Regeling vervallen per 18-03-2024

Regels Subsidieverlening Gelderland 2023

Geldend van 19-07-2023 t/m 03-09-2023

Intitulé

Regels Subsidieverlening Gelderland 2023

Bekendmaking van het besluit van 15 november 2022 - zaaknummer 2022-007425 tot vaststelling van een regeling

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Gedeputeerde Staten

gelet op artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening Gelderland 2016

Besluiten

vast te stellen de volgende regeling:

Regels Subsidieverlening Gelderland 2023

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Algemene begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), voor het laatst gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2021/1237 (PbEU 20121 L 270);

  • b.

    AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

  • c.

    directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder;

  • d.

    directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen;

  • e.

    indirecte kosten: indirecte loonkosten en voor overhead;

  • f.

    indirecte loonkosten: kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en van emolumenten;

  • g.

    kosten van apparatuur:

    • i.

      kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

    • ii.

      kosten voor het gebruik van overige apparatuur ten bate van de subsidiabele activiteit.

  • h.

    kosten van derden: kosten voor het uitbesteden van diensten en het inlenen van personeel ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

  • i.

    kosten van materialen: kosten voor verbruiksgoederen;

  • j.

    landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PBEU 2022, L327).

  • k.

    onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden en die gecertificeerd is bij een passende kamer van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs;

  • l.

    publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • m.

    rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen;

  • n.

    sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn.

Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik

Hoofdstuk 1 is buiten het bereik van deze regeling van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie waarvan Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3 van de AsG of op grond van een bijzonder besluit bevoegd zijn.

Paragraaf 1.2 De aanvraag

Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen

Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend.

Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan

Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend.

Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie

  • 1. Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen;

    • b.

      een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting;

    • c.

      als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 2.500.000 of meer bedraagt: een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid dan wordt, in afwijking van het eerste lid, onder b, een verklaring bij de aanvraag verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende middelen beschikt om eventuele resterende kosten te dekken.

  • 3. Als voor dezelfde activiteiten subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag.

Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies

  • 1. De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar.

  • 2. Als voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend.

Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging

Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld.

Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag

Artikel 1.3.1 Wijze van verdeling

  • 1. Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 2. Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere ontvankelijke aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde van die aanvragen bepaald door loting. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen binnen een bepaald tijdvak worden ingediend en op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. Als het vanwege technische storingen gedurende een onafgebroken periode van twee uur direct voorafgaand aan de deadline niet mogelijk is om met het online subsidieportal een subsidieaanvraag in te dienen, verlengen Gedeputeerde Staten het tijdvak waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend met 24 uur.

  • 4. Op aanvragen als bedoeld in het derde lid wordt in afwijking van het eerste lid beslist op basis van die rangorde.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren als die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Artikel 1.3.2 Communautair toetsingskader

  • 1. Als de verstrekking van subsidie een steunmaatregel betreft in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU en er geen andere staatssteunoplossing voorhanden is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt als tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening of de Catalogus Groenblauwe Diensten aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01).

Artikel 1.3.3 Sluitende begroting

  • 1. Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is.

  • 2. Als toepassing wordt gegeven aan artikel 1.2.3, tweede lid, wordt de begroting geacht sluitend te zijn.

Artikel 1.3.4 Niet-subsidiabele kosten

Geen subsidie wordt verstrekt in verband met:

  • a.

    kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

  • b.

    kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

  • c.

    verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

  • d.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties;

  • e.

    legeskosten als de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan;

  • f.

    kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

  • g.

    kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager;

  • h.

    kosten gemaakt na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG;

  • i.

    fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

  • j.

    kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten;

  • k.

    niet-noodzakelijke of bovenmatige kosten.

Artikel 1.3.5 Methoden voor berekening van kosten

  • 1. De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden:

    • a.

      de vaste uurtariefsystematiek;

    • b.

      de loonkosten plus vaste opslagsystematiek;

    • c.

      de integrale kostensystematiek.

  • 2. De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek.

  • 3. Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7. In afwijking van het vijfde lid kunnen instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kiezen voor een van de methoden voor het berekenen van kosten als genoemd in het eerste lid.

Artikel 1.3.6 Vaste uurtariefsystematiek

  • 1. De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn:

    • a.

      een vast uurtarief van € 50 als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten;

    • b.

      kosten van apparatuur;

    • c.

      kosten van materialen; en

    • d.

      kosten van derden.

  • 2. Het aantal gewerkte uren bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 en moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies beneden een bedrag van € 125.000.

Artikel 1.3.7 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek

  • 1. De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn:

    • a.

      een uurtarief voor directe loonkosten;

    • b.

      een opslag van 20% over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten;

    • c.

      een vast uurtarief van € 50 als vergoeding voor de directe arbeidskosten;

    • d.

      kosten van apparatuur;

    • e.

      kosten van materialen; en

    • f.

      kosten van derden.

  • 2. Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door de productieve uren. Het aantal productieve uren wordt bepaald door het aantal van 1600 uren te vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Het uurtarief bedraagt ten hoogste € 93.

  • 3. Bij subsidieverstrekking met een structureel karakter, waarbij voor activiteiten gedurende een periode van drie jaar of meer jaarlijks subsidie wordt verstrekt, bedraagt in afwijking van het eerste lid onder b de opslag voor indirecte kosten 25%.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen van het in het derde lid genoemde percentage voor de opslag voor indirecte kosten afwijken als de noodzaak van de afwijking aannemelijk is gemaakt.

  • 5. Het aantal gewerkte uren bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 op basis van een voltijd dienstverband en wordt per betrokken medewerker in de administratie met bijhorende loonkosten vastgelegd.

  • 6. Het derde lid is niet van toepassing op subsidies beneden een bedrag van € 125.000.

Artikel 1.3.8 Berekeningswijzen kosten

  • 1. Bij de toepassing van de artikelen 1.3.6 en 1.3.7 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid.

  • 2. De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder c, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief.

  • 3. Het machine-uurtarief wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 4. Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie.

  • 5. De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat.

  • 6. De lineaire afschrijving wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 7. De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

  • 8. De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers bedraagt per vrijwilliger maximaal het bedrag per uur, per maand en per jaar als door de Belastingdienst voor dat jaar is vastgesteld en zijn subsidiabel voor zover:

    • a.

      deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald;

    • b.

      het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger is vastgelegd.

Artikel 1.3.9 Integrale kostensystematiek

  • 1. De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn:

    • a.

      een tarief voor de directe en indirecte kosten (kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en van emolumenten) van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers, en

    • b.

      kosten van derden.

  • 2. De kosten per kostendrager worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager.

  • 3. Het tarief wordt gebaseerd op een positief besluit van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek en het rapport van bevindingen van de accountant.

  • 4. De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief.

Artikel 1.3.10 Hoogte van de subsidie

  • 1. Als bij de beoordeling van de subsidieaanvraag blijkt dat door het verlenen van de gevraagde subsidie er een overschot op de begroting ontstaat, wordt de subsidie verminderd met het bedrag dat gelijk staat aan het positief resultaat op de begroting.

  • 2. Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid, is het eerste lid niet van toepassing.

Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1 Administratieplicht

De subsidieontvanger is verplicht alle op de gesubsidieerde activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste tien jaren na vaststelling van de subsidie te bewaren.

Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die alle relevante informatie bevat voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten.

  • 2. Het voeren van een administratie houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken;

    • b.

      bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en uit die bewijsstukken de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt; en

    • c.

      uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven.

Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage

Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, verplichten om jaarlijks een voortgangsrapportage over te leggen.

Artikel 1.4.4 Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 2. De beschikking tot subsidieverstrekking kan naar aanleiding van een melding worden gewijzigd als dit past binnen de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en niet onredelijk laat is gedaan.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht, als met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten dit te melden en de verstrekte subsidie terug te betalen.

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken na ontvangst van de melding.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen.

Artikel 1.4.6 Vermogensvorming

  • 1. De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd.

  • 2. Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.

  • 3. De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.

  • 4. De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen.

  • 5. Als minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is als:

    • a.

      de activiteiten door een ander worden overgenomen;

    • b.

      de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en

    • c.

      de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger.

Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten

De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet.

Artikel 1.4.8 Medewerking aan evaluatie

  • 1. De subsidieontvanger werkt mee aan een door of namens Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek, dat erop gericht is de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking te evalueren.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen aan het besluit tot subsidieverlening of tot subsidievaststelling voorschriften verbinden over het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden ten behoeve van een evaluatie.

Paragraaf 1.5 Vaststelling

Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidie tussen € 25.000 en € 125.000

  • 1. De subsidieontvanger van een subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 geeft bij het verzoek om subsidievaststelling aan:

    • a.

      of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een activiteitenverslag;

    • b.

      of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2. De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan:

    • a.

      wat het totaal van de subsidiabele kosten is;

    • b.

      in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is;

    • c.

      wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en

    • d.

      wat het totaal van de eigen bijdragen is.

Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000

  • 1. Als toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie vergezeld van:

    • a.

      de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord;

    • b.

      het jaarverslag; en

    • c.

      de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a.

  • 2. De aanvraag om vaststelling wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd.

Paragraaf 1.6 Overige bepalingen

Artikel 1.6.1 Incidentele subsidie

In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan een incidentele subsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen.

Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO

Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is hierop in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29 en paragraaf 6 van de AsG de Uitvoeringswet EFRO van toepassing.

Paragraaf 1.7 Subsidie SPUK

Artikel 1.7.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    SPUK: specifieke uitkering van het Rijk;

  • b.

    SPUK-beschikking: beschikking van een Minister op aanvraag van Gedeputeerde Staten van Gelderland op grond waarvan middelen worden verstrekt;

  • c.

    SPUK-regeling: regeling op grond waarvan de SPUK-beschikking is verstrekt.

Artikel 1.7.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een activiteit waarvoor het Rijk op grond van een SPUK middelen aan de provincie beschikbaar heeft gesteld.

Artikel 1.7.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als de SPUK-beschikking de subsidieontvanger, de subsidiabele activiteit en het bedrag vermeldt waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 1.7.4 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf het moment dat Gedeputeerde Staten de SPUK-beschikking heeft ontvangen.

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.3, eerste lid, onder c, wordt, als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 125.000 of meer bedraagt, bij de aanvraag een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd bijgevoegd.

  • 3. Van het tweede lid kan worden afgeweken als de SPUK-regeling of SPUK-beschikking dit toestaat.

Artikel 1.7.5 Aanvrager

Subsidie wordt alleen verstrekt aan een subsidieontvanger die vermeld staat in de SPUK-beschikking.

Artikel 1.7.6 Subsidiabele kosten

Als de SPUK-regeling of de SPUK-beschikking afwijkt van artikel 1.3.4, geldt hetgeen in de SPUK-regeling of SPUK-beschikking over de berekening van de subsidiabele kosten is bepaald.

Artikel 1.7.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat in de SPUK-beschikking staat vermeld.

Artikel 1.7.8 Verplichting

Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op of in afwijking van paragraaf 1.4 bij besluit tot subsidieverlening nadere eisen stellen aan de verantwoording voor zover dit op grond van de SPUK-regeling of SPUK-beschikking wenselijk is.

Artikel 1.7.9 Vaststelling

Als de subsidieontvanger een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, dient deze in afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG binnen 18 maanden na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Hoofdstuk 2 Natuur en Landbouw

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1 Algemene begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • b.

    agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden;

  • c.

    agrarisch leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd;

  • d.

    ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur;

  • e.

    Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen;

  • f.

    duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem;

  • g.

    functieverandering: feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond;

  • h.

    ganzenrustgebied: gebied bedoeld om overwinterende beschermde inheemse ganzen rust te bieden en welk gebied door Provinciale Staten als zodanig is vastgesteld;

  • i.

    gebouw: opstal alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstal is gelegen;

  • j.

    gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf;

  • k.

    gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over of gebruik maakt van een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • l.

    GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten nadien gewijzigde begrenzing;

  • m.

    grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken;

  • n.

    grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I bij de Landbouw groepsvrijstellingsverordening;

  • o.

    hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen;

  • p.

    innovatie: proces waarbij kennis en technologie, worden samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte van wat al op de markt beschikbaar is;

  • q.

    inrichting: uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen;

  • r.

    knelpunt: locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren;

  • s.

    landbouwbedrijf: eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in artikel 2, onder 8, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf;

  • t.

    landbouwbedrijfsgebouw: gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf;

  • u.

    landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485);

  • v.

    landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten;

  • w.

    leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen;

  • x.

    modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op een nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd;

  • y.

    Gelderse nationale landschappen: nationale landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005;

  • z.

    Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden op basis van de Wet natuurbescherming;

  • aa.

    Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied;

  • bb.

    natura 2000-maatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000-beheerplannen of ontwerpbeheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden;

  • cc.

    natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, aangeduid als N00.01 en waarvoor is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur;

  • dd.

    natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • ee.

    natuurbeheertype: in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap;

  • ff.

    natuurgebied: gebied bestaande uit meerdere natuurterreinen;

  • gg.

    natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangewezen en voor subsidie in aanmerking kan komen voor het behoud van hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden;

  • hh.

    natuurterrein: grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur als eenheid is weergegeven, of waarvoor een subsidie voor functieverandering als bedoeld in artikel 2.8.1 is verstrekt;

  • ii.

    niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf;

  • jj.

    nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN;

  • kk.

    prioritaire soorten: soorten als bedoeld in bijlage 2 bij deze regels;

  • ll.

    programma-aanvraag: aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd begunstigde voor meerdere, niet aaneengesloten natuurterreinen;

  • mm.

    marktwaarde: waarde in het vrije economische verkeer;

  • nn.

    biodiversiteitsplan: plan dat is gericht op het vergroten van de biodiversiteit en door een orgaan van de gemeente is vastgesteld.

  • oo.

    faunaschade: schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming;

  • pp.

    invasieve exoot: soort planten of dier dat is geïntroduceerd buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan een bedreiging of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten in Nederland;

  • qq.

    invasieve exoot: Soorten van planten en dieren die zijn geïntroduceerd buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan een bedreiging of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten in Nederland;

  • rr.

    primaire landbouwproductie: productie van in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

  • ss.

    uitvoeringsprogramma: programma waarin staat aangegeven hoe gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan het realiseren van de condities, die nodig zijn voor een landelijk gunstige staat van instandhouding op de locaties, waar bij aanvang van het programma sprake is van een te hoge stikstofdepositie voor stikstofgevoelige soorten en habitats;

  • tt.

    directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder;

  • uu.

    MKB-onderneming: kleine, middelgrote of micro-onderneming die voldoet aan de criteria uit bijlage 1 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 2.2 Biodiversiteit en landschap

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een biodiversiteitsplan;

  • b.

    het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit verhogen, of het aanleggen of herstellen van groenblauwe landschapselementen;

  • c.

    burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en het landschap;

  • d.

    het uitvoeren van herstel- of inrichtingsmaatregelen in een agrarisch leefgebied; of

  • e.

    inrichting met landschapselementen, al dan niet in combinatie met functieverandering van landbouwgrond naar landschapselement.

Paragraaf 2.2a Biodiversiteitsplan

Artikel 2.2a.1 Criteria

Subsidie voor het opstellen van een biodiversiteitsplan wordt alleen verstrekt als in het plan in ieder geval de volgende onderwerpen worden beschreven:

  • a.

    de in het gebied voorkomende planten en dieren;

  • b.

    de in het gebied gewenste planten en dieren;

  • c.

    het actief beschermen van de in het plan genoemde soorten;

  • d.

    natuurinclusief bouwen en vergunnen;

  • e.

    het inrichten en beheren van openbaar groen en bermen; en

  • f.

    het betrekken van inwoners bij (het bevorderen van) biodiversiteit.

Artikel 2.2a.2 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    ambtelijke inzet; en

  • b.

    projectleiding en coördinatie.

Artikel 2.2a.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.

Artikel 2.2a.4 Hoogte

De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000.

Paragraaf 2.2b Fysieke maatregelen biodiversiteit en groenblauwe landschapselementen

Artikel 2.2b.1 Criteria

  • 1.

    Subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit verhogen wordt alleen verstrekt als in het projectplan wordt onderbouwd dat de maatregelen het voortplanten, opgroeien en foerageren van inheemse diersoorten mogelijk maakt of verbetert.

  • 2.

    Subsidie voor het aanleggen of herstellen van groenblauwe landschapselementen wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het groenblauwe landschapselementen uit bijlage 1 Index landschap bij de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer 2016 betreft; en

    • b.

      in een projectplan wordt onderbouwd dat de aanleg bijdraagt aan het realiseren van een gemeentelijk biodiversiteitsplan of landschapsontwikkelingsplan.

Artikel 2.2b.2 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    ambtelijke inzet;

  • b.

    projectleiding en coördinatie, als een gemeente de aanvrager is;

  • c.

    aan- of verkoop van onroerende goederen;

  • d.

    inkomstenderving; en

  • e.

    het verwijderen van verharding, drugsafval of bodemverontreiniging.

Artikel 2.2b.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      een gemeente; of

    • b.

      een eigenaar van een bos of landgoed.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

  • 3. Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 2.2b.4 Hoogte

  • 1. De subsidie bedraagt:

    • a.

      75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager;

    • b.

      50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd buiten de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager;

    • c.

      75% van de subsidiabele kosten die worden aangevraagd door een eigenaar van een bos of landgoed, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; en

    • d.

      maximaal € 20.000 voor zover subsidie wordt aangevraagd door een onderneming die actief is in de primaire productie, verwerking of afzet van landbouwproducten.

  • 2. De subsidiabele kosten voor het maken van een inrichtingsplan bedragen maximaal € 500 per inrichtingsplan.

  • 3. De kosten voor projectleiding of coördinatie bedragen maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 2.2b.5 Weigeringsgrond

  • 1. Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit wordt uitgevoerd binnen:

    • a.

      terreinen waarvoor subsidie op grond van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer is verleend;

    • b.

      een nieuw bedrijventerrein;

    • c.

      een nieuwe woningbouwlocatie; of

    • d.

      de begrenzing van een buitenplaats met de status rijksmonument.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit het beheer van natuur of landschap betreft.

Artikel 2.2b.6 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht inheems plantmateriaal en zaaizaad te gebruiken, tenzij de activiteit ziet op een vorm van agro forestry.

  • 2. Landschapselementen die worden aangelegd worden tenminste 10 jaar in stand gehouden.

Artikel 2.2b.7 Communautair toetsingskader

  • 1. Subsidie aan een eigenaar van een bos of landgoed wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de-minimissteun als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Pb EU L 352/1);

  • 2. Subsidie aan een onderneming actief in de primaire productie, verwerking of afzet van landbouwproducten wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de-minimis steun in de landbouwsector als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (Pb EU L 352/9).

Paragraaf 2.2c Burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en landschap

Artikel 2.2c.1 Aanvrager

Subsidie voor burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en landschap wordt alleen verstrekt aan:

  • a.

    een gemeente; of

  • b.

    een eigenaar van een bos of landgoed.

Artikel 2.2c.2 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    ambtelijke inzet;

  • b.

    projectleiding en coördinatie, als een gemeente de aanvrager is; en

  • c.

    aan- of verkoop van onroerende goederen.

Artikel 2.2c.3 Hoogte

De subsidie bedraagt:

  • a.

    75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager;

  • b.

    50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd buiten de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; en

  • c.

    75% van de subsidiabele kosten die worden aangevraagd door een eigenaar van een bos of landgoed, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 200.000 per aanvrager.

Paragraaf 2.2d Herstel- of inrichtingsmaatregelen op een agrarisch leefgebied

Artikel 2.2d.1 Criteria

Subsidie voor het uitvoeren van herstel- of inrichtingsmaatregelen op een agrarisch leefgebied wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    de maatregel niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het bedrijf;

  • b.

    de maatregel bijdraagt aan de effectiviteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer; en

  • c.

    de maatregel wordt uitgevoerd op een perceel waarvoor subsidie op grond van artikel 3.2 van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer 2016 is aangevraagd.

Artikel 2.2d.2 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    aan- of verkoop van onroerende goederen;

  • b.

    inkomstenderving;

  • c.

    afwateringswerkzaamheden; en

  • d.

    het verwijderen van drugsafval of bodemverontreiniging.

Artikel 2.2d.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een agrarisch collectief.

Artikel 2.2d.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt 95% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 8.000 per hectare.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per onderneming per investeringsproject.

Paragraaf 2.2e Functieverandering en inrichting

Artikel 2.2e.1 Criteria

  • 1. Subsidie voor inrichting wordt alleen verstrekt voor de volgende landschapselementen:

    • a.

      L01.01 poel en klein historisch water, mits:

      • i.

        de oppervlakte van de poel of het water minimaal 50 m2 en maximaal 3000 m2 bedraagt; en

      • ii.

        de diepte van de poel of het water minimaal 0,5 meter bedraagt in de periode tussen 1 oktober en 1 april;

    • b.

      L01.02 houtwal, mits:

      • i.

        sprake is van een op een wallichaam gelegen lijnvormige opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken; en

      • ii.

        de houtwal maximaal 5 meter breed en minimaal 50 meter lang is;

    • c.

      L01.06 struweelhaag, mits:

      • i.

        sprake is van een lijnvorige, aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse struiken; en

      • ii.

        de haag minimaal 25 meter lang is;

    • d.

      struweelrand, mits:

      • i.

        sprake is van een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen;

      • ii.

        maximaal 10% van de rand wordt ingenomen door bomen of struiken, die inheems moeten zijn;

      • iii.

        de rand minimaal 1 meter en maximaal 5 meter breed is;

      • iv.

        de rand minimaal 25 meter lang is; en

      • v.

        e mantel en zoom is gelegen langs een bos;

    • e.

      bosje, mits:

      • i.

        sprake is van een vlakvormig element met een begroeiing van inheemse bomen en struiken; en

      • ii.

        het minimaal 2000 m2 en maximaal 10.000 m2 groot is.

  • 2. Subsidie voor functieverandering wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt;

    • b.

      de subsidieontvanger de betrokken productiecapaciteit sloopt of onherroepelijk sluit; en

    • c.

      het perceel wordt ingericht met een of meer landschapselementen, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.2e.2 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    aan- of verkoop van onroerende goederen;

  • b.

    inkomstenderving; en

  • c.

    het verwijderen van verharding, drugsafval of bodemverontreiniging.

Artikel 2.2e.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers aan een samenwerkingsverband dat bestaat uit een agrarisch collectief en meerdere grondeigenaren.

Artikel 2.2e.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag vermeld:

  • a.

    de grootte van de onderneming;

  • b.

    als sprake is van een grote onderneming: een beschrijving van de levensvatbaarheid van het project door de situatie te schetsen waarin er geen steun verleend wordt;

  • c.

    of en welke andere subsidies de aanvrager ontvangt voor het project en door wie die subsidies worden verstrekt;

  • d.

    een beschrijving van de locatie; en

  • e.

    de start- en einddatum van het project.

Artikel 2.2e.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor inrichting bedraagt 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie functieverandering bedraagt 100% van het verschil tussen de marktwaarde voor en na de functieverandering en inrichting blijkend uit een in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie.

Artikel 2.2e.6 Verplichtingen

De grondeigenaar in het samenwerkingsverband is verplicht:

  • a.

    binnen twaalf weken na verlening met de provincie Gelderland een overeenkomst af te sluiten, waarin is opgenomen:

    • i.

      de verplichting dat de eigenaar de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het landschapsbeheertype zoals voorgeschreven in de Index Natuur en landschap en datgene nalaat wat de veiligstelling van het landschapsbeheertype verstoort; en

    • ii.

      dat deze verplichting zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen;

  • b.

    binnen vier weken nadat de overeenkomst is tot stand gekomen, op kosten van de provincie, de overeenkomst in te laten schrijven als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein in de openbare registers;

  • c.

    een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers toe te zenden aan de Gedeputeerde Staten;

  • d.

    bij de gemeenteraad een verzoek in te dienen om de grond waarop het landschapselement staat te bestemmen als natuur of landschap; en

  • e.

    de uit productie genomen gronden binnen twee jaar in natuurgebied landschapselement om te zetten; en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen.

Artikel 2.2e.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    voor dezelfde activiteit al eerder subsidie is verstrekt;

  • b.

    subsidie wordt aangevraagd door een onderneming die niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoet en op basis daarvan hun productie hoe dan ook moet stopzetten;

  • c.

    de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01);

  • d.

    voor zover op de landbouwgrond of het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer.

Artikel 2.2e.8 Vaststelling

In afwijking van artikel 25 van de AsG wordt een subsidie niet vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening.

Artikel 2.2e.9

Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten.

Artikel 2.2e.10 Transparantie

Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend:

  • a.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en

  • b.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • i.

      € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie;

    • ii.

      € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

Paragraaf 2.3 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    DAEB Kaderregeling: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PbEU 2012, C8);

  • b.

    natuur- of landschapsbeheertype: beheertype genoemd in bijlage 1 of 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • c.

    verwerving: verkrijging van het recht van eigendom door middel van koop of ruil;

  • d.

    waardevermindering: verschil tussen de marktwaarde van de grond of het gebouw bij verwerving en de marktwaarde van de grond of het gebouw na omzetting in natuurterrein, gebaseerd op een onafhankelijke taxatie.

Artikel 2.3.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de AsG, wordt verstrekt voor:

  • a.

    het verwerven van grond;

  • b.

    het pachtvrij of erfpachtvrij maken van grond;

  • c.

    het verwerven van de eigendom van grond in combinatie met het voor die grondverwerving noodzakelijke verwerven van op die grond gevestigde gebouwen.

Artikel 2.3.3 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt als het project betrekking heeft op grond:

    • a.

      die deel uitmaakt van het Gelders natuurnetwerk en in het Natuurbeheerplan is aangeduid met code N00.01, of

    • b.

      die op grond van een ecologische onderbouwing aantoonbaar geschikt is om op voorzienbare termijn toe te voegen aan het Gelders natuurnetwerk.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b, slechts verstrekt als:

    • a.

      de subsidieaanvrager eigenaar is van de grond waarop de pacht of erfpacht is gevestigd;

    • b.

      de pacht of erfpacht reeds was gevestigd op de grond op het moment dat de subsidieaanvrager het recht op eigendom van de grond verkreeg, dan wel reeds was gevestigd voor 1990, en

    • c.

      de beëindiging van de pacht of erfpacht noodzakelijk is om natuurbeheer overeenkomstig het beheertype als aangegeven in het Natuurbeheerplan, mogelijk te maken.

  • 3. Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c, slechts verstrekt als:

    • a.

      het project minimaal 10 hectare grond betreft, en

    • b.

      de grond en de gebouwen deel uit maken van hetzelfde en aaneengesloten perceel.

Artikel 2.3.4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project betrekking heeft op grond waarvan reeds duurzaam geborgd is dat deze als natuur in stand wordt gehouden; of

  • b.

    de subsidieontvanger een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in punt 20 van de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (Pb EU 2014 C49).

Artikel 2.3.5 Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de waardevermindering van de grond;

  • b.

    kosten voor het vrijmaken van het terrein van pacht of erfpacht tegen een reële vergoeding, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

  • c.

    de waardevermindering van de gebouwen als gevolg van het uit productie halen van de landbouwgrond;

  • d.

    veilingkosten;

  • e.

    overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend;

  • f.

    kosten voor historisch of milieukundig bodemonderzoek volgens respectievelijk NEN 5725 of 5740;

  • g.

    kadasterkosten;

  • h.

    notariskosten;

  • i.

    taxatiekosten;

  • j.

    kosten voor de afkoop van landinrichtingsrente, voor zover niet meegenomen in de waardevermindering van de grond;

  • k.

    bemiddelingskosten.

Artikel 2.3.6 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager in ieder geval:

  • a.

    een kadastrale omschrijving van de grond en een kaart met topografische ondergrond met een schaal van ten hoogste 1:10.000 met daarop de ligging van de grond, en

  • b.

    gegevens waaruit het beoogde beheertype en de oppervlakte van de te realiseren natuur blijkt.

Artikel 2.3.7 Aanvrager

  • 1. Subsidie kan worden aangevraagd door een ieder die blijkens haar statutaire doelstellingen duurzaam natuurbeheer verricht dan wel voldoende aannemelijk maakt duurzaam natuurbeheer te kunnen verrichten of te laten verrichten overeenkomstig het Natuurbeheerplan.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.3.8 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel a en d tot en met j.

  • 2. De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel b en g tot en met j.

  • 3. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c, bedraagt:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel a en d tot en met j;

    • b.

      50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onder c, tot een maximum van € 25.000 per hectare met een maximum van € 500.000 per aanvraag.

  • 4. De subsidie voor kosten bodemonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.5, onder f, bedraagt maximaal € 4.500.

  • 5. De subsidie voor bemiddelingskosten, bedoeld in artikel 2.3.5, onder k, bedraagt 90% van de subsidiabele kosten.

  • 6. Subsidies als bedoeld in de voorgaande leden, worden zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of de maximaal toelaatbare vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen.

Artikel 2.3.9 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger:

    • a.

      verwerft de grond dan wel beëindigt de pacht of erfpacht binnen 12 weken na subsidieverlening;

    • b.

      richt de verworven dan wel pachtvrij gemaakte gronden binnen twee jaar in overeenkomstig:

      • i.

        de indicatieve verhouding beheertypen zoals opgenomen in het natuurbeheerplan; of

      • ii.

        door Gedeputeerde Staten vastgestelde beheertypen;

    • c.

      dient bij het bevoegd gezag een aanvraag in tot wijziging van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt;

    • d.

      houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten; en

    • e.

      laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, sluit de subsidieontvanger binnen 12 weken na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting van de eigenaar om voor onbepaalde tijd de ontwikkeling dan wel instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype te dulden;

    • b.

      de verplichting van de eigenaar de betreffende grond na inrichting niet te gebruiken of te doen gebruiken als landbouwgrond en datgene na te laten wat de ontwikkeling en instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype in gevaar brengt of verstoort;

    • c.

      dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, zullen overgaan op degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degene die van de rechthebbende een recht op gebruik van het goed zullen krijgen, en

    • d.

      dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, als kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW, zullen worden ingeschreven in de openbare registers en binnen welke termijn deze inschrijving dient plaats te vinden.

  • 3. Indien het wegens onvoorziene omstandigheden niet mogelijk is om binnen de gestelde termijn de vermelde verplichtingen na te komen, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van die termijn.

Artikel 2.3.10 Subsidievaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 27 van de AsG stellen Gedeputeerde Staten de subsidie overeenkomstig de DAEB-kaderregeling vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2. De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een afschrift van de notariële akte betreffende de kwalitatieve verplichting en de inschrijving daarvan in de openbare registers;

    • b.

      indien sprake is van economische activiteiten, een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten ten goede zijn gekomen aan het project; en

    • c.

      een afschrift van de aanvraag tot wijziging van de bestemming, bedoeld in artikel 2.3.9, eerste lid, onder c.

  • 3. Onverminderd het eerste lid, overlegt de subsidieontvanger van een subsidie:

    • a.

      als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel a: een afschrift van de leveringsakte van de grond en de inschrijving daarvan in de openbare registers;

    • b.

      als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b: een afschrift van de overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek; en

    • c.

      als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c: een afschrift van de leveringsakte van de grond en de gebouwen en de inschrijving daarvan in de openbare registers.

  • 4. Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG.

Artikel 2.3.11 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het Besluit van de Europese Commissie van 3 juni 2022, (C2022) 3485, met betrekking tot steunmaatregel SA.64168.

Paragraaf 2.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw.

Artikel 2.4.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw:

  • a.

    ten minste 5 hectares natuurambitieterrein gelegen binnen een Natura 2000-gebied beschikbaar komen die daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000-doelstellingen van dat gebied; of

  • b.

    ten minste 15 hectares natuurambitieterrein gelegen in het GNN beschikbaar komen in een gebied, welke gronden daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het natuurbeheerplan.

Artikel 2.4.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor het demonteren, verplaatsen en weer opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw;

  • b.

    de kosten voor het aanpassen van een landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie.

Artikel 2.4.4 Aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door een MKB-onderneming die eigenaar of gebruiksgerechtigde is van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw.

Artikel 2.4.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedraagt de subsidie naast het eerste lid ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van de productiecapaciteit gepaard gaande kosten.

  • 3. De subsidie bedraagt ten hoogste € 400.000.

Artikel 2.4.6 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening:

    • a.

      zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen;

    • b.

      op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende natuurambitieterrein gelegen binnen het Natura 2000-gebied of het GNN een kwalitatieve verplichting te vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het perceel niet gebruikt zal worden als landbouwgrond.

  • 2. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd in het eerste lid aanhef en onder a, worden verlengd.

  • 3. Het eerste lid, onder b, geldt niet voor zover de provincie binnen 12 maanden na de subsidieverlening de gronden aankoopt.

Artikel 2.4.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 2.5 Behoud van prioritaire soorten

Artikel 2.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    kweek in combinatie met introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • b.

    introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • c.

    handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in een leefgebied;

  • d.

    onderzoek gericht op het in kaart brengen van het voorkomen van een prioritaire soort in een leefgebied en het in kaart brengen van plekken waar maatregelen ten behoeve van die specifieke soort genomen moeten worden;

  • e.

    onderzoek gericht op de effectiviteit van maatregelen ten aanzien van het behoud van een prioritaire soort;

  • f.

    onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • g.

    inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of versterking van het leefgebied van een prioritaire soort.

Artikel 2.5.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van activiteiten en locaties die zijn opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten en locaties waarvan op basis van onderzoek of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten en locaties bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a en b, wordt slechts verstrekt als de aanvrager bij de aanvraag een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet of de daarvoor in de plaats tredende bepalingen in de Wet Natuurbescherming overlegt die ziet op het betreffende leefgebied en de betreffende soort.

  • 4. Subsidie ten behoeve van onderzoek en bescherming van flora en fauna wordt slechts verstrekt voor maatregelen die uitgevoerd moeten worden in een leefgebied als voor die uitvoering toestemming en medewerking is verkregen van de eigenaar van het leefgebied, of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied .

Artikel 2.5.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het leefgebied of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied.

  • 2. Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie gericht op onderzoek en bescherming van flora en fauna.

  • 3. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 2.5.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 30.000 per activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a tot en met f.

  • 2. Subsidie voor meerdere activiteiten, als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a tot en met g, kan gestapeld worden tot een maximum van € 300.000 per aanvraag.

  • 3. De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 95.000 per activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, onder g.

  • 4. Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 2.5.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd ten behoeve van maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Wet Natuurbescherming.

Paragraaf 2.6 Rustgebieden voor ganzen

Artikel 2.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het bieden van rust voor trekganzen in de winter.

Artikel 2.6.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    de subsidiabele activiteit betrekking heeft op het niet verjagen van ganzen in de periode tussen 1 november en 1 april op percelen die zijn aangewezen als ganzenrustgebied;

  • b.

    een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade is ingediend via www.faunaschade.nl;

  • c.

    door of in opdracht van Gedeputeerde Staten schade is getaxeerd die is veroorzaakt door overwinterende natuurlijk in het wild levende ganzen van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn in het betreffende seizoen; en

  • d.

    de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade Gelderland gestelde voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

Artikel 2.6.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan de geregistreerde grondgebruiker van de percelen volgens de jaarlijkse Gecombineerde Opgave van RVO.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen

Artikel 2.6.4 Aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 juli van het jaar waarin de periode als bedoeld in artikel 2.6.1 eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de subsidie met toepassing van artikel 4:44 Algemene wet bestuursrecht ambtshalve te verlenen.

Artikel 2.6.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 50 per hectare waarop zich schade heeft voorgedaan per periode als bedoeld in artikel 2.6.1.

Artikel 2.6.6 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09).

Paragraaf 2.7 Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 2.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de inrichting van nieuwe natuur;

  • b.

    het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • c.

    het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • d.

    de eenmalige verhoging van de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype;

  • e.

    haalbaarheidsonderzoek.

Artikel 2.7.2 Criteria

  • 1. Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, wordt slechts verstrekt als de inrichtingsmaatregelen de gewenste natuurkwaliteit zoals aangegeven als indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart van het natuurterrein realiseren.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, als:

    • a.

      de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of

    • b.

      het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en

    • c.

      met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd.

  • 3. Subsidie voor Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b, wordt slechts verstrekt als in het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van de niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Arkemheen of Veluwerandmeren.

  • 4. Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder c, wordt alleen verstrekt als in het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur, binnen de gebieden aangegeven als natte landnatuur op de Themakaart Waterbeleid, opgenomen als bijlage bij de Omgevingsvisie.

  • 5. Subsidie voor de verhoging van de natuurkwaliteit, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het de verhoging van de kwaliteit van het natuurbeheertype N12.05 Kruiden- en faunarijke akker betreft;

    • b.

      een of meer van de volgende maatregelen worden toegepast:

      • i.

        zaden die geen bestrijdingsmiddelen bevatten;

      • ii.

        aangepaste grondbewerking voor bedreigde akkerplanten;

    • c.

      de maatregelen volgen uit onderzoek met daarbij gestelde doelen ten aanzien van akkerflora, -fauna en -beheer;

    • d.

      de verhoging van de natuurkwaliteit wordt gemonitord;

    • e.

      professionele ecologische en landbouwkundige coaching plaatsvindt bij de verhoging van de natuurkwaliteit;

    • f.

      het herintroductie betreft;

    • g.

      sprake is van een eenmalige project; en

    • h.

      de verhoging niet leidt tot een ander natuurbeheertype.

  • 6. Subsidie voor haalbaarheidsonderzoek, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder e, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      bij de voorbereiding van een programma-aanvraag;

    • b.

      met het oog op:

      • i.

        het inrichten van nieuwe natuur;

      • ii.

        het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen, of

      • iii.

        het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur; en

    • c.

      als het onderzoek is gericht op het treffen van maatregelen die nodig en haalbaar zijn om te komen tot systeemherstel van de natuurgebieden.

  • 7. Als de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie slechts verstrekt als aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door middel van een beschrijving van de situatie zonder steun, te staven met bewijsstukken.

Artikel 2.7.3 Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.3.4, onder a en b, komen voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    inrichtingskosten;

  • b.

    Voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, of het opstellen van een programma-aanvraag met een maximum van 15% van de totale subsidiabele kosten;

  • c.

    onderzoekskosten die nodig zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen of Natura 2000-herstelmaatregelen;

  • d.

    accountantskosten, als de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft;

  • e.

    beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer, waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen; en kosten voor beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd.

Artikel 2.7.4 Aanvrager

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd krachtens eigendom of erfpacht.

  • 2. Een programma-aanvraag kan slechts worden aangevraagd door een gecertificeerde begunstigde.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een gecertificeerde begunstigde een programma-aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag.

  • 4. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.7.5 Aanvraag

  • 1. Als het natuurterrein is belast met erfpacht dient de aanvraag vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de erfpachter.

  • 2. Een aanvraag gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit:

    • a.

      een beschrijving van de uitgangssituatie;

    • b.

      een beschrijving van het op de ambitiekaart opgenomen natuurbeheertype ter uitvoering van de onder 2.7.1, onderdeel a, genoemde activiteiten;

    • c.

      een beschrijving van de uit te voeren maatregelen;

    • d.

      een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd;

    • e.

      een opgave van de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd;

    • f.

      een tijdplanning waarbinnen de maatregelen zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven;

    • g.

      een gespecificeerde begroting;

    • h.

      topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven.

  • 3. Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat vergezeld van:

    • a.

      opgave van het aantal hectares nieuwe natuur per natuurgebied waarop de maatregelen ter uitvoering van de onder 2.7.1, onder a, genoemde activiteiten zal worden uitgevoerd voorzien van een jaarplanning voor de looptijd van het programma;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b tot en met d, met per activiteit en per natuurgebied per natuurbeheertype een beknopte beschrijving van:

      • i.

        de uit te voeren maatregelen binnen het natuurgebied;

      • ii.

        de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd, afgerond in hectares;

      • iii.

        een begroting;

      • iv.

        een jaarplanning van de realisatie voor de looptijd van het programma en een planning van de uitgaven;

    • c.

      een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurgebied waarin de maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1 worden gerealiseerd;

  • 4. Voor een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag dient, als de aanvrager geen zeggenschap heeft over het natuurgebied, de aanvrager te beschikken over een verklaring waarmee de eigenaar dan wel de erfpachter instemt met de subsidieaanvraag, welke verklaring op verzoek van het bevoegd gezag dient te worden overlegd;

  • 5. Een programma-aanvraag kan slechts worden ingediend als het een aanvraag betreft voor:

    • a.

      ten minste 40 hectare inrichting van nieuwe natuur, zoals bedoeld in artikel 2.7.1, onder a;

    • b.

      ten minste 150 hectare uitvoering herstelmaatregelen, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b en c, of

    • c.

      ten minste 20 hectare voor het verhogen van de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d.

  • 6. Als de aanvrager een grote onderneming is, gaat de subsidieaanvraag vergezeld van een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde geen steun toegekend krijgt.

  • 7. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend voor 1 oktober 2027.

Artikel 2.7.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a.

      95% van de subsidiabele kosten voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, met een maximum van € 15.000 per hectare per subsidieaanvraag.

    • b.

      95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b en c, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;

    • c.

      95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d, met een minimum van € 25.000 en tot de maximale subsidiebedragen per maatregel of kostenpost zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.

    • d.

      95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder e.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de maximale bedragen als bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat:

    • a.

      de aanvrager aantoont dat de inrichting meer kost dan de maxima; en

    • b.

      de kosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project of het programma.

  • 3. Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 2.7.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt niet verstrekt voor verwijderen van bodemverontreiniging of afval.

Artikel 2.7.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de inrichting de gerealiseerde natuur in stand te houden.

  • 2. De ontvanger van subsidie voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, dient het natuurterrein in te richten overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart zoals die luidt op het moment van indiening van de aanvraag.

Artikel 2.7.9 Looptijd

Het tijdvak tot verlening van subsidie bedraagt:

  • a.

    voor een individuele aanvraag;

    • i.

      maximaal drie jaar voor de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel a tot en met c, of

    • ii.

      minimaal vier jaar voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel d; en

  • b.

    maximaal zes jaar voor een programma-aanvraag.

Artikel 2.7.10 Gescheiden boekhouding

Als de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, ook economische activiteiten verricht, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 44 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

Artikel 2.7.11 Communautair toetsingskader

  • 1. Artikel 1.3.2, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2. Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover dit niet in strijd is met het besluit van de Europese Commissie inzake SA.101117 (2021/N) van 24 februari 2022.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel e, wordt slechts verstrekt voor zover dit niet in strijd is met artikel 53 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014.

Artikel 2.7.12 Transparantie

Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a tot en met d, de volgende gegevens bekend:

  • a.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en

  • b.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • i.

      € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie

    • ii.

      € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

Paragraaf 2.8 Functieverandering ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 2.8.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor functieverandering.

Artikel 2.8.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    de grond waarvoor subsidie is aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart;

  • b.

    de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt;

  • c.

    op de grond waarvoor subsidie is aangevraagd tevens inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a; en

  • d.

    de taxatie uitgevoerd wordt door:

    • 1e.

      een door Gedeputeerde Staten in te schakelen onafhankelijke taxateur, als de aanvraag alleen betrekking heeft op functieverandering; of

    • 2e.

      een door aanvrager in te schakelen onafhankelijk taxateur als de aanvraag ook betrekking heeft op de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein, als bedoeld in artikel 2.3.1, aanhef en onder b.

Artikel 2.8.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komt in aanmerking de door een taxateur bepaalde waardedaling van de grond, gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen functieverandering en inrichting.

Artikel 2.8.4 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.8.5 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 gevoegd waarop de grenzen van de grond zijn aangegeven; en de op die grond gelegen wegen en paden.

  • 2. Als op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, wordt onverminderd artikel 1.2.3 bij de aanvraag een verklaring van geen bezwaar gevoegd van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt.

  • 3. Als de aanvrager een grote onderneming is, gaat de subsidieaanvraag vergezeld van een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde geen steun toegekend krijgt.

  • 4. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend voor 1 oktober 2027.

Artikel 2.8.6 Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.3.

  • 2. Als voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein al op grond van deze of een andere regeling subsidie is verstrekt, wordt de subsidie op grond van deze regeling zoveel lager vastgesteld als noodzakelijk is om te voorkomen dat het totaal aan subsidie voor de betreffende activiteit meer bedraagt dan:

    • a.

      de werkelijke kosten die de activiteiten met zich meebrengen; of

    • b.

      de maximale vergoeding die op grond van Europese voorschriften mag worden gegeven.

Artikel 2.8.7 Weigeringsgrond

  • 1. Subsidie wordt geweigerd voor functieverandering die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd voor grond die om niet van de overheid is verkregen.

  • 3. Subsidie kan worden geweigerd voor gronden die niet tegen marktwaarde van de overheid zijn verkregen.

  • 4. Subsidie wordt niet verstrekt voor grond waarop nog verplichtingen rusten op grond van:

    • a.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Gelderland;

    • b.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister van economische zaken;

    • c.

      hoofdstuk 4 of afdeling 5.1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2009;

    • d.

      de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden; of

    • e.

      de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland.

Artikel 2.8.8 Verplichtingen

  • 1. Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van het natuurbeheertype verstoort; en

    • b.

      dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 2. De verplichtingen als bedoeld in het eerste lid worden uiterlijk binnen vier weken nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid is tot stand gekomen op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 3. Subsidieontvanger is verplicht er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de Gedeputeerde Staten.

  • 4. Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen als bedoeld in voorgaande leden van dit artikel worden verlengd.

  • 5 Subsidieontvanger is verplicht zorg te dragen dat de grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd ten minste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend;

  • 6. Ontheffing als bedoeld in lid 5 wordt verleend als:

    • a.

      gehele of gedeeltelijke sluiting van het terrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Wet natuurbescherming gestelde regels voor soortenbescherming of voor Natura-2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen.

    • b.

      het terrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

    • c.

      sluiting van ten hoogste één hectare van het terrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

    • d.

      andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 7. Subsidieontvanger is verplicht binnen twaalf weken na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 8. Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.

Artikel 2.8.9 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt een afschrift overgelegd van het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan.

Artikel 2.8.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 21 van de AsG wordt nadat de aanvrager een afschrift heeft overgelegd van de vestiging van de kwalitatieve verplichting een voorschot uitgekeerd van ten hoogste 90%.

Artikel 2.8.11 Communautair toetsingskader

  • 1. Artikel 1.3.2, eerste lid, is niet van toepassing.

Artikel 2.8.12 Transparantie

Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend:

  • a.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en

  • b.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • i.

      € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie;

    • ii.

      € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

Paragraaf 2.9 Inwonersinitiatieven voor biodiversiteit

Artikel 2.9.1 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit vergroten door inwoners in hun leefomgeving;

    • b.

      het activeren van inwoners om aan de slag te gaan met het vergroten van de biodiversiteit in hun leefomgeving; of

    • c.

      het verstrekken van financiële bijdragen aan inwonersinitiatieven voor het vergroten van de biodiversiteit in hun leefomgeving.

  • 2. Onder het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit vergroten wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het planten van inheemse bomen, struiken en planten;

    • b.

      maatregelen die het voortplanten, opgroeien en foerageren van inheemse diersoorten mogelijk maken of verbeteren;

    • c.

      beheermaatregelen, zoals snoeien, maaien en dunnen.

  • 3. Onder het activeren van inwoners als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het organiseren van bijeenkomsten en werkdagen;

    • b.

      het opstellen en verspreiden van informatiemateriaal, niet zijnde boeken;

    • c.

      het geven van voorlichting.

Artikel 2.9.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt voor activiteiten die worden uitgevoerd:

    • a.

      op openbaar en kosteloos toegankelijke plekken; of

    • b.

      vanaf de openbare weg zichtbare plekken.

  • 2. Subsidie voor het verstrekken van financiële bijdragen aan inwonersinitiatieven wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de ontvanger per inwonersinitiatief maximaal € 5.000 bijdraagt; en

    • b.

      het inwonersinitiatief een financiële bijdrage levert van minstens 35% van het bedrag bedoeld in onderdeel a.

Artikel 2.9.3 Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    aankoop van onroerende goederen;

  • b.

    waardedaling van grond of opbrengstderving;

  • c.

    gebouwen of inrichting daarvan; of

  • d.

    aankoop van machines of apparatuur die benodigd zijn om de activiteiten uit te voeren.

Artikel 2.9.4 Aanvrager

  • 1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, uitsluitend verstrekt aan een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen of aan een rechtspersoon.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b of c, wordt uitsluitend verstrekt aan een vereniging of stichting met een statutaire doelstelling tot inzet voor biodiversiteit, niet zijnde een bos- of landgoedeigenaar.

Artikel 2.9.5 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, aanhef en onder a, in ieder geval:

    • a.

      een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het perceel waarop de aanleg of het beheer betrekking heeft;

    • b.

      een kaart waarop is aangegeven waar de activiteit wordt gerealiseerd;

  • 2. Een aanvrager kan maximaal éénmaal per kalenderjaar subsidie ontvangen.

Artikel 2.9.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a of b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder c, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.000.

  • 3. Ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, mag bestaan uit kosten voor externe ondersteuning.

  • 4. Ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b, mag bestaan uit kosten voor personele inzet.

  • 5. Ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder c, mag bestaan uit kosten voor personele inzet.

Artikel 2.9.7 Weigeringsgrond

Subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, wordt niet verstrekt voor zover de activiteit betrekking heeft op:

  • a.

    terreinen die zijn opgenomen in het natuurbeheerplan;

  • b.

    het periodiek inzaaien van terreinen en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden;

  • c.

    fruit, noten, sier- en groenteteelt, of

  • d.

    privé tuinen.

Artikel 2.9.8 Verplichtingen

  • 1. Als de subsidie direct is vastgesteld als bedoeld in artikel 25, eerste lid onder a, van de AsG, is de ontvanger verplicht de activiteit binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie te hebben uitgevoerd.

  • 2. De ontvanger is verplicht binnen vier weken na het afronden van de activiteit publiciteit aan de activiteit te geven via een website of sociale media en beelden te tonen van de activiteit.

Paragraaf 2.10 Innovatie Agrifood

Artikel 2.10.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Kadernota Agrifood: Kadernota Agrifood “Toekomst voor de Gelderse Boer 2021-2030”, zoals vastgesteld door Provinciale Staten bij besluit van 31 maart 2021, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen;

  • b.

    kringlooplandbouw: een vorm van duurzame landbouw waarbij de kringloop van mineralen gesloten is.

  • c.

    [Vervallen]

  • d.

    natuurinclusieve landbouw: een economisch rendabel landbouwsysteem, dat optimaal beheer van natuurlijke hulpbronnen duurzaam integreert in bedrijfsvoering, inclusief zorg voor ecologische functies en de biodiversiteit op en om het bedrijf.

Artikel 2.10.2 Subsidiabele activiteit

Voor subsidie komen in aanmerking projecten die gericht zijn op het bevorderen van de ontwikkeling van een kringlooplandbouw of natuurinclusieve landbouw en die bijdragen aan de doelen van de Kadernota AgriFood in de vorm van:

  • a.

    met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in activa op landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 14 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening;

  • b.

    marktonderzoek, productontwerp en productdesign of het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder a, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening;

  • c.

    kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties, als bedoeld in artikel 21 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, of

  • d.

    afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten als bedoeld in artikel 24 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.10.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    het project een bijdrage levert aan ten minste twee van de volgende aspecten in de provincie Gelderland:

    • i.

      de verduurzaming van de fysieke leefomgeving;

    • ii.

      het tot waarde brengen van producten en diensten van het agrarische bedrijf door middel van nieuwe verdienmodellen of vernieuwende marktconcepten;

    • iii.

      de maatschappelijke inbedding van de landbouwsector of aantrekkelijk landbouwondernemerschap;

  • b.

    het project een innovatief karakter heeft;

  • c.

    het project een slagingskans heeft, onder meer gelet op het draagvlak binnen de landbouwsector en de betrokkenheid van ondernemers bij het project;

  • d.

    het project zich richt op een praktijkrijp resultaat en leent voor grootschalige toepassing.

Artikel 2.10.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie als genoemd in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale subsidiabele kosten;

    • b.

      kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot ten hoogste de marktwaarde van de activa;

    • c.

      algemene kosten in verband met de uitgaven, bedoeld onder a of b;

    • d.

      kosten van de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

    • e.

      kosten van uitgaven voor niet-productieve investeringen in verband met de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van marktonderzoek;

    • b.

      kosten van productontwerp en productdesign;

    • c.

      kosten voor het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder a, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

  • 3. Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder c, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops en coaching; en kosten van voorlichtingsacties;

    • b.

      kosten van demonstratieactiviteiten, waarbij demonstratieprojecten in verband met investeringen subsidiabel zijn overeenkomstig het eerste lid, onder a tot en met d; en slechts voor zover en zolang zij voor het demonstratieproject worden gemaakt, waardoor het enkel de afschrijvingskosten betreft die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen.

  • 4. Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder d, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

      kosten van publicaties om landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 24, derde en vijfde lid, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.10.5 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • a.

    kosten voor werkkapitaal;

  • b.

    kosten voor de aankoop van productierechten, betalingsrechten, dieren en eenjarige gewassen;

  • c.

    kosten voor de aanplant van eenjarige gewassen;

  • d.

    kosten voor afwateringswerkzaamheden;

  • e.

    kosten voor investeringen om aan Europese wetgeving te voldoen;

  • f.

    kosten voor reguliere vervangingsinvesteringen.

Artikel 2.10.6 Aanvrager

  • 1. Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, kan worden verstrekt aan:

    • a.

      MKB-ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie;

    • b.

      een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a.

  • 2. Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b, kan worden verstrekt aan:

    • a.

      MKB-ondernemingen die aanbieder van onderzoeksdiensten of adviesverstrekker zijn;

    • b.

      een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a.

  • 3. Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder c, kan worden verstrekt aan:

    • a.

      MKB-ondernemingen die activiteiten over kennisoverdracht of voorlichting aanbieden;

    • b.

      een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a.

  • 4. Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder d, kan worden verstrekt aan:

    • a.

      MKB-ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector;

    • b.

      een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a.

Artikel 2.10.7 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.10.9.

Artikel 2.10.8 Hoogte van de subsidie

  • 1. De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000:

    • a.

      het activiteiten betreft gericht op de verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of normen voor dierenwelzijn;

    • b.

      de investering verder gaat dan de investering die nodig is om aan de Europese wetgeving te voldoen; en

    • c.

      de verbetering niet leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit.

  • 3. De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b tot en met d, bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000.

Artikel 2.10.9 Verplichtingen

Onverminderd paragraaf 1.4 heeft subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • a.

    draagt de innovaties uit en verspreidt ze naar sectorgenoten en partners in de landbouwketen;

  • b.

    maakt de resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Paragraaf 2.11 Medegebruik van graslanden door edelherten

Artikel 2.11.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het toestaan van medegebruik van graslanden door edelherten gedurende het hele kalenderjaar.

Artikel 2.11.2 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    de subsidiabele activiteit betrekking heeft op percelen die zijn gelegen in een gebied dat door Gedeputeerde Staten is aangewezen als gebied waarvoor geen aanvraag hoeft te worden ingediend voor een tegemoetkoming voor faunaschade;

  • b.

    door of in opdracht van Gedeputeerde Staten faunaschade aan graslanden is getaxeerd die is veroorzaakt door edelherten; en

  • c.

    de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade Gelderland gestelde voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

Artikel 2.11.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan agrariërs.

Artikel 2.11.4 Aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG dient de aanvrager een aanvraag om subsidie in tijdens het kalenderjaar waarin faunaschade is geleden.

  • 2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt de aanvraag om subsidie tijdens of na uitvoering van de subsidiabele activiteit ingediend.

  • 3. Artikel 1.2.3, eerste lid, onder b tot en met e, is niet van toepassing.

Artikel 2.11.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 50 per hectare waarop in het betreffende kalenderjaar faunaschade is getaxeerd.

Artikel 2.11.6 Weigeringsgrond

De subsidie wordt geweigerd als voor het betreffende perceel al subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016.

Artikel 2.11.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie alleen verstrekt als deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09).

Paragraaf 2.12 Aanpak Invasieve exoten

Artikel 2.12.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    een project om gedurende drie jaren een of meer invasieve exoten op een of meer locaties te verwijderen en verwijderd houden of te beheersen;

  • b.

    een programma om binnen een periode van zes jaren meerdere projecten als bedoeld onder a uit te voeren;

  • c.

    het opstellen van een plan van aanpak voor de bestrijding van een of meer invasieve exoten.

Artikel 2.12.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt voor de volgende soorten invasieve exoten: zonnebaars, Aziatische duizendknopen, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, Canadese guldenroede en late guldenroede.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, wordt alleen verstrekt als op basis van een projectplan wordt aangetoond dat de subsidiabele activiteit bijdraagt aan de bescherming van de biodiversiteit in een Gelderse natuurparel, als opgenomen in bijlage 1 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming.

  • 3. In afwijking van het vorige lid is de bestrijding van de zonnebaars mogelijk buiten een Gelderse natuurparel mits de soort gevestigd is in geïsoleerd water.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in het Gelders Natuurnetwerk; en

    • b.

      een programma-aanpak wordt overgelegd waaruit in ieder geval de planning van de uit te voeren projecten gedurende zes jaren blijkt.

  • 5. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt alleen verstrekt als het plan van aanpak betrekking heeft op het totale grondgebied van een gemeente.

  • 6. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt alleen verstrekt als het plan van aanpak betrekking heeft op het totale beheergebied van het waterschap of een deel daarvan, waarbij het waterschap maximaal vier deelgebieden aanwijst.

Artikel 2.12.3 Plan van aanpak

Het plan van aanpak, als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, brengt in beeld:

  • a.

    de locaties van de aan te pakken invasieve exoten;

  • b.

    de te nemen maatregelen en een prioritering daarvan; en

  • c.

    met welke partijen binnen het grondgebied of beheergebied kan worden samengewerkt om tot een effectieve bestrijding te komen.

Artikel 2.12.4 Subsidiabele kosten

Kosten voor het opstellen van een projectplan als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen, komen in afwijking van artikel 1.3.4, onder b, voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.12.5 Aanvrager

  • 1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, wordt verstrekt aan een organisatie die:

    • a.

      minimaal 5.000 hectare natuurterrein beheert; of

    • b.

      een organisatie die grondeigenaren vertegenwoordigd die gezamenlijk minimaal 5.000 hectare natuurterrein beheren.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt verstrekt aan een gemeente of waterschap.

Artikel 2.12.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000 per aanvrager.

  • 2. De subsidie voor het projectplan als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, bedraagt maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project.

  • 3. De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 600.000 per aanvrager per zes jaar.

  • 4. De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, bedraagt € 10.000.

Artikel 2.12.7 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijding of beheersing van exoten plaatsvindt met chemische bestrijdingsmiddelen, tenzij de aanvrager aantoont dat er geen andere bestrijdingsmiddelen kunnen worden toegepast.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijdingsmethode aantoonbaar ineffectief is.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a of b, wordt geweigerd als voor hetzelfde perceel voor dezelfde activiteit al subsidie op grond van de paragraaf 2.7 is verstrekt;

  • 4. Subsidie voor een project als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, wordt geweigerd als aan dezelfde aanvrager al subsidie voor een programma als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, is verstrekt.

Artikel 2.12.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, monitort en evalueert de effecten van de getroffen maatregelen en rapporteert hierover twee jaar na de start van de uitvoering van het project aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, monitort en evalueert de effecten van de projecten gedurende de looptijd van het programma en rapporteert hierover elke drie jaar na de start van de uitvoering aan Gedeputeerde Staten.

  • 3. De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, stuurt het plan van aanpak naar Gedeputeerde Staten.

Paragraaf 2.13 Voorkomen van schade door wolven

Artikel 2.13.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    leefgebied: een door Gedeputeerde Staten aangewezen leefgebied van wolven;

  • b.

    aanval: aanval die door BIJ12 is beoordeeld als “wolf is niet uit te sluiten” buiten een leefgebied van de wolf waarbij één of meerdere dieren zijn gedood;

  • c.

    calamiteit: situatie waarin sprake is van twee aanvallen op verschillende dagen binnen zeven dagen na de dag waarop het eerste dier is gedood, in een gemeente of in die gemeente en een aangrenzende gemeente.

Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het plaatsen van een nieuwe vaste afrastering of het uitbreiden of aanpassen van een bestaande vaste afrastering voor het voorkomen van schade aan schapen en geiten door wolven; of

  • b.

    het aanschaffen van een verplaatsbare afrastering voor het voorkomen van schade aan schapen en geiten door wolven.

Artikel 2.13.3 Criteria

Subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    de vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast en de verplaatsbare afrastering wordt gebruikt;

    • i.

      in een leefgebied en aanvrager al voor publicatie van dit leefgebied hier schapen of geiten hield, of

    • ii.

      buiten een leefgebied, in geval van een calamiteit en de aanvraag uiterlijk twee weken nadat de tweede aanval heeft plaatsgevonden is ingediend;

  • b.

    de gehele afrastering voldoet aan de eisen die de Gebiedscommissie preventie wolvenschade Gelderland hiervoor heeft vastgesteld in een schadepreventieplan; en

  • c.

    de subsidiabele activiteit heeft plaatsgevonden voor de datum dat de aanvraag is ingediend.

Artikel 2.13.4 Subsidiabele kosten

  • 1. In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen kosten voor activiteiten, als bedoeld in artikel 2.13.2, die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen, voor subsidie in aanmerking.

  • 2. In afwijking van artikel 1.3.4, onder f, komen kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.13.5 Aanvrager

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan een schapen- of geitenhouder die in het Identificatie- en Registratiesysteem van dieren staat geregistreerd.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 2.13.6 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag om subsidie in elk geval:

    • a.

      een fotoverslag van de gehele afrastering;

    • b.

      een verklaring dat is voldaan aan de criteria als bedoeld in artikel 2.13.3; en

    • c.

      een verklaring van het feitelijk aantal schapen en geiten waarvoor een vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast of een verplaatsbare afrastering is aangeschaft en wordt gebruikt binnen Gelderland.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie voor een afrastering in een leefgebied het gemiddeld geregistreerd aantal schapen en geiten aangetoond door vier uitdraaien van het Identificatie- en Registratiesysteem voor dieren met de peildata 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november in het jaar voorafgaand aan de datum van publicatie van de aanwijzing.

  • 3. Onverminderd het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie in geval van een calamiteit het geregistreerd aantal schapen en geiten aangetoond door een uitdraai van het Identificatie- en Registratiesysteem met als peildatum de datum van de tweede aanval door de wolf.

  • 4. De aanvraag om subsidie voor een vaste afrastering bevat, in aanvulling op het eerste lid:

    • a.

      een kaart waarop is aangegeven waar de vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast; en

    • b.

      de totale lengte in meters van de afrastering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 5. De aanvraag om subsidie voor een verplaatsbare afrastering bevat, in aanvulling op het eerste lid, een kaart waarop is aangegeven op welke percelen in het aangewezen leefgebied van wolven de afrastering wordt gebruikt.

  • 6. Het gemiddeld aantal schapen en geiten wordt naar boven afgerond op hele aantallen.

Artikel 2.13.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor een vaste afrastering bedraagt:

    • a.

      € 500 en

    • b.

      € 3,00 per strekkende meter afrastering met een maximum van € 100 per dier.

  • 2. De subsidie voor een verplaatsbare afrastering bedraagt:

    • a.

      € 30,- per dier en

    • b.

      € 4.000 als:

      • 1e.

        de verplaatsbare afrastering een afrastering met draden is;

      • 2e.

        een automatisch draadoprolsysteem is aangeschaft; en

      • 3e.

        de verplaatsbare afrastering op moment van indienen van de aanvraag wordt gebruikt voor minimaal 100 schapen en geiten.

  • 3. Voor het totaal aantal dieren wordt uitgegaan van het aantal dieren dat is opgenomen in de verklaring als bedoeld in artikel 2.13.6, eerste lid, onder c.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt voor het totaal aantal dieren uitgegaan van het geregistreerd aantal schapen en geiten als bedoeld in artikel 2.13.6, tweede en derde lid, als dit geregistreerd aantal lager is dan het aantal dieren dat is opgenomen in de verklaring als bedoeld in artikel 2.13.6, eerst lid, onder c.

  • 5. Bij meerdere aanvragen voor een vaste afrastering door dezelfde aanvrager bedraagt de totale subsidie van deze aanvragen niet meer dan het maximum zoals bepaald in het eerste lid.

  • 6. De subsidie bedraagt in totaal maximaal € 20.000 per aanvrager.

Artikel 2.13.8 Weigeringsgrond

  • 1. De subsidie voor een vaste afrastering wordt geweigerd als al eerder een subsidie voor het plaatsen van een vaste afrastering op grond van deze regeling is verleend voor het betreffende perceel.

  • 2. De subsidie voor een verplaatsbare afrastering wordt geweigerd als:

    • a.

      aan de aanvrager al eerder een subsidie voor een verplaatsbare afrastering op grond van deze regeling is verstrekt; of

    • b.

      aan dezelfde houder op grond van een andere regeling met hetzelfde doel als deze regeling al eerder subsidie is verstrekt voor een afrastering ter bescherming van één of meerdere zelfde schapen en geiten.

Artikel 2.13.9 Communautair toetsingskader

In aanvulling op artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 die wordt aangevraagd door ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector, slechts verstrekt zover deze niet in strijd is met de de-minimis steun in de landbouwsector Verordening (EU), Nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (Pb EU L 352/9).

Paragraaf 2.14 Groene icoonprojecten

Artikel 2.14.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het ontwerp van een groen icoonproject, of

  • b.

    het realiseren van een groen icoonproject.

Artikel 2.14.2 Criteria

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt slechts verstrekt als een ruimte in de bebouwde kom van tenminste 1.000 m2 beschikbaar is voor de realisatie.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt slechts verstrekt als het icoonproject:

    • a.

      bijdraagt aan klimaatadaptatie, waarbij relevante aspecten zijn:

      • 1e.

        de relatie met de gemeentelijke of regionale stresstest klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie;

      • 2e.

        het voorkomen van opwarming van de omgeving;

      • 3e.

        het voorkomen van overstroming op de locatie en in de directe omgeving; en

      • 4e.

        het voorkomen van droogte op de locatie en in de directe omgeving;

    • b.

      bijdraagt aan biodiversiteit, waarbij relevante aspecten zijn:

      • 1e.

        het beplanten met inheemse kruiden, struiken of bomen;

      • 2e.

        de variatie aan inheemse soorten;

      • 3e.

        de aansluiting van het icoonproject op andere groene structuren in de omgeving, als onderdeel van een groter natuurlijk systeem;

      • 4e.

        het treffen van voorzieningen voor diersoorten, bijvoorbeeld nestkasten, vleermuiskasten of insectenhotels; en

      • 5e.

        het opstellen van een beheerplan;

    • c.

      maatschappelijke waarde heeft, waarbij relevante aspecten zijn:

      • 1e.

        de beleefbaarheid voor een breed publiek;

      • 2e.

        het inrichten van het project met recreatieve voorzieningen;

      • 3e.

        ontmoeten en bewegen;

      • 4e.

        de relatie met de omgeving; en

      • 5e.

        het betrekken van inwoners en bedrijven bij de planvorming, uitvoering en beheer;

    • d.

      iconisch is, waarbij relevante aspecten zijn:

      • 1e.

        de creativiteit van het project;

      • 2e.

        de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

      • 3e.

        beeldbepalend voor de omgeving; en

      • 4e.

        vernieuwende of inspirerende inzichten geeft in energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie of biodiversiteit;

  • 3. Aan de subsidiabele activiteit, als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.

  • 4. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 30 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium klimaatadaptatie;

    • b.

      maximaal 30 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium biodiversiteit;

    • c.

      maximaal 20 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium maatschappelijke waarde; en

    • d.

      maximaal 20 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium iconisch.

Artikel 2.14.3 Weigeringsgronden

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt geweigerd voor zover het ontwerp of de realisatie betrekking heeft op een terrein dat vanwege zijn bestemming geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening door meer dan één bedrijf.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt geweigerd als aan de activiteit minder dan 60 punten wordt toegekend.

Artikel 2.14.4 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • a.

    grondverwerving;

  • b.

    ambtelijke inzet;

  • c.

    kosten voor gebouwen, tenzij het de vergroening van het gebouw betreft; en

  • d.

    marketing voor commerciële doeleinden.

Artikel 2.14.5 Aanvrager

De subsidie wordt alleen verstrekt aan een gemeente of een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste een gemeente en de grondeigenaar.

Artikel 2.14.6 Hoogte

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 15.000.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 30.000 en een maximum van € 100.000.

Artikel 2.14.7 Adviescommissie

  • 1. Volledige aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, worden voor advies voorgelegd aan een door Gedeputeerde Staten ingestelde Adviescommissie.

  • 2. De adviescommissie beoordeelt of een aanvraag voldoet aan artikel 2.14.2, tweede lid; en adviseert over de toekenning van het aantal punten.

Artikel 2.14.8 Wijze van verdeling

  • 1. Aanvragen als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, die voor subsidie in aanmerking komen, worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

  • 2. De rangorde wordt bepaald door toepassing van de in artikel 2.14.2 opgenomen selectiecriteria met de daaraan gegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaalt de plaats in de rangorde.

Artikel 2.14.9 Verplichtingen

  • 1. De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder a, is verplicht in het ontwerp:

    • a.

      aandacht te besteden aan klimaatadaptatie door:

      • 1e.

        de uitkomsten van gemeentelijke of regionale stresstest klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie te verwerken; en

      • 2e.

        bij te dragen aan het voorkomen van:

        • 1.

          droogte,

        • 2.

          wateroverlast op de locatie of in de omgeving, of

        • 3.

          opwarming van de omgeving;

    • b.

      aandacht te besteden aan biodiversiteit, door:

      • 3e.

        minimaal 500 m2 te beplanten met inheemse kruiden, struiken of bomen;

      • 4e.

        gebruik te maken van een variatie aan inheemse kruiden, struiken of bomen;

    • c.

      voorzieningen te treffen voor diersoorten, bijvoorbeeld nestkasten, vleermuiskasten of insectenhotels; en

      • 5e.

        het opstellen van een beheerplan.

    • d.

      aandacht te besteden aan maatschappelijke waarde, door:

      • 6e.

        het realiseren van recreatieve voorzieningen; en

      • 7e.

        inwoners betrokkenen uit de omgeving te betrekken bij het ontwerp; en

    • e.

      aandacht te besteden aan het iconische van het project.

  • 2. De ontvanger van subsidie, als bedoeld in artikel 2.14.1, onder b, stelt het icoonproject kosteloos toegankelijk voor het publiek

Artikel 2.14.10 Aanvraagtermijn

Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, onderdeel b, kan worden ingediend vanaf 6 februari 2023 tot en met 31 maart 2023.

Paragraaf 2.15 Uitvoering specifieke uitkering Programma Natuur

Subparagraaf 2.15.1 Algemeen

Artikel 2.15.1.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    natuurherstelmaatregelen;

  • b.

    bestrijding invasieve exoten in Natura-2000 gebied;

  • c.

    revitalisering bos;

  • d.

    apparaatskosten;

  • e.

    realisatie van bos al dan niet in combinatie met functieverandering;

  • f.

    recreatiezonering.

Artikel 2.15.1.2 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt als de activiteit:

  • a.

    bijdraagt aan de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuurlijke habitats of gebied van soorten die beschermd worden op grond van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn in Natura 2000-gebieden;

  • b.

    bijdraagt aan en niet strijdig is met de doelen van het Natura 2000-beheerplan;

  • c.

    toekomstige natuurherstelmaatregelen niet in de weg staat;

  • d.

    gericht is op structureel systeemherstel van een natuurgebied; en

  • e.

    vooroverleg aan de hand van een conceptaanvraag heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.15.1.3 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking alle kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit.

  • 2. Artikel 1.3.4, onder a en f zijn niet van toepassing.

  • 3. Artikel 1.3.4, onder b, is niet van toepassing wat betreft voorbereidingskosten.

  • 4. Kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag zijn subsidiabel vanaf 1 januari 2022.

  • 5. Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 2.15.1.4 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een begunstigde een aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag.

  • 3. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.15.1.5 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 gaat een aanvraag vergezeld van:

    • a.

      een beschrijving van het voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 2.15.1.2;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren activiteiten, met per activiteit en per natuurgebied een beschrijving van:

      • i.

        de uit te voeren activiteiten binnen het natuurgebied;

      • ii.

        de oppervlakte waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd;

      • iii.

        een begroting;

      • iv.

        een tijdplanning waarbinnen de activiteiten zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven;

    • c.

      een GIS-kaart waarop de activiteiten zijn aangeduid.

  • 2. Als de aanvrager een grote onderneming is, bevat de aanvraag een beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun toegekend krijgt voor de betreffende activiteiten.

Artikel 2.15.1.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en wordt gemaximeerd door de in bijlage 5 opgenomen normkosten.

  • 2. De subsidie wordt niet verleend als deze minder dan € 50.000 bedraagt.

  • 3. Alleen de werkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de in bijlage 5 opgenomen normkosten als:

    • a.

      de activiteiten aantoonbaar meer kosten; en

    • b.

      de meerkosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project.

Artikel 2.15.1.7 Verplichtingen

  • 1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, worden uiterlijk 1 juli 2025 gerealiseerd.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de activiteit de nieuwe herstelde of verbeterde natuur gedurende zes jaar in stand te houden.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht om de gegevens aan te leveren die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording op het SPUK.

Artikel 2.15.1.8 Weigeringsgrond

  • 1. Subsidie wordt niet verstrekt voor zover de eigenaar van de grond een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft.

  • 2. Subsidie wordt niet verstrekt:

    • a.

      voor zover op het perceel waarop de activiteiten plaatsvinden al subsidie op grond van hoofdstuk 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016 is verstrekt; en

    • b.

      de activiteit ertoe leidt dat het agrarisch natuurbeheer niet langer kan worden uitgeoefend.

Artikel 2.15.1.9 Transparantie

Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend:

  • a.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en

  • b.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • i.

      € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie;

    • ii.

      € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

Subparagraaf 2.15.2 Natuurherstel

Artikel 2.15.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het uitvoeren van eenmalige natuurherstelmaatregelen;

  • b.

    het uitvoeren van hydrologische maatregelen;

  • c.

    onderzoekskosten ten behoeve van nog uit te voeren of uitgevoerde natuurherstelmaatregelen of hydrologische maatregelen.

Artikel 2.15.2.2 Criteria

Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.15.2.1, onderdeel b, (hydrologische maatregelen), die wordt uitgevoerd op landbouwgronden, wordt alleen verstrekt als het gaat om een niet-productieve investering.

Artikel 2.15.2.3 Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:

  • a.

    kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;

  • b.

    kosten voor de aanschaf van machines;

  • c.

    kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen;

  • d.

    kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud;

  • e.

    kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

  • f.

    afwateringswerkzaamheden, als sprake is van een hydrologische maatregel op landbouwgrond.

Artikel 2.15.2.4 Communautair toetsingskader

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2.1, onderdeel a en onderdeel b, voor zover de activiteit wordt uitgevoerd op natuurgronden, wordt alleen verstrekt als wordt voldaan aan het besluit van de Europese Commissie inzake SA.101117 (2021/N) van 24 februari 2022.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2.1, onderdeel b, die wordt uitgevoerd op landbouwgronden wordt alleen versterkt voor zover dit niet in strijd is met artikel 14 van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2.1, onderdeel c, wordt alleen verstrekt voor zover dit niet in strijd is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de Groepsvrijstellingsverordening.

Subparagraaf 2.15.3 Bestrijding invasieve exoten in Natura 2000-gebied

Artikel 2.15.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor het verwijderen, verwijderd houden of beheersen van één of meer invasieve exoten.

Artikel 2.15.3.2 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt als de activiteit:

  • 1.

    wordt uitgevoerd in een Natura 2000-gebied;

  • 2.

    voldoet aan ten minste één van de volgende vereisten:

    • a.

      wordt uitgevoerd in een kwalificerend habitat;

    • b.

      wordt uitgevoerd op een locatie waar het voorkomen van exoten een directe bedreiging vormt voor kwalificerend habitat; of

    • c.

      wordt uitgevoerd op een geïsoleerde plaats waar de exoot recent is gevestigd en nog niet wijdverspreid aanwezig is; en

  • 3.

    ziet op een of meer van de volgende soorten: Aziatische duizendknopen, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, Canadese guldenroede, late guldenroede, watercrassula, hemelboom en dijkviltbraam.

Artikel 2.15.3.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:

  • a.

    het verwijderen, verwijderd houden of beheersen van een invasieve exoot;

  • b.

    het planten of zaaien van inheemse plantensoorten als dat nodig is voor het verwijderd houden van de exoot;

  • c.

    onderzoekskosten ten behoeve van activiteiten genoemd onder a of b.

Artikel 2.15.3.4 Verplichting

Op de locatie waar een invasieve exoot is verwijderd worden zo spoedig mogelijk na het verwijderen inheemse plantensoorten geplant of gezaaid, als dat voor het verwijderd houden van de invasieve exoot nodig is.

Artikel 2.15.3.5 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijding of beheersing van exoten plaatsvindt met chemische bestrijdingsmiddelen, tenzij de aanvrager aantoont dat er geen andere bestrijdingsmiddelen kunnen worden toegepast.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijdingsmethode aantoonbaar ineffectief is.

Subparagraaf 2.15.4 Revitalisering bos

Artikel 2.15.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor revitalisering van of omvorming naar bos met betrekking tot de volgende onderdelen:

  • a.

    hydrologisch herstel;

  • b.

    aanbrengen wildkerend raster;

  • c.

    verwijderen van uitheemse boom- en struiksoorten;

  • d.

    aanplanten van inheemse loofbomen;

  • e.

    inbrengen rijkstrooiselsoorten;

  • f.

    het maken van een plan voor een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen;

  • g.

    omvorming naar bos.

Artikel 2.15.4.2 Criteria

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder a, wordt alleen verstrekt voor:

    • a.

      het uitvoeren van onderzoek naar de kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving van de kringloop van grond- en oppervlaktewater gericht op:

      • i.

        hydrologisch systeemherstel; en

      • ii.

        het tegengaan van verdroging of herstel van vochtige en natte boshabitats ten behoeve van een Natura 2000-gebied; of

    • b.

      het uitvoeren van herstelmaatregelen voor vochtige of natte boshabitats ten behoeve van een Natura 2000-gebied.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder b, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      op locaties:

      • i.

        waar meer loofbomen nodig zijn ten behoeve van behoud of uitbreiding van Natura 2000-boshabitats;

      • ii.

        waar meer loofbomen nodig zijn ten behoeve van brandpreventie, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

        • 1.

          het aanplanten van loofbomen draagt bij aan het minimaliseren op de kans op onbeheersbare natuurbranden; en

        • 2.

          het aanplanten van loofbomen is noodzakelijk in het kader van de hoofdcompartimentering Veluwe of Achterhoek; of

        • 3.

          het aanplanten van loofbomen is opgenomen in een natuurbrandpreventieplan opgesteld voor gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing;

      • iii.

        waar de taakstelling voor het jachtveld dat van toepassing is op het perceel waarop subsidie is aangevraagd, met ten minste 90% is behaald voor de soorten edelhert en ree.

    • b.

      met het oog op de aanplant van inheems loofbos of het bevorderen van natuurlijke verjonging van inheems loofhout.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder c, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      binnen kwalificerende habitattypen bos als alle op het lokale eigendom van aanvrager in het kwalificerend habitat aanwezige uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de duurzame instandhouding van het habitat vormen, worden verwijderd;

    • b.

      buiten kwalificerende habitattypen onder de volgende voorwaarden:

      • i.

        het betreft natuurtype N14, N15 of N16, mits het bos omgezet wordt naar natuurtype N14 of N15;

      • ii.

        ten behoeve van de uitbreidingen van kwalificerende habitattypen;

      • iii.

        het perceel is gelegen op of rond een oude bosgroeiplaats of bos te kwalificeren als kraaihei-dennebos; en

      • iv.

        alle op het lokale eigendom van aanvrager in het potentieel kwalificerend habitat aanwezige of verjonging van uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de ontwikkeling van het habitat vormen worden verwijderd.

    • c.

      als het verwijderen effectief en doelmatig wordt uitgevoerd zonder onevenredige bodemschade.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder d, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      binnen bestaande bossen;

    • b.

      buiten een kwalificerend habitattype;

    • c.

      voor zover het de aanplant inheemse loofbomen betreft;

    • d.

      als aanplant kleinschalig en groepsgewijs wordt uitgevoerd om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen;

    • e.

      als:

      • i.

        individuele wildbescherming wordt aangebracht, of

      • ii.

        wildbescherming in de vorm van een raster wordt aangebracht, mits wordt voldaan aan de criteria genoemd in het tweede lid; en

    • f.

      als het leefgebied van soorten als bedoeld in het Natura 2000-beheerplan niet wordt aangetast.

  • 5. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder e, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      binnen bestaande bossen aangeduid als natuurtype N14, N15 of N16;

    • b.

      buiten een kwalificerend habitattype;

    • c.

      als de soorten groepsgewijs worden aangeplant om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen;

    • d.

      als:

      • i.

        individuele wildbescherming wordt aangebracht, of

      • ii.

        wildbescherming in de vorm van een raster wordt aangebracht, mits wordt voldaan aan de criteria genoemd in het tweede lid;

    • e.

      voor zover het de aanplant van de volgende soorten autochtoon inheemse boom- en struiksoorten betreft: boswilg, linde, ratelpopulier, hazelaar, haagbeuk, zoete kers, fladderiep;

    • f.

      als het leefgebied van soorten als bedoeld in het Natura 2000-beheerplan niet wordt aangetast; en

    • g.

      plantgatbemesting met steenmeel wordt toegepast, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet noodzakelijk is.

  • 6. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder g, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het om te vormen perceel:

      • i.

        natuurtype N12.02 betreft;

      • ii.

        is gelegen binnen een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied;

      • iii.

        weinig meerwaarde heeft voor biodiversiteit en ook de actuele en potentiële ecologische waarde van het perceel gering is; en

      • iv.

        minimaal 0,5 hectare groot is;

    • b.

      wordt aangeplant met autochtone inheemse boom- en struiksoorten of door het handhaven en het bevorderen van spontane opslag;

    • c.

      het perceel voor maximaal 80% wordt beplant; en

    • d.

      het te realiseren bos voldoet aan de afbakening van natuurtype N14 of N15; en

    • e.

      geen verplichtingen op grond van subsidie natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer op het perceel rusten.

Artikel 2.15.4.3 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:

  • a.

    waardedaling van de grond bij omvorming naar bos;

  • b.

    kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;

  • c.

    kosten voor de aanschaf van machines;

  • d.

    kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen;

  • e.

    kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud; en

  • f.

    kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van de subsidiabele activiteit.

Artikel 2.15.4.4 Verplichtingen

  • 1. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder b, is verplicht:

    • a.

      binnen het raster voldoende opvolgend beheer uit te voeren om de in het beheerplan N2000 opgenomen doelen te behalen, tenzij het gaat om houtige opslag met een diameter borsthoogte van minder dan 10 centimeter;

    • b.

      binnen het wildraster geen bodembewerking, anders dan maken van plantgaten, uit te voeren.

  • 2. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder c, is verplicht:

    • a.

      vrijkomend hout te laten liggen;

    • b.

      geen houtoogst toe te passen;

    • c.

      geen chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen.

  • 3. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder d en g is verplicht bij de realisatie geen inheemse spontane opslag te verwijderen.

  • 4. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 4.21.4.1, onder d, e en g, is verplicht bij aanplant gebruik te maken van:

    • a.

      op oude bosgroeiplaatsen, autochtone herkomsten van de Nederlandse Rassenlijst Bomen.

    • b.

      buiten oude bosgroeiplaatsen, autochtone herkomsten van een Europese Rassenlijst Bomen.

Artikel 2.15.4.5 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover dit niet in strijd is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de Groepsvrijstellingsverordening.

Subparagraaf 2.15.5 Apparaatskosten

Artikel 2.15.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor kosten die samenhangen met de regievoering of organisatie van voorbereiding en uitvoering van het Uitvoeringsprogramma Gelderland.

Artikel 2.15.5.2 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt voor:

  • 1.

    kosten gemaakt vanaf 1 januari 2022;

  • 2.

    activiteiten die betrekking hebben op:

    • a.

      coördinatie en programmaleiding op het uitvoeringsprogramma;

    • b.

      communicatie en afstemming met leden en derden over het uitvoeringsprogramma;

    • c.

      opmaken inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages en verantwoording prestaties in GIS; of

    • d.

      een bijdrage leveren aan het voorbereiden van projecten voor de jaren 2024 – 2030.

Artikel 2.15.5.3 Aanvrager

Subsidie wordt alleen verstrekt aan een natuurbeheerder die beschikt over een certificaat als bedoeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016.

Artikel 2.15.5.4 Hoogte

  • 1. De subsidie wordt geweigerd voor zover het minder bedraagt dan € 50.000.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal € 400.000 per aanvrager.

Artikel 2.15.5.5 Weigeringsgrond

  • 1. Subsidie wordt niet verstrekt voor kosten die rechtstreeks samenhangen met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.15.2 tot en met 2.15.4.

  • 2. Subsidie wordt niet verstrekt voor apparaatskosten ten behoeve van gebiedsprocessen en overgangsgebieden.

  • 3. Subsidie wordt niet verstrekt aan een gemeente of waterschap.

Subparagraaf 2.15.6 Aanleg nieuw bos buiten GNN

Artikel 2.15.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    functieverandering van landbouwgrond naar bos;

  • b.

    realisatie van bos.

Artikel 2.15.6.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het bos bij aanplant wordt aangelegd met minimaal 80% inheemse soorten.

    • b.

      het project een omvang heeft van minimaal:

      • i.

        één hectare, als het wordt aangelegd op een locatie grenzend aan het Gelders natuurnetwerk of binnen de Groene ontwikkelingszone.

      • ii.

        drie hectare, als het wordt aangelegd op een andere locatie;

    • c.

      bij de aanvraag een intentieverklaring van het gemeentebestuur wordt overgelegd waaruit blijkt:

      • i.

        de intentie het bos planologisch te borgen;

      • ii.

        de juridische mogelijkheden hiertoe, met name de landschappelijke inpassing; en

    • d.

      het bos in overeenstemming is met de vigerende Omgevingsverordening Gelderland.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.15.6.1, onderdeel a, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten;

    • b.

      de productiecapaciteit in de laatste vijf jaar voor de aanvraag om subsidie onafgebroken is gebruikt;

    • c.

      op de grond waarop subsidie wordt aangevraagd ook realisatie van bos plaatsvindt;

    • d.

      de taxatie wordt uitgevoerd door een door Gedeputeerde Staten in te schakelen onafhankelijke taxateur.

  • 3. Artikel 2.15.1.2, onderdeel a tot en met d, is niet van toepassing.

Artikel 2.15.6.3 Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

  • a.

    kosten voor natuurbeheer;

  • b.

    kosten voor grondaankoop;

  • c.

    kosten voor pachtafkoop; en

  • d.

    in afwijking van artikel 2.15.1.3, derde lid, kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend.

Artikel 2.15.6.4 Aanvrager

In afwijking van artikel 2.15.1.4, eerste lid, wordt subsidie voor functieverandering alleen verstrekt aan de eigenaren van het terrein waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 2.15.6.5 Aanvraag

De aanvraag bevat, in aanvulling op artikel 1.2.3 en 2.15.1.5, de volgende gegevens:

  • a.

    de grootte van de onderneming;

  • b.

    een verklaring of en welke andere subsidies aanvrager voor de activiteit ontvangt en door wie die subsidies worden verstrekt;

  • c.

    als op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, een verklaring van geen bezwaar van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt.

Artikel 2.15.6.6 Hoogte

  • 1. De subsidie voor functieverandering bedraagt maximaal de door een taxateur bepaalde waardedaling van de grond, gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen functieverandering en inrichting.

  • 2. Subsidie voor de realisatie van bos bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000 per hectare.

Artikel 2.15.6.7 Verplichtingen

  • 1. Ontvanger van subsidie voor functieverandering is, in aanvulling op artikel 2.15.1.7, verplicht:

    • a.

      binnen twaalf weken na verlening van de subsidie met provincie een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht af te sluiten, waarin is opgenomen:

      • i.

        de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert en datgene nalaat wat de veiligstelling van het bos verstoort; en

      • ii.

        dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

    • b.

      er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de Gedeputeerde Staten;

    • c.

      de uit productie genomen gronden binnen twee jaar in bos om te zetten; en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen.

  • 2. Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid onder a worden uiterlijk binnen vier weken nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid tot stand is gekomen op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 3. Op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen als bedoeld in voorgaande leden van dit artikel eenmalig worden verlengd.

  • 4. Subsidieontvanger voor realisatie van bos is verplicht:

    • a.

      bij aanplant gebruik te maken van soorten genoemd op de Nederlandse Rassenlijst Bomen.

    • b.

      het bos voor zover nodig te beschermen tegen schade als gevolg van beweiding of bewerking op aangrenzende gronden;

    • c.

      aanlegwerkzaamheden in de periode tussen 1 september en 1 april uit te voeren.

    • d.

      aanlegwerkzaamheden pas na planologische borging uit te voeren.

    • e.

      na aanleg van het bos bij Gedeputeerde Staten een verzoek in te dienen om dit bos op te nemen op de kaart van het Natuurbeheerplan.

  • 5. Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.

Artikel 2.15.6.8 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd voor zover:

  • a.

    het bos zou worden aangelegd op een locatie binnen de begrenzing van een weidevogelgebied of het Gelders natuurnetwerk, bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland;

  • b.

    de onderneming van aanvrager in moeilijkheden verkeert als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01);

  • c.

    er een bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard

  • d.

    op de landbouwgrond of op het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze of andere regeling op grond waarvan subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer;

  • e.

    voor dezelfde activiteit al eerder subsidie is verleend of verstrekt;

  • f.

    subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen die niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoen en op basis daarvan hun productie hoe dan ook moeten stopzetten;

  • g.

    subsidie wordt aangevraagd met door bedrijven uit de houtsector met het oog op commercieel levensvatbare houtwinning, vervoer hout of de verwerking van hout of andere bosrijkdommen tot producten of energiebronnen;

  • h.

    het voedselbossen betreft.

Artikel 2.15.6.9 Communautair toetsingskader

Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten.

Subparagraaf 2.15.7 Recreatiezonering Veluwe

Artikel 2.15.7.1 Begripsomschrijving

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    recreatieve voorziening: faciliteit ten behoeve van recreatie of toerisme;

  • b.

    recreatiezoneringsplan Veluwe: Beleidsplan voor het bereiken van een duurzaam evenwicht tussen de natuurkwaliteit van de Veluwe en de beleving van de Veluwenatuur, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 17 mei 2022 en eventueel nadien gewijzigd;

  • c.

    recreatiezoneringskaart: onderdeel van het recreatiezoneringsplan, zijnde een kaart van Natura 2000-gebied Veluwe met een weergave van een de ligging van de recreatiezones A, B, C en D;

  • d.

    Veluwe: Natura 2000–gebied Veluwe.

Artikel 2.15.7.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden;

  • b.

    het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening, uitgezonderd de aanleg van een nieuwe routestructuur;

  • c.

    het doen van onderzoek naar de activiteiten onder a en b, of naar het aanpassen van openbare wegen, fietspaden of parkeerplaatsen;

  • d.

    communicatie over de uit te voeren recreatiezoneringsactiviteiten.

Artikel 2.15.7.3 Criteria

  • 1. Onverminderd artikel 2.15.1.2 wordt subsidie alleen verstrekt als de activiteit:

    • a.

      bijdraagt aan de doelen van het recreatiezoneringsplan;

    • b.

      deze uitgevoerd wordt op de Veluwe; en

    • c.

      in overeenstemming is met de karakteristieken van de aangegeven zone op de recreatiezoneringskaart waarin hij wordt uitgevoerd.

  • 2. Onverminderd het vorige lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder c, alleen verstrekt als het onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de onderzochte maatregelen op de natuur en de aanvrager voornemens is de onderzochte maatregelen uit te voeren.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de aanvrager afwijken van het eerste lid, onder b, als de activiteit bijdraagt aan de vermindering van verstoring op de Veluwe.

Artikel 2.15.7.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. Onverminderd artikel 2.15.1.6 bedraagt subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder a, c en d, 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder b, bedraagt:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening wordt verwijderd;

    • b.

      75% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening primair de natuurkwaliteit dient;

    • c.

      50% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening primair het verbeteren van de belevingskwaliteit dient.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen het subsidiebedrag bedoeld in het tweede lid, onder b of c, met 25% van de subsidiabele kosten verhogen als de activiteit uitgevoerd wordt in combinatie met voldoende andere fysieke maatregelen die gericht zijn op het verminderen van het recreatief gebruik elders op het terrein. Gedeputeerde Staten betrekken in hun afweging de omvang van het terrein, het geheel van fysieke maatregelen, de mate van de vermindering van de verstoring, de natuurwaarden en het habitattype van het terrein.

  • 4. Artikel 2.15.1.6, tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 2.15.7.5 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van een gemeente of waterschap.

Artikel 2.15.7.6 Aanvraag

  • 1.

    Artikel 2.15.1.5, eerste lid, onder b, onder ii, is niet van toepassing.

  • 2.

    Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder c, gaat vergezeld van een verklaring dat de aanvrager voornemens is de maatregelen waarnaar onderzoek wordt gedaan uit te voeren.

Artikel 2.15.7.7 Verplichtingen

  • 1. Artikel 2.15.1.7, tweede en vierde lid, zijn niet van toepassing.

  • 2. De aanvrager is verplicht een verwijderde recreatieve voorziening verwijderd te houden.

Artikel 2.15.7.8 Weigeringsgrond

  • 1. Artikel 2.15.1.8 is niet van toepassing.

  • 2. Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder a en b, wordt niet verstrekt voor beheer en onderhoud.

Paragraaf 2.16 Revitalisering en omvorming bos buiten Natura 2000

Artikel 2.16.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    revitalisering van bos met betrekking tot:

    • i.

      hydrologisch herstel;

    • ii.

      aanbrengen wildkerend raster;

    • iii.

      verwijderen van uitheemse boom- en struiksoorten;

    • iv.

      aanplanten van inheemse loofbomen en rijkstrooiselsoorten;

    • v.

      het maken van een plan voor een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen;

  • b.

    omvorming van kruiden- en faunarijk grasland naar bos.

Artikel 2.16.2 Criteria

  • 1. Subsidie, als bedoeld in artikel 2.16.1, wordt alleen verstrekt als de activiteiten plaatsvinden op percelen binnen het Gelders natuurnetwerk en buiten een Natura 2000-gebied.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, wordt alleen verstrekt als de activiteiten gericht zijn op het mitigeren of wegnemen van knelpunten ten aanzien van de vitaliteit van bos.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, eerste lid, onder a, onder i, wordt alleen verstrekt als de activiteiten gericht zijn op uitvoeren van:

    • a.

      onderzoek naar de kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving van de kringloop van grond- en oppervlaktewater gericht op:

      • i.

        hydrologisch systeemherstel; en

      • ii.

        het tegengaan van verdroging of herstel van vochtige en natte boshabitats; of

    • b.

      herstelmaatregelen in vochtige of natte boshabitats.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder ii, wordt alleen verstrekt op locaties waar meer inheemse loofbomen nodig zijn ten behoeve van brandpreventie, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het raster is noodzakelijk in verband met graasdruk door in het wild levende soorten;

    • b.

      het aanplanten of bevorderen van natuurlijke verjonging van inheemse loofbomen:

      • i.

        draagt bij aan het minimaliseren van de kans op onbeheersbare natuurbranden; en

      • ii.

        is noodzakelijk in het kader van de hoofdcompartimentering; of

    • c.

      het aanplanten van inheemse loofbomen is opgenomen in een natuurbrandpreventieplan opgesteld voor gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing.

  • 5. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder iii, wordt alleen verstrekt voor zover:

    • a.

      het betreft natuurtype:

      • i.

        N14;

      • ii.

        N15; of

      • iii.

        N16, mits het bos omgezet wordt naar natuurtype N14 of N15;

    • b.

      het perceel is gelegen op een oude bosgroeiplaats; en

    • c.

      alle op het lokale eigendom van aanvrager aanwezige uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de natuurlijke bosontwikkeling vormen worden verwijderd.

  • 6. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder iv, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      binnen bestaande bossen:

      • i.

        aangeduid als natuurtype N14 of N15, voor zover het aanplant van autochtoon inheemse boom- en struiksoorten betreft; of

      • ii.

        binnen bestaande bossen aangeduid als N16, voor zover het aanplant van inheemse boom- en struiksoorten betreft; en

    • b.

      als de soorten groepsgewijs worden aangeplant om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen.

  • 7. Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder b, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het om te vormen perceel:

      • i.

        natuurtype N12.02 betreft;

      • ii.

        weinig meerwaarde heeft voor biodiversiteit en ook de actuele en potentiële ecologische waarde van het perceel gering is; en

      • iii.

        minimaal 0,5 hectare groot is;

    • b.

      de aanplant bestaat uit autochtone inheemse boom- en struiksoorten of sprake is van het handhaven en het bevorderen van spontane opslag;

    • c.

      het perceel voor maximaal 60% wordt beplant; en

    • d.

      het te realiseren bos gaat voldoen aan de eisen van natuurtype N14 of N15.

Artikel 2.16.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd of gemachtigd is door een persoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein.

  • 2. Subsidie voor omvorming van kruiden- en faunarijk grasland naar bos wordt alleen verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

Artikel 2.16.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking alle kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit.

  • 2. Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 2.16.5 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • a.

    functieverandering;

  • b.

    kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;

  • c.

    kosten voor de aanschaf van machines;

  • d.

    kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen;

  • e.

    kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud;

  • f.

    kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van de subsidiabele activiteit.

Artikel 2.16.6 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 gaat een aanvraag vergezeld van:

  • a.

    een beschrijving van het voldoen aan de criteria;

  • b.

    een beschrijving per natuurgebied van de gegevens, bedoeld in artikel 1.2.3, eerste lid;

  • c.

    een beschrijving van de oppervlakte waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd;

  • d.

    een GIS-kaart waarop de maatregelen zijn aangeduid.

Artikel 2.16.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt 95% van de subsidiabele kosten en wordt gemaximeerd door de in bijlage 5 opgenomen normkosten.

  • 2. Alleen de werkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de in bijlage 5 opgenomen normkosten als:

    • a.

      de activiteiten aantoonbaar meer kosten; en

    • b.

      de meerkosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project.

  • 4. Subsidie wordt niet verleend als deze minder bedraagt dan € 5.000.

Artikel 2.16.8 Verplichtingen

  • 1. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder ii, is verplicht:

    • a.

      binnen het raster voldoende opvolgend beheer uit te voeren om de voorgenomen doelen te behalen; en

    • b.

      binnen het wildraster geen bodembewerking, anders dan maken van plantgaten, uit te voeren.

  • 2. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder iii, is verplicht:

    • a.

      vrijkomend hout te laten liggen, tenzij het struikvormers betreft;

    • b.

      geen houtoogst toe te passen;

    • c.

      niet-mechanisch te verwijderen, tenzij onderbouwd wordt dat het noodzakelijk is; en

    • d.

      geen glyfosaat toe te passen.

  • 3. Aanvrager is verplicht om na de uitvoering van de activiteit de herstelde of verbeterde natuur duurzaam in stand te houden.

  • 4. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder iv is verplicht bij de realisatie geen inheemse spontane opslag te verwijderen.

  • 5. Aanvrager van subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, onder iv en b, is verplicht bij aanplant gebruik te maken van herkomsten genoemd op de Nederlandse Rassenlijst Bomen.

Artikel 2.16.9 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover dit niet in strijd is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de Groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.16.10 Transparantie

[vervallen]

Paragraaf 2.17 Innovatie en modernisering stalemissies

Artikel 2.17.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    bewezen techniek: techniek die ofwel is opgenomen in de lijst in bijlage 1 van de Rav ofwel door een onafhankelijke onderzoeksorganisatie is onderbouwd en elders in de praktijk als effectief is bewezen;

  • b.

    brongerichte maatregelen: maatregelen gericht op het voorkomen van emissie bij de bron;

  • c.

    eindgebruiker: veehouderij die ontwikkelde technologie gaat toepassen en daarmee stikstof- en methaanemissie op zijn veehouderijlocatie realiseert;

  • d.

    emissiewaarde: effect van uitstoot van milieuvervuilende stoffen in de atmosfeer ten gevolge van menselijke activiteiten;

  • e.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • f.

    industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • g.

    kleine onderneming: kleine onderneming als bedoeld in bijlage 1 van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

  • h.

    methaanemissie: uitstoot van methaan;

  • i.

    middelgrote onderneming: middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage 1 van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

  • j.

    nageschakelde techniek: techniek om ontstane emissie te zuiveren;

  • k.

    onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de Landbouwvrijstellingsverordening;

  • l.

    Rav: Regeling Ammoniak en Veehouderij;

  • m.

    Rav-code: code per huisvestingssysteem, opgenomen in bijlage 1 van de Rav, waarvoor een emissiefactor is vastgesteld;

  • n.

    referentiewaarde: waarde behorend bij een Rav-code die de hoogte van de emissie die zonder investeringen en managementmaatregelen vanuit het stalsysteem voortkomt, weergeeft;

  • o.

    stalsysteem: mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie of dierenverblijven, of een combinatie hiervan, die zich bevindt respectievelijk die zich bevinden op een veehouderij;

  • p.

    stikstofdepositie: neerslag van stikstofoxiden en ammoniak op de omgeving;

  • q.

    stikstofemissie: uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak;

  • r.

    stikstofgevoelig Natura-2000 gebied: Natura-2000 gebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming met een voor stikstof gevoelige habitat met een te hoge stikstofbelasting, dat deel uitmaakte van het programma aanpak stikstof 2015-2021 als vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • s.

    veehouderijlocatie: vestiging van een veehouderij;

  • t.

    veehouderij: landbouwbedrijf waarin dieren worden gehouden voor de primaire landbouwproductie of vermeerdering van de desbetreffende dieren.

Paragraaf 2.17a Investeringen in niet- bewezen stikstofreducerende maatregelen door PAS-melders

Artikel 2.17a.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een innovatieproject gericht op brongerichte reductie van stikstof- en methaanemissie vanuit een stalsysteem.

  • 2. Het innovatieproject, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een of meer van de volgende fasen:

    • a.

      een onderzoeks- en ontwikkelingsfase;

    • b.

      een emissiemetingenfase;

    • c.

      een resterende productieve levensduurfase.

Artikel 2.17a.2 Criteria subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het innovatieproject bestaat uit

      • i.

        alle drie de fasen als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, of

      • ii.

        de emissiemetingenfase en resterende productieve levensduurfase, als de onderzoeks- en ontwikkelingsfase niet meer dan twee jaar voor de aanvraag is gerealiseerd;

    • b.

      aanvrager deelneemt in een samenwerkingsverband;

    • c.

      aan het samenwerkingsverband, bedoeld in het vorig onderdeel tenminste één veehouderij, die potentieel eindgebruiker is van de investeringen; en één onderzoeksorganisatie deelnemen;

    • d.

      het innovatieproject wordt uitgevoerd op een of meerdere veehouderijlocaties;

    • e.

      het minimaal te verwachten reductiepercentage van stikstofemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie, volgend uit Rav-code in bijlage 1 van de Rav, bedraagt tenminste:

      • i.

        melkvee: 50% ten opzichte van Rav-code A1.100;

      • ii.

        vleeskalveren: 60% ten opzichte van Rav-code A4.100;

      • iii.

        melkgeiten: 25% ten opzichte van 3,4 kg NH3 per dierplaats;

      • iv.

        varkens: 60% ten opzichte van Rav-codes: D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100, D1.3.101, D2.100 of D3.100;

      • v.

        leghennen en grootouder- en ouderdieren van leghennen: 50% ten opzichte van Rav-code E2.100;

      • vi.

        vleeskuikens : 50% ten opzichte van Rav-code E5.100;

      • vii.

        grootouder- en ouderdieren van vleeskuikens: 60% ten opzichte van Rav-code E4.100;

    • f.

      de stikstofdepositie van de gehele veehouderijlocatie op de volgende Natura-2000 gebieden, is voor de aanvraag minimaal:

      • i.

        10000 mol per jaar in de Veluwe;

      • ii.

        300 mol per jaar in Rijntakken;

      • iii.

        18 mol per jaar in de Achterhoek;

    • g.

      het innovatieproject is gericht op reductie van methaanemissie;

    • h.

      de emissiereductie van het innovatieproject wordt realtime gemeten en gemonitord met sensoren.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      voor investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die naar verwachting leiden tot reductie van stikstof- en methaanemissie in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen en voor sensoren voor werkelijke en continue meting van stikstof- en methaanemissie;

    • b.

      als de investeringen, bedoeld onder a, zijn gericht op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      voor het meten van het effect dat de investeringen, bedoeld in het voorgaande lid, hebben op de stikstof- en methaanemissie op een veehouderij; en

    • b.

      voor technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting als bedoeld in het tweede lid, onder a die nog geen Rav-code hebben.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c, wordt alleen verstrekt:

    • a.

      voor de afschrijving van de investeringen, bedoeld in het tweede lid, onder a, na het afronden van de onderzoeks- en ontwikkelfase en de emissiemetingenfase;

    • b.

      als de investeringen gebruiksklaar zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouwproductie op de desbetreffende veehouderijlocatie;

    • c.

      als de investeringen onder b, passen binnen de criteria van artikel 14, vijfde lid en tiende lid van de Landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 2.17a.3 Aanvrager

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan de veehouderij die blijkens de aanvraag optreedt als penvoerder namens het samenwerkingsverband.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan veehouderijen zonder rechtspersoonlijkheid.

Artikel 2.17a.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een berekening ter onderbouwing van het minimaal te verwachten reductiepercentage van stikstof- en methaanemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie.

Artikel 2.17a.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a bedraagt:

    • a.

      50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b.

      25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.

  • 2. Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met:

    • a.

      10 procent, als de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;

    • b.

      20 procent, als de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.

  • 3. Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt overeenkomstig artikel 25, zesde lid, onder b, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening verhoogd met 15 procent als:

    • a.

      de onderzoeks- en ontwikkelingsfase daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

      de projectresultaten uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.

  • 4. De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a bedraagt ten hoogste € 180.000 per veehouderijlocatie t, met een maximum van € 720.000 per aanvraag;

  • 5. De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 120.000 per veehouderijlocatie en maximaal € 480.000 per aanvraag.

  • 6. De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.

  • 7. Voor de resterende productieve levensduurfase bedraagt de subsidie ten hoogste € 200.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject en maximaal € 800.000 per aanvraag.

Artikel 2.17a.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

  • 2. Voor de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b, komen de kosten, genoemd in artikel 38, zevende lid, van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking.

  • 3. Voor de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c komen de afschrijvingskosten van de investeringen, voor subsidie in aanmerking voor zover deze kosten vallen onder de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onder a tot en met d, van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.17a.7 Weigeringsgronden

De subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    voor dezelfde innovatie al subsidie is verstrekt;

  • b.

    voor een van de fasen van het innovatieproject al subsidie is verstrekt;

  • c.

    met de uitvoering van het innovatieproject de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden;

  • d.

    het innovatieproject naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid.

Artikel 2.17a.8 Verplichtingen

  • 1. Als het innovatieproject bestaat uit alle drie de fasen, bedoeld in artikel 2.17a.2, eerste lid, onder a, onder i, worden de onderzoek- en ontwikkelingsfase en de emissiemetingenfase binnen vijf jaar na subsidieverlening voltooid.

  • 2. Als het innovatieproject bestaat uit de emissiemetingenfase en de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.17a.2, eerste lid, onder a, onder ii, wordt de emissiemetingenfase binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie voltooid.

  • 3. Voor de uitvoering van de emissiemetingenfase maakt de subsidieontvanger gebruik van meetprotocollen die voldoen aan de internationale stand van onderzoek of techniek.

  • 4. Voorafgaand aan de uitvoering van de emissiemetingenfase maakt de onderzoeksorganisatie de informatie, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening bekend op een openbaar toegankelijke website op nationaal of regionaal niveau.

  • 5. Na afloop van emissiemetingenfase stelt de onderzoeksorganisatie de resultaten van onderzoek overeenkomstig artikel 38, vierde lid van de Landbouwvrijstellingsverordening beschikbaar op een openbaar toegankelijke website op nationaal of regionaal niveau;

  • 6. De resultaten van de emissiemetingenfase worden door de onderzoeksorganisatie gedurende vijf jaar beschikbaar gehouden vanaf de datum waarop de resultaten op internet beschikbaar zijn gesteld, bedoeld in het vorige lid.

  • 7. Als voor de emissiemetingenfase een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening, is deze beoordeling uitgevoerd of de vergunning voor het investeringsproject verleend voor de datum waarop de investering wordt uitgevoerd en de resterende productieve levensduurfase van start gaat.

Paragraaf 2.17b Investeringen in bewezen stikstofreducerende maatregelen in stalsystemen

Artikel 2.17b.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een project gericht op de inrichting of herinrichting van een stalsysteem waarvan de toepassing leidt tot reductie van stikstofemissie binnen de veehouderijlocatie.

Artikel 2.17b.2 Criteria subsidiabele activiteit

Subsidie wordt alleen verstrekt:

  • a.

    voor de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een of meer nieuwe bewezen technieken, installaties, apparatuur, machines of uitrusting die leiden tot brongerichte reductie van stikstofemissie in een stalsysteem; of

  • b.

    voor een combinatie van een van de brongerichte maatregelen onder a en een nageschakelde techniek;

  • c.

    als de investeringen onder a en b, passen binnen de criteria van artikel 14, vijfde lid en tiende lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening;

  • d.

    als aannemelijk is dat het reductiepercentage van stikstofemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie, volgend uit Rav-code in bijlage 1 van de Rav, tenminste bedraagt:

    • i.

      melkvee: 30% ten opzichte van Rav-code A1.100;

    • ii.

      vleeskalveren: 60% ten opzichte van Rav-code A4.100;

    • iii.

      varkens: 60% ten opzichte van Rav-codes: D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100, D1.3.101, D2.100 of D3.100;

    • iv.

      pluimvee: 50% ten opzichte van Rav-codes: E1.100, E2.100, E3.100, E4.100, E5.100

    • v.

      overig: 60% ten opzichte van B1.100, F1.100, F2.100, F3.100, F4.100, G1.100, G2.1.100, I2.100, K1.100, L3.100;

  • e.

    als de stikstofdepositie van de gehele veehouderijlocatie op een van de volgende stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden in Gelderland, minimaal bedraagt:

    • i.

      22349 mol per jaar in de Veluwe;

    • ii.

      890 mol per jaar in Rijntakken;

    • iii.

      90 mol per jaar in de Achterhoek.

Artikel 2.17b.3 Aanvrager

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan een veehouderij.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan veehouderijen zonder rechtspersoonlijkheid.

Artikel 2.17b.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag de volgende gegevens:

  • a.

    een onafhankelijke en door onderzoeksorganisatie onderbouwde berekening ter onderbouwing van het minimaal te verwachten reductiepercentage van stikstofemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie;

  • b.

    benaming van de investering en Rav-code of de benaming en het reductiepercentage van de techniek zoals onderbouwd en gebleken in de praktijk;

  • c.

    offertes van de investeringen als bedoeld in artikel 2.17b.2, onder a.

Artikel 2.17b.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De maximale subsidie is afhankelijk van het percentage waarmee de toegestane stikstofemissie op de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming wordt verlaagd en bedraagt ten hoogste:

    • a.

      € 75.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met 30% van het reductiepercentage van stikstofemissie;

    • b.

      € 90.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 45% van het reductiepercentage van stikstofemissie;

    • c.

      € 105.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 60% van het reductiepercentage van stikstofemissie;

    • d.

      € 120.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 75% van het reductiepercentage van stikstofemissie;

    • e.

      € 135.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 90% van het reductiepercentage van stikstofemissie;

    • f.

      € 150.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met meer dan 90% van het reductiepercentage van stikstofemissie.

Artikel 2.17b.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid onderdelen a tot en met d van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen, waaronder verplichtingen ingevolge het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij.

Artikel 2.17b.7 Weigeringsgronden

De subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    met de uitvoering van de activiteit de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden;

  • b.

    de activiteit naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid.

  • c.

    voor dezelfde activiteiten subsidie is verleend op grond van paragraaf 2.21.

Artikel 2.17b.8 Verplichtingen

  • 1. De activiteit is binnen twee jaar na start van de activiteit voltooid.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn op verzoek verlengen.

  • 3. Binnen zes maanden na de start van de uitvoering van de activiteit, dient aanvrager een verzoek in tot wijziging van de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, om de toegestane stikstofemissie op de vergunning te verlagen met het percentage, bedoeld in artikel 2.17b.5, tweede lid, waarop de subsidie is verleend.

Artikel 2.17b.9 Opschortende voorwaarde

  • 1. De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de verlening aantoont dat een milieueffectbeoordeling is uitgevoerd of de vergunning voor het investeringsproject is verleend als voor de uitvoering van het project een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening.

  • 2. Op verzoek kunnen Gedeputeerde Staten de termijn als bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3. De subsidieontvanger verstrekt de bescheiden bedoeld in het eerste lid, binnen één maand na de uitvoering van de milieueffectbeoordeling of ontvangst van de benodigde vergunning, bedoeld in het eerste lid, aan Gedeputeerde Staten.

Paragraaf 2.18 Aanleg agroforestry

Artikel 2.18.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder agroforestry: een landbouwsysteem waarbij bomen en houtige, meerjarige gewassen bewust gecombineerd worden met akkerbouw of groententeelt van eenjarige gewassen, of veeteelt op eenzelfde perceel.

Artikel 2.18.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van agroforestry.

Artikel 2.18.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    het perceel waarop de bomen en houtige, meerjarige gewassen worden aangeplant een minimale oppervlakte heeft van één hectare; en een minimum van 30 bomen of houtige, meerjarige gewassen per hectare wordt aangeplant, of;

  • b.

    de aangeplante bomen of houtige, meerjarige gewassen worden geplaatst in een of meer rijen van ieder minimaal 20 meter.

Artikel 2.18.4 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten van de aankoop van bomen en houtige, meerjarige gewassen;

  • b.

    de kosten voor de aankoop van toebehoren voor de aanleg en instandhouding van de activiteit voor zover deze niet zijn betrokken in een andere subsidieaanvraag;

  • c.

    de kosten van huur van machines in verband met de aanplant;

  • d.

    de kosten voor de inhuur van personeel;

  • e.

    directe arbeidskosten.

Artikel 2.18.5 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.18.6 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een projectplan volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format;

  • b.

    offertes voor de aankoop van de bomen en houtige, meerjarige gewassen;

  • c.

    een topografische kaart waarop de ligging van het perceel is aangegeven.

Artikel 2.18.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €20.000,-.

Artikel 2.18.8 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als de aanleg is gericht op aanplant van invasieve soorten die een bedreiging zijn voor de biodiversiteit zoals opgenomen in Unielijst bij Verordening (EU) Nr. 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.

Artikel 2.18.9 Communautair toetsingskader

Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt zover deze niet in strijd is met de De-minimissteun in de landbouwsector Verordening (EU), Nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (Pb EU L 352/9).

Paragraaf 2.19 Adviezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw

Artikel 2.19.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het geven van een bedrijfsspecifiek advies voor natuurinclusieve kringlooplandbouw aan een landbouwonderneming.

Artikel 2.19.2 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    het advies wordt gegeven aan een landbouwonderneming die gevestigd is in Gelderland;

  • b.

    het advies wordt gegeven aan een landbouwonderneming die actief is in de primaire landbouwproductie met SBI-code 01.1, 01.2, 01.3, 01.4 of 01.5;

  • c.

    het advies is gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

    • i.

      brongerichte vermindering van emissies;

    • ii.

      duurzaam landgebruik;

    • iii.

      toename biodiversiteit;

    • iv.

      gesloten voedselsysteem of gesloten mineralenkringloop;

    • v.

      reductie middelengebruik;

    • vi.

      beter verdienmodel zonder toename veestapel;

  • d.

    het advies ingaat op ten minste de volgende elementen:

    • i.

      de veranderingen die noodzakelijk zijn in het bedrijf;

    • ii.

      de positieve effecten die met de veranderingen worden bereikt op de fysieke leefomgeving van het bedrijf;

    • iii.

      de marktkansen en het verdienmodel van de landbouwonderneming, nadat de veranderingen hebben plaatsgevonden;

    • iv.

      een indicatieve kostenbegroting voor de realisatie van de veranderingen;

  • e.

    de aanvrager onafhankelijk is van de te adviseren landbouwonderneming;

  • f.

    de aanvrager voor 1 mei 2022 stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met SBI-code 62, 66.1, 70.2, 71, 72.1, 73.2, 74.9, 85.41 of 85.42;

  • g.

    er voorafgaand aan het advies ten minste één bedrijfsbezoek wordt afgelegd.

Artikel 2.19.3 Aanvrager

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan een aanbieder van adviesdiensten.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.19.4 Aanvraag

In afwijking van artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:

  • a.

    een volledig ingevulde adviesvoucher, die door de provincie beschikbaar is gesteld aan landbouwondernemingen;

  • b.

    een offerte, die:

    • i.

      is ondertekend door de aanvrager en de opdrachtgevende landbouwonderneming; en

    • ii.

      een voorbehoud van het verkrijgen van de subsidie bevat.

Artikel 2.19.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 1.500 per advies.

Artikel 2.19.6 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger legt het advies schriftelijk vast.

  • 2. Binnen zes maanden na subsidieverlening wordt het advies gegeven aan de landbouwonderneming.

Artikel 2.19.7 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt verstrekt onder toepassing van artikel 22 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 2.20 Soortenmanagementplan

Artikel 2.20.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    gebiedsgerichte ontheffing: ontheffing van de verboden als bedoeld in de artikelen 8.1, 3.2, zesde lid, 8.8, 3.6, tweede lid en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bij activiteiten binnen een plangebied waarbij de maatregelen het functioneel leefgebied van de beschermde soorten, ongeacht de aard van de negatieve effecten van de toegestane activiteiten, versterken;

  • b.

    soortenmanagementplan: plan gericht op het verbeteren van de staat van instandhouding van soorten en ter onderbouwing van de aanvraag om een gebiedsgerichte ontheffing.

Artikel 2.20.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het opstellen van een soortenmanagementplan.

Artikel 2.20.3 Criteria

  • 1. Subsidie voor het opstellen van een soortenmanagementplan wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het plan de informatie bevat genoemd in Bijlage 2 van de Uitvoeringsregels Wet natuurbescherming Gelderland 2018;

    • b.

      het plan gericht is op:

      • 1e.

        verduurzaming van woningen in de bebouwde kom;

      • 2e.

        laanbeplantingen of houtwallen buiten de bebouwde kom;

      • 3e.

        asbestsanering of de sloop van schuren op gronden met een agrarische bestemming, of

      • 4e.

        inrichting en beheer van watergangen van een geheel stroomgebied;

    • c.

      de maatregelen in het plan ertoe leiden dat de staat van instandhouding van de soorten, die voorkomen in het plangebied en die beïnvloed worden door de gebiedsgerichte ontheffing, verbetert; en

    • d.

      de ecologische gegevens van het plan maximaal vijf jaar oud zijn.

Artikel 2.20.4 Subsidiabele kosten

Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.20.1 onder a komen in aanmerking:

  • a.

    kosten voor het opstellen van een soortenmanagementplan;

  • b.

    kosten voor het hiervoor benodigde inventarisatieonderzoek.

Artikel 2.20.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente of waterschap.

Artikel 2.20.6 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager bij de aanvraag:

  • a.

    een offerte van een adviesbureau voor de kosten als bedoeld in artikel 2.20.4; en

  • b.

    een kaart en een beknopte beschrijving van het plangebied.

Artikel 2.20.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor het opstellen van een soortenmanagementplan bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000.

Artikel 2.20.8 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als aan de aanvrager al eerder subsidie op grond van deze regeling is verstrekt.

Artikel 2.20.9 Verplichtingen

De ontvanger van subsidie stelt het soortenmanagementplan binnen 18 maanden na het verlenen van de subsidie vast.

Paragraaf 2.21 Circulaire mestverwerking

Artikel 2.21.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    circulaire mestverwerking: behandeling van mest waarbij nutriënten of andere herbruikbare bestanddelen uit de mest worden gehaald ten behoeve van hergebruik in een gesloten kringloop of het zoveel mogelijk voorkomen van verliezen naar het milieu;

  • b.

    stikstofstripper: technische installatie voor het terugwinnen van stikstof uit mest of digestaat;

  • c.

    veehouderij: landbouwbedrijf waarin dieren worden gehouden voor de primaire landbouwproductie of vermeerdering van de desbetreffende dieren.

Artikel 2.21.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de AsG, kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten ten behoeve van circulaire mestverwerking:

  • a.

    het aanpassen van een stalvloer inclusief apparatuur voor het verzamelen van mest; of

  • b.

    het plaatsen van een stikstofstripper eventueel samen met een mestscheider.

Artikel 2.21.3 Criteria

Subsidie wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan een van de volgende doelstellingen:

    • i.

      de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, onder meer door de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een betere koolstofvastlegging, en bevorderen van duurzame energie en energie- efficiëntie;

    • ii.

      een duurzame circulaire bio-economie en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door het verminderen van de afhankelijkheid van chemische middelen;

  • b.

    de activiteit wordt uitgevoerd in de provincie Gelderland.

Artikel 2.21.4 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteiten reeds eerder subsidie is verleend op grond van deze regeling.

Artikel 2.21.5 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:

  • a.

    kosten van de aanpassing van de stalvloer inclusief apparatuur voor het verzamelen van mest;

  • b.

    kosten van de aanschaf en installatie van de stikstofstripper en mestscheider;

  • c.

    accountantskosten, als de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft.

Artikel 2.21.6. Niet-subsidiabele kosten

Directe loon- en arbeidskosten komen niet in aanmerking voor subsidie.

Artikel 2.21.7 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een veehouderij met of zonder rechtspersoonlijkheid.

Artikel 2.21.8. Aanvraag

In aanvulling op artikel 1.2.3. worden bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een projectplan volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format waarin tenminste is opgenomen:

    • i.

      voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder a, de hoeveelheid m3 drijfmest of vaste mest en urine die jaarlijks opgevangen gaat worden na aanpassing van de stalvloer en de bijbehorende emissiefactor volgens de fabrikant van het stalvoersysteem;

    • ii.

      voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder b, de hoeveelheid m3 mest die jaarlijks door de stikstofstripper bewerkt gaat worden, het te verwachten gehalte minerale stikstof uit het stikstofconcentraat en de soorten en hoeveelheid herbruikbare bestanddelen die naar verwachting vrijkomen voor hergebruik in een gesloten kringloop;

  • b.

    een begroting volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format;

  • c.

    fertes voor de aanschaf en uitvoering van de subsidiabele activiteiten, inclusief technische specificaties van de apparatuur.

Artikel 2.21.9 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt:

    • a.

      voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder a, 60% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder b, 80% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De totale subsidie per aanvraag bedraagt tenminste €26.000 en maximaal €250.000.

Artikel 2.21.10 Verplichtingen

  • 1. De activiteiten zijn binnen 12 maanden na subsidieverlening voltooid.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn op verzoek van de subsidieontvanger met maximaal 12 maanden verlengen.

  • 3. Voor de start van de activiteit draagt aanvrager zorg voor wijziging van de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, om tenminste de omschrijving van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, aan te passen aan de met deze subsidie te realiseren investeringen.

Artikel 2.21.11 Vaststelling

In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, met dien verstande dat voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG ondersteund met facturen van de gerealiseerde kosten.

Artikel 2.21.12 Communautair toetsingskader

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 14 van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

Hoofdstuk 3 Bodem en Water

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater;

  • b.

    bodem- en ondergrondaspecten: informatie over de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd;

  • c.

    bodemgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit;

  • d.

    knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren.

Paragraaf 3.2 Subsidieregeling Samenwerkingsovereenkomsten Waterschappen 2022-2027

Artikel 3.2.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    samenwerkingsovereenkomst: een samenwerkingsovereenkomst tussen de provincie en een waterschap waarin afspraken zijn gemaakt over de onderwerpen en projecten waarop het waterschap en de provincie zullen samenwerken en die passen binnen het provinciaal beleid en dat van het waterschap;

  • b.

    waterschap: het waterschap Rijn en IJssel, het waterschap Vallei en Veluwe of het waterschap Rivierenland;

  • c.

    projectenlijst: een op grond van de samenwerkingsovereenkomst door het bevoegd gezag van het waterschap en gedeputeerde staten periodiek vastgestelde lijst met door het waterschap uit te voeren projecten;

  • d.

    financieringsbronnen: middelen die beschikbaar zijn op grond van nationale regelingen waaronder de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur, Europese regelingen en provinciale middelen, waaronder middelen die kunnen worden besteed conform de Bestedingsdoelen Egalisatiefonds Grondwaterheffing Gelderland 2022;

  • e.

    natuurpact 2013-2025: rijksmiddelen die aan de provincie ter beschikking zijn gesteld uit hoofde van het “Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur" van 20 september 2011 en de aanvullingen en uitvoeringsafspraken van respectievelijk 7 december 2011 en 8 februari 2012;

  • f.

    Bestedingsdoelen Egalisatiefonds Grondwaterheffing Gelderland 2022: paragrafen 2.2 en 3.2 uit de Bestedingsdoelen Egalisatiefonds Grondwaterheffing Gelderland 2022, van 11 november 2022.

Artikel 3.2.2 Samenwerkingsovereenkomst

In de samenwerkingsovereenkomst worden in ieder geval afspraken vastgelegd hoe:

  • a.

    partijen gezamenlijk werken aan de realisatie van verschillende doelen;

  • b.

    partijen gezamenlijk komen tot één projectenlijst;

  • c.

    de subsidiabele kosten worden bepaald;

  • d.

    de te behalen resultaten kunnen worden bepaald; en;

  • e.

    partijen periodiek overleggen over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van projecten en de verslaglegging ervan.

Artikel 3.2.3 Projectenlijst

In de projectenlijst wordt in ieder geval van ieder project opgenomen:

  • a.

    projectnaam;

  • b.

    de resultaten per financieringsbron;

  • c.

    de kosten per resultaat;

  • d.

    de gevraagde subsidie.

Artikel 3.2.4 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor subsidie uit hoofde van provinciale middelen wordt gevraagd.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor subsidie uit hoofde van Europese of nationale middelen wordt gevraagd.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de ASG wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor middelen uit hoofde van het Natuurpact 2013-2025 wordt gevraagd.

Artikel 3.2.5 Subsidiabele kosten

  • 1. In afwijking van artikel 1.3.4, aanhef en onder b, zijn de kosten bij subsidieverstrekking op grond van artikel 3.2.4 vanaf 1 januari 2021 subsidiabel.

  • 2. In afwijking van artikel 1.3.5, vijfde lid, geldt het uurtarief zoals vastgelegd in de Handleiding overheidstarieven 2021 en daaropvolgende publicaties.

Artikel 3.2.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag of percentage dat in de projectenlijst is opgenomen.

Artikel 3.2.7 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een planning met de te behalen resultaten inclusief een tijds- en uitgavenplanning.

Artikel 3.2.8 Voorschotverlening

  • 1. Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 3.2.4, eerste lid, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 3.2.4, tweede lid en derde lid, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten.

  • 3. De betalingstermijnen worden aan de hand van de uitgavenplanning bepaald.

Artikel 3.2.9 Verplichtingen

  • 1. Voor subsidies die zijn verstrekt op grond van grond artikel 3.2.4, tweede lid, gelden de volgende verplichtingen:

    • a.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, zijn uiterlijk 31 juni 2025 gerealiseerd;

    • b.

      de subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de activiteit de herstelde of verbeterde natuur gedurende zes jaar in stand te houden;

    • c.

      de subsidieontvanger is verplicht om de gegevens aan te leveren die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording.

  • 2. De activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van artikel 3.2.4, derde lid, zijn uiterlijk 31 december 2025 gerealiseerd.

Artikel 3.2.10 Vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 3.2.4, eerste lid.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.2.4, tweede lid, wordt in afwijking van artikel 27 AsG overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verantwoord.

Paragraaf 3.3 Overdracht bodemtaken onder de Omgevingswet

Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      oplossen van knelpunten rondom de overname van bodemtaken in het kader van de Omgevingswet, of

    • b.

      advies en kennisdeling over het inrichten van de gemeentelijke organisatie in het kader van de overname van de bodemtaken bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2. Onder oplossen van knelpunten wordt in ieder geval verstaan het implementeren van bodem en ondergrond in omgevingsvisie, omgevingsplan of programma.

Artikel 3.3.2 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 6 maanden na subsidieverlening te starten en af te ronden binnen één jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 3.3.3 Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.1 komen niet in aanmerking de kosten van saneringsprojecten.

Artikel 3.3.4 Hoogte subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.1 bedraagt € 50.000.

Artikel 3.3.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Paragraaf 3.4 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van bodemonderzoek of opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied en het delen van opgedane kennis hierover.

Artikel 3.4.2 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht het rapport openbaar te maken via internet.

Artikel 3.4.3 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.1 komen niet in aanmerking de kosten van wettelijk verplicht bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en, na inwerkingtreding, de Omgevingswet.

  • 2. In afwijking van artikel 1.3.4, onderdeel f, kan subsidie worden verstrekt voor de onderzoekskosten naar stoffen die voorkomen op de Europese lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen en de onderzoekkosten voor de niet genormeerde stoffen.

Artikel 3.4.4 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3.4.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.4.1 bedraagt € 10.000.

Hoofdstuk 4 Verkeer en vervoer

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    CNG-vrachtauto: een vrachtauto die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor die gebruik maakt van aardgas dat met behulp van een compressor is gecomprimeerd tot een druk van 200 bar, waarbij het aardgas vervangen kan worden door biogas dat is gezuiverd tot aardgas

  • b.

    goederenvervoer: vervoer van goederen over de weg en over water;

  • c.

    koopovereenkomst: schriftelijke overeenkomst tussen leverancier en de subsidieaanvrager over de koop van de vrachtauto of elektrische bestelauto;

  • d.

    LNG-vrachtauto: een voertuig dat een vrachtauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen is, valt onder categorie N2 of categorie N3 van Richtlijn 2007/46/EG en bij de feitelijke levering overeenkomstig de koopovereenkomst door de fabrikant als bedoeld in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 (PbEU L263) is uitgerust met een motor die als hoofdaandrijving in de vrachtauto is geplaatst en uitsluitend Liquefied Bio Gas of Liquefied Natural Gas als motorbrandstof gebruikt;

  • e.

    openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend;

  • f.

    operational lease: de lessee betaalt voor het exclusieve gebruik van een vrachtauto of elektrische bestelauto gedurende een met de leasemaatschappij overeengekomen periode, waarbij de eigendom van de vrachtauto elektrische bestelauto bij de leasemaatschappij blijft;

  • g.

    hoogwaardige fietsroute: een regionale hoofdfietsroute die hoogwaardig is ingericht voor woon-werk fietsbewegingen over langere afstanden en primair gericht is op snelle en efficiënte verplaatsing met optimale veiligheid;

  • h.

    SSK-raming: Standaardsystematiek voor Kostenramingen: de systematiek voor kostenramingen zoals deze is vastgelegd in publicatie 137 van het door het CROW uitgegeven handboek Kostenramingen - SSK 2010 of de kennismodule kostenmanagement – SSK 2018;

  • i.

    vrachtauto: motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, dat uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer van goederen;

  • j.

    vervoerder: de rechtspersoon die openbaar vervoer verricht, waaronder begrepen regiotaxi;

  • k.

    Definitiekader voor het Hoofdfietsnet Gelderland: door Provinciale Staten op 31 januari 2018 (PS2017-766) vastgesteld beleidskader voor het bepalen van het hoogwaardig regionaal fietsnet in Gelderland.

Paragraaf 4.2 Infrastructurele Maatregelen Hoogwaardig Openbaar Vervoer

Artikel 4.2.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    plan HOV: plan van gemeenten in een regio en de provincie op het gebied van HOV;

  • b.

    hoogwaardig openbaar vervoer: openbaar vervoer per bus met een storingsvrije afwikkeling, gestrekte routes met waar nodig vrijliggende infrastructuur voor de bus, een hoge frequentie, herkenbare en goed bereikbare halte- en knooppuntvoorzieningen, een hoog niveau van dynamische reizigersinformatie en beschikbaarheid van goede en voldoende stallingsvoorzieningen voor de fiets;

  • c.

    HOV-lijn: buslijn die hoogwaardig openbaar vervoer biedt en opgenomen is in het Plan HOV;

  • d.

    OV-visie: visie, vastgesteld door Provinciale Staten op 28 mei 2014 (PS2014-248);

  • e.

    vervoerberaad: bestuurlijk overleg tussen de regio en de provincie;

  • f.

    personele inzet: werkzaamheden verricht door medewerkers van de gemeente dan wel door de gemeente ingehuurde medewerkers.

Artikel 4.2.2 Plan HOV

Gedeputeerde Staten stellen een plan HOV vast als aan de volgende vereisten wordt voldaan:

  • a.

    het plan HOV bevat activiteiten ter verbetering van de infrastructuur voor hoogwaardig openbaar vervoer;

  • b.

    de activiteiten passen in de OV-visie;

  • c.

    het vervoerberaad heeft ingestemd met het plan HOV;

  • d.

    de activiteiten zijn uitgesplitst per HOV-lijn en gemeente.

Artikel 4.2.3 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan wordt verstrekt voor activiteiten die zijn opgenomen in een plan HOV.

Artikel 4.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van het bedrag dat voor die activiteit in het plan HOV is opgenomen.

Artikel 4.2.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten zoals die zijn vastgelegd in de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming.

  • 2. Onverminderd artikel 1.3.4 komen kosten voor personele inzet van de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3. In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen de kosten die gemaakt zijn in het jaar voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor subsidie in aanmerking.

  • 4. De artikelen 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.2.6 Aanvrager

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de gemeente die in het plan HOV opgenomen is en op wier grondgebied de activiteit plaatsvindt.

Artikel 4.2.7 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een SSK-raming waarin geen kosten voor personele inzet zijn opgenomen.

Artikel 4.2.8 Verplichting

De aanvrager geeft opdracht voor realisatie van de activiteiten die opgenomen zijn in het plan HOV binnen een jaar vanaf de datum van de verleningsbeschikking.

Artikel 4.2.9 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteit al subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 5.5 Overstappunten mobiliteit zoals die bestond in de RRvG 2016 die gold t/m 31 december 2022.

Paragraaf 4.3 Duurzame vrachtauto’s

Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de koop of operational lease van een CNG- of LNG-vrachtauto.

Artikel 4.3.2 Subsidiabele kosten

Subsidie kan worden verstrekt voor de kosten die voor de aanvrager volgen uit de koop- of operationallease-overeenkomst.

Artikel 4.3.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    de aanvrager gevestigd is in Gelderland of die blijkens het Handelsregister verbonden is aan een rechtspersoon die gevestigd is in Gelderland;

  • b.

    de aanvrager in geval van koop de eerste houder van het kenteken van de vrachtauto wordt;

  • c.

    de aanvrager in geval van operational lease de eerste gebruiker van de vrachtauto wordt;

  • d.

    de vrachtauto zal worden gebruikt of mede zal worden gebruikt voor goederenvervoer vanuit een of meer bedrijfslocaties binnen Gelderland.

Artikel 4.3.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt € 8.000 per CNG- of LNG-vrachtauto.

  • 2. Per aanvraag wordt voor maximaal zeven vrachtauto’s subsidie verstrekt.

Artikel 4.3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    de datum van de offerte voor de koop- of operationallease-overeenkomst een jaar of meer voor de datum van de aanvraag ligt;

  • b.

    de datum van de koop of operationallease-overeenkomst voor de datum van de aanvraag ligt, of

  • c.

    de vrachtauto voorafgaand aan de aanvraag op kenteken is gezet.

Artikel 4.3.6 Aanvraag subsidieverlening

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een afschrift van de offerte voor de koop of operationallease-overeenkomst van de vrachtauto;

    • b.

      een verklaring van de aanvrager dat:

      • i.

        de vrachtauto uitsluitend gebruikt gaat worden door de aanvrager zelf;

      • ii.

        de vrachtauto gaat gebruikt worden of gaat mede gebruikt worden voor vervoer vanuit een of meer bedrijfslocaties binnen Gelderland.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3, derde lid, bevat de aanvraag om subsidie:

    • a.

      de instantie die verantwoordelijk is voor de toekenning van de subsidie;

    • b.

      de hoogte van de subsidie;

    • c.

      de data en kenmerken van de besluiten tot verstrekking van de subsidie, voor zover reeds genomen.

Artikel 4.3.7 Bevoorschotting

Er wordt geen voorschot uitgekeerd.

Artikel 4.3.8 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

    • a.

      in geval van koop het kenteken van de vrachtauto met ingang van de dag van feitelijke levering van de vrachtauto op naam staat van de subsidieontvanger en tenminste drie jaar onafgebroken op naam van de subsidieontvanger blijft staan;

    • b.

      in geval van operational lease het kenteken met ingang van de dag van feitelijke levering van de vrachtauto op naam staat van de leasemaatschappij en tenminste drie jaar onafgebroken op naam van de leasemaatschappij blijft staan;

    • c.

      de subsidieontvanger de vrachtauto, onverminderd artikel 1.4.7, tenminste drie jaar onafgebroken vanaf de datum van de subsidiebeschikking gebruikt.

  • 2. Onverminderd artikel 1.4.4 meldt de subsidieontvanger aan Gedeputeerde Staten de volgende omstandigheden binnen twee weken nadat de omstandigheid heeft plaatsgevonden:

    • a.

      de vermelding van de subsidieontvanger in het Handelsregister is ingetrokken, of gegevens in verband met die vermelding zijn gewijzigd;

    • b.

      de tenaamstelling als bedoeld in artikel 25 van het Kentekenreglement van de vrachtauto is geschorst, of gegevens in verband met deze tenaamstelling zijn gewijzigd;

    • c.

      het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 van de vrachtauto is ingetrokken, of gegevens in dat kentekenbewijs zijn gewijzigd.

Artikel 4.3.9 Subsidievaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 25, eerste en tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van:

    • a.

      een afschrift van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 van de Wegenverkeerswet van de vrachtauto; en

    • b.

      een afschrift van de koop- of operationallease-overeenkomst.

  • 2. In afwijking van artikel 25, vierde lid, van de AsG is artikel 24 van de AsG wel van toepassing.

Artikel 4.3.10 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 36 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 4.4 Slimme en Schone Mobiliteit

Artikel 4.4.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit: plan van de regio voor Slimme en Schone Mobiliteit;

  • b.

    Slimme en Schone Mobiliteit: toepassing of gebruik van nieuwe techniek, data, diensten, kennis en mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding met als doel bestaande infrastructuur beter te benutten.

Artikel 4.4.2 Regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit

  • 1. Op verzoek van een regio kunnen Gedeputeerde Staten een regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit goedkeuren.

  • 2. Gedeputeerde Staten verlenen goedkeuring aan het plan als aan de volgende vereisten wordt voldaan:

    • a.

      het plan bevat projecten gericht op Slimme en Schone Mobiliteit;

    • b.

      het plan bevat een beschrijving van de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de beschreven projecten;

    • c.

      het plan bevat een sluitende begroting; en

    • d.

      het plan past binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Werkagenda Slimme en Schone Mobiliteit 2023 en verder.

Artikel 4.4.3 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit.

Artikel 4.4.4 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als Gedeputeerde Staten het regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit van de betreffende regio hebben goedgekeurd.

Artikel 4.4.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    Regio Arnhem-Nijmegen;

  • b.

    Regio FoodValley;

  • c.

    Regio Achterhoek;

  • d.

    Regio Rivierenland;

  • e.

    Regio Stedendriehoek;

  • f.

    een samenwerkingsverband van de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten.

Artikel 4.4.6 Subsidiabele kosten

Kosten voor de uitvoering van een regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen in afwijking van artikel 1.3.4, aanhef en onder b, voor subsidie in aanmerking als deze zijn gemaakt in het kalenderjaar waarin Gedeputeerde Staten het regionale uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit hebben goedgekeurd.

Artikel 4.4.7 Indieningstermijn

De aanvraag om subsidie wordt ingediend binnen 13 weken nadat Gedeputeerde Staten het regionale uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit hebben goedgekeurd.

Artikel 4.4.8 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal de bijdrage van de provincie Gelderland die in het regionale uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit is opgenomen.

Artikel 4.4.9 Aanvraag

Als de aanvraag door een bij het samenwerkingsverband betrokken gemeente mede namens de andere gemeenten wordt ingediend, dan wordt bij de aanvraag, onverminderd artikel 1.2.3, een verklaring van alle samenwerkende gemeenten overgelegd.

Artikel 4.4.10 Vaststelling

In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies op grond van deze paragraaf, met dien verstande dat voor subsidies tot €125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.

Paragraaf 4.5 Complexe maatregelen hoofdfietsnet

Artikel 4.5.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    complexe maatregel: aanleg van fietsbrug, fietstunnel, fietsstraat of vrijliggend fietspad, of het verbreden van een bestaand fietspad;

  • b.

    hoofdfietsnet: netwerk van fietsroutes als bedoeld in het Definitiekader Hoofdfietsnet Gelderland.

Artikel 4.5.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het nemen van een complexe maatregel om het hoofdfietsnet te verbeteren.

Artikel 4.5.3 Criteria

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt als de complexe maatregel:

    • a.

      gerealiseerd wordt op een fietsroute binnen het hoofdfietsnet;

    • b.

      ten minste voldoet aan de richtlijnen uit de Ontwerpwijzer fietsverkeer 2016 van het CROW.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de aanvrager afwijken van het eerste lid, onder b.

Artikel 4.5.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.

Artikel 4.5.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij een aanvraag om subsidie bijgevoegd:

  • a.

    een kaart met de Basisregistratie Grootschalige Topografie als onderlegger. Hierop zijn de locatie van de maatregel, de lengte van de maatregel en de aanduiding van de complexe maatregel op de fietsroute of een deel daarvan ingetekend;

  • b.

    een dwarsprofiel van de huidige situatie op de weg en een ontwerp en dwarsprofiel van de maatregel;

  • c.

    een SSK-raming waarin geen interne loonkosten zijn opgenomen;

  • d.

    een beschrijving van de huidige verkeerssituatie op locatie en een toelichting op de wijze waarop het nemen van de voorgestelde complexe maatregel het hoofdfietsnet verbetert.

Artikel 4.5.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van €750.000.

Artikel 4.5.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5.2 komen in aanmerking de kosten op basis van de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming.

  • 2. Voor subsidie komen niet in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de aankoop van grond;

    • b.

      de interne loonkosten van de aanvrager.

  • 3. Artikel 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.5.8 Verplichtingen

De complexe maatregel wordt gerealiseerd binnen drie jaar na het besluit tot subsidieverlening.

Artikel 4.5.9 Weigeringsgrond

Geen subsidie wordt verstrekt voor:

  • a.

    onderhoud;

  • b.

    een traject waarvoor op grond van deze regeling al eerder subsidie is verstrekt;

  • c.

    de aanleg of verbetering van een hoogwaardige fietsroute als bedoeld in het Definitiekader voor het Hoofdfietsnet Gelderland.

Paragraaf 4.6 Hoogwaardige fietsroute

Artikel 4.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van een hoogwaardige fietsroute.

Artikel 4.6.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het een hoogwaardige fietsroute betreft als bedoeld in het Definitiekader voor het Hoofdfietsnet Gelderland;

    • b.

      de aanvrager samen met één of meerdere gemeenten uitvoering geeft aan de subsidiabele activiteit; en

    • c.

      de samenwerkende gemeenten een overeenkomst hebben gesloten met elkaar en met de provincie voor de realisatie van de hoogwaardige fietsroute volgens een door Gedeputeerde Staten vastgesteld model.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 4.6.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan de gemeente die blijkens de aanvraag optreedt als penvoerder van de samenwerkende gemeenten.

Artikel 4.6.4 Aanvraag

De aanvraag om subsidie wordt ingediend binnen 13 weken na het aangaan van de overeenkomst.

Artikel 4.6.5 Verplichtingen

In afwijking van artikel 1.4.7 is de subsidieontvanger verplicht de hoogwaardige fietsroute tenminste 10 jaar in stand te houden.

Artikel 4.6.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten zoals deze zijn vastgelegd in de bij de overeenkomst gevoegde SSK-raming.

  • 2. In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen de kosten die gemaakt zijn voor de datum van de aanvraag voor subsidie in aanmerking.

Artikel 4.6.7 Hoogte van de subsidie

De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 90% procent van de subsidiabele kosten.

Paragraaf 4.7 Rapport duurzaam goederenvervoer over de weg

Artikel 4.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een rapport over het verduurzamen van het wagenpark voor goederenvervoer;

  • b.

    het opstellen van een rapport over het gebruik van energie vanuit eigen opwek voor het laden van elektrische voertuigen.

Artikel 4.7.2 Criteria

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 4.7.1, onder a, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het rapport ten minste inzicht geeft in:

      • i.

        een beschrijving van het gebruik van het wagenpark van de aanvrager op gebied van het goederenvervoer;

      • ii.

        de verduurzamingsalternatieven voor het wagenpark;

      • iii.

        de businesscase; en

    • b.

      uit het rapport blijkt dat de externe deskundige die het rapport heeft opgesteld ervaring heeft met het adviseren en begeleiden van vervoerders en verladers op het gebied van het verduurzamen van hun wagenpark.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 4.7.1, onder b, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het rapport inzicht geeft in:

      • i.

        de huidige situatie van het wagenpark en de energiebehoefte;

      • ii.

        de toekomstige situatie van het wagenpark en de verwachte energiebehoefte;

      • iii.

        mogelijkheden voor eigen opwek;

      • iv.

        mogelijkheden voor energieopslag;

      • v.

        de businesscase; en

    • b.

      uit het rapport blijkt dat de externe deskundige die het rapport heeft opgesteld ervaring heeft met het adviseren van bedrijven over eigen opwek van duurzame energie.

Artikel 4.7.3 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan een rechtspersoon die gevestigd is in Gelderland of die blijkens het Handelsregister verbonden is aan een rechtspersoon die gevestigd is in Gelderland.

Artikel 4.7.4 Subsidiabele kosten.

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van het rapport.

Artikel 4.7.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 4.7.1, onder a, bedraagt € 3.000.

  • 2. De subsidie, bedoeld in artikel 4.7.1, onder b, bedraagt € 6.000.

Artikel 4.7.6 Aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt de aanvraag om subsidie ingediend na uitvoering van de activiteit.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:

    • a.

      het rapport;

    • b.

      de factuur van de externe deskundige.

  • 3. Per aanvrager, inclusief een met de aanvrager organisatorisch samenhangende of verbonden rechtspersoon, wordt slechts eenmaal subsidie verstrekt.

Paragraaf 4.8 Buurtbus

Artikel 4.8.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    buurtbus: vorm van openbaar vervoer per achtpersoonsbus, waarmee dunbevolkte gebieden of wijken volgens vaste route en dienstregeling verbonden worden;

  • b.

    buurtbuslijn: een lijn met vaste route en dienstregeling die door de concessiehouder is vastgesteld;

  • c.

    buurtbusvereniging: een rechtspersoon die een buurtbuslijn verzorgt;

  • d.

    versterkingsbus: extra bus die incidenteel wordt ingezet als de beschikbare capaciteit niet toereikend is.

Artikel 4.8.2 Subsidie

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de activiteiten van vrijwilligers die zich inzetten voor een buurtbusvereniging

Artikel 4.8.3 Criteria

De subsidie wordt alleen verstrekt aan een aanvrager die in de vigerende dienstregeling een buurtbuslijn verzorgt.

Artikel 4.8.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    € 7.500 per buurtbus per jaar;

  • b.

    € 500 per buurtbusvereniging als er sprake is van een lustrum.

Artikel 4.8.5 Beslissing op de aanvraag

Artikel 25, derde lid, van de AsG is op de subsidie van toepassing.

Artikel 4.8.6 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een buurtbusvereniging in Gelderland.

Artikel 4.8.7 Periode

De subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal drie jaar.

Artikel 4.8.8 Weigeringsgrond

Subsidie voor een versterkingsbus wordt geweigerd.

Paragraaf 4.9 Bushalte

Artikel 4.9.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    concessie: concessie als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000;

  • b.

    halteren: het stoppen van de bus bij een halte;

  • c.

    instapper: in- of uitstappende reiziger;

  • d.

    vervoerplan: plan van de concessiehouder waarin beschreven is waar de bus gaat rijden en halteren;

  • e.

    wegbeheerder: Rijkswaterstaat, gemeente of waterschap, die verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de weg.

Artikel 4.9.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het realiseren, verwijderen of aanpassen van een bushalte.

Artikel 4.9.3 Criteria

  • 1. Subsidie voor het realiseren of aanpassen van een bushalte wordt slechts verstrekt als:

    • a.

      deze ligt aan de route van een buslijn die opgenomen is in het geldende vervoerplan; en

    • b.

      de route van de buslijn nieuw is ten opzichte van het vorige vervoerplan, of

    • c.

      de bestaande bushalte volgens het geldende vervoerplan door meer of minder instappers wordt bezocht ten opzichte van het vorige vervoerplan.

  • 2. Subsidie voor het verwijderen van een bushalte wordt slechts verstrekt als de halte volgens het geldende vervoerplan niet meer aan de route van een buslijn ligt.

Artikel 4.9.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.9.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten zoals die zijn vastgelegd in de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming

  • 2. Onverminderd artikel 1.3.4 komen kosten voor personele inzet van de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3. In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen de kosten die gemaakt zijn in het jaar voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor subsidie in aanmerking.

  • 4. De artikelen 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.9.6 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan een wegbeheerder.

Paragraaf 4.10 Veilige fietspaden

Artikel 4.10.1 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een eenvoudige maatregel die de fietsveiligheid verbetert.

  • 2. Als eenvoudige maatregel wordt aangemerkt:

    • a.

      het aanbrengen van kantmarkering op een fietspad;

    • b.

      het aanbrengen van asmarkering op een fietspad;

    • c.

      het saneren van onnodig geplaatste paaltjes (inclusief het dichten van het gat) en verticale elementen op of vlak naast het fietspad;

    • d.

      het saneren van verticale stoepranden en hoogteverschillen tussen verharding en berm op of langs een fietsstrook of fietspad;

    • e.

      een fietsstrook aanleggen;

    • f.

      gesloten verharding aanbrengen op fietsstroken en -paden zodat het wegdek vervlakt;

    • g.

      een drempel aanleggen op een fietskruispunt op een gebiedsontsluitingsweg of erftoegangsweg;

    • h.

      het verbeteren van de zichtbaarheid van de overgebleven noodzakelijke paaltjes en verticale elementen op of vlak naast het fietspad;

    • i.

      verlichting aanbrengen langs fietspaden.

Artikel 4.10.2 Criteria

  • 1. Subsidie voor een eenvoudige maatregel wordt alleen verstrekt als deze ten minste voldoet aan de richtlijnen van de Ontwerpwijzer fietsverkeer 2016 van het CROW.

  • 2. Onverminderd het vorige lid wordt subsidie voor een fietsstrook alleen verstrekt als de aanvrager aantoont dat een vrijliggend fietspad in de fysieke ruimte niet haalbaar is.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de aanvrager afwijken van het eerste lid.

Artikel 4.10.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.

Artikel 4.10.4 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij een aanvraag om subsidie bijgevoegd een overzicht van de eenvoudige maatregelen en de locatie daarvan.

  • 2. Per aanvrager wordt slechts eenmaal per kalenderjaar subsidie verstrekt.

  • 3. Een aanvraag kan een bundeling van eenvoudige maatregelen bevatten.

Artikel 4.10.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Per aanvraag wordt maximaal € 50.000 verstrekt.

Artikel 4.10.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de fysieke uitvoeringskosten van de maatregel.

  • 2. Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van de aanvrager.

  • 3. Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend komen voor subsidie in aanmerking als zij zijn gemaakt in hetzelfde kalenderjaar als de aanvraag is ingediend.

  • 4. Artikel 1.3.4, aanhef en onder b, is niet van toepassing.

Artikel 4.10.7 Verplichting

De eenvoudige maatregel wordt uitgevoerd binnen een jaar nadat subsidie is verstrekt.

Paragraaf 4.11 Veilige kruisingen en fietsoversteken

Artikel 4.11.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor het nemen van:

  • a.

    een infrastructurele maatregel;

  • b.

    een maatregel die gebaseerd is op technieken voor gedragsbeïnvloeding.

Artikel 4.11.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt verstrekt als de maatregel gericht is op het verbeteren van de verkeersveiligheid op of direct te relateren is aan een kruising of fietsoversteek die vermeld staat op https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=28a639b9b247494da00069b93bb0314f.

  • 2. Onverminderd het vorige lid wordt subsidie voor een infrastructurele maatregel verstrekt als deze ten minste voldoet aan de richtlijnen uit de Ontwerpwijzer fietsverkeer 2016 van het CROW.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het vorige lid.

Artikel 4.11.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.

Artikel 4.11.4 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij een aanvraag om subsidie bijgevoegd een beschrijving van de huidige verkeersveiligheidssituatie op de locatie en een toelichting op de wijze waarop het nemen van de voorgestelde maatregel de verkeersveiligheid van die locatie verbetert en de kans op verkeersongevallen verkleint.

  • 2. Onverminderd het vorige lid wordt bij een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.11.1, aanhef en onder a, bijgevoegd:

    • a.

      een technisch ontwerp en een dwarsprofiel van de weg;

    • b.

      een SSK-raming waarin geen interne loonkosten zijn opgenomen.

Artikel 4.11.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 4.11.1, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 400.000.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 4.11.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000.

Artikel 4.11.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.11.1, aanhef en onder a, komen in aanmerking de kosten op basis van de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming.

  • 2. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.11.1, aanhef en onder a, komen niet in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de aankoop van grond;

    • b.

      de interne loonkosten van de aanvrager.

  • 3. Artikel 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.11.7 Verplichtingen

Een maatregel als bedoeld in artikel 4.11.1 wordt uitgevoerd binnen twee jaar nadat subsidie is verstrekt.

Artikel 4.11.8 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als de kruising of fietsoversteek is gelegen op een niet gerealiseerd deel van een hoogwaardige fietsroute.

Hoofdstuk 5 Cultuur en Erfgoed

Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    artistieke productie: creatie, ontwikkeling of uitvoering van een uiting op het terrein van minstens één van de volgende kunstdisciplines: muziek, theater, dans, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media of literaire cultuur;

  • b.

    begeleider: persoon die de professional begeleidt in zijn artistieke ontwikkeling en die aantoonbaar in staat is tot deze begeleiding;

  • c.

    cultuur- en erfgoedparticipatie: alle vormen van het actief beoefenen en artistiek ontwikkelen van of betrokken zijn bij cultuur en erfgoed in de vrije tijd;

  • d.

    duurzaam: een wijze van uitvoering waarbij energie wordt bespaard dan wel opgewekt, (schaarse) materialen bespaard, water bespaard, een gezond binnenmilieu gecreëerd, de maatregelen niet tot vervuiling leiden, uit materialen bestaan die men kan hergebruiken of bijdragen tot een (grond)waterstand die de instandhouding van erfgoed bevordert;

  • e.

    erfgoed: monument(en), niet zijnde een woonhuis, dat door de Rijksoverheid of een gemeente is aangewezen als beschermd monument als bedoeld in de Erfgoedwet of een gemeentelijke verordening;

  • f.

    erkend aannemer: in het Register Kennis en Kunde van de Monumentenwacht Gelderland opgenomen bedrijf of een bedrijf dat is aangesloten bij de landelijke Vakgroep Restauratie;

  • g.

    gemeentelijk monument: door de gemeente aangewezen beschermd monument op grond van een gemeentelijke verordening;

  • h.

    groen erfgoed: parken, tuinen, vestingwerken en begraafplaatsen die door de Rijksoverheid of een gemeente zijn aangewezen als beschermd monument als bedoeld in de Erfgoedwet of een gemeentelijke verordening.

  • i.

    hernieuwbare energiebronnen: de hernieuwbare energiebronnen zoals bedoeld in artikel 2 onder 110 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 187).

  • j.

    historische molen: een door wind, water of ros aangedreven krachtwerktuig inclusief het bouwwerk, geschikt of bedoeld voor een historisch maal- productieactiviteitbedrijf;

  • k.

    historische organisaties: organisaties die lid zijn van de Coöperatie Erfgoed Gelderland;

  • l.

    professional: artistiek talent wonende in Gelderland, op het gebied van muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media of literaire cultuur, dat zijn talent bewezen heeft blijkend uit diploma’s of curriculum vitae;

  • m.

    monumentnummer: het unieke nummer en de daaraan gekoppelde beschrijving waaronder het erfgoed staat ingeschreven in het Rijks- of gemeentelijk monumentenregister.

  • n.

    kleine musea: musea met een personele bezetting van minder dan drie fte, vrijwilligers niet meegerekend;

  • o.

    woonhuis: beschermd monument dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt voor bewoning gebruikte onderdelen van: geregistreerde musea, kerkgebouwen, pastorieën, kastelen, paleizen, buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens.

Paragraaf 5.2 Talentontwikkeling van professionals

Artikel 5.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het begeleiden van een professional bij de ontwikkeling van zijn artistieke kwaliteiten in het kader van de uitvoering van ten minste één artistieke productie.

Artikel 5.2.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    er een plan is waarin beschreven staat welke ontwikkelstap wordt beoogd en hoe de professional hierin begeleid wordt;

  • b.

    de ontwikkelstap past binnen de beoogde ontwikkeling van de professional;

  • c.

    in het plan van het ontwikkeltraject blijkt dat evaluatie en borging van het ontwikkeltraject belangrijke elementen vormen van de begeleiding;

  • d.

    het ontwikkeltraject leidt tot een artistieke productie; en

  • e.

    de artistieke productie geen herhaling of een heropvoering van een muziek- of een theatervoorstelling betreft.

Artikel 5.2.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 4.500.

Artikel 5.2.4 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan een professional.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 5.2.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van subsidie:

  • a.

    diploma’s en curriculum vitae van de betreffende professional en de begeleider; en

  • b.

    een plan voor het ontwikkeltraject.

Artikel 5.2.6 Verplichtingen

  • 1. De artistieke productie moet binnen 2 jaar gerealiseerd of uitgevoerd zijn.

  • 2. Een verslag van de begeleiding en de artistieke productie moet binnen twee maanden na afronding van de productie geplaatst worden op het provinciale forum www.cultuurenerfgoed.gelderland.nl, ondersteund met beeld en zo mogelijk geluid, of op een ander door de provincie aan te wijzen forum.

Paragraaf 5.3 Functioneel gebruik erfgoed

Artikel 5.3.1 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      restauratie van erfgoed;

    • b.

      maatregelen ter vermindering van energieverbruik van erfgoed of maatregelen, specifiek gericht op behoud van monumentale waarden, die energiedistributie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken;

    • c.

      herbestemming van erfgoed;

    • d.

      een combinatie van de activiteiten onder a, b en c;

    • e.

      het verrichten van onderzoek of procesondersteuning ter voorbereiding van de activiteiten in de onderdelen a, b, c, of d;

    • f.

      het onderzoek of de procesondersteuning als bedoeld onder e kan ook betrekking hebben op gebieden met erfgoedwaarden of beeldbepalende panden.

Artikel 5.3.2 Vooroverleg en procedure

  • 1. Een aanvraag voor het verkrijgen van een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a tot en met d, wordt niet in behandeling genomen als bij de voorbereiding van de aanvraag niet de volgende stappen zijn gevolgd:

    • a.

      er is een verkennend gesprek gevoerd waarbij alle mogelijkheden om het project te ondersteunen zijn onderzocht. Daarbij komen in ieder geval aan de orde de mogelijkheden om het project anders dan door middel van provinciale subsidie met expertise, een lening of anderszins, te ondersteunen;

    • b.

      als uit het verkennend gesprek blijkt dat er een concrete financieringsvraag in de vorm van een subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a tot en met d, aan de orde is, wordt er een intakegesprek gevoerd aan de hand van een door de provincie vastgesteld en beschikbaar gesteld intakeformulier.

  • 2. Aan de hand van het overleg bedoeld in het eerste lid wordt een onderscheid gemaakt tussen categorie I en categorie II aanvragen. In categorie I vallen aanvragen voor reguliere restauratiewerkzaamheden of energiemaatregelen aan één object. In categorie II vallen complexe restauraties en energiemaatregelen in combinatie met herbestemming.

  • 3. Een aanvraag voor het verkrijgen van subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, aanhef en onder e, wordt niet in behandeling genomen als bij de voorbereiding van de aanvraag geen verkennend gesprek als bedoeld in het eerste lid onder a is gevoerd.

Artikel 5.3.3 Hoogte van de subsidie

  • 1. De hoogte van de subsidie voor categorie I aanvragen als bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 250.000 per aanvraag.

  • 2. De hoogte van de subsidie voor categorie II aanvragen als bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen en het totaal van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 500.000 per aanvraag.

  • 3. De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder e, bedraagt maximaal 50% van de kosten van de subsidiabele activiteit, met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.

Artikel 5.3.4 Criteria categorie I en II aanvragen

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3, eerste lid, wordt slechts verstrekt als:

    • a.

      met de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd het erfgoed haar bestendige bestemming en cultuurhistorische waarde houdt of krijgt;

    • b.

      de voor de activiteit noodzakelijke onherroepelijke vergunningen en ontheffingen verleend zijn;

    • c.

      de activiteit bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit;

    • d.

      het erfgoed beleefbaar is;

    • e.

      door de activiteit leegstand wordt voorkomen of opgeheven;

    • f.

      de activiteit met betrekking tot het erfgoed als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a, b, c en d, onderdeel uitmaakt van een integrale instandhoudingsvisie op en financiering van het erfgoed;

    • g.

      in het overleg als bedoeld in artikel 5.3.2 door de aanvrager aannemelijk is gemaakt dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud ontstaan door aan de huidige eigenaar verwijtbare verwaarlozing.

    • h.

      de aanvrager in het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.3.2 aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten niet op een andere wijze bekostigd kunnen worden.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3, tweede lid, wordt slechts verstrekt als, in aanvulling op de in het eerste lid genoemde criteria, in het intakegesprek als bedoeld in artikel 5.3.2, eerste lid, onder b, aan de hand van een financiële onderbouwing door de aanvrager aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een tekort in de financiering van de voorgenomen activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en dat de te plegen investeringen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden terug verdiend.

Artikel 5.3.5 Aanvrager

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, wordt verstrekt aan de eigenaar van of de zakelijk gerechtigde tot het erfgoed waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder e, wordt verstrekt aan de partij die opdracht geeft tot het verrichten van onderzoek.

  • 3. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 5.3.6 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3, eerste lid (categorie I aanvragen):

    • a.

      het intakeformulier als bedoeld in artikel 5.3.2, eerste lid, onder b;

    • b.

      een projectplan, inclusief kaart van de locatie en toelichting op de voorgenomen maatregelen in relatie met de omgeving;

    • c.

      een financiële onderbouwing en toelichting, inclusief een overzicht van de kosten en opbrengsten en een exploitatiebegroting voor de komende vijf jaren;

    • d.

      een onafhankelijk bouwkundig inspectierapport niet ouder dan vier jaar;

    • e.

      een restauratiebestek volgens stabu-systematiek bij projecten waarvoor een subsidie van € 50.000 of meer gevraagd wordt. Wanneer de gevraagde subsidie minder dan € 50.000 bedraagt, of bij groen erfgoed of orgels, volstaat een werkbeschrijving;

    • f.

      een afschrift van de onherroepelijke omgevingsvergunning;

    • g.

      een instemmende verklaring van de eigenaar als de aanvraag door een zakelijk gerechtigde wordt ingediend;

    • h.

      in geval van energiemaatregelen, een energiescan of rapport van een bedrijf dat aantoonbare ervaring heeft met het opstellen van energiescans voor monumenten.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3, tweede lid (categorie II aanvragen), in aanvulling op het eerste lid bij herbestemming een onafhankelijk taxatierapport van het betreffende erfgoed.

  • 3. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder e (onderzoek en procesondersteuning):

    • a.

      een onderzoeksplan waarin in ieder geval het doel en het resultaat van de activiteit is aangegeven;

    • b.

      offertes van de voor de subsidiabele activiteiten in te schakelen derden;

    • c.

      een instemmende verklaring van de eigenaar als de aanvraag door een ander wordt ingediend.

  • 4. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van de subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3, eerste en tweede lid, voor monumenten die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor particuliere bewoning, een onafhankelijke taxatie van zowel de waarde voor als de waarde na de restauratie, herbestemming of verduurzaming.

  • 5. Per monumentnummer kan maximaal één keer per kalenderjaar een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, onder a, b, c en d worden ingediend.

Artikel 5.3.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Onverminderd artikel 5.3.5 en in afwijking van de artikelen 1.3.5 tot en met 1.3.9 wordt de subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 5.3.1, aanhef en onder a, b, c en d, berekend op basis van bijlage 3 bij deze regeling.

  • 2. Uitsluitend subsidiabel zijn kosten voor uitgevoerde werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het erfgoed, de functie ervan en het behoud van monumentale waarden.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt voor de kosten van regulier onderhoud en voor de kosten van exploitatie en beheer van het erfgoed.

  • 4. Geen subsidie wordt verstrekt voor verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de financiële onderbouwing van het project zijn opgenomen en waarvan de waarde hoger is dan getaxeerd dan de actuele marktwaarde op basis van het huidige gebruik.

  • 5. Bij de berekening van het tekort als bedoeld in artikel 5.3.4, tweede lid, wordt geen rekening gehouden met bruto aanvangsrendementen en risicovoorzieningen hoger dan 5% bij (her)bestemming naar een hoofdfunctie wonen of een commerciële functie. Bij (her)bestemming naar een andere functie geldt bij deze berekening een bruto aanvangsrendement van 8%.

  • 6. Geen subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder e en f, wordt verstrekt voor onderzoek ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde vergunningen en voor plankosten die nodig zijn om het project uitvoeringsgereed te maken.

Artikel 5.3.8 Verplichtingen

  • 1. De activiteiten gesubsidieerd op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 5.3.3, eerste lid, zijn binnen twee jaar na de subsidieverlening gerealiseerd.

  • 2. De activiteiten gesubsidieerd op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 5.3.3, tweede lid, zijn binnen drie jaar na de subsidieverlening gerealiseerd.

  • 3. De activiteiten als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid, aanhef en onder e, zijn binnen één jaar na de subsidieverlening verricht.

  • 4. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde termijn.

  • 5. De activiteiten als bedoeld in artikel 5.3.1, aanhef en onder a, b, c en d voldoen aan de in bijlage 4 opgenomen Provinciale Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden.

  • 6. De werkzaamheden worden uitgevoerd door een erkend aannemer in de restauratiebouw, waarbij een inspanningsverplichting geldt om de bij de uitvoering van de werkzaamheden één of meer leerwerkplekken te realiseren.

  • 7. Als de werkzaamheden betrekking hebben op groen erfgoed, dan worden deze uitgevoerd door een hovenier met aantoonbare ervaring met groen erfgoed.

  • 8. Als de werkzaamheden betrekking hebben op orgels, dan worden deze uitgevoerd door een bouwer met aantoonbare ervaring met de restauratie van monumentale orgels.

  • 9. De subsidieontvanger stelt het erfgoed meerdere dagen per jaar aantoonbaar open voor een breed publiek. De exacte wijze van openstelling wordt in het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.3.2 in overleg tussen de aanvrager en de provincie bepaald.

  • 10. Bij vervreemding van het erfgoed binnen drie jaar na de datum van subsidievaststelling doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld melding aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.3.9 Communautair toetsingskader

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, aanhef en onder a en c, wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, aanhef en onder b, wordt alleen verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 38 en 41 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 5.4 Instandhouding gemeentelijke monumenten

Artikel 5.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een verordening voor het subsidiëren van instandhouding van gemeentelijke monumenten.

Artikel 5.4.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    de gemeente op het moment van het indienen van de aanvraag een geldende verordening heeft voor het subsidiëren van instandhouding van gemeentelijke monumenten; en

  • b.

    de gemeente voor het onder a bedoelde doel een budget heeft opgenomen in de vastgestelde begroting.

Artikel 5.4.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 5.4.4 Aanvraag

  • 1. Aanvragen kunnen worden ingediend voor 31 december van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor het budget als bedoeld in artikel 5.4.2, aanhef en onder b, is vastgelegd.

  • 2. De aanvraag bevat een afschrift van het onderdeel van de vastgestelde begroting waarin het budget is opgenomen als bedoeld in artikel 5.4.2, aanhef en onder b. Artikel 1.2.3 is niet van toepassing.

  • 3. Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken na afloop van de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend.

Artikel 5.4.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het bedrag van het subsidieplafond te delen door het totale bedrag dat de gemeenten samen in het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd in hun vastgestelde begrotingen voor de gemeentelijke monumenten hebben opgenomen. De uitkomst daarvan, uitgedrukt in procenten, wordt vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat iedere afzonderlijke gemeente volgens haar begroting van datzelfde jaar beschikbaar heeft voor de instandhouding van gemeentelijke monumenten. Dit is de hoogte van de subsidie per gemeente.

  • 2. De procentuele bijdrage gebaseerd op de uitkomst van lid 1 bedraagt maximaal 100%, waarbij tevens geldt dat de hoogte van de subsidie per gemeente nooit meer dan € 124.999 bedraagt.

Artikel 5.4.6 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor de uitvoeringskosten van de gemeentelijke organisatie.

Artikel 5.4.7 Verplichtingen

  • 1. De aanvrager is verplicht om in de subsidieverordening als bedoeld in artikel 5.4.2, aanhef en onder a, bepaald te hebben dat geen subsidie wordt verstrekt voor instandhouding van monumenten die in eigendom zijn van de gemeente, de Staat of een provincie.

  • 2. De gemeente dient bij het verlenen van subsidie te bepalen dat bij werkzaamheden aan een gemeentelijk monument voldaan moet worden aan de op 24 januari 2006 door Gedeputeerde Staten vastgestelde Provinciale Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden (PB 2006/17) of daarvoor in de plaats vastgestelde voorschriften.

Paragraaf 5.5 Historische molens en stoomgemalen

Artikel 5.5.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor onderhoud en het laten draaien van historische molens en stoomgemalen.

Artikel 5.5.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als de historische molen of het stoomgemaal:

  • a.

    is aangewezen als Rijksmonument of als gemeentelijk monument; en

  • b.

    draaivaardig is.

Artikel 5.5.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan eigenaren van historische molens of stoomgemalen.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 5.5.4 Aanvraag

  • 1. Aanvragen kunnen jaarlijks worden ingediend in het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor het verkrijgen van subsidie een afschrift van de beschikking van het Rijk die de eigenaar heeft ontvangen op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten of, in het geval het een gemeentelijk monument betreft, een meerjarig onderhoudsplan.

Artikel 5.5.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt per historische molen of stoomgemaal € 2.000 per jaar.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor het kalenderjaar 2017 € 3.000.

Artikel 5.5.6 Weigeringsgrond

Geen subsidie wordt verstrekt als:

  • a.

    de historische molen of stoomgemaal in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem is gelegen; of

  • b.

    voor dezelfde activiteit subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 5.4.

Paragraaf 5.6 Gelderse thematische verhaallijnen

Artikel 5.6.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een publieksactiviteit over de Gelderse thematische verhaallijnen.

  • 2. Tot de thematische verhaallijnen behoren in ieder geval:

    • a.

      Prehistorie;

    • b.

      Romeinen;

    • c.

      Koninklijk;

    • d.

      Kastelen, buitenplaatsen en Landgoederen;

    • e.

      Hanzesteden;

    • f.

      80 jarige oorlog;

    • g.

      Gelderse Gouden Eeuw;

    • h.

      Nieuwe Hollandse Waterlinie;

    • i.

      Herinneringstoerisme;

    • j.

      Menselijke migratie of

    • k.

      “Mens, natuur en klimaat” in het licht van historie en actualiteit.

Artikel 5.6.2 Publieksactiviteit

De subsidie wordt verstrekt als de publieksactiviteit bestaat uit:

  • a.

    het presenteren van collecties;

  • b.

    het houden van een tentoonstelling;

  • c.

    het uitvoeren van educatieve activiteiten;

  • d.

    het uitvoeren van een interactief programma, of

  • e.

    het presenteren van een digitaal beeld.

Artikel 5.6.3 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    Een door alle deelnemende musea en organisaties ondertekend document waarin voor iedere deelnemer is uitgewerkt welk onderdeel van de publieksactiviteit hij zal uitvoeren;

  • b.

    Een onderbouwing waaruit blijkt dat de publieksactiviteit past binnen de Gelderse thematische verhaallijnen;

  • c.

    Inzicht in de wijze waarop:

    • i

      het publieksbereik en de toegankelijkheid is of zal worden onderzocht;

    • ii.

      de publieksactiviteit door iedere deelnemer zelf wordt vormgegeven en uitgevoerd en;

    • iii

      de met de publieksactiviteit verkregen kennis en ervaring zal worden geborgd en gedeeld met andere aanvragers van een subsidie voor een publieksactiviteit.

Artikel 5.6.4 Aanvrager

In afwijking van artikel 5 van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid uit de evenementenbranche, horeca of dag- of verblijfsrecreatie.

Artikel 5.6.5 Weigeringsgronden

  • 1. Een aanvrager kan maximaal eenmaal per kalenderjaar subsidie ontvangen.

  • 2. De subsidie wordt niet verstrekt als:

    • a.

      de activiteit niet wordt georganiseerd en uitgevoerd door tenminste twee musea en tenminste één organisatie uit de evenementenbranche, horeca of dag- of verblijfsrecreatie en;

    • b.

      alle bij de publieksactiviteit betrokken musea niet geregistreerd staan in het Museumregister of geen lid zijn van de coöperatie Erfgoed Gelderland.

  • 3. Als de publieksactiviteit betrekking heeft op een andere thematische verhaallijn, wordt de subsidie niet verstrekt, tenzij de publieksactiviteit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten aantoonbaar bijdraagt aan de identiteitsvorming van een deel van Gelderland en daarmee specifiek is voor dat gebied.

  • 4. De subsidie wordt niet verstrekt als het thema of het geheel van de thema’s van de publieksactiviteit uitsluitend een plaatselijk karakter heeft.

Artikel 5.6.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van de kosten met een maximum van € 100.000.