Externe Veiligheidsbeleid Gemeente Hellendoorn

Geldend van 22-12-2012 t/m heden

Intitulé

Externe Veiligheidsbeleid Gemeente Hellendoorn

Nijverdal, 5 november 2012/11 december 2012 Nr. 12INT01738/12INT02213

De raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

Overwegende,

dat het gewenst is om beleid vast te stellen over de omgang met externe veiligheidsrisico's binnen de gemeente Hellendoorn;

gelet op:

  • -

    het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

  • -

    het Besluit externe veiligheid buisleidingen;

  • -

    de artikelen 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t e n: vast te stellen het

Externe Veiligheidsbeleid Gemeente Hellendoorn

SAMENVATTING

Aanleiding

De gemeente Hellendoorn wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Eén aspect van die veilige omgeving is opslag, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen. In die zin draagt de gemeente een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Hellendoorn extern veiligheidsbeleid geformuleerd.

Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s doen zich voor rondom zowel risicovolle inrichtingen, transportassen als buisleidingen waarover / waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota’s. Invulling geven aan wettelijke verplichtingen en beleid vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Hellendoorn aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR) te overwegen.

Aanpak/proces totstandkoming

Dit externe veiligheidsbeleid vormt een actualisatie van het externe veiligheidsbeleid voor de periode 2006-2010. Door veranderende wet- en regelgeving en nieuwe ontwikkelingen is aanpassing/actualisatie van dit beleid vereist. Deze actualisatie zorgt ervoor dat de gemeente Hellendoorn ook in de komende periode beschikt over actueel externe veiligheidsbeleid. Met het geactualiseerde externe veiligheidsbeleid wil de gemeente Hellendoorn de behaalde resultaten vasthouden en borgen en verbeteren waar mogelijk.

Voor de wijze van totstandkoming van het voorliggende externe veiligheidsbeleid is gekozen voor bestuurlijke betrokkenheid van zowel het College van B&W als de Gemeenteraad. Te vormen beleid kan alleen rekenen op bestuurlijke acceptatie als de betreffende bestuurders de te volgen koers (blijven) onderschrijven. Om bij besluiten betreffende wettelijke externe veiligheidstaken te kunnen verwijzen naar het externe veiligheidsbeleid, is het beleid vastgesteld door zowel het College van B&W als de Gemeenteraad.

Risico’s en ruimtelijke ordening gemeente Hellendoorn

Risicobronnen

De gemeente Hellendoorn kent een aantal Bevi 1 -inrichtingen en een aantal Drempelwaarde-bronnen. Er is sprake van 3 LPG tankstations, een ammoniak koelinstallatie en 3 opslaglocaties met meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft drempelwaardelijst-bronnen gaat het om 2 gasdrukmeet- en regelstations en diverse propaantanks met een inhoud tussen de 3 en 13 m3. Naast de genoemde risicobronnen zijn er in de gemeente ook nog diverse propaantanks met een inhoud van minder dan 3 m3. Ook zijn er diverse vuurwerkopslagen van minder dan 10.000 kg. Voor deze categorieën geldt dat de externe veiligheidsrisico’s zeer beperkt zijn. De betreffende bedrijven voldoen aan de voor hen geldende milieuregels.

Voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen kan worden vastgesteld dat de gemeente Hellendoorn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg sinds 2008 een routering voor gevaarlijke stoffen heeft ingesteld. Deze routeringsroute betreft de Burgemeester Boersingel (de weg van Wierden naar Rijssen nabij industrieterrein ’t Lochter) te Nijverdal. De routering is afgestemd op de gemeenten binnen de regio Twente. Voornamelijk voor de bevoorrading van de LPG-tankstations zijn er ontheffingsroutes ingesteld. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen over waterwegen kan het volgende worden opgemerkt. In de gemeente Hellendoorn is een gedeelte van het kanaal Almelo - de Haandrik gelegen. Dit kanaal is in het (concept) Basisnet Water opgenomen als een groene route. Een groene route is de aanduiding voor scheepvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Daardoor is er bij deze vaarweg geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico en hoeft er ook geen rekening gehouden te worden met een plasbrandaandachtsgebied. In de gemeente Hellendoorn vindt over het spoor geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en is ook niet opgenomen in het Basisnetwerk Spoor.

De gemeente Hellendoorn heeft een groot aantal ondergrondse hogedruk aardgasbuisleidingen van de Gasunie binnen haar gemeentegrenzen liggen, maar ook net over de grens in de gemeente Raalte. Er loopt een aantal leidingen van noord naar zuid ter hoogte van Haarle, van oost naar noordwest ten noorden van Hellendoorn als ook centraal door Nijverdal ten behoeve van vestigingen van Ten Cate. Door het in werking treden van het Bevb 2 is de Gasunie een programma gestart om eventuele saneringssituaties ten gevolge van haar buisleidingen op te lossen.

Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief

De gemeente Hellendoorn kenmerkt zich door een afwisselend landschap met veel natuur en recreatie. In de gemeente zijn enkele bedrijventerreinen gelegen van grotere omvang met relatief grote bedrijven. Daarnaast liggen verspreid bij de diverse kernen risicovolle bedrijven op kleinere bedrijventerreinen of in landelijk gebied. Voor de ontwikkeling van de gemeente Hellendoorn gelden de volgende uitgangspunten:

  • Grote ruimtelijke ontwikkelingen die aan de orde zijn in de gemeente Hellendoorn zijn de herinrichting van het centrum en de aanleg van een tunneltracé voor de N35 (categorie C tunnel) en de spoorlijn Almelo – Zwolle;

  • In de gemeente Hellendoorn wordt geen grote groei van de industrie verwacht. Dit is ook niet waar de gemeente primair op gericht is mede gezien de beperkte omvang van de bedrijventerreinen en de verwachte toekomstige uitbreidingen. De gemeente richt zich vooral op sectoren en bedrijven die relatief weinig ruimte vergen. De terugloop van werkgelegenheid in het landelijke gebied wil de gemeente opvangen door het stimuleren van bedrijvigheid in voormalige agrarische gebouwen (VAB);

  • De gemeente is terughoudend ten aanzien van ‘zwaardere’ bedrijvigheid en bedrijven met een groot externe veiligheidsrisico, waarbij wel opgemerkt dient te worden dat de toekomstige ontwikkelingen van Koninklijke Ten Cate op het bedrijventerrein in Noord Nijverdal zeker wel gewenst zijn (Masterplan KTC Nijverdal). Ook het bedrijf Ola heeft wensen met betrekking tot uitbreiding. Bij de noodzakelijke procedures zal het aspect externe veiligheid een belangrijke rol spelen.

  • Over het algemeen kan gesteld worden dat de gemeente Hellendoorn zich richt op een goed leef- en woonklimaat en een dynamische en veilige gemeente wil zijn.

Andere ontwikkelingen zijn ondermeer:

  • Revitalisering ‘t Lochter II, inclusief nieuw bestemmingsplan;

  • Ontwikkeling De Strip Grotestraat;

  • Herontwikkeling van P.C. Stamstraat (als gevolg van verplaatsing van Ten Cate);

  • Camping nabij Daarle;

  • Aanleg hogedruk aardgastransportleiding(en) langs bestaande tracé(s).

Er zijn geen problemen wat betreft externe veiligheid te verwachten naar aanleiding van de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente beoordeelt per nieuwbouwontwikkeling / bedrijfsuitbreiding het aspect externe veiligheid.

Gebiedstypen

Op basis van de beschrijving en ligging van de risicobronnen, bedrijventerreinen, woongebieden etc. is vanuit het perspectief van externe veiligheid een indeling gemaakt in gebieden waarvoor het wenselijk kan zijn om een verschillend veiligheidsniveau na te streven. Bij de beoordeling van aanvragen/bestemmingsplannen is voor de keuze van het toe te passen gebiedstype, de ligging van de risicobron bepalend. Het gaat om de volgende typering van gebieden:

Woongebieden

Gebieden met als voornaamste bestemming wonen waar een hoog veiligheidsniveau gewenst is.

Bedrijventerreinen

Gebieden met als voornaamste bestemming bedrijvigheid (werken) en waar onder voorwaarden plaats is voor risicovolle bedrijven.

Landelijk gebied (recreatiegebied/natuurgebied)

Gebieden met als voornaamste bestemmingen agrarische doeleinden, recreatieve doeleinden en natuur en waar risicobronnen onder voorwaarden op bescheiden schaal zijn toegestaan.

Uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities gemeente Hellendoorn

De gemeente Hellendoorn streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico’s en de behoefte aan de activiteiten die de risico’s veroorzaken. Daartoe conformeert de gemeente Hellendoorn zich aan haar wettelijke verplichtingen. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft, maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities.

Uitgangspunten

  • 1.

    Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Hellendoorn drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en landelijk gebied.

  • 2.

    Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid.

  • 3.

    In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen 3 toegelaten.

  • 4.

    De gemeente heeft weinig ruimte voor de vestiging van zware industrie en bedrijven met een groot externe veiligheidsrisico.

  • 5.

    Op het bedrijventerrein en in het landelijke gebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk.

  • 6.

    Waar zich knelpunten in het kader van externe veiligheid voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.

  • 7.

    Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de regionale brandweer in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.

Gebiedsgerichte ambities

Op basis van de beschrijving en ligging van de risicobronnen, bedrijventerreinen, woongebieden, etc. is vanuit het perspectief van externe veiligheid een indeling gemaakt in gebieden waarvoor het wenselijk is om een verschillend ambitieniveau op het gebied van externe veiligheid na te streven.

4

Realisatie van uitgangspunten en ambities

Context en kader

  • Integraal werkveld – Het onderwerp externe veiligheid kent een takenveld waaraan vele gemeentelijke disciplines een bijdrage moeten leveren: milieu, ruimtelijke ordening (RO), brandweer, verkeer en vervoer, openbare orde en veiligheid, bouwen, communicatie, economische zaken.

  • Wetgeving en beleid – Uitvoering van externe veiligheidstaken vindt haar grondslag in wettelijke regels en gekozen ambities op grond van wettelijk toegestane lokale beleidsruimte.

  • Inhoud en proces – Bij de uitvoering van externe veiligheidstaken gaat het om procesmatige (de ‘hoe’ vraag) en inhoudelijke aspecten (de ‘wat’ vraag).

  • Incidentele en structurele taken – De gemeente Hellendoorn zal het gewenste externe veiligheidsniveau realiseren door het (laten) uitvoeren van incidentele taken en structurele taken.

  • Monitoren en bijsturen – Om te bepalen of hoe effectief en efficient de gemeente opereert bij de uitvoering van wettelijke en ‘wenselijke’ externe veiligheidstaken dient periodiek monitoring plaats te vinden.

Taakuitvoering – procesmatig

  • Deskundigheid en capaciteit – In het kort: er dienen voldoende ambtelijk deskundigen te zijn om de omschreven taken uit te voeren. Verder moeten deze personen beschikken over voldoende expertise.

  • Taakborging – Kwaliteit van procesvoering is er ook mee gebaat als taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden structureel zijn verankerd in procedures en beschrijvingen van werkprocessen.

  • Actueel extern veiligheidsbeleid / kenbaarheid & integratie – Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente dient bestuurlijk te zijn vastgesteld door het College van B&W en door de gemeenteraad. Voorts dient het beleid te zijn geïntegreerd in overige gemeentelijke gerelateerd beleid. Het externe veiligheidsbeleid dient kenbaar te zijn binnen de organisatie, in ieder geval bij die ambtelijk deskundigen die er in hun dagelijks werk mee moeten werken.

Taakuitvoering – inhoudelijk

Het takenpakket externe veiligheid voor de gemeente speelt zich af rond de volgende onderwerpen:

  • Signaleren en registreren.

  • Toepassen wettelijke en ‘wenselijke’ externe veiligheidsaspecten in gemeentelijke producten.

Monitoring en bijsturing

Monitoring en evaluatie van de output en outcome van het externe veiligheidsbeleid en de veelal wettelijke taken bieden aanknopingspunten om de koers waar nodig te verleggen en accenten te wijzigen.

Elke vier jaar zal dit externe veiligheidsbeleid worden beoordeeld op actualiteit en toepasbaarheid. Indien nodig zal het beleid aangepast worden aan belangrijke wijzigingen. Die wijzigingen kunnen zich voordoen binnen de gemeente (risicoprofiel, RO-perspectief, etc.) of daarbuiten (verandering in wetgeving, etc.).

1. INLEIDING

1.1 Externe veiligheid

Externe veiligheid (ev) gaat over het beheersen van de risico’s die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook de risico’s die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Aan de andere kant is het rijksbeleid er op gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd op elkaar. In onderstaande tabel 1 is een aantal voorbeelden gegeven van wat wel en wat niet binnen ‘externe veiligheid’ valt.

Tabel 1 : Voorbeelden wel/geen externe veiligheid

Om een beeld te schetsen hoe groot de kans op overlijden van een individu per jaar is als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen (externe veiligheid) is in de onderstaande tabel 2 de kans op overlijden bij diverse risicovolle activiteiten in het dagelijks leven weergegeven.

Tabel 2 : De kans op overlijden bij diverse risicovolle activiteiten in het dagelijks leven

Veiligheid zo optimaal mogelijk

Door te investeren in veiligheidsmaatregelen, het aantal risicobronnen te beperken en de inrichting van de omgeving van risicobronnen aan te passen, wordt de veiligheid zo optimaal mogelijk gemaakt. Het volledig wegnemen van alle veiligheidsrisico’s is echter niet betaalbaar, niet praktisch uitvoerbaar en botst met het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Binnen de diverse taakgebieden van de landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke overheden dienen continu afwegingen te worden gemaakt tussen veiligheid, haalbaarheid en kosten. Hierbij gaat het ondermeer om taken op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer, milieu en rampenbestrijding. De onderlinge samenhang van de gemaakte afwegingen van verschillende taakvelden is hierbij van cruciaal belang. Hiertoe is een overkoepelend en samenhangend kader noodzakelijk, waarin het externe veiligheidsbeleid voorziet.

1.2 Begrippen en normen externe veiligheid

Mate van risico

De mate van risico is afhankelijk van twee aspecten, namelijk de kans op en het mogelijke effect van een ongeval. Onder de kans verstaan we de mogelijkheid dat zich een situatie voordoet waarbij bijvoorbeeld in een opslag van gevaarlijke stoffen een grote brand ontstaat. Aan de hand van ervaringscijfers en modellen is het mogelijk om een dergelijke kans te berekenen. Onder de effecten verstaan we binnen de externe veiligheidswetgeving uitsluitend het aantal acuut dodelijke slachtoffers van een ongeval, bijvoorbeeld het aantal personen dat bij een grote brand in een opslag van gevaarlijke stoffen wordt blootgesteld aan dodelijke concentraties van gevaarlijke dampen. Dat daarnaast ook een groot aantal gewonden kan vallen, wordt in de risiconorm niet meegenomen. Uiteraard is dit aantal gewonden voor de hulpdiensten (bijvoorbeeld brandweer, ambulancediensten, etc.) wél erg relevant.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor het risico, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Plaatsgebonden risico (PR)

Groepsrisico (GR)

Vanuit het besef dat er altijd veiligheidsrisico’s zullen bestaan, maar dat er wel een norm gesteld moet worden voor de grootte van de risico’s, heeft de Rijksoverheid grens-, richt- en oriënterende waarden gesteld.

Landelijke normen

De normen voor de toegestane risico’s als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving 5

Plaatsgebonden risico (PR)

De normering voor het plaatsgebonden risico is afhankelijk van de aard van het te beschermen object. Hierbij wordt in wet- en regelgeving onderscheid gemaakt tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. De norm voor kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen e.d.) is een grenswaarde (waaraan moet worden voldaan). De norm voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleinere kantoorgebouwen of bedrijfsgebouwen) is een richtwaarde (hieraan moet zoveel mogelijk worden voldaan).

Grenswaarde en richtwaarde

Groepsrisico (GR)

Voor het groepsrisico is een oriënterende waarde vastgelegd. Dit houdt in dat de gemeente hier gemotiveerd van kan afwijken. Een toename van het groepsrisico is, ook al bevindt het risico zich boven of onder de oriënterende waarde, gebonden aan een verantwoordingsplicht. De oriënterende waarde voor het groepsrisico voor inrichtingen (puntbronnen) 6 is hieronder weergegeven.

Oriënterende waarde

Figuur 1 : Groepsrisicocurve

Kanttekeningen bij de normen voor risico’s

De normen voor risico’s sluiten lang niet altijd aan bij de wijze waarop burgers risico’s beleven. Zo is de kans op een dodelijk verkeersongeluk voor de gemiddelde burger veel groter dan de kans om slachtoffer te worden van een ramp met gevaarlijke stoffen. Toch achten veel burgers, mede vanwege vrije keuzes van deelname en vanwege de lagere aantallen slachtoffers, de risico’s van het verkeer acceptabeler. Bij externe veiligheid gaat het immers om kleine kansen, maar grote gevolgen. Bovendien zijn veel risico's niet of nauwelijks te berekenen omdat er onvoldoende ervaringsgegevens beschikbaar zijn.

Beoordeling effecten

Zoals hierboven aangegeven, wordt in de risiconormering alleen gekeken naar het directe aantal dodelijke slachtoffers. Ook als wordt voldaan aan de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico kan een calamiteit nog altijd zeer veel gewonden en zieken tot gevolg hebben. Daarom is het van belang om naast aandacht voor de risico’s ook de mogelijke effecten te beschouwen, zodat ook de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van deze effecten aan bod komen.

Effectbenadering 7

1.3 Doel van het beleid

De gemeente Hellendoorn blijft aandacht houden voor een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij (zoals ook in de periode 2006 – 2010):

  • De externe veiligheid risico’s binnen de gemeente goed in beeld zijn gebracht en ambtenaren en bestuurders zich bewust zijn van de aanwezige risico’s.

  • Een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor externe veiligheid.

  • Door middel van beleidsuitvoering en handhaving wordt gezorgd voor de beheersbaarheid van bestaande en toekomstige EV risico’s.

  • Communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico’s en de te volgen gedragsrichtlijn in geval van een calamiteit.

Om te komen tot een beheersbare externe veiligheidssituatie is het externe veiligheidsbeleid opgesteld (geactualiseerd). Het externe veiligheidsbeleid heeft als doel een toetsingskader aan te bieden dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s er in de gemeente Hellendoorn zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan.

Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities. Het externe veiligheidsbeleid moet ervoor zorgen dat externe veiligheid goed wordt meegenomen in alle besluiten die het veiligheidsniveau binnen de gemeente beïnvloeden.

1.4 Relaties met provinciaal beleid

1.4.1 Omgevingsvisie Overijssel

Bij de ambitievorming en uitvoeringstaken van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Hellendoorn wordt rekening gehouden met voor externe veiligheidstaken relevante bepalingen van de Omgevingsvisie Overijssel. Het in de Omgevingsvisie genoemde provinciaal belang rond kwesties van (externe) veiligheid luidt:

In het bijzonder wijst de provinciale Omgevingsvisie op de noodzaak dat gemeenten bij hun planontwikkeling de centrale beleidsambities van de Omgevingsvisie Overijssel vroegtijdig betrekken.

1.4.2 Meerjarenprogramma Externe Veiligheid Overijssel (MEVO)

Het Meerjarenprogramma Externe Veiligheid Overijssel (MEVO) is het provinciale meerjaren programma externe veiligheid dat is gericht op de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid. Het huidige MEVO beslaat de periode 2011 – 2014. Deze versie van het uitvoeringsprogramma wordt aangeduid met MEVO II.

Het MEVO II moet leiden tot meetbare resultaten die laten zien hoe het veiligheidsniveau in Overijssel zich ontwikkelt. Met andere woorden: de resultaten van de gezamenlijke inspanningen moeten op een aansprekende manier kunnen worden gemeten en gerapporteerd. De gemeente wil zich richten op voor burger en bestuur herkenbare ‘resultaten’.

De kern van het MEVO II bestaat uit het stimuleren van efficiënte en effectieve uitvoering van wettelijke externe veiligheidstaken. Kenmerkend is de nadruk op structurele verankering van uitvoering en samenwerking tussen de veiligheidspartners en het aantoonbaar maken van resultaten. Hierbij is het van belang dat externe veiligheidstaken op een zo effectief en efficiënt mogelijk schaalniveau worden ingevuld. Dit vraagt om bestuurlijke betrokkenheid, kwaliteitsbeheersing en slimme samenwerkingsverbanden. De belangrijkste opgaven voor de komende periode zijn:

  • 1.

    het gezamenlijk beschikken over en vasthouden van de personele expertise rond EV.

  • 2.

    het vasthouden en verhogen van de uitvoeringskwaliteit, vooral in de ruimtelijke ordening en het ontsluiten en delen van risicogegevens.

  • 3.

    het breed verankeren van EV in:

    • a.

      Bestuur en beleid

    • b.

      Informatievoorziening

    • c.

      Uitvoering

    • d.

      Kwaliteitsmanagement

    • e.

      Kennis- en expertisemanagement

Bij de ambitievorming en uitvoeringstaken van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Hellendoorn wordt rekening gehouden met de wensen en uitwerkingen daarvan. In de hoofdstukken 4 en 5 van dit beleid wordt hier nader op ingegaan.

1.5 Toepassen EV-beleid

Dit externe veiligheidsbeleid wordt toegepast bij alle gemeentelijke besluiten/producten (o.a. vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie) die het externe veiligheidsniveau binnen de gemeente Hellendoorn beïnvloeden. Dit houdt in dat er geen externe veiligheidsrelevante besluiten worden genomen zonder toepassing van onderhavig beleid. Daarnaast geeft het externe veiligheidsbeleid duidelijkheid aan burgers en bedrijven over hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsrisico’s binnen de gemeente.

1.6 Invulling geven aan het externe veiligheidsbeleid

Bij het vaststellen van het eigen gemeentelijk externe veiligheidsbeleid is een aantal (toekomstige) wetten en regels van belang, deze zijn in bijlage 1 gepresenteerd.

Invulling geven aan deze wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

Waar wettelijke verplichtingen ophouden, ontstaat een gebied waarbinnen de gemeente voor wenselijke ontwikkelingen kan kiezen. Te denken valt hierbij aan keuzes rond de oriënterende waarde van het groepsrisico en rond richtwaarden voor het plaatsgebonden risico bij beperkt kwetsbare objecten. Bij deze keuzes is de gemeente gehouden tot degelijke motiveringen en communicatie aan haar burgers.

De gemeente Hellendoorn zal in acht nemen dat de gemeentelijke externe veiligheidstaken onderdeel zijn van de zogenaamde veiligheidsketen. In figuur 2 is in de veiligheidsketen weergegeven hoe de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop is georganiseerd en wat de relatie is met de gemeentelijke externe veiligheidstaken. Het externe veiligheidsbeleid richt zich hoofdzakelijk op de eerste vier schakels in de veiligheidsketen (van pro-actie tot en met risicovoorlichting).

Figuur 2 : Veiligheidsketen 8

2 EXTERNE VEILIGHEID GEMEENTE HELLENDOORN

Zonder vertrekpunt is de route naar een gewenste bestemming niet uit te stippelen. Vanuit die logica is het voor het formuleren van passende gebiedsgerichte ev-uitgangspunten en -ambities dan ook een voorwaarde om inzicht te hebben in:

  • 1.

    Risicobronnen – welke risicovolle inrichtingen, transportassen en buisleidingen bevinden zich op het grondgebied van de gemeente en met welke risicocontouren, invloedsgebieden dan wel effectafstanden wordt daarbij gerekend? Wat is de relatie tot huidige en geprojecteerde9 (beperkt) kwetsbare objecten?

  • 2.

    Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief – wat is de huidige ligging van diverse gebieden in de gemeente (wonen, werken, recreëren, etc.) en wat zijn de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen voor deze gebieden? Zijn er EV knelpunten dan wel aandachtspunten vanuit deze ontwikkelingen in bijvoorbeeld grensgebieden tussen wonen en werken of in ongewenste bestemmingen in afzonderlijke gebieden?

  • 3.

    Gebiedstyperingen – op basis van de beschrijving en ligging van de risicobronnen, bedrijventerreinen, woongebieden, etc. is vanuit het perspectief van externe veiligheid een indeling te maken in gebieden waarvoor het wenselijk is om een verschillend veiligheidsniveau na te streven.

  • 4.

    EV taakuitvoering en werkprocessen – hoe is het gesteld met het huidige kennisniveau, de uitvoering en borging van ev-taken, de samenwerking door en tussen de verschillende gemeentelijke afdelingen, alsmede de externe afstemming met buurgemeenten, provincie en regionale brandweer?

Onderstaand wordt ingegaan op de genoemde aspecten die door de gemeente Hellendoorn als basis voor de geformuleerde uitgangspunten en gekozen ambities in het volgende hoofdstuk zullen dienen.

2.1 Risicobronnen

Onder risicobronnen worden in dit document verstaan:

  • Inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen 10 (Bevi-inrichtingen).

  • Inrichtingtypen weergegeven op de drempelwaardenlijst (Leidraad Risico Inventarisatie – Gevaarlijke Stoffen).

  • Transporten met routeplichtige gevaarlijke stoffen.

  • Transportleidingen voor hogedruk aardgas, olie en chemicaliën (buisleidingen).

In de volgende subparagrafen worden de risicobronnen voor de gemeente Hellendoorn beschreven. Zoals hierboven aangegeven gaat het hierbij om Bevi-inrichtingen, inrichtingtypen weergegeven op de drempelwaardenlijst, transportleidingen voor gas, olie en chemicaliën (buisleidingen) en transporten met routeplichtige gevaarlijke stoffen.

De risicobronnen zijn weergegeven op de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl). Voor het gebruik van ambtelijk deskundigen is er een professionele versie van de risicokaart waarvoor de inloggegevens in het bezit zijn van de gemeente Hellendoorn. De burgerversie is voor een ieder inzichtelijk en toegankelijk zonder inloggegevens.

2.1.1 Inrichtingen (inrichtingen volgens de Wet milieubeheer Wm / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wabo)

Juridisch kader

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Het Bevi heeft betrekking op een aantal nader omschreven inrichtingen, namelijk op Brzo bedrijven, LPG-tankstations, bedrijven met een ammoniakkoelinstallatie >1500 kg, bedrijven met een opslag voor gevaarlijke stoffen van meer dan 10 ton en spoorwegemplacementen die door de minister zijn aangewezen voor het rangeren van gevaarlijke stoffen. De gemeente Hellendoorn kent de onderstaande (delen van) inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen:

  • 1 LPG tankstation langs de N35 nabij Haarle;

  • 1 LPG tankstation aan de Collenstaartweg aan de rand van Hulsen;

  • 1 LPG tankstation aan de Dalvoordeweg aan de rand van Daarle;

  • 1 ammoniak koelinstallatie te Hellendoorn;

  • 3 opslaglocaties met meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen.

De gemeente Hellendoorn kent de onderstaande (delen van) inrichtingen die zijn vermeld op de drempelwaardenlijst:

  • 2 gasdrukmeet- en regelstations;

  • Diverse propaantanks met een inhoud tussen de 3 en 13 m3.

Bovenstaande opsomming is een momentopname. Voor de actuele lijst van inrichtingen vallend onder Bevi/drempelwaardenlijst wordt verwezen naar de provinciale risicokaart, te benaderen via www.risicokaart.nl.

Naast bovengenoemde risicobronnen zijn er in de gemeente ook nog diverse propaantanks met een inhoud van minder dan 3 m3. Ook zijn er diverse vuurwerkopslagen van minder dan 10.000 kg. Voor deze categorieën geldt dat de externe veiligheidsrisico’s zeer beperkt zijn. De betreffende bedrijven voldoen aan de voor hen geldende milieuregels.

2.1.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen

Juridisch kader

Basisnet

Het Basisnet is een routenetwerk voor transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen, vaarwegen en Rijkswegen. Het Basisnet moet een robuust routenetwerk vormen waarin een duidelijke keuze tussen het spanningsveld van transport, economie, ruimtelijke ordening en veiligheidsrisico’s is aangebracht. Het Basisnet is ontworpen voor de middellange termijn (tot 2020). Elke route/elk traject krijgt daartoe een vervoersplafond in de vorm van een risicoruimte en afhankelijk daarvan een veiligheidszone.

Besluit transportroutes externe veiligheid

Het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev 11 ) bevat regels die het desbetreffende bevoegde gezag verplichten om een ruimtelijk relevant besluit te toetsen aan grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico respectievelijk aan de in het besluit aangegeven afstanden. Daarnaast moet het bevoegd gezag in de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een projectbesluit het groepsrisico verantwoorden en ingaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Met de komst van het Btev wordt het zogenaamde Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor, weg en water juridisch verankerd. Het basisnet strekt er toe de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke ontwikkelingen en de externe veiligheid duurzaam met elkaar in evenwicht te brengen. Het basisnet heeft betrekking op rijksinfrastructuur. Het Btev zal naar verwachting in 2012 in werking treden.

Wegen

De gemeente Hellendoorn heeft sinds 2008 een routering voor gevaarlijke stoffen ingesteld. Deze routeringsroute betreft de Burgemeester Boersingel (de weg van Wierden naar Rijssen nabij industrieterrein ’t Lochter) te Nijverdal.

De routering is afgestemd op de gemeenten binnen de regio Twente. Voornamelijk voor de bevoorrading van de LPG-tankstations zijn er ontheffingsroutes ingesteld: routes die geen deel uitmaken van de routering, maar waarover bij ontheffingsaanvragen vanuit bedrijven wel gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd.

Spoorwegen

In de gemeente Hellendoorn vindt over het spoor geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en is ook niet opgenomen in het Basisnet Spoor.

Waterwegen

In de gemeente Hellendoorn is een gedeelte van het kanaal Almelo - de Haandrik gelegen. Dit kanaal is in het (concept) Basisnet Water opgenomen als een groene route. Een groene route is de aanduiding voor scheepvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Daardoor is er bij deze vaarweg geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico en hoeft er ook geen rekening gehouden te worden met een plasbrandaandachtsgebied.

2.1.3 Ondergrondse buisleidingen

Juridisch kader

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Met de komst Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb 12 ) is ook voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen de verantwoordingsplicht wettelijk verankerd. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

De gemeente Hellendoorn heeft een groot aantal ondergrondse hogedruk aardgasbuisleidingen van de Gasunie binnen haar gemeentegrenzen liggen, maar ook net over de grens in de gemeente Raalte. De ligging van ondergrondse aardgasbuisleidingen is te vinden op de risicokaart. Er loopt een aantal leidingen van noord naar zuid ter hoogte van Haarle, van oost naar noordwest ten noorden van Hellendoorn als ook centraal door Nijverdal ten behoeve van vestigingen van Ten Cate.

Door het in werking treden van het Bevb is de Gasunie een programma gestart om eventuele saneringssituaties ten gevolge van haar buisleidingen op te lossen. Zij heeft in dat kader de gemeente Hellendoorn om medewerking verzocht om eventuele knelpunten t.a.v. het Plaatsgebonden Risico en het Groepsrisico in beeld te brengen. Hiertoe heeft de gemeente alle beschikbare informatie naast elkaar gelegd en de voor haar bekende, door de Gasunie op te lossen, saneringssituaties in beeld gebracht en gerapporteerd aan de Gasunie.

2.2 Ruimtelijk ontwikkelingsperspectief

De gemeente Hellendoorn kenmerkt zich door een afwisselend landschap met veel natuur en recreatie. In de gemeente zijn enkele bedrijventerreinen gelegen van grotere omvang met relatief grote bedrijven. Daarnaast liggen verspreid bij de diverse kernen risicovolle bedrijven op kleinere bedrijventerreinen of in landelijk gebied. Voor de ontwikkeling van de gemeente Hellendoorn gelden de volgende uitgangspunten:

  • Grote ruimtelijke ontwikkelingen die aan de orde zijn in de gemeente Hellendoorn zijn de herinrichting van het centrum en de aanleg van een tunneltracé voor de N35 (categorie C tunnel) en de spoorlijn Almelo – Zwolle;

  • In de gemeente Hellendoorn wordt geen grote groei van de industrie verwacht. Dit is ook niet waar de gemeente primair op gericht is mede gezien de beperkte omvang van de bedrijventerreinen en de verwachte toekomstige uitbreidingen. De gemeente richt zich vooral op sectoren en bedrijven die relatief weinig ruimte vergen. De terugloop van werkgelegenheid in het landelijke gebied wil de gemeente opvangen door het stimuleren van bedrijvigheid in voormalige agrarische gebouwen (VAB);

  • De gemeente is terughoudend ten aanzien van ‘zwaardere’ bedrijvigheid en bedrijven met een groot externe veiligheidsrisico, waarbij wel opgemerkt dient te worden dat de toekomstige ontwikkelingen van Koninklijke Ten Cate op het bedrijventerrein in Noord Nijverdal zeker wel gewenst zijn (Masterplan KTC Nijverdal). Ook het bedrijf Ola heeft wensen met betrekking tot uitbreiding. Bij de noodzakelijke procedures zal het aspect externe veiligheid een belangrijke rol spelen.

  • Over het algemeen kan gesteld worden dat de gemeente Hellendoorn zich richt op een goed leef- en woonklimaat en een dynamische en veilige gemeente wil zijn.

Andere ontwikkelingen zijn onder meer:

  • Revitalisering ‘t Lochter II, inclusief nieuw bestemmingsplan:;

  • Ontwikkeling De Strip Grotestraat;

  • Herontwikkeling van P.C. Stamstraat (als gevolg van verplaatsing van Ten Cate);

  • Camping nabij Daarle;

  • Aanleg hogedruk aardgastransportleiding(en) langs bestaande tracé(s).

Er zijn geen problemen wat betreft externe veiligheid te verwachten naar aanleiding van de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente beoordeelt per nieuwbouwontwikkeling/bedrijfsuitbreiding het aspect externe veiligheid. Hoofdstuk 4 laat zien hoe de gemeente wil omgaan met externe veiligheid in verschillende situaties.

2.3 Indeling in gebiedstypen

Op basis van de beschrijving en ligging van de risicobronnen, bedrijventerreinen, woongebieden etc. is vanuit het perspectief van externe veiligheid een indeling gemaakt in gebieden waarvoor het wenselijk kan zijn om een verschillend veiligheidsniveau na te streven. Bij de beoordeling van aanvragen/bestemmingsplannen is voor de keuze van het toe te passen gebiedstype, de ligging van de risicobron bepalend.

Het gaat om de volgende typering van gebieden:

Woongebieden

Gebieden met als voornaamste bestemming wonen waar een hoog veiligheidsniveau gewenst is.

Bedrijventerreinen

Gebieden met als voornaamste bestemming bedrijvigheid (werken) en waar onder voorwaarden plaats is voor risicovolle bedrijven.

Landelijk gebied (recreatiegebied/natuurgebied)

Gebieden met als voornaamste bestemmingen agrarische doeleinden, recreatieve doeleinden en natuur en waar risicobronnen onder voorwaarden op bescheiden schaal zijn toegestaan.

In hoofdstuk 4 wordt na het vaststellen van een aantal uitgangspunten, per gebied een ambitieniveau voor de mate van externe veiligheid uitgewerkt.

2.4 EV taakuitvoering en werkprocessen

De externe veiligheidstaken ter voorkoming of beheersing van risico's die ontstaan bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen worden bepaald door wat de wet en de ‘wens’ (beleid) voorschrijven 13 . Voorgeschreven externe veiligheidstaken moeten door de gemeente effectief (de juiste taken doen) en efficiënt (de juiste taken goed doen) worden uitgevoerd. De EV-taken worden uitgevoerd door/in de gemeente Hellendoorn. Bekend is waar welke risicobronnen binnen de gemeente aanwezig zijn. Ook is bekend welke wettelijke taken wat betreft externe veiligheid dienen te worden uitgevoerd. De bestemmingsplannen zijn/dienen te worden geactualiseerd, waarbij rekening is/wordt gehouden met externe veiligheid.

Binnen de gemeente Hellendoorn is de toetsing van Externe Veiligheid bij procedures voor omgevingsvergunningen en Ruimtelijke Ordening procedures vastgelegd. Zo is externe veiligheid een onderdeel op de checklists voor bestemmingsplannen. De vergunningswerkprocessen zijn in het kader van de invoering van de omgevingsvergunning opnieuw bekeken, waar nodig aangepast en vastgelegd in het "Hellendoorns WABO werkproces op hoofdlijnen".

De werkprocessen zijn tot stand gekomen in samenspraak met de volgende vakdisciplines: Ruimtelijke ordening, bouw- & woningtoezicht, milieu (EV), brandweer, openbare werken/groen, handhaving en de frontoffice. Inmiddels worden binnen de gemeente Hellendoorn alle procedures rond omgevingsvergunningen digitaal behandeld en zijn de werkafspraken ook in de digitale systemen vastgelegd.

De brandweer van de gemeenten Rijssen-Holten, Wierden en Hellendoorn werkt tegenwoordig gezamenlijk vanuit Wierden (Brandweer Twente, Cluster West). Binnen dit cluster is een Coördinator Pro-actie werkzaam welke het eerste aanspreekpunt voor de gemeente is aangaande het beleidsveld Externe Veiligheid. Ook wordt door de gemeente, zo nodig, gebruikt gemaakt van de Overijsselse EV-deskundigenpool om de kwaliteit te borgen.

De coördinator Externe Veiligheid binnen de gemeente Hellendoorn, werkzaam binnen het team Vergunningen en handhaving, beoordeelt (mede) de uitgevoerde risicoanalyses, is de contactpersoon naar de brandweer, Veiligheidsregio Twente en de provincie Overijssel en ziet er op toe dat waar nodig het beleidsveld een juiste vertaalslag krijgt.

Ook wordt bij plannen voor ruimtelijke ontwikkeling al in een vroeg stadium overleg gevoerd tussen voor externe veiligheid relevante disciplines.

3 CYCLUS BELEID EXTERNE VEILIGHEID

De gemeente Hellendoorn zal het externe veiligheidsbeleid realiseren via de gangbare wijze van tenuitvoerlegging van overheidsbeleid, dat wil zeggen door toepassen van de cyclus PLAN-DO-CHECK-ACT. Zie onderstaande. De vier genoemde beleidsfasen worden als volgt nader toegelicht.

PLAN > koersbepaling: uitgangspunten en ambities (hoofdstuk 4);

DO > uitvoering van wettelijke en beleidsmatige taken (hoofdstuk 5.2 en 5.3);

CHECK en ACT > monitoren, evalueren en waar nodig bijsturen van voortgang en resultaten van uitvoering van wettelijke en beleidsmatige taken (hoofdstuk 5.4).

4 VISIE EN AMBITIE GEMEENTE HELLENDOORN

4.1 Visie op externe veiligheid

Eén van de kerntaken van de overheid is het bieden van een veilige leefomgeving voor haar burgers. In die zin draagt de gemeente Hellendoorn een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om deze verantwoordelijkheid in te vullen, formuleert de gemeente Hellendoorn een heldere visie op externe veiligheid. Onderdeel van deze externe veiligheidsvisie is een afweging in het spanningsveld van externe veiligheidsambities enerzijds en maatschappelijke kosten anderzijds. Hoge externe veiligheidsambities kunnen immers grote maatschappelijke (en financiële) consequenties hebben.

Ambities binnen wettelijke kaders

Als het gaat om het ambitieniveau voor externe veiligheid binnen de gemeente Hellendoorn is door de wetgever een minimum veiligheidsniveau gedefinieerd. Het plaatsgebonden risico dient minimaal te voldoen aan de wettelijke grenswaarde, terwijl de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico zoveel mogelijk in acht genomen dient te worden. Voor wat betreft groepsrisico en effectbenadering ontbreekt echter een harde wettelijke norm. Wel bestaat voor groepsrisico een verantwoordingsplicht bij een verandering in de hoogte van het groepsrisico. Daarbij dient getoetst te worden aan een oriënterende waarde. Eveneens is men verplicht advies te vragen aan de veiligheidsregio.

Binnen de bovenstaande kaders staat het de gemeente Hellendoorn vrij om eigen ambities te formuleren. Dit maakt het noodzakelijk om als gemeente Hellendoorn eigen uitgangspunten vast te leggen voor het externe veiligheidsbeleid.

De kern van het gemeentelijke ambitieniveau voor externe veiligheid is het beantwoorden van de vraag: “Hoe veilig wil de gemeente Hellendoorn zijn?”.

4.2 Uitgangspunten externe veiligheidsbeleid

De gemeente Hellendoorn streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico’s en de behoefte aan de activiteiten die de risico’s veroorzaken. Dit streven is gebaseerd op de overtuiging dat veiligheidsrisico’s een onderdeel zijn van het maatschappelijke verkeer, immers absolute veiligheid kan nimmer worden gegarandeerd. De gemeente kan daarbij niet op alle gevaarlijke activiteiten direct invloed uitoefenen. Deze verantwoordelijkheid ligt ook bij de gebruiker of eigenaar en bij de provinciale en de rijksoverheid. Dit laat onverlet dat de gemeente wel een verantwoordelijkheid heeft om veiligheidsrisico’s te minimaliseren en beheersbaar te maken door zich voor te bereiden op mogelijke calamiteiten en door grenzen te stellen en deze te handhaven.

Op basis van het risicoprofiel en de gewenste (ruimtelijke) ontwikkelingen van de gemeente Hellendoorn (zie hiervoor hoofdstuk 2) zijn de onderstaande algemene uitgangspunten op het gebied van externe veiligheid bepaald.

4.2.1 Uitgangspunten

  • 1.

    Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Hellendoorn drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en landelijk gebied.

  • 2.

    Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid.

  • 3.

    In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen 14 toegelaten.

  • 4.

    De gemeente heeft weinig ruimte voor de vestiging van zware industrie en bedrijven met een groot externe veiligheidsrisico.

  • 5.

    Op het bedrijventerrein en in het landelijke gebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk.

  • 6.

    Waar zich ev-knelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.

  • 7.

    Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de regionale brandweer in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.

4.3 Externe veiligheidsambities gemeente Hellendoorn

Als de bovenstaande algemene uitgangspunten voor externe veiligheid van de gemeente Hellendoorn op de verschillende gebiedstypen (zie 2.3) worden toegepast, volgen daaruit de onderstaande ambities per gebied voor het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de effectbenadering.

4.3.1 Bestaande situaties

Bij bestaande situaties 15 is het niet altijd mogelijk om de uitgangspunten en ambities voor nieuwe situaties toe te passen. Voor bestaande situaties geldt dat deze worden geaccepteerd indien ze voldoen aan de wettelijke grens- en richtwaarden. De bestaande risicovolle inrichtingen behouden hun rechten. Bij veranderingen van/aan bestaande situaties gelden de in dit beleid opgenomen ambities/uitgangspunten voor nieuwe situaties (zie 4.3.2).

4.3.2 Nieuwe situaties

De in de onderstaande tabellen 3 t/m 5 weergegeven uitgangspunten en ambitiesgelden voor nieuwe situaties.

Tabel 3 : Uitgangspunten en ambities woongebieden

Tabel 4 : Uitgangspunten en ambities bedrijventerreinen

16 In lijn met de opvatting van de gemeente dat in nieuwe situaties de contour van de plaatsgebondenrisicocontour (PR 10-6) van risicovolle inrichtingen binnen de inrichtingsgrens dient te blijven, zal de gemeente zich in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag voor zulke of andere risicobronnen is inspannen om de contouren van het plaatsgebonden risico ook zo dicht mogelijk bij de bron te houden. Daartoe treedt de gemeente in overleg met het bevoegd gezag en de risicobron om haar standpunt uit te dragen. Aanvullend daarop maakt de gemeente in relevante procedures gebruik van haar mogelijkheden om als wettelijk adviseur haar externe veiligheidsstandpunt uit te dragen.

Tabel 5 : Uitgangspunten en ambities landelijkgebied/recreatiegebied en natuurgebied

4.4 Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, een groep mensen die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt.

Groepsrisicoberekeningen beogen de kans op maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken, zodat bij relevante besluiten bewuster kan worden omgegaan met risico’s. In Nederland is er voor gekozen om hiervoor geen harde, wettelijke norm vast te leggen, zoals bij het plaatsgebonden risico, maar een verantwoordingsplicht (zie figuur 4) in te voeren.

De kern van de verantwoordingsplicht is dat een lokale overheid 17 zelf de ruimte wordt geboden om verandering in de hoogte van het groepsrisico als gevolg van vooral ruimtelijke ontwikkelingen af te wegen tegen andere aspecten van die ontwikkeling. De verantwoordingsplicht voorziet daarmee in een bestuurlijk gemotiveerd oordeel over de aanvaardbaarheid van de kans op een ramp met een bepaalde omvang ten gevolge van een risicovolle activiteit. Hierbij moet worden meegewogen in hoeverre de gevolgen van een onverhoopte ramp kunnen worden voorkomen dan wel verminderd en welke mogelijkheden er zijn voor een adequate rampenbestrijding en hulpverlening.

Met de verantwoordingsplicht wordt recht gedaan aan de ruimtelijke afwegingsbevoegdheid van gemeenten. Het gebruik van deze beleidsruimte is wel gebonden aan voorwaarden, die vermeld zijn in artikel 12 (omgevingsvergunningverlening bedrijven) en artikel 13 (ruimtelijke besluiten/omgevingsvergunning) van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het bijzonder zijn te vermelden:

  • De verplichting om gegevens over de verandering van het groepsrisico en mogelijkheden om dit te beheersen te verzamelen en bij de besluitvorming te betrekken.

  • De verplichting om advies bij de veiligheidsregio in te winnen en ook dit advies te betrekken bij de gemeentelijke besluitvorming. Voor risicovolle inrichtingen is de verantwoordingsplicht sinds 2004 wettelijk geregeld in het Bevi. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is dezelfde systematiek voor het omgaan met groepsrisico opgenomen in de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Crnvgs 18 ), met de bedoeling deze wettelijk vast te leggen in de komende algemene maatregel van bestuur Besluit transportroutes externe veiligheid (AMvB Btev).

Met de komst van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is ook voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen de verantwoordingsplicht wettelijk verankerd. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Voor risicobronnen weergegeven op de drempelwaardenlijst 19 die niet onder het Bevi vallen, geldt geen wettelijke verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Ten aanzien van de verantwoording van het groeprisico voor risicobronnen weergegeven op deze drempelwaardenlijst sluit de gemeente Hellendoorn aan bij de verantwoordingssystematiek zoals voorgeschreven in artikel 12 en 13 van het Bevi.

4.4.1 Verantwoordingsprocedure

In gevallen waarin de verantwoording van het groepsrisico aan de orde is, bepaalt de hoogte van het berekende groepsrisico welke procedure voor de verantwoording van het groepsrisico worden gevolgd.

Beperkte procedure

Indien uit de berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico minder bedraagt of gelijk is aan 10% van de oriënterende waarde (OW), dan geldt een beperkte verantwoording. In dit geval kan het besluit tot verantwoording van het groepsrisico worden genomen door een daartoe, voor de gehele procedure, door B&W gemandateerde medewerker.

Uitgebreide procedure

In gevallen waarin uit de berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico

  • hoger ligt dan 10% van de oriënterende waarde en zich nog onder die waarde bevindt dan wel;

  • de oriënterende waarde overschrijdt, moet de uitgebreide verantwoording worden doorlopen. In dit geval moet het besluit worden genomen door B&W c.q. de gemeenteraad. In de onderstaande beslisboom (figuur 4) is voor zowel de beperkte als de uitgebreide verantwoording weergegeven welke stappen moeten worden doorlopen en wie bevoegd is om het besluit te nemen.

Figuur 4: Beslisboom groepsrisico verantwoording

4.5 Effecten

Risicobronnen die voldoen aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en verantwoording van het groepsrisico kunnen bij een calamiteit wel degelijk schadelijke en letale (dodelijke) effecten voor de mens veroorzaken. Vanuit het oogpunt van proactie en preventie dient daarom in de verantwoording van het groepsrisico te worden gekeken naar de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van de effecten (bron-, effect- en beheersmaatregelen).

Wanneer het gaat om de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van effecten wordt een gedegen en goede onderbouwing verwacht. Er zullen voorstellen gedaan moeten worden om de veiligheidssituatie te optimaliseren. De maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn zeer divers. Zo kunnen er preventieve maatregelen voor de bron worden getroffen maar ook maatregelen specifiek gericht op vergroting van de zelfredzaamheid.

4.5.1 Beheersbaarheid

Er moet specifiek aandacht worden gegeven aan de mogelijkheden voor de inzet van hulpdiensten (gemeentelijke brandweer, geneeskundige dienst en politie) in termen van bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en capaciteit. Om de effecten van een calamiteit met gevaarlijke stoffen te beperken of beter onder controle te kunnen krijgen is het van belang dat hierbij specifiek aandacht wordt besteed aan:

  • De bluswatervoorziening (voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig).

  • De opkomsttijden (kunnen de hulpverleningsdiensten op tijd ter plaatse zijn).

  • De bereikbaarheid (is de risicobron voldoende bereikbaar voor de hulpdiensten).

Bluswater

Bij bluswater wordt gesproken over primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Een primaire bluswatervoorziening, zoals een brandkraan, kan een tankautospuit binnen drie minuten na aankomst van bluswater voorzien en blijft daarna voldoende water leveren. De brandkranen zijn aangesloten op de drinkwaterleiding. De secundaire bluswatervoorziening is een bluswatervoorziening die aanvullend is op de primaire bluswatervoorziening. Met de secundaire bluswatervoorziening kan de brandweer binnen vijftien minuten na aankomst water op de brandhaard hebben. Een dergelijke secundaire bluswatervoorziening is bijvoorbeeld een geboorde put, een opstelplaats bij een vijver, of een ander open water met voldoende diepte en voldoende water om tenminste vier uur te kunnen pompen. De tertiaire bluswatervoorziening is aanvullend op de primaire en secundaire bluswatervoorziening en wordt vooral gebruikt voor rampenbestrijding of grootschalig optreden. Dit type bluswatervoorziening voorziet in een grote leveringscapaciteit en mag een grote afstand tot het brandobject hebben. Voorbeelden zijn een kanaal of open water, waarbij de capaciteit nagenoeg onbeperkt is.

4.5.2 Risicocommunicatie

Het is van belang dat burgers zelfredzaam zijn en weten wat zij moeten doen bij een calamiteit. Sinds de inwerking treding van de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) heeft de veiligheidsregio een wettelijke verplichting om informatie te verstrekken. De gemeente wil aan die verplichting bijdragen, onder andere door het verschaffen van informatie bij vergunningprocedures en bestemmingsplanwijzigingen, en door mee te werken aan de openbare provinciale risicokaart en het opstellen van extern veiligheidsbeleid.

Burgers worden via de gemeentelijke website geïnformeerd over de risico’s in de gemeente en doorverwezen naar de provinciale risicokaart. In voorkomende gevallen zal ook specifieke risicocommunicatie met burgers omtrent risicobronnen plaaatsvinden, dit wordt bij de vestiging van een risicobron afgewogen. De gemeente Hellendoorn zal de risico’s in de gemeente ‘low profile’ en in algemene zin communiceren, passend bij de weinig problematische risicosituatie in de gemeente.

5 UITVOERING, MONITORING EN BIJSTURING

5.1 Context en kader

Integraal werkveld

Het onderwerp externe veiligheid kent een takenveld waaraan vele gemeentelijke disciplines een bijdrage moeten leveren: milieu, RO, brandweer, verkeer en vervoer, openbare orde en veiligheid, bouwen, communicatie, economische zaken. Waar toepasselijk, is sprake van inzet bij beleidsvorming, vergunningverlening en handhaving. Het merendeel van de werkzaamheden ligt echter bij de drie eerstgenoemde disciplines. Zij leveren belangrijke ‘producten’ in de eerste drie schakels (milieu, RO, brandweer) van de veiligheidsketen (pro-actie, preventie, preparatie).

Wetgeving en beleid 20

Uitvoering van externe veiligheidstaken vindt haar grondslag in wettelijke regels en gekozen ambities op grond van wettelijk toegestane lokale beleidsruimte. Rond wettelijke regels kan specifiek worden gewezen op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het aanstaande Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Bij de uitvoering van externe veiligheidstaken voldoet de gemeente aan de wettelijke voorschriften en zal rekening houden met de uitgangspunten, ambities en acties van dit externe veiligheidsbeleid alsmede van het provinciale Meerjarenprogramma Externe Veiligheid Overijssel II (MEVO-II).

Inhoud en proces

Bij de uitvoering van externe veiligheidstaken gaat het om procesmatige (de ‘hoe’ vraag) en inhoudelijke aspecten (de ‘wat’ vraag). Ten aanzien van de procesmatige aspecten rond uitvoering is de vraag aan de orde welke kwaliteitseisen mogen worden gesteld aan de uitvoering van de taken. Hier staat het begrip ‘efficiency’ voorop, dat wil zeggen ‘de juiste dingen goed doen’. Daar wordt het begrip ‘goed’ gedefinieerd vanuit het begrip ‘goede kwaliteit’. Rond kwaliteit van taakuitvoering zijn de begrippen deskundigheid, capaciteit en taakborging aan de orde. Zie verder paragraaf 5.2. Ten aanzien van de inhoudelijke aspecten rond uitvoering is de vraag aan de orde welke taken dienen te worden uitgevoerd. Voorop staan wettelijke taken. Hierbij valt een onderscheid te maken in structurele taken en incidentele taken. Centraal staat het begrip ‘effectiviteit’, dat wil zeggen ‘de juiste dingen doen’. Zie verder paragraaf 5.3.

Incidentele en structurele taken

Wettelijke kaders schrijven voor dat binnen de diverse taakgebieden van de landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke overheden continue afwegingen dienen te worden gemaakt tussen veiligheid, haalbaarheid en kosten rond externe veiligheidskwesties. Hierbij gaat het ondermeer om taken op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer, milieu en rampenbestrijding.

De gemeente Hellendoorn zal het gewenste externe veiligheidsniveau realiseren door het (laten) uitvoeren van:

  • Incidentele taken 21

    Onder incidentele taken worden die taken verstaan die er – vaak éénmalig – op zijn gericht om structurele taken blijvend mogelijk te maken. Daarbij kan het gaan om taken voortkomend uit nieuwe wettelijke regelingen alsmede om de verbetering van het bestaande takenpakket.

  • Structurele taken

    Structurele taken zijn taken die permanent deel uitmaken van het gemeentelijke takenpakket en waarvan de uitvoering frequent aan de orde is. Deze taken worden hetzij specifiek verricht of zijn onderdeel van andere gemeentelijke activiteiten.

Monitoren en bijsturen

Om te bepalen hoe effectief en efficiënt de gemeente opereert bij de uitvoering van wettelijke en ‘wenselijke’ externe veiligheidstaken dient periodiek monitoring plaats te vinden. Waar nodig moeten – voorzover mogelijk – geconstateerde tekorten worden gecorrigeerd door bijsturing. Zie verder paragraaf 5.4.

Uitgangspunten en ambities zijn niet tijdloos. Interne en externe factoren en omstandigheden kunnen nopen tot een aanpassing van het ev-beleid. Aanpassing is slechts mogelijk na goedkeuring van de gemeenteraad. De vaststelling van relevante wijzigingen in het externe veiligheidsbeleid dient door de gemeenteraad te gebeuren.

Voor de toegankelijkheid van de onderstaande paragrafen wordt het volgende overzicht gepresenteerd.

5.2 Taakuitvoering – procesmatig

Alvorens wettelijke en beleidsmatige taken ter hand te nemen is het essentieel dat de kwaliteit van het proces waarlangs de gemeentelijke producten tot stand komen optimaal is. In dat verband onderscheidt de gemeente de volgende randvoorwaarden.

Deskundigheid en capaciteit

In het kort: er dienen voldoende ambtelijk deskundigen te zijn om de omschreven taken uit te voeren. Verder moeten deze personen beschikken over voldoende expertise. Vooral via samenwerken en kennisdelen met overige gemeenten zal de gemeente invulling geven aan deze aspecten. Daarnaast zal de gemeente kennisvergaring ook bereiken door middel van deelname aan opleidingsprogramma’s, zoals het cursusaanbod van het Scholingsprogramma externe veiligheid van de Hogeschool Saxion. Op basis van de systematiek van het ‘huisartsenmodel’22 wordt invulling gegeven aan de kwaliteitscriteria uit de bij maatlat EV.

Het bovenstaande resulteert in de volgende activiteiten:

Taakborging

Kwaliteit van procesvoering is er ook mee gebaat als taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden structureel zijn verankerd in procedures en beschrijvingen van werkprocessen.

Het bovenstaande resulteert in de volgende activiteiten:

Actueel extern veiligheidsbeleid – kenbaarheid & integratie

Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente dient bestuurlijk te zijn vastgesteld door het College van B&W en door de gemeenteraad. Voorts dient het beleid te zijn geïntegreerd in overig gemeentelijk gerelateerd beleid. Het externe veiligheidsbeleid dient kenbaar te zijn binnen de organisatie, in ieder geval bij die ambtelijk deskundigen die er in hun dagelijks werk mee moeten werken.

Het vorenstaande resulteert in de volgende incidentele, randvoorwaardelijke taken:

5.3 Taakuitvoering – inhoudelijk

Het takenpakket externe veiligheid voor de gemeente speelt zich af rond de volgende onderwerpen:

Signaleren en registreren

Voor de relevantie en toepasselijkheid van externe veiligheid in gemeentelijke producten en taken is het noodzakelijk dat de gemeente signaleert wanneer dat het geval is. In voorkomende gevallen dienen risico’s te worden ingevoerd op de provinciale risicokaart zodra dat wettelijk verplicht is. De risicokaart geeft snel een indruk van (potentiële) probleemlocaties op het gebied van externe veiligheid. De risicokaart dient actueel te blijven.

Het bovenstaande resulteert in de volgende taken/activiteiten:

  • Risico’s signaleren, inventariseren en registreren (structureel).

  • Gebruik van een actuele risicokaart (structureel).

  • Uitvoeren van een onderzoek naar de volledigheid en de kwaliteit van het RRGS en ISOR (incidenteel).

  • Maken van afspraken met de veiligheidsregio over de invoer van risicogegevens ISOR (incidenteel).

Toepassen wettelijke en ‘wenselijke’ externe veiligheidsaspecten in gemeentelijke producten

Indien een gemeentelijk product ‘externe veiligheid’-relevant is, dient bij de totstandkoming van dit product te worden voldaan aan wettelijke regels en de uitgangspunten en ambities van dit beleid. Producten van de werkvelden ruimtelijke ordening en milieu tonen de sterkste raakvlakken met externe veiligheid.

Ruimtelijke ordening

Hoewel het meewegen van aspecten van externe veiligheid altijd (ook zonder wettelijke eisen) aan de orde zijn vanuit het principe ‘een goede ruimtelijke ordening’, vermeldt een aantal besluiten specifiek dat en hoe eisen van externe veiligheid dienen te worden meegenomen in bepaalde ruimtelijke besluiten.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

  • De vaststelling van een bestemmingsplan (art. 3.1 Wro).

  • Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (art. 11 Woningwet).

  • Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Deze omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit art. 3.10 van de Wro.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

• De vaststelling van een bestemmingsplan (art. 3.1 Wro).

Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev, nog niet in werking)

  • De vaststelling van een bestemmingsplan (art. 3.1 Wro).

  • Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (art. 11 Woningwet).

  • Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Deze omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit art. 3.10 van de Wro.

Milieu

Vanuit dit werkveld is externe veiligheid in voorkomende gevallen aan de orde bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning-milieu).

Bij de totstandkoming van bovengenoemde producten

  • Dient te worden voldaan aan de grenswaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor (bestaande en geprojecteerde) kwetsbare objecten.

  • Dient in principe te worden voldaan aan de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor (bestaande en geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten.

  • Dient het groepsrisico in het invloedsgebied van de risicobron te worden verantwoord.

Bij toetsing aan de richtwaarde en de oriënterende waarde voor het groeprisico heeft de gemeente beleidsvrijheid. Dit beleid vult die bevoegdheid in, afhankelijk van het na te streven veiligheidsniveau per gekozen gebiedstype. Periodiek dient de gemeente er toezicht op te (laten) houden (en indien nodig te handhaven) dat blijvend aan wettelijke regels en vastgestelde beleidskeuzes wordt voldaan.

In samenwerking met de veiligheidsregio dient de bevolking te worden/zijn geïnformeerd over de risico’s van externe veiligheid, over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding of beheersing hiervan en over de daarbij te volgen gedragslijn.

Het bovenstaande resulteert in de volgende taken/activiteiten:

5.4 Monitoring en bijsturing

Monitoring en evaluatie van de output en outcome van het externe veiligheidsbeleid en de veelal wettelijke taken bieden aanknopingspunten om de koers waar nodig te verleggen en accenten te wijzigen. Het bovenstaande resulteert in de volgende activiteiten:

Elke vier jaar zal dit externe veiligheidsbeleid worden beoordeeld op actualiteit en toepasbaarheid. Indien nodig zal het beleid aangepast worden aan belangrijke wijzigingen. Die wijzigingen kunnen zich voordoen binnen de gemeente (risicoprofiel, RO-perspectief, etc.) of daarbuiten (verandering in wetgeving, etc.).

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter

Het college voornoemd,

de secretaris, de burgemeester

Bijlage 1 Overzicht van belangrijke wet- en regelgeving

Bijlage 2 Gehanteerde begrippen en afkortingen

Bestaande situaties

Een (geprojecteerde) situatie die door het bevoegd gezag is geaccepteerd met een:

  • Geldende Wm-vergunning (thans omgevingsvergunning);

  • Vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit op grond waarvan de bouw ofvestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten is toegelaten;

(Let op, deze definitie is slechts van toepassing op dit beleid. Bij besluitvorming kan he tsommige gevallen zo zijn dat niet het ‘vergunde gebruik’, maar juist het ‘feitelijk gebruik’ wordt gezien als de bestaande situatie. Zie ook nieuwe situaties)

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de nalevingvan bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegd gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan - dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels.

BRZO-inrichting

In het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria die aangeven welke bedrijven een risico van zware ongevallen hebben. Dit hangt samen met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO-bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel PBZO (preventiebeleid zware ongevallen)-bedrijven genoemd, omdat ze een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem (VBS). Voor bedrijven van de zware categorie geldt dit ook, maar deze moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport (VR) opstellen. Die bedrijven worden daarom ook wel VR(plichtige)-bedrijven genoemd.

Effect

De effecten ten gevolge van:

  • Explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling;

  • Brand

  • Toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen.

Effectgebied

Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. Om te bepalen hoe groot dit gebied is wordt gebruik gemaakt van de alarmeringsgrenswaarde (schade voor mensen). De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren.

Explosie

Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken als bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken. Explosies kunnen optreden bij:

  • Brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG;

  • Sommige vluchtige vloeistoffen;

  • Patronen en andere munitie;

  • Professioneel en consumentenvuurwerk;

  • Sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest;

  • Stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of hout.

Gevaarlijke stoffen

Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, of grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren. Daarnaast kan het ook om afvalstoffen gaan.

Grenswaarde

Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken.

Groepsrisico (GR)

Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het groepsrisico weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongevalb ij een bedrijf. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld.

Informatie Systeem Overige Ramptypen

Naast het registeren van gegevens in het RRGS zijn gemeenten verplicht om het Informatiesysteem Overige Ramptypen (ISOR) bij te houden. De uitwerking van de registratieplicht is opgenomen in de Ministeriële regeling ‘Provinciale risicokaart’. Actualisatie en beheer van de gegevens in het ISOR berust bij gemeenten. Voor de invoer van de ‘overige ramptypen’ dient de Leidraad Risico Inventarisatie -Overige Ramptypen (LRI-OR) toegepast te worden.

Inrichting

Het woord inrichting komt onder andere uit de Wet milieubeheer (art. 1.1). Het betreft bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit of inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

Invloedsgebied

Gebied waarin volgens bij regeling van de minister vast te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitsgrens, behalve voor LPG tankstations, waar de grens van het invloedsgebied op 150 meter is gesteld. Deze 1%-letaliteitgrens geeft de afstand aan van de risicovolle inrichting of transportroute tot een punt waarbij een daar aanwezige persoon nog een kans van 1% heeft om te overlijden ten gevolge van een ongeval binnen die inrichting.

Kans op dodelijke slachtoffers

Bij het externe veiligheidsbeleid wordt gesproken over risico’s. Hierbij gaat het om de kans dat er een ongeval gebeurt waarbij het effect is dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het gaat hierbij om slachtoffers die direct en binnen 2 à 3 weken overlijden ten gevolge van dat ongeval. Naast het effect dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen, kunnen er ook veel gewonden zijn.

Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De effectbenadering is dan ook vooral van belang bij de repressietaak van de hulpverleningsdiensten, want het geeft het gebied aan waarbinnen zij moeten optreden. Over het algemeen kan het aantal gewonden worden gekoppeld aan het aantal dodelijke slachtoffers, aangezien met het beperken van de kans op dodelijke slachtoffers tevens de kans op gewonden wordt verkleind. Ook de voorbereiding op en de bestrijding van de effecten van een ongeval en de nazorg hebben zowel betrekking op gewonden als op dodelijke slachtoffers. Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour.

Kwetsbaar object en beperkt kwetsbaar object

In het Bevi zijn niet limitatieve definities opgenomen van de begrippen beperktkwetsbaar en kwetsbaar object.

Nieuwe situaties

  • Het oprichten van een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig is en die nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico.

  • Het veranderen van een bestaande inrichting waarvoor een omgevingsvergunningvoor de activiteit milieu nodig is en waarbij de verandering nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico.

  • Een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld of herzien (inclusief de goedkeuring ervan).

  • Een vast te stellen wijzigings-, uitwerkings- of vrijstellingsbesluit en de in verband daarmee af te geven verklaring van geen bezwaar.

  • Besluiten die betrekking hebben op vervangende nieuwbouw en opvulling van gaten binnen aaneengesloten bebouwing in bestaand stedelijk gebied.

(Zie ook bestaande situaties)

Ontruimingsplan

Een ontruimingsplan geeft aan hoe een ontruiming van een gebouw of een terrein moet plaatsvinden. De overheid eist in bepaalde gevallen een ontruimingsplan van bedrijven. Het gaat daarbij uiteraard om de veiligheid van groepen mensen die aanwezig kunnen zijn.

Oriëntatiewaarde

Betreft een toetsingswaarde (die het karakter heeft van een oriëntatie waarde), waarvan het bevoegd gezag gemotiveerd mag afwijken. Een oriëntatiewaarde heeft in tegenstelling tot een grens- en richtwaarde geen juridische status.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.

Plasbrandaandachtsgebied

Gebied tussen de PR-contour en 25 (binnenvaart)/30 (spoor/weg)/40 (zeevaart) meter waarbij in RO plannen rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

Ramp

Volgens de Wet rampen en zware ongevallen is een ramp of zwaar ongeval een gebeurtenis:

  • 1.

    Waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbijhet leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en

  • 2.

    Waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.

Rampbestrijdingsplan

In een rampbestrijdingsplan legt een gemeente vast welke voorbereidingen zijn getroffen voor de bestrijding van een specifieke ramp of een specifieke soort ramp. De gemeente moet een beleid hebben waarin is bepaald voor welke overige gevallen een rampbestrijdingsplan wordt gemaakt. Het gaat erom dat er een rampbestrijdingsplan komt voor rampen en zware ongevallen waarvan de plaats, de aard en de gevolgen voorzienbaar zijn. Voor sommige risicosituaties is een rampbestrijdingsplan direct wettelijk verplicht. In een rampbestrijdingsplan moet de afstemming met aangrenzende gemeenten en aangrenzende gebieden in buurlanden zijn gewaarborgd.

Rampenplan

Elke gemeente moet een rampenplan hebben. Het rampenplan somt op wat er in een gemeente voor de rampenbestrijding in het algemeen geregeld moet zijn. Het is het 'masterplan' voor de gemeentelijke rampenbestrijding.

Register risicosituaties gevaarlijke stoffen

Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) is een centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze gegevens worden beheerd door het RIVM en via internet op een risicokaart gepresenteerd. Daarnaast worden deze gegevens gebruikt in plaatselijke risicokaarten die ook andere risicosituaties tonen.

Richtwaarde

Richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico. Van een richtwaarde mag slechts om gemotiveerde redenen worden afgeweken.

Risicobron

De plaatsen waar risico's vandaan (kunnen) komen, worden risicobronnen genoemd.Het betreft hierbij:

  • Bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden gemaakt, gebruikt of opgeslagen.

  • Routes en buisleidingen waarover of -door gevaarlijke stoffen wordengetransporteerd.

Risicocontouren

Een risicocontour geeft aan hoe hoog in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner.

Risicokaart

Een risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Het gaat daarbij om risicobronnen waardoor mensen direct letsel kunnen oplopen. Bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen en andere relevante risico's, zoals overstromingen. In totaal kunnen de risico's van een dertiental verschillende ramptypen op kaart worden getoond. Maar er zijn ook risicokaarten waarop alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen staan.

Route gevaarlijke stoffen

Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Alle rijkswegen (enkele tunnels onder belangrijke vaarwegen daargelaten) en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld kwetsbare situaties, zoals dichte bebouwing, de aanwezigheid van een ziekenhuis of de ligging van een waterwingebied. De gemeente kan vervolgens ook vrijstelling verlenen aan bedrijven als deze hiertoe een verzoek indienen.

Transportroute

Transport van gevaarlijke stoffen vindt vooral plaats over de weg, over het water, per spoor en door buisleidingen.

Veiligheidsrapport

De meest gevaarlijke bedrijven, die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999), moeten een veiligheidsrapport opstellen. In het veiligheidsrapport moet onder andere worden aangetoond dat:

  • Een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem zijn ingevoerd.

  • Gevaren zijn geïdentificeerd en doeltreffende maatregelen zijn genomen.

  • De installatie en de bedrijfsvoering voldoende veilig en betrouwbaar zijn.


Noot
1

1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi-inrichtingen)

Noot
2

2 Bevb: Besluit externe veiligheid buisleidingen

Noot
3

3 Onder risicobronnen worden in dit document verstaan: inrichtingtypen die vallen onder de werking van het Bevi en de IPO-VNG drempelwaardenlijst, transportleidingen voor gas, olie en chemicaliën (buisleidingen) entransporten met routeplichtige gevaarlijke stoffen met uitzondering van ontheffingsroutes waarbij woongebiedenzoveel mogelijk worden vermeden. De aangewezen routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen kunnen wel(noodgedwongen) door of vlak langs woonwijken lopen.

Noot
4

In lijn met de opvatting van de gemeente dat in nieuwe situaties de contour van de plaatsgebondenrisicocontour (PR 10-6) van risicovolle inrichtingen binnen de inrichtingsgrens dient te blijven, zal de gemeente zich in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag voor zulke of andere risicobronnen is, inspannen om de contouren van het plaatsgebonden risico ook zo dicht mogelijk bij de bron te houden. Daartoe treedt de gemeente in overleg met het bevoegd gezag en de risicobron om haar standpunt uit te dragen. Aanvullend daarop maakt de gemeente in relevante procedures gebruik van haar mogelijkheden om als wettelijk adviseur haar externe veiligheidsstandpunt uit te dragen.

Noot
5

5 Zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire RisicoNormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (dit is de voorloper van het nieuw te ontwikkelen wettelijk besluit transportroutes externe veiligheid) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Noot
6

6 Voor mobiele bronnen (vervoer gevaarlijke stoffen) geldt dat voor: 10 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de tienduizend jaar (10-4), voor 100 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de miljoen jaar (10-6) en voor 1.000 dodelijke slachtoffers is de oriënterende waarde eens in de honderd miljoen jaar(10-8).

Noot
7

7 Met de term ‘effect’ wordt bij PR en GR specifiek gezondheidseffecten voor mensen bedoeld. Bij de effectbenadering kan mogelijk een bredere definitie worden gebruikt. Zie ook paragraaf 4.5 over de effectbenadering.

Noot
8

8 RBP en VR in het figuur staan voor Rampenbestrijdingsplan en Veiligheidsrapport.

Noot
9

9 Geprojecteerde objecten zijn objecten die volgens het ruimtelijk besluit zijn toegestaan, maar in werkelijkheid (nog) niet aanwezig zijn.

Noot
10

10 Staatsblad 2004, 250, Besluit van 27 mei 2004.

Noot
11

11 Concept AMvB Besluit transportroutes externe veiligheid, op 4 december 2008 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Noot
12

12 Staatsblad 2010 686, 17 september 2010

Noot
13

13 De komst van de regionale uitvoeringsdiensten (RUD) en de landelijke kwaliteitscriteria voor diverse vakgebieden, kan de feitelijke uitvoering van de externe veiligheidstaken beïnvloeden. De feitelijke verantwoordelijkheid voor externe veiligheid blijft echter bij het bevoegd gezag.

Noot
14

14 Onder risicobronnen worden in dit document verstaan: inrichtingtypen die vallen onder de werking van het Bevi en de IPO-VNG drempelwaardenlijst, transportleidingen voor gas, olie en chemicaliën (buisleidingen) en transporten met routeplichtige gevaarlijke stoffen met uitzondering van ontheffingsroutes waarbij woongebieden zoveel mogelijk worden vermeden. De aangewezen routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen kunnen wel (noodgedwongen) door of vlak langs woonwijken lopen.

Noot
15

15 In geval er sprake is van het veranderen van een bestaande inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning milieu nodig is, maar waarbij de veranderingen géén nadelige gevolgen hebben voor het plaatsgebonden risico, is het Bevi niet van toepassing.

Noot
17

17 Dit zijn meestal gemeenten, maar ook provincies in het kader van omgevingsvergunningen betreffende provinciale inrichtingen.

Noot
18

18 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 24611, nr. 5.

Noot
19

19 Zie Leidraad risicoinventarisatie gevaarlijke stoffen

Noot
20

20 De komst van de regionale uitvoeringsdiensten (RUD) en de landelijke kwaliteitscriteria voor diverse vakgebieden kan de feitelijke uitvoering van de externe veiligheidstaken beïnvloeden. De feitelijke verantwoordelijkheid voor externe veiligheid blijft echter bij het bevoegd gezag.

Noot
21

21 Incidentele taken zijn niet per definitie facultatief. Ze dienen regelmatig om (nieuwe) structurele wettelijke taken mogelijk te maken of te verbeteren

Noot
22

Dit model is een methode om wettelijke ev-taken conform de maatlat externe veiligheid uit te kunnen voeren.