Reglement van het algemeen bestuur van de VRU houdende regels omtrent de operationele regeling (Operationele Regeling VRU)

Geldend van 11-07-2022 t/m heden

Intitulé

Reglement van het algemeen bestuur van de VRU houdende regels omtrent de operationele regeling (Operationele Regeling VRU)

Het algemeen bestuur van Veiligheidsregio Utrecht;

gelet op:

  • -

    de Wet veiligheidsregio’s (Wvr);

  • -

    het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr);

  • -

    het Besluit personeel veiligheidsregio’s (Bpvr);

  • -

    de Regeling personeel veiligheidsregio’s (Rpvr);

  • -

    de Wet publieke gezondheid (Wpg);

overwegende dat:

  • -

    de Veiligheidsregio Utrecht een gemeenschappelijke regeling is, tevens openbaar lichaam, ter uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s;

  • -

    de Veiligheidsregio Utrecht verantwoordelijk en bevoegd is voor de uitvoering van taken die ingevolge de Wvr rechtstreeks zijn opgedragen;

  • -

    het algemeen bestuur op 8 november 2021 het regionaal crisisplan Utrecht 2021-2023 heeft vastgesteld, bedoeld in artikel 16 Wvr, waarin de organisatie, de verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing worden beschreven;

  • -

    het wenselijk is dat het bestuur nadere regels stelt over organisatie en werking van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing van de veiligheidsregio Utrecht. Dit ter uitwerking van de Wet veiligheidsregio’s en het Besluit veiligheidsregio’s;

  • -

    het algemeen bestuur op 2 april 2014 de Operationele Regeling VRU heeft vastgesteld en dat er daarna verschillende wijzigingen hebben plaatsgevonden en dat bijbehorende regelingen zijn gewijzigd als gevolg van interregionale samenwerking op Midden-Nederland niveau;

  • -

    het daarom wenselijk is de regeling zoals vastgesteld in 2014 in te trekken en te vervangen door een nieuwe regeling;

besluit:

vast te stellen de:

Operationele Regeling VRU.

§1. Leiding en organisatie

Artikel 1. Organisatie

  • 1.

    De hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing is, voor wat betreft de onderscheiden onderdelen, hun taakstelling en hun bemensing ingericht volgens artikel 2.1.1. tot en met 2.1.5. Bvr.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1.b., vervult in geval dat meerdere commando’s plaats incident (CoPI’s) actief zijn, het regionaal operationeel team (ROT) de taak van coördinerend onderdeel, onder afkondiging van (tenminste) GRIP 2.

  • 3.

    In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.2 lid 1 Bvr geldt dat ook een officier van dienst bevolkingszorg deel uitmaakt van het CoPI.

Artikel 2. Operationele leiding

  • 1.

    De regionaal operationele leider (ROL) is belast met de operationele leiding van het geheel van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, ter uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de directeur publieke gezondheid (DPG). De ROL geeft operationeel leiding aan het ROT, en hiërarchisch aan de Leider CoPI en aan de calamiteitencoördinator (Caco) op de meldkamer. Ter volcontinu uitvoering van deze taak functioneert een piketmedewerker, de ROL. Waarbij de ROL de algemeen directeur informeert indien sprake is van een GRIP 1 of hoger.

  • 2.

    De DPG is, gegeven het in voorgaand lid bepaalde, op grond van de Wvr belast met de operationele leiding van de geneeskundige hulpverlening, als onderdeel van het geheel van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Ter volcontinu uitvoering van deze taak functioneert een piketmedewerker, de DPG van dienst.

  • 3.

    De commandant brandweer is op grond van artikel 25, lid 3 Wvr, belast met de operationele leiding van de brandweer, als onderdeel van het geheel van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Ter volcontinu uitvoering van deze taak functioneert een piketmedewerker, de commandant van dienst brandweer.

  • 4.

    Na grootschalige alarmering wordt, zolang de leiding over het incident nog niet is overgedragen aan de ROL, het incident dat verband houdt met de grootschalige alarmering door de dienstdoende Caco gecoördineerd, zonder daarbij te treden in de bevoegdheden van de lijnfunctionarissen. Onmiddellijk na grootschalige alarmering waarschuwt de Caco de ROL, die de verantwoordelijke burgemeester(s) of de voorzitter van de veiligheidsregio informeert.

Artikel 3. regionaal operationeel team (ROT) en commando plaats incident (CoPI)

  • 1.

    De ROL besluit op welk moment het ROT actief is. Hij1 informeert hierover onverwijld het bevoegd gezag (de burgemeester van de gemeente waar het incident zich voordoet of de voorzitter van de veiligheidsregio in geval van artikel 39 Wvr), de Leider CoPI en de Caco.

  • 2.

    Een sectie van het ROT bestaat tenminste uit een algemeen commandant en een lid van de sectie.

  • 3.

    Het ROT vergadert in GRIP-situaties in de (begin)samenstelling zoals benoemd in artikel 2.1.4 Bvr, met dien verstande dat van elke sectie één functionaris aan de vergadering deelneemt, in beginsel de algemeen commandant.

  • 4.

    De ROL kan zowel vóór of na de start van het ROT besluiten om één of meerdere leden van het ROT vrij te stellen van (verdere) deelname aan het ROT, indien vanwege de specifieke eisen van een incident een (verdere) deelname naar zijn oordeel niet vereist is. De ROL neemt dit besluit in overleg met het lid of leden van het ROT die dit betreft en informeert hierover onverwijld de betrokken burgemeester, dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio.

  • 5.

    Lid 1 en 4 zijn ook van toepassing op het functioneren van het CoPI, gegeven artikel 2.1.2. Bvr. De Leider CoPI voert daarbij de voor de ROL beschreven taken uit voor wat betreft het CoPI. Met dien verstande dat het informeren van het bevoegd gezag (de burgemeester van de gemeente waar het incident zich voordoet of de voorzitter van de veiligheidsregio in geval van artikel 39 Wvr) via de ROL plaatsvindt.

§2. Alarmering, bereikbaarheid en beschikbaarheid

Artikel 4. Alarmering, bereikbaarheid en beschikbaarheid

  • 1.

    De algemeen directeur VRU en de DPG regelen, elk voor hun verantwoordelijkheidsbereik, de alarmering, bereikbaarheid en beschikbaarheid van de operationele functionarissen die werkzaam zijn in de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, met uitzondering van de functionarissen van de sectie politie, het gemeentelijk beleidsteam en het team bevolkingszorg.

Binnen de meldkamer Utrecht vindt de afhandeling van de incidenten die geen verband houden met de ramp of crisis gecoördineerd plaats, zonder dat vermenging plaatsvindt met de afhandeling van de grootschalige ramp of crisis.

§3. Informatiemanagement

Artikel 5. Informatiemanagement

  • 1.

    De ROL is eindverantwoordelijk voor het doen opstellen, bijhouden en completeren van het totaalbeeld voor de informatievoorziening zoals bedoeld in artikel 2.4.1. Bvr.

  • 2.

    De Caco zorgt er namens de ROL voor dat in situaties van GRIP 1 het totaalbeeld voor de informatievoorziening zo snel mogelijk, maar niet eerder dan nadat de informatiemanager in het CoPI te kennen heeft gegeven het te kunnen ontvangen, aan de informatiemanager CoPI wordt overgedragen.

  • 3.

    De Caco zorgt er namens de ROL voor dat in situaties van GRIP 2 en hoger waarbij voortijds geen GRIP 1 is afgekondigd het totaalbeeld voor de informatievoorziening zo snel mogelijk, maar niet eerder dan nadat de informatiemanager ROT te kennen heeft gegeven het te kunnen ontvangen, aan de informatiemanager ROT wordt overgedragen.

  • 4.

    De informatiemanager CoPI zorgt er namens de ROL voor dat, in geval van opschaling van GRIP 1 naar GRIP 2 of hoger, het totaalbeeld voor de informatievoorziening zo snel mogelijk, maar niet eerder dan nadat de informatiemanager ROT te kennen heeft gegeven het te kunnen ontvangen, aan de informatiemanager ROT wordt overgedragen.

  • 5.

    Na ontvangst van het totaalbeeld van de Caco is, namens de ROL voor de informatievoorziening bij GRIP 1, de informatiemanager CoPI, dan wel bij GRIP 2 of hoger de informatiemanager ROT verantwoordelijk voor het beheer en up-to-date houden van het totaalbeeld.

  • 6.

    Onderdelen van de hoofdstructuur houden een eigen beeld bij, gegeven artikel 2.4.2 Bvr.

  • 7.

    In navolgende gevallen dient de ROL, afgezien van reguliere meldings- en alarmeringsclassificaties, onverwijld rechtstreeks door de meldkamer, in casu de Caco, te worden gewaarschuwd:

  • a.

    medisch te behandelen gewonden en/of dodelijke slachtoffers onder het eigen personeel als gevolg van de taakuitvoering van de regionale brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen;

  • b.

    incidenten waarbij dodelijke slachtoffers zijn gevallen tijdens de taakuitvoering van de regionale brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen;

  • c.

    grootschalige alarmering van de hoofdstructuur;

  • d.

    weeralarm;

  • e.

    uitval C2000, P2000;

  • f.

    het inschakelen van het sirenestelstel;

  • g.

    bijstandsverzoeken aan de VRU van buurregio’s en/of het LOCC;

  • h.

    crisiscommunicatie vanuit de provincie en/of het NCC (Min V&J);

  • i.

    incidenten in buurregio’s met uitstralingseffecten naar de VRU;

  • j.

    anderszins op verzoek van operationeel leidinggevenden uit de hoofdstructuur;

  • k.

    andere situaties waarvan kan worden ingeschat dat voorbereidende activiteiten dan wel bestuurlijk overleg gewenst of noodzakelijk is.

  • 8.

    Het voorgaande laat onverlet dat operationeel leidinggevenden, indien nodig, zelfstandig en actief in de hiërarchische lijn relevante zaken onder de aandacht van de ROL brengen, in elk geval wanneer wordt verwacht dat zaken mediagevoelig zijn.

§4. Onderzoek en evaluatie

Artikel 6. Onderzoek

  • 1.

    In geval bij GRIP 1 of hoger de locatie van een incident wordt of zal worden aangemerkt als plaats delict wordt hiervan door de Leider CoPI melding gedaan aan de ROL. De Leider CoPI overlegt met de OvD-politie over de gang van zaken op en rond de plaats delict en maakt ten aanzien van de verdere afhandeling van het incident de noodzakelijke afspraken.

  • 2.

    In geval bij GRIP 1 of hoger het Openbaar Ministerie (OM) te kennen geeft dat functionele OM-interventie bij of ter zake van de afhandeling van het lopende incident noodzakelijk is, wordt hiervan door de Leider CoPI melding gedaan aan de ROL. De ROL ziet erop toe dat met het OM afspraken worden gemaakt ten aanzien van de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden ter plaatse, alsmede de bestuurlijke informatievoorziening.

  • 3.

    Indien de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV), dan wel één of meerdere rijksinspectiediensten zich ter plaatse van het incident melden wordt hiervan door de Leider CoPI onmiddellijk melding gedaan aan de ROL. De ROL zal hiervan onverwijld de betrokken burgemeester(s) en de algemeen directeur VRU in kennis stellen.

  • 4.

    In geval van inbeslagname van voorwerpen bij een lopend incident door de OvV zal de ROL hiervan de betrokken burgemeester en de algemeen directeur VRU in kennis stellen.

  • 5.

    De directeur Crisisbeheersing kan al dan niet op basis van de bevindingen van de ROL besluiten om een evaluatieonderzoek uit te laten voeren, overeenkomstig de daarvoor vastgestelde procedure.

  • 6.

    De directeur Crisisbeheersing rapporteert elk half jaar over de aanbevelingen, ter zake van te leren lessen voor functionarissen en onderdelen binnen de hoofdstructuur en ter zake van noodzakelijke aanpassingen van de procedures en protocollen, alsmede deze regeling.

  • 7.

    De directeur Crisisbeheersing doet tevens aanbevelingen over het verwerken van deze lessen en aanbevelingen in de jaarlijkse gezamenlijke oefening van de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.5.1. Bvr.

§5. Slotbepaling

Artikel 7.

  • 1.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Operationele Regeling VRU.

  • 2.

    De uitvoering van deze regeling en de bekendheid ervan bij ter uitvoering van de regeling betrokken functionarissen is opgedragen aan de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling VRU, de directeur Crisisbeheersing en de directeur Brandweerrepressie.

  • 3.

    De directeur Crisisbeheersing is verantwoordelijk voor de controle op de uitvoering en op het beheer van deze regeling. Daaronder valt in elk geval:

  • a.

    het jaarlijks beoordelen of actualisering van deze regeling noodzakelijk is;

  • b.

    het signaleren van wijziging van wet en regelgeving en ontwikkelingen en omstandigheden en andere feiten die van invloed zijn op deze regeling;

  • c.

    het doen van voorstellen tot wijziging van de regeling, in de gevallen voornoemd onder a. en b.

  • 4.

    Deze regeling treedt in werking op 11 juli 2022.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het algemeen bestuur,

Utrecht, 4 juli 2022,

S.A.M. Dijksma

voorzitter

J.R. Donker

secretaris


Noot
1

Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden.