Welstandsnota Gemeente Brunssum

Geldend van 12-02-2026 t/m heden

Intitulé

Welstandsnota Gemeente Brunssum

Welstandskader A

1. Inleiding

De gemeente Brunssum is een bijzondere gemeente. Het is van oorsprong onstaan in een beekdal, later verder uitgebouwd op het glooiende landschap, en uiteindelijk in de 20e eeuw enorm gegroeid door de mijnindustrie. Brunssum is nu een grote plaats waaraan de ontstaansgeschiedenis nog goed is af te lezen.

Het ontstaan van de mijnindustrie betekende een enorme bouwactiviteit, er waren veel nieuwe woonwijken nodig nodig voor de arbeiders. Het zijn juist deze wijken die mede de uitstraling van Brunssum bepalen. Vanwege het cultuurhistorische belang van deze wijken voor Brunssum en zelfs voor heel Nederland zijn deze wijken inmiddels beschermd dorpsgezicht.

Niet alleen deze mijnwijken zijn waardevol, ook enkele bebouwingslinten, kerken, een kasteel en diverse woningen zijn dermate bijzonder dat ze zijn aangewezen als Rijksmonument.

De kwaliteit van de gebouwen en van de openbare ruimte is van algemeen belang. Ze maken een belangrijk deel uit van de dagelijkse leefomgeving van de inwoners van Brunssum. Door het opstellen van welstandsbeleid kan de gemeente in alle openheid een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht inrichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen.

Op initiatief van de Raadswerkgroep Beschermd Stads- en Dorpsgezicht van de gemeente Brunssum is de voorliggende welstandsnota opgesteld. De uitgangspunten die de Raadswerkgroep o.a. stelde waren: compact en helder, begrijpelijk taalgebruik, minder gedetailleerd, draagvlak bij de bevolking, en op internet gepubliceerd, zodat burgers op adres kunnen zoeken naar de welstandscriteria die voor hun eigen pand gelden.

Leeswijzer

De nieuwe welstandsnota bestaat uit twee delen: een algemeen welstandskader (deel A) en de uitwerkingen voor de verschillende deelgebieden (deel B).

In het welstandskader wordt het welstandsbeleid op hoofdlijnen weergegeven. Verder wordt aangegeven hoe de welstand in Brunssum georganiseerd is: wat is welstand, hoe verloopt de welstandsprocedure, wat zijn de wettelijke taken , hoe wordt gerapporteerd, etc. Een ander deel van het welstandskader wordt gevormd door een excessenregeling en een hardheidsclausule.

In de uitwerking worden per deelgebied criteria opgesteld waarin wordt aangegeven binnen welk kader nieuwe ontwikkelingen, aanpassingen of uitbreidingen mogelijk zijn. Tevens zijn algemene criteria opgesteld voor ongebruikelijke projecten en de sneltoetscriteria voor kleine plannen die ambtelijk getoetst kunnen worden.

2. Welstandsbeleid

Doel

Het doel van het welstandsbeleid is het streven naar het behoud en het versterken van de (beeld)kwaliteit van de bebouwing in Brunssum in het algemeen en die van het beschermd dorpsgezicht en monumenten in het bijzonder.

Voor de historische wijken gaat het daarbij om het beschermen van de belangrijke karakteristieken en de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daarop verantwoord aansluiten en voortbouwen.

Historisch besef en conservering van bestaande kwaliteiten hoeven vernieuwing niet in de weg te staan. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat eigentijdse, creatieve ideeën ten aanzien van stedenbouw en architectuur ook worden toegelaten. Hierbij dient echter steeds zorgvuldig de relatie met de bestaande situatie en karakteristiek voorop te staan.

Een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen (ook wel kort ‘bouwaanvraag’ genoemd) wordt o.a. getoetst aan het bestemmingsplan en aan de welstandsnota.

De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden.

Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een centrum, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving.

Welstand is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi of een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie.

De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de karakteristieken en kwaliteiten in het bestaande stedelijke gebied van Brunssum en in het buitengebied.

De welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van Brunssum, richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende kleine bouwwerken in bestaand stedelijk- en buitengebied . Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, het toetsingskader voor welstand, in plaats van de welstandsnota.

De welstandsnota moet voor verschillende doelgroepen hanteerbaar zijn, te weten burgers, architecten, bestuurders, stadsbouwmeester en ambtenaren.

Reikwijdte

Deze welstandsnota is vooral bedoeld als een sturend en stimulerend hulpmiddel en niet een instrument om van alles te verbieden. Hij is mede opgesteld om bewoners enthousiast te maken voor de kwaliteiten van hun directe omgeving, en om daarmee te bereiken dat zij zorgvuldig nadenken over hun bouwplannen. De nota stuurt daarmee vooraf in een bepaalde richting met bebouwingsmogelijkheden. De doelstelling is dat het een inspirerend boekwerk is dat in heldere bewoordingen vertelt hoe een deelgebied is ontstaan, wat de belangrijkste karakteristieken zijn, welke aspecten essentieel zijn voor de kwaliteit van het gebied, en binnen welk kader nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk zijn.

Inwoners die plannen hebben voor nieuwbouw, uitbreiding of aanpassing, zijn uitgenodigd om bij de stadsbouwmeester op een spreekuur te komen. Zij kunnen een toelichting krijgen op het welstandsbeleid voor hun wijk of deelgebied, en zij komen dan ook te weten welke kansen en mogelijkheden er voor bouwplannen zijn. Vervolgens kunnen zij met een architect aan de slag om de plannen uit te werken op basis van de kaders die zij hebben meegekregen. De combinatie van een enthousiasmerende welstandsnota en een startoverleg maken een inspirerende “voorkantsturing” mogelijk.

Het welstandstoezicht is het sluitstuk van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente.

Als schakel in een keten van ruimtelijke plannen is het welstandstoezicht in hoge mate afhankelijk van de kwaliteit van andere ruimtelijke plannen, zoals structuurvisies, bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, beeldkwaliteitplannen, groenstructuurplannen en cultuurhistorisch- of monumentenbeleid.

Bestemmingsplannen

Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Bouwmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan zijn toegstaan, kunnen niet door welstandscriteria teniet worden gedaan. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld.

Welstandscriteria kunnen, waar nodig, de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

afbeelding binnen de regeling

In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren.

Beeldkwaliteitplannen

De welstandsnota is met name gericht op het handhaven en versterken van de bestaande gebouwde omgeving. De welstandsnota is niet het meest geëigende beleidsdocument om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (op basis van een stedenbouwkundig plan) te toetsen, omdat die nieuwe ontwikkelingen ten tijde van het opstellen van de welstandsnota nog niet te voorzien waren.

Een beeldkwaliteitplan is dan een beter instrument. Een beeldkwaliteitplan wordt opgesteld voordat de bouwplannen worden uitgewerkt. Het legt de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten vast voor een nieuwe ontwikkeling, en gaat vaak ook in op de randvoorwaarden voor de inrichting van de openbare ruimte.

De nieuwe ontwikkelingen voor een gebied waarvoor een beeldkwaliteitplan geldt, worden getoetst aan het betreffende beeldkwaliteitplan, en niet aan de welstandsnota.

Als het bouwplan eenmaal gerealiseerd is, kan het beeldkwaliteitplan in een eerstvolgende evaluatie van de welstandsnota hierin opgenomen worden.

Een beeldkwaliteitplan volgt dezelfde procedure als een welstandsnota, en is na vaststelling onderdeel van het beleid van de gemeente.

Op dit moment is er één beeldkwaliteitplan van kracht in Brunssum, namelijk voor een deel van Treebeek.

Monumentenbeleid

Monumenten vormen een apart onderdeel van het erfgoed vanwege de juridische beschermde status. Welstandstoezicht en monumentenzorg zijn van oudsher nauw met elkaar verbonden. Beide zijn erop gericht de kwaliteit en identiteit van de leefomgeving te bestendigen.

Een belangrijk onderdeel daarvan is het behoud van monumenten en beschermde dorps- en stadsgezichten die van cultuurhistorische waarde voor Brunssum zijn.

Per 1 januari 2012 is het Rijksbeleid Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. In de MoMo is bepaald, dat cultuurhistorische belangen moeten meewegen in de ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument geworden om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

Gemeenten moeten bij het maken van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Een andere belangrijke verandering is dat sinds 1 januari 2012 een aantal bouwactiviteiten aan monumenten of panden in beschermde dorps- en stadsgezichten vergunningsvrij zijn geworden.

Kijk voor meer informatie op www.cultureelerfgoed.nl.

Rijksmonumenten

Brunssum heeft ruim 40 Rijksmonumenten, in de vorm van kerken, een kasteel en diverse woningen. In de bijlage is het overzicht opgenomen van deze monumenten.

Voor bouwplannen voor Rijksmonumenten geldt dat er in het kader van de omgevingsvergunning wordt beoordeeld of deze in overeenstemming is met de monumentale waarden van het object en of deze in overeenstemming is met de welstandscriteria.

Een uitzondering is gemaakt voor de archeologische rijksmonumenten. Daarvoor is een aparte vergunning nodig.

De monumentale waarden staan voor ieder erkend monument beschreven. De lijst van monumenten is toegevoegd in de bijlage van deze welstandsnota.

Monumenten worden getoetst aan de criteria van het betreffende deelgebied, of aan de algemene criteria indien het een afwijkend bouwwerk betreft zoals een kerk of een school.

Sommige bouwplannen voor monumenten zijn vergunningsvrij. Meer informatie hierover is te vinden op www. cultureelerfgoed.nl. Sneltoetscriteria worden niet toegepast bij monumenten.

Beschermd dorpsgezicht

De Monumentenwet 1988 geeft de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. In de gemeente Brunssum zijn de mijnwijken aangewezen als beschermd dorpsgezicht, inclusief het Schutterspark en het Vijverpark.

Bouwen in beschermd dorpsgezicht is aan bepaalde regels gebonden. De regels zijn vervat in een aangepast bestemmingsplan en hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek.

Bouwplannen in een gebied dat valt onder beschermd dorpsgezicht (één van de mijnwijken) worden getoetst aan de welstandscriteria voor mijnwijken.

Er zijn standaardbouwtekeningen aanwezig en opvraagbaar bij de gemeente voor kleine bouwplannen in de mijnwijken. Wanneer bouwplannen voldoen aan de standaardtekeningen en/of de sneltoetscriteria worden ze niet meer door de stadsbouwmeester getoetst.

afbeelding binnen de regeling

Criteria in andere beleidsdocumenten

In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn opgenomen in andere beleidsdocumenten, bijvoorbeeld een beeldkwaliteitplan. Indien voor een bepaald gebied een beeldkwaliteitplan geldt dat door de gemeentenraad is vastgesteld, is dat het toetsingskader voor de stadsbouwmeester. Een beeldkwaliteitplan staat los van de welstandsnota. Er wordt in deze welstandsnota wel naar verwezen.

Welstandsvrij

Het welstandsvrij bouwen voor bestaande woonwijken krijgt in Brunssum geen vervolg. Wel wordt het experiment van welstandsvrij bouwen verlengd voor de nieuwbouw op het Erkensterrein, onder de voorwaarde dat daar wordt gekozen voor particuliere “zelfbouw”.

afbeelding binnen de regeling

Veel bouwplannen waar een omgevingsvergunning voor nodig is, moeten ook worden getoetst aan de criteria in de welstandsnota. Maar er zijn uitzonderingen. Want vergunningplichtige bouwplannen zijn welstandsvrij als ze worden gebouwd op een zij- en/of achtererf en achter de voorgevellijn.

Dat geldt overigens niet voor gebieden die zijn aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht en voor bouwwerken die zijn aangewezen als monument. Alle vergunningsplichtige bouwplannen in deze gebieden moeten voldoen aan de criteria in de welstandsnota, ook als ze op een zij- of achtererf liggen.

De voorgevelrooilijn ligt ter plaatse of in het verlengde van de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, als het een gebouw betreft met twee naar de weg gekeerde gevels, beide gevels (zie schema).

afbeelding binnen de regeling

Algemene criteria

In bijzondere situaties kan door de stadsbouwmeester of monumentencommissie worden getoetst aan de algemene toetsingscriteria. Dit kan bij voorbeeld bij plannen die niet getoetst kunnen worden aan de criteria voor het betreffende deelgebied, vanwege een afwijkende functie en daardoor een afwijkende vorm (bijvoorbeeld een kerkgebouw). Zie voor meer informatie het hoofdstuk “Algemene criteria”.

Criteria voor kleine bouwwerken

Om de aanvraag van veel voorkomende kleine bouwwerken, zoals bijgebouwen en overkappingen, aan- en uitbouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dergelijke (zie hoofdstuk 5), snel af te handelen zijn er sneltoetscriteria. Indien kleine bouwwerken vergunningplichtig zijn en niet vallen in welstandsvrij gebied dan voert de gemeente in die gevallen zelf de welstandstoets uit op basis van de sneltoetscriteria in de voorliggende nota.

Op de website www.rijksoverheid.nl staat precies aangegeven voor welke bouwwerken een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

Plannen waarvoor geen omgevingsvergunning noodzakelijk is, zijn welstandsvrij.

Zie voor meer informatie over kleine bouwplannen, en wat daaronder wordt verstaan, in het hoofdstuk “Sneltoetscriteria”.

Standaard bouwtekeningen

Er zijn standaardbouwtekeningen aanwezig en opvraagbaar bij de gemeente voor kleine bouwplannen in de mijnwijken, zoals dakkapellen en bergingen. Wanneer bouwplannen voldoen aan de standaardtekeningen en/of de sneltoetscriteria worden ze niet meer door de stadsbouwmeester getoetst.

De tekeningen worden gratis ter beschikking gesteld en er worden geen leges voor geheven.

3. Organisatie van de welstand

De welstandsnota is een voorwaarde voor het uitvoeren van welstandstoezicht. De gemeenteraad stelt het beleid vast. Dat beleid is in deze nota omschreven en verbeeld.

In Brunssum is geen sprake meer van een welstandscommissie.

Deze is vervangen door een stadsbouwmeester die de bouwplannen toetst aan de welstandscriteria in de voorliggende welstandsnota.

Om de aanvraag voor veel voorkomende kleine bouwwerken, zoals bijgebouwen en overkappingen, aan- en uitbouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dergelijke, snel af te handelen zijn er sneltoetscriteria. Namens het college van burgemeester en wethouders voert in die gevallen een ambtenaar de welstandstoets uit, op basis van de sneltoetscriteria in de voorliggende nota. Zie voor meer informatie over kleine bouwplannen, en wat daaronder wordt verstaan, in het hoofdstuk “Sneltoetscriteria”.

De werking van de welstandsnota moet jaarlijks in de gemeenteraad worden geëvalueerd. Dat gebeurt aan de hand van het jaarverslag van de stadsbouwmeester en de rapportage van het college van burgemeester en wethouders over de wijze waarop uitvoering gegeven is aan het welstandstoezicht. De evaluatie kan tot gevolg hebben dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is.

Het college van burgemeester en wethouders verleent (of weigert) omgevingsvergunningen. Het college neemt pas een besluit over het verlenen of weigeren van een vergunning nadat het advies heeft ingewonnen bij de stadsbouwmeester.

Het college volgt in de regel het advies van de stadsbouwmeester, maar kan er in uitzonderlijke gevallen ook van afwijken (zie hoofdstuk hardheidsclaussule). Mochten deze gevallen zich voordoen, dan stelt het college de stadsbouwmeester hiervan schriftelijk op de hoogte, inclusief een motivering.

Op de website www.rijksoverheid.nl staat precies aangegeven voor welk bouwwerken een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Plannen waarvoor geen omgevingsvergunning noodzakelijk is, zijn welstandsvrij.

Werkwijzestadsbouwmeester

Het advies van de stadsbouwmeester geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving, voldoet aan redelijke eisen van welstand. Beoordeling vindt plaats aan de hand van de tekst in de welstandsnota.

Het advies wordt schriftelijk vastgelegd. Het welstandsadvies bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de planbeoordeling.

De stadsbouwmeester stelt één maal per jaar een verslag op van de door hem of haar verrichte werkzaamheden. In het verslag geeft de stadsbouwmeester aan hoe toepassing is gegeven aan de welstandscriteria. Ten behoeve van het jaarverslag vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het college en/of de raad en de stadsbouwmeester.

Indien gewenst kunnen burgers en politici ook een bijdrage leveren aan de jaarlijkse evaluatie.

Openbaarheid

De stadsbouwmeester is regelmatig aanwezig op een spreekuur waar initiatieven kunnen worden besproken. Initiatiefnemers kunnen een toelichting krijgen op de welstandsnota en de specifieke beeldkwaliteit voor hun wijk of deelgebied en zij komen dan ook te weten welke kansen en mogelijkheden er voor bouwplannen zijn. Daarna kunnen zij met een architect aan de slag om de plannen uit te werken op basis van de kaders die zij hebben meegekregen.

Vervolgens worden deze uitgewerkte plannen getoetst aan de welstandsnota.

Om de aanvraag voor veel voorkomende kleine bouwwerken, zoals bijgebouwen en overkappingen, aan- en uitbouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dergelijke (zie hoofdstuk 5), snel af te handelen zijn er sneltoetscriteria. Namens het college van burgemeester en wethouders voert in die gevallen een ambtenaar de welstandstoets uit, op basis van de sneltoetscriteria in de voorliggende nota.

De overige omgevingsvergunningsplichtige bouwplannen worden door de stadsbouwmeester in de regel één keer in de twee weken op een vaste locatie bij de gemeente getoetst. De vergadering is openbaar. Tijdstip en plaats van de vergadering wordt gepubliceerd. De agenda voor de vergadering wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd en gepubliceerd op de gemeentelijke websites.

In gevallen als bedoeld in art 10 van de Wet Openbaarheid van Bestuur (bijvoorbeeld ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of ter voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken personen of derden) is de vergadering, of een deel daarvan, niet openbaar.

Tijdens de vergadering wordt alleen aan opdrachtgevers en ontwerpers gelegenheid geboden tot spreekrecht.

Voor verder informatie over werkwijze en verantwoording wordt verwezen naar de Bouwverordening van de gemeente Brunssum, te vinden op www.brunssum.nl.

Handhaving

Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen vergunning is aangevraagd of als het bouwwerk na realisering afwijkt van de vergunningstekening, krijgt de eigenaar alsnog gelegenheid een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk, mits het kan worden gelegaliseerd. Als de vergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Het college kan dan de eigenaar aanschrijven om binnen een bepaalde termijn de strijdigheid op te heffen.

4. Excessenregeling

Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnenburgemeester en wethouders op grond van artikel 13a van de Woningwet, degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.

Alle bouwwerken moeten volgens de Woningwet aan minimale welstandseisen voldoen, zowel vergunningplichtige bouwwerken als vergunningvrije bouwwerken.

Bouwwerken mogen “niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand”. Als dit wel het geval is, is sprake van een ‘exces’. Conform artikel 12a van de Woningwet geeft de stadsbouwmeester dan aan dat er sprake is van ernstige mate van strijd. Een eigenaar van een al bestaand gebouw dat wordt beschouwd als exces, kan door de gemeente worden aangeschreven om het bouwwerk te verwijderen of aan te passen.

Er is sprake van ernstige mate van strijd als:

  • het bouwwerk een te grove inbreuk maakt op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de welstandscriteria bij de deelgebieden);

  • architectonische bijzonderheden worden ontkend of vernietigd bij aanpassing of uitbreiding van een bouwwerk (bijvoorbeeld door het op onevenwichtige wijze aantasten van een aanwezige monumentaliteit of symmetrie);

  • een bouwwerk dan wel een gezichtsbepalend deel van een bouwwerk afgesloten wordt van zijn omgeving (fysiek of visueel).

Bij de toepassing van deze criteria is eerder sprake van een exces:

  • naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap;

  • indien het gebouw onderdeel uitmaakt van het deelgebied “centrum”, “linten” of “mijnwijken” of indien het gebouw een monument is;

  • naarmate er meer van de genoemde criteria van toepassing zijn.

5. Hardheidsclausule

Voor het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit is het van belang dat het gemeentebestuur eenduidig is en helder bij de uitvoering van het beleid. Daarom is het gebruikelijk dat het college van burgemeester en wethouders het advies van de stadsbouwmeester en de monumentencommissie volgt.

In uitzonderlijke gevallen kunnen burgemeester en wethouders er gemotiveerd van afwijken, om de volgende redenen:

  • Afwijken op inhoudelijke grond, als het college van oordeel is dat de stadsbouwmeester de welstandscriteria niet juist heeft geïnterpreteerd of dat niet de juiste criteria zijn toegepast.

  • Afwijken vanwege bijzondere omstandigheden, als het college van oordeel is dat er voor een of meer belanghebbenden sprake zou zijn van gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

  • Afwijken om andere redenen, als het college van oordeel is dat redenen van maatschappelijke of economische aard een afwijking rechtvaardigen.

Mochten deze gevallen zich voordoen dan doen burgemeester en wethouders hiervan schriftelijk en gemotiveerd verslag aan de stadsbouwmeester en/of monumentencommissie.

Welstandsbeleid B

1. Inleiding

In dit deel van de welstandsnota (deel B) worden op basis van de uitgangspunten en doelstellingen uit het welstandskader (deel A) de welstandswensen- en eisen verder uitgewerkt. In eerste instantie zal door middel van teksten en beelden Brunssum worden verkend. Deze analyse vormt het vertrekpunt voor de verdere uitwerking in specifieke welstandseisen- en wensen. Deze welstandseisen zijn op verschillende manieren geformuleerd, te weten in criteria voor deelgebieden, in algemene criteria en in sneltoetscriteria.

Deelgebieden

Brunssum wordt verdeeld in een aantal deelgebieden. Deze deelgebieden zijn dusdanig gekozen dat er per deelgebied een samenhang is in de stedenbouwkundige structuur en de architectuur. Vaak is die samenhang ontstaan doordat er in een dezelfde periode is gebouwd, op een voor die periode karakteristieke manier.

Per deelgebied worden criteria opgesteld waarin wordt aangegeven binnen welk kader nieuwe ontwikkelingen, aanpassingen of uitbreidingen mogelijk zijn.

De deelgebieden zijn:

  • 1.

    Centrum

  • 2.

    Linten

  • 3.

    Mijnwijken

  • 4.

    Oostenrijkse woningen

  • 5.

    Jaren ’50/’60/‘70 en ’80 wijken

  • 6.

    Recente wijken

  • 7.

    Bedrijventerreinen en grootschalige voorzieningen

  • 8.

    Sport en recreatie

Het uitgangspunt van de criteria per deelgebied, is de analyse van kenmerken op het gebied van stedenbouw, architectuur en/of landschap. Tevens wordt de beleidslijn aangegeven ten aanzien van de kwaliteit. Uit die analyse en het kwaliteitskader worden kansen, mogelijkheden en onmogelijkheden gedestilleerd. Niet voor een individueel object, maar voor het samenhangende ensemble in het gehele deelgebied.

Ambitieniveaus worden niet in zijn algemeenheid omschreven, maar per deelgebied bepaald en uitgewerkt.

In de welstandsnota worden geen eisen gesteld ten aanzien van materialen. Bouwplannen kunnen derhalve daaraan ook niet getoetst worden.

2. Verkenning

Context

Brunssum is een mooie gemeente, waaraan de ontstaansgeschiedenis is af te lezen uit de ruimtelijke structuur en de bebouwing. Om de huidige kwaliteiten daarvan goed in te kunnen schatten en als basis te kunnen gebruiken voor het welstandsbeleid, is een korte terugblik op de ontstaansgeschiedenis van Brunssum van belang.

Die ontstaansgeschiedenis start in een ver verleden. De eerste bewoners, in het stenen tijdperk, kwamen uit het oosten van Europa. Latere bewijzen van bewoning in het gebied zijn de vondsten van Romeinse grafresten op de Kruisberg en het gebied Haefland, die aantonen dat er rond 50 voor Christus bewoning was in het gebied. Naast landbouw was het afgraven van Brunssumse klei in het heidegebied voor de Romeinse pottenbakkers van groot belang. Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan.

De eerste vermelding van ‘Brunsham’ betreft de kerk in de Annales Rodenses in 1150. Deze kerk is in de jaren negentig tijdens opgravingen op de plek van het voormalige Unitas aan de Kerkstraat teruggevonden.

Na het verdwijnen van de pottenbakkersindustrie werd Brunssum een boerendorp dat rond 1650 ongeveer 600 inwoners had. Hoewel het dorp drie kastelen kende, waren de boeren erg arm. Daarom verdienden velen wat geld bij als smid van ijzeren smeedwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit deden zij in een huisnijverheid die bekend is geworden onder de naam ‘Het ambacht van de Eyseren’. Het werkgebied van dit ambacht strekte zich uit over de huidige gemeentes Brunssum, Onderbanken en Schinnen.

In de 18e eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden -en daaronder ook Brunssum - ingelijfd bij Oostenrijk. De Oostenrijkse tijd eindigde met de Franse Revolutie.

De parochie Brunssum werd op 31 augustus 1796 door de Franse overheid verheven tot gemeente. Brunssum groeide echter nauwelijks. Rond 1850 woonden er ongeveer 1000 inwoners in minder dan 300 woningen. Die aantallen waren in 1900 nauwelijks gegroeid.

Vlak daarna begon de winning van steenkool in de staatsmijn Hendrik. Toen groeide de bevolking stormachtig tot bijna 30.000. Woonwijken werden uit de grond gestampt en winkelstraten ontwikkelden zich. Brunssum werd een kleine industriestad. In 1967 werd de inmiddels gesloten staatsmijn Hendrik het hoofdkwartier van JFC, een onderdeel van de NAVO.

Landschap en Kernen

Landschap

De gemeente Brunssum maakt deel uit van het Zuid-Limburgse lössgebied. Een groot gedeelte van de gronden bestond uit heidegrond en moeras, en was overwegend ongeschikt om in cultuur te brengen. De voedselrijke lössgronden waren als bouwland in gebruik, de beekdalen waren bebost of werden gebruikt als hooiland. De arme zandgronden in het oostelijke deel van het buitengebied waren, door beweiding met schapen en afplaggen, met heide begroeid. Bos en heide zijn nu nog te vinden op de Brunssummerheide en aan de oostzijde van de gemeente Brunssum. Dit gebied, dat grotendeels is ingesloten door stedelijk gebied, heeft een hoge natuurwaarde en sluit aan op het Duitse bosgebied.

De basis van de ruimtelijke structuur in Brunssum wordt met name gevormd door het beekdalpatroon met bijbehorende droogdalen. De oude hoofdwegen, zoals de Dorpstraat en de Kerkstraat, en de bebouwing volgen globaal dit patroon. Het gebied had veel landgoederen en kastelen, zoals het Kasteel van baron de Negri (1622), waarvan de meeste langs de beken stonden. Zowel het landschap met de heuvels en beken als de karakteristieke Limburgse hoeve waren uniek voor Nederland.

De bossen werden gebruikt als leverancier van bouwmateriaal en brandhout. Door het Limburgse systeem van verdeling van gronden bij overerving werden de kavels steeds kleiner. Daardoor werd het bestaan als boer steeds moeilijker en de druk op de woeste grond van de Brunssummerheide groter. Door overbeweiding, en de daarmee samenhangende vertreding, nam het areaal heide en stuifzand toe.

Eind negentiende, begin twintigste eeuw, vonden er een aantal veranderingen plaats die voor het gebied van groot belang blijken te zijn. De import van goedkope schapenwol uit Australië betekende het einde van de grote schaapskudden op de heide. Door de introductie van kunstmest werd het mogelijk om voorheen woeste gronden te ontginnen. Het areaal heide begon daardoor af te nemen.

De mijnbouw is de daaropvolgende vormgever van het landschap. Door de opkomst van de mijnbouw is het aanzien van de regio in korte tijd sterk veranderd vanaf 1815. De mijnbouw had in eerste instantie behoefte aan takkenbossen en zorgde daardoor voor een opleving van het hakhoutbedrijf. Later werd de behoefte aan naaldhout voor stutten zó groot, dat er (in de dertiger jaren van de vorige eeuw tevens in het kader van de werkgelegenheidsvoorziening) grootscheepse bebossing van ‘woeste grond’ plaatsvond. Daarna is het gebied, door het gebruik als militair oefenterrein en door de toegenomen recreatie druk vanuit de sterk verstedelijkte Oostelijke Mijnstreek, steeds verder aangetast. Van de in totaal circa 600 ha heidegebied rond 1900 is in 1970 nog circa 80 ha over.

Kernen

Uit historisch kaartmateriaal en studies wordt duidelijk dat de kern Brunssum, zoals die er nu uitziet, is ontstaan door het samenvloeien van het oude dorp Brunssum, het gehucht Rumpen en de Kling.

De basis van de ruimtelijke structuur wordt gevormd door het beekdalpatroon met bijbehorende droogdalen. De bewoners vestigden zich op de hoge droge delen van het beekdalenlandschap. De oude hoofdwegen en bebouwing volgen dit patroon globaal. Men leefde voornamelijk van de landbouw. Naast boerderijen verschenen er enkele kastelen of kasteelboerderijen zoals Amstenrade, het Bekshoes, Clutteleen en Op Gen Hoes.

De Dorpstraat is het historische dorpslint van Brunssum. Rondom de Oude Markt en de kruising Kerkstraat/Dorpstraat/ Merkelbeekerstraat lag de oude dorpskern van Brunssum.

Belangrijke gebouwen als de Sint Gregoriuskerk, het klooster van de Franciscanessen met het pensionaat van deze orde waren hieraan gesitueerd. De oude structuur is nog steeds goed te herkennen. De slingerende weg vormt een mooie onderbreking in het verstedelijkt Brunssum. Door de verschuiving van het centrum in zuidelijke richting is veel van de oude kleinschalige dorpse bebouwing nog bewaard gebleven.

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Gedurende de gehele 19e eeuw bleef Brunssum een rustig kerkdorp, dat rond 1900 ongeveer 1200 inwoners telde. De huizen bestonden, op enige uitzonderingen na, voornamelijk nog uit traditionele vakwerk. Vanaf de 2e helft van de 19e eeuw begon men bij het bouwen gebruik te maken van baksteen.

Door de komst van de Staatsmijn ‘Hendrik’ in het gebied ten zuiden van Rumpen veranderde het bestaande landschappelijke patroon, dat min of meer aan de bestaande mmorfologische omstandigheden was aangepast. Voor de huisvesting van werknemers dat in grote aantallen toestroomde bleek extra woningbouw noodzakelijk. In eerste instantie had dit gevolg dat beide kernen in de vorm van lintbebouwing naar elkaar toegroeiden. Daarna ontstonden er rondom de oude kernen de mijnwerkerskoloniën. De mijnkoloniën De Egge, Langeberg, Schuttersveld, Rozengaard en Treebeek (deels) bepalen samen met de relicten van de bebouwing op het mijnterrein zelf in belangrijke mate de karakteristiek van Brunssum. Uit deze tijd stamt ook het mijnspoortracé dat de Emma Mijn en de Staatsmijn Hendrik met elkaar verbond.

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

3. Criteria deelgebieden B

  • 1.

    Centrum

  • 2.

    Linten

  • 3.

    Mijnwijken

  • 4.

    Oostenrijkse woningen

  • 5.

    Jaren '50/'60/'70 en '80 wijken

  • 6.

    Recente woonbuurten

  • 7.

    Bedrijventerrein en grootschalige voorzieningen

  • 8.

    Sport en recreatie

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

1. centrum

Het oorspronkelijke centrum van Brunssum is ontstaan in de middeleeuwen, op een knooppunt van wegen. Tot het begin van de 20e eeuw was Brunssum een klein kerkdorp aan de Dorpstraat. Toen rond 1918 de winning van steenkool begon in de staatsmijn Hendrik, groeide Brunssum in korte tijd uit tot 30.000 inwoners. Het centrumgebied verplaatste zich van de Dorpsstraat naar de Kerkstraat.

Stedenbouw

De stedenbouwkundige structuur van het centrum is vooral het gevolg van een natuurlijke ontwikkeling door de groei van het aantal inwoners, de mijnen, de handel en landschappelijke invloeden zoals de hoogteverschillen.

Er zijn een aantal elementen die bijzonder zijn in het centrum van Brunssum. De bebouwing is veelal per pand gebouwd en staat dicht op elkaar. De geschiedenis van het centrumgebied is af te lezen uit het stratenpatroon en de pleinen en uit de situering, vormgeving en leeftijd van diverse (opvallende) gebouwen.

Het centrum heeft een “ei-vorm” met de Kerkstraat als centrale winkelstraat, met daaromheen een ontsluitingsring voor het verkeer.

Veel gebouwen zijn relatief kleinschalig, uitgezonderd kerken, bijzondere gebouwen en enkele grote winkels en kantoren. Aan de randen van het centrum staan nieuwere appartementen (Koutenveld), jaren ’50 rijtjeshuizen en jaren ’70 appartementen boven winkels (Pastoor Savelbergstraat).

afbeelding binnen de regeling

Architectuur

Er zijn grote verschillen in architectuur, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik, nokrichting en bebouwingshoogte. De bouwperiode van een pand is meestal af te lezen aan de architectuur. De architectuur is daardoor gevarieerd. Een aantal panden hebben een sterk historisch karakter, met een waardevolle historische uitstraling en bijzondere kenmerken in de vormgeving zoals verbijzondering van dakgoten, dakkapellen, deuropeningen, metselwerk boven de ramen, entrees en erkers.

Een aantal andere panden zijn in de jaren ’50 en ’60 toegevoegd en zijn sober vormgegeven. Ze sluiten niet altijd even goed aan op de omliggende bebouwing in de Kerkstraat.

Enkele nieuwere panden met een eigentijdse architectuur, sluiten qua maat en schaal juist wel goed aan bij de centrumbebouwing.

Beleid

Het beleid is erop gericht om het waardevolle, deels historische karakter van het centrum te behouden. Nieuwe ingrepen moeten zorgvuldig worden ingepast. Dat betekent niet dat er per definitie gebouwd wordt in eenzelfde historische architectuur als in de directe omgeving. Eigentijdse architectuur die past in de schaal en karakteristiek van het gebied is ook goed mogelijk.

afbeelding binnen de regeling

Eigentijdse architectuur die qua maat en schaal aansluit bij centrumbebouwing

afbeelding binnen de regeling

Aandacht voor detail in metselwerk en dakgoot

Gewenst beeld

Bestaande kwaliteit moet behouden blijven. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig ingepast in de schaal, maat en uitstraling van de (historische) omgeving. Eigentijdse architectuur is goed mogelijk, mits deze met respect voor de maat en schaal van de omgeving wordt gerealiseerd.

Andere aandachtspunten zijn:

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten van de omgeving als het gaat om situering, vormgeving, kleuren en details;

  • heldere hoofdvorm en kapvorm in stand houden;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • oriëntatie van de gebouwen op de openbare ruimte;

  • vrijstaande en afwisselende gebouwen met ruimtes er tussen of tegen elkaar aan geplaatst (afhankelijk van de plek), individuele uitstraling van panden in stand houden;

  • dakkapellen sluiten aan op de architectuur van het pand.

afbeelding binnen de regeling

Verschillend kleur- en materiaalgebruik, maar eenheid qua maat en schaal

afbeelding binnen de regeling

Bijzondere entree

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

2. Linten

Vanuit het oorspronkelijke centrum van Brunssum lopen wegen naar de woonwijken en de omliggende steden en dorpen. Langs die wegen zijn in het verleden“bebouwingslinten” ontstaan met vrijstaande woningen en bedrijfspanden langs de weg, die in verschillende periodes zijn gebouwd. De linten volgen deels het oude wegenpatroon tussen Brunssum en omliggende plaatsen. Na het ontstaan van de mijnindustrie werden nieuwe linten aangelegd of oude linten verdicht. Uitbreidingen van Brunssum hebben hierlangs plaatsgevonden.

De bebouwing heeft een gemengde functie, soms wonen, soms winkels, kantoren of industrie. Ondanks de aanleg van nieuwe verbindingswegen zijn de oude wegen nog steeds de doorgaande routes tussen de verschillende kernen in de regio Parkstad.

Stedenbouw

De bebouwingslinten zien er levendig uit: ieder pand is uniek en heeft een eigen vormgeving en materiaalgebruik.

Er is een duidelijk onderscheid tussen de linten in de nabijheid van het centrum van Brunssum en de linten daarbuiten.

Linten in het centrum hebben een meer stedelijk karakter. Panden zijn verschillend, maar staan wel in één rooilijn, vaak met de voorgevel aan de straat. De panden zijn veelal aan elkaar geschakeld en zijn behoorlijk fors qua omvang.

afbeelding binnen de regeling

Wat verder van het centrum af is de bebouwing kleinschaliger. Bovendien staan panden meestal op verschillende afstanden van de weg en vaak is er ook sprake van een voortuin. Panden staan los van elkaar en in de tussenruimte tussen de panden is soms een oprit of toegangspad aanwezig.

De panden zijn vrijwel altijd georiënteerd op de weg. De woning is vaak het hoofdgebouw op het perceel. Bijgebouwen en bedrijvigheid is er meestal ondergeschikt aan.

Architectuur

Er zijn grote verschillen in architectuur, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik en nokrichting. De bouwperiode van een pand is meestal af te lezen aan de architectuur. De bebouwing is meestal een mix tussen panden uit de 19e en 20e eeuw en moderne bebouwing.

Beleid

Het beleid is erop gericht om het karakter van de lintbebouwing te behouden en waar nodig te versterken. Dat betekent niet dat er gebouwd moet worden in een zelfde architectuur als in de directe omgeving. Sterker nog, eigentijdse architectuur, passend binnen de schaal en het karakter van de lintbebouwing, is goed mogelijk. Dit versterkt het idee dat de leeftijd van de bebouwing is af te lezen aan de architectuur.

Het verschil in karakter tussen de stedelijke linten in het centrum en de meer dorpse linten buiten het centrum wordt gekoesterd.

afbeelding binnen de regeling

Niet alleen wonen maar ook bedrijvigheid, winkels of kantoren

afbeelding binnen de regeling

Stedelijk karakter dichtbij het centrum

afbeelding binnen de regeling

Dorps karakter verder van het centrum

Gewenst beeld

De levendigheid van de linten en de variatie in bebouwing moet in stand gehouden worden. Dat betekent dat nieuwe panden qua vormgeving en situering niet per definitie aan hoeven te sluiten op de bestaande situatie. Bij vervangende nieuwbouw is de positie en rooilijn van de oorspronkelijke bebouwing uitgangspunt voor de nieuwe situatie.

De stedelijke uitstraling van de linten in het centrum is uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen, hetzelfde geldt voor de meer dorpse uitstraling van de linten buiten het centrum.

Andere aandachtspunten zijn:

  • oriëntatie van de gebouwen op de weg;

  • per erf of kavel is er één hoofdgebouw;

  • herkenbaarheid individueel pand;

  • vrijstaande en afwisselende gebouwen met ruimtes er tussen of tegen elkaar aan geplaatst (afhankelijk van de plek, buiten het centrum of in het centrum);

  • aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • dakkapellen sluiten aan op de architectuur van het pand.

afbeelding binnen de regeling

Verschillende panden, toch samenhangend door baksteen, kap en situering aan de weg

afbeelding binnen de regeling

Verspringende rooilijn is kenmerkend in sommige kleinschalige linten.

afbeelding binnen de regeling

In stedelijke linten is de rooilijn vaak in één lijn

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

3. Mijnwijken

Toen de Staatsmijnen Emma en Hendrik in respectievelijk 1911 en 1915 in Brunssum werden gerealiseerd, was er behoefte aan woningen voor de mijnwerkers. Daarom zijn er tussen 1910 en 1930 diverse mijnkoloniën gebouwd. De kleinere woningen waren bestemd voor de arbeiders en grotere woningen voor beambten en opzichters.

Een vijftal van deze wijken hebben een dermate grote cultuurhistorische waarde dat ze worden beschermd en vallen onder het “Beschermd dorpsgezicht Mijnkoloniën Brunssum”. Dat is niet alleen vanwege destedenbouwkundige structuur, de architectuur en de omvang (het aantal woningen) maar ook omdat de rol die de mijnen hebben gespeeld, en dus ook de mijnkoloniën, van grote invloed geweest op de ontwikkeling van Brunssum en haar inwoners.

De mijnkoloniën zijn opgezet volgens de filosofie van het tuindorp. Een tuindorp of tuinwijk is een term voorstadswijken met een typisch knus en dorps karakter, met een voortuin en achtertuin en veel groen. Het zijn dorpen die zijn ontstaan om huisvesting te bieden aan arbeiders, die prettig en gezond moesten wonen zodat ze op het werk beter zouden presteren. De pleinen zijn destijds ontworpen als ontmoetingsplekken in de wijk. Deze ruimtes en de gemeenschappelijke voorzieningen moesten er voor zorgen dat er een hechte woongemeenschap zou ontstaan.

afbeelding binnen de regeling

Deze kenmerken van een tuindorp zie je ook terug in Brunssum. De mijnkoloniën zijn bijzonder mooi gebouwde wijken met een dorps karakter. Het stratenpatroon is helder en overzichtelijk door de vele rechte of lichtgebogen straten en kleine, soms driehoekige, soms vierkante pleintjes of groengebieden.

De woningen hebben achtertuinen die groot genoeg waren om er groente te verbouwen. Het fraaie, groene beeld van de wijken wordt versterkt door het openbaar groen in de straten en op de pleinen. De aangelegde parken in de nabijheid van de wijken (zoals het Schutterspark en het Vijverpark) spelen daar natuurlijk ook een positieve rol in.

De mijnwijken verschillen ten opzichte van elkaar, qua stedenbouw en architectuur. Binnen een wijk is de stijl echter wel samenhangend.

Treebeek/Haansberg

Treebeek-Haansberg is wat opzet betreft de grootste kolonie van de mijnstreek.

Treebeek is gebouwd tussen 1912 en 1927, parallel aan de Emmamijn. De Haansberg stamt uit de periode 1913-1919.

Treebeek-Haansberg vertoonde met de mijnterreinen, de woningbouw en de sociaal-maatschappelijke voorzieningen het karakter van een afzonderlijke industrienederzetting.

Van oorsprong sloot Treebeek aan op De Haansberg maar de aanleg van de N276 heeft beide wijken ruimtelijk gezien van elkaar geïsoleerd.

De Haansberg en Treebeek liggen beide aan een langgerekte structuur, van oost naar west, tussen de mijnen Emma en Hendrik. De ruggegraat wordt gevormd door de Treebeekstraat en De Haansberg. Deze structuur werd op diverse plekken onderbroken door pleintjes.

De bebouwingsstructuur heeft een kleinschalig karakter en de bebowing ziet er traditioneel uit. Opvallend zijn de straten met veel bomen en de groene voortuinen, wat deze wijken een groen beeld geeft.

Naast de openbare straten aan de voorkant van de woningen, zijn er ook achterpaden die garages in de achtertuinen ontsluiten.

afbeelding binnen de regeling

Haansberg: tuindorp met samenhangende bebouwing en veel groen

afbeelding binnen de regeling

Treebeek: één laag met een kap, eenheid door materialen en kleuren, groene uitstraling door voortuinen en bomen in de straat

afbeelding binnen de regeling

Fraaie houten dakgoot, bijzonder metselwerk

Er is een grote variatie in dakvormen en gevelindelingen, maar door de gebruikte materialen, kleuren en architectuurstijl, ontstaat er toch een samenhangend geheel.

De woningen in De Haansberg zijn voornamelijk van het type twee-onder-een-kap. Ze bestaan veelal uit één bouwlaag met daarboven een fors dak. In Treebeek is een grotere variatie: vaak ook één of anderhalve laag met een grote kap, maar ook woningen van twee lagen met een plat dak komen voor (bijvoorbeeld in de Engerstraat).

De bebouwing in De Haansberg en Treebeek bestaat uit rode baksteen, keramische dakpannen en houten kozijnen en dakgoten. Vaak zijn entrees, dakkapellen, erkers en dakgoten geaccentueerd door bijzonder metselwerk.

Garages en bergingen liggen veelal aan de achterzijde en worden soms via extra ontsluitingsweggetjes ontsloten. De kwaliteit van deze achterkanten is wisselend, de rooilijnen verspringen en de bebouwing is divers.

Voor een deel van Treebeek geldt het beeldkwaliteitplan “Centrum Treebeek”. De welstandsnota is hierop niet van toepassing. Vergunningplichtige bouwplannen in dit deelgebied worden getoetst aan het beeldkwaliteitplan.

afbeelding binnen de regeling

Twee onder één kap in De Haansberg

afbeelding binnen de regeling

Fraaie houten dakgoot, dakopbouw deels van hout en samenhang in dakkapellen

afbeelding binnen de regeling

Bijzonder metselwerk rond de voordeur en boven de ramen

Langeberg

De wijk Langeberg maakt onderdeel uit van een samenhangende ‘industrienederzetting’ rond de mijnterreinen van de Hendrik en de Emma. De bebouwing van de Langeberg sloot nabij Staatsmijn Hendrik aan op de reeds bestaande bebouwing van de periode 1912-1914 aan de Venweg.

De kern van de kolonie wordt gevormd door een driehoek van licht gebogen straten die terrasvormig boven elkaar liggen. Op sommige plaatsen zijn ze met elkaar verbonden door trappen. De centrale toegang tot de wijk is de Langeberglaan, die vanaf de Akerstraat omhoog loopt en uitkomt op een plantsoen. De laan vormde tevens een zichtas met de mijn.

De bebouwing langs de Langeberglaan bestaat uit twee-onder-één-kap-beambtenwoningen, met een grote samenhang. De woningen hebben één laag met een kap. De kap loopt soms steil naar beneden. Het materiaalgebruik versterkt de samenhang, en bestaat voornamelijk uit rode en donkere baksteen, houten kozijnen en rode keramische dakpannen.

De bebouwing rond het Bodemplein en aan de Akerstraat heeft een zelfde uitstraling als de omliggende mijnbebouwing, maar omdat het luxere woningen zijn, van oorsprong bestemd voor het hogere mijnpersoneel, zijn ze statiger en bestaan ze veelal uit twee lagen met een kap. De daken hebben grote overstekken. De woningen zijn gebouwd in rode en donkere baksteen en zijn rijk aan mooie details.

afbeelding binnen de regeling

Verbijzondering van entrees, daken, dakkapellen e.d. is kenmerkend voor Langeberg

afbeelding binnen de regeling

Ingenieurswoningen zijn groter en hoger dan de woningen die van oorsprong voor de arbeiders bedoeld waren

afbeelding binnen de regeling

Twee-onder-één kap- woningen in de Langeberglaan, met een grote kap. Samenhang in architectuur, kleuren en materialen

Het gebied ten noorde van de Wieënweg bestaat voornamelijk uit ruime twee-onder-een-kap woningen, van oorspong bedoeld voor de ingenieurs. De woningen zijn gebouwd naar een ontwerp van de Sittardse architect Jos Wielders, in opdracht van de Staatsmijnen. De woningen vormen een grote samenhang in vormgeving, materiaal- en kleurgebruik.

Ze bestaan uit twee bouwlagen met een grote kap, en forse dakoverstekken. Elke woning heeft een gemetselde schoorsteen in de nok, en een hoge schoorsteen op het dak aan de achterzijde. De woningen bestaan uit rode baksteen, rode keramische dakpannen en geverfde houten kozijnen.

De overige woningen in de Langeberg liggen o.a. aan de Hazenkampstraat, Torenstraat en Reinstraat. Deze meer kleinschalige woningen bestaan uit één laag of twee lagen met een kap. Opvallend zijn sommige entrees, en de gemetselde schoorstenen die op hoeken van bouwblokken zijn gebouwd. Doordat deze woningen in de loop der jaren veelvuldig zijn uitgebreid, met onder andere grote dakkapellen aan de voorzijde en dakopbouwen, is de samenhang in de bebouwing hier minder aanwezig dan in de naastgelegen buurten.

Wel is er sprake van samenhang in materialen en kleuren (rode baksteen, rode pannen) van het hoofdgebouw, de oorspronkelijke woning.

Garages en bergingen in de Langeberg liggen soms aan de achterzijde en worden dan via extra ontsluitingsweggetjes ontsloten. De kwaliteit van deze achterkanten is wisselend.

afbeelding binnen de regeling

Verbijzondering entree in de Wieënweg

afbeelding binnen de regeling

Kleinere woningen hebben minder samenhang door latere aanbouwen die in diverse vormen, kleuren en materialen zijn uitgevoerd

Schuttersveld

Schuttersveld is opgericht tussen 1918 en 1921, met als doel de werknemers van Staatsmijn Hendrik te huisvesten.

Het ontwerp van de wijk is gemaakt door het ontwerpbureau van de Staatsmijnen. De buurt is een voorbeeld van de filosofie van de directie van de Staatsmijnen: de woningen werden vrijwel tegen de mijn aangebouwd, waardoor arbeiders zonder veel kosten- en tijdsverlies de mijn konden bereiken. Bovendien werd gestreefd naar een hoge mate van zelfvoorziening doorhet maken van grote tuinen (te gebruiken als moestuin), eigen winkels, en een groot park voor de ontspanning.

Schuttersveld bestaat uit een aantal licht gebogen staten, die oost- west zijn georiënteerd en die de hoogtelijnen van het landschap volgen.

De straten geven een vriendelijk en groen beeld, door de aanwezigheid van bomen in de openbare ruimte en de groene uitstraling van de voortuinen.

De bebouwing is kleinschalig, overwegend één laag met een kap. De bouwblokken zijn afwisselend, variërend van twee tot zeven woningen per blok.

De verschillende woningtypen liggen verspreid door de hele wijk, op de hoeken van bouwblokken zijn ze soms verbijzonderd in de vorm.

afbeelding binnen de regeling

Tuindorp met kleinschalige bebouwing, verschillende bebouwingstypes

afbeelding binnen de regeling

Groene uitstraling door bomen in de straat en kleine voortuinen

afbeelding binnen de regeling

Ontsluitingsweggetjes aan de achterzijde met garages en bergingen, wisselende uitstraling bebouwing

De gevels zijn grotendeels van baksteen, sommige gevels zijn wit gestuct. De daken hebben rode of antraciete dakpannen.

Garages en bergingen liggen aan de achterzijde en worden via extra ontsluitingsweggetjes ontsloten. De kwaliteit van deze achterkanten is wisselend, de rooilijnen verspringen en de bebouwing is divers.

Door de overeenkomsten in architectuur, kleuren en materialen, en het sterke groene beeld in de straten, heeft de wijk, ondanks de verschillend in woningtypes en aan- en uitbouwen, toch een sterk samenhangend beeld.

afbeelding binnen de regeling

Opvallende kapvorm, fraaie dakkapel

afbeelding binnen de regeling

Bijzonder metselwerk rond de voordeur en boven de ramen

De Egge

De Egge is gerealiseerd in 1920, op basis van een stedenbouwkundig plan van architect Jan Stuyt.

De buurt is gebouwd op een perceel grond dat “Op de Eggen” genoemd werd. Deze locatie sloot niet gelijk aan op Schuttersveld, waardoor De Egge tot in de jaren ‘50 een op zichzelf staand wijkje is gebleven.

De Egge bestaat uit een centraal groen plein, van waaruit rechte straten lopen naar omliggende wijken. Net als de straten zijn de rooilijnen van de bebouwing ook recht en strak. Veelal is de bebouwing aan de beide kanten van de straten hetzelfde van opzet (symmetrie).

Opvallend is het feit dat veel woningen geen voortuin hebben. Daardoor heeft de wijk een meer stedelijk karakter (voor zover je bij deze wijk van “stedelijk” kunt spreken) dan bijvoorbeeld Treebeek of Schuttersveld.

Een ander opvallend punt zijn de gemetselde tuinmuren die grenzen aan de openbare ruimte. Deze muren zijn met zorg vormgegeven, en hebben toegangspoorten met ronde bogen.

De bebouwing in de wijk bestaat uit woningen met één of twee lagen met een kap. De bebouwing is gevarieerd en verbijzonderd op hoeken van straten. Ondanks de variatie is er veel samenhang in architectuurstijl, kleuren en materialen.

afbeelding binnen de regeling

Tuindorp met kleinschalige bebouwing, geen voortuinen

afbeelding binnen de regeling

Tuinmuren grenzend aan de openbare ruimte, fraai metselwerk en ronde poorten

afbeelding binnen de regeling

Symmetrie in het stedenbouwkundige plan (bebouwing aan weerszijden van de straat hetzelfde)

Doordat alle uitbreidingen en wijzigingen sinds 1920 op een zelfde wijze zijn doorgevoerd (de woningen zijn in eigendom van een woningcorporatie), is de samenhang intact gebleven.

De woningen zijn in vormgegeven met aandacht voor detail. Dat is te zien aan de bijzondere metselwerk-accenten bij deuren en kozijnen, bijzondere oplossingen bij hoekwoningen, mooi gemetselde tuinmuren, gemetselde schoorstenen en mooi afgewerkte houten dakgoten.

De woningen hebben een hoge kap en kleine dakoverstekken. Het gebruikte materiaal is rode baksteen, donkere keramische dakpannen en geschilderde houten kozijnen.

Op één plek worden de woningen aan de achterzijde ontsloten. Hier is een parkeerpleintje ontstaan met daaraan garages en bergingen. Door de samenhang in vorm, kleur - en materiaal en door de plaatsing van groen tussen de parkeerplekken heeft dit pleintje een rustige en prettige uitstraling.

afbeelding binnen de regeling

Bijzonder metselwerk bij de voordeuren

afbeelding binnen de regeling

Accenten bij deuren en kozijnen

afbeelding binnen de regeling

Pleintje aan de achterkant netjes vormgegeven

Rozengaard

De kolonie Rozengaard (260 woningen) werd gebouwd op het Huizerveld, ten noorden van de kern Brunssum. De realisering van de Rozengaard kwam tussen 1917 en 1920 in drie fasen tot stand, naar een ontwerp van de architect Jan Stuyt.

Voor de Rozengaard ontwierp Stuyt een rijke variatie aan woningtypen, 37 in totaal. Kenmerkend voor Rozengaard zijn de besloten opzet en de kleine pleintjes en knikkende straten, waarmee Stuyt de intimiteit van een dorp wilde creëren.

Afwisseling van bouwhoogten, nokhoogten en afwisselend gebruik van gepleisterde gevels en gevels van baksteen, moesten voor verlevendiging zorgen in de Rozengaard.

Desondanks is er samenhang in de wijk door de vormgeving van de gevels, de gebruikte materialen en kleuren en de kleinschaligheid van de bebouwing.

De meer gesloten bouwblokken (rijtjes) en het ontbreken van voortuintjes (voordeur onmiddellijk aan de straat) geven Rozengaard een minder uitgesproken tuindorpkarakter dan de kolonieën van Staatsmijnen.

De bebouwing bestaat uit eengezinswoningen van één of twee lagen met een kap. De baksteen is rood, de dakpannen zijn donker gekleurd.

afbeelding binnen de regeling

Verbijzondering van entrees, daken, dakkapellen

afbeelding binnen de regeling

Straten waarbij de woningen aan de weg staan, zonder voortuinen

afbeelding binnen de regeling

Afwisseling van bouwhoogte en nokhoogte

Beleid mijnwijken

Het beleid is gericht op het in stand houden van de stedenbouwkundige en architectonische samenhang en kwaliteit en de bijzondere cultuurhistorische waarde voor Brunssum en heel Nederland.

De achterzijde van de woningen is in deze wijken niet welstandsvrij. Wel zijn er standaardbouwtekeningen aanwezig bij de gemeente voor kleine bouwplannen in deze wijken, voor bijvoorbeeld een dakkapel of een berging. Wanneer de bouwplannen volgens de gemeente voldoen aan de standaardtekeningen en/of de sneltoetscriteria worden ze niet meer door de stadsbouwmeester getoetst. De tekeningen worden gratis ter beschikking gesteld en er worden geen leges voor geheven.

Gewenst beeld

De mijnwijken zijn uniek in Brunssum en in Nederland en zijn daarom beschermddorpsgezicht. Het in stand houden van de huidige stedenbouwkundige en architectonische samenhang is van groot belang. Ook het vast houden aan de evenwichtige en heldere architectuur, de bijzondere details, daklijsten en de dakkapellen is uitgangspunt.

Andere aandachtspunten zijn:

  • uniformiteit nastreven per bouwblok;

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, maatvoering, kleuren en vormgeving;

  • heldere hoofdvorm en kapvorm van de woningen in stand houden;

  • symmetrie en samenhang in gevels en dakvlakken in stand houden;

  • in stand houden bijzondere accenten bij deuren en kozijnen, bijzondere oplossingen bij hoekwoningen, tuinmuren, schoorstenen en dakgoten. Een knipvoeg is niet verplicht;

  • toegevoegde bouwdelen (serre’s, erkers e.d.) worden vormgegeven in de lijn van de architectuur als geheel;

  • indeling gevel (maatverhoudingen) in stand houden;

  • als er sprake is van symmetrie in de gevel of in het straatbeeld, dan moet deze gehandhaafd blijven;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw (geldt niet voor kleinschalige woningen in de Hazenkampstraat/Torenstraat/Reinstraat);

  • zorgvuldig omgaan met dakkapellen, aansluiting zoeken bij de oorspronkelijke vorm (geldt niet voor kleinschalige woningen in de Hazenkampstraat/Torenstraat/ Reinstraat).

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

4. Oostenrijkse woningen

Direct na de Tweede Wereldoorlog werden ten noorden van Treebeek een aantal houten ‘Oostenrijkse’ woningen neergezet. Deze woningen zijn noodwoningen die hun weg naar Nederland vonden in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, op het moment dat Oostenrijk kampte met een groot voedselgebrek. De huizen konden hierdoor gedeeltelijk in natura worden betaald en geruild tegen gedroogde groenten, vis en aardappelen. Een aantal woningen werd door het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting aangekocht en door provinciale instanties verdeeld over de meest getroffen gemeenten.De huizen werden ook via het Rijk te koop aangeboden aan particulieren.

De bouwpakketten werden compleet per treinwagons aangevoerd en door lokale aannemers gemonteerd, die zelf moesten zorgen voor een fundering, riolering, schoorsteen en dakpannen.

Stedenbouw

De wijk met de Oostenrijkse woningen in Brunssum bestaat uit enkele straten. De woningen staan allemaal enigszins gedraaid ten opzichte van de straat en ten opzichte van elkaar. Het beeld wordt bepaald door de kleinschalige bouw (één laag met een hoge kap) in een groene omgeving. Er zijn niet of nauwelijks schuttingen te zien, de erscheidingen bestaan veelal uit hagen wat een prachtig groen en rustig beeld geeft in de straat.

afbeelding binnen de regeling

Architectuur

De noodwoningen staan er nog prima bij, met hun oranje dakpannen, de houten ramen en deuren.

De woningen zijn opgebouwd uit houten delen. Net boven de grond is een klein stukje metselwerk te zien, waarop de houten gevels zijn geplaatst.

In de gevel zijn relatief kleine vensters toegepast. De kozijnen zijn gemaakt van brede stijlen en dorpels.

Het kleurgebruik van de woningen is sober. De houten planken hebben een zwarte of donkerbruine kleur. De kozijnen en dakranden zijn geverfd in een witte kleur. De dakpannen springen er duidelijk uit qua kleur (oranje), waardoor de woningen een hele herkenbare uitstraling hebben.

Beleid

Het uitgangspunt is om deze bijzondere woonwijk te behouden. Dat geldt zowel voor de uitstraling, kleuren en materialen, als voor het groene beeld.

afbeelding binnen de regeling

Houten gevels met donkere kleur, witte dakrand en oranje dakpannen

afbeelding binnen de regeling

Bijpassende bijgebouwen

Gewenst beeld

Het in stand houden van het informele en heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing, is van belang voor de huidige kwaliteit. Daarmee moet rekening worden gehouden bij bouwplannen. Ook het in stand houden van de groene uitstraling is van belang, door middel van de hagen als erfscheiding.

Andere aandachtspunten zijn:

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren en vormgeving;

  • in stand houden oorspronkelijke situering van de woning op de kavel;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • kapvorm en nokrichting in stand houden;

  • samenhang in gevels en dakvlakken in stand houden

  • aan- en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar wel in samenhang daarmee ontworpen;

  • zorgvuldig omgaan met dakkapellen, aansluiting zoeken bij de oorspronkelijke vorm.

afbeelding binnen de regeling

Groene hagen als erfscheiding

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

5. jaren ‘50/’60/’70/’80 wijken

Na de tijdelijke stilstand van de bouw tijdens de Tweede Wereldoorlog komt de uitbreiding van Brunssum in de jaren ’50 en ‘60 weer echt op gang. Er worden plannen gemaakt voor nieuwe woonwijken tussen bestaande uitvalswegen en rond de mijnkoloniën.

De woonwijken uit de jaren ‘50 en ‘60 zijn duidelijk herkenbaar. De periode waarin ze zijn gebouwd is zichtbaar in de architectuur (soberheid) en stedenbouwkundige structuur (eenvoudige opzet) zodat eenvoudig in grotere aantallen gebouwd kon worden.

In tegenstelling tot in de rest van Nederland zijn de verschillen tussen de jaren ‘50 en ‘60 wijken aan de ene kant, en de jaren ‘70 en ‘80 wijken aan de andere kant, in Brunssum minder groot. Dat komt vooral omdat het stedenbouwkundige patroon in Brunssum mede wordtbepaald door de hoogtelijnen van het landschap. Bovendien is het woonerfconcept, zoals elders in Nederland inde jaren ‘70 en ‘80 volop is ontwikkeld, in Brunssum nauwelijks toegepast. Slechts op enkele plekken zie je de zo kenmerkende doodlopende straatjes met groen en parkeren.

Stedenbouw

De woonwijken uit de periode 1950-1990 zijn “planmatig ontwikkelde woonwijken”. Dat blijkt uit het eenvoudige patroon van straten, bebouwing en groen. Er zijn veel rechte straten, maar de stedenbouwkundige structuur volgt ook regelmatig de hoogtelijnen, zodat er ook gebogen en geknikte straten ontstaan. De wijk Op gen Hoes wijkt enigszins af van de andere wijken, omdat de woningen zijn gegroepeerd rondom een hof, soms met de voorzijde naar de openbare ruimte, soms met de achterzijde.

afbeelding binnen de regeling

De wijken hebben door de planmatige opzet een hele duidelijke en overzichtelijke structuur, waardoor er seriematig kan worden gebouwd. Herhaling van dezelfde woning is uitgangspunt, waardoor de wijken ook duidelijk een samenhang hebben in de vormgeving. Het gaat vooral om rijtjeswoningen, maar er staan ook vrijstaande woningen, (portiek)appartementen en twee onder een kap woningen.

Garages en bergingen liggen soms aan de achterzijde en worden dan regelmatig via extra ontsluitingsweggetjes ontsloten. De kwaliteit van deze achterkanten is wisselend, de rooilijnen verspringen en de bebouwing is divers.

Architectuur

De bebouwing bestaat veelal uit rijenwoningen, maar ook uit vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen, portiekwoningen en flats.

De rijtjeswoningen en twee-onder-één-kapwoningen hebben een heldere hoofdvorm (met een kap). Ondanks de sobere architectuur hebben de woningen vaak opvallende toevoegingen zoals een afdakje bij de voordeur, een dakrand die oversteekt of een muurtje bij een terras. De voorgevels zijn daardoor representatief en herkenbaar. Hoekwoningen hebben veelal twee “voorkanten” en dus ook twee representatieve gevels. De zolderverdieping is soms alleen een bergruimte, omdat het dak niet hoog genoeg is om er een volledige verdieping van te maken. De portiekflats sluiten qua uitstraling, kleur- en materiaalgebruik aan op de rijtjeswoningen. De galerijflats wijken daar sterk vanaf, die worden gekenmerkt door het gebruik van beton en glas, en de lange lineaire (horizontale) lijnen die mede de uitstraling bepalen.

Het materiaalgebruik van de woningen in deze wijken is ingetogen maar duurzaam: gebruik van ambachtelijke materialen zoals hout, baksteen en gebakken pannen. In de jaren ’60 worden vaker dakpannen van beton gebruikt en is de dakoverstek kleiner. De gevels zijn van veelal van rood of geel metselwerk.

Beleid

Het beleid is gericht op het in stand houden van de samenhang in de stedenbouwkundige structuur en architectuur en het behouden van de helderheid, de sobere uitstraling en het groen.

afbeelding binnen de regeling

Veel ruimte voor groen in de straat

afbeelding binnen de regeling

Gebruik baksteen, aanwezigheid dakoverstrek

Gewenst beeld

Het in stand houden van het evenwichtige en heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing, is van belang voor de huidige kwaliteit. Bouwplannen dienen aan te sluiten op de bestaande architectuur in de buurt.

Andere aandachtspunten zijn:

  • uniformiteit nastreven per bouwblok;

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren en vormgeving;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • aan- en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar wel in samenhang daarmee ontworpen;

  • representatieve voorgevel, aandacht voor details.

afbeelding binnen de regeling

Verbijzondering entree

afbeelding binnen de regeling

Twee-onder-een-kap woningen sluiten aan bij rijwoningen

afbeelding binnen de regeling

Uitstraling achterkanten laat soms te wensen over (op plekken waar garages en bergingen grenzen aan de openbare ruimte)

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

6. Recente woonbuurten

Als reactie op de seriematige architectuur en stedenbouw vindt eind jaren ’80 een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. De woningnood is achter de rug en er wordt meer marktconform gebouwd.

De structuur van de wijken is rechtlijniger dan in de jaren ’70 en ’80. De bebouwing is echter veel minder samenhangend: verschillende stijlen worden vaak gecombineerd in één wijk.

Stedenbouw

Eind 20e eeuwse en begin 21e eeuwse woongebieden worden gekenmerkt door een heldere stedenbouwkundige opzet. De straten zijn recht of licht gebogen en er is een duidelijke indeling in woonstraten en wijkontsluitingswegen. Door de heldere opzet van de openbare ruimte en de grote variatie in woningtypen, onderscheiden deze gebieden zich van de planmatig woningbouw in de jaren ’50 tot ‘80.

Architectuur

De architectuur varieert van buurt tot buurt. Er ontstaan verschillende wijken met een eigen architectuurstijl, variërend van neo-traditioneel (jaren 30-stijl) tot neo-modern (kubisme, staal, beton, glas). Het platte dak wordt op diverse plekken geïntroduceerd. Op andere plekken komen de gebakken dakpannen terug.

afbeelding binnen de regeling

De laatste jaren zijn ook enkele buurten met vrijstaande woningen gebouwd, waarbij binnen één straat verschillende architectuurvormen voorkomen. Daar is geen samenhang in architectuur: traditionele vormgeving en moderne vormgeving wisselen elkaar af. Gevelmaterialen- en kleuren variëren.

Beleid

Het beleid is erop gericht om de heldere stedenbouwkundige structuur in stand te houden, alsmede de samenhang binnen de verschillende buurten. Op plekken waar sprake is van een specifieke architectuur per kavel, wordt bij bouwplannen aangesloten op de architectuurstijl van het betreffende pand.

afbeelding binnen de regeling

Eigentijdse architectuur

afbeelding binnen de regeling

Buurtje in een bouwstijl:

Gewenst beeld

Het in stand houden van het heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing op buurtniveau, is van belang voor de huidige kwaliteit. Bouwplannen dienen aan te sluiten op de overheersende architectuur in de buurt, mits daarvan sprake is.

Andere aandachtspunten zijn:

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren envormgeving;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw, en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen.

afbeelding binnen de regeling

Moderne achitectuur, samenhangend

afbeelding binnen de regeling

Groene erfscheiding

afbeelding binnen de regeling

Traditionele hoofdvorm, garage ondergeschikt

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

7. Bedrijventerreinen en grootschalige voorzieningen

De meeste bedrijven zijn geclusterd op bedrijventerreinen aan de randen van Brunssum. De structuur en architectuur van deze bedrijventerreinen zijn veelal functioneel van aard.

Stedenbouw

De verschillende bedrijventerreinen worden vrijwel allemaal gekenmerkt door brede ontsluitingswegen, bedrijfshallen en kantoren in verschillende hoogtes en verschijningsvormen. De gebouwen staan meestal op een vaste afstand van de weg. Aan de voorzijde staat een kantoor met daarachter een bedrijfsloods. Het voorterrein wordt gebruikt voor parkeren. Opslag vindt meestal aan de achterzijde plaats.

Architectuur

De bedrijven worden over het algemeen gekenmerkt door een grote verscheidenheid in vormen, kleuren en materialen.

Als er sprake is van een kantoorgedeelte aan de straatzijde is het kantoor vaak van baksteen en heeft het een meer open karakter. De bedrijfshallen zijn meestal van plaatmateriaal.

Bij gebouwen die alleen een kantoorfunctie hebben is meer aandacht besteed aan de vormgeving en het materiaal- en kleurgebruik. Hetzelfde geldt voor de bedrijven die de afgelopen tien jaar zijn gerealiseerd.

afbeelding binnen de regeling

Beleid

Het beleid is erop gericht om de ruimtelijke kwaliteit van bestaande bedrijventerreinen minimaal te handhaven en indien mogelijk te versterken. Dat betekent onder andere extra aandacht voor duurzame materialen en de (groene) inrichting van het voorterrein.

afbeelding binnen de regeling

Kantoor met open gevel

afbeelding binnen de regeling

Loods me openingen in de gevel

afbeelding binnen de regeling

Parkeren zorgvuldig opgelost

Gewenst beeld

Bestaande kwaliteit dient minimaal gehandhaafd te worden. De representatieve, uitnodigende gevel moet naar de weg gericht zijn. Op het moment dat een gebouw op een hoek ligt met aan twee zijden een openbare weg dan heeft dat gebouw twee representatieve gevels. Aandacht wordt gevraagd voor een fraaie inrichting van het voorterrein, door bijvoorbeeld parkeerplaatsen te combineren met groen.

Andere aandachtspunten zijn:

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten van de omgeving wat betreft situering en uitstraling;

  • representatieve voorgevel;

  • kantoorgebouw is meer representatief dan andere gebouwen op het perceel.

afbeelding binnen de regeling

Representatieve uitstraling

afbeelding binnen de regeling

Gesloten gevel aan de straat en opslag in het zicht op voorterrein

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

8. Sport- en recreatie

Dit deelgebied heeft betrekking op parken, begraafplaatsen sportvoorzieningen, recreatiegebieden en uitloopgebieden van Brunssum. Deze voorzieningen komen verspreid voor.

Stedenbouw

Eén van de eerste parken in Brunssum was het Schutterspark. Dit is een 80 hectare groot wandel- en natuurgebied. Het gebied ligt in het dal van de Rode Beek en grenst aan de kolonie Schuttersveld die vroeger voor de Brunssumse mijnwerkers is neergezet. Het gebied wordt door de beek in twee delen gesplitst. In het noorden ligt een bos-, heide- en veengebied dat min of meer in natuurlijke staat is. In het zuiden is het een recreatie- of volkspark. Een deel van het Schutterspark valt onder beschermd dorpsgezicht.

Ook het Vijverpark is al een oud park, eveneens ontstaan in de periode dat de mijnwijken werden gebouwd. Ook het Vijverpark valt onder beschermd dorpsgezicht.

De andere parken in Brunssum zijn vanaf de jaren ‘60 ontwikkeld. Ze zijn destijds meegenomen in de uitbreidingsplannen. Ze vormen groene wiggen, die vaak de verschillende buurten van elkaar scheiden. Er zijn soms gebouwen aanwezig, zoals een school, een bejaardentehuis, een zorgcentrum, een paviljoen of een kiosk.

afbeelding binnen de regeling

Begraafplaatsen zijn van oudsher in de nabijheid van kerkgebouwen gesitueerd. De bebouwing is relatief kleinschalig en bedoeld voor functies zoals een aula of een dienstgebouwtje.

Sportvoorzieningen zijn voornamelijk aan de randen van kernen gelegen. Bijna elke wijk voorziet in de eigen behoefte wat sportvoorzieningen betreft. Bebouwing bestaat voornamelijk uit een kantine, tribunes, kleedkamers en technische ruimtes.

Architectuur

De bebouwing is verschillend, qua vormen, kleuren en materialen. De architectuur is meestal bepaald door functionele eisen, en de architectuurstijl van dat moment.

Beleid

Het beleid is erop gericht om met name bij parken en begraafplaatsen een hoge ruimtelijke kwaliteit na te streven als het gaat om bebouwing, gezien de centrale ligging in de kernen. Voor bebouwing bij sportvoorzieningen is het beleid gericht op het handhaven of versterken van de bestaande kwaliteit, de bebouwing moet representatief zijn voor de functie.

Twee parken hebben een dermate grote cultuurhistorische waarde dat ze worden beschermd en vallen onder het “Beschermd dorpsgezicht Mijnkoloniën Brunssum”. Dat zijn het Vijverpark en het Schutterspark. Dat is niet alleen vanwege de bebouwing die erin staat maar vooral ook vanwege het feit dat de mijn, de mijnwijken en de mijnparken een belangrijke rol hebben gespeeld in de geschiedenis en ontwikkeling van Brunssum en haar inwoners.

afbeelding binnen de regeling

Paviljoen in groene omgeving

afbeelding binnen de regeling

Traditionele vormgeving….

afbeelding binnen de regeling

…. passend in het gebied

Gewenst beeld

Bestaande kwaliteit dient minimaal gehandhaafd te worden en indien mogelijk verbeterd. Bebouwing moet representatief zijn en passend op de plek.

Andere aandachtspunten zijn:

  • rekening houden met bestaande kwaliteiten van de omgeving wat betreft situering, kleuren en vormgeving;

  • het groene karakter van het gebied moet in stand gehouden worden;

  • de voorzijde van het hoofdgebouw is gericht naar de openbare ruimte;

  • de entree is duidelijk herkenbaar in het ontwerp.

  • heldere hoofdvorm en kapvorm in stand houden (Schutterspark);

  • symmetrie en samenhang in gevels en dakvlakken in standhouden (Schutterspark).

afbeelding binnen de regeling

Groene zone voor recreatie

4. Algemene criteria B

Er zijn situaties dat de gebieds- en de specifieke criteria ontoereikend zijn om bouwplannen verantwoord te toetsen.

Dat is het geval als de criteria weliswaar zijn vertaald in een bouwplan maar dat het vakmanschap dat van eenarchitect verwacht mag worden niet terug te vinden is in het bouwwerk. Architectuur is immers meer dan een optelsom van criteria.

Ook kan het voorkomen dat een bouwplan sterk afwijkt van zijn omgeving –en dus strijdig is met de criteria van hetbetreffende deelgebied- maar wél een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Dat kan bijvoorbeeld gelden voor een kerk, een school of een sporthal.

Tenslotte kan het zijn dat een bouwplan weliswaar in bestaand bebouwd gebied voorkomt, maar toch nieuw is (ingeval van inbreiding) en daardoor niet past binnen de gebiedscriteria. In dit soort situaties is het nodig terug te grijpen op de algemene welstandscriteria.

Deze algemene criteria richten zich op het vakmanschap van het architectonisch ontwerp, zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes en zijn de grondslag van elke planbeoordeling. De gebieds- en de specifieke criteria zijn dan ook afgeleid van de algemene welstandscriteria zoals ze in de traditie van het welstandstoezicht toegepast zijn. In deze gevallen kan de stadsbouwmeester aan burgemeester en wethouders adviseren gebruik te maken van de hardheidsclausule en af te wijken van de gebieds- en de specifieke criteria. Het bouwplan moet dan uiteraard wel voldoen aan redelijke eisen van welstand. Naarmate het bouwplan zich sterker onderscheidt van zijn omgeving ligt het niveau van de ‘redelijke eisen van welstand’ ook hoger.

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is.

Een bouwwerk is bedoeld om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm niet los gezien worden van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden om een doelmatige constructie te maken.

Het gaat dus om de evenwichtige samenhang tussen vorm, gebruik en constructie.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedenbouwkundige en landschappelijke) ruimte.

Een stad is meer dan een losse verzameling van gebouwen in de ruimte. De openbare ruimte wordt door de gebouwen begrensd en gevormd. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet alleen in het eigen functioneren, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke en landschappelijke omgeving. Zoals de omgeving een bijdrage hoort te leveren aan de kwaliteit van de gebouwen, moet het gebouw een positieve invloed hebben op de kwaliteit van de omgeving.

Het gaat dus om een evenwichtig samenspel van gebouw en omgeving.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld.

Een belangrijke eis die aan het ontwerp van een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritmiek en herkenbare maatreeksen maken het voor de waarnemer mogelijk een grote hoeveelheid visuele informatie te reduceren tot een bevattelijk beeld.

Daar staat tegenover dat een bouwwerk de waarnemer moet blijven prikkelen en intrigeren. Een te eenduidig beeld leidt al gauw tot verveling en desinteresse. Om dat te voorkomen zijn complexe vormen nodig.

Het gaat dus om een zorgvuldig evenwicht van structuur en complexiteit.

Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

Maatverhoudingen zijn van essentiële betekenis voor de kwaliteit van een ontwerp. Dé juiste verhoudingen zijn niet langs theoretische weg vast te stellen. Vaak blijkt dat verschillende mensen tot een zelfde waardering komen. Uit ervaring blijkt dat bepaalde verhoudingen goed zijn, maar niet waarom.

De kracht van een compositie is groter naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Het bepalen van de juiste verhoudingen is een kwestie van oefenen, bewust kijken, ervaringen uitwisselen en zelf ontwerpen.

Het gaat dus om een samenhangend stelsel van maatverhoudingen.

Kleur en licht

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat kleur en licht het karakter van het bouwwerk ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving duidelijk maken.

Door middel van kleuren en lichtval wordt een bouwwerk uiteindelijk zichtbaar en voelbaar. Als kleuren los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk.

Het gaat dus om een evenwichtige toepassing van kleuren en lichtval.

5. Sneltoetscriteria B

Om de aanvraag voor van veel voorkomende kleinebouwwerken snel af te handelen zijn er sneltoetscriteria.

Kort gezegd zijn dit welstandscriteria voor kleine bouwwerken (de bouwwerken die in dit hoofdstuk worden behandeld), die ambtelijk mogen worden getoetst. Dat gaat veelal sneller dan dat ze ook nog voorgelegd moeten worden aan een stadsbouwmeester, vandaar de naam “sneltoetscriteria”.

Juridisch gesteld maken deze sneltoets criteria het mogelijk om de daarvoor in aanmerking komende bouwaanvragen bij mandaat te laten afdoen door een daartoe door het college van burgemeester en wethouders gemandateerd ambtenaar/ gemandateerde ambtenaren. Indien een bouwaanvraag naar de mening van de ambtenaar/ambtenaren niet voldoet aan de sneltoetscriteria, en de planindiener deze bouwaanvraag toch in behandeling wil laten nemen, dan wordt deze eerst voorgelegd aan de stadsbouwmeester.

Sneltoetscriteria zijn niet van toepassing op Rijksmonumenten.

Er zijn overigens standaardbouwtekeningen aanwezig en opvraagbaar bij de gemeente voor kleine bouwplannen in de mijnwijken, zoals dakkapellen en bergingen.

Wanneer bouwplannen in deze wijken voldoen aan de standaardtekeningen en/of de sneltoetscriteria worden ze niet meer door de stadsbouwmeester getoetst. De tekeningen worden gratis ter beschikking gesteld en er worden geen leges voor geheven.

Op de website www.rijksoverheid.nl staat precies aangegeven voor welk bouwwerken een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Plannen waarvoor geen omgevingsvergunning noodzakelijk is, zijn welstandsvrij.

Bijgebouwen en overkappingen

Een bijgebouw of overkapping is een grond gebonden bouwwerk van één bouwlaag. Een bijgebouw staat meestal los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Voor de rust van het straatbeeld gaat de voorkeur uit naar een bijgebouw of overkapping op het achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.

De gemeente streeft naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dak overstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofdgebouw zullen altijd aan de stadsbouwmeester worden voorgelegd.

De bijgebouwen en overkappingen voldoen mits zij passen binnen de volgende criteria:

  • gebouw ontworpen in aansluiting op eerdere bijgebouwen;

  • minimaal één meter achter de voorgevelrooilijn;

  • ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • gevelindeling en profielen kozijnen aansluitend op gevels hoofdgebouw.

Aan- of uitbouw

Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Voor de rust van het straatbeeld gaat de voorkeur uit naar een aan- of uitbouw op het achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.

Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat.

Binnen gebieden streeft de gemeente naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven. De aan- of uitbouw moet qua uitstraling en volume ondergeschikt blijven aan het oorspronkelijke gebouw.

Bij hoekaanbouwen dienen de gevels van de achter- en zijaanbouw gelijk aan de bestaande gevel te lopen, waardoor een aaneensluitende hoekoplossing ontstaat. Een aan- of uitbouw welke contrasteert met het hoofdgebouw zal altijd aan de Stadsbouwmeester worden voorgelegd.

Een aan- of uitbouw voldoet mits zij past binnen de volgende criteria:

  • minimaal een meter achter de voorgevelrooilijn, met uitzondering van erkers;

  • ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • hoogte niet hoger dan de eerste bouwlaag/vloer eerste verdieping van het hoofdgebouw;

  • gevelindeling en profielen kozijnen aansluitend op gevels hoofdgebouw.

Kozijn- en gevelwijzigingen

Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of (ver)plaatsen van een kozijn, kozijnvulling, luik, gevelpaneel of erker. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoort door incidentele kozijn- of gevel wijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving.

Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om een andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19e eeuw. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en de profilering van het kozijn en het raamhout. Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de stadsbouwmeester worden voorgelegd.

Een kozijn- of gevelwijziging voldoet mits zij past binnen de volgende criteria:

  • oorspronkelijke maatvoering kozijnen en ramen worden behouden;

  • de wijziging in overeenstemming is met de architectuur van de oorspronkelijke gevel;

  • samenhang en ritmiek in de straatwand niet worden verstoord;

  • de gevel van begane grond en verdieping samenhangend blijft;

  • de hoofdindeling overeenkomt met de oorspronkelijke indeling;

  • lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen of rollagen in overeenstemming zijn met andere in de gevel voorkomende detailleringen;

  • de erker in verhouding is en past bij de architectuur van het bestaande pand;

  • de erker zich beperkt tot de eerste verdieping en de bestaande gevel van de woning.

Een knipvoeg is niet verplicht.

Dakkapel

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten.

Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok van dezelfde architectuur/bouwstijl kan rust en samenhang brengen. Een dakkapel die contrasteert met het hoofdgebouw of met de directe omgeving zal altijd aan de stadsbouwmeester worden voorgelegd.

Een dakkapel voldoet mits zij past binnen de volgende criteria:

  • de hoogte van de dakkapel minder is dan de helft van de hoogte van het dak met een maximum van 1,75 meter;

  • de breedte van de dakkapel maximaal een derde of de helft is van de breedte van het dakvlak van de woning voor resp. de voorzijde en de achterzijde, met een maximum van 3,5 meter;

  • indien dakkapel op zijgevel, plaatsing op minimaal een meter van voorgevel;

  • vormgeving in aansluiting op eerder goedgekeurde kapellen voor die woning;

  • gevelindeling en detaillering afgestemd op hoofdgebouw;

  • rondom tenminste een halve meter overblijvend;

  • zijwanden gesloten.

Deze criteria gelden niet voor de dakkapellen aan de voorzijde in de Hazenkampstraat, Torenstraat en Reinsstraat in de Langeberg. Daar geldt het criterium dat uniformiteit wordt nagestreefd per bouwblok.

Erfafscheidingen aan openbaar gebied

Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd.

Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit, langs de openbare ruimte is kwaliteit gewenst. Streven moet zijn een rommelige indruk door een grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen.

Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. In de regel bestaat er voorkeur voor natuurlijke erfafscheidingen in de vorm van bijvoorbeeld een haag. Daarbij kan men denken aan bijvoorbeeld haagbeuken, liguster of buxus. Een volledig te begroeien gazen hekwerk is hiervoor een goed alternatief. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en onveiligheid.

Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling. Een erfscheiding die contrasteert met het hoofdgebouw of met de directe omgeving zal altijd aan de stadsbouwmeester worden voorgelegd.

Een erfafscheiding grenzend aan het openbare gebied voldoet mits zij past binnen de volgende criteria:

  • kwaliteit bieden langs de openbare ruimte;

  • opbouwen uit duurzame materialen (steen, hout of metalen hekwerk);

  • sober en eenvoudig vormgeven;

  • indien de lengte meer dan 6 meter bedraagt: de erfafscheiding mag geen gesloten en/of monotone uitstraling hebben.

Rolhekken, luiken en rolluiken

Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen.

Aan rolluiken voor woningen worden geen eisen gesteld.

Rolhekken, luiken en rolluiken bij detailhandel in het centrum van Brunssum, voldoen mits zij passen binnen de volgende criteria:

  • aan de binnenzijde van de pui mits voor 70% bestaand uit doorkijkopeningen;

  • aan de buitengevel mits voor minimaal 90% bestaand uit doorkijkopeningen waarbij de kast en geleiding in de gevel worden ingepast.

Technische installaties

Onder technische installaties worden bijvoorbeeld units ten behoeve van airconditioning verstaan.

Technische installaties worden indien mogelijk in de bebouwing opgenomen. Indien dat niet mogelijk is moeten ze voldoen aan de volgende criteria:

  • technische installaties worden niet aan gevels geplaatst die naar het openbaar gebied zijn gekeerd;

  • installaties die op platte daken worden geplaatst moeten worden opgenomen in de architectuur van het gebouw.

Ondertekening

Bijlage: Monumentenlijst

Rijksmonumenten

Bovenste Hof

Akkerweg 5

Onderste hof

Groeneweg 10

Vakwerkhuis

Bouwbergstraat 78

Hoeve

Dorpstraat 10

Hoeve

Dorpstaat 12

Hoeve

Merkelbeekerstraat 89

‘t Gasthuis

Grachtstraat 9

Kerkje Merkelbeek

Groeneweg 6

Doopvont

Kerkstraat 129

Orgel

Kerkstraat 129

Grenspalen

Lindeplein 1

Kasteel Genhous

Op gen hoes

Monumenten van jongere bouwkunst (zijn zowel rijks- als provinciale monumenten)

Opzichterswoningen

Akerstraat 2, 4, 6, 8, 10, 5, 7

Ingenieurswoning

Akerstraat 12

Opzichterswoningen

Bodemplein 36, 38, 40, 42

R.K.Kerk en pastorie

Prins Hendriklaan 378-380

Groene Kruisgebouw

Kloosterstraat 17

Woonhuis

Kruisberglaan 29

Raadhuis

Lindeplein 2b

Villa

Lindestraat 136

Mijnbeambtewoningen

Wieënweg 36, 38, 40, 42,

44, 46, 48, 50, 52, 54, 56,

58, 60, 62, 64, 66

Grafmonument,

devotiegrot en kerkmuur

Groeneweg 6

Beamtencasino

Uranusstraat 17

Historisch geografisch monument

De Landgraaf

(heeft nog geen officiële status)

Langeberg/Schutterspark

Beschermende stads en dorpsgezichten

Treebeek, Haansberg, Langeberg, Schuttersveld, Rozengaard, Vijverpark, Schutterspark, oude mijnspoortracé incl. entrée Staatsmijn Hendrik (JFC).

Ruimtelijk kader voor het verduurzamen van bestaande woningen in Brunssum

Aanvulling op het welstandsbeleid

RUIMTELIJK KADER VOOR HET VERDUURZAMEN VAN BESTAANDE WONINGEN IN BRUNSSUM

Inleiding: Een duurzaam karakteristiek Brunssum

De gemeente Brunssum heeft samen met de andere gemeenten in Parkstad de wens om in de toekomst energieneutraal te zijn. Dit betekent dat de energie die we nodig hebben ook zelf wordt opgewekt. Hoe we dit willen doen ligt vast in PALET. Dit regionaal beleid wordt vertaald naar lokale opgaven. Naast onze regionale ambities werken we ook aan de opgaven uit het klimaatakkoord. Hoe we onze buurten energiezuinig en aardgasvrij maken ligt vast in de Transitievisie Warmte.

De gemeente heeft een regierol in de verduurzamingsopgave en vindt het belangrijk om perspectief en handvaten te bieden aan de inwoners van Brunssum. Tegelijkertijd vinden we het van groot belang om het karakteristieke uitstraling van Brunssum te behouden. Dit aanvullende ruimtelijk kader voor woningen is ontwikkeld als aanvulling op de welstandsnota, om deze twee doelen met elkaar te verenigen.

Diverse verduurzamingsmaatregelen bij bestaande woningen zijn vergunningsvrij. Maar maatregelen zoals het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde of het plaatsen van warmtepompen, hebben invloed op het uiterlijk en woonkwaliteit van onze huizen en straten.

Daarom zijn diverse verduurzamingsmaatregelen bij bestaande gebouwen niet toegestaan zonder vergunning. Echter voor deze verduurzamingsmaatregelen ontbrak tot nu toe een specifiek ruimtelijk toetsingskader.

Door het opstellen van concrete welstandsregels voor verduurzamingsmaatregelen kunnen we:

  • inwoners ondersteunen: het biedt duidelijkheid aan inwoners over wat wel en wat niet is toegestaan bij verbouwingen en verduurzaming.

  • de kwaliteit van de leefomgeving borgen: er is evenwicht tussen verduurzaming en behoud van de ruimtelijke kwaliteit.

  • de energietransitie versnellen: door verduurzaming te faciliteren zonder afbreuk te doen aan het karakter van Brunssum.

In dit document is het ruimtelijk toetsingskader voor verduurzamingsmaatregelen beschreven.

afbeelding binnen de regeling

Verschillende soorten bescherming van gebouwen in Brunssum

Brunssum is rijk aan historische architectuur en heeft een karakteristiek straatbeeld. Om deze kwaliteit te beschermen zijn er regels voor het uitvoeren van (ver)bouwwerkzaamheden. Voor beschermde gebieden en monumentale gebouwen gelden extra regels.

Verschillende soorten bescherming

Gebouwen in Brunssum kunnen verdeeld worden in drie categorieën:

  • 1.

    Reguliere gebouwen: Alle gebouwen die niet in categorie 2 en 3 vallen.

  • 2.

    Rijks beschermd stads- en dorpsgezicht: gebouwen gelegen in een gebied met een bijzonder historisch karakter, waar extra regels gelden, zoals de voormalige mijnkoloniën.

  • 3.

    (Rijks)monumenten: Individuele gebouwen of complexen met een grote historische waarde, waar strenge regels gelden.

Deze nota richt zich op woningen in de categorieën 1 en 2.

In deze beleidsregel wordt met een woning ook een woongebouw en een bij een woning behorend

‘bijbehorend bouwwerk’ bedoeld.

Voor (Rijks)monumenten gelden aparte voorwaarden. De beschreven beleidsregels in dit document zijn niet van toepassing op (Rijks)monumenten.

Spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

Inwoners zijn welkom op het spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Zij kunnen een toelichting krijgen op het welstandsbeleid voor hun wijk of deelgebied, en zo te weten komen welke mogelijkheden er voor bouwplannen zijn. Vervolgens kan men aan de slag om de plannen uit te werken.

Leeswijzer

In dit document worden de specifieke regels voor de verduurzaming van woningen gedetailleerd

beschreven. Het document bestaat uit 3 delen:

  • Deel 1, Maatregelen: Per maatregel worden de regels worden door middel van teksten en afbeeldingen uitgelegd.

  • Deel 2, Procedure per deelgebied: Per deelgebied kunnen andere regels van toepassing zijn. In dit deel van het document wordt per deelgebied een overzicht gegeven van de geldende regels en bijhorende procedures voor het uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen.

  • Deel 3, Excessenregeling: Bouwwerken mogen ‘niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’. Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. In dit deel wordt concreet beschreven wanneer er sprake is van een welstandsexces bij het realiseren van verduurzamingsmaatregelen. Waardoor de gemeente, indien nodig, op kan treden.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 3 Voorbeeld reguliere woningen

afbeelding binnen de regeling

Afb. 4 Voorbeeld beschermd stads- en dorpsgezicht

afbeelding binnen de regeling

Afb. 5 Voorbeeld Rijksmonument

Beoordelingsniveaus welstand. Een overzichtelijk systeem.

Niet elke (ver)bouwactiviteit is even zichtbaar in het straatbeeld. Het is daarom niet nodig om bij elke (ver)bouwactiviteit de welstandstoets op dezelfde uitgebreide manier uit te voeren. Daarom hanteert de gemeente Brunssum een overzichtelijk systeem.

Verschillende niveaus van welstandstoetsing

De gemeente hanteert vier niveaus van toetsing, afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de categorie van het gebouw en de ligging van het gebouw:

  • 1.

    Vergunningsvrije activiteiten1

    Mits voldaan wordt aan geldende criteria voor vergunningsvrij bouwen zijn deze activiteiten vrijgesteld van een preventieve welstandstoets. Echter ook vergunningsvrije bouwwerken mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Als dit wel het geval is spreken we over een exces. Voor de verduurzamingsmaatregelen die opgenomen zijn in dit ruimtelijk kader is tevens een excessenregeling uitgewerkt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt wanneer er sprake is van een exces.

  • 2.

    Vergunningsplichtige activiteiten, ambtelijke toets

    Voor onderstaande veel voorkomende activiteiten wordt een ambtelijke welstandstoets uitgevoerd:

    • bijgebouwen en overkappingen;

    • kozijn- en gevelwijzigingen;

    • erfafscheidingen aan openbaar gebied;

    • technische installaties

    • aan- of uitbouw;

    • dakkapellen;

    • rolhekken, luiken en rolluiken;

    • zonnepanelen

  • (zie de Welstandsnota voor de ambtelijke toetscriteria van bovenstaande activiteiten)

    • enkele verduurzamingsmaatregelen, zoals beschreven in dit document. Op pagina 6 is weergegeven voor welke verduurzamingsmaatregelen, in welke situatie een ambtelijke toets wordt gehanteerd. Wordt niet voldaan aan de criteria voor de ambtelijke toets dan volgt de standaardprocedure.

  • 3.

    Vergunningsplichtige activiteiten, standaard procedure:

    Bij de standaard procedure wordt de welstandstoets uitgevoerd door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. De adviescommissie beoordeelt of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand en passen in de omgeving.

  • 4.

    Uitgebreide procedure voor (Rijks)monumenten.

    Voor (Rijks)monumenten gelden aparte, strengere regels, zie de Welstandsnota gemeente Brunssum.

Bij de verduurzamingsmaatregelen beschreven in deel 1 van dit document wordt aangegeven welk beoordelingsniveau (1 t/m 4) van toepassing is en welke voorwaarden daarbij horen.

Overgangsregeling en vaststellen nul-situatie

De invoering van het nieuwe Ruimtelijk kader betekent dat de gemeente voortaan werkt met aangepaste uitgangspunten voor de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Dit heeft directe gevolgen voor de uitvoering van taken door het team vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH). Om te waarborgen dat deze taken uitvoerbaar en handhaafbaar blijven, is een overgangsregeling vastgesteld die duidelijkheid biedt over de bestaande situatie en de wijze van handhaving bij invoering van het nieuwe beleid.

1.Vaststelling van de nul-situatie

Voor het vastleggen van de nul-situatie zijn tussen 14 en 24 november 2025 straatfoto’s gemaakt door de gemeente. Deze beelden vormen de visuele referentie voor de feitelijke situatie op het moment van inwerkingtreding van het Ruimtelijk kader. De peildatum is gekozen omdat het beleid in concept ter inzage heeft gelegen van 4 september tot en met 16 oktober 2025, waardoor betrokkenen tijdig kennis konden nemen van de voorgenomen regels.

Bovendien zijn er geen wezenlijke wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de ingediende zienswijzen.

Aanvullend worden in februari/maart 2026 luchtfoto’s gemaakt om de nul-situatie verder te documenteren. Deze beelden dienen uitsluitend ter ondersteuning bij de beoordeling en handhaving. De datum waarop het Ruimtelijk kader is gepubliceerd, geldt als peildatum voor de toepassing van het Ruimtelijk kader. Alle maatregelen die vóór deze datum een vergunning hebben ontvangen, worden beschouwd als onderdeel van de bestaande (vergunde) situatie.

2.Overgangsregeling en handhaving

Voor maatregelen die zonder vergunning zijn uitgevoerd vóór de peildatum, geldt dat deze niet- vergunde situaties ook na de inwerkingtreding illegaal blijven. Afhankelijk van de omstandigheden kan de gemeente besluiten om:

  • Handhavend op te treden, of

  • Legaliseringsmogelijkheden te verkennen binnen de kaders van de excessenregeling en het nieuwe beleid.

De uitvoering van deze overgangsregeling en de handhavingsaanpak sluiten aan bij de uitgangspunten van het gemeentelijk handhavingsbeleid.

SAMENVATTING REGELS VERDUURZAMINGSMAATREGELEN

Procedure per maatregel, per deelgebied.

Brunssum is verdeeld in verschillende welstandsgebieden. Ieder welstandsgebied heeft zijn eigen karakteristieke kwaliteiten. Om deze kwaliteiten te beschermen gelden voor sommige delen van Brunssum andere eisen en is de procedure van de welstandstoets anders. In onderstaande tabel is voor elk deelgebied, per verduurzamingsmaatregel aangegeven welke procedure van toepassing is.

Voor meer informatie over de maatregelen en bijhorende criteria, zie deel 1 van dit ruimtelijk kader (pagina 7 t/m 30).

Voor meer informatie over de welstandsgebieden en het beleid per deelgebied en de stedenbouwkundige, architectonische en bouwkundige kenmerken, zie deel 2 van dit ruimtelijk kader (pagina 31 t/m 57).

Vergunningsvrij

Welke maatregelen vergunningsvrij zijn wordt bepaald door landelijke regelgeving en het omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van dit document zijn de benoemde maatregelen meestal vergunningsplichtig. Dit kan echter veranderen. Controleer daarom altijd de actuele geldende regelgeving via hetOmgevingsloket.

afbeelding binnen de regeling

2. Vergunningsplichtige activiteit, standaard procedure

afbeelding binnen de regeling

3. Vergunningsplichtige activiteit, ambtelijke toets welstand

X

Individuele aanpak mogelijk

Zie pagina 32 voor een kaart van de verschillende welstandsgebieden

afbeelding binnen de regeling

Deel 1 Maatregelen

Hardheidsclausule

Het opstellen van beleid is altijd een momentopname dat gebaseerd is op gevallen die in de praktijk al eens zijn voorgekomen.

Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij toepassing van het ruimtelijk kader toch niet wenselijk is. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn belangrijke beeldbepalende waarden bij een pand, die verloren kunnen gaan bij toepassing van het ruimtelijk kader, waar in het ruimtelijk kader niet specifiek genoeg rekening mee is gehouden. Ook kan er een toepassing van een verduurzamingsmaatregel ontwikkeld worden die niet past in het beleid, maar waarvan toepassing toch een mooie oplossing kan zijn voor bepaalde situatie.

Het moet daarom dan ook mogelijk zijn om gemotiveerd van het beleid af te kunnen wijken.

De procedure is dan als volgt:

Het betreffende plan wordt voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit / monumentendeskundige en deze beslist gemotiveerd om al dan niet af te wijken van het onderhavige beleid.

Daarnaast geeft het ruimtelijk kader criteria voor de meest voorkomende specifieke, reeds beproefde verduurzamings-maatregelen. Daarbij worden maatregelen die geen invloed hebben op het ruimtelijk beeld buiten beschouwing gelaten. Het is denkbaar dat er in de komende jaren nieuwe technieken ontwikkeld worden waarmee het verduurzamen van bestaande woningen eenvoudiger wordt. Het is onmogelijk het beleid hier 100% op voor te bereiden.

Nieuwe maatregelen dienen in de geest van de genoemde maatregelen beoordeeld te worden door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

HET ISOLEREN VAN EEN BESTAANDE GEVEL - principes

Het isoleren van een bestaande gevel kan op verschillende manieren aangepakt worden. Op hoofdlijnen zijn de volgende methoden te onderscheiden:

  • 1.

    Het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde met een voorzetwand

  • 2.

    Het na-isoleren van de luchtspouw in de gevel

  • 3.

    Het na-isoleren van de gevel aan de buitenzijde met buitengevelisolatie

Voor alle methoden geldt dat er een zorgvuldige uitvoering dient plaats te vinden. Om de isolatielaag effectief te laten zijn dient deze zo veel mogelijk aaneengesloten en doorlopend over de volledige gevel te zijn. Het na-isoleren heeft in alle gevallen invloed op de vochtbalans, brandveiligheid en geluidswering van de gevel. Bij een verkeerde uitvoering kunnen er koudebruggen ontstaan of kan er schade ontstaan, zoals schimmelvorming, doorslaand vocht of houtrot. Advies door een professionele partij is daarom aan te bevelen.

De eerste twee methoden voor het isoleren van een bestaande gevel genieten de voorkeur vanuit het welstandsbeleid. Omdat deze niet zichtbaar zijn in het bestaande straatbeeld en daarmee de ruimtelijke kwaliteit niet beïnvloeden, zijn er geen welstandscriteria voor methode 1 en 2.

Echter, een luchtspouw is niet in alle gevallen aanwezig waardoor methode 2 niet altijd mogelijk is. Daarnaast kan om uiteenlopende redenen het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde in bepaalde situaties niet wenselijk of niet mogelijk zijn. In dat geval kan het na-isoleren van de gevel aan de buitenzijde met buitengevelisolatie overwogen worden.

Vergunningsvrij (landelijke regels):

Buitengevelisolatie aanbrengen is soms vergunningsvrij, namelijk bij reguliere woningen ter plaatse van:

  • een achtergevel enzijgevel vaneen hoofdgebouw, niet gericht naar hetopenbare gebied

  • Voor zovergelegen ineen achtererfgebied: gevels vanbijhorende bouwwerken (bv. garage, aanbouw etc.)

  • Voor zover de draagconstructie van hetgebouw nietgewijzigd wordt.

LET OP: het aanbrengen van buitengevelisolatie is het meest effectief als de totale gevel aangepakt wordt. Als het isoleren van een zijgevel ook zichtbaar is in de voorgevel is het niet vergunningsvrij.

afbeelding binnen de regeling

Afb 7 1. Na-isoleren van een metselwerk wand met een voorzetwand.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 8 2. Na-isoleren van de luchtspouw.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 9 3. Na-isoleren aan de buitenzijde.

Maatregel 1 BUITENGEVELISOLATIE

Beleid:

Bij buitengevelisolatie wordt de buitenmuur van een woning omhuld met een isolatielaag. Deze laag zorgt ervoor dat er minder warmte verloren gaat in de winter en dat het binnenshuis koeler blijft in de zomer. Op de isolatie komt een afwerklaag, die het huis beschermt tegen weersinvloeden. De afwerklaag is bepalend voor de architectonische kwaliteit.

Het beleid is erop gericht om de uitstraling en het karakter van bestaande woningen te behouden. Buitengevelisolatie is mogelijk indien deze op een zorgvuldige manier wordt aangebracht zodat de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit behouden blijft. In de volgende pagina’s zijn de welstandscriteria beschreven waarbinnen buitengevelisolatie in verschillende situaties toegestaan kan worden en de bestaande kwaliteit geborgd wordt.

Het aanbrengen van nieuwe architectonische elementen of materialen om de uitstraling van een woning te verbeteren is in combinatie met buitengevelisolatie denkbaar. Een dergelijke initiatief wordt beoordeeld alsof het een nieuw plan betreft, conform de algemene welstandsregels van het deelgebied.

Welstandscriteria per situatie:

Maatregel 1a

Criteria buitengevelisolatie bij reguliere, vrijstaande of samenhangende woningen middels bloksgewijze aanpak. (ambtelijke toets procedure)

Maatregel 1b blokken,

Criteria buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende versnipperde aanpak. (ambtelijke toets procedure)

Maatregel 1c

Criteria buitengevelisolatie bij beschermd stads- en dorpsgezicht. (standaard procedure)

Draagkracht van de constructie:

LET OP: de constructie van de gevel moet voldoende sterk zijn om de buitengevel-isolatie te kunnen dragen. Laat dit controleren door een professionele partij. Wijzigingen aan de draagconstructie zijn altijd vergunningsplichtig.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 10 Voorbeeld beeldherstel restauratie oude Egge.

Beeldherstel:

Wanneer men de oorspronkelijke uitstraling van de gevel wil herstellen, spreken we van beeldherstel. Dit houdt in dat de oorspronkelijke historisch uitstraling van de gevel hersteld wordt aan de hand van historische documenten en foto's. De indeling van de ramen en deuren, de kleuren en de materialen die vroeger gebruiktwerden zijn daarbij van belang. Door deze details te herstellen, krijgt het huis weer zijn oude charme terug. Een gesprek met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit helpt bij het realiseren van beeldherstel.

Maatregel 1A BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE OF SAMENHANGENDE WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK

Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen:

  • 1.

    De uitbreiding van de gevel mag, bij gevels zichtbaar vanuit het openbaar gebied, maximaal 20 cm. bedragen.

  • 2.

    De afwerklaag van de gevel wordt qua kleur, materiaal, vorm, structuur en details (bijvoorbeeld rollagen, spekbanden, schilderwerk, raamdorpels en overige versieringen) visueel overeenkomstig aan de bestaande gevel uitgevoerd.*

  • 3.

    De gevelgeleding en de positie van gevelopeningen zoals aanwezig in de bestaande gevel, dienen behouden te blijven.

  • 4.

    Balkons en loggia’s blijven gehandhaafd. De profilering van balkonranden en afscheidingen tussen woningen worden niet onevenredig opgedikt als gevolg van buitengevelisolatie. De bestaande verhoudingen in de gevel dienen behouden te blijven.

  • 5.

    De uitbreiding van de gevel mag niet meer cm. bedragen dan de diepte van het overstek van het dak ten opzichte van de bestaande gevel (exclusief dakgoot). Om te komen tot een goede bouwkundige uitvoering, mag de gootpositie in horizontale richting beperkt aangepast worden. Indien tevens dakisolatie aangebracht wordt zijn de regels van maatregel 5 A van toepassing. (Zie afbeelding 11 C12)

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen:

  • I.

    De uitbreiding van de gevel vindt plaats op eigen terrein. Bij uitbreiding van de gevel op, in of boven gemeentegrond is het beleid ‘Afwijken van regels uit het omgevingsplan in het geval van het isoleren van gevels & daken aan de buitenzijde van een gebouw in de gemeente Brunssum.’ van toepassing.

  • II.

    Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten dienen naar buiten geplaatst te worden, zodat de neggemaat overeenkomstig is met de bestaande situatie en bouwfysische problemen voorkomen worden. Zie pagina 15 en 16 voor specifiek uitleg hierover.

Aanbeveling: In het geval dat de initiatiefnemer het oorspronkelijke beeld wil herstellen wordt geadviseerd om een vooroverleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit te voeren.

Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 5 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning, alsof het een nieuwbouw plan betreft. En gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstands- toets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 11 Overzicht positie buitengevelisolatie, ramen en deuren moeten naar buiten geplaatst worden.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 12 De breedte A is de maximale ruimte voor buitengevelisolatie, de uitbreiding mag maximaal 20 cm zijn.

* Met de bestaande gevel wordt bedoeld: De gevelafwerking zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit beleid mits er sprake is van een vergunde situatie. Niet vergunde wijzigingen van de gevel, worden niet gezien als ‘bestaande gevel’. Als het gewenst is om af te wijken van het beeld van de bestaande gevel, dient een reguliere procedure gevolgd te worden.

Maatregel 1A BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE OF SAMENHANGENDE WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK

Toelichting

afbeelding binnen de regeling

Voorbeeld 1: De bestaande gevel is uitgevoerd in een lichtbruin-rood metselwerkDe details zoalsde rollagen boven dekozijnen, raamdorpels en rand om devoordeur dieenkele centimeters naar vorenspringt, dienen in het metselwerk teruggebracht teworden in de nieuwe situatie.

afbeelding binnen de regeling

Voorbeeld 1: Nieuwe situatie: de bovenstaande voorbeelden zijn niet toegestaan bij de oorspronkelijke lichtbruin-rode metselwerk gevel.

De gevel afwerken met stucwerk is niet toegestaan. Ook niet als de kleur lijkt op de kleur van het metselwerk.

De gevel afwerken met een hele andere soort baksteen (bv. afwijkende kleur of een afwijkend formaat) is ook niet toegestaan.

Voorbeeld 2: De woningeigenaren vaneen twee-onder-een kap blokwillen de gevel voorzien van buitengevelisolatie. Dewoning staatin hetdeelgebied centrum. In hetverleden is bij een vande woningen de voor- en zijgevel witgestukadoord. Ze makenvoor debuitengevelisolatie eengezamenlijk planen dienen de aanvraag voor de omgevingsvergunning gezamenlijk in bijde gemeente. Er is dus sprake vaneen bloksgewijze aanpak.

De aanvraag wordtmet eenreguliere vergunningsprocedure behandeld. Waarbij de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit eenadvies geeftover hetontwerp. Alsde woningen dezelfde gevelafwerking hadden gehad, zoals oorspronkelijk aanwezig was. Dan was de vergunningsaanvraag behandeld middels de ambtelijke toetsprocedure.

Maatregel 1B BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE WONINGEN IN SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK.

Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak:

Een woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang.

Alle voorwaarden voor reguliere woningen, maatregel 1A, zijn van toepassing. Daarbij gelden de volgende aanvullende criteria voor een versnipperde aanpak in samenhangende blokken:

  • 1.

    De 1e woning in het blok waar buitengevelisolatie wordt aangebracht, bepaalt de dikte van de uitbreiding voor alle woningen in het samenhangende blok.2

  • 2.

    Indien een woning in het samenhangende blok reeds voorzien is van buitengevelisolatie, dient elke volgende woning daarop aan te sluiten en de nieuwe voorgevelrooilijn over te nemen. Hiervan afwijken (meer of minder) is niet toegestaan.

  • 3.

    Voor een esthetische passende aansluiting dient de zijaansluiting met de naastgelegen woningen demontabel te worden vormgegeven, conform de voorbeelddetails, zodat de naastgelegen woning bij het toepassen van buitengevelisolatie in de toekomst, eenvoudig kan aansluiten op de betreffende woning.

  • 4.

    Een versnipperde aanpak is niet toegestaan bij gestapelde woningen of woningen boven een commerciële plint.

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak:

  • I.

    De uitvoerende partij moet ervoor zorgdragen dat de aansluiting op de naastgelegen woningen brandveilig en bouwfysisch voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. De naastgelegen woningen mogen geen nadeel ondervinden van de te treffen maatregelen.

Als er bij een versnipperde aanpak niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 4 s de criteria van maatregel 1A voldoet het plan niet aan redelijke eisen van welstand. Afwijkingen van criteria dienen bloksgewijs ontworpen en aangevraagd te worden. Het plan wordt dan behandeld met een reguliere omgevingsvergunningprocedure, alsof het een nieuwbouw plan betreft. In dat geval gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota voor het betreffende gebied. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

Definitie versnipperde aanpak in een samenhangend blok:

‘Versnipperde aanpak’ betekent dat er aanpassingen worden gedaan aan één of enkele grondgebonden woningen in een rijtje huizen, rug-aan-rug woningen, of een twee-onder-een-kap woning, terwijl niet het hele rijtje of blok tegelijkertijd wordt aangepakt.

Een versnipperde aanpak is niet toegestaan bij gestapelde woningen of woningen boven een commerciële plint.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 1c Versnipperde aanpak van de gebouwschil.

Aanbeveling: Betrek de buren in het blok bij het maken van de plannen. Voor een goede verhouding tussen buren is afstemming belangrijk.

Maatregel 1B BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE WONINGEN IN SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK.

Toelichting:

afbeelding binnen de regeling

Voorbeeld:

Woning 4 brengt als 1e woning in het blok buitengevelisolatie aan. Het totaalpakket is 18 cm. dik. Woning 2, gaat 1,5 jaar later van start met het verduurzamen van zijn woning. Hier moet een isolatiepakket inclusief afwerklaag aangebracht worden van 18 cm. dik (0-17 cm. is niet toegestaan en 19-20 cm. ook niet).

Op het moment dat woning 3 op een later moment ook gevelisolatie aan gaat brengen moet deze eigenaar ook een pakket van 18 cm. aanbrengen. Bij de uitvoering worden op dat moment de afwerkranden van woning 2 (links) en woning 4 (rechts) verwijderd, zodat het isolatiemateriaal kierdicht aangebracht kan worden en de afwerklaag dan volledig doorloopt. Zie onderstaande details.

afbeelding binnen de regeling

Afb 18 Voorbeeld detail: gevels woning 3 C 4 zijn niet geïsoleerd.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 19 Voorbeeld detail: gevels woning 3 en woning 4. Woning 4 isoleert de gevel, De aansluiting van de gevel op woning 3 is uitgevoerd met steenstrips.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 20 Voorbeeld detail: gevels woning 3 en woning 4. Woning 3 brengt op een later moment hetzelfde pakket buitengevelisolatie met afwerking aan als woning 4.

Maatregel 1C BUITENGEVELISOLATIE BIJ BESCHERMD STADS- EN DORPSGEZICHT

Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij beschermd stads- en dorpsgezicht (standaard procedure):

Een woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang.

  • 1.

    De voorkeur gaat uit naar het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde met een voorzetwand of het na- isoleren van de luchtspouw in de gevel. Als dit niet haalbaar* is kan bij woningen met spouwmuren medewerking verleend worden aan een tussenoplossing: het demonteren van de bestaande gevelafwerking, het aanbrengen van de (aanvullende) isolatielaag en het opnieuw aanbrengen van de originele gevelafwerking.

  • 2.

    Als de aanpakken genoemd onder punt 1 niet haalbaar* zijn kan buitengevelisolatie toegestaan worden mits dit met dezelfde verfijning en oog voor detail gedaan wordt als de oorspronkelijk situatie.

  • 3.

    Buitengevelisolatie is bij een beschermd stads- en dorpsgezicht alleen toegestaan bij een bloksgewijze aanpak. Waarbij de gevel maximaal 20 cm. naar buiten uitgebreid mag worden.

  • 4.

    Bij aanpassingen aan het beschermde stads- en dorpsgezicht is het essentieel dat de oorspronkelijke aanwezige karakteristiek (indeling, systematiek, horizontale/verticale geleding) en verhouding ten opzichte van andere bouwdelen (bijvoorbeeld dakoverstekken, gootdetaillering of verspringende geveldelen) per bouwblok worden terug gebracht in de gevel. Dit kan betekenen dat de gevel en het dak tegelijkertijd aangepakt moeten worden om te kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

  • 5.

    De afwerklaag van de gevel wordt qua kleur, materiaal, structuur, details (bijvoorbeeld rollagen, spekbanden, schilderwerk, raamdorpels en overige versieringen) overeenkomstig aan de originele gevel uitgevoerd (beeldherstel). Dit dient onderbouwd te worden met tekeningen en foto’s (van de bestaande en historische situatie of referentiebeelden).

  • 6.

    De gevelgeleding en positie van gevelopeningen zoals oorspronkelijk aanwezig, dienen behouden te blijven. Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten dienen naar buiten geplaatst te worden, zodat de neggemaat overeenkomstig is met de bestaande situatie en bouwfysische problemen voorkomen worden. Zie pagina 15 en 1c voor specifiek uitleg hierover.

  • 7.

    In geen geval mag origineel bouwmateriaal definitief verwijderd en van de locatie afgevoerd worden.

  • 8.

    Toe te passen materialen voor de gevelafwerking worden bemonsterd en ter goedkeuring voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

Overige criteria

  • I.

    De uitbreiding van de gevel vindt plaats op eigen terrein. Bij uitbreiding van de gevel op, in of boven gemeentegrond is het beleid ‘Afwijken van regels uit het omgevingsplan in het geval van het isoleren van gevels & daken aan de buitenzijde van een gebouw in de gemeente Brunssum.’ van toepassing.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 21 Beschermd stads- en dorpsgezicht

afbeelding binnen de regeling

Afb. 22 Voorbeeld detail: gevel niet geïsoleerd.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 23 Voorbeeld detail: gevel na-isoleren door metselwerk te demonteren en na het plaatsen van de isolatie weer opnieuw op te metselen conform originele situatie.

* De haalbaarheid van de maatregelen dient bepaaldte worden door een integrale afweging o.b.v. Zie pagina 2G-30 voor de toelichting over de manier waarop de haalbaarheidstoets onderbouwd moet worden.

Maatregel 2 HET VERDUURZAMEN VAN GEVELOPENINGEN

Het verduurzamen van bestaande gevelopeningen kan op verschillende manieren aangepakt worden. Onder gevelopeningen worden verstaan: kozijnen, ramen, deuren, poorten.

Beleidsuitgangspunt C gewenst beeld:

Het verduurzamen van gevelopeningen mag geen afbreuk doen aan de bestaande uitstraling C het karakter van de woning. De oorspronkelijke verhoudingen, plasticiteit, indeling, negge en profilering van de kozijnen dienen behouden te blijven in het gevelbeeld.

Welstandscriteria voor het verduurzamen van gevelopeningen (ambtelijke toets procedure):

  • 1.

    De bestaande maatvoering blijft behouden.

  • 2.

    Lateien, onderdorpels, raamlijsten, rollagen blijven behouden of worden conform de oorspronkelijke uitvoering hersteld (beeldherstel).

  • 3.

    Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten mogen vervangen worden mits het materiaal, de maatvoering, indeling, negge, detaillering en profilering in overeenstemming is met de oorspronkelijke situatie.

  • 4.

    In afwijking van bovenstaande mag glas in bestaande kozijnen vervangen worden voor beter isolerend, hoog rendements glas (bijvoorbeeld HR++ of HR+++ glas met een U-waarde kleiner of gelijk aan 1,1 W/m2K). Noodzakelijke aanpassingen (bijv. het vergroten van de sponning) van het kozijn worden dusdanig uitgevoerd dat het bestaande aanzicht van de kozijnen niet aangetast wordt.

  • 5.

    Indien buitengevelisolatie wordt toegepast dient de positie van het kozijn in de muur aangepast te worden, zodat de negge overeenkomstig de oorspronkelijke maatvoering uitgevoerd wordt.

  • 6.

    Bij beschermd stads- en dorpsgezicht dient de kleur van de kozijnen uitgevoerd te worden in RAL 9001. (In uitzonderlijke gevallen kan in overleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit hiervan afgeweken worden.)

Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 6 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning. Waarbij de aanvraag getoetst wordt aan bovenstaand beleidsuitgangspunt en het gewenste beeld en de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 24 Voorbeeld: HR++ glas geplaatst in bestaand historisch kozijn met behoud van de profilering.

Aanbeveling: Het plaatsen van voorzetramen aan de binnenzijde van een bestaand kozijn, raam, deur of poort is vergunningsvrij.

Maatregel 2 HET VERDUURZAMEN VAN GEVELOPENINGEN

Toelichting:

afbeelding binnen de regeling

Afb. 25 Voorbeeld: bestaande positie kozijn in gevel

afbeelding binnen de regeling

Afb. 26 Voorbeeld: Aanbrengen buitengevelisolatie en verplaatsen van het kozijn naar buiten t.b.v. behoud neggemaat

Voordelen van een gecombineerde aanpak

Voor hetbeste resultaat is hetbelangrijk om gevelisolatie en het vernieuwen van kozijnen en ramengelijktijdig uitte voeren. Door deze werkzaamheden te combineren versterken de energiebesparende maatregelen elkaar en kunnen eventuele vochtproblemen voorkomen worden.

Een goede uitvoering is belangrijk voor een optimaal resultaat. Bij een verkeerde uitvoering kan er schade ontstaan. Advies door een professionele partij is daarom belangrijk.

Maatregel 3 HET AANBRENGEN VAN GEVELBEGROEIING

Gevelbegroeiing draagt bij aan het klimaatbestendig maken van de leefomgeving en levert een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast in het bebouwde gebied. Daarnaast helpt het in het binden van fijnstof en stikstof, het terugdringen van geluidshinder, het tegengaan van opwarming van gebouwen en het verhogen van de biodiversiteit.

Het realiseren van een gevelbegroeiing kan op twee verschillende manieren:

  • 1.

    Het aanleggen van een groene gevel

  • 2.

    Het aanleggen van een verticale tuin

Het realiseren van een groene gevel op eigen terrein is vergunningsvrij, hier zijn geen voorwaarden aan gekoppeld.

Het realiseren van een verticale tuin is meestal vergunningsplichtig. Hiervoor geldt de standaard procedure.

Welstandscriteria voor het aanleggen van een verticale tuin:

  • 1.

    De verticale tuin draagt bij aan de levendigheid van de straatwanden, maar mag de samenhang en ritmiek in de straatwand niet onevenredig verstoren.

  • 2.

    De verticale tuin biedt belevingswaarde, esthetische waarde en ecologische waarde langs de openbare ruimte.

  • 3.

    Beeldbepalende details mogen niet verdwijnen als gevolg van de verticale tuin.

Overige criteria voor het aanleggen van een verticale tuin:

  • I.

    De verticale tuin bevindt zich op eigen terrein.

  • II.

    Bij beschermd stads- en dorpsgezicht en bij het deelgebied Oostenrijkse woningen wordt geen medewerking verleend aan een verticale tuin.

Wat is een groene gevel:

Een gevelbegroeiing aan muren van een gebouw. Een groene gevel bestaat uit plantendie omhoog groeientegen een bouwwerk vanuit de volle grond of plantenbakken. Sommige klimplanten hebben een klimhulp nodig, zoals spandraden, gaaswerken of houten rasters. Andere klim- planten hechten zich aan de gevel.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 27 Voorbeeld: groene gevel

Wat is een verticaletuin:

Gevelbegroeiing als geïntegreerd deel van een gebouw. Een verticale tuin bestaat uit verticaal geplaatste modules of panelen waarin beplanting wordt aangebracht. De modules zijn met een ophangsysteem bevestigd aan een bouwwerk, of zijn een zelfdragend onderdeel van de gevel. Hieronder vallen dus geen plantenbakken aan balkons. Een verticale tuin is meestal voorzien van een automatisch werkend water- en voedingssysteem dat de instandhouding van de planten bevordert.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 28 Voorbeeld: verticale tuin

Wat is een geveltuin:

Een minituintje langs de gevel van een huis, aangelegd op gemeentegrond. Je kunt er zelf plantjes in zetten en zo bijdragen aan een groenere buurt. Voor het actuele beleid m.b.t. geveltuintjes raadpleeg de website van de gemeente.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 29 Voorbeeld: geveltuin

HET AANBRENGEN VAN AIRCO- OF WARMTEPOMPINSTALLATIES - toelichting

De landelijke regels voor airco- of warmtepompinstallaties zijn in ontwikkeling. Het is waarschijnlijk dat in de toekomst deze regels aangepast worden. Controleer daarom altijd de geldende regelgeving via het Omgevingsloket.

In alle gevallen (vergunningsvrij én vergunningsplichtig) geldt voor het plaatsen van een airco- of warmtepompinstallatie:

  • De airco- of warmtepompinstallatie moet voldoen aan minimale welstandseisen anders is er sprake van een welstandsexces (zie pagina 1S voor welstandscriteria, pagina c3 voor de excessenregeling).

  • Een airco- of warmtepompinstallatie mag het maximale geluidsniveau van 40 dB op de perceelsgrens (aangrenzend bouwwerkperceel) of ter plaatse van een te openen niet-gemeenschappelijke deur of raam (in geval van hetzelfde bouwwerkperceel) mag niet overschrijden.

Op het moment van inwerkingtreding van dit document is in onderstaande situaties het plaatsen van een airco- of warmtepompinstallatie vanuit de technische en/of ruimtelijke regels vergunningsplichtig. In het geval dat wet en regelgeving wijzigt, is de dan geldende wet- en regelgeving te allen tijde bepalend.

Landelijke regels

Het aanbrengen van een airco- of warmtepompinstallatie is vergunningsplichtig bij:

Reguliere woningen:

  • 1.

    De installatie wordt hoger dan 5 meter geplaatst (gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein) en de draagconstructie waaraan de installatie wordt bevestigd wijzigt.

  • 2.

    De installatie wordt ondergronds geplaatst.

  • 3.

    De installatie wordt geplaatst op de grond en is hoger dan 1 meter, of heeft een oppervlakte groter dan 2 m2.

  • 4.

    De installatie wordt bevestigd aan een gevel en de installatie is breder of hoger dan 50 cm, en/of de afstand van de gevel tot aan voorzijde van het apparaat inclusief de bevestigingsbeugels c.q. het frame is groter dan 50 cm.

Aanvullend voor beschermd stads- en dorpsgezicht:

  • 6.

    De installatie wordt bij beschermd stads- en dorpsgezicht geplaatst in gebied grenzend aan de openbare ruimte.

Aanvullend voor monumenten:

  • 7.

    De installatie wordt geplaatst in, aan of op een monument.

Definitie airco of warmtepomp:

In dit document verstaan we onder een airco of warmtepomp een installatie die warmte of kou produceert. Deze installatie staat gedeeltelijk buiten het gebouw, dus niet volledig binnen in huis.

De airco of warmtepomp kan geplaatst worden op het dak, op de grond of aan de gevel van een huis. Met ‘aan de gevel’ wordt ook bedoeld op een balkon of luifel tegen de gevel van een woning aan.

Welstandsexces

Als men zich niet aan de welstandsregels houdt bij het plaatsen van een airco of warmtepomp, spreken we van een welstandsexces.

Een welstandsexces kan verschillende consequenties hebben, zoals:

  • Verwijderingsverplichting: de gemeente kan de inwoner verplichten om de installaties te verwijderen.

  • Dwangsom: de inwoner moet een dwangsom betalen, zolang het exces niet aangepakt is.

  • Vertraging project: het oplossen van een welstandsexces kost tijden geld.Hierdoor kan het project vertraging oplopen.

  • Problemen bij verkoop: een welstandsexces kan de verkoop van een woning bemoeilijken, omdat potentiële kopers mogelijk afgeschrikt worden.

Maatregel 4 HET AANBRENGEN VAN AIRCO- OF WARMTEPOMPINSTALLATIES

Welstandscriteria voor het aanbrengen van airco’s, warmtepompen of soortgelijke installaties. Als aan onderstaande criteria wordt voldaan kan een airco- of warmtepomp installatie met behulp van een ambtelijke toetsprocedure vergund worden.

  • 1.

    De installatie mag uit oogpunt van welstand niet bevestigd worden aan de voorgevel van een woning of een naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning.

  • 2.

    De installatie mag uitsluitend in het voorerfgebied (op de afbeelding in groen aangegeven) op de grond worden geplaatst indien de installatie wordt voorzien van een omkasting waarvan de kleur en het materiaal is afgestemd op de kleur en materialen van de woning. Als alternatief kan de installatie middels groenblijvende begroeiing uit het zicht van de straat worden onttrokken.

  • 3.

    Een installatie bevestigd aan een niet naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning (zoals de rechter woning op de afbeelding), wordt vanaf de voorgevelrooilijn op minimaal 50% van de diepte van het hoofdgebouw geplaatst. (Bijvoorbeeld: een woning is 10 meter diep, de airco wordt op minimaal 5 meter vanaf de voorgevelrooilijn geplaatst). Het is niet toegestaan meerdere installaties aan 1 gevel te bevestigen.

  • 4.

    Een installatie bevestigd op een plat dak, mag inclusief de bevestiging en eventuele ombouw(kast), maximaal 70 centimeter uitsteken ten opzichte van het dak van de woning. Daarbij is de afstand tot de zijkant van het dak tenminste gelijk aan de hoogte van de installatie en de omkasting.

  • 5.

    Een installatie bevestigd op een hellend dak zijn niet toegestaan. Indien de warmtepomp opgenomen wordt in een bouwkundige ‘schoorsteen-achtige’ voorziening geldt een reguliere procedure.

  • 6.

    Leidingen, kanalen en bijhorende afdekkappen, zichtbaar vanaf het openbare gebied worden onopvallend aangebracht passend bij de kleur, architectuur en geleding van het gebouw.

Overige criteria voor het aanbrengen van airco’s, warmtepompen of soortgelijke installaties

  • I.

    Een installatie mag geen geluidsoverlast veroorzaken. Voorschriften hierover staan in § 4.3.2. van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 30 illustratie positie warmtepompen

HET ISOLEREN VAN EEN BESTAAND DAK - principes

Er zijn drie methoden om een bestaand dak te isoleren:

  • 1.

    Het na-isoleren van het dak aan de binnenzijde

  • 2.

    Het isoleren van de zoldervloer

  • 3.

    Het na-isoleren van het dak aan de buitenzijde

Methode 1 en 2 hebben de voorkeur omdat deze maatregelen niet zichtbaar zijn in het bestaande straatbeeld en daardoor de ruimtelijke kwaliteit niet beïnvloeden. Echter deze methoden zijn niet in alle gevallen mogelijk of wenselijk. In dat geval kan het na-isoleren van het dak aan de buitenzijde overwogen worden.

Voor alle methoden geldt dat er een zorgvuldige uitvoering dient plaats te vinden. Om de isolatielaag effectief te laten zijn dient deze zo veel mogelijk aaneengesloten en doorlopend over het volledige dak te worden aangebracht. Het na-isoleren heeft invloed op de vochtbalans, brandveiligheid en geluidswering van het dak. Bij een verkeerde uitvoering kan er schade ontstaan. Schakel daarom een professioneel bedrijf in.

Uitvoering na-isolatie dak:

Na-isoleren van het dak aan de binnenzijde: Hierbij wordt de isolatie aan de binnenzijde van het dak aangebracht. Tussen de houten balken van het dak wordt isolatiemateriaal aangebracht. De buitenafwerking van het dak blijft gehandhaafd. Optioneel kan er onder de houten balken nog een extra isolatielaag aangebracht worden. Het isolatiemateriaal wordt aan de binnenzijde afgewerkt met een dampdichte folie en een afwerklaag.

Na-isoleren van de zoldervloer: Hetisolatiemateriaal wordt op de vloer of tussen de houten balken aangebracht. Bij woningen waar de zolder niet of nauwelijks toegankelijk is, of zelden gebruikt wordt, is dit een goed alternatief om op een eenvoudige manier de woning beter te isoleren.

Na-isoleren van het dak aan de buitenzijde: Hierbij wordt de isolatie aan debuitenzijde vanhet dak aangebracht. De bestaande dakafwerking wordt verwijderd en er wordtvervolgens een(extra) laag isolatiemateriaal aangebracht. Daarna wordt de dakafwerking opnieuw aangebracht. Door deze (extra) isolatielaag wordt het dak hoger. Dat kan gevolgen hebben voor de goten, schoorstenen, aansluiting met de buren, etc.

Afhankelijk van het materiaal en de onderhoudsstaat van het materiaal, kan de dakbedekking hergebruikt worden (bijvoorbeeld de dakpannen als deze nog goed zijn).

afbeelding binnen de regeling

Afb. 31 1. Na-isoleren aan de binnenzijde

afbeelding binnen de regeling

Afb. 32 2. Na-isoleren van de zoldervloer.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 33 3. Na-isoleren aan de buitenzijde.

Maatregel 5 NA-ISOLATIE VAN HET DAK

Beleid:

Het beleid is erop gericht om de uitstraling en het karakter van bestaande woningen te behouden. Na-isolatie van het dak aan de buitenzijde is mogelijk indien dit op een zorgvuldige manier wordt aangebracht zodat de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit behouden blijft. In de volgende pagina’s zijn de welstandscriteria beschreven waarbinnen na-isolatie van het dak aan de buitenzijde in verschillende situaties toegestaan kan worden en de bestaande kwaliteit geborgd wordt.

Het aanbrengen van nieuwe architectonische elementen of materialen om de uitstraling van een woning te verbeteren is in combinatie met na-isolatie van het dak denkbaar. Een dergelijke initiatief wordt beoordeeld alsof het een nieuw plan betreft, conform de algemene welstandsregels van het deelgebied.

Welstandscriteria per situatie:

Maatregel 5a

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij reguliere, vrijstaande of samenhangende woningen middels bloksgewijze aanpak (ambtelijke toetsprocedure)

Maatregel 5b

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak. (ambtelijke toetsprocedure)

Maatregel 5c

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij beschermd stads- en dorpsgezicht. (standaard procedure)

Draagkracht van de constructie:

LET OP: de constructie van het dak moet voldoende sterk zijn om de dakisolatie te kunnen dragen.Laat dit controleren door een professionele partij. Wijzigingen aan de draagconstructie zijn vergunningsplichtig.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 34 illustratie na-isolatie aan de buitenzijde dak

Maatregel 5A NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE OF SAMENHANGENDE WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK

Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen:

  • 1.

    Ophoging van het dak (hellende C platte daken), inclusief de dakgoot en de nok mag maximaal 25 cm. bedragen, mits het volledige dak aangepakt wordt.

  • 2.

    De dakbedekking, windveren, boeiboorden, goten, hemelwaterafvoeren worden qua kleur, materiaal, vorm, structuur en details (kant- en nokpannen, dakkapellen, etc.) overeenkomstig aan het bestaande dak of overeenkomstig het oorspronkelijke dak (beeldherstel) uitgevoerd. Als hiervan wordt afgeweken dient een reguliere procedure gevolgd te worden met welstandstoets gericht op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

  • 3.

    Om te komen tot een goede bouwkundige uitvoering, mag op een aantal punten afgeweken worden van punt 2: De gootpositie mag afwijken van de bestaande gootpositie, mits de verhouding tussen het overstek van het dak en de gevel niet verandert. Boeiboorden C windveren mogen verhoogd worden om de aansluiting van het dak op de gevel voldoende af te dekken, mits dezelfde materialen toegepast worden als aanwezig in de bestaande situatie. Indien in de bestaande situatie geen boeiboord C windveren aanwezig zijn of bij platte daken dient een oplossing conform een van de voorbeelddetails gerealiseerd te worden.

Aanbeveling: In het geval dat de initiatiefnemer het oorspronkelijke beeld wil herstellen wordt geadviseerd om een vooroverleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit te voeren.

Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 3 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning, alsof het een nieuwbouw plan betreft. En gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

* Met het bestaande dak wordt bedoeld: De dakafwerking zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit beleid mits er sprake is van een vergunde situatie. Niet vergunde wijzigingen van het dak, worden niet gezien als ‘bestaand dak’. Als het gewenst is om af te wijken van de bestaande situatie, dient een reguliere procedure gevolgd te worden.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 35 Na-isoleren aan de buitenzijde bestaande situatie

afbeelding binnen de regeling

Afb. 36 Na-isoleren aan de buitenzijde situatie na uitvoering werkzaamheden

Maatregel 5B NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE WONINGEN IN SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK.

Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen, versnipperde aanpak:

De woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang.

Alle voorwaarden voor reguliere woningen, maatregel 5A, zijn van toepassing. Daarbij gelden de volgende aanvullende criteria voor een versnipperde aanpak in samenhangende blokken:

  • 1.

    De 1e woning in het blok waarvan het dak opgehoogd wordt t.b.v. na-isolatie van het dak aan de buitenzijde, bepaalt de dikte van de ophoging voor alle woningen in het samenhangende blok.3

  • 2.

    Indien een woning in het samenhangende blok al voorzien is van een isolatiepakket, dient elke volgende woning daarop aan te sluiten en de nieuwe daklijn over te nemen. Afwijken hiervan (meer of minder) is niet toegestaan.

  • 3.

    Voor een esthetische passende aansluiting dient de zijaansluiting met naastgelegen woningen dient demontabel te worden vormgegeven, conform een van de voorbeelddetails. Zodat de naastgelegen woning, bij het toepassen van na-isolatie aan de buitenzijde, in de toekomst eenvoudig kan aansluiten op de betreffende woning.

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak:

  • I.

    De uitvoerende partij moet ervoor zorgdragen dat de aansluitingen op de naastgelegen woningen brandveilig en bouwfysische voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. De naastgelegen woningen mogen geen nadeel ondervinden van de te treffen maatregelen.

Als er bij een versnipperde aanpak niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 3 s de criteria van maatregel 5A voldoet het plan niet aan redelijke eisen van welstand. Afwijkingen van criteria dienen bloksgewijs ontworpen en aangevraagd te worden. Het plan wordt dan behandeld met een reguliere omgevingsvergunningprocedure, alsof het een nieuwbouw plan betreft. In dat geval gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota voor het betreffende gebied. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 37 Voorbeeld zoals niet is toegestaan: diverse type dakbedekkingen in een samenhangend blok.

Aanbeveling: Betrek de buren in het blok bij het maken van de plannen. Voor een goede verhouding tussen buren is afstemming belangrijk.

Maatregel 5B NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE WONINGEN IN SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK.

Toelichting:

afbeelding binnen de regeling

Afb. 38

Voorbeeld:

Woning 4 brengt als 1e woning in het blok en na-isolatiepakket op het dak aan. Het totaalpakket is 22 cm. dik. Woning 2, gaat 1,5 jaar later van start met het verduurzamen van zijn woning. Hier moet een isolatiepakket inclusief afwerklaag aangebracht worden van 22 cm. dik. (0-21 cm. is niet toegestaan en 23-25 cm. ook niet).

Op het moment dat woning 3 op een later moment ook dakisolatie gaat aanbrengen moet deze eigenaar ook een pakket van 22 cm. aanbrengen. Bij de uitvoering worden op dat moment de afwerkranden van woning 2 (links) en woning 4 (rechts) verwijderd, zodat het isolatiemateriaal kierdicht aangebracht kan worden en de afwerklaag volledig doorloopt, conform het voorbeelddetail.

afbeelding binnen de regeling

Voorbeeld: aansluiting van een na-geïsoleerd dak op het bestaande dak van de buurman. Voor een goede waterdichtheid moet er een verholen goot aangebracht worden.

Afb. 39

afbeelding binnen de regeling

Afb. 40

Maatregel 5c NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ BESCHERMD STADS- EN DORPSGEZICHT

Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij beschermd stads- en dorpsgezicht:

De woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang.

  • 1.

    De voorkeur gaat uit naar het aanbrengen van na-isolatie aan de binnenzijde van het dak of de zoldervloer. Indien dit niet haalbaar* is kan het ophogen van het dak toegestaan worden. In het geval van dakpannen, moet het oorspronkelijke type dakpan (profilering en materiaal conform beeldherstel) teruggebracht worden.

  • 2.

    Het ophogen van het dak t.b.v. een na-isolatiepakket is alleen toegestaan bij een bloksgewijze aanpak. Waarbij de ophoging van het dak maximaal 25 cm. mag bedragen mits het volledige dak aangepakt wordt.

  • 3.

    Bij aanpassingen aan het beschermde stads- en dorpsgezicht is het essentieel dat de oorspronkelijke aanwezige karakteristiek (indeling, systematiek, horizontale/verticale geleding) en maatverhouding ten opzichte van andere bouwdelen (bijvoorbeeld verspringende geveldelen, erkers, of dakkapellen) per bouwblok worden terug gebracht. Dit kan betekenen dat de gevel en het dak tegelijkertijd aangepakt moeten worden om na-isolatie van het dak mogelijk te maken en om te kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

  • 4.

    De dakbedekking, windveren, boeiboorden, goten, hemelwaterafvoeren worden qua kleur, profilering, materiaal, structuur en details overeenkomstig aan het originele dak (beeldherstel) uitgevoerd. Dit dient onderbouwd te worden met tekeningen en foto’s (van de bestaande en historische situatie of referentiebeelden).

  • 5.

    Schoorstenen en originele dakkapellen dienen behouden te blijven en indien nodig aangepast en verduurzaamd te worden, zodat de beeldkwaliteit behouden blijft.

  • 6.

    Toe te passen materialen voor de dakafwerking worden bemonsterd en ter goedkeuring voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

afbeelding binnen de regeling

Afb 41 C 42 Detail dakvoet

Links: de bestaande situatie.

Rechts: de nieuwe situatie waarin de gevel en het dak geïsoleerd zijn aan de buitenzijde.

* De haalbaarheid van de maatregelen dient bepaald te worden door een integraleafweging o.b.v. Zie pagina 2G-30 voor de toelichting over de manier waarop de haalbaarheidstoets onderbouwd moet worden.

Maatregel 6 AANBRENGEN VAN EEN GROEN DAK

Net zoals gevelbegroeiing draagt een groen dak bij aan het klimaatbestendig maken van de leefomgeving en het levert een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast in het bebouwde gebied. Daarnaast helpt het in het binden van fijnstof en stikstof, het terugdringen van geluidshinder, het tegengaan van opwarming van gebouwen en het verhogen van de biodiversiteit.

Er bestaan 2 typen groen daken:

  • 1.

    extensief dak

  • 2.

    intensief dak

Een intensief groen dak heeft een hoog gewicht waardoor bij toepassing op een bestaand dak, de constructie in de meeste gevallen moeten worden aangepast. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Bij een extensieve dak is er minder snel sprak van een noodzakelijke aanpassing van de dakconstructie.

Het realiseren van een groen dak komt voor in twee verschillende situaties:

  • 1.

    Het aanleggen van een intensief of extensief groen dak op een plat dak.

  • 2.

    Het aanleggen van een extensief groen dak op een hellend dakvlak.

Voor het realiseren van een groen dak op een plat dak gelden geen specifieke welstandscriteria. Wel dient gecontroleerde te worden of het dak voldoende draagkracht heeft om het extra gewicht van het groene dak te dragen. Op het moment dat de draagconstructie aangepast moet worden is dit wel vergunningsplichtig.

Welstandscriteria voor het realiseren van een extensief groen dak op een hellend dakvlak (standaard procedure):

  • 1.

    Het groene dak biedt belevingswaarde, ecologische en esthetische waarde langs de openbare ruimte.

  • 2.

    Het groene dak draagt bij aan de levendigheid van de straatwanden, maar mag de samenhang en ritmiek in de straatwand niet onevenredig verstoren.

  • 3.

    Beeldbepalende details mogen niet verdwijnen als gevolg van een groen dak.

  • 4.

    Bij beschermd stads- en dorpsgezicht en bij het deelgebied Oostenrijkse woningen wordt geen medewerking verleend aan een groen dak op een hellend dakvlak.

Groen dak:

Een dak dat beplant is en bestaat uit vijf verschillende lagen: een wortelwerende laag, een drainagelaag, een filtervlies, een substraatlaag (aarde) en een vegetatielaag (planten).

Extensief groen dak:

Een lichtgewicht groen dak met kleine droogtebestendige planten zoals sedum, vetplanten, kruiden en grassen. De wateropslagcapaciteit is minimaal 25 liter per vierkante meter. Het gewicht van het groen dak is beperkt, 30 tot 120 kg/m². Hierdoor is meestal geen aanpassing van de dakconstructie nodig en dus ook geen omgevingsvergunning nodig.

afbeelding binnen de regeling

Extensief dak

Intensief groen dak:

Deze groen daken zijn vergelijkbaar met tuinen en bieden meer mogelijkheden voor recreatie. De begroeiing is divers, zoals grassen,kruiden, struiken of bomen. Ook zijn andere elementen zoals paden, terrassen en een vijver mogelijk. De minimale wateropslagcapaciteit is 50 liter per vierkante meter. Het groen dak weegt al snel 300 tot 1500 kg/m². Daardoor is er een aangepaste dakconstructie nodig en dus ook een omgevingsvergunning.

afbeelding binnen de regeling

Intensief dak

Afb. 43

Maatregel 7 Nestkasten

Bij het isoleren van woningen gaan in veel gevallen nestplaatsen van vogels, insecten en vleermuizen verloren. Door het plaatsen van nieuwe nestkasten geïntegreerd in de gevel of het dak wordt dit verlies gecompenseerd en de biodiversiteit in de omgeving verder gestimuleerd.

LET OP: Het verwijderen van nest- en broedplaatsen zonder de juiste vergunning is niet toegestaan. Voor meer informatie over welke vergunningen nodig zijn bij het verwijderen of het plaatsen van nest- en broedplaatsen raadpleeg het Omgevingsloket en doe een vergunningencheck

Het plaatsen van nestkasten kan in principe op 2 manieren:

  • 1.

    De nestkasten worden als losmaakbaar element aan een gevel/schutting of dak gehangen. Dit is vergunnigsvrij mits het een losmaakbaar, ondergeschikt (max. 50x50x50 cm.) element is.

  • 2.

    De nestkasten worden bouwkundig in een gevel of dak geïntegreerd.

Afhankelijk van de positie van de nestkasten is het plaatsen van bouwkundig geïntegreerde nestkasten vergunningsvrij of vergunningsplichtig. Het plaatsen is vergunningsvrij als het een ondergeschikt element is en niet in de voorgevel, of bij beschermd stads- en dorpsgezicht ook niet in naar openbaar gebied gerichte zij- en achtergevels geplaatst wordt. Bij Rijksmonumenten is het plaatsen nooit vergunningsvrij. Voor de vergunningsplichtige plaatsing van bouwkundig geïntegreerde nestkasten in een gevel of dak zijn de volgende welstandscriteria opgesteld:

Welstandscriteria voor het realiseren van nestkasten bouwkundig geïntegreerd in een gevel of dak

  • 1.

    De nestkast wordt maximaal 40 cm. onder de dakrand gehangen en wordt ondergeschikt aangebracht passend bij de kleur, materiaal, architectuur en geleding van het gebouw.

  • 2.

    De nestkast mag niet meer dan 5 cm. uitsteken uit het gevel of dakvlak.

  • 3.

    De nestkast mag de samenhang en ritmiek in de straatwand niet onevenredig verstoren.

  • 4.

    Beeldbepalende details mogen niet verdwijnen als gevolg van het plaatsen van nestkasten.

  • 5.

    Bij beschermd stads- en dorpsgezicht en bij het deelgebied Oostenrijkse woningen wordt geen medewerking verleend aan het plaatsen van geïntegreerde nestkasten in de voorgevel en zij- en achtergevels grenzend aan het openbaar gebied.

LET OP: de welstandsregels geven geen garantie op ecologische geschiktheid van de locatie. Raadpleeg hiervoor een professionele ecoloog.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 44 illustratie positie bouwkundig geïntegreerde nestkasten

afbeelding binnen de regeling

Afb. 45 Voorbeelden bouwkundig geïntegreerde nestkasten

Maatregel 8 Zonnepanelen

Het plaatsen van zonnepanelen of zonnecollectoren op daken is in veel gevallen vergunningsvrij. Een en ander is afhankelijk van de positie en uitvoering van de zonnepanelen of zonnecollectoren. Controleer daarom altijd de geldende regelgeving met de vergunningscheck via het Omgevingsloket.

Voor het beschermde stads- en dorpsgezicht in Brunssum is in de meeste gevallen wel een vergunning nodig voor het plaatsenvan zonnepanelen of zonnecollectoren. Om de vergunningsverlening eenvoudig te maken zijn er specifiekesneltoetscriteria opgesteld. Deze criteria zijn vastgelegd in de beleidsregel:

‘Zonnepanelen in beschermde mijnwijken’.

Debeleidsregel is op te vragen bij de gemeente of te raadplegen via:

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR628276/1?titel=zonnepanelen%2Bbrunssum&datumrange=op&indelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum houdenderegels omtrent zonnepanelen in beschermende mijnwijken | Lokale wet-   en regelgevinghttps://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR628276/1?titel=zonnepanelen%2Bbrunssum&datumrange=op&indeling

Bij twijfel over de plaatsing van zonnepanelen of zonne-collectoren kan er een afspraak gemaakt worden voor het spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 46 Voorbeelden toepassing zonnepanelen conform beleid

INTEGRALE TOETSING HAALBAARHEID 1c & 5c BIJ BESCHERMD STADS- & DORPSGEZICHT

Bij beschermd stads- en dorpsgezicht gaat de voorkeur uit naar het aanbrengen van na-isolatie aan de binnenzijde. Indien een aanpak aan de binnenzijde niet haalbaar is kan medewerking verleend worden aan een aanpak vanaf de buitenzijde. De haalbaarheidstoets is van toepassing op maatregelen 1c en 5c.

De haalbaarheid van een aanpak aan de binnenzijde wordt bepaald door een integrale objectieve beoordeling van de volgende beoordelingsaspecten:

  • 1.

    technische (on)mogelijkheden en consequenties,

  • 2.

    kosten,

  • 3.

    gevolgen voor het gebruik van de woningen,

  • 4.

    gevolgen voor de leefbaarheid in de straat/wijk,

  • 5.

    behoud van het beschermde stads- en dorpsgezicht op de lang termijn

Door deze integrale beoordeling wordt duidelijk wat het beste scenario is voor het object.

Door de initiatiefnemer dienen alle aspecten onderbouwd te worden bij een vergunningsaanvraag. Daarbij moet aangetoond worden dat:

  • Het na-isoleren met voorzetwanden of het na-isoleren van de luchtspouw niet het beste scenario is voor het verduurzamen van de gevel van het object;

en/of

  • het isoleren van het dak aan de binnenzijde of het isoleren van de zoldervloer niet het beste scenario is voor het verduurzamen van het dak van het object.

Als dit aangetoond is kan er medewerking verleend kan worden aan een buitenaanpak bij maatregel 1c C 5c.

Beoordelingssystematiek, score systeem

  • Voor elk van de vijf beoordelingsaspecten wordt de haalbaarheid beoordeeld op basis van de bijbehorende sub-criteria.

  • Per beoordelingsaspect wordt een basis score van 20 punten gehanteerd.

    De maximale score is dus 100 (5x20).

  • Niet alle aspecten wegen bij elk object even zwaar, dit is afhankelijk van de situatie van het object. De maximale score per aspect kan daarom per aanvraag aangepast worden. Per beoordelingsaspect kan de maximale score 5 punten verhoogd of verlaagd worden. Dus de score per aspect kan variëren tussen 15 en 25. De totale score kan nooit meer dan 100 zijn.

  • De initiatiefnemer kan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit verzoeken om vóór uitwerking van het plan de score per beoordelingsaspect vast te stellen voor het betreffende object. Zodat men vooraf weet wat de uitgangspunten zijn.

  • Een buitenaanpak, conform maatregelen 1c C 5c kan toegestaan worden als minstens 70 van de 100 punten behaald worden.

Toekenning van score:

Voor elk sub-criterium wordt een score toegekend op basis van onderstaande standaard schaal.

Beoordelingsschaal sub-criteria

Toelichting

Score per sub-criterium

Binnenaanpak is haalbaar

Aanpak binnenzijde is het beste m.b.t. het betreffende sub-criterium . Ofwel de buitenaanpak zorgt voor grote risico’s of onzekerheden.

0% van de maximale score

Geen onderscheid

Er is geen doorslaggevend verschil tussen de aanpak aan de binnenzijde of de buitenzijde m.b.t. het betreffende sub-criterium .

100% van de maximale score

Binnenaanpak is niet haalbaar

Aanpak buitenzijde is het beste m.b.t. het betreffende sub-criterium .

Dat wil zeggen er zijn geen grote onzekerheden of risico’s

100% van de maximale score

Indien sub-criteria onvoldoende onderbouwd zijn, wordt een score van 0% toegekend.

De score van een beoordelingsaspect wordt bepaald door:

De score per subcriterium wordt omgerekend naar een gemiddelde score. De maximale score per beoordelingsaspect wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde score.

Zie de volgende pagina voor een voorbeeld van het score systeem voor alle beoordelingsaspecten en de rekensom voor score per beoordelingsaspect.

INTEGRALE TOETSING HAALBAARHEID 1c & 5c BIJ BESCHERMD STADS- & DORPSGEZICHT

Voorbeeld Beoordelingsaspecten, score systeem

Basisverdeling punten

Voorbeeld project 1

Verdeling punten

Voorbeeld project 2

Verdeling punten

Technische (on)mogelijkheden & consequenties

20

25

15

Kosten

20

15

20

Gevolgen voor het gebruik woning

20

20

20

Gevolgen voor de leefbaarheid

20

15

20

Behoud beschermd object op de lange termijn

20

25

25

Totaal maximale score

100

100

100

Voorbeeld berekening

BeoordelingsaspectX

Score

Maximale punten beoordelingsaspect

20

Aantal subcriteria

4

Score

Subcriteria 1

0% / 100%

0

Subcriteria 2

0% / 100%

0

Subcriteria 3

0% / 100%

0

Subcriteria 4

0% / 100%

0

Enz

Totaalsom score

0

Gemiddelde Score (= totaalsom score / aantal subcriteria)

0

Gescoorde punten voor het betreffende beoordelingsaspect:

0

(=gemiddelde score x maximale punten)

Procedure per deelgebied

Deelgebieden:

  • 1.

    Centrum

  • 2.

    Linten

  • 3.

    Mijnwijken

  • 4.

    Oostenrijkse woningen

  • 5.

    Jaren 50/60/70 en 80 wijken

  • 6.

    Recente woonbuurten

  • 7.

    Bedrijventerrein en grootschalige voorzieningen

  • 8.

    Sport s recreatie

OVERZICHT DEELGEBIEDEN WELSTANDSCRITERIA

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 1 CENTRUM

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 1 CENTRUM

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

centrum

- hoofdvorm:

wonen boven winkels, wooncomplexen, galerijflats

- bouwlagen:

1,5 – 9 laags

- positie:

parallel aan de straat of losstaand

- samenhang:

geen verband, op zichtzelf staand

Dak:

- dakvorm:

zadeldak, platdak

- dak overstek:

beperkt aanwezig, veelal als architectonische expressie bij plat dak.

- kleur / materiaal:

bij zadeldak, betonnen dakpannen

- goottype:

bij zadeldak, brede bakgoot in hout met gootklossen

- dakkapel:

bij zadeldak aanwezig baksteen

- betimmering:

beperkt aanwezig

Gevel:

- kleur / materiaal:

veel baksteen (rood, zandkleurig), stucwerk beperkt aanwezig.

- versiering / rollagen:

gebouwen < ca. jaren 60 metsel- en of betonsierwerk aanwezig

- kozijnen:

wit en/of antraciet, diverse materialen

- overig:

authentiek of moderne bebouwing

Terrein:

- afstand tot de straat:

geen voortuin.

- openbaar groen:

struiken / bomen

- verharding:

asfalt, klinkers

- parkeren:

geasfalteerde parkeerterreinen.

- geveltuinen:

niet aanwezig

afbeelding binnen de regeling

Afb. 49 Straatgezicht Koutenveld.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 50 Straatgezicht Kerkstraat.

DEELGEBIED 1 CENTRUM

Beleid *

Het beleid is erop gericht om het waardevolle, deels historische karakter van het centrum te behouden. Nieuwe ingrepen moeten zorgvuldig worden ingepast. Dat betekent niet dat er per definitie gebouwd wordt in eenzelfde historische architectuur als in de directe omgeving. Eigentijdse architectuur die past in de schaal en karakteristiek van het gebied is ook goed mogelijk. Eigentijdse architectuur die qua maat en schaal aansluit bij centrumbebouwing. Aandacht voor detail in metselwerk en dakgoot.

Gewenst beeld *

Bestaande kwaliteit moet behouden blijven. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig ingepast in de schaal, maat en uitstraling van de (historische) omgeving. Eigentijdse architectuur is goed mogelijk, mits deze met respect voor de maat en schaal van de omgeving wordt gerealiseerd.

Andere aandachtspunten zijn: *

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten van de omgeving als het gaat om situering; vormgeving, kleuren en details;

  • heldere hoofdvorm en kapvorm in stand houden;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • oriëntatie van de gebouwen op de openbare ruimte;

  • vrijstaande en afwisselende gebouwen met ruimtes ertussen of tegen elkaar aan geplaatst (afhankelijk van de plek), individuele uitstraling van panden in stand houden;

  • dakkapellen sluiten aan op de architectuur van het pand.

Typologie van het gebouw:

Onder de categorie ‘Overig’ vallen alle overige gebouwen met woningen in het betreffende welstandsgebied.

* Bron: Welstandsnota gemeente Brunssum

Verduurzamingsbeleid

In onderstaande tabel is per verduurzamingsmaatregel weergegeven welke procedure van toepassing is voor dit welstandsgebied. De criteria voor toepassing van de maatregelen zijn toegelicht in het eerste deel van deze nota.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 2 LINTEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 2 LINTEN

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

linten

- hoofdvorm:

vrijstaande woningen, twee-onder-één- kapwoningen en rijwoningen

- bouwlagen:

2 / 3 laags

- positie:

evenwijdig aan de straat, soms haaks

- samenhang:

divers

Dak:

- dakvorm:

zadeldak, mansardedak, schilddak en platdak

- dak overstek:

aanwezig bij hellende daken

- kleur / materiaal:

beton en keramische pannen in kleur

- goottype:

brede bakgoot en mastgoot in zink, hellende daken

- dakkapel:

bij zadeldak aanwezig baksteen

- schoorsteen:

baksteen, op noklijn

- betimmering:

beperkt aanwezig, boeiboorden.

Gevel:

- kleur / materiaal:

baksteen (rood,zandkleurig)

- versiering / rollagen:

veelal aanwezig bij gebouwen <1960

- kozijnen:

veel wit / antraciet, hout

- overig:

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin, opstapje entree

- openbaar groen:

bomen met bermen en veldjes, middenberm

- verharding:

geasfalteerde wegen met fietspad en verhoogd trottoir, in sommige gevallen met groene middenberm

- parkeren:

aan straat, beperkt eigen oprit

afbeelding binnen de regeling

Afb. 53 Vogelvlucht Prins Hendriklaan.

afbeelding binnen de regeling

Afb. 54 Straatgezicht Maastrichterstraat.

DEELGEBIED 2 LINTEN

Beleid *

Het beleid is erop gericht om het karakter van de lintbebouwing te behouden en waar nodig te versterken. Dat betekent niet dat er gebouwd moet worden in een zelfde architectuur als in de directe omgeving. Sterker nog, eigentijdse architectuur, passend binnen de schaal en het karakter van de lintbebouwing, is goed mogelijk. Dit versterkt het idee dat de leeftijd van de bebouwing is af te lezen aan de architectuur. Het verschil in karakter tussen de stedelijke linten in het centrum en de meer dorpse linten buiten het centrum wordt gekoesterd.

Gewenst beeld *

De levendigheid van de linten en de variatie in bebouwing moet in stand gehouden worden. Dat betekent dat nieuwe panden qua vormgeving en situering niet per definitie aan hoeven te sluiten op de bestaande situatie. Bij vervangende nieuwbouw is de positie en rooilijn van de oorspronkelijke bebouwing uitgangspunt voor de nieuwe situatie.

De stedelijke uitstraling van de linten in het centrum is uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen, hetzelfde geldt voor de meer dorpse uitstraling van de linten buiten het centrum.

Andere aandachtspunten zijn: *

  • oriëntatie van de gebouwen op de weg;

  • per erf of kavel is er één hoofdgebouw;

  • herkenbaarheid individueel pand;

  • vrijstaande en afwisselende gebouwen met ruimtes ertussen of tegen elkaar aan geplaatst (afhankelijk van de plek, buiten het centrum of in het centrum);

  • aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw;

  • dakkapellen sluiten aan op de architectuur van het pand.

Typologie van het gebouw:

Onder de categorie ‘Overig’ vallen alle overige gebouwen met woningen in het betreffende welstandsgebied.

* Bron: Welstandsnota gemeente Brunssum

Verduurzamingsbeleid

In onderstaande tabel is per verduurzamingsmaatregel weergegeven welke procedure van toepassing is voor dit welstandsgebied. De criteria voor toepassing van de maatregelen zijn toegelicht in het eerste deel van deze nota.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 3 MIJNWIJKEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 3 MIJNWIJKEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 3A MIJNWIJKEN TREEBEEK

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Mijnwijken, beschermd dorpsgezicht

- hoofdvorm:

twee-onder-één-kap woningen en rijwoningen met dwarskap

- bouwlagen:

1 laags met kap, 2 laags

- positie:

evenwijdig aan de straat

- samenhang:

eenduidigheid, herhaling / stempelend / spiegelend woningtypes, ritmiek in gevelbeeld

Dak:

- dakvorm:

zadeldak en wolfsdak

- dak overstek:

klein overstek aanwezig

- kleur / materiaal:

rode keramische of betonpannen.

- goottype:

houten bakgoot

- dakkapel:

ter plaatse van rijwoningen aanwezig

- schoorsteen:

baksteen in de noklijn van het gebouw

- betimmering:

boeiboorden, hoofdzakelijk antraciet

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode baksteen in halfsteensverband

- versiering / rollagen:

gevelband, hanenkam en ornamenten ter plaatse van dwarskappen

- kozijnen:

wit, hout

- overig:

rollaag ter plaatse van de plint, gemetselde waterslag

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin, opstapje naar entree

- openbaar groen:

bomen met bermen en veldjes, en beperkt groene middenberm

- verharding:

beklinkerde straat met verhoogd trottoir

- parkeren:

twee-onder-één-kap woningen en hoekwoningen beschikken over een oprit, overig langsparkeren aan de straat

afbeelding binnen de regeling

Afb. 58 Collage mijnwerkerswoningen Treebeek.

DEELGEBIED 3B MIJNWIJKEN LANGEBERG

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Mijnwijken, beschermd dorpsgezicht

- hoofdvorm:

(mix) rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen

- bouwlagen:

1 tot 2 laags met kap

- positie:

evenwijdig aan de straat

- samenhang:

eenduidigheid, ritmiek in gevelbeeld

Dak:

- dakvorm:

(mix) zadeldak en schilddak (schilddak loopt vaak ver door)

- dak overstek:

beperkt aanwezig

- kleur / materiaal:

rode beton- en keramische pannen

- goottype:

houten bakgoot

- dakkapel:

regelmatig aanwezig (fors formaat)

- schoorsteen:

gemetselde schoorsteen op de noklijn met een kenmerkende dubbele schoorsteen aan de zijgevels van de rijwoningen

- betimmering:

wit, bruin en antracieten boeiborden die de hoek omlopen

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode en bruine bakstenen in halfsteensverband

- versiering / rollagen:

forse betonnen lateien en veel bijzonderheden rondom de kozijnen en deuren

- kozijnen:

wit, hout

- overig:

- rollaag ter plaatse van de plint soms met afwijkend metselwerk

- de 1e verdieping wordt vaak met een doorlopende waterslag en kleine vierkanten ramen ingedeeld

Terrein:

- afstand tot de straat:

opstapje naar entree, soms een voortuin

- openbaar groen:

bomen en struiken langs de weg

- verharding:

geasfalteerde straat met verhoogd trottoir

- parkeren:

buitenste rijwoningen en twee-onder-één-kap beschikken over een oprit, overig langsparkeren aan de straat

afbeelding binnen de regeling

Afb. 59 Collage mijnwerkerswoningen Langeberg.

DEELGEBIED 3C MIJNWIJKEN SCHUTTERSVELD

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Mijnwijken, beschermd dorpsgezicht

- hoofdvorm:

(mix) rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen

- bouwlagen:

1,5 / 2,5 laags met kap

- positie:

evenwijdig aan straat

- samenhang:

mix van rijwoningen, twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen.

Dak:

- dakvorm:

(mix) zadeldak en schilddak

- dak overstek:

geen overstek aanwezig

- kleur / materiaal:

antraciet, rode of bruine beton- en keramische pannen

- goottype:

houten bakgoot

- dakkapel:

veelal aanwezig

- schoorsteen:

gemetselde schoorsteen op noklijn.

- betimmering:

antraciet of witte boeiboorden met houten klossen

- overig:

veel dwarskappen met afwisselend ornamenten in de nok

Gevel:

- kleur / materiaal:

bruine en/of rode bakstenen in halfsteensverband (een enkel gestuct groepje woningen)

- versiering / rollagen:

hanenkam en veel bijzonderheden in de dakrand op de kopse kanten, verspringende gevelband ter plaatse van verdiepingsvloer

- kozijnen:

antraciet en wit, hout

- overig:

- rollaag ter plaatse van de plint soms met afwijkend metselwerk

- veel verspringingen in de gevel bij de twee-onder-één- kap woningen

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin, opstapje naar entree

- openbaar groen:

zeer beperkt, bomen en struiken langs de weg met enkele gras veldjes

- verharding:

geasfalteerde of beklinkerde straat met een klein trottoir op gelijke hoogte

- parkeren:

aan de straat parkeren met enkele opritten

afbeelding binnen de regeling

Afb. 60 Collage mijnwerkerswoningen Schuttersveld.

DEELGEBIED 3D MIJNWIJKEN DE EGGE

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Mijnwijken, beschermd dorpsgezicht

- hoofdvorm:

(mix) rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen

- bouwlagen:

1 tot 2 laags met kap

- positie:

evenwijdig aan de straat

- samenhang:

eenduidigheid, ritmiek in gevelbeeld

Dak:

- dakvorm:

(mix) zadeldak en schilddak

- dak overstek:

beperkt aanwezig

- kleur / materiaal:

antraciet en bruine beton- en keramische pannen

- goottype:

zinken mastgoot

- dakkapel:

regelmatig aanwezig

- schoorsteen:

gemetselde schoorsteen op de noklijn

- betimmering:

wit boeibord met klossen ter plaatse van dwarskappen met soms een houten gevelafwerking bij de nok

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode bakstenen in wildverband

- versiering / rollagen:

hanenkam en veel bijzonderheden rondom de kozijnen en deuren sommige rondingen zijn versierd met zwart metselwerk

- kozijnen:

wit, hout

- overig:

- rollaag ter plaatse van de plint soms met afwijkend metselwerk

- groene voordeur

- gestucte versiering ter plaatse van nok

- gemetselde tuinmuren met afdekking van dakpannen en bogen in het metselwerk

Terrein:

- afstand tot de straat:

grenzen aan het trotoir

- openbaar groen:

bomen en struiken langs de weg

- verharding:

beklinkerde straat met een breed, verhoogd trottoir

- parkeren:

aan de straat

afbeelding binnen de regeling

Afb. 61 Collage mijnwerkerswoningen De Egge.

DEELGEBIED 3E MIJNWIJKEN ROZENGAARD

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Mijnwijken, beschermd dorpsgezicht

- hoofdvorm:

(mix) rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen

- bouwlagen:

2 bouwlagen

- positie:

evenwijdig aan de straat

- samenhang:

eenduidigheid, ritmiek in gevelbeeld

Dak:

- dakvorm:

(mix) zadeldak en schilddak (schilddak voornamelijk op de hoekwoningen)

- dak overstek:

beperkt aanwezig

- kleur / materiaal:

bruine beton- en keramische pannen

- goottype:

mastgoot

- dakkapel:

regelmatig aanwezig

- schoorsteen:

veelal een schoorsteenpijp met enkele gemetselde schoorstenen

- betimmering:

wit boeibord met klossen ter plaatse van dwarskappen met soms een houten gevel afwerking bij de nok

- overig:

- rollaag ter plaatse van de plint

- veel voorkomende dwarskap aan de uiteindes van de zadeldaken

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode baksteen (soms met bruin gemengd) in halfsteensverband

- versiering / rollagen:

bijzonderheden ter plaatse van de hoeken en tussen de woningen, soms een ornamentele lijst rondom de voordeur, hanenkam en regelmatig ornamenten ter plaatse van de nok van de dwarskappen

- kozijnen:

wit, hout

- overig:

een rollaag ter plaatse van de plint

Terrein:

- afstand tot de straat:

opstapje naar entree en veelal met voortuin

- openbaar groen:

bomen langs de weg

- verharding:

beklinkerde straat met verhoogd trottoir

- parkeren:

aan de straat

afbeelding binnen de regeling

Afb. 62 Collage mijnwerkerswoningen Rozengaard.

DEELGEBIED 3 MIJNWIJKEN

Beleid *

Het beleid is gericht op het in stand houden van de stedenbouwkundige en architectonische samenhang, kwaliteit en de bijzondere cultuurhistorische waarde voor Brunssum en heel Nederland. De achterzijde van de woningen is in deze wijken niet welstandsvrij. Wel zijn er standaard bouwtekeningen aanwezig bij de gemeente voor kleine bouwplannen in deze wijken, voor bijvoorbeeld een dakkapel of een berging. Wanneer de bouwplannen volgens de gemeente voldoen aan de standaardtekeningen en/of de ambtelijke toetscriteria worden ze niet meer door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit getoetst. De tekeningen worden gratis ter beschikking gesteld.

Gewenst beeld *

De mijnwijken zijn uniek in Brunssum en in Nederland en zijn daarom beschermd dorpsgezicht. Het in stand houden van de huidige stedenbouwkundige en architectonische samenhang is van groot belang. Ook het vasthouden aan de evenwichtige en heldere architectuur, de bijzondere details, daklijsten en de dakkapellen is uitgangspunt.

Andere aandachtspunten zijn *

  • uniformiteit nastreven per bouwblok

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, maatvoering, kleuren en vormgeving;

  • heldere hoofdvorm en kapvorm van de woningen in stand houden;

  • symmetrie en samenhang in gevels en dakvlakken in stand houden;

  • in stand houden bijzondere accenten bij deuren en kozijnen, bijzondere oplossingen bij hoekwoningen, tuinmuren, schoorstenen en dakgoten, een knipvoeg is niet verplicht;

  • toegevoegde bouwdelen (serres, erkers, e.d.) worden vormgegeven in de lijn van de architectuur als geheel;

  • indeling gevel (maatverhoudingen) in stand houden;

  • als er sprake is van symmetrie in de gevel of in het straatbeeld, dan moet deze gehandhaafd blijven;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw (geldt niet voor kleinschalige woningen in de Hazenkampstraat / Torenstraat / Reinstraat);

  • zorgvuldig omgaan met dakkapellen, aansluiting zoeken bij de oorspronkelijke vorm (geldt niet voor kleinschalige woningen in de Hazenkampstraat / Torenstraat /

Verduurzamingsbeleid

In onderstaande tabel is per verduurzamingsmaatregel weergegeven welke procedure van toepassing is voor dit welstandsgebied. De criteria voor toepassing van de maatregelen zijn toegelicht in het eerste deel van deze nota.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 4 OOSTENRIJKSE WONINGEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 4 OOSTENRIJKSE WONINGEN

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Oostenrijkse woningen

- hoofdvorm:

vrijstaand hoofdvolume met vrijstaande berging

- bouwlagen:

1 laags met kap

- positie:

losstaand, verdraaid t.o.v. straat

- samenhang:

sterke eenheid, woningen zijn, op een paar details na, identiek

Dak:

- dakvorm:

zadeldak, met geknikte dakvoet

- dak overstek:

overstek ca. 250 mm.

- kleur / materiaal:

rode keramische pannen

- dakkapel:

authentiek of modern, in het hart met lessenaarsdak

- goottype:

zinken bakgoot

- schoorsteen:

beperkt aanwezig, gemetseld en in het hart van woning geplaatst

- betimmering:

witte boeiboorden

- overig:

kopse gevels, horizontale lat ter plaatse van verdiepingsvloer

Gevel:

- kleur / materiaal:

zwart geschilderde houten latten

- versiering / rollagen:

n.v.t.

- kozijnen:

witte kozijnen

- balkon:

n.v.t.

- overig:

luifel voordeuren, gemiddeld aanwezig

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin met oprit

- openbaar groen:

groene omgeving: groenzones, groene bermen/perkjes, bomenlanen en groene hagen als erfafscheiding

- verharding:

minimaal

- parkeren:

eigen oprit, overige aan de straat

afbeelding binnen de regeling

Afb. 65 Collage Oostenrijkse woningen met details dakkapel en dakrand

DEELGEBIED 4 OOSTENRIJKSE WONINGEN

Beleid *

Het uitgangspunt is om deze bijzondere woonwijk te behouden. Dat geldt zowel voor de uitstraling, kleuren en materialen, als voor het groene beeld.

Gewenst beeld *

Het in stand houden van het informele en heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing, is van belang voor de huidige kwaliteit. Daarmee moet rekening worden gehouden bij bouwplannen. Ook het in stand houden van de groene uitstraling is van belang, door middel van de hagen als erfafscheiding.

Andere aandachtspunten zijn: *

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren en vormgeving;

  • in stand houden oorspronkelijke situering van de woning op de kavel;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • kapvorm en nokrichting in stand houden;

  • samenhang in gevels en dakvlakken in stand houden;

  • aan-/ en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar wel in samenhang daarmee ontworpen;

  • zorgvuldig omgaan met dakkapellen, aansluiting zoeken bij de oorspronkelijke vorm.

* Bron: Welstandsnota gemeente Brunssum

Verduurzamingsbeleid

In onderstaande tabel is per verduurzamingsmaatregel weergegeven welke procedure van toepassing is voor dit welstandsgebied. De criteria voor toepassing van de maatregelen zijn toegelicht in het eerste deel van deze nota.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED5 JAREN ’50/’60/’70/’80 WIJKEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 5 JAREN ’50/’60/’70/’80 WIJKEN

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

jaren ‘50/ ’60/ ‘70/ ‘80 wijken

- hoofdvorm:

vrijstaande woningen, en twee-onder-één-kap woningen en geschakelde woningen

- bouwlagen:

1,5 laags +kap, 2 laags + kap en 3 laags (plat dak)

- positie:

evenwijdig aan de straat

- samenhang:

eenheid in straatbeeld

Dak:

- dakvorm:

zadeldak, plat dak

- dak overstek:

beperkt aanwezig

- kleur / materiaal:

veelal grijze of rode betonnen dakpannen

- dakkapel:

beperkt aanwezig

- goottype:

zinken bakgoot of mastgoot

- schoorsteen:

karakteriek voor het straatbeeld, gemetseld op noklijn, buitenzijde

- betimmering:

antraciet, bruine of witte boeiboorden

- overig:

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode of beige bakstenen

- versiering / rollagen:

aanwezig in jaren ‘50 en ‘60

- kozijnen:

witte kozijnen

- overig:

enkele topgevels / balkons

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin met opstapje naar entree

- openbaar groen:

zeer beperkt

- verharding:

geasfalteerd of beklinkerd met verhoogd trottoir

- parkeren:

eigen oprit of aan de straat

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 5 JAREN ’50/’60/’70/’80 WIJKEN

Beleid *

Het beleid is gericht op het in stand houden van de samenhang in de stedenbouwkundige structuur en architectuur en het behouden van de helderheid, de sobere uitstraling en het groen.

Gewenst beeld *

Het in stand houden van het evenwichtige en heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing, is van belang voor de huidige kwaliteit. Bouwplannen dienen aan te sluiten op de bestaande architectuur in de buurt.

Andere aandachtspunten zijn: *

  • uniformiteit nastreven per bouwblok;

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren en vormgeving;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • aan- en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw, maar wel in samenhang daarmee ontworpen;

  • representatieve voorgevel, aandacht voor details.

Typologie van het gebouw:

Onder de categorie ‘Overig’ vallen alle overige gebouwen met woningen in het betreffende welstandsgebied.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 6 RECENTE WOONBUURTEN

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 6 RECENTE WOONBUURTEN

Beschrijving meest voorkomende typologieën & architectonische verschijningsvormen.

Type:

- deelgebied:

Recente woonbuurten

- hoofdvorm:

vrijstaand en twee-onder-één-kap woningen

- bouwlagen:

1,5 laags met kap, 2 laags met kap

- positie:

haaks en evenwijdig aan straat

- samenhang:

divers, woningtype wordt herhaald per straat, veel gezinswoningen

Dak:

- dakvorm:

divers, veelal platte daken

- dak overstek:

beperkt aanwezig

- kleur / materiaal:

veelal grijze of rode betonnen dakpannen

- dakkapel:

beperkt aanwezig

- goottype:

zinken bakgoot of mastgoot

- schoorsteen:

beperkt aanwezig, veelal schoorsteenpijp

- betimmering:

antraciet, bruine of witte boeiboorden en goot

Gevel:

- kleur / materiaal:

rode en/of beige bakstenen, deels metselwerk met stucwerk

- versiering / rollagen:

rollagen wisselend aanwezig, vaak een plint in een andere kleur metselwerk

- kozijnen:

witte kozijnen

- overig:

verscheidenheid in opbouw gevel

Terrein:

- afstand tot de straat:

voortuin

- openbaar groen:

wisselend per wijk

- verharding:

beklinkerd met verhoogd trottoir

- parkeren:

eigen oprit met garage

afbeelding binnen de regeling

Afb. 74 Collage recente wijken

DEELGEBIED 6 RECENTE WOONBUURTEN

Beleid *

Het beleid is erop gericht om de heldere stedenbouwkundige structuur in stand te houden, alsmede de samenhang binnen de verschillende buurten. Op plekken waar sprake is van een specifieke architectuur per kavel, wordt bij bouwplannen aangesloten op de architectuurstijl van het betreffende pand.

Gewenst beeld *

Het in stand houden van het heldere stedenbouwkundige patroon en de samenhang in de bebouwing op buurtniveau, is van belang voor de huidige kwaliteit. Bouwplannen dienen aan te sluiten op de overheersende architectuur in de buurt, mits daarvan sprake is.

Andere aandachtspunten zijn: *

  • aansluiten op bestaande kwaliteiten, kleuren en vormgeving;

  • heldere hoofdvorm van de woningen in stand houden;

  • aan- en uitbouwen blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw, en worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen.

Typologie van het gebouw:

Onder de categorie ‘Overig’ vallen alle overige gebouwen met woningen in het betreffende welstandsgebied.

* Bron: Welstandsnota gemeente Brunssum

Verduurzamingsbeleid

In onderstaande tabel is per verduurzamingsmaatregel weergegeven welke procedure van toepassing is voor dit welstandsgebied. De criteria voor toepassing van de maatregelen zijn toegelicht in het eerste deel van deze nota.

afbeelding binnen de regeling

DEELGEBIED 7 & 8

Deelgebied 7 & 8 zijn niet opgenomen in deze nota. Hiervoor is geen specifiek beleid ten aanzien van de verduurzaming van particuliere woningen ontwikkeld, omdat deze nagenoeg niet voorkomen in deze welstandsgebieden.

afbeelding binnen de regeling

MINIMALE ISOLATIEWAARDE & AANBEVELINGEN

Een bestaande woning verduurzamen is vaak een ingrijpende klus. Het is belangrijk dat maatregelen die nu genomen worden, ook in de toekomt voldoende zijn. Zodat de woning klaar is voor een aardgasvrije en energieneutrale toekomst. Voor meer informatie over de volgorde waarin maatregelen het beste uitgevoerd kunnen worden in een woning is door de gemeente Brunssum een informatiegids ontwikkeld. Deze is te raadplegen via: www.brunssum.nl/duurzaam

De wettelijke minimale eisen voor het verduurzamen van bestaande gebouwen zijn niet voldoende om op de lange termijn een aardgasvrije comfortabele woning te realiseren. Om inwoners te helpen bij het bepalen van de gewenste isolatiewaarde voor de verschillende bouwdelen is er een overzicht van de minimale isolatiewaarde en de streefwaarden opgesteld. In onderstaande tabel is het overzicht weergegeven.

Streefwaarde Gemiddeld: Deze waarden zijn, als alle onderdelen verduurzaamd worden, voldoende om een aardgasvrije woning met lage temperatuur verwarming te realiseren.

Streefwaarde Goed: Deze waarden zijn, als alle onderdelen verduurzaamd worden, voldoende om een energiezuinige en aardgas vrije woning te realiseren.

Streefwaarde Zeer goed: Als slechts enkele delen van de woning verduurzaamd kunnen worden is het verstandig om deze extra goed te isoleren, conform de genoemde streefwaarden. Als alle onderdelen op dit niveau gebracht worden dan is er sprake van een zeer energiezuinige woning.

Wettelijk minimum (vereist bij verbouw*)

Streefwaarde Gemiddeld

StreefwaardeGoed (dit komt overeen met nieuwbouwniveau*)

Streefwaarde Zeer goed (voor energieneutrale woningen of als er slechts 1 maatregel wordt getroffen)

Gevel

Rc> 1,4 m2K/W

Rd> 3,5 m2K/W

Rd> 4,7 m2K/W

Rd> 6 m2K/W

Dak

Rc> 2,1 m2K/W

Rd> 3,8 m2K/W

Rd> 6,3 m2K/W

Rd> 8 m2K/W

Vloer

Rc> 2,6 m2K/W

Rd> 3,5 m2K/W

Rd> 3,7 m2K/W

Rd> 3,7 m2K/W

Kozijnen (ramen en

deuren i.c.m. glas)

U< 2,2 W/m2K

U< 1,65 W/m2K

U< 1,65 W/m2K

U< 1,0 W/m2K

Alleen glas

U< 2,2 W/m2K

U< 1,1 W/m2K

U< 1,1 W/m2K

U< 0,6 W/m2K

Let op! Als de aanvrager meer dan 25% van de gebouwschil (gevel, dak en kozijnen vernieuwt dan gelden de wettelijke eisen voor nieuwbouwwoningen*. Onderstaand overzicht met de wettelijke minimale isolatiewaarden is dan niet van toepassing.

* Op basis van landelijke regels (o.b.v. bbl : besluit bouwwerken leefomgeving) van toepassing zijnde bij inwerkingtreding van dit document. Het wettelijk minimum is de ondergrens. Er kan ook sprake zijn van een rechtens verkregen niveau. Aanpassingen aan een bestaande gebouw mogen niet resulteren in een slechter niveau dan het van toepassing zijnde rechtens verkregen niveau. In het geval dat wet- en regelgeving wijzigt, is de dan geldende wet- en regelgeving te allen tijde bepalend.

Een goede voorbereiding is het halve werk.

Om maximaal profijt te hebben van het verduurzamen van een woning is het verstandig dat de bewoners uit Brunssum zich goed laten informeren.

De WoonWijzerWinkel Limburg geeft informatie en advies over duurzame maatregelen die bij de woning passen. www.woonwijzerwinkel.nl/limburg

Voor vragen over bouwplannen en uitleg van de welstandscriteria kan men een afspraak maken voor het spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. De adviescommissie geeft uitleg over wat er vanuit welstand wel en niet mag in een wijk of straat. Met de kennis die in dit gesprek opgedaan wordt, kan men samen met een architect, adviseur of aannemer aan de slag om de plannen uit te werken.

Wat betekenen de waardes in de tabel?

De rijksoverheid hanteert de U-waarde en de Rc-waarde om aan te geven hoe goed de isolatie van een bouwdeel moet zijn. De U-waarde wordt gebruikt voor ramen, deuren en glas. Daarbij geldt hoe lager, hoe beter het is. De Rc- waarde, geeft aan hoe goed de isolatie van een muur, gevel of dak is. Daarbijgeldt hoe hoger, hoe beter de isolatie is.

Waarom is de streefwaarde dan benoemd als Rd-waarde? 

De Rc-waarde is de warmteweerstand van meerdere constructielagen gecombineerd. Deze waarde is afhankelijk van de situatie waarin isolatiemateriaal toegepast wordt en moet per situatie berekend worden. Als je isolatiemateriaal koopt is de isolatiewaarde met de Rd- waarde aangegeven op de verpakking. De streefwaarden zijn dus omgerekend naar een Rd-waarde zodat burgers weten welk isolatiemateriaal voldoet. Bij de Rd-waarde geldt net zoals bij de Rc-waarde hoe hoger, hoe beter!

Deel 3 Excessenregeling

EXCESSENREGELING VERDUURZAMING - BELEIDSKADER

Het welstandskader biedt meer ruimte voor de verduurzaming, maar tegelijkertijd moet ook de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente voldoende beschermd worden. Het is daarom van belang om concreet te definiëren wanneer er sprake is van een welstandsexces bij het realiseren van verduurzamingsmaatregelen. Waardoor de gemeente, indien nodig, op kan treden. In deze beleidsnota worden de criteria voor een exces bij het realiseren van verduurzamingsmaatregelen vastgelegd.

Bouwwerken mogen ‘niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’.

Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. Dus buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen duidelijk zijn. Eventuele welstandsexcessen kan de gemeente via het zogeheten repressief welstandstoezicht aanpakken. Repressief welstandstoezicht wil zeggen dat de gemeente kan handhaven en zo aan de ongewenste situatie een einde kan maken.

Een welstandsexces bij het uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen is een verandering aan een gebouw dat tot gevolg heeft dat:

  • 1.

    De bestaande architectuur van het gebouw geheel of gedeeltelijk verloren gaat en/of;

  • 2.

    de architectonische samenhang tussen gebouwen die in architectonische zin samenhang hebben geheel of gedeeltelijk verloren gaat en/of;

  • 3.

    het karakteristieke straatbeeld geheel of gedeeltelijk verloren gaat.

Er is eerder sprake van een exces:

  • 1.

    Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap;

  • 2.

    Als het gebouw onderdeel uitmaakt van het deelgebied ‘Centrum’, ‘Linten’, ‘Mijnwijken’ of ‘Oostenrijkse woningen’ of indien het gebouw een (Rijks)monument is;

  • 3.

    Naarmate er meer van de beschreven criteria op pagina’s 60 t/m 64 van toepassing zijn.

Om inzicht te geven wanneer er sprake is van een welstandsexces zijn in onderstaande tabel de welstandseisen geduid met een rapportcijfer.

Overzicht niveaus welstand (vertaald naar een rapportcijfers 1-10)

Cijfer

Omschrijving

Situatie

0 - 4

Ernstig strijdig met welstandseisen

Exces, zichtbaar voor niet deskundigen

5

Strijdig met welstandseisen

Zichtbaar voor deskundigen

6 - 7

Redelijke eisen van welstand

Niveau reguliere welstandstoets

8

Hoge welstandseisen

Niveau bij beschermd stads- en dorpsgezicht

9 - 10

Extra hoge welstandseisen

Niveau bij (Rijks)monumenten en zeer beeldbepalende objecten

EXCESSENREGELING - BUITENGEVELISOLATIE

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als Buitengevelisolatie aangebracht is waarbij:

  • De samenhang met aangrenzende bouwwerken aangetast is doordat de uitbreiding van de gevel meer dan 20 cm. bedraagt.

  • Bij beschermd stads – en dorpsgezicht de buitengevelisolatie niet bij alle woningen in een samenhangende blok op dezelfde manier en met dezelfde materialen is uitgevoerd.

  • De samenhang met aangrenzende bouwwerken is aangetast omdat de afwerklaag van het gevelisolatiepakket qua kleur, materiaal, vorm, structuur en zichtbare details afwijkt van de vergunde situatie én een contrast vormt met de aangrenzende bouwwerken.

  • Door het opdikken van de gevel de oorspronkelijke verhoudingen en plasticiteit van het gevelbeeld in ernstige mate aangetast zijn. Er is sprake van ernstige mate als er een afwijking van meer dan 20% is.

  • Door toepassing van armoedig materiaalgebruik een contrast is ontstaan met de materialen van de aangrenzende bouwwerken.

  • Er (armoedige) materialen gebruikt zijn die in feite niet zijn bedoeld om als bouwmateriaal te fungeren.

  • Architectonische bijzonderheden en/of beeldbepalende architectonische details (zoals bijvoorbeeld rollagen, spekbanden, schilderwerk, raamdorpels, lateien, raamlijsten, afwisseling in metselwerk verbanden etc.) niet teruggebracht zijn in het gevelbeeld of afwijken van de vergunde situatie na het aanbrengen van buitengevelisolatie.

  • Door toepassing van met de omgeving contrasterende kleuren en/of versieringen van de gevel, de samenhang in het straatbeeld wordt verstoord.

EXCESSENREGELING - GEVELOPENINGEN

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als gevelopeningen verduurzaamd zijn waarbij:

  • Door het vervangen of aanpassen van gevelopeningen de oorspronkelijke verhoudingen en plasticiteit van het gevelbeeld in ernstige mate aangetast zijn. Er is sprake van ernstige mate als er een afwijking van meer dan 20% is.

  • Bij beschermd stads – en dorpsgezicht de maatvoering, indeling, negge en profilering van het kozijn aan de buitenzijde niet in overeenstemming is met de oorspronkelijke situatie.

  • Bij een beschermd stads- en dorpsgezicht de kleur van de kozijnen een contrast vormt met de oorspronkelijke situatie.

  • Door toepassing van armoedig materiaalgebruik een groot contrast is ontstaan met de materialen van de aangrenzende bouwwerken.

EXCESSENREGELING – GEVELBEGROEIING & GROEN DAK

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als gevelbegroeiing aangelegd is waarbij:

  • Door toepassing van een verticale tuin de samenhang en ritmiek in het straatbeeld in ernstige mate wordt verstoord.

  • Het onderhoud van de gevelbegroeiing in relatie tot de omgeving, duidelijk zichtbaar wordt verwaarloosd.

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als een groen dak aangelegd is waarbij:

  • Door toepassing van een groen dak de samenhang en ritmiek in het straatbeeld in ernstige mate wordt verstoord.

  • Het onderhoud van het groen dak in relatie tot de omgeving, duidelijk zichtbaar wordt verwaarloosd.

EXCESSENREGELING – AIRCO- EN WARMTEPOMPINSTALLATIE

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als een airco- of warmtepompinstallatie aangebracht is, waarbij:

  • De installatie bevestigd is aan de voorgevel van een woning of een naar een openbaar

  • toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning.

  • De installatie in het voorerfgebied op de grond is geplaatst en niet uit het zicht van de straat onttrokken is middels een passende omkasting of groenblijvende begroeiing. Een passende omkasting is qua de kleur en het materiaal afgestemd op de kleur en materialen van de woning en de omgeving.

  • De installaties bevestigd is aan een niet naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning en daarbij op minder dan 5m. van de voorgevelrooilijn geplaatst is of er zijn meerdere installaties aan 1 gevel bevestigd.

  • De installatie bevestigd is op een plat dak, en meer dan 70 centimeter uitsteekt ten opzichte van het dak van de woning (inclusief omkasting). En/of de afstand tussen de installatie en de zijkant van het dak kleiner is dan de hoogte van de installatie inclusief de omkasting.

  • De installatie bevestigd is op een hellend dakvlak en meer dan 50 centimeter uitsteekt ten opzicht van het dak van de woning (verticaal gemeten) dit is inclusief de bevestiging en eventuele ombouw(kast). Met uitzondering van een installatie opgenomen in een bouwkundige schoorsteen-achtige voorziening.

  • Leidingen, kanalen en bijhorende afdekkappen van de installatie zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied en qua kleur en positie het gevelbeeld ernstig verstoren.

  • De detaillering van de gevels en de samenhang met omliggende bouwwerken wordt verstoord door airco- of warmtepompinstallaties.

EXCESSENREGELING – DAKISOLATIE

Er is sprake van ernstige mate van strijd met welstandseisen als dakisolatie aangebracht is waarbij:

  • De samenhang met aangrenzende bouwwerken aangetast is doordat de uitbreiding van het dak meer dan 25 cm. bedraagt.

  • Bij beschermd stads – en dorpsgezicht de uitbreiding van het dak niet bij alle woningen in een samenhangende blok op dezelfde manier en met dezelfde materialen is uitgevoerd.

  • De samenhang met aangrenzende bouwwerken is aangetast omdat de dakafwerking qua kleur, materiaal, vorm, structuur en zichtbare details (dakbedekking, windveren, boeiboorden, goten, of hemelwaterafvoeren, kant- en nokpannen, dakkapellen, etc.) afwijkt van de vergunde situatie én een contrast vormt met de aangrenzende bouwwerken.

  • Door het opdikken van het dak de oorspronkelijke verhoudingen en de samenhang met aangrenzende bouwwerken in ernstige mate aangetast zijn. Er is sprake van ernstige mate als er een afwijking van meer dan 20% is.

  • Door toepassing van armoedig materiaalgebruik een contrast is ontstaan met de materialen van de aangrenzende bouwwerken.

  • Er (armoedige) materialen gebruikt zijn die in feite niet zijn bedoeld om als bouwmateriaal te fungeren.

  • Architectonische bijzonderheden en/of beeldbepalende architectonische details niet teruggebracht zijn in het gevelbeeld na het aanbrengen van dakisolatie (beeldherstel) en afwijken van de vergunde situatie.

  • Door toepassing van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en/of versieringen van het dak, de samenhang in het straatbeeld wordt verstoord.

BRONVERMELDING

Afbeelding 01:

voorblad, gemeente brunssum, 2024

Afbeelding 02:

Pag.2

illustratie SatijnPlus Architecten, november 2024

Afbeelding 03:

Pag.3

straatbeeld rijtjeswoningen, Google maps, september 2022

Afbeelding 04:

Pag.3

foto beeldbank gemeente Brunssum

Afbeelding 05:

Pag.3

Brunssum-Uranusstraat 17, Wikipedia, 19 april 2011

Afbeelding 06:

Pag.4, 5

luchtfoto Brunssum centrum, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 07:

Pag.8

pictogram na isoleren voorzetwand, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 08:

Pag.8

pictogram na isoleren spuitisolatie, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 09:

Pag.8

pictogram na isoleren buitenzijde, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 10:

Pag.9

foto beeldbank gemeente Brunssum

Afbeelding 11:

Pag.10

illustratie buitengevelisolatie, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 12:

Pag.10

illustratie ruimte voor buitengevelisolatie, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 13:

Pag.11

illustratie aangeven gevel details, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 14:

Pag.11

illustratie gestucte gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 15:

Pag.11

illustratie donker metselwerk, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 16:

Pag.12

pictogram Versnipperde aanpak van de gebouwschil, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 17:

Pag.13

illustratie Versnipperde aanpak van de gebouwschil, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 18:

Pag.13

illustratie detail ongeïsoleerde gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 19:

Pag.13

illustratie detail half na-geïsoleerde gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 20:

Pag.13

illustratie detail volledig nageïsoleerde gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 21:

Pag.14

straatbeeld Poststraat 3, Google maps, September 2022

Afbeelding 22:

Pag.14

illustratie detail ongeïsoleerde gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 23:

Pag.14

illustratie detail nageïsoleerde gevel, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 24:

Pag.15

foto Hr++ glas in historisch kozijn, SatijnPlusArchitecten, 2023

Afbeelding 25:

Pag.16

illustratie detail ongeisoleerd kozijn, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 26:

Pag.16

illustratie detail geïsoleerd kozijn, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 27:

Pag.17

foto groene gevel, www.groenegevels.be, november 2024

Afbeelding 28:

Pag.17

foto verticale tuin, www.sempergreenwall.com, november 2024

Afbeelding 29:

Pag.17

foto geveltuin, www.nmtzuid.nl, november 2024

Afbeelding 30:

Pag.19

pictogram airco-warmtepomp installaties, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 31:

Pag.20

pictogram na-isoleren aan de binnenzijde, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 32:

Pag.20

pictogram na-isoleren van de zoldervloer, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 33:

Pag.20

pictogram na-isoleren aan de buitenzijde, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 34:

Pag.21

Illustratie na-isoleren aan de buitenzijde, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 35:

Pag.22

pictogram hellend dak ongeisoleerd, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 36:

Pag.22

pictogram na-isoleren aan de buitenzijde, SatijnPlusArchitecten, november 2024

Afbeelding 37:

Pag.23

luchtfoto Brunssum Treebeek, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 38:

Pag.24

illustratie dak verduurzamen, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 39:

Pag.24

illustratie detail versnipperde aanpak dak, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 40:

Pag.24

illustratie detail volledig geïsoleerd dak, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 41:

Pag.25

illustratie detail ongeisoleerde dakvoet, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 42:

Pag.25

illustratie detail geisoleerde dakvoet – ongeisoleerd en nageisoleerd, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 43:

Pag.26

afbeelding type groene daken o.b.v. www.dakart.be, November 2024

Afbeelding 44:

Pag.27

illustratie positie bouwkundig geïntegreerde nestkasten, SatijnPlusArchitecten, Juli 2025

Afbeelding 45:

Pag.27

voorbeelden bouwkundig geïntegreerde nestkasten , www.unitura.nl, Juli 2025

Afbeelding 46:

Pag.28

Voorbeelden zonnepanelen geplaatst conform beleid, Emile Verhijden fotografie, juli 2018

Afbeelding 47:

Pag.32

kaart Brunssum deelgebieden, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 48:

Pag.33

kaart Brunssum deelgebied 1 centrum, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 49:

Pag.34

luchtfoto Brunssum centrum, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 50:

Pag.35

straatbeeld Pastoor Savelbergstraat, Google maps, juli 2024

Afbeelding 51:

Pag.35

tabel deelgebied 1 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 52:

Pag.36

kaart Brunssum deelgebied 2 linten, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 53:

Pag.37

luchtfoto Brunssum linten, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 54:

Pag.37

straatbeeld Maastrichterstraat, Google maps, 2024

Afbeelding 55:

Pag.38

tabel deelgebied 2 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 56:

Pag.39

kaart Brunssum deelgebied 3 Mijnwijken, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 57:

Pag.40

kaart Brunssum deelgebied 3 Mijnwijken verdeling, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 58:

Pag.41

collage mijnwijk Treebeek, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 59:

Pag.42

collage mijnwijk Langeberg, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 60:

Pag.43

collage mijnwijk Schuttersveld, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 61:

Pag.44

collage mijnwijk De Egge, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 62:

Pag.45

collage mijnwijk Rozegaard, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 63:

Pag.46

tabel deelgebied 3 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 64:

Pag.47

kaart Brunssum deelgebied 4 Oosterijksewonignen, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 65:

Pag.48

collage Oosterijksewoningen, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 66:

Pag.49

tabel deelgebied 4 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 67:

Pag.50

kaart Brunssum deelgebied 5 jaren ‘50/’60/’70 EN ‘80 WIJKEN, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 68:

Pag.51

straatbeeld Vroedschapstraat, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 69:

Pag.51

straatbeeld Valeriusstraat, Google maps, 2024

Afbeelding 70:

Pag.51

straatbeeld Valeriusstraat, Google maps, 2024

Afbeelding 71:

Pag.51

straatbeeld Stadhouderstraat, Google maps, 2024

Afbeelding 72:

Pag.52

tabel deelgebied 5 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 73:

Pag.53

kaart Brunssum deelgebied 6 recente wijk, SatijnPlusArchitecten, November 2024

Afbeelding 74:

Pag.54

collage recente wijken, Google maps en Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 75:

Pag.55

tabel deelgebied 6 proceduren per maatregel, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 76:

Pag.56

luchtfoto Brunssum Schutterspark, Slagboom en Peeters, 2024

Afbeelding 77:

Pag.57

tabel streefwaarden isolatiemateriaal, SatijnPlusArchitecten, 2024

Afbeelding 78:

Pag.59

tabel overzicht niveau’s welstand naar rapportcijfer, SatijnPlusArchitecten, 2024


Noot
1

Via het Omgevingsloket kunt u een vergunningcheck doen en controleren of een activiteit vergunningsvrij is of dat u een melding of vergunningsaanvraag moet doen. Diverse verduurzamingsmaatregelen kunnen in de toekomst mogelijk vergunningsvrij worden. Controleer daarom altijd de actuele regels in het omgevingsloket.

Noot
2

Als referentiepunt voor het uitvoeren van maatregelen aan de 1e woning geldt als peildatum de datum van invoering van dit beleid. Alle maatregelen die vóór deze peildatum reeds met vergunning zijn uitgevoerd, worden gezien als oorspronkelijke situatie in het kader van welstandscriteria 1 & 2 van deze maatregel.

Noot
3

Als referentiepunt voor het uitvoeren van maatregelen aan de 1e woning geldt als peildatum de datum van invoering van dit beleid. Alle maatregelen die vóór de peildatum al met vergunning zijn uitgevoerd worden gezien als oorspronkelijke situatie in het kader van welstandscriteria 1 & 2 van deze maatregel.