Regeling vervallen per 02-01-2024

Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

Geldend van 01-01-2024 t/m 31-12-2023

Intitulé

Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

Provinciale Staten van Noord-Holland:

gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van 11 januari 2022;

Gelet op:

  • de Omgevingswet (Artikelen 2.6, 2.12, eerste lid, 2.12a, 2.13, eerste lid, 2.18, eerste lid en tweede lid, 20.1, derde lid, 20.2, 2.22, 2.39, vierde lid, 2.41, eerste lid, 2.42, tweede lid, 2.44, vierde en vijfde lid, 4.1, eerste lid, 4.2, tweede lid, 5.4, 5.19, eerste lid, 8.1, derde lid, 8.2, vijfde lid, 16.15, tweede lid, 16.55, derde lid, 20.6);

  • de Provinciewet (artikelen 105, 118, 143, 145 en 150);

  • de Scheepvaartverkeerswet (artikel 2, derde en vierde lid);

  • de Wegenwet (artikel 57);

  • de Wegenverkeerswet 1994 (artikelen 2 en 2a); en

  • de Wet luchtvaart (artikel 8.43).

Overwegende, dat het noodzakelijk en wenselijk is om op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en ter uitvoering van de Omgevingsvisie NH2050 met het oog op duurzame ontwikkeling samenhangende en doelmatige regels te stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving;

Besluiten vast te stellen:

  • Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

  • Voorbereidingsbesluit Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

  • Delegatiebesluit Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

Rechtsmiddelen

Over het onderwerp Regionale Luchthavens, Afdeling 4.10 en Paragraaf 6.2.10 van de Omgevingsverordening NH2022, kunt u als u belanghebbende bent binnen zes weken na de publicatie van dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 2500 EA Den Haag. Tevens kan bij dezelfde instantie een voorlopige voorziening worden gevraagd. Tegen de overige onderdelen van dit besluit kunt u geen bezwaar of beroep instellen (zie art. 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht).

Omgevingsverordening Noord-Holland 2022

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Begrippen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

1

Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

2

Begripsbepalingen opgenomen in het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn ook van toepassing op deze verordening, tenzij in Bijlage 1 anders is bepaald.

Afdeling 1.2 Toepassingsbereik en oogmerk

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

1

Deze verordening gaat over:

  • a.

    de fysieke leefomgeving; en

  • b.

    activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

2

De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:

  • a.

    bouwwerken;

  • b.

    infrastructuur;

  • c.

    watersystemen;

  • d.

    water;

  • e.

    bodem;

  • f.

    lucht;

  • g.

    landschappen;

  • h.

    natuur;

  • i.

    cultureel erfgoed; en

  • j.

    werelderfgoed

Artikel 1.3 Oogmerk

Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a.

    bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur;

  • b.

    behoud en herstel van de biologische diversiteit; en

  • c.

    doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Hoofdstuk 2 Toedeling van taken en bevoegdheden

Afdeling 2.1 Water

Artikel 2.1 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van de regionale wateren waarvan de zorg op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij reglement is opgedragen aan het waterschap.

Afdeling 2.2 Vaarwegen

Artikel 2.2 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de taken en bevoegdheden voor de vaarwegen als onderdeel van de regionale verkeersinfrastructuur. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in:

  • a.

    het vaarwegbeheer; en

  • b.

    het nautisch beheer.

Artikel 2.3 Oogmerk

Deze afdeling is gericht op een goed functionerend regionaal vaarwegenstelsel, zowel voor beroeps- als recreatievaart.

Artikel 2.4 Toedeling vaarwegbeheer

1

Vaarwegbeheer - beheer PNH

Gedeputeerde Staten zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer PNH.

2

Vaarwegbeheer - beheer HHNK

Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer HHNK.

3

Vaarwegbeheer - beheer AGV

Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer AGV.

4

Vaarwegbeheer - beheer Rijnland

Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Rijnland.

5

Vaarwegbeheer - beheer gemeente

Burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de vaarweg is gelegen, zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer gemeente.

6

Vaarwegbeheer - beheer Plassenschap Loosdrecht

Het Plassenschap Loosdrecht is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Plassenschap Loosdrecht.

7

Vaarwegbeheer - beheer RecreatieschapAlkmaarder- en Uitgeestermeer

Het Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer.

Artikel 2.5 Toedeling nautisch beheer

1

Nautisch beheer - PNH

Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als nautisch beheerder voor:

  • a.

    de vaarwegen waarvoor Gedeputeerde Staten op grond van Artikel 2.4 , eerste Lid zijn belast met het vaarwegbeheer; en

  • b.

    de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - PNH.

2

Burgemeester en wethouders die op grond van Artikel 2.4 , vijfde Lid zijn belast met het vaarwegbeheer van een vaarweg zijn aangewezen als nautisch beheerder voor de betreffende scheepvaartweg.

3

Nautisch beheer - HHNK

Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is aangewezen als nautisch beheerder voor:

  • a.

    de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - HHNK; en

  • b.

    alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die op grond van Artikel 2.1 in beheer zijn bij het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

4

Nautisch beheer - AGV

Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is aangewezen als nautisch beheerder voor:

  • a.

    de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - AGV; en

  • b.

    alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

5

Nautisch beheer - Rijnland

Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is aangewezen als nautisch beheerder voor:

  • a.

    de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Rijnland; en

  • b.

    alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

6

Nautisch beheer - Zaanstad

in afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Zaanstad aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Zaanstad.

7

Nautisch beheer - Aalsmeer

In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Aalsmeer aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Aalsmeer.

8

Nautisch beheer - Castricum

In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Castricum aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Castricum.

9

Nautisch beheer - Uitgeest

In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Uitgeest aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Uitgeest.

10

Nautisch beheer - Wijdemeren

In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Wijdemeren aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer – Wijdemeren

Afdeling 2.3 Fauna- en wildbeheer

Paragraaf 2.3.1 Sluiten van de jacht op wildsoorten bij bijzondere weersomstandigheden

Artikel 2.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de bevoegdheid van Provinciale Staten als bedoeld in artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 2.7 Toedeling nemen besluit sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden

1

Gedeputeerde Staten zijn belast met het nemen van een besluit op grond van artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving om de jacht op wildsoorten in de gehele provincie of een gedeelte ervan te sluiten bij bijzondere weersomstandigheden.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde besluit.

Paragraaf 2.3.2 Faunabeheereenheid

Artikel 2.8 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat aanvullende regels aan de faunabeheereenheid, zoals bedoeld in artikel 8.1, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.9 Werkzaamheden en activiteiten faunabeheereenheden

Een faunabeheereenheid is binnen diens werkgebied verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen en actuele regelgevende en ecologische ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.

Artikel 2.10 Eisen aan de faunabeheereenheid

Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 6.1 van het Omgevingsbesluit voldoet de faunabeheereenheid aan de volgende eisen:

  • a.

    bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen;

  • b.

    de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:

    • 1.

      hebben een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 7.500 hectare;

    • 2.

      vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid; en

    • 3.

      zijn zo veel mogelijk aaneengesloten.

  • c.

    het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.

Artikel 2.11 Samenstelling faunabeheereenheid

1

In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn ten minste vertegenwoordigd:

  • a.

    agrariërs;

  • b.

    particuliere grondeigenaren;

  • c.

    verenigingen van jagers; en

  • d.

    minimaal twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid.

2

De in het eerste lid, onder d, bedoelde maatschappelijke organisaties hebben gezamenlijk minimaal twee zetels in het bestuur van de faunabeheereenheid.

3

Een faunabeheereenheid nodigt in ieder geval de volgende organisaties uit bij haar vergaderingen aanwezig te zijn en hen te adviseren:

  • a.

    Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren;

  • b.

    Stichting De Faunabescherming; en

  • c.

    Vogelbescherming Nederland.

Paragraaf 2.3.3 Wildbeheereenheden

Artikel 2.12 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat regels aan wildbeheereenheden, als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.13 Minimale oppervlakte wildbeheereenheden

Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van tenminste 7.500 hectare.

Artikel 2.14 Samenwerking tussen wildbeheereenheden en terrein beherende organisaties

Een wildbeheereenheid kan een platform organiseren waarin de relevante in haar werkgebied gelegen terrein beherende organisaties en grondgebruikers samenkomen om af te stemmen hoe uitvoering van het faunabeheerplan plaatsvindt.

Artikel 2.15 Begrenzing werkgebied wildbeheereenheden

1

De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de betreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.

2

Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.

3

Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.

4

De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het derde lid.

5

Door tussenkomst van Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies waarin het desbetreffende gebied is gelegen wordt de begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid bekendgemaakt in het provinciaal blad.

Artikel 2.16 Informatieoverdracht wildbeheereenheden

Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.

Hoofdstuk 3 Gereserveerd

Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten

Afdeling 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Gegevens en bescheiden

1

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het doen van een melding en het voldoen aan een informatieplicht zoals bedoeld in dit hoofdstuk, worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.

2

In Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de te verstrekken gegevens en bescheiden zoals bedoeld in het eerste lid en deze opnemen in Bijlage 10.

Artikel 4.2 Gelijkwaardigheid

(gereserveerd)

Afdeling 4.2 Natuur

Paragraaf 4.2.1 Natura 2000-activiteiten

Artikel 4.3 Toepassingsbereik

Natura2000-bufferzoneNatura2000

Deze paragraaf bevat de aanwijzing van gevallen als bedoeld in artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist.

Artikel 4.4 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen

Natura2000-bufferzoneNatura2000

Als gevallen als bedoeld in artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de werkingsgebieden natura2000 en Natura2000-bufferzone worden aangewezen de activiteiten en categorieën van activiteiten die genoemd zijn in Bijlage 4 , tenzij aan deze activiteiten beperkingen zijn gesteld in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beheerplan Natura 2000.

Paragraaf 4.2.2 Schadebestrijding

Artikel 4.5 Toepassingsbereik

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Deze paragraaf bevat regels die het grondgebruikers mogelijk maken om, wanneer aan de voorwaarden is voldaan, schade die veroorzaakt wordt door een aantal in het wild levende diersoorten te voorkomen en bestrijden.

Artikel 4.6 Oogmerk

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen en bestrijden van schade.

Artikel 4.7 Vergunningsvrije nestbehandeling vogels

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Het verbod in artikel 11.37, eerste lid, onder b en c van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het rapen, opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren van de in bijlage 5a aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteiten worden uitgevoerd op gronden van grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen; en

  • b.

    de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied dan wel het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.8 Vergunningsvrije directe schadebestrijding

1

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Het verbod van artikel 11.37, eerste lid, en artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het opzettelijk doden van de in bijlage 5b aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteiten vinden plaats met het oog op:

    • 1.

      het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op de gronden van de grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen;

    • 2.

      het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 11.52, tweede lid, onder c, onder 2° van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • b.

    de activiteiten worden uitsluitend uitgevoerd op gronden waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende gronden of wateren.

2

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

De in bijlage 5b aangewezen soorten worden alleen gedood ter ondersteuning van verjaging.

3

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van de, per soort in bijlage 5b benoemde, schades.

4

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

De activiteiten bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend uitgevoerd in de, per soort in bijlage 5b benoemde, periode.

5

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

De activiteiten bedoeld in het eerste lid worden, voor zover het kwetsbare gewassen betreft, uitsluitend uitgevoerd in aanvulling op het in werking hebben van tenminste twee preventieve maatregelen.

6

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Het eerste lid is niet van toepassing in door Gedeputeerde Staten aangewezen foerageergebieden in de perioden zoals beschreven in Artikel 4.8 , zevende Lid.

7

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Voor foerageergebieden geldt:

  • a.

    een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 april voor de grauwe gans en de kolgans;

  • b.

    een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 mei voor de brandgans;

  • c.

    een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 juni voor de rotgans.

8

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van het geweer en eventueel een hond als bedoeld in artikel 8.74p, eerste lid, onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

9

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Het verbod als bedoeld in artikel 11.83 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet als de activiteiten worden uitgevoerd vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang.

Artikel 4.9 Vergunningsvrije directe schadebestrijding - verjaagactie

1

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Gedode dieren worden voor het verlaten van het veld opgeruimd.

2

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Op de gronden waar de verjaagactie plaatsvindt, of op de direct daaraan grenzende gronden of wateren, worden per verjaagactie niet meer dan vier dieren per ingezet geweer gedood.

3

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Per verjaagactie worden maximaal vijf geweerdragers ingezet.

4

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Als de te verjagen dieren zijn verdreven, wordt een verjaagactie geacht te zijn beëindigd en vangt een nieuwe verjaagactie aan.

Artikel 4.10 Vergunningsvrije ruimtelijke inrichting of bestendig beheer

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de soorten, genoemd in bijlage 5c bij deze verordening, als de activiteit nodig is:

  • a.

    in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; of

  • b.

    het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

Artikel 4.11 Melding en rapportage

1

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Direct voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten als bedoeld in de artikel 4.7 , artikel 4.8 , artikel 4.9 en Artikel 4.10 maakt de grondgebruiker of degene aan wie namens hem conform artikel 11.44, vijfde lid, artikel 11.52, vijfde lid, en artikel 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestemming is verleend, hiervan melding bij het bevoegd gezag.

2

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Uiterlijk een maand na uitvoering wordt door de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid, en 11.58, zesde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestemming is verleend, aan een faunabeheereenheid gerapporteerd over de uitvoering van de handelingen onder vermelding van de locatie, de afschotcijfers of aantal behandelde nesten en eieren en de data waarop uitvoering van de handelingen heeft plaatsgevonden.

3

nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Uitvoering van de in de artikel 4.7, artikel 4.8 en artikel 4.9 bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het daartoe door de Stichting Faunabeheer Noord-Holland vastgestelde en door Gedeputeerde Staten conform artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet goedgekeurde faunabeheerplan.

Paragraaf 4.2.3 Houtopstanden en herbeplanting

Artikel 4.12 Toepassingsbereik

vellen van een houtopstand

Deze paragraaf voorziet in provinciale regels die gelden bij het vellen van houtopstanden als bedoeld in de Omgevingswet en is daarnaast mede van toepassing op het vellen van geknotte populieren of wilgen als bedoeld in artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.13 Oogmerk

vellen van een houtopstand

Deze paragraaf bevat regels met het oog op:

  • a.

    Het vastleggen van de manier van melding bij het vellen van een houtopstand om uniforme en tijdige meldingen te ontvangen;

  • b.

    Het stellen van eisen die gelden wanneer sprake is van een herplantingsplicht om zo een goede kwaliteit herplant te krijgen;

  • c.

    Het vaststellen welke aandachtspunten Gedeputeerde Staten moeten betrekken bij het eventueel stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere gronden om zo een goed gewogen besluit te nemen; en

  • d.

    Het stellen van voorwaarden waaronder de plicht tot herbeplanting niet geldt om regulier beheer en omvorming naar andere natuurdoeltypen conform provinciale ambities mogelijk te maken.

Artikel 4.14 Melding vellen houtopstand

vellen van een houtopstand

1

vellen van een houtopstand

Bij de melding worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.

2

vellen van een houtopstand

In Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten maatwerkregels kunnen stellen over de specifieke gegevens en bescheiden die moet worden ingediend bij een melding van het vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126 Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.15 Eisen aan herbeplanting

1

vellen van een houtopstand

Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is sprake indien:

  • a.

    de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;

  • b.

    de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand;

  • c.

    de te herplanten houtopstand, gelet op lokale ecologische omstandigheden, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • d.

    geen gebruik wordt gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, invasieve exotische soorten of andere soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse.

2

vellen van een houtopstand

Onverminderd het eerste lid geniet natuurlijke verjonging van de houtopstand bij inheemse soorten waar dat mogelijk is de voorkeur.

3

vellen van een houtopstand

Bij de uitvoering van maatregelen tot herbeplanting geldt dat:

  • a.

    zeer terughoudend gebruik wordt gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen;

  • b.

    de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gehouden.

Artikel 4.16 Uitzondering meldplicht en plicht tot herbeplanting

1

vellen van een houtopstand

Artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op het kappen van bomen voor verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte, waarbij de verjongingsgaten een maximum oppervlak hebben van 0,25 hectare en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel en het kappen maximaal één keer per vier jaar plaats vindt.

2

vellen van een houtopstand

Artikel 11.126 en 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op:

  • a.

    het vrijstellen van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

  • b.

    het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden bij vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

  • c.

    maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland.

Artikel 4.17 Herbeplanting op andere gronden

1

vellen van een houtopstand

Gedeputeerde Staten kunnen bij maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving, herplanting op andere grond dan de grond bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toestaan als:

  • a.

    de andere grond onbeplant is en vrij is van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    de andere grond vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en

  • c.

    geen beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden worden geschaad door de herbeplanting op deze andere grond.

2

vellen van een houtopstand oude bosgroeiplaatsen

Onverminderd het eerste lid betrekken Gedeputeerde Staten bij het stellen van een maatwerkvoorschrift of:

  • a.

    de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere houtopstand betreft met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie;

  • b.

    hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt;

  • c.

    de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.44 van de Omgevingswet; of

  • d.

    de betreffende houtopstand is gelegen ter plaatse van het werkingsgebied Oude bosgroeiplaatsen.

Paragraaf 4.2.4 Beoordelingsregels milieubelastende activiteit ammoniak en veehouderij

Artikel 4.18 Toepassingsbereik

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

Deze paragraaf bevat beoordelingsregels in verband met de gevolgen van de emissie van ammoniak op voor verzuring gevoelige gebieden waarmee rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van dat besluit, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf.

Artikel 4.19 Oogmerk

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van voor verzuring gevoelige gebieden tegen de gevolgen van de emissie van ammoniak op deze gebieden uit dierenverblijven van veehouderijen.

Artikel 4.20 Weigering nieuwe veehouderij

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

Een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd, als een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak .

Artikel 4.21 Uitzonderingen weigering nieuwe veehouderij

1

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

In afwijking van Artikel 4.20 wordt een omgevingsvergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en:

  • a.

    het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;

  • b.

    het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • c.

    de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • d.

    het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a;

  • e.

    het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is dan bedoeld onder a, of;

  • f.

    het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.

2

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

In afwijking van Artikel 4.20 wordt een omgevingsvergunning eveneens niet geweigerd, indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Artikel 4.22 Weigering wijziging veehouderij

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

Een omgevingsvergunning voor een wijziging in het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een wijziging in het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van dat besluit, wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in het werkingsgebied Beoordeling veehouderij en ammoniak.

Artikel 4.23 Uitzonderingen weigering wijziging veehouderij

1

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

In afwijking van Artikel 4.22 wordt de omgevingsvergunning niet geweigerd, voor zover:

  • a.

    de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

    • 1.

      zou mogen veroorzaken indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

    • 2.

      op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1;

  • b.

    in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • c.

    de uitbreiding schapen of paarden betreft;

  • d.

    de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of;

  • e.

    de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

2

wijzigen of starten van een veehouderijBeoordeling veehouderij en ammoniak

Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, dan wel Artikel 4.21 , eerste lid, onder c tot en met f, niet meegerekend.

Afdeling 4.3 Stiltegebieden

Artikel 4.24 Toepassingsbereik

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord.

Artikel 4.25 Oogmerk

activiteit in een stiltegebied Stiltegebieden

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van stilte in een gebied. Stilte heeft een positief effect op gezondheid en vergroot de belevingswaarde van landschap en natuur.

Artikel 4.26 Vaststelling stiltegebieden

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Als stiltegebied als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet wordt vastgesteld het werkingsgebied stiltegebieden , bestaande uit de gebieden zoals opgenomen in bijlage 9b .

Artikel 4.27 Normadressaat

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.28 Specifieke zorgplicht

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het stiltegebied, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Voor activiteiten in het werkingsgebied stiltegebieden houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • a.

    alle passende preventieve maatregelen tegen verstoring van het stiltegebied worden getroffen;

  • b.

    de beste beschikbare technieken worden toegepast; en

  • c.

    geen significante verstoring wordt veroorzaakt.

Artikel 4.29 Verboden activiteit

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is verboden in het werkingsgebied stiltegebieden vuurwerk te gebruiken.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor het gebruik van vuurwerk voor zover dit gebruik noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar.

Artikel 4.30 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - gebruik toestellen

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is in het werkingsgebied stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden kan worden verstoord.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in elk geval:

  • a.

    een knalapparaat;

  • b.

    een toestel om geluid voort te brengen, al dan niet gekoppeld aan een versterker, zoals een muziekinstrument, omroepinstallatie, sirene en hoorn;

  • c.

    een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen;

  • d.

    een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en

  • e.

    een vuurwapen.

3

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor het gebruik van een toestel:

  • a.

    bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

  • b.

    door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

  • c.

    voor de openbare veiligheid, de afwending van dreigend gevaar of in geval van nood;

  • d.

    bij de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

  • e.

    voor de openbare drinkwater- of energievoorziening;

  • f.

    voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of telecommunicatiewerken;

  • g.

    ten behoeve van het bouwen of het onderhoud van gebouwen;

  • h.

    ter bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; of

  • i.

    voor seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen.

4

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet bij het gebruik van een knalapparaat indien dit wordt gebruikt voor beheer en schadebestrijding, met dien verstande dat het aantal knallen maximaal drie per uur per gebruiker is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van totaal vier knallen per uur, waarbij elke gebruiker twee knallen per uur mag produceren.

5

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet bij gebruik van een toestel als bedoeld in het tweede lid onder a indien dit plaatsvindt in een woning, in of op het bijbehorende erf of tuin van een woning, dan wel een ander bij die woning behorend gebouw, mits het geluidsniveau op een afstand van 50 meter vanaf de activiteit minder dan LAeq,1h = 35 dB(A) bedraagt.

6

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vuurwapen indien dit wordt gebruikt:

  • a.

    ingeval het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; of

  • b.

    ter uitvoering van een jachtgeweeractiviteit.

Artikel 4.31 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - gebruik motorvoertuig

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een motorvoertuig te gebruiken buiten:

  • a.

    de openbare weg ;

  • b.

    voor bestemmingsverkeer openstaande wegen; en

  • c.

    andere locaties met de functie “Verkeer”.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor het gebruik van een motorvoertuig:

  • a.

    zonder verbrandings- of explosiemotor of dat elektrisch wordt aangedreven;

  • b.

    bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

  • c.

    door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

  • d.

    voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

  • e.

    voor het vervoer van een mindervalide in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • f.

    bij de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

  • g.

    voor de openbare drinkwater- of energievoorziening;

  • h.

    voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of telecommunicatiewerken;

  • i.

    ten behoeve van het bouwen of het onderhoud van gebouwen;

  • j.

    ter bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; of

  • k.

    voor seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen.

Artikel 4.32 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - toertocht motorvoertuigen

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht voor motorvoertuigen te houden of daaraan deel te nemen.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor een toertocht met elektrisch aangedreven motorvoertuigen.

Artikel 4.33 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - waterscooter en snel varen met een vaartuig

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is in het werkingsgebied Stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning:

  • a.

    met een waterscooter, jetski, of daarmee vergelijkbaar watersporttoestel te varen; of

  • b.

    met een vaartuig sneller te varen dan 9 km per uur, met dien verstande dat in het stiltegebied Waddenzee niet sneller mag worden gevaren dan 20 km per uur.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het verbod geldt niet voor het gebruik van een vaartuig:

  • a.

    zonder verbrandings- of explosiemotor of dat elektrisch wordt aangedreven;

  • b.

    bij het houden van toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels;

  • c.

    door een persoon met een opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; of

  • d.

    voor de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar.

Artikel 4.34 Omgevingsvergunningplichtige overige stilte verstorende activiteiten

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het is in het werkingsgebied stiltegebieden verboden zonder omgevingsvergunning een andere stilte verstorende activiteit dan bedoeld in de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.33 te verrichten.

Artikel 4.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in de Artikel 4.30 tot en met Artikel 4.34 kan slechts worden verleend indien de volgende belangen zich daar niet tegen verzetten:

  • a.

    het belang om de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden te ervaren; en

  • b.

    het belang van de natuurlijke rust in het werkingsgebied stiltegebieden.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in elk geval getoetst aan de volgende criteria:

  • a.

    nut en noodzaak;

  • b.

    plaats van de activiteit;

  • c.

    mate van verstoring; en

  • d.

    tijdsduur en periode waarbinnen de activiteit zich afspeelt.

3

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Het aantal activiteiten waarvoor per stiltegebied per kalenderjaar omgevingsvergunningen kunnen worden verleend is maximaal 12, elk met een tijdsduur van maximaal 24 uur.

4

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van het bepaalde in het derde lid.

5

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien het belang van de heersende natuurlijke rust in het stiltegebied dat vereist.

Artikel 4.36 Instructieregel omgevingsvergunning en maatwerkvoorschrift milieubelastende activiteit

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Artikel 6.67 is van overeenkomstige toepassing op:

  • a.

    het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • b.

    het stellen van maatwerkvoorschriften over milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.37 Plaatsing aanduiding stiltegebieden

1

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Gedeputeerde Staten maken de begrenzing van stiltegebieden op uniforme wijze kenbaar door een daartoe strekkende aanduiding ter plaatse.

2

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

De aanduidingen worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het stiltegebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.

3

activiteit in een stiltegebiedStiltegebieden

Bijlage 9a bij deze verordening bevat het model voor de aanduiding.

Afdeling 4.4 Bescherming waterwinning

Paragraaf 4.4.1 Algemeen

Artikel 4.38 Toepassingsbereik

WaterwingebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Deze afdeling gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden.

Artikel 4.39 Oogmerk

GrondwaterbeschermingsgebiedWaterwingebied

Deze afdeling bevat regels met het oog op de bescherming van waterwinning.

Artikel 4.40 Aanwijzing beschermingsgebieden

1

WaterwingebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Als beschermingsgebieden worden aangewezen het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied en het werkingsgebied Waterwingebied.

2

Grondwaterbeschermingsgebied

Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied , dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden waarvan een model is vastgesteld in bijlage 3a .

Artikel 4.41 Normadressaat

GrondwaterbeschermingsgebiedWaterwingebied

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.42 Specifieke zorgplicht

1

GrondwaterbeschermingsgebiedWaterwingebied

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2

WaterwingebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Degene die een activiteit verricht of doet verrichten waarbij zich een ongewoon voorval voordoet, informeert terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf.

Paragraaf 4.4.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 4.43 Toepassingsbereik

Grondwaterbeschermingsgebied

Deze paragraaf gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden.

Artikel 4.44 Verboden activiteiten

Grondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de in bijlage 3b opgenomen activiteiten te verrichten.

Artikel 4.45 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - boorputten

1

hebben of oprichten van een boorput in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied verboden zonder omgevingsvergunning boorputten op te richten of te hebben.

2

hebben of oprichten van een boorput in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het eerste lid geldt niet voor:

  • a.

    boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    boorputten voor het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits de BRL SIKB 2100 en protocol 2101 in acht wordt genomen;

  • d.

    boorputten voor de levering van bluswater in het geval van een calamiteit; en

  • e.

    boorputten voor de controle van de grondwaterstand;

mits scheidende lagen rond de buis of buizen in de boorput worden hersteld.

3

hebben of oprichten van een boorput in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 4.46 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - grond- of funderingswerken

1

uitvoeren van grond- of funderingswerkGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld.

2

uitvoeren van grond- of funderingswerkGrondwaterbeschermingsgebied

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:

  • a.

    bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; of

  • b.

    voor het inbrengen van palen: indien geen palen met verbrede voet worden gebruikt.

3

uitvoeren van grond- of funderingswerkGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 4.47 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - buisleidingen

leggen van buisleiding voor transport van gassen of vloeistoffen in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning een buisleiding voor transport van vloeistoffen of gassen te leggen of te hebben, die de bodem kunnen verontreinigen, met uitzondering van rioleringsbuizen.

Artikel 4.48 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - afstromend water

1

lozen van afstromend water op of in de bodem in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning water op of in de bodem te lozen.

2

lozen van afstromend water op of in de bodem in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het lozen vanaf bouwwerken, wegen en parkeerplaatsen indien geen risico voor verontreiniging van het grondwater bestaat.

3

lozen van afstromend water op of in de bodem in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de activiteit, bedoeld in het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor aanvang van de aanleg van het bouwwerk, de weg of de parkeerplaats te melden aan Gedeputeerde Staten.

4

lozen van afstromend water op of in de bodem in grondwaterbeschermingsgebiedGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.

Artikel 4.49 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - begraafplaats/uitstrooiveld

1

aanleggen uitstrooiveld of (dieren)begraafplaatsGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen.

2

aanleggen uitstrooiveld of (dieren)begraafplaatsGrondwaterbeschermingsgebied

Het eerste lid geldt niet voor het uitbreiden van een bestaande begraafplaats of een bestaand uitstrooiveld.

3

aanleggen uitstrooiveld of (dieren)begraafplaatsGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de activiteit, bedoeld in het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.50 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - energietoevoeging en -onttrekking

tot stand brengen van werken die (in)direct warmte en/of koude onttrekken of toevoegen aan bodemGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

Artikel 4.51 Omgevingsvergunningplichtige activiteit - verontreinigde grond en baggerspecie

1

toepassen van verontreinigde grond en baggerspecieGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied zonder omgevingsvergunning verontreinigde grond en baggerspecie toe te passen.

2

toepassen van verontreinigde grond en baggerspecieGrondwaterbeschermingsgebied

Het eerste lid geldt niet voor het toepassen van verontreinigde grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem.

3

toepassen van verontreinigde grond en baggerspecieGrondwaterbeschermingsgebied

Het is verboden de activiteit, bedoeld in het tweede lid, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin te melden aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1

Grondwaterbeschermingsgebied

De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid van de artikelen Artikel 4.45 t/m Artikel 4.51 kan worden verleend, indien:

  • a.

    er sprake is van een groot openbaar belang;

  • b.

    er geen reële alternatieven zijn; en

  • c.

    er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico.

2

Grondwaterbeschermingsgebied

Het bevoegd gezag stelt het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.53 Maatwerkvoorschriften

1

Grondwaterbeschermingsgebied

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een vergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51.

2

Grondwaterbeschermingsgebied

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf kan worden verbonden.

Paragraaf 4.4.3 Waterwingebieden

Artikel 4.54 Toepassingsbereik

overige activiteiten waterwingebiedWaterwingebied

Deze paragraaf gaat over activiteiten in waterwingebieden.

Artikel 4.55 Verboden activiteiten

1

overige activiteiten waterwingebiedWaterwingebied

Het is verboden om in het werkingsgebied waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten:

  • a.

    een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    het toepassen of aanwezig hebben van een voor de bodem schadelijke of potentieel schadelijke stof;

  • c.

    het op of in de bodem oprichten van een constructie of werk van welke aard dan ook als daarmee verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

  • d.

    grond of bagger toe te passen tenzij de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem; en

  • e.

    het tot stand brengen van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

2

overige activiteiten waterwingebiedWaterwingebied

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

  • a.

    het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder b anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of hebben gediend voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits de stof wordt bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende is beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; of

  • b.

    de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.

Afdeling 4.5 Ontgrondingen

Artikel 4.56 Toepassingsbereik

ontgrondingsactiviteit

Deze afdeling regelt de gevallen waarin in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit nodig is.

Artikel 4.57 Oogmerk

ontgrondingsactiviteit

Deze afdeling stelt regels met het oog op de doelmatige uitvoering van ontgrondingsactiviteiten.

Artikel 4.58 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen

1

ontgrondingsactiviteit

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten geldt, in afwijking van artikel 16.7, onder a, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.7, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven.’

2

ontgrondingsactiviteit

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten geldt, in aanvulling op artikel 16.7, onder g, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen.

Afdeling 4.6 Gesloten stortplaatsen

Artikel 4.59 Toepassingsbereik

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheerstortplaatsen Wet milieubeheer

Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats binnen het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer en het werkingsgebied beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer.

Artikel 4.60 Oogmerk

stortplaatsen Wet milieubeheerbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de bescherming van het milieu tegen mogelijk nadelige gevolgen;

  • b.

    de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder:

    • 1.

      de bereikbaarheid van benodigde voorzieningen te garanderen;

    • 2.

      te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en

    • 3.

      te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

Artikel 4.61 Normadressaat

beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheerstortplaatsen Wet milieubeheer

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.62 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten - stortplaatsen

1

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Het is verboden om in het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

  • a.

    werken te maken, te wijzigen of te behouden;

  • b.

    zich te ontdoen van stoffen , mengsels of voorwerpen; of

  • c.

    andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

2

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen:

  • a.

    bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; en

  • b.

    civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grond kerende constructies.

3

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen:

  • a.

    het plaatsen van een container; en

  • b.

    het deponeren van een partij grond.

4

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen:

  • a.

    het verrichten van milieubelastende activiteiten dan wel de wijziging daarvan;

  • b.

    grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter of waterbodembewerkingen;

  • c.

    het onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand;

  • d.

    het betreden met voertuigen; en

  • e.

    het ankeren van schepen.

5

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

6

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheer

Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.

Artikel 4.63 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten - beschermingszone

1

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

Het is verboden in het werkingsgebied beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering en werking van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

2

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

Onder de activiteiten bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval begrepen:

onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand welke enig effect kan hebben op de belangen zoals genoemd in Artikel 4.62.

3

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.

Artikel 4.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaatsstortplaatsen Wet milieubeheerbeschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.64 en Artikel 4.65 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in Artikel 4.62 genoemde belangen.

Artikel 4.65 Voorschriften omgevingsvergunning

beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheerstortplaatsen Wet milieubeheer

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.64 en Artikel 4.65 kunnen voorschriften worden verbonden over:

  • a.

    de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen;

  • b.

    het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en

  • c.

    het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

Artikel 4.66 Informatieplicht ongewoon voorval

1

stortplaatsen Wet milieubeheer

Gedeputeerde Staten worden door een ieder onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer.

2

stortplaatsen Wet milieubeheer

Zodra gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.67 Uitsluitend recht Afvalzorg Bodemservice B.V.

1

stortplaatsen Wet milieubeheer

Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen.

2

stortplaatsen Wet milieubeheer

Na afgifte van een verklaring van Gedeputeerde Staten tot sluiting van een stortplaats als bedoeld in de wet wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V.

3

stortplaatsen Wet milieubeheer

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de baggerstortplaats Amerikahaven te Amsterdam.

Afdeling 4.7 Varend ontgassen

Artikel 4.68 Toepassingsbereik

Varend ontgassen

Deze afdeling gaat over het ontgassen van benzeen en van bepaalde benzeen houdende koolwaterstoffen vanuit een ladingtank van binnenschepen tijdens de vaart op vaarwegen in het werkingsgebied Varend ontgassen.

Artikel 4.69 Oogmerk

Varend ontgassen

Deze afdeling bevat regels met het oog op de bescherming van het milieu en de volksgezondheid.

Artikel 4.70 Normadressaat

Varend ontgassen

Aan deze afdeling wordt voldaan door de vervoerder en de schipper. Deze dragen zorg voor de naleving van de regels over de milieubelastende activiteit.

Artikel 4.71 Verboden activiteiten

1

Varend ontgassen

Als milieubelastende activiteit wordt aangewezen het ontgassen van benzeen en van bepaalde benzeen houdende koolwaterstoffen vanuit een ladingtank van binnenschepen tijdens de vaart op vaarwegen binnen de provincie.

2

Varend ontgassen

Het is ter plaatse van het werkingsgebied Varend ontgassen verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in het eerste lid te verrichten voor zover het restladingdampen betreft van:

  • a.

    benzeen (UN-nummer 1114);

  • b.

    ruwe aardolie (UN-nummer 1267) voor zover met meer dan 10% benzeen;

  • c.

    aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1268);

  • d.

    brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1863);

  • e.

    brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1993); of

  • f.

    koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 3295).

3

Varend ontgassen

Van een restladingdamp als bedoeld in het tweede lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens van de desbetreffende stof.

4

Varend ontgassen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten andere stoffen dan genoemd in het tweede lid aan dit lid kunnen toevoegen, indien dit in het belang van de bescherming van het milieu is of indien deze stoffen gezondheidsschadelijke eigenschappen bevatten.

5

Varend ontgassen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten het percentage, genoemd in het derde lid, kunnen verlagen.

Artikel 4.72 Aanwijzing vergunningsvrije gevallen

1

Varend ontgassen

Het verbod, bedoeld in Artikel 4.73 , tweede Lid , is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat:

  • a.

    de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in Artikel 4.73 , tweede Lid ;

  • b.

    de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan genoemd in Artikel 4.73 , tweede Lid ;

  • c.

    het ontgassen noodzakelijk is om redenen van drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; of

  • d.

    het ontgassen noodzakelijk is om redenen van veiligheid tijdens of na een calamiteit met het binnenschip.

2

Varend ontgassen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten in aanvulling op het eerste lid gevallen kunnen aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in Artikel 4.73 , tweede Lid niet van toepassing is.

Afdeling 4.8 Vaarwegen

Artikel 4.73 Toepassingsbereik

1

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Deze afdeling gaat over activiteiten in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel waarvan het vaarwegbeheer door Gedeputeerde Staten wordt uitgevoerd.

2

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.74 Oogmerk

1

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen.

2

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen:

  • a.

    het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; en

  • b.

    de natuurbescherming.

Artikel 4.75 Normadressaat

activiteit op of nabij een provinciale vaarweg Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over die activiteit.

Artikel 4.76 Specifieke zorgplicht

1

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een vaarweg verricht en redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.76 , is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

De zorgplicht houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    geen stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg;

  • b.

    alle passende maatregelen worden genomen om hinder voor het scheepvaartverkeer te voorkomen; en

  • c.

    houtgewas, bomen of takken van bomen worden geplaatst of onderhouden zodat deze geen hinder voor het scheepvaartverkeer kunnen veroorzaken.

Artikel 4.77 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten

1

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een vaarweg de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied met betrekking tot die vaarweg:

  • a.

    een andere vaarweg op deze vaarwegen aan te sluiten;

  • b.

    een vaarweg te verleggen, te versmallen, de diepte te wijzigen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen; of

  • c.

    een werk boven, op, in, over, onder of langs een vaarweg te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen.

2

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten met betrekking tot een vaarweg door op, in, over, onder of langs een vaarweg vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen of deze te laten staan of liggen.

Artikel 4.78 Specifieke gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Bij de aanvraag omgevingsvergunning worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.

Artikel 4.79 Intrekken omgevingsvergunning

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg intrekken als de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd.

Artikel 4.80 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen, bedoeld in Artikel 4.76 , eerste Lid.

2

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen, bedoeld in Artikel 4.76 , tweede Lid.

Artikel 4.81 Voorschriften omgevingsvergunning

activiteit op of nabij een provinciale vaarwegVaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder:

  • a.

    verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en

  • b.

    bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt.

Artikel 4.82 Maatwerkvoorschriften

1

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden.

2

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

3

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel van Artikel 4.82 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.83 Informatieplicht ongewoon voorval

1

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Gedeputeerde Staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Zodra gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.84 Onderhoudsplicht

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Een onderhoudsplichtige van een oever langs een vaarweg houdt deze stevig en passend in de omgeving zodat deze in goede staat is.

Afdeling 4.9 Provinciale wegen

Artikel 4.85 Toepassingsbereik

1

activiteit langs een provinciale wegplaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot wegen in beheer van de provincie in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen.

2

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

Deze afdeling geldt niet voor activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 4.86 Oogmerk

plaatsen van een gedenktekenactiviteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

Deze afdeling bevat regels met het oog op:

  • a.

    het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; en

  • b.

    het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het wegbeheer, onderhoud of de wijziging daarvan.

Artikel 4.87 Normadressaat

activiteit langs een provinciale wegplaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.88 Specifieke zorgplicht

1

activiteit langs een provinciale wegplaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij de provincie verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de infrastructuur verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.88 , is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2

activiteit langs een provinciale wegplaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

  • a.

    het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd;

  • b.

    alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet; en

  • c.

    houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken.

Artikel 4.89 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten

1

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

Het is verboden om in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen zonder omgevingsvergunning een beperkingenactiviteit te verrichten door:

  • a.

    een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg , waaronder het aansluiten van een weg op een provinciale weg ;

  • b.

    een uitweg op een provinciale weg te maken, te hebben, te wijzigen of te verwijderen;

  • c.

    het gebruik van een uitweg op een provinciale weg te intensiveren, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de verandering niet leidt tot een groter risico voor de verkeersveiligheid;

  • d.

    aanduidingen, handelsreclame of licht- of geluidgevende voorzieningen in welke vorm dan ook te hebben, plaatsen of te wijzigen, anders dan in het kader van een veilig gebruik van de weg ;

  • e.

    werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen; of

  • f.

    stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen, neer te leggen of te laten staan.

2

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

Het verbod geldt niet voor het plaatsen en hebben van een gedenkteken langs de weg .

Artikel 4.90 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

1

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als:

  • a.

    verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer;

  • b.

    verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het belang van de bescherming van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van wegbeheer en wegonderhoud ; of

  • c.

    de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe uitweg op een provinciale weg.

2

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

In afwijking van het eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning worden verleend, als:

  • a.

    de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg of een erftoegangsweg;

  • b.

    er geen andere uitwegmogelijkheid beschikbaar is dan wel er sprake is van een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en de uitweg aantoonbaar zo verkeersveilig mogelijk is;

  • c.

    verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de belangen, bedoeld in Artikel 4.88 ; en

  • d.

    de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel of een tweede uitweg , als deze bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid.

Artikel 4.91 Voorschriften omgevingsvergunning

activiteit langs een provinciale wegBeperkingengebied provinciale wegen

Aan de omgevingsvergunning wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder:

  • a.

    verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en

  • b.

    bij het onderhoud de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten opvolgt.

Artikel 4.92 Melding gedenktekens

plaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Het is verboden in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen een gedenkteken te plaatsen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 4.93 Algemene regels gedenktekens

1

plaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Met het oog op het veilige gebruik van de provinciale weg wordt een gedenkteken niet aan wegmeubilair vastgemaakt.

2

plaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Een gedenkteken neemt niet meer dan 1 m2 grond in beslag.

3

plaatsen van een gedenktekenBeperkingengebied provinciale wegen

Een gedenkteken wordt uiterlijk 10 jaar na de datum van de melding verwijderd.

Artikel 4.94 Maatwerkvoorschriften

1

Beperkingengebied provinciale wegen

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden over Artikel 4.90 en Artikel 4.95.

2

Beperkingengebied provinciale wegen

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 4.95.

3

Beperkingengebied provinciale wegen

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf kan worden verbonden.

4

Beperkingengebied provinciale wegen

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift is de beoordelingsregel van Artikel 4.92 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.95 Informatieplicht ongewoon voorval

1

Beperkingengebied provinciale wegen

2

Beperkingengebied provinciale wegen

Zodra gegevens en bescheiden betreffende het ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid bekend zijn, worden deze verstrekt aan Gedeputeerde Staten.

Afdeling 4.10 Regionale luchthavens

Paragraaf 4.10.1 Algemeen

Artikel 4.96 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het luchthavengebied en het beperkingengebied van luchthavens van regionale betekenis met een luchthavenbesluit als bedoeld in afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart.

Artikel 4.97 Oogmerk

Deze afdeling bevat regels met het oog op het bieden van voldoende faciliteiten voor klein zakelijk vliegverkeer en helikopters, het bieden van voldoende faciliteiten aan de recreatieve functie van luchtvaart en in samenhang hiermee het in stand houden van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving.

Paragraaf 4.10.2 Luchthaven Hilversum

Artikel 4.98 Luchthavengebied Luchthaven Hilversum

1

Luchthavengebied luchthaven Hilversum

Als luchthavengebied, als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum.

2

Luchthavengebied luchthaven Hilversum

In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Hilversum zijn gelegen:

  • a.

    een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 069°-249°, met een lengte van 600 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in de Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109);

  • b.

    een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 179°-359°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109);

  • c.

    een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 123°-303°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109);

  • d.

    drie zweefvliegbanen, gelegen in de geografische richting 069°-249°, 179°-359° en 123°-303°.

Artikel 4.99 Gebruik Luchthaven Hilversum

Luchthavengebied luchthaven Hilversum

Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum, als bedoeld in Artikel 4.100, gelden de volgende regels:

  • a.

    De luchthavenexploitant is Stichting Vliegveld Hilversum of diens rechtsopvolger.

  • b.

    De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel:

    Baan

    Baankop

    X-coördinaat

    Y-coördinaat

    Grenswaarden enkel vliegtuigen met vaste vleugel in handhavingspunten

    Grenswaarden vliegtuigen en helikopters samen in handhavingspunten

    07/25

    07

    138.081

    466.988

    57,43 dB(A) Lden

    57,75 dB(A) Lden

     

    25

    138.833

    467.261

    52,96 dB(A) Lden

    54,65 dB(A) Lden

    13/31

    13

    138.008

    467.168

    52,62 dB(A) Lden

    53,54 dB(A) Lden

     

    31

    138.781

    466.650

    53,74 dB(A) Lden

    53,90 dB(A) Lden

    18/36

    18

    138.647

    467.528

    53,04 dB(A) Lden

    53,78 dB(A) Lden

     

    36

    138.653

    466.596

    54,19 dB(A) Lden

    54,68 dB(A) Lden

  • c.

    Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels:

    • 1.

      op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan, waarbij incidenteel gebruik door militaire vliegtuigen ook is toegestaan;

    • 2.

      op de luchthaven zijn luchtvaartuigen met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan;

    • 3.

      op de luchthaven zijn per gebruiksjaar maximaal 2.000 bewegingen met helikopters met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan;

    • 4.

      het is toegestaan, na toestemming van de havenmeester, om de luchthaven incidenteel te doen gebruiken door helikopters met een maximaal startgewicht van groter dan 6.000 kg;

    • 5.

      het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften, bedoeld in deel 5 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening EU 923/2012 onder SERA.5005, binnen de daglichtperiode;

    • 6.

      het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

      • i.

        uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting;

      • i.

        uitgevoerde vluchten worden niet meegeteld bij het aantal vliegbewegingen als bedoeld onder c; en

      • ii.

        de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode.

    • 7.

      het uitvoeren van circuitvluchten ten behoeve van het oefenen of het lesgeven in starten of landen en het uitvoeren van oefennaderingen met luchtvaartuigen, is verboden:

      • i.

        op werkdagen vóór 08.00 uur;

      • ii.

        op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 16.00 uur; en

      • iii.

        op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 16.00 uur.

    • 8.

      het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen met het doel valschermspringen te laten beoefenen is verboden:

      • i.

        op werkdagen vóór 08.00 uur;

      • ii.

        op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 18.00 uur, waarbij geldt dat vluchten na 18.00 uur wel zijn toegestaan, voor zover de frequentie na dat tijdstip die van vier vliegtuigbewegingen per kwartier niet te boven gaat en hoogte wordt gewonnen buiten gebieden met aaneengesloten bebouwing; en

      • iii.

        op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 18.00 uur.

    • 9.

      het uitvoeren van rondvluchten met luchtvaartuigen is verboden:

      • i.

        op werkdagen vóór 08.00 uur;

      • ii.

        op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 19.00 uur; en

      • iii.

        op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 19.00 uur.

    • 10.

      sub 7 tot en met 9 zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van Bijlage 16, volume I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 60 dB(A) bedraagt;

    • 11.

      sub 7 tot en met 9 zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 10 van Bijlage 16, volume I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 66 dB(A) bedraagt.

    • 12.

      binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 4.100 Beperkingengebieden Luchthaven Hilversum

10-5 risicocontour luchthaven HilversumHoogtebeperkingen luchthaven Hilversum48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum10-6 risicocontour luchthaven Hilversum56 dB(A) Geluidscontour luchthaven HilversumLuchthavengebied luchthaven HilversumVeiligheidsgebieden luchthaven Hilversum

Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Hilversum :

Paragraaf 4.10.3 Luchthaven Texel

Artikel 4.101 Luchthavengebied luchthaven Texel

1

Luchthavengebied luchthaven Texel

Als luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel.

2

Luchthavengebied luchthaven Texel

In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel zijn gelegen:

  • a.

    een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 036°-216°, met een lengte van 1.109 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 2 en codeletter C, zoals vermeld in de Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109);

  • b.

    een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 126°-306°, met een lengte van 622 meter en een breedte van minimaal 30 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109);

  • c.

    een landingsplaats ter grootte van 30 bij 30 meter voor het landen en opstijgen met helikopters.

Artikel 4.102 Gebruik Luchthaven Texel

Luchthavengebied luchthaven Texel

Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel als bedoeld in Artikel 4.103 gelden de volgende regels:

  • a.

    Luchthavenexploitant is Texel Airport NV of diens rechtsopvolger.

  • b.

    De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel:

    Baan

    Baanlengte

    Baankop

    Coordinaten X handhavingspunten

    Coordinaten Y handhavingspunten

    Grenswaarden

    04-22

    1.109m

    04

    117.403

    569.549

    63,0 dB(A) Lden

     
     

    22

    118.166

    570.612

    63,7 dB(A) Lden

    13-31

    622m

    13

    117.238

    569.868

    50,3 dB(A) Lden

     
     

    31

    117.905

    569.390

    50,3 dB(A) Lden

  • c.

    Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels:

    • 1.

      op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan.

    • 2.

      in afwijking van regel 1 zijn op de luchthaven per gebruiksjaar maximaal 100 vliegbewegingen met militaire vliegtuigen en militaire helikopters toegestaan;

    • 3.

      de havenmeester dient vooraf toestemming te verlenen voor het gebruik van het luchthavengebied voor zweefvliegtuigen;

    • 4.

      het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Luchtverkeersreglement, binnen de daglichtperiode, en overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Luchtverkeersreglement, tussen 07.00 en 21.00 uur plaatselijke tijd, voor zover deze periode buiten de uniforme daglichtperiode valt, uitsluitend voor het landen en opstijgen van helikopters die zijn uitgerust met blindvlieginstrumenten, met dien verstande dat dit geen les- en oefenvluchten zijn;

    • 5.

      het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

      • i.

        uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting; en

      • ii.

        de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode.

    • 6.

      binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december.

  • d.

    Voor het overige gebruik van de luchthaven gelden de volgende regels:

    • 1.

      de hoogte van de te gebruiken werk- en voertuigen, alsmede eventueel te plaatsen opstallen, beplantingen of anderszins, mag de betreffende door ICAO aangegeven hindernisvrije vlakken niet te boven gaan;

    • 2.

      alvorens het gebied rondom de VDF-pijler wordt betreden dient contact te worden opgenomen met de Luchtverkeersleiding Nederland te Schiphol in verband met de werking van de ter plaatse aanwezige VDF-pijler;

    • 3.

      indien bij of in de onmiddellijke omgeving van LVNL-kabels ten behoeve van de luchtvaarthulp- en/of communicatiemiddelen werkzaamheden worden uitgevoerd, dient tijdig overleg plaats te vinden met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directie Luchtvaart, afdeling Luchtvaartveiligheid.

Artikel 4.103 Beperkingengebieden luchthaven Texel

48 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel10-5 risicocontour luchthaven TexelHoogtebeperkingen luchthaven TexelVeiligheidsgebieden luchthaven Texel10-6 risicocontour luchthaven TexelLuchthavengebied luchthaven Texel56 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel

Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Texel :

Paragraaf 4.10.4 Luchthaven Loodswezen IJmuiden

Artikel 4.104 Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden

1

Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden

Als luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden.

2

Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden

Op de luchthaven is gelegen een landingsplaats ter grootte van 14 bij 14 meter, omgeven door een safety area van 7 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters.

Artikel 4.105 Gebruik Luchthaven Loodswezen IJmuiden

Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden

Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden als bedoeld in Artikel 4.106 gelden de volgende regels:

  • a.

    De luchthavenexploitant is het Nederlands Loodswezen B.V. of diens rechtsopvolger.

  • b.

    De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel:

    Handhavingspunt

    X

    Y

    Grenswaarde

    Oost

    101158

    498328

    68,1 dB(A) Lden

    West

    100961

    498289

    68,1 dB(A) Lden

  • c.

    voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels:

  • d.

    op de luchthaven zijn uitsluitend helikopters die worden ingezet voor het beloodsen van zeeschepen toegestaan, waarbij geldt dat incidenteel gebruik door niet-commerciële, niet-particuliere helikopters, na toestemming van de exploitant, is toegestaan;

  • e.

    het gebruik van de luchthaven vindt voor dagoperaties plaats zonder beperkingen;

  • f.

    het gebruik van de luchthaven vindt voor nachtoperaties plaats onder VMC (Visual Meteorological Conditions) en onder de voorwaarden gesteld bij de ontheffing van het VFR (Visual Flight Rules) vliegverbod bij nacht;

  • g.

    de luchthavenexploitant staat geen starts en landingen toe indien het in bedrijf zijn van een of meer windturbines van “Windpark Spuisluis” gelet op de windsnelheid en windrichting een risico vormt voor een veilige vluchtuitvoering;

  • h.

    binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 4.106 Beperkingengebieden Luchthaven Loodswezen IJmuiden

48 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuidenHoogtebeperkingen luchthaven Loodswezen IJmuidenLuchthavengebied Loodswezen IJmuiden10-6 risicocontour luchthaven Loodswezen IJmuiden56 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden

Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden :

Paragraaf 4.10.5 Luchthaven Amsterdam Heliport

Artikel 4.107 Luchthavengebied Amsterdam Heliport

1

Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport

Als luchthavengebied, als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport.

2

Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport

In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport zijn gelegen: een landingsplaats ter grootte van 24 bij 24 meter, omgeven door een safety area van 12 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters.

Artikel 4.108 Gebruik Amsterdam Heliport

Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport

Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport als bedoeld in Artikel 4.109 gelden de volgende regels:

  • a.

    De luchthavenexploitant is Amsterdam Heliport B.V. of diens rechtsopvolger.

  • b.

    De luchthavenexploitant laat op de luchthaven vliegbewegingen toe binnen de vastgestelde aantallen genoemd onder 3 zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, zoals opgenomen in deze tabel:

Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten

Handhavingspunt

X

Y

Grenswaarde

Noordoost

115405

492122

78,49 dB(A) Lden

Zuidwest

115349

491929

74,90 dB(A) Lden

  • c.

    Voor het luchtverkeer gelden de volgende regels:

    • 1.

      Op de luchthaven zijn uitsluitend VTOL (Vertical Take-Off and Landing) vluchten toegestaan.

    • 2.

      Op de luchthaven zijn jaarlijks ten hoogste 3.420 vliegbewegingen ten behoeve van commerciële of maatschappelijke helikopter toepassingen, niet zijnde rondvluchten, toegestaan.

    • 3.

      Op de luchthaven zijn jaarlijks ten hoogste 5.400 vliegbewegingen voor HEMS-vluchten toegestaan.

    • 4.

      Vliegbewegingen zoals bedoeld onder 2 mogen alleen uitgevoerd worden tijdens de dag- en avondperiode, waarbij per etmaal ten hoogste 60 vliegbewegingen mogen worden uitgevoerd waarvan ten hoogste 15 in de avondperiode.

    • 5.

      Binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 4.109 Beperkingengebieden Amsterdam Heliport

70 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport56 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport48 dB(A) Geluidscontour Amsterdam Heliport10-6 risicocontour Amsterdam HeliportLuchthavengebied luchthaven Amsterdam HeliportHoogtebeperkingen Amsterdam Heliport10-5 risicocontour Amsterdam Heliport

Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport:

Afdeling 4.11 Open bodemenergiesystemen

Artikel 4.110 Toepassingsbereik

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen.

Artikel 4.111 Oogmerk

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Deze afdeling bevat regels met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen.

Artikel 4.112 Normadressaat

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.113 Aanwijzing vergunningsvrije open bodemenergiesystemen

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is buiten interferentiegebieden niet vereist voor bodemenergiesystemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meter per uur.

Artikel 4.114 Informatieplicht

1

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit bedoeld in Artikel 4.115 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  • b.

    de hoeveelheid water die ten hoogste in de bodem wordt gebracht en de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken, in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar;

  • c.

    een beschrijving van de hydrologische en hydrothermische gevolgen van het in de bodem brengen van water en het onttrekken van grondwater;

  • d.

    de maximale temperatuur in graden Celsius van het water dat in de bodem wordt gebracht;

  • e.

    de coördinaten van elke put;

  • f.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  • g.

    de lengte in meters van het effectieve filter in elke put;

  • h.

    de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het bodemenergiesysteem zal voorzien in megawattuur per jaar;

  • i.

    de lozingsroute van het afvalwater; en een verklaring van degene die het open bodemenergiesysteem ontwerpt over het energierendement dat het systeem zal behalen, uitgedrukt als SPF, dat wordt berekend volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd;

Qk: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd;

E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt; en

G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt.

2

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Bij het voldoen aan de informatieplicht bedoeld in het eerste lid worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.

3

aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

Afdeling 4.12 Grondwaterverontreiniging

Artikel 4.115 Informatieplicht toevalsvondst

Burgemeester en wethouders informeren terstond Gedeputeerde Staten bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m3.

Artikel 4.116 Informatieplicht bij sanering historische gevallen van verontreiniging

Degene die een historische bodemverontreiniging saneert, informeert terstond Gedeputeerde Staten indien de grondwaterverontreiniging groter blijkt te zijn dan 6000 m3 en dit nog niet bekend is.

Artikel 4.117 Rapportageplicht grote gemeenten over aanpak van historische gevallen

Burgemeester en wethouders van de gemeenten Alkmaar, Amsterdam, Haarlem en Zaanstad rapporteren jaarlijks voor 1 maart aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de aanpak van verontreinigingen met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.

Artikel 4.118 Uitsluitend recht Afvalzorg Bodemservice BV

1

Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 in geval van nazorg en beheer in het kader van grond- en grondwatersaneringen in opdracht van de provincie.

2

Indien na sanering door, namens, in opdracht van of op verzoek van de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorg- of beheersmaatregelen, zowel lokaal als gebiedsgericht, noodzakelijk zijn, die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V.

Afdeling 4.13 Zwemwater

Artikel 4.119 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocaties, als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.120 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid van zwemlocaties en de gezondheid van gebruikers van zwemlocaties.

Artikel 4.121 Aanwijzen houder zwemlocatie

Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks een houder aan voor elke door hen aangewezen zwemlocatie.

Artikel 4.122 Verplichtingen houder zwemlocatie

De houder van een door Gedeputeerde Staten aangewezen zwemlocatie:

  • a.

    draagt zorg voor de veiligheid van de zwemlocatie en het beschermen van de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie en neemt daartoe maatregelen die redelijkerwijs van diegene mogen worden verwacht;

  • b.

    plaatst gedurende het badseizoen borden om bezoekers van de zwemlocatie te informeren over een waarschuwing of negatief zwemadvies; en

  • c.

    stelt Gedeputeerde Staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam onverwijld op de hoogte van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie of de gezondheid van bezoekers van de zwemlocatie.

Artikel 4.123 Maatwerkvoorschriften

1

Gedeputeerde Staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over de verplichtingen van de houder van een zwemlocatie.

2

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van Artikel 4.124.

Hoofdstuk 5 Omgevingswaarden

Afdeling 5.1 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Regionale waterkeringen

Deze afdeling gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen.

Artikel 5.2 Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen

1

Regionale waterkeringen

Ter plaatse van het werkingsgebied Regionale waterkeringen geldt als omgevingswaarde veiligheid, aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar, de ter plaatse van het werkingsgebied als omgevingswaarde veiligheid vastgelegde waarde.

2

Regionale waterkeringen

De omgevingswaarde veiligheid is een resultaatverplichting.

3

Regionale waterkeringen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten het tijdstip vaststellen waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.

4

Regionale waterkeringen

Het waterschapsbestuur kan Gedeputeerde Staten gemotiveerd verzoeken tot wijziging van het tijdstip bedoeld in het derde lid voor een regionale waterkering, indien:

  • a.

    het voldoen aan de omgevingswaarde op het desbetreffende tijdstip onevenredig kostbaar is;

  • b.

    door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat op het desbetreffende tijdstip niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of

  • c.

    ondanks de verrichte handelingen daartoe niet op het desbetreffende tijdstip is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.

Artikel 5.3 Technische leidraad en voorschriften veiligheid regionale waterkeringen

1

Regionale waterkeringen

Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap.

2

Regionale waterkeringen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen aan de door het dagelijks bestuur van het waterschap te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vaststellen.

Afdeling 5.2 Omgevingswaarden voor wateroverlast

Artikel 5.4 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen.

Artikel 5.5 Omgevingswaarden wateroverlast

1

Als omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming per jaar geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom als norm:

  • a.

    1/100 per jaar voor bebouwing , hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium 0%;

  • b.

    1/50 per jaar voor glastuinbouw met maaiveldcriterium 1%;

  • c.

    1/10 per jaar voor het overige gebied met maaiveldcriterium 5%.

2

Als omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming per jaar geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom als norm:

  • a.

    1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium van 0%;

  • b.

    1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw met maaiveldcriterium 1%;

  • c.

    1/25 per jaar voor akkerbouw met maaiveldcriterium 1%;

  • d.

    1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober met maaiveldcriterium 5%.

3

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a geldt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom de norm van het omringend landgebruik genoemd in het tweede lid, aanhef, onder b, c of d.

4

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder d geldt binnen de beheersgebieden van Waterschap Amstel, Gooi en vecht en Hoogheemraadschap van Rijnland voor grasland de norm van 1/10 per jaar met maaiveldcriterium 10%.

5

Omgevingswaarde wateroverlast

In afwijking van het eerste en tweede lid gelden ter plaatse van het werkingsgebied Omgevingswaarde Wateroverlast de ter plaatse van het werkingsgebied als normen en maaiveldcriteria vastgelegde gebiedswaarden.

6

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

7

Aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2028.

8

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald, dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de noodzaak van het voorkomen van bodemdaling en inklinking.

Artikel 5.6 Bepaling landgebruik omgevingswaarde wateroverlast

1

Voor de toepassing van Artikel 5.5 , tweede Lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in het omgevingsplan bepalend. Indien een omgevingsplan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het meest recente Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

2

Voor de bepaling van het landgebruik natuur mag gebruik worden gemaakt van de meest recente voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk waarop gebieden zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd of van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

Afdeling 5.3 Omgevingswaarden geluidproductie

Artikel 5.7 Geluidproductieplafonds provinciale wegen

1

Wegen met provinciale geluidproductieplafonds

Als wegen in beheer bij de provincie waarvoor Provinciale Staten aan weerszijden geluidproductieplafonds vaststellen, wordt aangewezen het werkingsgebied Wegen met provinciale geluidproductieplafonds.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de geluidproductieplafonds vaststellen.

Artikel 5.8 Geluidproductieplafonds industrieterreinen

1

Industrieterrein met provinciale geluidproductieplafonds

Als industrieterreinen waarvoor Provinciale Staten geluidproductieplafonds vaststellen, wordt aangewezen het werkingsgebied Industrieterrein met provinciale geluidproductieplafonds.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de geluidproductieplafonds vaststellen.

Hoofdstuk 6 Instructieregels

Afdeling 6.1 Programma's

Paragraaf 6.1.1 Waterprogramma's

Artikel 6.1 Waterbeheerprogramma

1

Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste:

  • a.

    de beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt;

  • b.

    het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • c.

    de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • d.

    een raming van de kosten van de gedurende de programmaperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode; en

  • e.

    een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de omgevingswaarde met het oog op het voorkomen en beperken van wateroverlast als bedoeld in artikel 5.5 van deze verordening.

2

Bij de motivering van het waterbeheerprogramma worden in ieder geval betrokken:

  • a.

    de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

  • b.

    welke maatregelen in het regionaal waterprogramma worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen.

Paragraaf 6.1.2 Beheerplannen Natura 2000

Paragraaf 6.1.3 Faunabeheer

Artikel 6.2 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een faunabeheereenheid

Artikel 6.3 Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan

1

Een faunabeheerplan bevat:

  • a.

    een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren;

  • b.

    een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren; en

  • c.

    een rapportage van de uitoefening van de jacht.

2

Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

3

Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.

4

Gedeputeerde Staten kunnen eenmaal instemmen met een verzoek van de faunabeheereenheid om de geldigheidsduur van een faunabeheerplan te verlengen voor de duur van maximaal een jaar.

Artikel 6.4 Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen

1

Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan; en

  • b.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; en

  • c.

    de door dierenwelzijnsorganisaties uitgebrachte adviezen als bedoeld in Artikel 2.11 Samenstelling faunabeheereenheid , derde Lid.

2

Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen;

  • b.

    gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een vastgesteld telprotocol en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als bedoeld in Artikel 2.11;

  • c.

    relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en

  • d.

    bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.

Artikel 6.5 Eisen aan een faunabeheerplan – duurzaam beheer van populaties

Indien sprake is van duurzaam beheer van populaties, bevat een faunabeheerplan tevens:

  • a.

    een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten;

  • f.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat ten minste de volgende gegevens:

    • 1.

      een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;

    • 2.

      een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; en

    • 3.

      per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn.

  • g.

    voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

  • h.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • i.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en

  • j.

    per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient.

Artikel 6.6 Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade

Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens:

  • a.

    een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • f.

    een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;

  • h.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  • i.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • k.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  • l.

    per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient; en

  • m.

    een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.

Artikel 6.7 Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht

Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens:

  • a.

    kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en

  • b.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.

Artikel 6.8 Uitzonderingsbepaling

Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze paragraaf, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf 6.1.4 Actieprogramma geluid

Afdeling 6.2 Omgevingsplannen

Paragraaf 6.2.1 Algemeen

Artikel 6.9 Uitvoeringstermijn

(gereserveerd)

Artikel 6.10 Bestaande situaties

1

Voor zover in deze afdeling gebruik wordt gemaakt van het begrip bestaand wordt hieronder begrepen:

  • a.

    op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig;

  • b.

    op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het toepasselijke omgevingsplan moet of kan worden verleend; of

  • c.

    op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend omgevingsplan toegestaan.

2

Indien het eerste lid van toepassing is op bebouwing, kan het omgevingsplan het vervangen van deze bebouwing door bebouwing van gelijke aard en omvang toestaan.

Artikel 6.11 Ontheffingsbevoegdheid

1

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid van de Omgevingswet, van de regels in afdeling 6.2.

2

Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden indien de belangen die gediend worden met de regels waarvan ontheffing wordt verleend dat noodzakelijk maken.

3

Een verleende ontheffing vervalt indien niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.

4

Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt gevraagd;

  • b.

    een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd;

  • c.

    een verbeelding van het beoogde werkingsgebied van de gevraagde ontheffing.

Paragraaf 6.2.2 Stedelijke functies

Subparagraaf 6.2.2.1 Algemeen

Artikel 6.12 Toepassingsbereik

Landelijk gebied

Deze paragraaf gaat over:

  • a.

    nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor het gehele provinciale grondgebied;

  • b.

    voormalige agrarische bouwpercelen in het werkingsgebied landelijk gebied ; en

  • c.

    kleinschalige ontwikkelingen, niet zijnde kleinschalige woningbouwontwikkelingen, in het werkingsgebied landelijk gebied.

Artikel 6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen

1

Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen over de afspraken bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.14 Kleinschalige ontwikkelingen

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling, als:

  • a.

    de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar stedelijke activiteiten zijn toegestaan;

  • b.

    het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en

  • c.

    het aantal burgerwoningen niet toeneemt.

Artikel 6.15 Voormalige agrarische bouwpercelen

1

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het voorzien in de mogelijkheid dat de rechtmatig aanwezige bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgactiviteiten, indien:

  • a.

    sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf;

  • b.

    deze activiteiten de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperken;

  • c.

    er geen buitenopslag buiten het bouwperceel plaatsvindt;

  • d.

    deze activiteiten aantoonbaar geen onevenredige verkeer aantrekkende werking hebben en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie;

  • e.

    benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd;

  • f.

    in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgactiviteiten; en

  • g.

    in geval van verblijfsrecreatie permanente bewoning wordt verboden.

2

In aanvulling op het eerste lid kan bij een gebruiksgerichte paardenhouderij worden voorzien in een paardenbak, indien deze wordt gerealiseerd binnen het voormalige agrarische bouwperceel.

3

Het omgevingsplan kan voorzien in het toestaan van een burgerwoning, indien:

  • a.

    sprake is van een rechtmatig aanwezige agrarische bedrijfswoning;

  • b.

    de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperkt;

  • c.

    sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; en

  • d.

    de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.

4

In aanvulling op het derde lid kan het omgevingsplan voorzien in het toestaan van een tweede burgerwoning, indien meer dan 1.000 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.

5

In aanvulling op het derde lid kan een omgevingsplan voorzien in het toestaan van meerdere burgerwoningen, indien deze worden gerealiseerd in een bestaande karakteristieke boerderij en geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.

6

In aanvulling op het vierde lid kan het omgevingsplan voorzien in een derde burgerwoning indien in de motivering wordt onderbouwd dat deze derde burgerwoning noodzakelijk is om een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie mogelijk te maken.

7

Afwijking van het in het vierde lid genoemde aantal of oppervlakte is mogelijk indien toepassing wordt gegeven aan een gemeentelijk of intergemeentelijk vereveningsfonds.

8

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de aard en omvang van de in het eerste lid genoemde activiteiten en over de toepassing van het zesde lid.

Artikel 6.16 Schuilstallen

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het voorzien in de bouw van een schuilstal, als:

  • a.

    deze uitsluitend is bedoeld als schuilvoorziening voor dieren voor weersomstandigheden;

  • b.

    het grondoppervlak van de schuilstal niet meer bedraagt dan 30 m2; en

  • c.

    er niet meer dan één schuilstal per perceel met een minimumomvang van 5.000 m2 wordt gebouwd.

Subparagraaf 6.2.2.2 Kleinschalige woningbouwontwikkeling en transformatie naar woningbouw in landelijk gebied

Artikel 6.17 Toepassingsbereik

Landelijk gebied

Deze subparagraaf gaat over:

  • a.

    Kleinschalige woningbouwontwikkeling in het werkingsgebied Landelijk gebied ;

  • b.

    transformatie van stedelijke voorzieningen naar wonen in het werkingsgebied Landelijk gebied.

Artikel 6.18 MRA landelijk gebied

1

MRA - Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied MRA - Landelijk gebied voorziet het niet in een kleinschalige woningbouwontwikkeling.

2

Agrarische bedrijven

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in maximaal twee burgerwoningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, indien:

  • a.

    op de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is;

  • b.

    de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet beperkt;

  • c.

    sprake is van volledige beëindiging van de bestaande stedelijke voorziening;

  • d.

    de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt; en

  • e.

    voor een tweede burgerwoning meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt.

Artikel 6.19 Noord-Holland Noord landelijk gebied

1

Noord-Holland Noord - Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied kan het alleen voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.

2

De in het eerste lid genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten.

3

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in maximaal twee burgerwoningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, indien:

  • a.

    de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is;

  • b.

    de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet beperkt;

  • c.

    sprake is van volledige beëindiging van de bestaande stedelijke voorziening;

  • d.

    de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt; en

  • e.

    voor een tweede burgerwoning meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt.

4

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de afspraken bedoeld in het eerste lid.

Subparagraaf 6.2.2.3 Detailhandel

Artikel 6.20 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over detailhandel.

Artikel 6.21 Detailhandel algemeen

1

Een omgevingsplan maakt geen nieuwe detailhandelsbedrijven buiten bestaande winkelgebieden mogelijk, tenzij wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden.

2

Een omgevingsplan kan alleen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m2 winkelvloeroppervlak binnen of aansluitend op bestaande winkelgebieden mogelijk maken, als:

  • a.

    wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en

  • b.

    de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.

3

Bij bestaande winkelgebieden die groter zijn 25.000 m2 winkelvloeroppervlak geldt het gestelde in het tweede lid bij uitbreiding van detailhandel met meer dan 3.000 m2 winkelvloeroppervlak.

Artikel 6.22 Detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties

1

Een omgevingsplan kan alleen nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van:

  • a.

    een afhaalpunt ten behoeve van internethandel;

  • b.

    detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit;

  • c.

    brand- of explosiegevaarlijke detailhandel; of

  • d.

    Volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is.

2

Als het totaal winkelvloeroppervlak van de nieuwe volumineuze detailhandel meer dan 1.500 m2 bedraagt, geldt aanvullend dat:

  • a.

    dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden ; en

  • b.

    de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.

Artikel 6.23 Detailhandel in landelijk gebied

Landelijk gebied

Een omgevingsplan maakt ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied geen nieuwe detailhandelsbedrijven mogelijk, tenzij

  • a.

    deze onderdeel vormt van een nieuw winkelgebied in een grootschalige stads- of dorpsontwikkeling;

  • b.

    wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden ; en

  • c.

    bij nieuwe detailhandel van meer dan 1.500 m2 winkelvloeroppervlak de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.

Subparagraaf 6.2.2.4 Verblijfsrecreatie

Artikel 6.24 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie.

Artikel 6.25 Verblijfsrecreatie

1

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied borgt het bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie de geformuleerde ambities van de binnen een regio opgestelde afspraken voor verblijfsrecreatie.

2

Het omgevingsplan voorziet bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie alleen in de mogelijkheid voor kort verblijf waarbij de verblijfsrecreant elders een hoofdverblijf heeft.

3

Het omgevingsplan stelt voor reeds bestaande bedrijfsmatig geëxploiteerde parken en alle nieuw te vestigen verblijfsrecreatie regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie.

Artikel 6.26 Tijdelijke regel transformatie recreatieparken

1

Noord-Holland Noord - Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied kan het voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een stedelijke voorziening, indien:

  • a.

    het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027;

  • b.

    in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft;

  • c.

    de fysieke uitstraling van de locatie op de omgeving naar aard en omvang gelijkwaardig blijft, waarbij het toegestane bebouwde oppervlak in ieder geval niet mag toenemen; en

  • d.

    sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;.

2

Bij toepassing van het eerste lid kan worden afgeweken van Artikel 6.19 , tweede Lid en Artikel 6.19 , derde Lid.

3

Het omgevingsplan kan voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een tijdelijke stedelijke voorziening, indien:

  • a.

    het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027;

  • b.

    in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft;

  • c.

    in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat de realisatie van de tijdelijke stedelijke voorziening noodzakelijk is voor de economische uitvoerbaarheid van de omzetting naar een niet-stedelijke voorziening;

  • d.

    het een tijdelijke stedelijke voorziening betreft met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar;

  • e.

    het omgevingsplan borgt dat het recreatiepark na deze termijn wordt omgezet in een niet-stedelijke voorziening; en

  • f.

    sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4

Bij toepassing van het derde lid kan worden afgeweken van Artikel 6.13, Artikel 6.19 , tweede Lid en Artikel 6.19 , derde Lid en Artikel 6.59 , tweede Lid.

5

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de toepassing van dit artikel.

Subparagraaf 6.2.2.5 Logiesactiviteiten op bedrijventerreinen

Artikel 6.27 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het toestaan van logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers op bedrijventerreinen.

Artikel 6.28 Logiesactiviteiten werknemers bedrijventerrein

1

Een omgevingsplan kan alleen logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers op een bedrijventerrein mogelijk maken indien:

  • a.

    de logiesactiviteiten zien op kort verblijf ;

  • b.

    op de locatie kan worden voorzien in een aanvaardbaar leef-/verblijfklimaat, mede gelet op de situering van de logiesactiviteiten op het bedrijventerrein en de aanwezigheid van stedelijke voorzieningen in de nabije omgeving;

  • c.

    omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; en

  • d.

    de logiesactiviteiten worden toegestaan voor een periode van maximaal 10 jaar.

2

In het omgevingsplan wordt in de toelichting gemotiveerd dat:

  • a.

    wordt voorzien in een regionale behoefte aan logiesplekken ten behoeve van werknemers; en

  • b.

    de locatie van de logiesactiviteiten niet benodigd is voor het bedrijventerrein.

Subparagraaf 6.2.2.6 Industrieterreinen van provinciaal belang

Artikel 6.29 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied.

Artikel 6.30 Industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied

1

Industrieterrein van provinciaal belang

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Industrieterrein van provinciaal belang, wordt de hoogst mogelijke milieucategorie van de staat van bedrijfsactiviteiten niet verlaagd.

2

Het omgevingsplan voorziet, indien bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger van de staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alleen in een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit:

  • a.

    ten behoeve van de energietransitie of circulaire activiteiten en bedrijven; of

  • b.

    ten behoeve van havengebonden of havengerelateerde activiteiten.

3

In afwijking van het tweede lid is het tijdelijk gebruik van gronden toegestaan, indien het gebruik:

  • a.

    de benodigde fysieke en milieugebruiksruimte voor de energietransitie, circulaire activiteiten en bedrijven of havengebonden of havengerelateerde activiteiten niet beperkt; en

  • b.

    ten hoogste vijf jaar duurt.

Artikel 6.31 Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang

Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang , voorziet het alleen in een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit, als:

  • a.

    er geen beperkingen optreden voor de bestaande milieugebruiksruimte voor geluid, geur of omgevingsveiligheid voor bedrijven op het industrieterrein van provinciaal belang; en

  • b.

    in het geval van woningen of andere milieugevoelige objecten:

    • 1.

      rekening wordt gehouden met de milieubelasting van het industrieterrein van provinciaal belang op de desbetreffende locatie; en

    • 2.

      de redenen worden vermeld om op de desbetreffende locatie een nieuw milieugevoelig object toe te staan, voorzien van een afweging over de verwachte kwaliteit van de leefomgeving, de aan de zijde van de ontvanger zo nodig te treffen maatregelen alsmede de uitkomsten van onderzoek naar de haalbaarheid van die maatregelen.

Artikel 6.32 Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang

Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang is Artikel 6.31 van overeenkomstige toepassing.

Subparagraaf 6.2.2.7 Wonen binnen de LIB 5 zone Schiphol

Artikel 6.33 Toepassingsbereik

LIB 5 zone Schiphol

Deze subparagraaf ziet op het toevoegen van woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol, zijnde het afwegingsgebied 5 zoals bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.

Artikel 6.34 Woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol

LIB 5 zone Schiphol

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied LIB 5 zone Schiphol staat het alleen nieuwe woningen toe, als in de motivering van het omgevingsplan rekenschap wordt gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en de redenen worden vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen toe te staan.

Paragraaf 6.2.3 Duurzame energie

Subparagraaf 6.2.3.1 Windenergie

Artikel 6.35 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines.

Artikel 6.36 Windturbines in RES zoekgebieden

1

Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1

Een omgevingsplan mag uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1 voorzien in het bouwen, vervangen of opschalen van een of meer windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter als;

  • a.

    de windturbines zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast;

  • b.

    aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd over de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines .

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.37 Kleine windturbines in landelijk gebied

1

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van Artikel 6.36 , ook buiten de zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord 1.0 en Noord-Holland Zuid 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine, als:

  • a.

    de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan;

  • b.

    de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld;

  • c.

    de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing ; en

  • d.

    de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.38 Vervanging windturbines

In afwijking van Artikel 6.36 kan een omgevingsplan ook buiten de zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord 1.0 en Noord-Holland Zuid 1.0 vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines mogelijk maken mits sprake is van eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm.

Subparagraaf 6.2.3.2 Zonne-energie

Artikel 6.39 Toepassingsbereik

Landelijk gebied

Deze subparagraaf gaat over het oprichten van opstellingen voor zonne-energie in het werkingsgebied Landelijk gebied.

Artikel 6.40 Opstellingen voor zonne-energie

1

Landelijk gebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied is het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie uitsluitend mogelijk als:

  • a.

    een termijnstelling geldt van maximaal 25 jaar, waarbij geldt dat na het verstrijken van deze termijn de bestaande toestand wordt hersteld; en

  • b.

    voor het gestelde onder a financiële zekerheid wordt gesteld.

2

Landelijk gebied

De termijnstelling als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie op locaties die in gebruik zijn als nutsvoorziening, voor de waterhuishouding, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of infrastructuur voor het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit.

3

Landelijk gebied

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Paragraaf 6.2.4 Land- en tuinbouw

Artikel 6.41 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de land- en tuinbouw en daarmee samenhangende activiteiten.

Artikel 6.42 Agrarische bedrijven

1

Agrarische bedrijven

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied agrarische bedrijven kan het voorzien in agrarische bedrijven , waarbij geldt dat:

  • a.

    nieuwe glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan;

  • b.

    nieuwe zaadveredelingsbedrijven niet zijn toegestaan;

  • c.

    bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt;

  • d.

    bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor agrarische activiteiten worden benut en op het combineren van agrarische activiteiten op bestaande bouwpercelen;

  • e.

    in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft;

  • f.

    in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven , sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies ;

  • g.

    per volwaardig agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning kan worden toegestaan;

  • h.

    in afwijking van onderdeel g een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering;

  • i.

    kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien;

    • 1.

      de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en

    • 2.

      het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft;

  • j.

    indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap, het omgevingsplan een verbod bevat op het scheuren van grasland.

2

Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat:

  • a.

    uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgactiviteiten zijn toegestaan; en

  • b.

    de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel.

3

Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan,

  • a.

    indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft;

  • b.

    het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en

  • c.

    de omvang van een bouwperceel na toepassing van onderdeel a of onderdeel b ten hoogste 2 hectare bedraagt.

Artikel 6.43 Intensieve veehouderij

1

Een omgevingsplan voorziet niet in de nieuwvestiging van intensieve veehouderij of de al dan niet gedeeltelijke omschakeling van bestaande agrarische bedrijven naar intensieve veehouderij.

2

In afwijking van het eerste lid is vestiging van intensieve veehouderij mogelijk indien dit zich richt op verplaatsing van op 30 november 2011 in Noord-Holland bestaande intensieve veehouderij.

3

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een bestaande intensieve veehouderij zoals bedoeld in het tweede lid, geldt bij uitbreiding dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren.

Artikel 6.44 Geitenhouderijen

1

Een omgevingsplan voorziet niet in:

  • a.

    nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als neventak;

  • b.

    het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een agrarisch bedrijf naar geitenhouderij; of

  • c.

    het uitbreiden van een geitenhouderij, door het aantal geiten dat wordt gehouden te vergroten.

2

Voor de bepaling van het aantal aanwezige geiten als bedoeld in het eerste lid, kan gebruik worden gemaakt van het aantal geiten zoals opgenomen in:

  • a.

    een melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving indien deze melding heeft plaatsgevonden vóór 12 december 2018; of

  • b.

    het I&R-systeem zoals bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren of een daarmee gelijk te stellen registratiesysteem indien deze registratie heeft plaatsgevonden vóór 12 december 2018.

Artikel 6.45 Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan

Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan kan het grondbewerkingen zoals bezanden, omzetten en opspuiten ten behoeve van de permanente bollenteelt toestaan.

Artikel 6.46 Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten

Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten , sluit het grondbewerkingen zoals bezanden, omzetten en opspuiten ten behoeve van de permanente bollenteelt uit.

Artikel 6.47 Glastuinbouwconcentratiegebied

Glastuinbouwconcentratiegebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied kan het voorzien in glastuinbouwbedrijven, waarbij geldt dat:

  • a.

    er geen maximum omvang van het bouwperceel geldt.

  • b.

    de bebouwing op het bouwperceel, met uitzondering van de bedrijfswoning bedoeld onder d, voor ten minste 85% bestaat uit kassen.

  • c.

    in afwijking van onderdeel b kan het daar genoemde percentage worden verlaagd tot 70% indien dit noodzakelijk is voor bedrijfsfuncties gericht op zaadveredeling, plantveredeling of scholing of onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw.

  • d.

    per volwaardig glastuinbouwbedrijf ten hoogste één bedrijfswoning wordt toegestaan.

  • e.

    nieuwe burgerwoningen, waaronder de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen, niet zijn toegestaan.

  • f.

    andere agrarische bedrijven dan glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid onderdeel b tot en met i van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de extra bedrijfswoning zoals bedoeld in onderdeel h niet is toegestaan.

  • g.

    niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het werkingsgebied Glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.

  • h.

    kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien;

    • 1.

      de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en

    • 2.

      het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig glastuinbouwbedrijf betreft;

  • i.

    niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan indien:

    • 1.

      deze functies noodzakelijk zijn voor het primaire productieproces glastuinbouw;

    • 2.

      deze functies aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van het primaire glastuinbouwbedrijf; of

    • 3.

      deze functies gericht zijn op zaadveredeling, plantenveredeling, scholing en onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw

  • j.

    Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien:

    • 1.

      het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft waarbij de omvang van het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt;

    • 2.

      deze primair gericht zijn op de verduurzaming van aanwezige glastuinbouwbedrijven en het verduurzamingsdoel niet in dezelfde mate bereikt kan worden door vestiging buiten het glastuinbouwconcentratiegebied en aangetoond wordt dat geen aantasting plaatsvindt van de structuur en de bruikbaarheid van het glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.

Artikel 6.48 Zaadveredelingsconcentratiegebied

1

Zaadveredelingsconcentratiegebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Zaadveredelingsconcentratiegebied kan het voorzien in nieuwe zaadveredelingsbedrijven. Hierbij geldt voor zaadveredelingsbedrijven geen maximale omvang van het bouwperceel

2

Het omgevingsplan kan voorzien in andere agrarische bedrijven, niet zijnde glastuinbouwbedrijven, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid onderdeel b tot en met i van overeenkomstige toepassing is.

3

Het omgevingsplan kan voorzien in niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is.

4

Het omgevingsplan kan voorzien in niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, waarbij Artikel 6.42 , derde Lid van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 6.49 Bestaand zaadveredelingsbedrijf

Bestaand zaadveredelingsbedrijf

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Bestaand zaadveredelingsbedrijf kan het voorzien in de uitbreiding van een bestaand zaadveredelingsbedrijf. Hierbij geldt geen maximale omvang van het bouwperceel.

Artikel 6.50 Tuinbouwconcentratiegebied

1

Tuinbouwconcentratiegebied

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Tuinbouwconcentratiegebied kan het voorzien in de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven waarbij er geen maximale omvang geldt voor het bouwperceel, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.

2

Het omgevingsplan kan voorzien in andere agrarische bedrijven, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.

3

Een nieuwe burgerwoning is uitsluitend toegestaan indien sprake is van het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij het grondoppervlak van de bij de woning behorende gronden ten hoogste 1.000 m2 bedraagt.

4

Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het tuinbouwconcentratiegebied voor tuinbouw.

5

Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , derde Lid van overeenkomstige toepassing is.

Paragraaf 6.2.5 Beschermd landelijk gebied

Subparagraaf 6.2.5.1 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen

Artikel 6.51 Toepassingsbereik

NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland

Deze subparagraaf gaat over de gebieden die Provinciale Staten op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland hebben aangewezen als het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland en geometrisch hebben vastgelegd en over het werkingsgebied natuurverbindingen die Provinciale Staten hebben aangewezen als onmisbaar voor het volwaardig functioneren van het natuurnetwerk Nederland.

Artikel 6.52 Wezenlijke kenmerken en waarden

De wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen zijn opgenomen in Bijlage 6 bij deze verordening.

Artikel 6.53 Bescherming natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen

1

NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of het werkingsgebied Natuurverbindingen bevat regels gericht op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden en verzekert dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang niet achteruitgaan en dat de kwaliteit van de samenhang tussen die gebieden wordt behouden.

2

In afwijking van het eerste lid geldt voor een locatie waar het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbinding nog niet is gerealiseerd en die nog in gebruik is voor een andere functie dan natuur, dat een omgevingsplan regels bevat die in ieder geval inhouden dat realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden niet verder wordt belemmerd.

Artikel 6.54 Activiteiten in natuurnetwerk Nederland of natuurverbindingen

Natuurnetwerk NederlandNatuurverbindingen

Een omgevingsplan maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten binnen het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of het werkingsgebied natuurverbindingen mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen die gebieden, tenzij sprake is van:

  • a.

    nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten, voor zover:

    • 1.

      er sprake is van groot openbaar belang;

    • 2.

      er geen reële alternatieven zijn; en

    • 3.

      de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd.

  • b.

    nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten, voor zover:

    • 1.

      de activiteiten die leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden worden gecompenseerd;

    • 2.

      de compensatie inhoudt dat de uitvoering van het geheel van activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar leidt tot een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor de werkingsgebieden natuurnetwerk Nederland of natuurverbindingen voor wat betreft kwaliteit en samenhang;

    • 3.

      de oppervlakte van het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft;

    • 4.

      rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de locatie waarop de activiteit plaatsvindt mogelijk gelegen is in een gebied van het Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen dat omringd wordt door of grenst aan Bijzonder provinciaal landschap.

    • 5.

      er een gebiedsvisie wordt opgesteld waarin wordt onderbouwd dat wordt voldaan aan het gestelde onder 1 tot en met 4 van dit onderdeel.

  • c.

    een beperkte toevoeging van nieuwe activiteiten aan of een beperkte wijziging van bestaande activiteiten, mits:

    • 1.

      deze toevoeging of wijziging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteit;

    • 2.

      deze toevoeging of wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteiten; en

    • 3.

      de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd.

Artikel 6.55 Wijziging begrenzing

1

NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald Gedeputeerde Staten de begrenzing van de werkingsgebieden Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen kunnen wijzigen, mits de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en de samenhang tussen de gebieden wordt behouden.

2

NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de begrenzing van de werkingsgebieden Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen, in afwijking van het eerste lid, kunnen wijzigen ter verbetering van kennelijke onjuistheden.

Artikel 6.56 Regels Gedeputeerde Staten

Natuurnetwerk NederlandNatuurverbindingen

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen aan:

  • a.

    de motivering van een omgevingsplan met betrekking tot het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen;

  • b.

    de wijze van compensatie als bedoeld in Artikel 6.54;

  • c.

    de activiteiten als bedoeld in Artikel 6.54.

Subparagraaf 6.2.5.2 Bijzonder provinciaal landschap

Artikel 6.57 Toepassingsbereik

Bijzonder Provinciaal Landschap

Deze subparagraaf gaat over ruimtelijke ontwikkelingen in het werkingsgebied bijzonder Provinciaal Landschap.

Artikel 6.58 Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap

Bijzonder Provinciaal Landschap

De kernkwaliteiten van het werkingsgebied bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 7.

Artikel 6.59 Bescherming en activiteiten Bijzonder provinciaal landschap

1

Bijzonder Provinciaal Landschap

Een omgevingsplan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.

2

In afwijking van Artikel 6.13 bevat het omgevingsplan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.

3

Het omgevingsplan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.

4

De motivering van het omgevingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het eerste en, indien van toepassing, het derde lid.

5

Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het derde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het omgevingsplan.

6

In afwijking van het derde lid kan het omgevingsplan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken:

  • a.

    een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of

  • b.

    nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op grond van Artikel 6.42 , eerste Lid, onder e en f en Artikel 6.42 , tweede Lid en Artikel 6.42 , derde Lid.

7

In afwijking van het tweede en derde lid kan het omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien:

  • a.

    er sprake is van groot openbaar belang;

  • b.

    er geen reële alternatieven zijn; en

  • c.

    de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd.

8

In afwijking van het tweede en derde lid kan het omgevingsplan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.

9

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de motivering als bedoeld in het vierde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het zevende lid, aanhef en onderdeel c.

10

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 7 kunnen wijzigen.

Subparagraaf 6.2.5.3 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Artikel 6.60 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde die op grond van artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 2.42 van de Omgevingsregeling zijn aangewezen:

  • a.

    Droogmakerij de Beemster;

  • b.

    Stelling van Amsterdam; en

  • c.

    Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 6.61 Kernkwaliteiten Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden

De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 8a en bijlage 8b.

Artikel 6.62 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

1

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat het regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

2

Het omgevingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 6.61 niet aantasten.

3

In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover:

  • a.

    er sprake is van een groot openbaar belang;

  • b.

    er geen reële alternatieven zijn; en

  • c.

    er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 6.61 te mitigeren of te compenseren.

4

Ter plaatse van Droogmakerij de Beemster voorziet een omgevingsplan niet in een windturbine.

5

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt.

Subparagraaf 6.2.5.4 Strandzonering

Artikel 6.63 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over de zonering van de Noord-Hollandse stranden zoals vastgelegd in Strandzonering NH2025 als onderdeel van het Toekomstperspectief Kust 2040.

Artikel 6.64 Seizoensstrand

1

Strandzonering - seizoenstrand

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Strandzonering - seizoenstrand voorziet het alleen in seizoensgebonden bouwwerken in de periode van 1 februari tot 1 november.

2

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken van openbaar belang als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 6.65 Natuurstrand

1

Strandzonering - natuurstrand

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Strandzonering - natuurstrand voorziet het niet in bouwwerken.

2

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken van openbaar belang als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Subparagraaf 6.2.5.5 Stiltegebieden

Artikel 6.66 Toepassingsbereik

Stiltegebieden

Deze subparagraaf is van toepassing op geluidsbronnen en activiteiten in het werkingsgebied stiltegebieden waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord.

Artikel 6.67 Instructieregel activiteiten in stiltegebied

1

Stiltegebieden

In een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het werkingsgebied stiltegebieden wordt rekening gehouden met een maximaal toelaatbare waarde voor het 24-uursgemiddelde geluidsniveau afkomstig van activiteiten in het stiltegebied van LAeq,24h = 35 dB(A) op 50 m afstand vanaf de activiteit.

2

Stiltegebieden

De afstand wordt gemeten vanaf:

  • a.

    de geluidsbron; of

  • b.

    de begrenzing van de activiteit, als het een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving betreft.

3

Stiltegebieden

Voor de toepassing van het tweede lid, onder a, worden geluidsbronnen van activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die elkaar functioneel ondersteunen of die ieder een hoofdactiviteit ondersteunen als één geluidsbron aangemerkt.

4

Stiltegebieden

Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die zijn uitgezonderd van de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen in Afdeling 4.3 .

5

Stiltegebieden

Het bevoegd gezag kan van de richtwaarde, bedoeld in het eerste lid, afwijken indien:

  • a.

    sprake is van een groot openbaar belang;

  • b.

    er geen reële alternatieven zijn; en

  • c.

    is aangetoond dat de afwijking van de richtwaarde zo minimaal mogelijk is.

Paragraaf 6.2.6 Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied

Artikel 6.68 Toepassingsbereik

Landelijk gebied

Deze paragraaf gaat over de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het werkingsgebied Landelijk gebied.

Artikel 6.69 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

1

Landelijk gebied

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie beschrijft de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

2

Landelijk gebied

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vaststellen.

Artikel 6.70 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied

1

Landelijk gebied

Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie:

  • a.

    rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren;

  • b.

    bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en

  • c.

    bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.

2

Landelijk gebied

In aanvulling op het eerste lid, wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de Amstelscheg rekening gehouden met de karakteristieken en de ontwerpprincipes inzake de samenhang, de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van het landschap, zoals beschreven in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde rapport 'Gebiedsperspectief en Beeldkwaliteit Amstelscheg' (nr. 2011-66880).

3

Landelijk gebied

Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het College van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatie afweging of de ruimtelijke inpassing.

Paragraaf 6.2.7 Cultureel erfgoed

Artikel 6.71 Toepassingsbereik

Cultureel Erfgoed

Deze paragraaf gaat over beschermenswaardig cultureel erfgoed .

Artikel 6.72 Provinciaal monument

Cultureel ErfgoedCultureel Erfgoed - provinciale monumenten

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Cultureel Erfgoed - provinciale monumenten bevat het de volgende regels:

Artikel x1 Zorgplicht provinciaal monument

Degene die een activiteit die een provinciaal monument betreft verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel x2 Verboden activiteiten

Op de locatie ‘provinciaal monument’ is het verboden:

  • a.

    het daar aanwezige monument te beschadigen of te vernielen; of

  • b.

    aan het daar aanwezige monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel x3 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten

Op de locatie ‘provinciaal monument’ is het verboden zonder omgevingsvergunning het daar aanwezige monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, te herstellen of te gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel x4 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije gevallen

  • a.

    Het verbod, bedoeld in artikel x3, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om

    • 1.

      noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of

    • 2.

      alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

  • b.

    Het verbod, bedoeld in artikel x3, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een sondering of grondboring met een boordiameter van niet meer dan 10 cm; of

    • 2.

      het dichten van een recent verstoringsgat van niet meer dan 1 m3.

Artikel x5 Aanvraagvereisten

De artikelen 22.287 tot en met 22.294 van de bruidsschat omgevingsplan (aanvraagvereisten) zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel x3

Artikel x6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  • a.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

  • b.

    In afwijking van het bepaalde in onderdeel a kan de omgevingsvergunning worden verleend als de activiteit in het belang is van de waterveiligheid, mits er geen reële alternatieven zijn en wordt aangetoond dat de beschadiging van het monument zo minimaal mogelijk is.

  • c.

    Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:

    • 1.

      het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;

    • 2.

      het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten;

    • 3.

      het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

    • 4.

      het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.

Artikel x7 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel x3 worden de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regel, bedoeld in artikel x6. Daarbij geldt dat:

  • a.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie;

  • b.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden een plicht tot:

    • 1.

      het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • 4.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet;

  • c.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning kan worden verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.

Artikel x8 Aanwijzing adviseurs

  • a.

    Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x3.

  • b.

    De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x3 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • c.

    Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.

Artikel 6.73 Provinciaal beschermde structuur

Cultureel Erfgoed

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Cultureel Erfgoed - provinciaal beschermde structuur bevat het de volgende regels:

Artikel x1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten

  • a.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in een provinciaal beschermde structuur.

  • b.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd dat past in het karakter van de provinciaal beschermde structuur.

Artikel x2 Aanwijzing adviseurs

  • a.

    Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x1.

  • b.

    De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x1 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • c.

    Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.

Paragraaf 6.2.8 Klimaatadaptatie

Artikel 6.74 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het rekening houden met risico's ten aanzien van klimaatverandering bij nieuwe ontwikkelingen en het inventariseren van mogelijke adaptatiemaatregelen.

Artikel 6.75 Klimaatadaptatie

1

De motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering.

2

In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op:

  • a.

    wateroverlast;

  • b.

    overstroming;

  • c.

    hitte;

  • d.

    waterbeschikbaarheid; en

  • e.

    verzilting.

3

De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico's te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

4

De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt.

Paragraaf 6.2.9 Provinciale wegen

Artikel 6.76 Toepassingsbereik

Provinciale wegen

Deze paragraaf gaat over de inrichting, het onderhoud en het gebruik van Provinciale wegen , anders dan door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 6.77 Omgevingsplan provinciale wegen

In een omgevingsplan dat van toepassing is op een provinciale weg worden geen regels gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die provinciale weg belemmeren.

Paragraaf 6.2.10 Regionale luchthavens

Artikel 6.78 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit, als bedoeld in afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart.

Artikel 6.79 Luchthaven Hilversum

De gemeenteraad van de gemeente Hilversum en de gemeenteraad van Wijdemeren nemen overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.100 Luchthavengebied Luchthaven Hilversum opgenomen gebied in acht.

Artikel 6.80 Luchthaven Texel

De gemeenteraad van de gemeente Texel neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.103 Luchthavengebied luchthaven Texel opgenomen gebied in acht.

Artikel 6.81 Luchthaven Loodswezen IJmuiden

De gemeenteraad van de gemeente Velsen neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.106 Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden gebied in acht. De termijn als bedoeld in artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart loopt tot 1 januari 2029.

Artikel 6.82 Luchthaven Amsterdam Heliport

De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam, de gemeenteraad van Oostzaan en de gemeenteraad van Zaanstad nemen overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.109 Luchthavengebied Amsterdam Heliport gebied in acht.

Paragraaf 6.2.11 Regionale waterkeringen

Artikel 6.83 Toepassingsbereik

Beschermingszone regionale waterkering

Deze paragraaf gaat over regionale waterkeringen en beschermingszone regionale waterkering.

Artikel 6.84 Regionale waterkeringen

Regionale waterkeringenBeschermingszone regionale waterkering

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied regionale waterkeringen voorziet het in regels die waterkerende activiteiten beschermen.

Artikel 6.85 Beperkingengebied regionale waterkering

1

Beschermingszone regionale waterkeringBeperkingengebied waterkeringen

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied beperkingengebied waterkeringen voorziet het niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

2

Beschermingszone regionale waterkering

In afwijking van het eerste lid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk indien hierover overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie.

Afdeling 6.3 Projectbesluiten

Artikel 6.86 Projectbesluiten waterschappen

1

Afdeling 6.2 Omgevingsplannen is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap.

2

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, van de Omgevingswet verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 6.87 Projectbesluiten provincie

Afdeling 6.2 Omgevingsplannen is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Afdeling 6.4 Omgevingsvergunningen

Artikel 6.88 Instructieregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit

1

Indien voor een activiteit ter plaatse van een grondwaterbeschermingsgebied een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is vereist, neemt het bevoegd gezag hierin het voorschrift op dat bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar risico van verslechtering van de grondwaterkwaliteit wordt gerealiseerd.

2

Het drinkwaterbedrijf wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 6.5 Maatwerkvoorschriften

Afdeling 6.6 Waterschapsverordeningen

Artikel 6.89 Instructieregel melden, meten en informeren

Een waterschapsverordening bepaalt voor grondwateronttrekkingen en infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en tijdelijke grondwateronttrekkingen en infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3, dat:

  • a.

    het waterschap wordt geïnformeerd over die grondwateronttrekking of infiltratie als voor die grondwateronttrekking of infiltratie geen omgevingsvergunning is vereist op grond van de waterschapsverordening, waarbij in ieder geval informatie wordt verstrekt over het debiet van de grondwateronttrekking of infiltratie en de te gebruiken putten;

  • b.

    de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95% wordt gemeten;

  • c.

    de kwaliteit van het geïnfiltreerde water wordt gemeten; en

  • d.

    jaarlijks gegevens worden verstrekt over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

Afdeling 6.7 Leggers en peilbesluiten

Artikel 6.90 Legger waterstaatswerken

1

De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat naast het bepaalde in het eerste en derde lid van dat artikel in ieder geval:

  • a.

    het lengteprofiel en dwarsprofielen van primaire en regionale waterkeringen;

  • b.

    de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen; en

  • c.

    een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van primaire en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

2

Voor bergingsgebieden geldt een vrijstelling van de verplichting tot het vaststellen van een legger, voor zover het de vorm en constructie en de omschrijving als bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder c, betreft.

3

Voor oppervlaktewateren, die niet overwegend van belang zijn voor aan- en afvoer van water en waterberging, geldt een vrijstelling van de verplichting tot vaststelling van een legger voor zover het de vorm, afmeting en constructie betreft.

Artikel 6.91 Peilbesluit

1

Peilbesluit

Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen Peilbesluit.

2

Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen.

Afdeling 6.8 Uitoefening van taken

Paragraaf 6.8.1 Gemeentelijke taken

Paragraaf 6.8.2 Waterschapstaken

Artikel 6.92 Rangorde bij waterschaarste regionale wateren Amstel, Gooi en Vecht

1

In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    het verwerken van industrieel proceswater;

  • b.

    de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

2

In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

  • a.

    de waterkwaliteit in stedelijk gebied;

  • b.

    beroepsvaart;

  • c.

    akkerbouw;

  • d.

    beregening sportvelden;

  • e.

    grasland;

  • f.

    recreatievaart;

  • g.

    natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

3

In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6.8.3 Provinciale taken

Artikel 6.93 Vaarwegprofielen en bediening bruggen en sluizen

Vaarwegbeheer - profiel en bediening

Gedeputeerde Staten stellen voor het werkingsgebied Vaarwegbeheer - profiel en bediening aangeduide vaarwegen vast:

  • a.

    de minimale breedte, diepte en vrije doorvaarhoogte van de vaarweg zoals deze door de vaarwegbeheerder in stand moet worden gehouden; en

  • b.

    de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften van de beweegbare bruggen en sluizen, met uitzondering van spoorbruggen en bij het Rijk in beheer zijnde bruggen en schutsluizen.

Artikel 6.94 Taken vaarwegbeheerder

1

De vaarwegbeheerder draagt zorg voor:

  • a.

    het in stand houden en bruikbaar houden van de vaarweg;

  • b.

    het in goede staat houden van de oevers en schutsluizen, voor zover dit nodig is ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg; en

  • c.

    het schoonhouden van de vaarweg en het vrijhouden van obstakels, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voor zover dit nodig is voor de bruikbaarheid van de vaarweg.

2

Voor zover een vaarwegprofiel als bedoeld in Artikel 6.93, onderdeel a, is vastgesteld, wordt bij het in stand houden en bruikbaar houden van de vaarweg dit profiel in acht genomen.

Artikel 6.95 Taken sluis- en brugbeheerders

De sluis- of brugbeheerder draagt zorg voor bediening van sluizen en bruggen in overeenstemming met de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften als bedoeld in Artikel 6.93, onderdeel b.

Hoofdstuk 7 Procedures

Afdeling 7.1 Regionale luchthavens

Artikel 7.1 Aanvragen luchthavenbesluit

1

Aanvragen tot wijziging van deze verordening ten behoeve van een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet Luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de wijze van indiening van de in het eerste lid bedoelde aanvraag en de daarbij aan te leveren gegevens.

3

Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel aan Provinciale Staten tot wijziging van deze verordening als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

4

Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5

Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.

Artikel 7.2 Aanvragen luchthavenregeling

1

Aanvragen tot vaststelling van een luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64 van de Wet luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

2

Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden versterkt zoals opgenomen in Bijlage 10.

Afdeling 7.2 Bescherming waterwinning

Artikel 7.3 procedure meldingsplichtige activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden

1

Gedeputeerde Staten bevestigen de ontvangst van de in Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 bedoelde meldingen en sturen onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf.

2

Gedeputeerde Staten geven uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk hun oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.

3

Indien Gedeputeerde Staten niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld hebben gezonden, wordt hun oordeel geacht instemmend te zijn.

4

De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten gemeld.

5

De melding vervalt indien niet binnen zes maanden na de verzending van de melding met de handeling waarop die melding betrekking had is begonnen.

6

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de wijze van indienen van de in Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 genoemde meldingen en de daarbij aan te leveren gegevens.

Hoofdstuk 8 Adviseurs en adviesorganen

Artikel 8.1 Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling

1

Er is een Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling, gericht op advisering over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot ruimtelijke kwaliteit, inclusief de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen omtrent de taak, werkwijze en samenstelling van de adviescommissie, mede ter borging van deskundigheid en onafhankelijkheid.

Artikel 8.2 Regionale adviescommissie detailhandel

1

Een regionale adviescommissie detailhandel adviseert over aangelegenheden betreffende detailhandel in de betreffende regio.

2

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten per adviescommissie een Reglement Regionale Adviescommissie Detailhandel vaststellen, waarin de werkwijze en samenstelling van de adviescommissie wordt vastgelegd.

Hoofdstuk 9 Schade

Afdeling 9.1 Faunaschade

Artikel 9.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de tegemoetkoming in faunaschade, zijnde schade aangericht door in het wild levende dieren als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet.

Artikel 9.2 De aanvraag om tegemoetkoming

1

Een verzoek om een tegemoetkoming in faunaschade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet wordt door de belanghebbende, zijnde de grondgebruiker, uitsluitend langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

2

Het verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid de schade heeft geconstateerd.

3

Faunaschade als bedoeld in die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 9.3 Taxatie van de schade

1

De verzoeker als bedoeld in Artikel 9.2 zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming als bedoeld in Artikel 9.2 betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

2

Indien de verzoeker als bedoeld in Artikel 9.2 opmerkingen over het formulier 'bevestiging taxatie grondgebruiker' kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Afdeling 9.2 Nadeelcompensatie

Artikel 9.4 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de advisering op het gebied van vergoeding van schade als bedoeld in afdeling 15.1 van de Omgevingswet, alsmede schade die het gevolg is van besluiten of uitvoeringshandelingen in het kader van de rechtmatige uitoefening door de provincie Noord-Holland of een van haar bestuursorganen van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak met betrekking tot de realisatie, het beheer of onderhoud van infrastructurele werken.

Artikel 9.5 De aanvraag voor nadeelcompensatie

1

Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.

2

Gedeputeerde Staten bevestigen de ontvangst van de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch tenminste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stelt de aanvrager in kennis van de te volgen procedure.

3

Indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, of indien aanvrager overigens verzuimt de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen te verschaffen, stellen zij de aanvrager in de gelegenheid het verzuim binnen acht weken te herstellen.

4

Van de aanvrager wordt een recht van € 300 geheven.

Artikel 9.6 Vereenvoudigde behandeling van de aanvraag

1

Gedeputeerde Staten nemen de aanvraag niet in behandeling indien het niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.9 is ingediend en van de geboden gelegenheid om de aanvraag aan te vullen niet tijdig, of onvoldoende is gebruik gemaakt, of indien het bedrag bedoeld in Artikel 9.5 , vierde Lid niet binnen vier weken na indiening van de aanvraag op de rekening van de provincie is bijgeschreven.

2

Een besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt aan de aanvrager medegedeeld uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.

3

Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag zonder advies van een adviescommissie afwijzen. Gedeputeerde Staten wijzen een aanvraag in ieder geval zonder advies van een adviescommissie af als de aanvraag naar hun oordeel kennelijk ongegrond is. Een aanvraag is onder meer kennelijk ongegrond wanneer het naar het oordeel van Gedeputeerde Staten steunt op de onrechtmatige uitoefening door of namens Gedeputeerde Staten van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak en wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:131 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 9.7 Inschakeling adviescommissie

Indien wordt besloten tot inschakeling van een adviescommissie, leggen Gedeputeerde Staten de aanvraag aan de adviescommissie voor.

Artikel 9.8 Onafhankelijkheid adviescommissie

1

De adviescommissie bestaat uit één of meer onafhankelijke deskundigen, die door Gedeputeerde Staten worden benoemd. Indien de commissie uit meer leden bestaat, wijzen Gedeputeerde Staten de voorzitter aan.

2

De leden van de adviescommissie zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten en op geen enkele wijze betrokken bij de (planologische) maatregel, bevoegdheid of taak waarop de aanvraag is gebaseerd.

Artikel 9.9 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviescommissie

1

Voordat Gedeputeerde Staten de aanvraag voorleggen aan de adviescommissie als bedoeld in Artikel 9.7, stellen zij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c, tweede lid, van de Omgevingswet, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een adviescommissie.

2

De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c, tweede lid, van de Omgevingswet, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd bedenkingen tegen één of meerdere van de leden van de adviescommissie bij Gedeputeerde Staten indienen.

Artikel 9.10 Bevoegdheden en verplichtingen

1

Gedeputeerde Staten stellen de adviescommissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak.

2

De aanvrager verschaft de adviescommissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3

De adviescommissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviescommissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van Gedeputeerde Staten.

Artikel 9.11 Het door de commissie te verrichten onderzoek

De adviescommissie brengt een rapport uit over haar bevindingen. Zij adviseert Gedeputeerde Staten over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding en doet, indien Gedeputeerde Staten een daartoe strekkende verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 9.12 Werkwijze adviescommissie

1

De adviescommissie kan een hoorzitting houden, waar de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag toe te lichten en de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te geven. Het betrokken bestuursorgaan en eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.

2

De adviescommissie is bevoegd aan partijen binnen een aan hen te stellen termijn, overlegging van nadere gegevens of stukken te gelasten.

3

De adviescommissie kan een plaatsopneming houden. Hij bepaalt de datum en het tijdstip waarop hij de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.

4

De adviescommissie maakt met de aanvrager een afspraak ten behoeve van de taxatie van een eventueel bij de aanvraag betrokken onroerende zaak.

5

De adviescommissie draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies.

6

Nadat de aanvraag is voorgelegd zendt de adviescommissie een concept van het advies aan:

  • a.

    Gedeputeerde Staten;

  • b.

    de aanvrager;

  • c.

    een eventueel ander betrokken bestuursorgaan; en

  • d.

    belanghebbenden.

7

De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en de belanghebbenden, kunnen na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren.

Artikel 9.13 Beslissing Gedeputeerde Staten

1

Gedeputeerde Staten beslissen binnen zes weken na ontvangst van het definitieve advies van de commissie op de aanvraag.

2

Gedeputeerde Staten kunnen hun beslissing schriftelijk en onder opgaaf van redenen eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen.

Artikel 9.14 Voorschot

1

Gedeputeerde Staten kennen de aanvrager die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding als bedoeld in artikel 9.8 en wiens belang naar het oordeel van Gedeputeerde Staten vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, op diens schriftelijk verzoek een voorschot toe. Gedeputeerde Staten beslissen op de aanvraag, gehoord de adviescommissie.

2

Indien Gedeputeerde Staten beslissen tot het verlenen van een voorschot wordt daarmee geen aanspraak erkend.

3

Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de aanvrager schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Gedeputeerde Staten kunnen daarvoor zekerheidstelling verlangen.

Hoofdstuk 10 Handhaving en toezicht

Afdeling 10.1 Kwaliteit uitvoering en handhaving

Artikel 10.1 Uitvoerings- en handhavingsstrategie van Gedeputeerde Staten

De uitvoerings- en handhavingsstrategie, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, Omgevingsbesluit, bevat doelen die in ieder geval betrekking hebben op:

  • a.

    de dienstverlening;

  • b.

    de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;

  • c.

    de financiën.

Artikel 10.2 Kwaliteitszorg door Gedeputeerde Staten

1

Op de uitvoering en handhaving van de wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving van toepassing.

2

Over de naleving van de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan Provinciale Staten.

3

Voor zover de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.

Afdeling 10.2 Bestuursrechtelijke handhaving

Afdeling 10.3 Strafrechtelijke handhaving

Afdeling 10.4 Toezichthouders

Artikel 10.3 Toezicht cultureel erfgoed

1

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in Paragraaf 6.2.7 zijn belast de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders.

2

De met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening aangewezen personen zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk 11 Monitoring en informatie

Afdeling 11.1 Water

Artikel 11.1 Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma

Het dagelijks bestuur van het waterschap rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Artikel 11.2 Verslag toetsing watersysteem

1

Regionale waterkeringen

Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de

  • a.

    Regionale waterkeringen; en

  • b.

    regionale wateren onder zijn beheer.

2

Regionale waterkeringen

De verslagen bevatten:

  • a.

    een beoordeling van de veiligheid van de Regionale waterkeringen onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften, bedoeld in Artikel 5.3, en de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet;

  • b.

    een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht onder meer in het licht van de normen, de leidraad en de voorschriften, bedoeld in Artikel 5.6, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.

3

Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen als bedoeld in het tweede lid een omschrijving van de voorzieningen die op de daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

4

Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, het tijdstip en de frequentie vast waarop de verslagen, als bedoeld in het tweede lid, worden uitgebracht.

5

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald, dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen als bedoeld in het tweede lid.

6

Als een regionale waterkering of een regionaal water in meerdere provincies is gelegen, worden de in het tweede lid bedoelde verslagen uitgebracht aan Gedeputeerde Staten van de provincie waarin deze regionale waterkering dan wel het regionale water in hoofdzaak is gelegen.

Afdeling 11.2 Grondwateronttrekking

Artikel 11.3 Grondwaterregister

1

Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin degene die de activiteit onttrekken grondwater of de activiteit infiltreren van water verricht, wordt ingeschreven. Hierbij worden de gegevens vermeld die bij de vergunningaanvraag of melding voor de activiteit aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Voorts worden daarin de vergunningen vermeld, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

2

Het waterschap verstrekt aan Gedeputeerde Staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging:

  • a.

    een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt;

  • b.

    gegevens die in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of de meldingsplichtige aan het waterschapsbestuur worden verstrekt.

Artikel 11.4 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

1

Gedeputeerde Staten kunnen een activiteit onttrekken grondwater en een activiteit infiltreren van water die niet ingevolge Artikel 11.3 is opgegeven, ambtshalve in het grondwaterregister, bedoeld in Artikel 11.3 , eerste Lid inschrijven.

2

Indien de ambtshalve inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Afdeling 11.3 Faunabeheer

Artikel 11.5 Inzage in registratiesysteem faunabeheereenheid

De faunabeheereenheid verschaft Gedeputeerde Staten op eerste verzoek informatie uit het door haar gebruikte registratiesysteem indien Gedeputeerde Staten dat noodzakelijk achten voor toezicht, handhaving en beleidsontwikkeling.

Artikel 11.6 Jaarlijks verslag faunabeheereenheid

1

Het jaarlijks verslag van een faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.

    cijfermatige rapportages over de uitvoering van de omgevingsvergunningen als vergunningsvrij aangewezen activiteiten op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid en naar Natura 2000-gebied;

  • b.

    cijfermatige rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen;

  • c.

    voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort telcijfers en op basis hiervan een analyse van populatietrends;

  • d.

    een rapportage met trends die aangeven wat de verbanden zijn tussen de uitvoeringsgegevens verstrekt op grond van de onderdelen a en b en de ontwikkeling van populaties op grond van onderdeel c;

  • e.

    een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 ° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort.

2

Het jaarverslag wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het verslagjaar door een faunabeheereenheid op haar website gepubliceerd.

Artikel 11.7 Uitzonderingsbepaling

Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze afdeling, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Afdeling 11.4 Cultureel erfgoed

Artikel 11.8 Provinciaal erfgoedregister

1

Gedeputeerde Staten houden een erfgoedregister bij van de als zodanig aangewezen provinciaal monumenten.

2

Het erfgoedregister bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van een provinciaal monument, de datum van de aanwijzing en de reden voor de aanwijzing.

Artikel 11.9 Informatieverstrekking erfgoedregister

1

Gedeputeerde Staten informeren de Minister belast met de monumentenzorg en de betrokken gemeentebesturen over wijzigingen in het erfgoedregister.

2

Het erfgoedregister is openbaar, met uitzondering van de gegevens over de eigenaar.

Artikel 11.10 Gegevensverzameling omgevingsvergunningen cultureel erfgoed

Het college van burgemeester en wethouders verzamelt de volgende gegevens over omgevingsvergunningen voor het wijzigen van provinciale monumenten en provinciaal beschermde structuren:

  • a.

    de datum van de omgevingsvergunning;

  • b.

    het kenmerk van de omgevingsvergunning;

  • c.

    de locatie van het provinciaal monument of de provinciaal beschermde structuur waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft en de relevante kadastrale gegevens van die locatie; en

  • d.

    de aard van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 11.11 Register omgevingsvergunningen cultureel erfgoed

1

Er zijn registers over omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit voor de wijziging van een provinciaal monument of de wijziging van een provinciaal beschermde structuur.

2

Een register als bedoeld in het eerste lid wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders.

3

De registers zijn openbaar.

4

De registers bevatten in ieder geval de gegevens, bedoeld in Artikel 11.10.

5

De gegevens, bedoeld in Artikel 11.10, worden in het register opgenomen binnen een week na de dag waarop de omgevingsvergunning is verleend.

Hoofdstuk 12 Overgangsrecht

Afdeling 12.1 Algemene overgangsbepalingen

Afdeling 12.2 Overgangsbepalingen per onderwerp

Artikel 12.1 Overgangsrecht activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden

Grondwaterbeschermingsgebied

De verboden opgenomen in Artikel 4.44 tot en met Artikel 4.51 zijn niet van toepassing voor zover de activiteit rechtmatig werd verricht op het tijdstip direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen en ten aanzien van de activiteit geen wijziging optreedt als gevolg waarvan een risico voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit kan optreden.

Artikel 12.2 Overgangsrecht activiteiten in waterwingebieden

De verboden opgenomen in Artikel 4.55 zijn niet van toepassing voor zover de activiteit rechtmatig werd verricht op het tijdstip direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen en ten aanzien van de activiteit geen wijziging optreedt als gevolg waarvan een risico voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit kan optreden.

Artikel 12.3 Overgangsrecht open bodemenergiesystemen

De artikelen 4.1150 tot en met 4.1156 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem dat is gemeld voor inwerking treden van deze verordening.

Artikel 12.4 Overgangsrecht gesloten stortplaatsen

1

Indien voor een activiteit als bedoeld in Artikel 4.64 en Artikel 4.65 het in het eerste lid van deze artikelen bedoelde verbod op enig tijdstip gaat gelden, dat voor die activiteit voordien niet gold, kan de activiteit indien daarmee op dat tijdstip al was begonnen, zonder vergunning worden voortgezet tot twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen die termijn een aanvraag om de vereiste omgevingsvergunning is ingediend, vervolgens tot zes weken na het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag in werking is getreden.

2

Indien voor de activiteit algemene regels golden voor het tijdstip waarop het verbod daarvoor ging gelden, blijven die regels voor de activiteit van toepassing gedurende de periode waarin zij zonder vergunning mag worden verricht.

Hoofdstuk 13 Overige en slotbepalingen

Afdeling 13.1 Bestuurlijke afwegingsruimte

Artikel 13.1 Toepassingsbereik

De bestuurlijke afwegingsruimte als bedoeld in deze afdeling geldt onverminderd de afwegingsruimte in andere regels van deze verordening

Artikel 13.2 Experimenteer- en meerwaardebepaling

1

Gedeputeerde Staten kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen ten behoeve van een experiment of activiteit in de fysieke leefomgeving van de regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken.

2

Er kan toepassing worden gegeven aan het eerste lid ten behoeve van een experiment, indien:

  • a.

    het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en

  • b.

    het experiment geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.

3

Er kan toepassing worden gegeven aan het eerste lid ten behoeve van een activiteit in de fysieke leefomgeving indien:

  • a.

    de activiteit bijzondere meerwaarde heeft voor de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en

  • b.

    de activiteit geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.

4

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen bij de toepassing van dit artikel, waarbij ten minste regels worden gesteld inzake:

  • a.

    van welke regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken;

  • b.

    gedurende welke tijdsduur van de in onderdeel a bedoelde regels mag worden afgeweken; en

  • c.

    de wijze en het moment waarop wordt vastgesteld of de activiteit aan haar doel beantwoordt.

5

Bij toepassing van dit artikel wordt in het besluit gemotiveerd hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding ervan zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

6

Gedeputeerde Staten rapporteren jaarlijks aan Provinciale Staten over de toepassing van dit artikel.

Afdeling 13.2 Overige bepalingen

Afdeling 13.3 Slotbepalingen

Artikel 13.3 Wijziging werkingsgebieden door Gedeputeerde Staten

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de begrenzing van een werkingsgebied kunnen wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.

Artikel 13.4 Wijziging bijlagen door Gedeputeerde Staten

In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten een bijlage bij deze verordening kunnen wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.

Artikel 13.5 Intrekking regelingen

De volgende verordeningen en besluiten worden ingetrokken:

  • a.

    Omgevingsverordening NH2020;

  • b.

    Verordening Luchthavenbesluit Amsterdam Heliport;

  • c.

    Omgevingsregeling NH2020;

  • d.

    Regeling nadeelcompensatie infrastructurele werken provincie Noord-Holland 2007

Artikel 13.6 Inwerkingtreding

1

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt.

2

Paragraaf 4.10.2, Paragraaf 4.10.3, Paragraaf 4.10.4, Paragraaf 4.10.5 en Artikel 13.5 onder b treden in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking van verklaring zoals bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

Artikel 13.7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening NH2022

Ondertekening

Haarlem,

Provinciale Staten voornoemd,

voorzitter,

statengriffier,

Bijlage 1 Begripsbepalingen

afhaalpunt ten behoeve van internethandel

voorziening ten behoeve van de levering aan en retournering door consumenten van vooraf elders bestelde goederen, waarbij geen verkoop, productadvisering of uitstalling plaatsvindt;

agrarisch aanverwant bedrijf

een bedrijf dat gebruik maakt van landbouwwerktuigen, landbouwapparatuur of agrarisch loonwerk en hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden;

agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen;

agrarisch bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan;

bebouwde kom

gebied gelegen binnen de grenzen als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

bebouwing

één of meerdere gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de verblijfsrecreatieve functie daadwerkelijk sprake is van kort verblijf met als focus toeristische overnachtingsmogelijkheden;

bedrijfswoning

een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op de bestemming van een gebouw of terrein noodzakelijk is;

bedrijventerrein

een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bedoeld en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/ of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort;

BIJ12

uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;

binnenschip

schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

boskern

een min of meer aaneengesloten houtsopstand met in totaal een oppervlakte vanaf circa vijf hectare bos;

dorpslint

langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies;

duurzame ontwikkeling

ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen;

gebruiksgerichte paardenhouderij

een voorziening gericht op het houden van paarden waarbij het rijden met of mennen van paarden primair gericht is op gebruik door de ruiter, amazone of menner, niet zijnde een manege;

gedenkteken

niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden;

geitenhouderij

een bedrijf of een onderdeel daarvan waar geiten worden gehouden;

gesloten stortplaats

Gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8;47, eerste lid, onder b, van de wet milieubeheer;

glastuinbouwbedrijf

een agrarisch bedrijf waarbij de teelt van assimilerende organismen onder invloed van licht in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden;

helikoptervlucht van maatschappelijk belang

een Helicopter Emergency Medical Service (HEMS)-vlucht of een politievlucht zoals bedoeld in de vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 of een daarmee verband houdende vlucht gericht op het innemen van brandstof of een vlucht gericht op opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht;

intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij;

kas

bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen;

kern

gebied met aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur, ten behoeve van overwegend stedelijke functies;

kleinschalige ontwikkeling

nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte fysieke uitstraling op de omgeving niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

kleinschalige woningbouwontwikkeling

nieuwe bebouwing voor de functie wonen die gelet op de kleinschaligheid en beperkte fysieke uitstraling op de omgeving niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

kort verblijf

een verblijf met een duur van maximaal zes maanden;

ladingtank

tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;

landschappelijke waarden

de essentiële elementen en kenmerken van landschappen;

logiesactiviteit

In gebruik hebben of houden van een bouwwerk ten behoeve van bedrijfsmatig tijdelijk verblijf of verschaffen van tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben;

maaiveldcriterium

het oppervlak van een gebied dat buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de kans op een overstroming;

milieugebruiksruimte

milieugevolgen van activiteiten van bedrijven, welke milieugevolgen zijn toegestaan op basis van een vergunning, algemene regel of andere toestemming van overheidswege;

nautisch beheer

de overheidszorg gericht op de afwikkeling van een veilig en vlot scheepsvaartverkeer op vaarwegen;

nautisch beheerder

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet;

nazorgmaatregelen

de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;

ontgassen

afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht;

opschalen

vervanging van een windturbine door een windturbine met een aanzienlijk groter opgesteld vermogen;

opstelling voor zonne-energie

een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon;

provinciaal beschermde structuur

stads- of dorpsgezicht, ten aanzien waarvan is besloten tot opname in het provinciaal erfgoedregister;

recreatiepark

een locatie waar sprake is van verblijfsrecreatie in meerdere gebouwen;

schade aan gewassen

schade aan bedrijfsmatige teelt van landbouwgewassen;

schuilstal

een bouwwerk waarin dieren kunnen schuilen voor weersomstandigheden;

staat van bedrijfsactiviteiten

indeling van bedrijven in categorieën overeenkomstig of vergelijkbaar met de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

stedelijke functies

functies die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen;

stedelijke ontwikkeling

ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

stoffen

chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen;

terreinbeherende organisatie

publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie die het beheer van natuur- of recreatiegebieden in haar statuten als doelstelling heeft opgenomen;

uitweg

een constructie ter ontsluiting van een kadastraal perceel;

UN-nummer

een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties;

vaarwegbeheer

de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

vaarwegbeheerder

het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast of waaraan de uitvoering van het vaarwegbeheer in medebewind is opgedragen;

verblijfsrecreatie

een bedrijfsactiviteit die enkel of in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van recreatief nachtverblijf;

verwaarloosbaar bodemrisico

een situatie als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;

volumineuze detailhandel

vormen van detailhandel waarvan de winkelformules een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten- en caravanbedrijven mede worden begrepen;

watersporttoestel

een toestel of vaartuig dat voor één of meerdere personen is gebouwd of ingericht ten behoeve van een glijdende beweging door of over het water;

weg

de openbare weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

wegbeheer

de publiekrechtelijke zeggenschap en de verantwoordelijkheid voor de weg, met inbegrip van de plicht tot onderhoud en de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg;

werk

gesloten stortplaatsen: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit

vaarweg en wegen: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren, boven, op, in, onder of langs een weg of vaarweg gelegen;

windturbine

een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een verticale mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van traditionele windmolens of replica’s hiervan;

winkelgebied

een gebied dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor meerdere vestigingen van detailhandel, eventueel in samenhang met andere consumentgerichte functies zoals horeca, ambachten en baliefuncties;

winkelvloeroppervlak

de voor het publiek toegankelijke en zichtbare vloeroppervlakte in het winkelpand, bedoeld voor de verkoop en uitstalling van goederen, waaronder publieksruimte, etalage of vitrine, toonbank en kassaruimte, schappen, paskamers, winkelwagens en pakruimten voor de consument;

zaadveredelingsbedrijf

een bedrijf gericht op het verbeteren van erfelijke eigenschappen van cultuurgewassen en de gecertificeerde vermeerdering van plantaardig uitgangsmateriaal, zoals zaden en stekken.

Bijlage 2 Overzicht informatieobjecten

10-5 risicocontour Amsterdam Heliport

10-5 risicocontour luchthaven Hilversum

10-5 risicocontour luchthaven Texel

10-6 risicocontour Amsterdam Heliport

10-6 risicocontour luchthaven Hilversum

10-6 risicocontour luchthaven Loodswezen IJmuiden

10-6 risicocontour luchthaven Texel

48 dB(A) Geluidscontour Amsterdam Heliport

48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum

48 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden

48 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel

56 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport

56 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum

56 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden

56 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel

70 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport

Agrarische bedrijven

Beoordeling veehouderij en ammoniak

Beperkingengebied provinciale wegen

Beperkingengebied waterkeringen

Beschermingszone regionale waterkering

beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

Bestaand zaadveredelingsbedrijf

Bijzonder Provinciaal Landschap

Cultureel Erfgoed

Cultureel Erfgoed - provinciale monumenten

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Glastuinbouwconcentratiegebied

Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan

Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten

Grondwaterbeschermingsgebied

Hoogtebeperkingen Amsterdam Heliport

Hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum

Hoogtebeperkingen luchthaven Loodswezen IJmuiden

Hoogtebeperkingen luchthaven Texel

Industrieterrein met provinciale geluidproductieplafonds

Industrieterrein van provinciaal belang

Landelijk gebied

LIB 5 zone Schiphol

Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden

Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport

Luchthavengebied luchthaven Hilversum

Luchthavengebied luchthaven Texel

Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang

MRA - Landelijk gebied

Natura2000

Natura2000-bufferzone

Natuurnetwerk Nederland

Natuurverbindingen

Nautisch beheer - Aalsmeer

Nautisch beheer - AGV

Nautisch beheer - Castricum

Nautisch beheer - HHNK

Nautisch beheer - PNH

Nautisch beheer - Rijnland

Nautisch beheer - Uitgeest

Nautisch beheer - Wijdemeren

Nautisch beheer - Zaanstad

Noord-Holland Noord - Landelijk gebied

Omgevingswaarde wateroverlast

Oude bosgroeiplaatsen

Peilbesluit

Provinciale wegen

Regionale waterkeringen

Stiltegebieden

stortplaatsen Wet milieubeheer

Strandzonering - natuurstrand

Strandzonering - seizoenstrand

Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang

Tuinbouwconcentratiegebied

Vaarwegbeheer - beheer AGV

Vaarwegbeheer - beheer gemeente

Vaarwegbeheer - beheer HHNK

Vaarwegbeheer - beheer Plassenschap Loosdrecht

Vaarwegbeheer - beheer PNH

Vaarwegbeheer - beheer Recreactieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer

Vaarwegbeheer - beheer Rijnland

Vaarwegbeheer - profiel en bediening

Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel

Varend ontgassen

Veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum

Veiligheidsgebieden luchthaven Texel

Waterwingebied

Wegen met provinciale geluidproductieplafonds

Zaadveredelingsconcentratiegebied

Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1

pdf: 8b Afwegingskader energieopwekking Hollandse Waterlinies.pdf

pdf: stiltegebieden.pdf

Bijlage 3 Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

bijlage 3a Bord aanduiding grondwaterbeschermingsgebied

afbeelding binnen de regeling

bijlage 3b Verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden

Activiteiten verboden in grondwaterbeschermingsgebieden:

  • a.

    het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen;

  • b.

    het opslaan, overslaan en/of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen;

  • c.

    het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

  • d.

    het vervaardigen van cokes uit steenkool;

  • e.

    de op- en overslag, verbranding of andere wijze van verwijdering van afvalstoffen;

  • f.

    vervallen

  • g.

    het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen;

  • h.

    het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen;

  • i.

    het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of de scheepvaart;

  • j.

    de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks;

  • k.

    het reinigen van tankschepen;

  • l.

    het inwendig reinigen mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers;

  • m.

    gelegenheid bieden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen;

  • n.

    zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen;

  • o.

    recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater;

  • p.

    oppervlaktebehandeling van metalen en/of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst;

  • q.

    schietbanen in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk;

  • r.

    aardolie -of aardgaswinning;

  • s.

    bewerking van splijt- en kweekstoffen;

  • t.

    het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;

  • u.

    het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

Bijlage 4 Natura 2000/Flora fauna

bijlage 4a Vrijgestelde activiteiten

Activiteiten en categorieën van activiteiten als bedoeld in Artikel 4.4 zijn:

  • het beweiden van vee.

bijlage 4b Minimum afstanden voor helikopterstarts en -landingen nabij Natura 2000-gebieden

De afstanden in onderstaande tabellen dienen in acht te worden genomen wanneer nabij Natura2000-gebieden gebruik gemaakt wordt van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik.Tabel 1 geldt voor het gebruik van deze ontheffing binnen de periode 15 februari - 31 augustus.Tabel 2 geldt voor het gebruik van de ontheffing buiten die periode. De afstanden in onderstaande tabellen zijn in meters.

Tabel 1. Starts en landingen tijdens het broedseizoen (15 februari - 31 augustus)1

Gebied

Kritische afstanden parapluontheffing helikopters (in meters)

Kritische afstandenlocatiegebonden ontheffinghelikopters en overigeluchtvaartuigen (in meters)

Duinen en Lage Land Texel

2150

2150

Polder Zeevang

2150

2150

Abstkolk & De Putten

250

2150

Waddenzee

2150

2150

Noordzeekust

2150

2150

Ijsselmeer

2150

2150

Markermeer & IJmeer

2150

2150

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

2150

2150

Zwanenwater & Pettemerduinen

2150

2150

Eilandspolder

2150

2150

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

2150

2150

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

2150

2150

Naardermeer

2150

2150

Oostelijke Vechtplassen

2150

2150

1 De berekeningen die ten grondslag liggen aan deze tabel zijn te vinden in ‘Kritische afstanden voor starten en landen vanhelikopters nabij Natura 2000-gebieden in Noord-Holland’, een rapport van Bureau Waardenburg. Een digitale versie is opaanvraag beschikbaar.

Tabel 2. Starts en landingen buiten het broedseizoen (1 september - 14 februari)

Gebied

Kritische afstanden paraplu ontheffing helikopters (in meters)

Kritische afstanden locatiegebonden ontheffing helikopters en overige luchtvaartuigen (in meters)

Duinen en Lage Land Texel

250

250

Polder Zeevang

250

2150

Abstkolk & de Putten

250

2150

Waddenzee

250

2150

Noordzeekustzone

250

2150

IJsselmeer

250

2150

Markermeer & IJmeer

250

2150

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

250

2150

Zwanenwater & Pettemerduinen

250

2150

Eilandspolder

250

2150

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

250

2150

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

250

2150

Naardermeer

250

2150

Oostelijke Vechtplassen

250

2150

bijlage 4c Minimumafstanden voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming of melding nabij Natura2000-gebieden

Er is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming nodig voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming als bedoeld in hoofdstuk 3b van het Vuurwerkbesluit of melding Vuurwerkbesluit, indien het gebruik van deze ontbrandingstoestemming of melding vuurwerkbesluit plaatsvindt op een terrein dat verder van een Natura 2000-gebied is gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden in onderstaande tabel. De afstanden in onderstaande tabel zijn in meters. Afstanden worden gemeten vanaf de afsteeklocatie (niet vanaf de veiligheidszone). Aangegeven afstanden gaan tot aan de grens van het natura2000 gebied, tenzij een andere grens is opgenomen in de tabel.

Tabel 1. Overzicht veilige afstanden (in meters) van Natura 2000-gebieden. Afstanden gelden zowel voor professioneel vuurwerk, consumentenvuurwerk als voor theatervuurwerk1

 

januari

februari

maart

april

mei

juni

juli

augustus

september

oktober

november

december

Abstkolk en de Putten

700 m tijdens daglicht

700 m tijdens daglicht

700 m tijdens daglicht

0

0

0

0

0

700 m tijdens daglicht

700 m tijdens daglicht

700 m tijdens daglicht

700 m tijdens daglicht

Duinen en Lage Land Texel

0

0

700

700

700

700

700

700

0

0

0

0

Eemmeer en Gooimeer

700

700

0

0

0

0

0

0

0

0

700

700

Eilandspolder

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

IJsselmeer

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

0

0

700 fig. 4.5 en 4.6

700 fig. 4.5 en 4.6

Ilperveld etc.

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

0

Markermeer

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

700 fig. 4.7 en 4.8

Noordzeekustzone

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

Oostelijke vechtplassen

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700

700

700

700

700

700

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

Polder Zeevang

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

Waddenzee

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

- 700 rondom banaan* (lepelaar) en art 20 gebied Balgzand* - 3 km hvp*

- 700 rondom banaan* (lepelaar) en art 20 gebied Balgzand* - 3 km hvp*

- 700 rondom banaan* (lepelaar) en art 20 gebied Balgzand* - 3 km hvp*

- 700 rondom banaan* (lepelaar) en art 20 gebied Balgzand* - 3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

3 km hvp*

Wormer-Jisperveld etc.

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

700 rond slaapplaats

700 rond slaapplaats

0

0

0

0

Zwanenwater (alleen VRL* deel)

700

700

700

350

350

350

350

350

0

0

0

700

1 De berekeningen die ten grondslag liggen aan deze tabel zijn te vinden in Afwegingskader Vuurwerkevenementen nabij Natura2000-gebieden Noord-Holland van 8 juli 2019, een rapport van Tauw, rapportnummer R001-1268817OJT-V01.

*Banaan: zie figuur 4.10.

*Artikel 20 gebied Balgzand: zie figuur 4.11.

*Hvp: hoogwatervluchtplaats - check tijdstip vuurwerk met hoogwater.

*VRL: Vogelrichtlijngebied.

Figuur 4.5. Natura 2000-gebied IJsselmeer, locaties met broedende vogels. Rondom deze locaties geldt een verstoringsafstand van 700 m. Vuurwerk binnen deze bufferzone dient nader onderzocht te worden op aanwezigheid van broedvogels, indien: afgestoken in de periode februari tot en met augustus.

Figuur 4.6a. Verstoringsgevoelige gebieden IJsselmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Friesland en Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.6b. Verstoringsgevoelige gebieden IJsselmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Friesland en Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.6c. Verstoringsgevoelige gebieden IJsselmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Friesland en Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.7. Verstoringsgevoelige broedgebied Markermeer en IJmeer (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.8a. Verstoringsgevoelige gebieden Markermeer en IJmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.8b. Verstoringsgevoelige gebieden Markermeer en IJmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.8c. Verstoringsgevoelige gebieden Markermeer en IJmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.8d. Verstoringsgevoelige gebieden Markermeer en IJmeer niet-broedvogels (bron: Natura 2000 beheerplan). In de aangegeven periode geldt een verstoringszone van 700 m. De delen in Flevoland blijven buiten beschouwing.

Figuur 4.10. Natura 2000-gebied Waddenzee. Broedkolonie lepelaar bij de Leidam (de Banaan) inclusief 700 meter bufferzone in de periode april t/mjuli. Hoogwatervluchtplaatsen staan niet op kaart.

Figuur 4.11. Natura 2000-gebied Waddenzee. Broedgebied bij Balgzand inclusief 700 meter bufferzone in de periode april t/m juli. Daarnaast geldt jaarrond een 3 km zone omdat het tevens een hoogwatervluchtplaats betreft.

Bijlage 5 Soortenbescherming

bijlage 5a Soorten als bedoeld in artikel 4.7

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Brandgans*

Branta leucopsis

Grauwe gans*

Anser anser

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Kolgans*

Anser albifrons

*Inclusief hybride ganzen van deze genoemde ganzensoorten in al hun verschijningsvormen. Hybride ganzen: een gans die als product van kruising niet voor 100% alle kenmerken vertoont van één van de genoemde wilde ganzensoorten.

bijlage 5b Soorten als bedoeld in artikel 4.8

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Soort schade

Periode

Brandgans*

Branta leucopsis

Grasland, graan, suikerbieten,graszaad, maïs, aardappelen en vollegrondsgroenten in bedrijfsmatige teelt

Gehele jaar met uitzondering van overjarig grasland in de periode van 1 november tot 1 maart

Brandgans*

Branta leucopsis

Kwetsbare gewassen

Vanaf 1 november tot 1 maart

Ekster

Pica pica

Fruit in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 15 juni tot beëindigen van de oogst, en in ieder geval eindigend op 15 november

Gaai

Garrulus glandarius

Appel- en perenbomen in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 15 juni tot beëindigen van de oogst, en in ieder geval eindigend op 15 november

Grauwe gans*

Anser anser

Grasland, graan, suikerbieten, graszaad, maïs, aardappelen en vollegrondsgroenten in bedrijfsmatige teelt

Gehele jaar met uitzondering van overjarig grasland in de periode van 1 november tot 1 maart

Grauwe gans*

Anser anser

Kwetsbare gewassen in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 1 november tot 1 maart

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Grasland, graszaad, graan, mais en groenten in bedrijfsmatige teelt

Gehele jaar

Kolgans*

Anser albifrons

Grasland, graan, suikerbieten, graszaad, maïs, aardappelen en vollegrondsgroenten in bedrijfsmatige teelt

Gehele jaar met uitzondering van overjarig grasland in de periode van 1 november tot 1 maart

Kolgans*

Anser albifrons

Kwetsbare gewassen in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 1 november tot 1 maart

Meerkoet

Fulica atra

Grasland en graan in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 1 oktober tot 1 juni

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Fruitbomen in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 1 juli tot beëindigen van de oogst, en in ieder geval eindigend op 1 november

Wilde eend

Anas platyrhynchos

Graan in bedrijfsmatige teelt

Vanaf 1 juli tot 15 augustus

*Inclusief hybride ganzen van deze genoemde ganzensoorten in al hun verschijningsvormen. Hybride ganzen: een gans die als product vankruising niet voor 100% alle kenmerken vertoont van één van de genoemde wilde ganzensoorten.

bijlage 5c Soorten als bedoeld in artikel 4.10

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren

 

Aardmuis

Microtus agrestis

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europaeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Haas

Lepus europeus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Woelrat

Arvicola terrestris

Amfibieën

 

Bruine kikker

Rana temporaria

Gewone pad

Bufo bufo

Kleine watersalamander

Triturus vulgaris

Meerkikker

Rana ridibunda

middelste groene kikker

Rana esculenta

Bijlage 6 Wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen

Wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland

A1 Westeinderplassen, Molenpoel en Schinkelbos

A10 Diemervijfhoek, De Drost, Warenar, Hooft en De Schelp

A11 Vecht en oeverlanden

A12 Naardermeer en Zuidpolder beoosten Muiden

A13 Oostelijke Vechtplassen

A14 Laegieskamp, Gijzenveen en Cruysbergen

A15 's-Gravenlandse landgoederen

A16 Spanderswoud en Corversbosch

A17 Gooi Noord

A18 Gooi Midden en Zuid

A19 De Kampen, Huizerhoef en De Dode Hond

A2 Kalslagerpolder

A20 Bossen Muiderberg

A22 Oeverlanden Holendrecht en Bullewijk

A3 Zijdelmeer en Uithoornse Polder

A4 Bovenkerkerpolder

A5 Middelpolder

A6 Polder de Rondehoep, Holendrechter Bullewijkerpolder

A7 Ouderkerkerplas en Nieuwe Bullewijk

A8 Gaasperplas, Gaasperzoom en De Hoge Dijk

A9 Diemerpolder en Diemerbos

K1 Huisduinerpolder

K10 Balgzand

K11 Amstelmeer en omgeving

K12 Wieringen

K13 Robbenoord

K14 Lage Oude Veer

K15 Eendenkooien

K16 Stapstenen Waardkanaal

K17 Schagerwad en reservaten rond Kolhorn

K18 Oeverlanden Kanaal Alkmaar Omval

K19 Waterbergingsgebieden langs Ringvaart Dirkshorn

K2 Grafelijkheidsduinen

K20 Boomerwaal

K3 Het Nollenlandschap

K4 Noordduinen, Mariëndal & Botgat

K5 Uitlandse Polder en Zandpolder

K6 De Nollen

K7 Zwanenwater en Pettemerduinen

L20 Kalverpolder

L21 Jagersveld

L22 Oostzanerveld

L23 Twiske

L24 Ilperveld en Varkensland

L26 Purmerbos

L27 Ringvaart van de Wijde Wormer en oeverlanden

L28 Groengebied Purmerland

L29 Polder Katwoude

L3 Westwouderpolder

K8 Wildrijk en Ananas

N18 Duinen bij Wijk aan Zee

N19 Westerhout en de Lunetten bij Beverwijk

N2 Catrijpmoor

N24 Rietlanden Westbeverkoog, Oterleek en Molendijk

K9 Wielen Westfriese Omringdijk Eenigenburg

L1 Hempolder en Klaas Hoorn- en Kijfpolder

W4 Boxwei Egboetswater en eendenkooi Wervershoof

L10 Driehoek van Assum

L11 Eilandspolder

L12 Polder Mijzen

L13 Oeverlanden Beemsterringvaart

L14 Kogen bij Schardam

L15 Zeevang en Kwadijkervlot

L16 Waterling, Het Schot en oeverlanden Beemsterringvaart

L17 Wormer- en Jisperveld

L18 Polder Westzaan, Noorderveen en Zuiderpolder

L19 De Engewormer en de Wijde Wormer

L2 Alkmaarder- en Uitgeestermeer, Zwaansmeer en Dorregeesterpolder

L30 Hemmeland

L31 Waterland oost

L33 Koksloot en oeverland

L4 Crommenije

L5 Krommenieër-Woudpolder

L6 Omgeving Markervaart

L7 Waterlinie Beverwijk

L8 Noorderham en Zuiderham

L9 Weijenbus, Vroonmeer en Fort Krommeniedijk

N1 Abtskolk, Harger- en Pettemerpolder

N10 Oeverlanden Kanaal Alkmaar Omval-Kolhorn Zuid

N11 Waarderhout

N12 Polder Egmond aan den Hoef

N13 Ter Coulster, Nijenburg & Heilooër Bos

N14 Limmerpolder

N15 Duinrand Bakkum

N16 Castricummerpolder en eendenkooi Uitgeest

N17 Marquette en het Krengenbos

N25 Hondsbossche Duinen

N3 Schoorlse Duinen

N4 Noordhollands Duinreservaat

N5 Waterberging Over 't Hek en Zuurvenspolder

N6 Kleimeer en Geestmerambacht

N7 Damlander- en Philisteinse Polder

N8 Bergermeerpolder en Loterijlanden

N9 Oosterdel

T1 De Hoge Berg

T2 Noordelijke duinen Texel

T3 Zuidelijke duinen Texel

T4 Polderlandschap Texel

T5 Natuurgebieden Waddenkust

T6 De Hors en de Razende Bol

T7 Waalenburg

W1 Weel- en Braakpolder, Kolk van Dussen en omgeving

W10 Uiterdijk en de Hulk

W11 Putten van Oosterleek en Kleiput De Nek

W2 Twisk-Oostermare en omgeving

W3 Grote en Kleine Vliet en polder het Lichtewater

W5 Koopmanspolder en Onderdijk

W6 De Weelen en Streekbos

W7 De Ven

W8 De Weel, de Weijdemeer en graslandreservaten de Gouw

W9 Rustenburg en Hensbroek

Z1 Nationaal Park Zuid-Kennemerland

Z10 Dijkland

Z12 Haarlemmermeersebos en Groene Weelde

Z13 Haarlemmermeer

Z14 Amsterdam west

Z15 Amsterdamse Bos, Nieuwe Meer en Amstelveense Poel

Z2 Amsterdamse Waterleiding Duinen

Z3 Landgoederen bij Driehuis en Santpoort

Z4 Landgoederen bij Haarlem

Z5 Landgoederen bij Heemstede en Bennebroek

Z6 Oosterbroek & Buitenhuizen

Z7 Heksloot, Westbroekplas en omgeving

Z8 Houtrakpolder en omgeving

Z11 Eendenkooi Vijfhuizen

Z9 Schoteroog, Waarder- en Veerpolder, Mooie Nel en De Liede

Wezenlijke kenmerken en waarden Natuurverbindingen

Alkmaardermeer-Noordzeekanaal

Amstelmeerkanaal

Amsterdamse Bos, Westeinderplassen en omgeving

De Vecht

Dijk IJselmeerkust

Eilandspolder- Wormer- en Jisperveld

Groene AS (Amstelland-Spaarnwoude)

Haarlemmermeer en omgeving

Kolhorn-Omval-Ursem

Kop van Noord-Holland

Marquette-Driehoek van Assem

Natuurboog Amsterdam zuidoost

Noordhollands duinreservaat-Eilandspolder

't Gooi

West-Friesland

Wormer- Jisperveld, Purmerland en Purmerringvaart

Zuid-Kennemerland-Spaarnwoude

Bijlage 7 Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap provincie Noord-Holland

Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap

Abbekerk en omgeving

Alkmaardermeer en omgeving

Amstelscheg

Assendelft en omgeving

Callantsoog

De Kampen

Eilandspolder

Haarlemmermeer-Noord

Het Gooi

Marken

Noord-Kennemerland

Oosterdijk

Oostzaner- en Ilperveld

Opmeer-Wognum

Oude Veer

Schagen

Schellinkhout en omgeving

Schermer

Spaarnwoude en omgeving

Texel - Oude Land en aandijkingen

Tuinen van West

Vechtstreek-Noord

Vechtstreek-Zuid

Veenhuizen en Oterleek

Waterland

Westzaan en omgeving

Wieringen

Wijde Wormer

Wormer- en Jisperveld

Zeevang

Zijpepolder Noord en Zuid

Zuid-Kennemerland

Bijlage 8 Kernkwaliteiten erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (UNESCO)

bijlage 8a Kernkwaliteiten UNESCO

Hieronder zijn de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen opgesomd. De uitwerking van de kernkwaliteiten is opgenomen in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Deze tabel dient in samenhang te worden gelezen met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, deze bijlage en bijlage 8b, waarin opgenomen het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies.

 

Kernkwaliteiten

Nieuwe Hollandse Waterlinie

1. Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit:

- inundatiegebieden;

- zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;

- voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten;

- waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers, en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;

- overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten;

- de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;

- de historische vestingstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem;

2. Grote openheid;

3. Groen en overwegend rustig karakter.

Werelderfgoed De Beemster

1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit:

- het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen;

- de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving);

- het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen;

- bebouwing langs de wegen;

- de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting;

- de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens;

- de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen;

- de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster;

2. Grote openheid;

3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.

Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam

1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit:

- een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;

- sluizen en voor- en achterkanalen;

- de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken;

- inundatiegebieden;

- voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied);

- de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten;

2. Relatief grote openheid;

3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

Nadere uitwerking kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie

De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie worden verder uitgewerkt in een gezamenlijk proces met de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht. De Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie staan nu bij UNESCO ingeschreven als één werelderfgoed met de naam Hollandse Waterlinies en omvat nu ook de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht.

Ter inspiratie kan dienen: ‘Inspiratieboek Linie-Vormgeving, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, juni 2007.

Nadere uitwerking Stelling van Amsterdam

In de Stelling van Amsterdam zijn verschillende zoneringen te onderscheiden:

  • a.

    Stellingzone;

  • b.

    Kernzone;

  • c.

    Monumentenzone.

Ad 1 Stellingzone

De gehele Stelling van Amsterdam (UNESCO-werelderfgoed) is Stellingzone. De Stellingzone vormt het samenhangend geheel tussen de verdedigingswerken en het landschap. Ook voormalige inundatiegebieden maken deel uit van de Stellingzone. Voor deze Stellingzone geldt:

  • Behoud van nog bestaande zichtlijnen tussen de forten en doorzichten op de forten;

  • Openhouden van schootscirkels rond de forten in de nog open landschappen;

  • Behoud van bestaande accessen. Dit zijn de plaatsen waar de hoofdverdedigingslijn werd doorsneden door dijken, kanalen, spoorlijnen en wegen.

Ad 2 Kernzone

De kernzone wordt gevormd door de hoofdverdedigingslijn en de schootscirkels rond de forten. De hoofdverdedigingslijnen en de schootscirkels rond de forten zijn belangrijke elementen in het Stellinglandschap. De hoofdverdedigingslijn markeert de grens aanval-verdediging en tevens de grens van de inundaties. De schootscirkel is een cirkel van 1000 meter rond een fort. De kernzone is als volgt begrensd:

  • a.

    Hoofdverdedigingslijn: 100 meter aan de aanvalszijde en 100 meter aan de verdedigingszijde.

  • b.

    Schootscirkels rond de forten: cirkels van 1000 meter rond een fort.

Voor de Kernzone geldt:

  • Geen bebouwing in gebieden die nu nog open zijn;

  • Kleinschalige incidentele ontwikkelingen binnen de kernzone zijn alleen mogelijk als deze als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit van de Stelling van Amsterdam te versterken. De ontwikkeling dient ingepast te zijn in het landschap en met respect voor zichtlijnen en mag niet leiden tot een significant hoger geluidsniveau in de open ruimte en tot een significante aantasting van het groene en open landschap;

  • Op agrarische bouwblokken is aanpassing en vernieuwing van agrarische opstallen mogelijk, mits ingepast in het landschap en passend binnen het omgevingsbeleid.

  • Verdichting van bestaande bebouwingslinten is toegestaan, mits passend in het landschap en de bestaande bebouwingsintensiteit van het lint;

  • Voor bestaande bebouwing die afbreuk doet aan de open ruimte in de schootscirkel en de zone langs de hoofdverdedigingslijn geldt: kansen tot aanpassing benutten in het kader van een integrale herinrichting van het gebied, waarbij per saldo een verbetering van de ruimtelijke situatie ontstaat;

  • Handhaving van de eenheid en herkenbaarheid van de Stellingdijken die specifiek voor de Stelling van Amsterdam zijn aangelegd. Dit zijn de Liniewal Liebrug-Liede (gemeente Haarlemmerliede), de Geniedijk in de Haarlemmermeerpolder (gemeente Haarlemmermeer), de Liniewal in de Starnmeerpolder (gemeente Graft-De Rijp), de Vuurlijn (gemeenten Uithoorn en Aalsmeer), de Liniewal ten oosten van Fort bij Veldhuis (gemeenten Heemskerk en Uitgeest) en de Liniewal Aagtendijk-Zuidwijkermeer (gemeenten Zaanstad en Beverwijk). De zichtlijnen langs deze dijken moeten gehandhaafd blijven;

  • Een groene of blauwe zone rond de forten waarborgen op die plaatsen waar die nu nog aanwezig is;

  • Stimuleren en ontwikkelen van blauwe functies die het contrast met de hoofdverdedigingslijn versterken of die (voormalige) inundatiegebieden in het landschap zichtbaar maken.

Ad 3 Monumentenzone

De Monumentenzone vormt het hart van de Stelling van Amsterdam. Binnen de Monumentenzone liggen objecten die door de Erfgoedwet of deze Omgevingsverordening zijn beschermd, zoals dijken, forten, sluizen en andere objecten. Ruim 20 objecten zijn op dit moment opgenomen als rijksmonument ingevolge de Erfgoedwet. Ongeveer 120 objecten zijn opgenomen als provinciaal monument volgens de provinciale Omgevingsverordening. Voor deze Monumentenzone gelden naast de regels in deze verordening over de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde ook de regels uit de Erfgoedwetten en de regels over monumenten (cultureel erfgoed) in deze verordening. Dit komt samengevat neer op geen ontwikkelingen toestaan die het (UNESCO-) monument beschadigen, vernielen of ontsieren, en een verbod om noodzakelijk onderhoud aan het monument te onthouden.

Specifiek voor De Beemster (eveneens UNESCO werelderfgoed) geldt dat de ruimtelijke hoofdstructuur van dit gebied gerespecteerd moet worden. Ontwikkelingen in de kernzone en stellingzone mogen niet strijdig zijn met het beleid voor het UNESCO werelderfgoed van droogmakerij De Beemster.

Beleidskaders

Verder gelden de volgende kaders waarin de kernkwaliteiten verder zijn uitgewerkt per deelgebied:

  • het Provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam (2008);

  • het Ruimtelijk Beleidskader Stelling van Amsterdam (2008);

  • Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018;

  • Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies (2021).

Ontwikkelingen die de uitzonderlijke universele waarden (UUW’s) aantasten, dienen als gevolg van de Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention voorgelegd te worden aan het Werelderfgoedcomité.

bijlage 8b Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies

8b Afwegingskader energieopwekking Hollandse Waterlinies.pdf

Bijlage 9 Stiltegebieden

bijlage 9a Bord stiltegebieden

afbeelding binnen de regeling

bijlage 9b Stiltegebieden

De volgende gebieden zijn vastgesteld als stiltegebied:

  • 1.

    De Slufter;

  • 2.

    Texel-Oost;

  • 3.

    Waddenzeegebied;

  • 4.

    Texel-West

  • 5.

    Hooge Berg;

  • 6.

    Wieringen-Noord;

  • 7.

    Wieringen-Zuid;

  • 8.

    Robbenoordbosch;

  • 9.

    Wieringermeer-Noord;

  • 10.

    Amstelmeer;

  • 11.

    Het Zwanenwater;

  • 12.

    Petten;

  • 13.

    Het Grootslag-Oost;

  • 14.

    De Weere;

  • 15.

    Schoorlse duinen;

  • 16.

    Het Grootslag-West;

  • 17.

    Weidegebied Venhuizen en polder De Drieban;

  • 18.

    Bergermeer e.o.;

  • 19.

    Duingebied Bergen-Egmond;

  • 20.

    De Wogmeer;

  • 21.

    Schermerhorn en Mijzen;

  • 22.

    Duingebied Egmond-Binnen;

  • 23.

    Eilandspolder;

  • 24.

    IJsselmeerkust Zeevang;

  • 25.

    Duingebied Castricum;

  • 27.

    Starnmeerpolder;

  • 29.

    Polder Wormer, Jisp en Neck;

  • 30.

    Polder Ilperveld;

  • 31.

    Varkensland en Broekpolders;

  • 32.

    Kennemerduinen;

  • 33.

    Ransdorp, Holysloot;

  • 34.

    Amsterdamse Waterleidingduinen;

  • 35.

    Eemmeer;

  • 36.

    Vechtplassen en –polders;

  • 37.

    Polder De Ronde Hoep;

  • 38.

    Bovenkerkerpolder;

  • 39.

    De Wijde Blik;

  • 40.

    Loenderveensche Plas;

  • 41.

    Breukeleveensche- of Stille Plas.

Kaartweergave: stiltegebieden.pdf

Bijlage 10 Gegevens en bescheiden

Gegevens en bescheiden

A. Aanvullende algemene gegevens en bescheiden voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of eenmaatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.1 van de verordening

De gegevens en bescheiden die in aanvulling op de afdelingen 7.1 en 7.2 en paragraaf 7.5.2 van de Omgevingsregeling en artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht dienen te worden verstrekt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.1 van de verordening zijn:

  • a.

    de gewenste startdatum van de activiteit; en

  • b.

    de verwachte duur van de activiteit.

B. Aanvullende specifieke gegevens en bescheiden voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of eenmaatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.1 van de verordening

B1 Activiteit in Stiltegebied

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in afdeling 4.3 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    oogmerk en noodzaak van de activiteit;

  • b.

    plaats van de activiteit;

  • c.

    mate van geluidshinder van de activiteit; en

  • d.

    tijdsduur en periode waarbinnen de activiteit zich afspeelt.

B2: Hebben of oprichten van een boorput in grondwaterbeschermingsgebied

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.45 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B3: Uitvoeren van grond- of funderingswerk op diepte van >3 meter onder maaiveld ingrondwaterbeschermingsgebied

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.46 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B4: Leggen van buisleiding voor transport van gassen of vloeistoffen in grondwaterbeschermingsgebied

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.47 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B5: Lozen van afstromend water op of in de bodem in grondwaterbeschermingsgebied

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.48 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B6: Aanleggen uitstrooiveld of (dieren)begraafplaats

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.49 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B7:Tot stand brengen van werken die (in)direct warmte en/of koude onttrekken of toevoegen aan bodem

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.50 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B8: Toepassen van verontreinigde grond en baggerspecie

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.51 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B9: Verrichten van milieubelastende activiteiten op gesloten stortplaats

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.64 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B10: Verrichten van milieubelastende activiteiten in beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.65 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B11: In stand houden, bruikbaarheid en bescherming vaarwegen

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.79 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

B12: Activiteit langs een provinciale weg

Voor zover het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.91 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

C. Algemene gegevens voor het doen van een melding of het voldoen aan een informatieplicht als bedoeldin artikel 4.1 van de verordening

De gegevens en bescheiden die in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht dienen worden verstrekt voor het doen van een melding of het voldoen aan een informatieplicht als bedoeld in artikel 4.1 van de verordening zijn:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de geplande startdatum van de activiteit;

  • c.

    de verwachte duur van de activiteit;

  • d.

    het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht;

  • e.

    de plaatsnaam, het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

  • f.

    de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

  • g.

    als de activiteit waarvoor de gegevens worden verstrekt, wordt verricht door of namens een rechtspersoon of natuurlijke persoon in het kader van het voeren van een onderneming of het uitoefenen van een zelfstandig beroep: het e-mailadres van degene die de gegevens verstrekt respectievelijk de gemachtigde;

  • h.

    als de gegevens worden verstrekt door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde;

  • i.

    als de aanvraag wordt gedaan door een gemachtigde: de ondertekende machtiging; en

  • j.

    de dagtekening.

D. Aanvullende specifieke gegevens voor het doen van een melding of het voldoen aan een informatieplichtals bedoeld in artikel 4.1 van de verordening

D1: Nestbehandeling en verjagen ten behoeve van schadebestrijding

Voor zover het gaat om een het doen van een melding als bedoeld in artikel 4.11 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D2: Vellen houtopstand

Voor zover het gaat om een het doen van een melding als bedoeld in artikel 4.11 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    Oppervlakte te kappen bos in aren en aantal te kappen bomen;

  • b.

    Specificatie van boomsoorten en leeftijd; en

  • c.

    een overzichtskaart van minimaal schaal 1: 25000 en een detailkaart van een schaal tussen 1:1000 en 1:5000, met daarop duidelijk aangegeven de locatie van de betreffende houtopstand.

D3: Lozen vanaf bouwwerken, wegen en parkeerplaatsen zonder risico verontreiniging grondwater

Voor zover het gaat om het doen van een melding als bedoeld in artikel 4.48 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    op welke wijze aan de bodem beschermende voorschriften wordt voldaan.

D4: Ongewoon voorval in of bij het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer

Voor zover het gaat om het geven van informatie als bedoeld in artikel 4.68 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D5: Ongewoon voorval vaarweg

Voor zover het gaat om het geven van informatie als bedoeld in artikel 4.85 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D6: Plaatsen gedenkteken langs provinciale weg

Voor zover het gaat om het doen van een melding als bedoeld in artikel 4.94 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D7: Ongewoon voorval provinciale weg

Voor zover het gaat om het geven van informatie als bedoeld in artikel 4.97 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D8: aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen

Voor zover het gaat om het geven van informatie als bedoeld in artikel 4.116 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

D9: Sanering historische voorvallen van verontreiniging

Voor zover het gaat om het geven van informatie als bedoeld in artikel 4.118 van deze verordening worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:

(gereserveerd)

Bijlage 11 Regels Gedeputeerde Staten

Afdeling 1 Varend ontgassen

Artikel 1.1

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van regels, zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Afdeling 2 Vaarwegen

Artikel 2.1

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van regels, zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Afdeling 3 Natuur- en landschapscompensatie

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van regels, zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Artikel 3.2 Compensatie algemeen

  • a.

    Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe activiteit overeenkomstig Artikel 6.54 van de omgevingsverordeningof een nieuwe ontwikkeling overeenkomstig Artikel 6.59 , achtste Lid van de verordening, maakt dat omgevingsplan mogelijk dat de initiatiefnemer daarvan fysieke maatregelen neemt ter compensatie van de schade aan het Natuurnetwerk Nederland, een natuurverbinding of aan een Bijzonder provinciaal landschap.

  • b.

    Voor zover de fysieke maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet in het omgevingsplan mogelijk kunnen worden gemaakt, blijkt uit de toelichting van het omgevingsplan hoe en wanneer de fysieke maatregelen dan wel in het omgevingsplan worden geregeld en dat het bevoegde gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • c.

    In het geval de fysieke maatregelen ter compensatie van schade aan het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid worden genomen binnen het Natuurnetwerk Nederland, dient daarnaast in het omgevingsplan op eenzelfde oppervlak als verloren gaat door de activiteit, dat nog niet is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland, de ontwikkeling van natuur planologisch mogelijk te worden gemaakt. Voor zover dit niet mogelijk is in het omgevingsplan dat de activiteit mogelijk maakt, blijkt uit de toelichting van dat omgevingsplan hoe en wanneer deze ontwikkeling van natuur dan wel planologisch wordt geregeld en dat het bevoegd gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • d.

    Uit de toelichting van het omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van een natuurverbinding zodanig plaatsvinden dat de functie van de natuurverbinding, zoals omschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden in een bijlage van de verordening, in stand blijft.

  • e.

    In afwijking van sub a en b, kan bij toepassing van Artikel 6.54 , aanhef en onderdeel a, van de omgevingsverordening de schade aan het Natuurnetwerk Nederland of bij toepassing van Artikel 6.59 , achtste Lid , van de omgevingsverordening de schade aan een Bijzonder provinciaal landschap waar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is, voorafgaand aan de ontwikkeling financieel worden gecompenseerd indien:

    • 1.

      fysieke maatregelen niet mogelijk zijn, of;

    • 2.

      het gebied dat wordt aangetast door een activiteit als bedoeld in het eerste lid niet groter is dan:

      • i.

        0,5 hectare in het geval van Natuurnetwerk Nederland, of;

      • ii.

        5 hectare in het geval van een Bijzonder provinciaal landschap, voor zover de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is.

  • f.

    In aanvulling op sub e dient bij financiële compensatie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland op eenzelfde oppervlak als verloren gaat door de activiteit, dat nog niet is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland, de ontwikkeling van natuur planologisch mogelijk te worden gemaakt. Indien dat niet mogelijk is in het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, blijkt uit de toelichting van dat ruimtelijk plan hoe en wanneer dat dan wel planologisch wordt geregeld en dat het bevoegd gezag daaraan medewerking zal verlenen.

  • g.

    Financiële compensatie als bedoeld in sub e vindt plaats in de vorm van een bijdrage zoals bepaald in artikel 3.7 aan de provincie Noord-Holland die wordt gestort in de provinciale reserve Groen of de reserve Landschap.

Artikel 3.3 Compensatie Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen

Uit de toelichting op een omgevingsplan als bedoeld in artikel 3.2 , sub a, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van het Natuurnetwerk Nederland:

  • a.

    plaatsvinden buiten het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland op een locatie die bijdraagt aan de versterking van de samenhang van het netwerk, of, indien aannemelijk is dat fysieke maatregelen buiten het Natuurnetwerk Nederland niet mogelijk zijn, in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Nederland;

  • b.

    plaatsvinden in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij aantoonbaar is dat dit niet mogelijk is;

  • c.

    plaatsvinden in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste gebied;

  • d.

    de aangetaste wezenlijke kenmerken en waarden compenseren; en

  • e.

    tenminste de inrichting van het gebied ten behoeve van de ontwikkeling van de gewenste natuur en ontwikkelingsbeheer van die natuur voor een duur van tenminste 5 jaar, en in geval van bos 10 jaar, omvatten.

Artikel 3.4 Compensatie Bijzonder provinciaal landschap

  • a.

    Uit de toelichting op een omgevingsplan als bedoeld in artikel 3.2 , sub a, blijkt dat de fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van de kernkwaliteit habitat voor weidevogels in Bijzonder provinciaal landschap:

    • 1.

      plaatsvinden in een Bijzonder provinciaal landschap waar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing is;

    • 2.

      plaatsvinden in de nabijheid van het aangetaste gebied tenzij wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is;

    • 3.

      inrichtingsmaatregelen of actief weidevogelbeheer omvatten voor een bedrag gelijk aan de kosten voor beheer in een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van de aangetaste habitat voor weidevogels rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan van 1 april tot en met 15 juni, voor een periode van 30 jaar.

  • b.

    Uit de toelichting op een omgevingsplan als bedoeld in artikel 3.2 , sub a, blijkt dat fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van de overige kernkwaliteiten in Bijzonder provinciaal landschap:

    • 1.

      plaatsvinden in Bijzonder provinciaal landschap, bij voorkeur in hetzelfde deelgebied als waar de aantasting plaatsvindt; en,

    • 2.

      leiden tot een landschapsverbetering die in kwaliteit en omvang proportioneel is ten opzichte van de aantasting van de kernkwaliteit.

Artikel 3.5 Compensatieplan

De toelichting op een omgevingsplan als bedoeld in artikel 3.2 , sub a tot en met d, waarin fysieke maatregelen worden bepaald omvat een compensatieplan dat voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    het plan bevat een kaart van een schaalniveau niet groter dan 1:10.000 waarop de locatie waar de fysieke maatregelen plaatsvinden staat aangegeven;

  • b.

    de fysieke maatregelen zijn concreet beschreven;

  • c.

    in het plan is aangegeven op welke momenten Gedeputeerde Staten de voortgang kunnen beoordelen;

  • d.

    het plan bevat een tijdschema voor realisatie van de compensatie waaruit blijkt dat initiatiefnemer de compensatie uiterlijk binnen twee jaar na de start van de uitvoering van de compensatieplichtige activiteit realiseert, tenzij in een compensatieovereenkomst als bedoeld in artikel 3.6 anders wordt bepaald; en

  • e.

    het plan beschrijft het jaarlijkse beheer van het gebied en de voorwaarden waaraan een beheerder moet voldoen.

Artikel 3.6 Compensatieovereenkomst

  • a.

    Een omgevingsplan als bedoeld in artikel 3.2 , sub a tot en met f,bevat als bijlage een compensatieovereenkomst die is aangegaan tussen de initiatiefnemer en de provincie.

  • b.

    In een compensatieovereenkomst als bedoeld in het vorige lid is ten minste opgenomen:

    • 1.

      welke rollen en verantwoordelijkheden de betrokken partijen hebben;

    • 2.

      een financiële onderbouwing waaruit blijkt dat de uitvoering van de fysieke maatregelen is zeker gesteld en niet wordt gefinancierd uit middelen die beschikbaar zijn op grond van een subsidieregeling;

    • 3.

      de termijn waarbinnen de uitvoering van compensatie moet zijn afgerond;

    • 4.

      een boeteclausule die van toepassing is bij het niet, niet tijdig of onvolledig uitvoeren van de compensatie tenzij sprake is van een overeenkomst tussen overheden;

    • 5.

      de verplichting om te melden wanneer de uitvoering van de compensatiemaatregelen starten;

    • 6.

      de verplichting om Gedeputeerde Staten jaarlijks te informeren over de voortgang.

  • c.

    Voor het verschuldigd zijn van een boete als bedoeld in sub b is geen ingebrekestelling nodig.

  • d.

    Het boetebedrag wordt gestort in de provinciale reserve Groen of de reserve Landschap. Het boetebedrag is op het moment van vaststelling ten minste gelijk aan 150 procent van alle directe en indirecte kosten die samenhangen met de betrokken compensatie.

Artikel 3.7 Financiële compensatie

  • a.

    Financiële compensatie als bedoeld in artikel 3.2 , sub e, omvat voor het Natuurnetwerk Nederland de volgende kostenelementen:

    • 1.

      kosten van de aanschaf van vervangende grond;

    • 2.

      kosten van de basisinrichting;

    • 3.

      kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd, afhankelijk van het type natuur dat wordt ontwikkeld;

    • 4.

      kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, deze zijn bepaald op 20 procent van de kosten genoemd bij 1, 2 en 3.

  • b.

    Financiële compensatie als bedoeld in artikel 3.2 , sub e, omvat voor een Bijzonder provinciaal landschap, voor zover daar de kernkwaliteit habitat voor weidevogels van toepassing de volgende kostenelementen:

    • 1.

      de kosten voor 30 jaar actief weidevogelbeheer voor een gebied dat minimaal gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste weidevogelleefgebied rekening houdende met een jaarlijkse rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan jaarlijks van 1 april tot en met 15 juni;

    • 2.

      de kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, deze zijn bepaald op 20 procent van de kosten genoemd bij 1.

Afdeling 4 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is gereserveerd voor het stellen van regels zoals bedoeld in het delegatiebesluit..

Afdeling 5 Regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkelingen en kleinschalige ontwikkelingen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de regels zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Artikel 5.2 Woningbouw

  • a.

    De afspraken als bedoeld in Artikel 6.13 , eerste Lid , en Artikel 6.19 , eerste Lid , van de verordening over de ontwikkeling, transformatie en herstructurering van woningbouwlocaties, bestaan uit regionale afspraken en woonakkoorden.

  • b.

    Regionale afspraken:

    • 1.

      betreffen in ieder geval de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren woningbouwlocaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente;

    • 2.

      zijn gebaseerd op de door de provincie vastgestelde bevolkingsprognose;

    • 3.

      zijn onderwerp van monitoring;

    • 4.

      kunnen worden bijgesteld wanneer daar aanleiding voor is; en

    • 5.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

  • c.

    Woonakkoorden:

    • 1.

      bevatten de uitgangspunten van het regionaal woonbeleid;

    • 2.

      zijn in overeenstemming met het provinciale woonbeleid;

    • 3.

      bevatten een overzicht en een kaart van de woningbouwplannen in landelijk gebied;

    • 4.

      bevatten een afspraak vanaf welke omvang binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen in de betreffende Woonakkoord-regio regionaal afgestemd dienen te worden;

    • 5.

      gelden voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen; en

    • 6.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio en door Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.3 Bedrijventerreinen en kantoorlocaties

  • a.

    Regionale afspraken kunnen worden gemaakt over de ontwikkeling, transformatie en herstructurering van bedrijventerreinen en kantoorlocaties.

  • b.

    Regionale afspraken:

    • 1.

      betreffen in ieder geval de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren terreinen en locaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente;

    • 2.

      maken op kaart duidelijk om welke terreinen en locaties het gaat;

    • 3.

      worden overeengekomen door de colleges van burgemeester en wethouders de gemeenten in de regio;

    • 4.

      zijn onderwerp van monitoring, en;

    • 5.

      kunnen worden bijgesteld wanneer daar aanleiding voor is.

  • c.

    Regionale afspraken zijn gebaseerd op een visie van de regio die:

    • 1.

      de uitgangspunten weergeeft van het regionaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid;

    • 2.

      in overeenstemming is met het provinciale bedrijventerreinen- en kantorenbeleid;

    • 3.

      is gebaseerd op de door de provincie vastgestelde behoefteraming;

    • 4.

      in het geval dat er sprake is van transformatie van bedrijventerreinen een verantwoording geeft over de wijze waarop in het verlies aan bedrijventerrein wordt voorzien zowel wat betreft oppervlakte als beschikbaarheid van voldoende terrein voor specifieke milieubelastende bedrijvensoorten;

    • 5.

      aan geeft op welke wijze de regio de herstructurering en/of transformatie mogelijk wil maken;

    • 6.

      geldt voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen, en;

    • 7.

      is vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

Artikel 5.4 Detailhandel

  • a.

    Regionale afspraken kunnen worden gemaakt over te ontwikkelen, transformeren en herstructureren detailhandelslocaties.

  • b.

    Regionale afspraken zijn:

    • 1.

      in overeenstemming met een regionale detailhandelsvisie; en

    • 2.

      voorzien van een advies van de regionale adviescommissie

      • i.

        als het gaat om nieuwe detailhandel groter dan 1500 m2 winkelvloeroppervlak (wvo), of;

      • ii.

        als het gaat om winkelgebieden die groter zijn dan 25.000 m2 wvo en de nieuwe detailhandel groter dan 3.000 m2 wvo moet zijn.

  • c.

    Een regionale detailhandelsvisie:

    • 1.

      geeft de uitgangspunten weer van het regionaal detailhandelsbeleid;

    • 2.

      is in overeenstemming met het provinciale detailhandelsbeleid;

    • 3.

      is gebaseerd op het in opdracht van de provincie uitgevoerde marktruimte- en koopstromenonderzoek;

    • 4.

      wordt ter advisering voorgelegd aan de regionale adviescommissie;

    • 5.

      geldt voor minimaal 5 jaar met de mogelijkheid om tussentijds bij te stellen, en;

    • 6.

      is vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio.

  • d.

    Een regionale detailhandelsvisie beschrijft:

    • 1.

      de bestaande detailhandelsstructuur in de regio;

    • 2.

      de demografische ontwikkeling van de regio;

    • 3.

      de marktruimte in de regio;

    • 4.

      een analyse van de leegstand, waaronder ontwikkeling van leegstand en specifieke probleemlocaties;

    • 5.

      het beleid ten aanzien van herstructurering en eventueel transformatie van bestaande winkelcentra;

    • 6.

      de aanwezige planvoorraad;

    • 7.

      de gewenste detailhandelsstructuur in de regio;

    • 8.

      de uitbreidingen die de regio de komende vijf jaar binnen de bestaande marktruimte wil mogelijk maken;

    • 9.

      hoe de regiogemeenten de planvoorraaden leegstand gaan monitoren, en;

    • 10.

      het beleid ten aanzien van volumineuze detailhandel, grootschalige detailhandel en afhaalpunten voor internetaankopen.

Artikel 5.5 Overige stedelijke voorzieningen

Regionale afspraken tussen de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in een regio over overige stedelijke voorzieningen, niet zijnde woningbouw, bedrijventerreinen, kantorenlocaties of detailhandel, kunnen worden beperkt tot werkafspraken over de wijze van afstemming bij overige stedelijke voorzieningen.

Afdeling 6 Zonne-energie

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de regels, zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Artikel 6.2 De locatie en omvang van de opstelling voor zonne-energie

  • a.

    De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is aan minimaal één zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint.

  • b.

    De omvang van de opstelling voor zonne-energie is:

    • 1.

      op een locatie die aan één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint: maximaal 5 hectare;

    • 2.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog een andere zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 10 hectare, of;

    • 3.

      op een locatie die aan minimaal één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint en daarnaast aan nog twee andere zijden aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint, een rijksweg, provinciale weg of spoorweg: maximaal 25 hectare; met dien verstande dat van de maximale oppervlakten genoemd onder 1 tot en met 3, kan worden afgeweken tot niet meer dan 10% van die oppervlakten indien dat noodzakelijk is uit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit.

  • c.

    De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is niet aansluitend op een reeds bestaande opstelling voor zonne-energie, tenzij sprake is van het aanvullen van een bestaande opstelling voor zonne-energie tot de maximale oppervlakte als bedoeld onder sub b.

  • d.

    Het bepaalde in sub a, b en c is niet van toepassing op het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie op locaties die in gebruik zijn als nutsvoorziening, voor de waterhuishouding, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of infrastructuur voor het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit.

Artikel 6.3 Eisen aan de inpassing van de opstelling voor zonne-energie

  • a.

    De hoogte van een opstelling voor zonne-energie bedraagt niet meer dan 1,50 meter gemeten vanaf het gemiddelde straatpeil van de omliggende openbare wegen.

  • b.

    Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien deze afwijking aantoonbaar:

    • 1.

      bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit, of;

    • 2.

      anderszins substantiële meerwaarde oplevert voor de fysieke leefomgeving.

  • c.

    De bodem onder de opstelling wordt niet verhard of verdicht en wordt zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • d.

    De terreinafscherming en rand van de opstelling voor zonne-energie zijn passend in de omgeving en worden zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

  • e.

    De afstand tussen de opstelling voor zonne-energie en woonbebouwing bedraagt minimaal 50 meter.

  • f.

    Het bepaalde in sub a tot en met e is niet van toepassing op het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie op locaties die in gebruik zijn als nutsvoorziening, voor de waterhuishouding, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of infrastructuur voor het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit.

Artikel 6.4 Stimuleringsgebieden zonne-energie

  • a.

    Onverminderd artikel 6.3 kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente, of ambtshalve, gehoord de commissie, stimuleringsgebieden zonne-energie aanwijzen waar kan worden afgeweken van het gestelde in artikel 6.2.

  • b.

    Het verzoek kan door Gedeputeerde Staten worden voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO).

  • c.

    Bij de beoordeling van het verzoek kunnen Gedeputeerde Staten onder meer betrekken:

    • 1.

      het Noord-Hollands Perspectief op de Regionale Energiestrategieën (PS, 3 februari 2020);

    • 2.

      de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (GS, 10 april 2018);

    • 3.

      de Kwaliteitsimpuls Zonneparken (2019);

    • 4.

      de in het aan te wijzen gebied geldende provinciale beschermingsregimes;

    • 5.

      de in het aan te wijzen gebied aanwezige ruimtelijk relevante belangen;

    • 6.

      eventueel ARO advies.

  • d.

    De aanwijzing voor een stimuleringsgebied vervalt indien binnen drie jaar na aanwijzing van het stimuleringsgebied nog geen omgevingsplan is vastgesteld voor de realisatie van een opstelling voor zonne-energie.

Afdeling 6a Windenergie

Artikel 6.1a Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat de regels, zoals bedoeld in het delegatiebesluit.

Artikel 6.2b Ruimtelijke kwaliteit windturbines

Bij de ruimtelijke inpassing als bedoeld in Artikel 6.36 en Artikel 6.37 van de verordening wordt door het bevoegd gezag in ieder geval betrokken:

  • a.

    de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie;

  • b.

    de Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022.

Afdeling 7 Regels toetsen op veiligheid en leidraden voor het ontwerpen en verbeteren van regionalewaterkeringen

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling bevat:

  • a.

    de regels, zoals bedoeld in Artikel 5.3 , tweede Lid van de verordening; en

  • b.

    de technische leidraad, zoals bedoeld in Artikel 5.3 , eerste Lid van de verordening.

Artikel 7.1B Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen

  • a.

    Als tijdstip waarop aan de omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen als bedoeld in artikel 5.2 van de verordening wordt voldaan, geldt het tijdstip dat volgt uit het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014.

  • b.

    Als tijdstip en frequentie van de verslagen ten aanzien van de regionale waterkeringen als bedoeld in artikel 11.2, vierde lid, van de verordening, gelden de tijdstippen en de frequentie die volgen uit het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014.

  • c.

    Het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014 berust op artikel 5.2, 11.2 van de verordening en artikel 5.1 lid 1 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022.

Artikel 7.2 Regels beoordeling veiligheid regionale waterkeringen

Voor de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de volgende, door Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) uitgegeven publicaties als regels:

Addendum op de leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen betreffende de boezemkaden

STOWA 2010-22 ORK2

2010

Materiaalfactoren boezemkaden

STOWA 2009-05 ORK

2009

Leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen

STOWA 2015-15

2015

Compendium Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale waterkeringen

STOWA 2015-15a

2015

Kwaliteitsindicatoren veiligheidstoetsing: Meetbare en controleerbare indicatoren voor de kwaliteit van de veiligheidstoetsing regionale waterkeringen

STOWA 2007-01 ORK

2007

Promotor gebruikshandleiding versie 4.1

STOWA, voorjaar 2017

2017

Artikel 7.3 Leidraden ontwerpen en verbeteren