Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020

Geldend van 11-08-2022 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020

De burgemeester van de gemeente Cranendonck;

gelet op artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2 van de Politiewet;

BESLUIT:

onder intrekking van de "Beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 1b Opiumwet (Damoclesbeleid) 2015” (vastgesteld op 7 juli 2015),

vast te stellen de “Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020”

1. Inleiding

Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met illegale (verkoop)punten van verdovende middelen of productieplaatsen daarvan. De Opiumwet verbiedt in artikel 2 en 3 om verdovende middelen (soft- en harddrugs) te telen, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren alsmede aanwezig te hebben en te vervaardigen. Drugshandel, alsmede de aanwezigheid van een illegale hoeveelheid drugs, in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen) vormen een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid.

De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid, het beschermen van de volksgezondheid en van het woon- en leefklimaat van de inwoners van de gemeente. Vanuit dit oogpunt maakt de burgemeester gebruik van artikel 13b Opiumwet, het juridische instrument om bestuursrechtelijk op te treden tegen de illegale aanwezigheid en de illegale verkoop van drugs in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen).

2. Juridisch kader

Voor de bestuurlijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, lijst I) en artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, lijst II) van de Opiumwet en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen), is in die wet het artikel 13b opgenomen.

Artikel 13b van de Opiumwet luidt als volgt:

  • 1.

    De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

    • a.

      een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

    • b.

      een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.

3. Doel van de beleidsregel:

Met de toepassing van deze beleidsregel streeft de burgemeester telkenmale een of meerder van de navolgende doelen na:

  • te realiseren dat geconstateerde overtredingen van artikel 13b Opiumwet opgevolgd worden door een reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit);

  • te bewerkstelligen dat er door de gekozen maatregel een einde komt aan de verboden situatie;

  • te bewerkstelligen dat door de gekozen maatregel het drugspand definitief uit het drugscircuit wordt verwijderd, door de loop uit het drugspand te halen en de bekendheid als verkooppunt bij handelaren, gebruikers en derden te weg te nemen;

  • te bewerkstelligen dat herhaling van de overtreding wordt voorkomen;

  • door het treffen van de gekozen maatregel de negatieve effecten en risico’s voor de openbare orde en veiligheid van handel in en het gebruik van drugs zoveel mogelijk te beheersen;

  • voorkomen dat strafbare feiten plaatsvinden;

  • het beschermen van de rechten van anderen door een voor een ieder zichtbare sluiting;

  • kenbaar te maken aan de burger welke maatregelen hij van de overheid kan verwachten na een overtreding van de Opiumwet;

  • de handhavingsactiviteiten van politie, openbaar ministerie en gemeente op elkaar af te stemmen en complementair te laten zijn.

4. Omschrijving van begrippen

Ter verduidelijking van deze beleidsregel is onderstaand een aantal begrippen omschreven.

Drugs:

Een middel als bedoeld in lijst I en lijst II behorende bij de Opiumwet en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet. Wanneer in deze beleidsregel wordt gesproken over drugs, omvat dat ook de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs ( “voorbereidings-handelingen”).

Drugshandel:

De verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een woning of lokaal en/of de daarbij behorende erven.

Erf:

Al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Lokaal:

Een al dan niet voor publiek toegankelijke ruimte, niet zijnde een woning. Onder de in deze rubriek bedoelde panden vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven zoals winkels en horecabedrijven en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten. Ook kunnen bijvoorbeeld een hotelkamer, andere recreatieverblijven en een kantoor, voor zover zij geen ‘woning’ zijn, onder het begrip lokaal vallen.

Recidive:

Een herhaalde overtreding van het bepaalde in artikelen 2 en/of 3 van de Opiumwet en/of het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet binnen een periode van 3 jaar na de laatste overtreding. Hierbij is niet relevant of de laatste overtreding is gegrond op artikel 2 of 3 van de Opiumwet dan wel op het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet.

Voorbereidingshandelingen

Het voorhanden hebben van een voorwerp of een stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. Deze artikelen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Een en ander kan reeds blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof (opslag van 2000 liter zoutzuur in een woonwijk) of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw), maar soms ook uit de uit een opsporingsonderzoek verkregen resultaten van tapgesprekken of observaties. Sluiting is aan de orde zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Niet alle strafbare voorbereidingshandelingen staande in artikel 10 of 11a van de Opiumwet vallen binnen de reikwijdte van deze beleidsregel.

Woning:

Een voor bewoning gebruikte ruimte. Een woning is te karakteriseren als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand – eventueel in een gemeenschappelijke huishouding met andere personen – zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden. Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Er dient ‘de facto’ en ‘de animo’ gewoond te worden. Of dit het geval is kan onder meer blijken uit de Basisregistratie personen (BRP), de inrichting en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt. De woning behoeft niet in een woonhuis te zijn gelegen. Onder omstandigheden kan ook een hotelkamer of ander recreatieverblijf als woning gelden. Een persoon die incidenteel overnacht in een woning en niet op dit adres in de BRP staat ingeschreven, wordt niet aangemerkt als bewoner. Als er wél sprake is van een bewoner, dan leidt diens tijdelijke afwezigheid, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname in een ziekenhuis, er niet toe dat de ruimte het karakter van woning verliest. Niet tot een woning behoren die ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn bestemd en ook niet als zodanig worden gebruikt en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet gebruikt wordt als woning kan aangemerkt worden als een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en valt daarmee onder het handhavingsbeleid dat voor lokalen geldt.

Als er sprake is van een woning waarin kamerverhuur plaatsvindt en de illegale drugshandel in één van de verhuurde kamers is geconstateerd dan kan een gedeeltelijke sluiting van de woning worden overwogen. Gelet op het feitelijke gebruik ervan kan deze kamer in principe worden aangemerkt als afzonderlijke woning.

Beleidsuitgangspunt is een gehele sluiting van de woning. Dit met het oog op de doelstelling van Opiumwet 13b, het verwijderen van een drugspand uit het drugscircuit. Doorgaans zal een woning als zodanig en niet (alleen) een zich daarin bevindende specifieke kamer bekend staan als drugspand.

5. Damoclesbeleid (Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet)

Deze beleidsregel ziet op de bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot het sluiten van panden met bijbehorende erven, indien er sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs vanuit woningen of lokalen en/of de daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe.

Last onder bestuursdwang

Zoals de redactie van artikel 13b Opiumwet aangeeft, heeft de burgemeester om handhavend op te kunnen treden tegen drugshandel in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe, de mogelijkheid om bestuursdwang toe te passen. Teneinde betrokkenen niet in de gelegenheid te stellen een financiële belangenafweging te maken en vanwege het gewenste effect van de last onder bestuursdwang, wordt er in beginsel geen gebruik gemaakt van het opleggen van een last onder dwangsom.

Waarschuwing

Uitgangspunt is dat bij een overtreding van de Opiumwet met toepassing van artikel 13b van deze wet direct wordt overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Dit leidt tot sluiting van het drugspand. Is sprake van een woning, dan kan uitsluitend bij een eerste overtreding een waarschuwing worden overwogen. Dit geldt alléén als sprake is van minder ernstige gevallen. In ernstige gevallen wordt geen waarschuwing gegeven en wordt direct overgegaan tot sluiting van de woning. Hiermee wordt recht gedaan aan artikel 8 EVRM. Bij een lokaal wordt in principe altijd bestuursdwang toegepast.

Reikwijdte

Eigen gebruik

Bij de beoordeling of bestuursdwang wordt toegepast in het kader van artikel 13b Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn van het verkopen, verstrekken of afleveren dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe. De hoeveelheid van de in een drugspand kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn. In deze beleidsregel wordt hiertoe aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria.

Volgens die criteria worden een hoeveelheid harddrugs van:

  • maximaal 0,5 gram (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in grammen uitgedrukte hoeveelheden cocaïne, heroïne, amfetamine (speed), MDMA (XTC) of andere stof van lijst I), of;

  • maximaal 1 bolletje of 1 ampul of 1 wikkel of 1 pil/tablet (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in hoeveelheid bolletjes, ampullen, wikkels of pillen/tabletten uitgedrukte hoeveelheden MDMA (XTC), amfetamine (speed) of andere stof van lijst I) (in elk geval een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram), of;

  • maximaal 5 milliliter (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in milliliters uitgedrukte hoeveelheden GHB of andere stof van lijst I;

en een hoeveelheid softdrugs van:

  • maximaal 5 planten of

  • maximaal 5 gram

als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkt.

Handelshoeveelheid

Worden de voornoemde drempelhoeveelheden voor eigen gebruik overschreden, dan wordt aangenomen dat de drugs geheel of gedeeltelijk voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en kan artikel 13b Opiumwet worden toegepast.

Uitsluitend bij het aantreffen van een hoeveelheid softdrugs in een pand van:

  • meer dan 5 planten maar minder dan 15 planten, of;

  • meer dan 5 gram maar minder dan 30 gram

wordt een nadere belangenafweging verricht en wordt, vanuit het oogpunt van proportionaliteit en evenredigheid, bezien welke bestuurlijke maatregel voor dat specifieke geval passend is.

Ernstig geval softdrugs

Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen.

Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid van meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten. In dat geval wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dan geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik.

Bij hennepknipperijen, drogerijen en buitenteelt is doorgaans sprake van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep of hasjiesj. Ook bij een hoeveelheid van 30 gram of meer hennep of hasjiesj wordt een ernstig geval van drugshandel aangenomen. Dit – de aanwezigheid van meer of gelijk aan 15 planten of meer of gelijk aan 30 gram softdrugs – wordt in deze beleidsregel in ieder geval beschouwd als hoeveelheid drugs die aanwezig is voor de verkoop, aflevering of verstrekking in de zin van artikel 13b Opiumwet. Bij deze hoeveelheden wordt in beginsel direct overgegaan tot toepassing van bestuursdwang.

Ernstig geval harddrugs

Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen.

Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid meer is dan de voornoemde drempelhoeveelheden waarbij sprake is van een eigen gebruikshoeveelheid. Is hiervan sprake dan wordt in beginsel direct overgegaan wordt tot toepassing van bestuursdwang.

Aanvullende grondslag

Indien de drugshandel in en vanuit een woning of lokaal en/of daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe gepaard gaat met een verstoring van het openbare leven rondom dat pand, kan artikel 174a van de Gemeentewet tevens een grondslag geven voor de sluiting van het pand.

Categorieën in beleid

Het beleid betreffende de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet is onderverdeeld in de volgende categorieën:

  • 1.

    Woningen en bijbehorende erven:

  • de drugshandel en/of voorbereidingshandelingen daartoe in woningen dan wel bij de woningen behorende erven.

  • 2.

    Lokalen en bijbehorende erven:

  • de drugshandel en/of voorbereidingshandelingen daartoe in (al dan niet voor het publiek opengestelde) lokalen dan wel bij zodanige lokalen behorende erven.

In het geval dat zich een combinatie voordoet van woning en lokaal (zoals bijvoorbeeld wanneer sprake is van een café met bovenwoning) wordt, in het geval een handelshoeveelheid verdovende middelen in beide wordt aangetroffen dan wel wanneer tussen woning en lokaal een duidelijke samenhang bestaat (bijvoorbeeld middels de stroom- of watervoorziening) in beginsel voor iedere afzonderlijke categorie het in deze beleidsregel opgenomen handhavingsarrangement toegepast.

6. Woningen en daarbij behorende erven

Doordat de sluiting van woningen zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen is onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. De essentie ligt daarin dat er in de bewoonde woningen sprake is van het hebben van woongenot en de daaraan sterk gerelateerde persoonlijke levenssfeer. Dit vergt een striktere afweging van het belang bij bescherming van die persoonlijke levenssfeer ten opzichte van het algemene belang bij handhaving op basis van artikel 13b Opiumwet. Hierdoor kan onder omstandigheden eerst een waarschuwing zijn aangewezen, alvorens bestuursdwang toe te passen. Er is tevens onderscheid gemaakt tussen de drugshandel in softdrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe en drugshandel in harddrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe.

De sluitingstermijnen bij woningen en bijbehorende erven

  • Softdrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe in woningen en daarbij behorende erven

Indien in woningen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe met een handelshoeveelheid van meer of gelijk aan 30 gram en/of meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten en/of voorbereidingshandelingen daartoe worden de volgende bestuursrechtelijke maatregelen getroffen:

Handhavingsarrangement

Constatering

1e constatering

2e constatering

(binnen 3 jaar*)

3e constatering en volgende(n) (binnen 3 jaar*)

Aanwezigheid van softdrugs met een handelshoeveelheid van ≥ 30 gram en/of ≥ 15 hennepstekjes of planten en/of voorbereidingshandelingen daartoe

3 maanden sluiting

6 maanden sluiting

Sluiting voor onbepaalde tijd (minimaal 6 maanden)

* Binnen drie jaar na de vorige constatering. Concreet: maatregel volgt wanneer de 2e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 1e constatering, maatregel volgt wanneer de 3e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 2e constatering.

In principe wordt bij een 1e constatering bij het aantreffen van een hoeveelheid softdrugs van minder dan 15 planten of minder dan 30 gram softdrugs in woningen en bijbehorende erven aangenomen dat sprake is van een minder ernstig geval en volstaan met een waarschuwing. Dit ligt anders bij voorbereidingshandelingen aangezien de wetgever heeft bepaald dat van strafbare voorbereidingshandelingen bij softdrugs eerst sprake is bij grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.

  • Harddrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe in woningen en bijbehorende erven

Indien in woningen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe worden de volgende bestuursrechtelijke maatregelen getroffen:

Handhavingsarrangement

Constatering

1e constatering

2e constatering (binnen 3 jaar*)

3e constatering en volgende(n) (binnen 3 jaar*)

Aanwezigheid van harddrugs met een handelshoeveelheid van ≥ 0,5 gram, of

≥ 1 bolletje, 1 ampul, 1 wikkel of 1 pil/tablet (in elk geval een aangetroffen hoeveelheid ≥ 0,5 gram), of

≥ 5 milliliter

en/of voorbereidingshandelingen daartoe

4 maanden sluiting

6 maanden sluiting

Sluiting voor onbepaalde tijd (minimaal 6 maanden)

* Binnen drie jaar na de vorige constatering. Concreet: maatregel volgt wanneer de 2e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 1e constatering, maatregel volgt wanneer de 3e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 2e constatering.

Recidive

Indien er sprake is van recidive telt voor het toe te passen handhavingsarrangement de laatst hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen en of het desbetreffende middel voorkomt op lijst I of lijst II en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe.

Indien, al dan niet uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit c.q. met toepassing van artikel 4:84 Awb, bij de eerste overtreding is volstaan met een waarschuwing, wordt bij recidive de handhavingsarrangement behorende bij de tweede overtreding toegepast.

7. Lokalen en bijbehorende erven

Drugshandel in lokalen en daarbij behorende erven vormt eveneens een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij legt een illegaal verkooppunt en/of de illegale aanwezigheid van drugs een zware druk op de omgeving. Zeker in woongebieden wordt de aanwezigheid daarvan als zeer belastend ervaren. Illegale verkooppunten (de drugshandel zoals eerder is gedefinieerd) vormen een bedreiging voor de sociale veiligheid in de buurt en leiden vaak tot verloedering van het straatbeeld. Ook bij lokalen en daarbij behorende erven is onderscheid gemaakt tussen de drugshandel in softdrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe en drugshandel in harddrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe.

De sluitingstermijnen bij lokalen en bijbehorende erven

  • Softdrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe in lokalen en bijbehorende erven

Indien in lokalen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe met een handelshoeveelheid van meer of gelijk aan 30 gram en/of meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten worden de volgende bestuursrechtelijke maatregelen getroffen:

Handhavingsarrangement

Constatering

1e constatering

2e constatering (binnen 3 jaar*)

3e constatering en volgende(n) (binnen 3 jaar*)

Aanwezigheid van softdrugs met een handelshoeveelheid van ≥ 30 gram en/of ≥ 5 hennepstekjes of planten

6 maanden sluiting

12 maanden sluiting

Sluiting voor onbepaalde tijd (minimaal 12 maanden)

* Binnen drie jaar na de vorige constatering. Concreet: maatregel volgt wanneer de 2e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 1e constatering, maatregel volgt wanneer de 3e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 2e constatering.

Wordt bij een 1e constatering een hoeveelheid aangetroffen van minder dan 15 planten of minder dan 30 gram softdrugs in lokalen en bijbehorende erven, dan wordt overwogen of met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel kan worden volstaan. Dit ligt anders bij voorbereidingshandelingen aangezien de wetgever heeft bepaald dat van strafbare voorbereidingshandelingen bij softdrugs eerst sprake is bij grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.

  • Harddrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe in lokalen en bijbehorende erven

Indien in lokalen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe worden de volgende bestuursrechtelijke maatregelen getroffen:

Handhavingsarrangement

Constatering

1e constatering

2e constatering en volgende(n) (binnen 3 jaar*)

Aanwezigheid van harddrugs met een handelshoeveelheid van ≥ 0,5 gram, of

≥ 1 bolletje, 1 ampul, 1 wikkel of 1 pil/tablet (in elk geval een aangetroffen hoeveelheid ≥ 0,5 gram), of

≥ 5 milliliter

en/of voorbereidingshandelingen daartoe

12 maanden sluiting

Sluiting voor onbepaalde tijd (minimaal 12 maanden)

* Binnen drie jaar na de vorige constatering. Concreet: maatregel volgt wanneer de 2e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 1e constatering, maatregel volgt wanneer de 3e constatering zich voordoet binnen 3 jaar na de 2e constatering.

Recidive

Indien er sprake is van recidive telt voor het toe te passen handhavingsarrangement de laatst hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen en of het desbetreffende middel voorkomt op lijst I of lijst II en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of voorbereidingshandelingen daartoe.

Indien, al dan niet uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit c.q. met toepassing van artikel 4:84 Awb, bij de eerste overtreding is volstaan met een waarschuwing, wordt bij recidive de handhavingsarrangement behorende bij de tweede overtreding toegepast.

8. Sluiting

Onder het sluiten van het pand wordt in ieder geval het volgende verstaan:

  • het afsluiten van het pand door de betrokkene door ramen en deuren te sluiten en gesloten te houden;

  • ingeval van een lokaal, het door de betrokkene eventueel verwijderen van aanduidingen op, aan, in en over het pand, waaruit kan blijken dat het pand (voor publiek) geopend is;

  • het door door of namens de burgemeester aanbrengen van stickers/aankondigingen en/of raamborden op de verdieping op/aan het pand dat het is gesloten wegens het overtreden van artikel 13b Opiumwet;

  • het door of namens de burgemeester verzegelen van het pand.

De betrokkene krijgt in de last tot toepassing van bestuursdwang eerst zelf de gelegenheid om over te gaan tot sluiting van het drugspand. Hiertoe wordt hem in principe een begunstigingstermijn geboden van maximaal 10 dagen met dien verstande dat de burgemeester een afwijkende termijn kan hanteren wanneer de omstandigheden daarom vragen. Indien binnen die termijn door de betrokkene geen sluiting heeft plaatsgevonden of wordt na de sluiting, zonder toestemming van het bevoegde gezag alsnog het drugspand betreden, dan kan de burgemeester onder toepassing van bestuursdwang de sloten van het drugspand vervangen.

Het doorbreken van de door de burgemeester aangebrachte verzegeling en/of het daarna betreden van het gesloten pand levert een strafbaarheid op (artikel 2:18 APV), tenzij sprake is van een rechtmatig verkregen ontheffing van de burgemeester.

9. Inschrijving kadaster

De beleidsregel is gerelateerd aan de locatie. Dat betekent dat een opgelegde bestuurlijke maatregel tevens werkt voor rechtsopvolgers. Een besluit tot toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is een beperkingsbesluit dat valt onder de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. De burgemeester zal op grond van deze wet een besluit tot sluiting zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, zoals bedoeld in 3:16 BW.

10. Kosten

Op grond van artikel 5:25 Algemene wet bestuursrecht worden de kosten voor het toepassen van de bestuursdwang verhaald op de overtreder.

11. Zienswijzen

Ingevolge artikel 4:8 Awb worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen. Belanghebbende(n) krijg(en) hiervoor een door de burgemeester te bepalen redelijke termijn die in principe meer dan 7 kalenderdagen bedraagt tenzij op grond van artikel 4:11 Awb wordt afgezien van het stellen van een zienswijzentermijn omdat de vereiste spoed zich daartegen verzet. Afhankelijk van de aard en ernst van de feiten kan spoedshalve bestuursdwang worden toegepast en zonder dat een termijn voor het indienen van zienswijzen wordt gegeven.

12. Proportionaliteit en subsidiariteit

In het kader van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt door middel van een handhavingsarrangement opgetreden. Het voeren van een beleid waarin direct tot sluiting wordt overgegaan, is redelijk indien gemotiveerd wordt waarom de betreffende sluiting proportioneel en subsidiair is. De burgemeester betrekt hierbij vergaard hiervoor de relevante feiten en omstandigheden en weegt deze zowel op zichzelf als in combinatie met elkaar. Mocht sluiting in voorkomend geval niet proportioneel en subsidiair worden geacht dan wordt bezien of volstaan kan worden met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel, waaronder (niet-limitatief) het geven van een waarschuwing (al dan niet met een voorwaarde die strekt tot periodieke controles) of het voorwaardelijk nemen van een sluitingsbesluit met daaraan verbonden een in redelijkheid vast te stellen proeftijd. De burgemeester dient aan degene(n) aan wie de gekozen maatregel wordt bekend gemaakt de motivering daarvan duidelijk en schriftelijk mede te delen. Bij deze motivering betrekt de burgemeester in ieder geval de duur van de sluiting in relatie tot 1. de bestemming van het pand, 2. de zwaarte van de overtreding, 3. herhaling en duur van de overtreding.

13. Afwijkingsbevoegdheid

In beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten. De burgemeester kan op basis van betrokken feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel (artikel 4:84 Awb). Dit betekent dat in voorkomend geval zowel strengere als minder strenge maatregelen kunnen worden getroffen dan in deze beleidsregel verwoord.

14. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking op 20 januari 2020.

  • 2. Deze beleidsregel treedt in de plaats van de op 7 juli 2015 vastgestelde beleidsregel en bijbehorende handhavingsarrangementen.

  • 3. Handhavingsprocedures met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet die zijn opgestart (in de zin dat voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregel een voornemen tot handhavend optreden is verzonden zonder dat hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden) ten tijde van de geldigheid van de op 7 juli 2015 vastgestelde beleidsregel en bijbehorende handhavingsarrangementen, worden voorgezet op basis van deze nieuwe beleidsregel en de daarin opgenomen handhavingsarrangementen.

15. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 14 januari 2020,

De burgemeester van de gemeente Cranendonck,

F.A.P. van Kessel