Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR685158
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR685158/1
Beleidsregel Handhaving kwaliteit kinderopvang 2023 Bunschoten
Geldend van 01-01-2023 t/m heden
Intitulé
Beleidsregel Handhaving kwaliteit kinderopvang 2023 BunschotenHet college van burgemeester en wethouders van Bunschoten;
overwegende dat
- -
het College belang hecht aan veilige, pedagogisch verantwoorde kinderopvang die bijdraagt aan de basisinfrastructuur;
- -
het College verantwoordelijk is voor naleving van de kwaliteitseisen zoals vermeld artikel 1.61 lid 1 van de Wet kinderopvang;
- -
het gewenst is om invulling te geven aan toezicht en handhaving op de kwaliteitseisen die aan de kinderopvang worden gesteld in een beleidsregel;
en
- -
gelet op artikelen 5:21 ev, 5:31 ev en 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht;
- -
gelet op de artikelen 1.46 lid 5, 1.65, 1.66 en 1.72 van de Wet kinderopvang;
besluit
de volgende beleidsregel vast te stellen:
‘Beleidsregel Handhaving kwaliteit kinderopvang 2023 Bunschoten’ en het bijbehorende ‘Afwegingskader’.
Hoofdstuk 1 Algemeen
1.1 Toepassing
Deze beleidsregel is van toepassing op de gemeentelijke taken om:
- -
Toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;
- -
Aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang tijdig af te handelen;
- -
Te handhaven op basis van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving;
1.2 Begripsbepaling
In deze beleidsregel worden de volgende begrippen gebruikt:
- a.
Afwegingskader: de bij deze beleidsregel behorende lijst met prioriteiten, dwangsommen en boetes; Deze is toegevoegd als bijlage;
- b.
Kwaliteitseisen: de kwaliteitseisen die aan de kinderopvang worden gesteld zoals vastgesteld in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving;
- c.
Toezichthouder: als toezichthouder is aangewezen de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid van de Wet publieke gezondheid;
- d.
GGD: Gemeentelijke gezondheidsdienst;
- e.
GGDrU: Gemeentelijke gezondheidsdienst regio Utrecht;
- f.
(Kinderopvang)voorziening: Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau1 of een voorziening voor gastouderopvang2;
Voor overige begripsbepalingen wordt aangesloten bij de definities zoals vermeld in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving.
Hoofdstuk 2 Beleid en ontwikkelingen
2.1 Doel van het beleid
In de Wet kinderopvang is de rol van het College vastgelegd. Deze beleidsregel zet de invulling van de wettelijke taken van het College uiteen. Daarmee draagt dit beleid bij aan:
- -
transparantie door belanghebbenden te informeren over de bevoegdheden van het College;
- -
het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de beleidsregel voor iedereen te laten gelden;
- -
het waarborgen van veiligheid van deze kwetsbare doelgroep;
- -
het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang.
Hoofdstuk 3 Kader, visie en ambitie
3.1 Kader
De kwaliteit van de kinderopvang wordt getoetst aan de hand van kwaliteitseisen. Deze staan beschreven in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. De kwaliteitseisen worden gesteld aan de domeinen:
- -
Registratie, wijzigingen en administratie;
- -
Het pedagogisch klimaat;
- -
Personeel en groepen;
- -
Veiligheid en gezondheid;
- -
Accommodatie;
- -
Ouderrecht.
In de Wet kinderopvang is de verantwoordelijkheid voor toezicht- en handhaving op deze eisen van het College vastgesteld. De Inspectie van het Onderwijs controleert via tweedelijns toezicht jaarlijks of het College haar wettelijke taken goed heeft volbracht. Op grond van de Wet kinderopvang is de directeur publieke gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder. In het ‘Mandaat- en aanwijzingsbesluit college/burgemeester – DPG GGDrU Bunschoten 2021’ is als toezichthouder de directeur publieke gezondheid van de GGDrU aangewezen. De GGDrU inspecteert namens het College kinderopvangvoorzieningen en voorziet indien nodig van een handhavingsadvies in het inspectierapport. Het College neemt dit advies mee in het vaststellen van de te nemen maatregelen die in deze beleidsregel en het onderliggend afwegingskader nader staan beschreven.
3.2 Visie
Het College hanteert het volgende uitgangspunt voor de toezicht en handhaving op de kinderopvang: wanneer wordt vastgesteld dat een kwaliteitseis niet wordt nageleefd, grijpt het College in via een handhavingsmaatregel. Hierin gelden de volgende uitgangspunten:
- -
Maatregelen zijn zo veel mogelijk gericht op het herstellen van de overtreding
- -
Bij constatering van een overtreding is handhaving voorspelbaar en transparant
- -
Het boetebedrag/hoogte van de last onder dwangsom is afgestemd op de omvang van de voorziening waardoor draagkracht is meegewogen in de maatregel. Hiervoor is een vermenigvuldigingsfactor vastgesteld
- -
Houder wordt per brief op de hoogte gesteld van genomen maatregel(en)
3.3 Ambitie
Het College hecht grote waarde aan veilige en kwalitatief goede kinderopvang. Om dit te waarborgen werkt het College nauw samen met de GGD. Op basis van het advies dat de GGD vaststelt in inspectierapporten zet het College een handhavingstraject in conform het afwegingskader. Het opheffen van de overtreding (herstel) is hierin het uitgangspunt. Wanneer dit niet mogelijk is, of een tekortkoming niet tijdig wordt hersteld worden maatregelen genomen. Een voorspelbaar handhavingsbeleid stimuleert de kwaliteit van kinderopvang.
Hoofdstuk 4 Toezicht
4.1 Soorten inspecties
De toezichthouder (GGDrU) bezoekt jaarlijks de kinderopvangvoorzieningen en toetst deze aan de kwaliteitseisen die worden gesteld. Voorzieningen voor gastouders worden minimaal eens per drie jaar bezocht. Hiermee fungeert de toezichthouder als ogen en oren van het College. De toezichthouder onderzoekt de mate waarin naleving van de kwaliteitseisen plaatsvindt en adviseert over het al dan niet handhaven. De onderzoeken die de toezichthouder uitvoert voor het College omvatten:
- a)
Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie volgens de voorschriften van de Wet kinderopvang kan functioneren;
- b)
Onderzoek na registratie: binnen 3 maanden na registratie in het Landelijk register kinderopvang vindt onderzoek plaats.
- c)
Periodieke inspectie: alle kinderdagverblijven en buitenschoolse opvanglocaties worden periodiek steekproefsgewijs bezocht. Het risicoprofiel van de voorziening wordt hierin meegewogen. Voor gastoudervoorzieningen is vanaf 2023 wettelijk verplicht dat 50% van de gastouderopvangvoorzieningen jaarlijks wordt bezocht (voorheen 5%). Elke gastouderopvangvoorziening moet minimaal eens per drie jaar worden bezocht.
- d)
Nader onderzoek: naar aanleiding van geconstateerde overtredingen en de daaropvolgende handhavingsmaatregel wordt een nader onderzoek ingesteld om te zien of de overtreding is hersteld.
- e)
Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van een wijzigingsverzoek door de houder of naar aanleiding van een incident of signaal.
De inspectierapporten die worden opgemaakt op basis van de onderzoeken worden in het Landelijk register kinderopvang gepubliceerd en openbaar gemaakt. De houder krijgt altijd de mogelijkheid om zienswijze in te dienen met betrekking tot de bevindingen die in het inspectierapport zijn opgenomen.
4.2 Risico gestuurd en onaangekondigd toezicht
Alle onderzoeken vinden onaangekondigd plaats, met uitzondering van het onderzoek voor registratie. Het risicoprofiel van de voorziening weegt mee in de inspectie. Waar meer toezicht nodig is wordt meer geïnspecteerd. Elke inspectie weegt mee in het bepalen van het risicoprofiel. Het risicoprofiel weerspiegelt de mate waarin er zorgen zijn over de kwaliteit van de opvang in de (nabije) toekomst. Het risicoprofiel wordt gebaseerd op de bevindingen van eerdere inspecties.
4.3 Flexibel inspecteren
Flexibel inspecteren maakt inspecties minder voorspelbaar en staat toe dat de kwaliteit van een voorziening beter getoetst kan worden. Flexibel inspecteren wordt vanaf 2024 in elke gemeente geïmplementeerd.
4.4 Herstelaanbod bij tekortkomingen
Het College en GGDrU werken met herstelaanbod. Hierbij krijgt de houder het aanbod om een geconstateerde overtreding binnen een gestelde periode te herstellen, voorafgaand aan publicatie van het inspectierapport. Door met herstelaanbod te werken is de verwachting dat overtredingen sneller worden hersteld. De toezichthouder beoordeelt of de overtreding en de samenhangende omstandigheden zich lenen voor een herstelaanbod. In het definitieve inspectierapport wordt de afloop van het herstelaanbod beschreven. De hersteltermijn per kwaliteitseis staat benoemd in het afwegingskader. Herstelaanbod is uitgesloten bij:
- -
Overtredingen die betrekking hebben op de beroepskracht-kind ratio en VOG/PRK
- -
Recidive
- -
Tekortkomingen die de toezichthouder noodzaken een schriftelijk bevel op te leggen
4.5 Schriftelijk bevel
Indien het nemen van maatregelen onmiddellijk plaats moet vinden kan de toezichthouder zelf ingrijpen middels een schriftelijk bevel. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. De toezichthouder geeft aan wat de overtreding(en) is/zijn en welke actie de houder moet ondernemen binnen de gestelde termijn. De gemeente wordt tijdig op de hoogte gesteld van het bevel. Het College kan het bevel na 7 dagen verlengen als de maatregel nog niet is genomen.
Hoofdstuk 5 Aanvraag tot exploitatie
Er worden leges gerekend bij een aanvraag tot exploitatie. Er wordt gesproken van een aanvraag tot exploitatie in de volgende gevallen:
- a)
Bij aanvraag voor een nieuwe voorziening;
- b)
Bij wijziging van houder;
- c)
Bij verhuizing.
5.1 Aanvraag tot exploitatie bij een nieuwe voorziening
Na toestemming van het College mag een nieuwe voorziening in gebruik genomen worden. Deze toestemming wordt schriftelijk afgegeven en gebaseerd op advies van de GGD naar aanleiding van de inspectie voor registratie. Positief advies tot exploitatie wordt pas afgegeven als de toezichthouder voldoende vertrouwen heeft in de voorziening. Hiervoor is een veilig klimaat en kwaliteit van de opvang vereist. Alle (externe) signalen die hiermee gemoeid zijn worden in het advies meegewogen. Er geldt een beslistermijn van 10 weken. Deze kan bij uitzondering verlengd worden. Een aanvraag tot exploitatie kan ingediend worden via een aanvraagformulier van de Rijksoverheid. Na toestemming tot exploitatie en vaststelling van de startdatum door het College wordt de voorziening opgenomen in het Landelijk register kinderopvang.
5.1.1 Onderzoek na registratie
Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de voorziening aan alle kwaliteitseisen voldoet. De voorziening moet dan open zijn. Hierin is specifiek aandacht voor veiligheid, gezondheid, personeelsinzet, manier van opvang en het pedagogisch beleid.
5.1.2 Afwijzing aanvraag tot exploitatie
Na afwijzing van exploitatie kan de houder een nieuwe aanvraag tot exploitatie indienen als er sprake is van nieuwe omstandigheden. Wijzigingen moeten bij de aanvraag worden vermeld.
5.2 Houderwijziging
Een houderwijziging, of overname, wordt behandeld als een nieuwe aanvraag tot exploitatie. Hiervoor dient het aanvraagformulier van de Rijksoverheid te worden ingevuld.
5.3 Verhuizing
Bij verhuizing van een kinderopvanglocatie moet de adreswijziging worden behandeld als een nieuwe aanvraag tot exploitatie. Hiervoor dient de oude voorziening uitgeschreven te worden. Op het mutatieformulier moet worden aangegeven dat er sprake is van een verhuizing. Voor de nieuwe voorziening moet een aanvraagformulier worden ingevuld. Gastouderbureaus hoeven alleen een wijzigingsverzoek van het vestigingsadres in te dienen. Dit omdat er op de locatie van een gastouderbureau geen kinderen worden opgevangen.
5.3.1 Verhuizing naar andere gemeente
Bij verhuizing van de voorziening naar een andere gemeente moet een mutatie worden verzonden naar de huidige gemeente. De huidige gemeente stuurt het verzoek door en het College van de nieuwe gemeente zal hier vervolgens een besluit over nemen. Indien nodig kan de GGD om advies gevraagd worden.
5.4 Illegale kinderopvang
Indien een voorziening zonder toestemming of met ingetrokken toestemming geëxploiteerd wordt is er sprake van illegale kinderopvang. Hier wordt door het College streng tegen opgetreden. Op grond van de Wet economische delicten artikel 1, lid 2 kan dit reden zijn tot aangifte bij het Openbaar Ministerie.
Hoofdstuk 6 Handhaving
Het College is verantwoordelijk voor de toezicht en handhaving en kan een handhavingsbesluit nemen als wordt geconstateerd dat de kwaliteitseisen zoals omschreven in de Wet kinderopvang niet of onvoldoende worden nageleefd. Dit kan zowel het inspectierapport van de GGD als eigen bevindingen als aanleiding hebben. Het is verplicht in de Wet kinderopvang om handhavingsbesluiten te publiceren in het Landelijk register kinderopvang zodra het besluit onherroepelijk is. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra de procedures omtrent bezwaar en beroep zijn afgerond. Bij elk besluit worden de mogelijkheden tot bezwaar en beroep schriftelijk bekend gemaakt aan de houder. Indien tekortkomingen worden geconstateerd heeft het College de mogelijkheid tot het opleggen van:
- a.
schriftelijke aanwijzing;
- b.
herstelsanctie;
- c.
bestraffende sanctie;
- d.
exploitatieverbod;
- e.
uitschrijving uit het Landelijk register kinderopvang.
Een zienswijzeprocedure maakt deel uit van de procedure. Bij het opleggen van de bestraffende sanctie of herstelsanctie heeft het College als mogelijkheden voor hersteltermijn:
- -
prioriteit hoog: maximaal 2 weken. Er is sprake van (een) overtreding(en) met direct gevolg voor de veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de opvang;
- -
prioriteit gemiddeld: maximaal 2 maanden. Er is sprake van benodigd herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve eisen die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang;
- -
prioriteit laag: maximaal 6 maanden. Er is sprake van (een) overtreding(en) die geen direct gevolg(en) heeft/hebben voor de veiligheid en gezonde omgeving van kinderen in de opvang.
6.1 Verzachtende en verzwarende omstandigheden
In het besluit om al dan niet te handhaven wordt altijd gekeken naar verzachtende en verzwarende omstandigheden.
6.2 Complimentenbrief
Wanneer bij een voorziening geen tekortkomingen worden geconstateerd ontvangt de houder van de toezichthouder een complimentenbrief.
6.3 Herstellend en bestraffend handhaven
Het College kan zowel herstellend als bestraffend handhaven. Bij herstellend handhaven geldt als uitgangspunt opheffing van de overtreding. De manier van handhaven is afhankelijk van de aard van de overtreding en herstellend en bestraffend handhaven kan naast elkaar worden ingezet.
Traject |
Handhavingsmiddel* |
Formeel herstellend |
Aanwijzing Last onder dwangsom Last onder bestuursdwang Exploitatieverbod Intrekken toestemming tot exploitatie |
Formeel bestraffend |
Bestuurlijke boete |
6.4 Traject
Het traject wordt bepaald aan de hand van het stappenplan zoals vermeld in het Afwegingskader (bijlage). Bij een aanwijzing geldt dat de zienswijze die is opgenomen in het definitieve inspectierapport de zienswijze vormt. Er wordt dan geen voornemen verstuurd. In alle andere gevallen krijgt de houder de kans om een zienswijze in te dienen op het voornemen van een handhavingsbesluit.
6.4.1 Stap 1: Aanwijzing
Zoals omschreven in artikel 1.65 lid 1 Wet kinderopvang. “Het College van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 160a en 1.60c gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven”. In de aanwijzing wordt de aard van de overtreding, de te nemen maatregelen door de houder om de overtreding te herstellen en het hersteltermijn omkleed. Er vindt her-inspectie of overdracht van schriftelijke bewijsstukken plaats. Indien de overtreding na hersteltermijn niet is hersteld wordt overgegaan op stap 2.
6.4.2 Stap 2: Last onder dwangsom
De mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen staat omschreven in artikel 125 lid 2 Gemeentewet en artikel 5.32: Algemene wet bestuursrecht. Een last onder dwangsom wordt opgelegd om herstel van de overtreding en/of voorkoming van recidive af te dwingen. Last onder dwangsom kan meerdere malen worden opgelegd indien het geen resultaat tot gevolg heeft. Last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd als de dreiging tot overtreding zeer waarschijnlijk is. Een last onder dwangsom kan opgelegd worden in de volgende frequenties
- -
Eenmalig;
- -
Per constatering van een overtreding met een vastgesteld maximumbedrag;
- -
Per periode dat de last wordt overtreden waarbij per periode wordt beoordeeld of aan de last is voldaan met een vastgesteld maximumbedrag.
6.4.2.1 Last onder bestuursdwang
Het College neemt maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis te beëindigen. Eventueel gemaakte kosten hierin zijn voor rekening van de houder.
6.4.3 Stap 3: Exploitatieverbod
Zoals omschreven in artikel 1.66 Wet kinderopvang. Het College heeft de bevoegdheid om de vergunning van een voorziening in te trekken indien
- -
de houder een bevel niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is (lid 1) of indien
- -
de voorziening niet (langer) aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in de Wet kinderopvang voldoet (lid 2).
Als de houder de maatregelen zoals gesteld in het exploitatieverbod of daaraan voorafgaande bevel of aanwijzing heeft opgevolgd moet hij hier schriftelijk bewijs van aanleveren bij het College. Het College kan dan de GGD opdracht geven tot onderzoek van dit bewijs en daarmee te toetsen of de houder na de maatregelen wel voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vermeld in de Wet kinderopvang. Het College informeert daarna de houder over of het exploitatieverbod nog blijft gelden. De houder kan ook een verzoek tot intrekking van het exploitatieverbod indienen. Dit verzoek wordt behandeld en er volgt uitspraak door het College over het al dan niet opheffen van het verbod.
6.4.4 Stap 4: Intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering uit het landelijk register kinderopvang
Zoals omschreven in artikel 1.46 lid 5 en 6 Wet kinderopvang, artikel 1.47a lid 2 Wet kinderopvang en artikel 8 lid 1 Besluit landelijk register kinderopvang. Het College kan de voorziening uitschrijven uit het Landelijk register kinderopvang als
- -
De houder niet langer de voorziening exploiteert
- -
Indien uit GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting, eventueel gedurende langere tijd, niet voldoet aan de kwaliteitseisen
- -
Indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de kinderopvangvoorziening niet daadwerkelijk is gestart.
Uitschrijving van het Landelijk register kinderopvang is het uiterste middel dat de gemeente in zal zetten indien overige maatregelen niet het gewenste effect hebben. Uitschrijving uit het Landelijk register kinderopvang heeft als gevolg dat de locatie niet langer een kinderopvangvoorziening is in de zin van de Wet. Indien opvang alsnog plaats vindt is er dus sprake van illegale kinderopvang. In de Wet kinderopvang is opgenomen dat het College via de gemeentepagina of in een huis-aan-huis blad inwoners op de hoogte brengt van de uitschrijving van een voorziening uit het LRK, behalve in het geval van een gastouderopvangvoorziening.
6.5 Bestraffend traject
Naast een herstellend traject kan ook een bestraffend traject worden opgelegd. De boete kan opgelegd worden voor het overtreden van een bepaalde kwaliteitseis. Een boete is onvoorwaardelijk en de houder is verplicht deze te betalen. De boete kan niet ongedaan worden gemaakt door de overtreding van de kwaliteitseisen te herstellen. In de Wet kinderopvang is het maximum boetebedrag dat het College mag opleggen vastgesteld op €45.000,00. De normbedragen zijn vastgesteld in het afwegingskader. Deze worden met de vermenigvuldigingsfactor verrekend op basis van het aantal kindplaatsen of het aantal bemiddelingsrelaties van de voorziening.
6.6 Afwegingsoverzicht
Om tot een besluit over de situatie te komen worden onderstaande omstandigheden afgewogen. Hierdoor kan met onderbouwing afgeweken worden van het stappenplan in het afwegingskader.
- -
Wat is de aard van de overtreding?
- -
Is er een herstelaanbod geweest?
- -
Welke prioriteit heeft de overtreding?
- -
Is er sprake van recidive?
- -
Wat zijn de verzachtende en verzwarende omstandigheden?
- -
Vindt de overtreding plaats uit economische overwegingen?
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
7.1 Citeertitel
Deze beleidsregel worden aangehaald als ‘’Beleidsregel handhaving Wet kinderopvang Bunschoten 2023’’.
7.2 Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels handhaving kwaliteit kinderopvang 2018 Bunschoten. Tekortkomingen die in 2022 geconstateerd zijn zullen worden opgevolgd conform de Beleidsregels handhaving kwaliteit kinderopvang 2018 Bunschoten.
Ondertekening
Vastgesteld in de vergadering van 22 november 2022
drs. J.F.H. Jennekens
secretaris/directeur,
M. van de Groep
burgemeester,
Bijlage 1. Afwegingskader handhavingsbeleid kinderopvang gemeente Bunschoten
Stappen bij constatering van een overtreding
Toelichting: een herstellend en bestraffend traject kan naast elkaar worden ingezet. Na het opleggen herstellende sancties wordt een nadere inspectie uitgevoerd om te bepalen of de tekortkoming is opgeheven.
Prioritering3
De hoogte van het normbedrag is gerelateerd aan de prioriteit van de overtreding.
Niveau |
Maximale hersteltermijn |
Gemiddeld |
2 maanden |
Hoog |
2 weken |
Vermenigvuldigingsfactoren
Op basis van het normbedrag wordt de hoogte van de last onder dwangsom en/of bestuurlijke boete bepaald aan de hand van de omvang van de voorziening. De vermenigvuldigingsfactor wordt vermenigvuldigd met het normbedrag zoals vermeld in dit afwegingskader.
Soort |
Omvangng |
kindplaatsenkkinkindplaatsen |
Vermenigvuldigingsfactor |
KDV of BSO |
Klein |
1-20 geregistreerde kindplaatsen |
Normbedrag maal 1/3 |
Middel |
21-60 geregistreerde kindplaatsen |
Normbedrag maal 2/3 |
|
Groot |
61 of meer geregistreerde kindplaatsen |
Normbedrag maal 3/3 |
|
GOB |
Klein |
1-40 geregistreerde bemiddelingsrelaties |
Normbedrag maal 1/3 |
Middel |
41-100 geregistreerde bemiddelingsrelaties |
Normbedrag maal 2/3 |
|
Groot |
101 of meer geregistreerde bemiddelingsrelaties |
Normbedrag maal 3/3 |
|
VGO |
Klein |
Maximaal 6 geregistreerde kindplaatsen |
Normbedrag maal 1/3 |
Registratie, wijzigingen en administratie |
Prioriteit |
Normbedrag |
Een kindercentrum is in exploitatie zonder dat uit onderzoek is gebleken dat dit zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen. (art 1.45 lid 3 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
Geldboete 4e categorie |
De houder doet van een wijziging in aangewezen gegevens niet onverwijld mededeling aan het college. (art 1.47 lid 1 en 2 en artikel 1.67b lid 3 Wet kinderopvang) BSO, KDV, GOB |
Hoog |
€3.000,- |
Kinderopvang geschiedt niet op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder. (art 1.52 lid 1 en 1.56 lid 4 Wet kinderopvang) BSO, KDV, GOB |
Gemiddeld |
€750,- per overeenkomst |
De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt. De administratie is niet compleet (art 1.53 en 1.56 lid 6 Wet kinderopvang) BSO, KDV, GOB |
Hoog |
€3.000,- |
Er is geen sprake van inzichtelijke betalingen van vraagouders aan gastouderbureau en van gastouderbureau aan gastouders. (art. 1.67 onder a Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€1.500,- per onderdeel |
Pedagogisch klimaat |
Prioriteit |
Normbedrag |
(art. 1.50 lid 1 en lid 2, art. 1.51, lid 1 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€6.000,- |
Houder stelt geen pedagogisch beleisdplan vast, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven (art. 1.56 lid 1 en 1.56b, lid 1 en 2f Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€6.000,- |
Het pedagogisch beleidsplan is niet compleet. (art 1.50 lid 1 en 2 en 1.51 lid 1 en 1.56b, lid 1 Wet kinderopvang) BSO, KDV en GOB |
Hooog |
€3.000,- |
De houder draagt er geen zorg voor dat er conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld. (art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO en KDV |
Hoog |
€7.500,- |
Houder voert geen zodanig beleid dat de gastouder de kwaliteitseisen kan naleven en stelt hiertoe geen pedagogisch beleidsplan ter beschikking aan de gastouder. (art. 1.56b, lid 1 en lid 2f Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- |
De gastouder handelt niet overeenkomstig het pedagogisch beleidsplein dat door het gastouderbureau is opgesteld en ter beschikking is gesteld (art. 1.51a, lid b en 1.56 b Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
Voorschoolse educatie omvat minder dan 10 uur per week. Per acht feitelijk aanwezige kinderen in de groep is niet ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie aanwezig. De groep bestaat niet uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen. (art 1.50b Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€3.000,- |
De beroepskrachten voorschoolse educatie zijn niet in het bezig van een getuigschrift of een bewijs dat met gunstig gevolg scholing is afgerond specifiek gericht op het geven van voorschoolse educatie. De beroepskrachten voorschoolse educatie beheersen niet aantoonbaar de taaleis op tenminste 3F niveau. (art. 1.50b Wet kinderopvang) KDV |
Gemiddeld |
€1.500,- |
Voor de voorschoolse educatie wordt geen programma gebruikt (art 1.50b Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€2.000,- |
De houder stelt jaarlijks geen opleidingsplan op. (art. 1.50b Wet kinderopvang) KDV |
Gemiddeld |
€3.000,- indien niet aanwezig €1.500,- indien niet actueel |
Personeel en groepen |
Prioriteit |
Normbedrag |
Een vog-plichtige:
De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt. De houder overlegt niet (tijdig) opnieuw zijn geldige vog op verzoek van de toezichthouder. Personen van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig zijn op het opvangadres of huisgenoot zijn van de gastouder staan niet ingeschreven in het personenregister kinderopvang. voor zover het natuurlijke personen betreft
Een persoon die niet voldoet aan de vog/prk-eisen heeft zijn werkzaamheden aangevangen. (art 1.50 lid 3, 4 6, 7 en 8 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€3.000,- per persoon per eis |
Een beroepskracht of een pedagogisch beleidsmedewerker beschikt niet over een passende opleiding conform de meest recent aangevangen cao. De inzet van beroepskrachten in opleiding gebeurt niet overeenkomstig de voorwaarden zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao. Gedurende de opvang is er geen volwassene aanwezig die gekwalificeerd is voor eerste hulp aan kinderen. (art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.50b Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Een beroepskracht meertalige bso beschikt niet over:
(art. 15 lid 1 en 2 BKK) BSO |
Hoog |
€3.000,- |
Gastouder beschikt niet over een getuigschrift van een (beroeps)opleiding of erkenning van een beroepskwalificatie. Gastouder beschikt niet over een geregistreerd certificaat eerste hulp aan kinderen bij ongevallen. (art. 1.56, lid 1 en 2 Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
Het gastouderbureau draagt er geen zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis minstens 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling. (art. 1.56, lid 7 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- |
De beroepskracht-kindratio wordt niet nageleefd. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires is geen rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden. (art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- per ontbrekende beroepskracht |
Indien op basis van de beroepskracht-kindratio één beroepskracht aanwezig is, is ter ondersteuning van deze beroepskracht geen andere volwassene aanwezig. Indien minder beroepskrachten worden ingezet dan wettelijk vereist is, waardoor er slechts één beroepskracht aanwezig is, dan voldoet de ondersteuning van deze beroepskracht niet aan de wettelijke voorschriften. (art. 1.49, lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- per ontbrekende beroepskracht |
De opvang vindt niet plaats in stamgroepen of basisgroepen. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
De eisen aan de maximale omvang van de stamgroep of basisgroep wordt overschreden. Eisen aan de maximale omvang van de gecombineerde groep worden overschreden. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- per kind teveel |
Ouders hebben schriftelijk geen toestemming gegeven voor de een vooraf overeengekomen periode van opvang in een andere stam- of basisgroep. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Er is niet aan elk kind een mentor toegewezen (art. 1.50 lid 1 en 2, Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Gemiddeld |
€1.500,- |
Houder deelt ouders en kind niet of onvoldoende mee tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskracht op welke dag op de stamgroep staat. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Er is sprake van meer dan twee vaste beroepskrachten bij kinderen tot 1 jaar of drie vaste beroepskrachten bij kinderen vanaf 1 jaar. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€1.500,- |
Een kind maakt gedurende de week gebruik van meer dan twee verschillende stamgroepruimtes. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€3.000,- |
De samenstelling van de groep voldoet niet aan de gestelde eisen. (art. 1.49 lid 3 Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
Gebruik geschreven voertaal |
|
|
De voertaal voldoet niet aan de gestelde eisen. (art. 1.55 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€3.000,- |
Veiligheid en gezondheid |
|
|
De houder heeft niet voor elk kdv en bso een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. De houder draagt er onvoldoende zorg voor dat er conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld. (art. 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€6.000,- |
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt niet drie maanden na opening geëvalueerd en/of het beleid is niet actueel. (art. 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat niet de wettelijke voorgeschreven onderwerpen. (art. 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
De houder voert geen beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de door de gastouder op te vangen kinderen op het opvangadres gewaarborgd is. De houder inventariseert niet jaarlijks samen met de gastouder de risico’s van alle voor de kinderen toegankelijke ruimten in elke woning waar de gastouderopvang plaatsvindt. De houder stelt geen plan van aanpak op samen met de gastouder. De risico-inventarisatie is niet actueel De risico-inventarisatie omvat niet alle wettelijk voorgeschreven onderwerpen. (art. 1.49 lid 4a en 1.51 en 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€6.000,- |
Er ontbreekt een originele en ondertekende versie van de risico-inventarisatie bij de gastouderopvang. (art. 1.49 lid 3 en 1.56b lid 1 en 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- |
Houder draagt er onvoldoende zorgt voor dat bij alle aangesloten gastouders wordt gehandeld conform de opgestelde risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid. (art. 1.49 lid 4a, 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€1.500 per gastouder |
De gastouder houdt bij de uitvoering onvoldoende rekening met de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid. De gastouder draagt er onvoldoende zorg voor dat de maatregelen uit het plan van aanpak binnen de gestelde termijn worden genomen. De gastouder draagt onvoldoende zorg voor een actuele lijst met ongevallen. Op een adres waar opvang plaatsvindt ontbreekt een op dat adres toegespitste inventarisatie. (art. 1.49 lid 3, 1.56b lid 1 en 2 Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
Een gastouder is niet goed telefonisch bereikbaar. Bij opvang van meer dan drie kinderen is er geen adequate vervanging bij calamiteiten. De gastouder zorgt niet voor vervanging die aan de voorschriften voldoet. (art. 1.49 lid 3, 1.56b lid 1 en 2 Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
De houder heeft geen meldcode kindermishandeling vastgesteld die aan de wettelijke voorschriften voldoet. De houder bevordert onvoldoende de kennis en het gebruik van de meldcode bij personeel of bij gastouders. De houder handelt niet volgens de wettelijke meldplicht en bevordert onvoldoende de kennis en het gebruik ervan. (art. 1.56b, lid 1, 1.51a lid 4 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€6.000,- |
Accommodatie en inrichting |
|
|
De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven zijn niet veilig, toegankelijk of passend ingericht. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO, KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Er is per kind minder dan 3,5 vierkante meter aan binnenspeelruimte beschikbaar. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO |
Hoog |
€3.000,- per kind teveel |
Per kind is minder dan 3 vierkante meter buitenspeelruimte beschikbaar. De buitenspeelruimte grenst (bij voorkeur) niet aan het kindercentrum en is ook niet veilig en toegankelijk voor kinderen. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) BSO |
Hoog |
€3.000,- per kind teveel of per eis |
Er ontbreekt een afzonderlijke vaste groepsruimte voor elke stamgroep. Er is voor kinderen tot anderhalf jaar geen afzonderlijke slaapruimte aanwezig. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€3.000,- |
Per kind is minder dan 3,5 vierkante meter binnenspeelruimte beschikbaar. Er is per kind minder dan 3 vierkante meter vaste buitenspeelruimte beschikbaar. De buitenspeelruimte is voor kinderen in de leeftijd tot 2 jaar niet aangrenzend aan het kinderdagverblijf. Voor kinderen vanaf 2 jaar grenst de buitenspeelruimte niet aan het gebouw. (art. 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) KDV |
Hoog |
€3.000,- per kind teveel of per eis |
De woning waar de gastouderopvang plaatsvindt beschikt niet over voldoende speel- en slaapruimte dat is afgestemd op het aantal kinderen. De binnen- en buitenruimten waar de kinderen verblijven zijn niet of onvoldoende veilig, toegankelijk en passend ingericht. (art. 1.49 lid 3 e 1.56b lid 1 en 2 Wet kinderopvang) VGO |
Gemiddeld |
€1.500,- |
De woning waar de gastouderopvang plaatsvindt is niet rookvrij. (art. 1.49 lid 3, 1.56b lid 2 Wet kinderopvang) VGO |
Hoog |
€3.000,- |
Ouderrecht |
|
|
De houder informeert de ouders niet of onvoldoende over de tijden dat er minder beroepskrachten ingezet worden dan vereist. (art. 1.50 lid 2 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€3.000,- |
De houder informeert ouders en een ieder die daarom verzoekt niet of onvoldoende over het te voeren beleid. (art. 1.54 lid 1 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€3.000,- |
De houder informeert ouders en personeel niet over het inspectierapport. Het inspectierapport wordt niet na ontvangst op de website of op een toegankelijke plaats gedeeld. (art. 1.54 lid 2 en 3 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Hoog |
€3.000,- |
De houder informeert vraagouders niet over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er geen zorg voor dat de risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid inzichtelijk is voor de vraagouders. In de schriftelijke overeenkomst met de vraagouders is niet duidelijk te zien hoe de ontvangen gelden worden verdeeld tussen het gastouderbureau en de gastouder. (art. 1.56 lid 2 en 4 en 1.54a lid 1 Wet kinderopvang) GOB |
Gemiddeld |
€3.000,- |
|
|
|
Oudercommissie |
|
|
De houder heeft geen oudercommissie ingesteld. De houder heeft zich onvoldoende aantoonbaar voldoende ingespannen om een oudercommissie in te stellen en/of biedt ouders niet de kans om deel te nemen aan een oudercommissie bij een voorziening met maximaal 50 kindplaatsen. Er is geen oudercommissie ingesteld en de houder betrekt ouders onvoldoende bij de uitvoering van kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 1.50 van de Wko en alle andere aspecten waarop adviesrecht berust. (art. 1.46 lid 2, 1.58 lid 1, 2 en 3, 1.59 lid 1, 1.60 lid 1 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€3.000,- |
Er is binnen 6 maanden na registratie in het LRK geen reglement oudercommissie vastgesteld, tenzij er op grond van artikel 1.58 lid 2 geen oudercommissie is. (art. 1.58 lid 1 en 2, Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€3.000,- |
De oudercommissie is niet samengesteld conform de wettelijke eisen Het reglement oudercommissie voldoet niet aan de gestelde eisen. (art. 1.58 lid 4, 5 en 6 en 1.59 lid 2, 3 en 5 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€1.500,- |
De voorziening is niet aangesloten bij de geschillencommissie. (art. 1.57b en c en 1.60 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€1.500,- |
De klachtenregeling voldoet niet aan de gestelde eisen. De houder handelt niet conform de klachtenregeling. (art. 1.57 lid 2 en 3 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€1.500,- |
De mogelijkheid om geschillen aan de commissie voor te leggen wordt niet passend aan ouders medegedeeld. De klachtenregeling wordt niet of onvoldoende onder de aandacht van ouders gebracht. (art. 1.57b, lid 3 en 1.57c lid 2 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€3.000,- |
Er wordt geen openbaar jaarverslag gestuurd aan de GGD terwijl dit wel moet. Het jaarverslag voldoet niet aan de wettelijke eisen. (art. 1.57b, lid 3 en 1.57c lid 2 Wet kinderopvang) Alle voorzieningen |
Gemiddeld |
€1.500,- |
Domein kwaliteit gastouderbureau |
|
|
Het gastouderbureau voert geen beleid dat er redelijkerwijs voor zou moeten zorgen tot verantwoorde uitvoering van werkzaamheden en tot naleving van artikel 1.56b door de gastouder. (art. 1.49 lid 4, 1.56b Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- |
Het gastouderbureau is onvoldoende telefonisch bereikbaar voor vraag- en gastouders. (Bkg 12 lid 2) GOB |
Hoog |
€3.000,- |
Er is niet per voorziening voor gastouderopvang beoordeeld hoeveel kinderen en van welke leeftijd kinderen opgevangen kunnen worden. (art. 1.49 lid 4a, 1.56 lid 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€1.500,- per ontbrekende beoordeling |
Niet alle opvangadressen worden twee maal jaarlijks bezocht. Er is geen jaarlijks voortgangsgesprek met de gastouder. (art. 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- per voorziening voor gastouderopvang |
Er is geen jaarlijkse mondelinge evaluatie van de gastouderopvang met vraagouders. OF de evaluatie wordt niet schriftelijk vastgelegd. (art. 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang) GOB |
Hoog |
€3.000,- per voorziening voor gastouderopvang |
Overige voorschriften |
|
|
Schenden medewerkingsplicht (art. 1.72 lid 1-9 Wet kinderopvang) |
Hoog |
Boete 2e categorie |
Niet opvolgen aanwijzing/bevel (artikel 1.65 Wet kinderopvang) |
Hoog |
€4.000,- |
Niet opvolgen exploitatieverbod (artikel 1.66 Wet kinderopvang) |
Hoog |
Boete 4e categorie |
Niet nakomen afspraak als bedoeld in artikel 167 op primair onderwijs (artikel 1.72 lid 1 Wet kinderopvang) |
Hoog |
€4.000,- |
Afkortingen en begrippen
kdv |
Kinderdagverblijf |
bso |
Buitenschoolse opvang |
VGO |
Voorziening voor gastouderopvang |
GOB |
Gastouderbureau(s) |
Voorziening |
Kinderopvanglocatie die onder de Wet kinderopvang valt (kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, voorziening voor gastouder en gastouderbureau) |
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl