Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland tot vaststelling van beleidsregels voor natuurbescherming (Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022)

Geldend van 01-01-2024 t/m heden

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland tot vaststelling van beleidsregels voor natuurbescherming (Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022)

Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland;

  • gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • overwegende de wens van gedeputeerde staten om alle beleidsregels met betrekking tot de Wet natuurbescherming overzichtelijk te bundelen in één besluit;

  • overwegende dat de beleidsregels de uitwerking vormen van de beleidsvrijheid die aan gedeputeerde staten is toegekend in de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde regelingen;

  • overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming in het kader van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden;

  • overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming in het kader van lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde afkomstig van de verwatering of verwerking van tweekleppige weekdieren;

  • overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren;

  • overwegende dat gedeputeerde staten op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid en 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn ontheffingen te verlenen met betrekking tot de bescherming van soorten;

  • overwegende dat gedeputeerde staten, op grond van artikel 3.22, vierde lid, van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn de jacht te sluiten indien de bijzondere weersomstandigheden dat vergen;

  • overwegende dat gedeputeerde staten op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, bevoegd zijn ontheffingen te verlenen of verplichtingen op te leggen met betrekking tot houtopstanden;

  • overwegende dat gedeputeerde staten op grond van artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn tegemoetkomingen in schade aangericht door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten te verlenen;

  • overwegende dat gedeputeerde staten het wenselijk achten vast te leggen op welke wijze zij invulling geven aan die bevoegdheden, zodat alle betrokkenen daar in hun beleid, besluitvorming en bij hun initiatieven rekening mee kunnen houden;

  • gelet op het gestelde in de Omgevingsverordening Zeeland 2018;

besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels:

Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Bijlage 1 bij dit besluit bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit.

Hoofdstuk 2. Natura 2000-activiteiten

Afdeling 2.1 Salderen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit waarbij gebruik is gemaakt extern salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden.

Artikel 2.2 Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit

Gedeputeerde Staten verlenen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van extern salderen uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden.

Artikel 2.3 Rekenmodel

  • 1.

    Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl.

  • 2.

    Voor zover de aanvraag betrekking heeft op onderdelen die buiten het toepassingsbereik van de AERIUS Calculator vallen, kunnen Gedeputeerde Staten op deze onderdelen om aanvullende berekeningen verzoeken.

Artikel 2.4 Voorwaarden extern salderen

  • 1.

    Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de saldo-ontvangende activiteit.

  • 2.

    Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van extern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en deze sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a Omgevingswet is vereist.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N- emissie van een saldogevend bedrijf voor dat deel van een bedrijf dat ofwel deelneemt aan de in artikel 17a.4, eerste lid Omgevingsregeling genoemde regelingen ofwel de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit.

  • 7.

    Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming van de saldogever opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd.

  • 8.

    Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van indienen van de aanvraag op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

  • 9.

    Gedeputeerde Staten verlenen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken.

  • 10.

    Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 en 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

  • 11.

    Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit wordt 70% van de N-depositie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in lid 7 en 8, van de saldogevende activiteit betrokken. Indien de N-emissie in de referentiesituatie van de betreffende saldogever, zoals bedoeld in lid 2 en 10, lager is dan de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, wordt van deze lagere N-emissie 70% betrokken bij verlening van een natuurvergunning.

  • 12.

    In afwijking van het elfde lid kan tot 100% van de N-emissie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied.

Artikel 2.5 Verleasen

  • 1.

    Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste, het derde en het negende lid.

  • 2.

    Voor tijdelijke deposities van ten hoogste twee jaar kunnen Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verlenen met gebruikmaking van verleasen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten.

  • 4.

    Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit.

  • 5.

    Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin:

    • a.

      de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en

    • b.

      saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit en dat de start- en gereedmelding van deze periode door de saldo-ontvanger moet worden gemeld aan het bevoegd gezag.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt.

Artikel 2.6 Plannen

Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c Omgevingswet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ter invulling van dat plan. Artikel 2.4, tweede lid, voor zover dat betrekking heeft op het onafgebroken aanwezig zijn van de bedoelde activiteit, zevende en achtste lid zijn daarop niet van toepassing.

Artikel 2.7 Realisatietermijn

Gedeputeerde Staten nemen in een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit moet worden gerealiseerd.

Artikel 2.8 SSRS-bank

  • 1.

    Gedeputeerde Staten reserveren in de SSRS-bank pas depositieruimte als bedoeld in artikel 17a.6, eerste lid, onder b van de Omgevingsregeling als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is.

  • 2.

    Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor extern salderen kunnen niet worden betrokken de bronmaatregelen als bedoeld in artikel 17a.4 Omgevingsregeling die zijn opgenomen in de SSRS-bank.

  • 3.

    Met uitzondering van het eerste lid, is deze beleidsregel niet van toepassing op aanvragen voor zover bij die aanvraag een beroep wordt gedaan op de SSRS-bank.

Artikel 2.9 Microdepositiebank

  • 1.

    Gedeputeerde Staten delen alleen depositieruimte uit de microdepositiebank toe in een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als de boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten van de provincies vullen gezamenlijk de microdepositiebank aan het begin van ieder kwartaal met vrijgevallen depositieruimte en kunnen deze dan aanvullen met vrijgemaakte depositieruimte.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten reserveren depositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde depositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is.

  • 4.

    De beschikbare depositieruimte vermindert door het reserveren en toedelen van depositie aan projecten. De depositieruimte vermeerdert door de vulling, bedoeld in het tweede lid.

  • 5.

    Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen depositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten delen depositieruimte toe bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten delen alleen depositieruimte toe voor zover zij is gereserveerd overeenkomstig het derde lid.

  • 8.

    Een reservering vervalt bij de afwijzing of intrekking van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, waarna de hierbij betrokken depositieruimte opnieuw beschikbaar komt als vulling als bedoeld in het tweede lid.

  • 9.

    Gedeputeerde Staten delen geen depositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan.

Artikel 2.10 Doelgebonden depositiebank

  • 1.

    Binnen de stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken aanmaken binnen hun compartiment.

  • 2.

    Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het eerste lid, stellen zij beleidsregels op, die ten minste het volgende omvatten:

    • a.

      het doel van de doelgebonden depositiebank;

    • b.

      de termijn waarbinnen de in de doelgebonden depositiebank geregistreerde ruimte uitgegeven wordt, en

    • c.

      de regels voor vulling en toedeling van depositieruimte.

  • 3.

    De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte ruimte.

  • 4.

    Depositieruimte is uitsluitend beschikbaar voor plannen of projecten gerelateerd aan het doel als bedoeld in het tweede lid, onder a.

Artikel 2.11 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten wijken, in overeenstemming met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in individuele gevallen van deze beleidsregels af, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen en de afwijking zo min mogelijk afbreuk doet aan het doel om N-depositie of te reduceren.

Afdeling 2.2 Lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde

Artikel 2.12 Algemene bepalingen

De bepalingen in deze beleidsregels voor tweekleppige weekdieren zijn van overeenkomstige toepassing op alle manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren.

Artikel 2.13 Voorwaarden voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde

Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) niet beschouwd te worden als project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied Voor deze lozingen is daarom geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteitnoodzakelijk.

Artikel 2.14

  • 1.

    Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) beschouwd te worden als project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied Deze lozingen zijn daarom op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e Omgevingswet zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verboden.

  • 2.

    Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een vergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend.

Artikel 2.15

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden, een vergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e Omgevingswet voor het lozen van onbehandeld proceswater verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het lozen van onbehandeld proceswater dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten;

    • c.

      een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan.

  • 3.

    Aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het lozen van onbehandeld proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden, worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

      • i.

        de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de geschatte hoeveelheid;

      • ii.

        de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf;

      • iii.

        direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief;

    • b.

      bedrijven houden een jaarlijkse administratie bij op basis waarvan het mogelijk is per verwaterde of verwerkte partij ten minste het volgende vast te stellen:

      • i.

        de herkomst van de partij, inclusief het nummer van het registratiedocument;

      • ii.

        het soort tweekleppig weekdier;

      • iii.

        de hoeveelheid geïmporteerde verwerkte tweekleppige weekdieren;

      • iv.

        de datum van binnenkomst;

      • v.

        de datum en het tijdstip van melding;

    • c.

      de administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard.

Artikel 2.16

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden, of waarvoor niet aan de in artikel 2.15 gestelde voorwaarden wordt voldaan, op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het lozen van behandeld proceswater verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het lozen van behandeld proceswater dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren door behandeling geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een stroomschema met een omschrijving van de te gebruiken behandelingsinstallatie;

    • c.

      een omschrijving en processchema van de behandelingsinstallatie en een tekening van het hele waterloopsysteem, waarin alle water- en afvalstromen zijn aangebracht zoals de influent,-, effluent,- en recirculatieleidingen;

    • d.

      een omschrijving van de eventueel te gebruiken UV-installatie of andere gelijkwaardige desinfecteermethode;

    • e.

      een omschrijving van de wijze waarop het procesbeheerssysteem waarborgen biedt om proceswater te scheiden of gescheiden te behandelen;

    • f.

      een omschrijving van de wijze waarop containers of productiemiddelen, zoals een sorteermachine of inpaktafel, zijn gemerkt ten behoeve van herkenning als zijnde onderdeel van de behandelingsinstallatie;

    • g.

      een omschrijving van de beoogde wijze of methode waarmee alle containers, productiemiddelen, vervoersmiddelen en ruimten gereinigd worden.

  • 3.

    Aan een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

      • i.

        de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de hoeveelheid;

      • ii.

        de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf;

    • b.

      direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief;

    • c.

      bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 2.15, derde lid, onder b. In aanvulling op de genoemde administratieve verplichtingen onder artikel 2.15, derde lid, onder b, dient in deze administratie ook te zijn opgenomen: de datum/data waarop en de hoeveelheden waarin een partij, die niet afkomstig is uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden, of waarvan niet aan de in artikel 2.15 gestelde voorwaarden wordt voldaan, het bedrijf verlaat. Het bepaalde onder artikel 2.15, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het lozen van behandeld proceswater kunnen door Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder:

    • a.

      het water of lekwater dat vrij komt van gebruikte vervoermiddelen, los of vast materiaal zoals bakken, manden, sorteer- of inpakmachines wordt op een in de passende beoordeling getoetste wijze behandeld;

    • b.

      alle kranen van leidingen waarmee buitenom de filters of de behandelingsinstallatie onbehandeld proceswater geloosd kan worden, zijn in gesloten toestand verzegeld;

    • c.

      in de bodem van de behandelingsinstallatie is een voorziening aangebracht die het mogelijk maakt om water via het waterfilter of het waterbehandelingssysteem af te voeren;

    • d.

      alle in gebruik zijnde afvoergoten, kranen en leidingen in het deel van het productiegebouw en de koelcellen die onderdeel vormen van de behandelingsinstallatie moeten in verbinding staan met het waterbehandelingssysteem;

    • e.

      het materiaal, waaronder containers of de productiemiddelen zoals een sorteermachine of inpaktafel, dat in de behandelingsinstallatie wordt gebruikt, is te allen tijde permanent gemerkt en duidelijk herkenbaar en mag niet eerder buiten de behandelingsinstallatie worden gebruikt, voordat het op een in de passende beoordeling getoetste wijze is gereinigd;

    • f.

      tarra, voor transport gebruikte verpakkingsmateriaal, filtermateriaal, alsmede het materiaal van biologische filters of het materiaal van de behandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een daarvoor bestemde (afval)verwerker, of wordt op een andere in de passende beoordeling getoetste wijze afgevoerd dan wel onschadelijk gemaakt en van alle transporten wordt een administratie bijgehouden;

    • g.

      uitsluitend bevoegd personeel mag toegang krijgen tot de behandelingsinstallatie.

Artikel 2.17 Voorwaarden voor het storten van tarra in de Oosterschelde

Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) niet beschouwd te worden als project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebiedVoor het storten van deze tarra is daarom geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk.

Artikel 2.18

  • 1.

    Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.17 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) beschouwd te worden als project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebiedHet storten van deze tarra is daarom zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verboden.

  • 2.

    Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend.

Artikel 2.19

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.17 genoemde gebieden, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor het storten van tarra dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het storten van tarra afkomstig van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten;

    • c.

      een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan.

  • 3.

    Een passende beoordeling dient in elk geval een omschrijving te bevatten van de wijze waarop tarra die niet in de Oosterschelde gestort mag worden, gescheiden wordt behandeld en afgevoerd naar een verwerker zodat verzekerd is dat deze tarra niet wordt vermengd met andere tarra.

  • 4.

    Aan een vergunning voor het storten van tarra worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 2.15, derde lid, onder b. Het bepaalde onder artikel 2.15, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing;

    • b.

      bedrijven houden daarnaast een jaarlijkse tarra-administratie bij op basis waarvan het mogelijk is het volgende vast te stellen: de hoeveelheid en herkomst van partijen tarra die zijn afgevoerd naar een verwerker, inclusief het nummer van het registratiedocument, de datum, de naam van de verwerker en een bewijs van aflevering;

    • c.

      de tarra-administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard.

Afdeling 2.3 Tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren

Artikel 2.20 Tijdelijke opschorting vergunningverlening

Het verlenen van omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren wordt opgeschort totdat hiervoor beleid is vastgesteld.

Hoofdstuk 3. Flora- en fauna-activiteiten

Afdeling 3.1 Sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden

Artikel 3.1 Criteria watervogels (onder andere wilde eend, grauwe gans, kolgans en Canadese gans)

De jacht wordt gesloten en beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer:

  • a.

    90% of meer van de grote wateren drie dagen aaneengesloten (vrijwel) geheel is dichtgevroren en de weersverwachting voor de komende drie dagen een gemiddelde temperatuur aangeeft van minder dan nul graden Celsius, of;

  • b.

    op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt.

Artikel 3.2 Criteria wild (met uitzondering van wilde eend)

De jacht wordt gesloten en beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer:

  • a.

    op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of;

  • b.

    de gemiddelde etmaaltemperatuur zeventien dagen aaneengesloten beneden de 0 graden Celsius blijft en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of

  • c.

    de maximum temperatuur komt zes dagen aaneengesloten niet boven de -vijf graden Celsius en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt.

Artikel 3.3 Criteria overige soorten

Beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer:

  • a.

    90% of meer van de genoemde grote wateren drie dagen aaneengesloten (vrijwel) geheel dichtgevroren is en de weersverwachting geeft voor de komende drie dagen een gemiddelde temperatuur aan van minder dan nul graden Celsius, of;

  • b.

    op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of;

  • c.

    de gemiddelde etmaal temperatuur zeventien dagen aaneengesloten beneden de nul graden Celsius blijft en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of;

  • d.

    de maximum temperatuur zes dagen aaneengesloten niet boven de -vijf graden Celsius komt en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt.

Artikel 3.4

  • 1.

    Voor het bepalen van de mate van bedekking met sneeuw/ijzel alsmede van de maximale en de gemiddelde temperatuur worden de daadwerkelijk geregistreerde gegevens van het KNMI gebruikt alsmede de weersverwachtingen van dit instituut.

  • 2.

    Voor de ijsbedekking controleren gedeputeerde staten in perioden van vorst en ijsvorming dagelijks de toestand van de volgende negen grote wateren: Braakman, Otheense kreek, Grote Vogel, Zoommeer, Westerschenge, Veerse Meer, krekengebied Ouwerkerk, Dijkwater en Schelphoek.

Artikel 3.5

  • 1.

    Gedeputeerde staten informeren de betrokken organisaties zodra sprake is van het sluiten van de jacht en opschorting van beheer en schadebestrijding.

  • 2.

    Gedeputeerde staten geven een persbericht uit en verzoeken de relevante organisaties om de kennisgeving van de wintersluiting onder hun achterban bekend te maken.

Artikel 3.6

  • 1.

    In het geval het sluiten van de jacht heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.1 besluiten gedeputeerde staten tot heropening van de jacht op het moment dat:

    • a.

      50% van de genoemde grote wateren (grotendeels) vrij van ijs is, en,

    • b.

      gedurende vier dagen achtereen op minimaal 50% van het Zeeuwse grondgebied geen sprake meer is van sneeuw- of ijzelbedekking.

  • 2.

    In het geval opschorten heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.1 besluiten gedeputeerde staten tot beëindigen van de opschorting van beheer en schadebestrijding op het moment dat de gemiddelde etmaaltemperatuur vier dagen boven de nul graden Celsius is en de weersverwachting voor de komende drie dagen eveneens is dat de gemiddelde etmaaltemperatuur boven de nul graden Celsius blijft.

  • 3.

    In het geval het sluiten van de jacht en opschorten heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.2 of artikel 3.3 besluiten gedeputeerde staten tot heropening van de jacht en beëindigen van de opschorting van beheer en schadebestrijding op het moment dat:

    • a.

      gedurende vier dagen achtereen op minimaal 50% van het Zeeuwse grondgebied geen sprake meer is van sneeuw- of ijzelbedekking

    • b.

      de gemiddelde etmaaltemperatuur vier dagen boven de nul graden Celsius is en de weersverwachting voor de komende drie dagen eveneens is dat de gemiddelde etmaaltemperatuur boven de nul graden Celsius blijft.

Afdeling 3.2 Opvang van beschermde inheemse dieren

Artikel 3.7 Toepassingsbereik

  • a)

    Deze afdeling geldt voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

  • b)

    Deze afdeling is niet van toepassing op opvangcentra waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, is vereist.

Artikel 3.8 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt slechts verleend indien:

  • a.

    het opvangcentrum van een vereniging of stichting is,

  • b.

    de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van de bijlage bij dit besluit,

  • c.

    het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger,

  • d.

    het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren.

Artikel 3.9. Protocol

Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt het handelen overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit als voorschrift verbonden.

Afdeling 3.3 Gebiedsgerichte omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteiten

Artikel 3.10. Soortenmanagementplan (SMP)

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit , zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g Omgevingswet , verlenen op basis van een Soortenmanagementplan (SMP).

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien:

    • a.

      voor een reeks ingrepen de locaties of de planning of de uitvoering nog niet vaststaan, en

    • b.

      de ingrepen zullen plaatsvinden binnen een afgebakend plangebied waarbij de effecten van

    • c.

      de ingrepen nog niet volledig zijn te overzien.

    • d.

      het SMP tenminste de informatie bevat zoals benoemd in bijlage 3.

    • e.

      het SMP is geschreven door, of onder verantwoordelijkheid van een ervaren ecoloog, zoals

    • f.

      bedoeld in bijlage 1 (begrippenlijst).

Artikel 3.11. pre-SMP methodiek

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op basis van de pre-SMP methodiek

  • 2.

    aan gemeenten verlenen voor uitsluitend de verduurzaming van grondgebonden woningen in

  • 3.

    particulier eigendom.

  • 4.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de gemeente in een pre-Soortenmanagementplan beschrijft hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd, zoals beschreven in bijlage 3; en,

    • b.

      de verduurzaming zoals bedoeld lid 1 wordt uitgevoerd volgens de pre-SMP methodiek “natuurvriendelijk isoleren” voor verduurzamingswerkzaamheden, zoals beschreven in bijlage 4; en,

    • c.

      is verzekerd dat gedurende de looptijd van de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, een aanvraag voor een opvolgende gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van een Soortenmanagementplan wordt voorbereid.

Hoofdstuk 4. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen

Afdeling 4.1 Herbeplanting houtopstanden

Artikel 4.1 Omrekenfactor herbeplanting rijbeplanting

Gedeputeerde staten hanteren bij de beoordeling van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten als bedoeld in artikel 2.169 van de Verordening, als omrekenfactor van rijbeplanting naar oppervlaktebeplanting en omgekeerd, de norm dat 125 meter rijbeplanting overeenkomt met 10 are oppervlaktebeplanting (1000 m²).

Artikel 4.2 Uitzondering herbeplanting rijbeplanting

Duurzame boomsoorten, bedoeld in artikel 2.169 tweede lid , van de Verordening, zijn in ieder geval: Gewone beuk, iepensoorten, Gewone esdoorn, Noorse esdoorn, Gewone es, Zomereik, Kleinbladige linde, Grootbladige linde, Hollandse linde, Zilverlinde, Plataan en Oosterse plataan, Tamme kastanje, Paardenkastanje, Gewone walnoot en Zwarte noot.

Artikel 4.3 Maatwerkvoorschrift herplantplicht

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een maatwerkvoorschrift stellen over de verplichting tot herbeplanting bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving indien sprake is van een velling van een houtopstand op een bedrijventerrein, ontstaan door achterstallig beheer of onderhoud, jonger dan tien jaar en ontstaan op een perceel waar géén sprake is van een plicht tot herbeplanting of instandhouding van de houtopstand op grond van de wet, de Verordening, gemeentelijke verordeningen en/of subsidiebeschikkingen. Het permanent verwijderen van de houtopstand dient tevens mogelijk te zijn op grond van het bestemmingsplan/omgevingsplan.

  • 2.

    Een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt niet minder dan dertien weken voorafgaand aan de velling gedaan, via het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde formulier. Het formulier is juist en volledig ingevuld en ondertekend en is desgevraagd voorzien van bijlagen.

Hoofdstuk 5. Tegemoetkoming faunaschade

Afdeling 5.1 Taxatie van de schade

Artikel 5.1

Gedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet, uitsluitend met inachtneming van de hiernavolgende bepalingen:

  • a)

    Voor een tegemoetkoming komt alleen in aanmerking directe schade, welke door vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt.

    Het gaat om directe schade aan het gewas zelf of aan gehouden landbouwhuisdieren.

  • b)

    De percelen waarop schade is aangericht, moet een aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht, dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. De landbouwhuisdieren waaraan schade is aangericht, moet een aanvrager aantoonbaar in eigendom hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.

Artikel 5.2 Te treffen maatregelen

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen slechts een tegemoetkoming, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Preventieve maatregelen

  • 2.

    Maatregelen of inspanningen ter voorkoming en beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat deze redelijkerwijs van een aanvrager verlangd kunnen worden, zijn in elk geval:

    • a.

      voor kwetsbare gewassen, de inzet van minimaal één akoestisch en één visueel middel, in voldoende aantallen;

    • b.

      voor schade door zoogdieren aan kapitaalintensieve teelten of aan gehouden landbouwhuisdieren, het tijdig plaatsen van een deugdelijk raster;

    • c.

      voor niet-kwetsbare gewassen, zoals weide-, hooi-, of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt, worden geen preventieve maatregelen gevraagd.

Ter ondersteuning van de maatregelen: schadebestrijding met ontheffing, vrijstelling, opdracht

  • 3.

    Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende diersoorten, waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aan hef en onder g, Omgevingswet, jo. artikel 11.37, jo. artikel 11.46, jo. artikel 11.54 van het Besluit activiteiten Leefomgeving kan worden verleend, wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de omgevingsvergunning op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door Gedeputeerde Staten is geweigerd of niet in behandeling is genomen, en dit de aanvrager niet te verwijten is; of

    • b.

      de omgevingsvergunning (of machtiging of toestemming tot gebruik van een bestaande omgevingsvergunning) op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend, daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt en er desondanks schade is opgetreden.

  • 4.

    Als sprake is van een vrijstelling met beperkingen als bedoeld in artikel 6, onder b, of opdracht met beperkingen als bedoeld in artikel 6, onder d, moet van de vrijstelling of opdracht adequaat gebruik zijn gemaakt, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

  • 5.

    Om het adequaat gebruik van de ontheffing of vrijstelling te toetsen, geeft de aanvrager in het Faunaregistratie Systeem (FRS) akkoord, zodat BIJ12 de verrichte bejaagacties kan inzien in het systeem. De bejaagacties worden tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager de bevestiging taxatie heeft ontvangen, in het registratiesysteem ingevoerd. Het niet tijdig en/of niet volledig aanleveren van de gevraagde gegevens kan tot afwijzing van de aanvraag leiden.

Artikel 5.3 Aanvraag en taxatie

  • 1.

    Een aanvraag om tegemoetkoming in faunaschade wordt bij BIJ12 digitaal ingediend via MijnFaunazaken, uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 2.

    De schadeveroorzakende diersoort en de omvang van de schade worden door de taxateur vastgesteld met inachtneming van de protocollen en richtlijnen taxatie faunaschade, te vinden op de website van BIJ12.

  • 3.

    Een taxateur taxeert alleen verse schade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de schadeconstatering. Oudere schade die al eerder is ontstaan maar waarvoor pas veel later een aanvraag is ingediend, wordt niet bij de taxatie betrokken.

  • 4.

    Na de taxatie wordt een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Als aanvrager het niet eens is met de taxatie kan deze binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging taxatie, zijn bedenkingen aan BIJ12 kenbaar maken. BIJ12 kan de taxateur vragen te reageren op de bedenkingen, en stuurt de aanvrager zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen tien werkdagen, een reactie op de ingediende bedenkingen.

  • 5.

    De taxateur stelt van zijn bevindingen een (eind)taxatierapport samen en zendt dat, na interne controle en goedkeuring door de eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ12.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om door hen aangewezen type faunaschade te laten taxeren, zonder dat hier een aanvraag aan ten grondslag ligt (autotax). In dat geval wordt het vaststellen van de schade door de taxateur, aangemerkt als een tijdige aanvraag om een tegemoetkoming in de schade, waarop deze beleidsregels eveneens van toepassing zijn.

Artikel 5.4 Hoogte tegemoetkoming; eigen risico

  • 1.

    Nadat op basis van de aanvraag, taxatierapport en eventuele andere op de aanvraag betrekking hebbende stukken, is beoordeeld dat aan de voorwaarden voor verlening is voldaan, bepalen Gedeputeerde Staten de hoogte van de tegemoetkoming.

  • 2.

    De bij de berekening van de tegemoetkoming gehanteerde prijzen van gewassen en vee, worden vastgesteld door de directeur van BIJ12 en zijn te vinden op de website van BIJ12. Als sprake is van contractteelt wordt in beginsel de in het contract vermelde prijs gehanteerd bij de berekening.

Eigen risico

  • 3.

    Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico van 5% ingehouden, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om:

    • a.

      schade door een wolf, goudjakhals;

    • b.

      schade door een bever, das, edelhert, wilde kat, lynx;

    • c.

      schade die is aangericht in een ganzenrustgebied, in de periode dat de schadeveroorzakende diersoort niet mag worden verontrust en gedood;

    • d.

      schade door een schadeveroorzakende diersoort die niet mag worden verontrust of gedood in een Natura 2000-gebied in de periode van 1 november tot 1 april;

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade door vogels aan zacht fruit, en pit- en steenvruchten.

  • 6.

    Voor gewassen, teelten of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen.

  • 7.

    Tegemoetkomingen lager dan € 50 worden niet uitgekeerd.

Artikel 5.5 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend 

Uitsluitingen in verband met diersoort. Geen tegemoetkoming wordt verleend:

  • a.

    indien de schade is aangericht door een diersoort welke krachtens artikel 5.2, derde lid, van de wet, jo. artikel 11.43, jo. artikel 11.51 jo. artikel 11.57 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is aangewezen als soort welke in het hele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en/of doden van deze schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt.

  • b.

    indien de schade is aangericht door een diersoort welke krachtens de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Zeeland op grond van artikel 5.2, eerste lid, jo. artikel 11.42, jo. artikel 11.50 jo. artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan die vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor deze feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 5.1, tweede lid, aan hef en onder g, Omgevingswet, jo. artikel 11.37, jo. artikel 11.46, jo. artikel 11.54 van het Besluit activiteiten Leefomgeving .

  • c.

    voor schade door een diersoort waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Omgevingswet is verleend, waarbij in de verleende omgevingsvergunning geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan.

  • d.

    voor schade aangericht door een diersoort waarvoor Gedeputeerde Staten krachtens artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Omgevingswet , voor die situatie een omgevingsvergunning hebben verleend om de omvang van de populatie van soorten te beperken.

  • e.

    voor schade veroorzaakt door een diersoort, vermeld in artikel 8.3, vierde lid Omgevingswet, waarop de minister de jacht heeft geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend.

  • f.

    indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis of de mol, en voor het verontrusten en doden van deze diersoort een vrijstelling of omgevingsvergunning geldt, in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen.

Uitsluitingen in verband met locatie/functie percelen. Geen tegemoetkoming wordt verleend:

  • g.

    voor schade aangericht op gronden gelegen binnen de bebouwde kom.

  • h.

    voor schade op gronden binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats, tenzij de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied door een schadeveroorzakende soort die, in de periode dat de schade is veroorzaakt, niet mocht worden verontrust of gedood.

  • i.

    voor schade aangericht aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal.

  • j.

    indien de schade is aangericht aan gewassen op gronden:

    • i.

      waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW, is afgesloten; of

    • ii.

      waarvoor een (erf)pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik, of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten zijn verbonden; of

    • iii.

      die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden gebruikt; of

    • iv.

      die een functie hebben als waterkering

Uitsluitingen in verband met [moment van] de teelt. Geen tegemoetkoming wordt verleend:

  • k.

    indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras);

  • l.

    indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend, en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen.

  • m.

    indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst; met uitzondering van suikerbieten, onderdekkersteelten en bloembollen.

  • n.

    voor schade door vogels aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven/ wijnbouw.

  • o.

    indien de schade is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras of vermenigvuldiging daarvan (veredeling).

  • p.

    indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen; aan geoogste gewassen, aan opgeslagen voedergewassen, groenbemesters, verpakte voedergewassen;

Uitsluitingen in verband met overige redenen. Geen tegemoetkoming wordt verleend:

  • q.

    indien door handelen of nalaten van de aanvrager de taxateur de schade niet meer kan taxeren, in elk geval als aanvrager het beschadigde gewas al geoogst of heringezaaid heeft, of als er vee is ingeschaard;

  • r.

    indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten, of het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen;

  • s.

    voor schade aangericht aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen.

  • t.

    indien het risico van faunaschade door een beschermde diersoort verzekerbaar is, bij tenminste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen.

  • u.

    indien de schade is veroorzaakt door een ziekte.

  • v.

    In andere gevallen, waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de aanvrager behoort te blijven.

Artikel 5.6 Tegemoetkoming in schade door de wolf

  • 1.

    In afwijking van artikel 5.1 moet een aanvrager/dierhouder zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de (vermoedelijke) wolvenschade, telefonisch of via het formulier op de website van BIJ12 een melding (aanvraag) daarvan doen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5.3 eerste lid komt naast schade aan bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, ook schade aan hobbymatig gehouden hoefdieren in aanmerking voor een tegemoetkoming. Ook bedrijfsmatig gehouden, door de wolf gedode of verwonde kuddebeschermingshonden of hoedhonden komen voor tegemoetkoming in aanmerking.

  • 3.

    De schade wordt door een taxateur vastgesteld met inachtneming van de Richtlijn taxatie wolvenschade aan landbouwhuisdieren, te vinden op de website van BIJ12.

  • 4.

    Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in schade door de wolf wordt, vooralsnog, niet getoetst of een aanvrager voldoende preventieve maatregelen heeft getroffen, om zijn dieren te beschermen en het risico op schade door de wolf te voorkomen en beperken. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om binnen [aangewezen gebieden binnen] de provincie, nadere voorwaarden te stellen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

  • 5.

    Bij kapitaalintensieve gehouden dieren wordt van een aanvrager/dierhouder een grotere inspanning verwacht om deze tegen de wolf te beschermen. In specifieke gevallen kan besloten worden dat een (verhoogd) eigen risico en/of maximum tegemoetkoming wordt gehanteerd.

  • 6.

    Bij schade aangericht door de goudjakhals aan gehouden dieren, wordt op gelijke wijze gehandeld als bij de wolf.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • 1.

    Beleidsregels van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434348, houdende Provinciale beleidsregels salderen Provincie Zeeland (Beleidsregels salderen);

  • 2.

    Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 4 juli 2017, nummer 17014114, tot vaststelling van “Beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde” ;

  • 3.

    Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 6 november 2018, kenmerk 18927388, houdende vaststelling van de Beleidsregel tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren (Beleidsregel tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren);

  • 4.

    Besluit van gedeputeerde staten van 5 februari 2019, 19002527, houdende vaststelling van de Beleidsregels tot sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden (Beleidsregels tot sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden);

  • 5.

    Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 20 september 2016, kenmerk 16013543, houdende vaststelling van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade);

  • 6.

    Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 14 februari 2017, kenmerk 17002764 tot vaststelling van de beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte ontwikkelingsgebieden Zeeland, betrekking hebbend op de verdeling van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten (segment 1) in het Sloegebied en de Kanaalzone voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte Ontwikkelingsgebieden Zeeland (Sloegebied en Kanaalzone) Programmatische Aanpak Stikstof Zeeland); en

  • 7.

    Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 6 februari 2017, kenmerk 17005151 tot vaststelling van de beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte stikstof in Zeeland 2017, betrekking hebbend op de verdeling van de vrije ontwikkelruimte (segment 2) voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Artikel 6.2 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6.3 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels natuurbescherming Zeeland 2022.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland in de vergadering van 17 mei 2022.

Drs. J.M.M. Polman, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Bijlage 1. Begripsbepalingen

  • a.

    aanvrager: de grondgebruiker die een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • b.

    bedrijfsmatige landbouw: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen te) vinden in de landbouw;

  • c.

    bedrijfsmatig rapen: het rapen in het kader van bedrijfsuitoefening;

  • d.

    bedrijfsmatig snijden: het snijden in het kader van bedrijfsuitoefening;

  • e.

    bedrijventerrein: terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie;

  • f.

    behandelen: het vrij maken van het proceswater van deeltjes waarvan het lozen ongewenst is.

  • g.

    BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;

  • h.

    bijproduct: een product dat ontstaat als gevolg van de productie van het in de KWIN beschouwde hoofdproduct; in elk geval hooi en stro, en producten die door de KWIN als zodanig worden aangemerkt;

  • i.

    Deltawateren: de Natura 2000-gebieden Grevelingen, Krammer Volkerak, Oosterschelde, Veerse Meer, Vlakte van de Raan, Voordelta, Westerschelde & Saeftinghe en alle daarmee rechtstreeks verbonden kust- en binnenwateren;

  • j.

    depositieruimte: vrijgemaakte of vrijgevallen stikstofdaling ten behoeve van saldering, waaronder de ruimte die is opgenomen in AERIUS Register, zoals bedoeld in artikel 17a.2, derde lid van de Omgevingsregeling;

  • k.

    dijk/dijklichaam: een door mensen aangelegde, hoger gelegen, waterkering die het achterliggende land beschermt dan wel beschermde tegen overstromingen. Een dijk bestaat uit een kern van klei en/of zand bedekt met bekleding, kruin, talud, teen en berm. Het totaal wordt een dijklichaam genoemd;

  • l.

    doelgebonden depositiebank: subcompartiment in AERIUS Register, gericht op het aan projecten kunnen toedelen van in deze bank aanwezige stikstofdepositieruimte voor een bepaald doel;

  • m.

    eenrijige beplanting langs landbouwgronden: eenrijige houtopstand die op of langs landbouwgronden staat en deel uitmaakt van een kadastraal perceel dat bestemd en in gebruik is als landbouwgrond waar gewassen op worden geteeld;

  • n.

    ervaren ecoloog: minimaal 3 jaar aantoonbare veldervaring op het gebied van de betreffende soorten. Onder een deskundige wordt tevens verstaan:

    • 1°.

      Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie;

    • 2°.

      Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de flora en fauna, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten;

    • 3°.

      Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus;

    • 4°.

      Hij/zij is als ecoloog of adviseur/specialist ecologie werkzaam voor een (semi)overheidsinstantie zoals het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, het Rijksvastgoedbedrijf, provincies, waterschappen, hoogheemraadschappen, gemeenten, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven;

    • 5°.

      Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied;

    • 6°.

      Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van desbetreffende beschermde soorten.

  • o.

    extern salderen: salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;

  • p.

    Faunaschade Preventiekit: een overzicht van preventieve maatregelen per diersoort om gewasschade of veeschade door dieren te voorkomen en beperken, te vinden op de website van BIJ12.

  • q.

    habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

  • r.

    handmatig rapen: het met de hand rapen zonder verdere mechanische hulpmiddelen anders dan eenvoudig handgereedschap;

  • s.

    hoofdproduct: product dat in de KWIN als hoofdproduct wordt genoemd, en alle andere gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct;

  • t.

    jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid Omgevingswet, alsmede het doen van pogingen daartoe, overeenkomstig paragraaf 11.2.7 Besluit activiteiten leefomgeving;

  • u.

    kapitaalintensieve teelten: kwetsbare gewassen die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen);

  • v.

    kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ bedoelde teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt;

  • w.

    KWIN: de meest actuele versie van het Handboek Kwantitatieve Informatie voor de Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt, en voor de Veehouderij; opgesteld door Wageningen Universiteit (WUR);

  • x.

    landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande;

  • y.

    manteldieren: ongewervelde zeedieren behorende tot de Tunicata zoals zakpijpen (Ascidiacea), mantelvisjes (Appendiculiaria) en salpen (Thaliacea);

  • z.

    mariene buikpotigen: weekdieren behorende tot de Gastropoda zoals alikruiken, wulken en noordhoorns;

  • aa.

    meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • bb.

    microdepositiebank: compartiment in AERIUS Register, gericht op het toedelen van aanwezige stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol/ha/jr in de zin van artikelen 17a.10 en 17a.5, vierde lid van de Omgevingsregeling

  • cc.

    microdeposities: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar die overeenkomstig artikel 17a.5, vierde lid Omgevingsregeling kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden bestemd voor de doelen als genoemd in artikel 17a.10 van de Omgevingsregeling;

  • dd.

    MijnFaunazaken: systeem van BIJ12 waarin een aanvrager digitaal de aanvraag om een tegemoetkoming indient, en de verdere communicatie gedurende de procedure plaatsvindt;

  • ee.

    mosselveiling: de Nederlandse Mosselveiling te Yerseke;

  • ff.

    N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar;

  • gg.

    N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht;

  • hh.

    omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit: omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e Omgevingswet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo. artikel 4.25 derde lid Omgevingsbesluit;

  • ii.

    omgevingsvergunning voor een Flora- en Fauna-activiteit: omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo. artikel 4.25 derde lid Omgevingsbesluit;

  • jj.

    Oosterschelde: de Oosterschelde en alle daarmee rechtstreeks verbonden kust- en binnenwateren;

  • kk.

    pre-SMP methodiek: werkwijze die voorziet in de bescherming van populaties gebouwbewonende soorten met de bijbehorende compenserende maatregelen en natuurvriendelijk isoleren gedurende het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP).

  • ll.

    probleemsoort: een soort waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied;

  • mm.

    proceswater: water dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren;

  • nn.

    provinciale stikstofbank: compartiment in AERIUS Register in de zin van artikel 17a.2, vijfde lid jo. artikel 17a.3 onder h van de Omgevingsregeling;

  • oo.

    recreatief rapen en snijden: het rapen van schelpdieren en het snijden van zeegroenten zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e Omgevingswet benodigd is;

  • pp.

    referentiesituatie: toestemming als bedoeld in sub ddd, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in sub ddd, onder 2° en 5° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt;

  • qq.

    relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde;

  • rr.

    RUD Zeeland: de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland;

  • ss.

    salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie;

  • tt.

    saldogevende activiteit: toestemming die wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit;

  • uu.

    saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen;

  • vv.

    schaaldieren: geleedpotige dieren behorende tot de Crustacea zoals krabben, kreeften en garnalen;

  • ww.

    schelpdieren: geleedpotige dieren behorende tot de Crustacea en mariene buikpotigen behorende tot de Gastropoda;

  • xx.

    spontane natuurlijke verjonging: het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand uit zaden en/of vruchten en/of boven- of ondergrondse uitlopers;

  • yy.

    SSRS-bankstikstofregistratiesysteem, het compartiment binnen AERIUS Register dat beschikbaar is voor projecten als bedoeld in artikel 17a.6, eerste lid van de Omgevingsregeling;;

  • zz.

    stekelhuidigen: stekelige ongewervelde zeedieren behorende tot de Echinodermata zoals zeekomkommers, zee-egels, zeeappels en zeesterren;

  • aaa.9

    tarra: alles wat niet tot de tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen of schaaldieren behoort zoals losse schelpen, zeesterren, slikmosselen, slippers, pokken, kluiten modder, stenen, afval, dode of kapotte weekdieren en ongeschikt is voor verhandeling voor menselijke consumptie, alsmede alles wat vrijkomt of overblijft bij het schonen, bewerken of verwerken van de ontvangen partij tweekleppige weekdieren;

  • bbb.

    taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;

  • ccc.

    taxatierichtlijnen: de door de directeur van BIJ12 vastgestelde protocollen en richtlijnen ten behoeve van de uitvoering van faunaschade taxaties;

  • ddd.

    toestemming:

    • 1°.

      onherroepelijke vigerende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit; of

    • 2°.

      onherroepelijke vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998, dan wel onherroepelijke vigerende omgevingsvergunning of geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1, eerste lid onder e of artikel 2.1 eerste lid onder i (omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu), de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of

    • 3°.

      een activiteit waarvoor geen natuurvergunning nodig was, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of

    • 4°.

      een activiteit die onder artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming valt; of

    • 5°.

      een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd;

  • eee.

    tweekleppige weekdieren: plaatkieuwige weekdieren behorende tot de Bivalvia, vroeger ook wel aangeduid als de Lamellibranchiata of de Pelecypoda;

  • fff.

    verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode;

  • ggg.

    Verordening: Omgevingsverordening Zeeland;

  • hhh.

    verwateren: het proces waarbij tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren in oesterputten of installaties op de wal worden bewaard met als doel deze zandvrij te maken (deze beleidslijn betreft niet het verwateren op verwaterpercelen);

  • iii.

    Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207);

  • jjj.

    vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen.

  • kkk.

    vrijgemaakte depositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de eisen voor extern salderen zoals beschreven in artikel 2.4, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid, van deze Beleidsregels die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen;

  • lll.

    vrijgevallen depositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit heeft verleend;

  • mmm.

    Waddenzee: de Waddenzee omvattende de Nederlandse, Duitse en Deense deelgebieden;

  • nnn.

    weg: alle voor het gemotoriseerd openbaar verkeer openstaande wegen of paden, die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het gemotoriseerde openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

  • ooo.

    wegbeplanting: naast een weg gelegen houtopstanden, met uitzondering van houtopstanden gelegen naast een weg op een dijk/dijklichaam, zoals aangegeven op bijlage 9, Bestaande natuur, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland.

  • ppp.

    Wet: Omgevingswet.

  • qqq.

    winstoogmerk: het willen maken van winst;

  • rrr.

    zeegroenten: planten en wieren geschikt voor consumptie en decoratie.

Bijlage 2 Protocol opvang beschermde inheemse diersoorten

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1. Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • 1.

    bestuur: bestuur van het opvangcentrum;

  • 2.

    minimaal benodigde zorg: zorg die voldoet aan in artikel 3.8 en overeenkomstig artikel 3.12 van het Besluit houders van dieren beschreven voorwaarden;

  • 3.

    niet aangewezen diersoorten: diersoorten die niet geplaatst zijn op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren, met inbegrip van hybride dieren die in de laatste vier vooroudergeneraties van de lijn een of meer dieren telt die behoren of hebben behoord tot een zodanige diersoort, met uitzondering van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten en niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten;

  • 4.

    niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit houders van dieren, niet zijnde een diersoort als bedoeld in de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet jo. artikel 11.37, eerste lid jo. artikel 11.46, eerste lid jo. artikel 11.54 eerste lid Besluit activiteiten Leefomgeving;

  • 5.

    opvangcentrum: een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren;

  • 6.

    opvanginrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, een beschermde inheemse diersoort of tot een zoogdiersoort die niet is opgenomen op de bijlage 1 van de Regeling houders van dieren;

  • 7.

    soortgroep: een verzameling verwante diersoorten;

  • 8.

    van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet jo. artikel 11.37, eerste lid jo. artikel 11.46, eerste lid jo. artikel 11.54, eerste lid Besluit activiteiten Leefomgeving

Artikel 2. Doelstellingen

  • 1.

    Het opvangcentrum heeft in ieder geval als doel:

    • a.

      dieren behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of niet aangewezen diersoort, die door direct of indirect menselijk handelen of nalaten in Nederland terecht is gekomen op te vangen, of

    • b.

      dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, die door ziekte, verwonding, verwezing, of door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren, en

    • c.

      dieren zo spoedig mogelijk naar de natuur te laten terugkeren.

  • 2.

    De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen.

  • 3.

    Het opvangcentrum heeft mede als doel om, waar mogelijk voorlichting te geven over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbieden, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden en dat het houden van de desbetreffende diersoort op een verantwoorde wijze dient te gebeuren dan wel wordt ontmoedigd.

Artikel 3. Beperking activiteiten

  • 1.

    Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    Met de opgevangen dieren vinden in het opvangcentrum geen commerciële activiteiten plaats, waaronder zijn begrepen het tentoonstellen van opgevangen dieren voor zover dit in tegenspraak is met de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, het verkopen, verhuren, verhandelen of uitlenen van opgevangen dieren.

  • 3.

    Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren met inachtneming van de, voor elke soortgroep apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum.

  • 4.

    Indien in het opvangcentrum andere dieren dan uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de andere dieren in de faciliteiten van het opvangcentrum.

Artikel 4. Handelwijze

  • 1.

    Het bestuur legt schriftelijk het beleid of de handelwijze ten aanzien van de volgende onderwerpen vast:

    • a.

      opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie,

    • b.

      huisvesting en verzorging,

    • c.

      ontsnapping van dieren,

    • e.

      voeding,

    • f.

      hygiëne,

    • g.

      zoönosen,

    • h.

      maatregelen ter voorkoming van ongewenste zwangerschappen van opgevangen dieren,

    • i.

      veterinaire zorg,

    • j.

      structurele oplossingen voor opgevangen dieren, in voorkomend geval met bijbehorende contracten en hoe hiermee gewerkt wordt,

    • k.

      terugzetten van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten in de natuur,

    • l.

      doden van opgevangen dieren,

    • m.

      kwalificaties van medewerkers,

    • n.

      veiligheid van medewerkers en dieren en openbare veiligheid,

    • o.

      organisatorische continuïteit,

    • p.

      bezoekers, en

    • q.

      register als bedoeld in artikel 37

  • 2.

    Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde handelwijze, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    In geval van opheffing van het opvangcentrum draagt de vereffenaar of de curator het eigendom van op grond van artikel 29 bij particulieren geplaatste dieren over aan een ander opvangcentrum.

Artikel 5. Bereikbaarheid

  • 1.

    Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid.

  • 2.

    Het opvangcentrum zorgt er ten minste voor dat:

    • a.

      het permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Landelijke Inspectiedienst en andere bevoegde opsporingsinstanties.

    • b.

      het publiek permanent informatie kan verkrijgen, inclusief over de handelwijze ten opzichte van op te vangen dieren buiten openingstijden van het opvangcentrum.

Artikel 6. Samenwerking andere opvangcentra

  • 1.

    Het opvangcentrum werkt constructief samen met andere opvangcentra samen ten einde kennis en kunde te vergroten en de best denkbare structurele oplossing voor het opgevangen dier te bewerkstelligen. Het opvangcentrum doet dit door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen met andere opvangcentra.

  • 2.

    Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra in het kader van het bepaalde in artikel 7, tweede lid en artikel 8, tweede lid.

Paragraaf 2. Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie

Artikel 7. Opvangbeleid

  • 1.

    Als onderdeel van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort, diersoorten of soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen.

  • 2.

    Het opvangcentrum verwijst dieren behorend tot soorten of soortgroepen die krachtens het beleid ten aanzien van opvang, bedoeld in het eerste lid, niet worden opgevangen door naar een opvangcentrum dat over de noodzakelijke vergunningen beschikt.

Artikel 8. Opname en acceptatie

  • 1.

    Een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, indien:

    • a.

      het opvangcentrum het dier niet de minimaal benodigde zorg kan bieden,

    • b.

      het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft,

    • c.

      het dier een risico oplevert voor de aanwezige dieren,

    • d.

      de aanwezige dieren een risico vormen voor het nieuwe dier, of

    • e.

      het dier een risico oplevert voor de medewerkers in het opvangcentrum.

  • 2.

    Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier elders kan en mag worden geplaatst.

  • 3.

    Indien niet ingevolge het eerste of tweede lid kan worden geplaatst, wordt het dier gedood, overeenkomstig het bepaalde in artikel 31.

Paragraaf 3. Huisvesting en verzorging

Artikel 9. Opvanginrichting

  • 1.

    Indien een opvangcentrum over meerdere opvanginrichtingen beschikt, wordt per opvanginrichting een apart register, bedoeld in artikel 37, bijgehouden.

  • 2.

    Een opvanginrichting voldoet aan de artikelen 10 en 11.

  • 3.

    Een opvanginrichting beschikt over een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren.

Artikel 10. Verblijven

  • 1.

    Artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of een niet aangewezen diersoort’.

  • 2.

    De beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    • a.

      het soorteigen gedrag van de diersoorten,

    • b.

      de bewegingsvrijheid van de dieren,

    • c.

      de (sociale) levenswijze van de dieren, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier,

    • d.

      de behoefte van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel wanneer het gaat om een lichamelijk of psychisch ziek of gewond dier.

Artikel 11. Aanwezige ruimten

  • 1.

    Artikel 3.13 van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of een niet aangewezen diersoort’.

  • 2.

    Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid.

Artikel 12. Huisvesting

De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegepaste omschrijving van hetgeen als passende huisvesting en verzorging wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met:

  • 1.

    de eis dat opgevangen dieren die een roofdier-prooi relatie hebben, elkaar niet kunnen waarnemen, en

  • 2.

    in afwijking van a geldt dat voor vogels met een roofdier-prooidier relatie uitsluiten van visueel contact voldoende is.

Artikel 13. Voeding

  • 1.

    De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoorten en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingstoffen,

    • b.

      afstemming van de wijze van frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoorten en die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier,

    • c.

      afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort, en

    • d.

      het gebruik van levend voer, indien dit voor de verzorging van de betreffende diersoort noodzakelijk is.

  • 2.

    Opgevangen dieren worden niet als voer voor andere dieren gebruikt.

  • 3.

    De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen.

Artikel 14. Hygiëne

  • 1.

    De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren.

  • 2.

    In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, komt in ieder geval het volgende aan de orde:

    • a.

      hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt,

    • b.

      hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten,

    • c.

      hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier,

    • d.

      hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte,

    • e.

      hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden.

Artikel 15. Zoönosen

  • 1.

    In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij de diersoort vermeld in artikel 7, eerste lid, in het opvangcentrum.

  • 2.

    Hierbij dient ten minste opgenomen te zijn:

    • a.

      een beschrijving van de zoönosen,

    • b.

      hoe deze herkend, vastgesteld of uitgesloten kunnen worden,

    • c.

      welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt,

    • d.

      welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen zoönosen.

Artikel 16. Voorkomen voortplanting

  • 1.

    Het opvangcentrum past het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, beschreven beleid toe om zwangerschappen te voorkomen.

  • 2.

    Het onder het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing indien het dier ingezet wordt voor het onder artikel 22, tweede lid, onderdeel c, genoemd internationaal fokprogramma.

  • 3.

    Het opvangcentrum houdt een administratie in het register, bedoeld in artikel 37, bij van geboortes die ondanks de genomen maatregelen toch hebben plaatsgevonden.

Artikel 17. Veterinaire zorg

  • 1.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen:

    • a.

      op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd,

    • b.

      hoe het onderzoek, bedoeld in artikel 18, van binnengebrachte dieren plaatsvindt.

  • 2.

    Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één vaste dierenarts te laten berusten.

Artikel 18. Beoordeling binnengebracht dier

  • 1.

    Een daarvoor aangewezen vakbekwaam persoon beoordeelt ieder binnengebracht dier en stelt vast of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is.

  • 2.

    Indien het in het eerste lid genoemde dier verwond, getraumatiseerd of verweesd is, wordt contact opgenomen met een dierenarts en indien noodzakelijk met een op de soort toegespitste gedragsdeskundige.

  • 3.

    De beoordeling vindt onmiddellijk plaats aan de hand van het afwegingskader, genoemd in artikel 30, waarbij inzicht wordt gegeven in de structurele oplossing voor het dier.

  • 4.

    Van het genoemde in het eerste, tweede en derde lid, wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in het register en het logboek, bedoeld in de artikelen 37 en 38.

Artikel 19. Controle

  • 1.

    De gezondheid, algehele conditie, voedselopname en ontlasting van alle dieren worden dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum.

  • 2.

    De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 38 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 37.

  • 3.

    Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie, bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid.

  • 4.

    Indien noodzakelijk, schakelt de beheerder een dierenarts in.

Artikel 20. Verdenking aangifteplichtige dierziekten

  • 1.

    Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte.

  • 2.

    Het opvangcentrum geeft bij de verschijnselen, bedoeld in het eerste lid, terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Paragraaf 4. Structurele oplossingen

Artikel 21. Duur verblijf per soort

  • 1.

    De in artikel 3, derde lid, bedoelde maximale duur is voor:

    • a.

      vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden,

    • b.

      marterachtigen en vossen: negen maanden,

    • c.

      zeezoogdieren, hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden.

  • 2.

    Indien een dier langer dan maximale duur in het opvangcentrum verblijft, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37, inclusief een verwachte datum van loslaten, indien van toepassing.

Artikel 22. Structurele oplossingen

  • 1.

    Het opvangcentrum vindt zo spoedig mogelijk een structurele oplossing voor het opgevangen dier.

  • 2.

    Onder een structurele oplossing worden de volgende oplossingen verstaan:

    • a.

      het dier in vrijheid stellen in het land van oorsprong, indien sprake is van een uit de vrije natuur gehaalde niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort,

    • b.

      het dier in vrijheid stellen in Nederland, indien sprake is van opvang van een uit de vrije natuur afkomstig van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort,

    • c.

      het dier inzetten voor een internationaal fokprogramma,

    • d.

      het dier inzetten in een instelling voor educatieve doeleinden,

    • e.

      het dier inzetten voor wetenschap bij een erkende instelling,

    • f.

      het dier inzetten voor het herstel van opgevangen soortgenoten,

    • g.

      het dier levenslang onder de juiste omstandigheden in opvang houden, en

    • h.

      het doden van het dier.

  • 3.

    Indien de structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, niet kan worden toegepast, wordt gekozen voor de structurele oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f. Indien de oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, niet kunnen worden toegepast, wordt gekozen voor een structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdeel g en h.

  • 4.

    Het in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde doden wordt uitgevoerd volgens de bepalingen genoemd in artikel 31.

  • 5.

    Voor iedere structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, dient het welzijn van het desbetreffende dier van doorslaggevende betekenis te zijn.

Artikel 23. In vrijheid stellen van dieren behorende tot uit de natuur afkomstige van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

  • 1.

    Indien mogelijk wordt een dier van een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten.

  • 2.

    Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt.

  • 3.

    Het in vrijheid stellen vindt plaats op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, in een geschikt natuurlijk habitat nabij de vindplaats.

  • 4.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j, komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a.

      criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden,

    • b.

      criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld,

    • c.

      criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag, en

    • d.

      criteria op basis waarvan besloten kan worden dat het dier kan overleven in de vrije natuur.

  • 5.

    De beheerder, bedoeld in artikel 33, is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren.

Artikel 24. In vrijheid stellen van uit de vrije natuur afkomstige niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

  • 1.

    Indien het oorspronkelijke biotoop van een dier van een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of niet aangewezen diersoort is te achterhalen en een dier terug kan naar het land van oorsprong, wordt bij de afweging voor de keuze om het dier in vrijheid te stellen, in ieder geval rekening gehouden met:

    • a.

      de bereidheid van het land van oorsprong om het dier op te nemen,

    • b.

      het welzijn van het dier,

    • c.

      de invloed van het dier op de bestaande populatie,

    • d.

      de beschikbare middelen,

    • e.

      de toepasselijke internationale afspraken,

    • f.

      de richtlijnen voor herintroducties van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN).

    • g.

      De uitvoering van de terugplaatsing dient op zorgvuldige wijze te worden uitgevoerd.

Artikel 25. Uitwenverblijf voor uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

  • 1.

    Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanginrichting of opvanginrichtingen liggen.

  • 2.

    Het opvangcentrum zorgt ervoor dat:

    • a.

      het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier, en

    • b.

      het uitwenverblijf voldoet aan de bepalingen van artikel 10.

  • 3.

    Alleen dieren waar de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water worden in uitwenverblijven geplaatst.

  • 4.

    De verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum.

  • 5.

    De periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang, genoemd in artikel 21, tweede lid.

  • 6.

    De criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, maken onderdeel uit van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j.

  • 7.

    In het register, bedoeld in artikel 37, wordt bijgehouden welke dieren in welk uitwenverblijf gehuisvest zijn.

Artikel 26. Internationaal fokprogramma

  • 1.

    Een dier kan ingezet worden voor een internationaal fokprogramma als:

    • a.

      de diersoort bedreigd is, en

    • b2.

      de leeftijd en gezondheid van het dier dit toestaat.

  • 2.

    Indien een dier gebruikt wordt voor een internationaal fokprogramma, kan het dier overgedragen worden of onder het opvangcentrum blijven.

  • 3.

    Indien verplaatsing noodzakelijk is wordt dit opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37.

Artikel 27. Educatieve of wetenschappelijke doeleinden

  • 1.

    Een dier kan ingezet worden voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden bij andere hiertoe erkende organisaties.

  • 2.

    Het opvangcentrum stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid een contract met de erkende organisatie op, waarin in ieder geval staat beschreven wie de houder van het dier wordt en welke verantwoordelijkheden elke partij heeft.

Artikel 28. Dier inzetten voor herstel van soortgenoten

  • 1.

    Het opgevangen dier kan in het opvangcentrum blijven indien dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van het herstel van opgevangen soortgenoten, die anders geen redelijke kans op succesvol herstel hebben.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde opvang voor het herstel van soortgenoten, kan alleen worden uitgevoerd zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt.

Artikel 29. Onderbrengen bij particulieren

  • 1.

    Een dier mag bij een particulier ondergebracht worden indien:

    • a.

      de particulier beschikt over de noodzakelijke vergunningen,

    • b.

      het dier tot een diersoort behoort die geschikt is om in een particuliere situatie te houden,

    • c.

      het welzijn van het dier dit toelaat,

    • d.

      de particuliere houder een geschikt verblijf en expertise heeft om dit dier te houden,

    • e.

      het dier in principe gedurende zijn hele leven bij de particuliere houder kan blijven, en

    • f.

      het verblijf waar het dier wordt ondergebracht voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, gestelde voorwaarden.

  • 2.

    Gedurende het hele leven van het dier blijft het opvangcentrum de eigenaar van het dier.

  • 3.

    Indien de particuliere houder niet meer voor het dier kan zorgen, wordt het dier teruggebracht naar de eigenaar.

  • 4.

    Het dier mag niet door de particulier worden verkocht, verhuurd, tentoongesteld, al dan niet tijdelijk uitgeleend of gebruikt bij evenementen.

  • 5.

    Het opvangcentrum stelt een contract op waarin wordt opgenomen dat:

    • a.

      het genoemde in het eerste tot en met het vierde lid deel uitmaakt van het contract,

    • b.

      het niet is toegestaan met het dier te fokken, en

    • c.

      bij overlijden van het dier de particulier dit meldt aan het opvangcentrum.

  • 6.

    Het onderbrengen bij particulieren is niet toegestaan indien het een dier betreft behorende tot:

    • a.

      van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur,

    • b.

      niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur, of

    • c.

      niet aangewezen diersoorten die niet vallen onder het overgangsbeleid zoals beschreven in artikel 2.3 en bijlage 2, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren.

Artikel 30. Afwegingskader met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing

Ieder opvangcentrum stelt een afwegingskader vast met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing voor een dier. In het afwegingskader dient bij de keuze rekening te worden gehouden met de artikelen 26 tot en met 31. Dit kader wordt vastgelegd in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel i.

Paragraaf 5. Doden

Artikel 31. Doden

  • 1.

    Een dier wordt gedood overeenkomstig paragraaf 1.3 van het Besluit houders van dieren, indien voor het dier geen andere structurele oplossing kan worden gevonden.

  • 2.

    Het dier wordt na verdoving door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood.

  • 3.

    De beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de dierenarts stellen een handelwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel k, voor het doden van opgevangen dieren.

  • 4.

    Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op het door het bestuur vastgestelde beleid en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 34, eerste lid, genomen.

Artikel 32. Overleden dier

  • 1.

    Indien een dier komt te overlijden, wordt de doodsoorzaak door een dierenarts vastgesteld.

  • 2.

    Een in het opvangcentrum gedood of gestorven dier dat geen productiedier is wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan:

    • a.

      een door of namens de Staatssecretaris van Economische Zaken aan te wijzen wetenschappelijk instituut, of

    • b.

      een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende vergunning beschikt.

  • 3.

    Een overleden dier als bedoeld in het eerste lid waar de doodsoorzaak niet van bekend is, en waar de bepaling van de oorzaak van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of een dier dat is gestorven aan een onnatuurlijke doodsoorzaak, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken of andere bevoegde instanties.

Paragraaf 6. Medewerkers

Artikel 33. Beheerder

  • 1.

    Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een of meer natuurlijk personen tot beheerder van een opvanginrichting. Een beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de opvanginrichting.

  • 2.

    De taken en bevoegdheden van de beheerder worden vastgesteld in het beleid betreffende het personeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l.

Artikel 34. Medewerkers

  • 1.

    Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige, vakbekwame dierverzorger.

  • 2.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, zijn.

  • 3.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval vakbekwaam als hij voldoet aan de in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren gestelde eisen, met dien verstande dat indien geen deelkwalificatie beschikbaar is voor de betreffende soort, volstaan kan worden met de deelkwalificaties die wel van toepassing kunnen zijn op de op te vangen soort.

  • 4.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, is vakbekwaam met betrekking tot

    • niet als gezelschapsdier gehouden dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten, en

    • niet als gezelschapsdier gehouden dieren van niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten, als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager vergunning aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen.

  • 5.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l, wordt ingegaan op:

    • a.

      het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren,

    • b.

      de vereiste intensiteit, de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers en overleg tussen medewerkers, en

    • c.

      de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers.

Artikel 35. Operationele continuïteit

In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel n, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren ten minste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn.

Paragraaf 7. Bezoekers

Artikel 36. Bezoekers

  • 1.

    Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel van zieke en gewonden dieren en de structurele oplossingen voor de opgevangen dieren niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    Het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel o, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende punten:

    • a.

      de ruimte waar bezoekers niet mogen komen,

    • b.

      fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren,

    • c.

      de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten het zicht van de bezoekers,

    • d.

      de veiligheid van bezoekers.

Paragraaf 8. Register en logboek

Artikel 37. Register

  • 1.

    Artikel 4.9 Besluit houders van dieren is van overeenkomstige toepassing op een opvangcentrum van dieren.

  • 2.

    Indien dieren als één groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangeboden worden, kunnen deze als groep onder vermelding van het aantal, worden opgenomen.

  • 3.

    In het register worden voor elk opgevangen dier de volgende gegevens opgenomen, voor zover relevant:

    • a.

      indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder of de gegevens van de eigenaar dat afstand doet van zijn dier,

    • b.

      datum van binnenkomst,

    • c.

      reden van aanbieden,

    • d.

      eerste beoordeling als bedoeld in artikel 18,

    • e.

      veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen,

    • f.

      de verwachte behandelingsduur in geval van zieke of gewonde dieren,

    • g.

      indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding, en

    • h.

      de definitief gekozen structurele oplossing voor het dier.

  • 4.

    In de veterinaire verslaglegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, worden de volgende gegevens genoteerd:

    • a.

      behandelend dierenarts,

    • b.

      gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose,

    • c.

      verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering,

    • d.

      datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden, en

    • e.

      eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek.

  • 5.

    De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel p.

  • 6.

    De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien.

Artikel 38. Logboek

  • 1.

    Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd.

  • 2.

    Het logboek, bedoeld in het eerste lid, kan als aanvulling worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37.

Paragraaf 9. Slotbepaling

Artikel 39. Afwijkingsmogelijkheid

Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt het onverwijld de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken daarvan op de hoogte.

Bijlage 3 Gebiedsgerichte omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit op basis van een Soortenmanagementplan

Om de aanvraag om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen beoordelen, verstrekt de aanvrager een soortenmanagementplan. Dit soortenmanagementplan (SMP) bevat in elk geval de volgende informatie:

  • 1.

    Inleidende documentatie:

    • a.

      Algemene informatie over het gebied waarbinnen het SMP geldt;

    • b.

      Omschrijving van alle geplande activiteiten;

    • c.

      Korte samenvatting van de aanwezige soorten, functies van het leefgebied voor deze soorten, en netwerk(en) van deze soorten;

    • d.

      Globale ambitie en meerwaarde voor het plangebied van een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit;

    • e.

      Concrete verbodsbepalingen waar de vergunning voor aangevraagd wordt;

    • f.

       Onderbouwing van het wettelijk belang voor de vergunningplichtige activiteiten;

    • g.

      Onderbouwing van de alternatievenafweging voor de vergunningplichtige activiteiten;

    • h.

      Effect van het SMP op de staat van instandhouding van de beschermde soorten.

  • 2.

    Basisonderzoek:

    • a.

      Literatuur- en bronnenonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten;

    • b.

      Gebiedsdekkende quickscan (onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten):

      • i.

        Identificatie van kansrijke structuren en objecten voor beschermde soorten (hotspots, functioneel leefgebied, belangrijk foerageergebied, belangrijke vliegroutes, bijzondere locaties waar meerdere bijzondere functies samen komen, kraam- en massawinterverblijfplaatsen, grote of geïsoleerde kolonies, etc.);

      • ii

        Verkennende veldbezoeken.

    • c.

      Soortgericht (nader) onderzoek:

      • i.

        Specificatie van en toelichting op de onderzoekinspanning en -intensiteit, rekening houdend met de eigenschappen van soorten, waaronder hun zeldzaamheid;

      • ii.

        De gebruikte methodieken, middelen en werkwijze:

        • Er dient gebruik gemaakt te worden van de meest recente, vastgestelde soort-specifieke onderzoeksprotocollen. Indien hier van afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd (of gevalideerd) te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect;

        • Het soortgerichte onderzoek is gebiedsdekkend. Indien hiervan afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect;

        • Nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen en belangrijke en kwetsbare verblijfplaatsen (robuuste kraamverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen) van vleermuizen dienen tot op huisnummer-niveau in kaart gebracht te zijn. Indien hiervan afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect;

      • iii.

        Een heldere beschrijving van de onderzoeksresultaten, inclusief overzichtelijke kaarten en tabellen;

      • iv.

        Conclusies en discussies;

      • v.

        Een overzicht van gebruikte bronnen, zoals raadpleegbare, openbare databases en onderzoeksrapporten.

  • 3.

    Effectbepaling:

    • a.

      Overzicht van de kwetsbare gebieden en essentiële functies in het landschap voor de instandhouding van beschermde soorten gelegen in en grenzend aan het SMP-gebied indien binnen de invloedssfeer van de activiteiten;

    • b.

      Beschrijving van de activiteiten (incl. verspreiding en planning van de activiteiten) met negatieve effecten op beschermde soorten, functies en netwerken (functioneel leefgebied);

    • c.

      Duidelijke analyse van wat dit concreet betekent voor de staat van instandhouding van de betreffende soorten en het lokaal voorkomen van de soorten in het plangebied;

  • 4.

    Mitigatie- en compensatieplan:

    • a.

      Beschrijving van hoeveel nesten/verblijfplaatsen er (eventueel) in hetzelfde gebied onder een vergunning op basis van een pre-SMP zijn verwijderd en gecompenseerd;

    • b.

      Omschrijving van maatregelen om te voldoen aan de ambitie, zoals beschreven in de inleiding:

      • i.

        Omschrijving van de wijze waarop oorspronkelijke verblijfplaatsen behouden blijven;

      • ii.

        Omschrijving van de wijze waarop oorspronkelijke verblijfplaatsen gereconstrueerd worden;

      • iii.

        Omschrijving van de wijze waarop alternatieve voorzieningen ter compensatie worden toegepast, rekening houdend met het onderscheid tussen tijdelijke, permanente, experimentele en bewezen effectieve maatregelen:

        • Deze voorzieningen worden, passend bij de ecologische functionaliteit van het gebied, voldoende gevarieerd toegepast, met betrekking tot typen voorzieningen en locaties;

        • Niet bewezen effectieve maatregelen tellen voor 50% mee als alternatieve maatregel, maar alleen wanneer de overige 50% aan maatregelen bestaan uit bewezen effectieve maatregelen.

  • 5.

    Monitorings- en Evaluatieplan:

    • a.

      Omschrijving van de wijze waarop de uitgevoerde activiteiten en maatregelen worden gemonitord;

    • b.

      Omschrijving van de wijze waarop de populatie-ontwikkeling van relevante soorten in het plangebied gemonitord wordt;

    • c.

      Omschrijving van de wijze waarop belangrijke en essentiële functies en de meest kwetsbare verblijfplaatsen gemonitord worden;

  • 6.

    Procesbeschrijving, administratie- en managementplan:

    • a.

      Omschrijving van de wijze waarop activiteiten en maatregelen worden geregistreerd, tenminste met behulp van een actuele digitale GIS-database en logboek;

    • b.

      Een omschrijving van de wijze waarop de gemeentelijke regie op de uitvoering van het SMP is georganiseerd (op functieniveau);

    • c.

      Een omschrijving van de handelwijze bij calamiteiten.

    • d.

      Aan te leveren documenten gedurende een SMP:

      • i.

        Startmelding;

      • ii.

        Tussentijdse melding (bij deelprojecten van > 1 jaar);

      • iii.

         Melding van calamiteiten en incidenten;

      • iv.

         Eindmelding;

      • v.

        Jaarlijkse voortgangsrapportage SMP.

Bijlage 4 Gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op basis van een pre-Soortenmanagementplan

Doel: Populaties gebouwbewonende soorten beschermen bij particuliere verduurzamingswerkzaamheden door het verlenen van gebiedsgerichte omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteiten op basis van een pre-Soortenmanagementplan opgesteld en uitgevoerd volgens de pre-SMP methodiek voor verduurzamingswerkzaamheden daar waar deze gehouden zijn aan de Omgevingswet.

Doelgroep: Gebiedsgerichte omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een pre-SMP kunnen enkel aangevraagd worden door Zeeuwse gemeenten.

De provincie verleent onder de volgende voorwaarden een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een pre-SMP:

Voorwaarde 1: Natuurvriendelijk isoleren en meldingsplicht

Huiseigenaren en isolatiebedrijven isoleren conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Per woning worden daarmee betaalbare voorzieningen aangebracht (optioneel door de isolatiebedrijven) en wordt voorkómen dat er dieren gedood worden (tijdig natuurvrij maken). De particulier of het isolatiebedrijf namens de particulier meldt de isolatie bij de gemeente via een GIS-applicatie om te kunnen werken onder de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland ziet toe op een correcte naleving van de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”.

Voorwaarde 2: Gemeentelijke compensatie

De gemeente beschrijft in een pre-Soortenmanagementplan hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. Het effect van de verduurzaming en de gemeentelijke compensatietaakstelling worden met de pre-SMP methodiek modelmatig berekend.

Voorwaarde 3: SMP-verplichting

Binnen twee jaar moet het pre-SMP omgezet worden in een volwaardig (kwalitatief goed) SMP op basis van een volledig gebiedsgericht veldonderzoek. Op dit SMP moet een nieuwe gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd en afgegeven. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een pre-SMP dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling van een SMP binnen 18 maanden wordt afgerond zodat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een SMP binnen twee jaar de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een pre-SMP kan vervangen. Vindt er onvoldoende voortgang plaats met de ontwikkeling van een SMP dan wordt de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van een pre-SMP ingetrokken.

De provincie verleent onder de volgende beperkingen een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:

Beperking 1: Type woningen

De gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ziet uitsluitend op individuele grondgebonden woningen in particulier eigendom. Voor gestapelde woningen zoals appartementencomplex of flatgebouwen wordt geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend.

Beperking 2: Omgevingsvergunningsduur

De omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit geldt voor de duur van maximaal twee jaar (24 maanden).

Beperking 3: Aantal deelnemende woningen

Per CBS-buurt mogen maximaal 30% van de te isoleren particuliere grondgebonden woningen worden geïsoleerd. Het maximale aantal deelnemende woningen van 30% over twee jaar tijd wordt onderverdeeld in maximaal 10 % in de eerste fase van de looptijd en in de tweede fase het aanvullend aantal deelnemers tot 30%. Mocht fase 1 langer dan 12 maanden duren, dan is voor elke maand dat de fase langer duurt het maximaal aantal deelnemers 1% meer. Het maximum van 30% over 2 jaar blijft dan gelijk.

In fase 1 mogen op de te isoleren woningen tevens zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. In fase 2 mogen ook op niet te isoleren woningen zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. Op platte daken mogen in zowel fase 1 als 2 zonnepanelen worden geplaatst.

De gemeente en de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland zien toe op deze beperking met de ontwikkelde GIS-applicatie waar deelnemende woningen in worden gemeld.

Beperking 4: Type werkzaamheden

De pre-SMP methodiek richt zich enkel op de volgende verduurzamingsmaatregelen:

  • Spouwmuurisolatie: het vullen van de bestaande spouw met isolatiematerialen. Ook het afsluiten van kieren rond kozijnen valt hieronder.

  • Dakisolatie binnenzijde: het isoleren van pannendaken aan de binnenzijde door aan het dakbeschot isolatiemateriaal te bevestigen waarna de binnenwand-afwerking eroverheen wordt geplaatst. Het dak mag niet beroerd worden. Ook een ruimte vullen tussen dakbeschot en binnenwandafwerking met gespoten isolatiemateriaal is niet toegestaan in de pre-SMP methodiek.

  • Dakisolatie buitenzijde: dakisolatie door het verwijderen van dakpannen, het bevestigen van isolatieplaten op het dak en het vervolgens plaatsen van regels en pannen. Het spuiten van isolatieschuim onder de pannen (terwijl de pannen erop liggen) is niet toegestaan.

  • Isolatie van borstweringen: isoleren van de holle ruimte tussen (betonnen of houten) plaatmateriaal en binnenmuur.

  • Plaatsen voorzetwand binnenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de binnenzijde van de woning.

  • Plaatsen voorzetwand buitenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de buitenzijde van de woning.

  • Plaatsen zonnepanelen: het plaatsen van zonnepanelen op al dan niet hellende daken.

TOELICHTING

Algemene Toelichting

Inleiding

Met het besluit ‘Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022’ (hierna: ‘Beleidsregels Natuurbescherming’) worden de reeds bestaande, apart vastgestelde beleidsregels met betrekking tot natuurbescherming gebundeld in één besluit. Enkele daarvan worden waar nodig geactualiseerd. Nieuwe beleidsregels worden opgenomen voor activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Ook wordt er een artikel toegevoegd voor aanvragen van een tegemoetkoming in faunaschade aan suikerbieten.

Deze beleidsregels geven aan op welke wijze Gedeputeerde Staten van Zeeland (hierna: Gedeputeerde Staten) hun bevoegdheden op grond van de Omgevingswet wensen uit te voeren. De beleidsregels zijn een uitwerking van de Beleidsnota Natuurwetgeving, Meer Prioriteit voor Zeeuwse Biodiversiteit (hierna: Beleidsnota Natuurwetgeving) en de Omgevingsverordening Zeeland (hierna: Verordening). Daarnaast betreffen ze rechtstreeks uit de Wet voortvloeiende bevoegdheden van Gedeputeerde Staten.

Bundelen van beleidsregels

In de afgelopen jaren is er een veelheid aan apart vastgestelde beleidsregels ontstaan, die zijn voortgekomen uit de Wet. Dit betreft thema’s zoals proceswater en tarra Oosterschelde, tijdelijke opschorting vergunningverlening schelpdieren en zeegroenten, tegemoetkoming faunaschade en salderen (stikstof).

Daarom hebben Gedeputeerde Staten besloten om deze afzonderlijke beleidsregels te bundelen in één overkoepelend besluit ‘Beleidsregels Natuurbescherming.’ Zo is voor iedereen direct duidelijk welke beleidsregels er op het gebied van natuurbescherming zijn. Inhoudelijk zijn de al vastgestelde beleidsregels niet veranderd; het gaat puur om een bundeling. Nieuwe beleidsregels met betrekking tot natuurbescherming kunnen in de toekomst eenvoudig worden ingepast.

Actualiseren van bestaande beleidsregels

Met de inwerkingtreding van de Wet is niet meer de Minister, maar zijn Gedeputeerde Staten bevoegd voor het verlenen van een vergunning voor de opvang van dieren. Als toetsingskader voor de verlening van vergunningen aan opvangcentra voor het vangen, onder zich hebben en in voorkomend geval weer in de natuur uitzetten van beschermde dieren, heeft de Minister gebruik gemaakt van de “Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten”. Zoals in overleg tussen provincies (IPO) en het Ministerie geadviseerd hebben Gedeputeerde Staten in het kader van vergunning verlening de (Rijks)beleidsregels van overeenkomstige toepassing verklaard. Zoals opgenomen in de Beleidsnota Natuurwetgeving worden met dit besluit de (Rijks)beleidsregels formeel omgezet in provinciale beleidsregels.

Op 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). In deze uitspraak heeft de Raad van State overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie geconcludeerd dat het PAS niet voldoet aan de voorwaarde dat de positieve gevolgen van maatregelen die in het programma zijn opgenomen, vooraf vast moeten staan. Dat is niet toegestaan. Het PAS mag daarom niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten die extra stikstof tot gevolg hebben worden gebruikt.

Als gevolg hiervan zijn bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 augustus 2019, nr. WJZ/19141444 (Staatscourant 30-08-2019, 48301) hoofdstuk 2 en bijlage 1 van de Regeling natuurbescherming vervallen. Daarmee is tevens de grondslag voor de gereserveerde ontwikkelruimte voor de Ontwikkelingsgebieden Sloegebied en Kanaalzone vervallen. De bij besluit van 14 februari 2017, kenmerk 17002764 vastgestelde beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte ontwikkelingsgebieden Zeeland, betrekking hebbend op de verdeling van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten (segment 1) in het Sloegebied en de Kanaalzone voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de bij besluit van 6 februari 2017, kenmerk 17005151 vastgestelde beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte stikstof in Zeeland 2017, betrekking hebbend op de verdeling van de vrije ontwikkelruimte (segment 2) voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) zijn daardoor niet meer geldig en worden nu formeel ingetrokken.

Opnemen van nieuwe beleidsregels

De beleidsregels voor activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten zijn een uitwerking van de Beleidsnota Natuurwetgeving. Daarin is aangegeven dat in beleidsregels een nadere definiëring wordt gegeven aan een aantal begrippen. In bijlage 1 worden de volgende termen gedefinieerd: bedrijventerrein, dijk/dijklichaam, eenrijige beplanting langs landbouwgronden, spontane natuurlijke verjonging, weg en wegbeplanting. Daarnaast is een omrekenfactor vastgelegd die gebruikt kan worden om herplant van oppervlaktebeplanting naar rijbeplanting en andersom te beoordelen. Verder is een regel opgenomen in welke situatie een maatwerkvoorschrift gesteld kan worden over de herplantplicht in het geval van spontane natuurlijke verjonging op bedrijventerrein. Tot slot wordt in de beleidsregels invulling gegeven aan het begrip ‘duurzame boomsoorten’.

Met deze beleidsregels wordt duidelijkheid gecreëerd en wordt voorkomen dat per situatie beoordeeld moet worden of er wel of geen meld- en herplantplicht geldt. Dit zal ook de administratieve druk verlagen en zorgen voor een snellere besluitvorming.

Volgens de reeds geldende beleidsregels wordt er geen tegemoetkoming in faunaschade verleend als deze is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst. Met een nieuw artikel wordt hierop een uitzondering gemaakt: er wordt wel een tegemoetkoming verleend als de schade is aangericht aan suikerbieten die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, op voorwaarde dat de taxatie van de schade voor 1 december plaatsvindt. Met deze nieuwe bepaling wordt rekening gehouden met het feit dat suikerbieten niet meer altijd, zoals in het verleden, voor 1 december worden geoogst.

Artikelgewijze Toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

bedrijfsmatig rapen en snijden

hiermee wordt bedoeld dat het rapen van schelpdieren of het snijden van zeegroenten wordt uitgevoerd in het kader van de uitoefening van een bedrijf met als doel het met een winstoogmerk in de handel brengen van deze schelpdieren of zeegroenten.

depositieruimte

Het in de stikstofbank opnemen van depositieruimte vereist een berekening met AERIUS Calculator. Gedeputeerde Staten gaan daarbij uit van de op dat moment meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl.

extern salderen

Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen.

Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

handmatig

het handgereedschap dient dusdanig te zijn uitgevoerd dat daarmee spitten, harken of slepen niet mogelijk is om bodemberoering te voorkomen.

hoofdproduct

Onder hoofdproduct wordt in ieder geval verstaan een product dat in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt (KWIN) als hoofdproduct wordt genoemd.

kapitaalsintensieve teelten

Onder kapitaalintensieve teelten worden in ieder geval verstaan de teelt van: bloemen, bloembollen, bomen, graszoden, fruit en hoog salderende groentes. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen). Dit zijn gewassen waar in redelijkheid een grotere inspanning van de grondgebruiker mag worden verlangd om deze gewassen te beschermen.

microdepositiebank

Binnen de stikstofbank betreft de microdepositiebank een voorziening van de provincies die erop is gericht om depositieruimte aan Natura 2000-activiteiten te kunnen toedelen. De depositieruimte in deze microdepositiebank is afkomstig van vrijgevallen ruimte. Daarnaast kunnen de verschillende bevoegde gezagen de microdepositiebank vullen met vrijgemaakte depositieruimte. Als Gedeputeerde Staten een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ontvangen waarin de aanvrager verzoekt om toedelen van depositieruimte uit deze bank, beoordelen zij of de microdepositiebank daarvoor de ruimte biedt. Deze beoordeling staat los van de vraag welk bevoegd gezag de betrokken omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit heeft verleend waarbij depositieruimte is vrijgevallen, of welk bevoegd gezag vrijgemaakte ruimte heeft ingebracht. Er is in zoverre sprake van een collectieve voorziening.

N-emissie

Bij de term ‘stikstofverbinding’ gaat het om zogenoemd reactief stikstof. Hieronder vallen onder andere stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en ureum. Stikstofgas (N2), waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat is inert en valt hier niet onder.

referentiesituatie

De referentiesituatie wordt bepaald in samenhang met het begrip ‘toestemming’ en de Europese referentiedatum.

Bij gebrek aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998 is een toestemming op de Europese referentiedatum het uitgangspunt voor het bepalen van de referentiesituatie. In de jurisprudentie is echter bepaald dat als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt, die lagere depositie de uitgangssituatie is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een op de referentiedatum geldende toestemming nadien is vervangen door een milieuvergunning.[1]

De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt:

  • a.

    voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn:

    • 1°.

      7 december 2004; of

    • 2°.

      de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004;

  • b.

    voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn:

    • 10 juni 1994; of

    • de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994.

Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12.

Een toestemming is verleend voor een bepaalde activiteit (die een bepaalde emissie en depositie tot gevolg heeft) en niet voor een bepaalde hoeveelheid emissie of depositie. Bij het berekenen van de depositie in de referentiesituatie moet altijd worden uitgegaan van actuele kengetallen.

relevant hexagoon

De marge van 70 mol/ha/jaar ten opzichte van de kritische depositiewaarde komt ongeveer overeen met 1 kg N/ha/jaar. Deze hexagonen waarbij de Kritische Depositie Waarde wordt benaderd maar niet is overschreden worden meegenomen bij de berekeningen. Dit om een overschrijding in de toekomst te voorkomen en om aan te sluiten bij het voorzorgsprincipe uit de Habitatrichtlijn.

schelpdieren

Hierbij valt te denken aan geleedpotige dieren zoals alikruiken, wulken en noordhoorns en weekdieren zoals oesters, mosselen, kokkels en slakken.

stikstofbank

De stikstofbank is een stikstofregistratiesysteem met als functie het mogelijk maken van salderen met stikstofruimte. In het systeem kunnen Gedeputeerde Staten depositieruimte opnemen (vulling) die zowel uit vrijgemaakte als uit vrijgevallen ruimte kan bestaan. Of depositieruimte in de microdepositiebank of in de doelgebonden depositiebank wordt opgenomen, is afhankelijk van de beleidsregels die Gedeputeerde Staten hierover opstellen.

toestemming

3°: Onder activiteiten die voldoen aan artikel 16.53 c, eerste en tweede lid Omgevingswet vallen onder andere tracébesluiten en kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee. Hiervoor geldt dat een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de wet, maar is wel een passende beoordeling gemaakt.

4°: Voor het project is weliswaar geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend maar er is wel een richtlijnconforme beoordeling uitgevoerd.

5°: Een toestemming kan ook zijn een toestemming naar nationaal recht die is verleend voordat de Habitatrichtlijn in werking trad voor het betrokken gebied. Uit recente jurisprudentie blijkt dat ook toestemming op grond van algemene regelgeving de betrokken toestemming kan zijn.[2] Logischerwijs mogen dergelijke activiteiten betrokken worden bij salderen. Om als referentiesituatie te kunnen dienen, is uiteraard wel van belang dat het project ongewijzigd is voortgezet en de toegestane depositie niet is beperkt.

verleasen

Verleasen is alleen mogelijk bij een tijdelijke stikstofdepositie. Daarin onderscheidt verleasen zich van regulier extern salderen.

vrijgevallen depositieruimte

Vrijgevallen depositieruimte is ruimte die ‘vrijvalt’ bij extern salderen. Omdat saldogever en saldoontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden, kan extern salderen ertoe leiden dat op bepaalde hexagonen meer gesaldeerd wordt dan nodig is. Het eindresultaat, de aan de saldo-ontvanger verleende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, is bepalend voor de hoeveelheid overblijvende ruimte. Die (na de afroming met 30% bij saldering) overblijvende ruimte valt toe aan de microdepositiebank. Dit is bijvoorbeeld het geval als Gedeputeerde Staten met behulp van artikel 2.4 van deze Beleidsregels een omgevingsvergunning hebben verleend. Gedeputeerde Staten bepalen de vrijgevallen ruimte aan de hand van de verleende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit en de AERIUS-verschilberekeningen die daarvan onderdeel uitmaken.

vrijgemaakte depositieruimte

Deze ruimte kan worden gebruikt voor het mogelijk maken van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Met saldering via de stikstofbank wordt hetzelfde beoogd als met extern salderen: een toename van stikstofdepositie van een project wordt gesaldeerd met een afname van stikstofdepositie, bijvoorbeeld door een ingetrokken toestemming. Extern salderen en salderen via de stikstofbank zijn binnen de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit beide te duiden als een maatregel ter mitigatie van de effecten van het project. De wijze waarop het benodigde saldo wordt verkregen verschilt wel. In de stikstofbank wordt bijvoorbeeld niet gesaldeerd met het intrekken van toestemmingen, maar met de door die intrekking vrijgemaakte depositieruimte. De relevante eisen uit artikel 2.4 (extern salderen) worden toegepast op de depositieruimte die in de stikstofbank wordt opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de eis dat deze maatregelen niet noodzakelijk zijn in het kader van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (lid 4) en de afroming met 30%.

zeegroenten

Hierbij valt te denken aan planten zoals lamsoor en zeekraal, en wieren zoals kelp en zeesla.

Hoofdstuk 2. Natura 2000-activiteiten

Algemeen

De beleidsregels zijn aangepast naar aanleiding van de invoering van de Omgevingswetgeving (Ow) op 1 januari 2024. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert het begrippenkader. In plaats van het begrip ‘Wnb-vergunning’ of ‘natuurvergunning’ wordt nu gebruik gemaakt van het begrip ‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.

Afdeling 2.1 Salderen

Het doel van deze beleidsregels[3] is het verduidelijken van de voorwaarden voor het verlenen van natuurtoestemmingen door Gedeputeerde Staten waarbij stijging van stikstofdepositie wordt voorkomen.

Per 1 januari 2024 treedt met de Omgevingswet ook de Omgevingsregeling (Or) in werking. Daarin zijn onder meer regels over stikstofbanken uit de recente Regeling natuurbescherming (Rnb) van 5 oktober 2023 opgenomen. De Rnb vervalt op 1 januari 2024. De beleidsregels zijn hierop aangepast. Deze aanpassing van de beleidsregels aan de Omgevingswet is -in lijn met de overgang van de Wet Natuurbescherming (Wnb) naar de Omgevingswet- beleidsneutraal.[4]

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (ECLI:NL:RVS:2019:1603). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Toestemmingverlening voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt is daardoor volledig stil komen te liggen. Het is duidelijk dat een substantiële reductie van stikstofdepositie nodig is om de natuurdoelen te halen. Vergunningverlening voor economische ontwikkelingen wordt dan ook weer mogelijk.

Nu het PAS niet meer gebruikt kan worden en vergunningverlening voor stikstofdeposities lastiger is geworden door de aanvullende eisen die de Afdeling heeft gesteld aan een passende beoordeling, moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via intern of extern salderen. Waar het bij intern salderen gaat om salderen binnen de begrenzing van één project of locatie, is sprake van extern salderen wanneer wordt gesaldeerd één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie

Op 26 september 2019 heeft het adviescollege onder voorzitterschap van de heer Remkes advies uitgebracht, en aangegeven dat toestemmingverlening op korte termijn weer op gang kan komen door intern en extern salderen. Het adviescollege wees er wel op dat afroming van depositieruimte zal moeten plaatsvinden om depositiestijging te voorkomen en depositiedaling te bespoedigen.[5] Inmiddels is duidelijk dat projecten die met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leiden niet langer vergunningplichtig zijn.[6] 

Deze beleidsregels stellen voorwaarden aan het instrument extern salderen, om te voorkomen dat toestemmingverlening voor nieuwe of gewijzigde initiatieven leidt tot een toename van de stikstofdepositie, en om te borgen dat een daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd.

Deze beleidsregels worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen. Daarnaast gelden bij die beoordeling uiteraard ook andere regels en voorwaarden die uit de wet en jurisprudentie voortvloeien. Aan het eind van de toelichting is de belangrijkste jurisprudentie over extern salderen opgenomen.

Salderen met feitelijk gerealiseerde capaciteit

Uitgangspunt is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit, tenzij er redenen zijn om hiervan gemotiveerd af te wijken. Door uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit kan de niet-gerealiseerde capaciteit niet betrokken worden bij aanvragen met salderen. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1 Schematische weergave feitelijk gerealiseerde capaciteit

Stikstofdaling via extern salderen

Op nationaal niveau is er sprake van een forse overbelasting met stikstof. Reductie van de stikstofdepositie is noodzakelijk om de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden te kunnen realiseren. Daarom is in deze beleidsregels bepaald dat de saldo-ontvanger bij extern salderen 70% van de verkregen stikstofemissie kan benutten; de overige 30% draagt bij aan depositiedaling.

Daarnaast valt bij extern salderen altijd ruimte vrij, omdat saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze vrijvallende ruimte wordt vastgelegd in de stikstofbank en kan worden ingezet om in de nabije toekomst nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken door vergunningverlening. Depositiedaling wordt met name bereikt door generieke bronmaatregelen (zie onder meer de Kamerbrief van 24 april 2020, kenmerk BPZ 20120075).

Jurisprudentie extern salderen

In jurisprudentie is gedetailleerd uitgewerkt welke voorwaarden gelden in geval van externe saldering. Initiatieven die een beroep doen op deze beleidsregels moeten, naast de voorwaarden die in deze beleidsregels zijn opgenomen, ook voldoen aan de voorwaarden uit de jurisprudentie voor externe saldering. Gedeputeerde Staten toetsen dus aan deze jurisprudentie en ook aan eventuele jurisprudentie die zich op dit vlak ontwikkelt na inwerkingtreding van deze beleidsregels.

De voornaamste voorwaarden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld met betrekking tot extern salderen zijn, samengevat:

  • Een milieuvergunning die is verleend en is ingetrokken voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied waarop het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt (de Europese referentiedatum), kan niet voor externe saldering worden gebruikt (uitspraak Raad van State van 18 april 2012, zaaknummer 201003985/1/A4).

  • Mitigatie in de vorm van externe saldering is slechts mogelijk als er directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf. Dit kan blijken uit het intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen het saldogevende en saldo-ontvangende bedrijf over de overname van het stikstofdepositiesaldo van de in te trekken toestemming.

  • Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2).

  • Wanneer een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit wordt verleend met een uitgestelde inwerkingtreding tot het moment waarop de intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit onherroepelijk is, kan eveneens de samenhang worden geborgd (vgl. ABRvS 29 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1818 en ECLI:NL:RVS:2016:1819).

  • Externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de Europese referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de toestemming of het sluiten van de overeenkomst. Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de realisering van een project is vereist (uitspraak Raad van State van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2).

  • Het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan volgens de Raad van State bij wijze van voorbeeld als volgt worden gerealiseerd. De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch de saldo-ontvanger, noch de saldogever gebruik kan maken van het saldo, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden (uitspraak Raad van State van 29 juni 2016, zaaknummer 201502440/1/R2).

  • De Afdeling is van oordeel dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat. Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 - 1 juli 2018 (uitspraak Raad van State van 29 mei 2019, zaaknummer 201506170/2).

Artikel 2.2 Omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kunnen verschillende maatregelen worden ingezet. In geval van extern salderen, zal in veel gevallen ook sprake zijn van intern salderen. Ook is het mogelijk dat salderen gecombineerd wordt met een ecologische beoordeling of een ADC-toets. In alle gevallen waarbij salderen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, zijn deze beleidsregels van toepassing. In aanvragen waarbij meerdere instrumenten in combinatie met elkaar worden toegepast, kan het voorkomen dat na toepassen van salderen (intern, extern of beiden) nog op een aantal hexagonen een toename van de depositie optreedt. Er kan dan aanvullend een ecologische passende beoordeling of ADC-toets uitgevoerd worden.

Artikel 2.3 Rekenmodel

Lid 1: Conform artikel 4.15, tweede lid van de Regeling, dient AERIUS Calculator gebruikt te worden als rekenmodel. Indien binnen het project sprake is van meerdere berekeningen, dient hiervoor dezelfde en meest recente AERIUS versie te worden gehanteerd. De meest recente versie wordt tevens gebruikt tijdens de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 2.4 Voorwaarden extern salderen

Lid 1:

De directe samenhang kan blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit.

Lid 2:

Om ingezet te kunnen worden voor externe saldering moeten de salderingsactiviteiten legaal zijn. De voorwaarde dat hervatting van de activiteit mogelijk moet zijn zonder dat daarvoor een (nieuwe) omgevingsvergunning voor de realisering van een project is vereist volgt uit jurisprudentie over extern salderen (zie overzicht jurisprudentie aan einde van toelichting, vierde punt). De beleidsregels halen deze jurisprudentie aan en voegen toe dat hervatting mogelijk moet zijn zonder een omgevingsvergunning, onderdeel bouwen. Dit voorkomt salderen met gebouwen die al langere tijd een andere functie hebben dan waarvoor een toestemming is verleend.

Lid 3:

In sommige gevallen is er geen toestemming benodigd om een activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld omdat de activiteit op grond van algemene regels zonder besluit mag worden uitgevoerd). De feitelijke beëindiging van een dergelijke activiteit moet op een of andere manier geborgd zijn vóórdat de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de saldo-ontvangende activiteit in werking treedt, bijvoorbeeld door een bestemmingsplanwijziging, of door een (privaatrechtelijke) overeenkomst. Wanneer beëindigen van de activiteit niet geborgd kan worden, kan deze niet betrokken worden bij saldering.

Lid 4:

Maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden (artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze niet-gerealiseerde capaciteit niet mag worden gebruikt voor salderen. Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning, mag niet worden gebruikt voor salderen. Daarnaast komt in dit kader de in te zetten stikstofruimte voor extern salderen niet vrij vanuit de bronmaatregelen die de overheid heeft ingesteld ten behoeve van de daling van de achtergrond of als inzet voor mitigatie en/of compensatie van andere activiteiten. Dit kunnen maatregelen zijn die in het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering zijn opgenomen ter uitvoering van de gelijknamige wet, zoals de Lbv en de Lbv+ -regeling. Uit de regeling behorende bij de maatregel blijkt in welk kader deze maatregel is getroffen en of met de vrijgemaakte ruimte mag worden gesaldeerd.

Lid 5:

Om te voorkomen dat (bron)maatregelen dubbel worden ingezet, is in dit lid onder meer verduidelijkt dat maatregelen die reeds worden gebruikt ten behoeve van een doelgebonden depositiebank (artikel 17a.4, eerste lid van de Regeling), niet mogen worden ingezet in het kader van een 1-op-1 extern saldeertransactie. Eenzelfde beperking is opgenomen voor de stoppersregeling Actieplan Ammoniak. Dit was landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling mag er niet gesaldeerd worden met het deel van het bedrijf dat stopt op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak (op 1 januari 2020). Een bedrijf dat meedoet aan de “Subsidieregeling sanering varkenshouderijen” (vastgesteld op 10 oktober 2019) kan alleen extern salderen met het deel van het bedrijf dat niet meedoet aan de subsidieregeling. De subsidieregeling biedt geen mogelijkheid om een deel van de N-emissie te behouden ten behoeve van extern salderen. Deze twee regelingen worden hier specifiek genoemd omdat in deze regelingen nog niet was opgenomen of met de vrijgemaakte ruimte gesaldeerd mag worden. In nieuwe regelingen gebeurt dit wel, zoals beschreven in de toelichting van artikel 6 lid 4.

Lid 6:

Om zicht te houden op de aanvragen die ingediend gaan worden met gebruikmaking van extern salderen willen Gedeputeerde Staten vooraf een melding ontvangen van de voorgenomen saldering. Deze melding dient de gegevens te bevatten van zowel de saldogever, de saldo-ontvanger en de N-emissies en N-deposities die bij de voorgenomen externe saldering zijn betrokken.

Lid 7 en 8:

Er mag alleen stikstofemissie worden ingezet voor salderen voor zover de capaciteit feitelijk is gerealiseerd. Of gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit daadwerkelijk zijn gerealiseerd, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen.

Onder ‘overige voorzieningen’ worden bijvoorbeeld terreinen die zijn ingericht voor op- en overslag gerekend. De in lid 8 bedoelde overeenkomst volgt uit jurisprudentie en ziet niet alleen toe op de overeenkomst tussen de saldogever en saldonemer. Het kan bijvoorbeeld ook een anterieure overeenkomst zijn tussen de gemeente en de saldonemer. Het doel hiervan is om aan te tonen dat op het moment dat de saldering plaatsvindt, de activiteit van de saldogever nog in werking is of kan zijn zoals beschreven in artikel 6 lid 2.

Lid 9 :

Deze intrekking op verzoek van de saldogever, is noodzakelijk om te voorkomen dat de saldogevende partij alsnog het niet-gerealiseerde deel van zijn toestemming kan benutten, en daardoor een stijging van de depositie kan optreden. De intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang met de saldo-ontvangende activiteit opgesteld.

In de beleidsregels is een koppeling gelegd met artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Besluit activiteiten Leefomgeving (Bal) om te voorkomen dat emissieruimte van een illegale situatie (het houden van dieren in een huisvestingssysteem dat niet is toegestaan volgens voornoemde artikelen uit het Bal) in te zetten is bij salderen. Het kan zo zijn dat de omgevingsvergunningaanvraag voor wat betreft de activiteiten die zien op milieubelastende aspecten al zijn getoetst aan het voormalige Besluit emissiearme huisvesting (hierna: Beh), thans artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal, maar voor het aspect van de Natura 2000-activiteit (het natuurdeel) nog niet. Hierdoor was het mogelijk om in het natuurdeel de traditionele huisvestingssystemen vergund te krijgen, terwijl die in de omgevingsvergunning voor milieu niet vergund konden worden of in geval van een melding Activiteitenbesluit het huisvestingssysteem niet toegepast konden worden. Het Beh stond dit niet toe en artikel 4.818 tot en met 4.820 van het Bal staat dit evenmin toe. Om deze ongewenste situatie ongedaan te maken is een koppeling met artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal gemaakt voor het bepalen van de emissie in de referentiesituatie. Deze achteraf toetsing aan artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal hoeft dus alleen uitgevoerd te worden wanneer je de referentiesituatie ontleent aan een natuurvergunning.

Indien een toestemming als bedoeld in artikel 1, onderdeel cc onder 2 (milieutoestemming) de referentiesituatie is, dan wordt beoordeeld of voor de feitelijke situatie een geldende milieutoestemming aanwezig is die voldoet aan artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal. Zo ja, dan is de toets aan het Bal op dit punt van de aanvraag niet nodig. Zo nee, dan geldt dat de laatst verleende milieutoestemming teruggerekend wordt naar de toen geldende normen van de (nu vigerende) artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal.

Het moment van oprichten van een dierenverblijf is bepalend voor de kolom die gehanteerd moet worden uit de tabellen 4.818 (melk- en kalfkoeien), 4.819 (vleeskalveren) en 4.820 (varkens, kippen en kalkoenen) van het Bal. De in die kolom opgenomen maximale emissiewaarde is van toepassing op het betreffende dierenverblijf, tenzij sprake is van een uitzondering zoals aangegeven in artikel 4.806 (dieraantallen) en artikel 4.807 (systemen) van het Bal. Ook kan overgangsrecht (artikelen 4.831 tot en met 4.833 van het Bal) van toepassing zijn. Zo is in artikel 4.833 van het Bal bepaald dat op inrichtingsniveau voldaan moet worden aan de artikelen 4.818 tot en met 4.820 van het Bal. Dit betekent in de praktijk dat een traditionele stal (opgericht vóór 1 januari 2007) kan en mag bestaan naast een emissiearme stal.

lid 10:

In dit lid is geregeld dat, indien artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal van toepassing zijn op de realisering van het aangevraagde project, Gedeputeerde Staten beoordelen of de aangevraagde situatie voldoet aan die normen van het Bal. Dit doen Gedeputeerde Staten om te voorkomen dat zij vergunningen afgeven voor projecten die niet gerealiseerd kunnen worden vanwege de genoemde eisen van het Bal. Gedeputeerde Staten kunnen voor deze beoordeling advies inwinnen bij het bevoegd gezag voor verlening van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit van de locatie.

Deze situatie is alleen aan de orde als een enkelvoudige omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e van de Omgevingswet wordt aangevraagd. Indien sprake is van een situatie dat een meervoudige omgevingsvergunningaanvraag wordt ingediend en Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn advies en instemming te geven, dan toetsen Gedeputeerde Staten de aangevraagde situatie niet aan artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal, omdat die toets plaatsvindt door het college van burgemeester en wethouders.

Lid 12:

Dit artikel is relevant bij bedrijfsverplaatsingen die nodig zijn om de Natura 2000-doelen te halen. In het algemeen zullen bedrijven verder van Natura 2000-gebieden af worden geplaatst, maar dit kan ertoe leiden dat de depositie op andere (verder weg gelegen) Natura 2000-gebieden lokaal toeneemt. Dit kan dan worden opgevangen door 100% van de feitelijk gerealiseerde capaciteit te mogen inzetten om extern te salderen.

Artikel 2.5 Verleasen

Lid 1:

Het eerste, derde en negende lid gaan uit van het definitief onmogelijk maken van de saldogevende activiteit door middel van het intrekken van de daarvoor verleende vergunning. Aangezien verleasen ziet op een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van een saldogevende activiteit is intrekking van de vergunning niet aan de orde.

Lid 2 en 3:

Van verleasen kan alleen gebruik gemaakt worden voor projecten die een tijdelijke depositie hebben van maximaal 2 jaar. Hier valt bijvoorbeeld een project onder met een aanlegfase van maximaal 2 jaar. Denk aan de aanleg van een windmolenpark, reconstructie van een weg of het bouwrijp maken van een bedrijventerrein. Op basis van het derde lid hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om deze termijn (eventueel onder voorwaarden) te verlengen. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt indien de initiatiefnemer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten genoegzaam aantoont dat verlenging noodzakelijk is. Bijvoorbeeld een duurzaamheidproject waarbij de aanlegfase langer duurt dan 2 jaar.

Lid 4 en 5:

Aangezien verleasen een tijdelijke constructie is, wordt niet overgegaan tot intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit. Artikel 2.4, eerste lid, is daarom niet van overeenkomstige toepassing op verleasen. Met het vierde lid is beoogd te benadrukken dat er toch een rechtstreekse relatie moet bestaan tussen het project met een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van de saldogevende activiteit. Het is aan de initiatiefnemer om dit in de aanvraag genoegzaam aan te tonen.

De tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit wordt geregeld met een tijdelijke beperking van de toestemming. In de overeenkomst tussen saldogever en saldonemer stemt de saldogever hiermee in. Deze tijdelijk in te perken toestemming kan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit betreffen, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of natuur of een melding

In het geval de saldogever alleen beschikt over een melding in het kader van het Bal en geen andere in de beleidsregel genoemde toestemmingen, is een tijdelijke beperking van deze toestemming alleen mogelijk met een nieuwe (ingeperkte) melding. De voordelen die gepaard gaan met de constructie van verleasen (het tijdelijk ter beschikking stellen van ruimte aan een ander, om deze vervolgens weer volledig zelf te gebruiken) kunnen hiermee vervallen. Namelijk wanneer op een later moment een nieuwe melding zou moeten worden ingediend om weer van de volledige ruimte gebruik te kunnen maken, waarbij de ingeperkte melding als referentiesituatie zal gelden. Deze vorm van verleasen met N-emissie van een saldogever met alleen een melding Activiteitenbesluit is om die reden niet in iedere situatie aan te raden, omdat het kan leiden tot een beperking van bestaande rechten.

Lid 6 en 7:

Het bevoegd gezag als bedoeld in deze bepalingen kan de gemeente of de provincie zijn. In de vergunning wordt opgenomen bij welk bevoegd gezag de saldo-ontvanger de meldingen moet doen.

Artikel 2.6 Plannen

Intern en extern salderen kan ook worden ingezet in het kader van de plantoets. Dit artikel is opgenomen om te borgen dat wanneer een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit wordt aangevraagd voor projecten die op basis van het plan mogelijk zijn, gebruik gemaakt kan worden van dezelfde saldering die als onderbouwing van het plan is gebruikt. In veel gevallen is het namelijk zo dat de saldogevende activiteit niet meer feitelijk aanwezig is op het moment dat eenomgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteiten wordt aangevraagd voor individuele projecten. Dit artikel voorkomt dat tweemaal gesaldeerd moet worden voor eenzelfde activiteit. Dit artikel ziet zowel op reeds vastgestelde als nog vast te stellen plannen. Het buiten toepassing laten van artikel 2.4, tweede lid, gaat over de eis van het onafgebroken aanwezig zijn. Het is niet bedoeld om een uitzondering te maken op de eis van het bestaan van een toestemming in de referentiesituatie.

In de basis wordt het planeffect bij bestemmingsplannen en/of omgevingsplannen niet als intern salderen opgevat. Aan dit artikel is de term planeffect ter verduidelijking toegevoegd, omdat ook het planeffect bij plannen hier als intern salderen dient te worden beschouwd. Het planeffect betreft het effect van het plan. Bijvoorbeeld vanwege het plan voor woningbouw verdwijnen agrarische gronden. De depositie vanwege het agrarische gebruik verdwijnt dan ook en dat kan worden weggestreept tegen een toename vanwege de realisatie van de woningen. Dit planeffect kan conform dit artikel vervolgens voor vergunningverlening wederom worden ingezet voor projecten die op basis van dit plan mogelijk zijn.

Artikel 2.7 Realisatietermijn

Artikel 5.40 lid 2 onder b van de Wet geeft de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Van deze bevoegdheid kan echter geen gebruik worden gemaakt als wel activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, maar niet de volledige capaciteit wordt gerealiseerd.

Het is onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd niet- gerealiseerde capaciteit blijven bevatten. Voor omgevingsvergunningen geldt al langere tijd wettelijk het principe dat binnen een bepaalde termijn van die vergunningen gebruik moet worden gemaakt. In het verlengde hiervan is het ook voor omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998 gerechtvaardigd een dergelijke realisatietermijn te stellen. Wanneer er geen mogelijkheid is om na drie jaar een vergunning(deels) in te trekken, kunnen er op langere termijn onverwachte en ongewenste stijgingen van de stikstofdepositie optreden wanneer de vergunning alsnog (geheel) wordt benut óf kunnen andere activiteiten beperkt worden doordat steeds rekening wordt gehouden met deposities die niet daadwerkelijk optreden.

Dit voorschrift is alleen van toepassing op de nieuwe (of gewijzigde) activiteiten.

Door het opnemen van een voorschrift in vergunningen, ontstaat een basis voor het intrekken van de vergunning (op grond van artikel 18.10, eerste en vierde lid, Omgevingswet en artikel 8.97, eerste lid Bkl) door het niet naleven van de voorschriften.

Artikel 2.8 SSRS-bank

De SSRS-bank[7] is het gezamenlijke registratiesysteem waarin Rijk en provincies vrijgevallen en vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kunnen opslaan voor latere toedeling in een besluit.

Lid 1:

Een uitgangspunt van de SSRS-bank is dat voor aanvragen, die een beroep op dit systeem doen, stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd in de volgorde van ontvangst van deze aanvragen. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij reservering van stikstofdepositieruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor reservering van stikstofdepositieruimte is het van belang dat de aanvraag volledig is. Dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode. Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een volledige aanvraag en is de datum van volledigheid bepalend voor de volgorde van toekenning van stikstofdepositieruimte.

Lid 2:

In de Omgevingsregeling is het toetsingskader opgesteld voor de beoordeling van aanvragen die een beroep doen op het SSRS. Deze aanvragen worden (met uitzondering van het eerste lid) niet getoetst aan deze beleidsregel voor intern en extern salderen. Dit geldt overigens alleen voor zover de aanvraag een beroep doet op het SSRS. Als een aanvraag bijvoorbeeld eerst gebruik maakt van interne en/of externe saldering, dan is de beleidsregel op dat gedeelte van de aanvraag wél van toepassing. Als diezelfde aanvraag voor een eventueel restant nog een beroep doet op het SSRS, dan is de beleidsregel (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op dat gedeelte van de aanvraag. Als een aanvraag enkel en alleen een beroep doet op het SSRS (dus zonder intern en/of extern salderen) dan is deze beleidsregel (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op die gehele aanvraag.

Artikel 2.9 Microdepositiebank

De microdepositiebank is een gezamenlijke stikstofdepositiebank van alle provincies en de Rijksoverheid voor het salderen van zeer kleine deposities. De provincies leggen gezamenlijke afspraken over de omgang met deze bank vast in de beleidsregels, het Rijk legt dit in eigen beleid vast.

Lid 1-4:

Depositieruimte is beschikbaar voor een project met depositie-effecten. De beschikbare depositieruimte is de in de microdepositiebank opgenomen depositieruimte voor een relevant hexagoon. De ruimte is beschikbaar op alle hexagonen die door een project worden geraakt, voor ten hoogste 0,05 N mol/ha/ja. De eventueel benodigde depositie boven de 0,05 mol/ha/ja moet voor alle hexagonen van een project buiten de microdepositiebank worden opgelost, bijvoorbeeld door salderen, een ecologische onderbouwing of andere vormen van mitigatie.

Gedeputeerde Staten reserveren beschikbare ruimte op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Daarbij geldt allereerst dat het om volledige aanvragen gaat, te weten aanvragen waarop artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet (meer) hoeft te worden toegepast. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens of er voor een project dat op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor toedeling ook daadwerkelijk depositieruimte beschikbaar is. Depositieruimte die niet is gereserveerd of toegedeeld, is beschikbaar. Als een aanvraag, inclusief de daarvoor uit de microdepositiebank benodigde depositieruimte, wat betreft de benodigde depositieruimte vergunbaar is, kan daarvoor de reservering uit het derde lid plaatsvinden, De beoordeling vindt zijn weerslag in de te verlenen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit waarin de ruimte vervolgens wordt toegedeeld.

Lid 9:

Onder het PAS bestonden meldingsplichtige activiteiten. De meldingsplicht betrof bepaalde activiteiten met een uitstoot tussen de 0,05 mol/ha/jr en 1 mol/ha/jr. Deze activiteiten worden op een andere wijze gelegaliseerd.

Artikel 2.10 Doelgebonden depositiebank

In AERIUS Register is voor iedere provincie een compartiment aangemaakt. Deze zijn onder te verdelen in één of meerdere subcompartimenten. Artikel 17a.2, vijfde lid van de Regeling[8] bepaalt immers dat er binnen elke categorie projecten -dus ook voor de compartimenten voor Gedeputeerde Staten in de zin van artikel 17a.3 onder h van de Regeling- een nader onderscheid kan worden gemaakt in AERIUS Register. Ieder subcompartiment vormt een doelgebonden depositiebank waarin de provincie voor één of meerdere specifiek(e) doelen stikstofdepositieruimte kan sparen.

Het is aan Gedeputeerde Staten om de doelen te definiëren. Bevoegde gezagen kunnen ook gezamenlijk een doelgebonden depositiebank oprichten. In dat geval definiëren Gedeputeerde Staten de doelen in afstemming met de betreffende andere bevoegde gezagen. Bij de doelgebonden depositiebank geldt dat koppeling aan een doelstelling een vereiste is. Dat doel kan algemeen zijn (stimulering van de gebiedsgerichte aanpak) of smal (zelfs één specifiek project).

Artikel 2.11 Hardheidsclausule

De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om af te wijken van deze beleidsregels, voor zover dat past binnen wet- en regelgeving en jurisprudentie.

Bij de toepassing van dit artikel moet het gaan om omstandigheden die niet waren voorzien bij de totstandkoming van dit beleid.

Afdeling 2.2. Lozing van proceswater en tarra in de Oosterschelde

Algemeen

Aanleiding en achtergrond

Met de import van tweekleppige weekdieren, en het uitzaaien en/of verwerken hiervan, bestaat het risico van de insleep van andere organismen, onder andere zogenaamde probleemsoorten. Probleemsoorten zijn gedefinieerd als organismen waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zoals de Oosterschelde.

Audit Schelpdiertransport

Om de route van insleep van probleemsoorten in de Oosterschelde in kaart te brengen is eind 2011 de Audit Schelpdiertransporten uitgevoerd in opdracht van het Team Invasieve Exoten en de Directie Regionale Zaken van het ministerie van Economische Zaken. In de audit worden drie mogelijke bronnen genoemd.

Als eerste brongebied worden de oesterputten in Yerseke aangeduid. De oesterputten worden niet alleen gebruikt voor het verwateren en opslaan van oesters uit de Oosterschelde of Grevelingen, ook schaal- en schelpdieren uit buitenlandse herkomstgebieden worden hier verwaterd of tijdelijk opgeslagen. Omdat de oesterputten in verbinding staan met de Oosterschelde voor het innemen en lozen van water bestaat het risico op de introductie van probleemsoorten.

De tweede bron is het lozen van water afkomstig van de verwerking van partijen buitenlandse tweekleppige weekdieren. Dit water, dat in aanraking is gekomen met buitenlandse schaal- of schelpdieren, kan probleemsoorten of hun larven bevatten.

Het storten van tarra in de Oosterschelde vanuit de oesterputten en schelpdierverwerkende bedrijven is de derde mogelijke bron. Tarra is alles wat niet tot de tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen of schaaldieren behoort zoals losse schelpen, zeesterren, slikmosselen, slippers, pokken, kluiten modder, stenen, afval, dode of kapotte weekdieren en ongeschikt is voor verhandeling voor menselijke consumptie, alsmede alles wat vrijkomt of overblijft bij het schonen, bewerken of verwerken van de ontvangen partij tweekleppige weekdieren. Tarra is een potentieel belangrijke bron van probleemsoorten, omdat veel van deze probleemsoorten op en aan tweekleppige weekdieren leven.

Wettelijke kaders t.a.v. importeren en uitzaaien of verwerken van buitenlandse tweekleppige weekdieren

Activiteiten die mogelijk de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zijn vergunningplichtig in het kader van de Wet. Voor het importeren en uitzaaien van buitenlandse oesters en mosselen worden al geruime tijd vergunningen verleend door het ministerie van Economische Zaken. Voor het lozen van proceswater en het storten van tarra dat vrijkomt bij de verwerking geldt dit niet.

Tot eind 2013 bestond een tweede instrument voor het voorkomen van de introductie van probleemsoorten, namelijk de Verordening Quarantainevoorzieningen Levende Tweekleppige Weekdieren 2007), uitgevoerd door het Productschap Vis. Deze verordening vond zijn grondslag in de bescherming van de voedselveiligheid, en diende ter voorkoming van de introductie van toxische dinoflagellaten, schelpdier- of virusziekten, virussen of andere levende organismen. Als een bedrijf dat buitenlandse schelpdieren importeert en verwerkt een erkenning als quarantainevoorziening had, stelde de Provincie Zeeland zich op het standpunt dat een aparte vergunning in het kader van de Omgevingswet niet nodig was. Met het verbod op het lozen van ongezuiverd proceswater (en afvoer van tarra) bestond voor deze bedrijven immers geen kans op het veroorzaken van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde als Natura 2000-gebied. Vanwege de opheffing van de productschappen zijn met ingang van 1 januari 2014 de EU-regelingen die Productschap Vis verzorgde overgenomen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De Verordening Quarantainevoorzieningen is niet overgenomen in de regelgeving van de Rijksoverheid omdat de stuurgroep 'Opheffing Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie' concludeerde dat het ministerie van Economische Zaken geen direct belang had bij deze regelgeving en de Wet (tot 1 januari 2017 nog de Natuurbeschermingswet 1998), die onverkort van kracht is, al voorziet in de noodzakelijke regelgeving.

Doel beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde

Deze beleidsregels lichten toe op welke wijze Gedeputeerde Staten gebruik zullen maken van de bevoegdheid om vergunningen te verlenen op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e Omgevingswet met betrekking tot het lozen van proceswater en het storten van tarra afkomstig van de verwerking van tweekleppige weekdieren op de wal of in de oesterputten. Onder het lozen van proceswater wordt tevens verstaan het leeg laten lopen van c.q. het lozen van water uit de oesterputten in de Oosterschelde. De zelfstandige norm is door de Wet in artikel 5.1, eerste lid, onder e gegeven: Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is in de Bijlage bij artikel 1.1 onder A. gedefinieerd als: Een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Bij toepassing van de beleidsregels blijft het voor bedrijven ook noodzakelijk om te beoordelen of door andere overheidsorganisaties regels zijn gesteld en vergunningen moeten worden aangevraagd.

Systematiek beleidsregels

De beleidsregels kennen een trapsgewijze systematiek voor het beoordelen van vergunningplicht, namelijk:

  • Voor partijen die afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden, is geen vergunning nodig. Proceswater mag onbehandeld geloosd worden en tarra mag zonder vergunning gestort worden op de aangewezen stortlocaties, zie respectievelijk artikel 2.13 en 2.18;

  • Een vergunning is noodzakelijk voor partijen die niet afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden, maar waar door middel van een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie is aangetoond dat er geen risico op de introductie van probleemsoorten bestaat. Met deze vergunning mag proceswater onbehandeld geloosd worden en tarra mag gestort worden op de aangewezen stortlocaties, zie respectievelijk artikel 2.14 en 2.19.

  • Aan deze vergunningplicht is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatsecretaris van Economische Zaken;

  • Een vergunning is noodzakelijk voor partijen die niet afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden en waarvoor geen schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie beschikbaar is. Proceswater mag alleen geloosd worden na behandeling in een getoetste behandelingsinstallatie en tarra moet afgevoerd worden naar een verwerkingsbedrijf.

Handhaving

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd voor het toezicht op de naleving van de Wet, maar deze bevoegdheid is gemandateerd aan de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD Zeeland). De toezichthouders van de RUD Zeeland beschikken over een aantal algemene toezichtsbevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 5.2, toezicht op de naleving). Toezichthouders van de RUD Zeeland zijn namens Gedeputeerde Staten bevoegd om toezicht te houden op vergunningen verleend in het kader van de Wet of het ten onrechte ontbreken hiervan. Dit omvat ook het inzien van de administratie van bedrijven die aangeven geen vergunning nodig te hebben aangezien de activiteiten onder artikel 2.13 en 2.17 van de beleidsregels zouden vallen.

Artikel 2.12 Algemene bepalingen

In dit artikel wordt de reikwijdte van de beleidsregels bepaald. De beleidsregels hebben betrekking op tweekleppige weekdieren als ook op manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren.

Artikel 2.13 Voorwaarden voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde

In dit artikel is aangegeven dat het voor een ieder toegestaan is om zonder vergunning proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren uit de in dit artikel genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde.

Op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Expertisecentrum LNV, nr. 301) betreft dit partijen die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer. Uitgangspunt is dat deze gebieden ten tijde van het opstellen van de beleidsregels als veilig worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er geen risico is op verslechterende of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde door het lozen van proceswater. Uit de administratie van de bedrijven dient de herkomst van deze partijen herleidbaar te zijn, zodat de RUD Zeeland kan controleren of de partij daadwerkelijk onder de vrijstelling van vergunningplicht valt.

Artikel 2.14

Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is om zonder vergunning proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde. Voor deze gebieden bestaat het risico op de insleep van probleemsoorten en daarom dient een aparte toetsing plaats te vinden.

In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat aan de genoemde vergunningplicht in artikel 2.14, eerste lid is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatssecretaris van Economische Zaken. In dat geval hoeft er voor deze partijen geen aparte vergunning voor het lozen van proceswater aangevraagd te worden bij de Provincie Zeeland.

De handeling zoals vergund door de staatssecretaris van Economische Zaken is weliswaar anders dan het lozen van proceswater, maar het toetsingskader vanuit de Wet is gelijk. De integrale risicobeoordeling (toetsing) is daarmee ook gelijk voor beide handelingen. Bij toepassing van het tweede lid is het noodzakelijk dat het control- en managementplan met de integrale risicobeoordeling en beheersmaatregelen aansluit bij het lozen van proceswater.

Voor het lozen van proceswater van elke partij die niet afkomstig is uit een gebied waarvoor door de staatssecretaris van Economische Zaken een vergunning voor uitzaaien of verwateren is verleend, wordt niet voldaan aan de vergunningplicht zoals omschreven in artikel 2.14, tweede lid. Voor deze partij(en) moet een vergunning aangevraagd worden conform artikel 2.15.

Artikel 2.15

Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het lozen van onbehandeld proceswater van die partijen niet vallend onder artikel 2.13 of 2.14, tweede lid. Voor de partijen die vallen onder artikel 2.15 is toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten de basis voor de vergunning.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke informatie een vergunningaanvraag voor het lozen van onbehandeld proceswater in ieder geval dient te bevatten.

Onder a is aangegeven dat een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Omgevingswetmoet worden meegezonden, waarin is aangetoond dat het lozen van het onbehandelde proceswater geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde.

Onder b is aangegeven dat de aanvraag ook een control- en managementplan moet bevatten met een integrale risico beoordeling en een beschrijving van kritische beheersmaatregelen. Hierin dient te worden beschreven hoe het risico op mogelijke effecten wordt geminimaliseerd en welke maatregelen worden getroffen indien in het herkomstgebied toch probleemsoorten worden aangetroffen. Onder c wordt aangegeven dat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied, zoals omgeschreven in de meest recente versie van het Schelpdier Import Monitoring Protocol (SIMP), onderdeel moet zijn van het control- en managementplan. Uit deze inventarisatie moet blijken dat er geen probleemsoorten zijn aangetroffen in het herkomstgebied.

In het derde lid van dit artikel wordt bepaald dat een meldplicht bestaat voor de partijen die onder artikel 2.15 vallen. De onder a genoemde gegevens moeten gemeld worden bij de Nederlandse Mosselveiling te Yerseke ten behoeve van de RUD Zeeland. Onder b wordt aangegeven welke gegevens in de administratie van de bedrijven moet worden opgenomen. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie te allen tijde op te vragen c.q. in te zien.

Artikel 2.16

In dit artikel wordt bepaald dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het lozen van behandeld proceswater van die partijen die niet vallen onder artikel 2.13 of artikel 2.14, tweede lid of artikel 2.15. Voor de partijen die vallen onder artikel 2.16 is de basis niet de toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten maar het zodanig behandelen van proceswater waardoor het risico op de insleep van probleemsoorten wordt weggenomen alvorens het proceswater in contact kan komen met het oppervlaktewater.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke stukken en onderbouwing een vergunningaanvraag voor het lozen van behandeld proceswater in ieder geval dient te bevatten. Onder a is aangegeven dat een passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Omgevingswet , moet worden meegezonden, waarin is aangetoond dat het lozen van het proceswater door de behandelwijze geen (significant) verstorende of verslechterende heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De wijze van behandeling staat de initiatiefnemer vrij mits deze getoetst is in een passende beoordeling en hierin is onderbouwd dat deze het risico op significant negatieve effecten voldoende wegneemt.

De overige stukken die meegezonden moeten worden bij de aanvraag hebben als doel om inzichtelijk te krijgen welke productiemiddelen en delen van het bedrijf aangemerkt moeten worden als behandelingsinstallatie en wat de specifieke bedrijfsomstandigheden zijn waarbij passende voorwaarden gesteld kunnen worden ter voorkoming van de insleep van probleemsoorten.

In het derde lid van dit artikel zijn een aantal aanvullende voorwaarden opgenomen met betrekking tot de onder artikel 2.15, derde lid genoemde meldplicht en administratie. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie ten alle tijden op te vragen c.q. in te zien.

In het vierde lid van dit artikel worden voorwaarden genoemd die onderdeel kunnen zijn van de te verlenen vergunning. Dit is geen limitatieve opsomming maar geeft een richting aan welke voorwaarden zouden kunnen worden opgenomen. Gedeputeerde Staten schrijven geen norm voor ten aanzien van de behandeling van het proceswater. Het bevoegd gezag schrijft niet vooraf voor wat wel of niet als een significant negatief effect wordt beschouwd. Dit moet namelijk blijken uit de passende beoordeling die bij de vergunningaanvraag wordt ingediend. De bewijslast ligt in dit geval bij de aanvrager net zoals dat geldt in artikel 2.15 door middel van de passende beoordeling en schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie. Een behandelingssysteem bestaat normaliter uit meerdere componenten waarvan een mechanische behandeling (filtratie) een onderdeel is, vaak gevolgd door een fysische behandeling (UV, cavitatie). De toepasbare zuiveringsmethoden zijn ook onderhevig aan vernieuwingen, zeker nu de ballaswaterconventie per 8 september 2017 vigerend wordt.

Artikel 2.17 Voorwaarden voor het storten van tarra in de Oosterschelde

In dit artikel is aangegeven dat het voor een ieder toegestaan is om zonder vergunning tarra die is vrijgekomen bij het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren uit de in dit artikel genoemde gebieden te storten in de Oosterschelde.

Op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Expertisecentrum LNV, nr. 301) betreft dit partijen die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer. Uitgangspunt is dat deze gebieden ten tijde van het opstellen van de beleidsregels als veilig worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er geen risico is op verslechterende of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde door het lozen van proceswater. Uit de administratie van de bedrijven dient de herkomst van de partijen schelpdieren herleidbaar te zijn, zodat de RUD Zeeland kan controleren of de vrijstelling van vergunningplicht legitiem is.

Artikel 2.18

Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is om zonder vergunning tarra die is vrijgekomen bij het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.13 genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde. Voor deze gebieden bestaat het risico op de insleep van probleemsoorten en daarom dient een aparte beoordeling plaats te vinden.

In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat aan de genoemde vergunningplicht artikel 2.18, eerste lid is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatssecretaris van Economische Zaken. In dat geval dient er voor deze partijen geen aparte vergunning voor het storten van tarra aangevraagd te worden bij de Provincie Zeeland.

De handeling zoals vergund door de staatssecretaris van Economische Zaken is weliswaar anders dan het storten van tarra, maar het toetsingskader vanuit de Wet is gelijk. De integrale risicobeoordeling (toetsing) is daarmee ook gelijk voor beide handelingen. Bij toepassing van het tweede lid is het noodzakelijk dat het control- en managementplan met de integrale risicobeoordeling en beheersmaatregelen aansluiten bij het storten van tarra.

Voor het storten van tarra van elke partij die niet afkomstig is uit een gebied waarvoor door de staatssecretaris van Economische Zaken een vergunning voor uitzaaien of verwateren is verleend, wordt niet voldaan aan de vergunningplicht zoals omschreven in artikel 2.14, tweede lid. Voor deze partij(en) moet een vergunning aangevraagd worden conform artikel 2.19.

Artikel 2.19

Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het storten van tarra afkomstig van die partijen niet vallend onder artikel 2.17 of 2.18, tweede lid. Voor de partijen die vallen onder artikel 2.19 is toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten de basis voor de vergunning.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke stukken en onderbouwing een vergunningaanvraag voor het storten van tarra in ieder geval dient te bevatten. Onder a is aangegeven dat passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid van de Wet, moet worden meegezonden waarin is aangetoond dat het storten van tarra geen (significant) verstorende of verslechterende effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde.

Onder b is aangegeven dat de aanvraag ook een control- en managementplan moet bevatten met een integrale risico beoordeling en een beschrijving van kritische beheersmaatregelen. Hierin dient te worden beschreven hoe het risico op mogelijke effecten wordt geminimaliseerd en welke maatregelen worden getroffen indien in het herkomstgebied toch probleemsoorten worden aangetroffen. Onder c wordt aangegeven dat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied, zoals omschreven in de meest recente versie van het Schelpdier Import Monitoring Protocol, onderdeel moet zijn van het control- en managementplan. Uit deze inventarisatie moet blijken dat er geen probleemsoorten zijn aangetroffen in het herkomstgebied.

Tarra afkomstig van partijen die niet vallen onder artikel 2.17, 2.18 of artikel 2.19, eerste en tweede lid mag niet gestort worden in de Oosterschelde, maar dient gescheiden te worden behandeld en afgevoerd te worden naar een verwerker. Een omschrijving van de wijze waarop dit gebeurt dient in een passende beoordeling te zijn opgenomen. Het gescheiden houden en afvoeren van deze tarra dient ter voorkoming van vermenging met andere tarra.

In het vierde lid van dit artikel zijn een aanvullende voorwaarden opgenomen met betrekking tot de onder artikel 2.16, derde lid, onder c, genoemde administratie. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie te allen tijde op te vragen c.q. in te zien.

Afdeling 2.3 Tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren

Artikel 2.20 tijdelijke opschorting vergunningverlening

Bedrijfsmatig handmatig rapen schelpdieren

Sinds jaar en dag is het toegestaan om voor eigen consumptie geschikte schelpdieren (zoals bijvoorbeeld Japanse oesters, kokkels en mosselen) in de Oosterschelde, Westerschelde en Veerse Meer te rapen.

Het recreatief rapen van schelpdieren is onder voorwaarden vrijgesteld van vergunningplicht op grond van de Wet tot 10 kg/pp/dag voor de Deltawateren Oosterschelde, Veerse Meer en Westerschelde & Saefthinge. Voor de overige Deltawateren is het rapen van schelpdieren niet benoemd in de beheerplannen en ook niet separaat gereguleerd.

Waar aan de ene kant het recreatief rapen voor eigen consumptie onder voorwaarden is toegestaan, is het bedrijfsmatig handmatig rapen (meer dan 10 kg/pp/dag die in de handel mag worden gebracht) vergunningplichtig gesteld. Dit heeft onder meer te maken met de grotere hoeveelheden die worden geraapt en voedselveiligheid.

In de afgelopen jaren is gebleken dat er een groeiende behoefte bestaat om recreatief of bedrijfsmatig zeegroenten te snijden of schelpdieren te rapen in de Deltagebieden. Momenteel is er geen volledig inzicht in de aanwezige hoeveelheden schelpdieren en zeegroenten. Het blijven uitgeven van vergunningen zou dus kunnen betekenen dat er uiteindelijk te veel verstoring optreedt door het rapen en snijden en/of dat er te weinig voedsel beschikbaar blijft voor de in de gebieden levende soorten. Er dient daarom inzicht te worden gekregen in de beschikbare hoeveelheden zeegroenten en schelpdieren in de Deltawateren. Dit is vastgelegd in de Beleidsnota Natuurbescherming.

De Beleidsnota Natuurbescherming is op 4 september 2018 door gedeputeerde staten in concept ter consultatie vastgesteld. Na consultatie door diverse stakeholders zal deze worden voorgelegd aan provinciale staten. Provinciale staten zullen deze beleidsnota op 7 december 2018 definitief vaststellen.

Eén van de voorstellen in de Beleidsnota Natuurbescherming is, om waar mogelijk, het handmatig (bedrijfsmatig) rapen van schelpdieren in delen van de vrij-toegankelijke gebieden vergunningvrij toe te staan. Om dit mogelijk te maken, dient vast te staan dat het rapen geen negatieve effecten met zich meebrengt op de te beschermen natuurwaarden van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat inzicht verkregen dient te worden in de aanwezige hoeveelheid schelpdieren in de betreffende Natura 2000-gebieden, de voedselbehoefte van binnen de Natura 2000-gebieden levende dieren (voor wat betreft de schelpdieren), de hoeveelheid schelpdieren die na aftrek van die voedselbehoefte beschikbaar is voor consumptie, en de mate van verstoring die het handmatig rapen met zich meebrengt. Aan de hand van de uitkomsten van dergelijk onderzoek kan dan worden bepaald of er vergunningvrij (bedrijfsmatig) handmatig kan worden geraapt of dat er uiteindelijk een aantal vergunningen kan worden verleend zonder dat de voor de Natura 2000-gebieden te bereiken gunstige staat van instandhouding in gevaar wordt gebracht. Bij dit alles dient zoals hiervoor reeds werd aangegeven ook rekening te worden gehouden met de hoeveelheden die recreatief, dus zonder vergunning, mogen worden geraapt.

Daarnaast komt het steeds vaker voor dat aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning worden ingediend voor steeds andere soorten schelpdieren, zoals alikruiken en tapijtschelpen. Elke vergunningaanvraag dient te worden getoetst op de mogelijke effecten die de aangevraagde activiteit heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het gaat er hierbij niet zozeer om dat de individuele aanvraag leidt tot mogelijke effecten, maar veel meer om te voorkomen dat precedentwerking ontstaat doordat meerdere partijen een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning in gaan dienen, wat vervolgens leidt tot een cumulatie van effecten die zonder inzicht in de totale beschikbare hoeveelheid aan schelpdieren en de voedselbehoefte voor de in de Natura 2000-gebieden levende soorten kan leiden tot (significante) negatieve effecten.

Bedrijfsmatig snijden zeegroenten

Het recreatief snijden van zeegroenten wordt voor een aantal plaatsen in de Oosterschelde jaarlijks apart vergund door middel van verloting van een beperkt aantal vergunningen. In de Westerschelde & Saeftinghe is het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten op een specifieke locatie en door een bepaalde ondernemer opgenomen in het beheerplan (als vergunning vrije activiteit), daarnaast zijn een aantal vergunningen verleend. Voor de overige Deltawateren is het snijden van zeegroenten niet benoemd in de beheerplannen en ook niet apart gereguleerd. Afgelopen jaren is gebleken dat er een groeiende behoefte bestaat om recreatief of bedrijfsmatig zeegroenten te snijden. Gelet op deze behoefte en het uiteenlopen van bestaand beleid zal de provincie aanvullend beleid formuleren voor het recreatief danwel bedrijfsmatig snijden van zeegroenten. Doel is om te onderzoeken wat de effecten zijn van het snijden. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek zouden gedeputeerde statenkunnen besluiten dat in bepaalde deelgebieden vergunningsvrij gesneden kan worden. Dat kan pas nadat een toetsing van de mogelijke ecologische effecten heeft plaatsgevonden.

Dit alles heeft er toe geleid dat in de Beleidsnota Natuurbescherming zal worden vastgesteld dat allereerst inzichtelijk dient te zijn wat de effecten van deze mogelijke verruiming op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden zijn. Aangetoond moet worden dat het handmatig rapen van schelpdieren en snijden van zeegroenten uit ecologisch oogpunt verantwoord is. Daartoe zorgen gedeputeerde staten er voor dat door het laten uitvoeren van een onderzoek duidelijk wordt wat de ecologische effecten van het vergunningvrij rapen/snijden zijn voor de te beschermen natuurwaarden van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit onderzoek naar de ecologische effecten zal reeds tijdens het proces van voorbereiding van de beleidsnota worden opgestart. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zullen gedeputeerde staten een afweging maken, of, en onder welke voorwaarden, het vergunningvrij (bedrijfsmatig) handmatig rapen van schelpdieren en/of snijden van zeegroenten wordt toegestaan. Deze keuze en voorwaarden zullen uiteindelijk worden vastgelegd in een beleidsregel.

Daarnaast zal voor het handmatig rapen van schelpdieren ook aandacht zijn voor de risico’s met betrekking tot voedselveiligheid. Er zal overleg met de betrokken visserijsector plaatsvinden en de uitkomsten van de lopende pilot “beroepsmatig oesters rapen in de Oosterschelde” worden meegenomen.

Zoals eerder aangegeven worden er bij gedeputeerde staten nog steeds verzoeken ingediend tot het bedrijfsmatig handmatig rapen van diverse soorten schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten. Zonder voldoende inzicht te hebben in voedselbeschikbaarheid en voedselbehoefte van de in de betrokken Natura 2000-gebieden levende dieren en optredende verstoring, kan het toekennen van vergunningaanvragen uiteindelijk leiden tot het niet bereiken van de voor de in de Natura 2000-gebieden levende soorten.

Dit alles heeft er toe geleid dat gedeputeerde staten hebben besloten om het verlenen van vergunningen op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef, en onder e Omgevingswet voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren op te schorten totdat hiervoor beleid is vastgesteld.

Hoofdstuk 3. Flora- en fauna-activiteiten

Afdeling 3.1, sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden

Algemeen

De beleidsregels zijn aangepast naar aanleiding van de invoering van de Omgevingswetgeving (Ow) op 1 januari 2024. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert het begrippenkader voor flora- en fauna-activiteiten. In plaats van het begrip ‘ontheffing’ wordt nu gebruik gemaakt van het begrip ‘omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Bij zeer strenge weersomstandigheden kunnen gedeputeerde staten de jacht sluiten om de overlevingskans van het wild te vergroten. Ook kunnen verleende omgevingsvergunningen en vrijstellingen voor beheer en schadebestrijding tijdelijk worden opgeschort als die situatie zich voordoet.

In deze beleidsregels is aangesloten bij de richtlijnen die ten aanzien hiervan waren opgenomen in de Nota Faunabeleid Zeeland (2003) en hetgeen hierover is opgenomen in de Beleidsnota Natuurwetgeving, Meer prioriteit voor Zeeuwse biodiversiteit (2018). Voor heropening van de jacht c.q. beheer en schadebestrijding is van belang dat weer voldoende voedsel en water beschikbaar is en dat de dieren aangesterkt zijn. In deze beleidsregels zijn de criteria nader uitgewerkt.

Bij het bepalen van de criteria is onderscheid gemaakt in criteria voor watervogels, wild (met uitzondering van wilde eend) en overige soorten, omdat de gevolgen van zeer strenge weersomstandigheden per situatie en diersoort verschillen. Opschorten van omgevingsvergunningen of vrijstellingen voor grote hoefdieren, zoals ree en damhert is in principe niet aan de orde. Deze soorten ondervinden over het algemeen geen hinder van winterse omstandigheden.

Een door Gedeputeerde Staten genomen besluit tot sluiting van de jacht zal steeds van toepassing zijn voor het gehele grondgebied van de provincie.

Artikel 3.1 Criteria Watervogels

Tot deze groep behoren onder andere wilde eend, grauwe gans, kolgans en Canadese gans. De wilde eend behoort tot het jachtwild waarop de jacht normaliter is geopend van 15 augustus tot en met 31 januari. De overige soorten zijn slechts op basis van een eventueel verleende omgevingsvergunning of vrijstelling te bestrijden. Voor alle soorten uit deze groep is open water van groot belang, omdat dit dienst doet als slaap- en (voor wilde eend) foerageerplaats. Al bij een geringe bedekking van voedsel (voornamelijk gras) met sneeuw of ijzel kunnen deze soorten dit niet of zeer moeilijk bereiken en bestaat er aanleiding de jacht te sluiten en eventuele omgevingsvergunningenof vrijstellingen op te schorten.

Artikel 3.2 Criteria Wild (met uitzondering van wilde eend)

Onder deze groep worden de overige wildsoorten, haas, konijn, fazant en houtduif begrepen.

De jacht op deze dieren is normaliter geopend van 15 oktober tot en met 31 december voor haas, van 15 augustus tot en met 31 januari voor konijn, van 15 oktober tot en met 31 december voor fazantenhen en van 15 oktober tot 31 januari voor fazantenhaan. De jacht op houtduif is geopend van 15 oktober tot en met 31 januari. Het menu van deze wildsoorten is wat gevarieerder dan dat van de watervogels. Bij een dunne sneeuw- of ijzel laag kunnen deze soorten dan ook nog voldoende voedsel bemachtigen. Bij toenemende sneeuwdikten of langere vorstperioden komen zij echter ook in moeilijkheden. In dat soort situaties bestaat er aanleiding de jacht te sluiten en eventuele omgevingsvergunningenof vrijstellingen op te schorten

Artikel 3.3 Criteria Overige soorten

Tot de overige soorten worden de dieren gerekend die landelijk en provinciaal zijn vrijgesteld en de dieren waarvoor omgevingsvergunningen zijn of worden verleend. Deze soorten hebben over het algemeen minder last van winterse omstandigheden. Een aantal soorten waaronder de vos en de zwarte kraai profiteren zelfs van het verhoogde aanbod aan dode en verzwakte prooidieren.

Het reguleren of bestrijden van deze dieren vindt slechts plaats indien dit vanwege schadebestrijding noodzakelijk is. Onder extreme winterse omstandigheden, wanneer dieren minder weerbaar zijn, is het niet verantwoord om dieren te bestrijden. Opschorten van omgevingsvergunningen en/of vrijstellingen dient dan plaats te vinden.

Artikel 3.10 Soortenmanagementplan (SMP)

Bij de inzet van een gebiedsgerichte omgevingsvergunning wordt beoogd om zowel een soort duurzaam te beschermen als ruimte te verschaffen voor ontwikkelingen waarvan op voorhand nog niet precies duidelijk is hoe, waar en wanneer deze zullen worden uitgevoerd. De gebiedsgerichte omgevingsvergunning behelst als het ware overcompensatie: ook al weet de aanvrager vooraf nog niet precies wat hij tijdens het uitvoeren van activiteiten allemaal zal aantreffen, vast staat dat hij vooraf duidelijk heeft kunnen maken dat de situatie van de soorten na het uitvoeren van activiteiten niet gelijk zal blijven, maar beter zal worden. Het is daarbij belangrijk om de meest wezenlijke functionaliteiten van een gebied voor het voortbestaan van de soort in beeld te hebben. Als een soort, afhankelijk van de tijd van het jaar, verschillende gebieden gebruikt dan moeten de verschillende functies afzonderlijk in beeld zijn.

Het gaat hierbij dus primair om het behoud van de soort. De inventarisatie die aan het soortenmanagementplan vooraf gaat hoeft derhalve niet tot op grote zekerheid iedere verblijfplaats in beeld te hebben gebracht.

Artikel 3.1 1 pre-SMP methodiek

Lid 1

De activiteit waar een gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP methodiek voor wordt verleend, betreft uitsluiten het isoleren van particuliere grondgebonden woningen of het plaatsen van zonnepanelen op deze woningen. Deze omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd aan gemeenten binnen de provincie Zeeland. De toetsing van deze vergunningsaanvragen vindt plaats conform de kaders van het pre-SMP methodiek, zoals opgenomen in bijlage 5. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan”, een publicatie van de Provincie Utrecht, is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten weergegeven.

Lid 2 Sub a

In het tweede lid onder sub b is de voorwaarde weergegeven waaraan sowieso moet worden voldaan voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. De aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning dient vergezeld te zijn van een pre-Soortenmanagementplan. Hierin dient ten minste te worden beschreven hoe de gemeente het verlies aan kraamverblijfplaatsen in de gemeente compenseert. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan” is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten aan dit pre-SMP weergegeven.

Lid 2 Sub b

Aan de activiteiten zijn vereisten verbonden. Deze vereisten zijn uitgewerkt als de pre-SMP methodiek van het “natuurvriendelijk isoleren”. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan” is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten weergegeven.

Lid 2 Sub c

De voorwaarde onder sub c is gesteld om te verzekeren dat de omgevingsvergunning op grond van de pre-SMP methodiek ook echt wordt gebruikt als opstap naar een gebiedsgerichte omgevingsvergunning op grond van de SMP-methodiek. Bedoeling is dat die SMP-vergunning tijdens de looptijd van de pre-SMP-vergunning wordt voorbereid en er ten minste 6 maanden voor het verstrijken van de pre-SMP-vergunning een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend. Hierdoor kan de SMP-vergunning, zonder dat een periode ontstaat waarin geen omgevingsvergunning geldig is, direct aansluitend op de looptijd van pre-SMP-vergunning worden verleend. Om te kunnen beoordelen of dit bij de aanvraag voor de pre-SMP vergunning is verzekerd, dient in beginsel een opdracht gegeven te zijn aan een ecologisch (advies) bureau om veldonderzoek uit te voeren die nodig is voor het opstellen van een SMP. In uitzonderingsgevallen kunnen we besluiten dat ook een gemeenteraadsbesluit tot het opstellen van een SMP en het indienen van een aanvraag om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning binnen de looptijd voldoende is als verzekering.

Hoofdstuk 4. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen

De beleidsregels zijn aangepast naar aanleiding van de invoering van de Omgevingswetgeving (Ow) op 1 januari 2024. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert het begrippenkader voor de houtopstanden. De ‘ontheffing’ van de herplantplicht verandert in de bevoegdheid van gedeputeerde staten tot het treffen van maatwerkvoorschriften ten aanzien van de herplantplicht.

Afdeling 4.1, herbeplanting houtopstanden

Algemeen

In dit hoofdstuk geven wij duidelijkheid over de invulling van onze bevoegdheden omtrent houtopstanden binnen de kaders van de Wet en de Verordening. Onze werkwijze is grotendeels gebaseerd op de bestaande praktijk. De gehanteerde principes leggen wij hierbij vast in beleidsregels. Op deze manier is voor iedereen vooraf duidelijk wat wij verstaan onder bepaalde in de Wet of de Verordening opgenomen begrippen, hoe wij omgaan met het herplanten van rijbeplanting naar oppervlaktebeplanting en andersom en in welke gevallen wij maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de herplantplicht . Door dit vooraf te communiceren wordt meer draagvlak gecreëerd en wordt het naleefgedrag bevorderd.

Begrippen

De Wet kent een aantal begrippen die in de praktijk verschillend worden geïnterpreteerd. Dit zorgt voor onduidelijkheid, en die onduidelijkheid kan nogal gevolgen hebben, want in sommige gevallen bepaalt dit of een houtopstand na vellen herbeplant moet worden of niet. Een duidelijke definiëring van deze begrippen kan deze onduidelijkheid wegnemen en voorkomen dat er per situatie beoordeeld (en gediscussieerd) moet worden of er wel of geen meld- en herplantplicht geldt. Het vaststellen van de definities in beleidsregels zal ook de administratieve druk verlagen, zorgen voor een snellere besluitvorming en bijdragen aan een betere handhaafbaarheid van de wet. De relevante begrippen zijn te vinden in bijlage 1 van dit besluit. Het gaat om de volgende begrippen: bedrijventerrein; dijk/dijklichaam; eenrijige beplanting langs landbouwgronden; spontane natuurlijke verjonging; weg; en wegbeplanting.

Artikel 4.1 Omrekenfactor herbeplanting rijbeplanting

Houtopstanden kunnen zijn aangeplant als rijbeplanting of als oppervlaktebeplanting (bos). Soms is het wenselijk of noodzakelijk om een rijbeplanting te herplanten als oppervlaktebeplanting of andersom. Gedeputeerde staten hanteren, evenals de aangrenzende provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland, als norm bij de beoordeling van herbeplanting van rijbeplanting naar oppervlaktebeplanting of andersom, dat 125 meter rijbeplanting overeenkomt met 10 are (1000 m²) oppervlaktebeplanting.

Artikel 4.2 Uitzondering herbeplanting rijbeplanting 

In artikel 6.28, onder c, van de Verordening, is opgenomen dat kan worden afgeweken van de eisen die gesteld worden aan de plantafstand bij het herplanten van rijbeplanting in bestaande situaties met duurzame boomsoorten. Om duidelijkheid te scheppen over welke boomsoorten in ieder geval als duurzame boomsoorten worden gezien is deze beleidsregel opgenomen.

Artikel 4.3 Maatwerkvoorschrift herplantplicht

Op grond van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet een gevelde houtopstand binnen drie jaar herplant worden. Dit is niet in alle gevallen wenselijk. Zo kan er sprake zijn van spontane ontwikkeling van houtopstanden als gevolg van achterstallig onderhoud op nog ongebruikte delen van bedrijventerreinen. Het kan knellen wanneer de ruimte op het bedrijventerrein nodig is voor (door)ontwikkeling en er geen plaats is om binnen hetzelfde terrein te herplanten. In deze situatie zal gedeputeerde staten gebruik maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 11.119 Besluit activiteiten leefomgeving een maatwerkvoorschrift te stellen ten aanzien van de herplantplicht. Tevens is beschreven waar een dergelijk verzoek om en maatwerkvoorschrift aan moet voldoen.

Hoofdstuk 5. Tegemoetkoming faunaschade

De beleidsregels zijn aangepast naar aanleiding van de invoering van de Omgevingswetgeving (Ow) op 1 januari 2024. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert het begrippenkader voor flora- en fauna-activiteiten. In plaats van het begrip ‘ontheffing’ wordt nu gebruik gemaakt van het begrip ‘omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Artikel 5.1

In artikel 5.1 hebben Gedeputeerde Staten, ter invulling van artikel 15.53 eerste lid Omgevingswet, bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om directe vraat-, graaf-, wroet-, veeg-, pik-, of predatieschade aan bedrijfsmatige landbouw.

Directe schade

Directe schade is schade die is aangericht door het vreten, graven, wroeten, vegen of pikken door de dieren, aan de landbouwgewassen zelf of aan landbouwhuisdieren door predatie. Geen tegemoetkoming wordt dus verleend voor indirecte schade of gevolgschade. Daaronder wordt verstaan, alle schade die geen directe schade is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals bevestigd dat het niet onredelijk is dat alleen schade die door dieren aan de gewassen zelf is aangericht, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt [9]. En dat bijvoorbeeld meer- en vervolgschade, zoals een lagere omzet of kosten die gemaakt zijn voor sortering en extra onkruidbestrijding, slechts een afgeleide is van schade veroorzaakt door dieren, en dat het verband tussen het schadeveroorzakende gedrag en die schade te ver is verwijderd om van een rechtstreeks gevolg te kunnen spreken. Die schade is niet direct gerelateerd aan de bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan structuurschade aan gronden doordat dieren die gronden hebben betreden. Schade aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen behoren ook niet tot directe schade die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

Bedrijfsmatige landbouw

Met bedrijfsmatige landbouw wordt bedoeld: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen te) vinden in de landbouw. Als een aanvrager staat ingeschreven bij de KVK met SIBI code gereserveerd voor landbouwbedrijven, en hij verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een gecombineerde opgave te doen, zijn dat duidelijke aanwijzingen dat sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige landbouw, komt een aanvrager voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden, doordat bij wet beschermde natuurlijk in het wild levende diersoorten schade toebrengen aan gewassen, bepaalde teelten of gehouden dieren. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of teelten, dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd.

Landbouw

Onder landbouw wordt verstaan: veehouderij, akkerbouw, vollegrondgroenteteelt, griendhout, riet, weidebouw, tuinbouw. Tuinbouw is een intensieve vorm van landbouw, waaronder begrepen fruitteelt, het telen van vruchten, groenten, paddenstoelen en bloembollen-, bloemen- en bomenteelt. Het moet gaan om (met het oogmerk) te oogsten gewassen, afkomstig van voorgenoemde teelten, die bedrijfsmatig worden geteeld in de vollegrond en in de open lucht.

Niet in de vollegrond en open lucht, zijn bijvoorbeeld gewassen die worden gekweekt in kassen en containerteelt waarbij het gewas gekweekt wordt in een pot op de grond op een teeltdoek.

Niet onder landbouw wordt verstaan: de visserij, mossel- zeekraal- en oesterteelt en andere vormen van schelpdierenkwekerij, omdat deze activiteiten niet op het land plaatsvinden. Ook is hier geen sprake van teelten die in de vollegrond en open lucht plaatsvinden. Tevens wordt niet verstaan onder landbouw: houtteelt en bosbouw omdat dit geen landbouwkundig gebruik is.

Schadepercelen

Verder bepaalt artikel 5.1 dat een aanvrager de percelen waarop schade is aangericht, op titel van eigendom, (erf)pacht, of een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik moet hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Ingeval van een mondelinge overeenkomst is het aan de aanvrager om dit aan te tonen. Voor schade door predatie aan landbouwhuisdieren, geldt dat de aanvrager aantoonbaar eigenaar is van het betreffende dier. In het aanvraagformulier tegemoetkoming faunaschade in MijnFaunazaken, geeft een aanvrager de schadepercelen op, op basis van de actuele perceelsregistratie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Als de (eigendom/pacht) status van de percelen daaruit onvoldoende blijkt, kan BIJ12 de aanvrager in het kader van de beoordeling van de tegemoetkomingsaanvraag om de schriftelijke (pacht)overeenkomsten vragen.

Artikel 5.2

Artikel 5.2 bevat de voorwaarden, ten aanzien van het voorkomen en beperken van schade, waaraan getoetst wordt en waaraan een aanvrager moet voldoen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Gedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming slechts als een aanvrager zelf al het mogelijke, dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Het gaat hierbij om te treffen 1 maatregelen ter voorkoming van schade - de preventieve maatregelen -, en maatregelen ter (verdere) beperking van de schade door de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden.

Artikel 5.2 spreekt over maatregelen of inspanningen waartoe een aanvrager, naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, is gehouden om schade te voorkomen en beperken. De inspanningen die worden verwacht hangen samen met een aantal factoren.

De gevraagde inspanning moet in verhouding staan tot de opbrengst van een gewas. Bij een kapitaalintensief gewas met hoge opbrengst mag redelijkerwijs meer worden verwacht van een aanvrager. Een andere factor is de kwetsbaarheid van een gewas, in een bepaalde periode of voor bepaalde dieren, of op een bepaalde locatie. Ook de voorzienbaarheid speelt een rol. Als een aanvrager redelijkerwijs kan voorzien dat de kans op schade groot is, bijvoorbeeld omdat een net ingezaaid gewas erg aantrekkelijk (dus kwetsbaar) is, of omdat er op dezelfde locatie aan hetzelfde gewas door dezelfde dieren al vaker schade is aangericht, dan verwachten Gedeputeerde Staten een maximale inspanning van de aanvrager om zijn gewassen of dieren te beschermen.

Kwetsbare gewassen

Kwetsbaar zijn feitelijk alle gewassen, met uitzondering van weide-, hooi-, en graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat een aanvrager alle in de Faunaschade Preventiekit opgesomde maatregelen treft, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan in redelijkheid worden verlangd dat hij minimaal één akoestische en één visuele maatregel treft, in voldoende aantallen. De maatregelen moeten gevarieerd worden aangewend.[10] De taxateur vermeldt bij zijn taxatie de door de aanvrager toegepaste maatregelen in zijn taxatierapport.

Niet-kwetsbare gewassen

Geen preventieve maatregelen worden gevraagd bij weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en bij granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt. Granen en graszaad worden ná 1 april niet meer beschouwd als kwetsbaar gewas.

Granen, met name wintergraan en eerstejaars gras en graszaad, zijn kwetsbaar vlak na het inzaaien, als het plantje gekiemd is en net boven de grond staat. Het gewas is op dat moment eiwitrijk en heeft veel voedingswaarde wat het erg aantrekkelijk maakt voor dieren. Naarmate het gewas zich verder ontwikkelt wordt het minder aantrekkelijk, groter en gaat het een stengel vormen met zaad erin. In deze periode is het gewas minder aantrekkelijk voor dieren. Het plaatsen van preventieve middelen heeft dan weinig toegevoegde waarde. Juist in deze periode, na 1 april, moet een agrariër ook veel spuiten tegen ziektes en kwalen, dit is een extra reden om deze preventieve middelen dan niet meer te eisen. Tegen de afrijping wordt het gewas wel weer aantrekkelijker voor ganzen; te denken valt aan gelegerd graan en graszaad wat op zwad ligt.

Kapitaalintensieve teelten

Onder kapitaalintensief wordt in elk geval verstaan: de teelt van bloemen, bloembollen, bomen, graszaden, fruit, en hoog salderende groentes, zoals aardbeien, asperges, waspeen en ijsbergsla. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om eenjarige gewassen die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen), ofwel om teelten die meerdere jaren op een plek staan c.q. meerjarige gewassen, waarbij schade een opbrengstderving over meerdere jaren kan veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is schade door bevers aan fruitbomen. Alle kapitaalintensieve teelten worden als kwetsbaar beschouwd. Bij deze teelten mag van aanvragers redelijkerwijs een grote inspanning worden verlangd om schade te voorkomen en beperken.

Bij schade door zoogdieren aan een kapitaalintensieve teelt, kan in redelijkheid verlangd worden dat er tijdig een deugdelijk raster geplaatst wordt om het gewas te beschermen en schade te voorkomen.[11] Een deugdelijk raster staat omschreven in de Faunaschade Preventiekit. Bij kapitaalintensieve dieren kan gedacht worden aan dieren van een speciale afkomst of ras, of zeer kostbare specifieke dieren voor speciaal gebruik.

Niet-kapitaalintensieve teelten

Een voorbeeld van een kwetsbaar, niet-kapitaalintensief gewas is nieuw ingezaaid grasland jonger dan zes maanden. Dit gewas is aantrekkelijk voor vogels maar niet hoog salderend. Er worden wel preventieve akoestische en visuele middelen gevraagd, in voldoende aantallen.

Een voorbeeld van een niet-kwetsbaar, niet-kapitaalintensief gewas zijn de hiervoor genoemde weidepercelen (blijvend grasland) ouder dan zes maanden. Deze zijn niet-kwetsbaar en niet hoog salderend. Hier worden geen preventieve middelen verlangd van een aanvrager.

Voorzienbaarheid

Naast de vraag of een gewas kapitaalintensief of kwetsbaar is, speelt de voorzienbaarheid van de schade een rol in de afweging wat in redelijkheid van een aanvrager verwacht mag worden. Als bijvoorbeeld in opeenvolgende jaren steeds schade optreedt op een bepaald perceel met een kapitaalintensief gewas, mag van aanvrager worden verwacht dat hij meer maatregelen treft om die schade te voorkomen en beperken. Ook als een gewas op een zodanige locatie geteeld wordt, waardoor het risico op faunaschade voorzienbaar is, kunnen Gedeputeerde Staten hogere eisen aan het beschermen van gewassen stellen.

Bij de afweging welke preventieve middelen in redelijkheid gevraagd kunnen worden, wordt voornamelijk naar voornoemde factoren gekeken. Wat voor teelt is het, zijn gewassen extra aantrekkelijk voor een bepaalde diersoort, is er al meerdere malen eenzelfde schade ontstaan, betreft het een schadegevoelige locatie. Dan zijn dat omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid extra maatregelen en inspanningen van een aanvrager verlangd kunnen worden om schade te voorkomen en beperken.

Faunaschade Preventiekit & Innovatie

BIJ12 heeft ter voorlichting van agrariërs de Faunaschade Preventiekit opgesteld, te vinden op www.bij12.nl. Daarin worden voor de diverse schadeveroorzakende diersoorten per gewas maatregelen opgesomd die de agrariër, of diens jachthouder, kan treffen om faunaschade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken.

Om innovatieve maatregelen, te stimuleren bestaat de mogelijkheid om ook andere, niet in de Faunaschade Preventiekit vermelde maatregelen toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de aanvrager, voordat hij een nieuwe maatregel gaat testen, de verwachte effectiviteit schriftelijk motiveert aan BIJ12. Eventueel kan een consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek doen. Als BIJ12 de aanvrager toestemming verleent het voorgestelde middel te testen, zal de Faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel ligt, van die toestemming in kennis worden gesteld.

Schadebestrijding met omgevingsvergunning of vrijstelling

Blijkens de wetsgeschiedenis is de aanvrager degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van, door natuurlijk in het wild levende dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid.

Tijdig omgevingsvergunning

Als de grondgebruiker de schade niet heeft kunnen voorkomen geldt de verplichting om de schade, vanaf het moment van schadeconstatering, in elk geval zoveel mogelijk te beperken door het bestrijden van de schadeveroorzakende diersoort.

Om schadeveroorzakende dieren te doden in het kader van schadebestrijding moet een aanvrager tijdig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet , aanvragen ten behoeve van zijn jachthouder.

Vaak heeft de provincie op voorhand al een omgevingsvergunning of ontheffing voor een bepaalde schadeveroorzakende diersoort verleend aan de Faunabeheereenheid. In dat geval kan een grondgebruiker (of diens jachtaktehouder) volstaan met het aanvragen van een toestemming of machtiging bij deze Faunabeheereenheid, om van de reeds verleende omgevingsvergunning of ontheffing gebruik te maken.

Gedeputeerde Staten menen dat het tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning een van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke faunaschade te voorkomen en beperken. Als de aanvrager een dergelijke omgevingsvergunning niet of niet tijdig heeft aangevraagd, zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend.

Tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning houdt in dat deze indien mogelijk vooraf, doch uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van een aanvrager verwacht dat hij of zij direct actie onderneemt. Dat tijdig, uiterlijk op de dag van schadeconstatering, een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.[12]

Wordt een omgevingsvergunning verleend dan zal ook de schade die, gedurende de behandelingsperiode van de vergunningaanvraag, ondanks de inspanningen van de aanvrager nog is ontstaan, bij de taxatie van de schade worden betrokken. Als een omgevingsvergunning tijdig en deugdelijk is aangevraagd maar door Gedeputeerde Staten of Faunabeheereenheid wordt geweigerd en dit de aanvrager niet te verwijten is, dan achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming op zijn plaats. Dit is bijvoorbeeld het geval als een omgevingsvergunning niet wordt verleend vanwege het ontbreken van schadehistorie, of als een omgevingsvergunning geschorst is vanwege een gerechtelijke procedure.

Gedeputeerde Staten zullen bezien in welke gevallen een vergunningaanvraag achterwege kan blijven. Als op voorhand duidelijk is dat geen omgevingsvergunning kan of zal worden verleend, wordt niet verwacht dat men (toch) een aanvraag moet doen. Ook kan een vergunningaanvraag achterwege blijven als, bijvoorbeeld, kan worden aangetoond dat afschot van schadeveroorzakende soort nauwelijks of geen effect heeft op het voorkomen of beperken van schade door die diersoort, of omdat een omgevingsvergunning gezien de (ongunstige) staat van instandhouding van die diersoort of de status van het gebied ongewenst is. De basis hiervoor ligt in beginsel in een (door de Faunabeheereenheid opgesteld en) door Gedeputeerde Staten vastgesteld faunabeheerplan. Als de basis om een omgevingsvergunning te verlenen ontbreekt in het faunabeheerplan, wordt van een aanvrager niet verlangd dat hij een omgevingsvergunning aanvraagt.

Adequaat gebruik

Van een verleende omgevingsvergunning moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat er minstens tweemaal per week (op twee verschillende dagen) verjaging met ondersteunend afschot moet plaatsvinden, vanaf het moment van schadeconstatering tot en met de eindtaxatie. Bij het bepalen van deze periode wordt er vanuit gegaan dat een omgevingsvergunning, uiterlijk, wordt aangevraagd op de dag van constateren van schade van enige omvang. De verplichting om de schade, als deze niet (geheel) voorkomen kon worden, dan in elk geval zoveel mogelijk te beperken door middel van het bestrijden van de schadeveroorzakende dieren, loopt door tot en met de eindtaxatie.

Bejaagacties moeten zijn verricht op, of in een buffer van 200 meter rondom, de schadepercelen. Bij schade door hoefdieren geldt een maatwerkbeoordeling door BIJ12, zoals een buffer van 500 meter rondom de schadepercelen. Alleen dan tellen deze acties mee in de beoordeling van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning of vrijstelling. Ook bejaagacties waarbij geen dieren zijn gedood, tellen mee voor het adequaat gebruik en moeten worden geregistreerd. Als de jager aanwezig is geweest, maar geen schadeveroorzakende dieren heeft aangetroffen, kan dit apart worden vermeld. Van belang is dat concreet de geleverde inspanning én het resultaat per datum van uitvoering wordt vermeld in het registratiesysteem.

Bij het gebruik maken van de omgevingsvergunning moeten de acties dus gericht zijn op het plegen van afschot. Het verjagen en verontrusten van de schadeveroorzakende dieren (zoals gebruik van het vogelafweerpistool of verjaging anderszins) worden niet meegenomen in de beoordeling in het kader van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning. De invulling die wordt gegeven aan wat wel en wat niet adequaat is, wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.[13]

Vrijstelling of opdracht

Als er sprake is van een provinciale vrijstelling met beperkingen, moet daarvan – evenals van een omgevingsvergunning - adequaat gebruik worden gemaakt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit wordt op eenzelfde manier beoordeeld als het adequaat gebruik van een omgevingsvergunning, zoals hiervoor omschreven.

Controle gegevens

Om aan te tonen dat sprake is van adequaat gebruik, wordt van een aanvrager verlangd te rapporteren over het gebruik van de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt voor een vrijstelling met beperkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om de bedoelde informatie tijdig, binnen twee weken na bevestiging taxatie, en volledig beschikbaar te stellen aan BIJ12. In de praktijk zal het vaak de jachtaktehouder zijn die deze gegevens in het Schaderegistratie systeem (SRS) registreert, maar de aanvrager is ervoor verantwoordelijk dat dit tijdig en volledig gebeurt.

Dit kan men doen door de gegevens over de bejaagacties c.q. verjaagacties met ondersteunend afschot te rapporteren in een, voor BIJ12 toegankelijk registratiesysteem. Om BIJ12 inzicht te geven in de aangeleverde gegevens, moet de aanvrager in het systeem akkoord geven. Vervolgens raadpleegt BIJ12, bij de toetsing of sprake is van adequaat gebruik, de geregistreerde gegevens in het registratiesysteem. Acties die niet tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager bevestiging taxatie heeft ontvangen, zijn ingevoerd in het systeem worden niet meegenomen in de toetsing op adequaat gebruik. Omwille van de uitvoeringslast en betrouwbaarheid van de gegevens worden alleen acties die in het Schaderegistratie systeem (SRS) zijn ingevoerd geaccepteerd. Andere registraties, zoals handgeschreven verklaringen, briefjes of mailtjes met bejaaggegevens worden niet geaccepteerd.

Als de betreffende provincie geen gebruik maakt van een voor BIJ12 toegankelijk registratiesysteem, wordt bij de aanvrager een rapportage opgevraagd in de vorm van een kopie/afschrift van de in het systeem geregistreerde afschot-/bejaaggegevens.

Als de gegevens niet volledig of niet tijdig, binnen twee weken nadat de grondgebruiker de bevestiging taxatie ontvangen heeft, worden aangeleverd, kan de aanvraag worden afgewezen.

Artikel 5.3

Artikel 5.3 bepaalt de termijn waarbinnen een aanvraag om tegemoetkoming in faunaschade moet worden ingediend. Een aanvraag moet binnen zeven werkdagen, na constatering van schade (van enige omvang), worden ingediend. Een aanvraag die niet binnen deze termijn is ingediend, wordt afgewezen.

De termijn van zeven dagen wordt redelijk geacht en is nodig, omdat door tijdsverloop het oorzakelijk verband tussen de opgetreden schade (de omvang, schadeveroorzakende diersoort, eventueel in het veld getroffen maatregelen) steeds minder goed is vast te stellen door een taxateur. Daarnaast is van belang dat met de schadebestrijding, dus het beperken van schade door de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden met ondersteunend afschot, zo snel mogelijk na constatering van de schade wordt begonnen.

Voorjaarsgras

Als de schade door ganzen aan voorjaarsgras, bijvoorbeeld, begin maart wordt geconstateerd, wordt verwacht van de grondgebruiker om, vanaf het moment van schadeconstatering, direct aan schadebestrijding te doen en binnen zeven dagen na de constatering van de schade (van enige omvang) een aanvraag in te dienen, zodat een taxateur de diersoort nog goed en betrouwbaar kan vaststellen en de schade goed kan volgen en eventueel na meerdere bezoeken definitief kan vaststellen en aftaxeren.

Een taxateur taxeert alleen verse schade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de datum van schadeconstatering. Als sprake is van ‘oudere schade’ die al eerder is ontstaan, maar waarvoor pas (veel) later een aanvraag om tegemoetkoming is gedaan, wordt deze oudere schade niet bij de taxatie betrokken. Deze schade en de oorzaak daarvan kan niet meer op zorgvuldige, betrouwbare wijze vastgesteld worden.

Verder is van belang dat een aanvrager het gewas waar de aanvraag op ziet, niet mag oogsten of anderszins handelingen verrichten waardoor de schade niet meer kan worden getaxeerd, totdat de schade definitief door de taxateur is vastgesteld. Als de schade niet meer is vast te stellen, doordat een aanvrager het gewas voor het bezoek van de taxateur heeft geoogst, het perceel heeft bewerkt of heringezaaid al of niet met een ander gewas, dan komt deze schade niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. In artikel 6 is dit ook expliciet benoemd als reden voor afwijzing.

Taxatie zonder aanvraag (autotax)

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om bepaalde door hen aangewezen typen faunaschade ‘automatisch’ te laten taxeren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade op percelen die gelegen zijn in een door Gedeputeerde Staten aangewezen en begrensd ganzenrustgebied of ganzenfoerageergebied. Om deelnemers aan deze gebieden te faciliteren kan besloten worden om de schade op deze percelen jaarlijks sowieso ‘automatisch’ te laten taxeren, zonder aanvraag van een grondgebruiker. Wel moet een grondgebruiker om deel te nemen aan de ‘autotax’ bij BIJ12 de relevante percelen aanmelden in MijnFaunazaken. Wanneer een automatische taxatie wordt verricht, wordt het vaststellen van de schade door de taxateur gelijkgesteld aan een tijdige aanvraag om een tegemoetkoming, waarop de beleidsregels van toepassing zijn. Automatisch taxeren betekent niet automatisch uitbetalen, er vindt nog wel een toetsing plaats.

Taxatie werkwijze

BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die de schade taxeren. De taxaties worden uitgevoerd conform de, door de directeur van BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijnen voor gewassen en vee. Die zijn te vinden op www.bij12.nl.

Na ontvangst van een aanvraag stuurt BIJ12, nadat een eerste beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen zeven werkdagen de opdracht aan het taxatiebureau om de schade te taxeren. Aanvragen waarvan op voorhand duidelijk is dat deze niet voldoen aan de regelgeving, worden niet doorgezonden aan een taxatiebureau. Bijvoorbeeld als het gaat om schade door een vrijgestelde diersoort, welke schade sowieso niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt; of als sprake is van een veel te late aanvraag. Het is niet mogelijk om, alvorens het taxatiebureau de opdracht te geven, al te toetsen of de aanvraag volledig voldoet aan de voorwaarden, omdat niet zo lang gewacht kan worden met het taxeren van de schade in het veld, omdat de taxateur ook de in het veld aangetroffen maatregelen noteert in zijn rapport, en de schade nog kan doorzetten als de dieren nog aanwezig zijn, en bestreden (moeten) worden.

Het taxatiebureau geeft een taxateur de opdracht om de schade op de opgegeven percelen vast te stellen. Soms kan dit in één bezoek, soms volgt de taxateur de schade gedurende meerdere bezoeken, mede afhankelijk van het gewas. De taxateur stelt van zijn bevindingen een taxatierapport samen en zendt dat, na interne controle door de eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ12. Ook wordt na de (eind)taxatie een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Er is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn bedenkingen op de taxatie kenbaar kan maken. De aanvrager moet dan, binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging van de taxatie, zijn bedenkingen aan BIJ12 kenbaar te maken. Deze termijn van acht werkdagen is bepaald, omdat achteraf onder meer het oorzakelijke verband tussen de diersoort(en) en de schade, of de verdeling van diersoorten niet, althans niet meer betrouwbaar en objectief kunnen worden vastgesteld. Voorts kan door tijdsverloop de situatie in het veld veranderen. Wanneer BIJ12 van een aanvrager bedenkingen op de taxatie ontvangt, kan BIJ12 indien nodig een toelichting aan de taxateur vragen. Uiterlijk tien dagen na ontvangst van de bedenkingen op de taxatie, zal BIJ12 aan de aanvrager een reactie daarop sturen, eventueel met opmerkingen van de taxateur.

Artikel 5.4

Artikel 5.4 gaat over het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming, nadat is beoordeeld dat een aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor uitbetaling.

KWIN prijzen

De prijzen die worden gehanteerd bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming, worden door de directeur van BIJ12 vastgesteld. De directeur van BIJ12 kan besluiten om de prijzen, zoals aangegeven in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt, en de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) te hanteren. De KWIN is opgesteld door de Wageningen Universiteit (WUR) en vormt een objectieve maatstaf om als basis te fungeren voor schadeberekeningen, aangezien deze maatstaf controleerbaar is en uitgaat van op een juiste en eenduidige wijze vastgestelde prijzen. Door het hanteren van KWIN-cijfers is BIJ12 niet afhankelijk van sterk fluctuerende marktprijzen en ontstaat er geen vertraging bij het beslissen op aanvragen vanwege het (nog) niet beschikbaar zijn van marktprijzen. In jurisprudentie wordt bevestigd dat met het hanteren van normprijzen een voldoende objectieve maatstaf voor de schadebepaling wordt gebruikt.[14]6 Dat de marktprijs fluctueert en soms hoger of lager ligt dan de vastgestelde prijs, vormt geen aanleiding om af te wijken van deze vastgestelde prijzen. Er is sprake van een tegemoetkoming en niet van een volledige schadevergoeding.[15]

Contractteelt

In geval van contractteelt, waarbij in het contract voorafgaand aan de oogst schriftelijk een gegarandeerde prijs met een afnemer is afgesproken en het contract betrekking heeft op het schadeperceel, kan bij de taxatie (bij de berekening van de tegemoetkoming) worden uitgegaan van de contractprijs. Ook bij producten waar de handel per stuk gaat, of waarvan de KWIN niet in een prijs voorziet, dient de taxateur aan te geven wat de marktprijs is op het moment dat hij taxeert, dan wel welke prijs dat product aan het eind van de oogst oplevert. BIJ12 kan beoordelen of deze prijs redelijk is.

Het is niet onredelijk dat Gedeputeerde Staten bij het bepalen van de opbrengst van een gewas in beginsel uitgaat van de KWIN-gegevens, en slechts van dit uitgangspunt afwijkt als de aanvrager een contract overlegt waaruit een vooraf vastgestelde, andere prijs blijkt.[16]

Om administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen lager dan € 50 niet uitgekeerd.

Eigen risico

Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico ingehouden van 5%. De tegemoetkoming bedraagt dus 95% van de getaxeerde schade. Het kan zijn dat een deel van de getaxeerde schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt, bijvoorbeeld als dat deel door een niet beschermde diersoort is veroorzaakt. De tegemoetkoming bedraagt dus 95% van de getaxeerde schade, die voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Een ‘korting’ van 5% als eigen risico bij een toegekende tegemoetkoming, wordt in de jurisprudentie niet onredelijk geacht.[17]

Gedeputeerde Staten kunnen ook een ander percentage eigen risico bepalen. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2021 en 4 mei 2022 volgt, dat de keuze van de provincie Friesland om een forfaitair eigen risico (een ‘korting’) van 20% toe te passen op te verlenen tegemoetkomingen, in beginsel niet onevenredig wordt geacht[18]. Wel overweegt de Afdeling dat, ingeval een individuele grondgebruiker kan aantonen dat hij, ondanks dat het in het algemeen redelijk is het eigen risico van 20% te hanteren, in zijn geval onevenredig zwaar wordt geraakt wordt door toepassing van die 20%, deze grondgebruiker dan verder tegemoet gekomen moet worden.

Geen eigen risico

Voor diersoorten die op geen enkele wijze mogen worden verjaagd of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten geen eigen risico te hanteren en een volledige tegemoetkoming – dus 100% van de getaxeerde schade – toe te kennen.

In bepaalde perioden geldt, in ganzenrustgebieden en/of Natura 2000-gebieden, rust voor aangewezen dieren. Deze periodes zijn vastgesteld in de provinciale besluiten over de aanwijzing van ganzenrustgebieden of ganzenfoerageergebieden. Dat wil zeggen dat er dan geen gebruik mag worden gemaakt van omgevingsvergunningen en of vrijstellingen voor het verontrusten en doden van de aangewezen dieren. Er bestaat dan, in de regel, geen mogelijkheid om de schadeveroorzakende dieren te bestrijden. Om die reden moet de schade niet ten laste van de aanvrager blijven en wordt geen eigen risico gehanteerd.

Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen besluiten geen eigen risico te hanteren.

Eigen risico bij schade door vogels aan zacht fruit en pit- en steenvruchten

Op tegemoetkomingen in schade aangericht door vogels aan zacht fruit en pit- en steenvruchten, wordt een eigen risico van 40% ingehouden. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft op 9 mei 2018 geoordeeld over tegemoetkomingen in schade door vogels aan appels en peren. Deze uitspraak laat zien dat, gezien het aantal aanvragen om een tegemoetkoming, het begrijpelijk en redelijk is dat wordt overgegaan tot standaardisering van het normaal maatschappelijk risico bij de tegemoetkoming van faunaschade. Deze standaard moet wel passend zijn en mag niet leiden tot een onevenredig zware last voor fruittelers. Volgens de Afdeling kunnen Gedeputeerde Staten ervoor kiezen om standaard 60% van de geleden schade te vergoeden, maar zij kunnen ook voor een afwijkend percentage kiezen mits goed gemotiveerd en toegespitst op de specifieke omstandigheden van de fruittelers. Voor dat laatste is niet gekozen.[19]

Verhoogd eigen risico

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten een verhoogd eigen risico (ten opzichte van het algemeen toegepaste eigen risico) te hanteren. Dit zal in het algemeen alleen gebeuren bij schade aan kapitaalintensieve teelten of kapitaalintensieve gehouden dieren. In de afweging of aan een individuele aanvrager wordt medegedeeld dat, in de toekomst, een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd speelt onder andere mee: soort teelt, teeltlocatie, de mogelijkheid om preventieve maatregelen te treffen.

Ook de vraag of de schade (steeds) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn, of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn, kan daarbij een rol spelen.

In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen, maar ook risico's hij heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen of bijzondere, kapitaalintensieve dieren te houden. Dit moet voor de aanvrager een aanleiding vormen om een risico inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan hij dan niet vervolgens (onbeperkt) afschuiven op de provincie, omdat hij dit risico zelf willens en wetens heeft genomen.

Een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd in de volgende gevallen:

  • a.

    Indien aan een aanvrager vooraf kenbaar is gemaakt dat, in de toekomst, eenerhoogd eigen risico kan worden toegepast.

  • b.

    Indien door handelingen of keuzes van de aanvrager de kans op schade voorzienbaarwas.

  • c.

    In overige gevallen waarin het, op basis van de feiten en omstandigheden, redelijk is om een verhoogd eigen risico toe te passen.

Artikel 5.5

Artikel 15.53, eerste lid Omgevingswet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In artikel 6 van de beleidsregels is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de wet of provinciale verordening Omgevingsverordening Zeeland bieden, om schade te voorkomen of te beperken.

Uitsluitingen in verband met diersoort

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel aanvrager als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend (dieren waarvoor een landelijke of provinciale vrijstelling geldt).[20] Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Omgevingswet Gedeputeerde Staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van beleidsregels daarom als ware het omgevingsvergunningen.

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Omgevingswet zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke omgevingsvergunning is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling.

Geen tegemoetkoming wordt verleend als de schade veroorzaakt is door de huisspitsmuis, bosmuis, de veldmuis of de mol, en voor het doden van deze dieren een vrijstelling geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Als gevolg van een vrijstelling bestaan het gehele jaar voldoende mogelijkheden om de schade te voorkomen dan wel te beperken. Gelet op eerdere veldmuizenplagen, is het bovendien niet bijzonder dat muizen grote schade aan grasland toebrengen.[21]

Geen tegemoetkoming wordt verleend als de schade is aangericht door een dier, als er op basis van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g omgevingswet voor dat doel een omgevingsvergunning is gegeven om de omvang van de populatie te beperken. Er zijn dan voldoende mogelijkheden om de schade te voorkomen of te beperken.

Als de schade veroorzaakt wordt door dieren waarop de minister de jacht heeft geopend, wordt evenmin een tegemoetkoming verleend. In het jachtseizoen zijn er voldoende bestrijdingsmogelijkheden om de populatie te beheren en daarmee faunaschade te voorkomen en beperken. Aanvullend hierop kan in bepaalde gevallen buiten het jachtseizoen, als schade wordt geconstateerd, een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor beheer en schadebestrijding. Uitzondering wordt gemaakt voor de wilde eend. Voor deze diersoort wordt wel een tegemoetkoming verleend, indien de schade geconstateerd wordt buiten de periode dat de jacht is geopend.

Voor bovengenoemde gevallen wordt geen tegemoetkoming in de schade verleend.

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om in bepaalde situaties wel een tegemoetkoming in de schade te verlenen als er door besluitvorming van Gedeputeerde Staten of de overheid beperkingen worden opgeworpen om de schade te voorkomen of te beperken.

Bijvoorbeeld indien de schade is aangericht op percelen gelegen in een Natura 2000-gebied of ganzenrustgebied waar geen schadebestrijding mag plaatsvinden.

Ook kan het zijn dat er wel tot betaling van een tegemoetkoming wordt overgegaan, als de percelen gelegen zijn binnen het kooirecht van een geregistreerde eendenkooi en er daarom geen mogelijkheden bestaan om de schade te voorkomen of beperken. Voor die gevallen dient een afweging gemaakt te worden of het redelijk is om af te wijken van deze beleidsregel.

Uitsluitingen in verband met locatie of functie van de percelen

Binnen de bebouwde kom kan worden voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of beperken, niet mogen worden aangewend.

Schade veroorzaakt op gronden die zijn gelegen binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van deze schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

Schade door beschermde dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Voordat een schadeveroorzakend dier de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt. Ook zijn op grond van het Besluit houders van dieren, dierhouders verplicht om hun dieren te beschermen tegen roofdieren.

Wat betreft pacht met landbouwkundige beperking:

Schade aangericht op gronden die verpacht zijn, als bedoeld in artikel 7:388 BW, dient niet voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor schade op gronden waarvoor een (erf)pachtovereenkomst met een natuurterrein beherende instantie is afgesloten; al ligt dit anders als er geen beperkingen aan het landbouwkundig gebruik van de gronden zijn verbonden. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin het agrarisch gebruik van de gronden ondergeschikt is aan het natuurbeheer. Hetzelfde dient te gelden voor die gronden waarvoor met anderen dan een natuurterrein beherende instantie een (erf)pachtovereenkomst is afgesloten en indien uit deze overeenkomst beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schade volgen. Dit kan blijken uit de (erf)pachtovereenkomst of uit de bestemming die op de percelen berust.

Het gaat in die zin in artikel 5.5, onder j, sub i en ii, van de beleidsregels om die gevallen waarbij schade ofwel is te verwachten, ofwel niet (of minder) is te beperken, ofwel waar het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is gemaakt aan natuurdoelstellingen en dit consequenties zijn van een bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke (erf)pachtovereenkomst.

Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en dat de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd.

Geen tegemoetkoming wordt verleend als op de betreffende gronden beperkingen rusten ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of ten aanzien van de schadebestrijding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een braakliggend terrein dat een grondgebruiker tijdelijk om niet gebruikt.

Uitsluitingen in verband met (moment van) de teelt

Gedeputeerde Staten verlenen geen tegemoetkomingen voor grasschade aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras). Dit is een gevolg van, bij het decentralisatieakkoord, gemaakte afspraken tussen het Rijk en het IPO om een aantal besparingen door te voeren. Hierbij is getracht de versobering door te voeren op plekken die in de gangbare bedrijfsvoering de minste impact hebben, waarbij het volgende is overwogen. In de meeste gevallen worden landbouwhuisdieren vanaf begin oktober binnen gehuisvest.

Omdat de veehouder er vanuit goed graslandbeheer naar streeft zijn grasland kort de winter in te laten gaan, worden sommige percelen – afhankelijk van de weersomstandigheden – in oktober nog wel gemaaid of beweid. De grasopbrengst van dergelijke percelen levert dan in principe echter geen substantiële bijdrage meer aan de ruwvoedervoorziening van het bedrijf.[22] Het gaat hier alleen om vraatschade voornamelijk veroorzaakt door vogels, die niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Schade door wroeten en graven, bijvoorbeeld door dassen en wilde zwijnen, komt wel voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Evenmin wordt een tegemoetkoming verleend voor schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode, bestemd voor de voederwinning van schapen. De tegemoetkomingen die in het verleden zijn verstrekt op grond van de schapengrasregeling zijn beperkt van omvang, terwijl de beoordeling van de aanvragen relatief veel beoordelings- en controlewerkzaamheden vereisen. Gedeputeerde Staten heeft daarom besloten dat geen tegemoetkoming meer wordt verleend voor schade door overwinterende ganzen aan blijvend grasland, aangericht in de periode van 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en waarvan het gras dient voor de beweiding met schapen.

Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven.

Dit is anders bij suikerbieten, bloembollen en bij onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld plastic, folie en/of stro worden afgedekt ter bescherming tegen vorst.

Geen tegemoetkoming wordt verleend in schade door vogels aan bessen- en klein fruitteelt, kersen, druiven/wijnbouw. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige teelten zoals bessen, kersen en druiven uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid, die tot de schade leiden. De schade door vogels aan genoemde teelten is met zekerheid te voorkomen door de percelen met netten af te dekken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de verwachting dat percelen met netten worden afgedekt niet kennelijk onredelijk is en daarmee het risico van schade aan deze teelten in redelijkheid voor rekening van de aanvrager kan laten.[23]

Verder wordt geen tegemoetkoming verleend voor schade aan bijproducten. Voorbeelden daarvan zijn, stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproductgraszaad).[24]

Evenmin wordt schade vergoed aan materialen die gebruikt worden om gewassen af te dekken, ter bescherming tegen vorst of om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico.

Schade die is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras of vermenigvuldiging hiervan komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Het gaat dan om een gewas, met name een variëteit(ras), dat door een gespecialiseerd bedrijf (veredelingsbedrijf) wordt verbeterd (veredeld) op het gebied van bijvoorbeeld ziekteresistentie, opbrengst, smaak, suikergehalte, ongevoeligheid voor bepaalde bestrijdingsmiddelen en nachtvorstresistentie. De gewassen zijn in dit geval van zeer hoge, niet te bepalen, waarde waar al langere tijd intensief en kostbaar onderzoek naar is gedaan. Bij schade aan een dergelijk gewas wordt daarom het nemen van preventieve maatregelen in die mate verlangd van aanvrager, dat er geen faunaschade kan ontstaan. Ook vanwege de hoge en praktisch niet te bepalen waarde van deze gewassen dient faunaschade daarom geheel voor het risico van de veredelingsbedrijven te blijven, en komt deze schade niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Vermeerderingsteelt wordt niet geacht hetzelfde te zijn als veredelingsteelt. Hierbij gaat het om het vermenigvuldigen van hetzelfde gewas zoals bijvoorbeeld zaaizaad (gras, koolzaad en granen), pootaardappelen en bloembollen, welke in beginsel voor een tegemoetkoming in aanmerking komen.

Uitsluitingen in verband met overige redenen

Daarnaast is bepaald dat, als de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade en schadeveroorzakende diersoort te beoordelen, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest. Voorbeelden zijn, als er al geoogst is of als er vee ingeschaard is op de relevante percelen.

Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in het geval dat de aanvrager het gewas niet meer oogst, of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door dieren. Voorbeelden zijn, het niet oogsten maar onderploegen van gewassen, of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden.

Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van artikel 15.53, eerste lid, Omgevingswet. Vaak zal het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig zijn of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen.

Schade welke in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Als tegen gebruikelijke voorwaarden en een redelijke premie een verzekering tegen faunaschade kan worden afgesloten, mag van de aanvrager worden verwacht dat hij zijn gewassen tegen faunaschade verzekert. Het afsluiten van een verzekering tegen schade door natuurlijk in het wild levende dieren, moet in het verlengde van de hagelschadeverzekering worden gezien. Gedeputeerde Staten menen dat deze verzekeringsmogelijkheid kan worden gezien als een voorzorgsmaatregel die een grondgebruiker in redelijkheid kan treffen.

De beleidsregels bevatten geen limitatieve opsomming van situaties waarin geen tegemoetkoming wordt verleend. In de beleidsregels kunnen niet op voorhand alle (toekomstige) situaties worden benoemd waarin de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Uit artikel 15.53, eerste lid, Omgevingswet vloeit voort dat een tegemoetkoming alleen wordt verleend als de schade redelijkerwijs niet, of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Het is dan ook niet met de wet te verenigen dat Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming zouden verlenen voor schade die ten laste van aanvrager behoort te blijven. In de beleidsregels is dit uitgangspunt expliciet vastgelegd.

Artikel 5.6

Artikel 5.6 gaat over faunaschade (veeschade) door de wolf. De situatie rondom de wolf in Nederland is continu in ontwikkeling. Het beleidskader is het Interprovinciaal Wolvenplan van de samenwerkende provincies, vastgesteld door het IPO-bestuur op 24 januari 2019. Het wolvenplan is te vinden op www.bij12.nl. Gezien de ontwikkelingen sinds 2019 werken provincies, het ministerie van LNV en BIJ12 momenteel samen aan een nieuw Interprovinciaal Wolvenplan. Daarvoor is nadere afstemming en onderzoek nodig. Naar verwachting wordt in 2024 een geheel geactualiseerd nieuw wolvenplan vastgesteld. Vooruitlopend daarop wordt in 2023 een addendum vastgesteld bij het wolvenplan 2019 met daarin enkele toevoegingen/wijzigingen die inspelen op de actualiteit, en die niet kunnen wachten tot de voorgenomen algehele actualisatie in 2024.

Algemeen

Grondgebruikers en dierhouders zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van preventieve maatregelen om hun gewassen en gehouden landbouwhuisdieren te beschermen tegen schade door beschermde diersoorten zoals de wolf. Bescherming van vee tegen aanvallen van buitenaf is niet nieuw. Van honden of vossen is bekend dat zij bijvoorbeeld schapen kunnen aanvallen. Waar het gaat om het voorkomen van schade aan gehouden dieren, gaat het dus in principe om het nemen van aanvullende maatregelen om ook schade door wolven te voorkomen. Het uitgangspunt is dat de schade die een grondgebruiker of dierhouder had kunnen voorkomen en beperken door maatregelen te treffen, niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

Op dit moment wordt, om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in schade door de wolf – vooralsnog - niet getoetst of een dierhouder voldoende preventieve wolfwerende maatregelen heeft genomen om zijn dieren te beschermen en (het risico op) schade door de wolf te voorkomen en beperken. Ook wordt, om veehouders de tijd te geven om zich aan de situatie aan te passen, momenteel geen eigen risico toegepast op een te verlenen tegemoetkoming bij wolvenschade.

Hoe langer de wolf in Nederland is en zich langer, min of meer permanent, in bepaalde gebieden ophoudt, des te meer zal een dierhouder echter rekening moeten houden met het risico op schade door de wolf in het betreffende gebied en wordt verwacht dat zij zich daarop voorbereiden. Schade door een zwervende wolf, die in korte tijd grote afstanden kan afleggen, is niet goed te voorzien en moeilijker te voorkomen. De voorzienbaarheid van de schade speelt dus een rol bij de beoordeling of, en in welke mate een tegemoetkoming aan de orde is.

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om binnen de provincie [dan wel aangewezen wolvengebieden binnen de provincie] nadere voorwaarden te stellen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, bijvoorbeeld het preventief plaatsen van een deugdelijk wolfwerend raster, of een eigen risico in te houden op de te verlenen tegemoetkoming.

Bij tegemoetkomingsaanvragen voor schade door een wolf aan kapitaalintensieve gehouden dieren, bijvoorbeeld dieren van bijzondere afkomst of ras, of waardevolle renpaarden, wordt van de eigenaar een grotere inspanning verwacht om het dier tegen wolvenaanvallen te beschermen. In die specifieke gevallen kan geoordeeld worden dat een (verhoogd) eigen risico en/of een maximum vergoedingsbedrag gehanteerd wordt.

Op de lange termijn zal het verlenen van tegemoetkomingen voor schade door de wolf aan onbeschermd vee (gefaseerd) kunnen worden afgebouwd, en wordt uiteindelijk van dierhouders verwacht dat zij met de inzet van preventieve middelen (zoals wolfwerende rasters, kuddebewakingshonden, het ’s nachts ophokken of bijvoorbeeld fladderlint) hun dieren beschermen en het risico op schade door de wolf verkleinen.

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om voor de aanschaf van preventieve maatregelen een subsidieregeling of leen-regeling open te stellen. Het doel is te stimuleren om met de geboden subsidiemogelijkheden het vee beter te beschermen. Hierdoor leert een wolf om geen vee aan te vallen in een gebied waar vee grotendeels goed beschermd is.

Bedrijfsmatig en hobbymatig gehouden dieren

Bij schade door de wolf aan gehouden dieren gelden enkele, van gewasschade, afwijkende bepalingen. Bij schade door de wolf komt, behalve schade aan bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, ook schade aan hobbymatig gehouden hoefdieren, zoals schapen, geiten, runderen, paarden en varkens, in aanmerking voor een tegemoetkoming.

Ook bedrijfsmatig gehouden door de wolf gedode of verwonde kuddebeschermingshonden of hoedhonden, komen voor tegemoetkoming in aanmerking.

Directe schade

Net zoals bij schade door beschermde diersoorten aan gewassen, moet het bij schade door de wolf gaan om directe schade. Alleen schade die [door vraat, graven, wroeten, vegen, pikken, of door predatie] rechtstreeks aan de landbouw is aangericht, dus aan landbouwgewassen of aan gehouden dieren zelf, komt voor een tegemoetkoming in aanmerking. Dit volgt (ook) uit artikel 5.1 van de beleidsregels. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals bevestigd dat het niet onredelijk is dat alleen schade die door dieren rechtstreeks aan de landbouw zelf is aangericht, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt17. En dat vervolgschade slechts een afgeleide is van schade veroorzaakt door dieren; het verband tussen het schadeveroorzakende gedrag en die schade staat in een te ver verwijderd verband om van een rechtstreeks gevolg te kunnen spreken.

Bij schade veroorzaakt door de wolf is directe schade dus de schade door predatie aan gehouden dieren. In beginsel komt bijkomende schade of indirecte schade niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Om dierhouders de tijd te gunnen om zich aan te passen aan de komst van de wolf, is er bij schade door de wolf voor gekozen toch enkele aanvullende schadeposten te vergoeden. Hierop wordt in de taxatierichtlijn voor wolvenschade nader ingegaan.

In de richtlijn zijn duidelijkheidshalve ook enkele indirecte c.q. vervolgschadeposten benoemd die niet bij de taxatie en de tegemoetkoming betrokken worden18. Deze schadeposten, bijvoorbeeld materiaalkosten of uren besteed aan de schadeafwikkeling zijn een afgeleide, een (deels onbepaald en niet controleerbaar) indirect gevolg, waarbij de relatie tussen de wolvenaanval en het gevolg niet altijd duidelijk aanwezig is, dan wel in een te ver verwijderd verband staat tot de wolvenaanval om van rechtstreekse, directe schade aan de landbouw (aan de gehouden dieren) te kunnen spreken. Deze indirecte kosten stijgen ook niet uit boven hetgeen tot het normale bedrijfsrisico of normaal maatschappelijk risico behoort, en Gedeputeerde Staten achten het niet onbillijk of onevenredig dat deze voor rekening van de dierhouder blijven.

Taxatierichtlijn

De schade wordt door een taxateur vastgesteld met inachtneming van de Richtlijn taxatie wolvenschade aan landbouwhuisdieren. Deze uitvoeringsrichtlijn bevat uitgangspunten voor de werkwijze bij taxaties en de waardebepaling van dieren, met als doel te komen tot zorgvuldige, eenduidige besluitvorming bij het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade (veeschade) door de wolf. De richtlijn is te vinden op de website van BIJ12.

Goudjakhals

Naast de wolf wordt met enige regelmaat ook de goudjakhals in Nederland gesignaleerd, welk dier nauw verwant is aan de wolf. Uit een taxatie en DNA-analyse kan naar voren komen dat een goedjakhals schade heeft veroorzaakt. Bij een taxatie en tegemoetkoming in schade door de goudjakhals aan gehouden dieren, wordt op gelijke wijze gehandeld als bij de wolf.

Aanvraag

Een dierhouder/aanvrager moet zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de (vermoedelijke) wolvenschade, ofwel telefonisch ofwel via het formulier op de website van BIJ12 een melding (aanvraag) daarvan doen. De snelheid is van belang voor een zorgvuldige taxatie.

   

[1] ABRS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, r.o. 4.

   

[2] ABRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 22.4

   

[3] Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).

   

[4] Vgl. Kamerstukken II 2017-18, 34 985, nr. 3, p. 7. “Bij de parlementaire behandeling van het voorstel voor de Wet natuurbescherming is door het toenmalige kabinet meermalen bevestigd dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd zullen overgaan en dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau; de overgang van de regels over de bescherming van de natuur en de daarbij horende bevoegdheidsverdeling geschiedt dus beleidsneutraal.”

   

[5] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/09/25/eerste-advies-adviescollege-stikstofproblematiek

   

[6] ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71

   

[7] Per datum inwerkingtreding van hoofdstuk 17a (AERIUS Register) van de Omgevingsregeling, wordt niet langer gerefereerd aan het SSRS, maar aan de SSRS-bank (zie o.a. artikel 17a.6 van de Regeling).

   

[8] Zie in vergelijkbare zin: artikel 2.3, lid 4 van de Regeling natuurbescherming, zoals die luidde van 5 oktober 2023 tot datum inwerkingtreding van de Regeling. Vindplaats van deze wijzigingsregeling is Stc. 2023, nr. 25571 (29 september 2023). Ter nadere toelichting, zie paragraaf 4.3 van de wijzigingsregeling (pagina 20-21) alsmede de artikelsgewijze toelichting bij artikel 17a.2 (pagina 37-38) van diezelfde wijzigingsregeling.

   

[9] ABRvS, 23 maart 2005, 200407023/1, r.o. 2.5, ECLI:NL:RVS:2005:AT1995; en ABRvS, 26 maart 2008, 200705890/1, r.o. 2.6.4, ECLI:NL:RVS:2008:BC7605; en ABRvS, 8 augustus 2018, 201707597/1/A2, r.o. 4.2, ECLI:NL:RVS:2018:2636.

     

[10] ABRvS, 9 januari 2013, 201112788/1/A3, r.o. 2.1, ECLI:NL:RVS:2013:BY7999

   

[11] ABRvS 29 mei 2013, 201205424/1/A3, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA1340; en ABRvS, 18 januari 2012, 201103944/1/H3, r.o. 2.3.1, ECLI:NL:RVS:2012:BV1191

     

[12] Zie o.a. ABRvS, 27 februari 2008, 200705729/1, r.o. 2.4.1, ECLI:NL:RVS:2008:BC5263. En ABRvS, 16 maart2005, 200406967/1, r.o. 2.4, ECLI:NL:RVS:2005:AT0522

     

[13] Zie o.a. ABRvS, 30 januari 2013, 201201973/1/A3, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2013:BY9919. Ook: ABRvS, 24 juli2013, 201205450/1/A3, r.o. 5.2, ECLI:NL:RVS:2013:3039. Ook: ABRvS, 17 juli 2013, 201211844/1/A3, r.o. 4.1 en 4.2, ECLI:NL:RVS:2013:3135

     

[14]ABRvS, 27 februari 2008, 200705146/1, r.o. 2.5.2, ECLI:NL:RVS:2008:BC5237, en ABRvS, 29 juli 2009, 200808282/1, r.o. 2.8.2, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4074 

   

[15] ABRvS, 16 december 2009, 200903657/1/H3, r.o. 2.4, ECLI:NL:RVS:2009:BK6698. 

   

[16] ABRvS, 20 maart 2013, 201206934/1/A3, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4934

   

[17] ABRvS, 19 maart 2014, 201301893/1/A2, r.o. 4.1, ECLI:NL:RVS:2014:930

   

[18] ABRvS, 4 mei 2022, 202002592/2/A2, ECLI:NL:RVS:2022:1291 en tussenuitspraak ABRvS, 16 juni 2021. 

   

[19] ABRvS, 9 mei 2018, 201800199/1/A2, r.o. 7.3, ECLI:NL:RVS:2018:1539 en ABRvS, 9 mei 2018, 201707374/1/A2, r.o. 8.3, ECLI:NL:RVS:2018:1530.

     

[20] ABRvS, 29 juni 2011, 201011648/1/H3, r.o. 2.4.1, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9654

   

[21] ABRvS, 9 december 2015, 201504239, r.o. 4.2, ECLI:NL:RVS:2015:3741

   

[22] ABRvS, 11 maart 2015, 201406313/1/A2, r.o. 3.2, ECLI:NL:RVS:2015:759

   

[23]Zie o.a. ABRvS, 29 april 2009, 200806283/1, r.o. 2.4.1, ECLI:NL:RVS:2009:BI2640 en ABRvS, 5 maart 2014, 201302488/1/A2, r.o.4.3, ECLI:NL:RVS:2014:728 

   

[24]ABRvS, 19 juni 2013, 201205557/1/A2, r.o. 3.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA3647 en ABRvS, 19 juni 2013, 201207378/1/A3, r.o. 3.1, ECLI:NL:RVS:2013:CA3648