Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie Leusden 2023

Geldend van 29-10-2022 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie Leusden 2023

Burgemeester en wethouders van gemeente Leusden;

Overwegende dat:

  • 1.

    Het college Leusden streeft naar een hoog kwalitatief aanbod van voorschoolse voorzieningen voor alle kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar in haar gemeente.

  • 2.

    Het college dient te zorgen voor een aanbod van voorschoolse educatie voor peuters, zodat zij met een goede en gelijke start – zonder achterstand – aan het basisonderwijs beginnen;

  • 3.

    Het college een regulier aanbod peuteropvang wil organiseren voor peuters van alleenverdieners en niet-werkende ouders;

Gelet op:

  • Wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk;

  • Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen Peuterspeelzalen;

  • Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK);

  • Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

  • Regeling wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

  • Wet op het primair onderwijs;

  • Beleid Peuteropvang en Voor- en vroegschoolse educatie (vve) Leusden 2022;

  • de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • de Algemene subsidieverordening 2017 (ASV);

  • het beleidskader Sociaal Domein Focus en Transparantie 2019 – 2022 van de gemeente Leusden;

Besluiten vast te stellen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvrager: een rechtspersoon die een aanvraag indient op grond van deze subsidieregeling;

  • b.

    ASV: de Algemene subsidieverordening gemeente Leusden 2017;

  • c.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden;

  • d.

    Doelgroeppeuter: een kind van tweeënhalf tot vier jaar die een indicatie van het consultatiebureau heeft gekregen op basis van:

    • -

      (dreigende) achterstand in de taalontwikkeling – gebaseerd op de score Van Wiechenschema; of

    • -

      (dreigende) achterstand in de taalontwikkeling ten gevolge van sociale factoren in het gezin dan wel de sociaal-emotionele en/of gedragsontwikkeling van het kind.

  • e.

    Reguliere peuteropvang: de reguliere peuteropvang omvat minimaal één en maximaal twee dagdelen met een maximale (gemiddelde) dagdeellengte van 4 uur, gedurende maximaal 40 weken per kalenderjaar.

  • f.

    Kinderopvangorganisatie: een exploitant met rechtspersoonlijkheid die zich bezig houdt met het bedrijfsmatig verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van de opvang van kinderen, zoals bedoeld in de wet, geregistreerd staat in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) en voldoet aan de kwaliteitseisen en regelgeving;

  • g.

    Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.

  • h.

    Kinderopvangtoeslagtabel: de tabel van de Belastingdienst waarin terug te vinden is welk bedrag ouders terugkrijgen voor de kinderopvang via de belastingdienst. De tabel is inkomensafhankelijk.

  • i.

    LRKP: Landelijk Register Kinderopvang. Het register waarin alle gastouderbureaus, gastouders, kinderdagverblijven en organisaties voor buitenschoolse opvang zijn opgenomen die voldoen aan de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp);

  • j.

    Ouder: de juridische ouder of wettelijk verzorger van een peuter.

  • k.

    Ouderbijdrage: financiële vergoeding die ouders moeten betalen voor de afname van peuteropvang. De kosten worden van de opvang worden ook bepaald door het aantal uren opvang en de prijs per uur die de peuteropvang in rekening brengt. De hoogte van de ouderbijdrage hangt af van het aantal peuters dat gebruik maakt van de peuteropvang en de inkomensafhankelijke tegemoetkoming op basis van de Tabel kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst (hierna: landelijke tabel) of de door het college vastgestelde Gemeentelijke Kinderopvangtoeslagtabel 2023 (hierna: gemeentelijke tabel, Bijlage 1).

  • l.

    Ouderverklaring: een door de ouder(s) ondertekende verklaring, voorzien van bewijsstukken waaruit blijkt dat geen aanspraak kan worden gemaakt op kinderopvangtoeslag.

  • m.

    Peuter: in de gemeente Leusden ingeschreven kind van 2,5 tot 4 jaar;

  • n.

    Peuteropvang: het aanbod in een kinderopvangorganisatie, gericht op peuters van 2,5 en 3 jaar, waarin met een peuterprogramma de ontwikkeling gestimuleerd wordt gedurende 8 uur per week, verdeeld over 2 dagdelen per week, gedurende 40 weken per jaar.

  • o.

    Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE): educatie onderverdeeld in een voorschoolse periode (2,5- en 3-jarigen) en doorlopend in de eerste jaren van het basisonderwijs (4- en 5-jarigen), de vroegschoolse periode.

  • p.

    Voorschoolse educatie (VE): uitvoering van een erkend voorschools educatie programma - opgenomen in de databank van de Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut – waarbij tenminste wordt voldaan aan de basisvoorwaarden voor kwaliteit uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie waarbij peuters op gestructureerde en samenhangende wijze worden gestimuleerd bij hun ontwikkeling (taal, rekenen, sociaal-emotioneel en motorisch).

  • q.

    Vve-indicatie: indicatie van GGD die recht geeft op Voor- en Vroegschoolse Educatie.

  • r.

    Vve-overleg: jaarlijks overleg van alle bij de indicering en uitvoering van VVE betrokken partijen in de gemeente Leusden in aanwezigheid van de wethouder.

  • s.

    Vve-registratie: een registratie in het LRKP waaruit blijkt dat de aanbieder voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor het aanbieden van VVE.

  • t.

    Benutte kindplaats regulier: rekeneenheid die overeenkomt met twee dagdelen (maximaal 4 uur per dagdeel) per week bezoek aan een kinderopvanginstelling waarop een peuter daadwerkelijk een kinderopvanginstelling bezoekt gedurende minimaal 40 weken per jaar;

  • u.

    Benutte kindplaats voorschoolse educatie: rekeneenheid die overeenkomt met vier dagdelen (maximaal 4 uur per dagdeel) per week bezoek aan een kinderopvanginstelling waarop een vve-peuter daadwerkelijk een kinderopvanginstelling bezoekt gedurende minimaal 40 weken per jaar;

  • v.

    Pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie (PBM VE): een pedagogisch beleidsmedewerker ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van de voorschoolse educatie.

Artikel 2 Doelstelling

Doel van de regeling is:

  • 1.

    Het zorgen voor kwalitatief hoogwaardige en veilige voorschoolse educatie voor vve-geïndiceerde peuters.

  • 2.

    Het verstrekken van subsidie om reguliere peuteropvang toegankelijk te maken voor niet vve-geïndiceerde peuters waarvan de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.

  • 3.

    Het verhogen van de kwaliteit van de voorschoolse educatie.

Artikel 3 Reikwijdte

De subsidie die door de gemeente wordt verstrekt, heeft betrekking op de activiteiten zoals genoemd in artikel 4, 5 en 6 en is bedoeld voor de doelgroep zoals genoemd in artikel 7 van deze subsidieregeling.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten Voorschoolse educatie

  • 1. Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt indien door de kinderopvangorganisatie voldaan wordt aan de kwaliteitseisen van de onderwijsinspectie voor voorschoolse educatie die zijn opgenomen in de kwaliteitskader Vve van de onderwijsinspectie. De kwaliteitseisen staan beschreven in het ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’.

  • 2. Subsidie wordt verleend per kindplaats in de gemeente Leusden die wordt bezet door een, door de GGD geïndiceerde, Vve-peuter.

  • 3. Om in aanmerking te komen voor subsidieverlening op grond van lid 1 en 2 dient de kinderopvangorganisatie minimaal 40 weken per jaar voorschoolse educatie aan te bieden. Het gaat dan per week om een aanbod van tenminste 16 uur verdeeld over 4 dagdelen. Het aanbod voorschoolse educatie is zodanig ingericht dat een peuter vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen (artikel 2, lid 1, Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie).

  • 4. Ouders met recht op kinderopvangtoeslag en een vve-peuter moeten een beroep doen op de kinderopvangtoeslag voor alle dagdelen voorschoolse educatie; zij betalen hierdoor een inkomensafhankelijke ouderbijdrage op basis van de landelijke tabel.

  • 5. Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag met een vve-peuter betalen voor alle dagdelen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage gekoppeld aan gemeentelijke toeslagtabel. Het college subsidieert voor ouders met een vve-peuter die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (artikel 7, lid 1 categorie a.) maximaal 16 uur (4 dagdelen x 4 uur) vanaf de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar. De gemeentelijke bijdrage is gebaseerd op de door het college vastgestelde tabel.

  • 6. Het maximale uurtarief dat de subsidieontvanger bij ouders in rekening mag brengen voor een vve-peuterplaats is gelijk aan de maximale uurprijs die de Rijksoverheid voor de vergoeding uit de kinderopvangtoeslag (2023: € 8,97) hanteert.

Artikel 5 Subsidiabele activiteiten Peuteropvang

  • 1. Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt indien voldaan wordt aan de kwaliteitseisen van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang.

  • 2. Subsidie wordt verleend per kindplaats in de gemeente Leusden die wordt bezet door een niet-Vve-geïndiceerde peuter in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar waarvan de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.

  • 3. Om in aanmerking te komen voor subsidieverlening op grond van lid 1 en 2 dient de kinderopvangorganisatie minimaal 40 weken per jaar peuteropvang aan te bieden. Het gaat dan per week om een aanbod van tenminste 8 uur verdeeld over 2 dagdelen.

  • 4. Ouders zonder recht op toeslag betalen aan de aanvrager een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Het college subsidieert voor ouders met een reguliere peuter die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (artikel 7, lid 1 categorie c.) maximaal 8 uur (2 dagdelen x 4 uur) vanaf de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar. De gemeentelijke bijdrage is gebaseerd op de gemeentelijke tabel.

  • 5. Het college laat het aan de aanbieders om het eigen uurtarief vast te stellen voor reguliere peuters.

Artikel 6 Subsidiabele Inzet Pedagogisch beleidsmedewerker Voorschoolse educatie

  • 1. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden zet een pedagogisch beleidsmedewerker in ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van de voorschoolse educatie (artikel 2a, lid 1, Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie).

  • 2. De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie betreft de totstandkoming en implementatie van beleidsvoornemens met betrekking tot voorschoolse educatie of coaching van beroepskrachten voorschoolse educatie (artikel 2, lid 2, Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie).

  • 3. De inzet omvat per kindercentrum een minimaal aantal uren per jaar, dat jaarlijks wordt bepaald door het aantal peuters waaraan in het kindercentrum op 1 januari van het betreffende jaar voorschoolse educatie wordt aangeboden te vermenigvuldigen met tien uur. Hierbij worden slechts peuters meegeteld die tussen tweeëneenhalf en vier jaar oud zijn en behoren tot de op grond van artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde doelgroep.

Artikel 7 Doelgroep

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de kinderopvangorganisaties ten behoeve van (doelgroep)peuters van de volgende groepen ouders:

    • a.

      Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag met een Vve-geïndiceerde peuter.

    • b.

      Ouders met recht op kinderopvangtoeslag en een Vve-geïndiceerde peuter.

    • c.

      Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag met een niet geïndiceerde peuter;

  • 2. Voor de reguliere peuteropvang stelt de gemeente géén subsidie beschikbaar voor peuters waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 8 Subsidieaanvraag en aanvraagtermijn

  • 1. De aanvrager van een subsidie voor voorschoolse educatie of de subsidie peuteropvang voldoet aan de kwaliteitseisen van hoofdstuk 2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en aan de Regeling wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

  • 2. De subsidie wordt aangevraagd voor de looptijd van de regeling, te weten, van 1 januari tot en met 31 december 2023.

  • 3. De subsidie voor voorschoolse educatie en de subsidie peuteropvang wordt aangevraagd via het formulier ‘aanvraag subsidie Voorschoolse Educatie en/of aanvraag subsidie Peuteropvang’.

  • 4. De (digitale) aanvraag dient te worden aangevuld met de volgende stukken:

    • a.

      een beleidsplan dat voldoet aan artikel 8 lid 7;

    • b.

      een begroting voor de benodigde kindplaatsen Voorschoolse Educatie verdeeld over de categorieën a. en b. uit lid 1 van artikel 7. middels het daarvoor bestemde invulformat.

    • c.

      een begroting voor de benodigde kindplaatsen Peuteropvang.

    • d.

      een begroting voor de benodigde inzet van de PBM VVE op basis van het aantal peuters met een vve-indicatie tussen de 2,5 en 4 jaar, waaraan in het kindercentrum op 1 januari van het betreffende jaar voorschoolse educatie wordt aangeboden te vermenigvuldigen met tien uur.

    • e.

      een kopie van de meest recente oprichtingsakte of statuten van de rechtspersoon en een actueel uittreksel uit het handelsregister;

    • f.

      een verklaring omtrent het gedrag voor bevoegd vertegenwoordiger van de de rechtspersoon van de aanvrager.

  • 5. De subsidieaanvraag dient uiterlijk op 27 november 2022 te worden ingediend. Voor 31 december 2022 neemt het college het besluit over de toe te kennen subsidie.

  • 6. Het college kan, indien de aanvraag daartoe aanleiding geeft, de aanvrager om nadere informatie verzoeken.

  • 7. De subsidie aanvraag wordt aangevuld met een beleidsplan waarin in ieder geval de volgende onderwerpen staan beschreven.

    Voor voorschoolse educatie:

    • a.

      De wijze waarop wordt voldaan van het kwaliteitskader vve van de onderwijsinspectie;

    • b.

      Het aanbod; de omvang en samenstelling van de vve-groep(en);

    • c.

      Het erkende VVE-programma waar mee gewerkt wordt;

    • d.

      Het volgen van brede ontwikkeling van het kind;

    • e.

      De inzet van de pedagogisch medewerker voorschoolse educatie PBM VVE én

    • f.

      Een beschrijving van de wijze waarop door inzet van de PBM VE de kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt bevorderd;

    • g.

      De evaluatie van kwaliteit en resultaten;

    • h.

      Gericht ouderbeleid;

    • i.

      De doorgaande lijn en de overdracht van voorschool naar basisschool;

    • j.

      De externe zorg en ondersteuning;

    • k.

      De Samenwerkingspartners.

    Voor reguliere peuteropvang:

    • a.

      De omvang en samenstelling van de groep(en);

    • b.

      Het volgen van de vbrede ontwikkeling van het kind;

    • c.

      Een gericht ouderbeleid;

    • d.

      De samenwerking met andere organisaties.

  • 8. De aanvrager is verantwoordelijk voor een juiste en volledige informatieverstrekking op grond waarvan het college redelijkerwijs tot een besluit kan komen. Een onvolledige aanvraag wordt niet in behandeling genomen. Bij een onvolledige aanvraag wordt de aanvrager verzocht de aanvraag aan te vullen.

Artikel 9 Subsidie verlening

  • 1. Het college honoreert aanvragen voor subsidies in de vorm van een subsidieverlening.

  • 2. Subsidieverlening vindt plaats voor de periode 1 januari tot en met 31 december 2023.

  • 3. Voor de categorieën activiteiten worden maandelijkse subsidievoorschotten verstrekt. De verleende voorschotten worden na afloop van het jaar definitief verrekend met de werkelijke deelname.

  • 4. Bij verdeling van de subsidie is uitgangspunt dat continuïteit wordt geboden aan de peuters met een peuterplek in het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

  • 5. De hoogte van de subsidie per kindplaats heeft uitsluitend betrekking op de kosten die resteren na aftrek van bijdragen van ouders en die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor:

    • a.

      het zorgen voor kwalitatief hoogwaardige en veilige voorschoolse educatie voor vve-geïndiceerde peuters of/en

    • b.

      het zorgen voor kwalitatief hoogwaardige peuteropvang voor niet VVE-geïndiceerde peuters waarvan de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.

  • 6. De aanvrager van de subsidie factureert en int de ouderbijdrage zoals vastgesteld door het college en is verantwoordelijk voor het daadwerkelijk ontvangen van deze bijdrage.

  • 7. Ouders zonder recht op toeslag die in aanmerking willen komen voor gemeentelijke toeslag dienen aan de aanvraag bij de aanbieder een ‘Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’, recente loonstrook, uitkeringsspecificatie of een inkomensverklaring (voorheen IB60 formulier) van de belastingdienst toe te voegen. De hoogte van het inkomens is nodig voor het bepalen van de ouderbijdrage die in rekening wordt gebracht. Indien ouders weigeren de benodigde documenten aan te leveren komen ze in de hoogste categorie aan ouderbijdragen.

  • 8. Ouders zijn te allen tijde verantwoordelijk voor een volledige en correcte aanvraag voor een kindplaats.

Artikel 10 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor 2023 bedraagt voor voorschoolse educatie (VE) en aanvullende activiteiten ten behoeve van de kwaliteit van VE € 151.848.

  • 2. Het subsidieplafond voor 2023 voor peuteropvang bedraagt € 63.860. Indien het budget voor peuteropvang niet volledig wordt benut, dan wordt het subsidieplafond voor VE en aanvullende activiteiten ten behoeve van de kwaliteit van VE verhoogt met het restbedrag.

  • 3. Het subsidieplafond voor 2023 bedraagt voor de inzet van de PBM VE € 12.360.

Artikel 11 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bestaat uit een bijdrage aan de aanbieder per benutte kindplaats tot aan maximaal de subsidienorm. Het maximale uurtarief dat voor subsidiëring in aanmerking komt, overschrijdt nooit het uurtarief dat de betreffende aanbieder hanteert;

  • 2. Subsidienorm kindplaatsen wordt berekend over:

    • a.

      het maximum uurtarief conform de toeslagregeling van de belastingdienst voor de kinderopvangtoeslag voor de dagopvang (€ 8,97 per 1 januari 2023) en

    • b.

      een opslag (maximaal € 1,-) wanneer het een geïndiceerde doelgroeppeuter betreft vanwege het aanbod van voorschoolse educatie (dit komt op € 9,97 in 2023).

  • 3. De subsidienorm inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie wordt berekend over het aantal peuters waaraan in het kindercentrum op 1 januari van het betreffende jaar voorschoolse educatie wordt aangeboden X tien uur x uurtarief van € 48,-. Hierbij worden slechts peuters meegeteld die tussen tweeëneenhalf en vier jaar oud zijn en behoren tot de op grond van artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde doelgroep.

Artikel 12 Voorwaarden en verplichtingen

  • 1. Aan de kinderopvangorganisaties als bedoeld in artikel 1 onder a legt het college de volgende voorwaarden en verplichtingen op:

    • a.

      de aanbieder houdt een administratie bij van de doelgroepen waaruit het aantal benutte kindplaatsen per kalenderjaar blijkt met daarbij een specificatie van:

      • i.

        de periode en het aantal dagdelen waarin de (doelgroep)peuter deelneemt aan de peuteropvang/peuterspeelzaalwerk;

      • ii.

        de hoogte van de eigen bijdragen van ouders voor zover dit relevant is voor de subsidieverlening;

      • iii.

        of een peuter doelgroeppeuter is op basis van de afgegeven indicatiestelling.

    • b.

      voorafgaand aan ieder kwartaal geeft iedere aanvrager een prognose van de verwachte bezetting van Kindplaatsen, verdeeld over de categorieën a, b en c uit lid 1 van artikel 7.

    • c.

      uiterlijk 2 weken na het aflopen van een kwartaal levert iedere aanvrager een overzicht van de gerealiseerde bezetting van Kindplaatsen, verdeeld over de categorieën a, b en c uit lid 1 van artikel 7;

    • d.

      een aanvrager wisselt gegevens uit met de GGD over de vraag hoeveel en welke kinderen met een VVE indicatie ook daadwerkelijk worden bereikt.

    • e.

      de aanbieder van voorschoolse educatie werkt (pro)actief mee bij:

      • i.

        het overleg en de samenwerking met de GGD-JGZ teneinde ouders van doelgroeppeuters toe te leiden naar deelname aan voorschoolse educatie;

      • ii.

        het (mee)realiseren van de doorgaande leer- en ontwikkelingslijn;

      • iii.

        het ontwikkelen, versterken en vergroten van ouderbetrokkenheid;

      • iv.

        het realiseren van een (warme) overdracht naar het basisonderwijs of een andere passende instelling;

      • v.

        het werken met een kind- en/of ontwikkelvolgsysteem;

      • vi.

        het werken met een erkend vve-programma voor doelgroeppeuters;

      • vii.

        het vastleggen en de borging van afspraken die gezamenlijk met andere betrokken partners worden gemaakt – mede in het kader van het voorkomen en het aanpakken van onderwijsachterstanden en andere relevante thema’s in het kader van de Lokale Educatieve Agenda;

      • viii.

        het aansluiten bij door de gemeente georganiseerde Vve-overleg;

      • ix.

        het ontplooien van activiteiten die zijn gericht op het verkrijgen van (meer) zicht op het (non)-bereik van doelgroeppeuters;

      • x.

        het samenwerken, afstemmen en overleggen met andere betrokken partners zoals het basisonderwijs, het consultatiebureau, basis- en sociaal team, etc.;

      • xi.

        de deelname aan deskundigheidsbevordering, scholing, toetsing alsmede het ontplooien van activiteiten teneinde te voldoen aan regelgeving;

      • xii.

        het gericht ouderbeleid; het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid;

      • xiii.

        het gebruik maken van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de verwijsindex (VIR);

      • xiv.

        overige activiteiten die in het belang zijn voor het realiseren van de kwaliteit(seisen) van de uitvoering van de (doelgroep)peuteropvang.

  • 2. De in dit artikel genoemde voorwaarden en verplichtingen worden in de beschikking tot subsidieverlening dan wel in een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd.

Artikel 13 Verantwoording en vaststelling subsidie

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht voor 1 mei 2024 een schriftelijke verantwoording te geven over de besteding van de subsidie.

  • 2. Het college beslist binnen 6 maanden na afloop van de subsidieperiode over de vaststelling van subsidies.

  • 3. Wij rekenen af op basis van gerealiseerde en benutte kindplaatsen. De subsidie wordt vastgesteld door:

    • a.

      het geldende maximale uurtarief volgens de subsidienorm, zoals benoemd in artikel 11, lid 2 en 3;

    • b.

      verminderd met de eigen bijdrage van ouders op basis van de inkomenscategorie per categorieën, zoals benoemd in artikel 9, lid 7 t/m 11.

    • c.

      verminderd met de kinderopvangtoeslag die ouders in artikel 7, lid 1, categorie b ontvangen, en

    • d.

      vermenigvuldigd met het aantal bezette kindplaatsen, onderscheiden naar de drie categorieën bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, b en c; het aantal kindplaatsen dat gedurende het jaar voor een deel bezet zijn geweest, worden alleen voor dat deel in de berekening meegenomen;

  • 4. Een benutte kindplaats wordt berekend op basis van de plaatsingsmaand en/of beëindigingsmaand van de peuter en is afhankelijk van de datum of deze voor 1 of voor 0 meegeteld conform de onderstaande tabel:

    Start

    Vertrek

    0-15 = 1

    0-15 = 0

    16-31 = 0

    16-31 = 1

  • 5. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een beleidsverslag met onderwerpen zoals genoemd in artikel 8 lid 7 en een financieel verslag over het aantal gebruikte kindplaatsen Voorschoolse Educatie en Peuteropvang.

  • 6. De houder legt vast aan hoeveel van peuters tussen tweeëneenhalf en vier jaar oud en behorend tot de op grond van artikel 167, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Wet op het primair onderwijs vastgestelde doelgroep op 1 januari voorschoolse educatie wordt aangeboden.

  • 7. De ontvanger van een subsidie van € 50.000,- of meer is verplicht bij de verantwoording een schriftelijke, onafhankelijke accountantsverklaring te overleggen aan het college, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 8. Indien de verantwoording na eventueel verleende uitstel niet tijdig of volledig is ingediend stelt het college de subsidie ambtshalve vast.

  • 9. Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen. Dit kan uiterlijk tot vijf jaar na de datum waarop de subsidie is vastgesteld.

Artikel 14 Weigeringsgronden

De subsidie wordt in ieder geval – naast het bepaalde in artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb – geweigerd, indien één van de weigeringsgronden van toepassing is als genoemd in artikel 8 ASV.

Artikel 15 Slotbepalingen

  • 1. Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, overeenkomstig artikel 22 van de ASV.

  • 2. Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie Leusden 2023.

  • 3. Deze subsidieregeling treedt in werking op de dag na publicatie in het elektronisch gemeenteblad.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Leusden,

H.W. de Graaf - Koelewijn

directeur-secretaris

G.J. Bouwmeester

burgemeester

Bijlage : Gemeentelijke kinderopvangtoeslagtabel 2023

Belastingjaar 2023

 
 
 

Toetsingsinkomen

uurtarief

Gemeentelijke toeslag

Per uur

Ouderbijdrage per uur

van

tot

 
 
 

lager dan

€ 21.278

€ 8,97

€ 8,61

€ 0,36

€ 21.279

€ 32.715

€ 8,97

€ 8,52

€ 0,45

€ 32.716

€ 45.018

€ 8,97

€ 8,00

€ 0,97

€ 45.019

€ 61.231

€ 8,97

€ 7,45

€ 1,52

€ 61.232

€ 88.015

€ 8,97

€ 6,34

€ 2,63

€ 88.016

€ 121.965

€ 8,97

€ 4,49

€ 4,48

€ 121.966

en hoger

€ 8,97

€ 3,02

€ 5,95