Regeling vervallen per 01-01-2024

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

Geldend van 01-01-2024 t/m 31-12-2023

Intitulé

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

Het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland heeft in zijn vergadering van 1 juli 2022 de regels van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland vastgesteld.

De Waterschapsverordening

Op grond van artikel 2.5 Omgevingswet is het waterschap verplicht om een waterschapsverordening vast te stellen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten waar in ons gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Zodra de Omgevingswet in werking treedt, komt de waterschapsverordening in plaats van de volgende regels:

  • -

    Keur Waterschap Rivierenland 2014;

  • -

    Algemene regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014.

De omzetting van de regels heeft beleidsneutraal plaatsgevonden. Dit houdt in dat er inhoudelijk nauwelijks iets aan de regels is veranderd. Strijdigheden in de regels zijn verwijderd en waar mogelijk zijn de regels vereenvoudigd. De opzet en systematiek van de verordening is gewijzigd om te voldoen aan de technische eisen van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO), zodat de waterschapsverordening in dit online loket kan worden geraadpleegd als de Omgevingswet ingaat.

In de waterschapsverordening worden ook de locaties opgenomen waar de regels gelden, de zogenaamde werkingsgebieden. Deze zones maken nu nog onderdeel uit van de leggers. Tijdens de inspraakperiode zijn de werkingsgebieden gelijktijdig met de juridische teksten van de waterschapsverordening ter inzage gelegd. Ook de gewijzigde leggers wateren en waterkeringen zijn ter inzage gelegd. Maar omdat er zoveel zienswijzen zijn ontvangen op de gewijzigde legger wateren, is het ontwerp tot wijziging van de legger wateren uit procedure genomen en wordt er een nieuw ontwerp voor de wijzigingen van de legger wateren gemaakt.

Het ontwerp dat ter inzage heeft gelegen, leidt dus nog niet tot een besluit. Het uit procedure nemen van de gewijzigde legger wateren heeft ook gevolgen voor de werkingsgebieden in de waterschapsverordening. De werkingsgebieden in de waterschapsverordening worden op een later moment nogmaals ter inzage gelegd en worden, na verwerking van de inspraakreacties, vastgesteld door het algemeen bestuur. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, worden deze werkingsgebieden zichtbaar in het nieuwe landelijke loket.

De tekst van de waterschapsverordening treft u onder deze bekendmaking aan.

Beroep

Tegen vaststelling van de regels van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland is geen beroep mogelijk.

Inwerkingtreding

De regels van de waterschapsverordening treden in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

Registratie nr.: 2022051027

Het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland;

Op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van 10 mei 2022;

Overwegingen:

Van tot 22 februari 2022 tot en met 4 april 2022 heeft de ontwerp-Waterschapverordening Waterschap Rivierenland ter inzage gelegen. Gedurende de inspraakperiode zijn in totaal 2 zienswijzen binnengekomen en 11 ambtelijke reacties. De zienswijzen en de reacties zijn door het waterschap beoordeeld en in de reactienota voorzien van een inhoudelijke reactie. De zienswijzen hebben niet geleid tot wijzigingen in het definitieve besluit ten opzichte van het ontwerp. In de reactienota is uitgelegd om welke wijzigingen het gaat.

Wettelijk kader:

  • Artikel 2.5 Omgevingswet

  • Artikelen 56 en 78 lid 1 Waterschapswet;

  • Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht;

  • Artikel 5 Participatie- en inspraakverordening Waterschap Rivierenland 2020;

  • Artikel 4 van het Reglement voor Waterschap Rivierenland;

  • Zuid Hollandse Omgevingsverordening, de Omgevingsverordening Gelderland, Omgevingsverordening Noord-Brabant en de Omgevingsverordening provincie Utrecht;

BESLUIT:

Vast te stellen de regels van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Afdeling 1.1 AToepassingsgebied en doelen

Artikel 1.1.1 Begrippen

  • 1. In BIJLAGE 1 van deze verordening staan de begripsbepalingen van deze verordening.

  • 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in:

    • a.

      bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving,

    • b.

      bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving,

    • c.

      bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving,

    • d.

      bijlage I bij het Omgevingsbesluit en

zijn ook van toepassing op deze verordening. Staat een begripsbepaling in BIJLAGE 1 van deze verordening, dan geldt de begripsbepaling uit BIJLAGE 1.

  • 3. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet of in bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op deze verordening. Staat een begripsbepaling in de Omgevingswet of in de Omgevingsregeling en in BIJLAGE 1 van deze verordening? En is er een verschil? Dan geldt de begripsbepaling uit de Omgevingswet of in de Omgevingsregeling.

Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik

Deze waterschapsverordening is van toepassing op het beheergebied van Waterschap Rivierenland.

Artikel 1.1.3 Algemene doelen

De regels in deze waterschapsverordening zijn gericht op:

  • a.

    het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

  • b.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem;

  • c.

    het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem;

  • d.

    het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk;

  • e.

    het voorkomen of beperken van verontreiniging van het grondwater of een oppervlaktewaterlichaam;

  • f.

    het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

Artikel 1.1.4 Doelen waterkeringen

De regels over waterkeringen in deze verordening zijn gericht op:

  • a.

    het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

  • b.

    het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

  • c.

    het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 1.1.5 Doelen oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden

De regels over oppervlaktewaterlichamen in deze verordening zijn gericht op:

  • a.

    het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

  • b.

    het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;

  • c.

    het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

  • d.

    het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten;

  • e.

    het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

Artikel 1.1.6 Doelen grondwater

De regels over grondwater in deze verordening zijn gericht op:

  • a.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van uitputting van de grondwatervoorraad;

  • b.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van ongewenste toename van kwel;

  • c.

    het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de belangen die bij het grondwaterbeheer zijn betrokken;

  • d.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van:

    • i.

      een wijziging van de grondwaterstromen;

    • ii.

      verspreiding van verontreinigingen;

    • iii.

      verspreiding van koude- en warmtebellen;

  • e.

    het voorkomen of ongedaan maken van doorboring van slecht doorlatende bodemlagen;

  • f.

    het in stand houden of verbeteren van de aanwezige grondwaterkwaliteit;

  • g.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van het opbarsten van de waterbodem;

  • h.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van verzilting van zoet grondwater;

  • i.

    het voorkomen van negatieve invloed op de grondwaterstand die voor het grondgebruik gewenst is.

Artikel 1.1.7 Doelen zuiveringtechnische werken

De regels over zuiveringtechnische werken in deze verordening zijn gericht op het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.

Artikel 1.1.8 Doelen wegen

De regels in deze verordening over wegen in beheer bij het waterschap zijn gericht op:

  • a.

    het waarborgen van de verkeersveiligheid en de veiligheid van de weg en van de omgeving;

  • b.

    het beheersen van geluid afkomstig van wegen;

  • c.

    het waarborgen van de goede staat van de weg;

  • d.

    het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 1.1.9 Doelen vaarwegen

De regels over vaarwegen in deze verordening zijn gericht op:

  • a.

    het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken;

  • b.

    het waarborgen van de veiligheid van de vaarweg;

  • c.

    het in stand houden van doelmatige doorstroming van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.

Afdeling 1.2 Algemene bepalingen

Artikel 1.2.1 Normadressaat – op wie zijn de regels van toepassing?

De regels van deze verordening zijn van toepassing op degene die de activiteit verricht of laat verrichten, voor zover niet anders is bepaald. Degene die de activiteit verricht en degene die de activiteit laat verrichten, zorgen voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.2.2 Beheer, onderhoud en eigen werken

De regels van hoofdstuk 2 tot en met hoofdstuk 6 gaan:

  • a.

    niet over projecten waarvoor het bestuur een projectbesluit vaststelt als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet; of

  • b.

    niet over activiteiten die nodig zijn voor:

    • i.

      het beheer, de bediening en het doelmatig onderhoud van het watersysteem of onderdelen daarvan. De activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van het bestuur van het waterschap. En de activiteiten veranderen de normatieve toestand van een waterstaatswerk (legger) niet; of

    • ii.

      het beheer, de bediening en het doelmatig onderhoud van het systeem voor het zuiveren van afvalwater. De activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van het bestuur van het waterschap; of

    • iii.

      het beheer en onderhoud van de wegen in beheer bij het waterschap. De activiteiten zorgen niet voor een verandering van de wegenlegger; of

  • c.

    niet over activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot waterstaatswerken. De activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van onderhoudsplichtigen zoals bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Artikel 1.2.3 Belangen van derden

  • 1. Een publiekrechtelijke toestemming van het bestuur van het waterschap door middel van een omgevingsvergunning of een vrijstelling voor een activiteit gaan over de waterstaatkundige belangen die daarmee samenhangen.

  • 2. Een publiekrechtelijke toestemming van het bestuur van het waterschap houdt geen algemene of privaatrechtelijke toestemming in voor een activiteit. Meestal is er ook een omgevingsvergunning van de gemeente vereist.

  • 3. Degene die de activiteit uitvoert, houdt rekening met algemene beperkingen opgelegd bij wet. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het Burgerlijk Wetboek, Boek 5, Titel 4: bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven. Het doen van een KLIC-melding bij graafwerkzaamheden is ook een voorbeeld van een verplichting waaraan men moet voldoen.

Afdeling 1.3 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 1.3.1 Aanwijzing van beperkingengebieden

  • 1. Deze verordening kent de volgende soorten beperkingengebieden:

    • a.

      het beperkingengebied van een waterstaatswerk. Dit is het waterstaatswerk in beheer bij het waterschap;

    • b.

      het beperkingengebied dat direct grenst aan het waterstaatswerk (de beschermingszone);

    • c.

      het beperkingengebied van grondwater in beheer bij het waterschap. Dit bestaat uit alle grondwaterlagen in het beheergebied;

    • d.

      het beperkingengebied van een weg in beheer bij het waterschap. Dit is de weg in beheer bij waterschap die bestaat uit de rijbaan en de daarnaast gelegen bermen, voor zover aanwezig;

    • e.

      het beperkingengebied van een vaarweg. Dit is de vaarweg in beheer bij het waterschap;

    • f.

      het beperkingengebied specifieke toekomstige ontwikkelingen. Dit is het gebied dat is gereserveerd voor verruimen, verleggen of wijzigen van waterstaatswerken.

  • 2. De geometrische begrenzing van de hiervoor genoemde beperkingengebieden is vastgelegd in BIJLAGE 2. Voor beperkingengebieden waarvoor nog geen geometrische begrenzing is opgenomen, gelden de begrenzingen van artikel 1.3.2.

  • 3. Daarnaast kent deze verordening de volgende soorten beperkingengebieden:

    • a.

      het profiel van vrije ruimte op de dwarsprofielen. Deze zijn te vinden op de legger waterkeringen;

    • b.

      de bouwgrens. Deze is te vinden op de legger waterkeringen.

Artikel 1.3.2 Begrenzing van beperkingengebieden

  • 1. Is een beperkingengebied nog niet geometrisch begrensd als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid en ligt er een omgevingsvergunning of projectbesluit ten grondslag aan het beperkingengebied? Dan bestaat het beperkingengebied van een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap uit het waterstaatswerk en het gebied dat daaromheen ligt. Hierbij wordt uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.

  • 2. Is een beperkingengebied nog niet geometrisch begrensd als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid en ligt er geen omgevingsvergunning of projectbesluit ten grondslag aan het beperkingengebied? Dan bestaat het beperkingengebied van een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap uit het waterstaatswerk en het gebied dat daaromheen ligt. Dit gebied wordt begrensd door een lijn die:

    • a.

      bij een waterkering ligt op een afstand van 250 meter van de buitenkruin zowel buitendijks als binnendijks;

    • b.

      bij een oppervlaktewaterlichaam ligt op een afstand van 5 meter van de insteek;

    • c.

      bij een ondersteunend kunstwerk ligt op een afstand van 25 meter van de rand van het kunstwerk;

    • d.

      bij een bergingsgebied ligt op een afstand van 5 meter van de rand van het bergingsgebied.

  • 3. Is een beperkingengebied nog niet geometrisch begrensd als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid en ligt er geen omgevingsvergunning of projectbesluit ten grondslag aan het beperkingengebied? Dan bestaat het beperkingengebied van grondwater in beheer bij het waterschap uit al het grondwater binnen het gebied waar het waterschap op grond van de Omgevingswet kan optreden als bevoegd gezag.

  • 4. Is een beperkingengebied nog niet geometrisch begrensd als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid en ligt er geen omgevingsvergunning of projectbesluit ten grondslag aan het beperkingengebied? Dan bestaat het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het waterschap uit de rijbaan en het gebied dat daaromheen ligt. Dit gebied wordt begrensd door een lijn die ligt op een afstand van 5 meter van de rand van de rijbaan.

  • 5. Is een beperkingengebied nog niet geometrisch begrensd als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid en ligt er geen omgevingsvergunning of projectbesluit ten grondslag aan het beperkingengebied? Dan bestaat het beperkingengebied met betrekking tot een vaarweg in beheer bij het waterschap uit het gehele oppervlaktewater, inclusief de ondersteunende voorzieningen die nodig zijn voor de functie van het oppervlaktewater, zoals aanleg- en tewaterlaatvoorzieningen.

Artikel 1.3.3 Nadere uitwerking gebieden

  • 1. Het beperkingengebied met betrekking tot waterstaatswerken in beheer bij het waterschap bestaat uit:

    • a.

      primaire waterkeringen. Deze bestaan uit de gebieden waterkering, beschermingszone en buitenbeschermingszone; en

    • b.

      regionale waterkeringen. Deze bestaan uit de gebieden waterkering en beschermingszone; en

    • c.

      overige waterkeringen. Deze bestaan uit de gebieden waterkering en beschermingszone. De Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem vallen daar niet onder. Voor de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem is een apart werkingsgebied gemaakt, want daar gelden andere regels; en

    • d.

      primaire oppervlaktewaterlichamen. Deze bestaan uit de gebieden oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone; en

    • e.

      secundaire oppervlaktewaterlichamen. Deze bestaan uit de gebieden: oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone; en

    • f.

      tertiaire oppervlaktewaterlichamen. Deze bestaan uit het gebied: oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone (voor zover aanwezig); en

    • g.

      bergingsgebieden; en

    • h.

      ondersteunende kunstwerken. Deze bestaan uit het ondersteunend kunstwerk en beschermingszone (voor zover aanwezig).

  • 2. Het beperkingengebied met betrekking tot vaarwegen in beheer bij het waterschap bestaat uit de gebieden vaarweg, omliggend oppervlaktewater, ondersteunende voorzieningen en beschermingszone.

  • 3. Het beperkingengebied specifieke toekomstige ontwikkelingen bestaat uit het gebied waarbinnen tijdelijk kan worden afgeweken van de bestaande regels van de waterschapsverordening. Dit houdt in dat de artikelen die gaan over vrijstelling en meldingsplicht tijdelijk niet van toepassing kunnen zijn in dit gebied.

Artikel 1.3.4 Aanpassing beperkingengebied

Een beperkingengebied kan als het werk is uitgevoerd op basis van een verleende vergunning, melding of een projectbesluit en is afgemeld door de toezichthouder op twee manieren worden aangepast:

  • a.

    leidt het werk tot een verandering in beperkingengebieden? Dan wordt het “beperkingengebied specifieke toekomstige ontwikkelingen” dat hoort bij deze vergunning, melding of projectbesluit zo spoedig mogelijk vervangen door het aangepaste beperkingengebied;

  • b.

    leidt het werk niet tot een verandering in beperkingengebieden? Dan wordt het “beperkingengebied specifieke toekomstige ontwikkelingen” dat hoort bij deze vergunning, melding of projectbesluit na oplevering verwijderd.

Afdeling 1.4 Specifieke zorgplicht, informatieplicht en maatwerkvoorschriften

Artikel 1.4.1 Zorgplicht watersysteem

  • 1. Degene die een activiteit uitvoert aan het watersysteem van Waterschap Rivierenland of een onderdeel daarvan en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen in afdeling 1.1, zorgt ervoor dat:

    • a.

      hij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      hij die gevolgen zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt als hij die gevolgen niet kan voorkomen;

    • c.

      hij die activiteit achterwege laat als hij die gevolgen onvoldoende kan beperken. En alleen als dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

  • 2. Onder het voorkomen van nadelige gevolgen voor het watersysteem als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het voorkomen, beperken en onmiddellijk ongedaan maken van schade aan een waterstaatswerk;

    • b.

      het voorkomen van (grond)waterschaarste, (grond)wateroverlast en overstromingen;

    • c.

      het bereikbaar en zichtbaar houden van waterstaatswerken voor:

      • i.

        inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap; of

      • ii.

        onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet;

    • d.

      het waarborgen van de stabiliteit, het waterkerend vermogen en de kerende hoogte van de waterkering;

    • e.

      het voorkomen van kwel;

    • f.

      het voorkomen van aantasting van de bestaande staat en het waarborgen van de erosiebestendigheid van een waterkering;

    • g.

      het niet belemmeren van toekomstige ontwikkelingen van de waterkering;

    • h.

      het voorkomen en ongedaan maken van:

      • i.

        het verondiepen of versmallen van een oppervlaktewaterlichaam; of

      • ii.

        het belemmeren van de doorstroming in een oppervlaktewaterlichaam; en

      • iii.

        het belemmeren van de doorstroomcapaciteit van het omliggende watersysteem;

    • i.

      dat de stabiliteit van de oevers van een oppervlaktewaterlichaam niet worden aangetast;

    • j.

      het voorkomen van achteruitgang van de chemische of ecologische (grond)waterkwaliteit en (grond)waterkwantiteit;

    • k.

      het voorkomen van:

      • i.

        verzakkingen van de bodem door grondwateronttrekkingen of grondboringen; of

      • ii.

        uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten door grondwateronttrekkingen of grondboringen;

    • l.

      het voorkomen van schade aan kwetsbare natuur en aangewezen natuurgebieden;

    • m.

      het voorkomen van het belemmeren van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.

  • 3. De zorgplicht zoals in het eerste lid bedoeld, houdt ook in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      bij lozingsactiviteiten de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • e.

      lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • f.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en

    • g.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 1.4.2 Zorgplicht wegen

Degene die een activteit uitvoert aan een weg in beheer bij Waterschap Rivierenland zorgt er in ieder geval voor dat hij het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet hindert.

Artikel 1.4.3 Zorgplicht vaarwegen

Degene die een activiteit uitvoert aan een vaarweg waarvoor het waterschap door de provincie is aangewezen als vaarwegbeheerder zorgt er in ieder geval voor dat hij het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg niet hindert.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    hij geen stoffen of objecten in het beperkingengebied vaarwegen brengt die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

  • b.

    de eigenaar of rechthebbende van houtopstand deze zo onderhoudt dat deze houtopstand geen hinder voor de scheepvaart veroorzaakt; en

  • c.

    hij bij het verrichten van activiteiten geen belemmering of hinder voor de scheepvaart veroorzaakt.

Artikel 1.4.4 Informeren over een ongewoon voorval / algemene informatieplicht

  • 1. Men informeert het waterschap onmiddellijk over een ongewoon voorval als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit voorval nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als bedoeld in afdeling 1.1.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk als deze lozingen afkomstig zijn van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Artikel 1.4.5 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Het bestuur kan in een specifieke situatie met het oog op de doelen uit afdeling 1.1 en in overeenstemming met de beoordelingsregels maatwerkvoorschriften stellen in aanvulling op of in afwijking van:

    • a.

      de zorgplicht in artikel 1.4.1, artikel 1.4.2 en artikel 1.4.3; en

    • b.

      de bepalingen over een ongewoon voorval in artikel 1.4.4 en artikel 1.5.4; en

    • c.

      de regels in hoofdstuk 2 tot en met hoofdstuk 6 in deze verordening.

  • 2. Het bestuur kan geen maatwerkvoorschriften stellen voor de vangnetvergunningplichten in artikel 2.5.3, artikel 3.19.1, artikel 3.19.2 en artikel 6.13.15.

  • 3. Het bestuur kan geen maatwerkvoorschrift stellen als een voorschrift van gelijke strekking aan een omgevingsvergunning kan of had kunnen worden verbonden, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

  • 4. Een maatwerkvoorschrift vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

  • 5. Worden meerdere activiteiten gecombineerd uitgevoerd? En geldt voor een deel van de activiteiten een vergunningplicht en voor een deel een meldingsplicht? Dan worden de voorschriften die horen bij de activiteit waarvoor een melding wordt gedaan aan de omgevingsvergunning verbonden. Een maatwerkvoorschrift kan dan niet worden gesteld.

Afdeling 1.5 Gegevens

Artikel 1.5.1 Algemene gegevens bij een melding

  • 1. Een melding bevat minimaal:

    • a.

      de aanduiding van de activiteit;

    • b.

      de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van degene die de melding doet, van degene die de activiteit verricht en van een eventuele gemachtigde;

    • c.

      het adres en de kadastrale aanduiding waar de activiteit wordt verricht;

    • d.

      een duidelijke situatietekening van de gewenste situatie op een goed leesbare schaal met daarop:

      • i.

        de locatie van de activiteit; of

      • ii.

        de locatie van het object dat wordt geplaatst of aanwezig is, indien van toepassing;

      • iii.

        het soort object en het soort beplanting, indien van toepassing;

      • iv.

        afmetingen inclusief eventuele diameters en materiaalsoort van het object, indien van toepassing;

      • v.

        een legenda;

      • vi.

        een noordpijl; en

    • e.

      de datum en ondertekening.

  • 2. Men verstrekt op verzoek van het waterschap de gegevens die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.

  • 3. Degene die de activiteit verricht, verstrekt de gegevens en bescheiden voor zover hij er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 1.5.2 Algemene indieningsvereisten bij een vergunningaanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bevat ten minste:

    • a.

      de aanduiding van de activiteit;

    • b.

      de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit;

    • c.

      de verwachte duur van van de activiteit;

    • d.

      de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de aanvrager, van degene die de activiteit verricht en van een eventuele gemachtigde;

    • e.

      wijkt het factuuradres af van het adres van de aanvrager? Dan moet ook het factuuradres worden vermeld in de aanvraag;

    • f.

      het adres en de kadastrale aanduiding of de coördinaten waar de activiteit wordt verricht;

    • g.

      een duidelijke situatietekening van de gewenste situatie op een goed leesbare schaal met daarop:

      • i.

        de locatie van de activiteit; of

      • ii.

        de locatie van het object dat wordt geplaatst of aanwezig is, indien van toepassing;

      • iii.

        het soort object en het soort beplanting, indien van toepassing;

      • iv.

        afmetingen inclusief eventuele diameters en materiaalsoort van het object, indien van toepassing;

      • v.

        een legenda;

      • vi.

        een noordpijl; en

    • h.

      de datum en ondertekening;

    • i.

      wil de aanvrager in plaats van een maatregel die is voorgeschreven in regels als bedoeld in artikel 4.3 van de Omgevingswet, een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 eerste lid, van de Omgevingswet treffen? Dan blijkt uit de gegevens dat met de gelijkwaardige maatregel minimaal hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel;

    • j.

      wordt een waterstaatswerk gekruist door een boring? Dan wordt een boorplan met de volgende informatie aangeleverd:

      • i.

        een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;

      • ii.

        een tekening met een aanduiding van de boorlijn;

      • iii.

        een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn;

      • iv.

        egevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

    • k.

      vindt de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaats? Dan wordt een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering aangeleverd.

  • 2. Heeft de activiteit betrekking op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd? Dan worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning aanvullende gegevens aangeleverd. Dit in aanvulling op het eerste lid. De activiteit vindt plaats in een beperkingengebied en heeft betrekking op een waterstaatswerk. Op grond van deze verordening is voor deze activiteit een vergunning nodig. De aanvullende gegevens die moeten worden aangeleverd, zijn:

    • a.

      een opgave van de hoeveelheid materiaal die wordt verwijderd; en

    • b.

      een opgave van het totale oppervlak dat wordt gebaggerd in kubieke meters.

  • 3. Bij de aanvraag wordt vermeld of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties of bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.

  • 4. Zijn er burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties of bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag betrokken? Dan verstrekt de aanvrager gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Artikel 1.5.3 Gegevens op verzoek van het bestuur van het waterschap

  • 1. Op verzoek van het bestuur van het waterschap worden de gegevens verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit voldoende zijn. Dit gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

  • 2. Gegevens worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 1.5.4 Gegevens bij een ongewoon voorval

  • 1. Bij een ongewoon voorval worden de volgende gegevens verstrekt aan het waterschap zodra ze bekend zijn:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan; en

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; en

    • c.

      gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om nadelige gevolgen van het voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Artikel 1.5.5 Bestanden

Bij een melding of aanvraag die elektronisch wordt ingediend, worden meegeleverde bestanden gekenmerkt als ‘alleen lezen’. Deze bestanden worden ingediend in een van de volgende bestandsformaten:

  • a.

    foto’s: PNG en JPG;

  • b.

    scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a, PDF/A-1b en PDF 1.4;

  • c.

    tekeningen: PDF/X en PDF 1.4;

  • d.

    overige documenten: XLS, XLSX, DOC, DOCX, PDF/A-1a en PDF 1.4.

Artikel 1.5.6 Wijziging gegevens

  • 1. Wijzigen de naam of de adressen zoals bedoeld in artikel 1.5.1, artikel 1.5.2 en artikel 1.5.3? Dan verstrekt de aanvrager zo spoedig mogelijk de gewijzigde gegevens.

  • 2. Wordt de activiteit door een ander verricht dan eerder is gemeld? Dan verstrekt de aanvrager minimaal vier weken voor aanvang van die activiteit de gewijzigde gegevens.

Afdeling 1.6 Algemene bepalingen bij activiteiten in het beheergebied

Artikel 1.6.1 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

  • 1. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem; en

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door het watersysteem.

  • 2. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, zoals bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, zoals bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling zoals bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

  • 3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op:

      • i.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;

      • ii.

        wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of

      • iii.

        het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

Artikel 1.6.2 Termijnen meldingen

  • 1. Een melding wordt gedaan minimaal twee weken voordat de activiteit wordt verricht.

  • 2. De aanvang van de activiteit wordt twee werkdagen van tevoren bij de toezichthouder gemeld (startmelding).

  • 3. Is binnen een jaar na de melding geen start gemaakt met de uitvoering van een activiteit? Dan wordt een nieuwe melding gedaan.

Artikel 1.6.3 Bijzonder voorschrift bij een omgevingsvergunning

Het bestuur kan aan een omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat de houder van die vergunning een betaling of een andere compensatie verricht voor de bescherming van de belangen van de waterkering of van de waterhuishouding.

Artikel 1.6.4 Verwijderingsplicht object zonder functie

Verliest een object dat met een melding is aangebracht zijn functie? Dan verwijdert de rechthebbende het object en herstelt hij het waterstaatswerk. De rechthebbende neemt contact op met de toezichthouder voordat wordt begonnen met verwijderen.

Artikel 1.6.5 Algeheel verbod bij calamiteiten

  • 1. In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit van water, beschadiging van een waterstaatswerk of bij een dreiging daarvan, is het ondanks verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verboden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit een waterstaatswerk oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      water te brengen in of te onttrekken aan een waterstaatswerk oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2. Het bestuur besluit tot toepassing van het eerste lid in een concreet geval en maakt dat besluit aan belanghebbenden bekend.

  • 3. Is toepassing van het eerste lid niet meer noodzakelijk? Dan besluit het bestuur tot intrekking van dat verbod en maakt dit onmiddellijk bekend.

Artikel 1.6.6 Tijdelijke maatregelen met betrekking tot de scheepvaart

In geval van bijzondere omstandigheden kan het bestuur het schutten van vaartuigen in de sluizen of de doorvaart van schepen over vaarwegen tijdelijk beperken of nader regelen.

Artikel 1.6.7 Activiteiten aan waterkeringen

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond te verwijderen uit een waterkering en uit de beschermingszone van een waterkering.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond aan te brengen op een waterkering en in de beschermingszone van een waterkering.

  • 3. Degene die werkzaamheden uitvoert aan een waterkering zorgt ervoor dat de erosiebestendigheid van de waterkering gegarandeerd blijft.

  • 4. Een activiteit aan een waterkering wordt uitgevoerd in de periode van 1 april tot 15 oktober.

Artikel 1.6.8 Stuwen

De eigenaren van stuwen stellen de stuw in op het peil dat door het algemeen bestuur is bepaald en houden dit peil in stand.

Artikel 1.6.9 Activiteiten in beperkingengebied specifieke toekomstige ontwikkelingen

Is een beperkingengebied gereserveerd voor specifieke toekomstige ontwikkelingen in verband met aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk? Dan neemt degene die een activiteit uitvoert in dat gebied contact op met het waterschap over de mogelijkheden in dit beperkingengebied.

HOOFDSTUK 2 VERANDERINGEN VAN HET WATERSYSTEEM OF EEN WEG IN BEHEER BIJ HET WATERSCHAP

Afdeling 2.1 Dempen

Artikel 2.1.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem.

  • 2.

    Oppervlaktewater en bergingsgebied:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater; en

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied.

Artikel 2.1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de volgende werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      het waterstaatswerk bergingsgebied.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op:

    • a.

      het dempen van een oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het versmallen van een oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      het ophogen of gedeeltelijk ophogen van een bergingsgebied.

Artikel 2.1.3 Meldingsplicht voor het dempen, versmallen of verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam

Het is verboden zonder melding een oppervlaktewaterlichaam te dempen, te versmallen of te verondiepen. Een oppervlaktewaterlichaam mag onder voorwaarden met een melding worden gedempt, versmald of verondiept. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het betreft een tertiair water; en

  • b.

    het water:

    • i.

      ligt niet in de beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      dient niet voor de afwatering van een weg; en

    • iii.

      heeft geen natuurvriendelijke oever; en

    • iv.

      heeft geen specifieke natuurdoelen; en

  • c.

    door het dempen wordt een water niet afgesloten van het watersysteem; en

  • d.

    door het versmallen of verondiepen wordt de doorstroming niet ontoelaatbaar belemmerd; en

  • e.

    het oppervlak van het water dat wordt gedempt, versmald of verondiept, wordt minimaal gelijkwaardig gecompenseerd in nieuw water. Het oppervlak zoals dat op de legger staat, is hierbij bepalend; en

  • f.

    compensatie vindt binnen hetzelfde peilgebied plaats:

    • i.

      een bestaand tertiair water wordt minimaal 0,50 meter verbreed; of

    • ii.

      een nieuw tertiair water wordt gegraven; of

    • iii.

      een bestaand tertiair water wordt minimaal 0,50 meter verbreed en een nieuw tertiair water wordt gegraven.

Artikel 2.1.4 Voorschriften bij een melding voor het dempen, versmallen of verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam

Uit artikel 2.1.3 blijkt dat met een melding een oppervlaktewaterlichaam mag worden gedempt, versmald of verondiept. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    nieuwe oevertaluds die door het dempen, versmallen of verondiepen zijn ontstaan, worden op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking beschermd; en

  • b.

    de compensatie gebeurt van tevoren of tijdens het dempen, versmallen of verondiepen; en

  • c.

    (hemelwater)afvoeren van aanliggende percelen behouden hun werking. Dit gebeurt zo nodig in overleg met de eigenaren of gebruikers van de afvoeren.

Artikel 2.1.5 Specifieke indieningsvereisten melding

Bij het indienen van een melding worden de volgende gegevens aangeleverd:

  • a.

    de algemene gegevens zoals genoemd in afdeling 1.5; en

  • b.

    de afmetingen van het water dat wordt gedempt, versmald of verondiept; en

  • c.

    de afmetingen van de compensatie die wordt gerealiseerd.

Artikel 2.1.6 Vergunningplicht bij het dempen, versmallen of verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 2.1.2? En Is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.1.3 of de voorschriften in artikel 2.1.4? Dan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam te dempen, te versmallen of te verondiepen.

Artikel 2.1.7 Vergunningplicht bij het ophogen of gedeeltelijk ophogen van een bergingsgebied

Het is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bergingsgebied op te hogen of gedeeltelijk op te hogen.

Artikel 2.1.8 Verwijzing naar andere regelgeving

Bij het dempen van water vindt de compensatie plaats volgens de regels in afdeling 2.2. afdeling 2.2 gaat over het graven van een oppervlaktewaterlichaam.

Afdeling 2.2 Graven

Artikel 2.2.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan; en

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • c.

      het uitvoeren van het onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 4.

    Wegen: het waarborgen van de verkeersveiligheid en de veiligheid van de weg en van de omgeving.

Artikel 2.2.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op het beheergebied van Waterschap Rivierenland.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het graven van een oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.2.3 Vrijstelling graven

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een water worden gegraven en aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

  • a.

    een water wordt gegraven:

    • i.

      niet in een waterkering of beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      niet langs een weg van het waterschap; en

  • b.

    het water wordt niet aangesloten op het watersysteem van het waterschap en staat ook niet in verbinding met dat watersysteem.

Artikel 2.2.4 Meldingsplicht graven of verbreden van water

  • 1. Het is verboden zonder melding een oppervlaktewaterlichaam te graven. Een oppervlaktewaterlichaam mag onder voorwaarden met een melding worden gegraven. De voorwaarden zijn:

    • a.

      een water wordt gegraven:

      • i.

        niet in een waterkering of beschermingszone van een waterkering; en

      • ii.

        niet langs een weg van het waterschap; en

      • iii.

        niet voor een insteekhaven in de Giessenzoom; en

    • b.

      het water wordt aangesloten op een ander oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      er ontstaat geen verbinding tussen verschillende peilgebieden.

  • 2. Het is verboden zonder melding een oppervlaktewaterlichaam te verbreden. Een oppervlaktewaterlichaam mag onder voorwaarden met een melding worden verbreed. De voorwaarden zijn:

    • a.

      het gaat om tertiair water; en

    • b.

      een water wordt verbreed:

      • i.

        niet in een waterkering of beschermingszone van een waterkering; en

      • ii.

        niet langs een weg van het waterschap; en

    • c.

      er ontstaat geen verbinding tussen verschillende peilgebieden.

  • 3. In de Giessenzoom is het verboden zonder melding een insteekhaven te graven en te hebben. Een insteekhaven mag onder voorwaarden met een melding worden gegraven en aanwezig zijn in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de insteekhaven wordt niet gegraven in de waterkering of beschermingszone van een waterkering; en

    • b.

      de insteekhaven sluit aan op de Giessen; en

    • c.

      er is maximaal één insteekhaven per perceel.

Artikel 2.2.5 Voorschriften bij een melding van het graven of verbreden van een oppervlaktewaterlichaam

Uit artikel 2.2.3 blijkt dat met een melding een oppervlaktewaterlichaam mag worden gegraven of verbreed. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    taluds van een nieuw of verbreed water sluiten vloeiend aan op de taluds van een bestaand water; en

  • b.

    wordt er nieuw water gegraven? Dan is de helling van nieuwe taluds niet steiler dan 1:1; en

  • c.

    wordt een water verbreed? Dan is de helling minimaal gelijk aan de bestaande oeverhelling of flauwer; en

  • d.

    de taluds worden op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking beschermd; en

  • e.

    het nieuwe water wordt door een dam met duiker verbonden met een water dat in onderhoud is bij het waterschap. De dam met duiker heeft een bovenbreedte van minimaal 5,00 meter en voldoet aan de regels in afdeling 6.2; en

  • f.

    de bodembreedte van een nieuw water is minimaal 0,50 meter; en

  • g.

    een bestaand water wordt minimaal 0,50 meter verbreed; en

  • h.

    het water is minimaal 0,50 meter diep op het laagst vastgestelde peil; en

  • i.

    een bestaande onderhoudsroute blijft toegankelijk.

Artikel 2.2.6 Specifieke indieningsvereisten melding

Bij een melding van het graven of verbreden van een water worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening aangeleverd. Ook worden de volgende gegevens aangeleverd:

  • a.

    een situatietekening waarop de dammen met duikers staan aangeven die de onderhoudsroute in stand houden; en

  • b.

    diameter en materiaalkeuze van de duiker(s); en

  • c.

    de afmetingen van het nieuwe of verbrede oppervlaktewaterlichaam. Op voorbeeldtekening 1 in bijlage 3 staat aangegeven welke afmetingen moeten worden aangeleverd.

Artikel 2.2.7 Vergunningplicht voor het graven of verbreden van een oppervlaktewaterlichaam

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 2.2.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.2.3 of de voorschriften in artikel 2.2.5? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam te graven of te verbreden.

Afdeling 2.3 Natuurvriendelijke oever

Artikel 2.3.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem;

    • d.

      het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Overig:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken.

Artikel 2.3.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.

Artikel 2.3.3 Meldingsplicht voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever

Het is verboden zonder melding een natuurvriendelijke oever aan te leggen en te hebben. Een natuurvriendelijke oever mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in een secundair of tertiair water of in de beschermingzone van een secundair of tertiair water; en

    • i.

      de natuurvriendelijke oever is minimaal 25,00 meter lang; en

    • ii.

      het water is minimaal 0,50 meter diep op het hoogst vastgestelde peil; en

  • b.

    de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd:

    • i.

      niet in water dat door het waterschap wordt onderhouden; en

    • ii.

      niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering ; en

    • iii.

      niet langs een weg in beheer bij het waterschap; en

  • c.

    er wordt geen water gedempt of versmald; en

  • d.

    het doorstroomprofiel van het water wordt niet verkleind.

Artikel 2.3.4 Voorschriften bij een melding voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever

Uit artikel 2.3.3 blijkt dat met een melding een natuurvriendelijke oever mag worden aangelegd en aanwezig mag zijn. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de waterdoorvoer wordt niet belemmerd door beschadigingen of verzakkingen van de beschoeiing, het talud of maaiveld; en

  • b.

    een plas-drasoever heeft de volgende afmetingen:

    • i.

      de plas-drasoever is minimaal 2,00 meter breed; en

    • ii.

      de plas-drasoever is minimaal 0,30 meter tot maximaal 0,50 meter diep op het hoogst vastgestelde peil; en

    • iii.

      de helling van het talud onder de plas-drasoever is 1:3 of flauwer of afgewerkt met een beschoeiing (zie voorbeeldtekening 2 in bijlage 3); en

    • iv.

      de helling van het talud boven de plas-drasoever is 1:2 of flauwer (zie voorbeeldtekening 2 in bijlage 3); en

  • c.

    wordt de plas-drasoever achter een beschoeiing aangelegd? Dan heeft die beschoeiing om de 25,00 meter een opening van 1,00 meter breed; en

  • d.

    is de natuurvriendelijke oever geen plas-drasoever? Dan heeft het hele talud een helling van minimaal 1:3 (zie voorbeeldtekening 3 in bijlage 3); en

  • e.

    wordt er natte vegetatie aangebracht? Dan bestaat deze uit inheemse soorten.

Artikel 2.3.5 Specifieke indieningsvereisten melding

Bij een melding van de aanleg van een natuurvriendelijke oever worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening aangeleverd. Ook worden de volgende gegevens aangeleverd:

  • a.

    een dwarsprofiel van de oeverhellingen die worden aangelegd; en

  • b.

    een dwarsprofiel met breedte en diepte van de eventuele plas-drasoever; en

  • c.

    een bovenaanzicht van het water waarop de natuurvriendelijke oever wordt aangesloten.

Artikel 2.3.6 Vergunningplicht voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 2.3.2? En is niet voldaan aan de criteria in artikel 2.3.3 of de voorschriften in artikel 2.3.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen en te hebben.

Afdeling 2.4 Uitweg

Artikel 2.4.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 4.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 2.4.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het maken en hebben van een uitweg naar een openbare weg.

Artikel 2.4.3 Meldingsplicht uitweg

Het is verboden zonder melding een uitweg naar een openbare weg in beheer bij het waterschap aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben. Een uitweg mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de uitweg sluit aan op een erftoegangsweg. Op deze weg mag niet harder gereden worden dan 60 km per uur; en

  • b.

    de uitweg wordt niet wordt aangelegd op een waterkering; en

  • c.

    de uitweg is de enige toegang tot het perceel; en

  • d.

    de uitweg wordt niet voorzien van een asfaltlaag.

Artikel 2.4.4 Voorschriften bij meldingsplicht uitweg

Uit artikel 2.4.3 blijkt dat met een melding een uitweg naar een openbare weg in beheer bij het waterschap mag worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de uitweg is zo is gemaakt dat het voor de overige weggebruikers duidelijk is dat het een uitweg is. Het is duidelijk dat de uitweg geen zijweg of tak van een kruispunt is. De verkeersveiligheid blijft gewaarborgd; en

  • b.

    de eerste meter van de uitweg, gezien vanaf de openbare weg, heeft een andere verhardingssoort of kleur dan de openbare weg (zie voorbeeldtekening 4 in bijlage 3); en

  • c.

    de uitweg is:

    • i.

      bij woningen, ten behoeve van personenauto’s niet breder dan 3,50 meter; en

    • ii.

      bij (landbouw)bedrijven en landbouwpercelen, ten behoeve van landbouwvoertuigen of andere grote voertuigen (truck met oplegger) niet breder dan 8,00 meter; en

  • d.

    de aansluiting op de openbare weg heeft afgeschuinde hoeken. Deze hoeken zijn 45 graden en hebben een lengte van 1,50 meter in de rijrichting van de openbare weg (zie voorbeeldtekening 4 in bijlage 3); en

  • e.

    de uitweg sluit zo aan op de openbare weg dat:

    • i.

      de afwatering vanaf de openbare weg altijd ongehinderd kan plaatsvinden; en

    • ii.

      de uitweg onder een helling van minimaal 1:20 afwaterend van de weg komt te liggen; en

    • iii.

      er nu en in de toekomst geen hoogteverschil is met de bestaande wegverharding; en

  • f.

    de openbare weg ter hoogte van de aansluiting wordt schoon gehouden en in goede staat; en

  • g.

    boomwortels van bomen worden niet beschadigd; en

  • h.

    voor alle werkzaamheden aan bomen zoals het kappen, verplaatsen, en planten is vooraf toestemming nodig van het waterschap en van de eigenaar van de boom. Bij het aanleggen van een uitweg worden de aanwijzingen van de toezichthouder van het waterschap opgevolgd; en

  • i.

    het waterschap kan een vergoeding vragen van € 150,00 per boom om ons bomenareaal in stand te houden als herplant op dezelfde plek niet mogelijk is; en

  • j.

    verkeer heeft zo min mogelijk hinder van de werkzaamheden. De werkzaamheden worden duidelijk aangegeven, bijvoorbeeld met (waarschuwings)borden; en

  • k.

    degene die de uitweg aanlegt, voert minimaal één week voordat het werk begint overleg met Team Wegen over deze waarschuwingsborden; en

  • l.

    de wegafzettingen voldoen aan de CROW-publicatie 96b; en

  • m.

    degene die de uitweg aanlegt, betaalt de kosten voor het tijdelijk plaatsen of weghalen van verkeerstekens of verkeersborden; en

  • n.

    er wordt alleen tussen zonsopkomst en zonsondergang aan de aansluiting op de weg gewerkt. Wordt een gedeelte van de openbare weg opgebroken om de uitweg aan te sluiten? Dan moet dat gedeelte in ieder geval tussen zonsondergang en zonsopkomst weer dicht en verhard zijn; en

  • o.

    degene die de uitweg aanlegt, is verantwoordelijk voor alle verplichtingen die met deze melding te maken hebben, zoals het doen van een KLIC-melding; en

  • p.

    de werkzaamheden veroorzaken geen schade of overlast voor anderen.

Artikel 2.4.5 Vergunningplicht voor het maken van een uitweg

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 2.4.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.4.3 of de voorschriften in artikel 2.4.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg naar een openbare weg in beheer bij het waterschap aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Afdeling 2.5 Overige veranderingen van het watersysteem of een weg in beheer bij het waterschap

Artikel 2.5.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem;

    • d.

      het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;

    • c.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • d.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 4.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 2.5.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      het waterstaatswerk bergingsgebied; en

    • e.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • g.

      de beschermingszone overige waterkering; en

    • h.

      de buitenbeschermingszone primaire waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Ten slotte is de afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op een activiteit die leidt tot een verandering in het watersysteem of aan een weg die niet eerder genoemd is in dit hoofdstuk.

Artikel 2.5.3 Vangnetvergunningplicht veranderingen in het watersysteem

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit uit te voeren die leidt tot een verandering in het watersysteem of tot een verandering aan een weg in beheer bij het waterschap.

HOOFDSTUK 3 LOZINGSACTIVITEITEN

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1.1 Doelen

De regels in dit hoofdstuk zijn gericht op:

Algemeen:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem;

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem;

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk;

  • d.

    het voorkomen of beperken van verontreiniging van het grondwater of een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:

    • a.

      een oppervlaktewaterlichaam in het beheergebied van Waterschap Rivierenland; en

    • b.

      een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap.

  • 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten.

Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 3.2.1 Meldingsplicht voor het lozen van grondwater bij saneringen

Het is verboden zonder melding grondwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Grondwater mag onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit met het oog op doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het grondwater is afkomstig van:

    • i.

      een bodemsanering; of

    • ii.

      grondwatersanering; of

    • iii.

      een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering.

  • b.

    Wordt het grondwater geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam? Dan overschrijden de emissiegrenswaarden de waarden in Tabel 3.1 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK’s

    1 µg/l

    BTEX

    50 µg/l

    Vluchtige organohalogeen- verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 µg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 µg/l

    Minerale olie

    500 µg/l

    Cadmium

    4 µg/l

    Kwik

    1 µg/l

    Koper

    11 µg/l

    Nikkel

    41 µg/l

    Lood

    53 µg/l

    Zink

    120 µg/l

    Chroom

    24 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

  • c.

    Wordt het grondwater geloosd op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam? Dan overschrijden de emissiegrenswaarden de waarden in Tabel 3.2 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.2 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK’s

    1 µg/l

    Minerale olie

    50 µg/l

    Cadmium

    0,4 µg/l

    Kwik

    0,1 µg/l

    Koper

    1,1 µg/l

    Nikkel

    4,1 µg/l

    Lood

    5,3 µg/l

    Zink

    12 µg/l

    Chroom

    2,4 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    20 mg/l

    Benzeen

    2 µg/l

    Tolueen

    7 µg/l

    Ethylbenzeen

    4 µg/l

    Xyleen

    4 µg/l

    Monochloorbenzeen

    7 µg/l

    Dichloorbenzenen

    3 µg/l

    Trichloorbenzenen

    1 µg/l

     
     

    Tetrachlooretheen

    3 µg/l

    Trichlooretheen

    20 µg/l

    1,2-dichlooretheen

    20 µg/l

    1,1,1-trichloorethaan

    20 µg/l

    Vinylchloride

    8 µg/l

     
     

    Som van de laatste vijf genoemde stoffen

    20 µg/l

Artikel 3.2.2 Meldingsplicht voor het lozen van grondwater bij ontwatering

Het is verboden zonder melding grondwater afkomstig van ontwatering te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Grondwater afkomstig van ontwatering mag met het oog op doelmatig beheer van afvalwater onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het grondwater is afkomstig:

    • i.

      niet van een bodemsanering;

    • ii.

      niet van een grondwatersanering;

    • iii.

      niet van een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    het is geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • c.

    Voor onopgeloste stoffen in het grondwater dat wordt geloosd geldt:

    • i.

      de emissiegrenswaarde is 50 mg/l; en

    • ii.

      deze waarde wordt gemeten in een steekmonster; en

    • iii.

      deze emissiegrenswaarde is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

Artikel 3.2.3 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing. Een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen. Op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680. Voor vinylchloride kan alleen NEN-EN-ISO 15680 worden gebruikt;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885. De elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852. Kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 3.2.4 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van een lozing van grondwater zoals bedoeld in artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal twee weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal twee weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal twee weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

  • 3. Wordt er grondwater geloosd bij ontwatering? Dan gelden het eerste en tweede lid niet als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 3.3.1 Meldingsplicht lozen van afvloeiend hemelwater

  • 1. Het is verboden zonder melding afvloeiend hemelwater te lozen dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Dit met het oog op doelmatig beheer van afvalwater. Afvloeiend hemelwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd. De voorwaarden zijn:

    • a.

      het hemelwater is niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening; en

    • b.

      het hemelwater is geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • c.

      het is geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit.

  • 2. Is afvloeiend hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen die buiten de bebouwde kom liggen? Dan wordt het afvloeiend hemelwater alleen geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit is in afwijking van het eerste lid.

  • 3. Is afvloeiend hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen die buiten de bebouwde kom liggen? Dan wordt het afvloeiend hemelwater alleen geloosd op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit is in afwijking van het eerste lid. Het afvloeiend hemelwater wordt via een deugdelijke behandelvoorziening geloosd.

Artikel 3.3.2 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Minimaal zes maanden voor de voorgenomen aanleg van rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 aan het bestuur van deze waterschapsverordening aangeleverd. Ook worden de volgende gegevens minimaal zes maanden voor de start van de aanleg van rijkswegen en provinciale wegen die buiten de bebouwde kom liggen en bruggen, viaducten en andere kunstwerken die daarbij horen, aangeleverd:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van rijkswegen of provinciale wegen buiten de bebouwde kom of bruggen, viaducten en andere kunstwerken die daarbij horen? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal zes maanden voor de lozingsactiviteit aangeleverd.

Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 3.4.1 Vrijstelling lozen van huishoudelijk afvalwater

Is voldaan aan onderstaande voorwaarde? Dan mag zonder melding huishoudelijk afvalwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarde is dat de lozing plaatsvindt:

  • a.

    vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

  • b.

    op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 3.4.2 Meldingsplicht lozen van huishoudelijk afvalwater

Het is verboden zonder melding huishoudelijk afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam. Huishoudelijk afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het lozen vindt plaats buiten de bebouwde kom; of

  • b.

    er wordt stedelijk afvalwater geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten; en

  • c.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten, bedraagt meer dan:

    • i.

      40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; of

    • ii.

      100 meter bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; of

    • iii.

      600 meter bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; of

    • iv.

      1.500 meter bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; of

    • v.

      3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • d.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk, bedoeld onder c wordt berekend:

    • i.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • ii.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • e.

    wordt er al voor 1 maart 1997 huishoudelijk afvalwater geloosd in een oppervlaktewaterlichaam? Dan wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt. Dit is in afwijking van het bepaalde onder d onder i.

Artikel 3.4.3 Meldingsplicht zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

Het is verboden zonder melding huishoudelijk afvalwater dat wordt geleid via een zuiveringsvoorziening te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam. Huishoudelijk afvalwater dat wordt geleid via een zuiveringsvoorziening mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    wordt het huishoudelijk afvalwater geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam? Dan overschrijden de emissiegrenswaarden de waarden in Tabel 3.3 niet. De waarden worden gemeten in een representatief etmaalmonster of een steekmonster; of

    Tabel 3.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • b.

    wordt het huishoudelijk afvalwater geloosd op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam? Dan overschrijden de emissiegrenswaarden de waarden in Tabel 3.4 niet. De waarden worden gemeten in een representatief etmaalmonster of een steekmonster; en

    Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    20 mg/l

    40 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

  • c.

    bevat het huishoudelijke afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten? En wordt dit huishoudelijk afvalwater door een septictank geleid waar het gemengd wordt met ander afvalwater? Dan is het bepaalde onder a en b niet van toepassing als de septictank:

    • i.

      een nominale inhoud heeft van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en een hydraulisch rendement heeft van maximaal 10 gram, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • ii.

      is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 3.4.4 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing. Een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen. Op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    • d.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • e.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • f.

      voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 3.4.5 Specifieke indieningsvereisten

Bij een melding van een lozing van huishoudelijk afvalwater zoals bedoeld in artikel 3.4.2 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

  • a.

    het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

  • b.

    de wijze van behandeling van het afvalwater; en

  • c.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.5 Lozen van koelwater

Artikel 3.5.1 Meldingsplicht lozen van koelwater

Het is verboden zonder melding koelwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving mag onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit met het oog op doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd; en

  • b.

    de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; of

  • c.

    de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.5.2 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van een lozing van koelwater zoals bedoeld in artikel 3.5.1 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren en slopen van bouwwerken

Artikel 3.6.1 Vrijstelling lozen van afvalwater bij reinigen en conserveren

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het afwassen met water; of

  • b.

    het afvalwater is afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van maximaal 200 bar; of

  • c.

    het afwater is afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Artikel 3.6.2 Meldingsplicht bij reinigen en conserveren van bouwwerken

Het is verboden zonder melding afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van een bouwwerk mag onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er is een werkinstructie opgesteld; en

  • b.

    de werkinstructie bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • i.

      welke technieken worden toegepast;

    • ii.

      welke stoffen kunnen vrijkomen; en

    • iii.

      welke stoffen worden gebruikt.

  • c.

    er wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt. De hulpconstructie is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen; en

  • d.

    wordt er een hulpconstructie gebruikt? Dan bevat de werkinstructie ook de volgende informatie:

    • i.

      de manier waarop de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; en

    • ii.

      de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd en de omvang van de hulpconstructie;

    • iii.

      of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;

    • iv.

      de manier waarop afvalwater wordt opgevangen als natte technieken worden gebruikt; en

    • v.

      de aanvullende maatregelen die worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 3.6.3 Meldingsplicht bij bouwen, renoveren en slopen van bouwwerken

Het is verboden zonder melding afvalwater afkomstig van het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater afkomstig van het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken mag onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er is een werkinstructie opgesteld; en

  • b.

    de werkinstructie bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • i.

      de manier waarop wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en

    • ii.

      de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 3.6.4 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3. Deze waarde wordt gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 3.6.5 Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 3.6.6 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van een lozing van afvalwater afkomstig van het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken zoals bedoeld in artikel 3.6.2 en artikel 3.6.3 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverording minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie zoalsbedoeld in artikel 3.6.2; of

    • b.

      voor het lozen afkomstig van het bouwen, renoveren of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie zoals bedoeld in artikel 3.6.3.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 3.7.1 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd als deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof dat geen lege, ongereinigde verpakkingen is van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels die geen oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels zijn;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 3.7.2 Vrijstelling lozen bij opslaan van inerte goederen

Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen mag zonder melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater.

Artikel 3.7.3 Vrijstelling lozen bij overslaan van inerte goederen

  • 1. Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

    • a.

      er wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen in of op een oppervlaktewaterlichaam terecht komen;

    • b.

      bij het laden en lossen van schepen is in ieder geval voldaan aan het bepaalde onder a als:

      • i.

        de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is en in ieder geval niet groter is dan 5 meter; of

      • ii.

        het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 2. De voorwaarden in het eerste lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.

Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen

Artikel 3.8.1 Meldingsplicht lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen

In aanvulling op artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden zonder melding afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd is minimaal 40 meter. Dit is gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en

  • b.

    de emissiegrenswaarden overschrijden de waarden in Tabel 3.5 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.5 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde

    Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink

    1 mg/l

    Minerale olie

    20 mg/l

    Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

    50 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Som van stikstofverbindingen

    10 mg/l

    Som van fosforverbindingen

    2 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

Artikel 3.8.2 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing. Een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen. Op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • d.

      voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885. Daarbij worden de elementen ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • e.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • f.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;;

    • g.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • h.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • i.

      voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 3.8.3 Meldingsplicht lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen in of op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    dat het gaat om:

    • i.

      het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;

    • ii.

      het overslaan van zout voor het strooien op wegen;

    • iii.

      het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk;

    • iv.

      het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

  • b.

    bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam terecht komen.

  • c.

    bij het laden en lossen van schepen is in ieder geval voldaan aan het bepaalde onder b als:

    • i.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is en in ieder geval niet groter is dan 5 meter; of

    • ii.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 3.8.4 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van een lozing van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen zoals bedoeld in artikel 3.8.1 en het lozen van afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen zoals bedoeld in artikel 3.8.3 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:

    • a.

      zout voor het strooien op wegen;

    • b.

      niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • c.

      niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 3.9.1 Vrijstelling lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

  • b.

    het openbaar ontwateringsstelsel, het openbaar hemelwaterstelsel of het openbaar vuilwaterriool komen voor op het overzicht van voorzieningen en maatregelen zoals bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet. Dit overzicht is opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma.De stelsels of dat riool zijn volgens dat plan of programma uitgevoerd en worden volgens dat plan of programma beheerd.

Artikel 3.9.2 Vrijstelling lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem zoals bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het gaat om een systeem zoals bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet;

  • b.

    het systeem komt voor op het overzicht van die systemen. Dit overzicht is opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma

  • c.

    het systeem is volgens dat plan of programma uitgevoerd en wordt volgens dat plan en programma beheerd.

Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 3.10.1 Meldingsplicht lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden

Het is verboden zonder melding stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden van een oppervlaktewaterlichaam te lozen op dat oppervlaktewaterlichaam. Stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden van een oppervlaktewaterlichaam mogen met een melding worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 3.10.2 Vrijstelling lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.10.1 en artikel 3.10.4 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer mogen zonder melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 3.10.3 Vrijstelling lozen van algen en bacteriën

Is aan onderstaande voorwaarden voldaan? Dan mogen zonder melding algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het andere water is in beheer bij dezelfde waterbeheerder;

  • b.

    de werkzaamheden vinden plaats door of namens de beheerder;

  • c.

    de werkzaamheden vinden plaats in het kader van het beheer van dat water.

Artikel 3.10.4 Meldingsplicht bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden bij verontreinigde waterbodem

Het is verboden zonder melding stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, te lozen op dat oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam. Stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, mogen onder voorwaarden met een melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er is een werkinstructie opgesteld;

  • b.

    de werkinstructie bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • i.

      de baggertechniek die wordt toegepast; en

    • ii.

      de gehanteerde werkwijze bij die baggertechniek.

Artikel 3.10.5 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van het lozen van stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 3.10.1 en artikel 3.10.4 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de kwaliteit van de waterbodem die wordt ontgraven of gebaggerd;

    • b.

      heeft de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit: de werkinstructie zoals bedoeld in artikel 3.10.4; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing:

    • a.

      als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder; of

    • b.

      als de ontgraving of baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van een onderhoudsverplichting zoals bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 3.11.1 Vrijstelling lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen

  • 1. Afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit mag zonder melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater.

  • 2. Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 3.12.1 Meldingsplicht lozen bij calamiteitenoefeningen

Het is verboden zonder melding afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening mag met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. Het afvalwater is niet af afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.12.2 Specifieke indieningsvereisten

Bij een melding van een lozing van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening zoals bedoeld in artikel 3.12.1 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

  • a.

    of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en

  • b.

    welke stoffen dat blusschuim bevat.

Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen

Artikel 3.13.1 Meldingsplicht lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit in aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw dat geen kas is; en

  • b.

    het perceel waar het afvalwater vrijkomt, is niet aangesloten op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd; en

  • c.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool is meer dan 40 meter; en

  • d.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk, bedoeld onder c wordt berekend:

    • i.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en

    • ii.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd; en

  • e.

    de waarden voor het afvalwater dat wordt geloosd, overschrijden de emissiegrenswaarden in Tabel 3.6 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster; en

    Tabel 3.6 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

  • f.

    is de lozing begonnen voor 1 januari 2013? Dan wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Dit in afwijking van het bepaalde onder d.

Artikel 3.13.2 Meldingsplicht lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit in aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen; en

  • b.

    het perceel waar het afvalwater vrijkomt, is niet aangesloten op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd; en

  • c.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool is meer dan 40 meter; en

  • d.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk, bedoeld onder c wordt berekend:

    • i.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en

    • ii.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd; en

  • e.

    de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen in het afvalwater is 100 mg/l. De waarde wordt gemeten in een steekmonster;

  • f.

    is de lozing begonnen voor 1 januari 2013? Dan wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Dit in afwijking van het bepaalde onder d.

Artikel 3.13.3 Meldingsplicht lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit in aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen; en

  • b.

    de waarden voor het afvalwater dat wordt geloosd, overschrijden de emissiegrenswaarden in Tabel 3.7 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster.

    Tabel 3.7 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

Artikel 3.13.4 Meldingsplicht lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

  • 1. Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

    • a.

      het afvalwater is afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten; en

    • b.

      de waarden voor het afvalwater dat wordt geloosd, overschrijden de emissiegrenswaarden in Tabel 3.8 niet. De waarden worden gemeten in een steekmonster.

      Tabel 3.8 Emissiegrenswaarden

      Stof

      Emissiegrenswaarde

      Chloride

      200 mg/l

      IJzer

      2 mg/l

  • 2. De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 3.13.5 Meldingsplicht lozen bij ontijzeren grondwater

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten; en

  • b.

    het perceel waar het afvalwater vrijkomt, is niet aangesloten op een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd; en

  • c.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool is meer dan 40 meter; en

  • d.

    de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk, bedoeld onder c wordt berekend:

    • i.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt; en

    • ii.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd; en

  • e.

    de emissiegrenswaarde voor ijzer in het afvalwater is 5 mg/l. De waarde wordt gemeten in een steekmonster;

  • f.

    is de lozing begonnen voor 1 januari 2013? Dan wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Dit in afwijking van het bepaalde onder d.

Artikel 3.13.6 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing. Een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; en

    • b.

      onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en

    • c.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • d.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; en

    • e.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2

Artikel 3.13.7 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van het lozen van afvalwater zoals bedoeld in artikel 3.13.1, artikel 3.13.2, artikel 3.13.3, artikel 3.13.4 en artikel 3.13.5 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Artikel 3.14.1 Meldingsplicht lozen afvalwater bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Het is verboden zonder melding afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via een andere route. Dit in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. De voorwaarden zijn:

  • a.

    in het omgevingsplan is voor het afvalwater onder b een andere lozingsroute toegestaan; en

  • b.

    het afvalwater is afkomstig van:

    • i.

      het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel; of

    • ii.

      het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd; of

    • iii.

      het uitwassen van beton.

Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 3.15.1 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie zoals bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gaat het om afvalwater dat afkomstig is van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht? Dan is deze afdeling wel van toepassing.

Artikel 3.15.2 Meldingsplicht lozen afvalwater na bereiden van voedingsmiddelen

Het is verboden zonder melding afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater is afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen; en

  • b.

    het bereidenvindt plaats met:

    • i.

      grootkeukenapparatuur;

    • ii.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • iii.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt; en

  • c.

    het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd;

  • d.

    het afvalwater wordt alleen geloosd als de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en activiteiten die daarmee samenhangen.

Artikel 3.15. Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van het lozen van afvalwater zoals bedoeld in artikel 3.15.2 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 3.16.1 Meldingsplicht lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Het is verboden zonder melding spuiwater uit recreatieve visvijvers te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Spuiwater uit recreatieve visvijvers mag met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater met een melding worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.16.2 Specifieke indieningsvereisten

  • 1. Bij een melding van het lozen van spuiwater zoals bedoeld in artikel 3.16.1 worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Daarbij wordt ook de aard en omvang van de lozing gemeld.

  • 2. Wijzigt de lozingsactiviteit? Dan worden de gewijzigde gegevens minimaal vier weken voor de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur.

Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 3.17.1 Vrijstelling lozen van spoelwater

Afvalwater afkomstig van een vaartuig of een drijvend werktuig mag zonder melding op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het afvalwater komt vrij bij het spoelen van zeezand tijdens het transport van zeezand met een vaartuig of werktuig; of

  • b.

    het afvalwater komt vrij bij het scheiden van zand of grind op een vaartuig of werktuig.

Afdeling 3.18 Asverstrooiing

Artikel 3.18.1 Vrijstelling asverstrooiing

As mag onder voorwaarden zonder melding op een oppervlaktewaterlichaam worden verstrooid. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de as wordt verstrooid door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft zoals bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging; en

  • b.

    de as wordt incidenteel verstrooid en niet bedrijfsmatig.

Afdeling 3.19 Andere lozingen

Artikel 3.19.1 Vangnetvergunningplicht lozen op een oppervlaktewaterlichaam

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning stoffen, koude of warmte te lozen op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen, koude of warmte die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het lozen zoals bedoeld in afdeling 3.2 tot en met afdeling 3.18;

    • c.

      het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

    • d.

      het lozen van stoffen, koude of warmte die afkomstig zijn van wonen.

Artikel 3.19.2 Vangnetvergunningplicht lozen op een zuiveringtechnisch werk

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

  • 2. Het verbod voor het lozen op een zuiveringtechnisch werk geldt niet voor het lozen van stoffen, water, koude of warmte die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 3.20 Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Artikel 3.20.1 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening minimaal vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit aangeleverd aan het bestuur. Daarnaast wordt de volgende informatie verstrekt:

  • a.

    het debiet in kubieke meters per uur van het afvalwater dat wordt geloosd;

  • b.

    de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;

  • c.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • d.

    een riooltekening;

  • e.

    de locaties van de lozingspunten;

  • f.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • g.

    een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;

  • h.

    de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;

  • i.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd. De bepaling van de waterbezwaarlijkheid wordt verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek zoals bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • j.

    de resultaten van de immissietoets voor destoffen die worden geloosd. De immissietoets wordt verricht volgens het Handboek Immissietoets zoals bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • k.

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

Artikel 3.20.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.20.3 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.21 Lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied

Artikel 3.21.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;

    • c.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • d.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 3.21.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      het waterstaatswerk bergingsgebied; en

    • e.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • g.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het tijdelijk lozen van water; en

    • b.

      het plaatsen of behouden van een lozingsvoorziening.

Artikel 3.21.3 Meldingsplicht voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam of het plaatsen of hebben van een lozingsvoorziening

Het is verboden zonder melding water te lozen op of een lozingsvoorziening te plaatsen of te behouden in een oppervlaktewaterlichaam. Water mag onder voorwaarden met een melding worden geloosd of een lozingsvoorziening mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst of aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het is geen lozing van hemelwater of een lozingsvoorziening daarvoor; en

  • b.

    het is geen lozing van rioolwater uit een gemeentelijke riolering of een lozingsvoorziening daarvoor; en

  • c.

    door de lozing ontstaat geen wateroverlast; en

  • d.

    er wordt maximaal 250 m³ per uur geloosd in een primair water; of

  • e.

    er wordt maximaal 100 m³ per uur geloosd in een secundair of tertiair water.

Artikel 3.21.4 Voorschriften bij meldingsplicht voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam of het plaatsen of hebben van een lozingsvoorziening

Degene die de activiteiten uitvoert als beschreven in artikel 3.21.3:

  • a.

    zorgt dat de activiteiten de waterdoorstroming niet ontoelaatbaar belemmeren; en

  • b.

    beschermt de taluds en de bodem tegen uitspoeling en inzakking; en

  • c.

    bij een tijdelijke lozingsvoorziening:

    • i.

      behoudt de voorziening niet langer dan nodig; en

    • ii.

      gebruikt een constructie die binnen 24 uur kan worden verwijderd; en

    • iii.

      verwijdert de voorziening als dat nodig is voor het uitvoeren van beheer- en onderhoudswerkzaamheden; of

  • d.

    bij een permanente lozingsvoorziening:

    • i.

      legt de voorziening aanbuiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam en verzonken in het talud; en

    • ii.

      voorkomt door fundering van de lozingsvoorziening dat deze verzakt; en

    • iii.

      zorgt dat de beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakelsblijft; en

    • iv.

      zorgt dat er geen schade aan ondergronds leidingwerk kan ontstaan tijdens onderhoudswerkzaamheden; en

    • v.

      voorkomt uitspoeling van het talud door uitmondingen van drainageleidingen te voorzien van een taludgoot; de taludgoot komt minimaal tot aan het laagst gehanteerde peil; en

    • vi.

      past bij uitstroomvoorziening type A voorbeeldtekening 5 in bijlage 3 toe; of

    • vii.

      past bij uitstroomvoorziening type B voorbeeldtekening 6 in bijlage 3 toe.

Artikel 3.21.5 Vergunningplicht voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied of het plaatsen of hebben van een lozingsvoorziening

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 3.21.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.21.3 of de voorschriften in artikel 3.21.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen op een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied of een lozingsvoorziening te plaatsen of te hebben.

Afdeling 3.22 Afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied

Artikel 3.22.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied;

    • c.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • d.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 3.22.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      het waterstaatswerk bergingsgebied.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.22.3 Vrijstelling voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam worden afgevoerd door versnelde afvoer vanaf nieuw verhard oppervlak. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er is niet eerder gebruik gemaakt van een vrijstelling voor het afvoeren van hemelwater naar een water door het aanbrengen van gesloten verharding:

    • i.

      niet voor het betreffende perceel; en

    • ii.

      niet voor het grotere planologische geheel of inrichting; en

  • b.

    de toename van verhard oppervlak bedraagt:

    • i.

      niet meer dan 500 m² binnen de bebouwde kom; of

    • ii.

      niet meer dan 1.500 m² buiten de bebouwde kom.

Artikel 3.22.4 Vrijstelling voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door het afkoppelen van het hemelwater van het vuilwaterriool

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning hemelwater worden afgekoppeld van het vuilwaterriool. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er is geen nieuwe verharding in het gemeentelijke afkoppelplan opgenomen; en

  • b.

    de totale hoeveelheid verhard oppervlak bedraagt minder dan 50% ten opzichte van het huidige rioolbemalingsgebied; en

  • c.

    de totale hoeveelheid af te koppelen verharding bedraagt 500 m² of minder; en

  • d.

    de nieuwe lozingspunten bevinden zich binnen het peilgebied waar de huidige riooloverstorten zitten.

Artikel 3.22.5 Meldingsplicht voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door het afkoppelen van het hemelwater van het vuilwaterriool

Het is verboden zonder melding hemelwater versneld af te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater mag onder voorwaarden met een melding worden afgevoerd naar een oppervlaktewaterlichaam door het afkoppelen daarvan van het vuilwaterriool. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het is onderdeel van een gemeentelijk plan voor het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering; en

  • b.

    er is geen nieuwe verharding in het afkoppelplan opgenomen; en

  • c.

    de totale hoeveelheid verhard oppervlak bedraagt minder dan 50% ten opzichte van het huidige rioolbemalingsgebied; en

  • d.

    de totale hoeveelheid af te koppelen verharding bedraagt meer dan 500 m²; en

  • e.

    de nieuwe lozingspunten bevinden zich binnen het peilgebied waar de huidige riooloverstorten zich bevinden; en

  • f.

    de nieuwe lozingspunten worden aangebracht in primaire wateren.

Artikel 3.22.6 Voorschriften voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam

Uit artikel 3.22.3, artikel 3.22.4 en artikel 3.22.5 blijkt dat hemelwater afgevoerd mag worden naar een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    in het talud wordt een uitstroomvoorziening aangebracht; en

  • b.

    de uitstroomvoorziening kan:

    • i.

      niet beschadigen; en

    • ii.

      niet verzakken; en

    • iii.

      niet op een andere manier de waterdoorvoer in het oppervlaktewaterlichaam nadelig beïnvloeden; en

  • c.

    bij uitstroomvoorziening type A geldt voorbeeldtekening 5 in bijlage 3; of

  • d.

    bij uitstroomvoorziening type B geldt voorbeeldtekening 6 in bijlage 3; en

  • e.

    als er volgens artikel 3.22.5 een meldingsplicht geldt, dan wordt door hydrologische berekeningen aangetoond dat de aanwezige kunstwerken in de relevante water de verhoogde afvoer aankunnen geleiden.

Artikel 3.22.7 Nadere specifieke indieningsvereisten bij het melden van het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door het afkoppelen van het hemelwater van het vuilwaterriool

Bij het melden van het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door het afkoppelen van het hemelwater van het vuilwaterriool worden de de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening aangeleverd aan het bestuur. Ook worden de volgende gegevens aangeleverd aan het bestuur:

  • a.

    de situatietekening zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening met daarbij duidelijk aangegeven:

    • i.

      locatie bestaande en nieuwe rioollozingspunten; en

    • ii.

      af te koppelen verharding, hoeveelheid m² verharding; en

    • iii.

      afmetingen en constructie van het lozingspunt; en

  • b.

    de hydrologische berekeningen van de kunstwerken in de relevante water.

Artikel 3.22.8 Vergunningplicht bij het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 3.22.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.22.3, artikel 3.22.4 en artikel 3.22.5 en de voorschriften in artikel 3.22.6? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning hemelwater af te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied. Wordt de waterberging door werkzaamheden minder? Of wordt het watersysteem door de waterafvoer zwaarder belast dan voorheen? Dan treft de vergunninghouder compenserende maatregelen. Binnen hetzelfde peilgebied wordt zo dicht mogelijk bij de ingreep eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven. Onder waterberging wordt verstaan de hoeveelheid water (in m3) die in het oppervlaktewaterlichaam verzameld kan worden boven het zomer(boezem)peil of in het bergingsgebied verzameld kan worden.

HOOFDSTUK 4 WATER ONTTREKKEN OF WATER INFILTREREN

Afdeling 4.1 Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 4.1.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 4.1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam met een onttrekkingsvoorziening.

Artikel 4.1.3 Vrijstelling voor het onttrekken van oppervlaktewater

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een onttrekkingsvoorziening voor het onttrekken van water worden geplaatst, vervangen, gebruikt en aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er wordt water onttrokken voor veedrenking , droogtebestrijding of nachtvorstberegening; en

  • b.

    er wordt water onttrokken uit:

    • i.

      een primair water met een maximaal debiet van 30 m³ per uur; of

    • ii.

      een secundair water met een maximaal debiet van 10 m³ per uur; of

    • iii.

      een tertiair water met een maximaal debiet van 5 m³ per uur.

Artikel 4.1.4 Voorschriften bij de vrijstelling voor het onttrekken van oppervlaktewater

Uit artikel 4.1.3 blijkt dat met een onttrekkingsvoorziening water mag worden onttrokken aan een primair, secundair of tertiair oppervlaktewater. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    een tijdelijke onttrekkingsvoorziening voor het onttrekken van oppervlaktewater:

    • i.

      blijft niet langer dan noodzakelijk aanwezig; en

    • ii.

      is niet aanwezig tussen 1 november en 1 maart; en

    • iii.

      kan binnen 24 uur worden verwijderd. Bijvoorbeeld bij een calamiteit of op eerste aanwijzing van de toezichthouder in verband met beheer- en onderhoudswerkzaamheden; en

    • iv.

      gaat het om een drijvende onttrekkingsvoorziening? Dan heeft deze duidelijk zichtbare drijvers.

  • b.

    een permanente onttrekkingsvoorziening voor het onttrekken van oppervlaktewater:

    • i.

      ligt buiten het water; en

    • ii.

      wordt er gebruik gemaakt van een pompput? Dan ligt de pompput buiten de beschermingszone van het water; en

    • iii.

      ligt op zo’n manier dat deze niet meer verzakt dan de natuurlijke maaivelddaling; en

    • iv.

      ligt op zo’n manier dat de onttrekkingsvoorziening het onderhoud van het water niet belemmert; en

    • v.

      heeft de onttrekkingsvoorziening ondergrondse leidingwerk in de beschermingszone van het water? Dan ligt dit op zo’n manier dat er geen schade kan ontstaan tijdens onderhoudswerkzaamheden; en

    • vi.

      wordt uitgevoerd volgens voorbeeldtekening 7 en voorbeeldtekening 8 in bijlage 3. Deze voorbeeldtekeningen zijn uitgangspunt voor de uitvoering.

Artikel 4.1.5 Vergunningplicht voor het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam

Is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 4.1.3 of de voorschriften in artikel 4.1.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een onttrekkingsvoorziening te plaatsen, te vervangen, te gebruiken en te hebben voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Afdeling 4.2 Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water in de bodem

Artikel 4.2.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

Grondwater:

  • a.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van uitputting van de grondwatervoorraad;

  • b.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van ongewenste toename van kwel;

  • c.

    het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de belangen die bij het grondwaterbeheer zijn betrokken;

  • d.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van:

    • i.

      een wijziging van de grondwaterstromen;

    • ii.

      verspreiding van verontreinigingen;

    • iii.

      verspreiding van koude- en warmtebellen;

  • e.

    het voorkomen of ongedaan maken van doorboring van slecht doorlatende bodemlagen;

  • f.

    het in stand houden of verbeteren van de aanwezige grondwaterkwaliteit;

  • g.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van het opbarsten van de waterbodem;

  • h.

    het voorkomen, beperken of ongedaan maken van verzilting van zoet grondwater;

  • i.

    het voorkomen van negatieve invloed op de grondwaterstand die voor het grondgebruik gewenst is.

Artikel 4.2.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op het gehele beheergebied van het waterschap.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op:

    • a.

      het onttrekken van grondwater; en

    • b.

      het in de bodem brengen van water om grondwater aan te vullen, in samenhang met het onttrekken van grondwater. Het onttrekken van grondwater gebeurt met een voorziening die daarvoor is bedoeld.

Artikel 4.2.3 Vrijstelling voor het onttrekken van grondwater

  • 1. Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning grondwater worden onttrokken. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de onttrekking vindt niet plaats in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

    • b.

      het grondwater wordt gebruikt voor particuliere woningen en tuinen; en

      • i.

        de totale capaciteit van de geïnstalleerde pompen bedraagt maximaal 10 m³ per uur; en

      • ii.

        de hoeveelheid grondwater die jaarlijks wordt opgepompt, bedraagt maximaal 12.000 m³ per jaar; of

    • c.

      het grondwater wordt in noodsituaties gebruikt als brandblusvoorziening.

  • 2. Er geldt geen meet- en rapportageplicht voor het onttrekken van grondwater zoals genoemd in dit artikel.

Artikel 4.2.4 Meldingsplicht voor het onttrekken van grondwater

Het is verboden zonder melding grondwater te onttrekken in het gebied van het waterschap. Grondwater mag onder voorwaarden met een melding worden onttrokken. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de onttrekking vindt niet plaats in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

  • b.

    is de onttrekking bedoeld voor bouwputbemaling, proefbemaling of grondsanering? En vindt de onttrekking plaats in de provincie Gelderland of de provincie Noord-Brabant? Dan mag grondwater worden onttrokken:

    • i.

      niet meer dan 250 m³ per uur; en

    • ii.

      niet meer dan 100.000 m³ per maand; en

    • iii.

      niet langer dan 6 maanden; of

  • c.

    is de onttrekking bedoeld voor bouwputbemaling, proefbemaling of grondsanering? En vindt de onttrekking vindt plaats in de provincie Utrecht of de provincie Zuid-Holland? Dan mag grondwater worden onttrokken:

    • i.

      niet meer dan 60 m³ per uur; en

    • ii.

      niet meer dan 40.000 m³ per maand; en

    • iii.

      niet langer dan 6 maanden; of

  • d.

    is de onttrekking bedoeld voor grondwatersanering? Dan mag grondwater worden onttrokken:

    • i.

      niet meer dan 20 m³ per uur; en

    • ii.

      niet meer dan 100.000 m³; en

    • iii.

      niet langer dan 10 jaar; of

  • e.

    is de onttrekking bedoeld voor beregening, veedrenking of bevloeiing? Dan mag grondwater worden onttrokken:

    • i.

      niet voor de glastuinbouw; en

    • ii.

      niet voor de pot- en containerteelt; en

    • iii.

      de totale capaciteit van de geïnstalleerde pompen bedraagt maximaal 60 m³ per uur, of

  • f.

    is de ontrekking bedoeld voor menselijke consumptie? Dan mag grondwater worden onttrokken:

    • i.

      niet meer dan 10 m³ per dag of voor maximaal 50 personen; en

    • ii.

      wordt er grondwater onttrokken voor menselijke consumpie in de provincie Utrecht? Dan voert de eigenaar van de onttrekking van grondwater een risicoanalyse van de omgeving van de grondwateronttrekking uit. Dit gebeurt voor aanvang van de grondwaterwinning.

  • g.

    staat de reden voor onttrekking niet onder b tot en met f? Dan mag grondwater worden onttrokken onder de volgende voorwaarden:

    • i.

      niet meer dan 10 m3 per uur; en

    • ii.

      niet meer dan 50.000 m³ per jaar; en

    • iii.

      het is geen permanente voorziening voor het drooghouden van ondergrondse bouwwerken.

Artikel 4.2.5 Voorschriften bij het melden onttrekken van grondwater

Uit artikel 4.2.4 blijkt dat met een melding grondwater mag worden onttrokken in het gebied van het waterschap.

  • 1.

    Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens protocol van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) Beoordelingsrichtlijn (BRL) 2101; en

    • b.

      nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking worden voorkomen of zoveel mogelijk beperkt; en

    • c.

      ontstaat er schade? Dan informeert degene die water onttrekt de toezichthouder zo snel mogelijk. Hij meldt de schade die is ontstaan en de maatregelen die hij heeft genomen en nog gaat nemen.

  • 2.

    Bij het onttrekken van grondwater voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbemaling of grondsanering is voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a.

      de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket wordt verlaagd:

      • i.

        tot niet meer dan 0,30 m onder de bodem van de sleuf; of

      • ii.

        tot niet meer dan 0,50 m onder de bouwput; en

    • b.

      er wordt een peilbuis of meetput geplaatst om de stijghoogte te bepalen. Bij een horizontale drainage is het niet nodig een peilbuis of meetput te plaatsen; en

    • c.

      bij een retourbemaling wordt het grondwater teruggebracht in het watervoerende pakket waaruit het onttrokken is; en

    • d.

      de melding wordt uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking gedaan bij de toezichthouder van het waterschap; en

    • e.

      de beëindiging van de onttrekking wordt uiterlijk binnen 24 uur gemeld bij de toezichthouder van het waterschap.

  • 3.

    Bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering is voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a.

      er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor een doelmatige sanering; en

    • b.

      de melding wordt uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking gedaan bij de toezichthouder van het waterschap; en

    • c.

      de beëindiging van de onttrekking wordt uiterlijk binnen 24 uur gemeld bij de toezichthouder van het waterschap.

  • 4.

    De meet- en rapportageplicht geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor beregening, veedrenking of bevloeiing bij een totale pompcapaciteit van minder dan 10 m3 per uur en minder dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 4.2.6 Specifieke indieningsvereisten melding

  • 1. De melding voor een grondwateronttrekking bevat:

    • a.

      de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5

    • b.

      een situatietekening waarop duidelijk de locaties van onttrekking(en), de nieuwe putten en het lozingspunt zijn aangegeven; en

    • c.

      het doel van de onttrekking van grondwater; en

    • d.

      het aantal bestaande en nieuwe putten; en

    • e.

      de totale pompcapaciteit in m³ per uur; en

    • f.

      voor elke boorput:

      • i.

        de boordiepte; en

      • ii.

        de filterdiepte; en

      • iii.

        uit welke laag het water wordt onttrokken; en

      • iv.

        welke scheidende lagen worden doorboord; en

      • v.

        hoe scheidende lagen worden afgedicht.

  • 2. De melding voor een grondwateronttrekking voor bouwputbemaling, grondsanering of proefbemaling bevat:

    • a.

      de indieningsvereisten zoals bepaald in het eerste lid van dit artikel; en

    • b.

      de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per maand en per half jaar.

  • 3. De melding voor een grondwateronttrekking voor beregening, bevloeiing en veedrenking bevat:

    • a.

      de indieningsvereisten zoals bepaald in het eerste lid van dit artikel; en

    • b.

      de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.

  • 4. De melding voor een grondwateronttrekking voor menselijke consumptie in de provincie Utrecht bevat:

    • a.

      de indieningsvereisten zoals bepaald in het eerste lid van dit artikel; en

    • b.

      een risicoanalyse van de omgeving van de grondwateronttrekking.

  • 4. De melding voor een grondwateronttrekking voor een ander doel dan in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel bevat:

    • a.

      de indieningsvereisten zoals bepaald in het eerste lid van dit artikel; en

    • b.

      de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; en

    • c.

      de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur en per jaar.

Artikel 4.2.7 Vergunningplicht voor het onttrekken van grondwater

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 4.2.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 4.2.3 en artikel 4.2.4 of de voorschriften in artikel 4.2.5? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken.

Artikel 4.2.8 Beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.

  • 1. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater wordt beoordeeld aan:

    • a.

      de eisen die deze waterschapsverordening daaraan stelt; en

    • b.

      artikel 8.89, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2. Het in de bodem brengen van water om grondwater aan te vullen, gebeurt in samenhang met het onttrekken van grondwater. Het onttrekken van grondwater gebeurt met een voorziening die daarvoor is bedoeld en die voldoet aan deze waterschapsverordening. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water om het grondwater aan te vullen, wordt beoordeeld aan:

    • a.

      de eisen die deze waterschapsverordening daaraan stelt; en

    • b.

      artikel 8.89, tweede en derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.2.9 Vergunningplicht voor het infiltreren van water in de bodem

Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te infiltreren in de bodem.

Artikel 4.2.10 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water

Het bestuur mag voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. Het gaat hierbij over een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water om het grondwater aan te vullen. Dit in samenhang met het onttrekken van grondwater. Het onttrekken van grondwater gebeurt met een voorziening die daarvoor is bedoeld. De voorziening is aangelegd volgens de regels in deze waterschapsverordening. Artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning.

Artikel 4.2.11 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater bevat:

    • a.

      de gegevens zoals beschreven in artikel 4.2.6; en

    • b.

      de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en

    • c.

      meetbepalingen van het onttrekken van grondwater en infiltratie van water.

  • 2. Degene die grondwater onttrekt of water in de bodem brengt, meet per kwartaal hoeveel grondwater wordt onttrokken of hoeveel water wordt geïnfiltreerd met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 3. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het bestuur in de voorschriften van de omgevingsvergunning bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. Is er geen omgevingsvergunning vereist? Dan kan het bestuur bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 4. Degene die water in de bodem brengt, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters. Een monster wordt geanalyseerd op de parameters die in tabel 3.1 zijn opgenomen en met de aangegeven frequentie.

    Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    Bacteriën van de coligroep

     

    Vierwekelijks

    Kleur

     

    Vierwekelijks

    Zwevende stof

    SS

    Vierwekelijks

    Geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    Vierwekelijks

    Temperatuur

    T

    Vierwekelijks

    Zuurgraad

    pH

    Vierwekelijks

    Opgelost zuurstof

    O2

    Vierwekelijks

    Totaal organisch koolstof

    TOC

    Vierwekelijks

    Bicarbonaat

    HCO3

    Vierwekelijks

    Nitriet

    NO2

    Vierwekelijks

    Nitraat

    NO3

    Vierwekelijks

    Ammonium

    NH4

    Vierwekelijks

    Totaal fosfaat

    Totaal P

    Vierwekelijks

    Fluorid

    F

    Driemaandelijks

    Chloride

    Cl

    Vierwekelijks

    Sulfaat

    SO4

    Driemaandelijks

    Natrium

    Na

    Driemaandelijks

    IJzer

    Fe

    Driemaandelijks

    Mangaan

    Mn

    Driemaandelijks

    Chroom

    Cr

    Driemaandelijks

    Lood

    Pb

    Driemaandelijks

    Koper

    Cu

    Driemaandelijks

    Zink

    Zn

    Driemaandelijks

    Cadmium

    Ca

    Driemaandelijks

    Arseen

    As

    Driemaandelijks

    Cyanide

    CN

    Driemaandelijks

    Minerale olie

     

    Vierwekelijks

    Adsorbeerbaar organisch hallogeen

    AOX

    Vierwekelijks

    Vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    Vierwekelijks

    Vluchtige aromaten

     

    Vierwekelijks

    Policyclische aromaten

    PAK

    Driemaandelijks

    Fenolen

     

    Driemaandelijks

  • 5. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of binnen een maand na beëindiging van de onttrekking of infiltratie worden aan het bestuur de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water die in het voorgaande kalenderjaar is gemeten; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 6. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

  • 7. Het eerste tot en met zesde lid gelden niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten zoals bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.

Artikel 4.2.12 Nadere specifieke zorgplicht bij het onttrekken van grondwater

De onttrekking van grondwater is doelmatig en duurzaam. Nadelige gevolgen van de onttrekking van grondwater voor de omgeving worden geïnventariseerd, voorkomen en als dat niet mogelijk is, zo veel mogelijk beperkt. Daarnaast wordt voldaan aan de specifieke zorgplichtbepalingen in afdeling 1.4.

HOOFDSTUK 5 UITVOEREN VAN WERKZAAMHEDEN OF ANDERE ACTIVITEITEN

Afdeling 5.1 Bodemonderzoek en boringen

Artikel 5.1.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • b.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Grondwater:

    • a.

      het voorkomen, beperken of ongedaan maken van ongewenste toename van kwel;

    • b.

      het voorkomen, beperken of ongedaan maken van:

      • i.

        een wijziging van de grondwaterstromen;

      • ii.

        verspreiding van verontreinigingen;

      • iii.

        verspreiding van koude- en warmtebellen;

    • c.

      het voorkomen of ongedaan maken van doorboring van slecht doorlatende bodemlagen;

    • d.

      het in stand houden of verbeteren van de aanwezige grondwaterkwaliteit.

  • 4.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het beheersen van geluid afkomstig van wegen;

    • c.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • d.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 5.1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering; en

    • g.

      de buitenbeschermingszone primaire waterkering.

  • 2. Verder is deze afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Daarnaast is deze afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het uitvoeren van bodemonderzoek; en

    • b.

      boringen voor een bodemenergiesysteem.

Artikel 5.1.3 Meldingsplicht bodemonderzoek

Het is verboden om zonder melding bodemonderzoek uit te voeren in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering, in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam of in een weg in beheer bij het waterschap. Bodemonderzoek mag onder voorwaarden met een melding worden uitgevoerd in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering, in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam of in een weg in beheer bij het waterschap. De voorwaarden zijn:

  • a.

    bodemonderzoek wordt uitgevoerd:

    • i.

      op de kruin van een waterkering; of

    • ii.

      in de beschermingszone van een waterkering; of

    • iii.

      in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam; of

    • iv.

      op grotere afstand van de rijbaan dan de obstakelvrije zone. Deze zone staat aangegeven op voorbeeldtekening 9 in bijlage 3; en

  • b.

    het gaat om:

    • i.

      sonderingen; of

    • ii.

      handboringen met een maximale diameter van 0,15 m; of

    • iii.

      het aanbrengen van peilbuizen; en

  • c.

    peilbuizen reiken niet dieper dan 1,00 m onder de gemiddeld laagste freatische grondwaterstand; en

  • d.

    het onderzoek in de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone vindt plaats tussen 1 april en 15 oktober; en

  • e.

    er worden maximaal 10 sonderingen of boringen (peilbuizen inbegrepen) uitgevoerd op tenminste 10,00 m afstand van elkaar.

Voldoet het bodemonderzoek aan bovenstaande voorwaarden? Dan is bodemonderzoek in de binnendijkse beschermingszone het hele jaar toegestaan. Dit is een uitzondering op de bepalingen in artikel 1.6.7.

Artikel 5.1.4 Voorschriften bij een melding voor het uitvoeren van bodemonderzoek

Uit artikel 5.1.3 blijkt dat met een melding bodemonderzoek mag worden uitgevoerd. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    peilbuizen worden verwijderd als ze niet meer worden gebruikt; en

  • b.

    gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden worden in zijn geheel dichtgemaakt met zwelklei of bentoniet; en

  • c.

    peilbuizen worden op maaiveldniveau afgewerkt met een straatpot. Kunnen peilbuizen niet worden afgewerkt? Dan worden ze gemarkeerd en beschermd zodat ze duidelijk zichtbaar zijn. Dit om schade bij onderhoudswerkzaamheden te voorkomen.; en

  • d.

    peilbuizen worden in de waterkering of de beschermingszone van een waterkering geplaatst zonder een spuitlans te gebruiken; en

  • e.

    er wordt direct en één week na plaatsing van de peilbuis gecontroleerd of er welwater naar boven is gekomen. Is dit het geval? Dan wordt voor een adequate afdichting gezorgd. Deze afdichting moet na één week worden gecontroleerd; en

  • f.

    het werkterrein wordt direct na voltooiing van de activiteiten in nette staat en in dezelfde toestand teruggebracht;

  • g.

    de erosiebestendigheid van de waterkering wordt gegarandeerd; en

  • h.

    de locatie van de sonderingen, boringen en/of peilbuizen worden ingemeten (RD-coördinaten en hoogte t.o.v. NAP). Deze gegevens moeten binnen twee weken na uitvoering van de werkzaamheden per e-mail worden toegezonden aan bodemloket@wsrl.nl; en

  • i.

    de resultaten van het onderzoek worden beschikbaar gesteld aan het waterschap. Dit gebeurt in GEF-formaat voor de sonderingen en boringen en in een toegankelijk formaat voor de laboratoriumresultaten. De resultaten moeten per e-mail worden toegezonden aan bodemloket@wsrl.nl; en

  • j.

    er worden geen werkzaamheden gestart als de uiterwaarden onder water dreigen te lopen of onder water staan; en

  • k.

    werkzaamheden worden gestaakt als de uiterwaarden onder water dreigen te lopen of onder water staan; en

  • l.

    is de verwachte rivierwaterstand hoger dan de waarden in onderstaande tabel? Dan worden werkzaamheden niet gestart of worden ze gestaakt. De te verwachten waterstanden zijn op te vragen bij de toezichthouder van het waterschap.

Waterkeringen langs de grote rivieren in het deltagebied (ten westen van de lijn Schoonhoven, Werkendam, Geertruidenberg)

Als binnen 2 dagen een waterhoogte van ≥ 2,00 meter boven NAP bij Dordrecht wordt verwacht.

Waterkeringen langs de Rijn en zijn vertakkingen (ten oosten van de lijn Schoonhoven, Werkendam)

Als binnen 4 dagen een waterhoogte van ≥ 13,00 meter boven NAP bij Lobith wordt verwacht en/of wanneer de uiterwaarden onder water zijn gelopen of dreigen te lopen.

Waterkeringen langs de Maas en zijn vertakkingen (ten oosten van Geertruidenberg)

Als binnen 4 dagen een waterhoogte van ≥ 9,50 meter boven NAP bij Mook wordt verwacht en/of wanneer de uiterwaarden onder water zijn gelopen of dreigen te lopen.

Waterkeringen in het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem.

Neem contact op met de toezichthouder.

Artikel 5.1.5 Specifieke indieningsvereisten melding bodemonderzoek

Bij een melding bodemonderzoek worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 aangeleverd. Ook wordt op de situatietekening de diepte van de peilbuizen ten opzichte van de gemiddeld laagste freatische grondwaterstand aangegeven.

Artikel 5.1.6 Vergunningplicht bodemonderzoek

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in Artikel 5.1.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.1.3 of de voorschriften in artikel 5.1.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning bodemonderzoek uit te voeren.

Artikel 5.1.7 Vergunningplicht voor het boren voor een bodemenergiesysteem

Het is verboden zonder omgevingsvergunning te boren voor een bodemenergiesysteem.

Afdeling 5.2 Wegwerkzaamheden

Artikel 5.2.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • b.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 5.2.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het uitvoeren van klein onderhoud aan een weg niet in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      het uitvoeren van een wegreconstructie.

Artikel 5.2.3 Vrijstelling voor klein onderhoud aan een weg

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning klein onderhoud worden uitgevoerd aan een weg op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de weg ligt op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering; en

  • b.

    het onderhoud aan de weg vindt niet plaats in de beschermingszone van een water; en

  • c.

    de weg is niet in beheer bij het waterschap.

Artikel 5.2.4 Voorschriften bij klein onderhoud aan een weg

Uit artikel 5.2.3 blijkt dat er klein onderhoud aan een weg mag plaatsvinden. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    al het materiaal dat vrijkomt bij de werkzaamheden wordt afgevoerd; en

  • b.

    de waterkering wordt niet gebruikt als opslagplaats voor materiaal of materieel. Opslag van materiaal en materieel is wel toegestaan op de kruin van de waterkering; en

  • c.

    kuilen die door de werkzaamheden in de wegberm zijn ontstaan, worden opgevuld; en

  • d.

    de erosiebestendigheid van de waterkering wordt gegarandeerd; en

  • e.

    de aangevulde grond wordt ingezaaid met een graszaadmengsel dat bestemd is voor een waterkering.

Artikel 5.2.5 Vergunningplicht voor klein onderhoud of reconstructies aan een weg

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 5.5.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.2.3 of de voorschriften in artikel 5.2.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning klein onderhoud of reconstructies aan een weg uit te voeren.

Afdeling 5.3 Het houden van een evenement op een weg

Artikel 5.3.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 5.3.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het houden van een evenement.

Artikel 5.3.3 Meldingsplicht evenement op een weg

Het is verboden zonder melding een evenement te houden op een weg in beheer bij het waterschap. Dit geldt als de weg tijdelijk niet kan worden gebruikt waarvoor deze is bedoeld. Een evenement mag onder voorwaarden met een melding worden gehouden. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het evenement vindt plaats op een erftoegangsweg. Hier mag niet harder worden gereden dan 60 km per uur; en

  • b.

    er vindt tegelijkertijd geen ander evenement plaats; en

  • c.

    er worden geen wegwerkzaamheden uitgevoerd gedurende het evenement; en

  • d.

    het evenement duurt niet langer dan 7 dagen.

Artikel 5.3.4 Voorschriften bij een melding voor het houden van een evenement op een weg

Uit artikel 5.3.3 blijkt dat met een melding een evenement mag worden gehouden op een weg in beheer bij het waterschap. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de weg wordt niet beschadigd; en

  • b.

    de organisator van het evenement stelt van tevoren vast of de weg voor de activiteit geschikt is; en

  • c.

    de organisator stelt in overleg met het waterschap en politie een plan op met een beschrijving van noodzakelijke omleidingen en andere verkeersmaatregelen. Zo wordt de doorstroming van het verkeer gewaarborgd en worden parkeerproblemen voorkomen; en

  • d.

    het onder c. genoemde plan maakt deel uit van de melding; en

  • e.

    de organisator voert het onder c. genoemde plan uit; en

  • f.

    de organisator plaatst de benodigde borden, daarbij is voldaan aan artikel 6.13.10 en artikel 6.13.11; en

  • g.

    de organisator plaatst vlakbij het evenement een bord met daarop de verkeersmaatregelen en de reden daarvan, daarbij is voldaan aan artikel 6.13.10 en artikel 6.13.11; en

  • h.

    de organisator informeert omwonenden en andere belanghebbenden; en

  • i.

    de organisator neemt vier dagen voor de aanvang van het evenement contact opmet de toezichthouder van het waterschap; en

  • j.

    de organisator verwijdert de borden uiterlijk een dag na het einde van het evenement.

Artikel 5.3.5 Specifieke indieningsvereisten melding

Bij een melding van een evenement worden de de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 aangeleverd. Ook worden de volgende specifieke gegevens aangeleverd:

  • a.

    aard en karakter van de activiteit; en

  • b.

    de datum van begin en einde van het evenement met tijden; en

  • c.

    een omleidingsroute en een bordenplan dat in overleg met de politie en het waterschap is opgesteld.

Artikel 5.3.6 Vergunningplicht voor het houden van een evenement op een weg

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 5.3.2? En is niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.3.3 of de voorschriften in artikel 5.3.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een evenement te houden op een weg in beheer bij het waterschap.

Afdeling 5.4 Varen en afmeren

Artikel 5.4.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteemen.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

  • 3.

    Vaarwegen:

    • a.

      het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken;

    • b.

      het waarborgen van de veiligheid van de vaarweg;

    • c.

      het in stand houden van doelmatige doorstroming van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.

Artikel 5.4.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het varen met een mechanisch voortbewogen vaartuig; en

    • b.

      het afmeren; en

    • c.

      het haaks afmeren.

Artikel 5.4.3 Normadressaat

De regels van deze afdeling zijn gericht tot de schipper en de eigenaar van het vaartuig.

Artikel 5.4.4 Vrijstelling voor varend onderhoud

Voor het uitvoeren van regulier en groot onderhoud aan een oppervlaktewaterlichaam mag zonder melding worden gevaren.

Artikel 5.4.5 Vrijstelling voor varen overdag

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding met een mechanisch voortbewogen vaartuig worden gevaren op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • 1.

    er wordt gevaren tussen een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang; en

  • 2.

    op het Kanaal van Steenenhoek heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 60,00 meter; en

    • b.

      breedte: 7,50 meter; en

    • c.

      diepgang: 2,50 meter; en

    • d.

      heeft het vaartuig een diepgang van 2,25 meter of meer? Dan gelden de volgende maximale snelheden:

      • i.

        voor een beladen schip: maximaal 6 km/uur; en

      • ii.

        voor een onbeladen schip: maximaal 7,5 km/uur.

  • 3.

    op de gekanaliseerde Linge, inclusief het Kanaal van Steenenhoek vanaf de Merwedesluis tot aan de Gorinchemse Kanaalsluis heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 70 meter; en

    • b.

      breedte 7,50 meter; en

    • c.

      diepgang 2,50 meter; en

    • d.

      is het vaartuig langer dan 60 meter of heeft het vaartuig een diepgang van meer dan 2,25 meter? Dan gelden de volgende maximale snelheden:

      • i.

        voor een beladen schip: maximaal 6 km/uur; en

      • ii.

        voor een onbeladen schip: maximaal 7,5 km/uur.

  • 4.

    op de Linge tussen Arkel en de verkeersbrug te Leerdam heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 67 meter; en

    • b.

      breedte 7,50 meter; en

    • c.

      diepgang 2,50 meter; en

    • d.

      is het vaartuig langer dan 60 meter of heeft het vaartuig een diepgang van meer dan 2,25 meter? Dan gelden de volgende maximale snelheden:

      • i.

        voor een beladen schip: maximaal 6 km/uur; en

      • ii.

        voor een onbeladen schip: maximaal 7,5 km/uur.

  • 5.

    op de Linge bovenstrooms van de verkeersbrug te Leerdam tot 100 meter bovenstrooms van de zwaaikom te Geldermalsen heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 50,00 meter; en

    • b.

      breedte: 6,60 meter; en

    • c.

      diepgang: 1,00 meter meer dan de peilschaal ter plaatse (benedenstrooms) van de sluizen bij Asperen aanwijst. Wijst de peilschaal 0,80 meter boven NAP aan? Dan mag de diepgang van het vaartuig dus 1,80 meter zijn.

  • 6.

    op de Linge van 100 meter bovenstrooms van de zwaaikom te Geldermalsen tot de mond van de Korne en de Korne zelf heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 8,00 meter; en

    • b.

      breedte: 3,00 meter; en

    • c.

      diepgang: 0,80 meter

  • 7.

    op de Lage Boezemwateren van de Nederwaard heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 10,00 meter; en

    • b.

      breedte: 3,00 meter; en

    • c.

      diepgang: 0,80 meter

  • 8.

    op de Lage Boezemwateren van de Overwaard, alsmede de Buiten-Giessen tussen het perceel gelegen aan de Buitendams 217 en de Damsluis heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 15,00 meter; en

    • b.

      breedte: 4,00 meter; en

    • c.

      diepgang: 0,80 meter

  • 9.

    op de Buiten-Giessen, tussen de Peulensluis en het perceel gelegen aan de Buitendams 217, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven en de watergang ten zuiden van de Apollostraat heeft het vaartuig maximaal de volgende afmetingen:

    • a.

      lengte: 20,00 meter; en

    • b.

      breedte: 5,00 meter; en

    • c.

      diepgang: 1,80 meter

  • 10.

    op de Beuningseplas te Beuningen en het Lingemeer te Buren

    • a.

      is het vaartuig maximaal 7,00 meter lang; en

    • b.

      heeft het vaartuig een vermogen van maximaal 2,5 kWatt (= 3,4 Pk). Dit is het vermogen dat is opgegeven door de leverancier.

  • 11.

    er wordt gevaren op het bevaarbare gedeelte van de Bakkerskil (tussen de Jeppegatweg in Hank en de Heimansgatweg in Kille).

  • 12.

    er wordt gevaren op het Merwedekanaal tussen Vianen en Gorinchem

Artikel 5.4.6 Vrijstelling voor varen in de nacht

Is voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.4.5 derde, vierde of vijfde lid, dan mag op de Linge tussen Arkel en de sluis bij Asperen en de gekanaliseerde Linge zonder melding worden gevaren in de nacht met een mechanisch voortbewogen vaartuig.

Artikel 5.4.7 Meldingsplicht voor varen in de nacht

Het is verboden zonder melding te varen met een mechanisch voortbewogen vaartuig op een oppervlaktewaterlichaam tussen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang. Er mag onder de voorwaarden met een melding worden gevaren tussen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang. De voorwaarden zijn:

  • a.

    er wordt gevaren in het kader van een evenement; en

  • b.

    er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.4.5, tweede tot en met twaalfde lid.

Artikel 5.4.8 Voorschriften bij een melding voor varen in de nacht

Uit Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. blijkt dat met een melding gevaren mag worden op een oppervlaktewaterlichaam tussen een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    er wordt gevaren op het traject van het evenement; en

  • b.

    de organisator zorgt ervoor dat het overige scheepvaartverkeer niet onnodig wordt gestremd; en

  • c.

    de organisator zorgt ervoor dat de terugvaart naar het beginpunt binnen een uur na het einde van het evenement plaatsvindt.

Artikel 5.4.9 Voorschriften bij het varen

Uit artikel 5.4.5, artikel 5.4.6, artikel 5.4.7 en artikel 5.4.8 blijkt dat gevaren mag worden op een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    Voor de Gorinchemse Kanaalsluis: :

    • i.

      brandt het spuilicht van de sluis? Dan passeert de schipper de sluis alleen met toestemming van de bedienaar van de hefbrug van deze sluis. Dit geldt alleen als het vaartuig geladen is; en

    • ii.

      is het vaartuig breder dan de breedtes in onderstaande tabel? Dan passeert de schipper de sluis niet Deze tabel verwijst naar de waterstand die de benedenstroomse peilschaal van de Gorinchemse Kanaalsluis aangeeft en de stroomsnelheid in de sluis; en

      afbeelding binnen de regeling

    • iii.

      is het vaartuig dieper dan de diepgang in onderstaande tabel? Dan passeert de schipper de sluis niet Deze tabel verwijst naar de waterstand die de benedenstroomse peilschaal van de Gorinchemse Kanaalsluis aangeeft.

      Waterstand

      Maximaal toegestane diepgang

      NAP +0,80 meter of hoger

      2,50 meter

      NAP +0,70 meter - +0,80 meter

      2,40 meter

      NAP +0,60 meter - +0,70 meter

      2,30 meter

      NAP +0,50 meter - +0,60 meter

      2,25 meter

  • b.

    het vaartuig wordt te water gelaten en uit het water gehaald op de plaatsen die daarvoor zijn ingericht;; en

  • c.

    de inzinkingsmerken zijn duidelijk zichtbaar op het vaartuig. Deze merken bestaan uit een rechthoek met een lengte van 0,30 meter en een hoogte van 0,04 meter overeenkomstig artikel 4.04 van het Binnenschepenbesluit;

  • d.

    de schipper stopt of vertraagt zo volledig mogelijk om een achteropkomend groot schip zonder bijzondere beperkingen voorbij te laten.

Artikel 5.4.10 Verbod varen

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 5.4.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.4.5, artikel 5.4.6 en artikel 5.4.7 of de voorschriften in artikel 5.4.8? Dan is het verboden met een mechanisch voortbewogen vaartuig te varen.

Artikel 5.4.11 Vaarverbod bij bepaalde waterstanden en ijsdiktes

Ook al is voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.4.5, artikel 5.4.6 en artikel 5.4.7 en de voorschriften in artikel 5.4.8, dan is het in onderstaande situaties verboden om te varen. Deze situaties zijn:

  • a.

    boven NAP; en

  • b.

    de waterstand op de Linge tussen de verkeersbrug in Leerdam en de verkeersbrug in Geldermalsen is meer dan 1,20 meter boven NAP; en

  • c.

    er ligt een ijslaag van oever tot oever van meer dan twee centimeter op de Linge tussen de verkeersbrug te Leerdam en Geldermalsen, de Lage Boezemwateren van de Nederwaard en Overwaard en de Buiten-Giessen, de Karnemelksloot, de voormalige Vluchthaven, de watergang ten zuiden van de Apollostraat en de zijtak van de Buiten-Giessen gelegen ten noorden van het Peulenplein; en

  • d.

    er ligt een ijslaag van oever tot oever van meer dan vier centimeter.

Artikel 5.4.12 Afmeerverbod

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te meren, te laden of te lossen of een ligplaats in te nemen of te hebben op andere plaatsen dan plaatsen die daarvoor zijn ingericht.

  • 2. Is een afmeervoorziening aangelegd in strijd met de bepalingen in deze verordening? Dan valt deze niet onder de plaatsen die daarvoor zijn ingericht, zoals genoemd in het eerste lid.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor recreatieve evenementen die het bestuur toestaat.

Artikel 5.4.13 Vrijstelling haaks afmeren

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag haaks op de lengterichting van een vaargeul worden afgemeerd op een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de ligplaats is vastgelegd in een verkeersbesluit; of

  • b.

    de ligplaats maakt deel uit van een jachthaven; of

  • c.

    ligt het vaartuig in de Binnen- of Buiten Giessen? Dan ligt het vaartuig niet in de vaargeul; of

  • d.

    de ligplaats ligt aan een haakse steiger waarvoor een vergunning is verleend. Het vaartuig steekt niet verder uit in de vaargeul dan de steiger.

Artikel 5.4.14 Verbod haaks afmeren

Is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.4.13? Dan is het verboden haaks af te meren op de lengterichting van een vaargeul.

Afdeling 5.5 Visactiviteiten

Artikel 5.5.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

Algemeen:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktelichaam;

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door het oppervlaktewaterlichaam, in het bijzonder vissen.

Artikel 5.5.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het uitzetten van vis; en

    • b.

      het onttrekken van vis, anders dan door hengelen; en

    • c.

      het plaatsen of hebben van fuiken of andere vistuigen;

    • d.

      het hengelen naar vis, waarbij een onttrokken vis onmiddellijk en levend wordt teruggebracht in het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 5.5.3 Vrijstelling voor vissen

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag vis worden uitgezet in en onttrokken aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap. Ook mogen dan fuiken of andere vistuigen worden geplaatst en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap. En er mag gevist worden met een hengel in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap. Vis die met een hengel is gevangen, mag onmiddellijk en levend worden teruggezet in het oppervlaktewaterlichaam waaruit de vis is gevangen. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de Visstand Beheer Commissie in het gebied van het waterschap heeft een visplan opgesteld dat door het dagelijks bestuur is goedgekeurd; en

  • b.

    het visplan bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • i.

      de vissoorten waarop wordt gevist; en

    • ii.

      de hoeveelheden die worden onttrokken of uitgezet; en

    • iii.

      de vistuigen die worden gebruikt; en

    • iv.

      de tijdstippen en/of periodes van onttrekking en uitzet van vis; en

    • v.

      de locaties waar visserij plaatsvindt; en

    • vi.

      door wie wordt gevist; en

    • vii.

      de bijzondere voorwaarden waaronder onttrekking en uitzet van vis is toegestaan; en

  • c.

    degene die de activiteit recreatief uitvoert, vist met een hengel; of

  • d.

    degene die de activiteit beroepsmatig of recreatief uitvoert, voldoet aan de regels zoals vastgelegd in het visplan.

Artikel 5.5.4 Verboden te vissen

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 5.5.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 5.5.3? Dan is het verboden te vissen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap. In artikel 5.5.2, tweede lid staan de activiteiten die onder vissen worden verstaan.

Afdeling 5.6 Explosief materiaal

Artikel 5.6.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 5.6.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering;

    • g.

      buitenbeschermingszone van een primaire waterkering.

  • 2. Verder is deze afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Daarnaast is deze afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het verrichten van seismisch onderzoek met springstof; en

    • b.

      het plaatsen, opslaan en hebben van explosief materiaal; en

    • c.

      het plaatsen en hebben van een explosiegevaarlijke inrichting.

Artikel 5.6.3 Vergunningplicht bij een activiteit in de buitenbeschermingszone van een waterkering

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten zoals genoemd in artikel 5.6.2, vierde lid uit te voeren in de buitenbeschermingszone van een waterkering.

Artikel 5.6.4 Verbod explosief materiaal

Het is verboden de activiteiten zoals genoemd in artikel 5.6.2, vierde lid uit te voeren in een waterkering, de beschermingszone van een waterkering, een oppervlaktewaterlichaam, de Slaperdijk te Kesteren of de Meidijk te Zuilichem, de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam of langs een weg in beheer bij het waterschap.

HOOFDSTUK 6 OBJECTEN EN BEPLANTING

Afdeling 6.1 Constructie aan het water: steiger, terras en vlonder

Artikel 6.1.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • d.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten; en

    • e.

      het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

  • 3.

    Vaarwegen:

    • a.

      Het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken;

    • b.

      het waarborgen van de veiligheid van de vaarweg;

    • c.

      het in stand houden van doelmatige doorstroming van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.

Artikel 6.1.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam voor zover aanwezig.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, aanpassen, vervangen of hebben van een constructie aan het water: steiger, terras en vlonder.

Artikel 6.1.3 Vrijstelling constructie aan het water: steiger, terras en vlonder

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een steiger, terras en vlonder worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de constructie ligt aan een woonperceel binnen de bebouwde kom; en

  • b.

    de constructie ligt:

    • i.

      niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      niet langs een vaarweg; en

    • iii.

      niet in een water met specifieke natuurdoelen; en

    • iv.

      niet in een natuurvriendelijke oever; en

  • d.

    de constructie steekt niet over het water uit (overkraagt niet); en

  • e.

    de zijde van de constructie die aan het water ligt, is maximaal 4,00 meter; en

  • f.

    de onderkant van de constructie ligt op:

    • i.

      minimaal 0,30 meter boven het hoogst vastgestelde peil; of

    • ii.

      minimaal 0,20 meter boven het hoogst vastgestelde peil in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

Artikel 6.1.4 Meldingsplicht constructie aan het water: steiger, terras en vlonder

Het is verboden zonder melding een steiger, terras en vlonder aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Een steiger, terras en vlonder mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam of in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de constructie heeft geen palen in het water; en

  • b.

    de constructie ligt:

    • i.

      niet in de waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      niet in een vaarweg; en

    • iii.

      niet in water met specifieke natuurdoelen; en

    • iv.

      niet in een natuurvriendelijke oever; en

    • v.

      niet in de Giessenzoom; en

    • vi.

      niet in de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen; en

  • c.

    het water is minimaal 7,00 meter breed op het hoogst vastgestelde peil; en

  • d.

    de constructie ligt op minimaal 10,00 meter van een kunstwerk; en

  • e.

    de constructie steekt (overkraagt) maximaal 1,00 meter uit over het water op het hoogst vastgestelde peil; en

  • f.

    ligt de constructie in de beschermingszone van een primair water met een boezemfunctie? Dan steekt deze niet uit over het water (overkraagt niet); en

  • g.

    de zijde van de constructie die aan het water ligt, is maximaal 4,00 meter lang; en

  • h.

    de onderkant van de constructie ligt op:

    • i.

      minimaal 0,30 meter boven het hoogst vastgestelde peil; of

    • ii.

      minimaal 0,20 meter boven het hoogst vastgestelde peil in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

  • i.

    ligt de constructie helemaal of voor een deel in de beschermingszone van een water? Dan mag dit alleen aan een water binnen de bebouwde kom.

Artikel 6.1.5 Meldingsplicht constructie aan het water in Giessenzoom: steiger, terras en vlonder

In de Giessenzoom is het verboden zonder melding een steiger, terras en vlonder aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben. Een steiger, terras en vlonder mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de constructie ligt boven een insteekhaven in de beschermingszone van de Giessen; of

  • b.

    de constructie ligt:

    • i.

      niet in een primair water; en

    • ii.

      niet in een waterkering.

Artikel 6.1.6 Meldingsplicht constructie aan het water in Binnen-Giessen of Buiten-Giessen: steiger, terras en vlonder

In de Binnen-Giessen of Buiten-Giessen is het verboden zonder melding een steiger, terras en vlonder aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben. Een steiger, terras en vlonder mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de constructie ligt in een strook tertiair water. Deze strook tertiair water ligt langs primair water in de Binnen-Giessen of Buiten-Giessen; en

  • b.

    de constructie is bedoeld voor recreatief gebruik; en

  • c.

    de onderkant van de constructie ligt op minimaal 0,20 meter boven het hoogst vastgestelde peil.

Artikel 6.1.7 Voorschriften bij een melding constructie aan het water: steiger, terras en vlonder

Uit artikel 6.1.4, artikel 6.1.5 en artikel 6.1.6 blijkt dat met een melding een steiger, terras en vlonder mag worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de afmetingen van het water veranderen niet; en

  • b.

    de activiteiten bij de constructie belemmeren de wateraanvoer en waterafvoer niet ; en

  • c.

    er ligt taludbescherming onder de constructie; en

  • d.

    de taludbescherming en 1,00 meter rondom de constructie worden goed onderhouden; en

  • e.

    er staat geen bouwwerk op de constructie. Een hek van maximaal 1,00 meter hoog is wel toegestaan.

Artikel 6.1.8 Vergunningplicht constructie aan het water: steiger, terras en vlonder

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.1.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.1.3, artikel 6.1.4, artikel 6.1.5 of artikel 6.1.6 of de voorschriften in artikel 6.1.7? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, terras en vlonder aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Afdeling 6.2 Constructie langs het water: beschoeiing en damwand

Artikel 6.2.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem;

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater; en

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

  • 3.

    Vaarwegen: het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken.

Artikel 6.2.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam voor zover aanwezig.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een beschoeiing; en

    • b.

      het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een damwand.

Artikel 6.2.3 Meldingsplicht beschoeiing

  • 1. Het is verboden zonder melding beschoeiing te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. Een beschoeiing mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de beschoeiing staat:

      • i.

        in primair, secundair of tertiair water; en

      • ii.

        op de waterlijn. Voor de hoogte van de waterlijn geldt het hoogst vastgestelde peil; en

    • b.

      de beschoeiing staat:

      • i.

        niet langs een aangewezen vaarweg; en

      • ii.

        niet langs water met specifieke natuurdoelen; en

      • iii.

        niet bij een natuurvriendelijke oever; en

      • iv.

        niet in de Giessenzoom; en

      • v.

        niet in de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen; en

    • c.

      het talud van het water is steiler dan 1:2; en

    • d.

      is het hoogteverschil tussen het hoogst vastgestelde peil en maaiveld meer dan 0,60 meter? Dan is de grondkerende hoogte van de beschoeiing niet meer dan 0,30 meter; of

    • e.

      is het hoogteverschil tussen het hoogst vastgestelde peil en maaiveld 0,60 meter of minder? Dan is de grondkerende hoogte van de beschoeiing maximaal 0,60 meter; en

    • f.

      de lengte van de palen is minimaal 1,60 meter; en

    • g.

      de diameter van de palen is minimaal 0,80 meter; en

    • h.

      de afstand tussen de palen is 0,40 meter. Ga hierbij uit van het middelpunt van de palen;

    • i.

      de palen zitten minimaal 2/3 onder de grond en steken maximaal 1/3 boven de grond uit; en

  • 2. In de Giessenzoom is het verboden zonder melding beschoeiing te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. Een beschoeiing mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de beschoeiing staat in de Giessenzoom; en

    • b.

      de beschoeiing wordt niet gebruikt om het bruikbare landoppervlak te vergroten.

  • 3. In de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen is het verboden zonder melding beschoeiing te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. Een beschoeiing mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam in de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de beschoeiing staat in een strook tertiair water. Deze strook tertiair water ligt langs primair water in de Binnen-Giessen of Buiten-Giessen; en

    • b.

      de beschoeiing wordt niet gebruikt om het bruikbare landoppervlak te vergroten.

Artikel 6.2.4 Meldingsplicht damwand

  • 1. Het is verboden zonder melding een damwand te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Een damwand mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de damwand staat op de insteek; en

    • b.

      de damwand staat:

      • i.

        niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

      • ii.

        niet langs een aangewezen vaarweg; en

      • iii.

        niet langs water met specifieke natuurdoelen; en

      • iv.

        niet bij een natuurvriendelijke oever; en

      • v.

        niet in het gedeelte van het water dat in beheer en onderhoud is bij het waterschap; en

      • vi.

        niet in de Giessenzoom; en

      • vii.

        niet in de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen.

  • 2. In de Giessenzoom is het verboden zonder melding een damwand te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. Een damwand mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de damwand staat in de Giessenzoom; en

    • b.

      de damwand wordt niet gebruikt om het bruikbare landoppervlak te vergroten.

  • 3. In de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen is het verboden zonder melding een damwand te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam. Een damwand mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op de waterlijn van een oppervlaktewaterlichaam in de Binnen-Giessen en Buiten-Giessen. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de damwand staat in een strook tertiair water. Deze strook tertiair water ligt langs primair water in de Binnen-Giessen of Buiten-Giessen; en

    • b.

      de damwand wordt niet gebruikt om het bruikbare landoppervlak te vergroten.

Artikel 6.2.5 Voorschriften beschoeiing en damwand

  • 1. Uit artikel 6.2.3 en artikel 6.2.4 blijkt dat met een melding beschoeiing of een damwand mag worden geplaatst en aanwezig mag zijn in een oppervlaktewaterlichaam of in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a.

      de beschoeiing of damwand steekt niet uit boven het maaiveld; en

    • b.

      de beschoeiing of damwand is gronddicht afgewerkt. Grond of aangevuld materiaal kan niet in het water komen; en

    • c.

      de beschoeiing of damwand sluit aan op een reeds aanwezige beschoeiing of damwand (van naburige percelen); en

    • d.

      de beschoeiing of damwand kan niet ontoelaatbaar vervormen; en

    • e.

      de beschoeiing of damwand belemmert de waterdoorvoer niet; en

    • f.

      de benodigde grondpalen voor een beschoeiing worden in de waterkering of de beschermingszone bij de waterkering grondverdringend aangebracht.

  • 2. Staat de beschoeiing zoals op voorbeeldtekening 10 in bijlage 3? Dan is in elk geval voldaan aan de voorschriften.

  • 3. Staat de damwand zoals op voorbeeldtekening 11 in bijlage 3? Dan is in elk geval voldaan aan de voorschriften.

Artikel 6.2.6 Vergunningplicht beschoeiing en damwand

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.2.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.2.3 of artikel 6.2.4 of de voorschriften in artikel 6.2.5? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning beschoeiing of een damwand te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Afdeling 6.3 Constructie in het water: dam met duiker en frontmuur

Artikel 6.3.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan;

    • b.

      het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam;

    • c.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • d.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 6.3.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteiten:

    • a.

      het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een frontmuur; en

    • b.

      het aanleggen, aanpassen, vervangen en hebben van een dam met duiker.

Artikel 6.3.3 Vrijstelling frontmuur

Is aan onderstaande voorwaarden voldaan? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een frontmuur worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de frontmuur staat in een secundair of tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

  • b.

    de frontmuur maakt het doorstroomprofiel van de duiker niet kleiner; en

  • c.

    de duiker steekt maximaal 0,10 meter uit de frontmuur.

Artikel 6.3.4 Voorschriften frontmuur

Uit artikel 6.3.3 blijkt dat er een frontmuur mag worden geplaatst. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de frontmuur is van rotvrij materiaal; en

  • b.

    er wordt geen gebruik van uitlogende materialen; en

  • c.

    de frontmuur staat op een voldoende sterke fundering, zodat de frontmuur niet kan instorten; en

  • d.

    de frontmuren zijn aan elkaar verankerd; en

  • e.

    de ruimte tussen de frontmuren (en eventueel al bestaande dam) is opgevuld met schone grond of zand.

Artikel 6.3.5 Meldingsplicht dam met duiker

Het is verboden zonder melding een dam met duiker aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben in een oppervlaktewaterlichaam. Een dam met duiker mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de dam met duiker ligt in een secundair of tertiair water; en

  • b.

    de duiker heeft geen knikpunten; en

  • c.

    de dam met duiker is de eerste ontsluiting van een perceel. Het perceel is niet op een andere manier te bereiken. Deze voorwaarde geldt niet voor het aanpassen of vervangen van een dam met duiker; en

  • d.

    de dam met duiker ligt op minimaal 10,00 meter afstand van een ander kunstwerk in hetzelfde water; en

  • e.

    de dam met duiker ligt op minimaal 20,00 meter afstand stroomafwaarts van een stuw in het water; en

  • f.

    de dam met duiker ligt op minimaal 8,00 meter afstand van andere objecten (zoals bomen en verkeersborden) die langs het water staan; en

  • g.

    de duiker is maximaal 12,00 meter lang; of

  • h.

    ligt de duiker in de Giessenzoom? Dan is de duiker maximaal 2,40 meter lang; en

  • i.

    er zit minimaal 0,20 meter ruimte in de duiker boven het laagst vastgestelde peil; en

  • j.

    de duiker heeft een binnendiameter van:

    • i.

      minimaal 0,47 meter; of

    • ii.

      minimaal 0,80 meter als de dam met duiker in secundair water ligt binnen de bebouwde kom.

Artikel 6.3.6 Voorschriften dam met duiker

  • 1. Uit artikel 6.3.5 blijkt dat met een melding een dam met duiker mag worden aangelegd, veranderd, vervangen en aanwezig mag zijn. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

    • a.

      de duiker is rond; en

    • b.

      de duiker is van beton of van polyethyleen (PE); en

    • c.

      de duiker heeft een gladde egale binnenwand (geen staal of spirosol); en

    • d.

      de duiker ligt in het midden van het water; en

    • e.

      de duiker steekt aan de onderzijde maximaal 0,10 meter uit de dam (zie voorbeeldtekening 12 in bijlage 3); en

    • f.

      bestaat de duiker uit meerdere delen? Dan zit er een waterdichte afdichting tussen elk deel; en

    • g.

      het slib is verwijderd op de plek van de dam met duiker; en

    • h.

      onder de duiker ligt een verdicht zandbed:

      • i.

        van 0,30 meter bij een duiker met een diameter kleiner dan 0,80 meter; en

      • ii.

        van 0,60 meter bij een duiker met een diameter van 0,80 meter of groter; en

    • i.

      sluit de dam met duiker aan op een weg die in het beheer is bij het waterschap? Dan is ook voldaan aan de regels over uitwegen in afdeling 2.4; en

    • j.

      de dam met duiker is goed gefundeerd. De dam met duiker zakt niet sneller dan het maaiveld.

  • 2. Maakt de dam met duiker of de frontmuur de waterberging kleiner? Dan hoeft het verlies aan waterberging niet te worden gecompenseerd. Dit in tegenstelling tot de regels over dempen in afdeling 2.1. Wordt er een water gegraven ter compensatie voor toename van verhard oppervlak of het dempen van water? Dan mag het verwijderen van een dam en duiker niet worden meegerekend bij de compensatie voor het verlies aan waterberging

Artikel 6.3.7 Vergunningplicht dam met duiker en frontmuren

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.3.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.3.3 of artikel 6.3.5 of de voorschriften in artikel 6.3.4 of artikel 6.3.6? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen, aan te passen, te vervangen, en te hebben en/of frontmuren te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Artikel 6.3.8 Nadere specifieke zorgplicht voor een dam met duiker en een frontmuur

Bij de aanleg van een dam met duiker of een frontmuur geldt het volgende:

  • a.

    er is voldaan aan de specifieke zorgplichtbepalingen in afdeling 1.4; en

  • b.

    de doorstroming in het water blijft in stand. Takken of drijfvuil, etc. in of bij de duiker worden verwijderd; en

  • c.

    de dam met duiker en eventuele frontmuur verkeren in een goede staat; en

  • d.

    het talud van een dam met duiker is beschermd tegen uitspoeling.

Afdeling 6.4 Constructie over het water: brug

Artikel 6.4.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

Oppervlaktewaterlichamen:

  • a.

    het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

  • b.

    het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

  • c.

    het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 6.4.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op de activiteit:

    • a.

      het aanleggen, aanpassen, vervangen en hebben van een brug.

Artikel 6.4.3 Vrijstelling brug

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een brug worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn over een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de brug ligt over tertiair water; en

  • b.

    de brug ligt:

    • i.

      niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      niet over een water met specifieke natuurdoelen; en

  • c.

    de brug is de eerste ontsluiting van een perceel. Het perceel is niet op een andere manier te bereiken. Deze voorwaarde geldt niet voor het aanpassen of vervangen van een brug; en

  • d.

    de brug ligt op minimaal 10,00 meter afstand van een kunstwerk; en

  • e.

    de brug is maximaal 5,00 meter breed; en

  • f.

    de onderzijde van het brugdek ligt minimaal op het niveau van het maaiveld; en

  • g.

    de onderzijde van het brugdek ligt minimaal op 0,30 meter boven het hoogst vastgestelde peil.

Artikel 6.4.4 Meldingsplicht brug

  • 1. Het is verboden zonder melding een brug aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben over een oppervlaktewaterlichaam. Een brug mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn over een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de brug ligt over primair of secundair water; en

    • b.

      de brug ligt:

      • i.

        niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

      • ii.

        niet over een vaarweg in beheer bij het waterschap; en

      • iii.

        niet over water met specifieke natuurdoelen; en

      • iv.

        niet in de Giessenzoom; en

    • c.

      de brug is de eerste ontsluiting van een perceel. Het perceel is niet op een andere manier te bereiken. Deze voorwaarde geldt niet voor het aanpassen of vervangen van een brug; en

    • d.

      de brug ligt op minimaal 10,00 meter afstand van een ander kunstwerk; en

    • e.

      de brug is maximaal 5,00 meter breed; en

    • f.

      de onderzijde van het brugdek ligt minimaal:

      • i.

        op het niveau van het maaiveld; en

      • ii.

        0,30 meter boven het hoogst vastgestelde peil als het water vanaf de kant wordt onderhouden; en

      • iii.

        1,25 meter boven het hoogst vastgestelde peil als het water varend wordt onderhouden.

    • g.

      wordt het water varend onderhouden? Dan is de doorvaartbreedte minimaal 2,25 meter; en

  • 2. In de Giessenzoom is het verboden zonder melding een brug aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben over een oppervlaktewaterlichaam. Een brug mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig zijn over een oppervlaktewaterlichaam in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de brug ligt in de Giessenzoom; en

    • b.

      de brug ligt over tertiair water; en

    • c.

      de brug is de eerste ontsluiting van een perceel. Het perceel is niet op een andere manier te bereiken; en

    • d.

      de brug is maximaal 2,00 meter breed; en

    • e.

      de onderzijde van het brugdek ligt minimaal 0,30 meter boven het hoogst vastgestelde peil; en

    • f.

      het bruggenhoofd sluit aan op de waterkering.

Artikel 6.4.5 Voorschriften brug

Uit artikel 6.4.3 en artikel 6.4.4 blijkt dat met een vrijstelling of een melding een brug mag worden aangelegd, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn over een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de brug heeft geen pijlers als de breedte (van insteek tot insteek) van het water:

    • i.

      minder is dan 7,00 meter op het hoogst vastgestelde peil voor water buiten de Giessenzoom; of

    • ii.

      minder is dan 5,00 meter op het hoogst vastgestelde peil voor water in de Giessenzoom; en

  • b.

    heeft de brug pijlers? Dan zijn deze rond van vorm; en

  • c.

    de bruggenhoofden tasten de stabiliteit van de oevers niet aan; en

  • d.

    de brug is zo gefundeerd dat de brug niet meer zakt dan de natuurlijke maaivelddaling; en

  • e.

    is het voor de aanleg van de brug nodig om het water af te dammen? Dan mag dit alleen in overleg met de toezichthouder van het waterschap; en

  • f.

    er ligt taludbescherming onder én ten minste 1 meter naast de brug; de eigenaar van de brug onderhoudt de taludbescherming; en

  • g.

    het profiel van het water wordt hersteld zoals het bestaande naastgelegen profiel; en

  • h.

    ligt de brug over een water dat het waterschap onderhoudt? Dan ligt de brug op minimaal 8,00 meter afstand van andere objecten in de berm zoals bomen en verkeersborden die langs het water staan; en

  • i.

    er staat geen bouwwerk op of bij de brug dat het onderhoud van het water belemmert. Een hek op de brug van maximaal 1,00 meter hoog mag wel; en

  • j.

    sluit de brug aan op een weg in beheer bij het waterschap? Dan is afdeling 2.4 ook van toepassing.

Artikel 6.4.6 Vergunningplicht brug

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.4.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.4.3 of artikel 6.4.4 of de voorschriften in artikel 6.4.5? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Artikel 6.4.7 Nadere specifieke zorgplicht brug

Bij het aanleggen, aanpassen, vervangen en hebben van een brug geldt het volgende:

  • a.

    er is voldaan aan de specifieke zorgplichtbepalingen in afdeling 1.4; en

  • b.

    de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam veranderen niet; en

  • c.

    de brug is in goede staat; en

  • d.

    de taluds zijn tegen uitspoeling en inzakking beschermd.

Afdeling 6.5 Anti-worteldoek

Artikel 6.5.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

Oppervlaktewaterlichamen:

  • a.

    het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

  • b.

    het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

  • c.

    het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Artikel 6.5.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam voor zover aanwezig.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, vervangen en hebben van anti-worteldoek.

Artikel 6.5.3 Vrijstelling anti-worteldoek

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning anti-worteldoek worden aangebracht, vervangen en aanwezig zijn op het talud van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het anti-worteldoek wordt aangebracht:

    • i.

      op het talud van een water; en

    • ii.

      langs een woonperceel; of

    • iii.

      langs een bedrijfsperceel binnen de bebouwde kom; en

  • b.

    het anti-worteldoek wordt aangebracht:

    • i.

      niet langs een vaarweg; en

    • ii.

      niet langs een water met specifieke natuurdoelen; en

    • iii.

      niet bij een natuurvriendelijke oever.

Artikel 6.5.4 Voorschriften anti-worteldoek

Uit artikel 6.5.3 blijkt dat er anti-worteldoek mag worden aangebracht, vervangen en aanwezig zijn op het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    het anti-wortel komt niet terecht in het water en kan niet opwaaien; en

  • b.

    begroeiing wordt zo laag mogelijk gehouden met een maximale hoogte van 0,30 meter; en

  • c.

    het anti-worteldoek wordt vastgezet:

    • i.

      achter een beschoeiing als het water in onderhoud is bij het waterschap; of

    • ii.

      met grondpennen met een minimale lengte van 0,30 meter als het water niet in onderhoud is bij het waterschap. Het anti-worteldoek wordt minimaal 0,20 meter boven het hoogst vastgestelde peil vastgezet; en

  • d.

    bij het aanbrengen van anti-worteldoek op het talud van een water zijn de regels over het aanbrengen van beschoeiing (afdeling 6.2) van toepassing.

Artikel 6.5.5 Vergunningplicht anti-worteldoek

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.5.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.5.3 of de voorschriften in artikel 6.5.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning anti-worteldoek aan te brengen, te vervangen en te hebben.

Artikel 6.5.6 Nadere specifieke zorgplicht anti-worteldoek

Bij het aanbrengen, vervangen en hebben van anti-worteldoek op het talud van een oppervlaktewaterlichaam geldt het volgende:

  • a.

    er wordt voldaan aan de specifieke zorgplichtbepalingen in afdeling 1.4; en

  • b.

    de taluds blijven op doelmatige wijze tegen uitspoeling en inzakking beschermd.

Afdeling 6.6 Beplanting

Artikel 6.6.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • b.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving; en

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg; en

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 6.6.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Ten slotte is de afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen en hebben van beplanting.

Artikel 6.6.3 Vrijstelling bomen langs een oppervlaktewaterlichaam

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mogen zonder melding of omgevingsvergunning bomen worden geplant of aanwezig zijn in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de bomen worden geplant in de beschermingszone van primair en secundair water; en

  • b.

    de bomen worden geplant:

    • i.

      niet in een waterkering of bijbehorende beschermingszone; en

    • ii.

      niet langs een weg in beheer bij het waterschap; en

  • c.

    bij het planten van een boom in de beschermingszone van primair water blijft er vanaf de insteek een onderhoudsstrook vrij:

    • i.

      van 5 meter in de Alblasserwaard, Vijfheerenlanden en Alm en Biesbosch; of

    • ii.

      van 4 meter in de rest van het gebied van Waterschap Rivierenland; en

  • d.

    bij het planten van een boom in de beschermingszone van secundair water blijft er vanaf de insteek een onderhoudsstrook vrij van 1 meter; en

  • e.

    de boom wordt geplant op 0,50 meter van de insteek; en

  • f.

    de boom wordt geplant op 10 meter van een andere boom of object. In geval van een knotboom bedraagt deze afstand 7 meter. Dit geldt voor objecten in het oppervlaktewaterlichaam (bijv. bruggen) en objecten in de beschermingszone (bijv. verkeersborden en lantaarnpalen).

Artikel 6.6.4 Voorschriften bomen langs een oppervlaktewaterlichaam

Uit artikel 6.6.3 blijkt dat er bomen mogen worden geplant en aanwezig zijn in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    bij knotbomen blijft minimaal 2,00 meter vrij tussen het maaiveld en de onderkant van de kruin van de boom; en

  • b.

    bij andere bomen dan knotbomen blijft minimaal 5,00 meter vrij tussen het maaiveld en de onderkant van de kruin van de boom; en

  • c.

    de afmetingen van het water worden niet gewijzigd. De afmetingen staan op de legger.

Artikel 6.6.5 Vrijstelling beplanting op de Slaperdijk en de Meidijk

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning beplanting worden aangebracht en aanwezig zijn op de Slaperdijk en de Meidijk. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de beplanting wordt aangebracht of is aanwezig op de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem; en

  • b.

    is er een onderhoudspad aanwezig? Dan blijft dit pad toegankelijk voor onderhoud en inspectie; en

  • c.

    het graven of roeren van de grond vindt plaats tot een diepte van maximaal 0,50 meter.

Artikel 6.6.6 Meldingsplicht beplanting in de beschermingszone van een waterkering

Het is verboden zonder melding beplanting aan te brengen en te hebben in de beschermingszone van een waterkering. Beplanting mag onder voorwaarden met een melding worden aangebracht en aanwezig zijn in de beschermingszone van een waterkering. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de beplanting wordt aangebracht:

    • i.

      niet in een water of de beschermingszone van een water; en

    • ii.

      niet langs wegen in beheer bij het waterschap; en

  • b.

    het maaiveld ligt 0,50 meter boven het leggerprofiel; en

  • c.

    de beplanting blijft van nature lager dan 5,00 meter boven maaiveld.

Artikel 6.6.7 Voorschriften bij een melding beplanting in de beschermingszone van een waterkering

Uit artikel 6.6.6 blijkt dat beplanting mag worden aangebracht en aanwezig mag zijn in de beschermingszone van een waterkering. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    er worden geen voorzieningen aangebracht voor beluchting, drainage of watervoorziening; en

  • b.

    ontgravingen worden tot een minimum beperkt. Aan het einde van elke werkdag worden ontgravingen gedicht met de uitgekomen grond; en

  • c.

    beplanting veroorzaakt geen hinder of gevaarlijke situaties.

Artikel 6.6.8 Meldingsplicht haag in de Giessenzoom

In de Giessenzoom is het verboden zonder melding een haag te plaatsen, aan te passen, te vervangen of te hebben. Een haag mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in de Giessenzoom. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de haag staat in de Giessenzoom; en

  • b.

    de haag staat:

    • i.

      niet op een waterkering; en

    • ii.

      meer dan 0,50 meter uit de insteek van een water.

Artikel 6.6.9 Meldingsplicht heg of struik langs een weg

Het is verboden zonder melding een heg of struik langs een weg in beheer bij het waterschap te planten en te hebben. Een heg of struik mag onder voorwaarden met een melding worden geplant en aanwezig zijn langs een weg in beheer bij het waterschap. De voorwaarden zijn:

  • a.

    een heg of struik wordt geplant langs een weg in beheer bij het waterschap; en

  • b.

    een heg of struik staat verder van de rijbaan dan de beplantingsvrije zone. Deze zone staat aangegeven op voorbeeldtekening 9 in bijlage 3; en

  • c.

    een heg of struik staat:

    • i.

      niet op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering; en

    • ii.

      niet in een water of de beschermingszone van een water; en

  • d.

    de diameter van de takken en de stammen is van nature kleiner dan 0,08 meter.

Artikel 6.6.10 Voorschriften bij een melding heg of struik langs een weg

Uit artikel 6.6.9 blijkt dat met een melding een heg of struik mag worden geplant en aanwezig mag zijn langs een weg. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de heg of struik wordt onderhouden; en

  • b.

    de takken van de heg of struik blijven op een afstand van minimaal 0,50 meter van de kant van het asfalt; en

  • c.

    schade aan de heg of struik kan niet worden verhaald op het waterschap.

Artikel 6.6.11 Vergunningplicht voor het aanbrengen van beplanting

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.6.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.6.3, artikel 6.6.5, artikel 6.6.6, artikel 6.6.8 of artikel 6.6.9 of de voorschriften in artikel 6.6.4, artikel 6.6.7 of artikel 6.6.10? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen en te hebben.

Artikel 6.6.12 Nadere specifieke zorgplicht bomen langs een oppervlaktewaterlichaam en beplanting in de beschermingszone van een waterkering en langs een weg

Bij het planten en hebben van bomen langs een oppervlaktewaterlichaam of het aanbrengen en hebben van beplanting in de beschermingszone van een waterkering en langs een weg geldt het volgende:

  • a.

    er wordt voldaan aan de specifieke zorgplichtbepalingen in afdeling 1.4; en

  • b.

    het machinale onderhoud aan een water wordt niet belemmerd; en

  • c.

    volgens de bepalingen in afdeling 6.14 (verwijderen objecten) worden verwijderd:

    • i.

      boomstammen en takken die over het water hangen; en

    • ii.

      dode, zieke of beschadigde bomen en bijbehorende wortelresten.

Afdeling 6.7 Kabels en leidingen

Artikel 6.7.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten;

    • d.

      het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

  • 4.

    Wegen: het waarborgen van de goede staat van de weg.

  • 5.

    Vaarwegen:

    • a.

      het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken;

    • b.

      het waarborgen van de veiligheid van de vaarweg;

    • c.

      het in stand houden van doelmatige doorstroming van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.

Artikel 6.7.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering; en

    • g.

      de buitenbeschermingszone primaire waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Ten slotte is de afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, vervangen en hebben van een kabel of leiding.

Artikel 6.7.3 Algemene voorschriften kabel of leiding

Bij het aanleggen, vervangen en hebben van een kabel of leiding wordt altijd voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de leiding is ontworpen, aangelegd en wordt beheerd met een adequate techniek en op een adequaat niveau; en

  • b.

    de kabel- en/of leidingwerkzaamheden worden zonder onderbreking uitgevoerd. Alle aanwijzingen door of namens het bestuur van het waterschap worden onmiddellijk opgevolgd; en

  • c.

    zijn allle werkzaamheden afgerond? Dan worden alle achtergebleven materialen, bagger, losse grond, gereedschappen, werktuigen en tijdelijke voorzieningen verwijderd; en

  • d.

    er worden geen loze kabels en/of leidingen aangelegd voor toekomstige uitbreidingen of aansluitingen; en

  • e.

    komt de kabel of leiding voor een deel of geheel te liggen bij een bestaand tracé? Dan ligt de kabel of leiding indien mogelijk in de sleuf van de oude/bestaande kabel of leiding; en

  • f.

    is het nodig de exacte ligging van bestaande kabels en/of leidingen te bepalen? Dan mag er een proefsleuf gegraven worden van maximaal 0,50 meter breed, 2,00 meter lang en 1,20 meter diep; en

  • g.

    het ontgraven gebeurt laagsgewijs. De verschillende grondsoorten worden gescheiden opgeslagen; en

  • h.

    alle gaten en kuilen worden gedicht met de grond die eruit gekomen is. Zo nodig wordt de grond aangevuld met gelijkwaardige grond. Lagen van maximaal 0,20 meter worden mechanisch aangedrukt. De grond heeft zoveel mogelijk dezelfde samenstelling, opbouw en draagkracht als vóór de start van de werkzaamheden; en

  • i.

    op de dichtgemaakte sleuf wordt de oorspronkelijke afdekking, zoals graszoden, dijktaludverdediging, (tijdelijke) wegverharding en dergelijke aanbracht; en

  • j.

    degene die de werkzaamheden uitvoert, is verantwoordelijk voor herstelwerkzaamheden tot één jaar na uitvoering van de werkzaamheden. De herstelwerkzaamheden zijn noodzakelijk en houden verband met het werk dat is uitgevoerd; en

  • k.

    bestaande kabels en/of leidingen (inclusief restmaterialen) die buiten gebruik worden of zijn gesteld, worden volledig uit het waterstaatswerk verwijderd conform afdeling 6.14. Kabels en/of leidingen die minder diep dan 1,20 meter onder maaiveld of de vaste bodem liggen, worden afgevoerd. Oude kabels/leidingen mogen blijven liggen onder wegen die niet op een waterkering liggen; en

  • l.

    spoedreparaties aan een kabel en/of leiding door een kabelbreuk of lekkage worden direct gemeld bij de toezichthouder. Dit gebeurt bij het Meldpunt Handhaving, via het algemene telefoonnummer van het waterschap. De werkzaamheden worden uitgevoerd in overleg met de toezichthouder. De uitgevoerde werkzaamheden worden achteraf schriftelijk gemeld. De werkzaamheden voldoen aan de voorwaarden en de voorschriften zoals beschreven in deze afdeling. Voldoen de werkzaamheden niet aan de voorwaarden? Dan wordt alsnog een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

Artikel 6.7.4 Vrijstelling kabel en leiding

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een kabel of leiding worden aangelegd, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de kabel of leiding kruist tertiair water; en

  • b.

    de kabel of leiding ligt:

    • i.

      niet in tertiair water met een beschermingszone; en

    • ii.

      niet in de beschermingszone van tertiair water; en

    • iii.

      niet in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

    • iv.

      niet in primair of secundair water of de beschermingszone van een primair of secundair water; en

    • v.

      niet onder een weg die in beheer is van het waterschap; en

  • c.

    de kabel of leiding ligt onder de vaste bodem van het water en het talud; en

  • d.

    een kabel of leiding ligt bij een duiker onderlangs. Is onderlangs echt niet mogelijk dan is bovenlangs toegestaan.

Artikel 6.7.5 Meldingsplicht kabel of leiding in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering

Het is verboden zonder melding een kabel of leiding aan te leggen, te vervangen en te hebben in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering. Een kabel of leiding mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, vervangen en aanwezig zijn in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering. De voorwaarden zijn:

  • a.

    een kabel of leiding ligt in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering; en

  • b.

    aangetoond wordt dat het nodig is dat de kabel of leiding binnen de waterkering of de beschermingszone van de waterkering ligt. Het bestuur van het waterschap zal de noodzaak beoordelen en de verschillende belangen afwegen. In de beschermingszone is meer mogelijk dan in de waterkering; en

  • c.

    bij het aanleggen, vervangen of hebben van een vloeistof- of gasleiding:

    • i.

      heeft deze een maximale buitendiameter van 110 mm; en

    • ii.

      heeft deze een maximale druk van 3,50 bar; en

    • iii.

      is deze uitgevoerd in minimaal PE100 of SDR11;

  • d.

    een kabel heeft een spanning lager dan 3 kV;

  • e.

    een glasvezelkabel (inclusief beschermbuizen) heeft een maximale diameter van 25 mm; en

  • f.

    de kabel of leiding wordt aangelegd in open ontgraving; en

  • g.

    de kabel of leiding kruist een waterkering zo haaks mogelijk; en

  • h.

    het gedeelte van de kabel of leiding dat evenwijdig aan de waterkering wordt aangelegd:

    • i.

      ligt in de beschermingszone van de waterkering, maar niet in de vaste onderhoudsroute; of

    • ii.

      ligt op de kruin aan de binnendijkse zijde.

  • i.

    ligt de kabel of leiding in een mantelbuis? Dan wordt aan het volgende voldaan:

    • i.

      de mantelbuis ligt evenwijdig aan de waterkering; en

    • ii.

      de mantelbuis ligt in de overhoogte (boven het leggerprofiel van de waterkering); en

    • iii.

      de mantelbuis wordt ter plaatse van zijwegen en/of dijkafritten met een asfaltverharding aangelegd door middel van een grondverdringende persing; en

    • iv.

      de mantelbuis wordt niet aangelegd door middel van een raket-techniek; of

    • v.

      de mantelbuis wordt ter plaatse van zijwegen en/of dijkafritten met een open verharding aangelegd door middel van een open ontgraving; en

  • j.

    de kabel of leiding kruist op geen enkele wijze een waterstaatskundig civieltechnisch kunstwerk in de waterkering.

Artikel 6.7.6 Aanvullende voorschriften bij een melding kabel of leiding in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering

Uit artikel 6.7.5 blijkt dat met een melding een kabel of leiding mag worden aangelegd, vervangen en aanwezig mag zijn in een waterkering of de beschermingszone van een waterkering. Hierbij is voldaan de voorschriften zoals beschreven in artikel 6.7.3. Ook is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    werkzaamheden worden tussen 1 april en 15 oktober uitgevoerd. De volgende werkzaamheden mogen het hele jaar worden uitgevoerd:

    • i.

      gemelde spoedreparaties (zodra de toezichthouder daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven); en

    • ii.

      niet-dijkkruisende huisaansluitingen en lasgaten als deze binnendijks liggen; en

    • iii.

      werkzaamheden in de waterkeringen van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) en het Lingesysteem. Dit zijn de keringen met dijkpaalnummers beginnend met: AC, AD, AG, AM, AZ, BG, DL, DS, GG, GI, GK, GN, HL, HN, HO, HT, IK, KD, KK, KS, MD, MK, MW, NI, OL, WD en ZZ; en

  • b.

    er worden maatregelen getroffen waardoor de waterkering bestand blijft tegen erosie. De toezichthouder van het waterschap kan opdragen welke maatregelen moet worden genomen; en

  • c.

    een sleuf is niet dieper en breder dan strikt noodzakelijk. De sleuf is maximaal 1,00 meter diep en 0,50 meter breed. Kruist de kabel of leiding de kruin van de waterkering? Dan mag:

    • i.

      een kabel maximaal 0,75 meter onder de bovenzijde van het wegdek (de kruin) liggen ; en

    • ii.

      een leiding maximaal 1,00 meter onder de bovenzijde van het wegdek (de kruin) liggen; en

  • d.

    er ontstaan geen holle ruimtes door de ondergrondse werkzaamheden; en

  • e.

    een leiding wordt zoveel mogelijk uit een stuk gerealiseerd én het aantal lassen in de waterkering wordt tot het absolute minimum beperkt; en

  • f.

    drukleidingen worden gekoppeld door middel van gecertificeerde spiegellassen of elektrolasmoffen; en

  • g.

    kruist een drukleiding de waterkering? Dan wordt de drukleiding voorzien van afsluiters. Met deze afsluiters kan de leiding met een adequate techniek drukloos worden gemaakt. Deze afsluiters zijn altijd bereikbaar en bedienbaar; en

  • h.

    ter plaatse van de buitenkruinlijn wordt een kwelscherm aangebracht als de kabel of leiding de waterkering kruist. Het kwelscherm voldoet aan een van de drie typen kwelschermen zoals afgebeeld op voorbeeldtekening 13 in bijlage 3; en

  • i.

    (bestaande) bescherm-/glasvezelbuizen worden na inblazen van nieuwe glasvezel zodanig afgesloten dat er geen water in of door de buis kan lekken;

  • j.

    een niet-dijkkruisende mantelbuis onder asfaltverharding voldoet aan het volgende:

    • i.

      de mantelbuis heeft een lengte van maximaal 10,00 meter;

    • ii.

      de mantelbuis heeft geen grotere diameter dan voor het doel noodzakelijk, tot een maximale buitendiameter van 125 mm;

    • iii.

      wordt via persing een mantelbuis aangebracht? Dan is dit een een stalen mantelbuis met een wanddikte van minimaal 5,8 mm ;

    • iv.

      aan de uiteinden van de mantelbuis wordt de ruimte tussen de kabel/leiding en de binnenkant van de mantelbuis waterdicht afgesloten. Dit gebeurt met een flexibel synthetisch rubber dat minimaal 2 bar kan weerstaan;

  • k.

    een bestaande (dijkkruisende) mantelbuis wordt (na aanbrengen van de nieuwe kabel/leiding) volledig gedämmerd als de mantelbuis:

    • i.

      een buitendiameter heeft die groter is dan 125 mm; en

    • ii.

      gemaakt is van PE100 met een SDR-waarde die hoger is dan 11; of

    • iii.

      gemaakt is van staal met een wanddikte van minder dan 5,8 mm; en

    • iv.

      er kan geen aanspraak worden gemaakt op de NKL 1999, de Telecommunicatiewet of een andere schadevergoedingsregeling als de kabel- of leidingwerkzaamheden in een dijkversterkingstraject plaatsvinden.

Artikel 6.7.7 Meldingsplicht kabel of leiding in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam

Het is verboden zonder melding een kabel of leiding aan te leggen, te vervangen en te hebben in oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Een kabel of leiding mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, vervangen en aanwezig zijn in een oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de kabel of leiding ligt in:

    • i.

      in een primair water of de beschermingszone van een primair water; of

    • iii.

      in een secundair water of de beschermingszone van een secundair water; of

    • iv.

      in een tertiair water met een beschermingszone of de beschermingszone van een tertiair water; en

  • b.

    ligt de kabel of leiding in de beschermingszone evenwijdig aan het water? Dan ligt de kabel of leiding altijd in een sleuf; en

  • c.

    kruist de kabel of leiding een water? Dan kruist de kabel of leiding:

    • i.

      een primair water minimaal 1,5 meter onder de vaste bodem en talud; en

    • ii.

      een secundair water of een tertiair water met beschermingszone minimaal 1,0 meter onder de vaste bodem en talud; of

  • d.

    ligt er een voorziening bij een brug voor de doorvoer van kabels of leidingen zoals een kabelgoot? Dan ligt de kabel of leiding in die voorziening; of

  • e.

    kruist de kabel of leiding een duiker? Dan ligt de kabel of leiding:

    • i.

      in primair water minimaal 1,5 meter onder de onderkant van de duiker; en

    • ii.

      in secundair of tertiair water onder de duiker. Als dat onmogelijk is, dan is bovenlangs kruisen ook toegestaan; en

  • f.

    ligt de kabel of leiding ook in een waterkering of beschermingszone van een waterkering? Dan:

    • i.

      kruist deze een watergang in open ontgraving; en

    • ii.

      kruist deze een dam met duiker bovenlangs, met een minimale afstand van 0,50 meter tussen de bovenzijde van de duiker en de kabel of leiding; en

  • g.

    de kabel of leiding ligt niet onder een onderheid civiel kunstwerk in verband met de aanwezige paalfundering; en

  • h.

    de kabel of leiding kruist een vaarweg voor scheepvaart of boezemwater door middel van een gestuurde boring. Hierbij heeft de kabel of leiding een gronddekking van minimaal 3,00 meter onder het gehele leggerprofiel. Is er geen leggerprofiel? Dan zijn de vaste bodem en taluds van het water het uitgangspunt.

Artikel 6.7.8 Aanvullende voorschriften bij een melding kabel of leiding in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam

Bij de aanleg van een kabel of leiding in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone van een oppervlaktelichaam gelden de voorschriften zoals beschreven in artikel 6.7.3. Ook gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    ligt de kabel of leiding evenwijdig aan het water? Dan is de afstand tussen de insteek van het water en de ontgraving zo groot mogelijk; en

  • b.

    werkzaamheden in de beschermingszone van een water worden zodanig uitgevoerd dat de stabiliteit van taluds niet wordt aangetast; en

  • c.

    kruist de kabel of leiding het water? Dan wordt het talud van het water afgewerkt zoals het oorspronkelijke talud. Ook wordt het talud op doelmatige wijze beschermd tegen uitspoeling en inzakking; en

  • d.

    kruist de kabel of leiding de taluds en waterbodem? Dan worden de taluds en waterbodem na het kruisen afgewerkt zoals de naastgelegen taluds en bodem. Er wordt daarbijzorg gedragen voor een goede verdichting van taluds en bodem; en

  • e.

    tijdens en na de werkzaamheden blijft aan- en afvoer van water mogelijk.

Artikel 6.7.9 Meldingsplicht kabel of leiding in een weg in beheer bij het waterschap

Het is verboden zonder melding een kabel of leiding aan te leggen, te vervangen en te hebben in een weg in beheer bij het waterschap. Een kabel of leiding mag onder voorwaarden met een melding worden aangelegd, vervangen en aanwezig zijn in een weg in beheer bij het waterschap. De voorwaarden zijn:

  • a.

    ligt een kabel of leiding evenwijdig aan de weg? Dan ligt de kabel of leiding:

    • i.

      op een diepte zoals beschreven in onderstaande tabel; en

    • ii.

      minimaal zo ver van de weg als de diepte waarop de kabel of leiding ligt. Zie voorbeeldtekening 9 in bijlage 3.

  • b.

    kruist een kabel of leiding een weg? Dan wordt de kabel of leiding aangelegd met een persing, boogboring (dus geen boogzinker) of horizontaal gestuurde boring. De kabel of leiding ligt minimaal 1,00 meter onder het wegdek; en

  • c.

    kruist een kabel of leiding een weg die op de waterkering of in de beschermingszone van een waterkering ligt? Dan zijn de voorwaarden en voorschriften zoals beschreven in artikel 6.7.5 en artikel 6.7.6 ook van toepassing.

Tabel: Minimale dieptes Kabels en Leidingen parallel aan wegen in beheer bij het waterschap

Soort kabel

Minimale diepte (m)

Gasleiding (standaard)

0,80 – 1,00

  • Hogedrukleiding (P tussen 1 bar en 40 bar)

0,80 – 1,00

  • Hogedrukleiding (P > 40 bar)

1,00

Waterleiding (standaard)

1,00

  • Transportleiding

1,00

  • Distributie

1,00

Electriciteitskabel (standaard)

0,60 – 0,70

  • Hoogspanningskabel (U tussen 10 kV en 25 kV)

0,70 – 1,00

  • Hoogspanningskabel (U >25 kV)

1,20

Telecommunicatiekabel

0,60

Riolering (standaard)

0,80

  • Stamriool

1,00

  • Rioolpersleiding

0,80

Artikel 6.7.10 Aanvullende voorschriften bij een melding kabel of leiding in een weg in beheer bij het waterschap

Bij de aanleg van een kabel of leiding in een weg in beheer bij het waterschap gelden de voorschriften zoals beschreven in artikel 6.7.3. Ook gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    er wordt een plan opgesteld met de noodzakelijke omleidingen en andere verkeersmaatregelen. Het plan garandeert de doorstroming en veiligheid van het verkeer. Het plan wordt opgesteld in overleg met het waterschap en de politie; en

  • b.

    het genoemde plan maakt deel uit van de melding. De melding wordt minstens 21 dagen van tevoren ingediend; en

  • c.

    er wordt zorg gedragen voor de uitvoering van genoemd plan; en

  • d.

    er wordt zorg gedragen voor de benodigde borden; en

  • e.

    de palen voor de borden worden tot maximaal 0,90 meter grondverdringend aangebracht. De palen hebben geen betonnen voet; en

  • f.

    er wordt een KLIC-melding gedaan voordat u de borden plaatst; en

  • g.

    wegafzettingen voldoen aan de CROW-publicatie 96b; en

  • h.

    boomwortels worden niet beschadigd; en

  • i.

    er kunnen geen plassen op de weg ontstaan; en

  • j.

    een sleuf voor een wegkruising in asfalt wordt altijd op klinkermaat gezaagd; en

  • k.

    de bovenlaag (0,15 meter tot 0,20 meter) van de grond die uit de sleuf komt, wordt apart op van de overige grond opgeslagen; en

  • l.

    elk opgebroken gedeelte wordt iedere dag voor zonsondergang gedicht en verhard; en

  • m.

    een sleuf voor een wegkruising wordt zo hersteld dat de veiligheid van de weg blijvend gegarandeerd is. voorbeeldtekening 14 in bijlage 3 beschrijft verschillende situaties met bijbehorende herstelmethodes; en

  • n.

    tijdelijk wegdek bestaat uit klinkerbestrating; en

  • o.

    binnen 12 maanden na afronding van de werkzaamheden wordt de definitieve bestrating aangebracht:

    • i.

      in het geval van een asfaltweg wordt de klinkerbestrating vervangen door een asfaltlaag. Uitvoering van de werkzaamheden gebeurt in overleg met de toezichthouder. De nieuwe asfaltlaag moet vloeiend in het bestaande wegdek verlopen zodat er geen plassen ontstaan; of

    • ii.

      in geval van een klinkerweg worden de klinkers opnieuw op de juiste hoogte aangebracht zodat er geen plassen ontstaan.

  • p.

    een sleuf in de wegberm wordt in oude staat hersteld:

    • i.

      het oorspronkelijke materiaal wordt, in omgekeerde volgorde, in lagen van 0,20 meter teruggebracht. Als het oorspronkelijke materiaal niet meer beschikbaar is dan mag vergelijkbaar materiaal worden gebruikt; en

    • ii.

      iedere laag wordt apart verdicht tot een proctordichtheid van 98%; en

    • iii.

      de oorspronkelijke grasmat wordt teruggelegd of de bovenlaag wordt ingezaaid met graszaadmengel voor bermen en dijken; en

    • iv.

      rondom een afsluiter, pomp- of inspectieput en dergelijke wordt een duidelijke verharding in de berm van de weg aangebracht. Deze verharding ligt op de juiste hoogte ten opzichte van het maaiveld,zodat er geen schade bij het maaien ontstaat.

Artikel 6.7.11 Nadere specifieke indieningsvereisten bij een melding kabel of leiding

Bij een melding van de aanleg van een kabel of leiding worden de algemene gegevens zoals beschreven in afdeling 1.5 van deze waterschapsverordening aangeleverd. Ook worden de volgende gegevens aangeleverd:

  • a.

    op de situatietekening is duidelijk aangegeven:

    • i.

      de locatie van de activiteit(en); en

    • ii.

      het bestaande en nieuwe tracé; en

    • iii.

      het type kabel/leiding (met materiaal, spanning/druk, aders/tubes, diameter, wanddikte, enz.); en,

    • iv.

      de wijze van uitvoeren; en

    • v.

      de bijbehorende voorzieningen; en

  • b.

    bij een weg in beheer bij het waterschap wordt een verkeersplan aangeleverd.

Artikel 6.7.12 Vergunningplicht kabel of leiding

  • 1. Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.7.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.7.4, artikel 6.7.5, artikel 6.7.7 en artikel 6.7.9 of de voorschriften in artikel 6.7.3, artikel 6.7.6, artikel 6.7.8 en artikel 6.7.10? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding aan te leggen, te vervangen en te hebben.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een leiding met een overdruk van 10 bar of meer, zoals een gasleiding, aan te brengen, te vervangen en te hebben in de buitenbeschermingszone van een waterkering.

Afdeling 6.8 Schutting en hek

Artikel 6.8.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 2.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 6.8.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Ten slotte is de afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een schutting of hek

Artikel 6.8.3 Vrijstelling schutting of hek

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een schutting of een hek worden geplaatst, veranderd, vervangen of aanwezig zijn op een waterkering, in de beschermingszone van een waterkering of in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    degene die de activiteit uitvoert, is onderhoudsplichtig; en

  • b.

    de schutting of het hek wordt geplaatst minimaal 0,50 meter uit de insteek van het water; en

  • c.

    staat de schutting of het hek op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering? Dan wordt de schutting of het hek geplaatst in de periode van 1 april tot 15 oktober; en

  • d.

    staat de schutting of het hek minder dan 10 meter van de waterkering (zie voorbeeldtekening 15 in bijlage 3)? Dan geldt het volgende:

    • i.

      de schutting of het hek is maximaal 1,00 meter hoog; en

    • ii.

      de palen staan maximaal 0,60 meter onder maaiveld; of

    • iii.

      zijn de palen voorzien van een fundering van poeren? Dan staan de palen maximaal 0,30 meter onder maaiveld;

  • e.

    staat de schutting of het hek meer dan 10 meter van de waterkering? Dan geldt het volgende:

    • i.

      de schutting of het hek is maximaal 2,00 meter hoog; en

    • ii.

      de palen staan maximaal 1,00 meter onder maaiveld; of

    • iii.

      zijn de palen voorzien van een fundering van poeren? Dan staan de palen maximaal 0,60 meter onder maaiveld.

Artikel 6.8.4 Vrijstelling schutting of hek op de Slaperdijk en de Meidijk

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een schutting of een hek worden geplaatst, veranderd, vervangen of aanwezig zijn op de Slaperdijk en de Meidijk. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de schutting of het hek staat op de Slaperdijk te Kesteren of de Meidijk te Zuilichem; en

  • b.

    is er een onderhoudspad aanwezig? Dan blijft deze toegankelijk voor onderhoud en inspectie; en

  • c.

    het graven of roeren van de grond vindt plaats tot een diepte van maximaal 0,50 meter.

Artikel 6.8.5 Meldingsplicht schutting of hek langs een boezemwater

Een schutting of hek mag met een melding worden geplaatst, veranderd, vervangen en aanwezig zijn in de beschermingszone van een primair water met een boezemfunctie.

Artikel 6.8.6 Meldingsplicht schutting of hek op een waterkering

  • 1. Het is verboden zonder melding een schutting of hek te plaatsen, aan te passen, te vervangen of te hebben op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. Een schutting of hek mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, veranderd, vervangen en aanwezig zijn op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de schutting of het hek staat:

      • i.

        in de beschermingszone van een waterkering ; en

      • ii.

        op een perceel met een woonbestemming; en

      • iii.

        niet in de Giessenzoom; en

    • b.

      de schutting of het hek wordt geplaatst in de periode van 1 april tot 15 oktober; en

    • c.

      staat de schutting of het hek minder dan 10 meter van de waterkering (zie voorbeeldtekening 15 in bijlage 3)? Dan geldt het volgende:

      • i.

        de schutting of het hek is maximaal 1,00 meter hoog; en

      • ii.

        de palen staan maximaal 0,60 meter onder maaiveld; of

      • iii.

        zijn de palen voorzien van een fundering van poeren? Dan staan de palen maximaal 0,30 meter onder maaiveld; of

    • d.

      staat de schutting of het hek meer dan 10 meter van de waterkering? Dan geldt het volgende:

      • i.

        de schutting of het hek is maximaal 2,00 meter hoog; en

      • ii.

        de palen staan maximaal 1,00 meter onder maaiveld; of

      • iii.

        zijn de palen voorzien van een fundering van poeren? Dan staan de palen maximaal 0,60 meter onder maaiveld; en

  • 2. Het is in de Giessenzoom verboden zonder melding een schutting of hek te plaatsen, aan te passen, te vervangen of te hebben. Een schutting of hek mag onder voorwaarden met een melding in de Giessenzoom worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

    • a.

      de schutting of het hek staat in de Giessenzoom; en

    • b.

      de schutting of het hek staat:

      • i.

        niet in het waterstaatswerk van een waterkering; en

      • ii.

        minimaal 0,50 meter uit de insteek van een water.

Artikel 6.8.7 Voorschriften bij een melding schutting of hek

Uit artikel 6.8.6 blijkt dat met een melding een schutting of hek mag worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de constructie verkeert altijd in goede staat van onderhoud; en

  • b.

    ligt er een onderhoudsroute op of langs de waterkering? Dan is deze toegankelijk voor inspectie en onderhoud; en

  • c.

    geeft een poort toegang tot de onderhoudsroute? Dan is deze minimaal 4,00 meter breed; en

  • d.

    toezichthouders kunnen een poort altijd openen; en

  • e.

    staat het hek of de schutting in de beschermingszone van een primair water met een boezemfunctie? Dan is het hek maximaal 1,00 meter hoog.

Artikel 6.8.8 Vergunningplicht schutting of hek

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.8.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.8.3, artikel 6.8.4, artikel 6.8.5 en artikel 6.8.6 of de voorschriften in artikel 6.8.7? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een schutting of hek te plaatsen, aan te passen, te vervangen of te hebben.

Afdeling 6.9 Veekerende afrastering en het houden van dieren

Artikel 6.9.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen:

    • a.

      het vervullen van maatschappelijke functies door het watersysteem;

    • b.

      het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie;

    • c.

      het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 4.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 6.9.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering.

  • 2. Verder is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • e.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 3. Ten slotte is de afdeling van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Deze afdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      Het hebben en houden van dieren; en

    • b.

      het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een veekerende afrastering.

Artikel 6.9.3 Gebruik van gronden voor het houden van dieren

  • 1. Gronden die gebruikt worden voor het houden van dieren en die liggen op of vlakbij waterstaatwerken of wegen in beheer bij het waterschap hebben een voldoende veekerende afrastering. Bij het plaatsen, aanpassen, vervangen en hebben van een veekerende afrastering gelden de voorwaarden in artikel 6.9.4, artikel 6.9.7, artikel 6.9.8 of artikel 6.9.9 en de voorschriften in artikel 6.9.5, artikel 6.9.8 of artikel 6.9.10.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op gronden gelegen in Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

Artikel 6.9.4 Vrijstelling veekerende afrastering bij een oppervlaktewaterlichaam

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een veekerende afrastering worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. De voorwaarden zijn:

  • a.

    in de beschermingszone van primair water staat de veekerende afrastering minimaal 0,50 meter en maximaal 1,00 meter vanaf de insteek van het water; of

  • b.

    de veekerende afrastering staat in de beschermingszone van secundair water; of

  • c.

    de veekerende afrastering staat in de beschermingszone van tertiair water.

Artikel 6.9.5 Voorschriften bij de vrijstelling veekerende afrastering

Uit artikel 6.9.4 blijkt dat een veekerende afrastering mag worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de veekerende afrastering staat evenwijdig aan het water; en

  • b.

    de draden van de veekerende afrastering kunnen gemakkelijk met de hand verwijderd worden; en

  • c.

    de draden van de veekerende afrastering zijn voorzien van geïsoleerde handgrepen; en

  • d.

    de veekerende afrastering is niet hoger dan 1,00 meter boven maaiveld; en

  • e.

    de veekerende afrastering is zo gemaakt dat deze eenvoudig te verwijderen is.

Artikel 6.9.6 Vrijstelling veekerende afrastering op de Slaperdijk en de Meidijk

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning een veekerende afrastering worden geplaatst, veranderd, vervangen of aanwezig zijn op de Slaperdijk en de Meidijk. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de veekerende afrastering staat op de Slaperdijk te Kesteren of de Meidijk te Zuilichem; en

  • b.

    is er een onderhoudspad aanwezig? Dan blijft deze toegankelijk voor onderhoud en inspectie; en

  • c.

    het graven of roeren van de grond vindt plaats tot een diepte van maximaal 0,50 meter.

Artikel 6.9.7 Meldingsplicht veekerende afrastering bij een waterkering

Het is verboden zonder melding een veekerende afrastering te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. Een veekerende afrastering mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de veekerende afrastering wordt geplaatst:

    • i.

      op de binnendijkse zijde van de kruin; of

    • ii.

      op de binnendijkse zijde van de waterkering; of

    • iii.

      in de beschermingszone van een waterkering; en

  • b.

    de veekerende afrastering wordt geplaatst in de periode van 1 april tot 15 oktober;

  • c.

    de veekerende afrasting is maximaal 1,20 meter hoog; en

  • d.

    de palen worden maximaal 0,60 meter onder maaiveld geplaatst; en

  • e.

    de veekerende afrastering bestaat uit palen met daartussen:

    • i.

      draad; of

    • ii.

      gaas met een minimale maaswijdte van 10 x 10 centimeter.

Artikel 6.9.8 Voorschriften bij een melding veekerende afrastering bij een waterkering

Uit artikel 6.9.7 blijkt dat met een melding een veekerende afrastering mag worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn op een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de constructie verkeert altijd in goede staat van onderhoud; en

  • b.

    ligt er een onderhoudsroute op of langs de waterkering? Dan is deze toegankelijk voor inspectie en onderhoud; en

  • c.

    geeft een poort toegang tot de onderhoudsroute? Dan is deze minimaal 4,00 meter breed; en

  • d.

    toezichthouders kunnen een poort altijd openen; en

  • e.

    de draden van de veekerende afrastering kunnen gemakkelijk met de hand worden verwijderd; en

  • f.

    de draden van de veekerende afrastering zijn voorzien van geïsoleerde handgrepen; en

  • g.

    de palen van een veekerende afrastering worden in de grond geslagen of gedrukt.

Artikel 6.9.9 Meldingsplicht veekerende afrastering langs een weg

Het is verboden zonder melding een veekerende afrastering te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben langs een weg in beheer bij het waterschap. Een veekerende afrastering mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig zijn langs een weg in beheer bij het waterschap. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de afrastering staat langs een weg in beheer bij het waterschap; en

  • b.

    de afrastering staat verder van de rijbaan dan de beplantingsvrije zone. Deze zone staat aangegeven op voorbeeldtekening 9 in bijlage 3.

Artikel 6.9.10 Voorschriften bij een melding veekerende afrastering langs een weg

Uit artikel 6.9.9 blijkt dat met een melding een veekerende afrastering mag worden geplaatst, aangepast, vervangen en aanwezig mag zijn langs een weg in beheer bij het waterschap. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de afrastering staat zover mogelijk van de rijbaan van de weg; en

  • b.

    de afrastering is niet voorzien van prikkeldraad en de afrastering heeft geen andere scherpe of uitstekende delen; en

  • c.

    de afrastering is niet hoger dan 1,00 meter; en

  • d.

    de afrastering wordt verwijderd als dit nodig is voor het onderhoud van de weg; en

  • e.

    schade aan de afrastering kan niet worden verhaald op het waterschap.

Artikel 6.9.11 Vergunningplicht veekerende afrastering

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.9.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.9.4, artikel 6.9.6, artikel 6.9.7 of artikel 6.9.9 of de voorschriften in artikel 6.9.5, artikel 6.9.8 of artikel 6.9.10? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning een veekerende afrastering te plaatsen, aan te passen, te vervangen en te hebben.

Afdeling 6.10 Het plaatsen van (bouw)materiaal

Artikel 6.10.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het beschermen van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

  • 2.

    Wegen:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid en veiligheid van de weg en van de omgeving;

    • b.

      het waarborgen van de goede staat van de weg;

    • c.

      het in stand houden van de doelmatige doorstroming van het verkeer.

Artikel 6.10.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op:

    • a.

      een gebiedsontsluitingsweg in beheer bij het waterschap; en

    • b.

      een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • c.

      een fietspad in beheer bij het waterschap; en

    • d.

      een voetpad in beheer bij het waterschap.

  • 2. Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen en tijdelijk hebben van (bouw)materialen.

Artikel 6.10.3 Meldingsplicht voor het plaatsen van (bouw)materiaal

Het is verboden zonder melding (bouw)materiaal te plaatsen en tijdelijk te hebben langs een weg in beheer bij het waterschap. Het (bouw)materiaal mag onder voorwaarden met een melding worden geplaatst en tijdelijk aanwezig zijn. De voorwaarden zijn:

  • a.

    het (bouw)materiaal wordt geplaatst:

    • i.

      langs een erftoegangsweg in beheer bij het waterschap; en

    • ii.

      verder van de rijbaan dan de beplantingsvrije zone. Deze zone staat aangegeven op voorbeeldtekening 9 in bijlage 3; en

  • b.

    het (bouw)materiaal wordt niet geplaatst langs een (brom)fiets- of voetpad; en

  • c.

    er is geen andere ruimte dan de berm beschikbaar voor tijdelijke opslag.

Artikel 6.10.4 Voorschriften bij een melding voor het plaatsen van (bouw)materiaal

Uit artikel 6.10.3 blijkt dat met een melding (bouw)materiaal mag worden geplaatst en tijdelijk aanwezig mag zijn langs een weg in beheer bij het waterschap. Hierbij is voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    het (bouw)materiaal staat zichtbaar en herkenbaar in de berm. Op zo’n manier dat er geen gevaar of hinder ontstaat voor de weggebruikers; en

  • b.

    het (bouw)materiaal staat zo ver mogelijk van de rijbaan van de weg; en

  • c.

    de tijdelijke opslag wordt niet langer gebruikt dan strikt noodzakelijk; en

  • d.

    aan beide zijden van het (bouw)materiaal staat een geleidebaken; en

  • e.

    het (bouw)materiaal heeft geen scherpe of uitstekende delen; en

  • f.

    er wordt geen schade veroorzaakt aan beplanting of andere bestaande boven- en ondergrondse objecten; en

  • g.

    is er schade aan de berm ontstaan? Dan wordt deze schade hersteld; en

  • h.

    schade aan het (bouw)materiaal kan niet worden verhaald op het bestuur van het waterschap.

Artikel 6.10.5 Specifieke indieningsvereisten melding

Bij het indienen van een melding wordt aangegeven hoe en hoelang het (bouw)materiaal wordt opgeslagen. Daarnaast worden de algemene gegevens bedoeld in afdeling 1.5 verstrekt.

Artikel 6.10.6 Vergunningplicht voor het plaatsen van (bouw)materiaal

Vindt de activiteit plaats in het werkingsgebied zoals genoemd in artikel 6.10.2? En is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 6.10.3 of de voorschriften in artikel 6.10.4? Dan is het verboden zonder omgevingsvergunning (bouw)materiaal te plaatsen en tijdelijk te hebben langs een weg in beheer bij het waterschap.

Afdeling 6.11 Een gebouw bouwen of verbouwen

Artikel 6.11.1 Doelen

De regels in deze afdeling zijn gericht op:

  • 1.

    Algemeen: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en de gevolgen daarvan.

  • 2.

    Waterkeringen:

    • a.

      het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering;

    • b.

      het waarborgen dat de staat van de waterkering doelmatig kan worden gecontroleerd;

    • c.

      het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

  • 3.

    Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden:

    • a.

      het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater;

    • b.

      het waarborgen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied.

Artikel 6.11.2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primaire waterkering; en

    • b.

      het waterstaatswerk regionale waterkering; en

    • c.

      het waterstaatswerk overige waterkering; en

    • d.

      de beschermingszone primaire waterkering; en

    • e.

      de beschermingszone regionale waterkering; en

    • f.

      de beschermingszone overige waterkering.

  • 3. Verder is deze afdeling van toepassing op:

    • a.

      het werkingsgebied Giessenzoom; en

    • b.

      de Slaperdijk te Kesteren en de Meidijk te Zuilichem.

  • 4. Ten slotte is de afdeling van toepassing op de werkingsgebieden:

    • a.

      het waterstaatswerk primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • b.

      het waterstaatswerk secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      het waterstaatswerk tertiair oppervlaktewaterlichaam; en

    • d.

      het waterstaatswerk bergingsgebied; en

    • e.

      de beschermingszone primair oppervlaktewaterlichaam; en

    • f.

      de beschermingszone secundair oppervlaktewaterlichaam; en

    • g.

      de beschermingszone tertiair oppervlaktewaterlichaam, voor zover aanwezig.

  • 5. Deze afdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

    • a.

      het bouwen van een gebouw; en

    • b.

      het verbouwen van een gebouw; en

    • c.

      het bouwen van een botenhuis; en

    • d.

      het bouwen van een recreatiewoning of bijgebouw.

Artikel 6.11.3 Vrijstelling verbouwen en bouwen op de Slaperdijk en de Meidijk

Is voldaan aan onderstaande voorwaarden? Dan mag zonder melding of omgevingsvergunning worden gebouwd of verbouwd op de Slaperdijk en de Meidijk. De voorwaarden zijn:

  • a.

    de bouwactiviteit vindt plaats op de Slaperdijk te Kesteren of de Meidijk te Zuilichem; en

  • b.

    is er een onderhoudspad aanwezig? Dan blijft deze toegankelijk voor onderhoud en inspectie; en

  • c.

    het graven of roeren van de grond vindt plaats tot een diepte van maximaal 0