Waterafvoerverordening Vught 2022

Geldend van 24-06-2022 t/m heden

Intitulé

Waterafvoerverordening Vught 2022

De raad van de gemeente Vught;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 maart 2022;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, alsmede artikel 10.32a van de Wet milieubeheer;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

1 ALGEMEEN / DEFINITIES

1.1 Definities

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Aansluiting: het particulier riool, het aansluitpunt, de ontstoppingsvoorziening en de perceelaansluitleiding tezamen;

    • b.

      Aansluitpunt:

      • I.

        bij een gescheiden rioolstelsel: het punt, gelegen op of binnen 0,5 meter afstand van de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel, waar het particulier riool op de perceelaansluitleiding wordt aangesloten;

      • II.

        bij een drukriool: het punt waar het particulier riool wordt aangesloten op de pompput;

      • III.

        bij een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) die in beheer is bij de beheerder: het punt waar het particulier riool op de IBA wordt aangesloten;

      • IV.

        indien een vetafscheider, olieafscheider of andere voorziening die onderdeel uitmaakt van het particulier riool in openbare grond is gelegen: het punt waar die voorziening wordt aangesloten op de perceelaansluitleiding;

      • V.

        indien het openbaar riool in particuliere grond is gelegen: het punt dat als aansluitpunt is aangeduid in de overeenkomst tot het vestigen van een recht van opstal;

    • c.

      Afkoppelen: Het beëindigen of verminderen van een hemelwaterlozing op openbare riolering;

    • d.

      Afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

    • e.

      Bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;

    • f.

      Beheerder: de beheerder van de openbare riolering: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, of een door deze aangewezen rechtspersoon die met het betreffende beheer is belast;

    • g.

      Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

      • I.

        Bestaand bouwwerk: bouwwerk dat is opgericht voor de inwerkingtreding van deze verordening;

      • II.

        Nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk;

    • h.

      Bronneringswater: opgepompt grondwater;

    • i.

      Drukriolering: vuilwaterriolering waarbij het transport plaatsvindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte over- of onderdruk;

    • j.

      Gemengde riolering: de openbare riolering voor de inzameling en transport van een menging van afvalwater met hemel- en/of grondwater;

    • k.

      Gescheiden riolering: van elkaar gescheiden hemelwater- en vuilwaterriolering;

    • l.

      Groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak;

    • m.

      Grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

    • n.

      Hemelwater: afstromend regen-, sneeuw- of smeltwater;

    • o.

      Hemelwaterriolering: de openbare riolering voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, grondwater, of een menging van hemel- en grondwater;

    • p.

      Huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

    • q.

      Openbaar perceel: publiek toegankelijk perceel in beheer bij de beheerder;

    • r.

      Openbare riolering: (een gedeelte van) de riolering of (samenstel van) voorzieningen, in beheer van de beheerder, voor de inzameling en transport van vuilwater, hemelwater en/of grondwater;

    • s.

      Particuliere riolering: de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen-, buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt;

    • t.

      Perceelaansluitleiding: het riool, en de voorzieningen die deel uit maken van dit riool, tussen de openbare riolering en het aansluitpunt, in beheer bij de beheerder;

    • u.

      Projectgebied: een te (her)ontwikkelen gebied, bestaande uit één of meerdere percelen;

    • v.

      Verhard oppervlak: oppervlak voorzien van verhardingen (o.a. daken, wegen, verharde terreinen, etc.), zodanig dat hemelwater van dit oppervlak niet in de bodem kan infiltreren;

      • I.

        Bestaand verhard oppervlak: verhard oppervlak dat is aangelegd voor inwerkingtreding van deze verordening;

      • II.

        Nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak.

    • w.

      Vuilwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater of ander afvalwater;

    • x.

      Vuilwaterriolering: de openbare riolering voor de afvoer van uitsluitend afvalwater exclusief hemel- en/of grondwater;

1.2 Reikwijdte

Artikel 2. Reikwijdte van de verordening

  • 1. Deze verordening is van toepassing op:

    • a.

      alle percelen binnen de grenzen van de gemeente Vught;

    • b.

      alle lozingen, direct of indirect, op de openbare riolering.

  • 2. In afwijking van lid 1 zijn de hemelwaterregels, zoals opgenomen in paragraaf 3.1 van deze verordening, niet van toepassing op bestaand verhard oppervlak op openbare percelen;

2 AANSLUITING VAN VOORZIENINGEN

2.1 Aanvraag tot (wijzigen van) aansluiting

Artikel 3. Goedkeuring

  • 1. Het is zonder schriftelijke goedkeuring niet toegestaan een aansluiting op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen.

  • 2. De beheerder verleent alleen goedkeuring voor het tot stand brengen, in stand houden of wijzigen van de aansluiting, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      voor de afvoer van gemengd water indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is en niet de mogelijkheid bestaat het hemelwater te lozen op het oppervlaktewater;

    • b.

      voor de afvoer van vuilwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse vuilwaterriolering aanwezig is;

    • c.

      voor de afvoer van hemelwater en grondwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse hemelwaterriolering aanwezig is. Hierbij dienen ook de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening in acht te worden genomen.

  • 3. Indien meer dan één aansluiting op een aansluitleiding tot stand dient te worden gebracht (bijvoorbeeld hemelwater en vuilwater), alsmede wanneer meer dan één aansluiting dient te worden gewijzigd, is het eerste lid voor iedere aansluiting of wijziging van toepassing. De aanvraag voor goedkeuring voor meer dan één aansluiting op een aansluitleiding dienen in één schriftelijk verzoek gecombineerd te worden ingediend.

  • 4. De beheerder is bevoegd zo nodig nadere voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot het tot stand brengen van de aansluiting, de renovatie, onderhoud en vervanging van de aansluitleiding, het gebruik van de aansluiting, dan wel de periode waarvoor de goedkeuring wordt verleend indien het een tijdelijke aansluiting betreft.

Artikel 4. Het verkrijgen van goedkeuring

  • 1. De aanvraag om goedkeuring wordt door de rechthebbende schriftelijk, met behulp van een daartoe bestemd aanvraagformulier, bij de beheerder ingediend door de rechthebbende van het aan te sluiten dan wel aangesloten perceel.

  • 2. Bij een aanvraag om goedkeuring dienen tenminste de volgende gegevens door de rechthebbende te worden vermeld:

    • a.

      de naam en het adres van de rechthebbende;

    • b.

      de ligging van het aan te sluiten dan wel aangesloten perceel aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel;

    • c.

      de aard en de hoeveelheid van het af te voeren afvalwater, en of er regenwater zal worden afgevoerd. In geval van afvoer van proceswater dient hierbij tevens de samenstelling en temperatuur van het af te voeren water vermeld te worden;

    • d.

      van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool een situatieschets, op een schaal van 1:100 of groter, met daarop ten minste de volgende gegevens:

      • I.

        de ligging, het verloop en de dimensies van leidingen en (bergings)voorzieningen;

      • II.

        de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt;

      • III.

        het toe te passen duidelijke verschil in materiaalkleur tussen leidingen voor verschillende soorten waterstromen. De in de gemeente Vught uniform te hanteren kleuren zijn:

        • -

          Hemelwater: (midden)grijs;

        • -

          Vuil- of Zwartwater: (rood)bruin;

        • -

          Grondwater (drainage of infiltratie): groen;

  • 3. De in het tweede lid bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt voor zover de aanvrager die gegevens reeds aan de beheerder heeft verstrekt en deze over die gegevens beschikt.

Artikel 5. Het weigeren van goedkeuring

  • 1. Goedkeuring tot (wijzigen van een) aansluiting kan slechts worden geweigerd indien aanleg of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische, milieutechnische of milieu economische redenen bezwaarlijk is.

  • 2. Een weigering van goedkeuring is met redenen omkleed, waarbij de beheerder de nadere eisen aangeeft waaraan moet worden voldaan om voor goedkeuring in aanmerking te komen.

  • 3. Aanleg of wijziging van een aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien:

    • a.

      de gevraagde aansluiting een afvoerleiding betreft die niet voldoet aan de eisen die daaraan krachtens de geldende bouwregelgeving zijn gesteld;

    • b.

      de gevraagde aansluiting een lozing van afvalwater betreft, die niet voldoet aan de eisen die daaraan krachtens de geldende milieuwetgeving zijn gesteld;

    • c.

      het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen afvalwater te kunnen afvoeren;

    • d.

      de rechthebbende bij het aanbrengen van de benodigde voorzieningen op particulier terrein geen recht van opstal of andere erfdienstbaarheid wil vestigen ten behoeve van de beheerder.

Artikel 6. Beslistermijn

  • 1. Het verlenen danwel weigeren van goedkeuring geschiedt binnen een termijn van 6 weken na ontvangst van de aanvraag hiertoe.

  • 2. Indien de aanvraag of de daarbij behorende bescheiden niet voldoen aan het bepaalde in artikel 3 t/m 4:

    • a.

      wordt de rechthebbende hiervan op de hoogte gebracht en in de gelegenheid gesteld dit binnen een termijn van 4 weken te herstellen;

    • b.

      begint de termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist op de dag dat dit verzuim is hersteld.

2.2 Aanleg (of wijziging) van een aansluiting

Artikel 7. Uitvoering aanleg of wijziging van een aansluiting

  • 1. De aansluiting dient binnen 1 jaar na verkrijging van goedkeuring aangelegd of gewijzigd te zijn.

  • 2. De aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, inclusief de koppeling daarvan met de openbare riolering, vindt niet plaats anders dan door of namens de beheerder.

  • 3. Na het indienen door de rechthebbende van een verzoek aan de beheerder tot aanleg of wijziging van een aansluiting, komt de beheerder binnen 4 weken een (verwachte) uitvoeringsdatum overeen, met inachtneming van de termijn vermeld in lid 1.

  • 4. De koppeling van het aansluitpunt met de perceelaansluitleiding vindt slechts plaats, als het aan te sluiten particulier riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van de bouwregelgeving gestelde eisen.

  • 5. Aansluitingen van leidingen op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van de beheerder en overige wet- en regel uitgevoerd te worden.

Artikel 8. Kosten van de aansluiting

  • 1. De beheerder stelt de kosten van de aanleg van de perceelaansluitleiding vast aan de hand van de door de beheerder jaarlijks krachtens de Legesverordening vast te stellen tarieven

  • 2. De gemeente is niet gehouden tot feitelijke aanleg van de perceelaansluitleiding, voordat de rechthebbende zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de in het eerste lid genoemde kosten.

  • 3. Indien de kosten voor de aanleg van de perceelaansluitleiding reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, dient de rechthebbende dit bij de aanvraag van de aansluitvergunning te vermelden. De kosten voor de aanleg van de perceelaansluitleiding worden niet in rekening gebracht indien deze reeds op andere wijze op de rechthebbende zijn verhaald.

Artikel 9. Niet-nakoming voorschriften

  • 1. De beheerder kan een verleende goedkeuring wijzigen of intrekken als blijkt dat:

    • a.

      bij aanvraag van de goedkeuring onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      de eigenaar of gebruiker van een aangesloten pand of perceel zich niet houdt aan de bepalingen in deze verordening, danwel de aanvullende voorwaarden bij de verleende goedkeuring.

  • 2. Als gevolg van het wijzigen of intrekken van goedkeuring, kan de beheerder de aansluiting verbreken of buiten werking stellen.

  • 3. Een verbroken of buiten werking gestelde aansluiting wordt niet eerder hersteld dan nadat de eigenaar of gebruiker alsnog aan de gestelde voorschriften heeft voldaan en de eventuele kosten van verbreking en heraansluiting aan de gemeente heeft betaald.

2.3 Onderhoud

Artikel 10. Onderhoud, renovatie en vervanging

  • 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de aansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de beheerder en voor rekening van de beheerder, tenzij de betreffende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik of onvoldoende onderhoud van de particuliere riolering, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen.

  • 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de perceelaansluitleiding of de openbare riolering veroorzaken;

    • b.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de perceelaansluitleiding of de openbare riolering aantasten.

  • 3. Het onderhoud, en de kosten daarvan, van de particuliere riolen en voorzieningen komen voor rekening van de rechthebbende.

  • 4. Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de aansluitleiding ten gevolge van een wijziging van het openbaar riool.

Artikel 11. Verstopping en andere storingen

  • 1. Bij een verstopping of andere verstoring in het riool opent de rechthebbende (indien nodig na opgraven er van) een of meerdere ontstoppingsstuk(ken) op het aangesloten perceel en onderzoekt of de verstopping of verstoring zich bevindt in het particulier riool of in de aansluitleiding. Als er een bovenmatige hoeveelheid water in het ontstoppingsstuk blijft staan dan zit de verstopping of verstoring in of na de aansluitleiding. Als dit niet het geval is dan zit de verstopping of verstoring in het particuliere riool.

  • 2. Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek, redelijkerwijs wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of verstoring in of na de aansluitleiding dient de rechthebbende of de gebruiker dit te melden bij de gemeente. De gemeente verricht de noodzakelijke werkzaamheden om de verstopping te verhelpen of vernieuwt zo nodig zo spoedig mogelijk de aansluitleiding.

  • 3. Wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in lid 2 en de rechthebbende heeft contact opgenomen met de gemeente, dan komt de rechthebbende in aanmerking voor een vergoeding van de in lid 1 gemaakte onderzoekskosten. De vergoeding bedraagt maximaal €250,- en kan alleen betrekking hebben op verricht graaf- of grondwerk. De vergoeding wordt alleen toegekend indien een gespecificeerde factuur van de gemaakte kosten kan worden overlegd.

  • 4. Wanneer geen sprake is van een situatie als bedoeld in lid 2, moet de rechthebbende zelf voor eigen rekening op onderzoek gaan naar de oorzaak van de verstopping. Bij de noodzakelijk geachte werkzaamheden neemt de rechthebbende de geldende bepalingen in lokaal geldende regels in acht.

  • 5. Het op eigen initiatief van de rechthebbende opgraven, ontstoppen of herstellen van een leiding of voorziening buiten het eigen perceel is niet toegestaan. Kosten die hierbij worden gemaakt komen nooit voor vergoeding in rekening.

  • 6. Het verbod in lid 5 geldt niet bij percelen waarbij de perceelleiding volledig buiten de erfgrens ligt. In deze gevallen mogen – uitsluitend na overleg en met goedkeuring van de gemeente – in een vak van 1 vierkante meter de noodzakelijke onderzoeks- of herstelwerkzaamheden door de rechthebbende worden verricht.

  • 7. Indien bij of na het verrichten van de in lid 2 bedoelde werkzaamheden door de gemeente blijkt dat de kosten van deze werkzaamheden op grond van artikel 10 en 11 van deze verordening voor rekening van de rechthebbende of gebruiker behoren te zijn, kunnen de door de gemeente gemaakte kosten bij de rechthebbende in rekening worden gebracht. Tevens vervalt dan de vergoeding als bedoeld in lid 3.

2.4 Werkzaamheden & Verwijdering

Artikel 12. Zorgplicht

  • 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op perceel dat op het openbaar riool is aangesloten, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat verstopping of verstoring van het openbaar riool en de aansluitleiding wordt voorkomen.

  • 2. Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende.

  • 3. Indien het gebruik van een aansluiting definitief wordt beëindigd,

    • a.

      is de rechthebbende verplicht de gemeente hiervan in kennis te stellen.

    • b.

      Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, wordt de aansluitleiding op kosten van de rechthebbende afgesloten of verwijderd.

3 LOZEN VAN HEMEL- OF GRONDWATER

3.1 Lozen van hemelwater

Artikel 13. Verbod op lozen van hemelwater op de riolering

  • 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de openbare riolering of openbaar terrein; dit moet op het eigen perceel worden verwerkt.

  • 2. De eigenaar van een perceel heeft bij de verwerking van hemelwater op het eigen perceel de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt:

    • a.

      de te realiseren hemelwatervoorziening moet tenminste 60 liter per m2 verhard oppervlak, recht van boven bemeten, kunnen verwerken;

    • b.

      indien uit de gevoeligheidsfactor, zoals opgenomen in de actuele Keur van Waterschap De Dommel, een lagere compensatie-eis blijkt voor het betreffende perceel dan wordt de verwerkingseis zoals opgenomen in lid 2a overeenkomstig verlaagd;

    • c.

      voor het oppervlak aan groen dak in m2, recht van boven bemeten, wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist;

    • d.

      de benodigde voorzieningen moeten volledig boven de ter plekke optredende gemiddeld hoogste grondwaterstand worden gerealiseerd;

    • e.

      de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden;

    • f.

      bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel niet afnemen.

  • 3. De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in lid 1, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. De beheerder kan voorwaarden of voorschriften verbinden aan de verleende ontheffing.

Artikel 14. Gebiedsaanwijzing afkoppelen

  • 1. De beheerder kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod en aanvullende bepalingen uit artikel 3 tevens gelden voor alle bestaande bouwwerken en bestaande verharde oppervlakken op een perceel. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende:

    • a.

      de beheerder houdt rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen;

    • b.

      de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt;

    • c.

      de gebiedsaanwijzing bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken;

    • d.

      op de voorbereiding en vaststelling van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2. in alle gevallen dient te worden voorkomen dat er overlast wordt veroorzaakt bij aangrenzende percelen of de openbare ruimte

Artikel 15. Vrijstelling bij specifieke inrichtingskenmerken

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 13 lid 1 van deze verordening, geldt niet voor nieuw aan te leggen verhard oppervlak indien het een of meerdere van de volgende kenmerken heeft:

    • a.

      er is géén Omgevingsvergunning voor bouwen of het uitvoeren van een werk is vereist;

    • b.

      het totale verhard oppervlak binnen het projectgebied, waar het perceel onderdeel van uitmaakt, is niet groter is dan 100 m2.

  • 2. In de gevallen uit het eerste lid, mag alle hemelwater als overtollig worden afgevoerd.

Artikel 16. Vrijstelling bij extreme neerslag

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 13 lid 1 van deze verordening, geldt niet voor dat deel van de hoeveelheid te verwerken hemelwater dat uitkomt boven:

    • a.

      de hoeveelheid zoals bepaald in art 13 lid 2a t/m 2c van deze verordening; of

    • b.

      de voor het betreffende perceel specifiek geldende hoeveelheid, zoals volgt uit een vastgestelde gebiedsaanwijzing conform artikel 14, of een verleende ontheffing conform artikel 13 lid 3 van deze verordening.

Artikel 17. Afvoer overtollige neerslag (noodoverloop)

  • 1. De in artikel 15 en 16 van deze verordening bedoelde overtollige en/of extreme neerslag dient oppervlakkig geloosd te worden;

  • 2. Afwijken van het bepaalde in lid 1, door dit water te lozen middels een ondergrondse verbinding tussen de hemelwatervoorzieningen op eigen terrein en de openbare riolering of openbare ruimte, is alleen toegestaan na afstemming met, en instemming van, de beheerder.

Artikel 18. Melding

  • 1. Degene die een nieuw bouwwerk opricht of nieuw verhard oppervlak aanbrengt meldt dit bij de beheerder. De melding dient onderdeel uit te maken van de omgevingsvergunning zoals benodigd voor de betreffende activiteit; indien geen omgevingsvergunning benodigd is vervalt deze meldplicht.

  • 2. Bij de melding zoals bedoeld in lid 1 dient een ontwerptekening van het hemelwatersysteem en te verharden oppervlak ter goedkeuring aan de beheerder overlegd te worden. Uit deze tekening moet controleerbaar blijken dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikelen 13 t/m 17 van deze verordening.

  • 3. Indien van toepassing, dient de gemotiveerde aanvraag van een ontheffing zoals bedoeld in artikel 13 lid 3 van deze verordening, of de gemotiveerde aanspraak op een vrijstelling zoals bedoeld in artikel 15, onderdeel te zijn van de melding zoals bedoeld in lid 1.

3.2 Lozen van grondwater

Artikel 19 Verbod op lozen van grondwater op het openbaar riool

  • 1. Het is verboden grondwater af te voeren naar de openbare riolering.

  • 2. De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien:

    • a.

      het lozen niet tot een onaanvaardbare grondwaterstandsverlaging in de omgevende percelen leidt; en

    • b.

      van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen kan worden gevergd; en

    • c.

      de ontheffing niet in strijd is met regels en/of besluiten van andere bevoegde waterbeheerders.

  • 3. Voor de lozing van grondwater worden kosten in rekening gebracht, volgens de tarieven uit de Verordening Rioolheffing;

  • 4. Bij de verlening van de ontheffing, zoals bedoeld in lid 2, bepaalt de beheerder de toegestane wijze, omvang en duur van de grondwaterlozing. Hierbij geldt in elk geval:

    • a.

      Grondwater of bronneringswater lozen op vuilwaterriolering is alleen incidenteel toegestaan, met een afvoer van maximaal 5 m3/uur;

    • b.

      Grondwater of bronneringswater lozen op hemelwaterriolering:

      • I.

        met een maximale afvoer van 30 m3/uur en maximale duur van 4 weken, is zonder melding toegestaan;

      • II.

        met een maximale afvoer van 50 m3/uur en maximale duur van 3 maanden, is alleen toegestaan na het doen van een melding aan de beheerder. Eventueel gestelde maatwerkvoorschriften dienen hierbij te worden opgevolgd;

      • III.

        met een maximale afvoer groter dan 50 m3/uur en/of een maximale duur van meer dan 3 maanden, is alleen toegestaan na het doen van een melding aan de beheerder en het verkrijgen van een lozingsspecifieke omgevingsvergunning.

4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Kwaliteit af te voeren hemel- en/of grondwater

  • 1. Het afstromende hemelwater en grondwater, als bedoeld in Hoofdstuk 3 van deze verordening:

    • a.

      mag niet sterker verontreinigd zijn, en geen andere verontreinigingen bevatten, dan het hemelwater dat van openbare wegoppervlakken afstroomt;

    • b.

      mag niet dusdanig verontreinigd zijn, en geen verontreinigingen bevatten, die overstorten op oppervlaktewater onmogelijk maken.

Artikel 21. Overgangsrecht

  • 1. Een goedkeuring die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening van kracht is, wordt gelijkgesteld met een goedkeuring als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;

  • 2. Een aanvraag tot goedkeuring, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening is ingediend en waarop op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt gelijkgesteld met een aanvraag als bedoeld in artikel 4 van deze verordening;

  • 3. Op aansluitingen die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften tot stand zijn gebracht, zijn de bepalingen van paragraaf 2.3 (Onderhoud) en 2.4 (Verwijdering) van deze verordening rechtstreeks van toepassing.

  • 4. Bij strijd van deze verordening met bepalingen in overeenkomsten gesloten tussen beheerder en de rechthebbende, vóór inwerkingtreding van deze verordening, prevaleert het bepaalde in deze overeenkomsten.

Artikel 22. Toezicht, handhaving en strafbepaling

  • 1. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens deze verordening gesteld zijn belast de bij besluit van de beheerder aan te wijzen of aangewezen personen of groep van personen als bedoeld in artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 23. Hardheidsclausule

  • 1. Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan de beheerder in bijzondere gevallen van het gestelde in deze verordening afwijken.

  • 2. In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist de beheerder.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na diens bekendmaking.

  • 2. Bij het inwerkingtreden van deze verordening, worden ingetrokken:

    • I.

      Aansluitverordening riolering 2012, van de gemeente Vught;

    • II.

      Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater, van de voormalige gemeente Haaren, voor zover van toepassing op de van die gemeente overgenomen grondgebieden.

  • 3. Deze verordening kan worden aangehaald als: Waterafvoerverordening Vught 2022.

Ondertekening

5 TOELICHTING

De gemeente mag op basis van de algemene verordeningsbevoegdheid (artikel 149 Gemeentewet) eisen stellen aan het aansluiten van de particuliere riolering op het openbare riool. Deze aansluiting is in principe toelaatbaar (en gewenst) als voldaan is aan de bouwregelgeving en de milieuregelgeving. Het doel van de bepalingen in Hoofdstuk 2 van deze verordening is om een mogelijkheid te hebben om aansluiting op de riolering te weigeren, als niet aan de bouwregelgeving of milieuregelgeving is voldaan.

Zonder aansluitbepalingen kan de gemeente niet voorkomen dat “foutieve” aansluitingen op de riolering tot stand worden gebracht. Natuurlijk kan de gemeente handhavend optreden tegen overtredingen van de bouwregelgeving en milieuregelgeving, maar dat kan pas als een overtreding heeft plaatsgevonden en door de gemeente is geconstateerd. De vergunningplicht zorgt er voor dat de gemeente een middel heeft om foutieve aansluitingen op de riolering te voorkomen, in plaats van achteraf te verhelpen.

In artikel 10.32a van de Wet milieubeheer is opgenomen dat gemeenteraden een bevoegdheid hebben in het belang van de bescherming van het milieu bij verordening regels te stellen aan het lozen van afvalwater op de riolering. Hiermee hebben gemeenten een instrument om de gemeentelijke watertaken(zorgplichten) vorm te geven. De wet geeft een bevoegdheid. Dit betekent dat gemeenten niet verplichtzijn een verordening voor het lozen van afvalwater op de riolering te hebben. In het rioleringsbeleid, dat is neergelegd in het gemeentelijk rioleringsplan, bepaalt de gemeente of de inzet van dit nieuwe instrument nodig is, gelet op de lokale omstandigheden.

Over de riolering en de aansluiting van bouwwerken op de openbare riolering staan voorschriften in het Bouwbesluit 2012. De onderhavige verordening is aanvullend en komt niet in strijd met plichten die elders zijn vastgelegd. Bij strijd zou de hogere regeling -het Bouwbesluit- voorgaan.

Met deze verordening wordt het gemeentelijk beleid uit het gemeentelijk rioleringsplan verankerd.

ARTIKEL 1 – DEFINITIES

In artikel 1 worden de begripsbepalingen behorende bij deze verordening gegeven. Waar mogelijk is aangesloten bij de definities uit het Gegevens Woordenboek Stedelijk Water (GWSW). De definities in het GWSW zijn echter vaak algemener van aard en in betreffende gevallen ontoereikend voor het specifieke onderscheid dat in deze verordening noodzakelijk is.

Aansluiting: De aansluitleiding bestaat vanaf het hoofdriool achtereenvolgens uit de perceelaansluitleiding, het aansluitpunt en het particuliere riool. Het aansluitpunt wordt in de verordening gesitueerd op de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel of niet meer dan een halve meter daar vandaan. Ingeval van drukriolering is dit het punt waar het particuliere riool is aangesloten op de pompput. Het deel van de aansluitleiding vanaf het aansluitpunt naar het hoofdriool van het openbare rioolstelsel (de perceelaansluitleiding) wordt beheerd door de gemeente. Dit deel van de aansluiting ligt in openbaar terrein. Het particuliere riool wordt beheerd door de perceeleigenaar.

Bouwwerk : Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Wet milieubeheer of Woningwet niet, in de bouwverordening wordt een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aangehouden. Deze omschrijving is in deze verordening overgenomen. Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk: 1 constructie, 2 van enige omvang, 3 met de grond verbonden, 4 bedoeld om ter plaatse te functioneren, wordt bepaald op een object een bouwwerk is of niet. Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.

Beheerder: De in verschillende artikelen van deze verordening genoemde beheerder van de openbare riolering is het college van burgemeester en wethouders. B&W kunnen hun bevoegdheden op grond van deze verordening mandateren aan een uitvoeringsorganisatie.

Vuilwater: Water afkomstig van een particulier zwembad wordt gerekend tot vuilwater.

Voor de overige begrippen is aangesloten bij gebruikelijke definities in het werkveld (o.a. stichting Rioned, Brabant Keur).

ARTIKEL 2 – REIKWIJDTE

De hemelwaterregels uit de verordening zijn niet van toepassing op bestaand verhard oppervlak van openbare percelen . De beheerder van de openbare riolering (de gemeente) is immers zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater dat hier valt. De gemeente hoeft hier zichzelf geen lozingsverbod op te leggen. Dit doet de gemeente wèl als onverharde delen van openbare percelen verhard worden.

ARTIKEL 3 - DE GOEDKEURING VAN EEN (VOORGENOMEN) AANSLUITING

In artikel 3 wordt bepaald dat aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool of wijziging van een dergelijke aansluiting, verboden is zonder goedkeuring. Deze goedkeuring voor het verkrijgen van een aansluiting op de riolering is een belangrijk uitgangspunt van deze verordening.

De rechthebbende is degene die een goedkeuring voor de aansluiting op het openbare riool kan aanvragen. Verder wordt een vereniging van eigenaren als rechthebbende aangemerkt, aangezien bij appartementsgebouwen vaak slechts één aansluiting aanwezig is voor het gehele gebouw. De vereniging van eigenaren wordt dan de houder van de goedkeuring voor de betreffende aansluiting en zal vervolgens met de leden moeten regelen hoe binnen het gebouw met verstoppingen en storingen wordt omgegaan. Dit geldt ook voor een rechthebbende die zijn eigendom verhuurt. Hij dient er zelf voor te zorgen dat de huurder de voorschriften van de goedkeuring naleeft.

Dit laatste geldt ook, als de verhuurder een woningbouwvereniging is. De woningbouwvereniging is degene die een goedkeuring voor de aansluiting op het openbare riool kan aanvragen. Zij zal dan met haar huurders onderling afspraken kunnen maken omtrent het gebruik van de aansluiting, maar de woningbouwvereniging is als rechthebbende het aanspreekpunt in de relatie tot de gemeente.

In de goedkeuring kunnen voorschriften worden opgenomen omtrent het particulier riool zoals dat aanwezig moet zijn op het moment dat de aansluiting tot stand gebracht wordt. Daarnaast is het raadzaam de voor de rechthebbende geldende regels uit de verordening met betrekking tot het onderhoud, de renovatie, vervanging en sloop, expliciet in de goedkeuringsbrief te vermelden.

Zolang de betreffende aansluiting bestaat, blijven deze voorschriften gelden. Bij wijziging van de aansluiting moet een nieuwe goedkeuring worden aangevraagd.

In lid 2 wordt aangegeven dat burgemeester en wethouders alleen goedkeuringen verlenen voor aansluitingen die overeenstemmen met het openbaar riool ter plaatse. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen goedkeuring kan worden verkregen voor de gemengde afvoer van hemelwater en (huishoudelijk) afvalwater als ter plaatse een gescheiden stelsel ligt.

Lid 3 geeft nog een toevoeging aan lid 2 door te stellen dat de aanvraag voor goedkeuring voor meerdere aansluitingen op een perceel dienen in één schriftelijk verzoek gecombineerd te worden ingediend. Bij het aansluiten van een perceel op bijvoorbeeld een gemengd stelsel zullen deze aansluitingen doorgaans tegelijk worden gerealiseerd. De voorwaarden voor dat perceel kunnen in één aanvraag worden opgenomen.

Als de goedkeuring is verleend kan de rechthebbende een verzoek doen aan burgemeester en wethouders om de aansluiting tot stand te brengen (zie artikel 6).

ARTIKEL 4 - HET VERKRIJGEN VAN GOEDKEURING

Artikel 4 bepaalt dat de goedkeuring moet worden aangevraagd door de rechthebbende. Om dit te vereenvoudigen, moet de aanvraag worden gedaan met een daartoe bestemd formulier. In het tweede lid is vastgelegd waaraan de aanvraag moet voldoen.

De aanvrager dient gelijktijdig bij de aanvraag alle gegevens aan te leveren. Voorgaande geldt ook indien de gevraagde gegevens reeds zijn vastgelegd in een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer.

ARTIKEL 5 - WEIGERING VAN DE GOEDKEURING

In artikel 5 is vastgelegd op welke gronden de goedkeuring geweigerd kan worden. Bij een weigering wordt altijd aangegeven aan welke eisen moet worden voldaan om alsnog voor de goedkeuring in aanmerking te komen.

Het derde lid, onderdeel a t/m c, kan worden gezien als verbijzondering van de zorgplicht die op de perceeleigenaar rust om zorgvuldig om te gaan met afvalwater en de nodige zorg te betrachten voor het goed functioneren van de riolering.

Het derde lid bevat daarnaast een bijzondere weigeringsgrond indien aansluiting niet op openbaar terrein kan plaatsvinden. Burgemeester en wethouders zijn niet gehouden een aansluitvergunning te verlenen indien de perceeleigenaar niet meewerkt aan de vereiste privaatrechtelijke regeling van de aansluiting op particuliere grond.

ARTIKEL 6 - BESLISTERMIJN

Over goedkeuring om een aansluiting tot stand te brengen of te wijzigen wordt pas beslist nadat bij de aanvraag alle in artikel 4 van deze verordening vermelde gegevens in het bezit van de gemeente zijn. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen 4 weken alsnog aan te vullen.

Als na het verstrijken van die periode de gegevens nog steeds onvolledig zijn of opnieuw een onvolledige aanvraag wordt ingediend, kunnen burgemeester en wethouders op basis van artikel 4:5 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht besluiten de aanvraag niet te behandelen.

ARTIKEL 7 - UITVOERING AANLEG OF WIJZIGING VAN EEN AANSLUITING

In artikel 7 wordt bepaald dat de aanleg van de aansluiting binnen een jaar moet plaatsvinden en dat dit alleen geschiedt door of namens de gemeente.

Na het indienen van een verzoek dient de gemeente binnen de in lid 3 en 4 aangegeven termijn(en) met de aanvrager overeen te komen wanneer de werkzaamheden naar verwachting uitgevoerd zullen worden. De geplande uitvoeringsdatum moet vallen binnen de termijn zoals genoemd in lid 1.

Lid 5 geeft aan dat een aansluiting niet plaatsvindt als het particulier riool niet voldoet aan de daaraan te stellen bouwtechnische eisen. Deze bepaling moet worden gezien als een zogenaamde vangnetbepaling.

Op grond van het Bouwbesluit 2012 moet in principe in alle gevallen de hemelwaterafvoer en de afvoer van stedelijk afvalwater gescheiden tot aan de erfgrens te worden aangelegd, als het niet op eigenterrein wordt verwerkt. Pas op de erfgrens mag de koppeling van de twee afvoeren plaatsvinden. Indien later alsnog een gemeentelijke hemelwatervoorziening wordt aangelegd, kan daarop de hemelwaterafvoer eenvoudig worden aangesloten. De ligging van de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorzieningen kan opgevraagd worden bij de gemeente.

In lid 6 is opgenomen dat door of vanwege de beheerder de wijze van (technisch) aansluiten wordt aangegeven. Dit kan zowel gaan om een bovengrondse als een ondergrondse voorziening. Indien de hemelwaterafvoerleiding moet worden aangesloten op de gemeentelijke riolering of hemelwatervoorziening, biedt artikel 6.18, vierde lid, van het Bouwbesluit de mogelijkheid aan te geven wat de ligging, hoogte en diameter is ter plaatse van de perceelgrens. Op grond van het Bouwbesluit kunnen echter geen eisen worden gesteld aan de aansluiting op gemeentelijke voorzieningen in de openbare weg, vandaar dat dit in deze verordening is geregeld. Zoals in (de toelichting van) hoofdstuk 4.2 van deze verordening is gesteld dient met de gemeente overleg plaats te vinden over het technisch ontwerp.

ARTIKEL 8 - KOSTEN VOOR HET AANSLUITEN OP HET OPENBAAR RIOOL

Het bedrag dat de rechthebbende voor de (aanleg van de) aansluiting dient te betalen, moet worden aangemerkt als een recht dat wordt geheven terzake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (artikel 229 lid 1 sub b Gemeentewet).

Dit betekent dat het in rekening gebrachte bedrag niet hoger mag zijn dan de kosten die de gemeente in werkelijkheid moet maken. Hiervoor is een tarievenlijst opgesteld waarmee is na te gaan wat de aanleg van een aansluitleiding per meter kost. De tarieven voor aanleg zijn richtprijzen, waarbij het uitgangspunt 50% asfalt en 50% elementenverharding is.

Er mag geen bedrag voor de aanleg van de aansluitleiding worden berekend als deze kosten al zijn verwerkt in het gemeentelijk rioolrecht of in geval deze kosten zijn verwerkt in de gronduitgifteprijs of anderszins zijn verhaald.

ARTIKEL 9 – NIET-NAKOMING VOORSCHRIFTEN

Als op onjuiste gronden een rioolaansluiting tot stand is gebracht, of als er in zijn algemeenheid niet wordt voldaan aan de verordening, kan de gemeente de toestemming voor de aansluiting intrekken.

ARTIKEL 10 - ONDERHOUD, RENOVATIE EN VERVANGING.

Artikel 10 geeft nadere regels over het beheer en onderhoud, de renovatie en vervanging van de aansluitleiding. Deze worden door en voor rekening van de gemeente uitgevoerd tot het aansluitpunt, gerekend vanaf het openbaar riool, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik of onvoldoende onderhoud van het particulier riool. In dat geval komen de kosten voor rekening van de rechthebbende.

De rechthebbende moet zorgen dat de door hem gebruikte aansluiting vrij blijft van aanslag, slib en dergelijke, als gevolg waarvan de leiding op den duur verstopt zou kunnen raken. Hier hoort ook bij het voorkomen van wortelingroei als gevolg van verslechterde / verouderde buizen en/of buisverbindingen. De rechthebbende is zelf verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het particulier riool.

ARTIKEL 11 - VERSTOPPING EN ANDERE STORINGEN

In artikel 11 is een calamiteitenregeling opgenomen om te voorkomen dat voor elk probleem de gemeente erbij wordt geroepen. Om te voorkomen dat de rechthebbende of de gebruiker voor elke storing of verstopping meteen de gemeente belt, is in lid 1 de regel opgenomen dat in geval van storing of verstopping de rechthebbende eerst moet vaststellen waar de storing zich in de aansluitleiding bevindt. Als hij geconstateerd heeft, dat de storing in de aansluitleiding zit, kan hij de gemeente laten komen om de storing of verstopping op te heffen.

In lid 3 wordt nadrukkelijk gesteld dat de rechthebbende zelf verantwoordelijk is voor het verhelpen van verstoppingen in het particulier riool. Dit betekent dat de rechthebbende, indien hij het pand bijvoorbeeld verhuurt, bij calamiteiten voor de gebruiker van het particuliere riool het aanspreekpunt is. Verder geeft het artikel een regeling voor het geval toch de hulp wordt ingeroepen van de gemeente, omdat wordt vermoed dat het een storing betreft waarvoor de gemeente verantwoordelijk is.

Bij het verrichten van onderhouds- en herstelwerkzaamheden is het van belang de bepalingen uit de APV in acht te nemen, bijvoorbeeld over het graven in openbare grond. Eventuele vervolgschade als gevolg van de werkzaamheden kan voor rekening van rechthebbende komen.

Lid 6 geeft rechthebbenden de mogelijkheid om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten, indien de perceelleiding nergens op eigen terrein ligt. Dit is bijvoorbeeld het geval als de voorgevel van het aangesloten gebouw, tevens de erfgrens is. Na toestemming van de gemeente mag dan een beperkt gebied worden open gegraven om het onderzoek en herstel – zoals omschreven in dit artikel - te kunnen verrichten.

ARTIKEL 12 – ZORGPLICHT BIJ WERKZAAMHEDEN

In artikel 12 zijn bepalingen opgenomen over de zorg die betracht moet worden bij werkzaamheden die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool. In lid 3 is vastgelegd dat bij definitieve beëindiging van het gebruik van een aansluitleiding, de goedkeuring wordt ingetrokken en de leiding wordt verwijderd.

ARTIKEL 13 - VERBOD OP LOZEN VAN HEMELWATER OP DE RIOLERING

De gemeenteraad heeft de invulling van de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater in het geformuleerd in het Programma Water en Riolering (PWR).

Lid 1 Verbod

De basis voor het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering is in de Wet milieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het PWR. Het PWR bevat een beleidsvoornemen over het niet lozen van hemelwater en grondwater op de riolering van zowel openbaar als particulier terrein. Het lozingsverbod is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook open erf of terrein. Het verbod betreft dus het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en onder meer via een dakgoot, regenpijp en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Maar ook het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via onder meer goten, putten en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht, is bijvoorbeeld een terras, oprit, parkeerterrein of laad- en losperron.

Lid 2 Op eigen terrein verwerken

In wezen is de regel simpel: hemelwater mag niet op de riolering worden aangesloten. Dit houdt veelal in dat voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is:

  • 1.

    hergebruik;

  • 2.

    infiltreren in de bodem;

  • 3.

    bergen; en

  • 4.

    afvoeren.

Afvoer naar oppervlaktewater vereist meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur. Ook op locaties waar een gescheiden gemeentelijke riolering aanwezig is voor vuilwater en hemelwater, geldt dat het hemelwater in principe op eigen terrein verwerkt moet worden.

Aansluiting van hemelwater op het gemeentelijk hemelwaterstelsel is alleen mogelijk na toestemming van de beheerder. Hierbij moet, gelijk aan de regels in de Keur, 60 liter per m2 op eigen terrein verwerkt worden. Hierbij kan een verlaging van toepassing zijn, op basis van de bij de Keur vastgestelde gevoeligheigdsfactoren (kaarten).

In de Waterwet en het Burgerlijk wetboek is reeds geregeld dat het op eigen terrein te verwerken water niet mag leiden tot overlast op naburige percelen.

Vuilwaterriolering

Vuilwaterriolering heeft onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag hierop in de basis geen hemelwater worden aangesloten. Indien een perceel is aangesloten op bijvoorbeeld drukriolering, moet dus al het hemelwater op eigen perceel verwerkt worden.

Lid 2c Groene daken

De aanleg van een groen dak wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben, waaronder de berging van minimaal circa 15 mm (per m2 dak) hemelwater. Daarom wordt voor het oppervlak aan groen dak geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. De norm van 60mm geldt dus niet voor het oppervlak aan groen dak. Vanzelfsprekend moet voorzien worden in de afvoer van overtollig hemelwater vanaf een groen dak bij hevige neerslag (meestal het overschot boven 15mm). De wijze van aansluiting is geregeld in het Bouwbesluit.

Lid 2d Ligging ten opzichte van grondwaterstand

Voor een (blijvend) juiste werking van ondergrondse voorzieningen is het van belang dat deze volledig boven de lokaal optredende gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt aangelegd.

Lid 2e Instandhouding voorzieningen

Met deze verordening wordt ook de instandhouding van de voorzieningen geregeld. Ongewenste latere aanpassingen aan de afvoer van hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater vallen binnen deze verordening. Hierop kan handhavend opgetreden worden.

Lid 2f Instandhouding berging

Bij elke ingreep geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet af mag nemen. Als in het plangebied dus meer waterberging aanwezig was, moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterwaterberging gerealiseerd worden.

Lid 3 Ontheffing

Artikel 10.32a lid 2 Wet milieubeheer luidt: ‘Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruik gemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd’. Dit is de basis voor de mogelijkheid om op grond van lid 4 ontheffing te verlenen.

Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot het niet aansluiten op de riolering en/of op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening of een zuiverende voorziening.

Indien een ontheffing verleend is door het bevoegd gezag voor lozing op de (gemengde) riolering, dan vervalt deze zodra een gemeentelijke hemelwatervoorziening is aangelegd. Vanaf dat moment moet de perceeleigenaar voorzieningen treffen om het hemelwater op dat nieuwe stelsel te lozen en niet meer op de (gemengde) riolering.

Een afwijking of ontheffing dient afgewogen te worden in het proces van de omgevingsvergunningen/of Watertoets en waterparagraaf. Daarvoor kan er om een nader onderzoek gevraagd worden. Bijvoorbeeld het aantonen dat infiltratie niet mogelijk is met o.a. representatief bodemonderzoek of infiltratieonderzoek. Of aantonen dat er bijv. ruimtegebrek is of dat er nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan. Als voorbeeld kan gedacht worden aan de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging in de nabijheid, die door infiltratie verplaatst kan worden.

ARTIKEL 14 - GEBIEDSAANWIJZING

Dit artikel biedt de mogelijkheid een eigenaar van een te verplichten hemelwaterlozingen in het openbare vuilwaterriool te beëindigen. Een dergelijke verplichting voor bestaande bouwwerken is alleen mogelijk als een andere wijze van afvoeren of verwerken van hemel- en grondwater redelijk is.

Het artikel werkt pas nadat de gemeente een bepaalde kern, buurt, wijk of straat heeft aangewezen als gebied waarvoor het verbod gaat gelden. Dit is een apart besluit van de beheerder van het openbare riool (B&W). De beheerder kan hierin zijn eigen afweging maken. Meestal zal dit zijn na een renovatie, groot onderhoud of gehele vernieuwing van het rioolstelsel, waarbij hetzij een gescheiden rioolstelseleen gemengd stelsel vervangt, hetzij een mogelijkheid bestaat af te voeren op een andere wijze. Maar het is ook mogelijk het lozingsverbod op te leggen zonder renovatie of aanleg van een gescheiden openbaar rioolstelsel, bijvoorbeeld in geval van wateroverlast door een beperkte capaciteit van de riolering én de mogelijkheid om het hemelwater op een andere wijze te verwerken.

Ontluchting

De ontluchting van het rioolstelsel verdient bijzondere aandacht. Vaak vindt ontluchting plaats via een bovendakse uitmonding. Het beëindigen van de hemelwaterlozing kan de ontluchting belemmeren of minder effectief maken. Als de gemeente kan voorzien dat door het lozingsverbod in het hoofdriool ontluchtingsproblemen ontstaan en er geen goede oplossing beschikbaar is dan wel deze onevenredig hoge kosten veroorzaakt, is de gebiedsaanwijzing niet mogelijk.

Procedure

Een gebiedsaanwijzing is een besluit van algemene strekking. Dit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het lozingsverbod geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen, voor zover deze binnen de gebiedsaanwijzing liggen en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat.

Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbare riool rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen;

De in de gebiedsaanwijzing te noemen termijn moet voldoende ruimte laten voor de eventuele beroepsfase tegen de gebiedsaanwijzing en voor de eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen om de werkzaamheden te kunnen (laten) verrichten. Een termijn van 6 weken zal als minimaal uitgangspunt gelden.

De uniforme openbare voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4 Awb, is van toepassing op de gebiedsaanwijzing. Hierdoor duurt de voorbereiding van een besluit iets langer. Daar staat tegenover dat de bezwaarschriftenfase na het nemen van het besluit vervalt. Aangezien een gebiedsaanwijzing een concretiserend besluit van algemene strekking is, moet de gemeente het besluit bekendmaken doorkennisgeving in een huis-aan-huisblad (art. 3:42 lid 2 Awb).

ARTIKEL 15 – VRIJSTELLING BIJ SPECIFIEKE INRICHTINGSKENMERKE

Om de werklast te beperken en de handhaafbaarheid van deze verordening te bevorderen hoeven vergunningsvrije en/of kleinere (bouw)activiteiten niet aan de hemelwaterregels in deze verordening te voldoen.

In relatie tot de vrijstelling voor groene daken geldt dat groene daken onverminderd meetellen in het bepalen van de omvang van het nieuwe oppervlak. Groene daken op zichzelf komen alleen in aanmerking voor vrijstelling van de waterbergingseis (artikel 13 lid 2c). Als voorbeeld:

2-onder-1 kap

  • -

    Een nieuw te bouwen dubbele woning (2-onder-1-kap) omvat 160 m2 dak- en straatoppervlak (80 m2 per woning)

  • -

    Totaal verhard oppervlak binnen projectgebied (de gehele 2-onder-1-kap woning) >100 m2, dus er geldt in de basis een lozingsverbod van hemelwater voor elk individueel perceel;

  • -

    Bij de linker-woning wordt 50 m2 dakoppervlak uitgevoerd als een groen dak;

    • Voor de dimensionering van de hemelwatervoorziening mag het groen dak buiten beschouwing worden gelaten. De minimale bergingseis voor de linkerwoning wordt dan (80-50) = 30 m2 x 60 liter = 1.800 liter = 1.8 m3

    • Al het hemelwater dat niet door de voorziening verwerkt kan worden (omdat deze al vol zit) mag bovengronds afstromen naar de openbare ruimte

  • -

    Bij de rechter-woning wordt geen groen dak aangelegd;

    • Voor de dimensionering van de hemelwatervoorziening kan geen groen dak buiten beschouwing worden gelaten. De minimale bergingseis voor de rechterwoning wordt dan 80 m2 x 60 liter = 4.800 liter = 4.8 m3

    • Al het hemelwater wat niet door de voorziening verwerkt kan worden (omdat deze al vol zit) mag bovengronds afstromen naar de openbare ruimte

ARTIKEL 16 - VRIJSTELLING BIJ EXTREME NEERSLAG

Op vuilwaterriolering (zoals drukriolering) mag nooit hemelwater aangesloten worden, dus ook niet bij extreme regenval.

Bij initiatieven dient indien mogelijk gekeken te worden naar de gevolgen van zeer hevige neerslag (T= 100 jaar en extremer). Deze doorkijk moet inzicht geven in waar het water bij die extreme neerslag heen stroomt (op basis van hoogteligging) en of dit tot overlast of schade kan leiden. Zo nodig worden in het plan maatregelen getroffen om dit te voorkomen.

ARTIKEL 17 – AFVOER OVERTOLLIGE NEERSLAG (NOODOVERLOOP)

Als er op basis van de ontheffingsgronden in artikel 15 geen lozingsverbod geldt, mag al het hemelwater worden afgevoerd naar de openbare ruimte, mits dit bovengronds gebeurt. Afhankelijk van lokale omstandigheden kan de beheerder ook een ondergrondse afvoer toestaan, maar dit mag alleen na overleg en goedkeuring worden gerealiseerd. Dit sluit aan op Hoofdstuk 2 van deze verordening, specifiek artikel 3 lid 1.

Ten behoeve van buien groter dan de voorgeschreven bergingseis wordt aanbevolen om een ontlastput aan te brengen conform de NEN 3215. Bij extreme neerslag is het toegestaan om het hemelwater via de ontlastput bovengronds af te voeren naar openbaar gebied. Indien een ontlastput niet volstaat en maatwerk nodig is, dan is dit conform artikel 3 lid 1 en artikel 17 lid 2 alleen mogelijk in samenspraak met de beheerder. De voorziening voor extreme buien moet altijd aangegeven zijn op de stukken bij de melding, op basis van artikel 18.

ARTIKEL 18 - MELDING

Om zicht te houden op de ontwikkeling van het verhard oppervlak, is in dit artikel een meldplicht voorgeschreven. Degene die nieuwe bebouwing of nieuw verhard oppervlak aanbrengt, moet dit melden bij de gemeente. Dit gebeurt in de vorm van (een aanvraag van) een omgevingsvergunning. Vanwege artikel 15 lid 1a is een melding is niet vereist als er voor de betreffende activiteit geen omgevingsvergunning nodig is.

De in lid 2 vermelde tekening(en) mogen bestaan uit eenvoudige, schetsmatige tekeningen van de geplande situatie ter plaatse. In alle gevallen blijft het echter aan de beheerder om aan te geven welke mate van detail in het betreffende geval nodig is voor een juiste beoordeling, of verwerking van de melding. Indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet kan ook voor betrekkelijk eenvoudige plannen aanvullende informatie noodzakelijk zijn.

De te realiseren noodoverloop zal standaard onderdeel uitmaken van de melding. Een eventuele aanvraag van een totale ontheffing op het lozingsverbod, conform artikel 13 lid 3, dient tegelijk met de melding/aanvraag van omgevingsvergunning ingediend te worden, zodat de toetsing, afweging en beoordeling in één keer kan plaatsvinden.

ARTIKEL 19 - VERBOD OP LOZEN VAN GRONDWATER OP HET OPENBAAR RIOOL

Op grond van dit artikel is het lozen van grondwater op de riolering in de gehele gemeente in principe verboden. Dit geldt nadrukkelijk ook voor grondwater in de vorm van spuiwater van Warmte Koude Opslag (WKO), bronneringswater en werkwater van WKO. Voor lozing van spuiwater van WKO, bronneringswater en werkwater van WKO kan toestemming verleend worden. Dit wordt in ieder geval getoetst aan de capaciteit van de riolering ter plekke. Dit artikel sluit aan op de huidige regelgeving en het besluitkwaliteit leefomgeving als onderdeel van de Omgevingswet.

In het verlenen van een ontheffing op het lozingsverbod bepaalt de beheerder hoe de lozing mag plaatsvinden. Zij houdt hierbij onder andere rekening met de lokale hydraulische en hydrologische situatie, de reeds aanwezige voorzieningen en de effecten op de omgeving. Hierbij kan ook bepaald worden dat de toegestane wijze van lozen automatisch verandert als er iets in deze situatie wijzigt, bijvoorbeeld als er in de toekomst een drainagesysteem wordt aangelegd en de voorkeursvolgorde van lozen aangeeft dat vanaf dat moment daarop geloosd moet worden

ARTIKEL 20 - KWALITEIT AF TE VOEREN WATER

De ontdoener heeft een zorgplicht ten aanzien van de (goede) kwaliteit van het af te voeren en te infiltreren hemelwater en grondwater.

De verwerking van het hemelwater en grondwater mag daarom niet leiden tot verontreiniging van het ontvangende medium, zoals bodem, grondwater, oppervlaktewater, etc. Aangenomen mag worden dat het hemelwater van voldoende kwaliteit is als het afstroomt over niet-afspoelende en niet-uitlogende materialen en er geen verontreinigende activiteiten op deze oppervlakken plaatsvinden. Verontreinigende activiteiten zijn bijvoorbeeld autowassen, besproeiing met onkruidbestrijdende middelen, lozing van verfmiddelen (kalk of iets dergelijks) of lekkage van oliën.

De gemeente ontraadt hemelwater en grondwater dat in contact is geweest met zink, koper of lood zonder zuiverende randvoorziening (zoals bodemverrijking) of bronmaatregel (zoals coaten of vervangen dakgoot) direct naar de bodem af te voeren.

Zuivering

Om aan de zorgplicht te voldoen, kan het nodig zijn een filter toe te passen. Met beheersmaatregelen (vervangen vulmateriaal, afvoeren verontreinigd vulmateriaal) moet voorkomen worden dat een verontreiniging doorslaat naar de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater. Na de voorziening kan het water in bodem (als grondwater) of op oppervlaktewater worden geloosd. Vanzelfsprekend hebben maatregelen aan de bron de voorkeur.

Bodemverontreiniging

De mogelijke reeds aanwezige verontreiniging van de bodem moet altijd goed worden nagegaan door de lozer van het hemelwater.

Bij het zonder beperkingen toestaan van het lozen van afvloeiend hemelwater is er van uitgegaan, dat in de praktijk tijdens het afvloeien van het hemelwater enige verontreiniging bijna onontkoombaar is. De oppervlakken waarover het hemelwater afvloeit zijn immers niet volledig schoon, en afhankelijk van het materiaal waarmee het hemelwater in aanraking komt, vindt vaak enige mate van afspoeling of uitloging plaats. In de meeste gevallen leidt deze echter niet tot een zodanige verontreiniging van het hemelwater, dat het lozen in de bodem verboden moet worden.

Indien er wel sprake is van een grote verontreiniging, dan is het vaak mogelijk om door het treffen van preventieve maatregelen de verontreiniging terug te brengen en daarmee het hemelwater alsnog rechtstreeks in het milieu te brengen.

Provinciale aanwijzingen

Binnen door de provincie aangewezen zones, zoals het grondwaterwingebied en bijbehorende beschermingszones en boringsvrije zones, gelden mogelijk aanvullende regels voor de verwerking van hemelwater en grondwater. Dit is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag.

ARTIKEL 21 - OVERGANGSRECHT.

Omdat met het van kracht worden van deze verordening juridisch een nieuwe situatie ontstaat, is in artikel 21 een aantal overgangsbepalingen opgenomen.

Omdat het denkbaar is dat voor het tot stand brengen van rioolaansluitingen in het verleden met perceeleigenaren overeenkomsten zijn gesloten waarin afspraken zijn gemaakt die strijd opleveren met de goedkeuring, is in lid 4 vastgelegd dat in dergelijke situaties de bepalingen van de overeenkomst prevaleren. Het zou immers in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel als deze afspraken zomaar opzij worden gezet.

ARTIKEL 22 – TOEZICHT EN STRAFBEPALING

De Wet milieubeheer kent geen strafbepaling voor overtreding van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a. Deze wet bevat een uitgebreid systeem van bestuurlijke boetes, maar dit is niet gekoppeld aan artikel 10.32a. Daarom is in deze verordening een zelfstandige strafbepaling opgenomen, gekoppeld aan de geldboetecategorieën van artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Gekozen is voor de geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 24c Wetboek van Strafrecht kan vervangende hechtenis worden toegepast.

Voor het handhaven van gemeentelijke verordeningen geldt altijd de mogelijkheid van dwangsom en bestuursdwang. De dwangsom komt voor dit type overtreding het eerst in aanmerking

ARTIKEL 23 - HARDHEIDSCLAUSULE.

Om te voorkomen dat toepassing van de bepalingen van deze verordening in een concreet geval zou leiden tot een beslissing in strijd met de redelijkheid en billijkheid, is in artikel 23 een hardheidsclausule opgenomen.

Art. 10.32a, tweede lid Wet milieubeheer luidt: "Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruikgemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd".

Dit betekent een beperking van de bevoegdheid om een lozingsverbod in te stellen en verplicht de gemeente de redelijkheid van het opleggen of althans het effectueren van dit verbod te motiveren. Het overwegen en motiveren van de redelijkheid doet de gemeente als zij het GRP opstelt. Daarnaast kan zij ontheffing verlenen voor gevallen waarin de plicht onredelijk uitwerkt.

ARTIKEL 24 - INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

Artikel 24 gaat over de inwerkingtreding en de citeertitel en spreekt voor zich. Als dag van bekendmaking geldt de dag dat het besluit waarin de verordening is vastgesteld, is gepubliceerd in het Gemeenteblad.

De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de bekendmaking (artikel 142 van de Gemeentewet). De gemeenteraad kan in de verordening een ander tijdstip van inwerkingtreding vaststellen of B&W de bevoegdheid geven de inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstipte bepalen.