Nadere subsidieregels warmtenetten

Geldend van 24-05-2022 t/m heden

Intitulé

Nadere subsidieregels warmtenetten

Gedeputeerde Staten van Limburg

maken ter voldoening aan het bepaalde in de Provinciewet en de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. bekend dat zij in hun vergadering van 19 april 2022 hebben vastgesteld:

NADERE SUBSIDIEREGELS WARMTENETTEN

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de definities van de in deze Nadere subsidieregels gehanteerde begrippen wordt aangesloten bij definities in de Warmtewet en definities die volgen uit de Europese Staatssteunregels met betrekking tot warmtenetten. Bij conflicten tussen definities in de Warmtewet en deze Nadere subsidieregels geldt de definitie zoals opgenomen in deze Nadere subsidieregels.

Aansluiting

Een fysieke koppeling tussen de centrale verwarmingsinstallatie in de woning of het utiliteitsgebouw van de verbruiker en het warmtenet, die gevormd is door een warmte-afleverset waarmee warmte van het warmtenet overgedragen kan worden op de cv-installatie van de verbruiker.

Aanvullende kostendekkingsbijdrage

Het eenmalige bedrag dat de bevoegde warmteleverancier mag vragen van de verbruiker op het moment dat de eenmalige aansluitbijdrage de kosten van realisatie van de aansluiting niet dekt. Deze aanvullende kostendekkingsbijdrage is dan een bedrag ter hoogte van de meerkosten voor de aansluiting op het warmtenet ten opzichte van de eenmalige aansluitbijdrage.

ACM

Autoriteit Consument & Markt: Nederlandse onafhankelijke publieke toezichthouder die toezicht houdt op de mededingen, telecommunicatie en het consumentenrecht.

Algemene Groepsvrijstellingsverordening

Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), hierna: AGVV.

Basislast

Een klein deel van het opgestelde technische vermogen dat het grootste deel van de warmtevraag levert. Het is een begrip uit de energieleveringssector en houdt relatie met het feit dat het grootste deel van het opgestelde vermogen in een warmtenet meestal niet gebruikt wordt (zie piek- en backupvoorziening). Het grootste deel van de energievraag in het netwerk in een jaar wordt geleverd door de basislast (ca. 80% van de energie), terwijl deze basislast slechts ca. 20% van het opgestelde vermogen beslaat. De exacte percentages variëren per netwerk en hangen ook af van bijv. storingen en hoe streng de winter is.

Bevoegde warmteleverancier

Een entiteit die warmte levert aan verbruikers en hiervoor aangemeld is bij de ACM. Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) en woningcorporaties zijn uitgesloten van de meldingsplicht bij de ACM en kunnen dus zonder aanmelding een bevoegde warmteleverancier zijn.

Bijdrage Aansluitkosten (BAK)

Het eenmalige bedrag, dat wil zeggen de som van de eenmalige aansluitbijdrage en de eventuele aanvullende kostendekkingsbijdrage, dat de bevoegde warmteleverancier vraagt van de verbruiker om zijn woning of utiliteitsgebouw aan te sluiten op het warmtenet.

Businesscase

De meerjarige financiële doorrekening van het project, waarin de kosten tegen de baten worden afgewogen en waaruit de onrendabele top blijkt.

Distributienetwerk

Het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan de distributie van warmte van de productielocatie tot aan de aansluiting van de verbruiker.

Duurzame bron

Bron voor het warmtenet, gevormd door de basislast en een piek- en backupvoorziening, die voor ten minste 50% hernieuwbare energie, 50% restwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte bestaat.

Eenmalige aansluitbijdrage

Het deel van de Bijdrage Aansluitkosten (BAK) dat gereguleerd is en waarvoor jaarlijks het maximumtarief wordt gepubliceerd door de ACM.

Exploitatiewinst

Het positieve verschil tussen de gedisconteerde inkomsten en de gedisconteerde exploitatiekosten over de betrokken levensduur van de investering.

Hernieuwbare energie

Energie uit bronnen die geen gebruikmaken van fossiele brandstoffen en derhalve geen CO2 uitstoten bij gebruik (exclusief hulpenergie), zoals gedefinieerd in artikel 46 AGVV , waaronder zonne-energie en omgevingswarmte zoals aquathermie. Afwijkend hiervan valt in deze Nadere subsidieregels biomassa niet onder de definitie hernieuwbare energie, vanwege de CO2-uitstoot (zij het kortcyclisch) en de landelijke adviezen om deze bron uit te faseren voor de opwek van warmte voor verwarming in de gebouwde omgeving.

Innovatieve warmtetechniek

Een techniek die kan dienen als duurzame bron voor een warmtenet in de gebouwde omgeving, die in Nederland nog maar weinig is toegepast, dat wil zeggen op minder dan 10 locaties en voor minder dan 10.000 woningen of woningequivalenten in totaal in Nederland.

Investeringskosten

Kosten van investeringen in materiële activa die gemaakt worden ten behoeve van het warmtenet.

Meerkosten

Bijkomende investeringskosten die, in vergelijking met een conventionele productielocatie, nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als duurzame bron voor een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren zoals bedoeld in artikel 46 AGVV.

Onrendabele top

Het in de businesscase aantoonbare bedrag dat nodig is om de netto contante waarde van de investering over de betrokken levensduur van de investering nul te doen zijn, rekening houdend met een redelijk rendement van 7% en een bijdrage aansluitkosten ter hoogte van de eenmalige aansluitbijdrage.

Piek- en backup voorziening

Het deel van het opgestelde vermogen dat warmte levert als de basislast onvoldoende warmte kan leveren, zij het door piekvraag of door een storing. Deze voorziening bestaat doorgaans uit centrale verbrandingsketels gevoed door aardgas.

Productielocatie

Alle installaties die onderdeel zijn van de centrale installatie waar warmte wordt opgewekt (of in het geval van restwarmte wordt afgevangen) en integraal onderdeel zijn van de warmte-infrastructuur, zoals warmtekrachtkoppelingen, warmtepompconfiguraties, niet zijnde onderdelen van het distributienetwerk.

Project

Een middels tijd en middelen begrensde activiteit welke in dit geval beoogt om een nieuw warmtenet met duurzame bron te realiseren, dan wel de productielocatie van een bestaand warmtenet aan te passen, zodat deze na aanpassing kwalificeert als duurzame bron.

Provinciale Energie Strategie (PES)

Integraal beleid van de Provincie Limburg om bij te dragen aan de doelstellingen in het klimaatakkoord en de energietransitie in de Limburgse provincie.

Verbruiker

Een (rechts)persoon die warmte afneemt van een warmtenet en daarvoor een aansluiting op een warmtenet en een contract heeft met een bevoegde warmteleverancier.

Voorbereidende kosten

Kosten die verbonden zijn met het voorbereiden van een project. Mogelijke kosten kunnen zijn personeels- en onderzoekskosten in de haalbaarheidsfase, waarbij de scope van het project nog niet duidelijk is.

Warmtenet

Het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan de productie en het transport van warmte naar verbruikers, tot en met de aansluiting van de verbruiker, dat onder te verdelen is in de productielocatie(s) en het distributienetwerk.

Woningequivalent (WEQ)

Een eenheid om de aansluiting van utiliteitsbouw te kunnen uitdrukken in termen van het aantal woningen dat deze utiliteitsbouw representeert, zodat woningen en utiliteitsaansluitingen optelbaar zijn. Een WEQ kan zowel gedefinieerd zijn in termen van warmtevraag (gekoppeld aan een gemiddeld verbruik voor een woning, bijv. 30 GJ) als in termen van vloeroppervlak (gekoppeld aan een gemiddeld vloeroppervlak van een woning, bijv. 100 m2). In deze Nadere subsidieregels wordt gebruik gemaakt van een definitie voor WEQ in termen van warmtevraag en wordt uitgegaan van 1 WEQ = 30 GJ (een afgerond gemiddelde warmtevraag voor 1 woning). Als een utiliteitsgebouw een warmtevraag heeft van 3.000 GJ, staat dit dus gelijk aan 100 WEQ.

Artikel 2 Doelstelling/doel van de regeling

Het doel van deze Nadere subsidieregels is tweeledig. Het eerste doel is het stimuleren van realisatie van nieuwe warmtenetten die gebruikmaken van een duurzame bron. Het tweede doel is het stimuleren van aanpassing van de productielocaties van bestaande warmtenetten, zodanig dat na de aanpassing de bron van het warmtenet een duurzame bron betreft.

Met betrekking tot het realiseren van nieuwe warmtenetten, beoogt deze subsidieregeling (een deel van) de onrendabele top voor de bevoegde warmteleverancier af te dekken, zodat deze de Bijdrage Aansluitkosten (BAK) voor haar beoogde verbruikers kan verlagen tot de hoogte van de eenmalige aansluitbijdrage, waardoor het nemen van een aansluiting op het warmtenet aantrekkelijker wordt voor de beoogde verbruikers.

Met betrekking tot het aanpassen van bestaande productielocaties beoogt deze subsidieregeling (een deel van) de meerkosten weg te nemen van de overstap naar een duurzame bron, ten opzichte van het in stand houden van de bestaande niet-duurzame bron. Hierdoor wordt het verduurzamen van bestaande productielocaties aantrekkelijker voor de bevoegde warmteleverancier.

De op grond van deze Nadere subsidieregels te verstrekken subsidies dragen daarmee bij aan de doelstelling van de Limburgse Provinciale Energie Strategie (PES) om in 2030 60.000 aardgasvrije woningen of woningequivalenten in de gebouwde omgeving in Limburg gerealiseerd te hebben.

Artikel 3 Doelgroep/aanvrager

Bevoegde warmteleveranciers kunnen op grond van deze Nadere subsidieregels voor subsidie in aanmerking komen.

Hoofdstuk 2 Criteria

Artikel 4 Algemeen subsidiecriterium

Om voor een subsidie in aanmerking te komen, dient het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd te leiden tot de realisatie van een nieuw warmtenet met een duurzame bron waarbij minimaal 20 woningen of woningequivalenten op het warmtenet worden aangesloten OF dient het project te leiden tot de aanpassing van de productielocatie van een bestaand warmtenet zodat deze na aanpassing kwalificeert als duurzame bron waarbij het te verduurzamen vermogen in relatie staat tot de basislast van minimaal 20 woningen of woningequivalenten.

Artikel 5 Specifieke subsidiecriteria realisatie nieuw warmtenet

  • 1. Wanneer het gaat om de realisatie van een nieuw warmtenet, dient het project te voldoen aan minimaal een van de volgende twee criteria:

    • a)

      Uit het plan van aanpak van het project moet blijken dat er draagvlak onder beoogde verbruikers is;

    • b)

      Het project bestaat uit het aansluiten van bestaande gebouwen.

  • 2. Voor projecten die niet voldoen aan beide criteria zoals gesteld in lid 1 van dit artikel, geldt het volgende:

    • a)

      Indien uit het plan van aanpak van het project niet blijkt dat er draagvlak onder beoogde verbruikers is, dient de subsidieaanvrager aannemelijk te maken dat er onder de beoogde verbruikers draagvlak zal zijn, door aan te tonen dat de maandlasten voor energie voor de beoogde verbruikers bij aansluiting op het warmtenet omlaag gaan; of

    • b)

      Indien het project niet of niet geheel bestaat uit het aansluiten van bestaande gebouwen, komt aanvrager slechts voor subsidie in aanmerking voor de productielocatie en dient de subsidieaanvrager aannemelijk te maken dat de gebruikte warmtetechniek een innovatieve warmtetechniek is en een grote potentie heeft voor gebruik in de bestaande gebouwde omgeving in de Nederlandse provincie Limburg.

  • 3. Het gebruikte rendement op eigen vermogen om de onrendabele top van het project te berekenen, mag niet meer zijn dan een redelijk rendement van 7%.

Artikel 6 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger dient:

  • 1.

    uiterlijk 31 juli 2024 het nieuwe warmtenet dan wel de aanpassing van de productielocatie gerealiseerd te hebben; en

  • 2.

    in het geval van realisatie van een nieuw warmtenet aan te tonen dat de aan de verbruikers in rekening gebrachte BAK voor de nieuwe aansluitingen niet hoger is dan de eenmalige aansluitkosten.

Artikel 7 Afwijzingsgronden

In aanvulling op artikel 17 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v., wordt de subsidieaanvraag afgewezen, indien:

  • a.

    het project niet aansluit bij de doelstelling van deze Nadere subsidieregels zoals gesteld in artikel 2;

  • b.

    de aanvraag niet is ingediend door een aanvrager zoals gesteld in artikel 3;

  • c.

    niet wordt voldaan aan het algemeen criterium zoals gesteld in artikel 4;

  • d.

    in het geval van realisatie van een nieuw warmtenet niet wordt voldaan aan de specifieke criteria zoals gesteld in artikel 5;

  • e.

    de Provincie Limburg dezelfde activiteit/project al op een andere wijze subsidieert en/of financiert;

  • f.

    de subsidieaanvraag is ontvangen buiten de periode zoals vermeld in artikel 12;

  • g.

    het te verstrekken subsidiebedrag kleiner is dan € 25.000;

  • h.

    de aanvrager een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de AGVV;

  • i.

    er sprake is van een onderneming in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c. van de AGVV; en/of

  • j.

    de subsidie anderszins niet voldoet aan artikel 46 AGVV.

Hoofdstuk 3 Financiële aspecten

Artikel 8 Subsidieplafond

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond van deze Nadere subsidieregels voor de looptijd van de regeling vast.

  • 2. De wijze van verdeling van het subsidieplafond kunt u raadplegen op www.limburg.nl/subsidies > subsidieplafonds.

Artikel 9 Subsidiebedrag

  • 1. De te verstrekken subsidie ten behoeve van een productielocatie bedraagt niet meer dan is toegestaan op grond van artikel 46 AGVV.

  • 2. De te verstrekken subsidie ten behoeve van een distributienetwerk bedraagt niet meer dan het verschil tussen de op grond van de AGVV in aanmerking komende investeringskosten en de exploitatiewinst van de investering.

  • 3. De totale subsidie op grond van deze Nadere subsidieregels bedraagt maximaal € 500.000,00 per project en nooit meer dan de onrendabele top over het gehele project.

  • 4. Subsidies kleiner dan € 25.000,00 worden niet verstrekt.

Artikel 10 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

  • 1. De investeringskosten van het distributienetwerk zijn subsidiabel, mits het gaat om het aansluiten van bestaande gebouwen.

  • 2. De meerkosten van de realisatie van een nieuwe productielocatie dan wel de aanpassing van een bestaande productielocatie zijn subsidiabel.

  • 3. Personeels- en onderzoekskosten in de haalbaarheidsfase zijn niet subsidiabel.

Hoofdstuk 4 Aanvraagprocedure

Artikel 11 Indienen aanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend bij Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van het standaard (digitaal) aanvraagformulier dat geplaatst is op de website van de Provincie Limburg: www.limburg.nl/subsidies > actuele subsidieregelingen.

  • 2. Het standaard (digitaal) aanvraagformulier dient volledig ingevuld en rechtsgeldig ondertekend te worden en te zijn voorzien van alle bijlagen zoals aangegeven op het formulier en dient te worden verzonden naar het op het aanvraagformulier aangegeven adres (Gedeputeerde Staten van Limburg, Cluster Subsidies, Postbus 5700, 6202 MA Maastricht), dan wel digitaal middels eHerkenning (aanvragen van organisaties) of DigiD (aanvragen van particulieren) te worden ingediend. Een aanvraag per e-mail is niet mogelijk.

Artikel 12 Termijn voor indienen aanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag kan vanaf inwerkingtreding van deze Nadere subsidieregels worden ingediend en dient uiterlijk 31 juli 2023 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten.

  • 2. Voor de datum van ontvangst is de datum van de ontvangststempel van de Provincie Limburg bepalend en bij digitale aanvragen de datum van digitale ontvangst.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 13 Hardheidsclausule

  • 1. In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslissen Gedeputeerde Staten.

  • 2. Indien toepassing van het bepaalde in deze regeling, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, tot kennelijke onbillijkheden leidt, dan kunnen Gedeputeerde Staten van enige bepaling afwijken.

Artikel 14 Inwerkingtreding, beëindiging en citeertitel

  • 1. Deze Nadere subsidieregels treden in werking met ingang van 24 mei 2022.

  • 2. Deze Nadere subsidieregels vervallen met ingang van 1 augustus 2023, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidieaanvragen die vóór die datum zijn ontvangen en subsidiebesluiten die vóór die datum zijn genomen door Gedeputeerde Staten, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.

  • 3. Deze regeling kan worden aangehaald als “Nadere subsidieregels Warmtenetten’’.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten, gehouden op 19 april 2022

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

de heer E.G.M. Roemer

secretaris

de heer drs. G.H.E. Derks MPA

TOELICHTING NADERE SUBSIDIEREGELS WARMTENETTEN

Algemeen

Een grote drempel om warmtenetten te realiseren zijn de relatief hoge eenmalige kosten die een verbruiker moet maken voor de aansluiting, de Bijdrage Aansluitkosten (BAK). De BAK bestaat uit de eenmalige aansluitbijdrage en een eventuele kostendekkingsbijdrage. Alleen de eenmalige aansluitbijdrage is gereguleerd door de ACM. Warmteleveranciers kunnen een kostendekkingsbijdrage vragen voor het deel van de werkelijke kosten die zij maken voor een aansluiting, die boven het gereguleerde tarief ligt. Hiermee is de BAK in de praktijk sterk variabel en in de regel hoog. De hoogte van de aansluitkosten is één van de redenen waarom niet alle mogelijke verbruikers overwegen aan te sluiten op een warmtenet en is een direct gevolg van de hoge investeringskosten voor het warmtenet. Door de bevoegde warmteleverancier te subsidiëren, krijgt deze de mogelijkheid om de Bijdrage Aansluitkosten te verlagen tot de wettelijk bepaalde eenmalige aansluitbijdrage. Voor beoogde verbruikers wordt het door deze verlaging aantrekkelijker om zich aan te sluiten op het warmtenet. Particuliere verbruikers kunnen de aansluitkosten verder verlagen door gebruik te maken van de ISDE-subsidie voor de eenmalige aansluitkosten op een warmtenet. Voor verhuurders is dezelfde steun geregeld via SAH-subsidie die aangevraagd kan worden door de woningcorporatie of andere verhuurder. Hiermee worden de investeringskosten voor de verbruiker nog verder verlaagd tot de ordegrootte van aanschafkosten van een nieuwe CV-ketel.

Omdat ook verduurzaming van bestaande warmtenetten op aardgas belangrijk is om de klimaatdoelen te halen, zijn deze nadere subsidieregels ook van toepassing op het verduurzamen van deze bestaande fossiele productielocaties. In de regel is een duurzame bron duurder in aanschaf dan de conventionele centrale gasketels. Deze nadere subsidieregels bieden de mogelijkheid voor een bijdrage in de meerkosten van de aanpassing van dergelijke bestaande productielocaties. Verduurzaming van dergelijke productielocaties draagt ook bij aan vergroting van het draagvlak voor warmtenetten.

Voorgaande draagt bij aan de ambitie van de Provincie Limburg om in 2030 tot 60.000 aansluitingen (woningen, of utiliteitsbouw uitgedrukt in woningequivalenten) op duurzame warmtenetten te realiseren zoals omschreven in de Provinciale Energie Strategie (PES).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 (definitie duurzame bron) en artikel 4, eerste lid

De definitie duurzame bron is gebonden aan de eisen die hieraan gesteld worden door artikel 46 van de AGVV. Deze vereist dat een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem een bron gebruikt die moet bestaan uit minimaal 50% hernieuwbare energie, 50% restwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte.

Deze definitie van duurzame bron geldt voor het totaal van de energielevering aan het warmtenet (dus niet alleen de basislast) en onder de definitie hernieuwbare energie valt bijvoorbeeld omgevingswarmte. Het gebruik van elektriciteit valt hier niet zonder meer onder en dit heeft effect voor de beoordeling van centrale warmtepompen. Deze kunnen echter goed voldoen aan bovenstaande definitie.

Een rekenvoorbeeld voor een centrale warmtepomp die gebruikt maakt van omgevingswarmte:

De bron bestaat uit een centrale warmtepomp als basislast, met een COP van 4 (efficiëntie warmteproductie 400%), en een gasgestookte piek- en backupvoorziening. De centrale warmtepomp levert dan 4 eenheden warmte, waarvan 3 eenheden onder de definitie hernieuwbare energie vallen (de omgevingswarmte) en 1 eenheid niet onder deze definitie valt (de gebruikte elektriciteit). Om te kunnen voldoen aan de definitie duurzame bron, mag maximaal 50% van de totale levering van warmte uit niet-hernieuwbare bron afkomstig zijn. Dat betekent in dit geval dat maximaal 2 additionele eenheden warmte gasgestookt mogen zijn. Het totaal komt dan uit op 6 eenheden; waarvan 3 hernieuwbaar (de omgevingswarmte) en 3 niet-hernieuwbaar (1 deel elektriciteit, 2 delen gasgestookt). Dit is een ruime definitie; het zou betekenen dat de piek- en backupvoorziening 33% van de warmte gedurende het jaar levert, in de praktijk is dat veel en is ordegrootte 10-20% gebruikelijker.

Voor de verduurzaming van een bestaande fossiele productielocatie moet het te verduurzamen vermogen in relatie staan tot een bepaald aantal woningen of woningequivalenten (m.a.w. er moet bij de subsidieaanvraag met een berekening aangetoond worden voor hoeveel woningen of woningequivalenten deze nieuwe warmtebron warmte gaat leveren). Omdat de verduurzaming van een productielocatie vrijwel altijd betrekking heeft op de verduurzaming van de basislast, meten wij deze relatie in termen van het basislastvermogen per woning. Een richtlijn is een basislast van 3 kW per woningequivalent; dit is afhankelijk van de grootte en leeftijd van de aangesloten woningen. De aanvrager mag afwijken van de basislast van 3 kW, als hij dit met een berekening kan aantonen, bijvoorbeeld als het type woningen een hoger vermogen vraagt of als de samenstelling van de productielocaties zodanig is dat de piek- en backupvoorziening op aardgas een kleiner deel van het vermogen invult dan hier is aangenomen.

Artikel 5, eerste lid, sub a en tweede lid, sub a.

De subsidieregeling richt zich op de realisatiefase, dit betekent dat er draagvlak moet zijn onder de beoogde verbruikers en een zekere mate van garantie moet zijn dat de warmte ook afzet kan vinden. Dit kan de subsidie-aanvrager aantonen o.b.v. bijvoorbeeld contracten, een intentieovereenkomst of een onderhandelingsuitkomst met bijvoorbeeld woningcorporaties, waarin zij aangeven dat de BAK en de tarieven acceptabel zijn.

Wanneer niet wordt voldaan aan dit criterium, omdat dergelijke overeenkomsten nog niet gesloten zijn, moet aangegeven worden dat het aannemelijk is dat er draagvlak kan komen, op basis van een gunstige berekening van de energielasten van verbruikers die aansluiten. Gedeputeerde Staten beoordelen deze berekening onder andere op het realisme van de gebruikte aannames en huidige kosten.

Artikel 5, eerste lid, sub b en tweede lid, sub b.

Nieuwbouwwoningen moeten in Nederland verplicht aardgasvrij opgeleverd worden sinds 1 juli 2018. Deze subsidieregeling is niet bedoeld om een financiële bijdrage te leveren aan deze reeds bestaande verplichting, maar om aanvullende aansluitingen van bestaande woningen op duurzame warmtenetten te realiseren.

Wanneer niet voldaan wordt aan dit criterium en nieuwbouw onderdeel is van het project, komt aanvrager slechts voor subsidie in aanmerking voor de productielocatie en moet de aanvrager aantonen dat er een innovatieve warmtetechniek gebruikt wordt, die wel grootschalig toepasbaar zou kunnen zijn in de bestaande bouw in de Nederlandse provincie Limburg. Alleen dan kan een project bijdragen aan het doel om aanvullende aansluitingen van bestaande woningen op duurzame warmtenetten mogelijk te maken. Aanvrager moet aantonen dat deze innovatieve techniek wenselijk is o.b.v. CO2-prestaties, bijvoorbeeld in vergelijking met andere duurzame opties (N.B. dit is ook noodzakelijk in verband met de definitie van een duurzame bron in de AGVV). Daarnaast moet aangetoond worden dat er sprake is van een meerinvestering; enkel de meerinvestering komt in aanmerking voor subsidie (conform AGVV). Gedeputeerde Staten beoordelen de aanvraag op de aannemelijkheid van de toepassing in bestaande bouw en de juistheid van de aannames in de CO2-berekening.

Artikel 5, derde lid

De rendementseis op eigen vermogen die gebruikt is in de business case, mag niet hoger zijn dan 7% in een business case waarvan de nettocontante waarde nul is. Dit is iets hoger dan het gemiddelde rendement in de sector, dat gemonitord wordt door ACM. Echter, in dit gemiddelde zijn ook verliesleidende warmtenetten meegenomen. Om realisatie mogelijk te maken is gekozen voor een matig rendement van 7% voor het bepalen van de onrendabele top.

Artikel 7, sub d

Grote warmtenetten Het Groene Net en Mijnwater komen niet in aanmerking voor een subsidie op grond van deze regeling. De Provincie stimuleert deze projecten immers al op andere wijze.

Artikel 9

De subsidie op grond van deze Nadere subsidieregels Warmtenetten wordt aangemerkt als staatssteun en wordt verleend onder toepassing van artikel 46 AGVV (steun voor energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem). Om de aanvraag juist te kunnen beoordelen is het van belang dat de investeringen in de productielocatie en de investeringen in de distributienetten apart van elkaar zichtbaar zijn.

Het maximale steunpercentage voor investeringen in een productielocatie bedraagt 45% en kan verhoogd worden met 10% of 20% indien de subsidieontvanger een middelgrote respectievelijk kleine onderneming betreft. Voor de definities van kleine en middelgrote ondernemingen verwijzen wij naar bijlage I van de AGVV (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:02014R0651-20210801&from=EN, vanaf pagina 127). De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die, in vergelijking met een conventionele productielocatie, nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als duurzame bron voor een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren.

Voor het distributienet geldt dat de onrendabele top die volgt uit het verschil tussen de onder de AGVV in aanmerking komende investeringskosten en de exploitatiewinst van de investering gesubsidieerd mag worden. In de in aanmerking komende investeringskosten mag voor het distributienet niet de investeringskosten in de productielocatie worden meegenomen. Deze worden immers al via het meerkostenprincipe gesubsidieerd. In het geval van een integraal warmtebedrijf (bron, netwerk en levering in één bedrijf) moet hierin echter wel de exploitatiewinst van de bron worden meegenomen in het bepalen van de onrendabele top op het distributienet.