Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 1 november 2022, houdende regels omtrent de verstrekking van subsidies ten behoeve van projecten op het gebied van water en bodem in de provincie Noord-Brabant (Subsidieregeling water en bodem Noord-Brabant)

Geldend van 21-09-2023 t/m heden

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 1 november 2022, houdende regels omtrent de verstrekking van subsidies ten behoeve van projecten op het gebied van water en bodem in de provincie Noord-Brabant (Subsidieregeling water en bodem Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 door Provinciale Staten is vastgesteld en Deltafondsmiddelen vanuit de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ter beschikking zullen worden gesteld ter stimulering van het nemen van maatregelen in het kader van de tweede fase van het Deltaprogramma zoetwater;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten deze middelen willen inzetten om maatregelen te stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van genoemde programma’s en daartoe een nieuwe subsidieregeling wensen vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Projecten ten behoeve van Kaderrichtlijn water en Deltaplan Hoge Zandgronden

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

ambitiekaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

DAEB-vrijstellingsbesluit: Besluit 2012/21/EU van de Europese Commissie betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, PbEU 2012, L7;

Deltafonds: fonds als bedoeld in artikel 7.22a van de Waterwet;

Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ): regionale uitwerking van het Deltaprogramma Zoetwater voor de zandgronden in Zuid-Nederland met als doel de zandgronden in Noord-Brabant weerbaar te maken tegen watertekort;

DHZ-gebied: gebied als aangegeven op de kaart DHZ, opgenomen als bijlage 2 behorende bij deze regeling;

KRW: Kaderrichtlijn water, zijnde richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, PB EU L 327/1;

landbouwer: natuurlijk persoon of rechtspersoon die producten van de bodem en van de veehouderij als bedoeld in bijlage I van het Verdrag betreffende de werking van de EU, produceert, fokt of teelt;

medeoverheid: overheid als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Regeling informatieverstrekking sisa;

natte natuurparel: hydrologisch gevoelig gebied, dat vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigt als opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

Natuurnetwerk Brabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft als opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

Regionaal water en bodemprogramma 2022-2027 (RWP): water- en bodembeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2022-2027, vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 3 december 2021;

spuk zoet water: specifieke uitkering van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de provincie Noord-Brabant, gebaseerd op de Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater;

Vogel- of Habitatrichtlijn: richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010 L 20) en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992 L 206).

Artikel 1.2 Doelgroep

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      natuurlijke personen;

    • b.

      rechtspersonen, met uitzondering van waterschappen;

    • c.

      een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen, als bedoeld onder b, of een combinatie van beide.

  • 2. Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

  • 3. Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, alleen uit natuurlijke personen bestaat en geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 1.3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de navolgende activiteiten:

    • a.

      verdrogingsbestrijding;

    • b.

      beek- en kreekherstel;

    • c.

      opheffen van vismigratieknelpunten;

    • d.

      klimaatrobuuste watersystemen;

    • e.

      efficiënt watergebruik; of

    • f.

      ruimtelijke adaptatie.

  • 2. Voor zover de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun bevat, worden de betreffende subsidiabele activiteiten aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd:

  • a.

    indien de subsidieaanvrager of een deelnemer aan het samenwerkingsverband een landbouwer is;

  • b.

    indien de aangevraagde subsidie voor een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 1.4 onder a tot en met c, minder bedraagt dan € 125.000.

  • c.

    indien de aangevraagde subsidie voor een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f minder bedraagt dan € 25.000;

  • d.

    indien en voor zover voor activiteiten in het project reeds een provinciale subsidie of bijdrage is aangevraagd of verstrekt;

  • e.

    indien voor het project reeds een subsidie of bijdrage is aangevraagd of verstrekt uit het Deltafonds, anders dan op grond van de Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Om voor een subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project, bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met c wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    het project, bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f wordt uitgevoerd in het DHZ-gebied, bedoeld in bijlage 2;

  • c.

    het project is gericht op een of meer van de activiteiten, bedoeld in artikel 1.4, en voldoet aan de vereisten zoals nader gespecificeerd in bijlage 1;

  • d.

    het project betreft:

    • 1º.

      uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 1.4, inclusief eventuele bijbehorende voorbereiding, planvorming en onderzoek;

    • 2º.

      onderzoek gericht op projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f, mits gericht op innovaties die opschaalbaar of breed toepasbaar zijn;

  • e.

    het project, bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f, betreft maatregelen, die verder gaan dan de maatregelen die de subsidieaanvrager reeds op basis van wettelijke taken of afspraken in het kader van de KRW, het Natuur Netwerk Brabant en de Vogel- of Habitatrichtlijn verplicht is uit te voeren;

  • f.

    de subsidieaanvrager toont aan dat het project voldoende doelmatig is, blijkend uit een redelijke verhouding tussen de mate van doelbereik en de subsidiabele kosten;

  • g.

    de subsidieaanvrager overlegt voor een project als bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met c, een verklaring van het waterschap waaruit blijkt dat deze het project co-financiert voor een zelfde bedrag als de aangevraagde subsidie;

  • h.

    het project kan uiterlijk op 31 december 2027 worden afgerond, blijkend uit een realistische planning;

  • i.

    de subsidieaanvrager draagt zorg voor communicatie ter vergroting van het draagvlak van het project en voor verspreiding van de resultaten van het project, blijkend uit een beschrijving van de communicatieaanpak;

  • j.

    de subsidieaanvrager overlegt een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1º.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in dit artikel;

    • 2º.

      een sluitende en realistische begroting.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen de volgende kosten voor een subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor uitvoering van maatregelen;

    • b.

      kosten voor onderzoek, voorbereiding of planvorming van maatregelen;

    • c.

      kosten voor communicatie ter vergroting van het draagvlak voor het project en ter verspreiding van de resultaten van het project;

    • d.

      kosten voor aanleg en inrichting van monitoring;

    • e.

      kosten voor het opstellen van een accountantsverklaring, indien noodzakelijk voor het vaststellen van de subsidie;

    • f.

      kosten derden voor de inhuur van externe, tijdelijke capaciteit ten behoeve van het project tot een maximum van € 99 per uur, vermeerderd met niet-verrekenbare en niet-compensabele btw;

    • g.

      kosten voor arbeids- en personeelsuren, uitgezonderd die van publiekrechtelijke rechtspersonen, gemaakt voor coördinerende taken van de aanvrager ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f.

  • 2. Voor de berekening van subsidiabele uurtarieven van arbeids- en personeelsuren past de subsidieaanvrager de berekeningswijze, genoemd in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen uurtarieven subsidies Noord-Brabant toe en hanteert daarbij het uurtarief van € 50.

Artikel 1.8 Niet-subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor de uitvoering van maatregelen, gemaakt voor de indiening van de aanvraag;

  • b.

    kosten voor onderzoek, voorbereiding en planvorming gemaakt voor 1 januari 2015 voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met c;

  • c.

    kosten voor onderzoek, voorbereiding en planvorming gemaakt voor 1 januari 2022 voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f;

  • d.

    kosten voor het opstellen van een milieueffectrapport voor planvorming;

  • e.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • f.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes of sancties;

  • g.

    interne personeels- of bedrijfskosten van de subsidieontvanger, anders dan kosten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onder g;

  • h.

    kosten voor de aankoop of afschrijving van gebouwen of machines;

  • i.

    kosten voor de aankoop van dierrechten, stikstofrechten of fosfaatrechten;

  • j.

    kosten verband houdende met grondverwerving of waardedaling van grond.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Een aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    wordt ingediend van 14 november 2022 tot en met 29 december 2023;

  • b.

    wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 1.9, onder a,

  • a.

    voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met c, vast op € 6.000.000.

  • b.

    voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f, vast op:

    • 1º.

      € 3.427.492 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas

    • 2º.

      € 3.127.587 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheergebied van het Waterschap De Dommel

    • 3º.

      € 1.242.466 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta

    • 4º.

      € 0 voor projecten die worden uitgevoerd in het beheergebied van Waterschap Rivierenland.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt:

    • a.

      50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 6.000.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder a tot en met c;

    • b.

      40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk is om, in overeenstemming met artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, een compensatie boven de werkelijke kosten of de maximaal toelaatbare steun te voorkomen.

Artikel 1.12 Verdelingswijze

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5. De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger:

    • a.

      rondt het project af uiterlijk 31 december 2027;

    • b.

      houdt de activiteiten die tot stand zijn gekomen met een provinciale subsidie tenminste 10 jaar na vaststelling van de subsidie in stand, tenzij Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van deze verplichting;

    • c.

      voert het projectplan, bedoeld in artikel 1.6, onder j, uit;

    • d.

      vermeldt in de publicaties over het project dat deze mede mogelijk wordt gemaakt met financiële steun van de provincie Noord-Brabant;

    • e.

      laat eventuele inkomsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project;

    • f.

      overlegt jaarlijks een voortgangsverslag conform het door Gedeputeerde Staten ter beschikking gestelde format, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • 2. Een verzoek om ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt door de subsidieontvanger gemotiveerd en schriftelijk ingediend bij Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.14 Verantwoording

  • 1. Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

      • 2°.

        het resultaat;

      • 3°.

        kengetallen met betrekking tot het effect;

      • 4°.

        de kennisdeling en het leereffect;

    • b.

      foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • c.

      indien sprake is van economische activiteiten, bewijsstukken als bedoeld in artikel 6 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, waaruit de gerealiseerde kosten en de inkomsten blijken.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, toont de subsidieontvanger bij subsidies van € 125.000 en hoger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

      • 2°.

        het resultaat;

      • 3°.

        kengetallen met betrekking tot het effect;

      • 4°.

        de kennisdeling en het leereffect;

    • b.

      foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • c.

      een financieel verslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2˚, van de Asv;

    • d.

      een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2˚, van de Asv.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder c, en het tweede lid, onder c en d, legt een subsidieontvanger die mede-overheid is, bij de aanvraag tot vaststelling, voor zover het een project als bedoeld in artikel 1.4, onder d tot en met f, betreft, financiële verantwoording af conform de vereisten van de Regeling informatieverstrekking sisa.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in vier termijnen, gelijkelijk verdeeld over de looptijd van het project.

Artikel 1.16 Vaststelling

Indien sprake is van economische activiteiten, stellen Gedeputeerde Staten in afwijking van de artikelen 21 en 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, subsidies vast op basis van gerealiseerde kosten en inkomsten ingevolge artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.

Artikel 1.17 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze regeling in de praktijk.

§ 2 Slotbepalingen

Artikel 2.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 2.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling water en bodem Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 1 november 2022

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. P.J. Buijtels

Bijlage 1 behorende bij artikel 1.6, onder c, van de Subsidieregeling water en bodem Noord-Brabant

a. Verdrogingsbestrijding

  • 1.

    Het project moet gericht zijn op het realiseren van hydrologisch herstel van het Natuurnetwerk Noord-Brabant.

  • 2.

    De aanpak is gericht op de totale omvang van het watersysteem waarvan de natte natuurparel afhankelijk is, waarbij het streven is om alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor volledig hydrologisch herstel van de natuurtypen.

  • 3.

    De N2000-habitattypen en de natuurtypen zoals vastgelegd op de ambitiekaart en de hydrologische randvoorwaarden van die natuurtypen zijn leidend.

b. Beek- en kreekherstel

  • 1.

    Beek- en kreekherstel (waaronder de realisatie van natuurvriendelijke oevers) omvat maatregelen die gericht zijn op het herstel van beken en kreken, zodat deze beken en kreken bijdragen aan een klimaatrobuust watersysteem dat ecologisch goed functioneert en waar de schade door droogte en wateroverlast acceptabel is.

  • 2.

    Het project is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van beken en kreken die in het RWP zijn aangemerkt als:

    • a.

      KRW-oppervlaktewaterlichaam; of

    • b.

      overige wateren met de functie waternatuur of functie verweven.

  • 3.

    Bij beek- en kreekherstel en het realiseren van natuurvriendelijke oevers staat het behalen van de KRW-doelen voorop, waarbij in de uitvoering rekening wordt gehouden met de andere functies van het watersysteem.

  • 4.

    Beek- en kreekherstel vinden plaats conform de HOW-systematiek (Handreiking Ontwikkeling Waterlopen).

  • 5.

    Maatregelen met betrekking tot natuurvriendelijke oevers zijn gericht op kleinere waterlopen, zodat die waterlopen bijdragen aan een klimaatrobuust watersysteem dat ecologisch goed functioneert en waar de schade door droogte en wateroverlast acceptabel is.

c. Opheffen knelpunten vismigratie:

  • 1.

    Het project moet gericht zijn op het opheffen van barrières voor vismigratie, zodat vissen onbelemmerd kunnen migreren binnen en tussen leef- en paaigebieden ten behoeve van een gezonde vispopulatie.

  • 2.

    Het project wordt uitgevoerd in beken en kreken die in het RWP zijn aangemerkt als:

    • a.

      KRW-oppervlaktewaterlichaam; of

    • b.

      overige wateren met de functie waternatuur of de functie verweven.

  • 3.

    Primair doel is het opheffen van barrières voor vismigratie, waarbij er daarnaast een optimale landschappelijke en ecologische inpassing nagestreefd wordt;

  • 4.

    Uitvoering vindt plaats conform Handreiking Vispassages Noord Brabant (Brabantse Waterschappen, 2013);

d. Klimaatrobuuste watersystemen

Het project is gericht op:

  • 1.

    de optimalisatie van het operationeel peilbeheer in het hoofdsysteem van regionale waterbeheerders;

  • 2.

    de klimaatrobuuste inrichting van een regionaal systeem zoals beekherstel en herprofilering leggerwaterlopen;

  • 3.

    de conservering op perceel niveau, in de vorm van:

    • a.

      sloten dempen;

    • b.

      sloten verondiepen of afdammen;

    • c.

      greppels afsluitbaar maken;

    • d.

      duikers verhogen;

    • e.

      plaatsen stuwen detailwaterlopen;

    • f.

      aanleg infiltratiegreppel;

    • g.

      beperken oppervlakkige afstroming;

    • h.

      aanleg regelbare drainage, mits:

      • 1º.

        de aanleg vervanging van traditionele drainage betreft die is aangelegd voor 21 december 2021;

      • 2º.

        de aanvrager kan aantonen dat de hydrologische balans van het perceel verbetert door de regelbare drainage;

      • 3º.

        de aanvrager duidelijk maakt welke peilen op welke locaties en in welke periodes gehanteerd worden; en

      • 4º.

        de peilen op zodanige wijze geregistreerd worden dat de registratie inzicht geeft in de gegevens, bedoeld onder 3°;

    • i.

      verwijderen van drainage.

  • 4.

    de herinrichting van stedelijk gebied in de vorm van:

    • a.

      afkoppelen verhard oppervlak naar bergings- of infiltratie voorziening;

    • b.

      aanleg van groenblauwe structuren en het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte in bestaand of nieuw stedelijk gebied;

    • c.

      waterpartijen afvoerloos maken;

    • d.

      ontstenen publiek verhard oppervlak.

e. Efficiënt watergebruik

Het project is gericht op:

  • 1.

    het verbeteren van de bodemstructuur, waarbij de maatregelen aansluiten op de BOOT lijst;

  • 2.

    investeringen in gerichte watergeefsystemen;

  • 3.

    water (lokaal) opvangen en opslaan als voorraad voor droge perioden en opvangen van piekafvoeren (bijv. bassins);

  • 4.

    planvorming en bedrijfsgerichte stimuleringsplannen voor klimaatadaptatie;

  • 5.

    het besparen van drinkwater;

  • 6.

    hergebruik van water.

f. Ruimtelijke adaptatie

Het project is gericht op het aanpassen van grondgebruik, door:

  • 1.

    het veranderen van de functie naar ruimte voor water;

  • 2.

    het vergroten van waterbeschikbaarheid, door het omzetten van naaldbos in heide of loofbos ten behoeve van het NNB.

Bijlage 2 behorende bij artikel 1.6, onder b, van de Subsidieregeling water en bodem Noord-Brabant

Kaart DHZ gebied

afbeelding binnen de regeling

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling regionaal water en bodem programma Noord-Brabant

  • I.

    Algemeen deel

Achtergrond

Op 3 december 2021 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het regionaal water en bodem programma 2022-2027 (RWP) vastgesteld. Door middel van het RWP is beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil de uitvoering van projecten t.b.v. een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant door andere partners initiëren en stimuleren en heeft daarvoor voorzien in financiële middelen. In deze subsidieregeling staat omschreven welke activiteiten voor een bijdrage in aanmerking kunnen komen en wat daarvoor de voorwaarden zijn.

Juridisch kader

Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht.

Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Staatssteun

Op grond van paragraaf 1 van deze subsidieregeling wordt op onderdelen staatssteun verstrekt aan ondernemingen. Om die reden wordt gebruikgemaakt van het DAEB-vrijstellingsbesluit van de Europese Commissie. Om te voldoen aan de vereisten die gesteld worden in het genoemde vrijstellingsbesluit, zijn er enkele (deels van de Asv afwijkende) specifieke bepalingen opgenomen voor wat betreft de maximale hoogte van de subsidie, de weigeringsgronden, de hoogte van de subsidie, de verplichtingen en de financiële verantwoording achteraf.

  • II.

    Artikelsgewijs deel

Artikel 1.2 Doelgroep

Deze paragraaf staat open voor natuurlijke personen, rechtspersonen en voor samenwerkingsverbanden van deze. Waterschappen zijn echter uitgezonderd van deze regeling. Voor projecten uitgevoerd door de waterschappen, is de Bijdrageregeling regionaal water- en bodemprogramma Noord-Brabant opengesteld.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Onder a

Op grond van deze regeling kunnen geen subsidies worden toegekend aan landbouwers. De reden dat deze zijn uitgesloten is gelegen in de staatssteunregels, die voor landbouwondernemingen strenger zijn dan voor andere ondernemingen.

Onder d en e

Het is mogelijk subsidies (of bijdrages) uit verschillende provinciale regelingen te combineren, mits er sprake is van een duidelijk onderscheid in de begroting wat activiteiten betreft. Uit de begroting moet ten eerste blijken dat kosten slechts op grond van één (provinciale) regeling worden aangevraagd en ten tweede dat aan de benodigde cofinanciering wordt voldaan.

Kosten van dezelfde maatregel mogen niet meerdere keren gedekt worden door een subsidie of bijdrage. Het is wel mogelijk om een project in fasen te onderscheiden of een onderscheid in de specifieke maatregelen te maken.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Onder d

Er kunnen geen losse onderzoeksprojecten worden aangevraagd voor de activiteiten genoemd in artikel 1.4, onder a tot en met c. Deze moeten altijd gepaard gaan met uitvoeringsmaatregelen. Voor de activiteiten genoemd in artikel 1.4, onder d tot en met f, is het wel mogelijk subsidie aan te vragen voor losse onderzoeksprojecten.

Onder f

Dit onderdeel ziet op de kosteneffectiviteit van de maatregel. Een subsidieaanvrager zal in het projectplan moeten aangeven hoe groot het te verwachten effect is en dit moeten onderbouwen. Gedeputeerde Staten vinden maatregelen kosteneffectief wanneer er een redelijke verhouding bestaat tussen de mate van doelbereik van de maatregel en de hoogte van de kosten. Gedeputeerde Staten letten daarbij ook op de hoogte van het percentage overheadkosten.

Onder i

Het projectplan dient aandacht te besteden aan de wijze van communiceren over het project. Deze communicatie kan plaatsvinden door het aanbieden van informatie op bijvoorbeeld websites, via media, symposia en het uitbrengen van rapporten. Ook gaat het projectplan in op hoe de lessen die uit het project worden geleerd, worden verspreid binnen het werkveld. Dit kan bijvoorbeeld door de monitoring en de verspreiding van de resultaten daaruit, op te nemen in het project.

Onder j

Het projectplan is vormvrij en geeft een beschrijving van het project en hoe aan de subsidievereisten wordt voldaan.

Onder 2°

De begroting dient expliciet te zijn voorzien van een onderbouwing (uitgaven/inkomsten). Deze onderbouwing kan voor wat betreft de uitgaven bestaan uit bijvoorbeeld offertes, bestekken, prijsopgaven, overeenkomsten. Voor wat betreft de inkomsten kan, indien de dekking van buiten de aanvrager komt, de onderbouwing bestaan uit bijvoorbeeld schriftelijke toezeggingen of getekende overeenkomsten.

Voor alle opgevoerde kosten die de subsidieaanvrager betaalt (in het kader van dit project) dienen facturen aanwezig te zijn. Uitgaven- of inkomstenposten “in kind”, om niet of met gekapitaliseerde uren, zijn niet toegestaan. Dit betekent dus dat dekking in de vorm van uren niet is toegestaan.

Voor onderdelen van de begroting waar genoemde gegevens niet beschikbaar zijn, dient te worden toegelicht op basis waarvan deze onderdelen zijn berekend.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Onder b

Onder de subsidiabele kosten voor onderzoek, voorbereiding en planvorming, vallen ook de noodzakelijke kosten voor het inhuren van derden, mits dit past binnen het maximale tarief genoemd in onderdeel f.

Artikel 1.8 Niet-subsidiabele kosten

Onder a, b en c

Uit hoofde van de staatssteunregels mag de uitvoering van een project niet zijn begonnen voordat de aanvraag voor een subsidie is ingediend. Het ‘stimulerend effect’ van de subsidie zou dan ontbreken. Juridisch bindende toezeggingen tot uitvoering dan wel andere onomkeerbare handelingen, worden beschouwd als uitvoering. Zuiver voorbereidende handelingen daarentegen zijn wél toegestaan. In de onderdelen a tot en met c is aangegeven in hoeverre deze subsidiabel zijn.

Onder d

De milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan of project in beeld voordat er een besluit over is genomen. De plan-m.e.r. heeft betrekking op de beoordeling van plannen en programma’s op een abstracter niveau en in een eerder stadium dan de project-m.e.r.. Het opstellen van een plan-m.e.r. is niet subsidiabel, het opstellen van een project-m.e.r. die concreet gekoppeld is aan een uitvoeringsproject wel.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op de in de regeling genoemde verplichtingen, is de subsidieontvanger op grond van artikel 17 van de Asv verplicht onverwijld een melding te doen indien hij de activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zal verrichten of indien hij niet, niet tijdig of niet geheel aan zijn verplichtingen zal voldoen. In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverlening wijzigen of intrekken, de subsidie lager of op nihil vaststellen, voorschotten opschorten of verplichtingen aanpassen. Indien er geen melding is gedaan en pas bij een aanvraag voor vaststelling of bij een steekproef blijkt dat er wel een melding gedaan had moeten worden, kan dit leiden tot volledige terugvordering inclusief wettelijke rente.

Bijlage 1

Onder a

Verdrogingsbestrijding ziet op kwalitatieve en kwantitatieve bestrijding van verdroging in de Natura 2000 gebieden. Dit betekent dat niet alleen de hoeveelheid grondwater maar ook de kwaliteit van het grondwater, de voedselrijkdom en het kalkgehalte van het water waarmee verzuring en vermesting worden tegengegaan, onder de subsidiabele activiteit kunnen vallen.

De verdrogingsbestrijding bij natte natuurparels kan bijvoorbeeld inhouden:

  • -

    verhoging van de grond- en oppervlaktewaterstand of ter versterking van de kwel;

  • -

    stremming van de afvoer, met als doel het vasthouden van water en de bevordering van infiltratie;

  • -

    verhoging van de drainagebasis;

  • -

    externe aanvoer voor suppletie en infiltratie van water;

  • -

    hydrologisch isoleren van watergangen of gebieden;

  • -

    vermindering van grondwateronttrekkingen;

  • -

    ondersteunende maatregelen binnen het natuurnetwerk Brabant ten behoeve van hydro-ecologisch herstel.

Onder b

Bij beek- en kreekherstel kan o.a. aan de volgende maatregelen worden gedacht:

  • -

    behoud, herstel en ontwikkeling van de hydrologie zoals verhang, stroomsnelheid, voeding, watervoerendheid, overstromingsfrequentie, peilfluctuatie en insnijding;

  • -

    behoud, herstel en ontwikkeling van de morfologie zoals profielvorm, tracévorm, substraat, sedimentatie en erosie, transporterend vermogen en karakteristieke beplanting.

Onder c

De aanleg van vispassages heeft tot doel de migratie mogelijkheden voor aquatische en semi-aquatische organismen te behouden, herstellen of verbeteren.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. P.J. Buijtels