Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022

Geldend van 11-07-2022 t/m heden

Intitulé

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022

Gedeputeerde Staten van Overijssel delen het volgende mee:

Artikel I

  • a.

    Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 wordt met ingang van 11 juli 2022 ingetrokken met uitzondering van hoofdstuk 1 in combinatie met de paragrafen 6.3 en 7.10.

  • b.

    Paragraaf 7.10 wordt met ingang van 16 augustus 2022 ingetrokken;

  • c.

    Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 inclusief Hoofdstuk 1 en paragraaf 6.3 worden met ingang van 14 september 2022 ingetrokken.

Artikel II

De subsidieregelingen van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 zijn, voor zover ze doorlopen, ondergebracht in het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022.

Artikel III

Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022 is vastgesteld, dat als volgt luidt:

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022

Hoofdstuk 1 Algemeen

1.1 Inhoud, geldigheid en begrippen

Artikel 1.1.1 Wat in het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2022 geregeld is

  • 1. Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022, hierna het Uitvoeringsbesluit genoemd, bevat de voorwaarden die voor subsidies gelden.

  • 2. Het Uitvoeringsbesluit bestaat uit:

    • a.

      Hoofdstuk 1: algemene voorwaarden die gelden voor subsidies;

    • b.

      Hoofdstuk 2 tot en met 8: de subsidieregelingen. In de subsidieregeling zijn de subsidiabele activiteiten en de aanvullende of afwijkende voorwaarden van Hoofdstuk 1 opgenomen. De aanvraag wordt getoetst aan de voorwaarden van Hoofdstuk 1 en aan alle artikelen en onderdelen van de subsidieregeling.

Artikel 1.1.2 Geldigheid van de regels in het Uitvoeringsbesluit

  • 1. Het Uitvoeringsbesluit geldt niet voor subsidies die worden verleend volgens één van de volgende regelingen:

    • -

      Regeling aanpak schades panden langs Kanaal Almelo-De Haandrik;

    • -

      Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel;

    • -

      Samenwerkingsovereenkomst Asbestbodemsaneringsopgave 2016-2022;

    • -

      Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel;

    • -

      Subsidieregeling Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie door ondernemingen;

    • -

      Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel;

    • -

      Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016;

    • -

      Subsidieregeling rivierdijken;

    • -

      Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel;

    • -

      Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.;

    • -

      Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel;

    • -

      Wet personenvervoer 2000.

  • 2. Voor alle overige provinciale subsidies gelden de voorwaarden uit Hoofdstuk 1 en de aanvullende of afwijkende voorwaarden die in de betreffende subsidieregeling zijn genoemd. Daarnaast gelden ook de voorwaarden uit de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005 en Europese regels op het gebied van staatssteun.

  • 3. Een aanvraag wordt behandeld op basis van het Uitvoeringsbesluit subsidies dat geldig is op de ontvangstdatum van de subsidieaanvraag.

  • 4. Voor subsidies die verleend zijn volgens het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007, 2011 en 2017 blijft de versie gelden op de datum van de subsidieaanvraag. Voor de MIT-R&D-samenwerkingsprojecten 2022 en de Productieregeling cultuur Overijssel blijft het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Ubs 2017) in combinatie met hoofdstuk 1 van dat Ubs 2017 tijdens de indieningstermijn 2022 nog gelden.

Artikel 1.1.3 Betekenis van begrippen

In dit artikel zijn veel voorkomende begrippen in dit Uitvoeringsbesluit uitgelegd. Als een begrip niet is uitgelegd, geldt de algemeen gangbare uitleg van het begrip.

Algemene begrippen

  • -

    Asv-aanvraag: een aanvraag voor een subsidie op grond van de Algemene subsidieverordening 2005 (Asv).

  • -

    Asv-subsidie: een eenmalige subsidie die verleend wordt voor activiteiten waar geen subsidieregeling in dit Uitvoeringsbesluit voor is.

  • -

    Derde: iemand anders dan de aanvrager. Zuster-, dochter-, moeder- en vergelijkbare ondernemingen zijn geen derden als sprake is van onderlinge economische of juridische afhankelijkheid.

  • -

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel.

  • -

    Medeoverheden: gemeenten, waterschappen, andere provincies en de Rijksoverheid.

  • -

    Subsidieperiode: de periode waarbinnen de gesubsidieerde activiteiten uitgevoerd worden. De startdatum van de subsidieperiode is de ontvangstdatum van de aanvraag. Als de aanvrager een latere startdatum invult op het aanvraagformulier dan is dat de geldige startdatum. De einddatum staat in het subsidiebesluit: op deze dag moeten alle gesubsidieerde activiteiten uitgevoerd zijn.

  • -

    Subsidievaststelling: een besluit waarin is opgenomen op welk bedrag de aanvrager definitief recht heeft.

  • -

    Subsidieverlening: een besluit waarin is opgenomen op welk bedrag de aanvrager voorlopig recht heeft.

Wet- en regelgeving

  • -

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening, hierna AGVV: de verordening van de Europese Commissie waarmee het mogelijk wordt om subsidie als toegestane staatssteun te verlenen. Het is de Verordening (EG) van 17 juni 2014 met nummer 651/2014 en publicatienummer L187/1, en alle daaropvolgende wijzigingen.

  • -

    Algemene subsidieverordening Overijssel 2005, hierna Asv: de verordening op basis waarvan Gedeputeerde Staten subsidies kunnen verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan provinciale doelen of die passen binnen de programmabegroting. De Asv is de wettelijke basis van alle door of namens Gedeputeerde Staten verleende subsidies.

  • -

    Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb: deze wet geeft algemene regels voor het verkeer tussen bestuursorganen en burgers. Subsidieregels staan in Titel 4.2 van de Awb.

  • -

    Algemene De-minimisverordening: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 24 december 2013, met nummer 1407/2013 en publicatienummer L 352/1, en alle daaropvolgende wijzigingen.

  • -

    De-minimisverordening Landbouw: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen aan landbouwondernemingen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 18 december 2013, met nummer 1408/2013 en publicatienummer L 352/9 en alle daaropvolgende wijzigingen.

  • -

    De-minimisverordening Visserij: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen aan ondernemingen in de Visserij, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 27 juni 2014 met nummer nr. 717/2014 en publicatienummer L 190/45 en alle daaropvolgende wijzigingen.

  • -

    Landbouwvrijstellingsverordening, hierna LVV: de verordening van de Europese Commissie waarmee het mogelijk wordt om subsidie als toegestane staatssteun te verlenen aan landbouwondernemingen. Het is de Verordening (EU) van 25 juni 2014 met nummer 702/2014 en publicatienummer Pb L193/1, en alle daaropvolgende wijzigingen.

De aanvrager

  • -

    Aanvrager: een persoon, bedrijf of organisatie die de subsidie aanvraagt en ontvangt. De aanvrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten.

  • -

    Gemachtigde: een persoon of organisatie die namens de aanvrager subsidie aanvraagt en de aanvrager vertegenwoordigt.

  • -

    Penvoerder: een persoon of een organisatie die subsidie aanvraagt en verantwoordt namens een samenwerkingsverband. Betaling aan de penvoerder geldt als betaling aan alle medeaanvragers van het samenwerkingsverband.

  • -

    Samenwerkingsovereenkomst: een schriftelijke afspraak van de deelnemers van een samenwerkingsverband. In de overeenkomst staan in ieder geval de taken, verantwoordelijkheden, financiële bijdragen van iedere deelnemer en wie van de deelnemers in het samenwerkingsverband penvoerder is.

  • -

    Samenwerkingsverband: een groep zonder rechtspersoonlijkheid waarin meerdere aanvragers samenwerken bij de uitvoering van subsidiabele activiteiten. Een samenwerkingsverband bestaat uit minimaal 2 aanvragers die juridisch en financieel onafhankelijk zijn van elkaar. Bij een samenwerkingsverband zijn alle deelnemers aanvrager. Alle deelnemers zijn voor het eigen deel verantwoordelijk voor de subsidie.

Ondernemingen

  • -

    Grote onderneming: een onderneming die 250 of meer werknemers heeft. De jaarlijkse omzet is € 50 miljoen of meer en het jaarlijks balanstotaal is € 43 miljoen of meer. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een onderneming een grote onderneming is, wordt gebruik gemaakt van de definitie die in bijlage 1 van de AGVV of de LVV staat.

  • -

    Landbouwonderneming: een onderneming die actief is in de primaire productie van landbouwproducten.

  • -

    Mkb-onderneming: een micro-, kleine of middelgrote onderneming:

    • a.

      een micro-onderneming heeft minder dan 10 werknemers. De jaarlijkse omzet of balanstotaal is minder dan € 2 miljoen;

    • b.

      een kleine onderneming heeft 10 of meer en minder dan 50 werknemers. De jaarlijkse omzet of balanstotaal is minder dan € 10 miljoen;

    • c.

      een middelgrote onderneming heeft 50 of meer en minder dan 250 werknemers. De jaarlijkse omzet is minder dan € 50 miljoen of het balanstotaal is minder dan € 43 miljoen.

  • Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een onderneming een Mkb-onderneming is, dan wordt gebruik gemaakt van de definitie van Mkb-onderneming die in bijlage 1 van de AGVV of de LVV staat.

  • -

    Onderneming: een particulier, een bedrijf of een organisatie die een product of dienst op een markt brengt. Een onderneming staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

  • -

    Onderneming in moeilijkheden: een onderneming die financiële problemen heeft. Bij een Mkb-onderneming is dat het geval als de onderneming te maken heeft met één van de volgende situaties:

    • a.

      als de onderneming in betalingsmoeilijkheden verkeert, zoals surseance van betaling of faillissement;

    • b.

      als de verliezen in mindering worden gebracht op de reserves en dit een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft het aandelenkapitaal;

    • c.

      als meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming, zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door verliezen is verdwenen;

    • d.

      als de onderneming financiële hulp in de vorm van reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, of in een herstructureringsplan zit.

  • Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een onderneming in moeilijkheden verkeert, wordt gekeken naar de definitie zoals opgenomen in artikel 2 lid 18 van de AGVV of in artikel 2 lid 14 van de LVV.

  • -

    Startende onderneming: een onderneming die op het moment van de subsidieaanvraag maximaal 5 jaar geregistreerd staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Onderzoek en innovatie

  • -

    Experiment: het verzamelen, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke kennis en vaardigheden, om nieuwe of flink verbeterde producten, processen of diensten te ontwikkelen. Een experiment wordt ook wel een pilot of proefproject genoemd. Een gebruikelijke, beperktere wijziging van bestaande producten, productieprocessen of diensten is geen experiment.

  • -

    Haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek om te kijken of en hoe een activiteit uitvoerbaar is. Het doel is om een betrouwbaar beeld te krijgen van de risico's in wat er nodig is om de activiteit inhoudelijk, juridisch, organisatorisch en financieel te laten slagen.

  • -

    Innovatie: een nieuw of verbeterd product, proces of dienst.

1.2 De algemene voorwaarden

Artikel 1.2.1 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. In de subsidieregeling staat welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen en welke voorwaarden daarbij gelden.

  • 2. Voor subsidies op basis van de Asv staat in de subsidieverlening welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen en welke voorwaarden daarbij gelden.

  • 3. De subsidiabele activiteiten passen binnen het provinciale beleid.

  • 4. De activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen vinden plaats in Overijssel. Als dat niet het geval is, zijn de effecten van de activiteit helemaal of voor het grootste deel merkbaar in Overijssel.

  • 5. Activiteiten die wettelijk verplicht zijn, komen niet in aanmerking voor de subsidie.

Artikel 1.2.2 Incidentele activiteitensubsidie

De subsidie heeft de vorm van een incidentele activiteitensubsidie. Een incidentele activiteitensubsidie is een subsidie om activiteiten van eenmalige, incidentele aard uit te voeren.

Artikel 1.2.3 Subsidie heeft een stimulerend effect

De subsidie heeft een stimulerend effect op het gaan uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Dit betekent dat de activiteiten op het moment van de ontvangst van de subsidieaanvraag nog niet zijn gestart.

Artikel 1.2.4 Stapeling van provinciale subsidies is niet toegestaan

Voor dezelfde activiteiten of kosten wordt niet meer dan één keer subsidie verleend. Dit geldt niet bij:

  • a.

    subsidies uit Europese Fondsen of op grond van andere Europese regelgeving;

  • b.

    subsidies waarbij Gedeputeerde Staten de subsidie verlenen uit financiële middelen die afkomstig zijn van de Rijksoverheid én voor dezelfde activiteiten ook de subsidie verlenen uit eigen, provinciale middelen;

  • c.

    een geldlening door of namens Gedeputeerde Staten.

Subsidiabele kosten, begroting en dekking

Artikel 1.2.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Kosten zijn subsidiabel en worden meegenomen bij het berekenen van de hoogte van de subsidie als deze:

    • a.

      toerekenbaar zijn: de kosten houden direct verband met de subsidiabele activiteit;

    • b.

      aantoonbaar zijn: de aanvrager kan de kosten uitleggen en bewijzen met facturen en offertes;

    • c.

      acceptabel zijn: de verhouding tussen de activiteiten en de kosten daarvan is redelijk.

  • 2. Personeelskosten zijn subsidiabel als deze daarnaast ook voldoen aan artikel 1.2.6.

  • 3. Kosten van derden zijn subsidiabel als deze daarnaast ook voldoen aan artikel 1.2.7.

Artikel 1.2.6 Personeelskosten

  • 1. Personeelskosten van de aanvrager en samenwerkingsverband worden berekend door het aantal uren die besteed worden aan de activiteit te vermenigvuldigen met één van de volgende uurtarieven:

    • a.

      een vast uurtarief van € 40,-. Een onderbouwing van het uurtarief is dan niet nodig. Een vast uurtarief kan worden gebruikt voor:

      • 1.

        ureninzet van personen die in loondienst zijn;

      • 2.

        ureninzet van personen die niet op de loonlijst staan zoals bij een zelfstandig ondernemer, eenmanszaak, vennootschap onder firma (v.o.f.), maatschap of een directeur-grootaandeelhouder;

      • 3.

        ureninzet van samenwerkingspartners die geen medeaanvrager zijn;

    • b.

      een uurtarief tot maximaal € 130,- dat als volgt is berekend: bruto jaarloon, gedeeld door 1.836 uur, vermeerderd met een opslag van 50% voor indirecte kosten. Dit is een uurtarief dat wordt gebruikt voor ureninzet van personen die in loondienst zijn. Indirecte kosten zijn de overheadskosten inclusief huisvestingskosten. Bij een parttime dienstverband worden de personeelskosten naar verhouding berekend;

    • c.

      het Integraal Kostprijstarief (IKT). Dit is een uurtarief dat wordt gebruikt voor ureninzet personen die in loondienst zijn. Het IKT-tarief voldoet aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        er is bij de aanvrager sprake van een stelselmatig en volgens een vast patroon gehanteerde berekening van het uurtarief;

      • 2.

        het uurtarief is gebaseerd op bedrijfseconomische toegestane berekening, waarin directe personeelskosten en algemeen indirecte kosten inclusief huisvesting opgenomen kunnen worden;

      • 3.

        het uurtarief is op een transparante en begrijpelijke wijze vooraf berekend;

      • 4.

        het uurtarief bevat geen debetrente, boetes, provisies, financiële sancties, winstopslagen, gerechtskosten, voorzieningen voor mogelijke toekomstige verliezen of lasten, wisselverliezen, terugvorderbare indirecte belastingen, schulden en onvoorziene kosten;

      • 5.

        het uurtarief is niet meer dan € 130,- per uur.

  • 2. Personeelskosten van medeoverheden zijn alleen subsidiabel als sprake is van minimaal één van de volgende situaties:

    • a.

      er is sprake van ureninzet van personeel in vaste dienst dat tijdens de subsidieperiode aantoonbaar werktijduitbreiding krijgt of wordt vervangen door tijdelijke inhuur;

    • b.

      er is sprake van ureninzet van personeel in vaste dienst dat niet gedekt op de begroting van de medeoverheid staat en ureninzet van de eigen uren moet terugverdienen.

  • 3. Als de personeelskosten van medeoverheden subsidiabel zijn, dan geldt naar keuze het uurtarief zoals opgenomen onder lid 1 onderdeel a, b of c.

  • 4. Het uurtarief dat bij subsidieverlening geldt, wordt ook gebruikt bij de subsidievaststelling. Het uurtarief kan bij de subsidievaststelling niet hoger worden dan bij de subsidieverlening.

Artikel 1.2.7 Kosten van derden

  • 1. Kosten van derden zijn de kosten van:

    • a.

      de geleverde diensten;

    • b.

      de geleverde materialen;

    • c.

      de aankoopkosten van machines en apparatuur. Daaronder vallen ook bijkomende kosten zoals licenties voor software en de onderhoudskosten van een machine of apparatuur;

    • d.

      de bestedingen van een medeoverheid door middel van subsidieverlening aan derden;

    • e.

      de verzekeringspremies, lunches en andere vergelijkbare kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren.

  • 2. De aanvrager kan de gemaakte kosten van derden bewijzen met facturen, betaalbewijzen of een subsidiebesluit.

  • 3. Kosten van arbeid van derden zijn subsidiabel tot een maximum van € 130,- per uur exclusief Btw.

  • 4. Btw is alleen subsidiabel als de aanvrager de Btw over de te subsidiëren activiteiten niet met de Belastingdienst kan verrekenen of bij het Btw-compensatiefonds kan compenseren.

Artikel 1.2.8 Kosten die niet voor de subsidie in aanmerking komen

De volgende kosten zijn niet subsidiabel, behalve als dat in de subsidieregeling anders is geregeld:

  • a.

    de kosten die gemaakt zijn vóór het indienen van de subsidieaanvraag;

  • b.

    de kosten van de voorbereiding en het indienen van de subsidieaanvraag;

  • c.

    boetes, kosten van juridische bijstand voor rechtszaken, bankdiensten, financieringen, debetrente en leges;

  • d.

    vergoedingen die vrijwilligers, stagiaires en meewerkende studenten ontvangen voor de hun ureninzet;

  • e.

    kosten van het aankopen, gebruiken of waardevermindering van grond;

  • f.

    kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaars;

  • g.

    in de begroting opgenomen onvoorziene kosten. Voor deze kosten zijn op het moment van de aanvraag namelijk geen duidelijk aanwijsbare activiteiten bekend en is onzeker of deze kosten gemaakt gaan worden.

Artikel 1.2.9 Begroting en dekking

De subsidie wordt verleend als de kosten van de subsidiabele activiteiten naar verwachting betaald en financieel gedekt kunnen worden.

Staatssteunregels

Artikel 1.2.10 Staatssteun

  • 1. Staatssteun is overheidssteun, zoals subsidie, die mogelijk voor verstoring van de concurrentie op de Europese markt kan zorgen. Om te bepalen of sprake is van staatssteun, wordt een aanvraag getoetst aan de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) met publicatienummer PbEU 2010, C 83/47.

  • 2. Als sprake is van staatssteun wordt de subsidie alleen verleend als de aanvraag voldoet aan de AGVV, LVV, of een ander Europees steunkader.

  • 3. Als sprake is van staatssteun kan subsidie worden verleend als:

    • a.

      er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden;

    • b.

      een aanvrager niet op grond van een besluit van de Europese Commissie staatssteun moet terugbetalen;

    • c.

      steunpercentages en steundrempels uit de AGVV, LVV of een ander Europees steunkader niet worden overschreden;

    • d.

      is voldaan aan andere geldende voorwaarden uit de AGVV, LVV of een ander steunkader.

  • 4. Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of De-minimisverordening Landbouw of De-minimisverordening Visserij. De aanvrager en zijn moeder-, zuster- en dochterondernemingen mag dan samen in de afgelopen 2 jaar en het jaar van indiening van de aanvraag maximaal de volgende financiële bijdrage van medeoverheden ontvangen:

    • a.

      € 20.000,- voor een landbouwonderneming;

    • b.

      € 200.000,- voor een andere onderneming;

    • c.

      € 100.000,- voor de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht;

    • d.

      € 30.000,- voor een onderneming in de sector Visserij.

  • 5. Als sprake is van de AGVV of LVV dan maakt de provincie binnen 6 maanden na subsidieverlening gegevens bekend voor:

    • a.

      subsidies van € 60.000,- als de subsidieontvanger een landbouwonderneming is;

    • b.

      subsidies van € 500.000,- voor overige subsidieontvangers.

  • De volgende gegevens worden bekend gemaakt: de naam van de subsidieontvanger, de verleende subsidie, de vorm en het bedrag per eindbegunstigde, de datum waarop de subsidie is verleend, Mkb-onderneming of grote ondernememing, de regio waarin de subsidieontvanger is gevestigd en de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger actief is.

De aanvraag

Artikel 1.2.11 Indieningstermijn aanvraag voor subsidie

  • 1. Een subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. In de subsidieregeling kan een afwijkende indieningstermijn geregeld zijn. Aanvragen die na het einde van de indieningstermijn zijn ontvangen worden afgewezen.

Artikel 1.2.12 Verplicht gebruik van het aanvraagformulier

De aanvrager maakt gebruik van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier dat bij de Asv-aanvraag of de betreffende subsidieregeling hoort.

Artikel 1.2.13 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

  • 1. Een subsidieaanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • a.

      een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      een omschrijving van het doel en het resultaat van de activiteiten. Het doel en resultaat wordt zo veel mogelijk specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden omschreven;

    • c.

      een omschrijving van de bijdrage aan het provinciale beleid;

    • d.

      de start- en einddatum van de activiteiten;

    • e.

      een omschrijving van de financiële en juridische haalbaarheid van de activiteiten;

    • f.

      een omschrijving van de betrokkenheid van andere organisaties, overheden of onderwijs;

    • g.

      een omschrijving van de eventuele financiële onzekerheden en risico’s;

    • h.

      de planning van de uitgaven, als sprake is van subsidiabele activiteiten die in twee of meer jaren plaatsvinden;

    • i.

      overige informatie die in het aanvraagformulier wordt gevraagd die nodig is om te toetsen of de aanvraag voldoet aan de subsidieregeling.

  • 2. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 3. In de begroting en het dekkingsplan staan de kosten van de subsidiabele activiteiten en hoe deze betaald of financieel gedekt worden.

  • 4. In het dekkingsplan wordt opgenomen: de eigen inbreng van de aanvrager en de bijdrage van derden. Als sprake is van een bijdrage van medeoverheden, wordt dat vermeld.

  • 5. Als sprake is van een Asv-aanvraag of subsidieregeling waarvoor de AGVV of LVV als staatssteunoplossing geldt, bevat de subsidieaanvraag aanvullend de volgende informatie:

    • a.

      hoeveel medewerkers de aanvrager in dienst heeft en wat de jaarlijkse omzet bedraagt. Deze informatie is bedoeld om te beoordelen of sprake is van een Mkb-onderneming;

    • b.

      of de aanvrager voor deze activiteit en kosten al een financiële bijdrage van een medeoverheid heeft of zal ontvangen;

    • c.

      een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming of aanvrager niet in moeilijkheden verkeert.

  • 6. Als sprake is van een subsidieregeling waarvoor de De-minimisverordening geldt, bevat de aanvraag aanvullend de volgende informatie: het totaal aan ontvangen De-minimissteun in de afgelopen 2 jaar en het jaar van indiening van de aanvraag. In de betreffende subsidieverlening of regeling van de verlenende medeoverheid is opgenomen of sprake is van De-minimissteun.

  • 7. Als sprake is van een samenwerkingsverband levert de aanvrager aanvullend:

    • a.

      een samenwerkingsovereenkomst, en

    • b.

      een staatssteunverklaring van alle partners in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde format Staatssteunverklaring partners te gebruiken.

Artikel 1.2.14 Compleetheid van een subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag is compleet als:

    • a.

      het digitale aanvraagformulier volledig ingevuld is;

    • b.

      de informatie en stukken zoals genoemd in artikel 1.2.13 zijn ontvangen, en

    • c.

      de aanvullende stukken die gevraagd zijn in de subsidieregeling zijn ontvangen.

  • 2. Als het nodig is voor de inhoudelijke beoordeling van de subsidieaanvraag, kan om een toelichting op de ingediende informatie gevraagd worden. Dit heeft geen gevolgen voor de datum van compleetheid van de subsidieaanvraag.

Hoogte subsidiebudget en wijze van verdeling

Artikel 1.2.15 Beschikbaar budget voor een Asv-aanvraag

Een Asv-subsidie kan worden verleend als in een vastgestelde provinciale begroting geld beschikbaar is voor de subsidiabele activiteiten van de aanvrager.

Artikel 1.2.16 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Voor elke subsidieregeling wordt een subsidieplafond vastgesteld. Dit is het beschikbare geld voor de subsidieregeling. In de subsidieregeling is opgenomen voor welke jaren het subsidieplafond geldt.

  • 2. Het subsidieplafond wordt verdeeld in volgorde van ontvangst van de complete aanvraag. De compleetheid wordt bepaald op datum en tijdstip van de ontvangst ervan.

  • 3. Als bij het bereiken van het subsidieplafond de volgorde van ontvangst niet met zekerheid kan worden vastgesteld, wordt er geloot. De loting wordt uitgevoerd onder de aanvragen die compleet zijn op de dag dat het subsidieplafond bereikt is. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.

Hoogte van de subsidie en betaling

Artikel 1.2.17 Berekening subsidiebedrag

  • 1. De subsidie is een percentage van de begrote subsidiabele kosten of een vast bedrag als dat in de subsidieregeling of de Asv-subsidieverlening staat.

  • 2. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 1.000,- of minder is. De maximale subsidie staat in de subsidieregeling of in de Asv-subsidieverlening.

  • 3. Als de subsidie een percentage van de begrote subsidiabele kosten is, dan geldt hetzelfde percentage ook bij de subsidievaststelling.

Artikel 1.2.18 Betaling en bevoorschotting

  • 1. Het voorschot is maximaal 100% van het verleende bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt in één keer of in termijnen uitbetaald. Het aantal termijnen hangt af van de looptijd van de activiteiten en de verwachte uitgaven per jaar. In de subsidieverlening is de hoogte en manier van bevoorschotting opgenomen.

  • 3. Bij een subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening wordt de subsidie in één keer uitbetaald. Dit geldt niet als het een voorwaarde is dat eerst de benodigde vergunningen zijn ontvangen. In dat geval wordt de subsidie uitbetaald nadat de subsidieontvanger gemeld heeft dat de benodigde vergunningen is ontvangen.

Subsidieverlening en subsidievaststelling

Artikel 1.2.19 Subsidie tot € 25.000,-

  • 1. Een subsidie van minder dan € 25.000,- wordt direct vastgesteld. Dat wil zeggen dat de subsidie gelijk wordt vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening Dit geldt ook als de subsidiabele activiteiten nog moeten plaatsvinden.

  • 2. De subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening geldt niet voor:

    • a.

      subsidies waarop de AGVV of LVV van toepassing is;

    • b.

      subsidies waarvoor SiSa-verantwoording van toepassing is;

  • De subsidie wordt in die gevallen op dezelfde manier verleend en vastgesteld als subsidies vanaf € 125.000,-. Artikel 1.2.21 is dan van toepassing.

Artikel 1.2.20 Subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,-

  • 1. Een subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- wordt eerst verleend en achteraf, nadat de subsidiabele activiteiten uitgevoerd zijn, vastgesteld.

  • 2. De subsidieontvanger levert uiterlijk 13 weken na het einde van de subsidieperiode een aanvraag tot subsidievaststelling in. Als bij de subsidieverlening een andere termijn is genoemd dan 13 weken, dan geldt die andere termijn.

  • 3. Voor de aanvraag tot subsidievaststelling wordt het formulier beschikbaar gestelde digitale formulier ‘Aanvraag tot subsidievaststelling’ gebruikt.

  • 4. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat:

    • a.

      de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd;

    • b.

      aan de voorwaarden die bij de subsidie horen is voldaan;

    • c.

      als sprake is van subsidieverlening waarop de AGVV of LVV van toepassing is, een opgave van welke kosten werkelijk gemaakt zijn voor de gesubsidieerde activiteiten en wat de werkelijk ontvangen bijdragen van medeoverheden zijn.

  • 5. De subsidie wordt vastgesteld op het verleende bedrag als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle voorwaarden is voldaan.

  • 6. Als sprake is van subsidieverlening waarop de AGVV, LVV of SiSa-verantwoording van toepassing is, wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijke kosten. De artikelen 1.1.21 en 1.1.22 zijn van toepassing.

  • 7. Een subsidie wordt nooit hoger vastgesteld dan het verleende bedrag.

  • 8. Op basis van een risicoanalyse kunnen Gedeputeerde Staten een Asv-subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel 1.2.19 is dan van toepassing.

Artikel 1.2.21 Subsidies vanaf € 125.000,-

  • 1. Een subsidie van € 125.000,- of meer wordt eerst verleend en achteraf, nadat de subsidiabele activiteiten uitgevoerd moeten zijn, vastgesteld.

  • 2. De subsidieontvanger levert uiterlijk 13 weken na het einde van de subsidieperiode een aanvraag tot subsidievaststelling in. Als bij de subsidieverlening een andere termijn is genoemd dan 13 weken, dan geldt die andere termijn.

  • 3. Voor de aanvraag tot subsidievaststelling wordt het beschikbaar gestelde digitale formulier Aanvraag tot subsidievaststelling ingediend. Hierin is staan:

    • a.

      de werkelijk gemaakte kosten voor de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      hoe deze kosten zijn betaald en financieel zijn gedekt;

    • c.

      wat de werkelijk ontvangen bijdragen van medeoverheden zijn.

  • 4. Om de werkelijk gemaakte kosten te bewijzen kan aanvullend om een accountantsverklaring of factuur, betaalbewijs en een urenverantwoording gevraagd worden. In welk geval een accountantsverklaring wordt gevraagd staat in artikel 1.2.24.

  • 5. Als sprake is van een subsidies waarvan de middelen beschikbaar gesteld zijn door de Rijksoverheid via een Specifieke uitkering, hierna SPUK, dan geldt de SiSa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is dan van toepassing.

  • 6. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit aanvullend een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat:

    • a.

      de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd;

    • b.

      aan de voorwaarden en verplichtingen die bij de subsidie horen is voldaan.

  • 7. De subsidie wordt vastgesteld op de werkelijke kosten als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan. Als de subsidie een percentage van de begrote subsidiabele kosten is, dan wordt de subsidie vastgesteld op hetzelfde percentage van de werkelijke subsidiabel kosten ook voor de subsidievaststelling. De subsidie wordt nooit hoger vastgesteld dan het verleende bedrag.

  • 8. Op basis van een risicoanalyse kunnen Gedeputeerde Staten een Asv-subsidie vanaf € 125.000,- vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel 1.2.19 is dan van toepassing.

Artikel 1.2.22 SiSa-verantwoording

  • 1. SiSa staat voor Single information, Single audit. Het is een manier van subsidie verantwoorden die geldt voor subsidies waarvan de middelen beschikbaar gesteld zijn door de Rijksoverheid via een SPUK, Specifieke uitkering.

  • 2. Als een gemeente of een provincie subsidie ontvangt die afkomstig is van een SPUK, dan verloopt de financiële verantwoording van de subsidie via de SiSa-verantwoording. Artikel 17a van de Financiële verhoudingswet is van toepasing. Bij sommige SPUK’s geldt de SiSa-verantwoording ook voor een waterschap.

  • 3. De medeoverheid dient ieder jaar vóór 15 juli de SiSa-verantwoording in bij de Rijksoverheid.

  • 4. De provincie ontvangt de betreffende SiSa-verantwoording van de Rijksoverheid en gebruikt deze bij vaststelling van de subsidie. Deze verantwoording kan ook gebruikt worden bij het bepalen of een aanvullend voorschot verleend wordt.

  • 5. Als sprake is van een provinciebijdrage die als cofinanciering geldt voor de SPUK-bijdrage van de Rijksoverheid, dan wordt de provinciebijdrage ook verantwoord via de SiSa-verantwoording. De provinciebijdrage wordt in de SiSa-verantwoording verantwoord onder: cofinanciering.

  • 6. Als de subsidieperiode langer is dan een jaar, dan wordt de aanvraag tot subsidievaststelling binnen 13 weken na de laatste SiSa-verantwoording ingediend.

Artikel 1.2.23 Beslistermijn op een aanvraag

De beslistermijn op een subsidieaanvraag, wijziging van een subsidieverlening of een aanvraag voor subsidievaststelling is 13 weken vanaf de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 1.2.24 Accountantsverklaring

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen als controlemaatregel een accountantsverklaring over de financiële verantwoording van de subsidie vragen. In de subsidieverlening staat dan dat een accountantsverklaring ingediend wordt bij de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 2. In de accountantsverklaring staat een overzicht van de kosten en baten van de gesubsidieerde activiteiten en een oordeel van een accountant daarover.

Artikel 1.2.25 Beoordeling integriteit van de subsidieontvanger

  • 1. Met de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kunnen Gedeputeerde Staten onderzoeken of de aanvrager aan wie zij een subsidie wil verlenen betrouwbaar en integer is. De door Gedeputeerde Staten vastgestelde Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob 2019 is van toepassing.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen bij een aanvraag om een subsidie of bij wijziging van de subsidieontvanger een volledig in te vullen Bibob-formulier subsidies verplicht stellen. In dat geval worden geen voorschotten verleend totdat de beoordeling van het ingezonden Bibob-formulier subsidies is afgerond.

  • 3. Als het Bibob-formulier subsidies niet dan wel niet compleet wordt ingediend, wordt de subsidie afgewezen of ingetrokken. Voordat de subsidie wordt afgewezen of ingetrokken, krijgt de aanvrager de gelegenheid om zijn Bibob-formulier subsidies alsnog in te dienen dan wel aan te vullen.

1.3 Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.3.1 Goed controleerbare administratie

  • 1. De subsidieontvanger zorgt voor een goede administratie. Bij een eventuele controle van de subsidieadministratie kan worden aangetoond:

    • a.

      dat de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd;

    • b.

      wat de begrote en werkelijke kosten van de gesubsidieerde activiteiten zijn en hoe deze gefinancierd zijn.

  • 2. De subsidieadministratie bestaat tenminste uit facturen, betaalbewijzen, subsidiebesluiten en financiële bijdragen van derden en, voor zover van toepassing, een overzicht van de gewerkte uren.

  • 3. De subsidieontvanger bewaart de subsidieadministratie 12 maanden na de subsidievaststelling. Als de subsidie direct is vastgesteld, zonder voorafgaande subsidieverlening dan is de bewaarperiode 12 maanden na het einde van de subsidieperiode.

Artikel 1.3.2 Op tijd uitvoeren van de activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichten om vóór een bepaalde datum met de activiteiten te beginnen. Die datum ligt na de start, maar voor het einde van de subsidieperiode.

Artikel 1.3.3 Melding van wijzigingen in de uitvoering

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de volgende wijzigingen te melden:

    • a.

      een gesubsidieerde activiteit die niet, niet helemaal of op een andere manier uitgevoerd gaat worden;

    • b.

      een gesubsidieerde activiteit die niet op tijd wordt uitgevoerd;

    • c.

      als er niet meer aan de aan subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen kan worden voldaan, of

    • d.

      als de wens bestaat om de subsidie over te mogen dragen aan een ander.

  • 2. Voor het melden van wijzigingen wordt het formulier ‘Indienen wijzigingsverzoek’ gebruikt. De subsidieontvanger meldt de wijziging binnen 4 weken nadat deze bekend is of had kunnen zijn.

  • 3. Bij een verleende meerjarige subsidie van € 1,5 miljoen of meer doet de subsidieontvanger uiterlijk 1 december van ieder jaar een melding als de jaarlijkse uitgaven van de subsidiabele activiteiten 10% of meer afwijken van de planning voor de uitgaven dat bij de subsidieaanvraag was opgenomen.

  • 4. Als gevolg van een melding kan de verleende of direct vastgestelde subsidie verlaagd worden, kunnen aanvullende afspraken over de gesubsidieerde activiteiten gemaakt worden of kunnen de verplichtingen die bij de subsidie horen, gewijzigd worden.

  • 5. Als de gesubsidieerde activiteit niet op tijd wordt uitgevoerd en de aanvrager heeft daar op tijd een melding van gemaakt, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om uitstel te verlenen.

Artikel 1.3.4 Indienen tussenrapportage

  • 1. De subsidieontvanger levert een tussenrapportage in bij meerjarige subsidies die hoger zijn dan € 25.000,-. Bij een subsidieperiode van een jaar of langer wordt maximaal één keer per jaar een tussenrapportage gevraagd.

  • 2. In de tussenrapportage staat minimaal:

    • a.

      hoever de uitvoering van de activiteiten is;

    • b.

      hoeveel kosten er al zijn gemaakt;

    • c.

      de eventuele ontvangen bijdragen van derden;

    • d.

      wijzigingen in de uitvoering van de activiteiten of de ingediende begroting.

Artikel 1.3.5 Meewerken aan evaluatieonderzoek

De subsidieontvanger werkt mee aan een eventueel evaluatieonderzoek. Het onderzoek meet of de subsidie bijdraagt aan de maatschappelijke doelen waarvoor de subsidie bedoeld is.

1.4 Overige bepalingen

Artikel 1.4.1 Beheersmaatregelen misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie

Om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan kunnen Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden of verplichtingen opleggen dan wel andere maatregelen nemen. Deze aanvullende voorwaarden, verplichtingen of andere maatregelen worden beheersmaatregelen genoemd.

Artikel 1.4.2 Adviescommissie

Bij sommige subsidieregelingen is er een adviescommissie. De adviescommissie geeft advies over de beoordeling van aanvragen.

Artikel 1.4.3 Afronding bedragen

Subsidiebedragen worden naar boven afgerond op hele Euro’s.

Artikel 1.4.4 Verwachtingen vervolgsubsidie

Aan verleende subsidies kunnen geen rechten worden ontleend voor subsidies in de toekomst.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ordening en waterbeheer

2.1 Gereserveerd

2.2 Leefbaar Platteland 3.0

Artikel 2.2.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Platteland: buiten de steden gelegen gebied, buurtschap, dorp of een kleine kern in Overijssel met maximaal 12.500 inwoners.

  • -

    Toekomstplan: een toekomstplan is een compleet plan voor een dorp of gebied, dat in beeld brengt welke fysieke maatregelen en ideeën voor lokale initiatieven mogelijk zijn om een gebied of dorp leefbaar te houden in de toekomst. Het plan brengt de huidige situatie en de kansen voor de toekomst in beeld. Het bevat haalbare en gedragen maatregelen, ideeën en oplossingen.

Artikel 2.2.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan een toekomstbestendig platteland. Dit door het uitwerken of uitvoeren van toekomstplannen te stimuleren zodat dorpen en gemeenschappen weten hoe ze er nu voorstaan en wat nodig is om voor de toekomst.

Artikel 2.2.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor één van de drie volgende activiteiten:

    • a.

      het uitvoeren van onderzoek naar de haalbaarheid van een lokaal idee of initiatief dat onderdeel is of wordt van een toekomstplan;

    • b.

      procesondersteuning bij het opstellen van een toekomstplan;

    • c.

      het uitvoeren van fysieke maatregelen die in het toekomstplan opgenomen zijn.

  • 2. Het toekomstplan voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het plan is of wordt opgesteld door of samen met een deskundige met aantoonbare ervaring;

    • b.

      het plan houdt rekening met andere lopende en toekomstige ontwikkelingen in de omgeving;

    • c.

      in het plan worden op een logische samenhangende manier lokale opgaves aangepakt. Het gaat om datgene wat nodig is om een gebied of dorp ook in de toekomst leefbaar te houden;

    • d.

      de voorstellen in het plan dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, de sociale kwaliteit en de identiteit van het dorp of gebied:

      • 1.

        bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om alles wat openbare ruimte geschikt maakt voor mens, plant en dier. De juiste ontwikkeling op de juiste plek, en op de juiste manier ingepast in de omgeving;

      • 2.

        bij sociale kwaliteit gaat het om de mate waarin inwoners samen in staat zijn zelf dingen te organiseren en gedaan te krijgen;

    • e.

      voor het opstellen van het plan en het uitvoeren van onderzoeken is niet eerder subsidie verleend op basis van de subsidieregeling 2.14 Leefbaar Platteland of 10.2 Zelfstandig leven en gezond bewegen van het Ubs 2017.

  • 3. Voor het uitvoeren van een onderzoek gelden de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      het onderzoek wordt uitgevoerd door of samen met een deskundige met aantoonbare ervaring;

    • b.

      als uit het onderzoek blijkt dat het idee of initiatief haalbaar is, dan moet binnen 3 maanden gestart kunnen worden met de uitvoering van het idee of initiatief.

  • 4. Voor het uitvoeren van fysieke maatregel gelden de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      de maatregelen zijn opgenomen in een toekomstplan;

    • b.

      de maatregelen worden uitgevoerd op het platteland in Overijssel;

    • c.

      de maatregelen dragen op een logische, samenhangende manier bij aan het leefbaar houden van het dorp of gebied, nu en in de toekomst;

    • d.

      de maatregelen zijn afgestemd met de betreffende gemeente;

    • e.

      de maatregelen dragen bij aan de leefbaarheid op het platteland en scoren minimaal 15 punten op onderdeel 1: Bijdrage aan leefbaarheid, van Puntentabel 1;

    • f.

      uit het projectplan blijkt dat de maatregelen juridisch, financieel en ruimtelijk haalbaar en uitvoerbaar zijn;

    • g.

      de maatregelen behalen minimaal 75 punten op basis van Puntentabel 1.

Artikel 2.2.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een stichting, een vereniging, een kerkgenootschap, een bedrijf, een Overijsselse gemeente of waterschap.

  • 2. De aanvrager heeft daarnaast ook een maatschappelijk belang. Dit betekent dat hij een aantoonbare relatie of belang heeft bij de leefomgeving van het gebied waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 2.2.5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. Voor het uitvoeren van een onderzoek of procesondersteuning bij het opstellen van het toekomstplan geldt aanvullend dat alleen kosten van derden die met een offerte zijn onderbouwd, subsidiabel zijn.

Artikel 2.2.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor het uitvoeren van een onderzoek of procesondersteuning het opstellen van een toekomstplan is:

    • a.

      maximaal 90% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 15.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen is:

    • a.

      maximaal 90% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 100.000,- per aanvraag;

  • 3. De subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen wordt niet verleend als de berekende subsidie € 50.000,- of minder is. Dit is een afwijking van artikel 1.2.17 lid 2.

Artikel 2.2.7 Bijdrage gemeente

Minimaal 10% van de subsidiabele kosten van zowel het uitvoeren van onderzoek, procesondersteuning het opstellen van een toekomstplan als het uitvoeren van fysieke maatregelen wordt betaald met een geldbijdrage van een gemeente.

Artikel 2.2.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar door worden ingediend .

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Leefbaar Platteland 3.0.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager van subsidie voor het uitvoeren van een onderzoek of procesondersteuning het opstellen van een toekomstplan levert aanvullend ook een offerte in.

  • 5. De aanvrager van subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen levert aanvullend ook de volgende stukken in:

    • a.

      een toekomstplan, waar de fysieke maatregelen onderdeel van zijn;

    • b.

      een projectplan voor de uitvoering van de fysieke maatregelen. In het projectplan staat minimaal:

      • 1.

        de beschrijving van de bijdrage aan leefbaarheid;

      • 2.

        de juridische, financiële en ruimtelijke haalbaarheid van de fysieke maatregelen;

      • 3.

        de betrokkenheid van inwoners en gemeente;

      • 4.

        hoe de fysieke maatregelen op een logische, samenhangende manier bijdragen aan het leefbaar houden van het dorp of gebied, nu en in de toekomst;

      • 5.

        de afstemming van het projectplan en toekomstplan met de gemeenten en provincie;

      • 6.

        een plan van aanpak, inclusief stappenplan voor de uitvoering;

      • 7.

        een financiële paragraaf, een begroting en dekkingsplan;

      • 8.

        het gewenste en verwachte resultaat van het project;

    • c.

      een schriftelijke bevestiging van de gemeente, waaruit de gemeentelijke geldbijdrage blijkt.

  • 6. Per toekomstplan wordt maximaal 1 keer een aanvraag ingediend.

  • 7. Er mag geen aanvraag ingediend worden voor alle drie de subsidiabele activiteiten.

  • 8. Per dorp of gebied wordt maximaal 1 keer subsidie aangevraagd op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 2.2.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

  • 2. Er geldt een deelplafond voor:

    • a.

      het uitvoeren van onderzoek en procesondersteuning bij het opstellen van een toekomstplan;

    • b.

      het uitvoeren van fysieke maatregelen.

Artikel 2.2.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    binnen het netwerk Leefbaar Platteland een gevraagde als ongevraagde bijdrage te leveren aan het delen van de opgedane kennis en ervaring;

  • b.

    als sprake is van subsidie voor het uitvoeren van een onderzoek of het ontwikkelen van een toekomstplan, binnen 1 maand na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het idee of plan en deze binnen 6 maanden af te ronden.

  • c.

    als sprake is van subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen, binnen 3 maanden na subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteiten en deze binnen 3 jaar uitgevoerd te hebben.

Artikel 2.2.11 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 2.2.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

Puntentabel 1, bij 2.2 Leefbaar Platteland 3.0:

 

Te behalen punten

1. Bijdrage aan leefbaarheid

Minimaal 15 en maximaal te behalen punten: 40 punten

De fysieke maatregelen zijn onderdeel van een toekomstplan dat duidelijk bijdraagt aan minimaal 3 opgaves die van invloed zijn op de leefbaarheid van het platteland:

1. verbinding tussen stad en platteland;

2. versterken lokale identiteit, inclusief immaterieel erfgoed;

3. toekomstbestendig voorzieningenniveau;

4. lokale en/of regionale economie;

5. een passend woningaanbod;

6. gezondheid;

7. zelf organiserend vermogen: samen dingen regelen en doen

8. aanpak van transitiethema’s: versterken biodiversiteit, klimaatadaptatie, energie, aanpak stikstof.

0-2 opgaves: 0 punten

3-4 opgaves: 15 punten

5-6 opgaves: 30 punten

7-8 opgaves: 40 punten

2. Haalbaarheid fysieke maatregelen

Maximaal te behalen punten 10 punten

De juridische, financiële en ruimtelijke haalbaarheid van de fysieke maatregelen is aangetoond en onderbouwd:

10 punten

3. Mate van betrokkenheid van inwoners en gemeente

Maximaal te behalen punten: 20 punten

Inwoners zijn initiatiefnemer van de fysieke maatregelen:

Ja: 10 punten

Nee: 0 punten

Inwoners of betrokken organisaties, bedrijven, dragen bij in eigen tijd of middelen voor de uitvoering van de fysieke maatregelen:

Ja: 10 punten

Nee: 0 punten

4. Mate van bijdrage aan

provinciale doelen

Maximaal te behalen punten: 10 punten

De fysieke maatregelen en het bijbehorende toekomstplan dragen bij aan meerdere beleidsdoelen van de provincie: 10 punten

5. Fysieke maatregelen en toekomstplan

is inhoudelijk afgestemd met provincie

Maximaal te behalen punten: 20 punten

De aanvraag is door initiatiefnemer vooraf afgestemd, met een intakegesprek, met de provinciale beleidsmedewerkers leefbaar platteland: 20 punten

Totaal behaalde punten =1+2+3+4+5

2.3 Klimaatadaptatie

Artikel 2.3.1 Betekenis van begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Klimaatadaptatieplan: een plan waarin maatregelen worden genoemd om klimaatverandering tegen te gaan of als voorbereiding op de risico's van het veranderende klimaat.

Artikel 2.3.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het voorbereiden van Overijssel op de gevolgen van het veranderende klimaat. Dit door plannen van gemeenten en waterschappen te ondersteunen.

Artikel 2.3.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      het uitwerken van een klimaatadaptatieplan;

    • b.

      onderzoek naar de haalbaarheid van maatregelen die in het klimaatadaptatieplan opgenomen zijn of worden;

    • c.

      de uitvoering van fysieke maatregelen die in een klimaatadaptatieplan opgenomen zijn of worden.

  • 2. Het klimaatadaptatieplan voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het plan houdt rekening met andere lopende en toekomstige opgaves en ontwikkelingen in de omgeving;

    • b.

      het plan gaat over concrete maatregelen voor het bestrijden en voorkomen van hitte, wateroverlast, droogte of de gevolgen van overstromingen;

    • c.

      het plan gaat over de effecten van klimaatverandering voor minimaal 1 van de volgende 9 sectoren die genoemd zijn in de Nationale Adaptatie Strategie:

      • 1.

        water en ruimte;

      • 2.

        natuur;

      • 3.

        landbouw, tuinbouw en visserij;

      • 4.

        gezondheid;

      • 5.

        recreatie en toerisme;

      • 6.

        infrastructuur: weg, spoor, water en ook luchtvaart;

      • 7.

        energie;

      • 8.

        information Technology en telecom;

      • 9.

        veiligheid.

  • 4. De uit te voeren fysieke maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de maatregelen worden uitgevoerd in Overijssel;

    • b.

      de maatregelen zijn aanpassingen in de bestaande omgeving;

    • c.

      de maatregelen behalen minimaal 7 punten op basis van Puntentabel 1.

  • 5. De uit te voeren fysieke maatregelen voldoen aanvullend aan minimaal één van de volgende voorwaarden:

    • a.

      de maatregelen zijn gebaseerd op de resultaten van een stresstest. Met een stresstest wordt aangetoond wat de mogelijke kwetsbaarheden zijn binnen een gebied. Er wordt daarvoor een test gedaan voor de vier klimaatthema’s: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming.

    • b.

      de maatregelen zijn gebaseerd op een risicodialoog. Een risicodialoog is een proces dat bestaat uit meerdere gesprekken met allerlei partijen. Tijdens een risicodialoog komen de kwetsbaarheden aan bod voor wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingsrisico's;

    • c.

      de maatregelen zijn voor de komende 6 jaar opgenomen in de uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie binnen de werkregio.

  • 6. De volgende maatregelen komen niet in aanmerking voor de subsidie:

    • a.

      onderhoud;

    • b.

      de maatregelen die tot de algemene taken van een gemeente of waterschap horen, zoals beheer.

Artikel 2.3.4 Aanvrager

De aanvrager is een Overijsselse gemeente of een waterschap.

Artikel 2.3.5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen.

Alleen kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 2.3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor het uitwerken van een klimaatadaptatieplan en onderzoek naar de haalbaarheid van maatregelen is:

    • a.

      maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 20.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen is:

    • a.

      maximaal 50% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 150.000,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 10.000,- of minder is. Dit is een afwijking van artikel 1.2.17 lid 2.4. De aanvrager mag in jaren 2022 en 2023 samen, maximaal twee keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 2.3.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar door worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Klimaatadaptatie.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend ook een kaartaanduiding in op kadastraal perceelsniveau van het gebied waar de fysieke maatregelen worden uitgevoerd.

  • 5. Er mag geen aanvraag ingediend worden voor zowel het uitwerken van een klimaatadaptatieplan als een onderzoek naar de haalbaarheid van maatregelen. Deze activiteiten kunnen wel gecombineerd aangevraagd worden met de uitvoering van fysieke maatregelen.

Artikel 2.3.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2021 tot en met 2023.

Artikel 2.3.9 Geen staatssteun

De subsidie van de provincie aan de gemeente of waterschap levert geen staatssteun op.

Artikel 2.3.10 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

Puntentabel 1, bij 2.3 Klimaatadaptatie:

 

Te behalen punten

1. Doeltreffendheid maatregelen

Maximale punten: 2

Het klimaatadaptatieplan bevat een duidelijke onderbouwing waaruit blijkt dat de maatregelen de kwetsbaarheid van gebieden voor hitte, wateroverlast, droogte of de gevolgen van overstromingen verminderen.

Ja: 2 punten.

Nee: 0 punten.

2. Doelmatigheid maatregelen

Maximale punten: 1

Het klimaatadaptatieplan bevat een duidelijke onderbouwing dat de maatregel kosteneffectief is.

Ja: 1 punt.

Nee: 0 punten.

3. Integraliteit maatregelen

Maximale punten: 4

Het klimaatadaptatieplan bevat maatregelen die bijdragen aan meerdere klimaatadaptatie doelen:

  • -

    Voorkomen wateroverlast;

  • -

    Voorkomen droogte;

  • -

    Voorkomen hittestress;

  • -

    Beperken van de gevolgen bij overstromingen:

Per doel: 1 punt.

4. Bijdrage aan Maatschappelijke opgaven

Maximale punten: 7

Het klimaatadaptatieplan levert een bijdrage aan een of meer van de volgende maatschappelijke opgaven uit het provinciale Coalitieakkoord 2019-2023 Samen bouwen aan Overijssel:

  • -

    Krachtige economie;

  • -

    Goede bereikbaarheid;

  • -

    Hitte, droogte en wateroverlast;

  • -

    Energietransitie;

  • -

    Aantrekkelijk wonen en ruimte;

  • -

    Vitaal landelijk gebied;

  • -

    Samenleven in Overijssel.

Per opgave: 1 punt.

5. Urgentie

Op basis van de risicodialoog staat de maatregel op de uitvoeringsagenda voor de komende 6 jaar van een overheid binnen de werkregio: 1 punt.

6. Mate van vernieuwing

Maximale punten: 1

Er is sprake van vernieuwende maatregelen/ toepassing van nieuwe producten, werkwijzen, methoden of technieken:

Ja: 1 punt.

Nee: 0 punten.

7. Mate van betrokkenheid van inwoners bij het klimaatadaptatieplan

Maximale punten: 2

Inwoners zijn actief betrokken bij de ideeënvorming en voorbereiding of inwoners zijn initiatiefnemer van klimaatadaptatieplan:

Ja: 2 punten.

Nee: 0 punten.

8. Maatregelen kunnen snel uitgevoerd worden

Maximale punten: 1

- De uitvoering van maatregelen start binnen 1 jaar na subsidieverlening: 1 punt.

- Het is nog onduidelijk wanneer de fysieke uitvoering van de maatregelen start: 0 punten.

9. Bij de uitvoering van de activiteiten is aandacht voor biodiversiteit en inheemse soorten

Maximale punten: 2

ja: 2 punten.

nee: 0 punten.

Totaal behaalde punten= 1+2+3+4+5+6+7+8+9

2.4 Flexpools versnellen woningbouw

Artikel 2.4.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het toekomstbestendig maken van de woningvoorraad. Dit door de voorbereiding van woningbouwprojecten te helpen versnellen.

Artikel 2.4.2 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      de inhuur van extra tijdelijk personeel;

    • b.

      de inhuur van een externe deskundige om de gemeente te ondersteunen bij het oplossen van knelpunt in het kader van woningbouw.

  • 2. De inhuur wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

    • a.

      de activiteiten gaan over woningbouwprojecten in Overijssel;

    • b.

      de activiteiten gaan over de sleutelprojecten of gebieden die in de Regionale Woonagenda’s West Overijssel en Twente staan. De Regionale Woonagenda’s zijn te vinden via www.aanjaagteamwoningbouwoverijssel.nl.

    • c.

      het uitwerken van een woningbouwproject;

    • d.

      de vergunningverlening van woningbouwprojecten;

    • e.

      het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en marktpartijen. In de anterieure overeenkomst staan afspraken over de grond, de kosten voor het wijzigen van een bestemmingsplan en de kosten die gemaakt worden om het bouwproject in de bestaande situatie in te passen. In de overeenkomst staat ook wie de kosten betaalt;

    • f.

      het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de procedures die erbij horen.

  • 3. De externe deskundige voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de externe deskundige is gespecialiseerd in woningbouw of onderwerpen die daar mee te maken hebben;

    • b.

      de deskundige helpt de gemeente bij het oplossen van problemen die de bouw van woningen vertragen. Het probleem kan een tekort aan personeel zijn waardoor procedures langer duren. Het kan ook een specifiek probleem zijn bij een bepaald woningbouwproject waardoor het voorbereidingsproces langer duurt of stilstaat.

Artikel 2.4.3 Aanvrager

De aanvrager is een Overijsselse gemeente.

Artikel 2.4.4 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 2.4.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 50.000,- per aanvraag.

Artikel 2.4.6 Eigen bijdrage

Minimaal 25% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden.

Artikel 2.4.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag moet uiterlijk 1 september 2022 vóór 17.00 uur ontvangen zijn.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Flexpools versnellen woningbouw.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

Artikel 2.4.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor het jaar 2022.

Artikel 2.4.9 Bevoorschotting

Het voorschot is maximaal 90% van de verleende subsidie. Dit is een afwijking op 1.2.18 lid 1.

Artikel 2.4.10 Vaststelling

  • 1. De financiële verantwoording loopt volgens de Sisa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is van toepassing. De verantwoording wordt ingediend onder Sisa-code C41-B.

  • 2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit een opgave van het aantal woningen dat met het woningbouwproject gerealiseerd wordt.

Artikel 2.4.11 Geen staatssteun

De subsidie van de provincie aan een gemeente levert geen staatssteun op.

Artikel 2.4.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17:00 uur.

2.5 Gereserveerd voor Deltaprogramma zoetwater regio Oost 2022-2027

2.6 Gereserveerd

2.7 Flexibele huisvesting

Artikel 2.7.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Spoedzoekers: personen die meer dan gemiddelde haast hebben om te verhuizen. Bijvoorbeeld beëindiging van de relatie, zelfstandig wonen, gezondheid, of het zijn van arbeidsmigrant of statushouder.

Artikel 2.7.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het toekomstbestendig maken van de woningvoorraad door het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor spoedzoekers.

Artikel 2.7.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      het realiseren van woningen voor spoedzoekers waarbij de volgende activiteiten in aanmerking komen voor de subsidie:

      • 1.

        de bouw van nieuwe woningen;

      • 2.

        bouwkundige aanpassingen aan bestaande woningen;

      • 3.

        het veranderen van bestaande gebouwen zonder woonfunctie naar woningen, ook wel transformatie genoemd.

    • b.

      het opstellen van een projectplan, inclusief een haalbaarheidsonderzoek, voor het realiseren van woningen voor spoedzoekers.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de woningen worden gerealiseerd in Overijssel;

    • b.

      de woningen zijn bedoeld voor tijdelijke bewoning. Dit betekent bewoning voor een periode van minimaal 1 en maximaal 15 jaar;

    • c.

      de gevraagde maximale huurprijs per woning is niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. Dit is de grens die aangeeft vanaf welke huurprijs de huurtoeslag wordt verlaagd. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen;

    • d.

      als de aanvrager een gemeente is dan heeft deze met de eigenaar van de betreffende woningen of grond afspraken gemaakt voor minimaal 1 jaar. Deze afspraken zijn vastgelegd in een intentieverklaring.

    • e.

      de uitvoering van activiteiten mag gestart zijn na 1 januari 2021. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.

  • 3. Het projectplan voldoet aanvullend aan de voorwaarde dat het wordt opgesteld door een deskundige met aantoonbare ervaring op het gebied van huisvesting.

Artikel 2.7.4 Aanvrager

De aanvrager is een Overijsselse gemeente of woningcorporatie.

Artikel 2.7.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Als sprake is van de realisatie van woningen dan zijn de personeelskosten en de kosten van derden subsidiabel. Er gelden geen uitzondering op de subsidiabele en niet subsidiabele kosten. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing.

  • 2. Als sprake is van het opstellen van een projectplan dan zijn alleen de kosten van derden subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 3. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit uitgevoerd is na 1 januari 2021. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing.

Artikel 2.7.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor de realisatie van woningen is:

    • a.

      maximaal 100% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 25.000,- per woning;

    • c.

      maximaal € 250.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor het opstellen van het projectplan is:

    • a.

      maximaal 80% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      maximaal € 20.000,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 5.000,- of minder is. Dit is een afwijking van artikel 1.2.17 lid 2.

Artikel 2.7.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Flexibele huisvesting.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. Als de aanvrager een gemeente is, dan levert die ook een intentieverklaring in.

Artikel 2.7.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 2.7.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening te realiseren.

Artikel 2.7.10 Beoordeling integriteit van de subsidieontvanger

De aanvrager levert een volledig ingevuld Bibob-formulier subsidies in, als het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft.

Artikel 2.7.11 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening.

Artikel 2.7.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

2.8 Vitaliteit van steden (stadsarrangementen)

Artikel 2.8.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het levendig houden van de binnenstad en toekomstbestendige steden door in te zetten op complexe gebiedsontwikkeling, versnellen van de woningbouw, compacte binnensteden en detailhandel.

Artikel 2.8.2 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de stad. Een overzicht van de activiteiten en afspraken wordt een Stadsarrangement genoemd. De activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen zijn:

    • a.

      Stadsarrangement A: dit is een overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad. Het stadsarrangement A wordt gemaakt door de gemeente of andere organisaties in de binnenstad samen met de provincie.

    • b.

      Stadsarrangement B: dit is een overzicht van activiteiten die de binnenstad compacter maken en die ook effect hebben op de omliggende steden en dorpen.

    • c.

      Stadsarrangement C: dit is een overzicht van activiteiten die onderdeel zijn van één of meerdere gebiedsontwikkelingen waarin minimaal 200 woningen worden gerealiseerd en die ook effect hebben op de omliggende steden en dorpen.

  • 2. Het stadsarrangement voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het stadsarrangement is in overleg met de provincie opgesteld;

    • b.

      in het stadsarrangement staat:

      • 1.

        welke activiteiten of aanpassingen worden uitgevoerd;

      • 2.

        de kostenverdeling per activiteit;

      • 3.

        de maximale provinciale bijdrage;

      • 4.

        wie de subsidieaanvrager is;

      • 5.

        waar het project uitgevoerd wordt.

  • 3. De activiteiten die niet in aanmerking komen voor de subsidie zijn de activiteiten die bij de taak of de bedrijfsvoering van de gemeente horen.

Artikel 2.8.3 Aanvrager

De aanvrager is een Overijsselse gemeente. Er geldt een uitzondering voor Stadsarrangement A. Voor Stadsarrangement A geldt dat de aanvrager een Overijsselse gemeente is of een andere organisatie in de binnenstad die genoemd is in het stadsarrangement.

Artikel 2.8.4 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

De subsidie is een vast bedrag per aanvrager. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn niet van toepassing.

Artikel 2.8.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie is het bedrag dat opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente.

Artikel 2.8.6 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Vitaliteit van steden (stadsarrangementen).

  • 3. De aanvrager levert het door de provincie en gemeente of andere partijen opgestelde stadsarrangement in.

  • 4. Het is niet nodig om een begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 2.8.7 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 2.8.8 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de opgedane kennis en ervaring te delen met geïnteresseerden;

  • b.

    de activiteiten van Stadsarrangement A binnen 3 jaar na subsidieverlening uitgevoerd te hebben;

  • c.

    de activiteiten van Stadsarrangement B en C binnen 5 jaar na subsidieverlening uitgevoerd te hebben.

Artikel 2.8.9 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening.

Artikel 2.8.10 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

2.9 Gereserveerd

2.10 Gereserveerd

2.11 Gereserveerd

2.12 Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Artikel 2.12.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie eigenaren van een erf met gebouwen in het buitengebied, met name voormalige agrariërs, ondersteunen bij het voorbereiden op de toekomst.

Artikel 2.12.2 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor advies van en ondersteuning door specialisten bij het uitwerken van een realistisch en haalbaar toekomstplan voor een erf.

  • 2. Het advies en ondersteuning voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het gaat over een erf met minimaal 500 m2 aan oppervlakte agrarische bebouwing;

    • b.

      het gaat over een erf dat op het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen ligt;

    • c.

      het gaat niet alleen over landbouwinnovaties, doorontwikkeling, schaalvergroting of uitbreiding van het erf.

Artikel 2.12.3 Aanvrager

De aanvrager voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de aanvrager is de eigenaar, pachter of huurder van een erf in het Overijssels landelijk gebied;

  • b.

    de aanvrager heeft of verwacht leegstand van agrarische bebouwing op het erf;

  • c.

    de aanvrager wil het erf geschikt maken voor de toekomst;

  • d.

    de aanvrager heeft nog geen afspraken met de gemeente gemaakt over woningbouw of sloop;

  • e.

    de aanvrager heeft een concrete hulpvraag gericht op herbestemming, transformatie, sloop, voortzetting, verhuur of verkoop voor een toekomstgericht erf;

  • f.

    de aanvrager die pachter of huurder is, heeft schriftelijke toestemming van de erfeigenaar;

  • g.

    de aanvrager heeft een gesprek gehad met een erfcoach en deze adviseert een vervolgtraject. Een erfcoach is iemand die in opdracht van de provincie of gemeente de eigenaar, pachter of huurder op weg helpt bij het opstellen van een toekomstplan voor het erf in het buitengebied.

Artikel 2.12.4 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 2.12.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 2.500,- per aanvraag.

  • 3. De aanvrager mag maximaal 1 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 2.12.6 Eigen bijdrage

Minimaal 25% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of een derde.

Artikel 2.12.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB).

  • 3. De aanvrager levert de volgende stukken in:

    • a.

      een offerte van een specialist die wordt ingeschakeld om te adviseren over en te ondersteunen bij het uitwerken van een toekomstplan;

    • b.

      een door de erfcoach ondertekende verklaring. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde format te gebruiken;

    • c.

      een schriftelijke toestemming van de erfeigenaar als de aanvrager een pachter of huurder is.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 2.12.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor het jaar 2022.

Artikel 2.12.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening te starten met het door de erfcoach geadviseerde vervolgtraject.

Artikel 2.12.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing

Artikel 2.12.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

Hoofdstuk 3 Milieu en energie

3.1 Energiebesparing Overijssel

Artikel 3.1.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    BENG: de maat voor de energiezuinigheid van bijna energiezuinige gebouwen. De bepaling van de BENG ligt vast in de norm NTA 8800 Energieprestatie van Gebouwen.

  • -

    Cultureel erfgoed: Overijsselse gebouwen en bouwwerken, zoals kerken, kloosters, molens, boerderijen, die vanuit het verleden zijn overgebleven, het waard zijn om te houden en te blijven en helpen aan een karakteristieke identiteit van het gebied. Het kan daarbij gaan om een rijksmonument of een gemeentelijk monument of een gebouw/bouwwerk waar de gemeente een verklaring voor heeft afgegeven dat het van cultuurhistorische waarde is.

  • -

    Energiebesparing: verminderen van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast.

  • -

    Energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale Energie Investering Aftrekregeling (EIA) geschikt zijn. Deze lijst wordt elk jaar bijgewerkt. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/.

  • -

    Primaire energie: de energie-inhoud van fossiele grondstoffen zoals olie, kolen en gas vóór technische omzetting naar elektriciteit. Bij het rendement op primaire fossiele grondstoffen wordt uitgegaan van de laatste cijfers van het CBS volgens de integrale methode. Hierin wordt rekening gehouden met de groei van hernieuwbare elektriciteit in de elektriciteitsmix. Dit betekent dat voor 1 kWh van de Nederlandse elektriciteitsmix 1.77 kWh primaire energie nodig is geweest. Er gaat namelijk energie verloren tijdens de omzetting van fossiele grondstoffen naar elektriciteit. Het nieuwste cijfer is te vinden op http://www.cbs.nl/.

  • -

    Technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst en gericht op energiebesparing.

  • -

    Terugverdientijd: de berekening van de terugverdientijd vindt plaats volgens de berekeningswijze van het RVO. Deze is te vinden op de website http://www.rvo.nl/.

  • -

    Totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing verminderd met het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar.

  • -

    Vestigingsadres: het adres van het gebouw waar het project plaatsvindt.

Artikel 3.1.2 Doel van deze subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan de investering in energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.1.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Subsidie kan worden verleend voor investeringen in:

    • a.

      technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen. Het moet gaan om voorzieningen die zijn opgenomen in de Energielijst onder categorie A en die voldoen aan de technische eisen die bij deze categorie horen. Als wordt aangevraagd onder een generieke code, dan moeten de individuele maatregelen voldoen aan de technische eisen van de eigen code;

    • b.

      technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen. Het moet gaan om voorzieningen die zijn opgenomen in de Energielijst onder categorie B en die voldoen aan de technische eisen die bij deze categorie horen. Als wordt aangevraagd onder een generieke code, dan moeten de individuele maatregelen voldoen aan de technische eisen van de eigen code.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de investering heeft betrekking op één adres in Overijssel, behalve als er sprake is van investeringen op meerdere adressen in Overijssel die technisch met elkaar samenhangen;

    • b.

      de energiebesparing vindt in Overijssel plaats;

    • c.

      de investeringen in technische voorzieningen hebben een terugverdientijd van vijf jaar of meer.

  • 3. De activiteiten komen niet in aanmerking voor de subsidie als:

    • a.

      de behaalde punten voor slaagkans op basis van Puntentabel 1 onderdeel 3 minimaal 1 is;

    • b.

      het gaat om woningen;

    • c.

      het gaat om wettelijk verplichte technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van het geldende bouwbesluit voor nieuwbouw verplicht zijn;

    • d.

      het gaat om aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen;

    • e.

      het gaat om LED-verlichting, spouwmuurisolatie, HR-ketels, technische isolatie of lichtregelsystemen;

    • f.

      het gaat om een installatie die op het moment van de aanvraag al in bedrijf is genomen;

    • g.

      voor een investering al subsidie is verleend door een ander bestuursorgaan.

  • 4. Voor de aanschaf van technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen gelden de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      voor technische voorzieningen bij nieuwbouw geldt:

      • 1.

        er wordt aan minimaal de BENG-eisen voldaan. Aanvullend daarop geldt dat de maximale energiebehoefte en het maximale primaire fossiele energiegebruik in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar, 20% minder bedraagt dan toegestaan is op basis van de BENG en dat het minimale aandeel hernieuwbare energie 25% meer bedraagt dan vereist is op basis van de BENG;

      • 2.

        als sprake is van utiliteitsgebouwen waarbij geen BENG-eis geldt, wordt een reductie van minimaal 40% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is.

    • b.

      met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen zonder de status van cultureel erfgoed wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt en minimaal 7 labelstappen beter dan het was.

    • c.

      met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen met de status van cultureel erfgoed wordt minimaal:

      • 1.

        een energieprestatie van label A++ bereikt of,

      • 2.

        een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan het was en waarbij minimaal label A wordt bereikt of,

      • 3.

        de energieprestatie-eis uit het geldende bouwbesluit voor nieuwbouw bereikt.

  • 5. De activiteiten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn: Advisering, projectmanagement- of projectbegeleiding, en andere voorbereidingsactiviteiten dan installatiewerkzaamheden, onderhoud en exploitatie.

Artikel 3.1.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een stichting, vereniging, een BV of een NV een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap.

  • 2. Als de aanvrager een huurder van het gebouw is, dan heeft de eigenaar toestemming gegeven om de activiteiten uit te voeren.

Artikel 3.1.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De aanschafkosten van de technische voorzieningen zijn subsidiabel. Artikel 1.2.7 is van toepassing.

  • 2. De personeelskosten van de aanvrager en de loonkosten van derden voor de installatie van de technische voorziening zijn subsidiabel. Voor de personeelskosten van de aanvrager geldt een vast uurtarief van € 40,-. Artikel 1.2.6 lid 1 onderdeel a is van toepassing. Voor de loonkosten van derden geldt het uurtarief voor derden. Artikel 1.2.7 lid 6 is van toepassing.

  • 3. Alleen kosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energiebesparing te behalen zijn subsidiabel.

Artikel 3.1.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 30% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 125.000,- per aanvraag.

  • 3. Bij de berekening van de subsidie worden alleen de kosten van de investering betrokken die als een afzonderlijke investering vast te stellen zijn. 4. De aanvrager mag maximaal 1 keer per jaar per vestigingsadres subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 3.1.7 Tenderregeling

  • 1. De subsidieregeling is een tenderregeling.

  • 2. Bij een tenderregeling krijgt elke complete aanvraag punten op basis Puntentabel 1. De beoordeelde aanvragen worden daarna in volgorde geplaatst op basis van de totaal behaalde punten. Het subsidieplafond wordt verdeeld op basis de totaal behaalde punten.

  • 3. Als twee of meer aanvragen hetzelfde totale punten behalen, bepaalt krijgt de subsidieaanvraag die de hoogste punten heeft behaald voor het totale vermeden primaire energieverbruik voorrang. Als ook dan nog steeds sprake is van een gelijke punten, vindt loting tussen die betreffende aanvragen plaats. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.

Artikel 3.1.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan ingediend worden vanaf 4 maart 2022 9.00 uur en moet uiterlijk 15 april 2022 vóór 17.00 uur ontvangen zijn.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier 3.1 Energiebesparing Overijssel.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een projectplan. In het projectplan staat:

      • 1.

        een omschrijving van de investering;

      • 2.

        een onderbouwing van de energiebesparing van de investering in de subsidiabele activiteiten, zowel in een individuele activiteit als in de gezamenlijke activiteiten, over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3;

      • 3.

        een onderbouwing van het eigen energieverbruik van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3, of aangeven dat geen sprake is van eigen energieverbruik van de investering;

      • 4.

        een onderbouwing van de terugverdientijd van de investering in de subsidiabele activiteiten, zowel in een individuele als in de gezamenlijke activiteiten;

      • 5.

        een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de technische eisen van de energielijst wordt voldaan;

    • b.

      een ingevulde door de provincie beschikbaar gestelde rekentool ’Berekening vermeden primaire energie’, waaruit het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3 blijkt. De rekentool is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie;

    • c.

      een begroting en dekkingsplan, waaruit blijkt:

      • 1.

        de aanschafbedragen van de technische voorzieningen inclusief de kosten van de installatie van de technische voorziening;

      • 2.

        als van toepassing, de loonkosten aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening;

    • d.

      offerte of offertes waaruit de aanschaf- en installatiekosten blijken, of een door een onafhankelijke derde opgestelde kostenraming. Als wordt gekozen voor een offerte, dan dient deze minimaal de volgende informatie te bevatten:

      • 1.

        een gespecificeerde omschrijving van de diensten, installatie of apparatuur die in de offerte worden aangeboden;

      • 2.

        per dienst, installatie of apparatuur de prijs exclusief Btw, het Btw-percentage en Btw-bedrag en de prijs inclusief Btw;

    • e.

      als aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen;

    • f.

      als sprake is van technische voorzieningen zoals genoemd in artikel 3.1.2 onderdeel a:

      • 1.

        bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen: Een BENG-berekening zoals wettelijk vereist volgens het geldende bouwbesluit inclusief aanvullende subsidiabele technische voorzieningen, die inzichtelijk maken hoe deze gezamenlijk bijdragen aan de vereiste verbetering ten opzichte van de BENG-eisen;

      • 2.

        bij nieuwbouw voor utiliteitsgebouwen waarbij geen BENG-eis geldt: een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2, waarbij het energiegebruik per gebruiksfunctie binnen het utiliteitsgebouw is aangegeven én het gangbare energiegebruik behorende tot de gebruiksfunctie volgens het geldende bouwbesluit. De berekening en de voorgenomen verbetering is van toepassing op het totale bruto vloeroppervlak (BVO) van het utiliteitsgebouw;

      • 3.

        bij bestaande bouw zonder de status van cultureel erfgoed: energielabels van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maken hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het energielabel;

      • 4.

        bij bestaande bouw met de status van cultureel erfgoed: energielabels van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maken hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het energielabel of een berekening waaruit blijkt dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de energieprestatie-eis uit het geldende bouwbesluit;

      • 5.

        bij bestaande bouw met de status van cultureel erfgoed: als het geen rijksmonument of een gemeentelijk monument betreft een verklaring van de gemeente, waarin zij de cultuurhistorische waarde van het cultureel erfgoed erkent.

  • 4. De subsidieaanvraag moet vóór de sluitingsdatum compleet zijn.

  • 5. Na sluitingsdatum kunnen er geen inhoudelijke en financiële aanvullingen of wijzigingen meer ingeleverd worden. Een wijzing in de financiële dekking is wel mogelijk als de subsidie lager wordt verleend omdat het resterende bedrag van het subsidieplafond niet voldoende is. Deze wijzing van de financiële dekking kan alleen als artikel 3.1.9 lid 4 van toepassing is.

Artikel 3.1.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond wordt jaarlijks vastgesteld en geldt voor de indieningstermijn die in artikel 3.1.8 lid 1 is genoemd

  • 2. Het subsidieplafond wordt verdeeld op basis het behaalde puntenaantal op basis van Puntentabel 1. Dit is een afwijking van artikel 1.2.16 lid 2.

  • 3. De verdeling van het subsidieplafond begint bij de aanvraag met de hoogste score en gaat door tot het subsidieplafond bereikt is.

  • 4. Als de te verlenen subsidie hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, dan kan de subsidie lager worden verleend. Dit kan alleen na overleg met de aanvrager en onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de activiteiten ongewijzigd worden uitgevoerd;

    • b.

      de in de begroting opgenomen kosten niet worden gewijzigd;

    • c.

      de aanvrager of derden bereid zijn het financiële tekort in het dekkingsplan zelf aanvullend te financieren. De gewijzigde financiële dekking wordt binnen 5 werkdagen ingeleverd.

Artikel 3.1.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de technische voorzieningen te hebben aangeschaft, geïnstalleerd en in gebruik te hebben genomen binnen 3 jaar na subsidieverlening.

Artikel 3.1.11 Vaststelling

Bij de aanvraag voor subsidievaststelling levert de aanvrager aanvullend ook een ingevuld format Subsidieregeling Energiebesparing Overijssel aan. De format is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.

Artikel 3.1.12 Beoordeling integriteit van de subsidieontvanger

De aanvrager levert een volledig ingevuld Bibob-formulier subsidies in, als het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft. Artikel 1.2.25 is van toepassing.

Artikel 3.1.13 Staatssteun

  • 1. Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan hoofdstuk 1 en artikel 38 van de AGVV. Artikel 1.2.10 is van toepassing.

  • 2. De totale overheidsbijdrage voor de dekking van de subsidiabele kosten van de investering inclusief de subsidie van de provincie is niet meer dan:

    • a.

      30% als de aanvrager een grote onderneming is;

    • b.

      40% als de aanvrager een middelgrote onderneming is;

    • c.

      50% als de aanvrager een kleine onderneming is.

Artikel 3.1.14 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

Puntentabel 1, bij 3.1 Energiebesparing Overijssel:

 

Te behalen punten

Wegings-

factor

Behaalde punten

1. Totale vermeden primaire energieverbruik (in GigaJoule).

100.000 of hoger= 10

40.000 tot 100.000= 8

20.000 tot 40.000= 6

10.000 tot 20.000= 4

1.000 tot 10.000= 2

0 tot 1.000= 0

30%

Punten x 0,3

2. Totale vermeden primaire energieverbruik gedeeld door het te verlenen subsidiebedrag (in GigaJoule/€).

1,6 of hoger = 10

0,8 tot 1,6= 8

0,4 tot 0,8= 6

0,2 tot 0,4= 4

0,1 tot 0,2= 2

0 tot 0,1= 0

40%

Punten x 0,4

3. Mate van slaagkans van de investering (afhankelijk van de kwaliteit van het projectplan, de technische, financiële en juridische haalbaarheid en de mate waarin de activiteiten startgereed en/of obstakelvrij zijn).

goed = 10

voldoende = 6

matig= 1

20%

Punten x 0,2

4. Praktische navolging van de investering (afhankelijk van de mate waarin de kennis en expertise actief wordt gedeeld, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit).

goed = 10

voldoende = 6

matig= 1

10%

Punten x 0,1

Totaal behaalde punten = 1+2+3+4

3.2 Haalbaarheidsonderzoek Energie-Innovatie

Artikel 3.2.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Energie-innovatie: geheel van menselijk handelen gericht op vernieuwing van producten of productieprocessen op het gebied van energiebesparing en energieopwekking met als doel bijdragen aan het vergroten van het aandeel duurzame energie of CO2-reductie.

  • -

    Haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek om te kijken of en hoe een activiteit uitvoerbaar is. Het doel is om een betrouwbaar beeld te krijgen van de risico's in wat er nodig is om de energie-innovatie, inhoudelijk, juridisch, organisatorisch en financieel te laten slagen.

Artikel 3.2.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie aanmoedigen. Dit door initiatiefnemers te ondersteunen bij het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek.

Artikel 3.2.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek dat over energie-innovatie in de provincie Overijssel gaat.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het haalbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd door een hogeschool of een universiteit;

    • b.

      het haalbaarheidsonderzoek richt zich op energie-innovatie;

    • c.

      de opzet voor het haalbaarheidsonderzoek is afgestemd met het kennisloket nieuwe energie. Via https://www.nieuweenergieoverijssel.nl/kennisloket kan contact opgenomen worden met het kennisloket;

    • d.

      het haalbaarheidsonderzoek en de uitkomst ervan zijn bruikbaar voor een brede groep;

    • e.

      een haalbaarheidsonderzoek dat zich richt op een investering bij een individueel pand, komt niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.2.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een gemeente, een stichting, een vereniging, een BV, een NV, een maatschap, een ZZP’er, een v.o.f. of een eenmanszaak.

  • 2. De aanvrager heeft een belang bij de uitkomsten van de activiteiten. De aanvrager kan dit belang aantonen en of bewijzen.

Artikel 3.2.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing. Er gelden geen uitzonderingen op de subsidiabele en niet subsidiabele kosten.

Artikel 3.2.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 24.999,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 5.000,- of minder is. Dit is een afwijking van artikel 1.2.17 lid 2.

Artikel 3.2.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Haalbaarheidsonderzoek Energie-Innovatie.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

Artikel 3.2.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor het jaar 2022.

Artikel 3.2.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 3 maanden na subsidieverlening te starten;

  • b.

    de activiteiten binnen 15 maanden na subsidieverlening d gerealiseerd te hebben.

Artikel 3.2.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.2.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

3.3 Energiebesparende maatregelen (geld terug actie)

Artikel 3.3.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Energiebesparende maatregelen: technische aanpassingen in gebouwen en industriële processen die leiden tot minder verbruik van energie.

  • -

    Energieonderzoek: een uitgevoerd onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik.

Artikel 3.3.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.3.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten:

    • a.

      uitgevoerde energiemaatregelen;

    • b.

      uitgevoerd energieonderzoek.

  • 2. De uitgevoerde energiebesparende maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de energiebesparende maatregelen zijn genoemd in het energieonderzoek;

    • b.

      de energiebesparende maatregelen zijn toegepast aan het gebouw, bouwwerk of de installaties die met het gebouw te maken hebben, zoals de deuren of ramen. Als het gaat om sportverenigingen dan mogen de energiebesparende maatregelen ook uitgevoerd worden op het veld, zoals veldverlichting.

    • c.

      de energiebesparende maatregelen zijn toegepast op een gebouw dat fysiek in Overijssel is gevestigd;

    • d.

      de energiebesparende maatregelen zijn op het moment van de aanvraag maximaal 8 maanden geleden uitgevoerd. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.;

    • e.

      de uitgevoerde energiebesparende maatregelen hebben per aanvraag in totaal minimaal € 4.000,- gekost. Om aan de minimale kosten van € 4.000,- te kunnen voldoen, is het mogelijk om de energiebesparende maatregelen van meerdere vestigingen of aanvragers samen in één aanvraag op te nemen. Een van de aanvragers vraagt de subsidie aan en zorgt voor de onderlinge verdeling van de subsidie.

  • 3. De volgende energiebesparende maatregelen komen niet in aanmerking voor de subsidie:

    • a.

      energiebesparende maatregelen voor nieuwbouw;

    • b.

      energiebesparende maatregelen voor woningen, appartementen of andere voor bewoning bedoelde gebouwen;

    • c.

      energiebesparende maatregelen die verplicht zijn onder de Wet Mileubeheer. Hierin staat dat er bij een jaarverbruik van meer dan 50.000kWh elektriciteit of 25.000m3 gas maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder wettelijk verplicht zijn. Hieronder vallen in ieder geval de erkende maatregelen.

  • 4. Het energieonderzoek voldoet aan volgende voorwaarden:

    • a.

      het onderzoek is op het moment van de aanvraag niet ouder dan 3 jaar;

    • b.

      het onderzoek is uitgevoerd:

      • 1.

        door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb. De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA of EPA-U. EPA-U staat voor Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec;

      • 2.

        door een brachespecialist; of

      • 3.

        in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel.

    • c.

      het onderzoek is uitgevoerd voordat energiebesparende maatregelen zijn uitgevoerd. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3;

    • d.

      het onderzoek is niet gesubsidieerd vanuit een andere regeling;

    • e.

      in het onderzoek staan:

      • 1.

        energiebesparende maatregelen die zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil;

      • 2.

        energiebesparende maatregelen die voldoen aan de definitie in het protocol Monitoring energiebesparing;

      • 3.

        energiebesparende maatregelen die staan op de energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale Energie Investering Aftrekregeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd en is te vinden op de website van de RVO.

Artikel 3.3.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een stichtingen, een vereniging, een BV, een NV, en maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap.

  • 2. De energiekosten van de aanvrager zijn minder dan € 30.000 per jaar.

Artikel 3.3.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit is uitgevoerd maximaal 8 maanden voordat de aanvraag is ontvangen. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing.

Artikel 3.3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor energiebesparende maatregelen is maximaal 25% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie voor energiebesparende maatregelen is:

    • a.

      maximaal € 5.000,- per aanvraag voor Mkb-ondernemingen in de horeca, detailhandel en dienstverlening die direct geheel of gedeeltelijk zijn getroffen door de verplichte lockdowns; en

    • b.

      maximaal € 2.500 per aanvraag voor overige aanvragers.

  • 3. De subsidie per uitgevoerd energieonderzoek is een vast bedrag van € 400,- per aanvraag.

  • 4. De aanvrager mag per vestigingsadres maximaal 1 keer per 3 jaar subsidie ontvangen op basis van deze subsidiregeling. Hierbij gaat het om de afgelopen 2 boekjaren en het jaar van de aanvraag.

Artikel 3.3.7 Eigen bijdrage

Minimaal 75% van de subsidiabele kosten van de uitgevoerde energiebesparende maatregelen worden betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden.

Artikel 3.3.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      Een energieonderzoek. In het energieonderzoek staat minimaal:

      • 1.

        het huidige energiegebruik;

      • 2.

        de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers;

      • 3.

        omschrijving van de energiebesparende maatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie en de terugverdientijd van de investering;

      • 4.

        een plan van aanpak voor de uitvoering;

      • 5.

        de quick wins;

    • b.

      kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de betaalde subsidaibele kosten.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

  • 5. Er mag geen aanvraag voor subsidie ingediend worden voor alleen het energieonderzoek.

Artikel 3.3.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.3.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.3.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

3.4 Asbest eraf, zon erop

Artikel 3.4.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie het verwijderen van asbestdaken en het opwekken van eigen energie stimuleren.

Artikel 3.4.2 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het verwijderen en afvoeren van een dak dat asbestplaten of asbestleien bevat. Dakbeschotten vallen hier niet onder.

  • 2. De subsidie wordt alleen verleend als er op het asbestvrije dak zonnepanelen worden geplaatst.

  • 3. Het asbestdak voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het asbestdak is gelegen in Overijssel;

    • b.

      het asbestdak heeft een oppervlakte van minimaal 35 m2;

  • 4. Het verwijderen en afvoeren van het asbestdak wordt uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf. Dit houdt in dat het bedrijf de volgende certificering heeft voor het inventariseren of verwijderen van asbest:

    • a.

      SC 530: Asbestverwijdering;

    • b.

      SC 540: Asbestinventarisatie.

  • 5. De te plaatsen zonnepanelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het zijn fotovoltaïsche panelen die zonne-energie omzetten in elektriciteit;

    • b.

      de zonnepanelen worden geplaatst op het gesaneerde asbestdak. Als het gesaneerde asbestdak geheel of gedeeltelijk ongeschikt is voor het plaatsen van zonnepanelen, dan mogen de zonnepanelen ook geplaatst worden op het perceel van het gesaneerde asbestdak;

    • c.

      het aantal zonnepanelen dat wordt geplaatst moet in minimaal 95% voorzien van het eigen elektriciteitsverbruik. Dit is het verbruik in kWh dat jaarlijks nodig is voor de elektriciteitsbehoefte van het adres van het asbestdak.

Artikel 3.4.3 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is de eigenaar van het asbestdak dat wordt verwijderd en afgevoerd.

  • 2. De aanvrager is geen gemeente, waterschap of provincie.

Artikel 3.4.4 Kosten die in aanmerking komen voor de subsidie

De subsidie is een vast bedrag per aanvrager. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 3.4.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is een vast bedrag van € 1.000,- per aanvrager.

  • 2. Als het asbestdak een oppervlakte heeft van 200 m2 of meer dan is er € 5,- subsidie per m2 extra. Deze extra subsidie is maximaal € 4.000,- per aanvrager.

  • 3. De subsidie is in totaal maximaal € 5.000,-.

Artikel 3.4.6 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Asbest eraf, zon erop.

  • 3. De aanvrager levert de volgende stukken in:

    • a.

      een offerte voor het verwijderen van asbest, waaruit in ieder geval blijkt hoeveel m2 asbestdak wordt verwijderd en door welk gecertificeerd bedrijf het asbest wordt verwijderd. De offerte is niet ouder dan 3 maanden op het moment van de subsidieaanvraag;

    • b.

      een jaarafrekening energieverbruik van de eigenaar van het asbestdak, waaruit het eigen elektriciteitsverbruik blijkt. Als de eigenaar geen jaarafrekening heeft, dan levert de eigenaar een onderbouwde inschatting in van het te verwachten jaarverbruik;

    • c.

      een offerte voor de aankoop en aansluiting van de zonnepanelen waaruit in ieder geval blijkt hoeveel kWh elektriciteit wordt opgewekt. De offerte is niet ouder dan 3 maanden op het moment van de subsidieaanvraag.

    • d.

      als de zonnepanelen niet worden geplaatst op het gesaneerde asbestdak, een bewijs waaruit blijkt dat de zonnepanelen niet geplaatst kunnen worden op het gesaneerde asbestdak.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting endekkingplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 3.4.7 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 tot en met 2024.

Artikel 3.4.8 Aanvullende verplichtingen subsidieontvanger

De aanvrager is verplicht de activiteiten binnen 12 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben.

Artikel 3.4.9 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of aan de De-minimisverordening landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.4.10 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2024 om 17.00 uur.

3.5 Opruiming drugsafval Overijssel 2021-2024

Artikel 3.5.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming en ook de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.

  • -

    Drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs.

  • -

    Dumping van drugsafval: het in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater.

  • -

    Oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen.

  • -

    Sanering van de bodem: het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden vereist om verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 6.8 van de Waterwet.

  • -

    Synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen.

  • -

    Verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 3.5.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het beschermen van de biodiversiteit door vervuilde bodem en vervuild oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval te saneren.

Artikel 3.5.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      verwijdering en afvoer van gedumpt drugsafval;

    • b.

      verwijdering en afvoer van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of

    • c.

      sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval.

  • 2. Het gedumpte drugsafval voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het drugsafval is gedumpt in de provincie Overijssel;

    • b.

      het drugsafval is gedumpt op een locatie:

      • 1.

        die binnen de grenzen van de gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten valt; of

      • 2.

        waar de aanvrager eigenaar van is of erfpacht voor betaalt.

    • c.

      het drugsafval is niet aangetroffen binnen een ruimte waar de productie van de synthetische drugs plaatsvond;

    • d.

      het drugsafval is niet gedumpt via het rioolstelsel;

    • e.

      van het gedumpte drugafval is:

      • 1.

        een melding of aangifte bij de politie gedaan. Het meldingsnummer of proces-verbaalnummer is aanwezig;

      • 2.

        een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval en ook een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen aanwezig; en

      • 3.

        een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem aanwezig.

  • 3. De verwijdering en afvoer van het drugsafval voldoet aan de voorwaarde dat deze heeft plaatsgevonden in de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024.

  • 4. De sanering van de bodem voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de sanering is uitgevoerd volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      van de sanering is een saneringsverslag aanwezig.

Artikel 3.5.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is:

    • a.

      een gemeente, een omgevingsdienst of een waterschap die de territoriale bevoegdheid heeft van de locatie waar drugsafval is gedumpt;

    • b.

      een natuurlijke persoon of een stichting, een vereniging, een BV, een NV of Staatsbosbeheer die eigenaar of erfpachter is van een locatie waar drugsafval is gedumpt;

  • 2. De aanvrager is niet verantwoordelijk of medeverantwoordelijk voor de productie of dumping van het drugsafval.

Artikel 3.5.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alle daadwerkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel als deze betrekking hebben op:

    • a.

      het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval;

    • b.

      het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater;

    • c.

      het saneren van de door de dumping verontreinigde bodem.

  • 2. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn niet van toepassing.

Artikel 3.5.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor een gemeente, omgevingsdienst of een waterschap.

  • 2. De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor de overige aanvragers.

  • 3. De subsidie is maximaal € 24.999,- per aanvraag.

  • 4. De minimum subsidie van € 1.000,- die in artikel 1.2.17 lid 2 staat is niet van toepassing.

  • 5. De aanvrager mag voor dezelfde dumping of project maximaal 1 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 3.5.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend bij BIJ12, die namens de provincie de subsidieregeling uitvoert.

  • 3. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Opruiming drugsafval 2021-2024. Het formulier is te vinden op https://www.bij12.nl/onderwerpen/subsidieregeling-opruiming-drugsafval/aanvragen-subsidie.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer;

    • b.

      een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval en ook een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en

    • c.

      de afvoerbon of het saneringsverslag als bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater of van de sanering van de bodem.

  • 5. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 3.5.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond wordt jaarlijks vastgesteld.

  • 2. Als de te verlenen subsidie hoger is dan het resterende budget van het subsidieplafond, dan wordt het overgebleven budget verdeeld door middel van loting. Artikel 1.2.16 lid 2 is niet van toepassing. De loting wordt uitgevoerd onder de op die dag ingediende complete aanvragen. De aanvragen worden van hoog naar laag geplaats in de volgorde van de trekking. De loting wordt uitgevoerd in aanwezigheid van een notaris en minimaal twee onafhankelijke waarnemers.

Artikel 3.5.9 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 3.5.10 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2025 om 17.00 uur.

3.6 Lokale energie-initiatieven 4.0

Artikel 3.6.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Energiebesparingsproject: project waarbij technische, logistieke of organisatorische voorzieningen worden getroffen die leiden tot minder gebruik van energie.

  • -

    Energieopwekproject: een project waarbij energie wordt gemaakt uit bronnen zoals wind, zon en waterkracht.

  • -

    Lokaal energie-initiatief (LEI): een collectief van inwoners en eventueel lokale organisaties of lokale bedrijven met als doel een energieopwekproject of een energiebesparingsproject uit te voeren.

  • -

    Nominaal vermogen: maximale vermogen van een productie-installatie voor hernieuwbare energie dat onder normale omstandigheden of voorwaarden benut kan worden voor de productie van hernieuwbare energie en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik.

Artikel 3.6.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie. Dit door Lokale energie-initiatieven te ondersteunen.

Artikel 3.6.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor een of meerdere van de volgende activiteiten:

    • a.

      het inrichten en oprichten van een LEI;

    • b.

      een door een LEI uit te voeren energiebesparingsproject gericht op woningen;

    • c.

      een door een LEI voor te bereiden energieopwekproject om tot een realiseerbaar energieopwekproject in Overijssel te komen. Na uitvoering van de activiteiten is duidelijk of het opwekproject kan worden gerealiseerd.

    • d.

      een door een LEI voor te bereiden grootschalig energieopwekproject om tot een ontwikkelbaar project te komen. Na uitvoering van de activiteiten is duidelijk of succesvolle ontwikkeling van het grootschalige opwekproject mogelijk is.

  • 2. Een LEI voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de LEI heeft binding met de lokale omgeving;

    • b.

      de LEI heeft een bestuur van minimaal twee personen;

    • c.

      iedereen die wil, kan deelnemen aan de LEI;

    • d.

      de LEI laat de lokale omgeving waar het project wordt uitgevoerd, meebeslissen over de ontwikkeling van het project

    • e.

      de opbrengsten die door realisatie van het project worden gehaald komen ten goede aan leden, klanten of maatschappelijke bestemmingen in de lokale omgeving van het project.

  • 3. Het energieopwekproject voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

    • a.

      er wordt een productie-installatie voor zonne-energie met een nominaal vermogen van minimaal 15 Wp en maximaal 1.000 kWp gerealiseerd;

    • b.

      er wordt een productie-installatie voor windenergie met één of meer windturbines met een nominaal vermogen van minimaal 15 kW en maximaal 1.000 kW gerealiseerd;

    • c.

      er wordt een productie-installatie voor elektriciteitsproductie door waterkracht met een nominaal vermogen van minimaal 15 kW gerealiseerd.

  • 4. Het grootschalig energieopwekproject voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

    • a.

      er wordt een productie-installatie voor zonne-energie met een nominaal vermogen van minimaal 1.000 kWp gerealiseerd;

    • b.

      er wordt een productie-installatie voor windenergie met één of meer windturbines met een nominaal vermogen van minimaal 1.000 kW gerealiseerd.

  • 5. Er mag voor de voorbereiding van een grootschalig energieopwekkingsproject geen financiering door het Energiefonds Overijssel zijn toegekend. In dat geval is namelijk al duidelijk dat succesvolle ontwikkeling van het project mogelijk is.

  • 6. De activiteiten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn de aanschaf- en installatie van technische voorzieningen voor energieopwekking en energiebesparing.

Artikel 3.6.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een LEI die de volgende juridische vorm heeft of krijgt: een coöperatie, een stichting, een vereniging of een BV.

  • 2. Als de coöperatie, stichting, vereniging of BV nog opgericht moet worden, dan wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager de beoogde rechtsvorm verkrijgt.

Artikel 3.6.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de kosten van derden kosten zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. De kosten voor leges en oprichtingskosten zijn wel subsidiabel. Artikel 1.2.8 onderdeel c is niet van toepassing.

Artikel 3.6.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor het oprichten en inrichten van een LEI is maximaal 100% van de subsidiabele kosten en maximaal € 2.500,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor het uitvoeren van een energiebesparingsproject is maximaal 80% van de subsidiabele kosten en maximaal € 2.500,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie voor het voorbereiden van een energieopwekproject is maximaal 80% van de subsidiabele kosten en maximaal € 5.000,- per aanvraag.

  • 4. De subsidie voor het voorbereiden van een grootschalig energieopwekproject is maximaal 80% van de subsidiabele kosten € 10.000,- per aanvraag.

Artikel 3.6.7 Eigen bijdrage

Minimaal 20% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden. Dit geldt niet voor het oprichten en inrichten van de LEI.

Artikel 3.6.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Lokale energie-initiatieven.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de door een LEI-coach ondertekende LEI-verklaring in. Een LEI-coach is een persoon die in opdracht van de provincie Overijssel een lokaal energie-initiatief ondersteund.

Artikel 3.6.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.6.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben;

  • b.

    de inwoners binnen een specifiek gebied in Overijssel actief uit te nodigen om lid of klant van de LEI te worden;

  • c.

    de opgebouwde kennis en ervaring vrij beschikbaar te stellen aan anderen die daarom vragen.

Artikel 3.6.11 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.6.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

3.7 Energiezuinige voedselbanken

Artikel 3.7.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie. Dit door voedselbanken te stimuleren om te investeren in maatregelen gericht op energiebesparing.

Artikel 3.7.2 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het uitvoeren van energiebesparende maatregelen.

  • 2. De energiebesparende maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de maatregelen worden uitgevoerd in of aan het gebouw van een voedselbank in Overijssel;

    • b.

      de maatregelen staan geadviseerd in de door Gedeputeerde Staten gefinancierde energiescan.

  • 3. Een aanvullende subsidie wordt verleend voor het vervangen van verouderde niet-energiezuinige koel- en vriesapparaten. Deze aanvullende subsidie is alleen beschikbaar voor de voedselbanken in de gemeenten Almelo, Deventer, Hengelo en Raalte.

Artikel 3.7.3 Aanvrager

De aanvrager is een voedselbank.

Artikel 3.7.4 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De volgende kosten zijn subsidiabel:

    • a.

      alle kosten voor het realiseren van energiebesparende maatregelen;

    • b.

      de kosten voor het vervangen van verouderde koel- en vriesapparaten.

  • 2. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 3.7.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is € 15.000,- per voedselbank voor energiebesparende maatregelen.

  • 2. De aanvullende subsidie voor de aanschaf van koel- en vriesapparaten is:

    • a.

      € 56.250,- voor de voedselbank in Almelo;

    • b.

      € 18.750,- voor de voedselbank in Deventer;

    • c.

      € 37.500,- voor de voedselbank in Hengelo;

    • d.

      € 45.194,- voor de voedselbank in Raalte.

Artikel 3.7.6 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Energiezuinige voedselbanken.

  • 3. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 3.7.7 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.7.8 Vaststelling

Subsidies van € 25.000 en hoger worden gelijk vastgesteld. Artikel 1.2.19 is van toepassing.

Artikel 3.7.9 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 3.7.10 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023.

3.8 Geschakelde asbestleidaken

Artikel 3.8.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Geschakeld asbestleidak: een asbestleidak dat in directe relatie staat met een ander asbestleidak, dat wil zeggen zowel in locatie, bouwstijl en -periode, aangezicht en materiaal. Het asbestleidak hoeft niet rechtstreeks gekoppeld te zijn aan een ander asbestleidak.

  • -

    Vervangen van geschakelde asbestleidaken: verwijderen en afvoeren van asbest en het aanbrengen van nieuwe dakbedekking.

Artikel 3.8.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van het verwijderen van asbestdaken.

Artikel 3.8.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het vervangen van geschakelde asbestleidaken. In sommige gevallen kunnen asbestleidaken aansluiten op een gevelbeplating van asbestleien. De vervanging van deze asbesthoudende gevelbeplating valt ook onder de activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen.

  • 2. Het vervangen van geschakelde asbestleidaken voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het geschakelde asbestleidak is gelegen in Overijssel;

    • b.

      het vervangen van het asbestleidak wordt uitgevoerd door een asbestverwijderingsbedrijf dat voldoet aan de regels uit het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering van Stichting Ascert.

Artikel 3.8.4 Aanvrager

De aanvrager is de particuliere eigenaar van het geschakelde asbestleidak dat wordt vervangen.

Artikel 3.8.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

De subsidie is een vast bedrag per m2 voor het verwijderen en afvoeren van de geschakelde asbestleidaken en het aanbrengen van nieuwe dakbedekking. Artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9. zijn niet van toepassing.

Artikel 3.8.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie is € 75,- per m2 verwijderd en afgevoerd geschakeld asbestleidak.

Artikel 3.8.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. Iedere eigenaar van een deel van het geschakelde asbestleidak dient een eigen aanvraag voor subsidie in.

  • 3. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Geschakelde asbestleidaken.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

  • 5. De aanvrager levert aanvullend een offerte in voor de verwijdering en het afvoeren van asbest. De offerte is op het moment van de aanvraag niet ouder dan 3 maanden. In de offerte staat minimaal:

    • a.

      hoeveel m2 asbest dak wordt verwijderd; en

    • b.

      door welk gecertificeerd bedrijf het asbest wordt verwijderd.

Artikel 3.8.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.8.9 Aanvullende verplichting

De aanvrager is verplicht binnen 3 maanden na de datum waarop de sloopvergunning is verleend te starten met het vervangen van geschakelde asbestleidaken.

Artikel 3.8.10 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 3.8.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023, om 17.00 uur.

3.9 Gereserveerd

3.10 Uitvoering Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023

Artikel 3.10.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Energieprogramma: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

Artikel 3.10.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie samen met maatschappelijke partners uitvoering geven aan het programma Nieuwe Energie Overijssel.

Artikel 3.10.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Energieprogramma.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteiten passen binnen de kaders en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie;

    • b.

      de activiteiten dragen bij aan de realisatie van de projectportfolio’s binnen het Energieprogramma. Dit zijn de verzamelingen van projecten binnen een bepaald thema.

  • 3. De activiteiten mogen na 1 januari 2022 gestart zijn. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.

Artikel 3.10.4 Aanvrager

De aanvrager is een maatschappelijke partner van het Energieprogramma. Dit zijn Natuur en Milieu Overijssel, VNO-NCW en het Bio-energiecluster Oost-Nederland.

Artikel 3.10.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing. Er gelden geen uitzonderingen op de subsidiabele en niet subsidiabele kosten.

  • 2. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit is uitgevoerd na 1 janauri 2022. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing.

Artikel 3.10.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.10.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Uitvoering Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend een projectplan in.

Artikel 3.10.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.10.9 Aanvullende verplichtingen

De aanvrager is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen een jaar na subsidieverlening, maar uiterlijk voor 30 maart 2023 uitgevoerd te hebben;

  • b.

    de opgedane kennis, de aanpak of het initiatief actief met Overijsselse gemeenten te delen.

Artikel 3.10.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.10.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

3.11 Kleine mestvergister op boerderijen

Artikel 3.11.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt vaker een voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Mestvergister: een installatie waarmee organische stof van uitsluitend dierlijke mest wordt omgezet in biogas voor warmte.

Artikel 3.11.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het vergroten van de productie van biogas of groen gas afkomstig uit mestvergisters.

Artikel 3.11.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      aanpassing van de stalvloer voor dagverse mest in de mestvergister;

    • b.

      aanleg van een groengasleiding of biogasleiding vanaf 1000 meter;

    • c.

      opslag en nabewerking van vergiste biomassa, het restproduct van de biogasproductie.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de mestvergister wordt gerealiseerd in Overijssel;

    • b.

      de verwerkingscapaciteit van de mestvergister bedraagt maximaal 25.000 kuub mest per jaar;

    • c.

      het totale energieverbruik voor het in werking hebben van de mestvergister bedraagt maximaal 1/3 van de energielevering van de mestvergister, inclusief de eventuele aanvoer van mest van derden;

    • d.

      het biogas uit de mestvergister dient:

      • 1.

        opgewaardeerd te worden op de boerderij tot groen gas en in het openbare aardgasnet ingevoed te worden; of

      • 2.

        in een centrale installatie opgewaardeerd te worden tot groen gas en in het openbare aardgasnet ingevoed te worden; of

      • 3.

        rechtstreeks als biogas aan een afnemer geleverd te worden ten behoeve van warmte- of stoomproductie;

    • e.

      de aanvrager heeft de benodigde vergunningen en akkoord op de verplichte meldingen verkregen.

Artikel 3.11.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een BV, een NV, een maatschap, een v.o.f. of een eenmanszaak.

  • 2. Een ondernemer die actief is in de productie van primaire landbouwproducten kan alleen een aanvraag indienen, als de productie en levering van biogas of groen gas onder een aparte organisatie is ondergebracht met een gescheiden financiële administratie.

Artikel 3.11.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. De kosten voor de aanschaf en installatie van de mestvergister zijn niet subsidiabel.

Artikel 3.11.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 100.000,- per aanvraag en per mestvergister.

  • 3. De aanvrager mag maximaal 1 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 3.11.7 Eigen bijdrage

Minimaal 50% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of van derden.

Artikel 3.11.8 Aanvraag

  • 1. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Kleine mestvergister op boerderijen.

  • 2. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken en gegevens in:

    • a.

      een begroting en dekkingsplan. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken;

    • b.

      de energiebalans, opgesteld door de leverancier van de mestvergister. Dit is een opgave van de hoeveelheid geproduceerd biogas in m3 per jaar en van de warmte- en elektriciteitsvraag van de installatie;

    • c.

      hoeveel ton mest wordt aangevoerd van buiten het eigen bedrijf en hoeveel vervoerskilometers dat betreft;

    • d.

      offerte(s).

Artikel 3.11.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.11.10 Aanvullende verplichtingen

De aanvrager is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 12 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben;

  • b.

    voor de monitoring van de energiebalans van de mestvergister, een jaar na volledige in bedrijfstelling de volgende informatie in te leveren:

    • 1.

      de geproduceerde hoeveelheid biogas en ook het warmte- en elektriciteitsverbruik van de installatie;

    • 2.

      de hoeveelheid aangevoerde mest in ton en het aantal vervoerskilometers dat daarvoor is afgelegd.

Artikel 3.11.11 Beoordeling integriteit van de subsidieontvanger

De aanvrager levert een volledig ingevuld Bibob-formulier subsidies in, als het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft. Artikel 1.2.25 is van toepassing

Artikel 3.11.12 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.11.13 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023.

3.12 Gereserveerd

3.13 Gereserveerd

3.14 Gereserveerd

3.15 Intensivering energietoezicht

Artikel 3.15.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Activiteitenbesluit milieubeheer: besluit van 19 oktober 2007, met algemene regels voor inrichtingen.

  • -

    Energiebesparingsplicht: verplichting tot het nemen van alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder zoals opgenomen in artikel 2.15 lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • -

    Informatieplicht energiebesparing: verplichting tot het vierjaarlijks rapporteren van energiebesparende maatregelen zoals opgenomen in artikel 2.15 lid 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • -

    Inrichting: inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, waarop op grond van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer de energiebesparingsplicht van toepassing is.

Artikel 3.15.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie stimuleren.

Artikel 3.15.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend om energietoezicht door de Omgevingsdienst IJsselland en de Omgevingsdienst Twente te intensiveren. Het gaat om toezicht bij inrichtingen op de naleving van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in de jaren 2022 en 2023.

  • 2. Het energietoezicht voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      toezicht wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJsselland of de Omgevingsdienst Twente;

    • b.

      het toezicht wordt gehouden bij energierelevante bedrijven. Dit zijn bedrijven met een energiegebruik van minimaal 50.000 kWh en/of 25.000 m3 aardgas equivalent per jaar;

    • c.

      het toezicht wordt niet gehouden bij inrichtingen als bedoeld in artikel 15.51 en artikel 16.5 van de Wet milieubeheer en inrichtingen met een omgevingsvergunning milieu.

Artikel 3.15.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een Overijsselse gemeente.

  • 2. De gemeente heeft vergunningverlenings-, toezichts- en handhavingstaken voor energietoezicht gemandateerd aan de Omgevingsdienst;

  • 3. De gemeente laat bij minimaal 5% van de inrichtingen zelf energietoezicht uitvoeren en brengt hiervoor extra middelen in.

Artikel 3.15.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

Alleen kosten van derden, namelijk de personeelskosten van de Omgevingsdienst zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 3.15.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is een vast bedrag van € 639,- per inrichting waar energietoezicht wordt gehouden.

  • 2. Voor de gemeenten in IJsselland is de subsidie jaarlijks maximaal:

    • a.

      € 8.307,- voor de gemeente Dalfsen;

    • b.

      € 21.726,- voor de gemeente Deventer;

    • c.

      € 18.531,- voor de gemeente Hardenberg;

    • d.

      € 12.141,- voor de gemeente Kampen;

    • e.

      € 3.834,- voor de gemeente Olst-Wijhe;

    • f.

      € 6.390,- voor de gemeente Ommen;

    • g.

      € 12.141,- voor de gemeente Raalte;

    • h.

      € 5.751,- voor de gemeente Staphorst;

    • i.

      € 10.224,- voor de gemeente Steenwijkerland;

    • j.

      € 7.668,- voor de gemeente Zwartewaterland;

    • k.

      € 29.394,- voor de gemeente Zwolle.

  • 3. Voor de gemeenten in Twente is de subsidie jaarlijks maximaal:

    • a.

      € 17.892,- voor de gemeente Almelo;

    • b.

      € 3.195,- voor de gemeente Borne;

    • c.

      € 9.585,- voor de gemeente Dinkelland;

    • d.

      € 31.311,- voor de gemeente Enschede;

    • e.

      € 7.029,- voor de gemeente Haaksbergen;

    • f.

      € 8.307,- voor de gemeente Hellendoorn;

    • g.

      € 19.170,- voor de gemeente Hengelo;

    • h.

      € 12.780,- voor de gemeente Hof van Twente

    • i.

      € 3.834,- voor de gemeente Losser;

    • j.

      € 8.946,- voor de gemeente Oldenzaal

    • k.

      € 11.502,- voor de gemeente Rijssen-Holten;

    • l.

      € 7.029,- voor de gemeente Tubbergen;

    • m.

      € 7.029,- voor de gemeente Twenterand;

    • o.

      € 6.390,- voor de gemeente Wierden.

Artikel 3.15.7 Eigen bijdrage

De gemeente brengt zelf middelen in bij de Omgevingsdienst IJsselland of de Omgevingsdienst Twente om jaarlijks bij minimaal 5% van de energierelevante bedrijven energietoezicht uit te voeren.

Artikel 3.15.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Intensivering energietoezicht.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een document waaruit blijkt dat de aanvrager vergunningverlenings-, toezichts- en handhavingstaken voor energietoezicht heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst;

    • b.

      een opdracht aan de Omgevingsdienst waaruit blijkt dat de gemeente bij 10% van de inrichtingen energietoezicht laat uitvoeren en middelen worden ingebracht om 5% van het energietoezicht zelf te betalen.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 3.15.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 3.15.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    mee te werken aan de evaluatie van de provincie en ten behoeve van deze evaluatie de volgende gegevens bij te laten houden door de Omgevingsdienst:

    • 1.

      het aantal bezochte inrichtingen waar energietoezicht is gehouden, onderverdeeld naar SBI-code;

    • 2.

      het jaarlijkse energiegebruik per bezochte inrichting;

    • 3.

      beschrijving per inrichting van de maatregelen die al zijn genomen, voor het uitgevoerde toezicht, die onder artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen.

    • 4.

      een schatting van het besparingspotentieel per inrichting dat volgt uit het uitgevoerde energietoezicht, en uitgedrukt in kWh elektriciteit en m3 gas;

    • 5.

      het aantal inrichtingen zoals genoemd onder onderdeel 1 waarbij hercontrole is uitgevoerd, onderverdeeld naar SBI-code;

    • 6.

      een inschatting van het benutte besparingspotentieel als bedoeld onder onderdeel d, op basis van hercontrole of op basis van de rapportageverplichting onder artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    de activiteiten voor 31 december 2023 uitgevoerd te hebben.

Artikel 3.15.11 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 3.15.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

3.16 Stimuleren energie-innovatie

Artikel 3.16.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Duurzame energieopwekking: energie opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen;

  • -

    Duurzaam energieproject: een project waarbij energiebesparing of energieopwekking gerealiseerd wordt en dat bijdraagt aan vergroting van het aandeel duurzame energie.

  • -

    Energie-innovatie: een idee voor een nieuw product of nieuwe productieprocessen. Het gaat hierbij om het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten of productieprocessen op het gebied van energiebesparing en energieopwekking met als doel bijdragen aan vergroting van het aandeel duurzame energie of CO2-reductie.

  • -

    Energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie.

  • -

    Ideefase: de beginfase van het ontwikkelen van een nieuw product of productieproces. Het geeft antwoord op een vooraf gestelde hulpvraag. In deze fase wordt een idee nader onderzocht en uitgewerkt. Het doel van deze fase is om het idee uit te werken in een projectplan. Verder wordt er gekeken wie het project zou kunnen uitvoeren, welke partij(en) betrokken zouden moeten zijn bij het project en of er voldoende draagvlak is voor het project bij betrokkenen.

  • -

    Supportteam energie-innovatie: een groep van deskundigen, met ervaring op het gebied van energie-innovatie die beschikt over een netwerk, waar initiatiefnemers een beroep op kunnen doen.

Artikel 3.16.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie aanmoedigen. Dit door Overijsselse Mkb-ondernemers te helpen met een idee voor een energie-innovatie, zodat innovaties op het gebied van energie op gang komen en de regionale economie gestimuleerd wordt.

Artikel 3.16.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten in de ideefase van een energie-innovatie initiatief:

    • a.

      ondersteuning bij het uitwerken van ideeën tot een energieprojectplan;

    • b.

      technisch, juridisch of financieel advies.

  • 2. De ondersteuning en het advies voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het gaat over duurzame energieopwekking of energiebesparing die plaatsvindt in Overijssel;

    • b.

      het wordt gegeven door een onafhankelijke deskundige. De deskundige heeft aantoonbaar ervaring;

    • c.

      het beoogd resultaat is een energieprojectplan voor de energie-innovatie met zicht op eventuele vervolgstappen.

  • 3. De energie-innovatie voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het draagt bij aan minimaal één doelstelling en ambitie van het Programma Nieuwe Energie;

    • b.

      het draagt bij aan minimaal één van de prioritaire thema’s van het Supportteam energie innovatie, te weten bestaande gebouwde omgeving of Mkb;

    • c.

      het is naar het oordeel van het Supportteam energie innovatie realistisch;

    • d.

      het is nog niet zo ver uitgewerkt dat niet meer gesproken kan worden van een ideefase. In een ideefase is de technische, juridische en financiële haalbaarheid nog niet onderzocht.

  • 4. Een haalbaarheidsstudie komt niet in aanmerking voor de subsidie.

Artikel 3.16.4 Aanvrager

De aanvrager is een Mkb-onderneming.

Artikel 3.16.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 3.16.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 5.000,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie is maximaal € 10.000,- per aanvraag als er sprake is van een energie-innovatie-initiatief, dat mogelijk in aanmerking kan komen voor een bijdrage op basis van de subsidieregeling 6.3 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten, EFRO of REACT.

Artikel 3.16.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag moet uiterlijk 30 november 2022 vóór 17.00 uur ontvangen zijn.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Stimuleren Energie Innovatie.

  • 3. De aanvrager levert een offerte in waaruit blijkt:

    • a.

      wat de kosten zijn;

    • b.

      in welke periode het advies of de ondersteuning wordt gegeven.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

  • 5. Als er sprake is van een aanvraag voor subsidie van € 5.000,- of meer, dan wordt het energie-innovatie-initiatief voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, besproken met het Supportteam energie-innovatie. Naar het oordeel van het Supportteam energie-innovatie is er sprake van energie-innovatie-initiatief dat mogelijk in aanmerking kan komen voor een bijdrage op basis de subsidieregeling 6.3 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten, EFRO of REACT.

Artikel 3.16.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor het jaar 2022.

Artikel 3.16.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten voor 31 maart 2023 uitgevoerd te hebben.

Artikel 3.16.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening en de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 3.16.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

3.17 Energiezuinige terrasverwarming via kussens

Artikel 3.17.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Warmtekussens: energiezuinige terrasverwarming in de vorm van kussens die elektrisch kunnen worden opgeladen.

Artikel 3.17.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.17.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor de aanschaf van warmtekussens inclusief bijbehorende lader.

  • 2. De warmtekussens worden gebruikt bij een vestiging in Overijssel.

  • 3. De warmtekussens mogen aangeschaft zijn na 1 oktober 2021. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.

  • 4. Na aanschaf van de warmtekussens heeft de horecaondernemer geen gas- of elektrische heaters in gebruik op het terras. De warmtekussens zijn de enige vorm van energieverbruikende terrasverwarming.

Artikel 3.17.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een horecaonderneming met één van de volgende SBI-codes volgens de KvK-registratie:

    • a.

      55.10.1 hotel-restaurants;

    • b.

      56.1 restaurants, cafetaria's e.d.;

    • c.

      56.10 restaurants, cafetaria's e.d. en ijssalons;

    • d.

      56.10.1 restaurants;

    • e.

      56.10.2 cafetaria's e.d., lunchrooms, snackbars, ijssalons, eetkramen e.d.;

    • f.

      56.3 cafés. en

  • 2. De aanvrager is daarnaast ook:

    • a.

      een micro- of kleine horecaonderneming;

    • b.

      een horecaonderneming met een geldige terrasvergunning.

Artikel 3.17.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. De aanschafkosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de betaling ervan is gedaan na 1 oktober 2021. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing.

Artikel 3.17.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 30% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 3.000,- per horecaonderneming.

Artikel 3.17.7 Eigen bijdrage

Minimaal 70% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden.

Artikel 3.17.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Energiezuinige terrasverwarming via kussens.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend kopieën in van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten.

  • 4. Het is niet nodig om een begroting en een dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

  • 5. De horecaonderneming met hetzelfde KvK-nummer mag maximaal 1 keer subsidie aanvragen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 3.17.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor het jaar 2022.

Artikel 3.17.10 Staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder Algemene De-minimisverordening.

Artikel 3.17.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

3.18 Investeringssubsidie warmtenetprojecten

Artikel 3.18.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Basislast: de warmtebron die hoofdzakelijk, dat wil zeggen tenminste 50% hernieuwbare energie, 50% restwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte gebruikt, de voeding vormt voor de warmte-infrastructuur;

  • -

    Bronrisico: het risico dat op de lange termijn onvoldoende hernieuwde energiebronnen beschikbaar zijn.

  • -

    Business case: de meerjarige financiële doorrekening waaruit de onrendabele top blijkt.

  • -

    Distributienet: de warmtetransportleiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers en het warmtedistributienet voor de uitkoppeling vanaf de warmtetransportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers.

  • -

    Energie-efficiënte stadsverwarming en –koeling: een systeem voor stadsverwarming of -koeling dat als basislast hernieuwbare warmte gebruikt en waarbij in het jaar 2030 maximaal 25 kg CO2 per GigaJ warmte wordt uitgestoten;

  • -

    Energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden.

  • -

    Exploitatiewinst: het positieve verschil tussen de gedisconteerde inkomsten en de gedisconteerde exploitatiekosten over de betrokken levensduur van de investering.

  • -

    Hernieuwbare warmtebronnen: andere bronnen dan steenkool, aardgas en aardolie, namelijk

    • a.

      aardwarmte: geothermische warmte;

    • b.

      aquathermie: warmte uit oppervlakte-, afval- of drinkwater;

    • c.

      biomassa, niet zijnde houtige biomasa, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen:

      • 1.

        warmte die ontstaat door de verbranding van de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen;

      • 2.

        biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval.

    • d.

      collectief open bodemenergiesysteem;

    • e.

      restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water.

  • -

    Investeringskosten: kosten voor de aanleg van de warmte-infrastructuur inclusief de algemene kosten die direct toe te rekenen zijn aan de investering.

  • -

    Klimaatakkoord: het Nationaal klimaatakkoord van 28 juni 2019 zoals gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl.

  • -

    Maatschappelijk rendement: het vermeden gebruik van aardgas als fossiele warmtebron;

  • -

    Onrendabele top: het in de businesscase aantoonbare bedrag dat nodig is om de netto contante waarde van de investering over de betrokken levensduur van de investering nul te doen zijn. Dit is inclusief rendement op het eigen vermogen.

  • -

    Piek en back-up: warmtebron die noodzakelijk is ter tijdelijke vervanging van en aanvulling op de warmtebron die de voeding vormt voor de basislast.

  • -

    Productielocatie: alle installaties die onderdeel zijn van de centrale warmte-installatie waar warmte wordt opgewekt of in het geval van restwarmte wordt afgevangen en integraal onderdeel zijn van de warmte-infrastructuur, zoals warmtekrachtkoppelingen, warmtepompconfiguraties, warmtewisselaars bij de basislast of warmtewisselaars tussen distributienet en verwarmingsnet, niet zijnde onderdelen van het distributienet.

  • -

    Programma Nieuwe Energie: het op 29 november 2016 door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.

  • -

    Stadsverwarming en –koeling: systeem voor distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen als bedoeld in artikel 2, lid 19 Richtlijn 2010/31/EU betreffende energieprestatie van gebouwen.

  • -

    Verwarmingsnet: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker.

  • -

    Vollooprisico: het risico dat de vraag naar warmte achterblijft op de ten tijde van het investeringsbesluit verwachte afzet.

  • -

    Warmte-infrastructuur: systeem voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling dat voldoet aan de in de punten 41 en 42 van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU gegeven definitie van een efficiënt systeem van stadsverwarming en –koeling. Onder deze definitie vallen de productielocatie bestaande uit verwarmings-/koelingsinstallaties en het distributienet met inbegrip van de daarmee verband houdende faciliteiten, die nodig zijn om de warmte/koeling van de productie-eenheden tot bij de locatie van de eindgebruikers te brengen.

  • -

    Warmteketen: organisatie en samenwerking van partijen in productie, transport en levering van warmte.

  • -

    Warmtenetproject: het installeren van een systeem voor warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie. Dit door de totstandkoming van warmtenetten voor gebruik van restwarmte, aardwarmte en aquathermie als alternatief voor aardgas te ondersteunen.

Artikel 3.18.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor een warmtenetproject. De volgende investeringen voor nieuw te installeren warmte-infrastructuur komen in aanmerking voor de subisdie:

    • a.

      investeringen in het distributienetwerk;

    • b.

      bijkomende investeringen voor de productielocatie als deze bijkomende investeringen in vergelijking met een conventionele productielocatie nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren.

  • 2. Het warmtenetproject voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het warmtenetproject wordt uitgevoerd in Overijssel;

    • b.

      het warmtenetproject draagt bij aan de doelstellingen van het programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023 of die van het Klimaatakkoord;

    • c.

      het warmtenetproject past binnen het beleid van de gemeente in het geval van aansluiting van woningen op de warmte-infrastructuur;

    • d.

      het warmtenetproject is het maatschappelijk meest kostenefficiënte alternatief voor aardgas;

    • e.

      de aanleg van het energie-efficiënte stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem behorende bij het warmtenetproject start binnen een jaar na de dag waarop de aanvraag wordt gedaan;

  • 3. Het systeem voor warmte-infrastructuur voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de warmtebron voor de basislast gebruikt tenminste 50% hernieuwbare energie, 50% restwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte;

    • b.

      de basislast voor de warmtebron is geen biomassa uit voedingsgewassen;

    • c.

      de warmte van temperatuur hoger dan 70 graden Celsius wordt niet hoofdzakelijk ingezet voor de verwarming van nieuwbouw;

    • d.

      uit het projectplan blijkt dat de aanvrager het bronrisico beperkt tot een minimum;

    • e.

      uit het projectplan blijkt dat de aanvrager het vollooprisico tot een minimum beperkt. De volloopperiode bestrijkt maximaal vijf jaar exclusief de bouwtijd;

    • f.

      als houtige biomassa, anders dan houtige biomassa als warmtebron wordt gebruikt, moet sprake zijn van:

      • 1.

        een tijdelijke bron voor de basislast waarbij binnen vijf jaar zicht is op een andere hernieuwbare bron;

      • 2.

        gebruik voor een piek- en back-upvoorziening;

    • g.

      de investering in de productielocatie maakt integrerend deel uit van de warmte-infrastructuur.

  • 4. De financiering van het warmtenetproject voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het berekende rendement op eigen vermogen is niet hoger dan het op het moment van aanvraag geldend rendement op eigen vermogen dat de Autoriteit Consument en Markt jaarlijks publiceert als redelijk;

    • b.

      er is sprake van een onrendabele top op de investeringen in het warmteproject;

    • c.

      het Energiefonds Overijssel kan de activiteiten niet of niet volledig financieren.

  • 5. De volgende activiteiten komen niet in aanmerking voor de subsidie:

    • a.

      procesactiviteiten, waaronder administratie en toezicht;

    • b.

      activiteiten voor de aanleg van het verwarmingsnet;

    • c.

      het aansluiten van gebruikers en gebouwen op het warmtenet;

    • d.

      activiteiten waarvoor al een financiële bijdrage is gegeven door de Europese Commisse, de Rijksoverheid, een provincie, het Energiefonds Overijssel, een gemeente, een waterschap, een samenwerking van overheden op basis van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, of een andere bij een overheid behorende organisatie.

Artikel 3.18.4 Aanvrager

De aanvrager is een gemeente, waterschap, stichting, vereniging, BV of NV.

Artikel 3.18.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Alleen de investeringskosten van het distributienetwerk en de bijkomende investeringskosten voor de productielocatie zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. Bijkomende investeringskosten voor de productielocatie zijn kosten die in vergelijking met een conventionele productielocatie nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als een energie-efficient stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren.

Artikel 3.18.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2,5 miljoen per warmtenetproject. De subsidie voor de onrendabele top die daar deel van uitmaakt, bedraagt maximaal 35%.

  • 2. De subsidie bedraagt niet meer dan het verschil tussen de subsdiabele investeringskosten en de exploitatiewinst van de investering.

Artikel 3.18.7 Eigen bijdrage

Minimaal 20% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager. Deze geldbijdrage is niet een ontvangen subsidie van bijvoorbeeld van de Rijksoverheid, Europese instanties of waterschappen.

Artikel 3.18.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Investeringssubsidie Warmtenetprojecten

  • 3. De aanvrager levert aanvullend een haalbaar en uitvoerbaar projectplan in. In het projectplan staat minimaal:

    • a.

      het warmteaanbod: een omschrijving van de warmtebron, hoe de bron in de warmtevraag kan voorzien en de toekomstbestendigheid, bijvoorbeeld contractduur en piek- en back-up voorziening;

    • b.

      de warmtevraag, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen contractueel vastgelegde afname en verwachte afname;

    • c.

      de benodigde warmte-infrastructuur;

    • d.

      een onderbouwing waarom het warmtenetproject het maatschappelijk meest kostenefficiënte alternatief voor aardgas is;

    • e.

      een businesscase met daarin uitgewerkt de financiering en onderbouwing van de onrendabele top, inclusief scenario’s;

    • f.

      de organisatie van de warmteketen;

    • g.

      een deskundige organisatie, aangetoond door het noemen van tenminste twee referentieprojecten;

    • h.

      een participatie- en communicatiestrategie afgestemd met de betrokken gemeente;

    • i.

      een risicoparagraaf;

    • j.

      de energie-efficiëntie van de warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond wordt jaarlijks vastgesteld.

Artikel 3.18.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    jaarlijks een verslag in te dienen hoever de activiteiten gerealiseerd zijn. Daarbij zijn tenminste beschreven

    • 1.

      eventuele vooraf niet voorziene knelpunten, problemen of successen;

    • 2.

      nieuwe, innovatieve juridische, organisatorische, financiële en technische oplossingen voor problemen of knelpunten die bij de voorbereiding of in de uitvoering zijn opgekomen.

  • b.

    de activiteiten binnen 5 jaar na subsidieverlening te realiseren;

  • c.

    de opgedane kennis en ervaring zonder beperkingen aan het gebruik ervan te delen met de provincie Overijssel als openbare kennis;

  • d.

    na de einddatum van de subsidieperiode het warmtenet minimaal 5 jaar in stand te houden.

Artikel 3.18.11 Bevoorschotting

Het voorschot wordt uitbetaald op basis van in de beschikking nader te bepalen voorwaarden. Dit is een afwijking van artikel 1.2.18 lid 2.

Artikel 3.18.12 Vaststelling van de subsidie

  • 1. De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in nadat de warmte-infrastructuur is gerealiseerd.

  • 2. De subsidieontvanger vult de aanvraag tot vaststelling aan met:

    • a.

      de cumulatieve winst- en verliesrekening over de gesubsidieerde activiteiten voor de duur van de subsidieperiode en een vooruitblik van lasten en baten tijdens de exploitatieperiode. Deze doorkijk omvat de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen;

    • b.

      gegevens waaruit het gerealiseerde maatschappelijk rendement van het warmtenetproject opgemaakt kan worden. Deze gegevens laten zien:

      • 1.

        het vermogen van de opwekinstallatie in megawatt (MW);

      • 2.

        de hoeveelheid warmte die wordt opgewekt in GigaJoule per jaar;

      • 3.

        de hoeveelheid warmte die nuttig wordt gebruikt in GigaJoule per jaar;

      • 4.

        het energieverbruik van de installaties in GigaJoule per jaar.

  • 3. Bij de vaststelling van de subsidie wordt:

    • a.

      de eventuele exploitatiewinst berekend op basis van het op moment van subsidieaanvraag geldend rendement op eigen vermogen;

    • b.

      de eventuele exploitatiewinst berekend op grond van de verkoopopbrengst ingeval van eigendomsoverdracht van de warmte-infrastructuur.

Artikel 3.18.13 Staatssteun

  • 1. De subsidie voldoet aan artikel 46 van de AGVV.

  • 2. De totale overheidsbijdrage om de subsidiabele kosten te dekken is niet meer dan 45% inclusief de subsidie van de provincie.

Artikel 3.18.14 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

3.19 Inkoopacties energiemaatregelen Overijssel

Artikel 3.19.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Inkoopactie: een actie waardoor er voor een groep particuliere woningeigenaren korting wordt afgesproken bij één of meerdere leveranciers op de inkoop van energiemaatregelen aan de woning. De energiemaatregelen leiden tot energiebesparing of opwekking van hernieuwbare energie.

Artikel 3.19.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan een versnelling van de energietransitie. Met behulp van inkoopacties worden particuliere woningeigenaren gestimuleerd om energiemaatregelen te nemen.

Artikel 3.19.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het organiseren van inkoopacties voor particuliere woningeigenaren.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      voor de uitvoering van de activiteiten wordt een derde partij ingeschakeld die aantoonbare ervaring heeft met het organiseren van inkoopacties gericht op energiemaatregelen voor particuliere woningeigenaren. Ervaring kan worden aangetoond door te verwijzen naar eerder georganiseerde inkoopacties.

    • b.

      er worden minimaal 2.500 particuliere woningeigenaren individueel, bijvoorbeeld door een persoonlijke uitnodiging per brief, uitgenodigd om aan de inkoopactie deel te nemen. Een advertentie in een plaatselijk blad of een soortgelijke niet-persoonlijke inzet is geen individuele benadering.

    • c.

      de communicatie naar de particuliere woningeigenaren verloopt in afstemming met de coördinator van het gemeentelijk energieloket.

Artikel 3.19.4 Aanvrager

De aanvrager is een Overijsselse gemeente.

Artikel 3.19.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing. Er gelden geen uitzondering op de subsidiabele en niet subsidiabele kosten.

  • 2. Voor de personeelskosten van de gemeente geldt artikel 1.2.6 lid 2.

Artikel 3.19.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 10.000,- per inkoopactie.

  • 3. Als twee of meer gemeenten samen een inkoopactie organiseren wordt het maximale subsidiebedrag van € 10.000,- vermenigvuldigd met het aantal gemeenten dat de inkoopactie organiseert.

Artikel 3.19.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag moet uiterlijk 30 november 2022 vóór 17.00 uur zijn ontvangen.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Inkoopacties energiemaatregelen Overijssel.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend een plan van aanpak in, waarin beschreven staat:

    • a.

      met welke partij de aanvrager de inkoopactie gaat organiseren;

    • b.

      hoeveel woningeigenaren er minimaal individueel worden benaderd;

    • c.

      hoe de afstemming met het gemeentelijk energieloket plaatsvindt;

    • d.

      wat de planning is van de inkoopactie.

  • 5. De gemeente mag maximaal 2 keer subsidie aanvragen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 3.19.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2021 en 2022.

Artikel 3.19.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 6 maanden na subsidieverlening te starten;

  • b.

    bij de evaluatie aan te tonen wat de voortgang en resultaten zijn van de inkoopactie. Hierin worden de volgende gegevens geregistreerd:

    • 1.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat individueel is benaderd;

    • 2.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat informatie of advies heeft opgevraagd;

    • 3.

      het aantal particuliere woningeigenaren dat meedoet aan de inkoopactie en welke maatregelen zijn genomen.

Artikel 3.19.10 Geen staatssteun

De subsidie van de provincie aan een gemeente levert geen staatssteun op.

Artikel 3.19.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

Hoofdstuk 4 Vitaal platteland

4.1 Faunabeheereenheden

Artikel 4.1.1 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan faunabeheer.

Artikel 4.1.2 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het opstellen en uitvoeren van een faunabeheerplan.

  • 2. Het faunabeheerplan voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het plan gaat over:

      • 1.

        het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren;

      • 2.

        het voorkomen van schade door schadeveroorzakende dieren door of namens grondgebruikers;

      • 3.

        het voorkomen van schade door uitoefening van de jacht;

      • 4.

        uitvoering van de valwildregeling.

    • b.

      het plan is of wordt nadat het is opgesteld, op basis van artikel 3.12 lid 7 van de Wet c. natuurbescherming, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.1.3 Aanvrager

De aanvrager is Stichting Faunabeheereenheid Overijssel. Dit is een samenwerkingsverband van vertegenwoordigers van agrariërs, jachthouders, terrein beherende organisaties en maatschappelijke organisaties met als doelstelling uitvoering te geven aan een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan.

Artikel 4.1.4 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing.

  • 2. Leges zijn wel subsidiabel. Dit is een afwijking van artikel 1.2.8 onderdeel c.

  • 3. Exploitatiekosten bestaande uit de vaste kosten van personeel, gebouwen en inventaris zijn subsidiabel. De exploitatiekosten kunnen niet afzonderlijk opgevoerd worden, als deze kosten ook al meegenomen zijn bij de berekening van de personeelskosten.

Artikel 4.1.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.1.6 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het digitale aanvraagformulier Faunabeheereenheden.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend een werkplan. In het werkplan staan die jaarlijks worden uitgevoerd om een faunabeheerplan op te stellen en uit te voeren.

Artikel 4.1.7 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2021 tot en met 2024.

Artikel 4.1.8 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 4.1.9 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2024 om 17.00 uur.

4.2 Gereserveerd

4.3 Natuur en Samenleving 2.0

Artikel 4.3.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd:

  • -

    Groene Loper: een lokale, informele werkorganisatie die zoveel mogelijk mensen met natuur in de eigen leefomgeving wil verbinden. Dit door de onderlinge verbinding te leggen en gezamenlijke activiteiten te organiseren.

Artikel 4.3.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het versterken van de relatie tussen natuur en mensen. Het gaat daarbij om de betekenis van natuur als bedoeld in de Omgevingsvisie.

Artikel 4.3.3 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      activiteiten die de relatie tussen kinderen en natuur sterker maken of de betekenis van natuur voor kinderen vergroten;

    • b.

      activiteiten die de natuurwaarde vergroten in en van de bebouwde omgeving, of van randen van steden en dorpen;

    • c.

      activiteiten die bijdragen aan de beleving van natuur bij doelgroepen die bijzondere zorg of aandacht nodig hebben.

    • d.

      procesondersteuning bij het tot stand brengen van een bewonersplan, ook wel bekend als de Groene Lopers.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteiten vinden plaats in Overijssel of zijn voor inwoners van Overijssel;

    • b.

      onderdelen van de aanpak en uitgangspunten kunnen worden gebruikt bij andere projecten op het gebied van natuur en samenleving;

    • c.

      als sprake is van aanleg van groen, dan vindt dit plaats in de openbare ruimte of op een plek die vrij toegankelijk of beleefbaar is;

    • d.

      als sprake is van gebruik van een locatie of een openbare ruimte, dan dient de eigenaar daarvan toestemming te hebben gegeven;

    • e.

      er is sprake van een samenwerking met minimaal twee andere Overijsselse partijen die ook een rol hebben in de uitvoering;

    • f.

      de activiteiten dragen bij aan minimaal één van de andere provinciale doelen die te vinden zijn in de Programmabegroting die jaarlijks door Provinciale Staten wordt vastgesteld;

    • g.

      de benodigde vergunningen zijn aangevraagd of verkregen;

    • h.

      dekking van de begroting is geregeld of zal binnen 3 maanden geregeld kunnen worden;

    • i.

      de activiteit draagt bij aan de versterking van de variatie van met name inheemse plant- en diersoorten;

    • j.

      met de activiteit wordt een kwaliteitsverbetering gerealiseerd op het gebied van beleefbaarheid en biodiversiteit.

  • 3. De activiteiten die genoemd zijn in lid 1 onderdeel a voldoen aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      de kinderen uit de omgeving of kinderen die de voorziening gaan gebruiken worden actief betrokken bij het uitwerken van het idee en het uitvoeren van de activiteiten;

    • b.

      de buurtbewoners, gebruikers of betrokken vrijwilligers worden actief betrokken bij het uitwerken van het idee en de uitvoering van de activiteiten.

  • 4. De activiteiten die genoemd zijn in lid 1 onderdeel b voldoen aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      er worden extra planten, struiken, bomen of gras aangeplant zodat de ruimte groener wordt;

    • b.

      er is sprake van een bewonersinitiatief. Dit betekent dat het idee vanuit de samenleving komt óf dat de inwoners van Overijssel intensief worden betrokken bij het uitwerken van het idee en de uitvoering van activiteiten;

    • c.

      minimaal één van de volgende partijen is actief betrokken bij de uitvoering:

      • 1.

        de betreffende gemeente;

      • 2.

        een lokale stichting, vereniging, bewonersgroep of onderneming;

      • 3.

        eigenaren van de gronden;

    • d.

      als het gaat om een vergroening van een bedrijventerrein dan worden werknemers en buurtbewoners betrokken het uitwerken van het idee en uitvoering van de activiteiten.

  • 5. De activiteiten die genoemd zijn in lid 1 onderdeel c voldoen aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      een zorginstelling is actief betrokken bij de uitvoering;

    • b.

      de fysieke vergroening vindt plaats in de buitenruimte;

    • c.

      de vergroening vindt zoveel mogelijk plaats op een plek die vrij toegankelijk of beleefbaar is. Er geldt een uitzondering voor zorginstellingen. Zorginstellingen kunnen de vergroening realiseren op een plek die niet vrij toegankelijk of beleefbaar is, als maximaal wordt ingezet op toegankelijkheid voor zoveel mogelijk gebruikers.

  • 6. De activiteiten die genoemd zijn in lid 1 onderdeel d voldoen aan de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      de Groene Loper heeft het doel om een grote afwisseling aan deelnemers te bereiken;

    • b.

      de Groene Loper spant zich in om jaarlijks minimaal € 10.000,- aan financiering voor uitvoeringsactiviteiten bij elkaar te krijgen;

    • c.

      de Groene Loper is minimaal 2 jaar actief.

  • 7. De activiteiten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn:

    • a.

      investering in gebouwen of schoolpleinen, speeltoestellen, beweegtoestellen, verharde wegen, paden en bruggen, boerderijdieren of verblijven voor boerderijdieren. Aanleg van natuurlijke spelaanleidingen zoals heuvels, wilgentenen speelhuisjes, klimbomen of waterelementen kunnen komen wel voor subsidie in aanmerking;

    • b.

      regulier onderhoud of beheer, tenzij sprake is van nazorg, zoals inboet, in het eerste jaar, dan zijn deze activiteiten wel subsidiabel;

Artikel 4.3.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een organisatie of bedrijf.

  • 2. De aanvrager is geen particulier.

Artikel 4.3.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing.

  • 2. Inzet van uren van vrijwilligers voor coördinerende of organisatorische werkzaamheden zijn subsidiabel. In de begroting en het dekkingsplan mag die inzet opgenomen worden voor maximaal € 15,- per uur.

  • 3. Maximaal 20% van de in de begroting opgenomen subsidiabele kosten is voor aanleg van een half verhard pad voor natuurbeleving.

  • 4. Maximaal 10% van de in de begroting opgenomen subsidiabele kosten is voor de kosten voor communicatie en educatieve activiteiten, zoals drukkosten voor nieuwbrieven, folders, flyers, informatieborden, websites.

  • 5. De subsidiabele kosten zijn minimaal € 10.000,-.

  • 6. Als sprake is van een Groene Loper dan zijn alleen proceskosten subsidiabel.

Artikel 4.3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 30.000,- per aanvraag én € 30.000,- per Groene Loper die voor het eerst aanvraagt op basis van deze subsidieregeling.

  • 3. De subsidie is maximaal € 20.000,- voor de Groene Lopers die al eerder subsidie hebben ontvangen op basis van deze subsidieregeling.

  • 4. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 5.000,- of minder is. Dis is een afwijking van artikel 1.2.17 lid 2.

Artikel 4.3.7 Eigen bijdrage

Maximaal 25% van de eigen bijdrage bestaat uit uren van vrijwilligers.

Artikel 4.3.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Natuur en Samenleving 2.0.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      projectplan waarin is beschreven hoe en in welke mate wordt bijgedragen aan de voorwaarden van de subsidiabele activiteiten. In het projectplan is in ieder geval beschreven:

      • 1.

        de doelgroepen waarmee wordt gewerkt of samengewerkt;

      • 2.

        de manier waarop de samenleving wordt betrokken bij het project of hoe er steun uit de samenleving is of wordt gevonden;

      • 3.

        de activiteiten die worden verricht en de kosten per activiteit;

      • 4.

        de planning;

      • 5.

        de gewenste resultaten;

      • 6.

        een plan voor de vergroening, zijnde een beplantingsplan, als daar subsidie voor wordt gevraagd;

      • 7.

        de manier waarop het beheer en onderhoud duurzaam is geregeld;

      • 8.

        hoe opgedane kennis en ervaring wordt gedeeld of beschikbaar wordt gesteld.

    • b.

      een door de eigenaar van de gronden ondertekende verklaring waaruit blijkt dat die toestemming heeft gegeven voor de realisatie of herinrichting van groen.

Artikel 4.3.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.3.10 Aanvullende verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      de activiteiten binnen 3 maanden na subsidieverlening te starten;

    • b.

      de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben. Dit geldt niet voor de Groene Lopers. De activiteiten van de Groene Lopers worden binnen 24 maanden na subsidieverlening uitgevoerd.

  • 2. De subsidie ontvangende Groene Loper is aanvullend verplicht om:

    • a.

      deel te nemen aan de activiteiten van de provincie brede Groene Loper Overijssel;

    • b.

      actief verbinding te zoeken met andere thema’s uit het Programma Natuur voor Elkaar.

Artikel 4.3.11 Staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 4.3.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.4 Advies en ondersteuning Agro&food in Overijssel

Artikel 4.4.1 Betekenis van begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Agro&food sector: alle ondernemingen of organisaties in de voedselketen, waarbij de plantaardige en dierlijke economische ketens centraal staan, inclusief de voor de voedingsmiddelen bestemde logistiek, handel, financiële dienstverlening en onderzoek en ontwikkeling. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een aanvrager onder de Agro&food sector valt, wordt gekeken naar de Monitor topsectoren, Methodebeschrijving en tabellenset van het CBS.

Artikel 4.4.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan vernieuwing en verduurzaming van de Agro&food sector.

Artikel 4.4.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      advies en ondersteuning bij het beantwoorden van een vraagstuk ten behoeve van innovatie in de Agro&food sector;

    • b.

      het uitvoeren van een onderzoek ten behoeve van innovatie in de Agro&food sector.

    • c.

      het opstellen van een bedrijfsplan voor de overgang naar kringlooplandbouw. Het bedrijfsplan beschrijft in ieder geval:

      • 1.

        welke veranderingen worden doorgevoerd in het bedrijf;

      • 2.

        hoe emissiereductie van stikstof wordt gerealiseerd;

      • 3.

        welke positieve effecten worden bereikt op de omgeving van het bedrijf, zoals natuur, bodem en water, landschap en samenleving;

      • 4.

        de marktkansen en verdienmodel van de landbouwonderneming nadat de overgang heeft plaatsgevonden;

      • 5.

        een begroting voor de realisatie van de overgang.

  • 2. De activiteiten advies en ondersteuning en het uitvoeren van een onderzoek voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de innovatie is voor de Agro&food sector in Overijssel;

    • b.

      de innovatie heeft betrekking op verduurzaming van de voedselketen. Bij verduurzaming gaat het om:

      • 1.

        het sluiten van kringlopen;

      • 2.

        het terugdringen van emissies; en

      • 3.

        het verminderen van verspilling van biomassa in het gehele voedselsysteem.

    • c.

      de innovatie draagt bij aan het versterken van de sociaaleconomische positie van de agrarisch ondernemer in de keten.

    • d.

      de innovatie draagt bij aan minimaal één van de volgende doelen:

      • 1.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan de klimaatopgave voor landbouw en landgebruik;

      • 2.

        de activiteiten bevorderen de aantrekkelijkheid en vitaliteit van het platteland en dragen bij aan een bloeiende regionale economie;

      • 3.

        de activiteiten leveren winst op voor ecosystemen, zijnde water, bodem en lucht, biodiversiteit en de natuurwaarde van het boerenlandschap;

      • 4.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan het dierenwelzijn;

      • 5.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan de erkenning van de waarde van voedsel en het versterken van de relatie tussen boer en burger;

      • 6.

        de activiteiten versterken de positie van Nederland als ontwikkelaar en exporteur van integrale oplossingen voor klimaat slimme en ecologisch duurzame voedselsystemen;

      • 7.

        de activiteiten dragen wat betreft visserij bij aan een duurzaam bestandsbeheer zonder schade aan de natuurlijke omgeving.

    • e.

      de bijdrage aan een van de doelen die genoemd zijn bij onderdeel d, mag niet betekenen dat er een negatief effect is op een van de andere doelen die genoemd zijn bij onderdeel d.

Artikel 4.4.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een stichting, een vereniging, een BV, een NV of een maatschap, een ZZP’er, een v.o.f. of een eenmanszaak, in de Agro&food sector.

  • 2. De aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de activiteiten.

  • 3. De aanvrager voor de subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan is een landbouwonderneming.

Artikel 4.4.5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Alleen kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 4.4.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor advies en ondersteuning en het uitvoeren van een onderzoek is

    • a.

      maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

    • b.

      maximaal € 10.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan is:

    • a.

      maximaal 80% van de subsidiabele kosten.

    • b.

      maximaal € 4.000,- per aanvraag.

Artikel 4.4.7 Eigen bijdrage

  • 1. Minimaal 50% van de subsidiabele kosten van advies en ondersteuning en het uitvoeren van een onderzoek wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden.

  • 2. Minimaal 20% van de kosten van het opstellen van een bedrijfsplan wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden.

  • 3. De bijdrage van de aanvrager of van derden mag niet afkomstig zijn van de provincie Overijssel.

Artikel 4.4.8 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Kennisondersteuning Agro&food in Overijssel.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend een ondertekende offerte in. De offerte is ondertekend door de aanvrager en door de persoon of organisatie die wordt ingezet voor de beantwoording van het vraagstuk, die het onderzoek uitvoert of het bedrijfsplan opstelt. De offerte mag ondertekend zijn onder voorbehoud van het verkrijgen van de subsidie. De aanvrager hoeft geen begroting in te dienen.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 4.4.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.4.10 Aanvullende verplichtingen

De aanvrager is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 3 maanden na subsidieverlening te starten;

  • b.

    de activiteiten binnen 15 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben.

Artikel 4.4.11 Staatssteun

  • 1. Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan artikel 28 van de AGVV.

  • 2. De totale overheidsbijdrage om de subsidiabele kosten te dekken is maximaal 50% inclusief de subsidie van de provincie.

  • 3. De subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan voor de overgang naar kringlooplandbouw voldoet aan de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 4.4.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.5 Verbeteren condities voor aandachtsoorten 5.0

Artikel 4.5.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Aandachtsoort: een soort die op de Aandachtsoortenlijst staat.

  • -

    Aandachtsoortenlijst Overijssel: door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst met soorten:

    • a.

      waarvoor het leefgebied in Overijssel bovengemiddeld belangrijk is,

    • b.

      die volgens de rode lijst bedreigd zijn of waarvan de trend negatief is,

    • c.

      en waarvoor het huidige beleid onvoldoende effectief is.

  • -

    Leefgebied/biotoop: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tenminste tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft. Hieronder worden ook de gebieden verstaan waar de soort vroeger voorkwam en nu niet meer, maar waar de soort mogelijk terug kan keren.

Artikel 4.5.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie de leefgebieden van de aandachtsoorten verbeteren.

Artikel 4.5.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

De subsidie wordt verstrekt voor:

  • a.

    kleine projecten Aandachtsoorten: het treffen van maatregelen die bijdragen aan het doel van de regeling;

  • b.

    maatregelen Poelen: de aanleg of het herstel van poelen of het bijbehorende leefgebied ten behoeve van Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad;

  • c.

    maatregelen Erven: maatregelen op en in de directe omgeving van erven ten behoeve van de Kerkuil, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Ringmus, Grauwe vliegenvanger of Patrijs;

  • d.

    maatregelen Bosranden: het creëren van bosranden met mantels en zomen ten behoeve van Klein wintergroen, Klein glidkruid, Anemonenbekerzwam, Kleine ijsvogelvlinder, Sleedoornpage, Bruine eikenpage, Ranonkelbij, Gewone kleine wespbij, Kauwende metselbij, Stronkmier, Boomkikker, Geelgors, Zomertortel, Kerkuil, Hermelijn, Das, Franjestaart, Bosvleermuis, Baardvleermuis, Bechsteins vleermuis, Brandts vleermuis, Rosse vleermuis of Gewone grootoorvleermuis;

  • e.

    maatregelen Heide: het verbeteren van de biotopen droge en vochtige heide en droge en vochtige heischrale graslanden door:

    • 1.

      het verbinden van heideterreinen of heischrale graslanden;

    • 2.

      het kruidenrijker maken van de heide;

    • 3.

      het realiseren van nestgelegenheid voor bijen door open plekken te creëren, steilrandjes aan te leggen of dood hout te plaatsen;

  • f.

    het beschikbaar stellen van grond: het beschikbaar stellen van grond om aan de herbeplantingsverplichting, als bedoeld in artikel 4.3, lid 1 van de Wet Natuurbescherming te kunnen voldoen om heide te verbinden. Dit geldt alleen als de herbeplantingsverplichting niet ingevuld kan worden door spontane bosontwikkeling, maar elders gerealiseerd moet worden;

  • g.

    voorbereidingswerkzaamheden: de voorbereidende werkzaamheden om te komen tot de in de onderdelen a tot en met f genoemde maatregelen. Het gaat om het opstellen van een plan of organisatiekosten die leiden tot de uitvoering van die maatregelen.

Artikel 4.5.4 Voorwaarden voor alle maatregelen

  • 1. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de maatregelen dragen bij aan minimaal één van de twee volgende doelen:

      • 1.

        het geschikt maken van de milieuomstandigheden voor aandachtsoorten in hun leefgebieden;

      • 2.

        het behoud of herstel van voldoende grote leefgebieden van goede kwaliteit door voldoende rust, geborgenheid en voedselbeschikbaarheid en de mogelijkheden voor soorten om zich te kunnen verplaatsen tussen delen van leefgebieden;

    • b.

      de maatregelen worden uitgevoerd in Overijssel;

    • c.

      het gaat om eenmalige maatregelen.de getroffen maatregelen;

    • d.

      de aanleg van houtwallen, singels, hagen, kruidenrijke randen, ruigten, poelen of erfwateren is gebaseerd op de richtlijnen Verbeteren condities voor aandachtsoorten 4.0 die voor die aanleg gelden;

    • e.

      de grondeigenaar heeft toestemming gegeven om de grondgebonden maatregelen te mogen uitvoeren;

    • f.

      het beheer en onderhoud van de maatregelen is voor minimaal zes jaar geregeld met uitzondering van instandhoudingsmaatregelen voor bloemrijke akkerrandenranden langs akkers en weilanden. Deze randen moeten tijdens de beheerperiode van 6 jaar gedeeltelijk gefreesd en opnieuw ingezaaid worden om het bloemrijke karakter van de randen te behouden;

    • g.

      uit een referentie onderzoek of uit deskundige advisering blijkt dat de activiteiten of maatregelen bijdragen aan de versterking van de betreffende aandachtsoort;

    • h.

      de maatregelen hebben geen betrekking op de Grutto, Kemphaan, Scholekster, Tureluur en Wulp.

  • 2. Voor de maatregelen kan geen subsidie worden verstrekt op grond van de Subsidieregeling Natuur en Landschap, de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap of via de Groenblauwe Diensten.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt aan maatregelen voor aandachtsoorten die al binnen Natura 2000-gebieden uitgevoerd worden of gepland zijn.

Artikel 4.5.5 Extra voorwaarden voor Poelen

De maatregelen Poelen voldoen aan de volgende extra voorwaarden:

  • a.

    de maatregelen worden uitgevoerd binnen de gebieden die zijn aangegeven op kaart 1: Zoekgebied poelen;

  • b.

    De maatregelen kunnen zowel poelen als leefgebied aangrenzend aan de poel betreffen;

  • c.

    de maatregelen leiden tot versterking of vergroting van bestaand leefgebied;

  • d.

    er worden minimaal 3 poelen aangelegd;

  • e.

    de nieuw aan te leggen poelen moeten voldoende dicht bij andere poelen of voortplantingswateren liggen om te komen tot een effectief netwerk van wateren voor de betreffende aandachtsoort. Te denken valt aan een afstand van maximaal 350 meter;

  • f.

    de poelen zijn niet aangesloten op continue watervoerende waterlichamen;

  • g.

    het herstel of de aanleg van nieuwe poelen voldoet qua vormgeving aan de eisen voor voortplantingswateren voor Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad. Dit betekent dat een poel aan de volgende eisen voldoet:

    • 1.

      een wateroppervlak van minimaal 300 m2 en maximaal 750 m2;

    • 2.

      voldoende zoninstraling;

    • 3.

      een geleidelijk oplopende noordoever (maximaal 1 meter stijging per 3 meter lengte);

    • 4.

      de bodem van een poel bevindt zich binnen het grondwaterpeil of de schijngrondwaterspiegel. Om lekkage tegen te gaan kan leem worden gebruikt.

    • 5.

      poelen voor Kamsalamanders of Knoflookpadden hebben een diepte van 50-70 cm onder de gemiddelde laagste grondwaterstand.

    • 6.

      poelen voor Boomkikkers hebben een diepte van 20-30 cm onder de gemiddelde laagste grondwaterstand;

  • h.

    om bladinval en schaduw te voorkomen is hoog opgaande begroeiing aan de zuid- en westkant onwenselijk;

  • i.

    poelen worden zo ingericht dat opschonen niet vaker dan 1 keer per 6 jaar nodig is;

  • j.

    vestiging van vis in de poelen moet worden voorkomen;

  • k.

    in de directe omgeving van een poel is een geschikt landbiotoop aanwezig of deze wordt met het treffen van de maatregelen gerealiseerd. Het landbiotoop kan bestaan uit: ruigte of kruidenrijk grasland en houtwallen, heggen, hakhoutbosjes of stobbenwallen (winterbiotoop). Als de poel specifiek voor Boomkikkers wordt aangelegd, moet in het landbiotoop ook braamstruweel aanwezig zijn;

  • l.

    de maatregelen voldoen aan de kenmerken van een geschikte poel en aan de richtlijnen voor de aanleg van een poel;

  • m.

    kunststoffolies zoals landbouwplastics, vijverfolie of EPDM worden niet gebruikt voor de aanleg van vijvers en poelen.

Artikel 4.5.6 Extra voor de maatregelen Erven

De maatregelen Erven voldoen aan de volgende extra voorwaarden:

  • a.

    de aanvraag omvat minimaal 5 erven;

  • b.

    er is een ruimtelijke of organisatorische samenhang tussen de deelnemende erven. Bij ruimtelijke samenhang gaan meerdere deelnemende erven lokaal samen aan de slag om de kwaliteit van de erven te verbeteren. Bij organisatorische samenhang maken erven van bedrijven deel uit van een organisatie die een biodiversiteitsdoelstelling nastreeft;

  • c.

    de maatregelen op ieder erf sluiten aan bij nabijgelegen bestaande natuur of agrarisch natuurbeheer, of waar deze verbonden gaan worden bij de betreffende erven, bij natuurvriendelijk ingerichte oevers en natuurvriendelijk beheerde bermen, bij het landschapselement, houtwal, singel, bosje of, als het wordt aangelegd in het leefgebied van de Kamsalamander, Boomkikker of Knoflookpad, een poel;

  • d.

    de maatregelen bestaan uit het creëren van nestgelegenheid voor Kerkuil, Huiszwaluw, Boerenzwaluw, Grauwe vliegenvanger of Ringmus in combinatie met biotoopverbetering, waar ook andere aandachtsoorten zoals Patrijs, Geelgors en Hermelijn van profiteren. De combinatie van maatregelen zorgt er voor dat een totaal leefgebied, zowel foerageergebied, rustgebied als voortplantingsgebied, voor genoemde soorten gecreëerd wordt;

  • e.

    de maatregelen kunnen aangelegd worden op en in directe verbinding met erven;

  • f.

    de maatregelen betreffen geen onderhoudsmaatregelen, dunnen, opschonen van dichtgegroeide poelen, bijenhotels en vleermuizenkasten en minder kostbare maatregelen zoals takkenrillen;

  • g.

    de planten worden geplant tussen 1 september en 1 januari.

Artikel 4.5.7 Extra voorwaarden voor de maatregelen Bosranden

De maatregelen Bosranden voldoen aan de volgende extra voorwaarden:

  • a.

    de maatregelen omvatten inrichtingsmaatregelen om te komen tot bosranden met mantels en zomen die daarna als hakhout beheerd kunnen worden in:

    • 1.

      de overgang van open land naar bos of stroken langs boswegen;

    • 2.

      de ontwikkeling binnen open land naar structuurrijke vegetaties.

  • b.

    de maatregelen vinden plaats door de bosrand over een lengte van minimaal 1.000 m terug te zetten. De bosrand is voldoende breed om zonlicht toe te laten en variërend in breedte en begroeiing om te komen tot een kruidenrijke en structuurrijke rand. De voorgenomen kap van bomen is goed onderbouwd en er heeft vooraf overleg over plaatsgevonden met omwonenden en de provincie Overijssel;

  • c.

    als uitlopen, natuurlijke opslag of variatie in bomen achterwege blijft, dan is inplanten met inheemse soorten in de mantel noodzakelijk. Om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming moet de bosrand op een bosbouwkundig verantwoorde wijze worden herbebost. Als uitlopen natuurlijke opslag of variatie in bomen niet in voldoende mate plaatsvindt is inplanten in de mantel met inheemse soorten die passen bij de regio noodzakelijk;

  • d.

    de maatregelen vinden plaats op basis van een plan voor een gebied waar bosrandzomen in samenhang kunnen worden ontwikkeld. In het plan wordt aangeven hoe de bosranden worden beheerd en op welke wijze gecommuniceerd wordt over de inrichting van de bosranden.

Artikel 4.5.8 Extra voorwaarden maatregelen Heide

De maatregelen Heide voldoen aan de volgende extra voorwaarden:

  • a.

    de maatregelen dragen bij aan de versterking van het leefgebied van de Blonde zegge, Blauwe knoop, Heidekartelblad, Vetblad, Melkviooltje, Draadgentiaan, Kleine tijm, IJslands mos, Bruine eikenpage, Bruine vuurvlinder, Kommavlinder, Gentiaanblauwtje, Zilveren maan, Aardbeivlinder, Ericabij, Heidewespbij, Gewone kleine wespbij, Ranonkelbij, Paardenbloembij, Stronkmier, Adder, Tapuit of Veldleeuwerik;

  • b.

    de maatregelen gaan over:

    • 1.

      het verbinden van heideterreinen of heischrale graslanden die op korte afstand van elkaar zijn gelegen. Waardoor het leefgebied wordt vergroot en versterkt en uitwisseling van deelpopulaties mogelijk wordt. De te realiseren verbinding bestaat uit droge- of vochtige heide of droog of nat heischraal grasland. Voldaan moet worden aan de herplantplicht indien van toepassing;

    • 2.

      het kruidenrijker maken van heideterreinen door kruidenrijke randen of kleine veldjes (akkertjes) met een mengsel van granen en inheemse akkerkruiden in te zaaien direct naast of op bestaande heideterreinen, nadat de aanwezige vegetatie zeer diep is weggemaaid of gechopperd en daarna gefreesd. De randen of veldjes mogen niet groter zijn dan 10 are;

    • 3.

      het realiseren van nestgelegenheid.

  • c.

    de maatregelen worden getroffen bij terreinen met heide, voormalige heide of heischraal grasland, waar de genoemde aandachtsoorten nog voorkomen en natuurbeheer ten behoeve van de doelsoorten gewaarborgd is, of waar heideterreinen of schraalgraslanden met elkaar kunnen worden verbonden;

  • d.

    bij het verbinden van kleine heideterreinen of schraalgraslanden heeft de aan te leggen verbinding een minimale breedte van 25 meter. Na verwijdering van de begroeiing dient het beheer gericht te zijn op droge of natte heide of droog of nat heischraal grasland.

Artikel 4.5.9 Aanvrager

De aanvrager is een particulier, een stichting, een vereniging, een BV, een NV, een maatschap, een ZZP’er, een v.o.f., een eenmanszaak of een kerkgenootschap.

Artikel 4.5.10 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Voor de volgende specifieke maatregelen gelden de volgende maximale subsidiabele tarieven:

    • a.

      € 100,- als sprake is van een solitaire boom inclusief het planten en toebehoren;

    • b.

      € 75,- als sprake is van een kerkuilenkast;

    • c.

      € 500,- als sprake is van erfwater;

    • d.

      € 2.500,- als sprake is van de aanleg van een poel;

    • e.

      € 0,67/m² voor de aanleg (inclusief zaaimengsel) van een kruidenrijke rand;

    • f.

      € 0,16/m² voor het in stand houden van de kruidenrijke rand voor de totale periode van 6 jaar;

    • g.

      € 0,08/m² voor het in stand houden van een ruigtestrook of natuuroever;

    • h.

      € 0,83/m² voor de aanleg van een natuuroever (afgraven talud, plaatsen afrastering).

  • 2. Kosten voor inzaai of herplant zijn alleen subsidiabel als dit plaats vindt met inheemse soorten passend bij de regio waar de maatregelen worden uitgevoerd.

  • 3. Als sprake is van maatregel Heide dan is waardedaling van de landbouwgrond subsidiabel. Deze waardedaling is alleen subsidiabel als:

    • a.

      de waardedaling is gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen maatregel en inrichting tot bosgrond;

    • b.

      de waarde van de grond door een onafhankelijke deskundige wordt getaxeerd;

    • c.

      de waardedaling maximaal 10% van de totale kosten van de maatregel is.

Artikel 4.5.11 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor kleine maatregelen Aandachtssoorten is maximaal 80% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 10.000,- per aanvraag.

  • 2. De subsidie voor de maatregelen Poelen is maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000,- per aanvraag.

  • 3. De subsidie voor maatregelen Erven is maximaal 80% van de subsidiabele met een maximum van € 5.000,- per erf. Het maximum per aanvraag is € 100.000,-.

  • 4. De subsidie voor maatregelen Bosranden bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten , met een maximum van € 50.000,- per aanvraag.

  • 5. De subsidie voor de maatregelen Heide bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,- per aanvraag;

  • 6. De subsidie voor het beschikbaar stellen van grond bedraagt 100% van de waardevermindering, met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond.

  • 7. De subsidie voor de voorbereidende werkzaamheden bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten van de in artikel 4.5.3 onderdelen a tot en met f genoemde maatregelen.

Artikel 4.5.12 Subsidieaanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het aanvraagformulier Verbeteren condities voor aandachtsoorten.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een overzichtskaart op minimaal schaal 1:25.000 waarop de ligging van het gebied waar de maatregelen worden uitgevoerd is aangegeven op minimaal schaal 1:25.000 en detailkaarten dan wel luchtfoto’s op minimaal schaal 1:2.500 waarop de huidige en toekomstige situatie is aangegeven. Voor de maatregelen Erven wordt een detailkaart per erf aangeleverd;

    • b.

      als sprake is van grondgebonden activiteiten, de ondertekende afspraken of toestemming van de grondeigenaar;

    • c.

      een projectplan volgens het format Projectplan Verbeteren condities voor soorten op orde algemeen.

  • 4. De aanvrager levert, als het gaat om maatregelen Poelen of maatregelen Erven, aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een projectplan volgens het format Projectplan Erven;

    • b.

      een detailbegroting per erf.

Artikel 4.5.13 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

  • 2. Er geldt een deelplafond voor:

    • a.

      de kleine projecten;

    • b.

      de maatregelen Poelen;

    • c.

      de maatregelen Erven;

    • d.

      de maatregelen Bosranden;

    • e.

      de maatregelen Heide.

Artikel 4.5.14 Aanvullende verplichtingen

De aanvrager is verplicht:

  • a.

    om de effecten van de maatregelen voor de planten- of diersoorten te monitoren. De resultaten worden toegestuurd aan de provincie en ingevoerd in Waarnemingen.nl of, als dat mogelijk is, in de Nationale Database Flora en Fauna;

  • b.

    als sprake is van de maatregelen Erven, de erfvogels jaarlijks half mei te monitoren tijdens een periode van minimaal 6 jaar. De resultaten van de tellingen worden voor 1 juli van elk jaar doorgegeven aan de provincie;

  • c.

    communicatieactiviteiten uit te voeren met als doel om kennis te delen of nieuwe projecten te starten.

Artikel 4.5.15 Staatssteun

Als sprake is van subsidie voor maatregel Heide waarbij sprake is van en waardedaling van landbouwgrond, dan voldoet de subsidie aan artikel 14 lid 3 onderdeel d van de LVV.

Artikel 4.5.16 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.6 Stimulering toekomstbestendige verduurzaming Agro&food sector

Artikel 4.6.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Agro&food sector: alle ondernemingen of organisaties in de voedselketen, waarbij de plantaardige en dierlijke economische ketens centraal staan, inclusief de voor de voedingsmiddelen bestemde logistiek, handel, financiële dienstverlening en onderzoek en ontwikkeling. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een aanvrager onder de Agro&food sector valt, wordt gekeken naar de Monitor topsectoren, Methodebeschrijving en tabellenset van het CBS.

  • -

    Ecosysteemdiensten: de diensten die de natuur de mens biedt gerelateerd aan de landbouw, zoals bestuiving, bodemvruchtbaarheid, koolstofvastlegging in de bodem, aantrekkelijk landschap voor recreatie, natuurlijke plaagonderdrukking en waterregulatie.

  • -

    Kringlooplandbouw: landbouw waarbij zo min mogelijk afval vrijkomt, de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk is en grondstoffen en eindproducten met zo min mogelijk verliezen worden benut.

Artikel 4.6.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan de bevordering van de transitie naar kringlooplandbouw.

Artikel 4.6.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      demonstraties, praktijkleertrajecten en kennisdeling over kringlooplandbouw;

    • b.

      de ontwikkeling en het uitvoeren van een methode of aanpak om meerdere landbouwondernemers te stimuleren om de ecosysteemdiensten op het landbouwbedrijf te verbeteren of uit te breiden. Hieronder valt ook het vormen van een netwerk ten behoeve van de hiervoor genoemde activiteiten.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteiten zijn voor de Agro&food sector in Overijssel;

    • b.

      de activiteiten dragen bij aan:

      • 1.

        het sluiten van kringlopen,

      • 2.

        het terugdringen van emissies,

      • 3.

        het verminderen van verspilling van biomassa in het gehele voedselsysteem.

      • 4.

        de activiteiten dragen bij aan een gezonde toekomstbestendige bedrijfsvoering en het versterken van de sociaaleconomische positie van de landbouwondernemer in de Agro& food keten.

    • c.

      de activiteiten dragen bij aan minimaal twee van de volgende doelen uit de meetlat kringlooplandbouw van LNV (publicatiedatum 17 juni 2019):

      • 1.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan de klimaatopgave voor landbouw en landgebruik;

      • 2.

        de activiteiten bevorderen de aantrekkelijkheid en vitaliteit van het platteland en dragen bij aan een bloeiende regionale economie;

      • 3.

        de activiteiten leveren winst op voor ecosystemen, zijnde water, bodem en lucht, biodiversiteit en de natuurwaarde van het boerenlandschap;

      • 4.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan het dierenwelzijn;

      • 5.

        de activiteiten leveren een bijdrage aan de erkenning van de waarde van voedsel en het versterken van de relatie tussen boer en burger;

      • 6.

        de activiteiten versterken de positie van Nederland als ontwikkelaar en exporteur van integrale oplossingen voor klimaatslimme en ecologisch duurzame voedselsystemen;

      • 7.

        de activiteiten dragen wat betreft visserij bij aan een duurzaam bestandsbeheer zonder schade aan de natuurlijke omgeving.

    • d.

      de bijdrage aan minimaal twee van de doelen zoals genoemd bij onderdeel c, mag niet betekenen dat er een negatief effect is op een of meer van de andere doelen zoals genoemd bij onderdeel c;

    • e.

      het beoogde effect van de activiteiten, is naar het oordeel van de Adviescommissie voldoende in relatie tot de gevraagde subsidie.

Artikel 4.6.4 Aanvrager

  • 1. De subsidie voor demonstraties, praktijkleertrajecten of kennisdeling wordt aangevraagd door degene die de demonstraties, praktijkleertrajecten of kennisdeling levert aan de ondernemingen. Deze moet aantoonbaar voldoende gekwalificeerd zijn en kan aantonen dat er een concrete vraag is vanuit de primaire agrarische sector.

  • 2. De subsidie voor bde ontwikkeling en het uitvoeren van een methode of aanpak wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband waaraan minimaal 1 ondernemer uit de Agro&food sector deelneemt.

Artikel 4.6.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing. Er gelden geen uitzonderingen op de subsidiabele en niet subsidiabele kosten.

Artikel 4.6.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 200.000,- per aanvraag, waarbij de subsidie voor:

    • a.

      productieve investeringen op een landbouwbedrijf, maximaal 40% van de investeringskosten per landbouwondernemer is;

    • b.

      als adviesdiensten aan een landbouwondernemer, maximaal € 1.500,- per landbouwondernemer is.

  • 3. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie per aanvraag € 5.000,- of minder is. Artikel 1.2.17 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 4.6.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Stimulering toekomstbestendige verduurzaming agrofFood sector.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een projectplan waaruit in ieder geval blijkt op welke wijze aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.6.3 lid 2 wordt voldaan;

    • b.

      een samenwerkingverklaring en een Staatssteunverklaring Partners, als sprake is van een aanvraag van een samenwerkingsverband. Artikel 1.2.13 lid 7 is van toepassing.

Artikel 4.6.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.6.9 Adviescommissie

Een aanvraag voor subsidie van € 10.000,- of meer kan worden voorgelegd aan de Adviescommissie agro&food. De commissie geeft advies of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden zoals die genoemd zijn in artikel 4.6.3 lid 2 en artikel 4.6.4 lid 2.

Artikel 4.6.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 3 jaar na subsidieverlening en uiterlijk 31 december 2025 te hebben uitgevoerd;

  • b.

    de resultaten van of kennis over de activiteiten te delen met de sector in een vorm naar keuze.

Artikel 4.6.11 Staatssteun

  • 1. De subsidie voor demonstraties, praktijkleertrajecten en kennisdeling over kringlooplandbouw voldoet aan artikel 21 lid 3 van de LVV. De totale overheidsbijdrage voor de dekking van de subsidiabele kosten inclusief de subsidie van de provincie is maximaal 100%. Voor demonstratieprojecten geldt aanvullend dat de totale overheidsbijdrage voor de dekking van de subsidiabele kosten inclusief de subsidie van de provincie maximaal € 100.000,- is voor een periode van maximaal 3 jaar.

  • 2. De subsidie voor de ontwikkeling en het uitvoeren van een methode of aanpak om meerdere landbouwondernemers te stimuleren om de ecosysteemdiensten op het landbouwbedrijf te verbeteren of uit te breiden levert geen staatssteun op, tenzij sprake is van een investering bij een landbouwonderneming of maatwerkadvies aan een landbouwonderneming. In dat geval voldoet:

    • a.

      de subsidie voor een productieve investering bij een landbouwonderneming aan artikel 14 van de LVV. De totale overheidsbijdrage voor de dekking van de subsidiabele kosten inclusief de subsidie van de provincie is maximaal 40%.;

    • b.

      de subsidie voor maatwerkadvies aan een landbouwonderneming aan artikel artikel 22 van de LVV . De subsidie wordt dan verleend aan de aanbieder van de maatwerkadvies.

  • 3. De subsidie voor de andere activiteiten is geen staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening, De-minimisverordening Landbouw of de De-minimisverordening Visserij. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 4.6.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.7 Gebiedsgerichte aanpak Stikstof

Artikel 4.7.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden veel voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Gebied: het deelgebied dat als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak bepaald is.

  • -

    Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof (GGA): een samenwerkingsproces waarbij de gebiedspartners samen op zoek gaan naar oplossingen die passen bij de kenmerken van de gebieden en projecten uitvoeren die inzicht geven in de stikstofproblematiek en oplossingsrichtingen vergroten of bijdragen aan het verminderen van de stikstofemissie.

  • -

    Gebiedsagenda: een plan voor de middellange termijn met daarin opgenomen de gebiedsgerichte uitwerking en een effectanalyse van al beschikbare maatregelen en middelen en een voorstel voor mogelijke aanvullende maatregelen inclusief de daartoe benodigde middelen.

  • -

    Gebiedspartners: terrein beherende organisaties, vertegenwoordigende organisaties van ondernemers, natuur- en milieuorganisaties en overheden die als partner betrokken zijn, omdat ze een belang hebben bij het realiseren van de doelen van de GGA.

  • -

    Gebiedsteams: de werkorganisatie van de GGA. Een gebiedsteam bestaat uit:

    • a.

      de gebiedsregisseurs en de gebiedsondersteuner die de provincie Overijssel levert,

    • b.

      enkele medewerkers afkomstig van andere gebiedspartners, die in het gebiedsteam werkzaam zijn. Die werkzaamheden doen ze in het algemeen belang. Ze zijn bij die werkzaamheden dus geen belangenbehartiger van hun organisatie. Het gebiedsteam verzamelt onder andere de benodigde informatie en analyseert deze, bereidt de gebiedstafels voor, stelt de Gebiedsanalyse en de Gebiedsagenda op, verzorgt de communicatie en organiseert participatie en ondersteunt bij de uitvoering van projecten.

  • -

    Gebiedstafel: het overleg van overheden en organisaties met een belang bij het gebied als geheel als het gaat om oplossingen voor de stikstofproblematiek.

Artikel 4.7.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie samen met inwoners, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties op zoek gegaan naar oplossingen voor de stikstofproblematiek die passen bij de GGA-gebieden.

Artikel 4.7.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verstrekt voor de inzet van gebiedspartners in een gebiedsteam voor de GGA.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de inzet van gebiedspartners is ten behoeve van een gebiedsteam van één van de volgende GGA-gebieden:

      • 1.

        Noordwest-Overijssel;

      • 2.

        Vechtdal;

      • 3.

        Salland;

      • 4.

        West-Twente;

      • 5.

        Noordoost-Twente;

      • 6.

        Zuidoost-Twente.

    • b.

      de inzet van uren is afgestemd met de overige gebiedspartners die als aanvrager zijn genoemd. De betrokken gebiedspartners hebben overeenstemming bereikt over de inzet van het per gebied beschikbaar gestelde maximale bedrag.

    • c.

      De activiteiten mag gestart zijn na 1 juli 2022. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.

Artikel 4.7.4 Aanvrager

De aanvrager is:

  • a.

    Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Natuur en Milieu Overijssel, Landschap Overijssel, Overijssels Particulier Grondbezit, LTO Noord afdeling Overijssel, Coöperatieve Agrarisch Natuur Collectief Midden Overijssel, Coöperatie Gebiedscollectief Noordoost-Twente U.A., Coöperatieve Agrarisch Natuur Collectief Noordwest Overijssel U.A.;

  • b.

    Waterschap Vechtstromen, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Rijn en Ijssel;

  • c.

    VNO-NCW Midden, Bouwend Nederland, Transport en Logistiek Nederland, MKB Nederland regio Zwolle;

  • d.

    een Overijsselse gemeente.

Artikel 4.7.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De eigen personeelskosten en de personeelskosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.1.25 tot en 1.1.29 zijn van toepassing.

  • 2. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit na 1 juli 2022 is uitgevoerd. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing.

Artikel 4.7.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie per gebied is maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,- exclusief btw.

  • 2. De subsidie geldt voor de subsidieperiode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022.

Artikel 4.7.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Gebiedsgerichte aanpak Stikstof.

Artikel 4.7.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

  • 2. Er geldt een deelplafond per gebied van € 75.000,-.

  • 3. Er geldt een deelplafond voor de indieningstermijn 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022.

Artikel 4.7.9 Bevoorschotting

Het voorschot is maximaal 75% van de verleende subsidie. Dit is een afwijking van artikel 1.3.2.

Artikel 4.7.10 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet gezien als staatssteun.

Artikel 4.7.11 Looptijd

De subsidieregeling vervalt op 30 november 2022 om 17.00 uur.

4.8 Groene schoolpleinen

Artikel 4.8.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel wordt een vaker voorkomend begrip uitgelegd.

  • -

    Groen schoolplein: een natuurlijke speel- en leeromgeving. Een groen schoolplein voldoet aan minimaal 8 van de 11 doelen zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 4.8.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het versterken van de relatie tussen natuur en mensen. Dit door basisscholen te ondersteunen bij het aanleggen van groene schoolpleinen.

Artikel 4.8.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten om een groene schoolpleinen te ontwerpen en te realiseren:

    • a.

      deskundige procesbegeleiding;

    • b.

      het ontwerpen van een groen schoolplein; of

    • c.

      de gehele of gedeeltelijke aanleg van een groen schoolplein.

  • 2. Het groene schoolplein wordt gerealiseerd op basis van een ontwerp. Het ontwerp is of wordt opgesteld door of in samenwerking met:

    • a.

      een deskundige zoals opgenomen op www.groeneschoolpleinenoverijssel.nl;

    • b.

      een deskundige op het gebied van speelnatuur. De deskundigheid wordt aangetoond door minimaal twee referentieprojecten op het gebied van speelnatuur;

    • c.

      een deskundige, waarbij de deskundigheid wordt aangetoond door middel van het ingediende ontwerp.

  • 3. Het ontwerp en aanleggen van een groen schoolplein kost minimaal € 17.500,-. De begroting voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      in de begroting wordt minimaal €7.500,- begroot voor de aankoop en aanleg van groen, inclusief voorbereidende grondwerkzaamheden;

    • b.

      alleen kosten die nog gemaakt moeten worden, worden opgevoerd;

    • c.

      kosten van speeltoestellen zoals een houten klimrek of wipkip, worden niet opgevoerd;

    • d.

      eventuele kosten voor een speelaanleiding, zoals een klimboom of waterpomp, worden opgevoerd;

    • e.

      niet groene onderdelen, zoals het plaatsen van tegels, worden alleen opgevoerd als deze nodig zijn voor het groene schoolplein.

  • 4. De activiteiten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn: de regulier herstel of onderhoudswerkzaamheden van het betreffende schoolplein.

Artikel 4.8.4 Aanvrager

De aanvrager is een basisschool in Overijssel of een koepelorganisatie in Overijssel die aanvraagt voor een basisschool.

Artikel 4.8.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

De subsidie is een vast bedrag per schoolplein en een vast bedrag per aangeplante boom. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing.

Artikel 4.8.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is een vast bedrag van € 10.000,- per schoolplein en per schoollocatie.

  • 2. De aanvullende subsidie is een vast bedrag van € 100,- per aangeplante boom. Alleen bomen die op moment van aanplant een minimale stamomtrek, op 1 meter hoogte, van 8-10 centimeter heeft komt voor de subsidie in aanmerking.

Artikel 4.8.8 Eigen bijdrage

  • 1. De eigen bijdrage van de school of derden aan het ontwerp of de realisatie van het groene schoolplein is minimaal € 7.500,-.

  • 2. Inzet van uren door vrijwilligers is subsidiabel. In de begroting en het dekkingsplan mag die inzet opgenomen worden voor maximaal € 15,- per uur tot een maximum bedrag van € 3.500,-.

Artikel 4.8.9 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het aanvraagformulier Groene schoolpleinen.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      foto’s van het schoolplein voor de vergroening;

    • b.

      als dat beschikbaar is, het ontwerp van het groene schoolplein;

    • c.

      twee referentieprojecten van speelnatuur, als de deskundige niet is opgenomen in de lijst van groene ondersteuners op de site www.groeneschoolpleinenoverijssel.nl

  • 5. Als een basisschool meerdere pleinen op 1 locatie heeft, kan er maximaal 1 aanvraag worden ingediend.

  • 6. Als een basisschool meerdere locaties heeft met elk een eigen plein, kan er per locatie maximaal 1 aanvraag worden ingediend.

  • 7. Als meerdere basisscholen van verschillende koepelorganisaties een plein delen, kan per basisschool maximaal 1 aanvraag worden ingediend. Voor elke basisschool geldt de voorwaarde voor de eigen bijdrage zoals genoemd in artikel 4.8.8. Per basisschool wordt een aparte begroting ingediend.

  • 8. Er mag geen aanvraag worden ingediend voor alleen deskundige procesbegeleiding of voor alleen het ontwerp van een groen schoolplein.

  • 9. Voor het betreffende schoolplein of schoollocatie kan maximaal 1 keer subsidie aangevraagd worden op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 4.8.10 Beschikbaar budget voor de subsidieregelging

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.8.11 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    kennis te delen met andere scholen als daar om wordt gevraagd;

  • b.

    het groene schoolplein na aanleg minimaal 5 jaar in stand te houden;

  • c.

    met de aanleg van het groene schoolplein binnen 12 maanden na subsidieverlening te starten.

Artikel 4.8.12 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet gezien als staatssteun.

Artikel 4.8.13 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

Bijlage 1 Omschrijving van een groen schoolplein, bij 4.8 Groene schoolpleinen:

Een groen schoolplein is een natuurlijke speel- en leeromgeving met veelal de volgende kenmerken:

  • a.

    Een groen schoolplein biedt een rijk speel- en leerlandschap waar ook ruimte is voor kinderen om vrij te spelen als voor natuur om zich te ontwikkelen.

  • b.

    Minimaal 50% van de bespeelbare oppervlakte van de schoolomgeving heeft een natuurlijk karakter. We maken onderscheid tussen groen oppervlak (gras, struiken en bomen), onthard oppervlak (boomsnippers, zand) en verhard oppervlak (tegels).

  • c.

    Er zijn verschillende vormen van groen te onderscheiden, zoals: speelgroen (spelen in en met groen), educatief groen, eet- en ruikgroen.

  • d.

    Een groen schoolplein is ingericht met (vooral) natuurlijke duurzame materialen, waarbij hergebruik van materialen voorop staat.

  • e.

    De beplanting op een groen schoolplein is bij voorkeur inheems, geschikt bij de natuurlijke omstandigheden van die plek en biedt seizoensvariatie. Waar mogelijk biedt de beplanting en inrichting mogelijkheden voor verbeteren van condities voor aandachtsoorten van Overijssel. Overzicht van de aandachtsoorten is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.

  • f.

    De inrichting van het plein draagt bij aan biodiversiteit en aan het voorkomen van wateroverlast en hittestress (groene gevels, groene daken, schaduwbomen).

  • g.

    Er is voor kinderen uitdagende en dynamische natuur te vinden en ze kunnen de natuur van top tot teen ervaren; kinderen van alle leeftijden kunnen grenzen verkennen en aanvaardbare risico’s nemen.

  • h.

    De speelomgeving biedt plek voor rust, natuurbeleving, creatieve vormen van spel en avontuurlijk bewegen. De basis hiervoor ligt in de diversiteit en verscheidenheid van het plein met kenmerken als hoog/laag, nat/droog, schaduw/zon.

  • i.

    Kinderen kunnen zowel met abiotische natuur (zoals zand en water) als met levende natuur spelen. Hierdoor ontstaan er mogelijkheden om in het spel te exploreren, te vernieuwen, te verbeelden en te creëren. De aanwezigheid van los natuurlijk materiaal is hiervoor een voorwaarde (denk aan zand, takken, stenen, en dergelijke).

  • j.

    Het gebruik van de buitenruimte is geïntegreerd in het lesprogramma. Naast de mogelijkheden om bijvoorbeeld taal- en rekenlessen te geven op het plein kunnen kinderen ook leren over planten, dieren, weersverschijnselen en natuurlijke materialen.

  • k.

    Bij het ontwerp, de aanleg én het onderhoud zijn kinderen, docententeam ouders en buren zo veel mogelijk actief betrokken.

4.9 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen

Artikel 4.9.1 Betekenis van begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Ontwikkelopgave Natura 2000: het uitvoeren van maatregelen voor de bescherming van de natuurwaarden in de Natura 2000 gebieden als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

  • -

    Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in het nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beschermen. Het gebied is als een gebiedscategorie of deelgebied NNN aangegeven op de kaarten die bij de Omgevingsverordening 2009 horen.

  • -

    Verplaatsing: het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen eventueel gecombineerd met de modernisering van deze voorzieningen dan wel verhoging van de productiecapaciteit.

Artikel 4.9.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan de bescherming van de natuurwaarden in de Natura 2000 gebieden.

Artikel 4.9.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Subsidie wordt verleend voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw in het belang van de Ontwikkelopgave Natura 2000.

  • 2. De activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen zijn:

    • a.

      de verhuizing van bestaande voorzieningen, zoals de bedrijfsmiddelen en dieren naar de nieuwe locatie;

    • b.

      de opbouw van de bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie;

    • c.

      het demonteren van de bestaande landbouwbedrijfsgebouwen, alleen als dit in de bedrijfsverplaatsingsovereenkomst met de provincie is opgenomen;

    • d.

      extern advies voor de verplaatsing. Het gaat dan om advies voor de voorbereiding van de verplaatsing, advies over het demonteren, de verhuizing en het weer opbouwen en advies over de haalbaarheid van de verplaatsing.

  • 3. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De landbouwonderneming heeft grond in gebruik voor akkerbouw of veeteelt, dat voor een deel gelegen is binnen het Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000. Ook landbouwondernemingen die buiten het Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 liggen, kunnen verplaatst worden als de verplaatsing een essentieel bijdrage levert aan de Ontwikkelopgave Natura 2000 en in die zin een sleutelpositie inneemt in het kader van de grondverwerving ten behoeve van de Ontwikkelopgave Natura 2000;

    • b.

      er is een verplaatsingsovereenkomst gesloten met de provincie Overijssel;

    • c.

      de op te bouwen landbouwonderneming moet een levensvatbaar bedrijf betreffen;

    • d.

      de opbouw van de landbouwonderneming vindt plaats op een locatie die zodat de onderneming zonder juridische en feitelijke obstakels kan blijven bestaan in de toekomst;

    • e.

      de opbouw vindt plaats binnen 24 maanden na het sluiten van de verplaatsingsovereenkomst met de provincie.

Artikel 4.9.4 Aanvrager

De aanvrager is degene die op het moment van het sluiten van de verplaatsingsovereenkomst met de provincie, het eigendom, regulier pachtrecht of erfpachtrecht heeft van grond behorend bij een landbouwonderneming.

Artikel 4.9.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De personeelskosten en de kosten van derden zijn subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing en aanvullend daarop geldt:

    • a.

      als sprake is van interne loonkosten van de aanvrager dan geldt een uurtarief van € 40,-. Artikel 1.2.6 lid 1 onderdeel a is van toepassing.

    • b.

      voor de advieskosten geldt een maximaal uurtarief van € 90,-. Dit is een afwijking van artikel 1.2.7 lid 6.

    • c.

      de overdrachtsbelasting die in verband met opbouw eventueel is verschuldigd is subsidiabel;

    • d.

      de onvoorziene kosten voor de opbouw zijn wel subsidiabel tot een maximum van 15% van de totale opbouwkosten. Dit is een afwijking van artikel 1.2.8 onderdeel f.

  • 2. De kosten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn:

    • a.

      kosten voor het saneren van de bodem;

    • b.

      fiscale claims, met uitzondering van de hiervoor genoemde overdrachtsbelasting;

    • c.

      kosten die gefinancierd zijn op grond van een Rood voor Rood-regeling.

Artikel 4.9.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor de advies en de verhuizing is maximaal 100% van de subsidiabele kosten

  • 2. De subsidie voor het advies en de verhuizing is maximaal € 100.000,- per landbouwonderneming.

  • 3. De subsidie voor de opbouw is maximaal 40% van het verschil tussen:

    • a.

      de waarde en eventuele investeringskosten van installaties en bedrijfsgebouwen op de nieuwe locatie exclusief de bedrijfswoning en de ondergrond en inclusief de sloop van niet bruikbare bedrijfsgebouwen op de nieuwe locatie, en

    • b.

      de waarde van installaties en bedrijfsgebouwen, exclusief de bedrijfswoning en de ondergrond op de te verlaten locatie.

  • Beide waarden worden vastgesteld door middel van een in opdracht van de provincie uitgevoerde taxatie. Sloopkosten van de niet bruikbare bedrijfsgebouwen op de nieuwe locatie zullen tegen maximaal € 25,- per m2 te slopen bedrijfsgebouw opgevoerd kunnen worden.

  • 4. De subsidie voor de opbouw is maximaal € 400.000,-.

  • 5. De subsidie voor de demontage is € 25,- per m2 te slopen bedrijfsgebouw tot een maximum van € 100.000,-.

  • 6. De subsidie en het aankoopbedrag van het te verplaatsen bedrijf kan nooit meer bedragen dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling op grond van de Onteigeningswet als het fictieve uitgangspunt gehanteerd zou worden dat het landbouwbedrijf in reconstructie zou worden gebracht.

Artikel 4.9.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een topografische kaart met een schaal van 1:10.000 waarop de ligging en oppervlakte van het te verplaatsen onderneming en de bijbehorende gronden, en ook de plaats van hervestiging zijn aangegeven. Als deze plaats ten tijde van de aanvraag nog niet bekend is, stuurt de aanvrager de provincie Overijssel per ommegaande een topografische kaart met een schaal van 1:10.000 waarop de plaats van hervestiging is aangegeven

    • b.

      een investeringsbegroting van de nieuwe bedrijfslocatie opgesteld door een onafhankelijk deskundige, waaruit ook de financiële haalbaarheid van de investering blijkt;

    • c.

      een plan van uitvoering van de werkzaamheden met een daaraan gekoppelde tijdsplanning;

    • d.

      kopieën van de al aanwezige vergunningen voor de opbouw van het nieuw te vestigen landbouwbedrijf;

    • e.

      als gebruik is gemaakt van een Rood voor Rood regeling: de stukken waaruit blijkt dat de Rood voor Rood aanvraag niet betrekking had op dezelfde kosten als waarvoor nu subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 4.9.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.9.9 Aanvullende verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht binnen 24 maanden na het sluiten van de bedijfsverplaatdingsovereenkomst met de provincie, het landbouwbedrijf op de nieuwe locatie op te bouwen.

  • 2. Als door aantoonbare overmacht de opbouw van een volwaardig bedrijf op de nieuwe locatie binnen de in de verleningsbeschikking opgenomen termijn niet mogelijk is kan de termijn voor opbouw verlengd worden met maximaal 24 maanden. De opbouw zal na verlenging nooit later zijn dan 16 maanden na het krijgen van de benodigde vergunningen voor de opbouw van het landbouwbedrijf. Onder overmacht wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de situatie waarbij aantoonbaar meerdere serieuze onderhandelingen over een nieuwe locatie niet succesvol zijn geweest; ofwel

    • b.

      de situatie waarbij het traject voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen door onvoorziene en niet verwijtbare omstandigheden langere tijd in beslag neemt dan voorzien bij het afsluiten van de overeenkomst.

Artikel 4.9.10 Staatssteun

  • 1. De subsidie voldoet aan artikel 16 van de LVV.

  • 2. Als de verplaatsing naast demonteren, verhuizen en weer opbouwen leidt tot een modernisering van voorzieningen of een verhoging van productiecapaciteit van het landbouwbedrijf, dan zijn de kosten van modernisering van de voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit voor 40% subsidiabel tot een maximum van € 500.000,- per onderneming per investeringsproject. Er is geen sprake van modernisering als het een vervanging van een bestaand gebouw of van bestaande voorzieningen door een nieuw modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen betreft waarbij de betrokken productie of technologie niet fundamenteel wordt gewijzigd.

Artikel 4.9.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.10 Opstellen plan voor Streekeigen Landschapsbeheer

Artikel 4.10.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden veel voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Landschapselementen: groene of blauwe elementen, zoals een houtwal, singel, solitaire boom, poel of wandelpad, die in het landschap aanwezig zijn en iets vertellen over het ontstaan van het landschap. Ze laten bijvoorbeeld zien hoe onze voorouders het landschap hebben gebruikt. Hun oorspronkelijke functie van perceel begrenzing, houtproductie of vee drinkplaats hebben ze deels verloren, maar ze vormen nog steeds een belangrijke leefomgeving voor bijvoorbeeld vogels, insecten en amfibieën.

  • -

    Landschapscoördinator: de landschapscoördinator geeft procesmatige ondersteuning aan georganiseerde groepen inwoners of ondernemers om een plan voor streekeigen landschapsbeheer op te stellen. De coördinator voert een oriënterend gesprek met de initiatiefnemers en adviseert of het haalbaar is om een plan streekeigen landschapsbeheer op te stellen.

  • -

    Streekeigen landschapsbeheer: het onderhouden van landschapselementen in agrarische cultuurlandschappen in Overijssel voor een periode van 21 tot 30 jaar. Bij agrarische cultuurlandschappen gaat het om landschap dat onder invloed van de mens is gevormd, waarvan de hoofdfunctie agrarisch is.

Artikel 4.10.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan natuurbeheer. Dit door het behoud en beheer van waardevolle en karakteristieke landschapselementen in agrarische cultuurlandschappen in de provincie Overijssel te ondersteunen.

Artikel 4.10.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor:

    • a.

      het opstellen van een plan voor streekeigen landschapsbeheer, ook wel een bidbook genoemd. Het plan wordt door een georganiseerde groep inwoners of ondernemers opgesteld;

    • b.

      de ondersteuning om de beheerorganisatie voor streekeigen landschapsbeheer op te zetten. Hierbij gaat het om onder andere de ondersteuning die nodig is om de financiën en bijbehorende contracten en administratie op een rij te krijgen.

  • 2. Het streekeigen landschapsbeheer voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het streekeigen landschapsbeheer wordt uitgevoerd in Overijssel;

    • b.

      het streekeigen landschapsbeheer, past binnen Kwaliteitsambitie 2, zoals verwoord op bladzijde 14 e.v. van de catalogus gebiedskenmerken;

    • c.

      het streekeigen landschapsbeheer wordt niet uitgevoerd op gronden die liggen binnen het natuurnetwerk - NNN gebied als bedoeld in artikel 4.20.1.

  • 3. In het op te stellen plan voor het streekeigen landschapsbeheer zijn de volgende punten in beeld gebracht:

    • a.

      wat is er nodig voor het landschapsbeheer in de woon- of werkomgeving;

    • b.

      hoe wordt de beheerorganisatie vormgegeven;

    • c.

      wat de wensen en eisen van het gebied is voor het toekomstige landschapsbeheer;

    • d.

      wat het plangebied is;

    • e.

      omschrijving van de landschappelijke kwaliteit;

    • f.

      de ambitie;

    • g.

      de voorgenomen aanpak;

    • h.

      de aansluiting dan wel afstemming met andere projecten in het gebied, en de koppelkansen worden genoemd;

    • i.

      de financiën;

    • j.

      de administratie;

    • k.

      de monitoring;

    • l.

      de risico’s;

    • m.

      de communicatie;

    • n.

      de planning.

  • 4. Voor het beheer is niet eerder subsidie of een bijdrage verleend door de provincie of een ander bestuursorgaan.

Artikel 4.10.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een georganiseerde groep van inwoners of ondernemers in de vorm van een stichting, een vereniging, een BV of een NV.

  • 2. De aanvrager heeft een oriënterend gesprek gehad met de landschapscoördinator en deze adviseert een vervolg.

Artikel 4.10.5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 4.10.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal:

    • a.

      € 40.000,- per aanvraag voor het opstellen van een plan streekeigen landschapsbeheer;

    • b.

      € 5.000,- per aanvraag voor de ondersteuning die ingehuurd wordt om de beheerorganisatie voor streekeigen landschapsbeheer op te zetten.

  • 3. De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie € 5.000,- of minder is. Artikel 1.2.17 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 4.10.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar ingediend worden.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Opstellen plan streekeigen landschapsbeheer.

  • 3. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken.

  • 4. De aanvrager levert aanvullend ook de volgende stukken in:

    • a.

      een plan van aanpak waarin minimaal de volgende informatie staat:

      • 1.

        de grenzen van het betreffende gebied;

      • 2.

        de landschappelijke kwaliteit van het gebied;

      • 3.

        een beeld van de aanwezige landschapselementen op de kaart en foto‘s van de locatie waar het streekeigen landschapsbeheer uitgevoerd gaat worden;

      • 4.

        de betrokkenheid van de inwoners in het gebied;

      • 5.

        de gekozen aanpak en hoe deze tot het gewenste resultaat, namelijk het plan voor streekeigen landschapsbeheer, leidt;

      • 6.

        een beschrijving van de organisatiestructuur;

      • 7.

        de in te huren deskundigheid en hoe die bijdraagt aan het plan voor streekeigen landschapsbeheer;

      • 8.

        een beschrijving over op welke manier de maatschappelijke betrokkenheid versterkt wordt en meer eigenaarschap gerealiseerd wordt in het gebied;

      • 9.

        de manier waarop de ondersteuning voor de beheerorganisatie is geregeld en hoe deze ten opzichte van de contracten, administratie, financiën, controles en monitoring voor de beheerorganisatie ingevuld gaat worden;

      • 10.

        de planning.

    • b.

      een offerte voor de in te huren deskundigheid, gebaseerd op het plan van aanpak;

    • c.

      een ondertekend advies van de landschapscoördinator. Het is verplicht om hiervoor het door de provincie beschikbaar gestelde format te gebruiken.

Artikel 4.10.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.10.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht het plan voor streekeigen landschapsbeheer op te stellen en de bijbehorende beheerorganisatie op te zetten, binnen 12 maanden na subsidieverlening.

Artikel 4.10.10 Staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 4.10.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.11 Stimuleren kleinschalig Streekeigen Landschapsbeheer

Artikel 4.11.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Aanleg: nieuw aanleggen van een landschapselement.

  • -

    Beheer: uitvoeren van regelmatig onderhoud van landschapselementen.

  • -

    Herstel: geheel of gedeeltelijk nieuw aanleggen van een bestaand landschapselement.

  • -

    Landschapsbeheer: aanleg, beheer en herstel van landschapselementen.

  • -

    Landschapselement: landschappelijke beplantingen, routes, waterlopen, reliëfs en andere onderdelen van het landschap die bijdragen aan de karakteristieke kenmerken van een landschap. De oorspronkelijke functie van bijvoorbeeld perceelbegrenzing, houtproductie of vee drinkplaats heeft het veelal geheel of deels verloren. Het vormt nog steeds een belangrijke habitat voor soorten waaronder veel vogels, insecten en amfibieën en is voor de biodiversiteit van grote meerwaarde.

Artikel 4.11.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie vrijwilligers op een passende wijze aanmoedigen om op eigen niveau aan de slag te gaan met landschapsbeheer.

Artikel 4.11.3 Activiteiten die in aanmerking komen voor de subsidie

  • 1. De subsidie wordt verleend voor landschapsbeheer, inclusief de voorbereiding, administratie en toezicht.

  • 2. Het gaat om de volgende soorten landschapsbeheer:

    • a.

      Landschapsbeheer I: eenmalig aanleg, beheer of herstel.

    • b.

      Landschapsbeheer II: aanleg, beheer en herstel voor een periode van maximaal 5 jaar.

    • c.

      Landschapsbeheer III: aanleg, beheer en herstel voor een periode van 5 tot 15 jaar.

  • 3. Het landschapsbeheer voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een georganiseerde aanpak voor landschapsbeheer in landschappen in Overijssel waarvan de hoofdfunctie agrarisch is. Dit wordt ook wel Streekeigen Landschapsbeheer genoemd;

    • b.

      het landschapsbeheer voldoet aan de voorwaarden en uitgangspunten voor beheer van landschapselementen zoals opgenomen in De Dienstenbundel Overijssel. De Dienstenbundel Overijssel is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie;

    • c.

      het landschapsbeheer past in de gebiedskenmerken, zoals beschreven in de Catalogus gebiedskenmerken van de provincie Overijssel. De Catalogus gebiedskenmerken van de provincie Overijssel is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie;

    • d.

      het landschapsbeheer wordt niet uitgevoerd op overheidsgrond of in een natuurgebied;

    • e.

      voor het landschapsbeheer is geen gebruikt gemaakt van deze subsidieregeling én er is en wordt ook geen gebruik gemaakt van:

      • 1.

        een andere subsidieregeling van de provincie Overijssel; en

      • 2.

        regelingen van terrein beherende organisaties of andere eigenaren, waarmee voor hetzelfde landschapsbeheer een bijdrage is verleend;

    • f.

      de landschapscoördinator van Landschap Overijssel is betrokken bij de activiteiten en adviseert positief over de aanvraag. De landschapscoördinator geeft procesmatige ondersteuning, adviseert de initiatiefnemers bij landschapsbeheer, legt verbindingen met Streekeigen landschapsbeheer en maakt koppelingen met andere opgaven in Overijssel.

  • 4. Landschapsbeheer I voldoet aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      het landschapsbeheer wordt uitgevoerd door een groep van vrijwilligers met beperkte inzet, ervaring en mogelijkheden;

    • b.

      naast landschapsbeheer wordt ook aandacht besteed aan het vormen van een vrijwilligersgroep, en het inspireren en enthousiast maken van de groep;

    • c.

      het doel van de groep is om een eerste echte stap te maken naar vervolgactiviteiten op het gebied van landschapsbeheer;

    • d.

      De activiteiten duren minimaal een werkdag.

  • 5. Het landschapsbeheer II voldoet aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      het landschapsbeheer wordt uitgevoerd door een georganiseerde groep van vrijwilligers;

    • b.

      naast landschapsbeheer worden activiteiten uitgevoerd om de kennis van de vrijwilligers te vergroten en de organisatie te versterken. Het gaat om een of meer van de volgende activiteiten:

      • 1.

        deelnemen aan werkateliers. Tijdens een Werkatelier worden duidelijke handvatten gegeven waarmee de groep direct aan de slag kan gaan;

      • 2.

        het uitvoeren van onderzoek naar de kenmerken van het landschap (landschapsanalyse);

      • 3.

        het opstellen van een beheerplan voor maximaal 5 jaar. In dit plan wordt in beeld gebracht wat er nodig is voor het landschapsbeheer. Het plan beschrijft de wensen en eisen van, voor en door het gebied voor het landschapsbeheer;

    • c.

      de begrote subsidiabele kosten bedragen minimaal € 6.666,- en maximaal € 33.333,-;

    • d.

      minimaal 50% van de begrote kosten is voor beheer.

  • 6. Het landschapsbeheer III voldoet aan de volgende extra voorwaarden :

    • a.

      het landschapsbeheer wordt uitgevoerd door een georganiseerde groep van vrijwilligers, die samen aan landschapsbeheer doen binnen een werkgebied;

    • b.

      naast landschapsbeheer worden activiteiten uitgevoerd om de kennis van de vrijwilligers te vergroten en de organisatie te versterken. Het gaat om een of meer van de volgende activiteiten:

      • 1.

        deelnemen aan werkateliers. Tijdens een Werkatelier worden duidelijke handvatten gegeven waarmee de groep direct aan de slag kan gaan;

      • 2.

        het opstellen of verbeteren van een eenvoudig beheerplan voor een periode van 5 tot 15 jaar. In dit plan wordt in beeld gebracht wat er nodig is voor het landschapsbeheer. Het plan beschrijft de wensen en eisen van, voor en door het gebied voor het landschapsbeheer. Het beheerplan past in het gemeentelijke landschapsontwikkelingsplan (LOP) of de Catalogus gebiedskenmerken van de provincie;

    • c.

      de begrote subsidiabele kosten bedragen minimaal € 50.000,- en maximaal € 200.000,-;

    • d.

      minimaal 50% van de begrote kosten is voor beheer;

    • e.

      maximaal 15% van de begrote kosten is voor voorbereiding, administratie en toezicht.

Artikel 4.11.4 Aanvrager

De aanvrager is:

  • a.

    een stichting, vereniging of een coöperatie van een groep van inwoners, particuliere grondeigenaren, pachters of ondernemers;

  • b.

    een samenwerkingsverband van partijen, zoals genoemd bij onderdeel a.

  • c.

    een groep van natuurlijk personen. Als deze groep geen stichting, vereniging of coöperatie hebben opgericht, dan wordt de subsidie aangevraagd door een gemeente of Terrein Beherende Organisatie die de groep vertegenwoordigt.

Artikel 4.11.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. Als het gaat om Landschapsbeheer I dan zijn alleen de kosten van derden subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

  • 2. Als het gaat om landschapsbeheer II en III dan gelden als subsidiabele kosten voor beheer, de beheervergoeding die per activiteit of landschapstype is vastgesteld in de Dienstenbundel Overijssel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing.

  • 3. Als het gaat om landschapsbeheer II en III dan zijn de personeelskosten en de kosten van derden subsidiabel. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn van toepassing en de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      voor de inzet van uren van derden geldt het vastgesteld maximale uurtarief zoals opgenomen in de Dienstenbundel Overijssel;

    • b.

      inzet van uren door vrijwilligers is subsidiabel. In de begroting en het dekkingsplan mag die inzet opgenomen worden voor maximaal € 15,- per uur.

Artikel 4.11.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor Landschapsbeheer I is maximaal 100% van de subsidiabele kosten. De subsidie is maximaal € 5.000,- per gebied en per groep.

  • 2. De subsidie voor landschapsbeheer II is 75% van de subsidiabele kosten en bedraagt minimaal € 5.000,- en maximaal € 25.000,- per gebied en per groep.

  • 3. De subsidie voor landschapsbeheer III is maximaal 50% van de subsidiabele kosten en bedraagt minimaal € 25.000,- en maximaal € 100.000,- per gebied en per groep.

  • 4. Als sprake is van Landschapsbeheer II en III dan is de subsidie voor beheer minimaal 50% van de totale subsidie.

Artikel 4.11.7 Aanvraag

  • 1. De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Stimuleren kleinschalig Streekeigen landschapsbeheer.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in

    • a.

      een begroting en dekkingsplan. Het is verplicht om het beschikbare format te gebruiken;

    • b.

      een plan van aanpak. Het is verplicht om het beschikbare format te gebruiken. In het plan van aanpak is een duidelijke motivering opgenomen waaruit blijkt dat het beheer voor een periode van minimaal 5 jaar is geregeld, door middel van overeenkomsten die afgesloten worden tussen de beheerders en grondeigenaren.

    • c.

      een kaart waarop duidelijk is aangegeven waar aanleg, beheer en herstel plaats vindt.

Artikel 4.11.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

  • 1. Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

  • 2. Er geldt een deelplafond voor:

    • a.

      Landschapsbeheer I;

    • b.

      Landschapsbeheer II;

    • c.

      Landschapsbeheer III.

Artikel 4.11.9 Vaststelling

  • 1. De subsidie voor landschapsbeheer III wordt vastgesteld binnen 2 jaar na de datum van subsidieverlening.

  • 2. Het verzoek tot subsidievaststelling voor landschapsbeheer III bevat aanvullend ook een overzicht van de overeenkomsten die tussen beheerders en grondeigenaren zijn gesloten. In de overeenkomsten is het landschapsbeheer voor 5 tot en met 15 jaar vastgelegd. Dit is een aanvulling op artikel 1.2.20 lid 3.

Artikel 4.11.10 Geen staatssteun

Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of aan De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.

Artikel 4.11.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.12 Ecologisch bermbeheer gemeenten

Artikel 4.12.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Berm: een strook grond gelegen naast de openbare weg, wandelpad, kanaalkant, watergang of dijk, bedoeld voor het onderhoud, instandhouding en waterafvoer van de weg en voor de verkeersveiligheid

  • -

    Ecologisch bermbeheer: het beheren van bermen met als doel het in stand houden of verbeteren van de natuurkwaliteit en -kwantiteit van inheemse flora en fauna, met nakoming van de verkeersveiligheid. Onder ecologisch bermbeheer valt in etappes maaien, afvoeren van maaisel, niet klepelen en flexibel aanpassen van moment van uitvoering. Bodemverstoring en bodemverdichting wordt zoveel mogelijk voorkomen.

  • -

    Inheemse flora en fauna: soorten die van nature in het wild in Nederland voorkomen. Op de website www.nederlandsesoorten.nl is te raadplegen welke soorten in Nederland inheems zijn. Kamer-, tuin- en kasplanten zijn vaak geen inheemse planten maar exoten.

Artikel 4.12.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie het ecologisch beheren van bermen stimuleren

Artikel 4.12.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten:

    • a.

      het opstellen van een ecologisch bermbeheerplan

    • b.

      het uitvoeren van een ecologisch bermbeheerplan of activiteiten die bijdragen aan de c. totstandkoming van ecologisch bermbeheer.

  • 2. De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteiten worden uitgevoerd in Overijssel;

    • b.

      de aanvrager heeft de bermen in beheer.

    • c.

      als het beheer wordt gedaan door een andere partij dan de aanvrager, vindt er binnen twee jaar na subsidieverstrekking een nieuwe aanbesteding plaats;

    • d.

      minimaal 75% van de totale lengte bermen buiten de bebouwde kom van de gemeente is of wordt binnen drie jaar na de subsidieverlening ecologisch ingericht en beheerd;

    • e.

      als de subsidieaanvraag alleen betrekking heeft op de uitvoering van een ecologisch bermbeheerplan, dan geldt aanvullend dat de gemeente een ecologisch bermbeheerplan heeft vastgesteld op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag

  • 3. Voor de totstandkoming van ecologisch bermbeheer gelden de volgende extra voorwaarden:

    • a.

      er is al een goed plan voor ecologisch bermbeheer die voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4.12.7 lid 5 staan;

    • b.

      er worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt;

    • c.

      er vindt geen actieve bemesting plaats;

    • d.

      bagger moet worden afgevoerd;

    • e.

      inzaaien is alleen mogelijk in soortenarme bermen met inheemse en regionale soorten en mag niet ten koste gaan van eigen bermflora.

Artikel 4.12.4 Aanvrager

  • 1. De aanvrager is een Overijsselse gemeente.

  • 2. Als de subsidieaanvraag alleen betrekking heeft op de uitvoering van een bermbeheerplan, dan geldt aanvullend dat de gemeente een ecologisch bermbeheerplan heeft vastgesteld op het moment van het indienen van de subsidieaanvraag.

Artikel 4.12.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.

Artikel 4.12.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie is maximaal € 20.000,- per subsidieaanvraag.

Artikel 4.12.7 Subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Ecologisch bermbeheer gemeenten.

  • 3. De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in:

    • a.

      een besluit van de gemeenteraad of het college van Burgemeester en Wethouders waaruit blijkt dat de gemeente alle bermen daar waar mogelijk ecologisch gaat beheren;

    • b.

      als het aanwezig is, een vastgesteld bermbeheerplan voor ecologisch bermbeheer;

    • c.

      een offerte.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

  • 5. Als de subsidieaanvraag betrekking heeft op het ontwikkelen van een bermbeheerplan voor ecologisch bermbeheer dan staat daarin minimaal:

    • a.

      een gebiedsbeschrijving; de natuurkwaliteit van de bermen, bermsloten en bermgreppels voordat de eerste werkzaamheden starten en een beschrijving van de huidige bermtypen. Deze moeten op voldoende gedetailleerd niveau beschreven worden, bijvoorbeeld een beschrijving per 500 strekkende meters berm;

    • b.

      de historie van het beheer;

    • c.

      de verspreiding en voorkomen van beschermde en andere prioritaire soorten zoals de rode lijst soorten en de provinciale aandachtssoorten, met exacte locaties aangeduid;

    • d.

      verspreiding en aanwezigheid van invasieve exoten, met exacte locaties aangeduid;

    • e.

      lokaal geldende beheerdoelstellingen en de gewenste natuurkwaliteit. Deze moet op voldoende gedetailleerd niveau beschreven worden, bijvoorbeeld een beschrijving per 500 strekkende meters berm;

    • f.

      de te gebruiken beheermethode en materiaal;

    • g.

      het percentage kale grond ten behoeve van insecten;

    • h.

      de benodigde kennis om werkzaamheden uit te voeren (opleiding);

    • i.

      het tijdstip van uitvoering (maand, week), met marges voor flexibiliteit;

    • j.

      de afspraken met de belanghebbenden die van invloed zijn op het beheer en de kwaliteit van de berm;

    • k.

      een planning;

    • l.

      de mate van toegestane insporing;

    • m.

      de maximaal toegestane oppervlakte waar sprake mag zijn van bodembeschadiging;

    • n.

      de minimale hoogte van de vegetatie voordat het maaien kan starten, in overleg met de opdrachtgever;

    • o.

      het inzaaien van bermen, de locatie waarop dit eventueel toegepast wordt binnen de contractperiode en de samenstelling van de gebruikte inheemse mengsels;

    • p.

      afspraken over talud- en bermherstel na schade

    • q.

      monitoring, eventueel met inzet van vrijwilligers;

    • r.

      communicatie: de manier waarop de samenleving wordt betrokken bij ecologisch bermbeheer om draagvlak te verkrijgen.

  • 6. Er mag geen subsidieaanvraag ingediend worden voor alleen bermen binnen de bebouwde kom. De subsidieaanvraag gaat ook over bermen buiten de bebouwde kom.

  • 7. De aanvrager mag maximaal 1 keer subsidie aanvragen op basis van deze subsidieregeling.

Artikel 4.12.8 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling.

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.12.9 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen 24 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben.

  • b.

    uiterlijk 24 maanden na subsidieverlening het vastgestelde bermbeheerplan voor ecologisch bermbeheer naar de provincie op te sturen, voor zover de aanvrager voor die activiteit subsidie heeft ontvangen.

  • c.

    de resultaten van de monitoring in de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) te zetten of via www.waarneming.nl in te voeren en te delen met de provincie Overijssel.

Artikel 4.12.10 Geen staatssteun

De subsidie van de provincie aan een gemeente levert geen staatssteun op.

Artikel 4.12.11 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2023 om 17.00 uur.

4.13 Iedereen een boom- grootschalige boomaanplant

Artikel 4.13.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Aanplantpercelen: de percelen die door de provincie beschikbaar zijn gesteld voor aankoop in combinatie met bomenaanplant, in het kader van het project Iedereen een Boom.

  • -

    Beplantingsplan: een lijst met bomen, struiken, heesters en andere aanplant, onder vermelding van aantallen en soorten, met bijbehorende beplantingskaart en het te beplanten oppervlakte in hectare.

  • -

    Nieuw bos: het bos, de houtsingel of de houtwal of de houtige opstand die ontstaan op de aanplantpercelen na realisatie van het beplantingsplan, inclusief de inboet en na uitvoering van het onderhoud.

Artikel 4.13.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie initiatiefnemers stimuleren om bomen aan te planten op de aangeboden provinciale aanplantpercelen en hiermee een bijdrage te leveren aan de opgave van 1,1 miljoen bomen.

Artikel 4.13.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor het realiseren van nieuw bos op basis van een beplantingsplan.

  • 2. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat het aanplantperceel in eigendom wordt overgenomen door de aanvrager.

  • 3. Het beplantingsplan is:

    • a.

      opgesteld door een deskundige, of

    • b.

      opgesteld door het projectteam van Iedereen een boom.

  • 4. Het nieuwe bos draagt bij aan de ambities zoals genoemd in het actieplan. Daarom wordt het vergeleken met het beplantingsplan dat vooraf is opgesteld door het projectteam Iedereen een boom. Het actieplan is te vinden op www.iedereeneenboom.nl.

  • 5. Er is een beheer- en onderhoudsplan voor tenminste 20 jaar opgesteld waarin duidelijk staat welk beheer en onderhoud gaat plaatsvinden, wat de kosten ervan zijn en hoe de kosten worden gedekt.

Artikel 4.13.4 Aanvrager

De aanvrager is een persoon een organisatie of een bedrijf die het recht toegezegd heeft gekregen om binnen een afgesproken periode een aanplantperceel te kopen voor de prijs die met de provincie is afgesproken.

Artikel 4.13.5 De kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie is een vast bedrag per vierkante meter nieuw bos.

  • 2. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing

Artikel 4.13.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie is € 0,75 per vierkante meter te realiseren nieuw bos.

Artikel 4.13.8 Subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag kan het hele jaar ingediend worden.

  • 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Iedere inwoner een boom (grootschalig aanplant).

  • 3. De aanvrager levert de volgende stukken in:

    • a.

      een beplantingsplan;

    • b.

      een beheer- en onderhoudsplan.

  • 4. De aanvrager hoeft geen begroting in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.

Artikel 4.13.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling

Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 en 2023.

Artikel 4.13.10 Aanvullende verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a.

    binnen zes weken na subsidieverlening een koopovereenkomst met de provincie te sluiten;

  • b.

    het nieuwe bos uiterlijk 1 april 2023 te hebben gerealiseerd;

  • c.

    het aanplantperceel inclusief het nieuwe bos voor eigen rekening en risico te beheren en te onderhouden vanaf het moment van aanplant;

  • d.

    de wegen in of langs het nieuwe bos liggen, openbaar toegankelijk te houden;

Artikel 4.13.11 Geen staatssteun

De subsidie wordt niet als staatssteun gezien.

Artikel 4.13.12 Looptijd

Deze subsidieregeling vervalt op 28 februari 2023 om 17.00 uur.

4.14 Gereserveerd

4.15 Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland

Artikel 4.15.1 Betekenis van de begrippen

In dit artikel worden veel voorkomende begrippen uitgelegd.

  • -

    Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP): samenwerkingsafspraken ‘Naar een Vitaal Platteland’ die in juli 2018 getekend zijn door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen (Kamerstukken II 2018/19, 33 576, NR. 137) en de activiteiten op grond van die afspraken;

  • -

    IBP-VP gebiedsplan: een plan waarin staat aangegeven op welke wijze invulling gegeven wordt aan een samenhangende, gebiedsgerichte aanpak in een van de gebieden, waar het Interbestuurlijk programma ‘Naar een Vitaal platteland’ zich op richt;

  • -

    Project: een project dat is opgenomen in de projectenlijst en dat bijdraagt aan de opgaven van het betreffende gebied;

  • -

    Projectenlijst: de Projectenlijst zoals opgenomen in het IBP-VP-gebiedsplan Veedicht gebied Salland Twente, deelgebied Twente dan wel het IBP-VP-gebiedsplan Veenweide Noordwest Overijssel.

Artikel 4.15.2 Doel van de subsidieregeling

Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het welzijn en de welvaart in het landelijk gebied.

Artikel 4.15.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie wordt verleend voor activiteiten die zijn opgenomen in de Projectenlijst.

  • 2. De activiteiten mogen gestart zijn na 1 maart 2019. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.

Artikel 4.15.4 Aanvrager

De aanvrager is de aanvrager van het desbetreffende project zoals dat is opgenomen in de Projectenlijst.

Artikel 4.15.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie is een vast bedrag per project. Artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.9 zijn niet van toepassing.

  • 2. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de subsidieaanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit zijn uitgevoerd na 1 maart 2019 en voor 31 december 2023 voor het IBP-VP-gebiedsplan Veedicht gebied Salland-Twente, deelgebied Twente, dan wel 31 december 2025 voor het IB-VP-gebiedsplan Veenweide Noordwest-Overijssel. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassingDe.

  • 3. Lid 2 geldt niet als sprake is van staatssteun.

Artikel 4.15.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie is maximaal 100% van het bedrag dat voor het betreffende project is opgenomen in de Projectenlijst.

  • 2. Als de aanvrager een gemeente is, dan wordt het bedrag zoals genoemd in lid 1 verminderd met de vooraf geraamde compensabele BTW zoals is opgenomen in de projectenlijst.

Artikel 4.15.7 Subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend.