Damsterdiep 315, 9713 EH Groningen |
Bouwmarkt / Tuincentrum |
Bouwmarkten en andere winkels in bouwmaterialen algemeen ass |
Detailhandel |
Doe het zelf artikelen |
|
2035 |
|
Sontweg 16, 9723 AT Groningen |
Wegenbouw |
Wegenbouw |
Bouw |
Overige bouw |
|
2030 |
|
Sontweg 16, 9723 AT Groningen |
Aannemersbedrijf Bouw en Infra |
Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw |
Bouw |
Aannemersbedrijven / Klussenbedrijven |
|
2030 |
|
Sontweg 18, 9723 AT Groningen |
Fijnhouthandel |
Interieurbouw |
Productie |
Hout / Meubelen / Papier |
|
2030 |
|
Sontweg 22, 9723 AT Groningen |
Distilleerderij in opbouw |
Vervaardiging van bier |
Productie |
Voedings- en genotmiddelen |
|
2025 |
|
Sontweg 28, 9723 AT Groningen |
verwerken van kip |
Opslag in koelhuizen e.d. |
Vervoer |
Overig vervoer en opslag |
|
2025 |
|
Bornholmstraat 4, 9723 AX Groningen |
Transport van allerlei soorten goederen |
Goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen) |
Vervoer |
Goederenvervoer |
|
2025 |
|
Bornholmstraat 4, 9723 AX Groningen |
Alle havenverbindende activiteiten |
Laad-, los- en overslagactiviteiten niet voor zeevaart |
Vervoer |
Overig vervoer en opslag |
|
2025 |
|
Bornholmstraat 4, 9723 AX Groningen |
Handelsbemiddeling algemeen en in bestrating |
Groothandel in bouwmaterialen algemeen assortiment |
Groothandel |
Bouwmaterialen |
|
2025 |
|
Deense Haven |
|
Nautische dienstverlening |
|
|
|
2025 |
|
Deense Haven |
|
sleepdienst schepen |
|
|
nvt |
|
|
Deense Haven |
|
sleepdienst schepen |
|
|
|
2025 |
Bijlage 5 Lijst gemeentelijke monumenten
Groningen, Damsterdiep 215
Bedrijfspand met wonen Adres : Damsterdiep 215, 215/1 en 215/2
Monumentnummer : 100899
Opdrachtgever : familie Van Houten
Architect : N.W. Lit (1874); P.M.A. Huurman (1902)
Bouwjaren : vóór 1831 (oud kelderdeel); 1838; 1874; 1902
Oorspronkelijke functie : woonhuis met kantoren en paardenstal
Huidige bestemming : crèche/woonhuis/depot
Inleiding
Gebouwencomplex, bestaande uit een voormalig molenaarswoonhuis (A) met kantoor (B) en kantooruitbreiding met paardenstal (C). Het complex is evenwijdig gesitueerd aan de zuidzijde van het Damsterdiep en vormde onderdeel van een cluster van molens, behuizingen en bedrijvigheid, dat vanaf de 18e eeuw aan de zuidzijde van het Buiten Damsterdiep aan de oostkant van de stad Groningen tot ontwikkeling kwam.

Het woonhuis werd gebouwd in 1838 in opdracht van houthandelaar Derk van Houten (1810-1864) op de plaats van een ouder molenaarshuis. Dit huis behoorde bij de eerste molen gezien vanaf de stad, houtzaagmolen De Twee Reizigers (1755). In 1831 had Derk van Houten deze molen gekocht. In 1838 liet hij het 18 eeuwse molenaarshuis vervangen door een nieuwe behuizing; de kelder hiervan bleef gespaard. In 1868 werd het familiebedrijf uitgebreid met een stoomhoutzagerij ten zuiden van de molen, in 1878 met een schaverij. Met het graven van het Eemskanaal (1870) aan de achterzijde van de percelen werd de bereikbaarheid van het bedrijf optimaal voor grote schepen om hun hout te laden en te lossen.

In 1874 werd tegen de oostkant van het woonhuis een nieuw kantoor gebouwd (B) naar ontwerp van architect N.W. Lit uit Groningen. Toen heeft ook een modernisering van het interieur van het woonhuis plaatsgevonden. De woonvertrekken kregen versierde stucplafonds, terwijl de overige vertrekken hun balkenplafonds behielden. In 1902 werd op de plaats van een oude houtloods aan het voetpad langs het Damsterdiep een nieuw kantoor met paardenstal gebouwd (C) naar ontwerp van architect P.M.A. Huurman uit Groningen. Enige jaren later werd in het voordakschild van het woonhuis een nieuwe, grote kajuit aangebracht met hoge ramen, die diende als atelier. In 1905 ging de (stoom)houtzagerij uit 1868 door brand verloren wat aanleiding was voor de familie om de toch al gedeeltelijk onttakelde molen uit 1755 af te breken. Er kwamen nieuwe fabrieksgebouwen voor in de plaats, die uiteindelijk in de jaren ‘60/’70 van de 20ste eeuw gesloopt werden. Bij de bevrijding in 1945 heeft het woonhuis veel oorlogsschade opgelopen; op diverse plaatsen in het muurwerk van de westelijke zijgevel en de voorgevel zijn diverse inslagen van kogels zichtbaar. Ook zijn toen waarschijnlijk ramen in deze zijgevel vervangen door de huidige.
De houthandel bleef in naam tot in de jaren ‘50 in bedrijf waarna de NV in 1967 officieel werd ontbonden. In 1952 werd het Buiten Damsterdiep gedempt. Tot 1978 bleven de terreinen van de houthandel tussen het Damsterdiep en het Eemskanaal braak liggen. Daarna werden zij (uitgezonderd woonhuis met erf) verkocht en bouwde woningbouwverenging Patrimonium een complex van 184 woningen. De straatnamen Balkgat, Holtstek en Zagerij herinneren aan de plek van de vroegere houthandel. In de tweede helft van de 20e eeuw werden de daken van het complex gerenoveerd waarbij het omgaande schilddak van het woonhuis werd gewijzigd in een afgeplat tentdak. In het interieur vonden enkele kleine wijzigingen plaats.Het woonhuis is momenteel in gebruik als kindercrèche; het tussenlid (voormalige kantoor) isbestuurskamer van de Gerrit van Houten Stichting; het kantoor in de voormalige paardenstal is in gebruik als woonhuis. De paardenstal zelf is verbouwd en ingericht als depot van de Stichting. In 1983 werd aan de achterzijde hiervan een nieuwe grote depotruimte gebouwd.
Omschrijving
Het gebouwencomplex bestaat uit drie eenlaagse bouwdelen en ligt evenwijdig aan de rooilijn en heeft een betegeld ondiep voorerf. Bouwdeel A (woonhuis) ligt aan de westkant; tegen de zuidwesthoek is een tuinhuisje gebouwd. Bouwdeel B (kantoor) is tegen de oostkant van bouwdeel A aangebouwd, heeft een rechthoekige plattegrond met de nok haaks op de straat. Tegen de achtergevel staan twee kleine aanbouwen. Bouwdeel C (voormalige paardenstal)is weer tegen de oostkant van bouwdeel B aangebouwd en heeft een rechthoekige plattegrond met de nok evenwijdig aan de straat. Rechts achter tegen bouwdeel B bevindt zich een kleine aanbouw onder een lessenaarsdak. Bouwdeel C heeft aan de achterkant links een grote moderne depotaanbouw met plat dak. Het woonhuis wordt aan de voor- en zijkant omzoomd door oude knotlinden. Aan de achterzijde van het complex bevindt zich een royale achtertuin met oude boombeplanting.

Gebouw A. (woonhuis, 1838)
De achtergevel heeft eveneens een symmetrische indeling met centrale achterdeur (paneeldeur met glas), geflankeerd door twee paar zesruits-vensters met strekken aan de bovenzijde. De achterdeur heeft een gemetselde stoep van rode baksteen van twee treden. Onder het meest oostelijke venster zit een keldervenster en onder het westelijke venster een ventilatierooster.
Interieur
De indeling van het geheel onderkelderde gebouw stamt grotendeels uit 1838: centrale middengang met tochtportaal met twee glazen paneeldeuren, rondboogpoort, houten paneeldeuren, beschilderd in houtimitatietechniek en met marmerimitatie op de neuten en ten westen hiervan een voor- en achterkamer met grote zesruitsvensters. Aan de oostzijde van de gang liggen het oude kantoor, een slaapkamer en een opkamer boven de kelder. In het midden haaks op deze gang voert een dwarsgang naar het middelste bouwdeel; oorspronkelijk kwam deze gang uit in het oude achterhuis aan de oostzijde dat in 1874 werd gesloopt. De achterzijde van de zespaneels voordeur is opgeklampt en in houtimitatie geschilderd. De achterdeur is een dubbele deur, de buitenste heeft een grote glasvulling met daaronder een paneel. Aan de binnenkant zit een tweede opgeklampte deur, die eveneens in houtimitatie is geschilderd.
Voorkamers
Ten oosten van de gang bevindt zich een smalle rechthoekige kamer met balkenplafond ter breedte van één raamtravee. Het venster heeft een gebogen vensterbank op gesneden houten consoles en het raam bezit de originele raamluiken. Vooraan in de oostwand zit een smaller venster dat uitkijkt op de portiek van het kantoorgedeelte, eveneens voorzien van raamluiken. Tegen de westwand staat een eenvoudige zwartmarmeren schouw met links daarvan vaste kasten. Tussen deze kamer en de gang bevindt zich een klein kamertje, eveneens ter breedte van een venstertravee (slaapkamer). Ook dit kamertje heeft een balkenplafond en een gebogen vensterbank met gesneden consoles. Achter dit kamertje zit de trap naar zolder. Een luik in de vloer in de gangkast hierachter geeft toegang tot de oude kelder, die bij het vorige woonhuis heeft gehoord en die grotendeels onder het huidige voorhuis ligt. Er zijn nog delen van de oude keldertrap, rode plavuizen en een grijze plavuizenvloer onder de rechter voorkamer bewaard gebleven.De voorkamer heeft een stucplafond met dubbele perklijst met hoekornamenten en middenornament in neo-rococostijl uit 1874. In het midden tegen de westwand staat een zwart marmeren schouw. De boezem is versierd met pilasters en kapitelen en aan de bovenzijde een bewerkte kroonlijst (stuc).
Achterkamer
De achterkamer heeft een stucplafond met florale ornamenten uit 1874. Tegen de westwand staat een bruinroze marmeren schouw uit 1838, die is voorzien van twee gecanneleerde consoles van wit marmer. De boezem is versierd met pilasters met siermotieven in stuc. De vensterbanken voor de ramen zijn van later datum en vlak afgetimmerd, behalve die aan de achterkant.
Dwarsgang met opkamer en kelder
Halverwege de gang komt een dwarsgang haaks uit op de gang van bouwdeel B, die om de keuken en het kantoor uit 1874 heenloopt. De iets verhoogde achter- of opkamer ligt achter deze gang en boven de kelder. De ruimte heeft een balkenplafond en een zwartmarmeren schouw tegen de oostwand. De hieronder gelegen kelder van 5,4 mx 3,8 m heeft een houten balkonplafond en een vloer van bruin geglazuurde plavuizen.
Verdieping en kap
De dakvorm was oorspronkelijk een omgaand schilddak met in het midden een korte zakgoot. Het regenwater van deze goot werd door middel van een zogenaamde Keulse goot (een binnengoot die over de zoldervloer loopt) afgevoerd naar de buitenkant. In de voorgevel komt uit de muur een zinken pijp naar buiten, die mogelijk als overloopbeveiliging van de zakgoot fungeerde. In de tweede helft van de 20e eeuw is het hele middenstuk ter hoogte van de omgaande nok vlak gemaakt zodat een grote zolder ontstond en geen regenwater meer binnendoor afgevoerd hoefde worden. Vooraan op de zolder zijn enkele kamers afgetimmerd waarvan de middelste - het voormalige atelier- een grote gemetselde dakkapel bezit uit circa 1905. Links voor is nog een oud meidenkamertje afgetimmerd met de oorspronkelijke aftimmering en kasten.
Tuinhuisje en erf
Tegen de zuidwestelijke hoek van de achtergevel is een houten tuinhuisje aangebouwd met glazen wanden uit 1874. Het meet circa 1.5 x 2,5 meter en is 2,5 m hoog en voorzien van een plat dak met een omlopende houten gootlijst. De hoeken van de ramen bezitten boogstukken en de binnenwand heeft een spitsboogaftimmering. Het betegelde voorerf is circa 1.50 m diep en van het trottoir afgescheiden door een reeks betonnen paaltjes met horizontale ijzeren buizen. Voor het huis staan op dit erf drie oude knotlinden en voor de westgevel – parallel aan de sloot – vijf; ze schermden oorspronkelijk het woonhuis af van het naastgelegen terrein van de houthandel. De sloot (wijk) stond oorspronkelijk in verbinding met het Damsterdiep en het Eemskanaal.
Gebouw B. (kantoor met gang, keuken, tuinkamer en washuis, 1874)
Exterieur
Dit bouwdeel is opgetrokken op een langwerpige diepe plattegrond die voorbij bouwdeel A steekt. Aan de achterzijde steekt het gebouw ruim 4 m uit. Het gebouw telt één bouwlaag onder een schilddak, belegd met een zwarte Hollandse pan. Op de nok aan de achterzijde staat een gemetselde achthoekige schoorsteen met schoorsteenbord; vooraan staat een makelaar. Van voor naar achteren bevinden zich hier een kantoor, keuken met gang en een grote tuinkamer en washuis. De voordeur is in een vrij diep en smal ingangsportiek geplaatst tussen de zijgevel van bouwdeel A en de inspringende zijgevel van bouwdeel B. De gevels aan weerszijden van deze portiek bevatten elk een smal zesruits-venster tegenover elkaar.[1] De voordeur is een bewerkte houten paneeldeur met kussens en twee ijzeren tralievensters. Het bovenlicht heeft een gietijzeren levensboom. De portiekvloer is bekleed met een hardstenen plaat. Alle gevelopeningen zijn lichtgetoogd. Aan de oostkant van de portiek zit een gedenksteen met de tekst: “Geboortehuis van de schilder Gerrit van Houten”. Links van de voordeur bevinden zich twee zesruits schuifvensters. De oostelijke zijgevel bevat in het midden een gemetselde dakkapel met een zesruits dubbele hijsdeur. Hieronder, direct achter de aansluiting met bouwdeel C bevindt zich een fors negen-ruits keukenvenster. Links hiervan zit een gietijzeren rondvenstertje en daar weer naast een tweepaneels deur met twee-ruits bovenlicht die naar de gang leidt. De achtergevel (tuinkamer) is grotendeels aan het zicht onttrokken door een stenen uitbouw (het oude washuis) en een naastgelegen eenvoudige houten serre van later datum. Boven het dak van de serre is de bovenkant van het vroegere raam van de tuinkamer zichtbaar. De zuidwesthoek hiervan is afgeschuind en bezit een smal zesruits-venster met roedenverdeling. Hieronder zit een eerste steen met de initialen G.v.H. en het jaartal 1874. De muuropeningen zijn voorzien van getoogde rollagen met geprofileerde schuine dagkanten.
Aanbouwen
De oostelijke aanbouw was het voormalige washuis (1874) en is opgemetseld van rode baksteen onder een flauw hellend zadeldakje, bekleed met dakleer. In de achtergevel zit een houten raamkozijn met tralievenster.
Interieur
Gang
De indeling wordt bepaald door een rechts gelegen L-vormige gang. Iets achter het midden hiervan komt de dwarsgang van bouwdeel A uit. Links van de L-vormige gang bevinden zich van voor naar achteren een kantoor, een keuken, twee wc's en de trap naar zolder. Het laatste gedeelte achter de gang is de tuinkamer, een grote, bijna vierkante ruimte met een afgeschuinde hoek aan de tuinzijde.
De gang is achter de voordeur in tweeën gedeeld door een tussendeur met bovenlicht, voorzien van een karakteristieke roedeverdeling, ingevuld met mousselineglas in diverse patronen.[2]De deurpanelen zijn beschilderd in olieverf door Gerrit van Houten: op het bovenste paneel een landschap met een dubbele spoorbaan, een blokpost en een rijdende trein; op het onderste paneel een bloemstilleven (klaprozen). Beide panelen zijn rechtsonder gesigneerd Gerrit van Houten 1883. De gangdeur naar de keuken bezit een bovenlicht. Het plafond in het voorste gedeelte is een houten balkenplafond met kraalschroten. Hierachter is het plafond vlak met langs de randen brede platte lijsten (stuc). In de hoek van de L-vormige gang bevindt zich een vallicht met een molenwiekachtige roedenverdeling, eveneens ingevuld met mousselineglas. Aan het einde van de gang links zit een tweepaneelsdeur naar de tuin. De deur bezit bijzonder ijzeren hang- en sluitwerk zoals een deurkruk, schuiven en een ketting; het bovenste paneel is versterkt met vijf horizontale ijzeren stangen.
Kantoor
De inrichting en afwerking van het voormalige kantoor aan de voorzijde verkeert nagenoeg in originele staat uit 1874 met paneeldeur, twee gebogen vensterbanken met consoles, houten raamluiken, een plankenhouten vloer, een schoorsteenmantel met een zwartmarmeren schouw met betegelde haardplaat (vloerplaat) en een ingebouwde kast links van de schouw. De schoorsteenboezem is op de hoeken versierd met Korinthische pilasters. De deuren van de ingebouwde kast zijn hergebruikt. Wellicht is het balkenplafond nog aanwezig achter het huidige boardplafond? De panelen van de binnenzijde van de deur zijn beschilderd met landschappen in olieverf op doek door Gerrit van Houten[3]. Het bovenste paneel bevat een rivierlandschap met visser in boot en avondzon; het is rechtsonder gesigneerd: Gerrit van Houten, 1883; het onderste paneel is beschilderd met een maanlandschap, een man en een boerderij.
Keuken
De keuken bestaat uit een rechthoekige ruimte met een houten balkenplafond en een lambrisering van witte tegels, zog. ‘witjes’. Tegen de noordwand staat een brede houten schouw met bewerkte consoles, waarvan de binnenwand ook met witjes is betegeld. Hiernaast staat een oude houten turfbak. Tegen de gangwand in de noordwestelijke hoek staat een oude pomp met een hardstenen gootsteen en twee koperen kranen, die aan de bovenzijde met een soort acanthusblad zijn versierd in Empirestijl. Deze is afkomstig uit de keuken van het oude molenaarshuis (vóór 1838). De keuken bezit nog delen van de oorspronkelijke vloer van zwart-witte tegels in zeshoekige en ruitvormige patronen van de Fa. Soufflet Le Blond uit Maubeuge (België). Een deur in de zuidwesthoek gaat naar de zolder.
Tuinkamer
De uitgebouwde tuinkamer bezit inwendig aan vier zijden een afgeschuinde hoek; één wand bestaat uit een afgeschuind muurvlak; de overige bestaan uit afgeschuinde hoekkasten of sporen hiervan. Deze achthoekige plattegrond doet denken aan die van een tuin- of theekoepel.[4]Tegen de oostwand staat een zwartmarmeren schouw. In de westelijke, uitgebouwde zijgevel zit een brede glazen tuindeur.
Verdieping en kap
De zolderverdieping bezit een grenen sporenkap die vooraan op een gemetselde lage borstwering is geplaatst. De zuidelijke helft van de vloer ligt hoger dan de noordelijke helft zodat dit achterste gedeelte geen borstwering heeft. In de kap bevinden zich twee schoorsteenkanalen van de keukenschouw en de voorkamerschouw. Achteraan is het kanaal versleept; dit is afkomstig van de tuinkamerschouw.
Gebouw C. (uitbreiding kantoor met paardenstal, 1902)
Exterieur
Het gevelmuurwerk is opgemetseld van helderrode baksteen op een trasraam van bruine baksteen. De entree zit aan de westkant in de voorgevel en bestaat uit een dubbele bewerkte paneeldeur met Jugendstilelementen en ingevuld met gefigureerd mat glas. De ruitjes met een roedenverdeling evenals die van het brede bovenlicht zijn ingevuld met geel gefigureerd glas. De deur is voorzien van een hardstenen stoepplaat. Links bevindt zich een hoog driedelig raamkozijn met zij-en bovenlichten. De oostelijke zijgevel bevat in de topgevel een groot rondboogvenster in sobere Jugendstil met dubbele houten hijsdeuren en houten hijsbalk. De zijlichten hebben een roedenverdeling en zijn ingevuld met glas. De achtergevel gaat grotendeels schuil achter de nieuwe depotruimte. Het achterdakvlak bevat een brede houten dakkapel van later datum.. De achtergevel van het vroegere kantoorgedeelte (nu woonhuis), bevat twee brede raam- en deurkozijnen met bovenlichten met roedeverdeling onder een segmentboog. De oostelijke is later veranderd in een raamkozijn. Onder de goot zijn in het metselwerk sporen zichtbaar van een nu verdwenen klos/gootconstructie met fors overstek. Aan de westkant in de hoek met bouwdeel B zit een uitbouwtje met een deur. Deze is grotendeels dichtgemetseld, alleen het bovenlicht met roedenraam bleef gehandhaafd.
Interieur
De indeling bestaat uit een gang met tochtportaal met aan de rechterkant een deur in de westmuur naar het kantoor in bouwdeel B. Achter de hal ligt een bijkeuken met links hiervan een grote kamer. Ten oosten hiervan is de keuken gesitueerd en vervolgens enkele ruimtes waarvan het grootste deel depotruimte is. In dit deel zit de trap naar zolder. Achter de voordeur ligt een ruime betegelde hal met granitovloer en een betegelde lambrisering van groene Jugendstiltegels met sierranden. Direct rechts van de ingang zit in de wand een houten loket met glazen schuifraam. Een van de paneeldeuren bezit een bovenlicht van geslepen glas dat is versierd met Jugendstil bloemmotieven in zachtgroene tinten. De woonkamer bevat de originele houten paneeldeuren en een zwartmarmeren schouw. De boezem is versierd met stuc lijstwerk en bevat een grote spiegel. Deze schouw is herplaatst en afkomstig uit het oudere woongedeelte. Op zolder bevindt zich een houten hijsrad voor het grote rondboogvenster in de oostgevel.
Het gebouwencomplex Damsterdiep 215, 215/1 en 215/2 is van algemeen belang voor de gemeente Groningen:
·vanwege zijn cultuurhistorische waarden als zijnde een van de laatste overblijfselen die herinneren aan de economische ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied ten zuiden van het Damsterdiep ten oosten van de stad Groningen, in het bijzonder die van de geschiedenis van de in Groningen zo belangrijke hout- en oliehandel; voorts vanwege de bijzondere relatie met de familie Van Houten, als zijnde het geboortehuis van schilder Gerrit van Houten (1866-1934) en zijn familie waarvan leden op verschillende terreinen een bijzondere plaats innemen in de cultuurgeschiedenis van Groningen;
·vanwege zijn stedenbouwkundige/landschappelijke waarden, tot uiting komend in de ligging van het gebouwencomplex aan de zuidzijde van het (later gedempte) Damsterdiep en zijn functioneel/historisch relatie hiermee; in dit verband zijn van belang de restanten van de historische rooilijn, de sloot aan de westzijde als scheiding tussen woonhuis en de voormalige bedrijfsterreinen, met inbegrip van de historische boombeplanting (knotwilgen voor en opzij) en achtertuin. Bovendien vormt het complex vanuit historisch/functioneel oogpunt een waardevol ensemble met de aangrenzende buurpanden Damsterdiep 213, 233 en 237 die eveneens bij molens hebben behoord.
·vanwege zijn architectuurhistorische waarden omdat het complex een van de laatste representanten is van vroeg en eind 19 eeuwse traditioneel-landelijke bebouwing aan de rand van de stad Groningen, tot uiting komend in de monumentale bouwmassa en in de onderlinge functionele samenhang van de verschillende bouwonderdelen met goed bewaard gebleven oorspronkelijke interieurindeling en bijbehorende afwerking met verschillende interieuronderdelen uit de 18de eeuw (de gootsteun met pomp van de oude keuken), eerste helft van de 19e eeuw, het laatste kwart van de 19 eeuw en uit het begin van de 20e eeuw zoals balkenplafonds, versierde stucplafonds, houten paneeldeuren, houten raamluiken, hang- en sluitwerk, keuken met pomp, turfbak, wand- en vloerbetegelingen, vallichten met mousselineglas, woonvertrekken met marmeren schouwen, ingebouwde kastwanden en gebogen vensterbanken met consoles, Jugendstilbetegelingen en -glaspanelen en in de zolder van de vm. paardenstal het originele houten hijsrad dat alles een goed beeld geeft van een interieurinrichting uit het eerste en laatste kwart van de 19e eeuw en begin 20ste eeuw van een vooraanstaande Doopsgezinde Groninger handelsfamilie;
·vanwege de zeldzaamheid en uniciteit van een dergelijk goed bewaard gebleven monumentaal ensemble;
·vanwege zijn gaafheid.
Groningen, Eemskanaal NZ 48
Gebouwen voor handel, nijverheid en industrie
Adres : Eemskanaal NZ 48
Monumentnummer : 106392
Opdrachtgever : NV Groningen Silo v/h M.D. Botje
Architect : G. Nijhuis
Bouwjaar : 1909
Oorspronkelijke functie : Oliefabriek met silo-pakhuis, machinekamer en
ketelhuis en elevator
Huidige bestemming : Graanopslag
Inleiding
Fabriekscomplex, vrijstaand gesitueerd op een groot terrein aan de noordzijde van het Eemskanaal, gebouwd in 1909 in opdracht van de Noord Nederlandse Oliefabriek naar ontwerp van de Groninger architect G. Nijhuis in een ambachtelijk-traditionele bouwstijl.
De fabriek werd gebouwd door twee Groninger kooplieden, Michel Derks Botje en Jacob Swart, aan de noordelijke dijk van het Eemskanaal op een perceel ten zuiden van de verdwenen oliemolens Concordia (1905) en De Meeuw (1909) aan het Damsterdiep. De Noord-Nederlandse Oliefabriek was opgericht in 1899 en een van de eerste bedrijven aan het Eemskanaal. Het bedrijf leverde vee-, lijnolie- en sojakoeken. Het was lange tijd het grootste bedrijf aan het Eemskanaal. In 1910 werd de fabriek uitgebreid met een loods voor een smederij aan de linkerzijde van de fabriek. Deze werd in 1938 overgenomen door de Noord Nederlandse Zakkenhandel, het bedrijf dat zich ten westen van de fabriek vestigde.
In de jaren veertig van de vorige eeuw werd de fabriek overgenomen door de Elevator Maatschappij Groningen (EMG). De fabriek werd diverse malen aan de achterzijde uitgebreid en vergroot. Deze delen vallen buiten de bescherming. In 1960 werd een grote betonnen graansilo van ruim 30 m hoog gebouwd, schuin achter het oostelijke bouwdeel. Een paar jaar later werd de bestaande elevatortoren uitgebreid met een opbouw voor een giek en loopbrug ten behoeve van een nieuwe graanzuiginstallatie. Gelijktijdig werd tegen de voorgevel van het oostelijke bouwdeel een transformatorhuis aangebouwd voor stroomvoorziening van de omgeving. In 1967 werd de bestaande dakopbouw vervangen en vergroot. Daarbij zijn de twee vensters in de topgevel van het westelijke deel verdwenen en is het muurwerk vernieuwd, wel conform het oorspronkelijke architectuurbeeld met lisenen. Momenteel wordt het gebouw nog gebruikt voor opslag van granen.

Omschrijving
Het gebouwencomplex is gesitueerd aan de noordzijde van het Eemskanaal en opgetrokken op een rechthoekige plattegrond. Het complex heeft een paalfundering, is onderkelderd en heeft een betonconstructie. Het is samengesteld uit twee hogere bouwdelen die ogenschijnlijk hetzelfde aantal verdiepingen hebben en dezelfde vorm en architectuur hebben. Beide delen zijn met elkaar verbonden door een deels onderkelderd eenlaags tussenlid (‘bordes’ met los- en laadruimte en kantoor aan de oostzijde) onder een flauw hellend zadeldak, bekleed met golfplaten, dat ondersteund wordt door metalen vakwerkspanten. Het westelijke (linker) bouwdeel (‘fabriek’) heeft een rechthoekige plattegrond van 16 x 21 meter en bestaat uit een kelderverdieping, een hoge bouwlaag en een kapverdieping onder een afgewolfd zadeldak (met de nok haaks op de straat), belegd met een grijze Friese golfpan. Het oostelijke (rechter) bouwdeel (‘silo-pakhuis’) heeft een vierkante plattegrond van 21 x 21 meter en nagenoeg dezelfde vorm maar is een kwart slag gedraaid ten opzichte van het linker deel; de nok ligt dus evenwijdig aan de weg. Het gebouw is aan drie zijden gesloten, op de kelderopeningen na. In deze gevels verwijzen de reeksen gietijzeren muurankers (rozetten) naar de verdiepingsvloeren van de silo. De kopgevels zijn versierd met een trapsgewijs gemetseld klimmend boogfries dat de hellende lijn van de geveltop volgt. In de meest westelijke travee aan de wegzijde komt de elevator binnen. De westgevel bevat in de top twee paar vensters en een drietal hierboven, allen gesloten met segmentbogen.

Achter het middendeel bevindt zich een rechthoekige onderkelderde aanbouw van 8,5 x 13,5 meter. In de kelder was de werkplaats gevestigd; de bovenliggende verdieping was de machinekamer. Ook dit zelfstandig vormgegeven bouwdeel heeft een afgewolfd zadeldak (met de nok evenwijdig aan de straat). Hierachter zitten weer rechthoekige aanbouwen van twee bouwlagen met een plat dak. Het achterste deel fungeerde als ketelhuis met smidse. De hiernaast gelegen schoorsteen moet in de jaren zestig van de vorige eeuw zijn gesloopt. Al het gevelmuurwerk is opgemetseld van een helderrode Groninger baksteen boven een trasraam van een lichtgesinterde bruinrode baksteen. In het trasraam zitten reeksen keldervensters met segmentbogen. De gevels worden geleed door middel van uitgemetselde lisenen die onder de daklijst eindigen in een gemetseld fries. De goten met overstek worden ondersteund door bewerkte houten consoles. Het linker bouwdeel bevat per travee telkens twee segmentboogvormig gesloten stalen industrievensters. Het middendeel bevat aan weerszijden van de toegangsdeuren twee paar soortgelijke vensters, maar van kleiner formaat. Ook het voormalige ketelhuis en de gevels van de achteraanbouw bevatten (deels) nog stalen fabrieksramen. De vrij in het zicht zijnde oostgevel van het ketelhuis bevat in de top twee stalen rondvensters.

· vanwege zijn cultuurhistorische waarden, omdat het complex een van de laatst overgebleven relicten is die herinnert aan de agro-industriële nijverheid zoals die hier meer dan 100 jaar geleden ontwikkelde aan de boorden van het Eemskanaal, in het bijzonder die van de graanhandel- en opslag en vanwege het belang van het Eemskanaal voor de distributie van graan en de essentiële rol van de Elevator Maatschappij hierbij; daarom is het complex van belang voor de sociaal-economische geschiedenis van Groningen;
· vanwege zijn stedenbouwkundige waarden, tot uiting komend in zijn vrije situering aan de noordzijde van het Eemskanaal en de functionele oriëntatie hierop; de scheepselevator over de weg en kade is een van de laatste in zijn soort en vormt een bepalende schakel tussen pakhuis(deel), kade en water(weg);
· vanwege zijn architectuurhistorische waarden, tot uiting komend in onder meer de robuuste bouwmassa’s van bijna identiek vormgegeven, tegenover elkaar gelegen en gedraaide bouwvolumes, verbonden door een centraal tussenstuk, tot uiting komend in de verzorgde architectuur, de toegepaste heldere rode Groninger baksteen, de reeksen stalen fabrieksvensters, de opvallende en ambachtelijke detaillering zoals de trapsgewijs klimmende friezen in het metselwerk in de topgevels en onder de daklijsten, de geleding van de gevels door middel van lisenen en de afgewolfde kappen, die verwijzen naar de agrarische achtergrond van dit complex; bovendien neemt het gebouw een belangrijke plaats in in het oeuvre van de bekende Groninger architect G. Nijhuis, die ontwerpen leverde voor belangrijke Groninger bedrijven zoals ondermeer het kantoorgebouw van het Dagblad van het Noorden 1903) en de Coöperatieve Fries-Groningsche Beetwortelsuikerfabriek in Groningen (1914);
· vanwege de structurele gaafheid van het gebouw;
· vanwege zijn relatieve zeldzaamheid als voorbeeld van een vroeg 20ste eeuws fabrieksgebouw waarvan er in Groningen niet veel bewaard zijn gebleven.
Bezoeknotitie
Bezocht met Claudia, Remco Andringa ivm wind- en waterdicht maken van het gebouw
Woensdag 7 september 2012.
Gebouw is grotendeels leeg gehaald; veel aantasting door vocht in dakbeschot; spanten weggerot in silodeel ter plaatse van de verhoogde opbouw en op andere constructieve plaatsen/aansluitening..
> 1ste steen in linker zijmuur van het middendeel
Silo links: de trechters dateren uit de jaren 60 toen er een grote nieuwe graanzuiginstallatie werd geplaatst. De indeling is toen ook verschoven qua aantallen trechters.
Muurafwerking in het voormalige ketelhuis
· Wanden voorzien van betegelde lambrisering in groen en witte verblendsteen; daarboven okergeel beschilderd op stuc en op regelmatige afstand uitgemetselde lisenen tot driekwart hoogte van de zijmuur onder de kap en aftekening van een tussenvloer?op de zijgevels maar klopt niet met de hoogte van de ramen in de kopse gevels; vellingen opzij hiervan donkerrood beschilderd evenals een deel van de houten kap
· Gietijzeren fabrieksramen vierruits breed en segmentboogvormig gesloten
· In topgevels 2 ijzeren roosvensters met ster/straalvormige tracering
· Houten kapconstructie met ijzeren trekstangen met in het midden een rondboogopening
· De randen van de kap en de kap hebben een kleurige originele afwerking olijfgroen donkerrood.
· De vloer is voorzien van een terrazzovloer met een zwarte rand; aftekening van oude machines en latere (betonpodium)
· Luik naar kelder hieronder via oude houten keukentrap; in kelder heel zware fundering voor de vroegere (stoom)ketels.
· Industriele met blik beklede houten katrol/schuifdeur naar deze ruimte
· Later ingebouwd modern toilet- en keukenblok
Bijlage 6 Lijst karakteristieke gebouwen en objecten
Deel I Lijst Karakteristieke gebouwen en objecten
Inleiding
Het cultureel erfgoed is voor een belangrijk deel bepalend voor het karakter van de gemeente. Het erfgoed maakt de gemeente aantrekkelijk en zorgt dat inwoners zich er mee verboden voelen. Na de samenvoeging van de (oud) gemeenten Haren, Ten Boer en Groningen is een inventarisatie en waardering van het aanwezige erfgoed uitgevoerd in de nieuwe gemeente. Daarnaast is er een inventarisatie uitgevoerd voor het harmoniseren van het erfgoedbeleid en het borgen van het erfgoed in het kader van de Omgevingswet.
Aardbevingsschade als bedreiging van het gebouwd erfgoed
De gemeente Groningen ligt binnen het, door de provincie Groningen aangewezen, aardbevingsgebied. De provincie wil voorkomen dat waardevolle, karakteristieke gebouwen zomaar gesloopt worden als er sprake is van aardbevingsschade. Van alle Groninger gemeenten is vereist om te inventariseren welke karakteristieke gebouwen er zijn en om die te beschermen met een sloopvergunningstelsel. Binnen het aardbevingsgebied is het verboden om gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen. Het verbod vervalt, als uit een gemeentelijke inventarisatie blijkt dat een gebouw niet zonder meer als karakteristiek is aan te merken.
Bescherming karakteristieke gebouwen en objecten
Vanuit de gemeente is er de wens om de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en het erfgoed in goede orde te beschermen. In de lijst zijn karakteristieke gebouwen en objecten opgenomen, waardoor hun ruimtelijk relevante karakteristieke kenmerken, die een belangrijk onderdeel zijn van het erfgoed en de identiteit van de gemeente, in stand wordt gehouden. Aan deze bijlage ligt een inventarisatie en waardering van het gebouwd erfgoed ten grondslag. De inventarisatie en waardering van gebouwd erfgoed is als bijlage RAAP-Rapport bij ons omgevingsplan opgenomen. Met uitzondering van de rijks- en gemeentelijke monumenten zijn alle gebouwen en objecten in de gemeente gewaardeerd.
Omdat er ook bouwwerken op de lijst staan die niet altijd als gebouw zijn te typeren (bruggen, gemalen etc.) wordt er in de toelichting en regels gesproken over objecten. De eindwaardering is vervolgens vertaald naar een beschermende regeling.
Leeswijzer
In het hierna volgend hoofdstuk wordt ingegaan op de selectie en waardering van karakteristieke gebouwen en objecten in afdeling 7.2 historische bouwkunst. Ook wordt ingegaan tussen de samenhang tussen de in bijlage RAAP-Rapport opgenomen inventarisatie, deze bijlage Lijst met karakteristieke gebouwen en objecten en hoofdstuk 3 Aanwijzing gebieden en objecten van ons omgevingsplan. In afdeling 7.3 Karakteristieke gebouwen en objecten in het omgevingsplan wordt ingegaan op de context waarin – vooruitlopend op toekomstige artikelen in dit omgevingsplan – karakteristieke gebouwen en objecten in de gemeente staan.
Historische bouwkunst
Gereserveerd
Inventarisatie en waardering
Aan deze toelichting ligt een inventarisatie en waardering van karakteristieke gebouwen en objecten ten grondslag. De inventarisatie en de waarde stelling is er op gericht een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van het waardevolle bouwkundige erfgoed, gerelateerd aan voor Groningen kenmerkende thema's, gebieden en ensembles. De inventarisatie en waardering van gebouwd erfgoed is in bijlage RAAP-Rapport opgenomen bij dit omgevingsplan.
De geïnventariseerde gebouwen, objecten en complexen hebben gemeen dat ze alle een positieve of hoge cultuurhistorische en/of ruimtelijke waarde bezitten binnen de (steden-) bouwkundige geschiedenis van de gemeente Groningen en de in deze gemeente aanwezige karakteristieke gebieden. Ze zijn in eerste instantie geselecteerd aan de hand van algemeen gangbare architectuurhistorische, cultuurhistorische en historisch - ruimtelijke (ensemble) waarderingscriteria. Deze waarderingscriteria zijn zoals de herkenbaarheid (ten aanzien van de oorspronkelijke functie) een redelijke mate van gaafheid, authenticiteit en/of zeldzaamheidswaarde, zichtbaarheid (beeldbepalend) en ensemblewaarde. De uit deze eerste schifting geselecteerde gebouwen en objecten zijn uiteindelijk gewaardeerd.
Onderzoekssystematiek en de waardecriteria
Alle niet als rijks- of gemeentelijk monument beschermde gebouwen en objecten zijn gewaardeerd. De waardering met behulp van een beperkte set criteria is indicatief en de score-toekenning resulteert in een indeling van het gebouw en/of object binnen in van vier verschillende schaalniveaus:
· zeer hoge erfgoedwaarde,
· hoge erfgoedwaarde,
· positieve erfgoedwaarde, of
· basis erfgoedwaarde.
De verschillende waardengradaties geven zicht op welke gebouwen en objecten een specifieke vorm van instandhoudingsbeleid vragen. In principe geldt: hoe hoger de indicatieve erfgoedwaarde, hoe meer noodzaak er zal zijn strikte regels voor de instandhouding toe te passen. De inventarisatie brengt in beeld welk beleid (of omgangsvormen) zou moeten gelden bij de instandhouding van cultuurhistorische waarden. De inventarisatie brengt in beeld welke gebouwen en objecten voldoende kwaliteiten bezitten om ze als karakteristiek te definiëren.
Ruimtelijke en cultuurhistorische waardecriteria
De selectie van de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en objecten en de uiteindelijke klassering in vier erfgoedwaarden (zeer hoog, hoog, positief, basis) vindt plaats via een toetsing aan de hand van zes ruimtelijke en cultuurhistorische waarderingscriteria. Deze criteria zijn speciaal voor dit doel geformuleerd op basis van bovengenoemde algemeen, gangbare criteria en zijn eerder ook in andere gemeenten toegepast:
1. Stedenbouwkundige en ensemblewaarde:
het belang van het gebouw en/of object als onderdeel van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied of een bijzondere stedenbouwkundige ontwikkeling of planvorming;
en/of als onderdeel van cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en/of ensemblewaarde, bijvoorbeeld in relatie tot een beschermd stads- of dorpsgezicht, een waardevol gebied en beschermde monumenten.
2. Beeldbepalende waarde:
het belang van het gebouw en/of object vanwege de bijzondere betekenis voor het beeld van zijn omgeving (bijvoorbeeld: markant onderdeel lintbebouwing, opmerkelijke (hoek)ligging, zichtlijn, landmark);
3. Historische waarde, representatiewaarde:
het belang van het gebouw en/of object vanwege de herkenbaarheid van het oorspronkelijke concept en de oorspronkelijke (bijzondere) functie, in relatie tot de ontwikkelingsgeschiedenis en de historische gelaagdheid van het gebied; relatie met voor de gemeente Groningen belangrijke personen, gebeurtenissen en activiteiten;
4. Gaafheid:
het belang van het gebouw en/of object wegens de authenticiteit van hoofdvorm, gevelindeling en/of detaillering;
5. Architectuur- en bouwhistorische waarde:
het belang van het object vanwege een kenmerkende / bijzondere bouwstijl, typologie, vorm, materiaalgebruik en constructie; het belang binnen het oeuvre van een architect;
6. Zeldzaamheidswaarde:
in architectuur- en/of bouwhistorisch, stedenbouwkundig, typologisch, functioneel of historische opzicht.
Het gaat dus om een zestal cultuurhistorische en architectuurhistorische, maar ook contextuele, historisch-ruimtelijke criteria, die het gebouw en/of object waarderen als onderdeel van een specifieke lokale cultuurhistorische gebiedskarakteristiek, bijvoorbeeld de oude kernen, de linten, de voor- en naoorlogse uitbreidingswijken, delen van het buitengebied.
Met de ruimtelijke insteek van deze toetsing wordt geanticipeerd op de veranderende benadering van erfgoed. Hierin wordt aangedrongen op een grotere rol voor cultuurhistorie in het ruimtelijk beleid. De directe omgeving van historische objecten, complexen en ensembles is immers zeer bepalend voor de wijze waarop de cultuurhistorische kwaliteit tot zijn recht komt. Ook de gebieden zelf kunnen cultuurhistorische kwaliteiten bezitten.
Indicatieve scores
Alle in de inventarisatie opgenomen gebouwen en objecten, worden met behulp van bovenstaande criteria en met in achtneming van de verschillende gebieds-/ensemble karakteristieken getoetst. Per criterium kunnen de volgende indicatieve scores worden gehaald:
· Hoge waarde: ++
· Positieve waarde: +
· Neutrale waarde: 0
· Negatieve waarde: -
Eindwaardering in vier gradaties
De optelsom van deze scores leidt tot het formuleren van een eindwaardering in de vier gradaties:
|
Gemiddelde score |
Waardering |
|
Maximaal 5x ++ en 1x + |
Zeer hoge erfgoedwaarde of monumentwaarde (Z) |
|
Minimaal 3x ++ en 3x + |
Hoge erfgoedwaarde of (potentiële) monumentwaarde (H) |
|
Minimaal 5x + en 1x 0 |
Positieve (middelhoge) of beeldbepalende erfgoedwaarde (P) |
|
Minimaal 3x + en 3x 0 |
Basis erfgoedwaarde of beeldondersteunende waarde (B) |
Tabel: scores en klassen van waardering
De zes criteria worden in deze indicatieve beoordeling als gelijkwaardige eenheden gewogen. Bij het toekennen van de hoge, positieve, neutrale of (in uitzonderingsgevallen) negatieve waarden (met plussen en minnen) wordt de aanwezige waarde genuanceerd en blijkt welke waarden het meest uitgesproken aanwezig zijn. Vanwege de relatief hoge kwaliteit en kwantiteit zijn in Groningen voornamelijk objecten met een (zeer) hoge en positieve erfgoedwaarde geselecteerd.
Vertaling eindwaardering naar beschermde regeling
De eindwaardering in vier gradaties (zeer hoog, hoog, middelhoge en basis erfgoedwaarde zoals in bovenstaande tabel is weergegeven) is vertaald naar een beschermende regeling:
· objecten met een eindwaarding ZEER HOOG (11-12 'plusjes'), HOOG (9-10 'plusjes') en POSITIEF (6‑7‑8 'plusjes') worden in aangemerkt als ;'karakteristiek gebouw of object'
en in context en vooruitlopend op toekomstige regels in ons omgevingsplan zijn de
· objecten met een eindwaardering BASIS (3-4 'plusjes') en POSITIEF (5 'plusjes') in de (van rijkswege) beschermde stadsgezichten en De Wijert Noord worden aangemerkt als .'beeldondersteunend gebouw of object'
In de tabel zijn ook de gebouwen en objecten met een 'zeer hoge en een hoge erfgoedwaarde' opgenomen. Het gaat om de gebouwen en objecten die in de inventarisatie van RAAP/MAB zijn gewaardeerd met 10, 11 of 12 punten/plusjes.
In context en vooruitlopend op toekomstige regels in ons omgevingsplan zijn beeldondersteunende gebouwen en objecten, gebouwen en objecten die in het RAAP-rapport gewaardeerd zijn met 3, 4 of 5 plusjes. Beeldondersteunende gebouwen en objecten worden alléén in de (van rijkswege) beschermde stadsgezichten en het gebied De Wijert Noord aangewezen en niet meer in de overige gebieden van de oude gemeente Groningen. Dit zijn de gebieden die cultuurhistorisch het meest waardevol zijn en de beeldondersteunende gebouwen en objecten een belangrijke functie hebben als 'boekensteun' voor de monumenten en ondersteunend zijn aan het straatbeeld en de stedenbouwkundige structuur van deze gebieden. De beeldondersteunende status wordt alleen in gezet in de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden: de beschermde Rijks stadsgezichten en De Wijert Noord. De beschermde stadsgezichten zijn door het Rijk aangewezen vanwege hun bijzondere cultuurhistorische karakter.
Resultaat inventarisatie
Artikel 3.8 zijn gebieden aangewezen met de functie-aanduiding Karakteristieke gebouwen en objecten, hierdoor zijn de aangewezen karakteristieke gebouwen en/of objecten te zien op de kaart. Daarnaast volgt uit de hierna volgende tabel, wat het resultaat is uit de inventarisatie.
Karakteristieke gebouwen en objecten in het omgevingsplan
Het omgevingsplan bevat een regeling die toeziet op het behouden en beschermen van karakteristieke gebouwen en objecten in het aangewezen gebied. Aan de geïnventariseerde karakteristieke gebouwen en objecten is gebruik gemaakt van de inventarisatie gebouwen en objecten zoals opgenomen in bijlageRAAP-Rapport 'Erfgoed in de gemeente Groningen'. Gebouwen en objecten met een bepaalde totaal score zijn opgenomen waarbij gebieden met de functie-aanduiding [karakteristieke gebouwen en objecten] zijn aangewezen.in hoofdstuk 3 aanwijzing gebieden en objecten
Beeldondersteunenede gebouwen en objecten
In context en vooruitlopend op toekomstige regels in ons omgevingsplan ziet de regeling voor beeldondersteunende gebouwen en objecten toe op regels voor ver(bouw), rekening houdend met hun bijzondere waarden. De bijzondere waarden zijn uitgewerkt door het vastleggen van de bestaande hoofdvorm en de positie van het gebouw of object. Ook is het slopen van deze gebouwen en objecten aan regels gebonden. In de afweging wordt onder andere gekeken naar de bijdrage van het gebouw of object aan de ruimtelijke betekenis en identiteit van de locatie. Van deze gebouwen en objecten zijn de hoofdvorm (silhouet, contour) en de positie behoudenswaardig.
Karakteristieke gebouwen en objecten
De regeling voor karakteristieke gebouwen en objecten ziet toe op specifieke (ver)bouwregels van deze objecten, rekening houdend met hun bijzondere waarden. Dat is uitgewerkt door het vastleggen van de bestaande hoofdvorm, gevelindeling en de positie van het gebouw of object wordt gehandhaafd. Het aspect cultuurhistorie speelt daarom ook een rol bij verbouw of vervangende nieuwbouw van een karakteristiek pand. Voor (ver)bouwregels komen deze regels verspreidt in ons omgevingsplan voor, wat te maken heeft met de werking van het omgevingsplan (een gelaagde structuur). De bijzondere waarden van deze karakteristieke gebouwen en objecten zijn uitgewerkt door het vastleggen van de bestaande hoofdvorm en de positie van het gebouw of object dat wordt gehandhaafd. Van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken.
Voor de aangewezen karakteristieke gebouwen en objecten is voor de activiteit slopen een omgevingsvergunning nodig, dit is opgenomen in hoofdstuk 8 slopen. Aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk slopen van karakteristieke gebouwen en objecten zijn voorwaarden verbonden. Van belang is dat een deskundigenoordeel wordt gevraagd over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het slopen. De omgevingsvergunning wordt verleend als voldaan is aan de beoordelingscriteria van de omgevingsvergunning zoals opgenomen in hoofdstuk 19 onder beoordelingsregels cultureel erfgoed - karakteristieke gebouwen en objecten. In de afweging wordt onder andere gekeken naar de bijdrage van het gebouw of object aan de ruimtelijke betekenis en identiteit van de locatie. Van deze gebouwen en objecten dienen de bestaande hoofdvorm en de positie te worden gehandhaafd. Op het genoemde sloopverbod gelden enkele uitzonderingen waarvoor geen omgevingsvergunning voor het slopen nodig is. Deze uitzondering zijn voor het slopen van karakteristieke gebouwen en objecten opgenomen in hoofdstuk 8 onder slopen – conclusie onderwerp karakteristieke gebouwen en objecten – toestemmingsvrij.
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een karakteristiek gebouw of object geldt een rapportageplicht. Bij de voorwaarde dat het belang van de vergunningsaanvrager om (delen) te slopen groter is dan het behoud van een gebouw of object dient een rapport door een onafhankelijk deskundige te worden overlegd dat in ieder geval in gaat op:
· de bouwkundige en gebruikstechnische staat van het gebouw of object;
· de cultuurhistorische waarde van het gebouw of object; en
· de mate waarin het gebouw of object geschikt is of kan worden gemaakt voor zinvol (her)gebruik.
In uitzondering hierop is overleggen van een rapport van een onafhankelijke deskundige niet nodig als kan worden aangetoond dat reeds eerder deskundigenonderzoek, onder gelijk gebleven omstandigheden, is gedaan met eenzelfde strekking.
Bij de voorwaarde dat het belang van de vergunningsaanvrager om (delen) te slopen groter is dan het behoud van een gebouw of object of de karakteristieke hoofdvorm niet meer aanwezig is en alleen bij ingrijpende wijzigingen kan worden herstelt dient ook een schriftelijke verklaring van de uitvoering waarmee de uitvoering van de sloop en herinrichting van de locatie is vastgelegd.
Bij de voorwaarde dat naar oordeel van het college aannemelijk is gemaakt dat door een goede herinvulling (na sloop) de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt hersteld dient bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt voorzien van:
· een bij het college van burgemeester en wethouders aangevraagde omgevingsvergunning of een door de gemeenteraad vastgesteld stedenbouwkundigplan voor de herinrichting van de locatie; en
· een schriftelijke verklaring van de uitvoering waarmee de uitvoering van de sloop en herinrichting van de locatie is vastgelegd.
Gemeente Groningen - Lijst met Karakteristieke gebouwen en objecten
K = Karakteristiek gebouw of object
Hoe zoek ik op of mijn gebouw karakteristiek is?
U kunt in het document zoeken met de toetsencombinatie: Crtl+F op adres of objectnummer.
Op basis waarvan is mijn gebouw of object karakteristiek geworden?
Per categorie kunnen er tussen de 0 en 2 punten gegeven worden. De punten worden in de lijst aangegeven met het plusteken ('+'). Gebouwen en objecten die een score hebben van 6 tot en met 12 zijn als karakteristiek aangeduid.
Alle gebouwen en objecten zijn beoordeeld op zes categorieën:
* Stedenbouwkundige en Ensemblewaarde (S)
het belang van het object als onderdeel van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied of een bijzondere stedenbouwkundige ontwikkeling of planvorming; en/of als onderdeel van cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en/of ensemblewaarde, bijvoorbeeld in relatie tot een beschermd stads- of dorpsgezicht, een waardevol gebied en beschermde monumenten;
* Beeldbepalende waarde (B)
het belang van het object vanwege de bijzondere betekenis voor het beeld van zijn omgeving (bijvoorbeeld: markant onderdeel lintbebouwing, opmerkelijke (hoek)ligging, zichtlijn, landmark);
* Historische waarde, representatiewaarde (H)
het belang van het object vanwege de herkenbaarheid van het oorspronkelijke concept en de oorspronkelijke (bijzondere) functie, in relatie tot de ontwikkelingsgeschiedenis
en de historische gelaagdheid van het gebied; relatie met voor de gemeente Groningen belangrijke personen, gebeurtenissen en activiteiten;
* Gaafheid (G)
het belang van het object wegens de authenticiteit van hoofdvorm, gevelindeling en/of detaillering;
* Architectuur- en bouwhistorische waarde (A)
het belang van het object vanwege een kenmerkende / bijzondere bouwstijl, typologie, vorm, materiaalgebruik en constructie; het belang binnen het oeuvre van een architect;
* Zeldzaamheidswaarde (Z)
in architectuur- en/of bouwhistorisch, stedenbouwkundig, typologisch, functioneel of historisch opzicht.
Indien er verschillen zijn tussen, enerzijds deze tabel, en anderzijds de gebiedsaanwijzing en/of de regels van dit omgevingsplan, dan zijn gebieden die zijn aangewezen zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 en/of de regels leidend.



Bijlage 8 RAAP-rapport 4413
RAAP-RAPPORT 4413 Erfgoed in de gemeente Groningen
Een interdisciplinaire studie naar het archeologisch, historisch-geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Groningen
Dit is een replica van "RAAP-rapport 4413, Erfgoed in de gemeente Groningen". Vanwege technische beperkingen zijn de afbeeldingen niet meegenomen in deze weergave. Voor een volledig overzicht van het RAAP-rapport dient u het oorspronkelijke rapport in te zien.
Samenvatting
Op 1 januari 2019 zijn de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer samengevoegd. De gemeente wilde dit moment aangrijpen om een gemeentelijke herinventarisatie en waardering van de cultuurhistorische waarden voor het gehele nieuwe grondgebied op uniforme wijze uit te voeren.
In opdracht van de gemeente Groningen hebben RAAP en Monumenten Advies Bureau (Nijmegen) in de periode januari 2019 – april 2020 een cultuurhistorische waardenkaart (CWK) van het grondgebied van de voormalige gemeenten Groningen en Ten Boer opgesteld.
De kaarten zijn geschikt om de basis te gaan vormen voor toekomstig cultuurhistorisch beleid (o.a. planologische borging) en zijn door hun digitale basis geschikt voor het digitaal stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast kan het inspiratie bieden voor recreatie, erfgoededucatie en PRmarketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer). In deze studie besteden we aandacht aan het grotendeels onzichtbare ondergrondse archeologische erfgoed en het tastbare landschappelijke en gebouwde erfgoed.
De inventarisatie- en waarderingskaarten van Groningen laten zien hoe rijk zowel het ondergrondse als het bovengrondse erfgoed is. De kaartbijlagen 1 en 4 geven de bekende en te verwachten archeologische resten weer op de Hondsrug, in het Wierdengebied en de zones daaromheen. Op de kaartbijlagen 2 en 5 is het gebouwde erfgoed afgebeeld, opgesplitst in bouwkunst en stedenbouwkundige ensembles. Het landschappelijk erfgoed is weergegeven op de kaartbijlage 3 en 6. In deze rapportage wordt het geïnventariseerde en gewaardeerde erfgoed uitgebreid toegelicht en geïllustreerd. Op basis van deze informatie kan de gemeente Groningen beleidsmatige keuzes maken ten aanzien van de omgang met haar erfgoed.
Inhoud
1.1 Kader
1.2 Het onderzoeksgebied
1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling
1.4 Leeswijzer
1.5 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis
Deel I Archeologie
2.1 Bronnen en methode
2.2 Resultaten
3.1 Inventarisatie
3.2 Waardering
4.1 Inventarisatie
4.2 Waardering
Deel II Historische geografie
5.1 Achtergrond en uitgangspunten
5.1.1 Kartering (kaartbijlage 3)
5.1.2 Waardering en vaststellen herkenbaarheid (kaartbijlage 6)
5.2 Resultaten inventarisatie
5.3 Resultaten waardering en herkenbaarheid
5.3.1 Inleiding
5.3.2 Waardering
5.3.3 Herkenbaarheid
6.1 Bronnen en methode
6.2 Resultaten
6.3 Waardering
Deel III Bouwkunst en stedenbouw
7.1 Inleiding
7.2 Bestaande inventarisaties
7.3 Bronnen en methode
7.4 De resultaten van de inventarisatie
7.5 Waardering historische bouwkunst
7.6 Bouwhistorische verwachtingswaarde
8.1 Schets stedenbouwkundige ontwikkeling van Groningen
8.2 De dorpen
8.3 Inventarisatie
8.4 Beschermde stads- en dorpsgezichten
8.5 Bronnen en methode
8.6 Waardering stedenbouwkundige ensembles
8.7 Bevindingen
Deel IV Een thematische benadering
9.1 Inleiding
9.2 Thema 1. Historisch groen
9.3 Thema 2. Religieus erfgoed
9.4 Thema 3. Agrarisch erfgoed
9.5 Thema 4. Militair erfgoed en oorlogshandelingen
9.6 Thema 5. Bijzondere representatieve gebieden
DEEL V Beleidsadviezen
10.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 153
10.2 Archeologie
10.3 Landschap
10.4 Historische bouwkunst
10.5 Stedenbouw en ensembles
11.1 Een integrale cultuurhistorische waarderingskaart
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Kader
In januari 2019 heeft gemeente Groningen RAAP en Monumentenadviesbureau (MAB) de opdracht gegeven voor het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart voor het grondgebied van de voormalige gemeenten Groningen en Ten Boer. Op 1 januari 2019 zijn de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer samengevoegd. De ‘oude’ gemeente Groningen beschikte al over een Cultuurhistorische waardenkaart (CWK) waar een veelheid aan informatie in is samengebracht, op het vlak van archeologie, historisch geografie, historische bouwkunst en stedenbouwkundige ensembles. De gemeente Ten Boer beschikte over een archeologische beleidsadvieskaart en een lijst met gemeentelijke monumenten en waardevolle bouwkunst. Een aantal historisch geografische elementen was middels het bestemmingsplan geborgd.
In de gemeentelijke erfgoednota 2017 was een van de belangrijkste doelen de gemeentelijke herinventarisatie en waardering van de (onbeschermde) cultuurhistorische waarden. De gemeente wil de herindeling aangrijpen om dit voor het gehele nieuwe grondgebied op uniforme wijze uit te voeren.
De inventarisatie en waardering van het erfgoed is uitgevoerd volgens de landelijk geldende methodiek en vormen de basis voor de beleidsadviezen hoe met de verschillende waarden om te gaan. Sinds januari 2012 dienen gemeenten, door wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en de
Monumentenwet rekening te houden met cultuurhistorische (lees: cultuurlandschappelijke en historisch(steden)bouwkundige) waarden in bestemmingsplannen. Eerder al had archeologie een wettelijke en/of planologische vertaling gekregen en konden bouwhistorische waarden via de monumentenverordening worden geborgd. Daarmee krijgen cultuurhistorische waarden een volwaardige plek binnen de ruimtelijke ordening.
De kaarten zijn geschikt om de basis te gaan vormen voor toekomstig cultuurhistorisch beleid (o.a.
planologische borging) en zijn door hun digitale basis geschikt voor het digitaal stelsel van de Omgevingswet. Daarnaast kan het inspiratie bieden voor recreatie, erfgoededucatie en PRmarketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer).
1.2 Het onderzoeksgebied
De gemeente Groningen maakt deel uit van de gelijknamige provincie. De huidige gemeente grenst aan de gemeenten Westerkwartier in het westen, de gemeenten Het Hogeland en Loppersum in het noorden en de gemeente Midden-Groningen in het oosten. In het zuiden grenst het aan de Drentse gemeenten Noordenveld en Tynaarlo. Ons onderzoek richt zich op het grondgebied van de voormalige gemeenten Groningen en Ten Boer, vóór de samenvoeging van deze gemeenten met de gemeente Haren.

1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling
Het onderzoek voor de cultuurhistorisch waardenkaart valt in drie lijnen uiteen. Binnen het onderdeel archeologie werd het onderzoek naar de archeologische zones uitgevoerd door drs. Jørgen van Beek(RAAP), hij stelde ook het beleidsadvies op voor dit onderdeel. Drs. Jasper Huis in ‘t Veld (RAAP) inventariseerde en waardeerde de archeologisch percelen.
Binnen de historisch-geografische studie werd de inventarisatie, waardering en beschrijving van de cultuurlandschappen door ir. Luuk Keunen uitgevoerd, hij stelde ook het beleidsadvies op voor dit onderdeel. De inventarisatie van landschapselementen werd uitgevoerd door Steven van der Veen MA (RAAP). Het onderdeel van oorlog en defensie werd uitgewerkt door M. Scholte-Lubberink (RAAP). De geïnventariseerde elementen zijn vervolgens gewaardeerd door drs. Bjorn van Snippenburg (RAAP).
Drs. CeesJan Frank (MAB) inventariseerde, waardeerde en beschreef de historische bouwkunst en drs. John de Jong inventariseerde, waardeerde en beschreef de stedenbouw en ensembles van Groningen. Archiefonderzoek werd uitgevoerd door drs. Miranda Lemmens (MAB) en ing. Gerrit Korenberg (MAB) deed onderzoek naar de bouwhistorische verwachtingswaarde.
Op 27 juni 2019 en 29 januari 2020 heeft een bijeenkomst met de klankbordgroep plaatsgevonden.
Tijdens deze bijeenkomsten zijn de inventarisatie- en waarderingsfase gepresenteerd en besproken. De klankbordgroep was samengesteld uit medewerkers van verschillende gemeentelijke afdelingen, dhr. J van den Broek (Groninger Archieven), dhr. Van Rossem (Cultuurhistorische Vereniging Ten
Boer), dhr. Rooke en mevr. G. Bergsma (Provincie Groningen), dhr. Kloosterman (monumentencommissie), dhr. Van Veen (Vrienden van de Stad) en oud-medewerkers van de gemeente Groningen mevr. Overbeek en dhr. R. Kruisman. We danken hen voor het controleren van de gegevens en aandragen van waardevolle informatie. Daarnaast zijn we dank verschuldigd aan de dhr. Vos (Groninger Archieven) voor het lichten omvangrijke hoeveelheid dossiers, alsook de baliemedewerkers van dit archief.
1.4 Leeswijzer
Dit rapport is opgedeeld in vijf delen. In de eerste drie delen komen de disciplines archeologie, historisch landschap en landschapselementen, en historische bouwkunde en stedenbouw aanbod. Het vierde deel bevat een thematische uitwerking en in deel vijf zijn beleidsadviezen opgenomen.
Hoofdstuk 1 vormt de inleiding op het rapport. Hierin komen de opzet van het project en het onderzoek aanbod. De delen I, II en III beschrijven per discipline de methodiek, bronnen en uitkomsten van de inventarisaties en waarderingen. In Deel I komt de inventarisatie en waardering van archeologische onderzoeken, zones en percelen aanbod (hoofdstuk 2, 3 en 4). In Deel II wordt de inventarisatie en waardering van het cultuurhistorisch landschap en landschapselementen beschreven (hoofdstuk 5 en 6). Deel III bevat de toelichting op de inventarisatie en waardering van bouwkunst en stedenbouwkundige ensembles (hoofdstuk 7 en 8).
Deel IV vormt een thematische benadering van het geïnventariseerde erfgoed, onderverdeeld in vijf thema’s (hoofdstuk 9). Deel V richt zich op de vertaling van de geïnventariseerde en gewaardeerde cultuurhistorische waarden naar beleidsadviezen.
De kern van het onderzoek wordt echter gevormd door de kaarten, waarop de geïnventariseerde en gewaardeerde elementen en gebieden zijn samengebracht. De kaartbijlagen zijn net als het rapport ingedeeld in de disciplines en zijn steeds opgesplitst in een inventarisatie- en waarderingskaart. De archeologische zones, percelen en onderzoeken zijn weergegeven op kaartbijlage 1 en 2. De bouwhistorische waarden en stedenbouw en ensembles zijn weergegeven op kaartbijlage 3 en 4. Op de kaartbijlagen 5 en 6 zijn het cultuurhistorisch landschap en de landschapselementen weergegeven. Omwille van de leesbaarheid zijn voor de kernen en wijken deelkaarten gemaakt in de vorm van een atlas, schaal 1:10.000 (Atlasbijlage 1 tot en met 3).
De beschrijving van de thema’s uit Deel IV van het rapport vormt een toelichting op de themakaarten, kaartbijlage 7 tot en met 11. Tot slot is een integrale waarderingskaart opgesteld (kaartbijlage 12), waarop de resultaten van de verschillende waarderingen zijn samengebracht.
In het rapport worden dezelfde aspecten soms vanuit verschillende invalshoeken belicht: vanuit archeologie, bouwkunst & stedenbouw en vanuit de historische-geografie. Door de opzet van het onderzoek en het rapport zijn herhalingen niet te vermijden. Om de verschillende disciplines beter op elkaar te laten aansluiten zijn verwijzingen opgenomen naar relevante paragrafen in andere hoofdstukken.
1.5 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis
In de volgende paragrafen wordt een beknopte landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis omschreven voor het onderzoeksgebied. Deze is met name ontleend aan Boersma etc., 1990; Van Beek & Vos, 2008 en Duijvendak etc., 2008.
1.5.1 Landschapsontwikkeling
De basis van het landschap van de gemeente Groningen en de voormalige gemeente Ten Boer is gevormd in het Pleistoceen (zie tabel 1 in bijlage). In deze periode was er nog geen veen of klei. De belangrijkste morfologische eenheid uit deze periode is de Hondsrug, die is ontstaan in de voorlaatste ijstijd: het Saalien. Ten westen van de Hondsrug bevindt zich het Drents plateau, waar het beeksyteem van de Drentse Aa zich heeft gevormd en ten oosten de Hunzevlakte, met het beeksysteem van de Hunze. Na de laatste ijstijd, het Weichselien, werd het in onze contreien warmer en vanaf ca. 11.000 jr geleden brak een nieuwe geologische periode aan; het Holoceen. In deze periode is het landschap zoals we dat nu rondom Groningen zien grotendeels gevormd. De belangrijkste factor in de vorming van het Holocene landschap was de relatieve zeespiegelstijging. Aan het begin van het Holoceen stond de zeespiegel meer dan 30 m onder het huidige gemiddelde zeeniveau en was er nog geen sprake van mariene invloed in het Groningse grondgebied. De eerste overstromingen in de laagste delen, de Hunze- en Fivelbekkens, begonnen tussen 8000 en 7000 voor heden, toen lag het gemiddelde zeespiegelniveau tussen de 20 tot 15 m -NAP. Als gevolg van de voortschrijdende zeespiegelstijging verdronk in de daarop volgen de periode heel Noord-Groningen en ontstond een grootschalig getijdengebied met wadden en kwelders. In het overgangsgebied tussen het getijdengebied en de hogere pleistocene gronden van het Drents Plateau ontwikkelde zich een kustveenmoeras. De veenvorming in de overgangszone tussen het mariene gebied en de hogere pleistocene gronden werd veroorzaakt door de vernatting die het gevolg was van een stijgende lokale grondwaterspiegel. Het maaiveld van het kustveenmoeras lag boven het gemiddelde zeeniveau. Alleen de noordelijke randzone van het veenmoeras werd incidenteel tijdens extreme hoge stormvloedwater standen overstroomd. Verder landinwaarts werden kleien afgezet die bij hoogwater vanuit zee werden meegevoerd via de dalen van de rivieren zoals de Hunze en de Fivel.
Het kustgebied van Noord-Nederland is nooit gesloten geweest door een aaneengesloten strandwal, zoals in West Nederland. De kustlijn bestond uit zeegaten en waddeneilanden die in de eerste helft van het Holoceen wat noordelijker lagen dan de huidige. Het waddengebied bestond uit zand- en slikplaten die bij eb droog vielen en bij vloed overstroomden. De kwelders daarentegen kwamen alleen tijdens spring- en/of stormtij onderwater te staan. De kwelders waren begroeid met een zoutminnende vegetatie. De soortensamenstelling werd in belangrijke mate bepaald door de frequentie en duur van de overstromingen, die op hun beurt afhankelijk waren van de hoogteligging van de kweldergebieden. Kwelders kunnen op grond van hoogteligging en vegetatie ingedeeld worden in lage, midden en hoge kwelders. Het overgangsgebied tussen het wad en de kwelder wordt de pionierszone genoemd. Tijdens de overstroming van de kwelders worden de met het water meegevoerde grofste sedimentdeeltjes (zand en silt) langs de randen van de kwelders en de oevers van de getijdenkreken afgezet. De fijnere kleideeltjes blijven langer in suspensie en worden voor het grootste deel in het achterliggende kweldergebied afgezet. Dit proces leidde ertoe dat langs de wad-kwelderranden en kreekoevers lage zandige ruggen werden gevormd. Deze ruggen worden kwelderwallen en oeverwallen genoemd. Tussen Ten Boer en Ten Post ligt een kwelderwal en langs de Hunze bevinden zich oeverwallen.
In de loop van de late middeleeuwen, rondom 1.200 na Chr., nam de invloed van de zee nam af. Door de aanleg van dijken en waterwerken kreeg de mens steeds meer grip op de invloed van de zee. De invloed van de zee bleef echter tot in de 19e eeuw merkbaar, ook in de stad Groningen. Eb en vloed, en zeker springvloed, waren zaken waar nog terdege rekening mee gehouden werd. Zo bevinden zich bij Spilsluizen en het Lopende Diep nog eb- en vloedkaden en werd aan het Hoge der Aa gebruik gemaakt van planken om bij springvloed ingangen van kelders te beschermen tegen het hoge water. Met de verwezenlijking van het sluizencomplex in Zoutkamp in 1877 kwam een definitief einde aan de grote invloed van de zee in de stad Groningen en omstreken.
1.5.2 Bewoningsgeschiedenis
De vroegst bekende bewoning in de gemeente Groningen betreft de vondst van een kampement behorende tot de Hamburg cultuur uit het Laat Paleolithicum. Dit kampement is in de eerste helft van de jaren ‘80 van de 20e eeuw opgegraven. De vindplaats ligt aan de zuidwestzijde van Haren bij de visplas Sassenhein. De mensen van de Hamburgcultuur leefde voornamelijk van jacht, met name op rendieren. Uit de daarop volgende periode, het mesolithicum, startend aan het begin van het Holoceen, zijn de gemeente Groningen veel meer vindplaatsen bekend. Zo is bij de eerder genoemde opgraving bij Sassenhein een mesolithische haardkuil aangetroffen. Meer recentelijk zijn mesolithische resten opgegraven bij het Europapark, op het treinrageerterrein De Vork, in Meerstad en ook in de binnenstad van Groningen in het Ebbingekwartier. Het warmere klimaat zorgde voor een grotere biodiversiteit waardoor deze streken veel aantrekkelijker werden voor bewoning. Naast jacht en visvangst vormde het verzamelen van noten, bessen, knollen, etc. een belangrijke voedselborn. Mensen trokken als nomaden rond, om zo in de verschillende jaargetijden optimaal te kunnen profiteren van de natuurlijke voedselbronnen. Dit veranderde geleidelijk, maar toch drastisch met de introductie van de landbouw ca. 7.000 jaar geleden. In het neolithicum gingen mensen op een vaste plek in de buurt van hun akkers wonen. Ze bouwden woonstalhuizen als hun onderkomen en dat van hun dieren. Op hun akkers verbouwden ze onder andere granen en het vee werd geweid op de weiden in de omgeving. De oogst werd opgeslagen in aardewerken potten waarin ook gekookt werd. De doden werden begraven in grafheuvels en hunebedden. Vooral deze laatste zijn zeer bekend en ook in de gemeente Groningen bevindt zich een hunebed (G1 in Noordlaren). De jacht en het verzamelen van vruchten en dergelijke maakte nog wel deel uit van de voedselvoorziening maar het aandeel was klein. Landbouw was veel belangrijker en nam in belang toe, mede door de introductie van allerlei technieken, zoals de eg. Sporen van be-akkering in de vorm van zogenaamde ploegkrassen, zijn in Groningen aangetroffen bij opgravingen ten behoeve van de uitbreiding van het UMCG.
Aan het eind van het neolithicum treedt een verandering in de grafcultuur op, mensen worden meer en meer in grafheuvels begraven. De eerste verschijning hiervan doet zich voor in de Enkelgrafcultuur. Mensen worden in grafheuvels begraven. Deze grafheuvels zijn primair bedoeld voor één persoon, echter niet elk individu krijgt een grafheuvel. Dit duidt op een maatschappij met een toegenomen gelaagdheid. De Enkelgrafcultuur wordt gerekend tot de bekerculturen waar ook de Klokbeker- en de Wikkeldraadcultuur tot behoren. Deze laatste cultuur wordt, door de introductie van brons, vaak tot de vroege bronstijd gerekend, maar het grafritueel is nauwelijks gewijzigd. In de gemeente Groningen zijn weinig sporen bekend uit de bronstijd. Bij de Harenermolen is wel een grafheuvel bekend, die reeds in het late neolithicum in gebruik was en daarmee bovenstaande ontwikkeling kenschetst.
Uit de vroege ijzertijd zijn eveneens weinig vindplaatsen bekend. In de midden ijzertijd trokken mensen naar de kwelders van het kleigebied. Wellicht raakte de zandgronden rondom Groningen overveend en werd het kweldergebied mede daarom aantrekkelijker. Maar deze argumentatie is niet stuitend. Bij het archeologisch onderzoek van de opstelplaats de Vork in Haren werd op de flank van de Hondsrug, op enige diepte, een plattegrond van een gebouw aangetroffen uit de inheems Romeinse tijd; ca. 200 n.CHr. Dit maakt duidelijk dat de Hondsrug in de omgeving van Groningen een aantrekkelijke leefomgeving bleef. Ook uit de midden ijzertijd zijn uit Groningen vondsten bekend, waarvan de vondst van een La Tene-fibula in 1956 bij de Westersingel een mooi voorbeeld is.
De bekendste woonlocaties uit de ijzertijd in het Groninger kleigebied zijn zondermeer de wierden.
Deze markante woonheuvels zijn nog steeds goed herkenbaar in het landschap, zoals bij Dorkwerd. Maar ze zijn soms ook afgedekt door latere middeleeuwse kleiafzettingen, zoals de overslibde wierden van Paddepoel en Vinkhuizen, waarvan nog steeds resten in de bodem bewaard zijn gebleven, zoals bij recentelijk archeologisch onderzoek is aangetoond. De wierden werden veelal aangelegd op de hogere kwelderruggen. Het zeewater overspoelde deze ruggen nog weleens in de winter, maar in de zomer was daar nauwelijks sprake van. Dikwijls vond de eerste bewoning dan ook plaats op de kwelder zelf en werd later, ten gevolge van het stijgende zeewater, een podium voor een woonhuis aangelegd, die kon uitgroeien tot een wierde. De kweldergronden rondom het woonhuis waren, zeker in de zomerperiode, uitermate geschikt voor landbouw en veeteelt.
Vanaf ongeveer de 2e-3e n.CH., in de inheems Romeinse tijd (zo genoemd omdat de Romeinse niet zelf in het Noorden aanwezig waren), neemt de bewoning op de Hondsrug ook weer toe. De vondst van een gebouwplattegrond uit deze tijd bij opstelplaats de Vork is hiervoor al genoemd. In de stad zelf zijn op het Martinikerkhof ook sporen, zoals paalkuilen en sloten uit deze periode gevonden. Ook bij de opgravingen ter plekke van het nieuw Forum en op diverse andere locaties in de binnenstad zijn sporen en vondsten uit deze tijd aangetroffen. Het lijkt erop dat in deze periode in Groningen een inheemsRomeinse nederzetting was ontstaan, die bestond uit verspreid staande boerderijen; sterk lijkend op de nederzettingen uit deze periode die we uit Drenthe kennen. De bewoning in Groningen liep ook door in de Volksverhuizingstijd en daarmee is Groningen goed vergelijkbaar met (noord) Drentse dorpen zoals
Midlaren, waar een groot nederzettingscomplex is opgegraven uit de inheems Romeinse tijd. Dat Groningen in vroegere tijden, net als Drentse dorpen, een marke is geweest verwondert dan ook niet. De grenzen van de historische marke van Groningen lagen mogelijk in het noorden, westen en oosten op de overgang naar de kleigronden en in het zuiden op de grens met het buurtschap Helpman.
In de loop van de middeleeuwen doet ook het christelijk geloof zijn intrede in het noorden en Groningen. Vermoedelijk is in de vroege 9e eeuw in Groningen op de plek van het Martinikerkhof de eerste kerk gesticht. Hier lag reeds een grafveld uit de 7e-8e eeuw, waarvan resten in de vorm van boomkisten zijn aangetroffen in de Martinikerk.
Groningen komt in 1040 in handen van het bisdom van Utrecht. Uit die tijd is een, onder Groningers zeer bekende, oorkonde bekend waarin wordt vermeld dat Koning Hendrik III de kerk van Utrecht een hof schenkt in Groningen. Vanaf dit moment ontwikkeld Groningen zich meer en meer als een stad. Er worden wallen, muren en grachten aangelegd er worden kerken gebouwd en de stad breid zich behoorlijk uit. De groei van dorp tot stad blijkt in deze periode door de stichting van een tweede parochie rond de Der Aa-kerk en de vestiging van twee kloosters, een van de Franciscanen en een van de Dominicanen. Ook het oudste gasthuis, het Pelstergasthuis, stamt uit deze periode; het wordt voor het eerst genoemd in een pauselijke bul uit 1267. Waar nu het Academiegebouw staat worden in 1276 en 1284 twee begijnhofjes gesticht: het Vrouwe Menoldaconvent en het Vrouwe Sywen Convent.
De groei van de stad berustte niet op toeval. Groningen vormde het meest noordelijk gelegen Drentse dorp. Dat zelfde Drenthe was in bezit van de bisschop van Utrecht, net als Groningen, en de handel vanuit Drenthe verliep veelal via de Groningse markt en transacties werden afgehandeld met munten die in Groningen door het bisdom werden geslagen. Een bekend bewijsstuk voor deze handel is een document uit 1258 waarin Koning III van Engeland Groningse burgers enige voorrechten verleent. Voorbeelden van de handel van Groningen met andere landen worden dikwijls gevonden bij opgravingen. Een voorbeeld daarvan is aardewerk uit Duitsland, zoals Pingsdorf-aardewerk of het zogenaamde proto-steengoed. Meer bijzonder is de vondst in 1891 van een Hanzeschotel uit de 12 e eeuw en recentelijk is nog een dergelijke schotel gevonden.
De stad kon inde late middeleeuwen uitgroeien tot een bloeiende handelsnederzetting. In de 14 e eeuw sloot de stad zich aan bij het Hanzeverbond. Inmiddels waren de rechten van de stad erkent door bisschop Gwijde van Avesnes. De handel op de marktplaats in de stad komt dan vooral voort uit de omliggende Ommelanden.
In de vijftiende eeuw beleeft Groningen een periode van grote bloei. Het Oldambt, binnen de huidige provincie, wordt in deze periode een van de stad afhankelijk gebied. Het Gorecht, het gebied ten zuiden van de stad, wordt van de bisschop in pacht verkregen. Met het Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo worden verdragen gesloten dan wel vernieuwd, die de invloed van de stad vastleggen of versterken. De bloei van de stad blijkt ook uit de bouw van de huidige Martinitoren, die in deze periode plaatsvindt. De stad liet rond 1470 een nieuwe aarden wal rond de bestaande stadsmuur aanleggen, waarmee de Hunze en de Drentsche Aa ook binnen de stadsmuren werden getrokken. In 1473 verkreeg ze het stapelrecht, waardoor alle goederen uit de Ommelanden voortaan als eerste moesten worden aangeboden in de stad, iets dat met name onder de boeren tot veel weerstand leidde.
Nieuwe tijd
In 1614, twintig jaar na de Reductie van Groningen, wordt een ambitieus plan gepresenteerd voor een stadsuitbreiding aan de noordzijde van de oude stad. Tegelijkertijd zouden de verdedigingswerken worden vernieuwd door de aanleg van een nieuwe omwalling met zeventien bastions. Na het gereedkomen van deze stadsuitbreiding in 1624 was de ruimtelijke dynamiek tot in de 19e eeuw relatief laag. Na het Rampjaar 1672 werd besloten de Linie van Helpman of Helperlinie aan te leggen, dwars op de richting van de Hondsrug. Ook verstevigde de stad vanaf de 17e eeuw haar positie als economisch centrum van de turfhandel door de aanleg van kanalen en wegen vanuit de omringende veengebieden. Bestaande vaarwegen werden verdiept, verbreed en doorgetrokken tot in de stad (zoals Schuitendiep en Boterdiep). Na de aansluiting bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1594 kocht de stad veengebieden op die waren onteigend van de Groningse kloosters.
In de loop van de 19e eeuw ontstond gebrek aan ruimte in de stad binnen door bevolkingsgroei en veranderingen in handel en industrie. Hoewel reeds op kleine schaal buiten de vestingwallen werd gebouwd, kon pas na de inwerkingtreding van de Vestingwet uit 1874 op grote schaal op en buiten de vesting worden gebouwd. Ingenieur der Vestingen F.W. van Gendt maakte een plan voor de herinrichting van de vestingen (1876), dat door architect L.A. Brouwer verder werd uitgewerkt. Van het plan van Van Gendt werd het Noorderplantsoen uitgevoerd. De reeks singels met ronde verkeerspleinen en kavels voor villa’s en luxe stadswoningen aan de zuidzijde van de binnenstad is op basis van het plan van Brouwer tot uitvoering gebracht.
De eerste stadsuitbreiding buiten de voormalige vestingwerken werden door particuliere ontwikkelaars, met een geringe bemoeienis van de gemeente door uitgevoerd. De stedenbouwkundige opzet borduurde voort op het al aanwezige verkavelingspatroon. De kwaliteit van de woningen was over het algemeen matig en de huren hoog. De Woningwet van 1901 luidde een nieuwe fase in de stadsontwikkeling in. Gemeenten waren voortaan verplicht een uitbreidings- en bestemmingsplan op te stellen. Het eerste plan werd in 1906 vastgesteld en voorzag in de verbetering van infrastructuur door aanleg van kanalen, spoor- en tramlijnen en een ringweg, alsook nieuwe woonwijken rondom de oude binnenstad. Het uitbreidingsplan werd uitgewerkt met behulp van deelplannen en is uiteindelijk op onderdelen gewijzigd uitgevoerd. In de decennia daarop werd het uitbreidingsplan herzien en aangepast om ruimte te bieden voor nieuwe functies.
Ook in de binnenstad vonden vanaf het einde van de 19e eeuw grootschalige ruimtelijke ingrepen plaats. Nieuwe type gebouwen veranderden het stadsbeeld, zoals kantoren, bankgebouwen, hotels, bioscopen, warenhuizen en ziekenhuizen. Om ruimte te bieden aan het toenemend verkeer werd grachten gedempt en bestaande straten verbreed. Rondom de nieuwe Wester- en Oosterhaven vestigden zich handelskantoren en pakhuizen.
Na de Tweede Wereldoorlog lag er een grote ruimtelijke opgaven. Als gevolg van oorlogsschade, jarenlange stagnatie van de bouwproductie en een bevolkingstoename, was er een groot tekort aan woningen. De wederopbouw van de geteisterde binnenstad werd grotendeels op moderne leest geschoeid. De wijken die al voor de oorlog volgens het vooroorlogse plan waren uitgevoerd, werden na de oorlog afgerond. Vanaf 1950 kreeg het Structuurplan een sturende rol in de ruimtelijke ontwikkeling van Groningen. Het eerste structuurplan van 1950 werd ingezet voor de ontwikkeling van Laanhuizen, Corpus den Hoorn, De Wijert-Noord en Coendersborg. Het tweede structuurplan uit 1960 voorzag in zeer grote uitbreidingen aan de noordzijde van de stad, de wijken Selwerd en Paddepoel.
Hoofdstuk 2 Archeologische onderzoeken
2.1 Bronnen en methode
Voor het grondgebied van de voormalige gemeente Ten Boer zijn de archeologische onderzoeken geïnventariseerd (zie kaartbijlage 1). Archis3 (het nationale (digitale) archeologische archief) is geraadpleegd voor een overzicht van de sindsdien afgeronde archeologische onderzoeken (peildatum 9‑4‑2019). Totaal zijn in 67 onderzoeken geregistreerd die betrekking hebben op de voormalige gemeente Ten Boer. Deze 67 zijn nader bestudeerd.
2.2 Resultaten
Op kaartbijlage 1 zijn de ruimtelijke gegevens met betrekking tot het bekende archeologische onderzoek verwerkt. Veel van de hierin opgenomen terreinen zijn weliswaar archeologisch onderzocht, maar meestal betreft het archeologisch vooronderzoek. Het gaat in totaal om 9 opgravingen, 3 proefsleuven, 31 booronderzoeken en 23 bureauonderzoeken. De begrenzing van de onderzoekmeldingen is aangepast naar de daadwerkelijk onderzochte gebieden (vaak kleiner dan de onderzoeksmeldingen in Archis). In de GIS-tabel is de aanleiding voor het onderzoek, de activiteit, de uitvoerder, datering, een samenvatting en een link naar de documentatie (pdf) opgenomen.
Hoofdstuk 3 Archeologische zones
3.1 Inventarisatie
3.1.1 Methode en bronnen
De gemeente Groningen hanteert voor haar archeologische verwachtingen de term archeologische zones. Om tot een hernieuwde kaart van archeologische zones voor de CWK Groningen te komen zijn de volgende stappen doorlopen:
1) inventarisatie van de reeds bestaande archeologische zones;
2)inventarisatie van gebieden waarvoor nog geen archeologische verwachting, en dus zone, bestaat, zogenaamde “witte vlekken”;
3) waarderen van zones: waar nodig zones wijzigen, verwijderen of toevoegen.
Voor de eerste twee stappen is gebruik gemaakt van de huidige CWK en gegevens van de gemeente Groningen. Voor de laatste stap is gebruik gemaakt van beschikbare bodemkaarten, geomorfologische kaarten, paleogeografische kaarten, historische kaarten en eerder uitgevoerd archeologische veldonderzoek.
Voor de voormalige gemeente Ten Boer is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare archeologische verwachtingskaart. Deze kaart is gebruikt in het bestemmingsplan van Ten Boer en destijds op een enkele punten gewijzigd. De kaart met wijzigingen is integraal overgenomen.
3.1.2 Resultaten
Bestaande zones
Binnen de gemeentegrenzen van de voormalige gemeente Groningen bestaan per 2019, 21 archeologische zones (zie tabel 1). Deze zones zijn gebaseerd op archeologisch onderzoek en/of landschappelijke gegevens.
Het merendeel is ongewijzigd overgenomen op de nieuwe kaart (kaartbijlage 1). Vier zones zijn geheel of deels komen te vervalen, ofwel omdat na diverse archeologische onderzoeken blijkt dat de archeologische verwachting naar laag dient te worden bijgesteld (bijvoorbeeld voor het westelijk deel van de zone Laanhuizen) of omdat inmiddels meer gedetailleerde en beter onderbouwde verwachtingskaarten beschikbaar zijn (bijvoorbeeld het gebied rondom Lettelbert-Engelbert; zie ook Boekema & Van der Veen, 2019). Tevens zijn twee zones uitgebreid: de rug van Tynaarlo en De A.
Voor het noordelijk deel van Meerstad, rondom het gehucht het Heidenschap, is na een overleg met de klankbordgroep besloten om de archeologische verwachting daarvan nader uit te werken. Aangezien van dit gebied goede bodemkundige, landschappelijke gegevens ontbreken, is in overleg met de gemeente besloten deze nadere uitwerking in een separaat project gestalte te geven, waarbij ook veldonderzoek zal plaatsvinden.
Binnen de gemeentegrenzen van de voormalige gemeente Groningen bestaan per 2019 de volgende archeologische zones:
|
Archeologische zones |
Gebaseerd op (opmerkingen) |
|
Wierdengebied |
Landschap |
|
Hondsrug |
Landschap |
|
Hunzezone |
Landschap |
|
Stroomdal Oer-hunze |
Landschap |
|
Archeologische zone: Zandopduikingen Meerstad |
Landschap |
|
Rug van Tynaarlo |
Landschap |
|
Noorddijk |
Historische kaartmateriaal |
|
Verwachting Laanhuizen, Gruno- en Stadsparkbuurt |
Onderzoek (Spoelstra, 2011) & landschappelijk (Drentse Aa/ Hoornse Diep). Oostelijk deel is toegevoegd aan zone De A, westelijk deel is als zone komen te vervallen. |
|
Hoge verwachting EnCeHa |
Onderzoek (Exaltus & Orbons, 2014) |
|
Hoge verwachting Beijum |
Onbekend (onderzoek: [Groene Long]) |
|
Eelderbaan + omgeving |
Onderzoek (Bongers, 2010) & landschap (flank rug van Tynaarlo) |
|
Archeologische zone: De A |
Landschap |
|
Hoge verwachting Engelbert |
Vervallen (opgenomen in zone Meerstad) |
|
Kalkbranderij 'de Etna' |
Onderzoek (Wierenga, 2018; b.b.v. onderzoek wijzigen in perceel) |
|
Archeologische zone: Borgweg |
Vervallen (opgenomen in zone Meerstad) |
|
Hoge verwachting buiten de A-poort |
Onbekend (historische kaartmateriaal?) |
|
Hoge verwachting Roderwolderdijk |
Onderzoek (Westpoort) |
|
Dorpskern Engelbert |
Vervallen: wijzigen in perceel |
|
Hoge verwachting Ter Borchlaan |
Landschap (rug van Tynaarlo) |
|
Hoge verwachting tram |
Onderzoek (Buitenhuis & Wullink, 2011) |
|
Archeologische zone: bij Gasthuiskade |
Onderzoek (Boekema & Hekman, 2016) |
De zones zijn deels gebaseerd op landschappelijke informatie, zoals bij de zone “Hondsrug” en deels op uitgevoerd archeologisch onderzoek, zoals “Hoge verwachting tram” en “Eelderbaan + omgeving”.
Van de “Hoge verwachting Beijum”, “Noorddijk” en “Hoge verwachting buiten de A-poort” is niet duidelijk op basis waarvan de hoge verwachting is gebaseerd. Bij de laatste twee betreft het vermoedelijk historisch kaartmateriaal.
Witte vlekken: artikel 23
In de voormalige gemeente Groningen was voor een aantal gebieden de archeologische verwachting (nog) niet uitgewerkt: zogenaamde “witte vlekken”. Het betreft:
|
naam |
nummer op kaartfiguur 2 |
opmerking |
|
Westpoort |
1 |
Verwachtingskaart aanwezig (RAAP rapport 738; Exaltus, 2002) |
|
Ruskeveen west |
2 |
- |
|
Vinkhuizen en deel De Held |
3 |
- |
|
Vinkhuizen: Hoendiep |
4 |
- |
|
Friesestraatweg west |
5 |
- |
|
Kostverloren |
6 |
Booronderzoek uitgevoerd (De Roller, 2015). Op dit moment is begeleiding gaande. Resultaten verwerken op kaart. |
|
Zeeheldenbuurt incl. Eelderbrug |
7 |
- |
|
Hoorsnsedijk |
8 |
- |
|
Oosterpoort Barkmolenstraat |
9 |
- |
|
St. Petersburgweg |
10 |
- |
|
Meerstad |
11 |
Verwachtingskaart aanwezig (RAAP rapport 3623; Boekema & Van der Veen, 2019) |
|
Ruischerbrug: Eemskanaal |
12 |
- |

3.2 Waardering
3.2.1 Resultaten: toegevoegde en gewijzigde zones
Binnen de voormalige gemeente Groningen
Historische binnenstad
De binnenstad van Groningen kent geen archeologische verwachting. De archeologische waarden in de binnenstad worden beschermd middels een perceel, genaamd “binnenstad” (MON Nummer: 106766). Aangezien dit perceel geheel op de Hondsrug ligt is besloten om de archeologische zone “Hondsrug” te verbinden aan de binnenstad van Groningen. Het perceel binnenstad wordt ook gehandhaafd. Door hier de zone Hondsrug aan te verbinden wordt duidelijk gemaakt dat in de binnenstad van Groningen ook archeologische waarden uit de prehistorie kunnen worden verwacht, zoals bij diverse onderzoeken is aangetoond.
Rug van Tynaarlo
De bestaande archeologische zone “de rug van Tynaarlo” en “De A” zijn gewijzigd. De rug van Tynaarlo is verruimd en begrensd aan de hand van de pleistocene ondergrond van de paleogeografische kaarten Nederland (Vos, & De Vries, 2013). Hierbij is gekozen om aan de pleistocene gronden tot maximaal 4 m –NAP een hoge verwachting toe te kennen. De westgrens is op basis van gegevens uit archeologisch booronderzoek[1] (Archis3) en sonderingsonderzoek (Dinoloket) aangepast. Op basis hiervan is de westgrens opgeschoven naar het westen. In het noorden is het Hoendiep als grens aangehouden en in het oosten ligt de archeologische zone “Wierdengebied”. Hoewel de rug van Tynaarlo hier ook ondergronds aanwezig is, is er voor gekozen om de zone Wierdengebied hier af te beelden, aangezien deze hier de dominante archeologische verwachting vertegenwoordigd.
De A
Het noordelijk deel van de archeologische zone De A is gewijzigd op basis van gegevens van de gemeente Groningen (zie hieronder). Het zuidelijk deel is nieuw vorm gegeven waarbij het oostelijk deel van de bestaande zone Laanhuizen en de witte vlek “Hoornsedijk” in de nieuwe zone zijn opgenomen. Het zuidelijk deel van de zone De A is gebaseerd op landschappelijke gegevens (paleogeografische kaarten, bodemkaarten, geomorfologische kaarten), archeologisch onderzoek en historisch kaartmateriaal (kadastrale minuut 1832).
Toevoegingen en wijzigingen door de gemeente Groningen
De gemeente Groningen heeft een bestand aangeleverd dat een aantal wijzigingen en nieuwe zones bevat. Deze zones zijn verwerkt in de kaart met archeologische zones. Het betreft:
• Wijziging: De A (o.b.v. Clingenborg, Kortekaas en Van den Broek)
• Toevoeging: klein deel Hunzezone bij Noorderhogebrug
• Toevoeging: klein deel Hondsrug ten zuiden van stortplaats Woldjespoor
Witte vlekken: artikel 23
De gemeente heeft in het kader van onderhavig onderzoek verzocht voor deze artikel 23 gebieden een archeologische verwachting op te stellen. In het overzicht hieronder wordt hier nader op ingegaan.
|
nr. |
naam |
Verwachting/advies |
|
1 |
Westpoort |
Verwerken van verwachtingskaart RAAP-rapport 738 als archeozone op CWK. |
|
2 |
Ruskeveen west |
Inmiddels is voor dit gebied de archeologische verwachting uitgewerkt in het bestemmingsplan Hoogkerk Zuid (2016). De dubbelbestemming archeologie is uit dit bestemmingsplan hier overgenomen als archeologische verwachting en wordt bij de archeologische zone Wierdengebied gerekend. |
|
3 |
Vinkhuizen en deel De Held |
Het spaarzaam uitgevoerde archeologisch onderzoek in Vinkhuizen (Jans, 2016 & Van der Kroft, 2015) levert het beeld op dat in deze wijk de top van de bodemopbouw bestaat uit een opgebrachte / recent verstoorde laag. De dikte van deze laag in deze twee onderzoeksgebieden varieert respectievelijk van 0,8 tot 1,3 m en van 1,2 tot 2,6 m. Op de veldkaart die ten behoeve van de bodemkaart (Stiboka, 1973) is vervaardigd zijn diverse wierden ingetekend. Wij adviseren de wierden op deze kaart (aangeduid als de kaart van Clingenborg) als percelen op te nemen op de CWK, voor zover dat nog niet is gedaan. Van het deel De Held (het Roege Bos) is geen archeologisch onderzoek bekend. |
|
4 |
Vinkhuizen: Hoendiep |
Direct ten westen van dit gebied is bij booronderzoek een mogelijke vindplaats uit de ijzertijd/Romeinse tijd aangetroffen (Veenstra & Van den Berg, 2010) . Deze vindplaats lijkt de voortzetting van een noordelijk gelegen vindplaats die bij gravend onderzoek in 2007 is blootgelegd (Wieringa, & Bosma, 2007). Op basis hiervan wordt geadviseerd aan dit gebied een archeologische verwachting te verbinden. |
|
5 |
Friesestraatweg west |
Onderzoek in dit gebied heeft aangetoond dat hier vegetatiehorizonten aanwezig kunnen zijn (Woltinge & Jelsma, 2006; Varwijk, 2019). Varwijk (2019) meldt in zijn rapport dat er ook mogelijk een betredingsniveau aanwezig is. Op basis van deze bevindingen wordt aanbevolen aan deze zone een archeologische verwachting toe te kennen. |
|
6 |
Kostverloren |
In het booronderzoek van De Roller (2015) is sprake van mogelijke vegetatiehorizonten. Op dit moment is de archeologische begeleiding nog gaande. Geadviseerd wordt de resultaten hiervan af te wachten (naar verwachting is het onderzoek eind 2019 gereed) en op basis daarvan een besluit te nemen aangaande de archeologische verwachting. |
|
7 |
Zeeheldenbuurt incl. Eelderbrug |
Geen archeologisch onderzoek bekend. |
|
8 |
Hoornsedijk |
Wel voor een deel bureauonderzoek maar geen archeologisch veldonderzoek. |
|
9 |
Oosterpoort Barkmolenstraat |
Geen archeologisch onderzoek bekend. |
|
10 |
St. Petersburgweg |
Op basis van archeologisch onderzoek (Veenstra, 2011) aan dit gebied een verwachting koppelen. |
|
11 |
Meerstad |
Verwerken van verwachtingskaart RAAP-rapport 3623 als archeozone op CWK. |
|
12 |
Ruischerbrug: Eemskanaal |
Geen archeologisch onderzoek bekend. |
Voormalige gemeente Ten Boer
In de huidige systematiek zijn gebieden met een lage archeologische verwachting niet in de CWK opgenomen als zone en deze zijn dus ook niet opgenomen in bestemmingsplannen. Met de uitbreiding van de gemeente Groningen met de voormalige gemeente Ten Boer is er een groot gebied bij gekomen. Hiervoor was al een kaart beschikbaar die zowel lage als hoge archeologische verwachtingen kent.[2] Deze kaart is integraal overgenomen in de nieuwe CWK. Zoals gebruikelijk bij de gemeente Groningen is de lage verwachting niet afgebeeld. Voor de verantwoording van deze kaart wordt verwezen naar het rapport van Van Beek en Vos uit 2008.
3.2.2 De nieuwe kaart met archeologische zones
Op Kaartbijlage 1 is de nieuwe kaart met archeologische zones afgebeeld. Om de kaart overzichtelijk te houden is er voor gekozen om de benamingen van de zones te beperken. Daarbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande landschappelijke benamingen, waar nodig aangevuld met nieuwe benamingen. De huidige benamingen zijn gebaseerd op landschappelijke of geomorfologische toponiemen, zoals Wierdengebied of Rug van Tynaarlo. Omwille van consistentie is bij nieuwe namen hier zoveel mogelijk aansluiting bij gezocht.
In de tabel hieronder zijn alle bestaande archeologische zones, de artikel 23 gebieden (witte vlekken) en de nieuwe of gewijzigde zones aangegeven met hun oude benaming en hun nieuwe benaming en de waardering.
|
mon.nr. |
archeologische zone(oude benaming) |
nieuwe mon.nr. |
nieuwe benaming |
opmerking |
waardering |
|
106751 |
Wierdengebied |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
106750 |
Hondsrug |
106750 |
Hondsrug |
|
hoog |
|
106754 |
Hunzezone |
106754 |
Hunzezone |
|
hoog |
|
106752 |
Stroomdal Oerhunze |
106752 |
Stroomdal Oerhunze |
|
hoog |
|
108975 |
Zandopduikingen Meerstad |
108975 |
Dekzandgebied Meerstad |
|
hoog |
|
107149 |
Rug van Tynaarlo |
107149 |
Rug van Tynaarlo |
|
hoog |
|
106753 |
Noorddijk |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
107221 |
Verwachting Laanhuizen, Gruno- en Stadsparkbuurt |
126001 |
De A |
|
oost: hoog (de A) west: laag |
|
107217 |
Hoge verwachting EnCeHa |
- |
- |
Gewijzigd in perceel |
- |
|
106946 |
Hoge verwachting Beijum |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
106793 |
Eelderbaan + omgeving |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
106814 |
Archeologische zone: De A |
126001 |
De A |
|
hoog |
|
106755 |
Hoge verwachting Engelbert |
108975 |
Dekzandgebied Meerstad |
|
hoog |
|
106932 |
Kalkbranderij 'de Etna' |
- |
Vervallen |
Gewijzigd in perceel |
- |
|
108991 |
Archeologische zone: Borgweg |
108975 |
Dekzandgebied Meerstad |
|
hoog |
|
106933 |
Hoge verwachting buiten de A-poort |
106933 |
Hoge verwachting buiten de A-poort |
|
hoog |
|
106832 |
Hoge verwachting Roderwolderdijk |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
106756 |
Dorpskern Engelbert |
108975 |
Dekzandgebied Meerstad |
|
hoog |
|
106794 |
Hoge verwachting Ter Borchlaan |
107149 |
Rug van Tynaarlo |
|
hoog |
|
107233 |
Hoge verwachting tram |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
106792 |
Archeologische zone: bij Gasthuiskade |
126001 |
De A |
|
hoog |
|
|
|
Artikel 23-gebieden |
|
|
|
|
|
Westpoort |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
|
Ruskeveen west |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
|
Vinkhuizen en deel De Held |
106751 |
Wierdengebied |
Vinkhuizen: perceel o.b.v. Clingenborg; De Held: vervallen |
- |
|
|
Vinkhuizen: Hoendiep |
106751 |
Wierdengebied |
|
hoog |
|
|
Reitdiep-west |
126002 |
Reitdiep-west |
|
hoog |
|
|
Kostverloren |
- |
Volgt |
|
onbepaald |
|
|
Zeeheldenbuurt incl. |
- |
- |
Vervallen |
laag |
|
|
Eelderbrug- |
|
|
|
|
|
|
Hoorsnsedijk |
125005 |
De A |
|
hoog |
|
|
Oosterpoort Barkmolenstraat |
- |
- |
Vervallen |
laag |
|
|
St. Petersburgweg |
106754 |
Hunzezone |
|
hoog |
|
|
Meerstad (omgeving Middelbert-Engelbert) |
108975 |
Dekzandgebied Meerstad |
|
hoog |
Hoofdstuk 4 Archeologische percelen
4.1 Inventarisatie
4.1.1 Methoden en bronnen
De archeologische percelen uit de gemeente Groningen (vóór 2019) zijn overgenomen uit de CWK.
Tijdens de inventarisatie bleek dat het perceel `Coendersborg’ twee keer voorkwam in de lijst, met een vrijwel identieke begrenzing (objectnrs. 106827 en 106519). Gekozen is om het perceel met nummer 106519 te verwijderen uit de lijst. Het betreft hiermee in totaal 178 percelen.
Hieraan zijn de WA-1 gebieden uit de bestemmingsplankaart Ten Boer toegevoegd (zie kaartbijlage 1 Archeologische Percelen). Het gaat om gebieden die die als vindplaats kunnen worden gekenmerkt, omdat hier bijvoorbeeld archeologische vondsten zijn gedaan of omdat het gebied uit historisch bronnen als vindplaats kan worden geduid. De WA-1 gebieden zijn vaak om meerdere, deels overlappende redenen aangeduid: AMK-terreinen, borgterreinen, wierden, landschappelijke fenomenen, vindplaats, historische huisplaatsen, etc. Overlappende WA-1 gebieden zijn voor de nieuwe CWK tot een perceel samengevoegd. De begrenzing is hierbij waar nodig aangepast. Op deze wijze zijn in de oude gemeente Ten Boer 205 archeologische percelen gedefinieerd.
In de `driehoek` tussen het Eemskanaal en Slochterdiep (voormalige gemeente Slochteren) zijn op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Slochteren (2012/2013) 10 percelen overgenomen. Het betreft zogenaamde WR-a1 (wierden) en WR-a2 (boerderijplaatsen) terreinen. Tevens zijn de gegevens uit het door de gemeente Groningen aangeleverde GIS-bestand `Huis de Wijert’ geraadpleegd. Hier in stonden percelen die door de gemeente Groningen genomineerd waren om als perceel of zone in de CWK te worden opgenomen. Twee voormalige archeologische zones
(`kalkfabriek de Etna’ en het `noordelijke deel van EnCeHa-terrein’) zijn als archeologisch perceel opgenomen. Vijf percelen zijn tijdens de zogenaamde `klankbord overleggen’ van 27 juni 2019 en 29 januari 2020 opgedaan.
In de `witte vlek Vinkuizen en deel De Held’ (zie paragraaf 3.1) zijn op basis van de Clingenborgkaart zeven percelen in de inventarisatie opgenomen. Dit betreft alle door Clingenborg als terp (`T’) aangeduide percelen.
4.1.2 Resultaten
|
bron archeologische percelen |
aantal |
|
Voormalige gemeente Groningen |
178 |
|
Voormalige gemeente Ten Boer |
205 |
|
Deel voormalige gemeente Slochteren |
10 |
|
GIS-bestand `Huis de Wijert` |
26 |
|
Voormalige archeologische zones |
2 |
|
Klankbordoverleg |
5 |
|
Witte vlek 'Vinkhuizen en deel De Held' |
7 |
|
Totaal |
433 |
4.2 Waardering
4.2.1 Methode
De hierboven benoemde archeologische percelen zijn gewaardeerd. Hierbij is de KNA-systematiek voor het waarderen van vindplaatsen toegepast. Dit houdt in dat de percelen gewaardeerd zijn op `belevingswaarde’, `fysieke kwaliteit’ en `inhoudelijke kwaliteit’. Onderstaande omschrijving en uitdieping van deze begrippen is afkomstig uit Bijlage IV Waarderen van vindplaatsen, KNA versie 4.1.
Beleving
De belevingswaarde van een archeologisch monument kent twee criteria: ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’. Bij beide gaat het vooral om zichtbare vindplaatsen. De schoonheid is de esthetisch-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die in de zichtbaarheid van de vindplaats tot uiting komt. Bij dit criterium staat de uiterlijke verschijningsvorm centraal, het gaat om aspecten als zichtbaarheid als landschapselement, samenhang met andere (zichtbare) vindplaatsen of landschapselementen en de landschappelijke entourage. De herinneringswaarde is de ‘herinnering’ die het archeologisch monument oproept over het verleden. Het betreft vindplaatsen die zijn verbonden met een levende herinnering aan het verleden.
Fysieke kwaliteit
De fysieke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn. Binnen deze waarde wordt onderscheid gemaakt tussen de criteria ‘gaafheid’ en ‘conservering’. Gaafheid is de mate van het niet-verstoord zijn en de stabiliteit van de fysieke omgeving. Met conservering wordt de mate bedoeld waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven.
Inhoudelijke kwaliteit
Binnen dit begrip wordt onderscheid gemaakt tussen drie criteria: zeldzaamheidswaarde; informatiewaarde; ensemblewaarde. De zeldzaamheid is de mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied. De informatiewaarde is de betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. Deze wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) de vindplaats een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De ensemblewaarde (of contextwaarde) is de meerwaarde die aan een monument wordt toegekend, op grond van de mate waarin sprake is van een archeologische context en van een landschappelijke context. Archeologische context heeft betrekking op de aanwezigheid en de informatiewaarde van andere in de nabije omgeving aanwezige bronnen van archeologische informatie. Landschappelijke context is de mate waarin het oorspronkelijke landschap nog aanwezig en/of herkenbaar is.
|
waarden |
criteria |
scores |
|
|
|
|
|
Hoog |
Midden |
Laag |
|
Beleving |
Schoonheid |
3 |
2 |
1 |
|
|
Herinneringswaarde |
3 |
2 |
1 |
|
Fysieke kwaliteit |
Gaafheid |
3 |
2 |
1 |
|
|
Conservering |
3 |
2 |
1 |
|
Inhoudelijke kwaliteit |
Zeldzaamheid |
3 |
2 |
1 |
|
|
Informatiewaarde |
3 |
2 |
1 |
|
|
Ensemblewaarde |
3 |
2 |
1 |
Per perceel is voor elk criteria een hoge (3. gemiddelde (2) of lage (1) score gegeven. De opgetelde scores per waarde zijn omgerekend tot bovengemiddelde score (3. gemiddelde score (2) en lage score (1).
|
|
Bovengemiddelde score (3) |
gemiddelde score (2) |
lage score (1) |
|
Beleving |
>=5 |
4 |
<=3 |
|
Fysieke kwaliteit |
>=5 |
4 |
<=3 |
|
Inhoudelijke kwaliteit |
>=7 |
6 |
<=5 |
Deze omgerekende scores resulteerden uiteindelijk in een waardering in vier gradaties: geen bijzonderheden, basiswaarde, hoog en zeer hoog.
|
score |
waardering percelen |
opmerking |
|
3 |
geen bijzondere waarde |
|
|
4 |
basiswaarde |
Deze categorie bestaat voornamelijk uit percelen met een bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit maar een lage beleving en fysieke kwaliteit. |
|
5 |
hoog |
|
|
6 |
hoog |
|
|
5 |
hoog |
|
|
6 |
hoog |
|
|
7 |
hoog |
in geval van lage score beleving, dan in verband met eventueel opwaarderen tot gemeentelijk monument judgementexpert |
|
8 |
hoog |
expert in verband met eventueel opwaarderen tot gemeentelijk monument judgement |
|
9 |
zeer hoog |
Voorstel om perceel gemeentelijk monument te maken |
Expert judgement vond, zoals in de derde kolom vermeld, plaats om percelen die bovengemiddeld scoren op fysieke en inhoudelijke kwaliteit maar laag scoren op beleving (dit zijn de ondergrondse vindplaatsen, zoals vuursteenvindplaatsen of overslibde nederzettingen. mogelijk alsnog gemeentelijk monument te maken. In dit geval is gekeken naar het archeologische belang van de vindplaats, niet alleen voor de gemeente Groningen maar ook in breder perspectief, en de mogelijkheid en noodzaak voor behoud van het perceel.
Ook voor de percelen die een 8 scoren is na de waardering gekeken naar het archeologische belang en mogelijkheden/noodzaak voor behoud van de vindplaats.
De waardering is als bureauonderzoek uitgevoerd, met hulp van verschillende bronnen:
• BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) kaarten van het kadaster
• AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) kaarten
• Kadastrale minuut uit circa 1832
• Gegevens uit Archis3 (Archeologisch informatiesysteem)
• Bestanden van de huidige CWK (Cultuurhistorische waardenkaart Groningen):
- Oude archeologische onderzoeken
- Bodemkaart Groningen
- Archeologische erfgoedkaart
• Gegevens van de voormalige gemeente Ten Boer:
- Beleidsadvieskaart
- Bestemmingsplankaart
• Beleidsadvieskaart voormalige gemeente Slochteren
• Veldkaart voor de bodemkaart, gemaakt door A.E. Clingenborg
4.2.2 Resultaten
De resultaten van de waardering zijn weergegeven in tabel 9.
|
Score percelen |
Waardering percelen |
Aantal percelen |
|
3 |
geen bijzondere waarde |
57 |
|
4 |
basiswaarde |
39 |
|
5 |
hoog |
69 |
|
6 |
hoog |
115 |
|
7 |
hoog |
98 |
|
8 |
hoog |
39 |
|
9 |
zeer hoog |
16 |
|
Totaal |
|
433 |
In de volgende paragraven zullen de verschillende waarderingsgradaties worden besproken.
Geen bijzondere waarde
Percelen die een 3 scoorden zijn gewaardeerd als `geen bijzondere waarde’. Dit betekend in de meeste gevallen dat het betreffende perceel niet (meer) intact aanwezig is, als gevolg van recente verstoring (overbouwing, afgraving, ed. als dan niet vooraf gegaan van een archeologisch onderzoek. In sommige gevallen was geen duidelijke reden te vinden waarom het perceel archeologische en/of historische waarde bezat. In totaal gaat het om 57 percelen.
Voor al deze percelen wordt voorgesteld ze te verwijderen uit de percelenlijst. Voor de voormalige gemeente Groningen betreft het de volgende percelen:
|
objectnr |
objectnaam |
reden |
|
106478 |
Kerkstraat 80, 80c en 80d |
overbouwd |
|
106479 |
Aduarderdiepsterweg bij 6a |
overbouwd |
|
106482 |
Aduarderdiepsterweg 20 |
overbouwd |
|
106710 |
Noorddijkerplein |
archeologisch onderzocht (waarneming) en overbouwd |
|
106780 |
Melisseweg 19-75 |
overbouwd |
|
106821 |
Leegeweg 2 |
overbouwd |
|
106824 |
zw van Zilverlaan |
geen archeologische/historische reden voor perceel |
|
106829 |
De Kamp |
overbouwd |
|
106830 |
Nolenslaan |
overbouwd |
|
106836 |
Helperzoom noord |
geen archeologische/historische reden voor perceel |
|
106945 |
vm. Rijksmonument Beijumerweg |
overbouwd |
|
106954 |
Bij Woldweg 2 |
overbouwd |
|
107158 |
Trondheimweg 5 |
overbouwd |
|
107163 |
Zandvoort |
overbouwd |
|
107164 |
Bij Kieler Bocht 5 |
archeologisch onderzocht (opgraving) en overbouwd |
|
107178 |
Bij Nadorstplein 4 |
overbouwd |
|
107181 |
Westelijk van Plataanbrug |
overbouwd |
|
107209 |
Friesestraatweg 207 |
overbouwd |
|
107224 |
Friesestraatweg 24 |
archeologisch onderzocht (opgraving) en overbouwd |
|
108983 |
Boerderijplaats Zuiderweg 271-285 |
overbouwd |
|
108984 |
Boerderijplaats Zuiderweg (zuid) |
overbouwd |
|
108988 |
Meeroevers (zuid) |
overbouwd |
Voor de voormalige gemeente Ten Boer gaat het om de volgende percelen:
|
objectnr |
objectnaam |
reden |
|
125034 |
|
geen archeologische/historische reden voor perceel |
|
125068 |
|
geen archeologische/historische reden voor perceel |
|
125070 |
|
overbouwd |
|
125073 |
|
overbouwd |
|
125076 |
|
overbouwd |
|
125078 |
|
overbouwd |
|
125082 |
|
overbouwd |
|
125086 |
|
geen archeologische/historische reden voor perceel (modern kerkhof) |
|
125112 |
|
overbouwd |
|
125118 |
|
overbouwd |
|
125140 |
|
overbouwd |
|
125141 |
|
overbouwd |
|
125153 |
|
archeologisch onderzocht (proefsleuven. geen vindplaats |
|
125155 |
|
overbouwd |
|
125159 |
|
overbouwd |
|
125175 |
|
overbouwd |
|
125180 |
|
perceel ligt verkeerd, vondstmelding behoort bij pand in Kroddeburen, onderdeel van perceel nr. 125.048. |
|
125181 |
|
overbouwd (modern kerkhof) |
|
125183 |
|
overbouwd |
|
125184 |
|
perceel ligt verkeerd, vondstmeldingen horen bij kerk Thesinge die in bestaand perceel 125.012 ligt. |
|
125185 |
|
perceel ligt verkeerd, onduidelijk waar |
|
125186 |
|
overbouwd |
|
125187 |
|
overbouwd |
|
125188 |
|
overbouwd |
|
125189 |
|
overbouwd |
|
125190 |
|
perceel ligt verkeerd en overbouwd |
|
125191 |
|
perceel ligt verkeerd, onduidelijk waar |
|
125192 |
|
overbouwd |
|
125206 |
|
overbouwd |
|
125207 |
|
overbouwd |
|
125208 |
|
perceel ligt verkeerd, bedoelde huisplaats ligt onder huidige rijksweg |
|
125209 |
|
overbouwd |
|
125211 |
|
overbouwd |
|
125212 |
|
overbouwd |
Van de percelen uit het bestand `huis de Wijert’ heeft één perceel een waardering `geen bijzondere waarde gekregen:
|
objectnr |
objectnaam |
reden |
|
125215 |
Boerderij weduwe Hinderk Tonnis Koning |
overbouwd |
Basiswaarde hoog
In totaal hebben 321 percelen een hoge waardering gekregen (5-8) en 39 percelen een basiswaarde (4). De afzonderlijke waardering van deze omvangrijke groep percelen is in bijlage 2 opgenomen. Voor percelen met een hoge waardering wordt voorgesteld ze als `archeologisch perceel` op de CWK op te nemen.
De percelen met een waardering `basiswaarde’ hebben in de meeste gevallen laag gescoord op beleving en fysieke kwaliteit, maar bestaat er nog wel een vermoeden op een gemiddelde inhoudelijke kwaliteit. Voorgesteld wordt om deze percelen voorlopig aan te houden/op te nemen als archeologisch perceel, maar ze op termijn nader te onderzoeken (bijvoorbeeld door middel van (verkennend) booronderzoek) om deze verwachting (lage fysieke kwaliteiten, gemiddelde inhoudelijke kwaliteit) te toetsen. Mocht hieruit blijken dat de inhoudelijke kwaliteit ook laag is, dan kan het betreffende perceel worden afgewaardeerd tot `geen bijzondere waarde’.
Voorstel gemeentelijk monument
Percelen die een 9 scoren hebben een waardering `zeer hoog’ gekregen. Deze percelen scoren op alle waarden bovengemiddeld. Voor deze percelen wordt voorgesteld ze tot gemeentelijk archeologisch monument op te waarderen.
Op basis van expert judgement is voor enkele percelen met een bovengemiddelde score voor fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit, maar met een lage score voor de waarde `beleving’ (2) eveneens voorgesteld ze tot gemeentelijk archeologisch monument op te waarderen. Tenslotte zijn enkele percelen met een 8 score op basis van expert judgement aan deze lijst toegevoegd. In totaal gaat het om 22 percelen:
|
objectnr |
objectnaam |
complex |
omschrijving |
|
106495 |
Zijlvesterweg 2 |
wierde |
Terrein met sporen van een huiswierde, omgeven door boomsingel en ringsloot. Gelegen aan de buitentocht van de meander van het Peizerdiep. Het terrein is bebouwd met een boerderij waarvan de bewonersgeschiedenis tenminste teruggaat tot 1632. De huiswierde maakt deel uit van een cluster wierden gelegen ten noorden van Hoogkerk. |
|
106506 |
Zijlvesterweg 17 |
wierde |
Terrein met sporen van een gedeelte van de dorpswierde Kleiwerd. Deze wierde is in gebruik vanaf de late ijzertijd. Op het perceel bevindt zich een boerenplaats die tot aan de Reductie in 1594 bij het klooster van Selwerd hoorde. |
|
106515 |
Euvelgunnerweg 13 |
wierde |
Perceel met sporen van de wierde 'Groenenborg'. Op de kadastrale minuut uit 1832 staat een boerderij aangegeven. Late middeleeuwen en vroeg nieuwe tijd. |
|
106516 |
Euvelgunnerweg 27 |
huisplaats |
Perceel betreft een boerenerf dat al op de kadastrale minuut uit 1832 staat afgebeeld. Uit booronderzoek blijkt dat het erf van oorsprong mogelijk uit de late middeleeuwen dateert. |
|
106518 |
Dorpskern Engelbert |
dorpskern |
Het betreft het dorp Engelbert, de omgeving van de kerk. Late Middeleeuwen tot en met nieuwe tijd |
|
106525 |
Martinikerkhof |
begraafplaats |
Terrein met sporen van een kerkhof, resten van de Walburgkerk (deels opgegraven). Ook zijn in de ondergrond oudere resten aanwezig, de Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen. |
|
106530 |
't Groote Waschhuis' |
huisplaats |
Perceel betreft een boerenerf dat al op de kadastrale minuut uit 1832 staat afgebeeld. Uit booronderzoek blijkt dat het erf van oorsprong mogelijk uit de late middeleeuwen dateert. |
|
106791 |
Veenterpje bij Clingenborgpad |
wierde |
Op het terrein is op de veldverkenningskaart van Clingenborg uit de jaren 1960 een (veen) terpje afgebeeld. Maakte onderdeel uit van een omvangrijke serie veenterpjes. Late middeleeuwen. |
|
106812 |
Borg Zorgwijk |
borg |
Borgterrein Zorgwijk, alias Mecima. Is afgebeeld op de kadastrale minuut uit 1832 en is in 1872 afgebroken. |
|
125000 |
Gerechtsplaats Paddepoelsterweg |
gerechtsplaats |
Dit driehoekig terrein, gelegen tussen de uit de late middeleeuwen stammende oude en jonge Penningsdijk en de Paddepoelsterweg, was in het verleden als galgenveld in gebruik. |
|
125004 |
Kloosterterrein Wittewierum |
klooster |
Wierde met daarop het kloosterterrein Wittewierum (Bloemhof). De wierde dateert vermoedelijk uit de Romeinse tijd. Het klooster is in 1213 gesticht en bleef tot 1566 in gebruik. Het centrale deel is Rijksmonument. Recent booronderzoek wijst uit dat zich in de ondergrond nog grachten en sloten en puinconcentraties bevinden. |
|
125033 |
Boerderij en wierde Lageweg 25 |
wierde |
Intacte huiswierde met omgrachting. Mogelijk betreft het een kloostervoorwerk (Stuurwolde). |
|
125080 |
Wierde Hemerterweg 4 |
wierde |
Omgracht terrein op de oostelijke flank van een wierde (Hemert). De wierde dateert vermoedelijk uit de ijzertijd. Het omgrachte perceel (de Boelsemaheerd) dateert tenminste uit de 18 eeuw. Eerder booronderzoek heeft gene duidelijke aanwijzingen voor antropogene ophogingen opgeleverd, wel voor `valge’. e |
|
125213 |
Wierde |
wierde |
Terrein met sporen van een verlaten en fraai begroeide |
|
|
Kroddeburen-west |
|
huiswierde met aan drie zijden een singel. |
|
125223 |
Boerderij Bolhuis |
huisplaats |
Intacte huisplaats met boerderij en perceelinrichting die ook al op de kadastrale minuut uit 1832 voorkomen. Ook op de oudere Hottingekaart is de huisplaats afgebeeld. |
|
125225 |
Reitdiepdijk west (bij Dorkwerd) |
dijk |
Intact deel van de westelijke Reitdiep-dijk. Gave landschappelijke ligging, vlakbij wierde Dorkwerd. |
|
De volgende percelen zijn op basis van expert judgement toegevoegd |
|
|
|
|
108985 |
Archeologisch eiland |
steentijd vindplaats |
Het perceel betreft een (of meerdere) vuursteenvindplaats(en). Booronderzoek heeft aangetoond dat het een gave en goed geconserveerde vindplaats betreft met een hoge inhoudelijke waarde. |
|
108986 |
Steenhuis Meerstad |
steenhuis |
Het betreft een steenhuisterrein uit de late middeleeuwen. Op basis van een proefsleuvenonderzoek blijkt dat het om een gave en goed geconserveerde vindplaats gaat met een hoge inhoudelijke waarde. |
|
125083 |
Wierde Fledderbosscherpol |
wierde |
Mogelijk overslibde nederzetting. Een nabij gelegen vergelijkbare vindplaats dateerde uit het begin van de jaartelling. |
|
125090 |
Wierde Boesterweg 32 |
wierde |
Terrein met sporen van een vrij hoge, goed waarneembare behuisde wierde. |
|
125117 |
Wierde ten westen van Wittewierum |
wierde |
Duidelijk zichtbare onbebouwde wierde, nabij klooster Wittewierum. |
|
125174 |
Huiswierde Lellensoost |
wierde |
Duidelijk zichtbare onbebouwde wierde. |
Hoofdstuk 5 Landschap
5.1 Achtergrond en uitgangspunten
Het landschap van de gemeente Groningen is een complex geheel dat is ontstaan onder invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Daarbij speelde allereerst de geologie een rol. De mens heeft zich laten leiden door de aardkundige uitgangssituatie en deze door het gebruik ook deels zelf aangepast. Vooral het afwateringspatroon is al zeker gedurende een millennium aan grootschalige menselijke veranderingen onderhevig. Bovendien zijn talrijke venen ontgonnen en is door oxidatie de venige bovengrond vervolgens verdwenen, waardoor de zeeklei aan het oppervlak kwam te liggen. In paragraaf 5.2.1 belichten we wat uitgebreider de ondergrond en de gevolgen daarvan voor de structuur van het landschap, voor we in de daaropvolgende paragrafen de diepte ingaan.
Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap, daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd, en welke elementen daarmee samenhangen.
Landschap in lagen
De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld. Eén van de manieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan door middel van een zogenaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de landschapsontwikkeling zich ten opzichte van elkaar verhouden. Het model biedt ruimte voor uiteenlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria, etc., en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is hoe de 18e-eeuwse militaire ontwikkeling zich verhoudt ten opzichte van de situatie aan het einde van de 20e eeuw. In de landschapstypering en -beschrijving hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen.
Landschapstypologie
De veldminuut van de Topografisch-Militaire Kaart (TMK) is de vroegste landsdekkende kaart waarbij op perceelsniveau bebouwing, landgebruik én landschapselementen zijn gekarteerd. Deze kaart vormt ook inhoudelijk de meest complete en geografisch meest correcte laag waarop het landschap uit de 19e eeuw van de gemeente Groningen zichtbaar is. De TMK veldminuut vormt dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling in de gemeente. Vooral met behulp van deze kaart en ondersteund door jonger kaartmateriaal is een landschapstypologie opgesteld. Ook hebben we deze kaart als uitgangspunt voor de waardering gebruikt (zie paragraaf 2.1.3).
Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bronnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau: niet alle bronnen geven een vlakdekkend beeld op dezelfde schaal en voor dezelfde periode. Dit probleem is deels ondervangen door aan de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e-eeuwse landschap, maar ook de ontwikkelingen daarvoor te beschrijven. Het 19e-eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Wel is steeds interessant om na te gaan hoeveel nieuwe landschappelijke lagen van de oudere hebben overgelaten.
Jongere landschappen
In de 20e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, waarvan ruilverkavelingen en landinrichtingsprojecten voor het landelijk gebied de belangrijkste zijn. Deze ontwikkeling liep min of meer parallel aan de stedelijke uitbreiding van de stad Groningen en de daaromheen liggende dorpen.
Hierbij zijn nieuwe lagen aan het landschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwaliteiten zijn opgenomen in deze nieuwe laag blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode.
5.1.1 Kartering (kaartbijlage 3)
Bij de kartering van landschapstypen zijn we uitgegaan van historische verschillen tussen landschappen zoals ze zich op kaartmateriaal uit de afgelopen twee eeuwen manifesteren. Daarbij zijn de TMK veldminuut uit ca. 1850 en de Topografische Kaart van omstreeks 1949 als ijkpunten gehanteerd, en steeds betrokken op de onderliggende bodems en geomorfologie. Steeds hebben we op basis van het historisch onderscheid tussen deze landschappen gebieden begrensd. Daarbij zijn we zoveel mogelijk uitgegaan van de historische of huidige wegen en/of kavelgrenzen als begrenzing, zodat enerzijds de grens historisch te onderbouwen is, maar daarnaast een vertaling naar het bestemmingsplan mogelijk is. De kartering is doorgetrokken onder het huidige stedelijk gebied van Groningen en de omliggende dorpen.
Bij het typeren van elk deelgebied hebben we allereerst een indeling in hoofdlandschappen gemaakt. Daarna is verder in sublandschappen onderverdeeld, en zijn voor de stad Groningen speciale labels toegevoegd aan terreinen met een bijzondere ontwikkeling, zoals parken en begraafplaatsen die al vóór de verstedelijking in het landelijk gebied ontstaan zijn. Daarbij hebben we een zo helder mogelijk onderscheid tussen de aanwezige landschappen proberen aan te brengen. Steeds moest daarbij gelet worden op een aantal aspecten:
- een onderverdeling die recht doet aan de grote variatie aan landschappen die in de gemeente Groningen te vinden is;
- een onderverdeling die nog zo gecomprimeerd is dat niet elk verschil tot weer een nieuw type leidt;
- een onderverdeling die de ‘couleure locale’ eer aandoet.
Op basis van een dergelijke benadering is het ons inziens goed werkbaar om de landschapskarakterisering door te vertalen naar concreet gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld in beheer, planontwikkeling en bescherming.
De gebruikte methodiek sluit nauw aan op systematieken zoals die in de afgelopen 20 jaar door organisaties als Alterra en Overland voor de typering van landschappen in een Wageningse traditie zijn ontwikkeld. De basis voor deze traditie is gelegd door de afdeling Historische Geografie van de vroegere Stichting voor Bodemkartering en het Staring Centrum in Wageningen.
5.1.2 Waardering en vaststellen herkenbaarheid (kaartbijlage 6)
Waardering van de landschapstypen
De waardering van het historisch cultuurlandschap heeft plaatsgevonden door elk gekarteerd deelgebied op drie criteria te beoordelen:
1. de gaafheid van de huidige topografie ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de ontginning, dat wil zeggen type grondgebruik, verkaveling, percelering, etc.;
2. de gaafheid van de huidige verticale dimensie in het landschap (fysiognomie) ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de ontginning, dat wil zeggen de openheid of geslotenheid van het landschap (aan- of afwezigheid van opgaand groen. de aanwezigheid van recente bebouwing, etc.;
3. de aanwezigheid van bijzondere kenmerken, waardoor het gebied een hogere waardering moet krijgen dan het op basis van andere twee criteria krijgt.
Op elk criterium is een score van 0 tot 5 genoteerd. Voor de eerste twee criteria is dat op basis van een strakke definitie gebeurd (tabel 14, tabel 15. voor de laatste op basis van ‘expert judgement’ (beoordeling op basis van algemene kennis van de vakspecialist). Voor het derde criterium hebben we geen exacte omschrijving gegeven wat er onder welke score verstaan wordt, omdat dit per deelgebied kan verschillen en het afhangt van de bijzonderheid die in dat specifieke deelgebied aan de orde is.
|
score |
omschrijving |
|
0 |
volledig gewijzigd |
|
1 |
overbouwd |
|
2 |
verkaveling sterk gewijzigd, grondgebruik sterk gewijzigd |
|
3 |
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik sterk gewijzigd óf hoofdstructuur in belangrijke mate gewijzigd, maar grondgebruik grotendeels intact |
|
4 |
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik merendeels intact |
|
5 |
verkaveling grotendeels intact, grondgebruik grotendeels intact |
|
score |
omschrijving |
|
0 |
volledig gewijzigd |
|
1 |
overbouwd |
|
2 |
openheid/geslotenheid sterk gewijzigd, bebouwing grotendeels verplaatst |
|
3 |
openheid/geslotenheid half intact, bebouwing deels origineel, deels gewijzigd |
|
4 |
openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing merendeels origineel gesitueerd |
|
5 |
openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing als origineel gesitueerd |
Een totaalwaardering werd uiteindelijk berekend door de drie scores op te tellen en door drie te delen.
Daardoor telt elk criterium even zwaar. De scores die uit deze berekening kwamen, zijn in vier waarderingscategorieën (van laag tot zeer hoog) verdeeld (tabel 16). De waardering wordt voor elk deelgebied afzonderlijk inhoudelijk gemotiveerd in de GIS-tabellen.
|
score |
omschrijving |
|
|
niet gewaardeerd |
|
1,0-2,5 |
laag |
|
2,6-3,5 |
gemiddeld |
|
3,6-4,2 |
hoog |
|
4,3-5,0 |
zeer hoog |
Hoewel op basis van bovenstaande criteria een vrij objectieve score berekend kan worden, blijft de waardering toch een bepaalde mate van subjectiviteit houden. Dat komt niet alleen door de nadruk op het criterium ‘gaafheid’ en de keuze voor het derde criterium (‘bijzondere kenmerken’. maar ook door de schaal van het te beoordelen gebied en de begrenzing ervan. Voor de waardering zijn de grotere gebieden, zoals gekarteerd bij de inventarisatie, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verder opgeknipt om willekeur te voorkomen. Een lage waardering voor een gebied betekent daarmee niet dat er in het gebied geen enkele bijzondere individuele waarde kan voorkomen!
Herkenbaarheid van het prestedelijk landschap
Voor het stedelijk gebied hebben we bovenstaande methode niet gebruikt, omdat deze daar niet zou werken. Het landschap is er doorgaans teveel voor veranderd, met uitzondering van gebieden die als ‘vanouds verstedelijkt’ zijn aangemerkt, zoals de historische kern. Voor deze gebieden hebben we in drie klassen getracht vast te stellen in welke mate het prestedelijk landschap nog herkenbaar is in de huidige sfeer en structuur van de bebouwde kom. Onder meer de verkavelingsrichting, aanwezigheid van beplanting, relaties met het aangrenzende buitengebied, de structuur van de watergangen, en aanwezigheid van specifieke functies die aan een prestedelijk aspect te relateren zijn hebben we als criteria gebruikt. Er is niet per criterium gescoord, maar op basis van een indruk een klasse toegekend, zijnde hoog, middel of laag. Ook de aanwezigheid van vroegere dorpen en gehuchten is in de beoordeling meegenomen. Datzelfde geldt voor de aanwezigheid van prestedelijke infrastructuur met een ruimere dimensie, zoals kanalen en spoorwegen.
5.2.1 De natuurlijke ondergrond
Zand en keileem
Het landschap in de gemeente Groningen bestaat uit keileem met dekzand, veen en klei. De stad Groningen zelf dankt zijn bestaan aan een grondmorenerug, de Hondsrug, die van zuidoost naar noordwest door de provincie Drenthe loopt en bij de stad Groningen nog enkele kilometers aan het oppervlak in de provincie Groningen doorloopt (figuur 3). De Hondsrug vormt de noordoostelijke begrenzing van het Drents Plateau, dat onder het landijs in het Saalien gevormd is en gekenmerkt wordt door een keileempakket. Ook op dit keileem ligt een pakket dekzand. Plaatselijk kent de Hondsrug nog lagere delen, erosiedalen. De Helperlinie ligt door zo’n dal.
Oostelijk ervan ligt het oerstroomdal van de Hunze, dat werd gevormd door een smeltwaterrivier die in het Saalien door dit gebied stroomde. Geleidelijk is het dal daarna opgevuld geraakt, achtereenvolgens met smeltwaterafzettingen, zeeklei, dekzand en veen. Westelijk van de grondmorenerug ligt de benedenloop van de Drentse Aa.

Veen
Op de overgang van het Drents Plateau naar het zeekleigebied ligt een zone met zogenaamd Hollandveen. Dit veen heeft zich vooral tussen 5800 en 3600 jaar geleden op een laag dekzand ontwikkeld, zowel aan de noord- als de westzijde van het Drents Plateau. Het is een soms bredere, soms smallere zone van het gebied oostelijk van Groningen via Friesland tot aan de IJssel in Noordwest-Overijssel. In de Late Middeleeuwen groeide de invloed van het water verder. Door oeverafslag groeide het Zuidlaardermeer. Waarschijnlijk stimuleerde de waterstaatkundige verslechtering van het kleigebied in de periode tussen 900 en 1100 de ontginning van de venen. Een combinatie van de analyse van de ontginningen en de bestaande informatie over de begrenzing van het veengebied heeft geleid tot de scheiding tussen veen- en zeekleiontginningen zoals op de kaart aangeduid.
Zeeklei
Het noordelijke en meest oostelijke deel van de gemeente Groningen bestaat uit zeekleiafzettingen uit het Holoceen, liggend bovenop dekzand of keileemafzettingen. Daartussen kunnen zich nog resten van het Basisveen bevinden, dat zich na de laatste ijstijd op het dekzand ontwikkelde. De zeeklei werd in Groningen vanaf het vroege Atlanticum (ongeveer 9200 jaar geleden) afgezet. Een strandwal ter plaatse van de huidige Waddeneilanden was toen nog gesloten, waardoor de huidige Waddenzee met de noordelijke delen van Friesland en Groningen een soort lagune was. Tijdens het Subboreaal, ongeveer 4200 jaar geleden, ontwikkelde zich op grote schaal Hollandveen, zoals hiervoor al is toegelicht. Ter plaatse van het Hunzedal kon de zee via een inham klei blijven afzetten. In de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen werd het strandwallensysteem opgeruimd en het Hollandveen grotendeels weggeslagen. Daardoor ontstonden grote zeeboezems die ver het land in staken. De Dollard is de laatst nog overgebleven boezem. De Lauwerszee stak met zijn armen tot voorbij Zuidhorn en Aduard, ongeveer tot aan Den Horn en Kleiwerd (figuur 4).
Naarmate de invloed van zee ten opzichte van het bestaande land groeide, zette zich klei op het veen af. De kalkloze kleien hadden hier een hoog gehalte aan ijzerhumaten, afkomstig van het Drents Plateau en veengebieden en meegevoerd door beken als de Drentse A. Door oxidatie van het ijzer kreeg de klei een roodachtige kleur. De gronden zijn specifiek voor Groningen en zijn bekend als rodoorngronden.

Een gradiënt
De provincie Groningen kent een fysisch-landschappelijke gradiënt van de pleistocene zandgronden nabij Haren tot de oude kweldergronden nabij de Waddenzee. Meer precies bestaat de gradiënt achtereenvolgens, van zuid naar noord, uit pleistocene zandgronden, veengronden, dikke klei-opveengronden (40 – 80 cm dik kleidek. knikkleigronden en brakke getijdenafzettingen en oude kweldergronden. In de gemeente Groningen hebben we vooral te maken met pleistocene zandgronden, met dikke klei-op-veengronden en met knikkleigronden. Deze bodemsoorten komen normaal gesproken voor in oost-west-gestrekte zones. De zone met knikkleigronden wordt echter ten noordoosten van de stad Groningen onderbroken door woudgronden. De woudgronden en de kweldergronden vormen de zone waar de meeste wierden voorkomen.
Interessant voor de landschappelijke ontwikkeling van Groningen is het feit dat het klei-opveenlandschap westelijk en oostelijk van de huidige stad relatief laag ligt en wel het Lage Midden van de provincie wordt genoemd. Het gebied ligt ook daadwerkelijk beneden NAP.
Typering
In de volgende paragrafen koppelen we een terminologie aan de aanwezige ontginningen. Daarbij is vooral het onderscheid tussen veenontginningen en zeekleipolders soms lastig te maken, bijvoorbeeld omdat het deels gaat om klei-op-veenafzettingen en om veenontginningen die werden afgedekt door klei toen het maaiveld gedaald was. Mede daarom is het onderscheid tussen veen- en kleiontginningen soms arbitrair. Steeds zullen we toelichten waarom we een bepaalde keuze gemaakt hebben.
Meerfasigheid?
De theorie van Van den Broek dat er in de omgeving sprake is van een meerfasige ontginning met later overschreven of deels geïntegreerde landinrichting is een interessante. Hij gaat er vanuit dat er in de 11e en 12e eeuw sprake was van een eerste bewoningsfase, waarvan archeologisch ook relicten zijn aangetroffen. Hij noemt daarbij onder meer de omgeving van Noorddijk. Ook haalt hij de verspreiding van kalkrijke klei over het venige maaiveld aan. Ook noemt hij het gebied ten westen van de stad Groningen met zijn veenterpen. De auteur van dit rapport keek hier onlangs verder in detail naar. Interessant in dat laatste kader, voor het SuikerUnie-terrein aan de Peizerweg, was het grillige patroon van de kreken waartussen de terpen een logische ligging hadden. Dat patroon was in het microreliëf nog zeer goed waarneembaar. Dat patroon kennende is het goed voorstelbaar dat de huidige strokenverkaveling een tweede fase van landinrichting vormde, die uit de 13e eeuw dateert.
De overgang tussen de eerste en tweede fase in de 12e eeuw wordt mogelijk gemarkeerd door maaivelddaling, een actiever wordende zee en wellicht ook een toename van de neerslaghoeveelheid. Daardoor vertrok de bevolking en werden de oudere sporen van bewoning en landgebruik gedeeltelijk door klei afgedekt. Een toponiem als Kleiwerd wijst nog op die landschappelijke verandering. Hetzelfde geldt voor Vinkhuizen, Ruskenveen, Retwerren en de Hoen, allemaal namen die verwijzen naar overstroomd land of land met slechte kwaliteit.
Dat verklaart ook waarom we het gebied westelijk van de stad tot de zeekleipolders, en niet tot de veenontginningen, moeten rekenen. Hier constateerden we al een bewoningspatroon dat volledig los stond van de latere strokenverkaveling, en iets soortgelijks vinden we in de Paddepoel bij een 13e eeuws steenhuis.
Over het hele gebied bekeken gaat het niet om eenmalige en allesvernietigende overstromingen, maar om een geleidelijke landschappelijke transitie die op de ene plek op een andere manier plaatsvond dan op de andere. Ook was er op de ene plek meer continuïteit dan op de andere. Noordelijk van Groningen vinden we meer continuïteit dan westelijk van de stad. We herkennen dat in de latere verkaveling, hetgeen we in de volgende paragrafen verder zullen toelichten.
Landschap en bestuur
De omgeving van Groningen zat vóór de instelling van gemeenten in de Franse Tijd politiek-bestuurlijk complex in elkaar. Kerkelijk, politiek-administratief en waterstaatkundig waren er verschillende eenheden die lang niet altijd dezelfde grenzen kenden en waar door de tijd ook nog het één en ander aan veranderde.
Bestuurlijk
Bestuurlijk bestond de hoofdindeling in de nieuwe tijd uit het Gorecht rond de stad Groningen met daaromheen de Ommelander kwartieren Westerkwartier, Hunsingo, Fivelingo, Oldambt en Westerwolde. Elk kwartier was verdeeld in een aantal onderkwartieren. In de huidige gemeente Groningen bevinden zich behalve het Gorecht ook delen van drie andere kwartieren (figuur 5).
Het Westerkwartier werd in 1594 gevormd uit de voormalige districten Vredewold, Langewold en Middag-Humsterland, die nu als onderkwartieren gingen fungeren. Middag-Humsterland behoorde eerder tot Hunsingo. De oude loop van de Hunze, nu Oude Diepje genoemd, vormde de grens met het grote gebied Middag binnen het Westerkwartier. Slechts een klein reepje ten westen van het bedrijventerrein Westerpoort behoort historisch gezien nog tot Vredewold.
Hunsingo splitste zich geleidelijk op in de delen Marne (met Leens als hoofdplaats. Halfambt (met Baflo als hoofdplaats. Ubbega (met Winsum als hoofdplaats. Middag (met Garnwerd als hoofdplaats) en Oosterambt (met Usquert als hoofdplaats). Van die laatste splitste Innersdijk, met Bedum als hoofdplaats, zich rond de 14e eeuw af. In 1659 werden deze eenheden herordend in een driedeling, namelijk Marnsteradeel, Halfambteradeel en Oostambtseradeel. Van Hunsingo liggen de historische territoria Ubbega (omgeving van Harssens) en Innersdijk (oostelijk daarvan) binnen de huidige gemeente Groningen.
In Fivelingo waren dit vanouds het Westerambt, met Loppersum als hoofdplaats, en het Oosterambt, met Appingedam als hoofdplaats. In de 15e eeuw werden in de veengebieden twee onderkwartieren toegevoegd, namelijk Duurswold (met Slochteren als hoofdplaats) en Vierendeel (met Ten Boer als hoofdplaats). In 1659 werd andermaal de indeling aangepast, nu met een driedeling:
Hoogelandsteradeel, Oosteradeel en Duurswolderadeel. Het voormalige Vierendeel, en daarmee Ten Boer, kwam onder Duurswolderadeel te vallen.
Alhoewel de indeling van 1659 in 1749 formeel werd afgeschaft, staat ze op later kaartmateriaal nog wel afgebeeld (figuur 6).

Waterstaatkundig
Daarnaast was er een waterstaatkundige indeling, met zijlvesten, daarbinnen schepperijen, waarbinnen zijl-eden of klauwen lagen. In de 18e eeuw waren er 33 zijlvesten in de provincie Groningen. Relevant voor de huidige gemeente Groningen zijn het Aduarder zijlvest, het Wietsinger zijlvest, het Winsumer en Schaphalster zijlvest en het Generale zijlvest der Drie Delfzijlen (het Schamer zijlvest, Slochter zijlvest en het Dorpster zijlvest).
Deze zijlvesten kenden, zoals hiervoor genoemd, een onderverdeling. We illustreren dat voor Noorddijk. Noorddijk behoorde sinds 1408 tot het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest. Door het dorp Noorddijk liep de grens tussen twee zijl-eden die tot verschillende schepperijen behoorden, namelijk de westelijke tot de schepperij Innersdijk en de oostelijke tot de schepperij Vierendeel.
Vierendeel was dus niet alleen een bestuurlijke eenheid onder Fivelingo, maar daarnaast een schepperij. De grens tussen Innersdijk en Vierendeel, die ook de grens was tussen Hunsingo en Fivelingo, is nog altijd de huidige gemeentegrens ten oosten van Noorddijk en de stadswijk Lewenborg. Verder zuidelijk vormt de lijn Borgweg-Hoofdweg-Borgsloot de grens tussen Hunsingo in het westen en Fivelingo in het oosten.
De historische grenzen van de rechtstoelen en voormalige gemeenten worden nader behandeld in paragraaf 6.2.8.

5.2.2 Kampontginningen met plaatselijk essen
Blokvormige kampontginning (Kd1)
Op de smalle Hondsrug ontwikkelde zich een blokvormige verkaveling langs de Hereweg, die als ontginningsas functioneerde. Door de hogere ligging is het de enige plek in de gemeente Groningen waar percelen niet alleen door sloten, maar ook door houtsingels van elkaar werden gescheiden. Door de belangrijke verbindingsfunctie ontwikkelde zich al vroeg bebouwing langs de Hereweg. Daarnaast werden ook erven in de aangrenzende veenontginning via de Hereweg ontsloten. Binnen de gemeente Groningen ligt het eertijds Harense, voormalige gehucht Helpman. Het bestond uit een bebouwingslint langs de Hereweg en enkele verspreide erven oostelijk daarvan, in de veenontginning. Ook ten noorden van de stad bevond zich in de vroege 19e eeuw nog een kort bebouwingslint, waarbij de weg net vóór de begraafplaats naar het noordoosten en noordwesten afboog. Enkele functies ten dienste van de stad kregen al vóór de verstedelijking een plek op de Hondsrug, te weten de begraafplaatsen ten noorden en zuiden van de stad, de Helperlinie ten zuiden van de stad en een sterrenbos aan de Hereweg. Daarbij is het vooral voor de begraafplaatsen van belang dat men een relatief hoge en droge plek uitzocht, omdat lichamen met een hoge grondwaterspiegel slecht of niet vergaan en dit voor de volksgezondheid negatieve effecten kon hebben (figuur 8). Ten noorden van de stad lagen nog in de 19e eeuw, en wellicht zelfs nog de vroege 20e eeuw, de stedelijke moestuinen op de Hondsrug.

5.2.3 Middeleeuwse agrarische veenontginningen
Hollandveenontginning met lange opstrek (An1)
Middeleeuwse agrarische veenontginningen met lange opstrek vinden we hoofzakelijk ten oosten van de Hunze, binnen de Wolddijk , en in beperktere mate ook ten zuidwesten van Leegkerk.
Binnen de voormalige gemeente Groningen
Ten oosten van de Hunze hebben we in principe met een aantal zich oost-west-opstrekkende dorpsgebieden te maken, die zich doorzetten over de hier aangehouden grens tussen zeekleipolders en veenontginningen. Het verschil tussen de zeeklei- en veengebieden in ontginningsstructuur is hier ook niet zo groot. Dat is de reden ervoor dat Schroor & Meijering er in hun typering voor hebben gekozen zowel het kleideel (Noorddijk en noordelijker) als het veendeel (Noorddijk en zuidelijker) onder te 45 brengen in het type ‘wegdorpenlandschap’. Niet op elke grens tussen dorpsgebieden zien we een heel duidelijke verandering van de verkaveling. Waar dat wel speelde was bij de Beijumer Zuidwending 46 , waar we de verkaveling van Noorddijk en die van Beijum duidelijk op elkaar zien botsen. Daarnaast is er een duidelijk onderscheid tussen de westelijke veenontginningen van Noorddijk, Middelbert (Middenwolde) en Engelbert (Engerwolde) en de oostelijke van Harkstede.
Van den Broek gaat er vanuit dat er een gemeenschappelijke eerdere fase in het landschap moet hebben bestaan bij Noorddijk en de gebieden noordelijk en zuidelijk daarvan. Er loopt namelijk een oud bewoningslint door in de verschillende dorpsgebieden. Dat bewoningslint typeert ook meteen de overheersende nederzettingsvorm in deze gebieden, namelijk die van de wegdorpen.
De veenontginningen van het Woldgebied bij Noorddijk vormen als het ware het secundair ontgonnen achterland van de zeekleiontginningen langs het Selwerderdiep, in een gradiënt van boven NAP gelegen kleiafzettingen naar venen die als gevolg van de ontwatering onder NAP kwamen te liggen. Samen vormden ze als het ware een diep soepbord met hoge randen aan alle zijden. Schroor en Meijering veronderstellen dat Noordwolde, Zuidwolde en Beijum dochternederzettingen van Adorp en Harssens zijn. De dorpskerk van Zuidwolde dateert uit de 11e eeuw, hetgeen iets over de periode van ontginning zegt. Beide onderzoekers gaan uit van een ontginning vanaf de 10e eeuw. 49 Er moesten in de 14e eeuw speciale voorzieningen genomen worden om het gebied te kunnen blijven ontwateren, zoals het Nieuwe Gat, liggend ten westen van de Wolddijk. Deze nieuwe watergang werd vanaf 1321/1322 gebruikt om de landerijen binnen de Wolddijk af te laten wateren op de Hunze. Niet lang daarna werd de afwatering, ook van Noorddijk, in noordelijke richting verlegd. Na 1428 werd de afwatering in tweeën gedeeld en de Dwarsdijk als waterscheiding aangelegd.
Veel van de percelen werden secundair in de lengte nog in twee of meer percelen opgedeeld. Evenals bij de hiervoor genoemde blokvormige verkavelingen hebben we te maken met perceelsscheidende sloten en bebouwing langs de dijkjes en wegen, met hier en daar een erf verder een polder in. Ook de omgeving van Beijum en Noorddijk behoort tot deze strookvormige zeekleiontginningen. We hebben hier te maken met overgangszones tussen klei- en veenontginningen, merendeels met klei-opveenbodems. Hoe zuidelijker, hoe dunner het kleipakket is. Op de kaart hebben we een harde scheiding tussen klei- en veenontginningen weergegeven, maar feitelijk is dit een veel geleidelijker overgang. Plaatselijk werden vanwege het dalende maaiveld huisterpen aangelegd.

De verhoudingsgewijs waterstaatkundig nadelige situatie komt ook naar voren in de aanleg van de Wolddijk, omstreeks 1200. Deze dijk moest de dorpen Bedum, Noord- en Zuidwolde beschermen tegen water dat vanuit de hoger gelegen kleigronden de gebieden met veen in zou stromen. Het maaiveld was in de klei-op-veengebieden namelijk door klink gedaald. Dit probleem speelde in het gehele Centrale Woldgebied, waartoe ook Duurswold behoorde. Daarmee werden moeder- en dochterontginningen waterstaatkundig van elkaar gescheiden.
Zuidelijk van Leegkerk, in de omgeving van Vierverlaten, vinden we twee veenontginningen met lange opstrek. Het gaat om een veenontginning die opstrekt vanaf het Aduarderdiep en om een veenontginning met opstrek vanaf de Hoensloot, het latere Hoendiep. Deze laatste veenontginning loopt buiten de gemeente Groningen door in Roderwolde. De veenontginning vanaf het Aduarderdiep eindigt bij de Zuidwending, een oude zijdwende (zijkade) van de aangrenzende veenontginning.
Binnen de voormalige gemeente Ten Boer
De voormalige gemeente Ten Boer bestond in de vroege middeleeuwen voor een aanzienlijk deel uit hoogveenlandschap.56 Vermoedelijk startte de systematische ontginning van dit veen in de eerste helft van de 10e eeuw. Het gebied ten noorden van het Damsterdiep is als één ontginningseenheid te beschouwen. Dit gebied werd vanuit noordoostelijke richting ontgonnen; de Wolddijk werd later over deze ontginningsbasis gelegd. De sloot op de grens van de voormalige gemeenten Groningen en Ten Boer was de achterzijde van de ontginning. Voor een klein deel geert deze ontginning, bijvoorbeeld ten westen van Lutjewolde.
Tussen Damsterdiep en Slochterdiep ontgon men vanuit het oosten naar het westen, vanuit Woltersum ook naar het zuidwesten. Alleen de ontginning vanuit de Oude Kwens / Kleisloot (westelijke zijstroompjes van de Fivel) in oostelijke en zuidelijke richting, grotendeels overigens tot 1 januari 2019 in de voormalige gemeente Groningen gelegen, hebben we vanwege het waaiervormige karakter in een ander type opgenomen.
We kunnen veronderstellen dat, zoals elders in de veengebieden, het veen aanvankelijk geschikt was voor akkerbouw. Naarmate het steeds verder oxideerde en het maaiveld daalde, werd het gebied steeds natter en was gebruik als grasland steeds vaker de enige mogelijkheid. De aanleg van de Wolddijk, die hierboven wordt besproken, past in dit plaatje van een vernattende context. Door de oxidatie verdween het hoogveen vrijwel volledig. Van enige beplanting tussen de percelen was geen sprake, waardoor het gebied tot op heden een open karakter heeft. Al vóór 1600 werd er vanwege het dalende maaiveld wellicht al met windmolens gemalen om het water weg te krijgen. Dat werd later, in de 18e eeuw, nog geïntensiveerd om akkerbouw opnieuw mogelijk te maken.
In het gebied komen meerdere bewoningsassen voor, die ontstonden naarmate de ontginning steeds verder in zuidwestelijke richting vorderde. Men onderscheidt wel vijf ontginningsfasen. Het gaat achtereenvolgens om fase 1 (niet in de gemeente Groningen. fase 2 (Sint-Annen en Ten Boer. fase 3 (Lutjewolde, Achter-Thesinge. fase 4 (Thesinge, Heidenschap) en fase 5 (Noorddijk, Garmerwolde). Bij het vestigen langs die linten had men soms al last van een dalend maaiveld, waardoor wierden moesten worden aangelegd. Thesinge ligt op zo’n wierde. Voor een daadwerkelijke verplaatsing van nederzettingen na 1200, zoals elders binnen veenontginningen voorkwam, zijn hier geen signalen. Er zijn wel aanwijzingen voor satellietnederzettingen vanuit dorpen in de zeekleiontginningen, zoals Emutherouualda of Heuurtherouualde(Lutjewolde) vanuit Hemuurth (Hemert). Op basis daarvan kunnen we veronderstellen dat de ontginners uit de directe omgeving kwamen.64
Door het gebied liepen bovendien meerdere routes van Groningen naar Oost-Friesland, wellicht al vanaf de 11e eeuw. De Stadsweg nam later die rol over.
Hollandveenontginning met korte opstrek (An2)
Ten zuiden, zuidwesten en zuidoosten van de stad Groningen bevinden zich de meest zuidelijke veenontginningen van de gemeente Groningen. Deze veenontginningen lopen door in de provincie Drenthe. Ze verschillen nogal opvallend van de veenontginningen ten oosten van de Hunze. Hier is namelijk sprake van relatief korte opstrek en een kleinere landschapsschaal. Er is soms sprake van korte stroken, maar vaak ook van blokvormige of zelfs onregelmatige verkavelingen. Het Hoornsche Diep en Peizerdiep hebben duidelijk als ontginningsassen gefungeerd. De veenontginning oostelijk van Helpman is zeer waarschijnlijk grotendeels vanaf de Hereweg ingericht, en wellicht nog voor een klei deel vanaf het Schuitendiep.
Ten westen van de Hondsrug in het uiterste westen van de gemeente lag het Neerwolde. Dit gebied werd relatief laat ingericht, mogelijk pas in de 14e eeuw.66 Verder zuidelijk, in de huidige gemeente Tynaarlo, werd er in de 18e en 19e eeuw verveend, met het Paterswoldse Meer en het Friesche Veen als resultaten. De vloeivelden van de SuikerUnie bevinden zich in dit landschap (figuur 10).

Hollandveenontginning met kleinschalige strokenverkaveling (An3)
Direct ten noorden van Eelderwolde ligt een laaggelegen gebied nabij het Eelderdiep dat in het midden van de 19e eeuw nog maar beperkt verkaveld lijkt te zijn geweest. Het heeft kenmerken van een meent, een laaggelegen weidegebied dat gemeenschappelijk werd beheerd. Een blik op het kadastraal minuutplan leert echter dat het gebied weldegelijk verkaveld was, en wel met relatief kleinschalige strookkavels. We vinden een dergelijke verkaveling vooral in het dal van het Eelderdiep en is karakteristiek voor afvoerloze laaggelegen gebieden, de broeken. Ook westelijk van Eelde, aan de overzijde van het diep, lagen dergelijke verkavelingen. Bodemkundig is de aanwezigheid van broekveen kenmerkend voor dit gebied. Het gebied is grotendeels verstedelijkt, maar westelijk van de Piccardthofplas vinden we nog enkele landelijke delen.
Hollandveenontginning met gerend karakter (An4)
Waarschijnlijk is de ontginning van Harkstede secundair ten opzichte van de ontginningen dichter bij de Hunze. De Borgweg-Hoofdweg heeft vermoedelijk als ontginningsas voor de veenontginning van Harkstede gefunctioneerd, die duidelijk jonger is dan de veenontginning van Engelbert en omgeving. Mogelijk is deze ontginningskade later nog tot Borgwal opgehoogd om het water uit het Gorecht en Drenthe te keren. Heel kenmerkend was de gerende verkaveling van de Harksteder percelen naar de watergang in het midden van het gebied. Interessant is dat Ligtendag een heel ander perspectief op deze veenontginning had. Hij ging er vanuit dat de ontginning plaatsvond vanaf de Oude Kwens / Kleisloot, en dus van het middelpunt naar buiten toe, terwijl Van den Broek juist een ontginning naar het centrum vanaf de rand veronderstelt. We neigen hier de kant van Van den Broek te kiezen. De veenbedekking zal van het kleine bovenloopje van de Fivel niet meer dan een veenstroompje hebben overgelaten. Dat maakte een ontginning vanaf een klein veenstroompje niet heel voor de hand liggend. De knikken in de verkaveling nabij het veenstroompje, veroorzaakt door een aangepaste strategie door maaivelddaling, wijzen ook op een ontginning vanaf de buitenzijde. De ontginning loopt door in het Lageland, aan de overzijde van het Slochterdiep.
Het gebied is door een ruilverkaveling sterk veranderd. De aanleg van Meerstad heeft bovendien ook een negatief effect op de landschappelijke kwaliteiten in een groter gebied dan de bebouwde zone alleen, bijvoorbeeld door de aanleg van de waterpartijen.
Onregelmatige veenontginning (An5)
Met name op de overgang naar het zandlandschap van de Hondsrug komen nog twee afwijkingen typen met veenontginningen voor. De eerste van die twee zijn de onregelmatige veenontginningen, voorheen alleen aanwezig tegenover de Roodehaan ten oosten van Essen. De onregelmatigheid dankte zijn bestaan aan de ligging in een bocht van het Winschoterdiep en de ligging aan het einde van een ontginning. Op basis van de ontginningsgeschiedenis is een relatie met de veenontginningen met korte opstrek te leggen (An2). Door het afsnijden van de kanaalbocht en enkele andere ingrepen is van de vroegere verkaveling ter plaatse niet veel meer te herkennen.
Veenontginning met blokverkaveling (An6)
De andere afwijkende inrichting van een veenontginning vinden we in een wat groter gebied ten westen van het vorige gebied, tussen de kampontginningen van de Hondsrug en – grofweg – het Winschoterdiep. Een klein gebied in het oosten kent een laag zeeklei aan het oppervlak. Qua ontginningsgeschiedenis heeft het gebied tussen Winschoterdiep en Hondsrug echter een gemeenschappelijke geschiedenis, en daarom is het geheel onder de veenontginningen opgenomen. Karakteristiek voor dit gebied rond Essen is die ietwat onregelmatige blokverkaveling met perceelsscheidende sloten, die tussen spoorlijn en Winschoterdiep onder bebouwing verdwenen is. De bebouwing stond van oudsher vooral in de kern van Essen.
5.2.4 Oudere zeekleipolders
Zeekleiontginning met onregelmatige blokverkaveling (Zn1)
Hoofdzakelijk in de zeekleipolders, maar ook in de veenontginningen bevinden zich verhoogde huisplaatsen, hier wierden genoemd, die tussen de late IJzertijd en Late Middeleeuwen werden opgeworpen en een hoge bevolkingsdichtheid mogelijk maakten. Voor wat betreft de ligging vertonen ze een sterke correlatie met de structuur van kreken, zowel in het gebied waar de kreken zich zichtbaar zijn (zie hieronder, Zn1) als in het gebied waar door laatmiddeleeuwse herverkavelingen de oude structuur overschreven is, en soms de kreken nog in het reliëf herkenbaar zijn (zie bijvoorbeeld het SuikerUnie-terrein ).
De omvang van de wierden zowel ten noorden van Groningen als rondom Ten Post verschilt sterk, van een enkele huisplaats (figuur 11) tot een grotere dorpswierde, zoals in Dorkwerd (figuur 12).


Onder de wierden bevinden zich zowel structuren uit de Romeinse tijd die doorlopen tot in de eerste fase van de ontginningen, als veel jongere, laatmiddeleeuwse huispodia die zich voegen in de verkaveling van de tweede fase. Verhoogde huisplaatsen kennen derhalve een lange periode waarin ze ontstaan zijn.
Zowel in het noorden van de gemeente Groningen als in het uiterste noordoosten bevinden zich gebieden die gekenmerkt wordt door bochtige lopen van vroegere kreken en een daarmee samenhangende onregelmatige blokverkaveling (figuur 13).
De belangrijkste waterloop in het noorden is het Selwerder diepje, deel van de Hunzeloop. Verspreid over het gebied, merendeels op de oevers van de kreken, bevinden zich erven. Deze locatiekeuze wordt nog eens benadrukt door het voorkomen van (onbewoonde) terpjes of wierdes langs de kreken. De kavelgrenzen bestaan uitsluitend uit sloten. Het gebied ligt tussen 0,3 en 1,2 meter +NAP, met terpjes tot ruim 2 meter +NAP. Kleinere gebiedjes van dit type vinden we ook in de omgeving van Leegkerk.
In het noordoosten gaat het om de Fivel, die hier ook wel de Ten Poster Ae wordt genoemd. Het later gegraven Damsterdiep, die nu het natte karakter van het gebied representeert, doorsnijdt sinds 1424 de Fivel diagonaal. Daardoor werd Ten Post een kanaaldorp, en aan die ontwikkeling dankt Winneweer zijn bestaan (‘wende’ of bocht in het Damsterdiep, waar vóór 1668 een herberg ontstond). Langs de Fivel en zijn zijstroompjes liggen oude woonplaatsen als Woltersum, Wittewierum, Ten Post,
Kröddeburen, Winneweer en Lellens. De onregelmatige blokverkaveling bevindt zich hoofdzakelijk in het noordelijke deel; verder stroomopwaarts is sprake van een iets regelmatiger blokverkaveling, waarop we hierna nog terugkomen.
De verkaveling zoals die hier voorkomt is kenmerkend voor gebieden die ten tijde van de aanleg van de eerste wierdes, in de Romeinse Tijd, relatief weinig overstroomden en al wat hoger lagen. Het gebied behoort tot de dichtst bevolkte gebieden van Groningen bij aanvang van de kerstening, omstreeks 800.

Zeekleiontginning met blokverkaveling (Zn2)
Een enigszins tot veel regelmatiger blokvormig verkavelingspatroon vinden we in een brede zone ten zuiden van het hiervoor genoemde gebied bij de stad Groningen (figuur 3.10) en rondom de onregelmatige blokverkaveling nabij Ten Post.
Blokverkaveling nabij de stad
Naar alle waarschijnlijkheid hebben we hier (deels) te maken met een jongere ontginningsfase, een gedachte die ondersteund wordt door de lagere ligging van het gebied van dit type nabij de stad en archeologische onderzoeksresultaten, en mogelijk gemaakt door een klimaatoptimum. De onbebouwde deelgebieden bevinden zich op 0,4 meter –NAP tot 0,4 meter +NAP. We gaan hier het Lage Midden in, dat we hiervoor hebben besproken.
Anders dan in het hiervoor beschreven gebied (Zn1) hebben we niet zozeer te maken met kronkelende kreken met onregelmatige ontginningen, maar met min of meer rechte dijkjes en wegen – of soms bochtige wegen als uitlopers van onregelmatiger deelgebieden. Het gebied kent enkele regelmatige ontginningen, bestaande uit blokvormige kavels, die soms in grotere blokken bij elkaar liggen. Het is niet onaannemelijk dat de regelmatige structuur in de plaats is gekomen van een onregelmatiger structuur uit een eerdere fase (zie hierna). Zo’n planmatige tweede laag kan ook verklaren waarom er van de oude krekenstructuur weinig of niets meer in de verkaveling herkenbaar is.
De bebouwing was merendeels langs de aanwezige dijkjes en wegen gepositioneerd, en een enkele keer dieper in de ontginningsblokken. De zone met blokvormige verkavelingen, hier en daar onregelmatig door oude lopen, zet zich voort langs de westoever van de Hunze tot aan de provinciegrens, zuidoostelijk van de stad. Alhoewel hier sprake was van bochtige lijnen van oude stroomgeulen, was de verkaveling zelf opvallend regelmatig.
Kortekaas geeft aan dat deze (her)ontginning ten noorden van Hoogkerk, zowel in Zn2 als Zn3, na 1200 in de plaats kwam van een oudere veenontginning uit de 11e eeuw of eerder. Daarbij zou het oude veen gefaseerd zijn weggeslagen.

Blokverkaveling in de voormalige gemeente Ten Boer
Tegen de onregelmatig verkavelde delen langs de Fivel bevinden zich bij Ten Post ook ontginningen met een regelmatiger karakter. Deze hebben een blokvormig karakter, waarbij bundeling van blokvormige percelen in strookvormige patronen waar te nemen is. Mogelijk gaat het om een wat minder systematische variant op de aangrenzende veenontginningen: een eerste fase in de ontginning aan de randen van de venen, althans ten noorden van Woltersum. Die bundeling in stroken ontbreekt nabij Hemert en Kröddeburen; daar kan het gaan om secundaire zeekleiontginningen, verder van de Fivel vandaan.
Zeekleiontginning met strokenverkaveling (Zn3)
Nog een graad planmatiger dan de blokvormige verkaveling zoals we die hiervoor hebben besproken zijn de ontginningen met een strokenverkaveling (figuur 15). Deze ontginningen werden ter hand genomen door vanaf een ontginningsbasis parallelle ontwateringssloten te graven, vergelijkbaar met veenontginningen. De percelen met blauwgraslanden werden als hooiland gebruikt. Gebieden met strookvormige zeekleiontginningen bevinden zich vooral in het lage, door klei overspoelde gebied ten westen van de stad Groningen en tussen de zeekleiontginningen van Ten Post en de veenontginningen van Ten Boer. We kunnen ze in de periode tussen 800 en 1000 dateren.
Een deel ervan kent een meer blokvormige, een ander deel meer een strookvormige verkaveling.
Zoals we in de kadertekst al hebben toegelicht is er een duidelijk verschil waarneembaar in de Groningse verkavelingen vanaf het Reitdiep en de Hoogkerkse vanaf de Hoensloot, de Oude en Jonge Held genaamd. In 1564 werd de bestaande Hoensloot door het slecht ontwaterde gebied ten westen van de stad uitgebaggerd en kreeg het de naam Hoendiep. In 1575-1576 werd het opgenomen in het militair-strategisch bedoelde Kolonelsdiep.80 De Polder Leegkerk lijkt deels vanaf het Peizer- of Aduarderdiep te zijn verkaveld, maar grotendeels vanaf de Noodweg, een zijkade van de ontginningen van de Oude en Jonge Held. De korte opstrek van de verkaveling vanaf het Peizer- of Aduarderdiep, waar we de oorspronkelijke ontginningsas mogen verwachten, wijst op een grootschalige herverkaveling van het achterliggende land, met deels een blok- en deels een strookvormige verkaveling tot gevolg. Alleen het gedeelte het dichtst bij het Aduarderdiep heeft men toen niet herverkaveld, waardoor we daar nog een wat onregelmatiger structuur aantreffen.
De systematische ontginningen ten noordoosten van de Wolddijk zijn waarschijnlijk vanuit de oudere zeekleiontginningen langs de Fivel gestart en gaandeweg naar het zuidwesten uitgebreid. De achterzijde van de ontginning, ter plaatse van de latere Wolddijk, is vermoedelijk in de 10e eeuw opgepakt als basis voor de veenontginningen van Ten Boer en omgeving.

Zeekleiontginning met grootschalige blokverkaveling (Zn4)
Een opvallende afwijking ten opzichte van het hierboven geschetste beeld is de grootschalige blokverkaveling op de flank van de Hondsrug naar de Hunzelaagte, oostelijk van de Harense buurtschap Essen. Zowel de omvang als de onregelmatigheid van elk perceel wijkt sterk af van de structuur aan de overzijde van de Schuitendiepvaart, en ook van de kleinschaliger blokverkaveling (Zn2). De historische duiding ervan is nog niet helemaal duidelijk, vooral ook omdat het beperkt blijft tot de directe omgeving oostelijk van Essen.
Intermezzo: de ontginning van het reit- en woldland ten noordwesten van Groningen
Een combinatie van enkele landschapstypen is te vinden in het gebied tussen Groningen en Hoogkerk. Omdat zij echter als ontginning één geheel vormen, bespreken we ze hier in de vorm van een intermezzo. In de 11e eeuw was dit gebied mogelijk nog plaatselijk in gebruik. Enkele terpjes in het gebied getuigen van die aanwezigheid. Het gebied, waar in deze periode nog klei op het aanwezige veen werd afgezet en waar de zee in kreken vrij spel had, moet in deze periode nog grotendeels een woeste aanblik hebben gekend.
Bepalend voor de verdere ontwikkeling van het gebied was het graven van het Reitdiep, dat in de eerste helft van de 13e eeuw plaatsgevonden zou hebben in verband met het verzanden van de Drentse Aa. Het aanleggen van deze watergang, die naast waterstaatkundige betekenis ook belang voor de scheepvaart gehad zal hebben, maakte een verdere ontginning van het gebied mogelijk. Tussen de kerktorens van Dorkwerd en Eelde trok men een rechte grenslijn. Het gebied westelijk van deze lijn werd aan de inwoners van Leuwerderwolde gelaten, ten oosten ervan ging men vanaf de Hondsrug aan de slag. De lijn Dorkwerd-Eelde kon met behulp van punten op de Drentselaan (Peizerweg. waar deze nog altijd een hoek maakt, getrokken worden. Ontginningsbasis voor de ontginningen vanuit het oosten moet de Laan geweest zijn. Deze weg is nu op enkele plekken onderbroken, maar wordt door Van Deventer op zijn stadsplattegrond uit de 16e eeuw nog als doorlopende lijn vanaf de Turftorenstraat aangegeven.
5.2.5 Landgoederen en buitenplaatsen
Villatuin (Lv1)
Van een omvangrijke zone met buitenplaatsen, zoals bij andere steden in de Nederlanden het geval was, is rond Groningen nooit sprake geweest. De vroegste ontwikkelingen daar van enige schaal dateren uit de 19e eeuw. Langs de (Verlengde) Herenweg werden villa’s gebouwd, waaromheen ruime tuinen werden aangelegd. Een groot deel daarvan bevindt zich binnen de voormalige gemeente Haren, maar ook op het grondgebied van de vroegere gemeente Groningen komen ze voor. Het gaat dan bijvoorbeeld om de villa’s Volente, Helena, Hilghestede, Gelria en Groenestein. Van deze villa’s dateert alleen de laatste uit de 17e eeuw (en ligt ook verder van de doorgaande weg vandaan); de rest is 19eeeuws. De oorspronkelijke tuinen van de 19e- of vroeg-20e-eeuwse buitens bestonden veelal uit een brede groene zoom, met daarbinnen een zwierige aanleg in landschapsstijl. De open ruimten tussen deze villatuinen langs de Herenweg werden vanaf de vroege 20e eeuw met kleine villa’s ingevuld, waardoor er een aaneengesloten strook van ‘groene kamers’ ontstond. De meeste oorspronkelijke villatuinen bleven herkenbaar, in een enkel geval zijn ze later verkaveld.
Stedelijk park met buitenplaatsachtige aanleg (Lp1)
Het Sterrebos, ontworpen door de stadshovenier en aangelegd op initiatief van de Groningse burgemeester in 1765, is een park dat door zijn aanleg het karakter van een buitenplaats benaderd. Er ontbreekt echter wel een huis met tuin; alleen het park is gerealiseerd. Door het noordelijk deel is in de 20e eeuw de Weg der Verenigde Naties aangelegd, en ook het karakter als sterrenbos is niet meer herkenbaar. Desondanks is het een belangrijke herinnering aan de ingrepen van het stadsbestuur in de directe omgeving van de vesting.
5.2.6 Historische nederzettingen
Middeleeuwse stadskern (Ns1)
De middeleeuwse stadskern van Groningen neemt een bijzondere positie op de Hondsrug in. De ontwikkeling van Groningen begon in de Karolingische tijd als esdorp. Oude verbindingen over de
Hondsrug waren de Hereweg-Herestraat-Boteringestraat en de Coendersweg-Engelse KampKempkensberg-Verlengde Oosterweg-Oosterweg-Verlengde Oosterstraat-Rademarkt-Oosterstraat.
Haaks op deze twee routes stond de Stadsweg-Poelestraat-Grote Markt-Vismarkt-Brugstraat-Aweg (figuur 15). Aan weerszijden van de stad lagen de Noordes en de Zuides. Daarbij lagen de vroegste hoeven. Zowel in de oudste stad als in de uitbreiding uit 1615-1624 vinden we de oude blokvormige verkaveling, die daarna ook buiten de stad bleef bestaan, nog terug. De dorpen Haren en Noordlaren kennen nog altijd een vergelijkbare opzet. Vanaf de Karolingische tijd werd er op dit strategische punt een koninklijk domein ingericht, dat we in dit kader niet verder toelichten. Als gevolg van die relatie kwam er ook een kerkelijk centrum tot stand, met een eigenkerk van de Utrechtse bisschoppen. Groningen bleef bovendien van belang als domeincentrum voor de verzameling van inkomsten. De bisschoppen lieten een eigen kapel, de Sint-Walburgiskerk bouwen en ze stelden een burggraaf voor wereldlijke zaken aan. Vanaf de 13e eeuw ontwikkelde stad zich verder in economisch opzicht. De stad werd over water beter bereikbaar door de aanleg van een aantal vaarten, en voor de schippers werd een tweede parochiekerk gebouwd, gewijd aan de patroonheilige van de schippers: de Sint-Nicolaas of A-kerk. Een meer gedetailleerde beschrijving van de stedelijke ontwikkeling van Groningen is binnen deze historisch-geografische inventarisatie, die zich vooral op het landelijk gebied richt, achterwege gelaten.

Middeleeuwse stadsuitleg (Ns2)
In de 15e eeuw kende Groningen een bloeiperiode, en koos men ervoor de stad met nieuwe verdedigingswerken te omringen. Daarbij werd aan de zuid- en zuidoostelijke zijde een gebied binnen de wallen opgenomen (figuur 3.13). Het betrof de plaats van een voormalig esdorp, dat als buurdorp naast het oude Gruoninga had gelegen. Hier lag onder meer het Zuiderkerkhof, aangelegd in 1648. Eromheen lagen eenkamerwoninkjes.

Nieuwetijdse stadsuitleg (Ns3)
In de jaren 1615-1624, grotendeels tijdens het economisch voorspoediger Twaalfjarig Bestand (16091621. werd de stad Groningen in noordelijke richting over de vroegere Noordes uitgebreid (figuur 18). Daarbij was het doel primair militair van karakter, want er werden tevens zeventien zogenaamde dwingers aangelegd. De structuur van de nieuwe stad volgde grotendeels de bestaande infrastructuur, en de verkaveling van de oude stad werd naar het noorden doorgetrokken. In de nieuwe stad werd een ouder kerkhof, waar eens een kapel had gestaan, opgenomen. In de periode 1660-1664 zou hier uiteindelijk de Nieuwe Kerk worden gebouwd. In de stad werden tevens twee markten, de Steenmarkt en de Ossenmarkt, aangelegd. Ook het oude Schuitenschuiverskwartier, aan de oostzijde, werd binnen de stad gebracht. Het was vooral industrieel en ook militair van belang. De nieuwe stad bleef nog lang relatief open. In de vroege 19e eeuw lagen hier bleekvelden, looikuipen, tuinen en de Hortus Medicus.
Bij de ontwikkelingsgeschiedenis van dit gebied hoort zeker ook de ontmanteling van de vesting als gevolg van de Vestingwet van 1874. Een aantal oude stadspoorten was al eerder gesloopt. Na inwerkingtreding van de genoemde wet werd vooral in het zuiden tot uitvoering overgegaan. Hier verrezen herenhuizen langs een brede boulevard. Ook werden de Noord-Willemsvaart en het Eemskanaal met elkaar verbonden, door het Verbindingskanaal. In het noorden werd in 1880 het Noorderplantsoen in Engelse landschapsstijl aangelegd. Na de ontmanteling kon de stad zich ook buiten haar vesting planmatig gaan uitbreiden, een aspect dat buiten het kader van deze studie blijft.

Dorp in het zeekleilandschap (Nd1)
Hoogkerk hebben we aangeduid als een dorp in het zeekleilandschap. Bij de werkelijk tot echte bewoningsconcentratie uitgegroeide dorpen gaat het veelal om lintvormige structuren. Wierdedorpen met een concentrische structuur, zoals Dorkwerd, bleven nabij de stad veelal heel klein. Hoogkerk zou dankzij de ligging aan het Hoendiep economisch een belangrijke bloeiperiode meemaken, nog te zien aan de stedelijk aandoende bebouwing langs die watergang. De noordelijke uitloper was veel meer agrarisch van karakter.
In de omgeving van Ten Post bevindt zich ook een groot aantal kleine dorpen in het zeekleilandschap.
Het gaat om het lintdorp Lellens, om Kröddeburen en Ten Post langs de Fivel en de wierdedorpen Wittewierum en Woltersum langs bovenlopen daarvan. Karakteristiek voor enkele dorpen in de voormalige gemeente Ten Boer is dat zij zich ontwikkeld hebben rond middeleeuwse kloostercomplexen. Er lag een klooster in Wittewierum (de premonstratenzers van Bloemhof, 1213). De laatste restanten van het klooster van Wittewierum werden in 1863 afgebroken. Ten Post viel tot in de 19e eeuw onder Wittewierum.
Dorp in de veenontginningen (Nd2)
Veenontginningen hebben van zichzelf al een lineair karakter, en het is dan ook logisch dat in die lijn ook de dorpen langs de lineaire structuren uitgroeiden. Het duidelijkst is dat bij Noorddijk, Middelbert en Engelbert, langs de Noorddijkerweg, Middelberterweg en Engelberterweg. Elders ontstonden geen concentraties die we als dorp konden betitelen, alhoewel ook daar wel lintbebouwing in de veenontginningen voorkwam. Het is aannemelijk dat de dorpslinten geleidelijk dichter zijn geworden naarmate de eeuwen vorderden. Een exacte ontwikkelingschronologie hebben we niet opgesteld.
Ook in de veenontginningen van de voormalige gemeente Ten Boer lagen lintdorpen, alhoewel hier opvallend is dat er soms ook hier (lage) wierden werden aangelegd om te voorkomen dat het zakkende veen een onbewoonbaar gebied zou achterlaten. Als zodanig hebben we Sint Annen, Thesinge, Ten Boer en Garmerwolde getypeerd. Kloosters stonden hier in Sint Annen (Cisterciënzers, 1342; dochterklooster van Aduard. Ten Boer (Benedictinessen, vóór 1301) en Thesinge (Benedictinessen, eind 12e eeuw). Van de kloosters in Ten Boer en Thesinge bleven de kloosterkerken bewaard. De 13eeeuwse kerk van Garmerwolde gaat niet op een kloostercomplex terug. Andere kerken verdwenen juist al in de late middeleeuwen, zoals Lutjewolde en Hemerderwolde, wat de ontwikkeling van de dorpen remde. Die van Heidenschap verdween in 1589.
5.2.7 Toevoegingen
Inleiding
Vooral in de directe omgeving van de stad Groningen kregen reeds ingerichte landschappen in de laatste eeuwen, voorafgaand aan de verstedelijking zelf, functies die in relatie stonden tot de stad. Deze functies hebben we, los van een landschapstypologie, door middel van een extra label in de tabel toegevoegd en op de kaart weergegeven. Het moment van verstedelijking is direct ook een harde grens: vanaf dat moment beschouwen we een nieuwe structuur niet meer als prestedelijk, maar als stedelijk en valt deze dus buiten de scope van ons onderzoek.

Begraafplaatsen (B)
Al voorafgaand een de wettelijke verplichting daartoe per 1 januari 1829 liet het stadsbestuur van Groningen op advies van de Groningse hoogleraar Theodorus van Swinderen (1784-1851) in 1827 twee begraafplaatsen op de Hondsrug aanleggen, de Zuiderbegraafplaats en de Noorderbegraafplaats. Oorzaak daarvoor was een epidemie met duizenden doden in de stad in 1826. De keuze voor de Hondsrug werd gemaakt omdat de bodemsamenstelling en grondwaterstanden daar een snelle decompositie van de begraven lijken zou waarborgen. Desondanks was de Noorderbegraafplaats nog relatief nat. De begraafplaatsen werden sober en doelmatig ingericht. Bepaalde delen van de begraafplaatsen werden voor de elite bestemd. De Noorderbegraafplaats kreeg vanaf de aanleg ook een Israëlitisch gedeelte, dat tot 1909 in gebruik was. Het verving een begraafplaats op de stadswal.
De Noorderbegraafplaats heeft nog zijn oude omvang (figuur 20. de Zuiderbegraafplaats werd later met een smalle strook naar het zuiden toe uitgebreid. De rooms-katholieke begraafplaats ten zuiden van de Zuiderbegraafplaats ligt in de Helperlinie en hebben we niet meer als zelfstandige prestedelijke ontwikkeling beschouwd. De begraafplaats werd een halve eeuw later aangelegd, in 1872, en markeert het begin van de ontmanteling van de linie en de verstedelijking van het gebied.

Militaire landschappen (M)
In de periode 1698-1700 werd zuidelijk van de stad Groningen in een erosiedal van de Hondsrug de Linie van Helpman, plaatselijk wel bekend als de Helper Linie (figuur 3.16. aangelegd. Uitvoerend ingenieur was Menno van Coehoorn. De nieuwe linie verbond het Hoornsche Diep met het
Schuitendiep. De linie werd in de jaren 1786-1806 nog uitgebreid door een kanaal door het voorterrein aan te leggen, het Helperdiep. De linie bleef in gebruik tot de Vestingwet van 1874. Daarop vooruitlopend was al in 1872 toestemming gegeven een rooms-katholieke begraafplaats aan te leggen. De aanleg van deze begraafplaats en het inwerkingtreden van de Vestingwet markeert het begin van de verstedelijking van de linie.
Binnen de linie kregen een militaire badinrichting (later een openluchtbad) en later ook een gevangenis een plek. Reden daarvoor was het feit dat de linie rijksbezit was, waardoor het een ideale ontwikkelingslocatie voor rijksinstellingen werd. Tot ver in de 20e eeuw werden de wallen van deze linie nog geslecht. Nu is vooral aan het Helperdiep en hier en daar aan het verloop van de verkaveling de vroegere structuur nog te herkennen. Slechts hier en daar bevinden zich nog relicten van wallen en muren.

(Stads)parken (P)
Het vroegste stadspark was het Sterrebos ten zuiden van de oude stadskern (figuur 3.17). Burgemeester Hendrik van Sijsen gaf stadshovenier Jan Godfried Becker opdracht voor de aanleg van een bos, en de aanleg vond in 1765 plaats. Het bos had tot ver in de 19e eeuw daadwerkelijk het karakter van een sterrenbos. Vanuit het hart van de rechthoek liepen 8 paden naar buiten. Daarnaast maakte een ruitvorm aan paden tussen alle buitenzijden het sterrenbos compleet. In het kader van een uitbreiding aan de zuidzijde in 1882-1883 werd de geometrische stijl door een park in Engelse landschapsstijl vervangen. Tuin- en landschapsarchitect Louis Paul Zocher (1820-1915) liet een structuur van slingerpaden aanleggen, zorgde voor reliëf en de aanleg van een vijver. Het bos werd toen ook vergroot. Het park heeft sterk aan kwaliteit ingeboet door de doorsnijding door de zuidelijke ringweg in 1964. Omdat het Sterrebos oorspronkelijk sterk deed denken aan het park van een buitenplaats, is er een afzonderlijk landschapstype van gemaakt (zie paragraaf 5.2.5).

In de polder De Verbetering werd tussen 1909 en 1926 op initiatief van de Groninger industreiel Jan Evert Scholten (1849-1918) het Stadspark aangelegd (figuur 3.18). Daarvoor had hij in 1909 de Vereeniging Het Stadspark opgericht. Het moest ten dienste staan van het volk. Een Arboretum, een drafbaan, een vijver en een paviljoen maakten onderdeel uit van de eerste opzet. Het ontwerp was van de hand van tuin- en landschapsarchitect Leonard Antony. Springer (1855-1940) en Jan Anthony Mulock Houwer (1857-1933. directeur van Gemeentewerken in Groningen. Zij ontwierpen de brede strook waarin van west naar oost de vijver, het paviljoen, de drafbaan en de ijsbaan lagen. Deze strook is nog goeddeels intact; alleen het meest oostelijke deel ervan, tussen Concourslaan en Leonard Springerlaan, is bebouwd. Springer droeg vervolgens tussen 1925 en 1928 zorg voor een uitbreiding in noordelijke richting, een smalle strook langs de oudste zone. Hierin ligt nu het veld van SC Stadspark, een parkeerplaats en het parkdeel tussen Concourslaan en Verzetsstrijderslaan.

In 1957 en de late jaren zestig van de vorige eeuw werd het park naar het noorden toe fors uitgebreid en werd het door stedelijke uitbreidingen in het stedelijk gebied van Groningen opgenomen. De Laan 1940-1945 (N370) deelt het vooroorlogse gedeelte sinds 1978 in tweeën.
Voorstedelijke nederzettingen (V)
In stedelijke ontwikkelingsgeschiedenissen zien we steeds terugkomen dat er voorstedelijke nederzettingen ontstonden. Soms was dat relatief organisch, soms ook ging het om kleine industriële of logistieke ontwikkelingen. Voor de Groningse situatie hebben we heel specifiek de volgende gebieden als voorstedelijke nederzettingen gekenmerkt:
- de zone langs de Hereweg tussen de stadswallen en de Zuiderbegraafplaats c.q. Sterrebos, die al in 1605 als voorstad bekend was ;
- de lintbebouwing langs de oostelijke oever van het Schuitendiep ;
- de lintbebouwing met moestuinen tussen de stadswallen en de Noorderbegraafplaats, ook al in de vroege 17e eeuw ten dienste van de stad ;
- de bebouwingsconcentratie langs het Hoendiep ten westen van de stad.

We hebben ons voor de kartering van voorstedelijke nederzettingen beperkt tot de situatie in de 19e eeuw. Alle bebouwingsontwikkelingen van daarna beschouwen we als expliciete, doorgaans geplande stedelijke uitbreidingen die niet meer als prestedelijk aangemerkt kunnen worden.
5.3 Resultaten waardering en herkenbaarheid
5.3.1 Inleiding
Om te bepalen waar nog veel landschappelijke en prestedelijke kwaliteiten aanwezig zijn, hebben we voor het buitengebied een waardering uitgevoerd en voor het stedelijk gebied gekeken naar de herkenbaarheid van het prestedelijk landschap (zie 5.3.3). In dit hoofdstuk lichten we toe welk ruimtelijk patroon daaruit ontstaat.
5.3.2 waardering
Zeer hoge waardering
De hoogste landschappelijke waarden vinden we in het noordelijk en noordoostelijk deel van de gemeente (figuur 3.19). In grote lijnen kunnen we stellen dat daar waar nog geen stedelijke functies in het buitengebied ondergebracht zijn, het landschap nog betrekkelijk gaaf is en de waarde ‘zeer hoog’. Met uitzondering van het gebied oostelijk van de weg De Borg is het landschap namelijk nergens ingrijpend herverkaveld. Dat geldt zeker ook voor grote delen van het veengebied van Ten Boer. Eveneens zeer waardevol zijn het nog landelijke deel van het SuikerUnie-terrein en de omgeving van de Roodehaan in het zuidoosten van de gemeente.

Hoge waardering
Landelijke gebieden die in enigerlei mate te lijden hebben gehad van aspecten van verstedelijking of herverkaveling hebben in grote lijnen een ‘hoge waarde’ gekregen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het zuidelijk deel van de polder Oude Held, westelijk van Hoogkerk, waar een nieuwe loop van het Aduarderdiep doorheen is getrokken. In het oosten vinden we de dorpsgebieden van Middelbert en Engelbert, waar het landschap beperkt is opgeschaald en bebouwd, maar waar vooral in beide gebieden zandwinningsplassen zijn aangelegd. Deze hoge waardering geldt ook voor delen van het zeekleilandschap rondom Ten Post, waar herverkaveling de oude landschapsstructuur in beperkte mate heeft aangetast, meer dan in het aangrenzende veengebied.
Middelmatige waardering
Het belangrijkste gebied met een middelmatige waardering is het enige gebied waar een op zichzelf weinig of niets aan het landschap toevoegende ruilverkaveling een forse verandering van de kavelstructuur teweeg heeft gebracht, namelijk het gebied noordelijk van Harkstede. De hoofdlijn van de vroegere verkaveling is nog wel herkenbaar, maar het is een schim van de waardevolle structuur die het gebied tot voor enkele decennia nog had. Verder hebben we enkele gebieden langs de randen van de bebouwde kom opgenomen, waar of verstedelijking of herverkaveling een rol gespeeld heeft. Ook een gebied oostelijk van Ten Post heeft onder een herstructurering en de ligging bij een gaswinlocatie te lijden gehad. Het Ten Boersterbos, ontstaan in de jaren zeventig van de 20e eeuw, is feitelijk een aantasting van de landschappelijke openheid van het veengebied.
Lage waardering
Een lage waardering komt slechts zeer weinig voor. Het gaat om enkele snippers die weliswaar nog landelijk zijn, maar waar specifieke functies aan zijn toegekend die het landschap sterk veranderd hebben. Het gaat bijvoorbeeld om een gebied westelijk van Leegkerk en om de bebouwde gaswinlocaties in de voormalige gemeente Ten Boer.
Niet gewaardeerd
Alles wat we als stedelijk gebied hebben beschouwd, zowel bebouwing als parken, hebben we niet cultuurhistorisch gewaardeerd. Daarvan is wel de herkenbaarheid van het prestedelijk landschap vastgesteld (zie paragraaf 3.3).
5.3.3 Herkenbaarheid
Hoog
Een hoge mate van herkenbaarheid is toegekend aan gebieden die ‘vanouds’ al verstedelijkt waren en gaaf bewaard zijn gebleven, zoals de binnenstad, of aan gebieden die hun historische landelijke karakter ondanks een verstedelijkende omgeving goed behouden hebben. Daarbij gaat het dan in de meeste gevallen vooral om oude bewoningslinten, zoals die langs de Peizerweg, in Hoogkerk en te Beijum. Soms ook liggen er kleine landelijke gebiedjes in het stedelijk gebied. Ook een aantal belangrijke assen, zoals oude kanalen, vaarten en spoorlijnen, hebben vanwege hun ontstaan in een prestedelijke context en rol in de structuurwerking een hoge herkenbaarheid gekregen. In de voormalige gemeente Ten Boer gaat het voornamelijk om een aantal historische dorpskernen.
Middel
Gebieden die een middelmatige mate van herkenbaarheid toegekend hebben gekregen, hebben óf een stedenbouwkundige verkaveling die exact de prestedelijke verkaveling volgt, of een stedenbouwkundige verkaveling die daarop gebaseerd is (figuur 3.20). De aanwezigheid van water en de openheid van de wijkstructuur speelde ook een rol bij de beoordeling, evenals het bewaard blijven van structuurlijnen. Soms is het behoud van een ontginningsrichting heel bewust gedaan, soms lijkt het bijna toevallig. Zo zijn de wijken Vinkhuizen en Paddepoel gebouwd in een periode dat men zich doorgaans weinig gelegen liet liggen aan de inpassing van historische structuurlijnen, maar toch liggen zij precies in de richting van de (orthogonale) verkaveling. Oostelijk daarvan, in de vergelijkbare wijk Selwerd, ontbreekt die oriëntatie. Een aantal vroege uitbreidingswijken van Groningen valt hieronder. Soms ook valt de inpassing binnen een woongebied tegen, zoals het zuidelijk deel van Beijum, maar zorgt het aangrenzende park met de bebouwingsrand voor een zekere mate van compensatie, waardoor het geheel ‘opgetild’ wordt tot een middelmatige herkenbaarheid. Zo zien we zelfs dat de parkgebieden tussen de wijken Beijum en Lewenborg deels een hoge mate van herkenbaarheid hebben gekregen. In de enige grotere stedelijke uitbreiding van de vroegere gemeente Ten Boer, in de plaats Ten Boer zelf, is de grote lijn van de veenontginning nog goed herkenbaar. In mindere mate, maar nog voldoende, geldt dat voor de westelijke uitbreiding van Ten Post.

Laag
Een lage herkenbaarheid is toegekend aan gebieden waar bestaande structuren geheel of grotendeels zijn overschreden en/of waar een gekozen stedenbouwkundige verkaveling goeddeels afwijkt van de landschappelijke. Een duidelijk voorbeeld is de wijk Beijum, waar alleen nog de oude kern herinnert aan de vroegere structuur. In de typische woonerfstructuur met de rondlopende Ankemaheerd en Emingaheerd is de oude veenverkaveling niet meer te herkennen. Ook de wijk Gravenburg valt hieronder. In de voormalige gemeente Ten Boer is een klein bedrijventerrein bij Ten Post als zodanig geclassificeerd.
Hoofdstuk 6 Landschapselementen
6.1 Bronnen en methode
6.1.1 Inleiding
In thematische GIS-lagen, en naar categorie onderverdeeld op de kaart, is een groot aantal landschapselementen opgenomen. Voor elk landschapselement is in de achterliggende tabel de specifieke bron opgenomen. De geïnventariseerde elementen zijn weergegeven op de Inventarisatiekaart (kaartbijlage 3). Een groot deel van de landschapselementen is ook gewaardeerd.
6.1.2 Kartering
Nederzettingslocaties in 1832
Onder de categorie ‘nederzettingslocaties in 1832’ is aan de hand van kadastrale minuutplans uit 1832 de bebouwing opgenomen. Op basis van het soort eigendom van het onderliggende perceel, zijn de nederzettingslocaties onderverdeeld in functiecategorieën, zoals handel, wonen, industrie en nijverheid, en oorlog en defensie. Van hoofdgebouwen met een markante functie, zoals industriemolen en kerken zijn in een aparte laag de locaties weergegeven per functiecategorie. Voor het buitengebied is dit aangevuld tot 1950. Aan de hand van dezelfde bron zijn waterpartijen met een aangelegd karakter opgenomen, zoals omgrachtingen en vijvers. Uitgangspunt hierbij was dat het moest gaan om structuren die aan erven gebonden waren.
Overige nederzettingslocaties
In deze categorie zijn de omgrachte en verhoogde huisplaatsen (of wierden) en borgterreinen opgenomen. Omdat de scheidslijn tussen de begrippen wierde, veenterp, woonheuvel en omgrachte huisplaats niet altijd helder is, is er voor gekozen de algemene term verhoogde huisplaats te hanteren voor alle wierden en verhoogde huisplaatsen, zoals deze in het monumentenbestand zijn opgenomen. Daarnaast zijn de in 1832 omgrachte nederzettingsterreinen aangegeven. De locaties van beide kunnen overeenkomen, bijvoorbeeld doordat een reeds aanwezige wierde in de Nieuw tijd is omgracht.
Om inzichtelijk te maken of deze verhoogde huisplaatsen een rol speelden in het 19e-eeuwse occupatiepatroon is aangegeven of deze destijds bewoond waren. Ook is per verhoogde huisplaats aangegeven of deze nu nog als hoogte herkenbaar is in het landschap. Van de omgrachte huisplaatsen is aangegeven of deze nog als zodanig herkenbaar zijn, bijvoorbeeld doordat een deel van de gracht of oorspronkelijke bebouwing nog aanwezig is. De verhoogde huisplaatsen binnen de voormalige gemeente Groningen (vóór 2019) betreffen percelen die als zodanig zijn aangemerkt in het gemeentelijk en rijksmonumenten bestand. ‘
De locaties van de borgen en de borgterreinen zijn herleid uit diverse bronnen, waaronder Formsma, 1986 en historische kaartmateriaal.
Waterstaat
Aan de hand van het kadastraal minuutplan uit 1832 en de Topografische Kaart uit circa 1950 zijn de waterlopen, brug- en sluislocaties en (meer of minder natuurlijke) waterpartijen gekarteerd. Voor wat betreft de waterlopen hebben we opgenomen of ze nog bestaan, verdwenen of (indien van vóór 1832) gekanaliseerd/genormaliseerd zijn. De inventarisatie is op basis van veldinspectie en literatuur/websites verder aangevuld en gecorrigeerd.
Omdat de natuurlijke waterlopen uit de periode van aanvang van de ontginningen een belangrijke rol hebben gespeeld bij deze ontginningen, het nederzettingspatroon en de waterstaatkundige ontwikkelingen, zijn ook deze op de kaart weergegeven. De ligging van de waterlopen is gebaseerd op diverse kaarten van Van den Broek.
Infrastructuur
De historische wegen, paden, spoorlijnen en objecten die daaraan gerelateerd zijn/waren, zijn voornamelijk geïnventariseerd aan de hand van het kadastraal minuutplan uit 1832, de TMK van 1907 en de Topografische Kaart van omstreeks 1950. Daarbij hebben we een periodisering ook in de achterliggende data van een groot aantal elementen opgenomen, dat wil zeggen aangegeven of de structuren van vóór 1832 of uit de periode 1832-1950 dateerden. In deze globale tijdsperioden is aangegeven wanneer deze lijnelementen zijn aangelegd, rechtgetrokken of verdwenen. De gangen en stegen in de binnenstad zijn afkomstig van de ‘gangen en stegenkaart’ van de gemeente Groningen.
Funerair erfgoed
Begraafplaatsen die in de 19e en eerste helft van de 20e eeuw nog als zodanig aanwezig waren zijn opgenomen. Hieronder vallen de kerkhoven van voor 1829 en de begraafplaatsen buiten de bebouwde kom tot ca. 1950. Het waardevolle opgaand groen en de bouwkundige waarden zijn opgenomen in de inventarisaties van opgaand groen en bouwkunst.
Verkaveling
De nog aanwezige historische verkaveling buiten de historisch binnenstad is in kaart gebracht door een vergelijking van de situatie omstreeks 1832 en het huidige beeld. Deze historische kavelgrenzen kunnen nog zichtbaar zijn als sloot of in verschil in landgebruik, maar kunnen ook herkenbaar zijn in het huidige stratenpatroon, of als bomenrij of rooilijn. Waar de kavelgrens in 1832 tevens bermsloot was, is deze niet ingetekend. De aan- of afwezigheid van deze kavelgrenzen blijkt immers al uit de kaartlaag met infrastructuur.
Voor de nu nog herkenbare historische verkavelingslijnen in de binnenstad wordt verwezen naar Het Hinckaertshuis, Zeven eeuwen bouwhistorie en bewoners. Hierin zijn twee kaarten opgenomen met historische verkavelingslijnen waarvan de ligging op basis van archeologisch en historisch-geografisch onderzoek zijn vastgesteld.
Delfstoffenwinning
Aan de hand van het AHN2 zijn kleiwinningsputten geïnventariseerd ten noorden van de stad en rondom Ten Boer. De ligging is gecontroleerd aan de hand van de scriptie Bakstain. De sporen van grootschalige turfwinning die plaatsvond in de 18e en 19e eeuw rond Engelbert en Middelbert, zijn in de 20e eeuw vrijwel geheel uitgewist doorwaterpeilverlaging en egalisaties.
Oorlog en defensie
De strategische ligging van Groningen op de noordelijke uitloper van de Hondsrug heeft geleid tot de aanleg van verschillende defensieve werken door de eeuwen heen. Resten van middeleeuwse borgen en steenhuizen zijn veelal slechts nog in de ondergrond aanwezig. Deze zijn vaak opgenomen als archeologisch perceel. Nog bestaande borgen, al dan niet verbouwd, zijn opgenomen in de inventarisatie van bouwkunst. De belangrijkste landschappelijke structuren of resten die enkel nog in het reliëf aanwezig zijn, zijn als landschapselement geïnventariseerd. Aan de hand van historisch kaartmateriaal is de ligging van de Helperlinie gereconstrueerd. De linie is in meerder fasen opgebouwd en uitgebreid. Gekozen is om de situatie rond 1870 te reconstrueren. Dit betreft de laatste fase vóórdat de linie haar functie verloor en voor een groot deel geamoveerd werd.
Met behulp van het AHN2 zijn de in het reliëf nog aanwezige sporen uit de Tweede Wereldoorlog geïnventariseerd. Het betreft restanten van enkele buffers, loopgraven en een tankgracht uit de periode 1940-1945, die aan de hand van RAF-luchtfoto’s zijn gecontroleerd.
Bestuur
De belangrijkste bestuursgrenzen zijn opgenomen in de inventarisatie voor zover deze binnen de gemeente Groningen vielen: rechtsgebieden, kerspelen en gemeenten. De ligging van de gebieden en haar grenzen zijn grotendeels afgeleid van Van den Broek (2007) en HisGIS. Veel grenzen zijn in de 11 en 12e eeuw vastgelegd bij de ontginning van de woeste gronden. Hoewel de meeste middeleeuwse grenzen nog tot in de 20e eeuw aanwezig waren, kan er niet van uit worden gegaan dat het 19eeeuwse beeld ons een blik op de Middeleeuwen verschaft. Van den Broek (2007) laat in zijn reconstructie zien dat er samenvoegingen en grenscorrectie hebben plaatsgevonden. Niet altijd was het mogelijk met zekerheid de oorspronkelijke situatie te reconstrueren. Daardoor berust een klein deel van de geïnventariseerde grenzen op aannames.
De grenzen van de rechtsgebieden of rechtstoelen zijn afgeleid van Van den Broek (2007). De kerspelen of parochies zijn overgenomen van HisGIS. Interessant in dit kader is ook de Historische atlas van de provincie Groningen (Siemens, 1962) waarin de samenhang van kerspelen en kloosterbezit in kaart is gebracht. De gemeentegrenzen zijn geïnventariseerd aan de hand van verschillende kaarten ontsloten via de beeldbank van het Groninger archief.
Opgaand landschappelijk groen
Bij de inventarisatie van landschappelijk opgaand groen zijn houtsingels, bomenrijen en enkel solitairen in kaart gebracht die passen in het prestedelijk landschap: de periode voor de grootschalige stedelijke uitbreidingen. Opgaand groen dat onderdeel is van een stedenbouwkundige opzet, zoals groenstroken en kleine parken al dan niet met waterpartijen zijn opgenomen in de stedenbouwkundige ensembles.
Bij de inventarisatie is het jaar 1950 als ijkpunt gehanteerd. De nog bestaande houtwallen, bomenrijen, singels, weg- en laanbeplanting en bosjes uit die periode zijn opgenomen. Hierbij is geen onderscheid gemaakt in ouderdom van de bomen. Heraanplant is dus ook meegenomen. De historische situatie is vergeleken met de huidige situatie door gebruik te maken van Google Streetview, obliques, de lijst met monumentale bomen van de gemeente Groningen en door deze te verifiëren aan de hand van recente luchtfoto’s en incidenteel veldbezoek.
Opgaand groen op erven en tuinen
Onder deze categorie is het opgaand groen op erven en tuinen opgenomen. Uitgangspunt voor de inventarisatie binnen het stedelijk gebied vormde de inventarisatie Gronings Groen van Toen (Overbeek & Wendker, 2012). Hieruit zijn de (groene) begraafplaatsen, gasthuizen, borgen en buitentuinen, parken, botanische tuinen, stadstuinen en tuinen van villa’s en buitenhuizen overgenomen. Tevens zijn binnen het stedelijk gebied de historische erven (van vóór 1950) gecontroleerd op de aanwezigheid van historische (passende) erfbeplanting.
Buiten het stedelijk gebied is het opgaand groen op historische erven en in tuinen geïnventariseerd aan de hand van Google Streetview, de lijst met monumentale bomen van de gemeente Groningen en recente luchtfoto’s en oblique’s. De boom diende een imposante of beeldbepalende verschijning te zijn, een bepaalde beheersvorm te hebben (bijvoorbeeld knot- of leivorm), samen te hangen met een bijzondere gebeurtenis (herdenkingsboom), of bij te dragen aan de cultuurlandschappelijke waarde. Denk aan essensingels rondom een historisch erf of historische laanbeplanting.
Tuinmuren zijn geïnventariseerd aan de hand van historisch kaart- en fotomateriaal via de beeldbank Groningen en huidige topografische ondergronden en Google Streetview.
Tijdens de inventarisatie van bouwkunst is per gebouwd object in de achterliggende tabel aangegeven of er waardevolle tuin- of groenelementen met het gebouw verbonden zijn (zie ook paragraaf 7.3).
6.1.3 Waardering
Criteria
Na afronding van de inventarisatie van landschapselementen zijn deze gewaardeerd. Hierbij zijn de volgende criteria gehanteerd:
|
Criterium |
Toelichting |
|
Waarde 1: Cultuurhistorische waarden |
Het belang en betekenis van het element voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de plek of regio. |
|
Waarde 2: Ouderdom |
De ouderdom van het element. |
|
Waarde 3: Fysiek voorkomen (gaafheid profiel en materiaalgebruik) |
Alleen van toepassing op fysieke elementen, dus niet op locaties. De mate waarin het profiel en materiaalgebruik van een object intact is. Referentiejaar ca. 1930. Indien het element jonger is, dan wordt uitgegaan van de oorspronkelijke situatie (de situatie zoals aangelegd). |
|
Waarde 4: Fysiek voorkomen (opgaand groen) |
Alleen van toepassing op fysieke elementen, dus niet op locaties. De mate waarin de aan/-afwezigheid van het opgaand groen van een object intact is. Referentiejaar ca. 1930. Indien het element jonger is, dan wordt uitgegaan van de oorspronkelijke situatie (de situatie zoals aangelegd). |
|
Waarde 5: Herkenbaarheid |
Alleen van toepassing op niet meer fysiek aanwezige elementen (locaties). De mate waarin het element nog als zodanig herkenbaar is in het landschap. |
|
Waarde 6: Bijzondere kenmerken |
Scoort het object hoog of zeer hoog op de overige waarderingscriteria:- gaafheid ten opzichte van een periode ouder dan ca. 1930. - herinneringswaarde; - typologische zeldzaamheid; - ensemblewaarde;- representativiteit |
Uitgangspunten
Als referentiejaar voor de waardering van de elementen is de periode omstreeks 1930 gehanteerd. Dit uitgangspunt is het resultaat van een afweging tussen het beschikbare (gedetailleerde) bronnenmateriaal (foto’s , luchtfoto’s 1930, en topografische kaarten) en de mate waarin het preindustriële/stedelijke landschap nog aanwezig is.
Elementen zijn bij de waardering zo min mogelijk opgedeeld. Als bij de waardering blijkt dat de waarden binnen één element sterk uiteenlopen is dit wel gebeurd. Denk bijvoorbeeld aan een weg die deels in een woonwijk is opgenomen en als ontsluitingsweg ingericht, én deels als onverhard pad in het buitengebied doorloopt.
De waardering van een aantal type elementen is buiten beschouwing gelaten. De historische kavelgrenzen en opgaand groen zijn niet gewaardeerd, omdat waardering op basis van onderstaande criteria niet zinvol is. De waardering van de gaafheid van de verkaveling als structuur is reeds opgenomen in de landschapswaardering, evenals het opgaand groen.Bij de waardering van landschapselementen die samenhangen met historische bouwkunst zijn alleen de omgrachte huisplaatsen en hun omgrachtingen en de verhoogde huisplaatsen gewaardeerd, omdat deze nog vaak als zodanig in het landschap herkenbaar zijn. De historische waarde van de aanwezige bouwwerken blijkt uit het monumentenbestand.
Scores
Aan alle (nog bestaande) geïnventariseerde elementen is een waardering toegekend. Per criterium is op een schaal van 1-5 (zeer laag, laag, midden (neutraal. hoog, zeer hoog) gescoord. Zowel de individuele scores als de eindwaarde zijn in de GIS-bestand opgenomen. In het GIS worden voor Waarde 1 en Waarde 6 kolommen opgenomen om de score toe te lichten.
Eindscore
De eindscore is het gemiddelde van de score van de criteria. Indien het criterium niet van toepassing was op de elementcategorie is deze niet meegewogen in het gemiddelde. Waar geen waarde is ingevuld omdat bijzondere kenmerken ontbraken is de ‘neutrale’ waarde 3 gehanteerd. De eindscore is vertaald naar de klassen van waardering: laag, middelmatig, middelhoog en hoog(tabel 18scores en klassen van de waardering van landschapselementen.).
|
eindscore |
waardering |
|
1 tot 2,5 |
laag |
|
2,5 tot 3,5 |
middelmatig |
|
3,5 tot 4 |
middelhoog |
|
4 t/m 5 |
hoog |
6.2 Resultaten
6.2.1 Infrastructuur
Wegen
Doorgaande wegen
De belangrijkste oude route over land is zonder enige twijfel de noord-zuid-verbinding over de Hondsrug waaraan Groningen ontstond, de Hereweg. De directe voorloper van de stad ontstond als een verzameling boerenerven omstreeks 700, in de vorm van twee esdorpen. Het noordelijke ervan, Gruoninga, groeide uit tot de huidige stad. In het esdorp stond een kerk, een voorloper van de latere Martinikerk, op een rijengrafveld uit de 7e eeuw. Noordelijk ervan, onder de 17e-eeuwse stadsuitbreiding, lag de Noordes, onder het zuidelijk deel van de middeleeuwse binnenstad de Zuides. Ter hoogte van de Coehoornsingel lag een tweede esdorp, waarvan we de naam niet kennen, met opnieuw een es zuidelijk daarvan. Dit esdorp verdween in de 12e eeuw. In de 15e eeuw werd het gebied tijdens de eerste stadsuitleg in de stad opgenomen. De Hereweg werd opgenomen in het rijkswegennet van 1814 als weg van de 1e klasse als verbinding naar Assen en in 1825 bestraat. In 1839 werd de weg doorgetrokken naar Zwolle. Hierdoor werd de verbinding met deze steden, maar ook met de dorpen aan deze weg, sterk verbeterd.
Aan de oostzijde van de stad maakte de Stadsweg deel uit van een belangrijke landverbinding met Oost-Friesland en Bremen. De weg ligt op een zijdwende of watering en werd voor het eerst in 1301 genoemd. Omdat het tracé van de weg afwijkt van het aangrenzende verkavelingspatroon, is het goed mogelijk dat deze van voor de ontginning dateert. Ook als onderdeel van het rijkswegennet van 1814 werd in de jaren veertig van de 19e eeuw de Friesestraatweg naar Leeuwarden aangelegd. Deze weg van de 1e klasse volgde parallel aan het Reitdiep het tracé van een bestaande weg. Vanaf het punt waar de weg naar het westen afbuigt, volgt deze een nieuw aangelegd tracé. Aan de oostzijde werd een nieuwe weg richting de Duitse grens aangelegd en deels verbeterd. De bestrating van de Moesstraat, de weg naar Winsum, werd door de Particulieren betaald.
In het Rijkswegenplan van 1932 werd de rijksweg Zurich – Sneek – Heerenveen – Groningen opgenomen. Een deel ervan is kort vóór en in de Tweede Wereldoorlog aangelegd, maar het laatste deel naar Groningen werd in twee stappen in 1958 en 1960 geopend. Deze ontwikkeling valt buiten het kader van dit onderzoek. Dat geldt ook voor de aanleg van de A28 (de vroegere rijksweg 31. de opvolger van de Hereweg, die in 1968 werd geopend.
Verdere rijkswegen uit het Rijkswegenplan 32 rond Groningen waren de rijkswegen 41 (Groningen –
Delfzijl) en 42 (Groningen – Winschoten – Nieuweschans). Met uitzondering van de weg naar Nieuweschans waren de rijkswegen naar Assen, Delfzijl en Leeuwarden (Friesestraatweg) ook al aanwezig in het rijkswegennet van 1814.
Lokale wegen
De ligging van de lokale wegen hing sterk samen met de slechte toegankelijkheid van grote delen van het landelijk gebied. Ze concentreren zich dan ook op natuurlijke hoogten, zoals de oeverwallen en op de dijken en kades die de polders omsloten of langs waterwegen waarvan velen in de 17e eeuw als trekvaart waren ingericht. De uitvalswegen volgden tot in de 19e eeuw dit patroon. Aan de noordzijde volgde het verlengde van de Moesstraat de oeverwal van het Selwerderdiep (Iepenlaan en Oude Adorperweg); het Boterdiep volgde de kade van het Boterdiep, met bij Noorderhoogebrug een aftakking naar de Wolddijk. Aan de oostzijde vielen de uitvalswegen samen met de kade van het Damsterdiep; in het zuidoosten viel deze samen met het Winschoterdiep. Daarlangs kwam al vroeg lintbebouwing, deels industrieel van aard, tot stand. Rond ten Boer volgde de wegen het grillige patroon van de nederzettingslinten en de rechtlijnige opstrekkende verkaveling. In het zeekleigebied tussen de dorpen Ten Post, Wittewierum en Woltersum volgen de wegen de oeverwallen en dijken langs natuurlijke waterlopen.
Op de hoger gelegen Hondsrug en in de binnenstad zien we dat het wegenpatroon de lengterichting van de hoogte volgt. De Herenweg/-straat en de Oosterweg/-straat bepalen hierin de hoofdstructuur. Haaks hierop ligt een fijnmazige structuur van straten en wegen, die deels samenhing met de oorspronkelijke verkaveling. In de binnenstad liggen binnen de meeste bebouwingsblokken nog tal van stegen en gangen, die de achtererven met de straat verbonden. In het vanouds zeer natte zuidwesten waren slechts enkele mogelijkheden die de doorsteek naar Drenthe mogelijk maakten: over de kades van de Drentse Aa en over de Peizerweg (Drentselaan). Aan de westzijde van de stad zien we dat de uitvalswegen samenhangen met het Hoendiep en het Reitdiep.
Spoorwegen
In de inleiding op het onderzoeksgebied noemden we de verschillende spoorlijnen in de gemeente Groningen al. We zoomen op deze lijnen nu wat nader in. We laten goederenspoorlijnen in deze beschrijving buiten beschouwing, maar ze staan zoveel mogelijk wel op de kaart.
Spoorlijn Harlingen – Nieuwe Schans
Van de Waddenzeekust bij Harlingen tot de rijksgrens bij Nieuweschans werd op basis van een wet van
18 augustus 1860 de Staatslijn B aangelegd. Deze lijn verbond onder meer Leeuwarden met Groningen. De opening vond in fasen plaats; het eerste deel opende in oktober 1863, het laatste 1 november 1868. In tegenstelling tot Staatslijn C (Meppel – Groningen) is de spoorlijn niet geëlektrificeerd.
De spoorlijn komt bij de Zuidwending de gemeente Groningen binnen. Daarna liep het spoor langs het Station Vierverlaten, dat in 1910 werd gewijzigd in Station Hoogkerk-Vierverlaten. In 1951 werd het station gesloten voor personenverkeer en kort na 1970 voor goederenverkeer. Er stond een stationsgebouw uit 1902, dat in 1983 werd gesloopt. Vervolgens passeerde het spoor het Peizer- of Koningsdiep, waarna aantakkingen bestonden voor spoorlijnen naar de suikerfabriek van Hoogkerk, de strokartonfabriek De Halm en de suikerfabriek van Groningen. Vervolgens splitsten zich de Spoorlijn Groningen – Delfzijl en de tramlijn Drachten - Groningen af (zie hieronder). Na een brug over het Noord-Willemskanaal bereikte de lijn Station Groningen.
Oostelijk van Station Groningen kwamen - uit verschillende tijdsperioden - nog de aansluiting naar de lijn langs de Hunzecentrale, een losplaats in Groningen, de Stamlijn Groningen Eemskanaal, de laadplaats van de latere Vagron, de aansluiting van de lijn naar Haren en de voormalige Spoorlijn Groningen – Weiwerd. Vervolgens gaat de lijn de grens met de gemeente Midden-Groningen over.
Spoorlijn Meppel – Groningen
Een andere staatslijn in de gemeente Groningen loopt van Meppel naar Groningen. Deze lijn werd Staatslijn C genoemd en is eveneens aangelegd op basis van een wet van 18 augustus 1860. De aanleg duurde bijna tien jaar, en de opening vond plaats op 1 mei 1870. De lijn werd in 1952 geëlektrificeerd.
Deze lijn was één van de weinige lijnen uit de 19e eeuw die in opdracht van de Nederlandse staat werden aangelegd. In Meppel sloot de lijn aan op Staatslijn A, de verbinding tussen Zwolle en Leeuwarden.
Langs Staatslijn C werden meerdere stations gebouwd. In de gemeente Groningen werd aanvankelijk een noodgebouw geplaatst, dat in 1870 werd vervangen door een houten vakwerkgebouw. Dit gebouw was desondanks laag, omdat de Vestingwet toen nog gold. Het huidige gebouw kon na afschaffing van die wet worden gebouwd en was in 1896 voltooid.
De lijn kwam net voor de aansluiting met Staatslijn B (Harlingen – Nieuweschans) de gemeente Groningen binnen. Het gedeelte hierna hoorde tot Staatslijn B (zie hierboven).
Spoorlijn Groningen – Delfzijl
Later dan bovengenoemde lijn werd op 15 juni 1884 de verbinding tussen Groningen en Delfzijl geopend. De verbinding is, net als de lijn naar Harlingen, niet geëlektrificeerd. Aan de lijn stond, naast het hiervoor al besproken Station Groningen waar de lijn begon, ook nog het station Groningen Noord. Het werd gelijktijdig met de opening van de lijn geopend als Groningen Halte SS, een afkorting van
StaatsSpoorwegen. Vanaf het station passeerde de lijn samen met de lijn naar Harlingen het NoordWillemskanaal. Vervolgens kwam de afsplitsing van de tramlijn naar Drachten en de genoemde spoorlijn naar Harlingen. Tussen de brug over het Hoendiep en de brug over het Reitdiep lag nog Stopplaats Kostverloren, in gebruik tussen de opening van de lijn en 1924. Daarna volgde het genoemde Station Groningen Noord en, na de aanleg, een brug over het Van Starkenborghkanaal. De volgende halte, Adorp, lag buiten de gemeente Groningen. De lijn naar Roodeschool werd in 1893 als zijlijn van de lijn naar Delfzijl geopend.
Spoorlijn Groningen - Weiwerd
Een derde fase van spooraanleg volgde tijdens het Interbellum. Op 1 juli 1929 werd de lijn van Groningen via Slochteren naar Weiwerd, ook wel de Woldjerspoorweg genoemd, aangelegd. Van daaruit bestond een verbinding naar Delfzijl. De lijn functioneerde nog geen 12 jaar. In mei 1941 werd de lijn voor personenverkeer opgeheven, en in juli 1942 voor goederenverkeer.
Vanaf station Groningen was de lijn aanvankelijk gecombineerd met de lijn naar Nieuweschans. Na de lijn naar Onnen splitsten beide verbindingen. Aan de lijn naar Weiwerd lagen vervolgens nog de brug over het Winschoterdiep, de haltes Roodehaan en Engelbert. Nabij Harkstede verliet de lijn de gemeente Groningen. De halte Bieleveldslaan lag net buiten de gemeente Groningen.
Tramlijnen in en rond de stad
De eerste tramlijn liep van de Ebbingepoort naar het station, en later ook vanaf het Noorderstation. In 1892 werd een paardentramlijn aangelegd naar Zuidlaren, Paterswolde en Eelde, die vanaf 1896 werd geëxploiteerd door de Tramwegmaatschappij Groningen – Paterswolde – Eelde. Vanaf 1910 werden nieuwe lijnen aangelegd.
Tramlijn Drachten - Groningen
In het tweede decennium van de vorige eeuw werden op grote schaal tramlijnen aangelegd, die een fijner spoorwegnet ten opzichte van de spoorwegen moesten bieden. Zo werd er ook een lijn tussen Drachten en Groningen aangelegd. Deze werd bekend als de Drachtster tramlijn of Philipslijn, en geopend in 1913. Waar elders tramlijnen in de dertiger jaren moesten sluiten vanwege de concurrentie met de bus, bleef deze nog enige tijd voortbestaan. Tot 1948 werd deze lijn zowel voor goederen- als personenvervoer gebruikt, daarna alleen voor vervoer van goederen. Doordat de lijn verlieslijdend was, is deze in 1985 gesloten.
De lijn liep zoveel mogelijk langs bestaande wegen. Slechts hier en daar week hij daarvan af, zoals bij de brug over het Peizerdiep tussen Peize en Roden. Binnen de gemeente Groningen volgde de lijn vanaf de grens bij Peizermade de Peizerweg, om vervolgens langs de zuidzijde van de spoorlijn naar Harlingen richting het tramstation te lopen. Het tramstation stond op het huidige parkeerterrein naast de Laan 1940-1945.
6.2.2 Waterstaat
Waterlopen
De waterstaatkundige geschiedenis van de gemeente Groningen is door de hoge dynamiek in de afgelopen (ruim) duizend jaar, de periode dat het huidige cultuurlandschap in hoofdlijn tot stand kwam, relatief complex. Nog altijd is niet helemaal duidelijk hoe het waterstaatkundig systeem er in de vroege en volle middeleeuwen uitzag.

De aardkundige basis vormt uiteraard de uitgangssituatie van de afwatering van Groningen. Vanuit Drenthe liepen vijf hoofdwatergangen langs de stad: ten westen van Hoogkerk het Peizerdiep; direct ten oosten van Hoogkerk het Eelderdiep; dan de Woldsloot; westelijk langs de stad de A; en oostelijk de Hunze (figuur 27). Ten noorden van de stad kwamen deze waterlopen uit in een gebied dat lange tijd onder invloed stond van de zee. In de loop der eeuwen hebben vele aanpassingen plaatsgevonden in de hoofdafwatering. Vaak niet alleen vanuit waterstaatkundig oogpunt, ook militair-strategische en nautische motieven speelden een rol.
Het water ten westen van de stad
Grote delen van de vroege waterlopen zijn nog in het huidige landschap herkenbaar als hoofdwatergang of sloot. Veel is ook niet meer herkenbaar, omdat ze niet in de ontginning zijn opgenomen, of later overbouwd zijn. In zijn pogingen deze waterlopen te reconstrueren concludeert Van den Broek dat de Drentse Aa, die westelijk langs Groningen liep, via enkele meanders noordelijk van Groningen in de Hunze uitmondde. Het verdere verloop van de Woldsloot is niet duidelijk. Het Eelderdiep lijkt in Selwerd in de Hunze te hebben uitgemond, het Peizerdiep zelfs noordwestelijk van Harssens. Als grote lijn kunnen we daaruit destilleren dat de Hunze als hoofdstroom meerdere kleinere stroompjes opnam, en hoe verder westelijk die kleine stroompjes lagen, hoe verder noordelijk ze in de Hunze uitkwamen.
Op zijn laatst in de 13e eeuw werden grote ingrepen in het watersysteem gedaan. De bovenloop van het Eelderdiep werd na 1323 via de Avingesloot bij Eiteweerd met het Peizerdiep verbonden (figuur 28). Daardoor kon het water van het Eelderdiep via een nieuwe verbinding worden weggeleid en het land ten oosten van Hoogkerk bruikbaar worden gemaakt. Tegelijk verzandde de A. Om dat probleem aan te pakken werd in de eerste helft van de 13e eeuw een nieuwe rechte watergang gegraven, het Reitdiep. Die watergang maakte de weg vrij voor de ontginning van dit lage, natte gebied, en vormde de facto een verbeterde benedenloop van de Drentse A. Om ook het Groningse deel van dit gebied naar het westen te kunnen afwateren, werd de Woltgraf aangelegd. Deze zou langs de Leegeweg hebben gelopen.
De noord-zuidgerichte watersystemen werden bovendien door de Hoensloot met elkaar verbonden.
Deze sloot, die vooral het zuidelijk deel van Lieuwerderwolde ontwaterde , mondde uit in het Peizerdiep, waarvan de bovenloop genormaliseerd was. Ten noorden van Hoogkerk waterde het Eelderdiep via Kliefdiep af op de Hunsinge (of Peizerdiep).
Ten noorden van Hoogkerk is het verloop van het Peizerdiep onduidelijk. Het lijkt er op dat deze zich hier splitste in meerdere lopen, waarvan er één, de Hunsinge, langs Nieuwklap richting Aduard en één langs Slaperstil richting Dorkwerd liep. Na verschillende minder geslaagde pogingen werd vermoedelijk in de vroege 15e eeuw het Aduarderdiep gegraven, een rechte afwatering naar het Reitdiep bij Aduarderzijl.

Het water ten oosten van de stad, de omgeleide Hunze
Aan de oostzijde van de stad vormde de Hunze de hoofdstroom waarlangs het Drentse water naar het noorden afstroomde. Bij de wijk De Hoogte kwam de Hunze samen met de A. In de loop van de 14e eeuw werd de situatie aan de oostzijde van de stad door verschillende oorzaken steeds minder ideaal. Het water dat via de Hunze afstroomde moest, als gevolg van de opslibbing van de Paddenpoel, door een smalle rivierbedding worden afgevoerd. Het maaiveld van de veengebieden ten oosten van de Hunze (omgeving Noorddijk, Middelbert, Engelbert) kwam steeds lager te liggen door onder andere ontwatering van het veen. Om zich te beschermen tegen dit water werden op de rechter oever van de Hunze de Drenterwolder dijken aangelegd (een precieze locatie en datering ontbreekt). Ook werd in 1370 een inlatingsakte uitgevaardigd waarin werd vastgelegd dat het water van Middelbert en Engelbert via het systeem van watergangen van het Scharmerzijlvest naar de Eems mocht stromen (figuur 32). In 1408 volgde het kerspel Noorddijk dit voorbeeld en zocht een uitweg in noordelijke richting voor haar water. Een belangrijke oorzaak van het probleem, de grote toevoer van Drents water, werd hier niet mee opgelost.
Als antwoord op deze problematische situatie werd aan het eind van de 14e eeuw het Schuitendiep gegraven. Hiermee werd het Drentse water meer westelijk van de Hunze afgeleid naar het noorden. De aanleg zou nog twee andere doeleinden hebben gehad: controle op de turfvaart en toevoer van water voor de stadsgrachten. Bij Waterhuizen werd een meander in de Hunze afgesneden, vervolgens werd vanaf Roodehaan een watergang gegraven die via de stadsgracht en de Kleisloot (later Boterdiep. ter hoogte van Borgham weer aansloot op de Hunze (figuur 29).

Hunze en Aa verbonden
Vermoedelijk hebben er in de tweede helft van de 15e eeuw grote waterstaatkundige veranderingen plaatsgevonden aan de noord- en noordoostzijde van de stad. Volgens Van den Broek werd in 1470 of 1471 het Hunzewater in het oosten, via het Lopende Diep en de Noorderhaven verbonden met de A in het westen (figuur 30). Door deze nieuwe verbinding verloor het Selwerderdiep, dat voorheen het Hunzewater naar het noorden afvoerde, haar afwaterende functie en veranderde in een schipsloot. Eén van de aanleiding voor deze veranderingen zou de modernisering van geschut zijn, waardoor een stelsel van grachten en wallen rond de stad moest worden gelegd.

De nieuwe waterstaatkundige situatie, waarbij het Hunzewater via de A naar het noorden werd geleid, bleef tot in de tweede helft van de 19e eeuw bestaan. In 1866-1876 werd het Eemskanaal gegraven dat sindsdien het water van de Hunze en A naar de Eems afvoert. Na het gereedkomen van dit kanaal werd het Reitdiep bij Zoutkamp afgesloten met een zeewerende sluis.
6.2.3 Afwatering in Ten Boer
Ten Boer valt binnen het centrale Woldgebied. Bij aanvang van de ontginningen in de 10e eeuw lag hier het overblijfsel van een meters dik veenpakket op een kleibodem. In de 10e tot 12e eeuw trokken ontginners vanaf de omringende kwelders dit gebied binnen. Natuurlijke waterlopen met hun kwelder- en oeverwallen speelden een belangrijke rol als basis voor de ontginningen. In het westen vormde de Hunze de basis; in het oosten de Fivel en in het noorden de kwelderwallen van Menkeweer,
Onderdendam en Westerwijtwerd. Door het graven van sloten, haaks op de natuurlijke waterlopen kon het ontgonnen land ontwaterd worden. Kloosterregisters uit de tijd van de vroege ontginning vermelden leveranties van rogge en koren, dat blijkbaar op de net ontgonnen veenakkers werd verbouwd. Als gevolg van de ontginning en ontwatering klonk het veen in en oxideerde het. Hierdoor drong zuur water uit de hoger gelegen onontgonnen veengebieden en brak water vanuit de hoger gelegen kwelders, de ontginning binnen. Door de maaivelddaling kwam het ontgonnen veengebied geleidelijk in een kom te liggen, omgeven door de hoge randen van de kwelder en oeverwallen van de Hunze en Fivel.
Om de wateroverlast het hoofd te bieden begonnen de bewoners met het opwerpen van huiswierden. Het ontgonnen land bleef last houden van het toestromend water en rond 1200 werd de Wolddijk aangelegd: een lange ringdijk op de overgang van oever- en kwelderwal naar het veengebied.

6.2.4 Bedijking en bekading
In het kader van de systematische slagenontginningen, zowel in het veen- als in het klei-opveengebied, werden er zijkades of sydewenden aangelegd, om het water van de buren te weren. De Zuidwending in het westen en de Beijumer Zuidwending in het noordoosten zijn daarvan nog voorbeelden. Deze kaden maakten het ook mogelijk om verschillende waterstaatkundige eenheden in het leven te roepen, het begin van een polderindeling.
Ook in de grootschalige ontginning van het reitland ten westen van de stad werd voorzien in compartimenterende dijkjes, en wel aan de Groningse zijde. Daar ligt deels de basis voor het Penningsdijkje en noordelijk daarvan een tochtsloot met dijkje (oost-west-gedeelte van de Professor Uilkensweg). Het Penningsdijkje was de noordgrens van de stadstafel. Twee takken van dit dijkje omsluiten samen met de Paddepoelsterweg een driehoekig galgeveld.
Het Penningsdijkje heeft een bijzondere waterstaatkundige geschiedenis. In de vroege 15e eeuw lukte het vanwege de hoge waterstanden van Reitdiep en Selwerderdiepje niet goed om het gebied noordwestelijk van de stad af te wateren. In 1434 werd een akkoord bereikt om het gebied naar het oosten via het Damsterdiep te laten afwateren. Voorwaarde was wel dat het Westerstadshamrik en de omgeving van Selwerd waterstaatkundig van elkaar gescheiden werden, zodat er geen vreemd water uit Selwerd en Paddepoel het gebied zuidelijk van het dijkje konden instromen (figuur 32). Het dijkje kreeg de naam afsluitings- of pendingsdijk, hetgeen verbasterde tot Penningsdijk. De gebieden Selwerd en Wierum waterden nu af op het Aduarderzijlvest in het westen.

Zoals eerder vermeld kregen ook de ontginningen van Engelbert, Middelbert en Noordijk te maken met de gevolgen van oxidatie en inklinking van het veen, die door de grootschalige ontginning in gang waren gezet. Rond 1350 lijkt het punt bereikt dat het maaiveld dusdanig was gedaald dat het overtollige water niet meer op de Hunze kon worden afgevoerd. Mogelijk werd om overstroming door het water van de Hunze te voorkomen op de rechter oever van de Hunze een dijk aangelegd. Haaks op deze dijk werden drie zijdwendingen aangelegd die de waterstaatkundige scheiding tussen Noorddijk , Middelbert en Engelbert gingen vormen. Van noord naar zuid de Wyrkeszuidwending (Timpweg, De Waard, Woldweg. Olgerweg en Woortmansdijk (buiten gemeente Groningen). Aan de oostzijde van de ontginning werd de Borgwal aangelegd, die in het noorden aansloot op de Beijumerzuidwending. De precieze functie van de Borg is vooralsnog onduidelijk. In de situatie die rond 1370 was ontstaan waterden Middelbert en Engelbert af op zowel de Hunze in het (noord)westen, als het Scharmerzijlvest in het noordoosten (figuur 32).
6.2.5 Watergangen voor transport
Boterdiep en Nye graft
Met de economische ontwikkeling van Groningen groeide ook de wens een betere ontsluiting over het water te krijgen. Een van de eerste zetten in die richting was de aanleg van het Boterdiep (of Kleisloot. die vermoedelijk al in de tweede helft van de 14e eeuw werd gegraven als onderdeel van een vaarverbinding tussen Hunsingo en Groningen. Het doorsnijden van de verkaveling wijst op een aanleg na de verkaveling en een niet-primair waterstaatkundige functie. Rond 1422 werd het Boterdiep verlengd naar het zuiden door een water dat aangeduid werd met ‘Nye Graft’. Later zou de Nye Graft opgenomen in wisselend het Selwerderdiep en Boterdiep.142 Door de toenemende scheepvaart werd in 1611 het Boterdiep sterk verbeterd, zodat men makkelijker van Groningen naar Bedum kon varen. Later die eeuw werden er jaagpaden langs het diep aangelegd.
Schuitendiep en Selwerderdiep
Als onderdeel van waterstaatkundige verbeteringen, werd een halve eeuw later het Schuitendiep en Selwerderdiep gegraven, als een afleiding van de Hunze (zie ook paragraaf 0). Het Schuitendiep lijkt mede aangelegd te zijn voor de turfvaart vanuit de nieuwe verveningsgebieden naar de stad. De oude loop van de Hunze bleef in het zuidelijk deel bewaard als perceelscheidende sloot, en noordelijk van het Damsterdiep als diepje (later met Selwerderdiepje aangeduid).
Ten noorden van de binnenstad werd het Selwerderdiep gegraven die het Schuitendiep met de Hunze bij de Borgham verbond. Aanvankelijk fungeerde het Selwerderdiep als afwateringskanaal, later van 1470-1471 tot 1589 werd deze ook gebruikt als scheepvaartroute. Aan het eind van deze periode was het Selwerderdiep dusdanig verland dat besloten werd het Boterdiep vanaf Noorderhogebrug tot het Schuitendiep uit te graven om weer als scheepvaartverbinding te kunnen dienen.
Winschoterdiep
Begin 17e eeuw kreeg het Winschoterdiep in verschillende fasen haar latere vorm. In de periode 16181628 werd als onderdeel van de vervening aldaar het gedeelte tussen Foxhol en Zuidbroek aangelegd.
Dit water kreeg de naam Schuitendiep (niet te verwarren met het Schuitendiep in de stad Groningen).
In de periode 1634-1636 werd dit water in westelijke richting verlengd tot het Schuitendiep (bij de Hunze) en in oostelijke richting tot Winschoten. De als trekvaart ingerichte waterweg werd Winschoterdiep genoemd. Deze verbinding speelde een belangrijke rol in het vervoer van turf uit de verveningen. Na de voltooiing van het Van Starkenborghkanaal werd in het verlengde van het Van Starkenborghkanaal tussen het Eemskanaal en het Winschoterdiep bij Roode Haan een nieuw kanaal gegraven, het huidige Winschoterdiep. Het oude tracé dat hiermee werd afgesneden kreeg de naam Oude Winschoterdiep. Nadat de gemeente halverwege de 20e eeuw had besloten dat de stad een zeehaven moest blijven, werd in 1959 de Hunzehaven aan het Winschoterdiep aangelegd, in de jaren ’60 gevolgd door de Deense Haven, Zweedse Haven en Finse Haven. Dit valt echter buiten het tijdsbestek van deze studie.
Damsterdiep
In 1424 werd het Damsterdiep aangelegd als rechte verbinding tussen de stad en de Delf, een waterweg naar de Eems bij Delfzijl. De aanleg was mogelijk gemaakt door de aanleg van het Schuitendiep en de afwaardering van de Hunze tussen Waterhuizen en Borgham (figuur 29). Een dam zorgde tot 1573 voor de scheiding van het water tussen Schuitendiep en Damsterdiep. De landbarrière kon door schepen via een overtoom worden gepasseerd. Dat zorgde voor een ontsluiting van de stad richting de Eems. In 1650 eeuw werd het Damsterdiep door verdieping, verbreding en de aanleg van jaagpaden als trekvaart ingericht.
Hoendiep
Het Hoendiep ontstond als Hoensloot, een gegraven verbinding die haaks op het oude afwateringspatroon stond. In de 16e eeuw werd de sloot verbeterd en kreeg het de naam Hoendiep. In de 17e eeuw werd het Groninger stelsel van trekvaarten verbonden met het Friese stelsel en daarmee tegelijker tijd West-Nederland. Dit gebeurde door de aanleg van de trekvaart van Scheeftil, via Gaarkeuken naar Strobos, vanwaar men via Dokkum door kon varen naar Leeuwarden. Op de kop van het Hoendiep, bij de Apoort, lag het Leeuwarderveer, waar vanaf 1656 een veerverbinding op Dokkum werd onderhouden.
Noord-Willemskanaal
Een commerciële partij zorgde in het midden van de 19e eeuw voor de aanleg van een kanaal tussen de Drentse Hoofdvaart bij Assen en de stad Groningen, dat in 1861 in gebuikt werd genomen. Deze kreeg de naam Willemsvaart, genoemd naar koning Willem III (1817-1890). Het gedeelte naast de Drentse A ten zuiden van de stad Groningen werd Hoornsediep genoemd.
Eemskanaal
Parallel aan het oude Damsterdiep werd tussen 1866 en 1876 het Eemskanaal aangelegd. Het verbond de stad Groningen met Delfzijl. In 1963 werd het kanaal verbreed. Het diende vanaf de aanleg al zowel voor de scheepvaart als voor de afwatering, omdat door het afgraven van de veengebieden afwateringsproblemen waren ontstaan. Het Reitdiep kon al het water niet meer aan en werd tussen 1873 en 1876 afgesloten.
Verbindingskanaal
In het kader van de ontmanteling van de vesting door de Vestingwet van 1874 kon er een verbindingskanaal tussen de Willemsvaart (1861) en het Eemskanaal (1876) door de voormalige vestingwerken worden gegraven. Dat werd het Verbindingskanaal.
Gorechtkanaal en Oosterhamrikkanaal
De scheepvaart kwam in de vroege 20e eeuw in een stroomversnelling. Om die reden werden er aan de oostzijde van de stad nieuwe kanalen aangelegd. Het Gorechtkanaal (1919) en het
Oosterhamrikkanaal (1924. bedoeld voor de aanvoer naar de gasfabriek, kregen uiteindelijk niet de rol die bedacht was, want vanaf 1927 werden plannen gemaakt voor een grotere boog om de stad, het Van Starkenborghkanaal. Het Oosterhamrrikkanaal bleef nadien bestaan en verbonden met het nieuwe kanaal, het Gorechtkanaal bleef slechts als serie vijvers bestaan.
Van Starkenborghkanaal
Het laatste grote kanaal in de omgeving van Groningen is het Van Starkenborghkanaal, dat was bedoeld voor de scheepvaart tussen Lemmer en Groningen. Het kanaal werd als werkverschaffingsproject uitgevoerd en in 1938 geopend. In het noordwesten van de gemeente kruiste het nieuw kanaal het Reitdiep, ter hoogte van Noorderhogebrug het Boterdiep, vervolgens doorsneed het kanaal enkele meanders van de vroegere Hunze en sloot ten zuiden van Oosterhogebrug aan op het Eemskanaal.
Havens aan de westzijde van de stad
Waar bevaarbare waterlopen een stad ontsluiten, ontstaan ook havens. Door de veranderingen in bevaarbaarheid en het aanleggen van nieuwe kanalen, maar ook door veranderingen in industrie en handel hebben de havenactiviteiten zich meermaals verplaatst. In de Late Middeleeuwen bevond de haven zich aan de westzijde van de stad, op de oevers van de A en het Menrediep (huidige Lage der A en Sledemennerstraat). Na de verbinding van het Schuitendiep met het Reitdiep ontstond tussen de spilsluizen en het Reitdiep de Noorderhaven. Hier, buiten de omwalling, stonden in de tweede helft van de 16e eeuw twee kranen die de schepen van Reitdiep konden laden en lossen (figuur 33).

Waar het Hoendiep (als Hoensloot gegraven voor 1360) bij de stad kwam lag de Westerhaven (huidige Aweg). Op de stadsplattegronden van Jacob van Deventer (1565) en Braun en Hogenberg (1575) ontbreekt een duidelijke aanwijzing voor een haven, maar is wel een voorstad met afgebeeld. Op de plaats van deze voorstad moet in de tweede helft van de 16e eeuw een groot bastion zijn opgeworpen, net buiten de toenmalige Buiten-Apoort. Dit bastion werd rond 1620 geslecht en langs het teruggebrachte Hoendiep werd een haven ingericht.
De opheffing van de Vestingwet in 1874 heeft grote invloed gehad op de havens in Groningen. Doordat de vestingwallen en -grachten hun functie verloren, konden deze worden ingericht als haven voor de steeds groter wordende (stoom)schepen. De Westerhaven lijkt al voor de opheffing te zijn aangelegd en moet omstreeks 1865 gereed zijn gekomen. Deze haven was ingericht voor stoom- en beurtschepen, waaronder aardappel- en turfschepen. Aan de noordzijde van de haven stonden pakhuizen; de zuidzijde werd bebouwd met schipperswoningen en cafés. Rond 1960 werden zowel delen van het Hoendiep als de Westerhaven gedempt.
Havens aan de oostzijde van de stad
Het Schuitendiep werd eind 14e eeuw vermoedelijk (mede) aangelegd voor het vervoer van turf. Binnen de stad ontstond langs dit water een turfhaven, die tot in de 20e eeuw heeft gefunctioneerd. Na de aanleg van het Damsterdiep in het eerste kwart van de 15e eeuw en de uitdieping ervan rond 1600 werd dit de belangrijkste verbinding richting de oostelijke Ommelanden. Op de plek waar het Damsterdiep op het Schuitendiep uitkwam lag in de 15e eeuw een overtoom, die in de 16e eeuw zou worden vervangen door een sluis. In de 19e eeuw was een van de zuidoostelijke vestinggrachten ingericht als Drekhaven (nabij huidige Veemarktstraat. vanwaar stadsafval naar de veenkoloniën werd vervoerd. Na de opening van het Eemskanaal in 1876 verplaatsten de havenactiviteiten in het oosten van de stad zich naar de Oosterhaven. Door het vervallen van de Vestingwet in 1874 kon op de plaats van de voormalige stadsgracht deze haven worden ingericht, die in 1878 werd geopend.

Rond de havens ontstond infrastructuur voor de overslag en opslag van goederen en de verwerking van grondstoffen, bestaande uit o.a. pakhuizen, ververijen en industriemolens. Langs de (voormalige) havens zijn vooral de kades en (graan)pakhuizen behouden gebleven, veelal verbouwd tot appartementencomplex.
6.2.6 Industrie en nijverheid
Pannen- en steenbakkerijen
In grote delen van de provincie Groningen kwam steenfabricage voor. De ruimtelijke spreiding hing vooral samen met het voorkomen van lichte kleigronden en de aanwezigheid van bevaarbaar water. Binnen de gemeente Groningen concentreerde de kleiwinning (tichelen) zich in het noorden, in het gebied van de Koningslaagte. Uit welke periode deze afticheling dateert is onbekend. In de nabijheid, aan Selwerderdiepje, zijn in het verleden resten van laat-middeleeuwse steenovens opgegraven, zoals bij het erf Klein Klooster en ten noorden van ’t Hemelrijk. Voorts zijn er resten van steenovens aangetroffen bij de Ulgersmaweg en langs het Reitdiep ten zuiden van de spoorbrug. Door latere stedelijke ontwikkeling zijn afgetichelde percelen, indien deze aanwezig waren, niet meer herkenbaar, ook niet op het AHN.
De grootschalige steenfabricage rond Ten Boer kwam pas in latere periode op gang. Aan het Damsterdiep verschenen aan het eind van de 19e eeuw steenfabrieken in Winneweer en Ten Post. Klei werd waarschijnlijk gewonnen in de directe omgeving, getuige de vele percelen met een relatief laag maaiveld.
6.2.7 Oorlog en defensie
Tweede Wereldoorlog
Rondom de stad zijn (vaak nog zeer vaag) relicten van loopgraven en tankgrachten te vinden in het maaiveldreliëf. De loopgraven en tankgrachten werden vanaf september 1944 aangelegd onder leiding van Organisation ‘Todt’ als onderdeel van de ‘Frieslandriegel’. Rondom vrijwel de gehele stad lagen loopgraven; de tankgrachten waren vooral bij de westelijk en zuidelijke toegangswegen aangelegd. Langs deze wegen waren ook verschillende betonnen obstakels geplaatst. Op enkele plaatsen zijn nog fragmenten van loopgraven in het reliëf te zien, onder andere nabij de Selwerderhof, de Driebondsweg, Euvelgunnerweg, Vestdijklaan en Johan van Zwedenlaan. Aan de Duinkerkenstraat, op een terrein met grondopslag is het laatst, nog herkenbare stuk tankgracht aanwezig. Tussen de vloeivelden ten westen van de stad zijn drie bakstenen bunkers aanwezig.
6.2.8 Bestuur
Bestuurlijke eenheden en grenzen zijn onlosmakelijk verbonden met de landschapsontwikkeling. Tijdens de ontginningen in de Late Middeleeuwen werden de nog vage vroegmiddeleeuwse grenzen verscherp. Veel van deze grenzen kwamen te liggen aan de randen van ontginningseenheden en werden gevormd door dijken, kaden of belangrijke waterlopen.
De bestuurlijke geschiedenis van de gemeente Groningen is zeer complex. In zijn dissertatie heeft Van den Broek de oorsprong, ligging en geschiedenis van veel bestuurlijke eenheden weten te duiden, maar veel blijft ook onzeker. De grenzen van de wereldlijke en kerkelijke machten vertonen een grote overeenkomst, maar wijken door specifieke historische gebeurtenissen ook plaatselijk af.
Rechtsgebieden of rechtstoelen
Rechtsgebieden in Groningen werden ook wel aangeduid met de term rechtstoelen. Tot de Franse tijd was dit de aanduiding voor zowel de rechtsprekende colleges als de ambtsgebieden. Eén van de oudste bestuurlijke eenheden van de gemeente was het Gorecht. Dit was een rechtsgebied rond de stad Groningen (Voormalige rechtstoelen in de huidige gemeente Groningen). Later werd het ook wel aangeduid met de naam Gerecht van Selwerd. Een voorganger van het Gorecht vinden we terug in een schenking die koning Hendrik III op 21 mei 1040 deed. Deze Duitse koning schonk toen ‘predium...in villa Cruoninga’ aan de kerk van Utrecht. Het betrof het noordelijkste dorp van het graafschap Drenthe en moet van grote omvang zijn geweest. Aan het gebied waren ook speciale rechten en plichten verbonden, waardoor de eigenaar ervan gold als vertegenwoordiger van de koning zelf. De ligging van dit gebied moet ongeveer gelijk zijn geweest aan het laatmiddeleeuwse Gorecht. Binnen het Gorecht zou de nederzetting Groningen een een eigen rechtsgebied gaan vormen, ook wel aangeduid als de Stadstafel. De stad behield haar invloed op het Gorecht door het aanstellen van rechters. Het Gorecht bestond uit vier gebieden, waarvan de betekenis en oorsprong onduidelijk is: Selwerd (ten noorden van de Penningsdijk. Wold (ten oosten van de Hunze. Go (globaal ten zuiden van de A7) en de Stadstafel (tussen Reitdiep en Hunze). Binnen het Gorecht lagen totaal 13 kerspelen en buurschappen, waarvan Engelbert, Haren, Helpen, Middelbert en Noorddijk geheel of gedeeltelijk binnen de huidige gemeente lagen.

Buiten het Gorecht maar binnen de huidige gemeentegrenzen lagen gedeelten van die landschappen Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo. Binnen het landschap Westerkwartier lag onderdistrict Middag binnen de huidige gemeentegrens. Hierbinnen lagen de kerspelen Groot Aduard, Leegkerk en Dorkwerd, en Hoogkerk. Van het landschap Hunsingo, lagen de onderdistricten Ubbega en Innersdijk binnen de gemeente. Binnen deze onderdistricten vielen respectievelijk de kerspelen Adorp en Harssens en Zuidwolde en Beijum. Van het landschap Fivelingo vielen binnen de huidige gemeente de onderdistricten Vierendeel en Duurswold. Hierbinnen lagen respectievelijk de kerspelen Garmerwolde en Lutke en Groot-Harkstede.
Gemeenten
Enkele decennia na de Franse tijd, in 1848, werd in Nederland de Gemeentewet ingevoerd die de uiteenlopende vormen van lokaal bestuur die voor de Franse tijd aanwezig waren, moest vervangen door de gemeenten. De indeling van de gemeenten was grotendeels gebaseerd op de al bestaand lokale bestuurlijke gebieden en rechtsgebieden. De rechtstoelen zoals deze tot aan in 1803 aanwezig waren komen dan ook grotendeels overeen met de gemeentegrenzen uit het midden van de 19e eeuw.
In de 20e eeuw zijn om uiteenlopende redenen de grondgebieden van gemeenten gewijzigd (Voormalige gemeenten binnen de huidige gemeente Groningen, met jaar van toevoeging aan de huidige gemeente). In 1884 ging de Helpmanlinie over van Haren naar Groningen. In 1915 werd nog een groot deel van de gemeente Haren bij Groningen gevoegd. In 1912 werd een deel van het huidige Vinkhuizen dat binnen de gemeente Hoogkerk bij Groningen gevoegd. In 1950 volgde delen van de gemeente Noorddijk, die door de aanleg Van Starkenborghkanaal waren 'afgesneden'. Aan de oostzijde van de stad werd in 1962 Ten Boer ten zuiden van het Eemsknaal bij de gemeente Slochteren gevoegd. In 1968/69 kwamen (delen van) de gemeenten Bedum, Adorp, Helpman, Hoogkerk en Noorddijk binnen de huidige gemeente te liggen, waardoor grootschalige stedelijke ontwikkeling mogelijk werd. De meest recente toevoeging betrof een groot deel van de gemeente Slochteren. In 2017 werd het gebied tussen Harkstede en Eemskanaal toegevoegd. Op 1 januari 2019 werd de gemeente Ten Boer aan de gemeente Groningen toegevoegd.

6.3 Waardering
De resultaten van de waardering van landschapselementen zijn opgenomen in de tabellen die deel uitmaken van het GIS. Hieronder volgen de belangrijkste bevindingen.
Hoog
Hoog gewaardeerd zijn vooral de structuren die al vóór 1832 aanwezig waren en nog (redelijk) gaaf behouden zijn, zoals de infrastructuur in de binnenstad, de restanten van de 17 en 18e eeuwse vestingwerken, de middeleeuwse waterlopen en kades en veel historische bruglocaties.
Buiten de binnenstad valt de gaafheid van de elementen ten noorden van Selwerd op. Veel waterlopen, kades, verhoogde huisplaatsen en bruglocaties hebben een hoge waardering gekregen. Ten oosten van de binnenstad scoort een deel van de landschappelijke hoofdstructuur hoog, mede door de hoge ouderdom. Het gaat hier om restanten van de Hunze, het Damsterdiep en delen van de linten van Noorddijk en Middelbert. Rondom Meerstad scoren vooral de waterlopen en kades hoog.
Ten zuiden van de binnenstad hebben grote delen van de spoorlijn een hoge waardering gekregen vanwege hun gaafheid en redelijke ouderdom. Ook restanten van de Helperlinie scoren hoog.
Binnen het landelijk gebied rondom Hoogkerk en Leegkerk scoren veel wegen, kades, waterlopen en verhoogde huisplaatsen hoog vanwege hun ouderdom en gaafheid.
In het noordoosten van de gemeente rond Ten Boer scoren vooral de locaties van poldermolens hoog, evenals de waterlopen en de wegenstructuur binnen de dorpen
Middelhoog
Middelhoog gewaardeerd zijn veel historische wegen, waterlopen, dijken/kades en historische brug-of sluislocaties. Voor een deel kennen deze een hoge ouderdom, maar hebben door wijzigingen in het profiel en het materiaalgebruik (asfalt) een middelhoge waardering gekregen. Dit geldt vooral voor de oude wegen en waterlopen in het buitengebied. Een groot aantal jongere elementen die nog wel gaaf zijn vallen ook binnen deze scorecategorie.
Middelmatig
In deze categorie vallen oude wegen waarvan het profiel of het materiaal sterk gewijzigd is. Door opname in stedenbouwkundige ontwikkelingen hebben ze een deel van hun historische kenmerken verloren; bijvoorbeeld door verbreding, aanplant of verharding. Voorbeelden hiervan zijn het Boterdiep, Damsterdiep en Aweg (verbreed na demping. de Hoogeweg naar Dorkwerd (verstedelijkt. de Edelsteenlaan in Vinkhuizen (voormalige Leegeweg, nu verbreed en geasfalteerd). Ook veel jongere wegen (tussen 1832 en 1950) scoren middelmatig, mede door hun geringe ouderdom. Dit geldt ook voor veel kanalen en hun kades, zoals grote delen van het Van Starkenborghkanaal en het NoordWillemskanaal. Enkele verhoogde huisplaatsen scoren ook middelmatig, veelal doordat ze doorsneden zijn door jongere infrastructuur. Uit de categorie bestuur vallen de gemeentegrenzen (die relatief jong zijn) in deze waarderingscategorie.
Laag
Doordat vooral elementen met een cultuurhistorisch belang zijn geïnventariseerd scoren weinig elementen laag. Enkele waterpartijen bij Hoogkerk scoren laag doordat ze onherkenbaar zijn.
Hoofdstuk 7 Historische bouwkunst
7.1 Inleiding
Onder de historische bouwkunst wordt het beschermde en onbeschermde 'bovengrondse' gebouwde erfgoed verstaan: gebouwen (objecten, complexen en ensembles), maar ook historisch straatmeubilair, grenspalen, herinneringsmonumenten, monumentale kunst in de openbare ruimte (dat wil zeggen: wandkunst, nagelvast verbonden met architectuur. etc. Voor het onderdeel (historisch-)bouwkundige waarden zijn zowel beschermde als onbeschermde objecten en ensembles geïnventariseerd, gewaardeerd en geselecteerd. De onderlinge samenhang, de ruimtelijke context en de historische gebiedskarakteristiek, speerpunten in het ruimtelijk erfgoedbeleid, kunnen zo optimaal worden vergeleken en gewogen. Ook alle rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten van de gemeente Groningen zijn in de inventarisatie opgenomen.
De inventarisatie en de selectie zijn er op gericht een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van het waardevolle bouwkundige erfgoed, gerelateerd aan voor Groningen kenmerkende thema’s, gebieden en ensembles.
7.2 Bestaande inventarisaties
Beschermde monumenten
In de inventarisatie is in eerste instantie het volledige bestand van beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het gaat daarbij om ruim 1300 items, die op basis van de bestaande cultuurhistorische waardenkaart zijn gekarteerd. Daarnaast zijn circa 200 objecten met de kwalificatie gemeentelijk monument light in de kaart verwerkt. Van al deze objecten zijn alleen het objectnummer, de omschrijving (adres en naam) en de status in de tabel achter de kaart verwerkt.
Beeldbepalende panden/gebouwen
Op basis van de bestaande cultuurhistorische waardenkaart en een actuele werklijst zijn ruim 2800 beeldbepalende objecten in de oude gemeente Groningen en 31 beeldbepalende objecten in het buitengebied van de voormalige gemeente Ten Boer opnieuw geïnventariseerd en gewaardeerd. In de achter de CWK liggende tabel is voor deze objecten een groot aantal informatievelden ingevuld.
In de gemeente Groningen geldt voor deze objecten de volgende definitie: Beeldbepalende panden bepalen mede het aanzicht van stad of dorp of zijn onderdeel van een structuur die belangrijk is voor het karakter van het dorp/stad of landschap. Beeldbepalende panden zijn van belang voor de stedenbouwkundige of landschappelijke samenhang.
Karakteristieke gebouwen
Op basis van de bestaande cultuurhistorische waardenkaart en een actuele werklijst zijn ruim 85 karakteristieke objecten in de oude gemeente Groningen en 127 karakteristieke objecten in de voormalige gemeente Ten Boer opnieuw geïnventariseerd en gewaardeerd. In de achter de CWK liggende tabel is ook voor deze objecten een groot aantal informatievelden ingevuld.
In de gemeente Groningen geldt voor deze objecten de volgende definitie: Karakteristieke gebouwen zijn karakteristiek voor de stad, het dorp of het landschap en bepalen mede de identiteit of aanzicht van het gebied. Deze gebouwen zijn belangrijk vanwege bijvoorbeeld de (oorspronkelijke) functie binnen het gebied, de ouderdom, de bouwstijl en/of de opvallende ligging.
Cultuurhistorische objecten
Een laatste categorie reeds door de gemeente Groningen gesignaleerde objecten op de cultuurhistorische waardenkaart wordt aangeduid met de term: COB: cultuurhistorisch object. Circa 200 objecten, in het bijzonder gesitueerd in de binnenstad, met deze aanduiding zijn opnieuw geïnventariseerd en gekarteerd en in de achterliggende tabel van informatie voorzien.
Nieuwe inventarisaties
Tenslotte bestaat de inventarisatie uit circa 4000 nieuw aan de bestaande collectie toegevoegde objecten.
7.3 Bronnen en methode
Toelichting op de variabelen
Objectnummer
Hier wordt de door de gemeente Groningen gehanteerde objectnummering gevolgd. De objectnummers van eerder geïnventariseerde items zijn overgenomen. De nieuwe inventarisaties zijn van een nieuwe nummering voorzien, te nummeren vanaf 150.000.
Omschrijving
De omschrijving omvat het hoofdadres en een korte aanduiding. Dat kan de naam zijn van het object of een zeer beknopte duiding van het bouwtype. Voor de rijks- en gemeentelijke monumenten is de omschrijving één op één overgenomen van de bestaande omschrijvingen. Bij de overige objecten is een nieuwe omschrijving gemaakt.
Status
Bevat informatie over de huidige status van bescherming (rijksmonument, gemeentelijk monument, gemeentelijk monument light en aanduidingen beeldbepalend pand (BBP, karakteristiek object, cultuurhistorisch object (COB). Wanneer er geen status is wordt volstaan met ‘geen’.
Kern
Betreft de naam van stad of dorp, zoals dat ook vermeld is in het officiële adres.
Ensemble
De naam van het ensemble, waarvan het object deel uitmaakt.
Straat en huisnummer
Actuele adres op basis van de vermelding in de online bagviewer. Voor objecten en complexen met adressen in verschillende straten zijn extra velden beschikbaar. Het vierde adresveld (adresinfo) kan informatie bevatten over nog meer tot het item behorende adressen.
Adresinfo
Bevat de straatnamen en huisnummers van complexen die meer dan drie straten omvatten. Ook kan in dit veld worden vermeld of het betreffende object wellicht een extra objectnummer heeft, dat nu, door nieuwe inzichten (bijvoorbeeld vanwege samenvoegen van gelijksoortige objecten) komt te vervallen.
Categorie
In de inventarisatie wordt een aantal erfgoedcategorieën en thema’s onderscheiden. Binnen de erfgoedcategorieën bestaan verschillende subcategorieën en bouwtypen, als verfijning van het hoofdthema. Deze “bouwtypen” zijn in een aparte kolom van de bijbehorende tabel vermeld. In het thema “agrarisch cultuurlandschap” wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt in de gebouwtypen “boerderij” en “schuur”, waarna een verdere verfijning plaats vindt naar type (Oldambtsterboerderij).
De erfgoedcategorieën zijn:
• Agrarisch cultuurlandschap
• Bestuur en rechtspraak
• Gezondheidszorg
• Handel en bankwezen
• Herdenken
• Industrie, nijverheid en ambacht
• Infrastructuur
• Kunst en cultuur
• Maatschappelijk
• Nutsvoorziening
• Onderwijs
• Oorlog en defensie
• Religie
• Sport en recreatie
• Straatmeubilair
• Waterbeheer
• Wooncultuur
Bijzonderheden
Het veld ‘bijzonderheden’ is bestemd voor informatie over aan- of achterbouwen, bijgebouwen, tuinen en hekwerken, indien relevant genoeg om te vermelden. Ook is hier ruimte voor vermelding van bijzondere gevelelementen of ornamentiek en summiere historische achtergronden. Bij de boerderijen vindt men in dit veld informatie over het erf en de bijgebouwen.
Functie oorspronkelijk
In dit veld wordt uitgegaan van de meest relevante en nu nog goed herkenbare historische functie, op basis van veldwerk of bureauonderzoek. Een in het verleden tot winkelwoonhuis verbouwd woonhuis wordt zo, uitgaande van de nog aanwezige (historische) winkelpui als een winkelwoonhuis geduid.
Functie huidig
Vermelding van de tegenwoordige functie van het object, voor zover bekend en zichtbaar vanaf de openbare weg.
Datum exact
De exacte datering (oorspronkelijk bouwjaar) wordt hier alleen ingevuld als deze op basis van een duidelijke en plausibele vermelding in geraadpleegde bronnen of via opschriften/gevelstenen bekend is. Die bronnen kunnen zijn: literatuur, eerdere inventarisatielijsten, gebiedsanalyses, bouwhistorische verkenningen, de bouwdossierinformatie van de gemeente Groningen of, wanneer deze heel plausibel lijkt, het in de bagviewer vermelde jaar van ontstaan. Voor circa 100 objecten zijn de bouwdossiers ook fysiek bekeken en is informatie daaruit overgebracht in de tabel.
Datum bouwtijd
In dit veld kan, wanneer bekend, de volledige periode van de bouw worden vermeld, bijvoorbeeld 19601962. Ook kan het veld worden gebruikt wanneer het object in zijn huidige verschijningsvorm het resultaat is van twee of meer ingrijpende transformaties. Een voorbeeld zijn de omstreeks 1920-1930 met een volledige verdieping verhoogde laat 19e-eeuwse arbeiderswoningen, die oorspronkelijk één bouwlaag met kap bezaten. In dit geval kan de vermelding in het veld zijn: 1893-1930.
Datum periode
Dit veld bevat een vermelding van het tijdvak, waarin het object in zijn oorspronkelijke vorm is ontstaan. Hiertoe wordt een vaste tijdvakindeling aangehouden, zodat via deze informatie interessante kaartbeelden kunnen worden getoond. De tijdvakindeling is als volgt: 1200-1600, 1600-1700, 17001800, 1800-1850, 1850-1875, 1875-1900, 1900-1910, 1910-1920, 1920-1930, 1940-1955, 1955-1965, 1965-1975, 1975-1990, 1990-2000, 2000-2020.
Oudere kern
Dit veld vermeldt de (vermoede) aanwezigheid van een oudere bouwsubstantie dan de voorgevel (of zichtgevels) doet vermoeden.
Architect-ontwerper
Informatie op basis van de beschikbare literatuur, eerdere onderzoeken en analyses en de bestaande cultuurhistorische waardenkaart. Ook het bouwdossieronderzoek heeft informatie opgeleverd.
Bouwstijl
Zoveel mogelijk uitgaande van de stijlen-thesaurus van de RCE.
Bouwhistorische verwachtingswaarde
Dit veld bevat, uitgedrukt in een cijfer, de bouwhistorische verwachtingswaarde van objecten, waarvan de bouwcontour min of meer samenvalt met die op de kadastrale minuut van 1832, in het bijzonder van gebouwen buiten het binnenstadsgebied van Groningen. [Zie verder: XXXX]
Waarde cultuurhistorische waardenkaart
In dit veld wordt, uitgedrukt in een kwalificatie, de eindscore van de toetsing aan de hand van de zes criteria vermeld:
Z (Zeer hoge erfgoedwaarde)
H (Hoge erfgoedwaarde)
P (Positieve erfgoedwaarde)
B (Basis erfgoedwaarde)
X (Geen waardering)
Criterium 1 t/m criterium 6
Het gaat om de volgende criteria (zie verder paragraaf 7.4)
|
sted_ens |
: Stedenbouwkundige en ensemblewaarden |
|
bbp |
: Beeldbepalende waarde |
|
ch |
: Cultuurhistorische waarde |
|
gaaf |
: Gaafheid |
|
arch_bh |
: Architectuur- en bouwhistorische waarde |
|
zeld |
: Zeldzaamheidswaarde |
Opmerking / toelichting bij waardering (twee velden)
Deze velden zijn bedoeld voor een aanvullende toelichting bij in andere velden aangeboden informatie en aandachtspunten bij de waardering. NB: het betreft dus geen officiële waardenstelling.
Belangrijkste informatiebron
Dit veld bevat de belangrijkste geraadpleegde informatiebron, op basis waarvan informatie is verkregen over functie, opdrachtgever, datering en architect-ontwerper, etc.
7.4 De resultaten van de inventarisatie
De objectinventarisatie heeft vele duizenden items opgeleverd, die zijn toegevoegd aan de waardenkaart. Deze selectie bestaat zoals vermeld uit de beschermde monumenten en de al eerder als beeldbepalend of karakteristiek aangemerkte objecten, en voorts uit een groot aantal nieuw gesignaleerde gebouwen, complexen en objecten in de openbare ruimte. Deze selectie is verkregen uit bureau- en veldwerkonderzoek.
De geselecteerde items vertegenwoordigen een breed scala aan erfdgoedcategorieën, die in de vorige paragraaf zijn opgesomd. Alle items zijn in de tabel aan één van die categorieën gekoppeld.
In het relatief korte bestek van deze toelichtende rapportage voert het te ver om de inventarisatieresultaten van alle erfgoedcategorieën uitgebreid uit te diepen. Het gaat immers per categorie om vaak vele honderden of zelfs duizenden inventarisaties.
Daarom wordt volstaan met enkele inzichten en constateringen naar aanleiding van de inventarisatie. Dit doen we aan de hand van de belangrijkste van erfgoedcategorieën, die in de gemeente Groningen het meest prominent aanwezig zijn.
Agrarisch cultuurlandschap
Deze categorie vertegenwoordigt in de eerste plaats de talrijke boerderijen met bijgebouwen die in het bijzonder in het buitengebied en in de voormalige gemeente Ten Boer een veelal zeer bepalende rol spelen. Echter, ook binnen de stadsgrenzen van Groningen zijn hier en daar nog goed beleefbare sporen van het agrarische verleden zichtbaar gebleven. Mooi voorbeeld daarvan zijn de oude boerenerven die zijn opgenomen in de groenstructuren van uitbreidingswijken als Selwerd en Beijum. Ook in de (oudere) linten langs uitvalswegen en vaarten bevinden zich op verschillende plaatsen nog historische boerderijen of boerenwoningen met stal. Bijzondere vermelding vragen de kleinschalige moeskerswoningen die in het stadsgebied direct ten noorden van de binnenstad behouden bleven en herinneren aan het vroegere uitgestrekte moestuinengebied, dat een belangrijke rol speelde in de voedselvoorziening van de stad Groningen.
De categorie Agrarisch cultuurlandschap omvat naast de boerderijen (in allerlei voor de streek karakteristieke typen en varianten daarop) ook bijgebouwen als stookhutten, bijschuren en een enkele keer een hooiberg.

Handel en bankwezen
Een tweede met talrijke inventarisaties vertegenwoordigde categorie is “handel en bankwezen”. Dit is inherent aan de betekenis van Groningen als commercieel centrum van het noorden. Binnen deze categorie vallen immers ook de vele voorbeelden van historische winkelarchitectuur. Deze vinden we zowel in het druk bewinkelde centrum als in de buitenwijken. De variatie is groot: van de traditionele winkels met bovenwoningen tot de grootschalige moderne warenhuis- en magazijnarchitectuur uit de naoorlogse periode, van bescheiden buurtwinkeltjes tot buurt- en wijkwinkelcentra met passages en hoogbouwaccenten waarin woningen zijn ondergebracht. De architectonische en typologische ontwikkeling van de winkelarchitectuur van de afgelopen 200 jaar is met talrijke sprekende voorbeelden uitstekend te volgen.
Industrie, nijverheid en ambacht
Eveneens een categorie die nauw verbonden is met de rol van Groningen als economisch centrum in de wijde regio. De categorie omvat een breed scala aan historische bedrijfsgebouwen, waarin op grote of juist zeer kleine schaal producten werden vervaardigd, verwerkt of opgeslagen. Voorbeelden van grootschalige bedrijvigheid uit het verleden zijn de complexen van de Suiker Unie en de
Strokartonfabriek bij Hoogkerk. In de randzones van de binnenstad vinden we nog veel voorbeelden van kleinschaliger industriële bedrijvigheid, zoals brouwerijen en maalderijen, pakhuizen, etc. Veel bedrijvigheid is te vinden langs de diepen, de voor aan- en afvoer zo belangrijke verkeersstructuren. Interessante industriële complexen uit de naoorlogse periode zijn geïnventariseerd in de omgeving van Damsterdiep en Winschoterdiep. Een bijzondere subcategorie vormen de vele sporen van kleinschalige nijverheid en ambacht, verspreid over een groot deel van het stadsgebied, in het bijzonder het centrum en de uitbreidingswijken uit de 19e en eerste helft van de 20e eeuw: de werkplaatsen en bedrijfsruimtes met een bovenwoning, meestal onderdeel van straatwanden met overwegend een woonfunctie. Ze dateren uit de tijd dat wonen en werken nog veelal onder één dak plaats vonden. De panden zijn herkenbaar aan de bedrijfsdeuren op de begane grond en zolderverdiepingen met kajuit en hijsbalk, De panden waren het domicilie van smeden, timmer- en glasbedrijven, meubelmakers, schilders en kleinschalige fabriekjes. In het buitengebied zijn het vooral de korenmolens die herinneren aan de vroegere industriële bedrijvigheid, maar ook hier komen nog enkele bijzondere fabriekscomplexen of relicten daarvan voor, zoals in Winneweer.

Religie
Deze categorie representeert de gebouwde weerslag van de geschiedenis van de geloofsbeleving in
Groningen. Uiteraard omvat de collectie de middeleeuwse stads- en dorpskerken en de restanten van middeleeuwse klooster- gasthuiscultuur, dit laatste in het bijzonder in het centrum van de stad. De 17 eeeuwse Noorderkerk is eigenlijk één van de eerste voorbeelden van kerkbouw, die noodzakelijk werd als gevolg van een aanzienlijke stadsuitbreiding. In het bijzonder vanaf de 19e-eeuw werden in de binnenstad, maar vooral ook in de nieuwe wijken rondom het centrum vele nieuwe kerkgebouwen gesticht. Enerzijds was er de bevolkingsgroei die dit noodzaakte, anderzijds speelde de opkomende verzuiling een rol: de Rooms Katholieke gemeenschap emancipeerde en bouwde vanaf die tijd vele nieuwe kerken, veelal als onderdeel van een groter ensemble met pastorie, parochiehuis en scholen. Voor van de Hervormde klerk afgescheiden gemeenschappen werden eveneens nieuwe kerken gebouwd. De bouw van nieuwe kerken ging ook na de Tweede Wereldoorlog door in de moderne stadsuitbreidingen. Hier kregen de kerkelijke gebouwen als onderdeel van de wijkgedachte vaak een prominente positie in het stedenbouwkundige plan. In de dorpen volstond de oude dorpskerk veelal tot ver in de vorige eeuw, maar in de grotere nederzettingen ontstond soms behoefte aan de stichting van een nieuw kerkgebouw voor specifiekegroepen (Gereformeerde kerk in Ten Boer, Molukse kerk in Hoogkerk).
Wooncultuur
De categorie met het grootste aantal geïnventariseerde items en vertegenwoordigd met voorbeelden uit de periode van de middeleeuwen tot de jaren 70 van de vorige eeuw. De oudste woonhuizen vinden we in de binnenstad van Groningen, waar bouwhistorisch onderzoek heeft aangetoond dat hier nog aanzienlijke restanten van zelfs 13e-eeuwse woonhuisbouw te vinden zijn. In het bijzonder in de binnenstad was de functiescheiding beperkt en werd in veel huizen tevens gehandeld en gewerkt. Dit heeft zijn weerslag nog steeds in het huidige beeld. Een groot deel van de historische woonhuizen wordt thans (nog steeds) gemengd gebruikt: beneden winkel- of bedrijfsruimte, boven wordt gewoond. Vaak dragen de gevels en de interieurs de sporen van vroeger tijden, toen het gehele pand als woning in gebruik was. Vanaf de late 19e-eeuw wordt het bouwtype van het woonwinkelhuis verder ontwikkeld in nieuw gebouwde winkels met bovenwoningen. In het interbellum en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontstaan nieuwe typen, waarbij het wonen boven en commerciële bedrijvigheid op de begane grond verder gescheiden worden. Er worden zo ook winkelpanden met meerdere etagewoningen gebouwd, deze laatste ontsloten via eigen portieken met trapopgangen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt dit type, vooral in de wederopbouwgebieden in de binnenstad, op nieuwe wijze toegepast met gelijkvloerse portiek- of galerijflatwoningen boven de commerciële begane grond.
De binnenstad en het singelgebied zijn het domein van vele woningtypen door de eeuwen heen: van kleinschalige eenlaags arbeiderswoningen en hofjeswoningen tot in rijen geplaatste herenhuizen en vrijstaande villa’s, in een breed scala aan bouwtradities en opeenvolgende stijlen.
Ook de 19e- en vroeg 20e-eeuwse wijken tonen een verrassende variatie aan woningtypen voor alle lagen van de bevolking. Er is een groot contrast tussen de imposante vrijstaande of geschakelde villa’s in het Zuiderpark, op steenworp afstand van de kleine eenlaags rijwoningen, die rond 1865 werden gebouwd door de Bouwvereeniging in de Sophiastraat en omgeving. Particuliere bouwondernemers en later de woningbouwverenigingen bouwen voor de lagere sociale klassen complexen met kleine geschakelde woningen (Willemstraat) of beneden- en bovenwoningen (Oosterpoortbuurt, Schildersbuurt en op vele andere locaties). Bijzonder karakteristiek voor Groningen zijn de min of meer vrijstaande, maar meestal in rijen gebouwen arbeiders- en kleine middenstandswoningen van één bouwlaag met eigen kap, lijstgevel en groot stenen dakhuis of dakkapel (kajuit) op het voorschild.
In het interbellum vonden vooral in het noordelijke deel van de binnenstad flinke saneringen plaats. De wildgroei aan kleine arbeiderswoningen aan onooglijke steegjes werd opgeruimd en vervangen door frisse nieuwe wooncomplexen. Een fraai voorbeeld daarvan is het grote wooncomplex dat in de jaren 30 aan de Noorderbinnensingel werd gerealiseerd volgens het portieketagetype. Dit type was ook bijzonder populair in de grote stadsuitbreidingen uit het interbellum (De Hoogte, Korrewegbuurt, Oranjebuurt, Coendersborg). Hier ontstonden grote woningblokken in een gesloten verkaveling. Monotonie werd vermeden door het toepassen van erker- en topgevelaccenten, bijzondere hoek- en kapoplossingen.
In de naoorlogse periode worden nieuwe woningtypologieën (geschakelde uniforme eengezinswoningen, bejaardenwoningen, portiek- en galerijflats in laag, middel- en hoogbouw, duplexwoningen, etc, ontwikkeld en gecombineerd met vernieuwende ideeën over stedenbouw, zoals bijvoorbeeld de wijkgedachte. Nieuwe verkavelingswijzen ontstaan, wijken krijgen een heldere functionele zonering en de bouw wordt gemechaniseerd en geïndustrialiseerd. Er wordt geëxperimenteerd met soms spraakmakende nieuwe bouwsystemen. Fraaie voorbeelden van naoorlogse woningbouw in vele variaties is aan te treffen in wijken als De Wijert en Coendersborg, Naast het bouwen voor de massa beleeft ook de particuliere woningbouw voor de meer welgestelden vanaf de jaren 50 een bloeitijd. Vooral in de Villabuurt-Oost werden vele interessante “luxe” vrijstaande woningen uit de periode na 1945 geïnventariseerd. De variatie in typen (bungalow, splitlevel-, drive-in- en patiowoningen) en bouwstijlen (Delftse school, Functionalisme, de als “Shakehands” benoemde mengvormen van die twee) is groot.

Onderwijs
Groningen is als bevolkingsrijk, bovenregionaal centrum en Universiteitsstad rijk bedeeld met historische onderwijsinstellingen. De gemeente bouwde vanaf de tweede helft een van de 19 e eeuw een goede reputatie op in de bouw van scholen voor het openbare kleuter- en lager onderwijs, in het centrum, de vooroorlogse buurten én de naoorlogse uitbreidingswijken. Spraakmakend is het door gemeentearchitect J.H.M. Wilhelm in de jaren 1950 ontworpen en uiteindelijk landelijk bekende Groningse schooltype. Ook werden vele openbare en confessionele scholen voor middelbaar onderwijs gerealiseerd, waarbij ook hier een staalkaart aan vormen en typen ontstond. Vele van deze gebouwen zijn vanwege hun bijzondere opzet en nog relatieve gaafheid in de inventarisatie opgenomen.
Ten slotte is aandacht besteed aan de hoofd-m faculteits- en andere gebouwen van de Rijksuniversiteit Groningen, die op verschillende locaties in en rondom het centrum te vinden zijn, alsmede op de in de jaren 60 ontwikkelde Campus Zernike.
7.5 Waardering historische bouwkunst
Waardering in schaalniveaus
Alle niet als rijks- of gemeentelijk monument beschermde gebouwen, complexen en objecten zijn gewaardeerd. De waardering met behulp van een beperkte set criteria is indicatief en de scoretoekenning resulteert in een indeling van het object binnen vier verschillende schaalniveaus:
- Zeer hoge erfgoedwaarde
- Hoge erfgoedwaarde
- Positieve erfgoedwaarde
- Basis erfgoedwaarde
De verschillende waardengradaties geven zicht op welke objecten een specifieke vorm van instandhoudingsbeleid vragen. In principe geldt: hoe hoger de indicatieve erfgoedwaarde, hoe meer noodzaak er zal zijn strikte regels voor de instandhouding toe te passen. De waardenkaart is ontwikkelingsgericht en geeft informatie over welk beleid (of omgangsvormen) zou moeten gelden bij de instandhouding van cultuurhistorische waarden. De kaart brengt in beeld welke objecten voldoende kwaliteiten bezitten om ze als karakteristiek of beeldbepalend te definiëren, of welke objecten naar alle waarschijnlijkheid in aanmerking komen voor bescherming als gemeentelijk monument.
De selectie van de cultuurhistorisch waardevolle objecten en de uiteindelijke klassering in vier erfgoedwaarden (zeer hoog, hoog, positief, basis) vindt plaats via een toetsing aan de hand van zes ruimtelijke en cultuurhistorische waarderingscriteria. Deze criteria zijn speciaal voor dit doel geformuleerd op basis van bovengenoemde algemeen, gangbare criteria en zijn eerder ook in andere gemeenten toegepast:
Stedenbouwkundige en ensemblewaarde: het belang van het object als onderdeel van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied of een bijzondere stedenbouwkundige ontwikkeling of planvorming; en/of als onderdeel van cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en/of ensemblewaarde, bijvoorbeeld in relatie tot een beschermd stads- of dorpsgezicht, een waardevol gebied en beschermde monumenten;
Beeldbepalende waarde: het belang van het object vanwege de bijzondere betekenis voor het beeld van zijn omgeving (bijvoorbeeld: markant onderdeel lintbebouwing, opmerkelijke (hoek)ligging, zichtlijn, landmark);
Historische waarde, representatiewaarde: het belang van het object vanwege de herkenbaarheid van het oorspronkelijke concept en de oorspronkelijke (bijzondere) functie, in relatie tot de ontwikkelingsgeschiedenis en de historische gelaagdheid van het gebied; relatie met voor de gemeente Groningen belangrijke personen, gebeurtenissen en activiteiten;
Gaafheid: het belang van het object wegens de authenticiteit van hoofdvorm, gevelindeling en/of detaillering;
Architectuur- en bouwhistorische waarde: het belang van het object vanwege een kenmerkende / bijzondere bouwstijl, typologie, vorm, materiaalgebruik en constructie; het belang binnen het oeuvre van een architect;
Zeldzaamheidswaarde: in architectuur- en/of bouwhistorisch, stedenbouwkundig, typologisch, functioneel of historische opzicht.
Het gaat dus om een zestal cultuurhistorische en architectuurhistorische, maar ook contextuele, historisch-ruimtelijke criteria, die het object waarderen als onderdeel van een specifieke lokale cultuurhistorische gebiedskarakteristiek, bijvoorbeeld de oude kernen, de linten, de voor- en naoorlogse uitbreidingswijken, delen van het buitengebied.
De rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten worden niet gewaardeerd.
Met de ruimtelijke insteek van deze toetsing wordt geanticipeerd op de veranderende benadering van erfgoed, zoals die in het nieuwe erfgoedbeleid is geformuleerd. Hierin wordt aangedrongen op een grotere rol voor cultuurhistorie in het ruimtelijk beleid. De directe omgeving van historische objecten, complexen en ensembles is immers zeer bepalend voor de wijze waarop de cultuurhistorische kwaliteit tot zijn recht komt. Ook de gebieden zelf kunnen cultuurhistorische kwaliteiten bezitten.
Alle in de inventarisatie opgenomen objecten, uitgezonderd de reeds beschermde monumenten, worden met behulp van bovenstaande criteria en met in achtneming van de verschillende gebieds/ensemble karakteristieken getoetst. Per criterium kunnen de volgende indicatieve scores worden gehaald:
• Hoge waarde: ++
• Positieve waarde: +
• Neutrale waarde: 0
• Negatieve waarde: -
De optelsom van deze scores leidt tot het formuleren van een eindwaardering in vier gradaties:
|
Minimaal 5x ++ en 1x + |
Zeer hoge erfgoedwaarde of monumentwaarde (Z) |
|
Minimaal 3x ++ en 3x + |
Hoge erfgoedwaarde of (potentiële) monumentwaarde (H) |
|
Minimaal 5x + en 1x 0 |
Positieve (middelhoge) of beeldbepalende erfgoedwaarde (P) |
|
Minimaal 3x + en 3x 0 |
Basis erfgoedwaarde of beeldondersteunende waarde (B) |
Tabel 19. Scores en klassen van de waardering.
De zes criteria worden in deze indicatieve beoordeling als gelijkwaardige eenheden gewogen. Bij het toekennen van de hoge, positieve, neutrale of (in uitzonderingsgevallen) negatieve waarden (met plussen en minnen) wordt de aanwezige waarde genuanceerd en blijkt welke waarden het meest uitgesproken aanwezig zijn. Vanwege de relatief hoge kwaliteit en kwantiteit zijn in Groningen voornamelijk objecten met een (zeer) hoge en positieve erfgoedwaarde geselecteerd.
De nummering en volgorde van de criteria, zoals weergegeven op de vorige pagina, is conform de volgorde in de tabel bij de cultuurhistorische waardenkaart.
7.6 Bouwhistorische verwachtingswaarde
In 2002 heeft de gemeente Groningen besloten tot een uitgebreid onderzoek naar de bouwhistorische (verwachtings)waarden van haar historische gebouwenbestand van vóór 1850. Na voorselectie van meer dan 1150 objecten in de historische binnenstad zijn vele panden onderzocht op de aanwezigheid van bijzondere bouwhistorische kenmerken. Het onderzoek leverde een schat aan informatie op en naar aanleiding ervan zijn zo’n 150 gebouwen aangewezen als gemeentelijk monument.
Voor de binnenstad is een bouwhistorische verwachtingswaardenkaart gemaakt, waarin inzichtelijk is gemaakt in welke nog niet onderzochte gebouwen bijzondere bouwhistorische waarden verwacht kunnen worden. Dit is gebeurt op basis van vergelijkend onderzoek met historisch kaartmateriaal, waarbij is gecheckt of de huidige bouwvlakken geheel of gedeeltelijk overeenkomen met de bebouwingscontouren, zoals weergegeven op de kadastrale minuut van circa 1830. Jongere kaarten dienden om te verifiëren of de bebouwing in de tussentijd wellicht een tijdlang afwezig is geweest. Verder kwam informatie uit verkenningen via historisch beeldmateriaal en waarnemingen in het veld. Het gaat om zowel beschermde als niet beschermde gebouwen en in veel gevallen om panden die tot de oudste bouwsubstantie in de gemeente Groningen behoren.
Tot nu toe is het onderzoek naar de bouwhistorische verwachtingswaarde beperkt gebleven tot het gebied binnen de singels van de stad Groningen. Gelijk opgaand met de inventarisatiewerkzaamheden voor de cultuurhistorische waardenkaart is ook voor het stedelijke gebied buiten de singels en het buitengebied met de kleine kernen (uitgezonderd de voormalige gemeente Haren) een lijst samengesteld met objecten die op basis van hun met de situatie in 1830 samenvallende bouwcontour mogelijkerwijs onderdelen van bebouwing voor 1850 bevatten. Deze bouwhistorisch kansrijke gebouwen bevinden zich in het stedelijke gebied van Groningen in het bijzonder langs de oudere lintstructuren en op voormalige agrarische erven. In het buitengebied treffen we de bebouwing met bouwhistorische verwachtingswaarden vooral aan op de verspreide boerenerven en in de dorpskernen. De selectie- en beoordelingsmethodiek volgt de systematiek zoals die voor de binnenstad is uitgevoerd.
De kansrijke objecten zijn samengebracht in een Excel-tabel, waarvan opzet en structuur samen met de gemeente Groningen is vastgesteld. Met cijfers, oplopend van 1 tot en met 4 is de mate van bouwhistorische verwachting aangeduid, conform het voor de binnenstad gehanteerde systeem.
De inventarisatie leidt tot een bouwhistorische verwachting in vier categorieën:
1. contour < 1830, sterke (zekere) aanwijzing voor datering bebouwing < 1830
2. contour < 1830, zwakke aanwijzing voor datering bebouwing < 1830
3. contour < 1830, datering bebouwing onbekend (geen aanwijzingen aan het exterieur, maar datering voor 1830 kan niet uitgesloten worden)
4. contour < 1830, datering bebouwing > 1830
De contour uit 1830 kan sinds 1830 gewijzigd zijn (meestal vergroot) waarbij (een deel van) de oude bouwsubstantie is gehandhaafd.
De redenen waarom objecten bij categorie 1 en 2 worden geselecteerd zijn per object genoteerd zodat naderhand duidelijk is waarom selectie heeft plaatsgevonden.
Op het grondgebied van de voormalige gemeente Groningen (buiten het centrum) zijn zo’n 155 objecten met een bouwhistorische verwachtingswaarde geselecteerd. In de voormalige gemeente Ten Boer gaat het om 190 objecten.
De verwachtingswaarde is toegevoegd aan het GIS-bestand bij de cultuurhistorische waardenkaart. In de Excel-tabel is via de unieke objectnummer-id’s een koppeling gemaakt met de informatie in het GISbestand.
Hoofdstuk 8 Stedenbouw en ensembles
8.1 Schets stedenbouwkundige ontwikkeling van Groningen
Ontstaan en stadswording
Groningen ontstond in de vroege middeleeuwen op een noordelijke uitloper van de Hondsrug, in de buurt van de monding van de Drentse A en de Hunze in het Reitdiep. Aanvankelijk had de nederzetting de vorm van een esdorp. Rond 800 werd er een houten kerk gebouwd. De aanvankelijk kleine gemeenschap ontwikkelde zich vooral vanaf de 11e en 12e eeuw tot een in de regio belangrijk economisch en religieus centrum. Zo werd de religieuze betekenis van Groningen in de 12e eeuw benadrukt door de bouw van de St.-Walburgskerk, een opmerkelijke twintigzijdige centraalbouw, waarmee de bisschop van Utrecht zijn machtspositie tentoonspreidde. In de 13e eeuw wordt Groningen voor het eerst als stad vermeld. De middeleeuwse nederzetting, waarvan het stratenplan en een belangrijk deel van de verkavelingsstructuren gaaf behouden bleven werd omgeven door een stenen stadsmuur, waarvan in verschillende huizenblokken fragmenten resteren. In het stratenplan zijn, zowel binnen de stadskern als in de wijken daarbuiten, de oude, over de Hondsrug lopende prestedelijke wegen nog goed herkenbaar.
Dwars op die oude hoofdwegen ontstonden secundaire zij- en verbindingswegen, waardoor een min of meer regelmatig stratenplan tot stand kwam. Onderdeel van de dwarsverbindingen waren de Vismarkt en de Grote Markt, die zich hadden ontwikkeld uit de brinkachtige ruimten aan de noordzijde van de nederzetting. Rond het midden van de 13e eeuw werd een stenen stadsmuur met buitengracht aangelegd, ter vervanging van een 11e-eeuwse aarden omwalling. In de loop van de middeleeuwen groeide Groningen uit tot het grootste religieuze, bestuurs- en economische centrum in de wijde regio. Een eerste bescheiden stadsuitbreiding aan de west- en zuidzijde vond rond 1470 plaats, samen met de modernisering van de verdedigingswerken. De ook in deze periode gegraven waterlopen Schuitendiep en Rietdiep en het als rond 1425 gerealiseerde Damsterdiep vergrootten de bereikbaarheid van de stad sterk. In de loop van de 16e eeuw volgde een nieuwe versterking en modernisering van de vestingwerken en werd de stadsgracht verbreed tot de huidige Diepenring. In een derde moderniseringsslag aan het einde van de 16e eeuw werd aan de zuidzijde wederom een bescheiden stadsuitbreiding toegevoegd.
In 1614 werd een ambitieuze stadsuitbreiding aan de noordzijde van de oude stad gepresenteerd, waarvan de aanleg samen viel met een grootschalige vernieuwing van de verdedigingswerken: een omwalling met zeventien bastions. De nieuwe stadsuitbreiding kreeg, uitgaande van de doorgetrokken Nieuwe Boteringestraat en een aantal parallel verlopende langs- en dwarsstraten een karakteristieke gridstructuur. Aan de hoofdas werden twee pleinen gekoppeld, de Ossenmarkt en een plein waarop de Nieuwe Kerk verrees (thans Nieuwe Kerkhof).
Economisch machtscentrum
Na de grote stadsuitbreiding die tussen 1615 en 1624 werd uitgevoerd, was de ruimtelijke dynamiek in de navolgende tweeënhalve eeuw relatief laag. De gronden binnen de vesting werden zeer geleidelijk bebouwd. Tot het begin van de 19e eeuw bleven aan de oost- en noordwestzijde van de vroeg 17eeeuwse stadsuitbreiding omvangrijke delen in gebruik als tuin. Met name aan de oostzijde lagen relatief grote percelen die in gebruik waren als bleekweide. Buiten de stadswallen vonden vóór 1800 wel enkele grote ruimtelijke ingrepen plaats. Aan het einde van de 17e eeuw werd ten zuiden van de stad de Linie van Helpman aangelegd, dwars op de richting van de Hondsrug. Deze vooruitgeschoven verdedigingslinie bestond uit een aarden wal met bastions en een gracht, die aangelegd werd tussen het Hoornschediep en het Winschoterdiep. Achter de verdedigingslinie kwam in 1765 het Sterrebos tot stand. Daarnaast verstevigde de Stad Groningen vanaf het begin van de 17e eeuw zijn positie als economisch centrum van de turfhandel door de aanleg van kanalen en wegen vanuit omliggende veengebieden. Bestaande vaarwegen werden in dat kader verlengd (Schuitendiep) en doorgetrokken tot in de stad (Boterdiep). Ook werden door de stad veengebieden opgekocht, die na aansluiting bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1594 waren onteigend van de Groningse kloosters. 165 De veenexploitatie werd door particuliere verveners ter hand genomen, waarbij de voorschriften door de stad werden vastgelegd in zogenaamde Conditiën.
Ontmanteling van de vestingwerken
In de loop van de 19e eeuw ontstond gebrek aan ruimte in de oude stad door de groei van de bevolking en door de schaalvergroting en functieverandering in de handel en industrie. De wallen vormden steeds meer een belemmering voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Hoewel een bouwverbod van kracht was buiten de vesting, kwam desondanks langs wegen en kanalen permanente bebouwing tot stand, waaronder boerderijen en moeskerwoningen (bijvoorbeeld Moesstraat) en kleinschalige bedrijvigheid. Daarnaast ontwikkelde zich vanaf het tweede kwart van de 19e eeuw twee arbeidersbuurtjes langs de Hereweg en Oosterweg. De slechte woonomstandigheden in deze buurtjes en de sloppen in de oude stad waren in 1863 aanleiding voor de oprichting van de eerste woningbouwvereniging van Groningen (‘De Bouwvereeniging’). In 1864 werd door deze woningbouwvereniging begonnen met de bouw van arbeiderswoningen in de Brandenburgerbuurt en in 1865 met de realisatie van een complex arbeiderswoningen aan de Willemstraat. Hoewel destijds al op enkele locaties buiten de vesting werd gebouwd, vormde de Vestingwet uit 1874 een belangrijk keerpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Met de inwerkingtreding van deze wet werden de vestingwerken van de stad Groningen door het rijk overbodig verklaard, waardoor een gestage uitbreiding van de stad buiten de voormalige vesting in gang gezet kon worden. Door Ingenieur der Vestingen F.W. van Gendt werd in 1876 een plan vervaardigd voor de nieuwe inrichting van de gronden van de voormalige vestingwerken. Alleen het Noorderplantsoen zou uiteindelijk volgens dit plan worden uitgevoerd. Op verzoek van de gemeenteraad werd in 1878 een plan opgesteld door de Haagse architect L.A. Brouwer, dat in feite een gedetailleerde uitwerking vormde van het plan van Van Gendt. De reeks singels met ronde verkeerspleinen en kavels voor villa’s en luxe stadswoningen aan de zuidzijde van de binnenstad is op basis van dit plan tot uitvoering gebracht.
Aan de oostzijde van de binnenstad werd de vestinggracht geschikt gemaakt voor de scheepvaart. Twee jaar na het voltooien van het Eemskanaal in 1876 werd een nieuwe binnenhaven (Oosterhaven) aan deze zijde van de stad aangelegd. Ook de Westerhaven werd aangelegd op een deel van de vestinggracht. In 1879 werd het Verbindingskanaal gegraven, die het zuidelijk gedeelte van de Diepenring ging vormen. Tevens besloot het stadsbestuur in 1889 tot de bouw van een nieuw ziekenhuis op het terrein van de voormalige vestingwerken aan de oostzijde van de binnenstad. Op 15 april 1896 werd een nieuw stationsgebouw geopend, dat een representatieve entree ging vormen aan de zuidzijde van de stad. De ruimtelijke ontwikkeling van de stad hing in deze periode nauw samen met de aanleg van deze nieuwe infrastructuur.
Negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen
Na de ontmanteling van de vestingwerken kwamen nieuwe buurten tot stand buiten de binnenstad. Met uitzondering van luxere woonbuurten als de Noorderstationsstraat en het Zuiderpark was de bemoeienis van de gemeente met deze stadsuitbreidingen over het algemeen gering. Rond 1880 had de gemeente weliswaar een stratenplan gemaakt voor het westelijk deel van de Oosterpoortwijk, de rest van de wijk werd vrijwel geheel door particuliere ontwikkelaars gerealiseerd. Er was sprake van een organische stadsuitbreiding, waarbij de stedenbouwkundige opzet door de perceelsgewijze ontwikkeling in belangrijke mate werd ingegeven door het bestaande wegenpatroon en de prestedelijke verkavelingsstructuur. Vanwege het winstoogmerk van de particuliere ontwikkelaars was de kwaliteit van de woningen over het algemeen zeer matig en waren de huren hoog. Een ander voorbeeld van dergelijke speculatiebouw is de Hunzebuurt aan het begin van de Korreweg.

Planmatige stadsuitbreiding
Hoewel voor de eeuwwisseling al - niet uitgevoerde - uitbreidingsplannen werden ontwikkeld in opdracht van de gemeente Groningen, luidde de Woningwet 1901 een nieuwe fase van stadsontwikkeling in. Eén van de bepalingen in de wet was dat gemeenten voortaan verplicht waren om uitbreidings- en bestemmingsplannen op te stellen. Het eerste uitbreidingsplan voor de stad Groningen werd vervaardigd door de voormalig stadsbouwmeester van de gemeente Deventer, ir. J.A. Mulock Houwer. Dit plan werd op 22 september 1906 vastgesteld door de gemeenteraad. Naast het verbeteren van de infrastructuur door aanleg van kanalen, spoor- en tramlijnen en een ringweg, voorzag het uitbreidingsplan in de totstandkoming van nieuwe woonwijken aan de west-, zuid- en noordwestzijde van de binnenstad. Het uitbreidingsplan werd uitgewerkt met behulp van deelplannen en is uiteindelijk op onderdelen gewijzigd uitgevoerd. Omdat nieuwe ruimtelijke vraagstukken zoals de aanleg van spoorlijnen en een groot emplacement niet pasten binnen het uitbreidingsplan uit 1906, besloot de gemeente Groningen halverwege de jaren twintig een nieuw uitbreidingsplan op te stellen. Dit plan werd vervaardigd door de toenmalige directeur Gemeentewerken H.P.J. Schut. Architect en stedenbouwkundige H.P Berlage werd als adviseur aangesteld. Een eerste versie van het uitbreidingsplan kwam in 1928 gereed. In het plan werd veel aandacht besteed aan de aanleg van infrastructuur, waaronder een ringwegenstelsel met diagonaalwegen, spoorlijnen, kanalen en havens. Daarnaast werden zones bestemd voor verschillende functies, zoals gesloten en open bebouwing, industrie/handel en parken/sportvelden.
Het uitbreidingsplan uit 1928 werd door de gemeenteraad te ambitieus en te weinig gedetailleerd gevonden. Ook een herziene versie van het uitbreidingsplan uit 1932 werd niet vastgesteld. De gemeenteraad oordeelde dat dit plan nog steeds te groot was opgezet, ondanks dat onderdelen uit het plan waren geschrapt, zoals de aanleg van een spoorlijn ten zuiden en ten zuidwesten van de stad en een woonuitbreiding ten noordwesten van het Stadspark. Uiteindelijk werd in 1936 een nieuw uitbreidingsplan vastgesteld, met een kleinere oppervlakte en gericht op een toekomstige bevolking van 220.000 inwoners. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de eerdere plannen waren de groene scheggen, die bestonden uit groenzones die diep in de stad zouden binnendringen. Diagonale wegen werden in deze groene scheggen aangelegd. Aanvankelijk werd goedkeuring door Gedeputeerde Staten onthouden vanwege technische bezwaren tegen het plan. Na het indienen van een herzien plan waarin enkele gebieden nadrukkelijk werden uitgezonderd, werd het plan in september 1940 alsnog door Gedeputeerde Staten goedgekeurd. Kenmerkend voor de vooroorlogse woonwijken die volgens het Plan van Uitbreiding 1932 werden uitgevoerd, zijn de rationele opzet met parallelle blokken, de stedenbouwkundige accenten met eenvoudige rechthoekige pleinen met groen of water en de relatief sobere vormgeving van de bebouwing.
Cityvorming
Naast spontane en planmatige stadsuitbreidingen vonden vanaf het einde van de 19e eeuw grootschalige ruimtelijke ingrepen in de binnenstad plaats, die het karakter van de stad Groningen veranderden. Zowel in architectonisch als in stedenbouwkundig opzicht werd de oude stad gemoderniseerd. Nieuwe typen gebouwen met een vernieuwende architectonische vormgeving verschenen in het stadsbeeld, zoals kantoren, bankgebouwen, hotels, bioscopen, warenhuizen en ziekenhuizen. Daarnaast leidde schaalvergroting in de bedrijfsvoering van winkels en kantoren tot bredere en hogere gebouwen. Voorbeelden van nieuwe gebouwtypologieën in de binnenstad zijn caférestaurant en concert- en filmzaal Huis de Beurs uit 1904 (Akerkhof 4), de watertoren uit 1908 aan de Noorderbinnensingel, het bankgebouw van de N.V. Incassobank uit 1923-1924 (Vismarkt 54), het voormalig Modehuis H.B. uit 1939 (Guldenstraat 40-44, Zwanestraat 2) en kantoorgebouw ‘De Faun’ uit 1935 (Herestraat 81-85).
De demping van het Kattendiep, Zuiderdiep en het begin van het Damsterdiep in 1879-1880 - die mogelijk werd door de aanleg van het Verbindingskanaal – was een ruimtelijke ingreep die uitgevoerd werd als reactie op de toename van het verkeer in de binnenstad. Vanwege de noodzaak om de nieuwe stadsuitbreidingen te verbinden met het centrum, werden als onderdeel van de zogenaamd
‘cityvorming’ bovendien verschillende verkeersdoorbraken in de binnenstad gedaan. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd bijvoorbeeld de W.A. Scholtenstraat aangelegd in de Oostelijke Binnenstad, ten einde een verbinding tot stand te brengen naar de Gorechtbuurt. Langs de nieuw aangelegde straat kwamen bedrijfsgebouwen, winkels, woningen en een kerkgebouw in zakelijk-traditionalistische en zakelijk-expressionistische stijl tot stand. Ook de winkelgalerij met bovenwoning aan de Brugstraat 1929 en Hoge der A 1-2 is een voorbeeld van een verkeersdoorbraak met wijziging van een straatwand, waarbij de bebouwing werd vormgegeven in een eigentijdse architectuur. Aan de noordzijde van de binnenstad drukte de universiteit een stempel op de ruimtelijke ontwikkeling, onder meer door de bouw van laboratoria en uitbreiding van bestaande onderwijsgebouwen. Ook vond in dit gedeelte van de stad omstreeks 1939 een grootschalige sanering van een sloppenbuurt plaats, hetgeen resulteerde in de bouw van een nieuw woningcomplex langs de Noorderbinnensingel, Grote Kruisstraat en Grote Rozenstraat. De cityvorming kwam ook tot uitdrukking in de bouw van handelskantoren en pakhuizen, die zich vestigden in de omgeving van de Wester- en Oosterhaven.
Na de Tweede Wereldoorlog
Groningen zag zich na de Tweede Wereldoorlog gesteld voor een grote ruimtelijke opgave. Enerzijds was er de acute woningnood die moest worden gelenigd, opgelopen door de oorlogsschade en de jarenlange stagnatie van de bouwproductie. Anderzijds veroorzaakte de snelle bevolkingstoename (geboorteoverschot!) op de wat langere termijn een grote bouwopgave. De feitelijke wederopbouw van Groningen bestond dus uit het herstellen van de oorlogsschade aan bebouwing en infrastructuur én de omvangrijke stadsuitbreidingen die vooral in de jaren vijftig een grote vlucht zouden nemen.
Nadat aanvankelijk het wederopbouwplan voor de zwaar geteisterde binnenstad aan de architect en stedenbouwkundige M.J. Granpré Molière, pleitbezorger van de traditionele opvattingen van de Delftse school was toevertrouwd, besloot men na teleurstellende resultaten een supervisiecommissie van moderne deskundigen in te stellen, onder meer bemand door de architecten A. van der Steur en W. van Tijen. Een en ander resulteerde in een grotendeels op moderne leest geschoeide wederopbouw van de in de oorlog vernielde binnenstadsdelen.
Naoorlogse stadsuitbreidingen
De eerste naoorlogse stadsuitbreidingen vonden nog plaats binnen het kader van het algemeen uitbreidingsplan dat in 1938, na vele aanpassingen van eerdere plannen door de gemeenteraad was vastgesteld. De in de lijn van het uitbreidingsplan voor de oorlog begonnen uitbreidingen zoals de Grunobuurt , de Korrewegwijk, de Rivierenbuurt, de Oosterparkwijk en Kostverloren werden in en vanaf eind jaren veertig grotendeels conform het uitbreidingsplein afgerond. Dit leverde in deze wijken een karakteristiek beeld op, waarin in vormgeving en typologie tamelijk traditioneel opgezette naoorlogse woongebouwen bijna naadloos aansluiten op vooroorlogse bouwblokken, veelal binnen een typische vooroorlogse gesloten verkaveling. In Kostverloren, Grunobuurt en Rivierenbuurt zien we voor het eerst het “wijkhart” schoorvoetend als stedenbouwkundig ontwerpmiddel verschijnen. De concentratie van winkelfuncties was nieuw in vergelijking met de vooroorlogse gewoonte buurtwinkels ad hoc over de wijk te verspreiden, waarbij in het bijzonder hoeklocaties geliefd waren.
Structuurplan
Een belangrijke sturende rol in de ruimtelijke ontwikkeling van Groningen kreeg het Structuurplan, dat in 1950 werd opgesteld. Het werd ontwikkeld om op redelijk korte termijn de nodige actuele ruimtelijke en stedenbouwkundige visies een plek te geven in de plannen. Het eerste Structuurplan werd intern ingezet als kader voor de stedelijke ontwikkeling van enkele uitbreidingswijken, zoals De Laanhuizen, Corpus den Hoorn, De Wijert-Noord en Coendersborg. In 1960 zag het tweede Structuurplan het levenslicht. Het merkte Groningen aan als het “stimulerend centrum van het Noorden” en voorzag in een zeer grote uitbreiding aan de noordzijde, een stadsdeel waarin ook de nieuwe geprojecteerde wijken uit het eerdere structuurplan werden opgenomen en aan de zuidzijde. Hiervoor waren grenswijzigingen noodzakelijk met de gemeenten Hoogkerk, Adorp, Bedum, Noorddijk en Haren.
Om alle ruimtelijke ontwikkelingen in goede banen te leiden kreeg Groningen in 1947 zijn eerste Dienst Stadsuitbreiding en Volkshuisvesting (S&V), vanaf 1952 geleid door directeur H.J. Dix, met als hoofd architect en stedenbouwkundige eerst G.B. Smid en vanaf 1956 H. Eysbroeck. In de ideeën en de planvorming werd in deze periode een steeds grotere rol toebedeeld aan een evenwichtige ordening van ruimtelijke én sociaal-maatschappelijke aspecten. Zowel in materiële als niet-materiële zin dienden de plannen bij te dragen aan het welzijn van de bewoners en gebruikers. Het debat over de nauwe relatie tussen de sociale gebondenheid en de gebouwde omgeving leidde in 1957 tot de oprichting van de Adviescommissie voor sociale wijkopbouw en wijksanering. Deze bracht in 1962 een rapport uit met de titel Wat was en wat wordt in Groningen.
Na de hierboven beschreven eerste fase in de aanleg van naoorlogse uitbreidingswijken was het in de jaren 50 tijd voor enkele moderne stedenbouwkundige experimenten. Hiervoor werden, onder meer in
Scandinavië, thema’s onderzocht als woningdifferentiatie, standaardisatie en rationalisatie van het bouwproces en in het bijzonder de wijkgedachte. De wijk Corpus den Hoorn (1958) was in Groningen de eerste, integraal via de overheid geregisseerde stedelijke uitbreiding na 1945, opgezet volgens de wijkgedachte als basisidee voor de opzet en de structuur. De wijk kent dan ook een strikte hiërarchische opbouw van buurten en wijken rond een centrale ruimte met allerlei functies. Samen vormen deze elementen het stadsdeel. Kenmerkend voor de moderne stedenbouw is het open verkavelingsmodel met verschillende variaties, zoals de strokenbouw en de stempel. In Corpus is ook voor het eerst op een -zij het nog bescheiden- schaal nadrukkelijk rekening gehouden met het toenemende autoverkeer en -bezit, in de vorm van voor die tijd als ruim voldoende geachte parkeer- en stallingsvoorzieningen.
De stedenbouwkundige structuur met zijn rationele verkavelingen stond duidelijk ten dienste van de gewenste systematisering en rationalisatie van de architectuur en de bouwtechniek. Dit is ook goed te zien in de wijk De Laanhuizen (1955). Dit was de eerste in particuliere handen ontwikkelde naoorlogse uitbreidingswijk, bijzonder doordat in deze wijk werd geïnvesteerd in de bouw van relatief veel woningen voor de middenstandsklasse (zoals geschakelde bungalows en grote eengezinswoningen), met woningtypen die in de andere contemporaine wijken weinig aandacht kregen.
De Wijert Noord
In opdracht van de dienst Stadsuitbreiding en Volkshuisvesting van de gemeente Groningen werd eind jaren vijftig druk gewerkt aan het ontwerp van een nieuwe ambitieuze uitbreidingswijk: De Wijert Noord. De wijk wordt in Groningen gezien als de meest geslaagde uitwerking van de wijkgedachte en tevens de eerste wijk, waarin de verkavelingsbasis integraal werd gevormd door de herhaalbare module van de wooneenheid, ook wel de stempel genoemd. De Wijert Noord behoort naast het Rotterdamse Pendrecht tot de belangrijkste uitbreidingswijken van dit type in Nederland. In ongeveer dezelfde periode (circa 1958) kwam de wijk Coendersborg tot stand, in feite de grote afronding van de veel eerder begonnen wijk Helpman. Vandaar dat niet, zoals in De Wijert Noord, een volledige zelfstandigheid of volledigheid in het programma werd nagestreefd. De wijkgedachte is er dan ook niet leidend geweest in het ontwerp. Wel wordt de wijk (of woonbuurt) gekenmerkt door dezelfde uitgekiende verkavelingsstrategie, gericht op optimale rationalisatie en systematisering van het bouwproces.

Noordwestelijke stadsuitbreidingen
De jaren zestig werden gekenmerkt door een sterke bevolkingsgroei. Volgende de prognoses, opgenomen in het Structuurplan van 1960, werd de woningproductie in een hogere versnelling gebracht. Kwantiteit en schaalvergroting stonden centraal. De noordwestelijke stadsuitbreidingen Selwerd en Paddepoel (in 1960-1963 als samenhangend geheel ontworpen) en Vinkhuizen (1964-1965) zijn de weerslag van de integraal door de overheid geregisseerde uitbreidingsplannen, die zich kenmerken door een zeer grote schaal en de realisatie van grote aantallen vrij uniforme wooneenheden in systeembouw. Stadsdeelcentra met sociale, culturele en commerciële functies vormen het hart van deze grote wijken. De woningblokken zijn in grote stempels gerangschikt in een uiterst rationele en grootschalige verkavelingswijze. Daarnaast werd in het noordwestelijke stadsdeel het “superblok” als verkavelingstype geïntroduceerd: een groot, zelfstandig bouwblok in de vorm van een solitair of uit geschakelde componenten (bijvoorbeeld in haakvorm) bestaande hoge galerijflat. Het superblok werd ingezet om het gewenste contingent laagbouwwoningen te bekostigen en maakte de impopulaire liftloze portiekflats overbodig. Daarnaast bood het verkavelingsmodel de mogelijkheid om imposante grootstedelijke wijkranden of accenten langs hoofdontsluitingswegen te markeren. De inschakeling van de Stichting Ratiobouw onderstreept de door de toenmalige directeur S&V, ir. Dix, en het college van
B&W ingeslagen koers en resulteerde in een verregaande uitholling van het ontwerpproces”, aldus het essay over de naoorlogse ruimtelijke ontwikkeling van Groningen. De bouw van deze noordwestelijke wijken was rond 1971 afgerond. De voltooiing van het grootschalige Vinkhuizen viel tevens samen met een omslag in de woningbouwpolitiek in Groningen.
De Wijert Zuid
De gemeente zocht voor De Wijert Zuid samenwerking met een grote professionele projectontwikkelaar, Eurowoningen. Het idee was om via liberalisering van de woningmarkt de marktwerking van vraag en aanbod in de middenstandsbouw voor marktpartijen toegankelijk te maken. Een grotere woningvariatie en ruimere woningen, ingebed in een behoorlijke groene context, verwant aan de vooroorlogse tuinwijk, moesten zorgen voor een hogere woonkwaliteit. Deze werd mede bewerkstelligd door een nieuw ruimtelijk verkeerskundig model: een ringweg voor “snelverkeer”, waaraan woonerfachtige structuren, cul-de-sacs en woonpaden zijn gekoppeld. Deze ontsluiten de kleine, geborgenheid uitstralende woonbuurtjes. De menselijke maat in deze “humane” stedenbouw werd verder benadrukt door het karakter van de woningbouw: bakstenen of met hout beklede woningen met vertrouwde kapvormen in speels geschakelde en flexibele patronen. In deze samenhangende ruimtelijke structuur, voor de Wijert Zuid ontwikkeld vanaf 1963 (daarmee is de wijk een vroeg voorbeeld van dit type) werd gedurende een lange periode gebouwd, met als zwaartepunt de periode 1975-1980. De architectonische invulling van de Wijert Zuid valt dan ook grotendeels buiten de scope van het huidige onderzoek voor de cultuurhistorische waardenkaart.
Speciaal voor de toenemende bedrijvigheid werden in de naoorlogse jaren omvangrijke nieuwe industrie- en bedrijventerreinen ontwikkeld, aan de westzijde van Groningen langs de Peizerweg en het Hoendiep, en aan de oostzijde groeide de industriezones langs het Damsterdiep, het (Oude) Winschoterdiep en het Eemskanaal.
8.2 De dorpen
De gemeente Groningen omvat een groot aantal dorpen, van nogal uiteenlopende omvang en verschijningsvorm. Het merendeel ligt verspreid in de voormalige gemeente Ten Boer, een ander deel in de randzone van de vroegere gemeente Groningen. Tevens is een aantal voormalige dorpen volledig terecht gekomen in de 19e- en 20e-eeuwse stadsuitbreidingen.
Een deel van de dorpen is in hun ontwikkeling niet veel verder gekomen dan die van de eerste ontstaansvorm. Voorbeelden hiervan zijn de wierdegehuchten Dorkwerd en Leegkerk (beide met een kerk) en Hemert. alle drie niet meer dan bestaande uit een kleine groep boerderijen. Het iets grotere Wittewierum profiteered enigszins van zijn liggingdirect aan de weg van Ten Post naar Woltersum en een borg op de wierde. Langs de Borgweg aan de noordrand van de rechthoekige dorpsstructuur ontstond vanaf de 19e eeuw een redelijk dicht bebouwingslint. Verdere uitbreidingen bleven achterwege. De andere wierdedorpen in het noordoostelijke deel van de gemeente hebben alle, vooral in de 19e en in het bijzonder in de 20e eeuw, een zekere ontwikkeling doorgemaakt. In Thesinge vormde zich rond de middeleeuwse kerk een kleine, deels met boerderijen en burgerhuizen bebouwde kom en vanaf het einde van 19e eeuw ontwikkelde zich lintbebouwing langs het Gewijde en de Molenweg. De bedrijvigheid aan het water en de komst van een molen en de aanleg van een nieuwe begraafplaats aan de Molenweg waren hier een belangrijke stimulans voor. Langs de Thesingerweg ontstond vanaf de vroege 20e eeuw een uiteindelijk dicht en lang bebouwingslint, die merkwaardig contrasteert met de compacte dorpskom. Ten zuidoosten van de Molenweg kwam in de naoorlogse periode een bescheiden dorpsuitbreiding tot stand. Ook Woltersum ontsteeg de oervorm van het wierdedorp met zijn radiale structuur. Dit was vooral het gevolg van de groeiende bedrijvigheid langs de Lustige Maar, direct aan de oostflank van de wierde, waar al vroeg in de 19 eeuw op beide oevers lintbebouwing ontstond. Tussen kerk en Lustige Maar ontwikkelde de Hoofdweg zich tot een dichtbebouwde dorpsstraat. De aanleg van het Eemskanaal(1870-1876) direct ten zuiden van het dorp doorsneed een deel van het bebouwingslint. Bij de brug over het kanaal ontstond een bescheiden verkeersknooppunt met lintbebouwing langs het kanaal. Bij de verbreiding van het kanaal in de jaren 1961-1965 verdwenen brug, knooppunt en het bebouwingslintje langs het kanaal. In de naoorlogse periode werd ten noorden van de Hoofdweg een zeer bescheiden woonbuurtje met kleine geschakelde woningen aangelegd.e
Van de wierdedorpen heeft Ten Boer de grootste ontwikkeling doorgemaakt. Kiem hiervoor was de aanleg van het Damsterdiep in de eerste helft van de 15e eeuw. Op enige afstand ten zuidoosten van het oude wierdedorp met zijn rechthoekige structuur (grenzend aan de Stadsweg) ontstond aan het Damsterdiep (met jaagpad) bedrijvigheid (molens) en bij de brug een knooppunt. Beide “kernen”, die tot in de vroege 20e eeuw een bescheiden omvang hadden, groeiden langzaam naar elkaar toe met bebouwingslinten langs de Gaykingastraat en Wigboldstraat, Ook de linten langs de Stadsweg en de grote weg langs het Damsterdiep groeiden verder. In de jaren 30 werd een bescheiden uitbreidingsplan ten zuiden van de Gaykingastraat in gang gezet, die een verdere invulling van het open gebied tussen beide kernen betekende. In de naoorlogse periode werd hier verder gebouwd. In de jaren 50-60 kreeg Ten Boer, opgespannen tussen de Stadsweg en de Rijksweg langs het Damsterdiep een moderne dorpsuitbreiding van aanzienlijke omvang. Het gebied wordt gekenmerkt door een ruime opzet met veel groen, een centrale parkstructuur en enkele woningcomplexen in een halfopen of open verkaveling, met plantsoenen en woonpaden. In de jaren 60 en 70 volgende een uitbreiding ten noordoosten van de oude kern, eveneens met een modernistische stedenbouwkundige opzet (Ommelanderstraat en omgeving).
Garmerwolde ontstond in de middeleeuwen op een langgerekte oeverwal. De Dorpsweg vormde de hoofdas in het lintdorp, waarvan de bebouwing zich vanaf de 19 eeuw zeer langzaam wat verdichtte. Het lint groeide langzaam richting het kleine knooppunt dat zich bij de brug over het Damsterdiep had gevormd. De molens zorgden hier voor enige bedrijvigheid. Net als in Ten Boer was hier een tweede kern ontstaan, met bebouwing aan het knooppunt en in een lint langs het Damsterdiep. In feite is deze situatie nog steeds ongewijzigd aanwezig. Alleen ter hoogte van de oude kerk werd ten oosten van de Dorpsweg in de naoorlogse periode een kleine dorpsuitbreiding gepleegd (W.F, Hildebrandstraat, L. van der Veenstraat, Meester Rijkenstraat), in eerste instantie bebouwd met kleine blokjes geschakelde woningwetwoningen.
Ten Post, dat eind 14 eeuw voor het eerst wordt genoemd, kreeg een belangrijke impuls bij de aanleg van het Damsterdiep rond 1425. Langs het jaagpad en rond het knooppunt van wege bij de brug over het diep groeide Ten Post als een kanaaldorp, een lang lint langs de westelijke oever van het diep. Ook ten oosten van het Damsterdiep ontstond een lint langs de weg naar Wittewierum. Hier werd in 1870 een Hervormde kerk gebouwd en stond een school. Naar het noorden toe groeide Ten Post vast aan de kleine buurtschap Kroddeburen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd een kleine uitbreidingswijk tussen het lint langs de Rijksweg en de nieuwe rondweg (N360) gerealiseerd. Er verrezen kleine complexen met geschakelde eengezinswoningen en een markant complex bejaardenwoningen in een ruime groene opzet en een open verkaveling (Tammingastraat).
Sint Annen is een klein komdorp dat ontstond op de plek van het vroegere klooster Klein Aduard of Sint Anna. De dorpskom bestaat uit een thans tamelijk dicht bebouwd lint (Hoofdweg) dat in de loop der jaren steeds wat intensiever is bebouwd. Het Molenpad is een wat oudere zijstraat, aangelegd om de voormalige molen aan de zuidrand van het dorp te bereiken. Aan dit straatje werden enkele huizen gebouwd. Een verdere dorpsontwikkeling bleef achterwege.
Voorts kent de gemeente Groningen een rij wegdorpen, die in de (vroege) middeleeuwen zijn ontstaan bij de ontginning van de moerassige veengebieden ten oosten van de stad. Het lange lint NoorddijkMiddelbert-Engelbert vormde (met een afsplitsing richting Harkstede) in feite één geheel, maar is door de aanleg van Damsterdiep en Eemskanaal en parallelle wegenstructuren in delen geknipt. De wegdorpen kenmerken zich door lintbebouwing, die zich op verschillende plekken, bijvoorbeeld nabij de dorpskerken, verdicht. De aanleg van de kanalen zorgde voor een bedrijvig knooppunt (Ruisscherbrug) met bebouwing langs de kanalen. Noorddijk heeft geen verdere ontwikkeling doorgemaakt. Het oude lint is tegenwoordig de oostelijke begrenzing van de Groningse wijk Lewenborg Noord en Zuid. Ook Middelbert groeide buiten het lint nauwelijks. Wel ontstond rond de splitsing MiddelberterwegOlgerweg in de naoorlogse periode een bebouwingscluster, voornamelijk bestaande uit blokjes geschakelde eengezinswoningen in een verzorgd ontworpen aanleg met plantsoenen, grasvelden en bomenrijen. De lintbebouwing van Middelbert gaat over in die van Engelbert. Ondanks de komst van een halteplaats in het Woldjerspoor in 1929 (in gebruik tot 1941), die leidde tot de bouw van een station en zelfs een stationskoffiehuis en de aanleg van een groot natuurbad (jaren 30) bleef Engelbert een bescheiden lintdorp. Pas laat in de 20 eeuw ontstond lintbebouwing langs het voormalige tracé van de Woldjerspoorweg. De eerste uitbreidingswijk dateert uit de jaren 80 en 90 en kwam tot stand ten zuiden van de Engelberterweg, nabij en langs het natuurbad. Ook het Groninger deel van het dorp Harkstede bestaat slechts uit lintbebouwing langs de Hoofdweg. Ten oosten van het lint wordt thans gebouwd aan Meerstad.
Oosterhoogebrug is een nederzetting die is ontstaan in relatie tot de bedrijvigheid langs het Damsterdiep . Pas in de eerste helft van de 20e eeuw kwam het dorp tot enige ontwikkeling bij de brug over het diep. Steen- en pannenfabrieken, molens en een houtzagerij zorgden voor werkgelegenheid. Langs het Damsterdiep en de Pop Dijkema ontstond lintbebouwing. In de vroege naoorlogse periode werd ten oosten van de Pop Dijkmaweg begonnen met de aanleg van een dorpsuitbreiding met als belangrijkste as de P. Waijerstraat. Hier verrezen blokken geschakelde eengezinswoningen. Het wijkje werd in de jaren 60, 70 en 80 verder in oostelijke richting uitgebreid tot de uiteindelijk Groninger wijk Oosterhoogebrug. Ten zuiden van het Damsterdiep verrees in de jaren 70 een bedrijventerrein. Enigszins vergelijkbaar is Noorderhoogebrug, dat zich als bebouwingslint manifesteerde langs het bedrijvige Boterdiep, bij de brug in een wegenknooppunt. De linten, die in de naoorlogse jaren werden verdicht, bleven beperkt tot de oude (later deels gedempte) structuur langs het Boterdiep en de Wolddijk. Eind 20e eeuw raakte Noordehoogebrug grotendeels verweven met de nieuwe wijken in de noordoosthoek van Groningen. Ook Winneweer dankt zijn ontstaan aan het Damsterdiep. Het gehucht zou zijn genoemd naar een herberg aan de trekweg langs het Damsterdiep. Tot omstreeks 1900 bleef de bebouwing beperkt tot een zeer los lint langs het Damsterdiep, in de omgeving van de brug over het diep. Begin 20e eeuw vestigden zich een steen- en een houtfabriek langs het Damsterdiep, hetgeen een bescheiden dorpsontwikkeling op gang bracht. In het bijzonder langs de Stadsweg werden huizen gebouwd, waardoor een echte dorpsstraatje ontstond. Ook langs de trekweg langs het Damsterdiep, inmiddels opgewaardeerd tot Rijksweg, kwamen meer huizen te staan. Van beide fabrieken zijn nog restanten aanwezig. Een verdere uitbreiding heeft het dorp niet ondergaan.
Bijzonder is de ontwikkeling, die Hoogkerk de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt. Het dorp is in de vroege middeleeuwen ontstaan op een hoger gelegen zandrug. In de tweede helft van de 19e eeuw bestond het dorp voornamelijk uit een zeer lang bebouwingslint langs de noordzijde van het Hoendiep met clusters ter hoogte van de verschillende bruggen over het diep. Verscheidene industriemolens en andere bedrijfjes zorgen voor reuring. Ook langs de Kerkstraat was aan het einde van de 19e eeuw inmiddels een bebouwingslint in ontwikkeling. Met de vestiging van een beetwortelsuikerfabriek in 1896 en een strokartonfabriek in 1913 (en andere bedrijven zoals een zeepfabriek, een oliefabriek, een scheepstimmerwerf) groeide Hoogkerk in relatief korte tijd uit tot een heus industriedorp. Daarbij profiteerde het dorp sterk van de strategische ligging aan een knooppunt van waterwegen (Hoendiep, Aduarderdiep en Peizerdiep) en de halteplaats in de spoorlijn Groningen-Leeuwarden (1866). De linten langs de waterwegen werden verder verdicht en tussen de Suikerfabriek en de Strokartonfabriek werden tussen 1900 en 1940 aan weerszijden van de Zuiderweg complexen met arbeiderswoningen gesticht. Deze kregen deels een tuindorpachtige opzet. De buurtjes werden in de vroege naoorlogse jaren verder uitgebreid en volgebouwd. In deze periode is ook gestart met een grote dorpsuitbreiding ten zuiden van het spoor, volgens een karakteristiek stedenbouwkundig plan met veel groen en deels een woonpadenverkaveling. De bebouwing bestond naast (overwegend) laaggebouw (eengezinswoningen) ook uit portiek- en maisonnetteflats langs de Zuiderweg. Nadat Hoogkerk in 1969 bij Groningen werd gevoegd werd de wijk in zuidelijke richting sterk uitgebreid, onder meer met een opvallend zorgvuldig en fraai ontworpen voorbeeld van een woonervenbuurt (Ten Oeverlaan en omgeving) volgens de ideeën van het structuralisme en het humane wonen.
Helpman is tegenwoordig een wijk in het zuidelijke deel van Groningen, gelegen op de Hondsrug tussen Groningen en Haren. Het oorspronkelijke wegdorp ging in 1915 over van de gemeente Haren naar Groningen. In deze periode kwam de verstedelijking van het gebied, vanuit Groningen, op gang. Hierbij transformeerde het wegdorp tot de hoofdstraat in de nieuwe wijk, die in rap tempo naar het oosten en westen toe uitbreidde.
8.3 Inventarisatie
Naast de individuele objecten en complexen zijn ook waardevolle stedenbouwkundige ensembles in kaart gebracht, in het bijzonder die binnen de samenhangende historische structuren (de historische kernen, uitbreidingswijken van voor en na de Tweede Wereldoorlog, historische linten en knooppunten, etc.), tot circa 1975. Tevens vallen beschermde stads- en dorpsgezichten onder dit begrip, evenals andere bijzondere gezichten/ensembles, historische buitenplaatsen en gebieden.
8.4 Beschermde stads- en dorpsgezichten
Groningen kent de volgende rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze zijn alle opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart:
Stad Groningen
1.Binnenstad
2.Bloemenbuurt (delen van Plan-Oost)
3.Korrewegwijk
4.Oosterpoortwijk
5.Petrus Campersingel
6.Schildersbuurt
7.Verlengde Hereweg
8.Zuiderpark
Kleinere kernen en buitengebied
9.Lellens
10.Haren (Rijksstraatweg)
8.5 Bronnen en methode
De inventarisatie is opgesplitst in een bureauonderzoeksfase en een “veldwerkfase”. In de methodiek is nauw aangesloten bij de inventarisatie van de historische bouwkunst. De resultaten van de bouwkunstinventarisatie zijn een belangrijke input geweest, omdat hiermee inzicht is verkregen in de aard, de dichtheid en de kwaliteit van de waardevolle bebouwing. Tevens is relevante literatuur bestudeerd (zie literatuurlijst), alsmede de vele gebieds- en wijkanalyses, die doorgenomen zijn op hierin vermelde en gewaardeerde waardevolle ensembles.
Naast het bureauonderzoek is de gehele gemeente via een combinatie van een straatsgewijze schouw via Obliek of googlemaps (streetview) geïnventariseerd, waar nodig aangevuld met een veldwerkcheck. Daarnaast zijn de gebieds- en wijkanalyses van de gemeente Groningen en de voormalige gemeente Ten Boer doorgenomen en als informatiebron gebruikt bij het opstellen van de selectie, waardering en begrenzing van de stedenbouwkundige ensembles. Tot slot zijn historische kaarten, bouwdossierinformatie van de gemeente Groningen en BAG-gegevens over het bouwjaar (voor zover deze heel plausibel lijkt) geraadpleegd om inzicht te krijgen in de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis en historische gelaagdheid van gebieden.
Wanneer opgenomen in de inventarisatie?
Bij de selectie en waardering van stedenbouwkundige ensembles is gekeken naar de cultuurhistorische waarde van aanwezige objecten, elementen en structuren, alsmede naar de historische, ruimtelijke en visuele samenhang tussen deze objecten, elementen en structuren. Allereerst heeft de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis en historische gelaagdheid van de stad, wijken, buurten, dorpen en historische bebouwingslinten als vertrekpunt gediend bij het onderscheiden en afbakenen van stedenbouwkundige ensembles. Daarnaast is de begrenzing van de stedenbouwkundige ensembles vastgesteld aan de hand van de samenhang die in deze gebieden tegenwoordig (nog) voorkomt tussen bebouwingsbeeld, historische structuren (wegen, waterlopen, verkavelingen), zichtlijnen en historische groenstructuren. Afhankelijk van de ontstaansperiode en geografische ligging hebben ensembles een karakteristieke stedenbouwkundige, landschappelijke of nederzettingsstructuur, zoals vooroorlogse tuinwijken en naoorlogse uitbreidingswijken met stempelverkaveling. Naast voorgenoemde selectie- en waarderingscriteria, is ook gekeken naar bijzondere bebouwingstypologieën die in gebieden voorkomen en de dichtheid en kwaliteit van waardevolle bebouwing. Tot slot is de waardering mede toegekend aan de hand van algemeen gangbare architectuurhistorische, cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke waarderingscriteria, zoals herkenbaarheid, gaafheid en zeldzaamheid.
In het kader van de inventarisatie van stedenbouwkundige ensembles is ook gekeken naar de omgeving van de reeds beschermde stads- en dorpsgezichten. Daarbij is allereerst gecontroleerd of de beschermde gezichten liggen in gebieden die op grond van hun ontwikkelingsgeschiedenis, stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke karakteristieken te definiëren zijn als een herkenbare historisch-ruimtelijke eenheid. Een voorbeeld hiervan is de Oosterpoortbuurt. Slechts een deel van deze laat 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse arbeiderswijk is aangewezen als een van rijkswege beschermd stadsgezicht. Daarnaast is nagegaan of buiten de begrenzing van de beschermde stads- of dorpsgezichten kleinere restgebieden voorkomen, die op grond van de ontwikkelingsgeschiedenis, stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke karakteristieken een historisch-ruimtelijke relatie hebben met een beschermde gezicht. Voorbeelden hiervan zijn de west- en oostrand van de Bloemenbuurt en de Gorechtbuurt, waarvan alleen het gedeelte van de Petrus Campersingel-S.S. Rosensteinlaan een status als beschermd gezicht heeft. Tot slot vormt de Binnenstad-Oost een stedenbouwkundig ensemble, dat logischerwijs een historisch-ruimtelijke relatie heeft met het beschermd stadsgezicht Groningen-binnenstad.
De GIS-tabel
De via bovenstaande methodiek geïnventariseerde en geselecteerde stedenbouwkundige ensembles zijn samengebracht in een uitgebreide GIS-tabel met een aantal variabelen. Deze GIS-tabel is gekoppeld aan de cultuurhistorische waardenkaart. De variabelen zijn:
-Objectnummer
-Omschrijving (ensemblenaam + aanduiding)
-Kern
-Wijk
-Buurt
-Ensemble
-Typologie
-Beschrijving 1
-Beschrijving 2
-Datering periode
-Opmerking
-Waarde cultuurhistorische waardenkaart
-Criterium 1 t/m criterium 6
-Belangrijkste informatiebron
-Enkele velden in de tabel nader toegelicht
- Objectnummer
Toelichting op de variabelen
Objectnummer
Hier wordt de door de gemeente Groningen objectnummeringen gevolgd. De objectnummers van eerder geïnventariseerde items zijn overgenomen. De nieuwe inventarisaties zijn van een nieuwe nummering voorzien, te nummeren vanaf 150.000.
Omschrijving
De omschrijving omvat de naam van het ensemble (vaak een wijk of dorpsnaam) en een korte aanduiding, vaak een typering.
Kern, wijk, buurt
Deze velden bevatten informatie over in welke kern, wijk of buurt het betreffende ensemble is gesitueerd.
Ensemble
De naam van het ensemble.
Typologie
Informatie over het stedenbouwkundige type (bijvoorbeeld bebouwingslint, dorpskern, wierdedorp, stempelverkaveling, etc.).
Beschrijving 1 en 2
Korte karakterschets en waardering van het ensemble
Datum periode
Dit veld bevat een vermelding van het tijdvak, waarin het object in zijn oorspronkelijke vorm is ontstaan. Hiertoe wordt een vaste tijdvakindeling aangehouden, zodat via deze informatie interessante kaartbeelden kunnen worden getoond. De tijdvakindeling is als volgt: 1200-1600, 1600-1700, 17001800, 1800-1850, 1850-1875, 1875-1900, 1900-1910, 1910-1920, 1920-1930, 1940-1955, 1955-1965, 1965-1975, 1975-1990, 1990-2000.
Waarde cultuurhistorische waardenkaart
In dit veld wordt, uitgedrukt in een kwalificatie, de eindscore van de toetsing aan de hand van de zes criteria vermeld:
Z (Zeer hoge erfgoedwaarde)
H (Hoge erfgoedwaarde)
P (Positieve erfgoedwaarde)
B (Basis erfgoedwaarde)
Criterium 1 t/m criterium 6 Zie paragraaf 8.4.
Belangrijkste informatiebron
Dit veld bevat de belangrijkste geraadpleegde informatiebron, op basis waarvan informatie is verkregen over functie, opdrachtgever, datering en architect-ontwerper, etc.
Belangrijkste informatiebron
Dit veld bevat de belangrijkste geraadpleegde informatiebron.
8.6 Waardering stedenbouwkundige ensembles
De geïnventariseerde bijzondere (steden)bouwkundige ensembles zijn alle gewaardeerd met onderstaande criteria-set:
5. Het belang van het gebied of ensemble als onderdeel van de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis en de historische gelaagdheid van de gemeente Groningen, de daarin gelegen wijken, dorpen en het buitengebied;
7.Het belang van het gebied of ensemble vanwege de daarin aanwezige ensemblewaarden
(structuren, bebouwing, groen, water, bijzondere zichtlijnen, landmarks, etcetera);
8.De structurele gaafheid en herkenbaarheid van het gebied;
9.De zeldzaamheid van het gebied (stedenbouwkundig/structuur. op gemeentelijk / regionaal niveau;
10.De dichtheid en kwaliteit van de aanwezige beschermde en/of karakteristieke bebouwing, waarbij gelet is op herkenbaarheid, gaafheid en (in mindere mate) zeldzaamheid.
Per criterium kunnen de volgende scores worden gegeven: xx (hoge waarde. x (positieve waarde. 0 (neutrale waarde. - (negatieve waarde).
De eindscore bepaald de waardengradatie:
11.Gebied / ensemble met zeer hoge waarde: minimaal 5 x ++, 1 x +
12.Gebied / ensemble met hoge waarde: minimaal 4 x ++, 2 x +
13.Gebied / ensemble met positieve (middelhoge) waarde: minimaal 5 x +, 1 x 0
14.Gebied / ensemble met basis waarde : minimaal 3 x 1 en 3 x -
Geen bijzondere waarde: alles daaronder
|
gemiddelde score |
waardering |
|
Minimaal 5x ++ en 1x + |
Gebied / ensemble met zeer hoge waarde (Z) |
|
Minimaal 2x ++, 2x + en 1x 0 |
Gebied / ensemble met hoge waarde (H) |
|
Minimaal 5x + en 1x 0 |
Gebied / ensemble met positieve (middel hoge) waarde (P) |
|
Minimaal 3x + en 3x 0 |
Basiswaarde (B) |
Definitie waarden stedenbouwkundige ensembles
Stedenbouwkundig waardevol gebied “zeer hoge cultuurhistorische waarde” (Z)
De historische situatie is gaaf en goed herkenbaar en de historische zeggingskracht is zeer hoog. Deze gebieden kunnen als relatief zeldzaam worden beschouwd en ogen in structuur en (oorspronkelijk) bebouwingsbeeld gaaf. Het stedenbouwkundige ensemble is zeer duidelijk een weerslag van een belangrijke fase in de historische ruimtelijke ontwikkeling van de stad Groningen of de kernen in het buitengebied. Het gebied draagt om hoge mate bij aan de identiteit van de gemeente Groningen.
Stedenbouwkundig waardevol gebied “hoge cultuurhistorische waarde” (H)
De historische situatie is overwegend gaaf en goed herkenbaar. Er is een hoge mate van zeggingskracht. Het stedenbouwkundige ensemble is duidelijk een weerslag van een belangrijke fase in de historische ruimtelijke ontwikkeling van de stad Groningen of de kernen in het buitengebied. Het gebied draagt bij aan de identiteit van de gemeente Groningen. Meestal is er geen sprake van een hoge zeldzaamheidswaarde.
Stedenbouwkundig waardevol gebied “positieve of middelhoge cultuurhistorische waarde” (P) De historische situatie is nog redelijk gaaf en vooral in de structuur herkenbaar als onderdeel van de stedenbouwkundige ontwikkeling. Het draagt bij aan de identiteit van de gemeente Groningen. Het karakter kan op onderdelen veranderd of verstoord zijn. Er is geen sprake van een hoge zeldzaamheidswaarde.
Stedenbouwkundig waardevol gebied “basiswaarde” (B)
De historische situatie is vooral in de structuur herkenbaar als onderdeel van de stedenbouwkundige ontwikkeling. Het draagt bij aan de identiteit van de gemeente Groningen. Het karakter is op onderdelen veranderd of verstoord. Er is geen sprake van zeldzaamheidswaarde.
8.7 Bevindingen
Typologieën
In totaal zijn 121 stedenbouwkundige ensembles geselecteerd, gewaardeerd en begrensd. Hoewel de ouderdom, omvang, ontwikkelingsgeschiedenis, stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke karakteristieken van deze gebieden zeer uiteenlopend zijn, kunnen op hoofdlijnen verschillende typologieën onderscheiden worden. Het gaat daarbij allereerst om stedenbouwkundige ensembles die zich in de loop der tijd min of meer organisch hebben ontwikkeld en waarin historische structuren, bebouwing en inrichtingselementen uit verschillende tijdslagen aanwezig zijn, zoals historische dorpskernen en gehuchten, bebouwingslinten en stads- en dorpsuitbreidingen uit het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Daarnaast komen stedenbouwkundige ensembles voor die planmatig tot stand zijn gekomen. De ruimtelijke identiteit van die gebieden wordt in belangrijke mate bepaald door historische structuren, bebouwing en inrichtingselementen, die de stedenbouwkundige en architectonische ontwerpprincipes alsook de bouwpraktijk weerspiegelen, die ten tijde van de realisatie van de wijk of buurt in zwang waren. Onder deze categorie vallen onder meer vooroorlogse tuinwijken, naoorlogse stads- en dorpsuitbreidingen en stadsvernieuwingsprojecten. Tot slot zijn stedenbouwkundige ensembles geïdentificeerd die vanwege hun specifieke functie en/of ontwikkelingsgeschiedenis een herkenbare historisch-ruimtelijke eenheid vormen. Voorbeelden zijn de fabriekscomplexen en -dorpen van de Suiker Unie en de strokartonfabriek De Halm, de relicten van het industriële complex van de Helpman Centrale en Hunze Centrale, het gebied van de Helperlinie en het Sterrebos en de centrumzones van naoorlogse uitbreidingswijken.
Ensembles met bijzondere karakteristieken
In de gemeente Groningen komt een groot aantal waardevolle stedenbouwkundige ensembles voor. In de inventarisatie is aan tweeëntwintig ensembles een zeer hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Daarnaast is voor zesentwintig stedenbouwkundige ensembles een hoge cultuurhistorische waarde vastgesteld. De ontwikkelingsgeschiedenis, stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke karakteristieken van deze stedenbouwkundige ensembles lopen sterk uiteen. Om dit feit te illustreren volgt hieronder een korte beschrijving van een aantal stedenbouwkundige ensembles met bijzondere ruimtelijke karakteristieken.
De Wijert-Noord (zeer hoge waarde)
Vanuit historisch-stedenbouwkundig perspectief vormt De Wijert-Noord een zeer waardevol ensemble. Het is namelijk de eerste naoorlogse woonwijk in Groningen, waar op grote schaal een verkaveling van zich herhalende eenheden (zogenaamde ‘stempels’) is toegepast. Tevens zijn de wijkvoorzieningen en hoge flatgebouwen in De Wijert-Noord rondom een centrale vijverpartij met groenstroken geconcentreerd. Deze centrumzone (‘core’) vormt samen met de verkeerswegen een belangrijke ruimtelijke drager van de stedenbouwkundige structuur van de wijk.
Hora Siccamasingel (hoge waarde)
Als groene overgangszone tussen De Wijert-Noord en Helpman-West vormt de Hora Siccamasingel een bijzonder stedenbouwkundig ensemble. Cultuurhistorisch waardevol is de geslaagde samenhang tussen de vijverpartij, groenaanleg, bebouwing en architectonische vormgeving.

Dorkwerd (zeer hoge waarde)
In de gemeente Groningen vormt Dorkwerd een voorbeeld van een gaaf bewaard gebleven wierdedorp.
De ronde vorm van de wierde is nog duidelijk herkenbaar aan het beloop van de weg en de waterloop aan de noordzijde van het dorp. Waardevol is de ruimtelijke samenhang tussen reliëf, water- en groenstructuur en de aanwezige dorpse bebouwing. De historische nederzetting bestaat uit een kerk met kerkhof, een pastorie, een voormalige onderwijzerswoning, een voormalig café en enkele boerderijen en woonhuizen.
Helpman-Zuid, tuinwijk Moddermanlaan - De Savornin Lohmanlaan e.o. (zeer hoge waarde)
Dit deel van de wijk Helpman is grotendeels ingevuld volgens het Uitbreidingsplan 1928. De bebouwing in de buurt bestaat uit verschillende typen woningen uit de periode 1922-1935. De karakteristiek wordt bepaald door woningblokken van één tot twee bouwlagen met kap in (verstrakte) Amsterdamse School en Interbellum-stijl. Binnen het ensemble komen diverse bijzondere voorzieningen uit de aanlegperiode voor, zoals het Helperbad en het voormalige Rooms-Katholieke Ziekenhuis. Na de Tweede Wereldoorlog is de wijk aan de zuidoostzijde afgerond, waarbij is voortgeborduurd op de vooroorlogse stedenbouwkundige structuur.
Thesinge (zeer hoge waarde)
Het dorp Thesinge is van oorsprong een wierdedorp met een vrij regelmatige structuur. De watergang het ‘Geweijde’ werd aangelegd in het kader van de ontginning van het veengebied. Lintbebouwing ontwikkelde zich vanaf 1800 langs de Molenweg en Kerkstraat. De bebouwing langs De Dijk - ten zuidwesten van het ‘Geweijde’ – kwam in de loop van de 19e eeuw tot stand. In het laatste kwart van de 19e eeuw werden ten oosten van de Kerkstraat een kerkgebouw met bijbehorende pastorie, een schoolgebouw en een onderwijzerswoning gebouwd. De ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld van het wierdedorp zijn gaaf bewaard gebleven.

Oosterpoortbuurt (hoge waarde)
De Oosterbuurt is een arbeiderswijk uit het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Aanvankelijk ontwikkelde dit gebied zich geleidelijk en organisch, door de bouw van individuele panden langs bestaande wegen (Meeuwerderweg en Oosterweg). Na de aanleg van de spoorlijn in 1868 nam de gemeente het initiatief tot de aanleg van straten, de vervolgens bebouwd werden door particulieren. In een latere fase werden aan de oost- en zuidzijde straten met bebouwing gerealiseerd door speculanten. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft op enkele locaties in de wijk wijkvernieuwing plaatsgevonden. Een deel van dit stedenbouwkundig ensemble is aangewezen als een van rijkswege beschermd stadsgezicht (Oosterpoort-Oost).

Hoofdstuk 9 Thema's
9.1 Inleiding
De gemeente Groningen heeft gevraagd een vijftal thema’s uit te werken in themakaarten met toelichting. Het betreft de thema’s Historisch groen, Religieus erfgoed, Agrarisch erfgoed, Militair erfgoed en oorlogshandelingen, en tot slot Bijzondere gebieden die representatief zijn voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente Groningen. De themakaarten vormen de kern en worden hieronder toegelicht. Per thema wordt aangegeven welke elementen, structuren en terreinen hiertoe behoren, welke bijzondere typologieën voorkomen en wat de onderlinge (historische) samenhang is. Over elk thema valt een boek te schrijven, dit hebben we niet gedaan; we hebben vooral de hoofdlijnen willen aanstippen. Omdat bepaalde onderdelen van de thema’s al in voorgaande hoofdstukken uitgebreid zijn beschreven, wordt soms terugverwezen naar deze teksten.
9.2 Thema 1. Historisch groen
Dit thema (kaartbijlage 7) omvat zowel de grote, ontworpen groenstructuren, zoals parken, plantsoenen en begraafplaatsen, als het kleinschaliger groen op agrarische erven en in tuinen. Hoewel het meeste opgaande groen zelf een beperkte ouderdom heeft, dateert de aanleg vaak van een vroegere periode. De oudste groenstructuren hangen samen met de historische erven, kerkhoven en binnentuinen van onder andere de gasthuizen.
Karakteristiek voor het verder vrij kale zeeklei- en veenontginningslandschap zijn de historische erven met hun hoog opgaande boomsingels. Deze bestaan voornamelijk uit essen, hoewel er ook populieren zijn toegepast. Door heraanplant na verval of erfuitbreiding, dateert een deel van de huidige singels uit recente periode, maar zijn wel karakteristiek voor het landschap. De invulling van de erven varieert sterk. Opritten en toegangswegen zijn soms verfraaid met kastanje- of lindebomen. Op veel historische erven staan knot- en leilinden voor of naast het huis. Op enkele grotere erven zijn solitairen aangeplant, meest beuk of kastanje. Op zowel kleine als grote erven zijn (restanten van) boomgaarden aanwezig. Een deel hiervan heeft een hoge ouderdom, maar er komen ook boomgaarden met jongere, historisch passende aanplant voor. Op enkele omvangrijke historische erven heeft de tuin een parkachtige aanleg en is er een grote samenhang met de waardevolle bebouwing. Veel historisch groen rondom de borgen is met de sloop van de adellijke huizen verdwenen. Relicten van de aanleg zijn echter nog vaak aanwezig en de behoren tot de weinige elementen die herinneren aan deze huizen. Zo is de toegangslaan van het Huis te Lellens nog aanwezig en de singels en lanen rond Coendersborg.
In de binnenstad van Groningen zijn veel historische binnentuinen en hofjes. De hofjes zijn vaak onderdeel van gasthuizen. Deze gasthuizen hadden in de 19e eeuw vrijwel allemaal een groene binnentuin. Aan de noord- en oostzijde van de binnenplaats werden leilinden aangeplant tegen de zon. In het midden was een grasveld omzoomd met een bloem(rozen)perk. De oudste hofjes dateren uit de middeleeuwen en tot in de jaren ’30 van de 20e eeuw werden er nog nieuwe aangelegd.
De gemeente Groningen kent een groot aantal van oorsprong middeleeuwse kerkhoven, waarvan de meeste zijn omzoomd met hoog opgaande bomen. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in Garmerwolde, Thesinge, Ten Boer en Woltersum en Wittewierum. In veel gevallen gaat het om essen of lindebomen.
Binnen de stad werd als onderdeel van de stadsuitbreiding in de eerste helft van de 17e eeuw het Nieuwe Kerkhof aangelegd. De aanleg bestond uit vier paden die vanuit de hoeken op de Nieuwe Kerk toe liepen. Deze paden zijn nu beplant met esdoorns; de kerk werd ingepast met groene beuken.
Veel waardevol historisch groen is te vinden op de begraafplaatsen die, na het verbod op begravingen binnen de bebouwde kom (in Groningen in 1827), werden aangelegd aan de randen van de stad en de dorpen. De meeste van deze begraafplaatsen kennen een planmatige, sobere aanleg. In Groningen zijn de Noorder- en Zuiderbegraafplaats hier voorbeelden van. Beide begraafplaatsen werden omzoomd door een dubbele rij bomen. Ook op veel begraafplaatsen aan de randen van de dorpen is historisch groen aanwezig. De begraafplaatsen van onder meer Hoogkerk, Woltersum, Ten Boer, Garmerwolde en Thesinge zijn omzoomd met hoog opgaande bomen, meest essen. Kenmerkend voor een aantal van deze begraafplaatsen (o.a. Thesinge en Ten Boer) is de aanwezigheid van treuressen bij de entree. Ook óp de begraafplaatsen zijn waardevolle, solitaire bomen te vinden met een hoge ouderdom.
Het oudste bos van Groningen is het Sterrebos, dat in 1765 werd aangelegd. Vanuit het open midden van het vierkante terrein liepen 8 lanen. In 1883 werd het park uitgebreid met een deel van de voormalige Helperlinie en heringericht naar ontwerp van L.P. Zocher. Hij maakte een ontwerp met slingerpaden en glooiingen. In 1964 werd het park opgesplitst door de aanleg van de zuidelijke ringweg.
Voormalige vestingwallen
De met bomen en meidoorn beplante vestingwallen rondom de stad waren sinds de aanleg in de 17e eeuw al een geliefde plek om te wandelen. Met de Vestingwet van 1874 verviel de plicht op het in standhouden van de wallen. In het oorspronkelijke plan voor de herinrichting van de wallen werd een groot deel bestemd als park. Langs de vestinggrachten werden plantsoenen ontworpen, waarvan het Noorderplantsoen het grootste was. In het zuiden werd een brede groene laan aangelegd met aan de stadszijde herenhuizen en aan de zuidzijde vrijstaande villa’s. Deze Zuidsingel werd later omgedoopt tot Rade-, Here- Ubbo Emmius- en Praediniussingel. De laagte bij de Parklaan, die was gegraven na het beleg van Bernard von Galen (Bommen Berend) in 1672, werd geslecht en hier werd het Villapark
Zuid aangelegd. De villa’s stonden op zes groene ‘eilandjes’ en het geheel werd omzoomd door lindebomen.
Villatuinen Verlengde Hereweg
Aan de van oudsher al groene Verlengde Hereweg lieten in het midden van de 19e eeuw welgestelde burgers en adellijke families grote vrijstaande villa’s bouwen. De vroegste tuinen waren vaak in Engelse landschapsstijl aangelegd. Door gebruik te maken van het aanwezige reliëf en dit te versterken door heuvels en vijvers aan te leggen, kreeg de aanleg een landgoedachtige uitstraling. Ondanks dat veel tuinen na de eerste aanleg zijn gewijzigd, zijn nog veel oorspronkelijke elementen aanwezig of herkenbaar.
Stadspark
Aan het begin van de 20e eeuw ontstond de behoefte aan een park waarin arbeiders konden recreëren en genieten van het groen. Hierbij hoorde ook de ruimte om evenementen te organiseren en om te sporten. Op initiatief van een aantal notabelen, onder voorzitterschap van J.E. Scholten werd het Springerpark aangelegd, het oudste gedeelte van het Stadspark. Toenmalig directeur Gemeentewerken J.A. Mullock maakte het plan voor het volkspark, met renbaan en kinderspeelterrein. De Haarlemse tuin- en landschapsarchitect L.A. Springer werkte dit uit in een ontwerp in Engelse landschapsstijl en was verantwoordelijk voor de uitvoering. Het omvangrijke park bestond uit drie delen: het Singerpark in het westen, de drafbaan met evenemententerrein in het midden en een ijsbaan in het oostelijk deel. Het park werd in de jaren ’20 in stappen geopend.
Wijkparken
In de eerste planmatige stadsuitbreidingen vanaf het begin van de 20e eeuw zien we dat het besef voor de noodzaak van integratie van eenvoudige groenvoorzieningen een steeds grotere rol gaat spelen. Plantsoenen en groenstroken brachten ruimte en groen in de wijken en dienden in de meer representatieve buurten vooral ook als verfraaiing van het stadsbeeld. Mooie voorbeelden zijn de voorname groenstructuren in de Oranjebuurt (Nassauplein) en de Schildersbuurt (H.W. Mesdagplein). Aan de oostzijde van het singelgebied werd in het interbellum een nieuwe representatieve woonsingel ontworpen, begeleid door een fraaie parkstructuur, de Petrus Campersingel. In de grote naoorlogse stadsuitbreidingen werden groenvoorzieningen op verschillende schaalniveaus integraal onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp. Op straatniveau brachten groenstroken licht, lucht en groen in de huizenzee; flatgebouwen en rijtjeshuizen werden in stempels geordend en geplaatst in een schijnbaar door de hele wijk uitgerolde groenstructuur (De Wijert Noord), vaak met grote plantsoenen en groenstroken tussen de woningblokken, ontsloten door woonpaden. Wijkranden, vaak gelegen tegen grote verkeersstructuren, kregen als buffer een uitgesproken groen karakter met een pakachtige inrichting. Vaak vindt men in deze ruime groene zones verzamelde onderwijsinstellingen of grote flatgebouwen in een open verkaveling. Parkstructuren, vaak gecombineerd met watersingels en omzoomd of gemarkeerd door representatieve gebouwen werden ingezet als centrumzone én scheidend element tussen woonbuurten (De Wijert, Hora Siccamasingel, Vinkhuizen, Paddepoel). In enkele nieuwe wijken werden deze groenstructuren dusdanig grootschalig opgezet, dat spraken is van heuse wijkparken, met hierin allerlei recreatieve voorzieningen (wandelpaden, sportterreinen, kinderboerderij). Park Selwerd is daar een voorbeeld van. In het oostelijke deel van de stad zijn het Oosterpark, het Pioenpark en het Park Oost Indischebuurt representatief voor de grotere wijkparken uit de naoorlogse periode, alle drie met ruime waterpartijen, ligweiden en wandelpaden. Het Pioenpark heeft aan de zuidelijke en noordelijke uiteinden ook sportaccommodaties en speeltuinen.
9.3 thema 2. Religieus erfgoed
Dit thema omvat in de eerste plaats een groot aantal gebouwen, dat in de loop der eeuwen werd gesticht als bedehuis voor de religieuze gemeenschappen in Groningen. Het bekendst zijn de middeleeuwse stads- en dorpskerken en de 17e-eeuwse Noorderkerk, één van de eerste voorbeelden van kerkbouw, die noodzakelijk werd als gevolg van een aanzienlijke stadsuitbreiding. Vanaf de 19e eeuw werden vooral in nieuwe wijken rondom het centrum nieuwe kerkgebouwen gesticht. Enerzijds was dit noodzakelijk vanwege de bevolkingsgroei, anderzijds speelde de opkomende verzuiling een rol: de Rooms Katholieke gemeenschap emancipeerde en bouwde vanaf die tijd vele nieuwe kerken, vaak als onderdeel van een groter ensemble met pastorie, parochiehuis en scholen. Voor van de Hervormde klerk afgescheiden gemeenschappen werden eveneens nieuwe kerken gebouwd. De bouw van nieuwe kerken ging ook na de Tweede Wereldoorlog door in de stadsuitbreidingen. Hier kregen de kerkelijke gebouwen, vaak uitgevoerd in een moderne, expressieve architectuur als onderdeel van de wijkgedachte een prominente positie in het stedenbouwkundige plan. In de dorpen volstond de oude dorpskerk veelal tot ver in de vorige eeuw. In de grotere nederzettingen ontstond soms behoefte aan de stichting van een nieuw kerkgebouw voor specifieke groepen (Gereformeerde kerk in Ten Boer, Molukse kerk in Hoogkerk). De Joodse gemeenschap kwam in Groningen bijeen in de imposante synagoge aan de Folkingestraat.
Ook in het landschap zijn nog relicten die samenhangen met religieuze gebruiken aanwezig. In het noorden en noordoosten van de gemeente lagen de kloosters van Wittewierum (Bloemhof), Sint Annen en Thesinge (Germania) die een grote invloed hebben gehad op de ontginningen. Restanten van deze kloosterterreinen zijn vaak nog in de dorpsstructuur en soms in de bebouwing herkenbaar. Van de paden die voor de kerkgang werden gebruikt zijn er nog drie aanwezig, rond de dorpen Engelbert, Middelbert en Ten Boer. Na het verbod op begravingen binnen de bebouwde kom werden nieuwe begraafplaatsen aangelegd aan de randen van de stad en de dorpen. Deze kenden veelal een formele aanleg. Bijzonder is dat veel van deze begraafplaatsen nog steeds vrij liggen van de bebouwde kom.
Noemenswaardig, maar niet op de kaart opgenomen omdat slechts de naam herinnert, is de 15eeeuwse bedevaartsplaats Hillegen Stede aan de Verlengde Hereweg. Op deze locatie werd in 1933 een villa gebouwd, waarvan de naam herinnert aan de bedevaartsplaats: Villa Hilghestede (Verlengde Hereweg 174).
9.4 thema 3. Agrarisch erfgoed
De gemeente Groningen telt een groot aantal gebouwen die als agrarisch erfgoed kunnen worden bestempeld. De categorie vertegenwoordigt in de eerste plaats de talrijke boerderijen met bijgebouwen, in het bijzonder in het buitengebied en in de voormalige gemeente Ten Boer. Ook binnen de stadsgrenzen van Groningen zijn hier en daar echter nog goed beleefbare sporen van het agrarische verleden zichtbaar gebleven. Goed voorbeeld daarvan zijn de oude boerenerven, opgenomen in de groenstructuren van uitbreidingswijken als Selwerd en Beijum. Ook in de (oudere) linten langs uitvalswegen en vaarten bevinden zich op verschillende plaatsen historische boerderijen of boerenwoningen met stal. Bijzonder zijn de kleinschalige moeskerswoningen die in het stadsgebied direct ten noorden van de binnenstad behouden bleven en herinneren aan het vroegere uitgestrekte moestuinengebied, dat een belangrijke rol speelde in de voedselvoorziening van de stad Groningen.
De boerderijen zijn er in allerlei streekeigen typen en omspannen een aanzienlijke ontstaansperiode. De oudste exemplaren stammen op zijn minst uit de 17e eeuw, de jongste in de inventarisatie dateren uit de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Er kunnen verschillende typen worden onderscheiden. Een wijd verbreid type is de Oldambtsterboerderij, waarbij woon- en bedrijfsgedeelte onder één grote, vaak afgewolfde kap zijn gevat, met een doorlopende nok. De ingang van de woning bevindt zich in de regel in de voorgevel, de ingang van het bedrijfsgedeelte in de achtergevel. Ook veel voorkomend is het kop-romptype, waarbij er sprake is van een bedrijfsgedeelte met eigen kap en een halfvrijstaand woongedeelte, ook weer met eigen kap aan de voorzijde, Soms is dit voorhuis dwars geplaatst en heeft het een herenhuis- of villa-achtig karakter. Eenvoudiger kleine boerderijen (keuterijen) volgen vaak het krimpentype: woongedeelte en bedrijfsgedeelte onder één dak met doorgaande nok, aan één of twee zijden is sprake van een krimp, waarin ook de ingang van de woning is gesitueerd. In het zuidelijke deel van de gemeente, in aansluiting op het zuidoostelijke deel van de provincie zien we het Westerwoldse boerderijentype, eveneens met een kop-rompopzet, maar met de inrijdeuren in de zijbeuk van het bedrijfsgedeelte, zowel aan voor- als achterzijde. Een variant, het Gorechtse type, heeft voorhuis en bedrijfsgedeelte onder één dak en vaak de inrijdeuren van de deel in de zijgevel.
In de tweede helft van de 20e eeuw verzelfstandigde het woongedeelte steeds verder tot een bijna of zelfs geheel vrijstaande woning, die veel gelijkenis vertoont met de burgermanswoningen in stad of dorp. Het thema agrarisch erfgoed omvat naast de boerderijen ook bijgebouwen als stookhutten, bijschuren en een enkele keer een hooiberg.
Tot dit thema zijn ook de hoog en zeer hoog gewaardeerde cultuurlandschappen en de historische erven met hun erfbeplanting gerekend. De hoog en zeer hoog gewaardeerde cultuurlandschappen vertonen logischerwijs een sterke samenhang met de historische erven en agrarische bouwkunst. Het gaat hier om de zeekleiontginningen rondom Leegkerk, Dorkwerd en de Koningslaagte, waar nog een groot aantal waardevolle historische erven met agrarische bebouwing voorkomt. In de veenontginningen rond de lintdorpen, Engelbert en Middelbert is een grote samenhang in cultuurlandschap, historische erven en agrarische bebouwing. Ook is deze samenhang sterk in de zeekleiontginningen en veenontginningen in de voormalige gemeente Ten Boer en rondom Noorddijk. Voor een korte beschrijving van het opgaand groen op de erven wordt verwezen naar het thema Historisch groen (9.2).
9.5 thema 4. Militair erfgoed en oorlogshandelingen
In dit thema zijn de borgterreinen, de Helperlinie, de stadswallen, restanten van de stadsmuur, de resten uit de Tweede Wereldoorlog en oorlogsgraven en de oorlogsmonumenten (tot 1975) opgenomen.
Binnen de gemeente liggen 19 borgterreinen. De borgen waren middeleeuwse steenhuizen die hun bewoners en omwonenden enige veiligheid boden. Na de introductie van het buskruit en verbetering van het geschut, verviel de verdedigende functie. De borgen werden omgevormd tot buitenverblijven met landhuis en tuinaanleg. In de Franse tijd verloren de eigenaren hun rechten en daarmee een belangrijk deel van hun inkomsten. De nog aanwezige borgen werden in de 19 e eeuw gesloopt nadat onderhoud te duur was geworden. Van enkele zijn de bijgebouwen nog aanwezig, zoals bij het Huis te Lellens. Ook de arbeidsintensieve tuinaanleg verdween vaak, maar relicten zoals grachten, lanen en beplanting zijn nog aanwezig als herinnering aan de verdwenen borgen.
De stad Groningen werd tot het midden van de 13e eeuw verdedigd met een 11e-eeuwse aarden omwalling. In het midden van de 13e eeuw werd deze vervangen door een stenen stadsmuur met buitengracht. Van de stadsmuur resteren nog fragmenten in verschillende huizenblokken. In 1470 werden bij de stadsuitbreidingen aan west- en zuidzijde de vestingwerken gemoderniseerd, hierbij werd ook het huidige Lopende Diep gegraven tussen het Schuitendiep en de A.
In de loop van de 16e eeuw volgde een nieuwe versterking en modernisering van de vestingwerken en werd de stadsgracht verbreed tot de huidige Diepenring. In een derde moderniseringsslag aan het einde van de 16e eeuw werd aan de zuidzijde wederom een bescheiden stadsuitbreiding toegevoegd.
In 1614 werd een ambitieuze stadsuitbreiding aan de noordzijde van de oude stad gepresenteerd, waarvan de aanleg samen viel met een grootschalige vernieuwing van de verdedigingswerken: een omwalling met zeventien bastions. In de periode tot 1642 werd deze nieuwe omwalling gerealiseerd. Na het beleg van de stad door de prins-bisschop van Münster Bernard von Galen in 1672 werd de vesting aangepast. De aanval vond vooral vanuit het zuiden plaats en daar werden dan ook de aanpassingen doorgevoerd. Langs de zuidelijk bastions, op de plaats waar later het station en Zuiderpark kwamen, werd een laagte gegraven; de Kempkensberg, ter hoogte van het huidige Sterrebos werd geslecht. In de periode 1798-1700 werd ten zuiden van deze voormalige hoogte de Linie van Helpman of
Helperlinie aangelegd. De linie verbond het Hoorsche Diep met het Schuitendiep. In de jaren 17861806 werd de linie uitgebreid door een kanaal (Helperdiep) om een voorterrein (glacies) aan te leggen. De in 1868 geopende spoorlijn doorkruiste de linie die hier plaatselijk werd aangepast.
Na de inwerkingtreding van de Vestingwet van 1874 verviel de functie van de vestingwerken en werden ingevuld met andere functies. In het noordelijke deel van de vestingwerken, dat werd omgevormd tot park (het Noorderplantsoen), zijn de 17e-eeuwse bastions nog goed herkenbaar. In de overige delen zijn de contouren van de vestingwerken in meer of mindere mate nog herkenbaar in het stratenpatroon. Binnen de rijksgronden van de voormalige Helperlinie kregen verschillende rijksinstellingen een plek, waaronder de Rabenhauptkazerne en een gevangenis (zie ook Helperlinie-zone onder paragraaf 9.6),
De periode van de Tweede Wereldoorlog wordt in het (stedelijk) landschap gemarkeerd door relicten van linies, oorlogsgraven, oorlogsmonumenten en stadsvernieuwing. Relatief onzichtbaar, maar in het reliëf gaaf bewaard, zijn de restanten van de tankgrachten en loopgraven die in september 1944 onder leiding van Organisation ‘Todt’ rond de stad werden gegraven. Op strategische doorgangen werden road blocks opgeworpen. De linie maakte deel uit van de Frieslandriegel, die langs de Drentse Hoofdvaart, het Noord-Willemskanaal en het Eemskanaal liep. Langs het Van Starkenborghkanaal bij de Paddepoelsterweg liggen de resten van een betonnen anti-tankmuur en in de nog agrarische gebieden rond de stad zijn relicten van loopgraven en tankgrachten waarneembaar in het reliëf. Tussen de vloeivelden aan de westzijde van de stad ligt nog een drietal bakstenen bunkers.
Veel belangrijke en ingrijpende gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geen tastbare herinnering in het landschap achtergelaten of zijn verwoest of gesloopt. Hier resten slechts plaatsen van herinnering of lieux de memoires, die vaak weer zichtbaar zijn gemaakt met een herinneringsmonument. Veel panden zijn gedurende de bezetting gevorderd geweest, om dienst te doen als kantoor of kazerne, zoals de voormalige Meisjes H.B.S. aan de Nieuwe Ebbingestraat, die als kazerne van de Kriegsmarine diende en het pand aan de Ossenmarkt 3 waar in het
Hoofdcommissariaat van de Staatspolitie in Groningen was gevestigd. Eén van de bekendste en beruchtste plaatsen was het Scholtenhuis aan de Grote Markt. Hier was het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sicherheitsdienst en de Sicherheitspolizei gehuisvest. Honderden gevangengenomen verzetsstrijders werden hier verhoord en gemarteld, om vaak elders te worden geëxecuteerd. Bij de bevrijding van Groningen werd het gebouw door brand verwoest.
Uit de periode van na de oorlog (tot 1975) is een groot aantal oorlogsmonumenten en -graven geïnventariseerd. Zeven daarvan zijn opgenomen in de inventarisatie van bouwkunst, waaronder het Verzetsmonument op het R.K. Kerkhof, het Provinciaal monument Tweede Wereldoorlog in de vorm van een bronzen beeld van Sint Joris (beide in de stad Groningen) en het oorlogsmonument voor burgerslachtoffers en het Nederlands verzet aan de Vijverweide in Ten Boer.
De Tweede Wereldoorlog heeft veel littekens in de stedelijke ruimte achtergelaten. Bij de Slag om Groningen in april 1945 werden 207 gebouwen verwoest of beschadigd. Vooral de binnenstad was zwaar getroffen. In gevels zijn tot op de dag van vandaag kogelinslagen te zien, zoals bij het Schnitgerhuys en Villa Heymans (resp. Ubbo Emmiussingel 19 en 108), de Martinitoren en het Prinsenhof en granaatinslagen in het Stadhuis. Het wederopbouwplan voor de zwaar geteisterde binnenstad werd aanvankelijk aan de architect en stedenbouwkundige M.J. Granpré Molière, pleitbezorger van de traditionele opvattingen van de Delftse school toevertrouwd. Na teleurstellende resultaten besloot men een supervisiecommissie van moderne deskundigen in te stellen, onder meer bemand door de architecten A. van der Steur en W. van Tijen. Een en ander resulteerde in een grotendeels op moderne leest geschoeide wederopbouw van de in de oorlog vernielde binnenstadsdelen.
9.6 Thema 5. Bijzondere representatieve gebieden
9.6.1 Inleiding
De gemeente heeft gevraagd bijzondere gebieden aan te wijzen die representatief zijn voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente Groningen. Uit de verschillende waarderingskaarten blijkt al dat dit geen gemakkelijke opgave is. Er zijn immers tal van gebieden die hoog scoren op het gebied van archeologie, bouwkunst en stedenbouw en historische geografie. Bij de selectie van bijzondere representatieve gebieden hebben we de ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente als uitgangspunt genomen: Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen en in welke gebieden zien we dit nog duidelijk terug? Hierbij zijn ook gebieden geselecteerd die minder gaaf zijn, maar door hun samenhang toch bijzonder.
1. Hondsrug en Hereweg
De natuurlijke hoogte van de Hondsrug is al sinds de prehistorie een van de belangrijkste structuren binnen Groningen. De hooggelegen rug was al vanaf de prehistorie een aantrekkelijke vestigingslocatie. In de middeleeuwen konden de nederzettingen zich ontwikkelen tot stad, mede door de functie die de Hondsrug had als verbindingsas tussen het noordelijk zeekleigebied en het achterland. Doordat de hoogte in alle tijden een aantrekkelijk vestigingslocatie was kent het een grote gelaagdheid. In verticale zin door de grote rijkdom aan archeologische vindplaatsen. En in horizontale zin door de herkenbare stadsuitbreidingen langs de (Verlengde) Hereweg/ Herestraat, die de tijdsdiepte van de late middeleeuwen tot heden tonen: het van oorsprong middeleeuwse centrum, het oude buurtschap Helman, de vooroorlogse spontane stadsuitbreidingen buiten de vestingwerken, de villabuurt aan de Verlengde Hereweg, de voor- en naoorlogse tuinwijken en tot slot de voorlopige Helperlinie met haar eigen dynamiek. Op de flanken en lager gelegen gebieden aan weerszijde van de Hondsrug vonden pas in de naoorlogse periode stedenbouwkundige ontwikkelingen plaats. Het natuurlijke reliëf is op veel plaatsen nog steeds goed beleefbaar. In het centrum bijvoorbeeld in de Poelestraat en het Gedempte Kattendiep en zuidelijker in de vele oost-west-georiënteerde straten langs de Verlengde Hereweg, waaronder de Helperbrink en de V. Ketwich Verschuurlaan.
2. Koningslaagte
De Koningslaagte is een gaaf voorbeeld van het wierdenlandschap. Het is een gebied waar bijna alle facetten van de vroege bewoning, ontginning en het latere grondgebruik nog herkenbaar zijn.
In grote delen van het gebied is de natuurlijke meanderstructuur van het Selwerderdiepje zichtbaar in het verkavelingspatroon en in hoogteverschillen. Op de hogere oevers van het Selwerderdiepje (deel van de Hunzeloop) en op de kreekruggen bevinden zich de oudste erven of resten daarvan in de vorm van huispodia of wierden. Deze zijn in archeologisch opzicht zeer waardevol. Een aantal heeft dan ook de status van rijks- of gemeentelijk monument. Ook landschappelijk zijn deze huisplaatsen zeer waardevol doordat ze nog goed herkenbaar zijn als hoogte of in de verkaveling. Ook relicten van de middeleeuwse baksteenindustrie zijn relatief gaaf bewaard gebleven in het landschap, in de vorm van afgetichelde percelen en middeleeuwse relicten van steenovens (zie ook 6.2.6). Ook de samenhang van de historische nederzettingen met het nog gave verkavelingspatroon, de paden, wegen en dijken, en de waardevolle historische agrarische bebouwing maakt dit gebied tot een bijzonder ensemble.
3. Binnenstad
De binnenstad van Groningen kent een grote dichtheid aan hoge cultuurhistorische waarden, op alle gebieden: archeologie, bouwkunst, stedenbouw en historische geografie. Doordat door de eeuwen heen steeds is voortgebouwd op bestaande structuren heeft de binnenstad een grote gelaagdheid en is er een grote samenhang tussen de verschillende objecten, structuren en gebieden.
Een groot deel van de huidige stedenbouwkundige structuur heeft haar oorsprong in het middeleeuwse wegen- en ontginningspatroon. Ook de locaties van functies kent een grote continuïteit, zoals die van de kerkelijke en wereldlijke macht, de Rijksuniversiteit en verzorgende functies in de vorm van gasthuizen. De uitbreidingsfasen in de middeleeuwen en nieuwe tijd zijn nog goed herkenbaar in het stratenpatroon en de ouderdom van de gebouwen en de architectuur. Ook de waterhuishouding, die voor zowel de stad als de Ommelanden van groot belang was, is in grote delen van de binnenstad herkenbaar in de (voormalige) grachten. De verschillende fasen van verdediging zijn bewaard gebleven in de vorm van middeleeuwse muurresten in bouwblokken en het stratenpatroon. De grote gelaagdheid beperkt zich niet tot late middeleeuwen en nieuwe tijd. Ook de verwoestingen uit de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende stadsvernieuwing dragen bij aan de leesbaarheid van de geschiedenis van de binnenstad.Uit archeologische opgravingen blijkt ook de ondergrond rijk te zijn aan vindplaatsen die hebben bijgedragen én nog kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving van de stad en omgeving.
4. Singels en vestinggordel
Tot dit gebied rekenen we de zone van de voormalige 17e-eeuwse vestingwerken, direct rondom de binnenstad. Met de inwerkingtreding van de Vestingwet van 1874 werden deze door het rijk overbodig verklaard en konden worden ontmanteld. Het gebied herbergt een aantal hooggewaardeerde deelgebieden die kenmerkend zijn voor de laat-19e-eeuwse stadsuitbreiding.
Door Ingenieur der Vestingen F.W. van Gendt werd in 1876 een plan vervaardigd voor de nieuwe inrichting van de gronden van de voormalige vestingwerken (zie ook paragraaf 8.1), waarvan alleen het Noorderplantsoen uiteindelijk volgens dit plan zou worden uitgevoerd. Op verzoek van de gemeenteraad werd in 1878 een plan opgesteld door de Haagse architect L.A. Brouwer, dat in feite een gedetailleerde uitwerking vormde van het plan van Van Gendt. De reeks singels met ronde verkeerspleinen en kavels voor villa’s en luxe stadswoningen aan de zuidzijde van de binnenstad is op basis van dit plan tot uitvoering gebracht.
Aan de oostzijde van de binnenstad werd de vestinggracht geschikt gemaakt voor de scheepvaart. Twee jaar na het voltooien van het Eemskanaal in 1876 werd een nieuwe binnenhaven (Oosterhaven) aan deze zijde van de stad aangelegd. Ook de Westerhaven werd aangelegd op een deel van de vestinggracht. In 1879 werd het Verbindingskanaal gegraven, dat het zuidelijk gedeelte van de Diepenring ging vormen. Tevens besloot het stadsbestuur in 1889 tot de bouw van een nieuw ziekenhuis op het terrein van de voormalige vestingwerken aan de oostzijde van de binnenstad. Op 15 april 1896 werd een nieuw stationsgebouw geopend, dat een representatieve entree ging vormen aan de zuidzijde van de stad.
5. Hoogkerk
Dit gebied valt samen met de stedenbouwkundige ensembles rondom de Strokartonfabriek de Halm, Suikerfabriek Suiker Unie, de wijk Halmbuurt en de historische dorpskern van Hoogkerk. Het gebied is door zijn omvang en relatieve gaafheid bijzonder en representeert de verwerkende industrie die in en rondom de stad aanwezig was en nog steeds is. Daarnaast is de invloed van de industrie op de stedenbouwkundige ontwikkeling van Hoogkerk groot. De Halm heeft haar stempel gedrukt op het oostelijk deel van het dorp. Hier vinden we het fabrieksdorp met fabrikantenvilla, personeels- en arbeiderswoningen. Het fabriekscomplex van De Halm bestond uit het hoofdgebouw, loodsen, een betonnen schoorsteen en een waterzuiveringsinstallatie. Tussen de historische dorpskern en het fabriekscomplex ligt de tuinwijk de ‘Halmbuurt’, die in het decennium vóór de oorlog werd opgezet en na de oorlog verder werd ingevuld. Aan de westzijde van het dorp ligt het fabriekscomplex van de Suiker Unie (gesticht in 1914) met fabrieksdorp en vloeivelden. Het fabrieksdorp bestaat uit en tuinwijkje met voor- en naoorlogse arbeiderswoningen binnen een vooroorlogse opzet.
6. Scheepvaart
De scheepvaart is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van de gemeente Groningen. De meeste havenactiviteiten zijn sinds de late middeleeuwen in en rond de stad geconcentreerd. Eerst aan de westzijde (huidige Westerbinnensingel en Noorderhaven), later in de late middeleeuwen en nieuwe tijd kwamen ook in de andere windstreken havens tot ontwikkeling (Hoendiep, Boterdiep, Schuitendiep, Damsterdiep, Winschoterdiep). Na het slechten van de vestingwerken in de tweede helft van de 19e eeuw werden delen van de vestinggracht getransformeerd in havenkommen (Wester- en Oosterhaven) (zie ook paragraaf 6.2.5).
Vooral het gebied aan de oostzijde is bijzonder en representatief, omdat deze al vanaf de 15e eeuw tot de huidige tijd onafgebroken als havengebied in gebruik is geweest. Het gebied representeert daarmee een groot aantal perioden van havenactiviteit, dat terug te zien is in het grote aantal bouwwerken, elementen en structuren die daarmee samenhingen. Via het (Oude) Winschoterdiep was de stad verbonden met de veenkoloniën van Groningen en Drenthe en via het Damsterdiep en later Eemskanaal met de Noordzee. Het Van Starkenborghkanaal zorgde vanaf 1938 voor een verbinding met Lemmer en west-Nederland.
Binnen dit gebied representeert het gedempte Damsterdiep (van Schuitendiep tot Oostersluis), samen met de aangrenzende pakhuizen, industriecomplexen en de oude Oostersluis, de periode middeleeuwen-nieuwe tijd. Na de opening van het Eemskanaal in 1876 verplaatsten de havenactiviteiten zich naar de Oosterhaven, waar verschillende pakhuizen en woonhuizen langs het kanaal verrezen. Het in 1938 geopende Van Starkenborghkanaal was via de nieuwgebouwde Oostersluis verbonden met het Eemskanaal. De schutsluis is recentelijk sterk gewijzigd. Hierbij zijn fragmenten en ornamenten van de oorspronkelijk sluis behouden. Het Oude Winschoterdiep en het huidige Winschoterdiep vertegenwoordigen de verbinding met de Groningse en Drentse veenkoloniën en daar gelegen scheepswerven. Om Groningen als zeehaven te behouden werd in 1959 de Hunzehaven en later de Scandinavische havens aangelegd. De havenkommen waren via het Oude Stamspoor verbonden met het nationale spoornet.
7. Helperlinie-zone
De Helperlinie-zone is van grote betekenis geweest voor de stadsontwikkeling. Eerst vooral als barrière, later als plaats voor functies met een grote voetafdruk, zoals de Van Mesdagkliniek, de marechausseekazerne, de R.K. Begraafplaats, het zwembad en de Zuidelijke Ringweg (N7).
De Helperlinie werd in 1689-1700 aangelegd en bleef in functie tot de Vestingwet van 1874. Daarop vooruitlopend was al in 1872 toestemming gegeven een rooms-katholieke begraafplaats aan te leggen. De aanleg van deze begraafplaats en het inwerkingtreden van de Vestingwet markeert het begin van de verstedelijking van de linie. Doordat de linie rijksbezit was, was de vrijgekomen grond een ideale ontwikkellocatie voor rijksinstellingen.
Tussen 1882 en 1883 werd op de plaats van de geslechte wallen de Cellulaire Strafgevangenis gebouwd. Enkele jaren later volgde de bouw van de Rabenhauptkazerne aan de overzijde van de Hereweg. Ook werd een militaire badinrichting geopend. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd op het exercitieterrein achter de gevangenis een interneringskamp voor Britse matrozen gebouwd (Timber Town). De matrozen waren na de Duitse aanval op Antwerpen naar Nederland uitgeweken.
In de periode 1953-1955 werd openluchtzwembad De Papiermolen gebouwd. Ook in deze periode vestigde de Van Mesdagkliniek zich in het gebouw van de voormalige Cellulaire Gevangenis, welke in 1962 grootschalig werd verbouwd. De open ruimte ten noorden van de voormalige linie werd in 1965-1971 benut voor de aanleg van de zuidelijke Ringweg (Weg der Verenigde Naties of N7). In de jaren ’70 en ’80 was de noordoosthoek van de voormalige Helperlinie de ontwikkellocatie voor rijkskantoorgebouwen, waarin de Informatie Beheer Groep (IBG) en de Belastingdienst werden gehuisvest. Onder het gebouw was een atoomkelder gebouwd die in geval van een nucleaire aanval als commandobunker moest kunnen functioneren. De torens werden begin 21e eeuw gesloopt om ruimte te maken voor het huidige kantoorgebouw Kempkensberg.
Ondanks (of juist dankzij) de grote ruimtelijke dynamiek in de afgelopen ruim 100 jaar, waarbij gebouwen en structuren zijn gesloopt om ruimte te maken voor nieuwe ontwikkelingen, heeft het gebied een hoge dichtheid aan cultuurhistorische waarden. Hiertoe behoren onder andere De Papiermolen, de voormalige Cellulaire Gevangenis met bijgebouwen, de Roomsch Katholieke begraafplaats, de archeologische resten van de Helperlinie en historisch-geografische structuren zoals het Helperdiep en de Hereweg.
8. Wolddijk
De Wolddijk vormt een historisch-geografische structuur die van groot belang was voor de ontginning van het centrale Woldland (zie ook paragraaf 5.2.3. en 6.2.3). De dijk loopt van Noorderhogebrug naar Westerdijkshorn (buiten de gemeente Groningen), buigt hier af naar het oosten en loopt ten noorden van Sint Annen door tot Dijkshorn bij Ten Boer.
Het Woldgebied werd in de 10e tot 12e eeuw ontgonnen vanaf de kwelderwal aan de rand van het gebied. Het ontgonnen veengebied werd via natuurlijke waterlopen ontwaterd. Door inklinking en oxidatie van het veen drong vanuit het onontgonnen deel zuur water, en vanuit de hoger gelegen kwelder brak water het gebied binnen. Om de toestroom van dit water te keren werd rond 1200 de Wolddijk aangelegd: een lange ringdijk op de overgang van oever- en kwelderwal naar het veengebied.
In het westen is de Wolddijk nog als dijk herkenbaar en op de kruin ligt de gelijknamige weg. In het noordoosten van de gemeente, bij Sint Annen zijn de teensloten vergraven, waardoor de dijk plaatselijk alleen nog in de verkaveling herkenbaar is. Vanaf het gemaal Hemert is de Wolddijk nog relatief gaaf aanwezig. Hier loopt aan de noordzijde van de dijk de Westerwijtwerdermaar. Samen met de dorpen op de kwelderwalontginningen (Ten Post, Lellens, Hemert), de middeleeuwse veenontginningen met lange opstrek en de daarbinnen gelegen dorpen (waaronder Ten Boer, Thesinge, Garmerwolde en Noorddijk) vormt dit een mega-ensemble, waarbinnen de Wolddijk de verbindende rol speelt.
9. Gave dorpen
Bijzonder en kenmerkend voor de gemeente is het grote aantal gave dorpen. Tien dorpen hebben vanuit stedenbouwkundig opzicht een hoge of zeer hoge waardering gekregen. Het betreft de dorpen Garmerwolde, Noordijk, Middelbert/Engelbert, Thesinge, Dorkwerd, Woltersum, Lellens, Ten Post en Wittewierum. Lellens heeft de status van rijksbeschermd dorpsgezicht. Voor een beschrijving van de historische ontwikkeling en karakteristieken verwijzen we door naar paragraaf 8.2.
10. Knooppunten rond kanalen
Kenmerkend voor de gemeente zijn de vele kanalen (diepen) die de stad en de dorpen met elkaar en de Ommelanden verbonden. Op plaatsen waar het vaarwater langs dorpen kwam of waar wachttijden waren bij een sluis, overtoom of brug, trok dit bedrijvigheid aan. Rond de bruggen en sluizen ontstonden clusters met brug-/sluiswachterswoning, een loskade, café, woonhuizen en industrie. De gemeente kent ten minste negen van deze locaties.
Het buurtschap Noorderhoogebrug is genoemd naar de brug over het Boterdiep dat hier kort het beloop van het Selwerderdiepje volgde. Het Boterdiep is hier inmiddels gedempt en de brug verdwenen, maar kenmerken van het knooppunt zijn nog aanwezig. Hier vinden we de herberg Stad en Lande, de korenmolen Wilhelmina en de oude lintbebouwing langs het diep.
Langs het Hoendiep ontstond een klein ensemble rond Vierverlaten, de vier inmiddels verdwenen sluizen op de plek waar Koningsdiep, Aduardiep en Hoendiep samen kwamen. Dit knooppunt kon zich vanaf eind 19e eeuw verder ontwikkelen door de aanwezigheid van een station. Rond de brug bevindt zich nog de voormalige sluiswachterswoning, een werkplaats (voormalige oliemolen) en waardevolle lintbebouwing langs het diep. Verderop aan het Hoendiep, waar deze de Kerkstraat kruiste vinden we het volgende knooppunt. Rond de brug ontstond een cluster dat nu nog bestaat uit een (voormalige) café, diverse winkelpanden en industrie (complex van de Suiker Unie).
In de stad ontstond na de aanleg van de Westerhavensluis in het Eendrachtskanaal (1864) een knooppunt. Tot dit ensemble horen nu de schutsluis met sluiswachterswoning, arbeiderswoningen en een kade (Sluiskade).
Langs het Damsterdiep liggen vijf knooppunten. Dichtbij de stad rond de Oostersluis bestaat dit ensemble uit de sluis met sluiswachterwoning, een brug met daarbij een