Toetsings-KODE Beesel - Toetsings-Kader voor Opwekking Duurzame Energie

Geldend van 22-05-2020 t/m heden

Intitulé

Toetsings-KODE Beesel - Toetsings-Kader voor Opwekking Duurzame Energie

1 Inleiding

1.1 Wat is onze ambitie?

“Afgelopen jaren hebben we in de gemeente Beesel flink ingezet op verduurzaming, maar versnelling is nodig, zoals al in onze Duurzaamheidsvisie 2019-2030 aangekondigd. FOCUS gaat uit naar de thema’s duurzame energie (opwekking en besparing), klimaatadaptatie en biodiversiteit, schone en slimme mobiliteit en circulaire economische en sociale duurzaamheid (iedereen kan meedoen). We pakken deze thema’s met aan met LEF. We zoeken waar nodig de grenzen van de regelgeving en durven van geijkte paden af te wijken. Tenslotte pakken we duurzaamheid met DRAAKKRACHT (draagvlak en daadkracht) op.”

Voorgaande is een citaat uit de begin 2019 vastgestelde Duurzaamheidsvisie 2019-2030. Die visie is de kapstok en het kader voor het grote geheel en dus ook voor de duurzame opwekking van energie. Dat betekent dat de drie kernwaarden en tien uitgangspunten zoals opgenomen in de Duurzaamheidsvisie ook het vertrekpunt zijn om invulling te geven aan onze lokale opgave voor opwekking van duurzame energie. Hieronder zijn ze samengevat:

1.2 Waarom KODE (Kader Opwekking Duurzame Energie) Beesel?

Focus op lokale opwekking binnen thema duurzaamheid

Dit kader richt zich binnen het brede thema duurzaamheid op het onderdeel energietransitie en daarbinnen specifiek op de lokale opwekking van duurzame energie en dan ook nog eens via zonne- of windenergie.

Nut en noodzaak

Als gemeente zien we zowel het nut als de noodzaak om tot voldoende lokale opwekking van energie over te gaan. De energietransitie biedt ons zeker kansen. Rijksbeleid is de energievoorziening van centraal en fossiel steeds meer te transformeren naar lokaal en hernieuwbaar. Dit betekent dat weliswaar de lasten, maar ook de lusten meer lokaal behouden kunnen worden. Dat kan de lokale en regionale economie versterken. We dragen daarmee zelf bij aan een schonere woon- en leefomgeving.

De noodzaak mag helder zijn: klimaatverandering is een belangrijke aanleiding voor de energietransitie. CO2 en andere emissies door fossiele brandstoffen zorgen voor onder andere temperatuurstijging, droogte, extreme buien, stijging van de zeespiegel en verstoring van ecosystemen. Daarnaast zien we problemen met de winning van aardgas in Groningen en willen tegelijkertijd niet te zeer afhankelijk zijn van bepaalde buitenlanden.

Focus op zonne- en windenergie

Zonneparken of windparken zijn voor onze gemeente nieuw. We hebben daarin een dubbele opgave. Enerzijds om invulling te geven aan de akkoorden waar we deel van uit maken, anderzijds omdat we het zelf ook willen en ambiëren richting een gezonde toekomst. Zonne- en windenergie zijn toepasbare en bewezen technieken. Er is geen sprake van uitstoot tijdens de exploitatie en ze kunnen decentraal worden toegepast. Het zijn, mits met beleid toegepast, maatschappelijk breed geaccepteerde vormen van duurzame energieopwekking. In de afgelopen jaren heeft vooral de opwekking van zonne-energie een enorme vlucht genomen. Door de toegenomen urgentie en rijkssubsidiemogelijkheden is het aantal verzoeken voor het realiseren van grootschalige grondgebonden zonneparken en windparken in den lande aanzienlijk toegenomen. In eerste instantie ging het alleen om het opwekken van zonne-energie op de daken van woningen en bedrijfsgebouwen.

Biovergisting, biomassacentrales, mestvergisting en vergelijkbare installaties zijn buiten beschouwing gelaten in dit kader en doorlopen bij ontwikkeling ervan een maatwerkaanpak. Reden hiervoor is dat deze over het algemeen bedrijfsgebonden zijn en worden voorzien door passende wet- en regelgeving. Zonne- en windparken daarentegen zijn een relatief nieuwe ontwikkeling in ons buitengebied en vragen om nadere kaderstelling. Zie hoofdstuk 4 voor kaders voor zonne-energie en hoofdstuk 5 voor kaders voor windenergie.

Spanningsveld tussen energieambities en omgevingskwaliteit

De energietransitie zien we als een blijvende en noodzakelijke ontwikkeling en staat niet ter discussie. Het feit dat we lokaal energiebronnen aanboren of realiseren hoort daartoe. Opwekking en gebruik komen dichter bij elkaar te liggen. Dat heeft impact op de omgeving, zoals elke ruimtelijke ontwikkeling. Tot nu toe sturen we vooral op de ruimtelijke kwaliteit omdat we daarvoor makkelijker kunnen terugvallen op bestaande kaders en wet- en regelgeving. Sec de huidige kaders zijn ontoereikend om een goede ruimtelijk-planologische afweging te kunnen maken. Dit doet tekort aan de maatschappelijk impact van grootschalige opwekking via zonne- of windparken. Veelal wordt er wel een profijtplan aangereikt om de omgeving enigszins mee te laten profiteren en worden soms de mogelijkheden geboden om financieel mee te doen via een postcoderoos. Het beleidsterrein is redelijk nieuw voor de overheid, kaders worden nog gemist.

Als gemeente willen we meer balans brengen in de ruimtelijke en maatschappelijke afwegingen die samenhangen met een zonne- of windpark. Het ruimtelijk aspect blijft belangrijk (waar kan het wel, waar niet), evenals de kwaliteitscriteria die zorgdragen voor een goede landschappelijke inpassing en beoogde kwaliteitsverbetering. Het maatschappelijk aspect is even belangrijk, denk daarbij in het voeren van een zorgvuldige omgevingsdialoog en het eerlijk verdelen van lasten en lusten. Zie hoofdstuk 3 voor een nadere uitwerking van de balans die we zoeken tussen de vier domeinen: ruimte – inwoners – locatie – eigenaarschap.

We staan open voor nieuwe ontwikkelingen

Dit kader zoomt in op zon en wind. Tegelijkertijd zijn we niet blind voor andere en nieuwe technieken, zoals de inzet van verticale opstelling van panelen in het veld met zogenaamde tweezijdige (bifacial) panelen, de opwekking van warmte door zonnepanelen, inzet van waterkracht, maar mogelijk ook omzetten van elektriciteit in gas of andersoortige dragers of de inzet van opslag.

Helder kader en tegelijkertijd een adaptief karakter

KODE Beesel is een uitnodigingskader, tot stand gekomen in samenspraak met verschillende partners en belangenorganisaties, en uiteindelijk vastgesteld door de gemeenteraad. Hierin staat op welke locaties wat mogelijk is, wat wanneer gebeurt, op welke manier en hoe inwoners en gebruikers van het gebied meegenomen worden in het ontwikkelproces en welke mogelijkheden er zijn voor participatie. De kwaliteit van de landschapscomponent (van landschap tot kavel tot objecten) en de participatieve component (van omgevingsdialoog tot partnerschap) staat voorop. Zowel de ruimtelijke component als de participatiecomponent is gedetailleerd omschreven. In een vroeg stadium biedt KODE Beesel handvatten om te bezien of een initiatief voldoende kwaliteit heeft om op enig moment het vergunningstraject in te gaan. Echter, de toekomst is niet voorspelbaar. We gaan zeker tegen verrassingen aanlopen. Er komen ontwikkelingen die de energietransitie zullen versnellen, maar ook kunnen vertragen. Reden dat we graag spreken over een adaptief kader dat kan worden bijgesteld als ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

Monitoren en evalueren

Het is belangrijk voor de gemeente om te monitoren of het kader het beoogde effect heeft. Er is sprake van veel dynamiek op het terrein van zonne- en windenergie, de infrastructuur, ontplooiing van participatie, etc. Reden om 2 jaar na vaststelling (1e kwartaal 2022) een eerste evaluatie te plannen en met de gemeenteraad hierover van gedachten te wisselen. Dit herhalen we vervolgens elke 2 jaar . Dit maakt het mogelijk om het kader op onderdelen bij te stellen en in een goede balans van ‘uitnodiging’ en ‘kwaliteit’ te blijven. Redenen zijn bijvoorbeeld dat de initiatieven toch te weinig kwaliteit realiseren dan we voor ogen hebben, de opgave niet behaald wordt, blijkt dat de inpassingseisen te hoog zijn, etc. Tussentijdse ervaringen, aanvullingen en verbetersuggesties bundelen we en worden in een actualisatie verwerkt.

We monitoren op de doelen die we willen bereiken (kwantitatief in de zin van opwekking hernieuwbare elektriciteit en bespaarde CO2-uitstoot) en op de wijze waarop (voldoen de kwalitatieve uitgangspunten uit de KODE, zijn ze werkbaar).

Dynamiek rond opwekking al volop aanwezig

In de afgelopen jaren heeft vooral de opwekking van zonne-energie een vlucht genomen. In eerste instantie ging het alleen om het opwekken van zonne-energie op de daken van woningen en bedrijfsgebouwen. Door de toegenomen urgentie en rijkssubsidiemogelijkheden is het aantal verzoeken voor het realiseren van grootschalige zonneparken (ook wel zonneweides of zonneakkers genoemd) aanzienlijk toegenomen. Ook initiatieven voor windenergie komen langs. Gedurende het proces van de totstandkoming van de duurzaamheidsvisie bleek dat veel inwoners het belang van duurzame opwekking van energie onderschrijven, maar hierover ook de nodige bedenkingen en vragen bestaan. Dit kader beschrijft de mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie en windenergie en de bijbehorende voorwaarden en schept daarmee meer duidelijkheid.

1.3 Totstandkoming van KODE Beesel

We zijn ervan overtuigd dat we op het vlak van opwekking het komend decennium flinke stappen kunnen zetten. Dat vraag om lef en doorzettingsvermogen van gemeente en gemeenschap, zo stelt de Duurzaamheidsvisie 2019-2030 terecht. We hebben ons best gedaan om dit beleidskader samen met de (vertegenwoordigers) van de Beeselse gemeenschap te ontwikkelen, zodat we gezamenlijk de lasten dragen, maar ook de vruchten plukken van grootschaliger opwekking.

Tijdens de ontwikkeling van de Duurzaamheidsvisie is tijdens verschillende sessies met groepen inwoners, ondernemers en stakeholders gesproken over grootschaliger opwekking. Daarin komen twee zaken als rode draad uit naar voren:

  • De Beesel bevolking staat open voor en heeft behoefte aan deelname in mogelijke projecten. Goed voorbeeld is de zogenaamde postcoderoos op De Schans van energiecoöperatie Joris Wekt Op.

  • Voor locaties voor zon en wind zijn er verschillende ideeën: met name het gebied oostelijk van de A73 wordt gezien als voorkeurslocatie voor grootschaliger energieopwekking.

Vanaf januari zijn we ambtelijk gestart met het verkennen van het vraagstuk en mogelijke kaders. Hieruit kwamen een aantal principes en uitgangspunten voort. Deze hebben we intern gedeeld met collega-ambtenaren, MT en college. Met het vaststellen van de Duurzaamheidsvisie in maart jl. is de opgave expliciet vastgesteld. In april 2019 hebben we een thema-avond met de raads- en commissieleden gehouden en de aanwezige raads- en commissieleden gaven aan dat we op de ingeslagen weg verder konden gaan. Vervolgens hebben we de uitgangspunten gedeeld met belanghouders (denk aan Joris Wekt Op, Woongoed2duizend, LLTB, De Groene Vogel, IVN en verschillende initiatiefnemers) in een interactieve sessie. Dit onder aanwezigheid van verschillende raadsleden als toehoorder. De inbreng uit alle bijeenkomsten hebben we integraal afgewogen en meegenomen in dit kader.

In bestuurlijke zin is de tijd en zorgvuldigheid genomen om te komen tot goede besluitvorming. KODE Beesel is op 8 oktober 2019 in de commissievergadering besproken. Na goede en constructieve uitwisseling over technische zaken is besloten KODE te agenderen voor de volgende raadsvergadering. In aanloop naar deze vergadering heeft het presidium besloten een intermezzo in te lassen om in een besloten bijeenkomst vrij met elkaar van gedachten te wisselen. Het onderwerp energietransitie is complex en heeft nog vele jaren grote impact. Reden om niet over één nacht ijs te gaan. Op 13 november 2019 heeft een verhelderende discussie plaatsgevonden die twee hoofdzaken heeft opgeleverd:

  • a.

    KODE vraagt om meer fasering en dosering in de uitvoering (resultaat hiervan is in hoofdstuk 7 opgenomen);

  • b.

    KODE vraagt als uitwerking van de Duurzaamheidsvisie om continue aandacht voor zowel beleidsgerelateerde als projectgerelateerde communicatie, hoe nemen we onze inwoners, bedrijven en organisatie mee in de transitie waar we werk van maken (zie hoofdstuk 6 voor een aanvulling op dat vlak).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2: schetst de actuele beleidskaders om rekening mee te houden;

Hoofdstuk 3: licht onze basisprincipes toe hoe we om willen gaan met initiatieven rond opwekking; Hoofdstuk 4: geeft aan waar zonneprojecten wel/niet mogelijk zijn en hoe;

Hoofdstuk 5: geeft nader kader voor windprojecten;

Hoofdstuk 6: gaat in op de uitdagingen die er liggen en de stimuli die er zijn;

Hoofdstuk 7: samenvatting van de tijdsplanning van acties

Hoofdstuk 8: geeft globaal inzicht in de te volgen procedure bij zonneprojecten.

2 Beleidskaders en ambities

2.1 Rijk

Internationale klimaatafspraken

Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale klimaatafspraken. Zoals het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 (het allereerste klimaatverdrag) en het KyotoProtocol uit 1997, waarin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onderling verhandeld kunnen worden. In 2015 was er een VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord. Het akkoord heeft als doel: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.

Klimaatwet: streefdoel is 49% reductie CO2 in 2030

In mei 2019 is door de Eerste Kamer de Klimaatwet aangenomen. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Dat is streven naar 95% minder CO2 uitstoot in 2050 en als tussenstation 49% in 2030. De wet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen.

Klimaatakkoord

In juni 2019 is het concept Klimaatakkoord gepresenteerd. Het Klimaatakkoord is een pakket aan maatregelen waarmee het reductiedoel van 49% minder broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 bereikt zou moeten worden. We doen dit om klimaatverandering tegen te gaan zoals Nederland heeft afgesproken in het klimaatverdrag van Parijs. Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het stoppen van de elektriciteitsproductie met kolen in 2030. Dit vraagt om alternatieve duurzame opwekking van elektriciteit.

Het Klimaatakkoord is een cruciale bouwsteen voor het klimaatbeleid. Het kabinet legt het klimaatbeleid voor een periode van tien jaar vast in een zogeheten Klimaatplan. Jaarlijks rapporteert het kabinet over de voorgang van het beleid. Waar nodig wordt het beleid op basis daarvan bijgesteld om de doelen te halen.

Zonneladder

Net voor de zomer van 2019 heeft de Tweede Kamer de motie Dik-Faber aangenomen. In deze motie is de regering gevraagd een zonneladder voor decentrale overheden op te stellen als antwoord op de maatschappelijke discussie over de impact van zonneparken op natuur- en landbouwgrond en het grote aantal daken dat tegelijkertijd onbenut blijft. Op 23 augustus 2019 heeft Minister Wiebes een antwoord gegeven op de motie. Het kabinet gaat uit van de volgende voorkeursvolgorde:

De afwegingprincipes leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Het inpassen op daken en gevels draagt niet alleen bij aan het combineren van functies. Omdat hier al sprake is van bebouwing zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren of bermen van spoor- en autowegen. Deze voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan gestart worden met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden.

Het kabinet kiest ervoor om de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging bij het inpassen van zonneparken niet van de decentrale overheden over te gaan nemen. Het kabinet is van mening dat de ruimtelijke afweging van de decentrale invulling een taak is van de gemeenten en regio’s zelf. Zij wegen zelf af waar en op welke wijze de benodigde hernieuwbare elektriciteit op een zorgvuldige wijze en met oog voor het landschap, landbouwkundige en natuurwaarden kan worden ingepast. Vooruitlopend op de totstandkoming van de Regionale Energie Strategie kunnen gemeenten vergunningsaanvragen voor zonneparken op natuur- en landbouwgronden toetsen aan de voorkeursvolgorde, of een vergelijkbaar door de gemeente vastgesteld afwegingskader zoals voor u ligt.

Stimuli voor zonnepanelen op daken

In dezelfde motie als hiervoor besproken is de regering opgeroepen om ‘regelingen aan te passen die belemmerend werken, zodat daken beter kunnen worden benut voor het opwekken van zonne- energie’. Op dit moment gelden beperkte mogelijkheden om toepassing van zonnepanelen op daken af te dwingen. De minister van BZK geeft aan een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in procedure te brengen waarmee gemeenten conform de motie meer mogelijkheden krijgen om het duurzaam gebruik van daken na de lokale afweging ook richting burgers en bedrijven af te dwingen. Het voornemen is om gemeenten in het Bbl de bevoegdheid te geven via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan te eisen dat nieuwe gebouwen die niet al onder de voorgenomen BENG-eisen (Bijna energieneutrale Gebouwen) vallen, hun dak moeten gebruiken voor duurzame opwek van energie of klimaatadaptatie. De gemeente kan hierbij gebiedsgericht differentiëren. Voor nieuwe gebouwen gelden de BENG-eisen en verplicht tot een minimaal aandeel hernieuwbare energie. Ook voor bestaande gebouwen worden de mogelijkheden in het Bbl verruimd om zon op daken te stimuleren. Dit door een zogenaamd maatwerkvoorschrift, vertaald in een maatwerkbesluit per individueel geval, gemotiveerd door het bevoegd gezag.

2.2 Provincie

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Het huidige POL geeft enig kader door aan te geven waar de provincie zoekgebieden ziet voor windenergie als ook uitsluitingsgebieden. Overigens zijn er geen zoekgebieden voor wind in de gemeente Beesel. Dit betekent niet dat het zonder meer uitgesloten is, met uitzondering van de uitsluitingsgebieden zoals het Maasdal. Voor zonne-energie bestaat (nog) geen ruimtelijk kader.

Collegeprogramma Vernieuwend Verbinden

Het provinciaal collegeprogramma geeft op vlak van energiebeleid het volgende aan: “Onder de voorwaarden haalbaarheid, betaalbaarheid en draagvlak stellen wij ons, als middenbestuur, op als een betrouwbare partner van het Rijk en de gemeenten. Dit betekent dat wij onze rol zullen pakken bij onder andere de uitvoering van wetten en wettelijk geborgde afspraken en realistische ambities rondom de klimaat- en energietransitie, zoals bij de totstandkoming van Regionale Energie Strategieën (RES). Provincie erkent dat mensen vanuit verschillende uitgangspunten en opvattingen meewerken aan een innovatief energietransitiebeleid, welke onze economische structuur versterkt, ons minder afhankelijk maakt van fossiele brandstoffen uit het buitenland (Rusland en Arabische landen) en tegelijkertijd de gevolgen van uitstoot vermindert en rekening houdt met biodiversiteit.

Enkele relevante uitgangspunten:

  • Provincie stelt een energiestrategie en bijbehorend programma op, waarin keuzes worden gemaakt voor sleutel-innovaties;

  • Provincie dringt maximaal aan bij Rijk en netbeheerders dat zij hun verantwoordelijkheid nemen voor een betrouwbare, tijdige en leveringszekere energie-infrastructuur;

  • Daar waar provincie vergunningverlenend is voor bedrijven en organisaties, wil zij bij nieuwe vergunningen in de voorwaarden zonnepanelen op daken verplicht stellen en gemeenten aansporen en steunen om dit ook te doen;

  • Provincie richt zich op vlak van innovatie in het bijzonder op duurzame opslag van energie, waarbij power-to-gas één van de mogelijkheden is, maar ook de coöperatieve aanpak zoals in Altweerterheide met batterij-opslag.

  • Provincie verkent actief de grensoverschrijdende mogelijkheden van zowel de samenwerking op het gebied van een euregionale energie-infrastructuur, innovatiekansen en benutten van structuur- en thematische fondsen. Zo wil de provincie de grensoverschrijdende samenwerking met Noordrijn-Westfalen intensiveren.

Als gemeente Beesel kloppen we graag bij de provincie aan in geval we denken dat zij ons verder kan helpen bij het realiseren van onze doelen rond lokale hernieuwbare opwekking.

Duurzaamheidsladder

In oktober 2019 heeft de Provincie een voorlopige zonneladder als bouwsteen voor een duurzaamheidsladder uitgewerkt. Deze ladder moet een plek gaan krijgen in de Provinciale OmgevingsVIsie Limburg (in mei is naar verwachting de ontwerp-POVI gereed, vaststelling is voorzien in december 2020). De lijn van de zonneladder volgt de voorkeursvolgorde zoals medio 2019 opgenomen in de aangenomen motie Dik-Faber, zoals in de vorige paragraaf omschreven. In lijn met de landelijke voorkeursvolgorde houdt ook de Limburgse zonneladder geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van de mogelijkheden voor het toepassen van zon-pv kan gestart worden met het gelijktijdig benutten van deze mogelijkheden.

Provincie bevoegd gezag voor windparken

De Provincie is het bevoegd gezag voor windprojecten vanaf 5 MW (lees: 2 of meer windturbines). In overleg kan van deze bevoegdheid worden afgezien. Per project vraagt dit om een besluit van Gedeputeerde Staten om dit te mandateren aan de gemeente als bevoegd gezag.

2.3 Regio

Regionale Energie Strategie (RES)

De gemeenten in Noord- en Midden-Limburg bundelen de krachten om samen de uitdagingen aan te gaan die voortvloeien uit het Nationaal Klimaatakkoord. Gemeenten nemen het initiatief om samen met het bedrijfsleven, inwoners en maatschappelijke actoren bottom-up toe te werken naar concrete projecten voor het duurzaam opwekken van energie. Nederland is verdeeld in dertig regio’s die elk via een Regionale Energiestrategie (RES) geacht worden een bod te doen waarmee de energietransitie gestalte krijgt, binnen de grenzen van wat technisch, ruimtelijk en sociaal wenselijk is. Noord- en Midden-Limburg vormen samen één van deze regio’s. Opgeteld moeten de regionale plannen leiden tot het halen van het landelijke doel van 35 TWh (tera-wattuur) aan duurzame opwekkingcapaciteit. Het Rijk heeft daarbij niet vooraf de opgave per regio geformuleerd of eisen gesteld aan de technologie. De regio lijkt te koersen op ca 1 TWh. Indien het de regio niet lukt om een evenredig deel bij te dragen aan de nationale opgaven, zal het Rijk genoodzaakt zijn om een opgave op te leggen aan de regio.

De RES vormt een uitwerking van de elektriciteits-, warmte- en energiebesparingsopgave van de regio. De RES is een dynamisch product dat periodiek met een frequentie van 2 jaar zal worden bijgesteld. De RES vormt mede de basis voor het opstellen van omgevingsplannen, gemeentelijke transitievisie warmte en is een bouwsteen voor de omgevingsvisie. De RES dient als een inventarisatie en voorbereiding voor het plaatsen van hernieuwbare energie, zoals zonnevelden en windturbines. De RES geeft hieraan invulling door op basis van afwegingskaders zoekgebieden vast te stellen en door ambities tussen gemeenten af te spreken.

Intentie is te komen tot een concept RES in het voorjaar 2020. Uiteraard kan dit consequenties hebben voor het lokale kader en de opgaven. Niettemin willen we als Beesel regie houden en voor onze gemeente de koers bepalen en niet afwachten tot welk resultaat de RES gaat leiden. Tevens krijgt de RES waarschijnlijk een hoger abstractieniveau in uitwerking dan waar we lokaal mee willen gaan werken, wat betreft uitgangspunten. Deze KODE vormt dan ook het vertrekpunt en inbreng vanuit Beesel voor afstemming in RES-verband.

2.4 Gemeentelijk

Coalitieakkoord

“Onze ambitie is een energieneutrale gemeente in 2030. Hiervoor gaan we direct aan de slag en zetten we onder andere krachtig in op energietransitie (terugdringen energiegebruik en omschakelen op duurzame energiebronnen als wind en zon). Daarvoor zetten we verschillende instrumenten in, zoals: inzet op draagvlak en eigenaarschap in de gemeenschap; ondersteunen lokale initiatieven op het gebied van energiebesparing of opwekking, inzet op bewustwording (voorlichting), samenwerking (lokaal en regionaal), verbinden partners, prestatieafspraken waarbij we inzetten op energieneutraal maken bestaande bouw.“

Duurzaamheidsvisie heeft doelen gesteld

Zie de factsheet in bijlage 1 voor een overzicht van de totale vraag-aanbod verhouding in 2015 en beoogde verhouding in 2030, als onderdeel van de Duurzaamheidsvisie 2019-2030. De doelen zoals nu geformuleerd liggen op het tussenstation van 2030 en zijn sterk gefocust op het behalen van 49% CO2-reductie. In de periode 2030-2050 wordt gewerkt naar 95% CO2-besparing. Stel dat we alle geschikte daken in de gemeente voorzien van zonnepanelen, dan kunnen we in circa 15% van onze toekomstige stroombehoefte voorzien. Aanvullend is er dus grootschaliger opwekking van stroom nodig in de vorm van zonneweides en/of in combinatie met windturbines of andere vormen van hernieuwbare energie. Alle energie die we niet gebruiken, hoeven we niet op te wekken. Daarom lopen naast dit kader ook programma’s die inwoners, bedrijven en organisaties aanzetten tot en ondersteunen bij het nemen van besparingsmaatregelen. De focus van dit beleidskader gaat vooral over opwekken van duurzame energie. In de Duurzaamheidsvisie is als streefdoel gesteld voor 2030:

Hiervoor staat beschreven wat onze opgave is. In dit kader geven we aan op welke wijze we hieraan invulling willen geven, maar ook waar we dit wel of juist niet willen. Daarnaast verschaft het kader helderheid hoe we als ambtelijke en bestuurlijke organisatie om willen gaan met initiatieven die op ons pad komen of waartoe we direct uitnodigen of waar we zelf het initiatief nemen. Initiatiefnemers weten waar mogelijkheden liggen en welke voorwaarden we stellen. Ook de omgeving (inwoners) krijgen een inkijk in de afwegingen die we maken en wat we belangrijk vinden. Dit neemt niet weg dat bij ontwikkelingen her en der last zal worden ervaren. Uiteraard proberen we dit te beperken, in overleg met de omgeving.

K aar t 1: indicatie van het ruimtebeslag uitgaande van de ambities en doelen uit de Duurzaamheidsvisie 2030

Voorgaande overzichtskaart geeft een indicatie van het totaal ruimtebeslag, uitgaande van de indicatieve verdeling van de opwekking over zon en wind.

Wat is er al

Het doel is in 2030 ca. 40% van de geschikte daken te voorzien van zonnepanelen (dit kan voor elektriciteit zijn, maar ook voor warmte). Ter vergelijk: momenteel ligt op ca. 15% van de woningen een zonne-installatie.

Grootschalige veldopstellingen van zonnepanelen of windturbines kennen we nog niet in onze gemeente. Wel zijn er verschillende bedrijfsdaken belegd of is daar SDE-subsidie voor beschikbaar gesteld. In Beesel is volgens RVO per 1 januari 2019 voor 11 TJ 1 beschikt met SDE-subsidie. Hiervan is ruim een kwart feitelijk gerealiseerd. Afhankelijk van het jaar van aanvragen en type installatie hebben bedrijven enkele jaren de tijd om de installatie aan te leggen. Tellen we particuliere daken en beschikte bedrijfsdaken bij elkaar op, is er ca. een kwart tot een derde van de ‘dakenopgave’ bereikt.

3 Balans in ruimtelijke kaders en maatschappelijke doelen

3.1 Ruimtelijke kaders en maatschappelijke doelen

In dit hoofdstuk zetten we uiteen hoe we als gemeente, in samenspraak met belanghebbenden, invulling willen geven aan de wijze waarop we tot realisatie van de benodigde zonne-energie- en windprojecten willen komen. We zoeken daarin een goede balans tussen de ruimtelijke kaders en de maatschappelijke doelen.

Mede aan de hand van de kernwaarden en uitgangspunten vanuit coalitieakkoord en duurzaamheidsvisie en op basis van de ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan, is een vertaling gemaakt naar de ‘kern’ van deze Toetsings-KODE (Kader Opwekking Duurzame Energie) Beesel.

We onderscheiden daarin 4 pijlers, 4 doelen (toetsen) en 10 uitgangspunten:

  • Ruimte: zuinig en zorgvuldig gebruik van de ruimte

    • waar mogelijk uitgaan van dubbel ruimtegebruik. Waar dit niet kan kijken of d.m.v. gebiedsontwikkeling met inzet van energieopwekking een impuls kan worden gegeven (denk aan agrarische ontwikkeling of natuurontwikkeling op den duur)

  • Inwoners: samen werken aan acceptabel plan

    • hoge eisen stellen aan de omgevingsdialoog gedurende de planperiode en daarna

  • Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie

    • werken aan projecten die de kwaliteit van de omgeving verbeteren

  • Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lasten en lusten

    • borgen dat de economische voordelen tijdens aanleg en exploitatie voor een substantieel deel in de regio en gemeente blijven

Een goed initiatief scoort op alle pijlers een ruime voldoende

De impact van zon- en windprojecten in de omgeving kan groot zijn. Deels speelt er onwetendheid of onbekendheid met het nieuwe, deels is er veel weerstand tegen ruimtelijke veranderingen. Het merendeel van de inwoners lijkt zich niet te keren tegen de doelstellingen, maar het wordt een ander verhaal als een initiatief dichtbij de eigen voor- of achtertuin staat gepland. Dat het ook in een prima dialoog met de omgeving kan gaan, bewijzen enkele windprojecten in Midden-Limburg. Gekozen uitgangspunten en gevoerde dialoog met de omgeving (zowel inwoners, bedrijven en grondeigenaren) waarbij vooral wordt uitgegaan van het principe: samen de lasten, maar ook samen de lusten delen. In deze geest zijn zowel voor zonneprojecten als voor windprojecten een aantal uitgangspunten opgesteld. Die moeten ertoe leiden dat we tot geaccepteerde plannen en realisatie ervan komen.

In hoofdstuk 4 werken we de uitgangspunten nader uit voor zonneprojecten. In hoofdstuk 5 aandacht voor de uitgangspunten bij windprojecten. In hoofdstuk 7 vatten we samen hoe we dit alles in de tijd uitzetten, zodat het onderdeel opwekking in de energietransitie een zorgvuldige fasering en dosering krijgt met blijvend perspectief op het behalen van onze doelen.

3.2 Kansen voor onze inwoners, bedrijven en organisaties

In deze paragraaf staan we expliciet stil bij hetgeen we willen bewerkstelligen voor alle belanghouders in onze eigen gemeente. Eén van de doelen is immers de lasten en lusten te delen op lokaal niveau. Hieronder een beknopte en niet limitatieve weergave van mogelijke voordelen per belanghouder.

Inwoners

  • Door zelf (op eigen dak of kavel) groene stroom op te wekken, daadwerkelijk stroom ‘van eigen bodem’ te hebben;

  • In geval van zon meer in indirecte zin en in geval van wind meer in directe zin meeprofiteren van middelen die beschikbaar komen voor compensatie;

  • Mogelijkheid om financieel te participeren in de opwekentiteiten, opbrengsten vloeien daarmee terug naar de lokale samenleving;

  • Zoveel mogelijk zorgdragen voor inclusiviteit, zodat iedereen mee kan doen (denk aan kleine financiële participaties, of zelfs uitgifte van certificaten door gemeente in geval van mede- eigenaar opwekentiteit);

  • Bijdrage aan bewustwording rond het ‘nieuwe normaal’ van decentrale duurzame energieopwekking;

  • Hopen op gedeelde trots van onze inwoners op het vermogen om zoveel als mogelijk zelfvoorzienend te zijn in de stroomopwekking.

Bedrijven

  • Mogelijkheid om actief bij te dragen aan eigen verduurzaming, zowel in energetische zin als ook vanuit maatschappelijk verantwoord ondernemerschap;

  • Mogelijkheid voor inkomsten in de vorm van dakhuur;

Organisaties

  • In geval van een geschikt dak, bijdragen aan de eigen verduurzaming en zo mogelijk verlagen energielasten;

  • Mogelijkheid voor inkomsten in de vorm van dakhuur.

Gemeente

  • Een schonere lucht voor onze woon- en leefomgeving;

  • Als gemeente geven we graag invulling aan onze voorbeeldfunctie, als we iets van onze inwoners verwachten is het logisch dat we zelf daarin ook het voortouw nemen; verbeter de wereld en begin bij jezelf;

  • We bereiken onze doelen en dragen naar rato vermogen bij aan de provinciale, nationale en mondiale doelen;

  • We pakken graag een actieve houding en regie en faciliteren en stimuleren van daaruit;

  • Waar nodig, mogelijk en verantwoord nemen we een actieve positie in een opwekinstallatie, zodat we ook zelf middelen genereren. Dit is vooral aan de orde bij marktfalen of participatiefalen. Gegeneerde middelen vloeien terug in de energietransitie.

4 Kader voor zonneprojecten

Per pijler en doel werken we de uitgangspunten nader uit, zodat er een kader ontstaat waaraan we initiatieven kunnen toetsen. Dit biedt handelingsperspectief aan ons als overheid, de initiatiefnemer, betrokken belanghouders, maar ook de omgeving. Per pijler ontstaat zo een toets die bestaat uit één of meer uitgangspunten. Per uitgangspunt geven we aan of sprake is van flankerende ontwikkelingen en die we op dit punt kunnen overzien. Tevens geven we aan wat we op korte termijn gaan doen en wat op langere termijn. Uiteraard kunnen en zullen er tussendoor ontwikkelingen plaatsvinden die op onderdelen aanleiding geven om het beleid bij te stellen, tweejaarlijks gaan we evalueren.

4.1 Ruimte: inzetten op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

In dit kader hebben wij het grondgebied in gebiedstypen ingedeeld, indachtig de typologie die in verschillende in omloop zijnde zonneladders wordt genoemd. Hierbij maken we onderscheid in uitsluitingsgebieden zoals NatuurNetwerk Nederland en voorkeursgebieden zoals daken en reststroken. De voorkeursgebieden zijn niet voldoende om de beoogde doelen te bereiken in het beschikbare tijdsbestek. Grootste uitdaging ligt in het zo min mogelijk belasten van hoogwaardige landbouwgebieden. Beesel volgt de landelijke en provinciale zonneladder en kantelt deze tot een zonnewaaier. Zie onderstaande figuur, feitelijk doen we hetzelfde. De waaier maakt expliciet dat we een ‘meersporenbeleid’ volgen, waarbij we gelijktijdig inzetten op zonne-energie op daken, reststroken, bouwvlakken en cultuurgronden.

De urgentie en omvang van de opgave maakt het noodzakelijk om op alle sporen in te zetten. Om te voorkomen dat bijvoorbeeld slechts één spoor wordt benut, koppelen we een bepaalde ontwikkelingsruimte aan het gebiedstype. Bij minder waardevolle gebieden benoemen we de ondergrens van de ontwikkelruimte en bij waardevolle gebieden een bovengrens.

Dit brengt ons bij de het volgende uitgangspunt:

We lichten hier elk spoor toe, maar beginnen met de uitsluitingsgebieden.

Uitsluitingsgebieden, waar kan het niet:

Natuurgebieden

Verspreid door de gemeente liggen beschermde gebieden en natuurgebieden met een scala aan labels, zoals het Maasdal, gebieden deel uitmakend van NatuurNetwerk Nederland, de via POL Limburg benoemde goud-, zilver- en bronsgroene gebieden. Deze gebieden hebben een natuurdoel en vormen mede ecologische (verbindings)zones. Realisatie van zonneparken past hier niet in.

Essen

De nu nog zichtbare essen (’t Haselt) zijn van cultuurhistorisch belang en vormen een belangrijk onderdeel van het landbouwsysteem dat vroeger (en deels nog) gemeengoed was. De bolle ligging als gevolg van het opbrengen van mest en plaggen is nog steeds herkenbaar en zichtbaar. Vanwege de beleving en afleesbaarheid van de historie van deze gebieden, cultuurhistorische en landschappelijke waarde sluiten we esgronden uit om zonneparken op te realiseren.

Beekdalen

Beekdalen vervullen een belangrijke rol in de waterhuishouding van een gebied. Deze hydrologische waarde, in combinatie met de landschappelijke en ecologische waarden, maakt dat het realiseren van zonneparken in beekdalen niet wenselijk is. In enkele gevallen is sprake van aantasting van de landschappelijke en ecologische waarde van een deel van het beekdal, bij uitzondering kan hier sprake zijn van de ontwikkeling van een zonnepark.

Waar kan het onder voorwaarden wel:

We onderscheiden vijf sporen waar onder voorwaarden mogelijkheden bestaan voor zonneweides of zonnedaken.

Voorgaande tabel geeft de 5 sporen weer, met per spoor aangegeven wat de beoogde productie is die wordt verwacht, of dit een minimumdoel of maximum is wat we er aan stellen en hoe de totaal opgave is toebedeeld naar de 5 sporen. Hierna volgen meer details per spoor.

Spoor 1: op daken

Typering: daken van bedrijven, kantoren, accommodaties, etc.

Uitgangspunten:

  • daken van bedrijven, kantoren en accommodaties: doel is additioneel minimaal 20 ha aan zonnepanelen te bereiken tot 2030. Afgestemd op de behoeften van bedrijven en organisaties. We willen als gemeente faciliteren, bijvoorbeeld door middel van kennisvouchers e.d. om bedrijven te ondersteunen in de aanschaf van zonnepanelen.

  • zonnepanelen op dak kunnen onder voorwaarden meestal vergunningvrij worden aangebracht, met uitzondering van een monument of gebouwen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht.

In geval van nieuwbouw of uitbreiding van een bedrijf is het op dit moment nog niet mogelijk om via een omgevingsvergunning het leggen van zonnepanelen te eisen. Als gemeente zijn we van plan deze verplichting aan de hand van voorwaarden toch op te leggen. Uitgangspunt is dat betreffende initiatiefnemer voorziet in eigen stroom- en zo mogelijk energiebehoefte via zonnepanelen op het dak. We worden hierin ondersteund door de aankondiging van de minister van BZK om een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in procedure te brengen waarmee gemeenten conform de motie meer mogelijkheden krijgen om het duurzaam gebruik van daken na de lokale afweging ook richting burgers en bedrijven af te dwingen. De gemeente zou dan, via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan, kunnen eisen dat het dak van nieuwe gebouwen die niet onder de voorgenomen BENG-eisen (Bijna energieneutrale Gebouwen) vallen, gebruikt moet worden voor duurzame opwek van energie of klimaatadaptatie. De gemeente kan hierbij gebiedsgericht differentiëren. Voor nieuwe gebouwen gelden de BENG-eisen en verplicht tot een minimaal aandeel hernieuwbare energie.

Ook voor bestaande gebouwen worden de mogelijkheden in het Bbl verruimd om zon op daken te stimuleren. Dit door een zogenaamd maatwerkvoorschrift, vertaald in een maatwerkbesluit per individueel geval, gemotiveerd door het bevoegd gezag.

Spoor 2: op reststroken, water, stortplaatsen e.d.

Typering: braakliggende of onbenutte terreinen (reststroken), gekoppeld aan weg- of railinfrastructuur (bermen, geluidsschermen of –wallen, oksels van op/afritten), (ontgrindings)plassen, open water, voormalige stortplaatsen, dubbelfuncties met parkeren, etc.

Uitgangspunten:

  • doel ligt op het beleggen van minimaal 10 ha op genoemde locaties, die verspreid over de gemeente liggen.

Spoor 3: bouwvlakgerelateerde zonneweides in het buitengebied

Typering: bouwvlakken van (agrarische) bedrijven gelegen in het buitengebied

Uitgangspunten:

  • ligt op het beleggen van maximaal 15 ha op bouwvlakken die verspreid over de gemeente zijn gelegen.

  • de maximale (bruto)maat voor deze zonneparken is maximaal 2 ha en is volledig gelegen binnen het bestaande bouwvlak. Te overwegen is bouwvlakvorm te wijzigen als dit de inpassing ten goede komt.

  • voor stoppende of gestopte bedrijven: zowel vrijkomende plek door sloop als overig deel binnen bouwvlak kunnen met panelen belegd worden, uitgangspunt is eerst slopen, dan beleggen.

  • voor consoliderende bedrijven: allereerst wordt tenminste 50% van het bedrijfsdak benut, alvorens het bouwvlak op maaiveld wordt benut.

  • er is sprake van landschappelijke inpassing .

  • installatie is vrijgesteld van coöperatieve participatie, mits revenuen worden gebruikt voor sloop stallen of andere bouwwerken.

Spoor 4: oude ontginningen, westelijk van de A73

Typering: gebied gelegen ten westen van de A73 en gekenmerkt door een kleinschalige en organische structuur.

Uitgangspunten:

  • maximaal 20 ha beleggen in genoemd gebiedstype.

  • de minimaal (bruto)maat is 2 ha, de maximaal maat is 5 ha.

  • ten behoeve van enige spreiding liggen zonneparken waarvan één van beide groter is dan 2 ha minimaal 500m verwijderd van elkaar.

  • bouwvlakgerelateerde projecten zijn mogelijk.

Mede vanwege de ontwikkelingen die op de locatie Drakenrijk en directe omgeving kunnen gaan plaatsvinden, stellen we voor dit gebied ook onderdeel te laten zijn van de verkenning die we in spoor 5 willen opzetten. Reden is dat we mogelijk versterkende ontwikkelingen zien daar Drakenrijk e.o. in samenhang met zoekgebied Meerlebroek te zien.

Spoor 5: jonge ontginningen, oostelijk van de A73

Typering: gebied gelegen ten oosten van de A73 tot aan de landsgrens, gekenmerkt door grootschaliger verkaveling.

Uitgangspunten:

  • maximaal 45 ha beleggen in genoemd gebiedstype.

  • de minimale (bruto)maat is 15 ha.

  • vanwege het cumulatieve effect geldt voor open landschappen dat een beperkt aantal grote zonneparken beter inpasbaar is dan een groot aantal kleine.

  • naast de hier opgenomen maximale oppervlakten zijn erfgerelateerde projecten mogelijk.

  • naar analogie met de zonneladder van de provincie verkennen we in dit spoor (gebied) de ontwikkeling van een grootschaliger energielandschap.

  • voor de periode 2020 - 2021 nemen we de tijd om met initiatiefnemers, inwoners en bedrijven na te gaan hoe en waar de beste mogelijkheden bestaan om lokale opwekking door zon en/of wind tot ontwikkeling te brengen. In de wetenschap dat aansluitcapaciteit relatief ver is gelegen, is regie op de ontwikkeling wenselijk. Daarnaast streven we ernaar in dit gebied de minst landbouwkundig waardevolle gronden in te zetten voor een zonnepark.

De volgende kaart geeft de ligging van de verschillende gebieden weer

Kaart 2: landschapstypen waar we wel en geen zonneweides toestaan

Tijdens beraad met stakeholders en politiek is nadrukkelijk uitgesproken dat bij de beoordeling van initiatieven de belangen op het vlak van landbouw, natuur, recreatie, toerisme, waterberging en energieopwekking in onderlinge samenhang bekeken moeten worden. Credo: laat iedere ontwikkeling op de juiste plek landen. Daarnaast is nadrukkelijk meegegeven bij de inrichting, inpassing en situering rekening te houden met bestaande landschappelijke kernkwaliteiten zoals: reliëf, cultuurhistorisch erfgoed, groene karakter, visueel-ruimtelijk inpassing, etc. Zie paragraaf 4.3 voor een verfijning en vertaling hiervan in kwaliteitsprincipes en -eisen.

Samenvattend voor de sporen

Voor de sporen 1 (daken), 2 (reststroken) en 3 (bouwvlakgerelateerd) geldt dat deze binnen de gestelde criteria voortvarend opgepakt kunnen worden en mits deze passen vergund. Voor het gebiedstype oude ontginningen liggen er mogelijkheden voor een tweetal kleine tot middelgrote zonneparken. Voor het gebiedstype jonge ontginningen kunnen initiatieven ontwikkeld worden op de sporen 1-2-3.

Initiatiefnemers onderschrijven de Gedragscode Zon op Land2 , code voor de fysieke en procesmatige wijze van ontwikkeling, inpassing, vormgeving en beheer van zon op land projecten.

Landelijk gezien komen er steeds meer duurzame elektriciteitsprojecten, vooral in de vorm van windparken, zonneparken en zonnedaken. Die helpen de transitie verder, maar vragen ook steeds meer van het elektriciteitsnet. Dit leidt tot piekaanbod van zon of wind op het net, dat in beginsel is ingericht om eenzijdig te distribueren. Er zijn plaatsen in Nederland waar het net de stroom van nieuwe projecten al minder of niet meer kan transporteren. De netbeheerders gaan de netten daarom grootschalige verzwaren, maar dat duurt meerdere jaren. In een recent persbericht geeft onze netbeheerder Enexis aan dat de toename van zonne-energie ertoe geleid heeft dat de capaciteit van het net binnen de komende 2 jaar net zo snel moet groeien als in de 30 jaar ervoor.

In de gemeente Beesel ligt één aansluitstation (Broeklaan) met een beperkte aansluitcapaciteit. Hier zouden enkele zonneparken of –daken met een grootte van ca 5-6 ha op kunnen worden aangesloten. Voor de grote schaal van opwekking zijn we afhankelijk van de aansluiting op station(s) in de buurgemeenten. Dit leidt tot langere af te leggen afstanden, waarbij de kabel richting station moet of een satelliet van het station naar de opweklocatie. Dit vraagt vanuit de business case voor een bepaalde schaalgrootte.

De projecten aan de westzijde van de A73 kennen de maximale maat die aansluitbaar is op het station Broeklaan. In een vroeg stadium van planontwikkeling willen we weten van de initiatiefnemer of er afdoende aansluitcapaciteit beschikbaar is en hoe dit is geborgd.

Voor de oostzijde van de A73 is het relevante knelpunt de afstand tot en capaciteit van de energie infrastructuur. Dit maakt grootschalige ontwikkeling voorlopig erg onzeker, terwijl we de schaal in totaliteit wel nodig hebben om als gemeente aan onze doelen te voldoen. Als gemeente stellen we dit knelpunt nadrukkelijk aan de orde in bilaterale overleggen met Enexis en in RES-verband.

Kunnen we ons verlaten op voldoende aansluitcapaciteit van Enexis/TenneT binnen afzienbare termijn? Biedt het juist kansen om in te zetten op innovaties, zoals opslag in batterijen of opslag/omzetting via elektrolyse naar waterstof? Zijn er opties om in te spelen op de elektrificatie van de spoorlijn en aan te sluiten bij de Prorail-infrastructuur? Of kan de beschikbare ruimte juist beter ingezet worden om warmte op te wekken en op te slaan? Vragen die wij in de komende jaren van een antwoord moeten voorzien. Reden om vooralsnog niet mee te werken aan grootschalige ontwikkelingen aan deze zijde van de A73.

Kleine schaal op of nabij eigen terrein of erf westelijk van de A73, mits aansluitcapaciteit beschikbaar, behoren voorlopig wel tot de mogelijkheden.

Deze praktische stand van zaken brengt ons op het standpunt om een nadrukkelijk onderscheid te maken tussen initiatieven die makkelijker aansluiten bij de aanwezige energie-infrastructuur en de grote schaal projecten die afhankelijk zijn van verzwaring van of aanleg van nieuwe infrastructuur.

Het ruimtelijk kader en de zonnewaaier maken duidelijk dat op het gemeentelijk grondgebied westelijk van de A73 ruimte is voor kleinschaliger initiatieven tot ca. 5 ha. Bouwvlakgerelateerde zonneweides zijn in beginsel aan de oost- en westzijde van de A73 mogelijk. De grote schaal moet gezocht worden aan de oostkant van de A73, beter bekend als Meerlebroek. Zaak om op dit moment geen overhaaste beslissing te nemen in deze. Reden voor een verdere verkenning, specifiek binnen dit gebied.

Er zijn meer redenen. Zo wordt er in RES-verband ook nadrukkelijk gekeken naar de vorming van majeure projecten: energielandschappen. Die kans ligt in Meerlebroek, een zoekgebied van ruim 500 ha cultuurgrond. Binnen het gebied ligt nog een substantieel aantal ha in eigendom van de gemeente die op dit moment regulier verpacht worden. Dit kan eveneens een aanknopingspunt zijn om in dialoog met pachters en omgeving te kijken naar kansen voor synergie in energieopwekking en landbouwkundig gebruik.

Een andere bijkomende reden is de introductie van de visie van Minister Carola Schouten op de agrarische sector met als perspectief Kringlooplandbouw. Nader verkennen van de toekomstbestendigheid van het gebied Meerlebroek vanuit agrarisch perspectief, maar ook vanuit energetisch perspectief. Wat hebben ze elkaar te bieden? Hoe is er synergie te bereiken?

Kringlooplandbouw als aanknopingspunt

Eind 2018 heeft Minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit haar visie op Kringlooplandbouw3 gedeeld. We citeren:

“Het huidige systeem van landbouw is een keten waarvan de schakels bestaan uit actoren die ieder zo handelen dat zij er economisch het beste uit komen. Elke partij benut de grondstoffen die haar ter beschikking staan, verwerkt die tegen de laagste kosten en met de hoogste opbrengst. Maar de afzonderlijke partijen kijken nog onvoldoende naar het systeem als geheel. Ook de regelgeving is vooral gericht op delen van het systeem. Dat is ernstig, want in het systeem zitten veel lekken, verkwistingen, inefficiënties en andere ongewensten effecten. Voorbeelden zijn het weglekken van mineralen uit de bodem en het niet nuttig gebruiken van de grote reststromen van de productie. Dit is onhoudbaar, want we hebben maar één aarde met een beperkte voorraad hernieuwbare grondstoffen.

Bovendien brengt deze productiewijze schade toe aan het ecosysteem, doordat zij biodiversiteit onder druk zet, leidt tot verontreiniging van bodem, water en lucht en de aarde verandert in een broeikas die op den duur grote delen ervan onleefbaar en improductief maakt.”

De verbetering van de bodemgesteldheid is een sterk motief. De kabinetsinzet is dat in 2030 de natuur in natuurgebieden, op de landbouwgronden en in de wateren rijker en veelzijdiger is: de landbouw benut biodiversiteit voor bijvoorbeeld bestuiving, bodemvruchtbaarheid en ziekte- en plaagwering en creëert tegelijk leefgebied voor allerlei soorten dieren.

Klimaatpanel IPCC pleit voor duurzamer landgebruik

Begin augustus 2019 is het klimaatrapport ‘Climate Change and Land4 ’ gepresenteerd. De landbouw moet duurzamer om in de toekomst iedereen te kunnen voeden, klimaatverandering tegen te gaan en biodiversiteit te beschermen. Kringlooplandbouw als mogelijke oplossing? Het verkennen waard.

Verkenning opstarten

Als gemeente zien we kansen om gebiedsspecifiek de kansen te verkennen voor enerzijds grootschalige opwekking in het gebied Meerlebroek en anderzijds de potenties voor Kringlooplandbouw in dit gebied. Uitdaging ligt uiteraard in de mogelijke versterking van elkaar, in combinatie met de toeristische en recreatieve bedrijvigheid aldaar, hetgeen moet leiden tot een betere bodemkwaliteit, toename biodiversiteit en zo mogelijk belevingskwaliteit. Rekening houdend met zorgvuldige inpassing van zonne- en windenergie. Tegelijkertijd geeft deze opdracht invulling op onderdelen van het domein circulaire economie.

Graag starten we een verkenning binnen dit gebied in het jaar 2020, zodat we in het 1e kwartaal van 2022 (tegelijkertijd met de evaluatie van KODE Beesel) de resultaten hiervan kunnen voorleggen in meerdere scenario's. Dit betekent eveneens dat er op dit moment nog geen keuzes aan de orde zijn rond wel/geen windenergie, wel/geen grootschalig energielandschap of juist meer versnippering. De studie mondt uit in enkele scenario's, waaruit begin 2022 gekozen kan worden.

4.2 Inwoners: samenwerken aan een acceptabel plan

Het organiseren van een zorgvuldig proces met inwoners en andere belanghouders is dé basis voor een succesvolle energietransitie, zo blijkt keer op keer5 . Vooral het meekrijgen van inwoners is een uitdaging. Ervaringen wijzen uit dat belangrijke sleutels voor succes zijn:

  • Investeer van begin tot eind in het participatieproces; hou als gemeente zelf de regie!

  • Laat de baten ten goede komen aan de lokale gemeenschap, 50% lokaal eigendom is mogelijk.

Daarnaast is het van belang inwoners, bedrijven en organisaties duidelijk te maken dat wordt gewerkt vanuit een brede, maar grote opgave. Projecten zijn daarin exponenten die in de praktijk nogal eens leiden tot weerstand. Niet alle impact is op te lossen, er gaat zeker wat veranderen in de leefomgeving. Vanuit deze houding volgt logisch het volgende uitgangspunt:

Een zonneproject kan afhankelijk van de schaal en locatie een verschillende impact hebben. Per definitie is er sprake van omgevingsdialoog met direct om/aanwonenden. Met name als het gaat om de sporen 3, 4 en 5 kan een dialoog met de gemeenschap (bijvoorbeeld kernoverleg of buurtvereniging) nuttig en nodig zijn. We maken dan ook onderscheid in beide omgevingsdialogen

Omgevingsdialoog met direct om/aanwonenden

Het inrichten van grootschalige zonneparken heeft ruimtelijke en maatschappelijke effecten. Er ligt een uitdaging om het woon- en leefklimaat van onze inwoners zo min mogelijk aan te tasten. Het is essentieel de omgeving (direct omwonenden en aangrenzende grondeigenaren) zo vroeg mogelijk in de planvorming te betrekken. Projecten waarbij inwoners, eigenaren of lokale ondernemers participeren hebben een grotere kans van slagen. Bij initiatieven voor het grootschalig opwekken van zonne-energie geldt daarom als voorwaarde dat de initiatiefnemer maximale betrokkenheid van de inwoners en andere betrokkenen in de omgeving creëert. Hierbij maken we onderscheid tussen de werkzaamheden die de initiatiefnemer verplicht is om te nemen, de “inspanningsverplichting” en de extra’s ten behoeve van participatie, compensatie en acceptatie. De betrokkenheid is in de voorbereidende fase van essentieel belang, maar moet ook in de realisatie en exploitatiefase geborgd zijn. Hierbij benadrukken we dat het algemeen belang - het halen van de gemeentelijke klimaatdoelstelling en het realiseren van een duurzame energievoorziening - zwaarwegend is. Met andere woorden: de ideale situatie waarbij iedereen voorstander is van een plan zal een utopie zijn.

Inspanningsverplichting

De initiatiefnemer verplicht zich tot het doen van aanzienlijke inspanningen om het maximale resultaat te bereiken in het betrekken van de directe omgeving in de fase van planvorming. In overleg met de gemeente wordt de directe omgeving bepaald, soms gaat het om ca. 400m rondom het plan, soms is een kleinere afstand afdoende, soms juist wat groter. Het gaat hierbij niet alleen om de inspanning zelf maar ook om het aantonen hiervan. Dat laatste speelt een cruciale rol en maakt onderdeel uit van de onderbouwing bij de vergunningaanvraag. De gemeente heeft hierbij in eerste instantie een faciliterende rol en toetst de inspanning van de aanvrager.

Het is aan de initiatiefnemer om de omgeving te betrekken bij het ontwerp van het zonnepark en de landschappelijke inpassing. De gemeente toetst of de dialoog tussen initiatiefnemer en zijn omgeving goed verloopt. Om dat te borgen stellen we voorwaarden waaraan de initiatiefnemer minimaal moet voldoen. Zie bijlage 2 voor de Leidraad Omgevingsdialoog.

Zo worden de verslagen van de bijeenkomsten en overleggen, inclusief reacties uit de omgeving, als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Dit dossier maakt dus deel uit van de vergunningaanvraag. De initiatiefnemer neemt in de toelichting op hoe de opmerkingen in de ruimtelijke onderbouwing zijn verwerkt. Deze bijeenkomsten en inspraak van omwonenden gaan vooraf aan de vergunningsprocedure en komen niet in plaats van formele zienswijzeprocedures.

Het is belangrijk dat een initiatiefnemer in de onderbouwing van het plan ingaat op de argumenten van omwonenden om bepaalde maatregelen/investeringen wel of niet te doen. Dit mag niet gaan over standpunten en meningen. Op basis van de argumenten kan een initiatiefnemer gericht aanpassingen doen. Een initiatiefnemer hoeft niet letterlijk alles over te nemen van wat er uit de bijeenkomsten naar voren komt, maar mag gemotiveerd afwijken. Hier heeft de gemeente in het voortraject een toetsende rol.

Omgevingsdialoog met kernoverleggen en buurtverenigingen

Initiatiefnemers, maar ook aan/omwonenden klampen met name Kernoverleggen, maar ook buurtverenigingen regelmatig aan. Soms gebeurt dat in een pril stadium waarbij een initiatiefnemer een idee wil voorleggen en het betreffende kernoverleg vraagt hoe deze ertegen aankijkt. Of hoe er in gezamenlijkheid informatie verschaft kan worden naar de inwoners. In beginsel stellen de kernoverleggen zich objectief en onafhankelijk op. Echter door miscommunicatie, onvoldoende informatie of niet meer communiceren kunnen er tegenstellingen gaan ontstaan rond een project. Een kernoverleg kan in een lastig parket terecht komen, waarbij het moeilijk is en blijft om de oorspronkelijke onafhankelijke positie vol te houden. In negatieve zin kan dit leiden tot een actiegroep die tegen een plan in het verweer komt, in positieve zin tot een club die misschien zelfs kansen ziet om op een of andere manier actief mee te doen.

We vragen als gemeente aan de initiatiefnemer om het meest logische en dichtst bij het plangebied gelegen kernoverleg in een vroeg stadium te informeren. Het is aan het kernoverleg zelf om te bepalen op welke wijze het betrokken wil zijn bij de planvorming en eventuele latere fases.

Flankerend

  • In voorbereiding van de implementatie van de Omgevingswet is er steeds meer aandacht voor de dialoog met de omgeving bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gemeente stelt in dit hoofdstuk hoe ze hiermee om wil gaan in relatie tot opwekprojecten. De Omgevingswet laat nog even op zich wachten. Hiermee bestaat de kans dat de procedure wordt overgenomen, dan wel dat er nieuw breder kader ontstaat dat aangeeft wat we als gemeente van de omgevingsdialoog verwachten.

4.3 Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie

Zonneparken kunnen in het (directe) zicht van omwonenden liggen. Het zicht op de panelen speelt dan ook een belangrijke rol. Om het zicht op de panelen te beperken moet de initiatiefnemer het zonnepark voorzien van een passende inkadering in het gebied en moet een afstand aangehouden worden tot de randen van het perceel van ieder geval 5 meter. De bestaande verkavelings- en/of beplantingsstructuur is leidend voor de inpassing van een zonnepark. Om te voorkomen dat de inpassing veel later of helemaal niet wordt gerealiseerd dient de inpassing gereed te zijn voordat de panelen geplaatst worden.

Een goede ruimtelijke inpassing heeft te maken met de wijze waarop een zonnepark ruimtelijk logisch aansluiting vindt bij de kenmerken van de locatie waar deze beoogd wordt. Dit vraagt telkens om andere oplossingen en een voor die locatie passend plan. Iedere locatie heeft daarbij zijn eigen verhaal en kenmerken zoals bebouwingsstructuren, verkavelingspatronen en landschapselementen. Zowel voor kleine als grootschalige zonneparken moet het landschap leidend zijn voor de inrichting en vormgeving. Hiervoor zijn op verschillende schaalniveaus ontwerpprincipes en –eisen voor een landschappelijke inpassing. Te weten, het landschap, de kavel en het object.

Nieuwe ingrepen mogen het landschap wel veranderen maar niet overheersen omdat andere belangen zoals toerisme, leefbaarheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol moeten blijven spelen.

Ontwerpprincipes

We hebben een aantal ontwerpprincipes opgesteld die we initiatiefnemers vooraf meegeven en waarop we toetsen en afwegen. Kwaliteitseisen voor panelen op water is maatwerk. De ontwerpprincipes maken onderscheid tussen het niveau van het landschap, de kavel en het object. Bijlage 3 bevat een leidraad die ondersteunend is bij het ontwerpen van een zonnepark.

Van de initiatiefnemer verwachten we in ieder geval een landschappelijke inpassingsstudie met aandacht voor cultuurhistorische waarden, inpassing, flora en fauna, wegenstructuur en visualisaties.

Als gemeente willen we ‘overwoekering’ van het landschap door zonneparken voorkomen. Reden dat we continu kijken naar het cumulatieve effect van meerdere parken op een hoger schaalniveau. Vanwege het cumulatieve effect zijn in open landschappen een beperkt aantal grote zonneparken beter inpasbaar, dan een groot aantal kleine. Voor besloten landschappen geldt het omgekeerde.

Dubbel ruimtegebruik, zoals combinaties met (stroken)landbouw, water, begrazing, biodiversiteit, natuurontwikkeling of parkeren wordt toegejuicht.

Monitoren in het veld

Ervan uitgaande dat een zonneweide voldoet aan de eisen zoals gesteld onder uitgangspunt 7, zijn er redenen om een positieve ontwikkeling van de vegetatie te verwachten, in termen van biodiversiteit. Omdat nog veel niet bekend is rond de effecten van zonneparken, stellen we voor om een vijfjaarlijkse monitoring op te zetten. Gemeente vraagt initiatiefnemer om een (uniform in opzet) 0-meting van de bodem, wat betreft organisch stofgehalte, bodemleven en bodemstructuur en 0-meting van de biodiversiteit. Dit voor rekening van de initiatiefnemer.

4.4 Eigenaarschap: eerlijker verdelen van lasten en lusten

De mogelijkheid partner te worden in een plan, om de gemeenschap en/of gemeente mede-eigenaar te laten worden, is een belangrijk aspect om te komen tot een geaccepteerd plan. Dit kan door financiële participatie mogelijk te maken. Een voorbeeld is de verlaagd tariefregeling (de postcoderoos), maar ook een project waarin inwoners en bedrijven een aandeel of certificaat kunnen kopen. Doel is ervoor te zorgen dat de revenuen van lokale opwekprojecten ook meer lokaal en regionaal blijven. Financiële participatie heeft over het algemeen een negatieve invloed op een business case, aan participanten moet immers een marktconforme rente of dividend betaald worden. Voor initiatieven van coöperaties is de hefboom van participaties juist noodzakelijk om bancaire financiering te organiseren. De business case bepaalt mede de mate van de mogelijkheden voor participatie. Uitgangspunt is te streven naar een substantieel lokaal eigenaarschap.

In het concept Klimaatakkoord (medio 2019) is opgenomen dat voor 2030 de helft van de opwek van hernieuwbare energie, zoals zonne- en windenergie, in eigendom is van burgers en bedrijven uit de lokale omgeving. Als gemeente sluiten wij ons aan bij dit streven uit het Klimaatakkoord.

Per project kunnen de wensen van bedrijven en bewoners uit de omgeving om mee te profiteren verschillen. Dit geldt ook voor de mogelijkheden. De partij die het initiatief neemt voor het project (bijvoorbeeld een bedrijf of energiecoöperatie) gaat daarom in gesprek met de omgeving om hierover afspraken te maken.

Wij gaan uit van de volgende streefcijfers rond participatie (zie tabel hieronder). Dit kan dus lopen via een coöperatie, zoals Joris Wekt Op, maar kan ook lopen via een constructie die de initiatiefnemer organiseert. Naast of in plaats van een coöperatieve participatie is het ook mogelijk dat de gemeente direct of indirect deelneemt in een zonnepark. Reden hiervoor kan zijn dat de coöperatieve participatie niet van de grond komt, maar ook omdat de gemeente bijvoorbeeld gronden inbrengt of weloverwogen strategisch een positie wil innemen.

Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer minimaal 10% (en bij voorkeur meer) van het park (in opgesteld vermogen of oppervlak) ter beschikking stelt voor een bepaalde vorm van participatie door inwoners, bedrijven en organisaties uit de gemeente. Een mix van coöperatieve en gemeentelijke participatie kan ook aan de orde zijn. De opbrengsten uit de energietransitie moeten zo veel mogelijk terugvloeien naar de gemeenschap en worden ingezet voor klimaatdoelen.

Nota bene: ervaring wijst uit dat commerciële bedrijfsdaken zich minder makkelijk lenen voor toepassing van een participatiemodel. Publieke daken (zoals bij De Schans is gebeurd), waar een zogenaamde postcoderoos is gerealiseerd, lenen zich hier beter voor. Betekent dus niet dat het coöperatief streven op 0% staat, maar bij gelegenheid hoger mag liggen.

Vaak is de gedachte dat inwoners een zonnepark sneller zullen accepteren als ze financieel kunnen meeprofiteren. Dat is in de praktijk niet zo eenduidig waarneembaar en te verwachten. De aantasting van het landschap of het ervaren woongenot laat zich niet in geld uitdrukken. De sleutel voor (meer) acceptatie ligt vooral in het volgen van een zorgvuldig proces.

Flankerend:

  • Om invulling te kunnen geven aan coöperatief mede-eigenaarschap is het belang te kunnen leunen op een of meerdere energie coöperatie(s) die hierop toegerust is/zijn. Voor de verdere professionalisering van deze organisatie(s) overweegt de gemeente middelen beschikbaar te stellen.

  • Lukt de coöperatieve borging niet of onvoldoende of niet snel genoeg (er is dan eigenlijk sprake van ‘participatiefalen’), wil de gemeente kijken of ze ofwel zelf positie kan nemen, dan wel kan borgen dat het coöperatieve aandeel beschikbaar blijft voor de lokale partners. Momenteel loopt in samenwerking tussen de gemeenten Beesel, Horst aan de Maas en Venray een onderzoek naar de positionering van de gemeenten in energietransitie. Kansen en risico’s die samenhangen met het innemen van bepaalde rollen worden verder uitgespit. Resultaten volgen op later tijdstip.

  • Ter promotie van coöperatief eigendom onderzoeken we of het denkbaar is om bijvoorbeeld bij 50% of meer lokaal/coöperatief eigendom de legeskosten terug te storten als dit bereikt is.

Zonneparken hebben impact op de omgeving en claimen veelal ruimte die nu ergens anders voor gebruikt wordt. Binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader/Limburgs KwaliteitsMenu is sprake van tegenprestatie in geval van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. In basis gebeurt dit vrijwel altijd door een landschappelijke inpassing ter plaatse. Voor alle sporen, met uitzondering van de daken, is dit een vereiste. Voor de sporen 4 (oude ontginningen) en 5 (jonge ontginningen) is sprake van een te verwachten grote schaal en daarmee grotere inbreuk, dat we van mening zijn hiervoor een aanvullende tegenprestatie te vragen. Voor bouwvlakgerelateerde projecten is sprake van een tegenprestatie in de vorm van sloop of in de vorm van een financiële afdracht. In de normering daarvan wordt aangesloten bij vergelijkbare ontwikkelingen in het buitengebied. Met de middelen van de tegenprestatie worden kwaliteits-verbeterende maatregelen uitgevoerd zodat per saldo sprake is van een kwaliteitsverbetering. Na vaststelling van KODE Beesel nemen we dit op als aanvulling op de Structuurvisie of ander toekomstig ruimtelijk beleid.

Initiatiefnemer stort de tegenprestatie in het gemeentelijk kwaliteitsfonds. Dit fonds geeft de gemeente de mogelijkheid compenserende maatregelen uit te voeren.

Bepaling kwaliteitsbijdrage

Welke financiële bijdrage een zonnepark in een oude of jonge ontginning gebiedstype moet leveren is in onderstaande tabel nader uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat een goede landschappelijke inpassing altijd een voorwaarde is bij een ontwikkeling in het buitengebied.

In geval de initiatiefnemer een groter aandeel financiële participatie weet te organiseren, is de financiële tegenprestatie voor het gemeentelijk kwaliteitsfonds lager.

Borging kwaliteitsverbeterende maatregelen

De kwaliteitsverbeterende maatregelen en de financiële bijdrage wordt altijd via een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd. De gemeente gaat vervolgens monitoren of de gemaakte afspraken na worden gekomen. Deze monitoring stopt niet na oplevering van het werk, maar de compensaties worden duurzaam ingericht en in stand gehouden.

5 Kader voor windprojecten

Naar analogie met de zonneweides werken we ook voor windinitiatieven per pijler en doel de uitgangspunten nader uit. Dit biedt handelingsperspectief aan ons als overheid, de initiatiefnemer, betrokken belanghouders, maar ook de omgeving. Uiteraard kunnen en zullen er tussendoor ontwikkelingen plaatsvinden die op onderdelen aanleiding geven om het beleid bij te stellen. Gemakshalve verwijzen we naar hoofdstuk 4 als dit van toepassing is als uitwisselbaar uitgangspunt tussen zon- en windprojecten. Indien niet anders vermeld hebben we het over turbines vanaf 25m.

5.1 Ruimte: windturbines zijn inzet van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Een windpark is een groot ruimtelijk proces met een grote impact op de omgeving. De kaarten op de volgende bladzijde geven de (on)mogelijkheden in het Beeselse weer. Vooraf moeten we met veel beperkingen rekening houden, waardoor grote delen van het gemeentelijk grondgebied afvallen. Oostelijk van de A73, in het gebied Meerlebroek, liggen ruimtelijke mogelijkheden. Uitgangspunt is mogelijke initiatieven als maatwerk te boordelen. Uiteindelijk neemt de gemeenteraad een besluit over het initiatief. Niettemin willen wel ook voor deze initiatiefnemers nader kader stellen en uitgangspunten mee geven.

Overigens is het geen strikte noodzaak om als gemeente Beesel te kiezen voor windenergie. Zoals gesteld gaan we uit van techniekneutraal: lukt het niet met wind, dan is zon of andere bron of techniek mogelijk een oplossing. Als gemeente spreken we een voorkeur uit om ook binnen onze gemeente te komen tot één windpark met een geïnstalleerd vermogen van 15-20 MW (4-6 turbines).

Waarom is windenergie op land nodig, kunnen we niet alles op zee doen?

Nederland heeft de doelstelling om de CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 49% terug te dringen. Door het kabinet en in het kader van het Klimaatakkoord is gekozen vooral in te zetten op ‘wind op zee’. Maar de zee is ook nodig voor andere functies (visserij, scheepsroutes, natuur en mijnbouw- activiteiten), waardoor ook hernieuwbare opwekking op land nodig is, om deze doelstelling te bereiken. Windenergie op land is op dit moment volgens het Planbureau van de Leefomgeving een van de goedkoopste en meest efficiënte bronnen van duurzame elektriciteit en daarmee onmisbaar in de energietransitie.

Kaart 3 op de volgende bladzijde geeft een aantal uitsluitingsgebieden op voorhand aan. Dan gaat het om goud-, zilver- of bronsgroene gebieden, een buffer met een afstand van ca. 1.000 tot de bebouwde kom, afstand tot snelwegen, railwegen en leidingen. Verder is het Maasdal uitgesloten. Te zien is dat het er in beginsel mogelijkheden zijn aan de oostzijde van de A73 en in zeer beperkte mate zuidelijk van de kern Beesel. Gaan we een stap verder door een buffert aan te leggen van 300 en 400 m tot de woning, komt kaart 4 uit de bus rollen. Deze kaart maakt duidelijk dat er eigenlijk alleen opties (de witte vlekken) voor windturbines zijn aan de oostzijde A73 (Meerlebroek) en dan ook nog eens beperkt in aantal en omvang.

Kaart 3: cumulatie van uitsluitingsgebieden en -zones

K aart 4: Uitsluitingsgebieden, inclusief afstandsbuffers van 300 en 400 m tot woningen

De Provincie is het bevoegd gezag voor windprojecten vanaf 5 MW (lees: 2 of meer windturbines). In overleg kan van deze bevoegdheid worden afgezien. Per project vraagt dit om een besluit van Gedeputeerde Staten. De provincie kan het bevoegd gezag dus mandateren aan de gemeente, zodat zij bevoegd gezag wordt.

Zoals voorgaande kaarten laten zien, gelden er voor windinitiatieven de nodige ruimtelijke beperkingen en aandachtspunten. Een eerste grove toepassing ervan leidt ertoe dat er slechts enkele gebieden in aanmerking komen voor een eventueel windproject.

We onderkennen dat het situeren van een windpark een grote uitdaging is, waarbij we (soms letterlijk) tegen grenzen aan gaan lopen. Zo kan de natuur in Meerlebroek belemmeren, maar mogelijk ook oplossingen genereren. Het feit dat het gebied als stiltegebied is aangewezen, maakt de ontplooiing voor een initiatief ook niet makkelijker. Minder windturbines, betekent meer zonprojecten en wederom naar verwachting een aanslag op cultuurgronden. Interessant in deze is de oproep tijdens de stakeholdersbijeenkomst om zo mogelijk juist meer windenergie in te zetten in het zoekgebied, zodat er minder claims gelegd worden op landbouwgronden. Windenergie is in het kader van zuinig ruimtegebruik een goede oplossing.

Er zijn meer redenen. Zo wordt er in RES-verband ook nadrukkelijk gekeken naar de vorming van majeure projecten: energielandschappen. Die kans ligt in Meerlebroek, een zoekgebied van ruim 500 ha cultuurgrond. Binnen het gebied liggen nog een substantieel aantal ha in eigendom van de gemeente die op dit moment regulier verpacht worden. Dit kan eveneens een aanknopingspunt zijn om in dialoog met pachters en omgeving te kijken naar kansen voor synergie in energie opwekking (ook of juist door wind) en landbouwkundig gebruik.

Het ligt voor de hand om met de belangen van toeristische en recreatieve bedrijvigheid en functies rekening te houden. Niettemin is de kans bij voorbaat klein dat het geen impact sorteert. Logische aansluiting die veelal gezocht worden zijn lijnen langs spoor- of snelwegen, aansluiting bij bedrijventerrein, concentraties van intensieve veehouderij of glastuinbouw.

Anders dan bij zonprojecten, waar we als gemeente commerciële of coöperatieve initiatiefnemers nadrukkelijk uitnodigen, nemen we bij windenergie de regie in beginsel in eigen hand. Dit betekent dat we als gemeente een start zullen maken met de zoektocht naar mogelijkheden grootschalige opwekking van energie in Meerlebroek en de rol van windenergie daarin. Als gemeente kunnen we wel besluiten om daarin gezamenlijk met een externe partij op te gaan trekken.

Verkenning opstarten

Als gemeente zien we kansen om gebiedsspecifiek naar enerzijds grootschalige opwekking in het gebied Meerlebroek en anderzijds de potenties voor Kringlooplandbouw in dit gebied, zoals in hoofdstuk 4 al genoemd. In deze verkenning onderzoeken we ook de (on)mogelijkheden voor windenergie in dit gebied.

Graag starten we een verkenning binnen dit gebied in het jaar 2020, zodat we in het 1e kwartaal van 2022 (tegelijkertijd met de evaluatie van KODE Beesel) de resultaten hiervan kunnen voorleggen in meerdere scenario's. Dit betekent eveneens dat er op dit moment nog geen keuzes aan de orde zijn rond wel/geen windenergie, wel/geen grootschalig energielandschap of juist meer versnippering. De studie mondt uit in enkele scenario's, waaruit begin 2022 gekozen kan worden. Tot dat moment verleent de gemeente geen medewerking aan initiatiefnemers voor windenergie.

In hoofdstuk 4 is het actuele knelpunt rond aansluitcapaciteit al aangesneden. Een robuuste hoeveelheid windenergie naast zonne-energie kent rond de aansluiting vele voordelen. De technieken zijn complementair aan elkaar. In RES-verband blijven we deze uitdaging aankaarten. Tegelijkertijd verkennen we alternatieven, zoals grensoverschrijdende samenwerking, inzet van elektrolyse op termijn, omzetting in warmte, etc. Al deze zaken maken onderdeel uit van de hiervoor genoemde verkenning die we de komende 2 jaar gaan uitvoeren.

We stellen in beginsel geen target aan het aantal windturbines of het geïnstalleerd vermogen. Het ligt voor de hand om uit te gaan van minimaal 3 turbines in een rij, of 4 of meer turbines in een matrixopstelling. Mocht uit de ruimtelijke beperkingen al blijken dat een haalbaar project niet lijkt te lukken, overwegen we techniekneutraal te compenseren, meer zonneprojecten bijvoorbeeld.

5.2 Inwoners: samenwerken aan een acceptabel plan

Omgevingsdialoog met direct om/aanwonenden

Het inrichten van een windpark heeft ruimtelijke en maatschappelijke effecten. Er ligt een uitdaging om het woon- en leefklimaat van onze inwoners zo min mogelijk op te offeren. Het is essentieel de omgeving (direct omwonenden en aangrenzende grondeigenaren) zo vroeg mogelijk in de planvorming te betrekken. Projecten waarbij inwoners, eigenaren of lokale ondernemers participeren hebben een grotere kans van slagen. Evenals bij zonne-initiatieven geldt voor windparken als voorwaarde dat de initiatiefnemer maximale betrokkenheid van de inwoners en andere betrokkenen in de omgeving creëert. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de werkzaamheden die de initiatiefnemer verplicht is om te nemen, de “inspanningsverplichting” en de extra’s ten behoeve van participatie, compensatie en acceptatie. De betrokkenheid is in de voorbereidende fase van essentieel belang, maar moet ook in de realisatie en exploitatiefase geborgd zijn. Hierbij wordt benadrukt dat het algemeen belang, het halen van de gemeentelijke klimaatdoelstelling en het realiseren van een duurzame energievoorziening zwaarwegend is. Met andere woorden: de ideale situatie waarbij iedereen voorstander is van een plan zal een utopie zijn.

Uitgangspunt is een zoekgebied dat aan de hand van fysieke en ruimtelijke belemmeringen wordt ingekaderd. De feitelijke situering van de mogelijke turbines staat nog niet vast en krijgt vorm in de omgevingsdialoog. Die omgevingsdialoog kent de resultaatverplichting zoals benoemd en volgt de gedragscode acceptatie en participatie windenergie op land van de NWEA6 .

Voor de nadere inrichting verwijzen we naar bijlage 2, leidraad omgevingsdialoog

5.3 Locatie: esthetica, inpassing en kwaliteit

Windparken zijn niet makkelijk te onttrekken aan het zicht van omwonenden. Het zicht op de windturbines speelt dan ook een belangrijke rol. We stellen voor dat we voor het gebied Meerlebroek een landschapsvisie opstellen met daarin de inpassing van mogelijke windturbines. We nemen hierin de regie. Deze landschapsvisie maakt integraal onderdeel uit van de verkenning Meerlebroek zoals eerder genoemd.

Van initiatiefnemer vragen we een landschappelijk inrichtingsplan, als voorwaarde verbonden aan omgevingsvergunning.

5.4 Turbines met tiphoogte tot 25 m

Kleine windmolens – niet hoger dan ca. 25 meter – worden niet uitgesloten als deze landschappelijk inpasbaar zijn, een meerwaarde voor een gebouw of erf zijn en een bijdrage leveren aan een educatieve- of duurzaamheidsdoelstelling. Hierbij dient door de Kwaliteitscommissie getoetst te worden. Plaatsing ervan kan om een planologische procedure vragen.

Kleine turbines zijn uitgesloten in dezelfde uitsluitingsgebieden die ook gelden voor zonneweides: NatuurNetwerk Nederland, de esgrond, etc. Als inpassingscriteria gaan we uit van het volgende:

  • Molens voldoen aan de wettelijke milieunormering voor geluid, slagschaduw e.d.;

  • Molens zijn verbonden aan erven of bedrijfsgebouwen en uitsluitend mogelijk in het buitengebied;

  • De afstand tot de woning, of bebouwing als er geen woning aanwezig is, mag niet meer zijn dan 100m;

  • Er wordt rekening gehouden met zichtlijnen in het landschap vanaf huizen, wegen en paden, monumentale gebouwen;

  • Er wordt gestreefd naar een rustig en ordelijk beeld in het landschap, passend bij het karakter ervan.

Voor kleine windmolens geldt ook dat initiatiefnemer omwonenden en betrokkenen binnen een straal van ca. 400m betrekt in het kader van de procesparticipatie. Er gelden geen richtlijnen voor financiële participatie. Uiteraard behoort het wel tot de mogelijkheden.

Na vaststelling van KODE Beesel kunnen we onder voorwaarden medewerking verlenen aan initiatiefnemers voor deze kleinere windturbines.

5.5 Eigenaarschap: eerlijker verdelen van lasten en lusten

Intentie is dat initiatiefnemer, bewoners, grondeigenaren en omwonenden in het zoekgebied elkaar vinden in een eerlijke en transparante verdeling van lusten en lasten van het windpark. Hierdoor kan het windpark leiden tot substantiële baten voor de lokale gemeenschap. Denk aan de volgende geldstromen:

  • Uitgangspunt 8: Deelname via participaties (obligaties bijvoorbeeld);

  • Uitgangspunt 9: Omgevingsfonds, voor projecten binnen of nabij het zoekgebied;

  • Uitgangspunt 10: Sociale grondvergoedingen.

Wij gaan uit van de volgende streefcijfers rond participatie (zie tabel hieronder). Dit kan dus lopen via een coöperatie, zoals Joris Wekt Op, maar kan ook lopen via een constructie die de initiatiefnemer organiseert. Naast of in plaats van een coöperatieve participatie is het ook mogelijk dat de gemeente direct of indirect deelneemt in een windpark. Reden hiervoor kan zijn dat de coöperatieve participatie niet van de grond komt, maar ook omdat de gemeente bijvoorbeeld gronden inbrengt of weloverwegen strategisch een positie wil innemen.

Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer minimaal 50% van het park (in opgesteld vermogen) ter beschikking stelt voor een bepaalde vorm van participatie door inwoners, bedrijven en organisaties uit de gemeente. Een mix van coöperatieve en gemeentelijke participatie kan ook aan de orde zijn. Uiteraard is 100% coöperatieve ontwikkeling en exploitatie ook een optie. De opbrengsten uit de energietransitie moeten zo veel mogelijk terugvloeien naar de gemeenschap en in worden gezet voor klimaatdoelen.

Flankerend:

  • Lukt de coöperatieve borging niet of onvoldoende of niet snel genoeg (er is eigenlijk sprake van ‘participatiefalen’), wil de gemeente kijken of ze ofwel zelf positie kan nemen, dan wel kan borgen dat het coöperatieve aandeel beschikbaar blijft voor de lokale partners. Momenteel loopt in samenwerking tussen de gemeenten Beesel, Horst aan de Maas en Venray en onderzoek naar de positionering van de gemeenten in energietransitie. Kansen en risico’s die samenhangen met het innemen van bepaalde rollen worden verder uitgespit. Resultaten volgen op later tijdstip.

  • Ter promotie van coöperatief eigendom onderzoeken we of het denkbaar is om bijvoorbeeld bij 50% of meer lokaal/coöperatief eigendom een deel van de legeskosten terug te storten als dit bereikt is.

Initiatiefnemers doorlopen een eigen participatietraject met de omgeving. Over die participatie heeft de windsector vrijwillig minimumnormen afgesproken. Waaronder de inrichting van een Omgevings- of Leebaarheidsfonds. Uitgangspunt voor deze (bovenwettelijke) jaarlijkse bijdragen aan de omgeving is minimaal € 0,50/MWh, als richtlijn. Dit fonds staat ten dienste van de financiering van projecten in die directe omgeving, zoals projecten gericht op de leefbaarheid van het gebied, natuurontwikkeling, energietransitie, recreatie, educatie of infrastructuur. Voor het fonds wordt een statuut/reglement opgesteld dat regelt hoe er wordt gerekruteerd, benoemd en hoe middelen beschikbaar worden gesteld aan de omgeving.

Niet alleen de landeigenaar op wiens grond de plaatsing van de turbines is voorzien, profiteert van de waardestijging en grondopbrengst. Deze wordt volgens een verdeelsleutel verdeeld over alle eigenaren in het zoekgebied. De omgevingsdialoog wordt zo niet vertroebeld door eigendomspositie en grondspeculatie.

De gemeente wil grondspeculatie bij windparken voorkomen om de volgende redenen:

  • a.

    Het voorkomen van individuele grondafspraken die mogelijk kunnen conflicteren in een gebied;

  • b.

    Het voorkomen dat afspraken enkel gaan over de gronden waarop de projecten fysiek worden ontwikkeld en niet over de gronden waar deze projecten ook een invloed hebben. Gezamenlijk gaat het hier dan over het projectgebied;

  • c.

    Het voorkomen dat de inrichting van een gebied door individuele grondafspraken wordt bepaald ten koste van een goede ruimtelijke ordening.

Denk bij de uitwerking (aanvullend op Omgevingsfonds) aan:

  • Vergoeding voor de grond waarop de turbine geplaatst wordt;

  • Vergoeding per ha voor alle grondeigenaren in het gebied rondom windpark met 200m afstand vanaf turbines; bij pachtgronden kan gedacht worden aan 50% eigenaar – 50% pachter;

  • Vergoeding voor bewoners met afstand tot 800m vanaf turbines.

Het kan niet zo zijn dat individuele grondafspraken binnen het gebied waar windenergie mogelijk is, gaan conflicteren met de aanpak zoals hierboven geschetst. Als gemeente zien we erop toe dat - in geval windenergie haalbaar blijkt - er wordt toegewerkt naar een situatie, waarbij alle grondeigenaren van het windpark binnen 200 m afstand vanaf de turbines een evenwichtige grondvergoeding krijgen. Deze vergoedingen komen in een gezamenlijk proces met grondeigenaren tot stand. Initiatiefnemers nemen dit mee in hun projectparticipatieplan en kunnen dit als zodanig ook aantonen.

6 Uitdagingen en stimuli

6.1 Uitdagingen

Blijvende en continue communicatie nodig

Er is blijvende en continue communicatie inzet nodig en wenselijk om inwoners, bedrijven en organisaties mee te nemen in de ‘tijd van energietransitie’ en waarom we hier als gemeente in meegaan of zelfs het initiatief nemen. Voor ons de uitdaging om als gemeente helder te zijn in wat we willen en moeten en tegelijkertijd hoe we dat gaan doen en dat dit zich niet onopgemerkt zal voltrekken. Blijvend en continu uitleggen waarom we dit doen op de manier zoals we het doen! In onze duurzaamheidsvisie hebben we daar o.a. het volgende over opgenomen:

Communicatie van de rode draad

Dat we als gemeente Beesel in een transitie naar een duurzame gemeente zitten, moet zichtbaar en voelbaar worden. De gemeenschap en de gemeente moeten zich bewust worden van de opgave en kansen die de transitie biedt. De duurzaamheidsbrede campagne #GewoonSamenDuurzaam blijven we voortzetten om ‘duurzaamheid’ van ons allemaal te laten worden.

Communicatie op projectniveau

Communicatie op projectniveau moet ervoor zorgen dat de gemeenschap op de hoogte is dat zij kan meedoen met concrete projecten, zoals participeren in aandelen voor zonenergie van Joris Wekt Op, meedoen aan een isolatiecampagne van De Groene Vogel of afkoppelen van hemelwater als de straat open gaat in een buurt. Het is dus zaak concrete projecten samen met betrokken partners onder de aandacht te brengen.

Online platform – website Duurzaam.Beesel.nl

We willen de gemeenschap breed aanspreken. Een online platform moet inspireren en activeren met handelingsperspectieven en goede voorbeelden. De website bevat ook de visie en kaders met het overkoepelende verhaal van de gemeente Beesel die duurzaam wordt.

Offline platform – duurzaamheidstrefpunt

Een website is niet voor iedereen een gangbaar medium. Een fysieke ontmoetingsplek (medio november open gegaan in de bibliotheek) gericht op duurzaamheid kan helpen om mensen te informeren, te activeren en samen te brengen. In het trefpunt kunnen inwoners op een laagdrempelige manier informatie ophalen over het verduurzamen van hun woning, over energiebesparing en over de financiering daarvan en kunnen inwoners aangeven waar ze tegenaan lopen en waar behoefte aan is. Daarbij kijken we tevens naar koppelkansen met andere thema’s die een rol spelen bij een prettige leefomgeving, zoals levensloopbestendig wonen, klimaatadaptatie en veiligheid.

Klankbordgroep

We moeten goed nadenken over de vorm waarin gemeente en gemeenschap in gesprek blijven met elkaar. Binnen de gemeente werkt een transitieteam aan de uitvoering van de visie. We streven daarnaast naar een klankbordgroep vanuit de Beeselse gemeenschap en partners/belanghebbenden. Wie daarin deelnemen zullen we gezamenlijk moeten bepalen.

Rollen van gemeente in de energietransitie

De energietransitie is een van de grootste uitdagingen voor Nederland in de komende decennia. Om invulling te geven aan de landelijke doelstellingen zijn veel energievraagstukken gedecentraliseerd. Hiermee is de rol van de gemeente en de regio veel relevanter en zichtbaarder geworden. Zoals eerder benoemd zijn we als gemeente Beesel samen met Horst aan de Maas en Venray een onderzoek gestart hoe we onze rol in de energietransitie kunnen nemen om onze ambitie en energievoorziening vorm te geven.

De keuzes die voorliggen zijn van strategisch belang om de transitie naar een duurzame energievoorziening efficiënt te kunnen organiseren. De centrale vraag luidt: welke rol moet/wil/kan/mag de gemeente op zich nemen in de verschillende opgaven en fases van de energietransitie?

Binnen de centrale vraag zijn er in feite 4 deelvragen welke verschillend maar tegelijkertijd ook van elkaar afhankelijk zijn:

  • Wat moet een gemeente doen (nu en in de toekomst)

  • Wat wil een gemeente doen en hoe willen ze dit bereiken (ambitie)?

  • Wat mag een gemeente doen (juridisch)?

  • Wat kan een gemeente doen (bijvoorbeeld financieel, technisch en organisatorisch)?

Initiatieven hoeven niet te wachten op resultaten uit dit onderzoek en kunnen hun voortgang vinden. Een van de belangrijke redenen om dit onderzoek te doen als gemeente, is te kunnen anticiperen op situaties waarbij sprake is van marktfalen (commerciële partijen tonen geen interesse in Beesel of zetten niet door) of participatiefalen (het lukt niet door derden om invulling te geven aan mede- eigenaarschap van de opwekinstallaties). In dat geval kan de gemeente overwegen om op te schuiven in haar rol van in beginsel facilitator, naar partner of zelfs volledig op eigen regie iets ontwikkelen.

De gemeente kan in de energietransitie verschillende rollen aannemen, bijvoorbeeld:

  • Faciliterende rol

  • Gebruik maken van initiatieven van de markt en inwoners en deze toetsen en begeleiden, zoals een energiecoöperatie of inwonerscollectief.

  • Stimulerende rol

  • Met behulp van subsidies, garanties, borgstelling en/of leningen, al dan niet in de vorm van een revolverend fonds, initiatieven ondersteunen om tot ontwikkeling of realisatie te komen.

  • Samenwerkingsrol

  • Uitgaande van eigen beleidsdoelen, samenwerken met private partijen in een partnerschap met eventueel een minderheidsaandeel in projecten.

  • Eigenaarsrol

  • Opgaves voor eigen rekening, risico en rendement oppakken Dit kan uiteenlopen van (deelname in) risicovolle ontwikkeling, tot (deelname in) exploitatie of het volledig inrichten en exploiteren van een gemeentelijk energiebedrijf. Dit alles volledig in eigen regie.

Nota Bene: resultaten van het onderzoek worden in het voorjaar van 2020 gepresenteerd.

Coöperatief ondernemerschap

Het streven uit het Klimaatakkoord naar 50% lokale geborgenheid en verbondenheid met de opwekinstallaties, dat we ook lokaal als uitgangspunt stellen, vraagt het een en ander. Om hier invulling aan te geven moet er wel een geschikte partij (lees energiecoöperatie) aanwezig zijn die voldoende professionaliteit in huis heeft en het benodigde investeringsgeld op tijd beschikbaar heeft. Moment van instappen is van belang voor het risico dat wordt gelopen. In de ontwikkelfase is dit het hoogst, maar zijn ook winstsprongen te maken. Voor een coöperatie liggen er op dit vlak uitdagingen, hoe komen ze aan geld? Oplossingen liggen in lenen bij kapitaalkrachtige collega-coöperaties, provinciale of nationale fondsen, aankloppen bij de gemeente voor een regeling, ophalen bij leden, etc. Naar verwachting vergt de verdere professionalisering van een coöperatie de komende tijd nog enige ondersteuning. Denk aan bepaalde faciliteiten, leningen ten behoeve van risicovolle ontwikkeling, etc. Zoals hiervoor beschreven onderzoekt de gemeente in samenwerking met de gemeente Horst aan de Maas en Venray naar haar mogelijkheden, beperkingen en bijbehorende risico’s op dit vlak.

Coöperaties waar we als gemeente mee samenwerken, conformeren zich aan de coöperatieve principes van het RESCOOP-charter.

Passend distributienet

Het aantal zonnepanelen en wellicht op termijn windenergie zal toenemen in de gemeente. Een heel belangrijke voorwaarde is een energiedistributienet dat deze levering en distributie ook aan kan. Enexis en TenneT zijn in deze onze partners. De gemeente Beesel kent een heel beperkte infrastructuur en loopt met meerder opwekinitiatieven al snel tegen haar grenzen aan. Voorkomen moet worden dat zonneprojecten stranden of moeten worden uitgesteld door te weinig capaciteit op het net. Een actie die zo spoedig mogelijk moet worden opgezet is in samenwerking met de netwerkbeheerder een knelpunten- en kansenkaart op te stellen voor opwek van duurzame energie. Feit is dat tegelijkertijd met de vaststelling van dit kader gewerkt wordt aan de Regionale Energie Strategie. Ook op die schaal en in dat kader zal de energie infrastructuur onder de loep worden genomen. Door Enexis is de verwachting uitgesproken dat het circa 5-8 jaar kan duren alvorens er lokaal een aansluiting is georganiseerd en aangelegd voor grootschalige opwekking. Reden te meer om te kijken welke opties er nog meer zijn. Denk aan omzetting van stroom naar andersoortige energiedragers, bijvoorbeeld warmte of waterstof. We kunnen ook onderzoeken of de grensligging met Duitsland interessant is. Reden om voor het gebied oostelijk van de A73 even de tijd te nemen om serieus enkele toekomstige varianten op een rij te gaan zetten op haalbaarheid en realiteit. Ook al weten we dat op veel onderdelen nog veel innovatie moet plaatsvinden.

Netbeheerders zien mogelijkheden om de capaciteit in het bestaande net op korte termijn te verhogen. Denk dan aan het openzetten van de zogenaamde ‘vluchtstrook’(alle hoog- en middenspanningskabels zijn dubbel uitgevoerd), investeren in het verzwaren van het netwerk, een transportindicatie (toezegging dat de netbeheerder ook daadwerkelijk gaat aansluiten) als voorwaarde voor verkrijgen van subsidie, streven naar aansluiting van wind en zon op dezelfde aansluiting of het omzetten van (overtollige) stroom in waterstof. Deze oplossingen zijn deels mede afhankelijk van wijzigingen in wetgeving en vergen innovatietijd.

Innovatie en opslagcapaciteit

Voor energiebronnen zoals zon en wind die niet continu en gelijkmatig energie leveren is opslag van energie een mogelijkheid om overschotten en tekorten op te vangen. Bij grootschalige inzet hiervan is het dus belangrijk hier aandacht voor te hebben. Bij toepassing van stroomopslag gaat het om kortdurende opslag, om dag-nachtverbruik meer in balans te brengen. Denk dan vooral in gebruik van accu’s. Grote uitdaging ligt in de lange termijn opslag, voor gebruik van met name warmte in de winter. Thermische opslag kan door bijvoorbeeld warmte op te slaan in water (Ecovat, Hocosto), beton of andere materialen. Een ander optie is elektrolyse, waarbij de opgewekte stroom wordt gebruikt om waterstof (H2) te maken. Waterstof kan zelfstandig worden gedistribueerd of worden bijgemengd bij aardgas. Vele verkenningen en pilots vinden op dit moment plaats. Zoals een elektrolyse gekoppeld aan een zonneweide (Groningen) of aan windturbines (Lagerwey). De komende jaren zal steeds meer duidelijk worden welke opties lokaal als haalbaar worden beschouwd.

Relaties leggen met andere duurzame doelen

Opwekking van duurzame energie staat niet op zichzelf. Er liggen tal van relaties met andere domeinen en tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen van invloed op aard en omvang van opwekking. Enkele voorbeelden:

  • Sociale duurzaamheid

    In ons denken en doen staat de mens centraal. Uitgangspunt is dat we niet alleen de klus samen klaren, maar er ook sterker van worden. Daarbij is er oog voor mensen die niet (alles) zelf kunnen betalen. We willen zoveel mogelijk mensen uitnodigen om mee te doen en waar mogelijk een bijdrage te leveren.

  • Klimaatadaptatie / Hittestress

    Beesel moet zich voorbereiden op steeds meer weerextremen, denk aan buffering van regenwater en realisatie van natuurlijk groen. Interessante crossovers zijn bijvoorbeeld te bekijken of zonnepanelen op bedrijfsdaken een bijdrage kunnen leveren in het verminderen van hittestress op bedrijfsterreinen. Maar ook dubbel ruimtegebruik van zonneweides in combinatie met waterberging en/of (extra) biodiversiteit.

  • Circulaire Economie

    Beesel werkt aan een kringloopeconomie, waarbij grondstoffen behouden blijven voor de toekomst. Daar hebben we toekomstbestendige bedrijven voor nodig.

  • Mobiliteit

    Mobiliteit van de toekomst is slim, schoon en veilig. Of de toekomst nu ligt in elektrische voertuigen of waterstof, voor beide geldt dat we veel moeten opwekken. Interessant is te verkennen of het wagenpark ook als (opslag)buffer kan dienen, of dat we lokaal bijvoorbeeld waterstof kunnen maken voor zwaar verkeer.

  • Ontwikkeling Warmtetransitieplan

    Elke gemeente is verplicht in 2021 een zogenaamd Warmtetransiteplan beschikbaar te hebben. Daarin is opgenomen welke wijken op welke wijze en wanneer aardgasloos gaan worden, voor zover die ontwikkeling is voorzien tot 2030. Mede afhankelijk van de mate waarin wijken bijvoorbeeld zijn aangewezen op een ‘all electric’ oplossing, is de verwachting dat er ook meer dan nu voorzien lokaal moet worden opgewekt. Te zijner tijd bekijken we of dit op individuele basis gebeurt, of juist collectief. Thermische zonnepanelen zijn ook zeker denkbaar of omzetting van stroom in warmte of gas.

6.2 Regelingen en stimuli

Rijk

Het Rijk stimuleert zonne-energie en in enkele gevallen ook windenergie met o.a.:

  • Zelfgeproduceerde stroom terug leveren aan het net via salderen

    Huishoudens (kleinverbruik) mogen tot 2023 zelfgeproduceerde stroom terugleveren aan het elektriciteitsnet. Indien het energieverbruik per jaar minder is dan opwek, wordt het overschot terug geleverd (tegen een redelijke vergoeding) aan een energiebedrijf. Dan spreken we over een netto producent.

    Overschot mag niet worden gesaldeerd, de rest wel. De aan het net geleverde hoeveelheid duurzame elektriciteit mag gesaldeerd worden met de afgenomen elektriciteit gerelateerd over het hele jaar.

    Het Klimaatakkoord geeft aan van 2023 tot 2031 de salderingsregeling langzaam wordt afgebouwd. Daarna ontvang je alleen vergoeding van je energieleverancier voor de teruggeleverde stroom en ook niet langer een belastingkorting.

  • Korting op energiebelasting

    Mensen die samen met anderen duurzame elektriciteit opwekken kunnen korting krijgen op de energiebelasting. Bijvoorbeeld als ze een zonnepaneleninstallatie plaatsen op het dak van een school of een loods. Dit gebeurt via de Regeling verlaagd tarief, ook wel postcoderoos regeling genoemd.

  • Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+), vanaf 2020 SDE++

  • Bedrijven, gemeenten en (non-profit) instellingen kunnen via de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) subsidie aanvragen als ze hernieuwbare energie gaan produceren. Vanaf 2020 wordt de SDE+ verbreed, onder de noemer Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie (SDE++). De regeling SDE++ zal de uitrol van duurzame energie en CO2- reducerende technieken gaan stimuleren door de onrendabele top van deze technieken te vergoeden. Dit zal door middel van een exploitatiesubsidie gebeuren. Vanaf 2019 geldt dat dakinstallaties een hoger subsidiebedrag ontvangen dan grondgebonden installaties. De motivatie is gelegen in het feit dat daksystemen gemiddeld genomen een hogere investering vergen.

  • Fiscale stimulering

    Bedrijven die investeren in energiezuinige technieken en duurzame energie kunnen onder voorwaarden gebruik maken van de Energie Investeringsaftrek (EIA) (kleinverbruik) een extra aftrek van 45% van de investeringskosten van de fiscale winst. Dat levert een liquiditeit- en rentevoordeel op. Er komt in het kader van de motie Dik-Faber een eis dat alleen investeringen in ‘zon op daken’ en dus niet op grond kunnen worden afgetrokken van de winst.

Provincie

  • LEF (Limburgs Energie Fonds)

    LEF is bedoeld voor ondernemers en bestuurders van non-profit organisaties die duurzaam willen investeren. Door zelf duurzame energie op te wekken of juist veel energie te besparen. Door op een nieuwe manier met afval en restproducten om te gaan. Banken zijn niet altijd bereid of in staat om te investeren in kansrijke, duurzame projecten. Of zij verstrekken niet het volledige gevraagde bedrag, waardoor nog een financieringsgat resteert. Dit fonds op afstand is bedoeld om kansrijke projecten financieel te ondersteunen. Het LEF verstrekt geen subsidies maar zet leningen (senior of achtergesteld), preferente participaties of garantiekapitaal voor duurzame, circulaire of asbest sanerende projecten in. Ondersteuning vanuit het LEF trekt andere financiers wellicht over de streep om toch mee te financieren.

Gemeente

  • Een helder toetsingskader

    Dit toetsingskader (KODE Beesel) is behulpzaam voor initiatiefnemers, inwoners, bedrijven en ons als gemeente. We scheppen daarin reële verwachtingen en stellen voorwaarden aan de ontwikkelingen die samenhangen met de energietransitie, met name op het vlak van zonne- en windenergie.

  • Vergroenen leges De gemeente gaat onderzoeken op welke wijze heffingsplichtige objecten waarmee op duurzame wijze energie wordt opgewekt bij de gemeentelijke leges een voordeel te geven. Denk dan aan installaties die voor de landelijke SDE++-regeling in aanmerking komen met een minimale opwekcapaciteit. Overwogen kan worden om zonnedaken (dubbel ruimtegebruik) een voordeel te geven op zonneweides. Vergroenen via de OZB-heffing (tegemoetkomen aan vastgoedeigenaren die vergroenen, te betalen door degenen die dat nog niet doen) is in theorie een mogelijkheid, maar blijkt volgens onderzoek in de concrete uitwerking nog op erg veel praktische bezwaren te stuiten.

  • Actieplan zon op dak, stimuli en regulering

  • Om te achterhalen welke stimulans we kunnen bieden aan bestaande bedrijven met geschikte daken, starten we in de 1e helft van 2020 een onderzoek naar behoeften op dat vlak. Afhankelijk van de resultaten starten we als gemeente een ondersteuningsprogramma, dat in ieder geval bijdraagt aan benodigde informatieverschaffing voor ondernemers. Behoeften maken duidelijk of we meer moeten ondersteunen en ook dat ook kunnen. We zijn in deze ook nog in afwachting van een aangekondigd stimuleringsprogramma vanuit het Rijk.

7 Planning en fasering samengevat

KODE Beesel stelt haar doelen op 2030, dat lijkt een lange periode. Gegeven de omstandigheden, zoals een het ontbreken van aansluitcapaciteit voor de grote schaal van opwekking, maar ook de wetenschap dat de ontwikkeling van een windpark vele jaren in beslag kan nemen, is strategie van plannen en faseren aan de orde. Westelijk van de A73 kunnen we feitelijk aan de slag om het faciliteren van ontwikkelingen, oostelijk staat de komende twee jaar in het teken van oriëntatie en verkenning. Mede op verzoek van de gemeenteraad is de planning en fasering explicieter gemaakt. Dit biedt ook de mogelijkheid om tussendoelen te stellen, zowel in kwantitatieve doelen als in procesdoelen. Uitgangspunt is komend decennium tweejaarlijks de balans op te maken, alvorens volgende stappen of besluiten worden genomen. Hieronder een samenvatting van de sporen zoals vooral in hoofdstuk 4 (zonne-energie) en deel hoofdstuk ( windenergie) zijn opgenomen.

8 Te volgen procedure(s) bij zonneprojecten

Hieronder een beknopte beschrijving van de te doorlopen procedure voor de ontwikkeling en aanleg van een zonneweide. Voor het stichten van een windpark (met turbines hoger dan 25 meter) geldt maatwerk.

Uitgebreide omgevingsvergunning

De gemeente Beesel beoordeelt plannen voor zonneparken naar passendheid binnen het toetsingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4. We gaan in beginsel uit van een uitgebreide omgevingsvergunning of van een wijziging in het bestemmingsplan. In overleg met de initiatiefnemer wordt gekozen voor een bepaalde procedure.

Bestemmingsplan

In geval van wijziging bestemmingsplan, passen we de bestemming van het terrein waarop de zonnepanelen worden aangebracht niet aan en blijft dit zoals in het bestemmingsplan benoemd. Bijvoorbeeld: grond met een agrarische bestemming behoudt deze tijdens de exploitatie van een zonnepark en heeft na de exploitatietermijn nog steeds deze bestemming.

Geldigheidsduur omgevingsvergunning

Vergunningen worden in beginsel voor 25 jaar aangevraagd en afgegeven. Dit houdt in dat het zonnepark na ingebruikname gedurende 25 jaar geëxploiteerd mag worden. Het park dient binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning gerealiseerd te worden. Indien dit niet het geval is kan de vergunning voor de activiteit bouwen worden ingetrokken op grond van artikel 2.33 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Beleidsregels intrekken omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen.

Vangnetregeling

In geval er sprake is van bijzondere omstandigheden bij de toepassing van het toetsingskader voor zonneweides of windturbines, naar het oordeel van het college, behoudt het college het recht om af te wijken van het bepaalde in dit kader. Denk aan situaties waarbij een plan leidt tot maatschappelijk of landschappelijk en/of cultuurhistorisch onredelijke of onverantwoorde beslissingen.

Geen MER-plicht voor zonnepark, wel voor windpark

Zonneparken staan niet vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), tenminste als het zonnepark onder de grens van 50 MW geïnstalleerd vermogen blijft.

Bibob-toets

Duurzaamheid is een actueel thema, waaruit nieuwe producten en markten ontstaan. Voor de ontwikkeling van duurzaamheidsprojecten, zoals zonneweides en windparken, zijn onder meer vergunningen van de overheid nodig en worden veelal subsidies verkregen. Er kan een risico bestaan dat vergunningen en subsidies worden verstrekt aan partijen die daar misbruik van maken. Dit ongewild faciliteren van misbruik ondervangen we door als gemeente te kiezen voor een Bibob-toets. Gemeente weegt af of er aanleiding is om hiertoe over te gaan.

Zonnepanelen op daken

Vanuit landelijke wetgeving is het mogelijk om onder voorwaarden vergunningvrij zonnepanelen op het dak van een woning of bedrijfsgebouw te plaatsen.

Ondertekening

januari 2020

Bijlage 1 Factsheet Energie Beesel

Bijlage 2 Leidraad Omgevingsdialoog

  • De initiatiefnemer neemt in een zo vroeg stadium van de planvorming, maar niet voordat hierover contact met de gemeente is geweest, contact op met de omwonenden, eigenaren van omliggende gronden en overige betrokken partijen en betrekt deze bij de totstandkoming van het plan;

  • De initiatiefnemer dient voorafgaand aan de vergunningaanvraag, de plannen te presenteren in de buurt. De gemeente zal hierbij aanwezig zijn als toehoorder en kan vragen beantwoorden over het nog te doorlopen traject;

  • Alle omwonenden en grondeigenaren binnen een bepaalde afstand van enkele honderden meters van de rand van het plangebied worden uitgenodigd;

  • Samen met de gemeente wordt deze afstand/een lijst van genodigden bepaald. Hierbij wordt uitgegaan van logische grenzen (de omgevingsdialoog is in die zin niet wiskundig te normeren);

  • Tegelijkertijd legt initiatiefnemer een groslijst van betrokken belanghouders in/nabij het zoekgebied aan (denk aan standsorganisaties, recreatie- en toerismebedrijven, natuurorganisaties, wildbeheer, etc.). Samen met gemeente wordt gekeken of deze lijst compleet is, waarna uitnodiging door initiatiefnemer plaatsvindt. Procedure is vergelijkbaar en vindt tegelijkertijd plaats met omwonendendialoog.

  • De gemeenteraad wordt op de hoogte gebracht van de informatieavond. De initiatiefnemer is eindverantwoordelijke voor het uitnodigen van de omgeving;

  • Er wordt een verslag gemaakt van de overleggen en bijeenkomsten. Dat wordt gedeeld met de genodigden en deze kunnen hierop reageren;

  • De inloopbijeenkomsten worden op een toegankelijke locatie georganiseerd. De planlocatie zelf of een locatie in de directe nabijheid verdient daarbij de voorkeur;

  • Het is heel goed mogelijk dat er meerdere bijeenkomsten moeten worden georganiseerd. Het is ook mogelijk dat het wenselijk is verschillende bijeenkomsten te houden voor verschillende doelgroepen. Er vindt overleg tussen de initiatiefnemer en gemeente plaats om na te gaan of voldoende aan de behoefte tot overleg is voldaan;

  • De initiatiefnemer legt vast hoe de inwoners in het gebied, ook nadat de vergunning is verstrekt, betrokken blijven bij de voorbereidingen, de realisatie en exploitatie.

Bijlage 3 Leidraad Kwaliteit op Locatie

Ten aanzien van het landschap

  • Breng de karakteristieken van het nederzettingspatroon en het landschap in beeld.

  • Zorg dat het zonnepark goed aansluit bij de aanwezige dragende ruimtelijke en/of historische structuren. De patronen van het landschap dienen herkenbaar te blijven.

  • Hou rekening de omgevingskenmerken en landschapskenmerken om tot een goede omvang van het zonnepark te komen.

  • Zonneparken met een schaal vanaf 2 ha liggen ten minste op 500 m afstand van ander(e) zonnepark(en).

  • Zonneparken zijn niet toegestaan in een zone binnen 150 meter van waardevolle structuren/plekken zoals molens en begraafplaatsen.

  • Zonneparken liggen op minimaal 300 meter van de rand van een dorp of wijk, tenzij omwonenden akkoord gaan in geval zonnepark dichterbij ligt.

Voorbeeld van grootschalig zonnepark in jonge ontginning

Ten aanzien van de kavel

  • Voeg het zonnepark in de aanwezige verkavelingsstructuur. De bestaande verkavelingsstructuur dient intact te blijven, ook als het zonnepark groter is dan de betreffende kavel.

  • Houd voldoende afstand tot kwetsbare bouwkundige of landschappelijke elementen.

  • Maak gebruik van landschapspecifieke kenmerken en versterk deze waar mogelijk.

  • Landschappelijke kwaliteitsverbeteringen die ontstaan door het zonneveld zijn blijvende kwaliteitsverbeteringen, denk aan bomenlanen e.d.

  • Ontwerp de rand als een bij de omgeving passende, eenduidige groene overgangszone.

  • Het zonnepark houdt minimaal 5 meter afstand tot de randen van het perceel. Deze randen worden ingezaaid of van beplanting voorzien ten behoeve van vergroting van de diversiteit. Al aanwezige landschapselementen worden hierin meegenomen.

  • 20% per ha wordt gebruikt voor biodivers inrichten en blijft dus open ruimte. De open zones en paden zijn indien wenselijk in te zetten als brand- of onderhoudspaden. Dit vraagt om toepassing van specifieke gras- en kruidenmengsels die zich goed lenen om een vegetatie te vestigen. Deze eis draagt bij aan de biodiversiteit.

  • Behoud voor zover mogelijk de bestaande landschapsbeplanting, mits streekeigen en van voldoende kwaliteit.

  • Dit door een omsluiting met bloeiende akkerranden, struiken, houtsingel, of andere groene inpassing waarbij de breedte wordt afgestemd op de schaal van het zonneveld. Over het algemeen geldt dat een groter zonnepark een grotere inspanning vraagt om goed bij de omgeving te kunnen aansluiten. Een gemiddeld zonnepark kan uitgaan van een strook van zo’n 5 meter breed. Lokale context, wensen of nadere eisen kan bepalen dat de groene inpassing breder moet zijn, bijvoorbeeld bouwvlakgerelateerde zonneparken.

Voorbeeld zonneveld bij kern met inpassingsopties in oude ontginningen

  • Hoogte van de installaties en de landschappelijke inpassing hiervan afstemmen op het landschap.

  • Het open landschap dient open te blijven en behoeft een hierop aansluitende groene inpassing.

  • Aansluiting agrarisch erf, onderdeel uitmakend van de ruimtelijke compositie van het erf.

  • Meenemen direct omwonenden en belangenorganisaties over wijze van inpassing, als onderdeel van de omgevingsdialoog.

Ten aanzien van het object

  • De hoogte van de panelen is in beginsel tot 1,70 m, zodat het mogelijk blijft om er overheen te kijken. Hagen en/of hekwerk kennen voldoende doorgangen voor kleinere diersoorten. Hekwerk en groene aanpassing worden in beginsel gecombineerd gerealiseerd, zodat zo min mogelijk hekwerk zichtbaar is van de openbare weg.

  • Daar waar meer achtergronddecor aanwezig is, door bijvoorbeeld bestaande hogere beplanting, kunnen de middelhoge of hoge panelen worden toegepast. Dit is ook sterk afhankelijk van de locatie. Tijdens de maatwerkbenadering is dit een onderdeel van bespreking. Factoren zijn onder andere acceptabele landschappelijke, visuele en ecologische impact.

  • We gaan uit van het opstellen van de panelen in een zuid-opstelling. Oost-west opstellingen sluiten we uit. Een reden daarvoor is dat literatuuronderzoek stelt dat zonneparken met een zuid- opstelling voldoende zonlicht laten doordringen, zodat een vegetatie zich natuurlijk kan ontwikkelen, voldoende organische stof toevoert aan de bodem en de bodemstructuur behoudt.

  • Zonnepanelen worden zoveel mogelijk geordend zodat een onrustig beeld wordt voorkomen.

  • Houd belangrijke doorzichten vanaf de weg naar het landschap vrij.

  • Sluit met de oriëntatie van de zonnepanelen bij voorkeur aan op de richting van of haaks op de kavel(s).

  • Los ‘rafelranden’ op door ze aan te zicht te onttrekken.

  • Organiseer de transformators en verdeelstations volgens een helder ruimtelijk principe. Benodigde voorzieningen zoals transformatorhuisjes worden bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de ontsluiting geplaatst en zover mogelijk in afstand tot woningen.

  • Losse elementen als hekken, transformators en verdeelstations hebben een gedekte kleurstelling.

  • We sluiten betonnen draagconstructies uit. Voorkeur gaat uit naar schroeven van de funderingspalen in plaats van heien van deze palen. Biocomposiet als drager verdient de voorkeur boven gegalvaniseerd staal.

  • Kies voor zonnepanelen met een donkere tot zwart kleurstelling met coating om eventuele schittering te voorkomen.

  • De landschappelijke inpassing wordt voorzien van een beheerparagraaf. In deze paragraaf wordt duidelijk welke beheermaatregelen moeten worden genomen om het voorgestelde beeld te bereiken en vervolgens in stand te houden. Het gaat dan onder meer over inboet (vervangen van dode planten), maaibeheer, snoeien etc. op ecologische wijze. Ook de frequentie van deze maatregelen is hierin opgenomen.

  • Initiatiefnemers van zonneparken zijn verplicht te voldoen aan de richtlijn Afgedankt Elektrisch en Elektronisch Afval (AEEA), de Nederlandse implementatie van de Europese WEEE-richtlijn. Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld het zorgdragen door initiatiefnemer / exploitant voor een financiële voorziening (aanwijsbaar op rekening derden), waarmee de organisatie borgt dat het volume aan zonnepanelen daadwerkelijk wordt verwerkt.

  • Tegelijkertijd zorgt de initiatiefnemer / exploitant voor het verwijderen van de installaties, gebouwen, kabels, etc. Uitzondering hierop zijn de groene inpassingen (bomen, hagen, etc.).

  • Streven is naar een C2C (cradle to cradle) invulling van zonneparken en in toenemende mate inzet van panelen zonder zware metalen zoals cadmium.

  • Gemeente behoudt zich het recht voor tussentijds aanvullende eisen te stellen ten aanzien van nieuwe aanvragen voor medewerking en vergunning.


Noot
1

Er zijn geen monitors die een actueel beeld kunnen geven van de feitelijke opwekking. Naar verwachting komt netbeheerder Enexis in het najaar met een actueel beeld van de opwekcapaciteit in de gemeente Beesel.

Noot
3

Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden; Nederland als koploper in kringlooplandbouw, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, september 2018

Noot
4

IPCC, zie www.ipcc.ch/report/srccl

Noot
5

Wind- en zonneparken realiseren samen met inwoners; Uitgave van Natuur en Milieufederaties i.s.m. Energie Samen, juni 2019.

Noot
6

Gedragscode Acceptatie en Participatie Windenergie op land https://nwea.nl/gedragscode/