Beleidsregel Wet Bibob 2022 gemeente Harderwijk

Geldend van 18-11-2022 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Wet Bibob 2022 gemeente Harderwijk

Inleiding

Gemeenten krijgen steeds meer te maken met ondermijnende criminaliteit. Ondermijnende criminaliteit bestaat uit allerlei vormen van criminaliteit die een ondermijnend effect hebben op de samenleving.

Kenmerkend voor ondermijnende criminaliteit is de verwevenheid tussen de boven- en onderwereld. Criminelen maken gebruik van legale structuren en voorzieningen – zoals vergunningen, subsidies, overheidsopdrachten en vastgoedtransacties met de overheid – om illegale activiteiten uit te voeren. Dit vormt een bedreiging voor de integriteit van het openbaar bestuur.

De Wet Bibob is in het leven geroepen om te voorkomen dat de overheid ongewild criminaliteit faciliteert en heeft als doel te voorkomen dat de gemeente strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordelen worden gebruikt. Dit gebeurt door middel van het uitvoeren van een Bibob-toets.

De gemeente Harderwijk wil graag zaken doen met integere partijen. In 2015 heeft de gemeente Harderwijk bibob – beleid vastgesteld: “Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) Harderwijk 2015”.

“Technische wijzigingen”

De nu voorgestelde aanpassing van het bibob beleid uit 2015 betreft “technische wijzigingen” naar aanleiding van een aantal wetswijzingen van de afgelopen jaren.

Zo is vanaf 1 juli 2021 de Drank- en Horecawet vervangen door de Alcoholwet. En de Wet Bibob is gewijzigd per 1 augustus 2020 (“eerste tranche”) en recent per 1 oktober 2022 (“tweede tranche”), wat onder andere geleid heeft tot wijziging van een aantal definities in de Wet Bibob, het eigen onderzoek maar ook de reikwijdte van de Wet Bibob is gewijzigd (uitgebreid).

Een bredere en inhoudelijke actualisatie van het bibob beleid, gelet op de beleidsruimte die de Wet Bibob nu biedt bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden, vraagt om (politieke) keuzes met gevolgen voor de benodigde capaciteit om dit goed uit te voeren. Een voorstel met inhoudelijke aanpassing van het bibob beleid (qua reikwijdte), gelet op het uniforme beleid van het RIEC, het Integraal Veiligheidsplan 2020-2024 en het plan van aanpak ondermijning, zal in maart 2023 aan de raad worden aangeboden voor wensen en bedenkingen.

Beleidsregel Wet Bibob 2022 gemeente Harderwijk

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Harderwijk en de burgemeester van Harderwijk, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

Gelet op het bepaalde in:

  • -

    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • -

    artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de artikelen 3, 27, 30a, 31 en 32 van de Alcoholwet;

  • -

    artikel 30b van de Wet op de kansspelen;

  • -

    artikel 2 van de Verordening speelautomatenhallen Harderwijk 2004;

  • -

    de artikelen 2.1, 2.17, 2.19, 2.20 en 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • -

    artikelen uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), waaronder, maar niet beperkt tot de artikelen 2:28, 2:39 en 3:4 van de Algemene plaatselijke verordening (m.b.t. gemeentelijke vergunningen);

  • -

    artikel 9 Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Harderwijk houdende regels omtrent subsidies (Algemene subsidieverordening Harderwijk 2020)

Besluiten vast te stellen de

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. De definities in artikel 1 lid 1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn.

  • 2. In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      rechtspersoon met een overheidstaak: de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de politie, een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf dan wel een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, of een rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 van de Wet Bibob ;

    • b.

      bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen van de gemeente Harderwijk;

    • c.

      overheidsopdracht: een opdracht als beschreven in artikel 1 van de Wet Bibob en waarop de Wet Bibob kan worden toegepast;

    • d.

      vastgoedtransactie: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

      • 1.

        het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

      • 2.

        huur of verhuur;

      • 3.

        het verlenen van een gebruiksrecht;

      • 4.

        de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; ; of

      • 5.

        toestemming voor vervreemding van erfpacht als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek of opstal als bedoeld in artikel 104, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    • e.

      betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidie-ontvanger, de vergunninghouder, de begunstigde van een andere beschikking, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie, de beoogd verkrijger van de erfpacht of de opstal waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling «vastgoedtransactie», onder 5, en de beoogd verkrijger van een recht op eigendom of een zakelijk recht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling «vastgoedtransactie», onder 6

    • f.

      eigen onderzoek: het eigen onderzoek als bedoeld in artikel 7a van de wet Bibob .

    • g.

      Landelijk Bureau Bibob (LBB): er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (artikel 8 Wet Bibob), hierna: het Bureau. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar. Het Bureau verricht hiertoe zelfstandig onderzoek (artikelen 8 en 9 van de Wet Bibob).

    • h.

      Bibob-vragenformulier: het formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 7a, vijfde lid van de Wet Bibob.

    • i.

      RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

    • j.

      Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Paragraaf 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

De toepassing van de wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden:

  • 1.

    Uitvoering van de Bibob-toets vindt plaats bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3 Alcoholwet ( Alcoholvergunning);

      Paracommerciële horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet (zoals dorpshuis, buurthuis, clubhuis of kantine van een sportvereniging) waarvan de horeca in eigen beheer is én niet is verpacht, vallen in beginsel niet onder dit Bibob beleid).

      Slijtersbedrijven als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet vallen in beginsel ook niet onder dit Bibob-beleid.

    • b.

      artikel 30b van de Wet op de kansspelen (speelautomatenvergunning);

    • c.

      artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening (exploitatie-vergunning openbare inrichting);

    • d.

      artikel 3:4 van de Algemene Plaatselijke Verordening (vergunning seksbedrijf, seksinrichting of escortbedrijf);

    • e.

      artikel 2:39 van de Algemene Plaatselijke Verordening (vergunning speelgelegenheden);

    • f.

      artikel 2:34e van de Algemene Plaatselijke Verordening (vergunning tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat)

  • 2.

    Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaats als zij vallen onder de daartoe aangewezen branche en/of gebied en de daarbij geldende risico-indicatoren:

    • a.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning bouwactiviteit).

      De toepassing blijft beperkt tot de aanvragen met een bouwsom hoger dan € 750.000,00 of aanvragen die vallen onder de risicocategorieën vakantieparken (indien de aanvraag meer dan 1 bouwwerk betreft én het een totale bouwsom betreft hoger dan € 1.000.000,00), toeristisch recreatieve bedrijven en/of commerciële vrijetijdseconomie.

      De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

      • *

        Overheidsinstanties;

      • *

        Semi-overheidsinstanties1 ;

      • *

        Toegelaten woning(bouw)corporaties; (toegelaten door de Minister van Volkshuisvesting conform Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning)

      • *

        Door het College van B&W bij (specifiek) besluit aangewezen aanvragen (b.v. PPS constructies van particuliere ondernemingen en overheid).

    • b.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet, (omgevingsvergunning inrichtingen Wet Milieubeheer).

      De toepassing blijft beperkt tot de inrichtingen, die behoren tot de afvalstoffen- en vuurwerkbranche2 en wordt uitgevoerd als:

      • *

        vanuit eigen informatie en/of

      • *

        vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

      • *

        vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

      • *

        vanuit informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

      • *

        vanuit overige signalen

    • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

      De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

      • *

        Overheidsinstanties;

      • *

        Semi-overheidsinstanties.

    • c.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 Wet Bibob kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).

      De Bibob-toets wordt uitgevoerd als bij de aanvraag:

      • *

        vanuit eigen informatie en/of

      • *

        vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

      • *

        vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

      • *

        vanuit informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

      • *

        vanuit overige signalen

    • vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

    • d.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 2:25a van de Algemene Plaatselijke Verordening; (evenementenvergunning);

      De toepassing van de Bibob-toets zal daarbij beperkt blijven tot de bij afzonderlijk besluit van de Burgemeester aangewezen evenementenvergunningen.3

  • 3.

    Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaats, als er sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of vanuit informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of overige signalen, die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet:

    • a.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 30a Alcoholwet;

    • b.

      De aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet (paracommerciële instelling);

Artikel 2.1a Toepassing in bijzondere situaties bij aanvragen voor een beschikking genoemd in artikel 1.

Naast de in artikel 2.1 lid 1 aangeduide gevallen, zal het bestuursorgaan bij een aanvraag voor de in artikel 2.1 lid 2 genoemde beschikkingen ook overgaan tot een Bibob-toets, als:

  • *

    vanuit eigen informatie en/of

  • *

    vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • *

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

  • *

    vanuit informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

  • *

    vanuit overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de wet toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  • 1.

    de verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied;

  • 2.

    de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit, na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generieke Bibob-toets;

  • 3.

    vanuit eigen informatie dan wel informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering ;

  • 4.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob , direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het Bureau, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. ;

  • 5.

    bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

  • 6.

    als uit overige signalen vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Artikel 2.2a

Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht toegepast worden. Bij volharding zal de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 jo. 3 van de Wet Bibob. De verstrekte vergunning kan als gevolg daarvan worden ingetrokken.

Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij subsidies

In de algemene subsidieverordening Harderwijk 2020 is bepaald dat een subsidie ook (geweigerd en) ingetrokken kan worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet4 . Bij subsidies kan een besluit tot uitvoering van een Bibob-onderzoek plaatsvinden indien:

  • *

    vanuit eigen informatie en/of

  • *

    vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • *

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

  • *

    vanuit informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

  • *

    vanuit overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

De rechtspersoon met een overheidstaak kan de wet toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties, zoals bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder d, waarbij de gemeente partij is.

De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

  • *

    Hoge mate van financiële complexiteit;

  • *

    Behorend tot een als zodanig door College van B&W benoemde risicobranche;

  • *

    Behorend tot een als zodanig door College van B&W benoemd risicogebied;

  • *

    Onduidelijke, ondoorzichtige, a-typische en/of gecompliceerde bedrijfsstructuur in relatie tot de aard en omvang van de onderneming;

  • *

    Exceptioneel financieel risico voor de gemeente.

Het besluit tot uitvoering van het Bibob-onderzoek kan daarnaast ook gebaseerd zijn op:

  • *

    eigen informatie en/of

  • *

    informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • *

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

  • *

    informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

  • *

    vanuit overige signalen

waardoor vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

Voor zover van toepassing wordt de wederpartij tijdens de onderhandelingen geïnformeerd dat een toets kan of zal plaatsvinden. In de overeenkomst wordt zo nodig een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de totstandkoming van de overeenkomst.

Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen.

Geen Bibob-onderzoek zal plaatsvinden bij verwerving van de eigendom van onroerende zaken (eventueel vrij van lasten en rechten) door de rechtspersoon met overheidstaak.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik bij overheidsopdrachten

Bij overheidsopdrachten die onder het bereik van de Wet Bibob vallen5 kan een besluit tot uitvoering van een Bibob-onderzoek plaatsvinden indien op grond van:

  • *

    eigen informatie en/of

  • *

    informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of

  • *

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob, en/of

  • *

    informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob en/of

  • *

    vanuit overige signalen

vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

Bovendien zal een eigen Bibob-onderzoek plaatsvinden als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau blijkt, dat over de aanvrager van een beschikking, betrokkene bij een (voorgenomen) vastgoedtransactie of betrokkene bij een overheidsopdracht, in de afgelopen vijf jaar advies is uitgebracht of een adviesaanvraag in behandeling is genomen bij het Bureau (artikel 11a Wet Bibob). Indien advies is uitgebracht bericht het Bureau over de mate van gevaar zoals dat is opgenomen in het advies.

Paragraaf 4: Slotbepalingen

Artikel 4.1 Intrekking beleid 2015

De “Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) Harderwijk 2015” wordt ingetrokken met ingang van het moment waarop deze beleidsregel in werking treedt.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding beleid 2022

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel Wet Bibob 2022 gemeente Harderwijk”

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk,

gehouden op 8 november 2022,

de heer J.P. Wassens

secretaris

burgemeester

de heer H.J. van Schaik

Toelichting Bibob beleid Gemeente Harderwijk algemeen

1. Inleiding

Een van de conclusies die de Parlementaire Enquete Commissie Van Traa in 1996 trok was dat de ernst van de georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door, aldus de commissie. Criminele personen kunnen met al dat geld infiltreren in het economische leven door onder meer gebruik te maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en overheidsopdrachten. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid tot gevolg.

2. De Wet Bibob algemeen

De integriteit van het overheidsorgaan wordt aangetast als bij een verleende of te verlenen beschikking / vergunning, (vergunning, subsidie), overheidsopdracht of vastgoedtransactie, er sprake is van het aanwenden door betrokkene van financieel voordeel uit

(reeds gepleegde) criminele activiteiten dan wel het plegen van strafbare feiten.

Ter bescherming van haar integriteitsrisico, hebben bestuursorganen er sinds 1 juni 2003 een instrument bij gekregen: de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet Bibob). Deze wet dient primair ter bescherming van het integriteitsrisico van overheidsorganen; zij is dus niet het instrument om criminele gedragingen van personen / organisaties te bestrijden.

3. Waarom een beleidslijn?

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de Wet Bibob. Het betreft een facultatieve wet, waarbij het bestuursorgaan zelf de bevoegdheid heeft om te bepalen in welke van de door de wet geboden mogelijkheden, zij dit instrument daadwerkelijk zal toepassen.

Door het vaststellen en implementeren van een beleidslijn biedt de gemeente meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel de ambtenaren als aan de burgers. In de beleidslijn staat aangegeven op welke beschikkingen, subsidies en aanbestedingen de Wet Bibob wordt toegepast en in welke gevallen de toetsing zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob (hierna “de Bibob-toets”) zal plaatsvinden.

Voor de burger wordt door de beleidslijn voorkomen, dat er sprake is van willekeur in de toepassing van beleid. Voor de gemeentelijke overheid wordt door de beleidslijn een nadrukkelijk signaal voor de bescherming van haar integriteit afgegeven en kan daaruit een preventieve werking het gevolg zijn. Bovendien worden bonafide partijen beschermd door malafide partijen te weren en komt dit ten goede aan een gezond en eerlijk ondernemersklimaat.

4. Toelichting bij paragraaf 2 en 3

Paragraaf 2 Publiekrechtelijke beschikkingen

In artikel 2.1 lid 1 zijn de beschikkingen opgenomen, waarbij het wenselijk is om bij elke aanvraag een Bibob-toets te doen. De keuze hiertoe is ingegeven door ervaringen in de achterliggende jaren, waarbij gebleken is, dat de onderhavige bedrijfsmatige activiteiten middels deze beschikkingen gekenmerkt worden door o.a.:

  • *

    zeer laagdrempelig door de geringe functie-eisen voor de onderhavige ondernemingen;

  • *

    grootschalig gebruik van z.g. cash-geld, waardoor zij extra bevattelijk zijn voor invloeden vanuit criminele organisaties voor z.g. “witwaspraktijken”;

  • *

    bedrijfsmatige activiteiten die minder locatie / plaatsgebonden zijn, waardoor het z.g. “waterbedeffect” zich hier nadrukkelijk kan voordoen.

Op het moment dat het bestuursorgaan met de betrokken ondernemer middels een Bibob-toets een verantwoorde inschatting heeft gemaakt van haar integriteitsrisico, kan in het verdere verloop van de bestuurlijke relatie tussen het overheidsorgaan en betrokkene, maatwerk worden ontwikkeld in geval er sprake is van een aanvraag voor een nieuwe beschikking. Belangrijk daarbij is, dat zowel t.a.v. de betrokkene zelf als de personen die op hem invloed kunnen uitoefenen, zich geen veranderingen hebben voorgedaan.

In paragraaf 2 artikel 2.1 sub 2 onder a) wordt de toepassing nader omschreven bij een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwactiviteit.

Uitgangspunt is daarbij geweest, dat een Bibob toets niet bij elke aanvraag plaats hoeft te vinden maar dat de toepassing beperkt zou dienen te blijven tot de gevallen waarin sprake is van een financiële investering van redelijke omvang dan wel het betrokken bouwwerk op enigerlei wijze een faciliterende rol kan vervullen in bedrijfsmatige activiteiten die een vergroot risico in zich hebben voor criminele invloeden.

Voor alle beschikkingen (vergunningen en subsidies) in de artikelen 2.1 sub 2 en 2.1 sub 3 in deze paragraaf geldt, dat het toepassingsbereik in beginsel niet algemeen is, maar beperkt wordt door lokale keuzes. Belangrijk is daarbij het wel/niet aanwezig zijn van specifieke relevante informatie, die kan duiden op een integriteitsrisico voor het bestuursorgaan.

Paragraaf 3 Privaatrechtelijke transacties

In artikel 3.1 van deze paragraaf wordt de toepasbaarheid bij vastgoedtransacties omschreven. Dit betreft een uitbreiding van de toepasbaarheid van het Bibob-instrument in een sector, die in zijn algemeenheid als krachtig en betrouwbaar kan worden beschouwd maar op onderdelen gebleken is ernstig kwetsbaar te zijn voor invloeden vanuit de criminele omgeving. Voor het uitsluiten van deze invloeden binnen deze sector, zullen maatregelen vanuit diverse actoren binnen deze sector zelf noodzakelijk zijn. Daarbij kunnen initiatieven komen vanuit b.v. de makelaardij, het notariaat en de taxateurs. Ook kan het Kadaster een signalerende rol vervullen in geval een onroerend goed in korte tijd meerdere keren in andere handen overgaat.

De Bibob-wetgeving op dit onderwerp beperkt zich tot de gevallen, waarin een bestuursorgaan middels een privaatrechtelijke transactie partij is. Daarbij is het niet gewenst om bij elke transactie tot inzet van dit instrument te besluiten. Zoals eerder gezegd is de onroerendgoedsector in zijn algemeenheid krachtig en betrouwbaar. De toepassing zal dan ook beperkt dienen te worden tot de gevallen, waarin gemotiveerd tot inzet kan worden besloten. In artikel 3.2 van deze paragraaf wordt de toepasbaarheid bij overheidsopdrachten omschreven.

Sinds de wetswijziging van de Wet Bibob in 2020 is deze wet toepasbaar op alle overheidsopdrachten. Daarbij is het niet de bedoeling om bij elke transactie in een van deze sectoren ook tot Bibob toets over te gaan maar de inzet nadrukkelijk te beperken tot gevallen, waarbij de inzet gemotiveerd kan worden.

In tegenstelling tot de algemene strekking van de Bibob-regelgeving, verstrekt de Wet Bibob geen extra weigeringsgrond bij aanbestedingen. De reden hiervoor is, dat het binnen deze sector in beginsel gaat om een gesloten stelsel van selectie- en gunningscriteria. De uitkomst van een Bibob-toets kan dan ook slechts gelden als versterking voor een van deze criteria.

Voor de inzet van het Bibob-instrumentarium geldt als algemene regel, dat het slechts als ultimum remedium dient te worden ingezet en het overheidsorgaan geboden is om nadrukkelijk eerst de mogelijkheden na te gaan, die reguliere wetgeving biedt.


Noot
1

Semi-overheid is een algemene aanduiding voor allerlei soorten overheidsorganisaties, die "dicht tegen de overheid aan zitten". Kenmerken van semi-overheid is dat er sprake is van:

a. wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang en

b. een (flinke) publieke financiering.

Noot
2

De provincie Gelderland heeft in haar beleid aangegeven dat uit de ervaring blijkt dat juist bij dit type inrichtingen het risico op misbruik van vergunningen hoog is.

Noot
3

In overleg met RIEC-partners vaststellen van de daarvoor in aanmerking komende evenementvergunning(en)

Noot
4

Art. 6 Wet Bibob luidt:

“1. Een subsidie aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke persoon kan worden geweigerd dan wel worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het bestuursorgaan dat tot die beslissing bevoegd is, het Bureau om een advies vragen.”

Noot
5

Art. 1 lid 1 sub 2 Wet Bibob: “overheidsopdracht: overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012” en art. 1 lid 4 Wet Bibob: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder overheidsopdracht mede verstaan:

a. een speciale-sectoropdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012;

b. een overeenkomst waarmee een rechtspersoon met een overheidstaak zorg als bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet of artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inkoopt bij een ondernemer in het kader van een systeem waarbij voornoemde rechtspersoon overeenkomsten sluit met iedere ondernemer die zich ertoe verbindt om diensten of goederen te leveren tegen vooraf vastgestelde voorwaarden zonder dat het aantal belangstellende ondernemers aan de hand van een gunningscriterium wordt beperkt, met dien verstande dat voor «gegadigde» wordt gelezen «ondernemer».”