Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel

Geldend van 13-06-2013 t/m heden

Intitulé

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel

de gemeenteraad van de gemeente Eersel

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 april 2013;

gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t

vast te stellen de volgende beleidsregel:

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel

Voorwoord

Wat is precies externe veiligheid? Hebben wij in onze gemeente te maken met externe veiligheid? Zo ja, hoe gaan we dan als gemeente om met externe veiligheid? De voorliggende visie gaat nader in op deze vragen en vormt het beleidstuk voor de gemeente Eersel ten aanzien van externe veiligheid.

Externe veiligheid behandelt de risico’s voor de leefomgeving die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Enerzijds gaat het daarbij over de risicobronnen (risicovolle inrichtingen of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (personen en gebouwen die niets met de activiteiten met gevaarlijke stoffen te maken hebben).

Binnen en nabij de gemeente Eersel zijn verschillende risicobronnen gelegen. Zo wordt de gemeente doorkruist door de rijkswegen A67, de provinciale wegen N284 en N397 en door buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn er zestien risicovolle inrichtingen aanwezig. De invloedsgebieden van deze risicobronnen liggen verspreid over een groot deel van het grondgebied van de gemeente Eersel. Hierdoor hebben we bij veel (ruimtelijke) ontwikkelingen met externe veiligheid te maken.

In 2008 is de visie externe veiligheid door de raad vastgesteld. Inmiddels is er veel wet en regelgeving veranderd op het gebied van externe veiligheid, waardoor de visie aan actualisatie toe is. Deze visie schetst de huidige externe veiligheid situatie van de gemeente Eersel. Daarnaast vormt de visie een beleidskader hoe we als gemeente met externe veiligheid omgaan, met name bij ruimtelijke ordening.

1. Inleiding

Een risicoloze maatschappij bestaat niet. Iedere burger, ook in de gemeente Eersel, heeft te maken met risico's. Bij externe veiligheid gaat het om risico's die veroorzaakt worden door de opslag van gevaarlijke stoffen, het bewerken van gevaarlijke stoffen en het transport daarvan. Daarbij valt te denken aan brandbare stoffen (benzine), stoffen die kunnen exploderen (LPG) en toxische stoffen (ammoniak, chloor). Als bij activiteiten met dergelijke stoffen iets fout gaat en deze vrijkomen kunnen er gewonden en dodelijke slachtoffers vallen. De kans op een dergelijk ongeval is klein (zie onderstaande tabel), maar de gevolgen kunnen groot zijn.

Activiteit

Kans op overlijden per jaar

Getroffen door neerstortend vliegtuig

1 op de 10 miljoen

Verdrinking door dijkdoorbraak

1 op de 10 miljoen

Sterven door een bijensteek

1 op de 5,5 miljoen

Door de bliksem getroffen worden

1 op de 2 miljoen

Externe veiligheid (norm)

1 op de 1 miljoen (10-6)

Vliegen

1 op de 814.000

Werk in een gemiddeld bedrijf

1 op de 77.000

Lopen in het verkeer

1 op de 54.000

Fietsen

1 op de 26.000

Werk in landbouw en visserij

1 op de 14.000

Autorijden

1 op de 5.700

Brommer rijden

1 op de 5.000

Om te sturen op een veilige leefomgeving is het ruimtelijk scheiden van activiteiten met gevaarlijke stoffen noodzakelijk en wettelijk verplicht. Met externe veiligheid wordt beoogd om deze risico's zodanig te beheersen, dat de kans op een ongeval of een ramp met dodelijke slachtoffers als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen minimaal is.

1.1. Waarom een visie externe veiligheid?

De provincie Noord Brabant heeft het programma Brabant Veiliger 2011 – 2014 opgesteld, met als doel dat eind 2014 een adequate en structurele uitvoering van externe veiligheidstaken is geborgd. Het programma bevat een aantal doelen en kwaliteitscriteria. In samenwerking met de Brabantse gemeenten is de prestatieafspraak gemaakt om uiterlijk 31 december 2012 aan deze kwaliteitscriteria te voldoen, eventueel in structurele samenwerking met andere partijen.

Een van de kwaliteitscriteria is dat gemeenten strategisch- en operationeel beleid vaststellen waarin de visie, ambities en acties op het gebied van externe veiligheid zijn opgenomen. De gemeente Eersel geeft hier gehoor aan met voorliggende visie externe veiligheid.

Volgens de landelijke wetgeving heeft de gemeente een plicht tot het verantwoorden van de risico's voor externe veiligheid bij ruimtelijke plannen. Met deze visie kan de verantwoording voortaan uniform en gestructureerd plaatsvinden en kunnen ad-hoc besluiten worden vermeden. Dit levert ook efficiency en eenduidigheid in de werkprocessen op.

1.2. Voor wie is deze visie bedoeld?

De visie is bedoeld voor zowel bestuurders en ambtenaren als voor burgers en bedrijven. Daarnaast hebben ook (bestuurs)partners zoals de provincie, de buurgemeenten, de veiligheidsregio en Rijkswaterstaat met dit document een duidelijk beeld van de Eerselse visie op externe veiligheid.

1.3. Actualisatie visie

In 2008 is de eerste visie externe veiligheid vastgesteld door de raad. De aanleiding voor die visie externe veiligheid werd en wordt gevormd door het spanningsveld tussen de aanwezigheid van risicobronnen enerzijds en de wens tot ruimtelijke ontwikkeling anderzijds. Het veronachtzamen van het eerstgenoemde kan ertoe leiden dat ruimtelijke functies in onze gemeente op een minder gewenste plek worden gerealiseerd. Daarom is het van belang om hiervoor tijdig aandacht te vragen binnen de gemeentelijke organisatie.

In de visie van 2008 is de volgende visie ten aanzien van externe veiligheid geformuleerd:

‘Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken van de risico’s, die burgers in Eersel lopen als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen1, met als doel een veiliger woon- en werkklimaat.’

Na 4 jaar blijft deze visie nog steeds overeind. Wel is de regelgeving veranderd, waardoor aanpassing van de visie noodzakelijk is. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de visie en de daarbij behorende afspraken.

1.4. Totstandkoming van de visie

Externe veiligheid is een onderwerp waar verschillende taakvelden elkaar ontmoeten. Daarom zijn er organisatiebreed verschillende momenten geweest om de visie integraal tot stand te brengen. De medewerkers van de afdelingen ruimtelijke ordening, milieu, vergunningen en handhaving, openbare orde en veiligheid en communicatie hebben bijgedragen aan het tot stand komen van de visie. Ook de (regionale) brandweer is hierbij betrokken. Op die manier heeft de visie een integraal en breed gedragen karakter gekregen.

1.5. Wat willen wij met de visie bereiken?

De beleidsvisie heeft tot doel de risico’s waaraan burgers in de gemeente Eersel worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Daarnaast vormt dit document een instrument om het gewenste beleid voor de verschillende risicobronnen vast te leggen. Hiervoor wordt aandacht besteed aan de beheersing van de risico’s die gepaard gaan met het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals LPG of ammoniak) over de weg en door buisleidingen.

Daarnaast heeft de beleidsvisie eveneens als doel dat bij een aantal besluiten in het kader van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet verwezen kan worden naar het onderhavige document. Gemeenten die beschikken over een beleidsvisie externe veiligheid kunnen namelijk tot een eenvoudigere invulling van de verantwoordingsplicht komen, omdat belangrijke afwegingen ten aanzien van externe veiligheid al in de beleidsvisie zijn gemaakt.

1.6. Leeswijzer

De opbouw van de visie is als volgt. In hoofdstuk 2 worden de belangrijkste basisbegrippen van externe veiligheid uitgelegd. In hoofdstuk 3 worden de relevante wettelijke kaders en regelgeving beschreven die voor de specifieke ‘Eerselse’ situatie van toepassing zijn. De gemeentelijke situatie op het gebied van externe veiligheid is beschreven in hoofdstuk 4. De ambities en visie van de gemeente Eersel ten aanzien van externe veiligheid staan beschreven in hoofdstuk 5.

2. Basisbegrippen

Externe veiligheid (hierna EV) is specifieke en specialistische materie die ingrijpt in de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening en het milieubeheer. Ter verduidelijking worden daarom in dit hoofdstuk de belangrijkste (technische) basisbegrippen toegelicht, afkomstig uit landelijke wetgeving. Voor de overige begrippen die hier niet nader toegelicht staan wordt verwezen naar de verklarende woordenlijst in bijlage 1.

2.1. Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Om een bepaalde risicovolle activiteit aan te duiden en te onderscheiden maakt de wetgever onderscheid in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico (PR)

Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar, die één persoon loopt om op een bepaalde plek dodelijk getroffen te worden door een ongeluk met gevaarlijke stoffen bij een bedrijf of transportas.

Voor het PR geldt een “harde” grenswaarde van 10-6/jaar (PR10-6) die op kaart kan worden aangeduid met een contour. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten zoals woningen of scholen liggen. Hieraan zal in alle gevallen moeten worden voldaan bij het vaststellen van Wabo besluiten. Er is in dit geval geen sprake van beleidsruimte voor het gemeentebestuur. Voor beperkt kwetsbare bestemmingen, zoals verspreid liggende woningen of kleine kantoren, geldt het PR niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Dit betekent dat op grond van zwaarwegende motieven van de norm mag worden afgeweken.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet “op de kaart” worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (F) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor het groepsrisico geldt wel een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag (vrijwel altijd gemeentebestuur) dient binnen het invloedsgebied een afweging te maken tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Ook eventueel te nemen maatregelen en restrisico's dienen in de verantwoording opgenomen te worden.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1 Weergave plaatsgebondern risicocontouren, invloedsgebied voor een inrichting en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport

2.2. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

De wetgeving verdeelt gevoelige objecten in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze verdeling is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Dit onderscheid resulteert in een aantal criteria en anderzijds in met naam genoemde objecten. Onderstaand volgt een korte omschrijving van beide objecten. Voor een nadere toelichting / afbakening wordt verwezen naar de begrippenlijst in bijlage 1.

Kwetsbare objecten

Kwetsbare objecten zijn woningen en gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van minimaal 50 personen verblijven gedurende een aaneengesloten tijd. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen verminderd zelfredzaam zijn (bv. ziekenhuizen, bejaardenhuizen, kinderdagverblijven, etc.).

Beperkt kwetsbare objecten

Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

3. Relevante wet- en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op relevante landelijke wet- en regelgeving voor externe veiligheid. De inhoud van de wetgeving en de hierbij gebruikte begrippen wordt niet uitputtend omschreven. Er wordt vooral ingegaan op de consequenties van deze wetgeving op de ‘Eerselse’ situatie op het gebied van EV2.

3.1. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg

3.1.1. Huidig beleid

De externe veiligheidswetgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is op dit moment gebaseerd op de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Omdat deze nota niet in alle gevallen eenduidig wordt uitgelegd en toegepast, is dit beleid verder geoperationaliseerd en verduidelijkt in de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ (cRnvgs).

In deze circulaire wordt de risicobenadering3 uitgewerkt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen risicovolle inrichtingen valt niet binnen het toepassingsbereik. In de circulaire wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande wetgeving op het gebied van externe veiligheid. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de uitwerking van de normen voor het plaatsgebonden risico en hoe het groepsrisico verantwoord moet worden. De risico’s vormen input voor besluitvorming omtrent vervoersbesluiten (zoals de aanleg van een nieuwe weg) en omgevingsbesluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan).

3.1.2. Toekomstig beleid: Basisnet

Het kabinet is voornemens om een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water vast te stellen. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen ruimtelijke, vervoers- en veiligheidsbelangen. Op die manier wil het kabinet het vervoer van gevaarlijke stoffen zo duurzaam mogelijk maken en duidelijkheid bieden over de consequenties van dit vervoer. Om het Basisnet wettelijk te verankeren wordt het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) opgesteld en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) aangepast.

Volgens het concept Btev moeten ruimtelijke plannen getoetst worden aan de veiligheidszone. De veiligheidszone komt overeen met de zone langs de transportas, waarbinnen de waarde van het plaatsgebonden risico vanwege vervoer van gevaarlijke stoffen maximaal 10-6/jaar bedraagt. Deze afstand zal worden opgenomen in de nieuwe Wvgs. In het Btev wordt ook aangegeven of en hoe de verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden, hierbij wordt onderscheidt gemaakt in de zwaarte van de verantwoording afhankelijk van de afstand tot de transportas (tot 200 meter een zwaardere verantwoording en vanaf 200 meter een lichtere verantwoording). Verder worden Plasbrandaandachtsgebieden (PAG) opgenomen in het Btev. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze PAG’s zullen strengere eisen aan de gebouwen gelden. In figuur 2 worden de verschillende zones gevisualiseerd.

Voor Eersel is dit de snelweg A67..

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2: Zones weg zoals opgenomen in Basisnet

Naar verwachting zullen Basisnet met het Besluit transport externe veiligheid en de nieuwe Wet vervoer gevaarlijke stoffen begin 2013 van kracht worden.

3.2. Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (het Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke kenmerken van een buisleiding als transportmodaliteit.

Binnen de plaatsgebonden risico contour van 10-6 per jaar mogen zich geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten bevinden. Voor (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten is 10-6 per jaar een richtwaarde. Binnen de gemeente Eersel zijn geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten aanwezig binnen de plaatsgebonden risico contour van 10-6 per jaar.

Het Bevb vermeldt, dat door het bevoegd gezag (in de meeste gevallen de gemeente) een

verantwoording ten aanzien van de acceptatie van het berekende groepsrisico moet worden opgesteld. De oriëntatiewaarde (zie par. 2.1) geldt hierbij als richtinggevend voor een maatschappelijk aanvaardbaar niveau.

3.3. Risicovolle bedrijven

In 2004 is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) in werking getreden. Het Bevi regelt de externe veiligheidsaspecten van inrichtingen. In het Bevi zijn de waarden voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico wettelijk verankerd en is er, net als in het Btev en Bevb, een directe relatie gelegd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) .

Het besluit regelt dat het bevoegd gezag op grond van de Wabo alleen een vergunning kan verlenen als voldaan is aan de veiligheidsafstanden. Het regelt tevens dat een gemeente in het bestemmingsplan aantoont dat ze conform regelgeving omgaat met externe veiligheid. Ruimtelijke plannen kunnen hierdoor direct aan het Bevi worden getoetst.

3.4. Registratiebesluit / ministeriële regeling

Op 22 maart 2007 is het Registratiebesluit externe veiligheid van kracht geworden. Hierin is de verplichting tot registratie van gegevens over externe veiligheid van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen, ingevolge titel 12.2 van de Wet milieubeheer, vastgelegd. Voor bedrijven, die onder de reikwijdte van het Bevi vallen, geldt de verplichting tot registratie.

Op 20 april 2007 is de Regeling provinciale risicokaart van kracht geworden. In deze ministeriële regeling wordt beschreven welke kwetsbare objecten en risicovolle situaties op de risicokaart moeten worden getoond. Ook zijn regels opgenomen voor de productie, het beheer en de vormgeving van de risicokaart, zodat de risicokaarten van alle provincies een uniform uiterlijk hebben en hetzelfde werken. De gegevens dienen actueel te worden gehouden.

Het doel van registratie en risicokaart is het voor de burger inzichtelijk maken van risico’s. Goede registratie en weergave op de kaart maakt het ook mogelijk de gegevens te gebruiken in normale werkprocessen waarbij externe veiligheidsaspecten en/of andere risico’s een rol spelen, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een eerste indruk (quick scan) over relevante risico’s bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of voor het opstellen van het regionale risicoprofiel.

De risicokaart wordt gevuld met de gegevens die in het risicoregister zijn opgenomen en de gegevens die zijn ingevoerd in het informatiesysteem overige ramptypen (ISOR).

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inventarisatie, de invoer en het onderhoud van het merendeel van de risicogegevens over objecten en inrichtingen binnen de gemeentegrenzen. Dat betekent dat bij de medewerkers die beleidsmatig bezig zijn met ruimtelijke ontwikkeling en milieu, maar ook bij de medewerkers die uitvoerend bezig zijn met bouwen, wonen en milieu, in het werkproces een moment moet worden ingebouwd waarop zij geprikkeld worden om na te denken over de risico’s voor woon- en leefomgeving van bepaalde (ruimtelijke- c.q. bedrijfsmatige-) ontwikkelingen. Als het dan gaat over risicovolle bedrijven of kwetsbare objecten waarvoor een vergunning wordt verleend, zal actualisatie van het RRGS/ISOR moeten plaatsvinden.

Voor de andere risicovolle bedrijven geldt dat zij opgenomen moeten zijn op de risicokaart en dat de gegevens ervan op de kaart actueel worden gehouden.

Indien bij de Bevi-bedrijven activiteiten worden ondernomen waarvoor een Wabo-procedure moet worden doorlopen, moet aan het Bevi worden getoetst.

3.5. Luchtvaart

Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. De luchthaven Eindhoven is een militaire luchthaven en blijft daarmee volledig onder de verantwoordelijkheid vallen van de minister van Defensie. In de systematiek van deze wet zal voor Luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit moeten worden vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Verder moet in het luchthavenbesluit worden vastgelegd het luchthavengebied, het beperkingengebied (geluidszone, externe veiligheidszone, obstakelbeheersgebied en vogelbeheersgebied) en één maximum aantal bewegingen recreatief medegebruik. Het luchthavenbesluit moet binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet worden genomen.

Het in werking treden van de Wet luchtvaart betekent niet dat deze wet en de daarop gebaseerde regelgeving per 1 november 2009 in volle omvang van toepassing zijn op de nu bestaande luchthavens. Het in deze wet opgenomen overgangsrecht voorziet namelijk in een gefaseerde invoering van het nieuwe wettelijke regime voor luchthavens. Concreet betekent dit dat het regime van de Wet luchtvaart pas van toepassing zal zijn als eerst de minister van Defensie een luchthavenbesluit heeft genomen.

3.6. Risicocommunicatie

Risicocommunicatie is communicatie over risico's waaraan mensen blootstaan vóórdat zich een ramp of incident voordoet. Centraal staat het op voorhand bieden van een handelingsperspectief. Het gaat dus niet over crisiscommunicatie (de communicatie die plaatsvindt tijdens en na een ramp). Wel is goede risicocommunicatie een opmaat naar crisiscommunicatie.

Communicatie met burgers over risico’s en veiligheid is een taak van gemeenten en Veiligheidsregio als gevolg van de Wet veiligheidsregio’s. Het is de Wet veiligheidsregio’s die gemeenten en de Veiligheidsregio verplicht om hun inwoners te informeren over de rampen en ongevallen die hen kunnen treffen, de maatregelen die de gemeente getroffen heeft ter preventie en de te volgen gedragslijn.

4. Huidige situatie

In het vorige hoofdstuk is de relevante wet- en regelgeving op het gebied van EV voor Eersel beschreven. Dit hoofdstuk beschrijft de situatie in Eersel, waarbij per activiteitencategorie is aangegeven welke wet- en regelgeving van toepassing is.

4.1. Risicoprofiel gemeente Eersel

Binnen de gemeente Eersel zijn de volgende risicobronnen aanwezig:

Transport van gevaarlijke stoffen:

  • Rijksweg A67;

  • N397 (provinciale weg)

  • Hoge druk aardgasleidingen (Z-506-01 en Z-506-04);

  • PRB-buisleiding 10866 (nafta);

  • DPO-buisleiding P13 (kerosine)

  • DPO-buisleiding P13a (kerosine)

Inrichtingen met gevaarlijke stoffen:

  • 6 x LPG tankstation voor het wegverkeer (BEVI van toepassing)

  • Opslag van propaan, 1 x 20 m3 (BEVI van toepassing)

  • Opslag van propaan, 1 x 18 m3 (BEVI van toepassing)

  • Opslag van propaan, 1 x 8 m3 (registratie op risicokaart)

  • Opslag van propaan, 1 x 6 m3 (registratie op risicokaart)

  • Opslag gevaarlijke stoffen, > 10.000 kg (BEVI van toepassing)

  • Opslag gevaarlijke stoffen, max. 2500 kg (registratie op risicokaart)

  • Opslag consumentenvuurwerk, max 3000 kg (registratie op risicokaart)

  • 3 x Opslag chloorbleekloog en zuur (registratie op risicokaart)

4.1.1. Risicovolle inrichtingen

Inrichtingen binnen gemeente Eersel gesitueerd.

Er zijn binnen de gemeente Eersel 16 risicovolle inrichtingen gelegen. Hiervan vallen negen risicovolle inrichtingen (twee inrichtingen met een propaantank van meer dan 13 m3 , zes LPG-tankstations en een opslag van > 10 ton) onder de werkingssfeer van het Bevi, waarmee deze van belang zijn in het kader van externe veiligheid. Voor de andere risicovolle bedrijven geldt alleen dat zij opgenomen moeten worden op de risicokaart. Indien de Bevi-bedrijven activiteiten ondernemen waarvoor een Wabo-procedure nodig is, zal moeten worden getoetst aan het Bevi (zie paragraaf 3.3). In de huidige situatie kunnen nieuwe Bevi-inrichtingen zich vestigen op industrieterrein Meerheide. Verder is het Kempisch Bedrijvenpark ontwikkeld in Hapert, alwaar Bevi-bedrijven zich kunnen vestigen.

Voor de zes LPG tankstations geldt dat er geen kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) zijn gelegen. Wel vallen de invloedgebieden van de LPG tankstations over woningen. Ten aanzien van het groepsrisico kan worden gesteld dat bij 5 LPG-tankstations de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Bij één LPG-tankstation (Postakkers 2) is mogelijk wel een overschrijding van de oriëntatiewaarde aanwezig. Dit is niet met zekerheid te stellen. Nieuwe recente maatregelen (speciale vulslangen, gecoate tanks) hebben een positieve bijdrage aan verlaging het groepsrisico).

Voor de overige risicovolle inrichtingen zijn risicoanalyses opgesteld. De plaatsgebonden risicocontouren liggen niet over kwetsbare objecten en de oriëntatiewaarde wordt nergens overschreden.

Inrichtingen buiten gemeente Eersel.

Momenteel is in de gemeente Bergeijk het bedrijf Diffutherm gesitueerd. Op dit productiebedrijf is het

Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO) van toepassing. Het invloedsgebied van dit bedrijf reikt tot over de gemeentegrens en ligt voor een klein gedeelte aan de zuidkant op Eersels grondgebied. Dit bedrijf gaat verhuizen naar het Kempisch Bedrijvenpark. Daar is inmiddels een omgevingsvergunning voor verleend. Naar verwachting zal het bedrijf in de loop van 2013 gaan verhuizen. Ook het invloedsgebied van dit bedrijf op deze locatie ligt deels op Eersels grondgebied (ten westen van Eersel/dorp).

Naar verwachting zal de zuidelijke invloedscontour in de loop van 2014 verdwijnen. De gemeente Bergeijk zal de vergunning op deze locatie gaan intrekken.

Alvorens het bevoegd gezag van de gemeente Bladel een besluit neemt betreffende het groepsrisico, voert dat bevoegd gezag, conform artikel 12, lid 2 van het Bevi, overleg met burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van de desbetreffende inrichting.

4.1.2. Transport over de weg

A67

De gemeente Eersel wordt doorsneden door de rijksweg A67 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze weg is aangewezen als internationale verbinding. Internationale verbindingswegen zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van cruciaal belang. Indien in de verre toekomst blijkt dat het vervoer op deze wegen toch verder groeit dan nu verwacht wordt en het risicoplafond van de gebruiksruimte ondanks alle door de vervoerders te nemen maatregelen overschreden dreigt te worden, zal het rijk met betrokken gemeenten en vervoerders al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat het vervoer over deze verbindingen mogelijk blijft, zonder daarbij de veiligheid geweld aan te doen. Deze benadering legt geen extra beperkingen op aan de bouwmogelijkheden van gemeenten binnen de huidige afspraken van het Basisnet Weg. In de cRnvgs en het Basisnet (Btev) is het volgende vastgelegd voor de A67:

  • Van knooppunt de Hogt tot afslag 32 (Eersel) is de veiligheidszone, gemeten vanaf midden van de weg, 29 meter. Van afslag 32 (Eersel) tot de Belgische grens is de veiligheidszone 28 meter. De veiligheidszone is een zone waarbij geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan.

  • Er geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG), gemeten 30 meter vanaf de rechterkant van de rechterrijstrook in beide richtingen. Binnen dit gebied dient rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

  • Het groepsrisico ligt (ook gezien de vervoersprognoses) ruim beneden de oriëntatiewaarde.

N397

In het rapport “Externe veiligheid provinciale wegen” van 29 november 2010 is de onder andere de N397 onderzocht. Tevens is een prognose voor de komende 10 jaar doorgerekend.

Op basis van een inventarisatie die heeft plaatsgevonden ten behoeve van de risicoberekeningen, wordt gesteld dat het transport van gevaarlijke stoffen over de N 397 geen problemen oplevert.

Samengevat kan het volgende worden opgemerkt:

  • Nergens ligt voor deze weg het plaatsgebonden risico (10-6/jaar) buiten de weg;

  • De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt nergens overschreden.

Van N284 naar Molenweg

De voormalige provinciale weg N284 tussen Eersel en Bladel is afgewaardeerd. Het nieuwe tracé dat Molenweg, Wolverstraat en de Hapertseweg is gaan heten, wordt niet meer gebruikt als transportas naar het kempisch bedrijvenpark en de gemeenten Bladel en Reusel- de Mierden.

Vervoer van gevaarlijke stoffen richting Hapert en Bladel vindt zijn weg via de nieuwe afslag op de A67 nabij het Kempisch bedrijvenpark. De molenweg is niet meer relevant voor externe veiligheid. Wel blijft dit een belangrijke weg voor lokaal verkeer en vindt bevoorrading van LPG tankstations via deze weg plaats. Ook het industrieterrein “ De Haagdoorn” wordt via deze weg ontsloten.

Overige wegen

De overige wegen binnen de gemeente Eersel zijn niet relevant voor externe veiligheid.

4.1.3. Transport door buisleidingen

Door de gemeente Eersel lopen twee hogedruk aardgasleidingen. Deze leidingen hebben elk een veiligheidsafstand waar bij Wabo-procedures aan getoetst moet worden (relevante wet- en regelgeving zie

paragraaf 3.2). De leidingen liggen naast elkaar en doorlopen hetzelfde traject.

Voor de hogedruk aardgasleidingen geldt het volgende:

  • De leidingen hebben geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) buiten de leiding;

  • Er geldt een bebouwingsvrije zone van 5 meter vanaf het hart van de leidingen;

  • De invloedsgebieden bedragen maximaal respectievelijk 80 en 100 meter. In de praktijk moet dus getoetst worden binnen 100 meter van de leidingen.

Daarnaast liggen op Eersels grondgebied de volgende hogedrukleidingen:

  • PRB-leiding van PPS (Petrochemical Pipe Services), PR 10-6 = 12 meter, invloedsgebied 31 meter;

  • DPO-leiding P13 (Defensie Pijpleiding Organisatie), PR 10-6 = 0 m, invloedsgebied 31 meter, bebouwingsvrije zone 5 meter;

  • DPO-leiding P13a, PR 10-6 = 0 meter, invloedsgebied 23 meter, Bebouwingsvrije zone 5 meter.

4.1.4. Luchtvaart

Eersel ligt voor een deel in de start- en landingsbaan van het Eindhoven Airport. De plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) ligt deels over het grondgebied van de gemeente Eersel.

Momenteel is nog niet duidelijk of het Rijk rondom luchthavens ook het groepsrisico als norm/toetsingskader rondom luchthavens gaat hanteren. Het is naar analogie van andere risicobronnen (bedrijven, transportassen) mogelijk om het groepsrisico te bepalen. In een proef voor luchthaven Schiphol is dit in 2006 gedaan. Het ministerie van I&M bekijkt momenteel of op basis van deze proef het groepsrisico bij Schiphol als ruimtelijk toetsingskader zal worden ingesteld. Of en hoe een kader voor Schiphol wordt doorvertaald naar regionale luchthavens is onbekend. Het groepsrisico geldt vooralsnog dus niet als norm of toetsingskader.

Bij brief van 28 oktober 2009 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu zijn enkele criteria voor externe veiligheid voor ruimtelijke plannen rond luchtvaartterrein Eindhoven aangegeven. Relevant daarvoor is dat voor ruimtelijk ontwerp binnen de 10-6 contour in combinatie met beoogde functies een personendichtheid geldt van 100 personen per ha (richtwaarde), waarbij bebouwing binnen de 10-6 contour zo laag mogelijk wordt gehouden..

4.2. Risicoinformatie

De hierboven beschreven huidige situatie in de gemeente Eersel op het gebied van EV is nader inzichtelijk gemaakt. Een weergave van de kaart op schaal is terug te vinden in bijlage 4 .

Deze EV-kaart biedt een eerste handvat in het kader van de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling al dan niet mogelijk is als gevolg van EV. Op de kaart zijn de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6/jaar) en de invloedsgebieden van de diverse risicobronnen aangegeven. Binnen deze contouren gelden wettelijk gezien restricties voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (zie hoofdstuk 2 en 3). De restricties zullen per geval bekeken worden. De kaart is een hulpmiddel, zodat wanneer een besluit wordt voorbereid (over bijvoorbeeld een ruimtelijk plan) externe veiligheid op een juiste wijze wordt meegewogen.

De EV-kaart verschilt van de kaart van het (wettelijk verplichte) Risico Informatie Systeem (RIS) (zie paragraaf 3.4). Op de kaart van het RIS staan de locaties van alle risicovolle bedrijven (dus ook niet-Bevi inrichtingen). Tevens bevat het RIS transportroutes (voor gevaarlijke stoffen), mogelijke overstromingsgebieden en gebieden waar bosbranden kunnen voorkomen.

4.3. Beheersbaarheid

De afgelopen periode heeft de gemeente Eersel acties ondernomen om de opkomsttijden van de brandweer en bluswatervoorzieningen binnen de gemeente te verbeteren. Met het brandweerbeleidsplan 2010-2013 is de adviseursrol van de brandweer (Veiligheidsregio) ingebed in de procesgang voor externe veiligheid. Daarnaast is het uitvoeringsplan bluswatervoorziening afgerond met het aanleggen van zes geboorde putten op het industrieterrein en nabij het centrum van Eersel. Deze bluswatervoorzieningen zijn gepositioneerd in de omgeving van risicovolle objecten en uitgevoerd met onderwaterpompen zodat de brandweer snel gebruik kan maken van het bluswater.

Verder is in maart 2010 het dekkingsplan Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost vastgesteld. Op basis van dit plan zijn de opkomsttijden van de brandweer met gemiddeld een minuut verbeterd. Hoewel de dekking voor de gehele gemeente daarmee net geen voldoende haalt vallen met deze dekking de risicovolle objecten wel binnen de gestelde norm opkomsttijden. Hiermee wordt de brandweer in staat gesteld om op tijd waterstralen in te zetten voor het koelend vermogen bij gevaar voor explosie of een brandende tankwagen. Ook is met de aanschaf van de nieuwe tankautospuit in 2011 voorzien in het DLS (drukluchtschuim systeem) One-Seven. Een brand kan met dit blusmiddel veel effectiever bestreden worden of kunnen vloeistofstromen worden afgedekt om explosies te voorkomen.

4.4. Risicocommunicatie

Risicocommunicatie is het voorlichten van mensen over risico's die gelopen worden, en welke handelingspatronen (b.v. vluchten of schuilen) daarbij het meest gewenst zijn. Het college van B&W heeft in 2010 een kader voor de aanpak van risicocommunicatie vastgesteld. Deze richt zich voor een groot deel op externe veiligheid.

Qua aanpak steekt de gemeente de risicocommunicatie low profile in. Dat betekent dat de communicatie niet zomaar wordt opgehangen aan specifieke objecten of veiligheid issues, maar dat er meer in algemene zin wordt gecommuniceerd over risico’s ten aanzien van de veiligheid en openbare orde in de gemeente. Ook worden er geen grote bijeenkomsten georganiseerd. Specifieke communicatie wordt daar waar nodig ingezet. Zelfredzaamheid en bewustwording komt in de communicatie aan de burger als rode draad naar voren.

Eersel heeft voor deze aanpak gekozen omdat er in binnen de gemeente geen wettelijke normen op het gebied van externe veiligheid worden overschreden. Er zijn geen belangengroeperingen in verband met risicovolle bedrijven en geen signalen van ongeruste omwonenden van een bepaald risicovol object. Ook uit de politiek komen geen signalen van ongerustheid op het gebied van externe veiligheid. Daarom wordt aangesloten bij reeds bestaande initiatieven zoals de campagne ‘Denk Vooruit’, de provinciale risicokaart en de Veiligheidsregio. Daaromheen worden de reeds bestaande gemeentelijke communicatiemiddelen ingezet voor de meer gemeentespecifieke zaken.

4.5. Conclusie

Binnen de gemeente Eersel wordt nergens een grens- of richtwaarde overschreden voor wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen over weg en door buisleidingen. Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde niet bij het transport over de weg. Voor de risicovolle inrichtingen wordt geen grens- of richtwaarde overschreden. Ook de oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. De beheersbaarheid en bereikbaarheid binnen de gemeente is goed. Inherent aan de infrastructuur in een buitengebied is de bereikbaarheid hier minder.

5. Visie en ambitie

De visie ten aanzien van externe veiligheid is als volgt geformuleerd:

‘Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken van de risico’s, die burgers in Eersel lopen als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen4, met als doel een veiliger woon- en werkklimaat.’

5.1. Strategische uitgangspunten

Om aan bovengenoemde visie uitvoering te geven gaat de gemeente Eersel uit van de volgende strategische uitgangspunten:

5.1.1. Risicovolle bedrijven

Het eerste strategische uitgangspunt is het reduceren van de risico’s bij bedrijven door:

  • 1.

    Het pro-actief opheffen van niet-acceptabele risicosituaties (oplossen knelpunten).

    De plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) en de hoogte van het groepsrisico wordt bepaald van de Bevi-inrichtingen, transportassen en buisleidingen . Ter indicatie is ook de luchthaven meegenomen. Op dit moment zijn er binnen de gehele gemeente geen knelpunten met betrekking tot de plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) en wordt nergens de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overschreden. Mocht blijken dat er in de toekomst niet wordt voldaan aan de wettelijke normen zal samen met de eigenaar een oplossing worden gezocht.

  • 2.

    Opheffen ongewenste situaties

    In het centrum van Eersel zijn twee inrichtingen gesitueerd, welke vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet gewenst zijn. Dit betreffen een LPG-tankstation en een zwembad. Voor deze situaties wordt een uitsterfbeleid gehanteerd. Mocht de situatie zich voordoen dat (een van deze) inrichtingen verplaatst kunnen worden, dan zal hier pro-actief aan worden meegewerkt.

  • 3.

    Voorkomen van saneringssituaties.

    Bij iedere Wabo-vergunning wordt getoetst aan het Bevi, cRnvgs (Btev), Bevb en de daarbij behorende regelingen.

  • 4.

    Nieuwe risicovolle bedrijven5 zijn alleen toegestaan op daartoe aangewezen terreinen.

    Bij de keuze voor een woningbouwlocatie of een bedrijventerrein is het belangrijk dat nieuwe externe veiligheidsknelpunten worden vermeden. Dit maakt het voeren van een gebiedsgericht locatiebeleid voor nieuwe en bestaande risicovolle activiteiten noodzakelijk. Een uitwerking hiervan is in bijlage 5 weergegeven.

Voor bovengenoemde situaties is een onderverdeling gemaakt voor de volgende gebieden:

Risicoluw gebied

Een risicoluw gebied kenmerkt zich door het principe van functiescheiding. Afgezien van woningen en wijkgebonden voorzieningen komen er vrijwel geen andere functies (zoals risicovolle bedrijven) voor. We spreken hier over woonwijken en centrumgebied. Ze worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen.

Gemengd gebied

Het gemengde gebied is minder eenduidig dan de groepstypes risicoluw en intensief. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde risicobronnen als vanzelfsprekend gezien (propaantanks en LPG-tankstations). Door historische ontwikkelingen heeft er een functiemenging plaatsgevonden. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hier als gemengd gebied beschouwd.

Intensief gebied

Intensieve gebieden worden gekenmerkt door een clustering van risico’s. Door risicovolle inrichtingen op daarvoor aangewezen gebieden te concentreren wordt zoveel mogelijk voorkomen dat op meer plaatsen binnen de gemeente met grens- en richtwaarden rekening moet worden gehouden. Om de grotere risico’s als gevolg van clustering te verantwoorden, wordt de omgeving actief geïnformeerd over de risico’s. Training en rampenoefeningen zijn voorwaarden voor nieuwe risicovolle bedrijven. Hulpdiensten richten zich voor deze gebieden op de optimalisatie van rampenbestrijdingsplannen. Goede voorzieningen, zoals bereikbaarheid, ontsluiting en bluswatervoorzieningen zijn hierbij volledig uitgewerkt en up-to-date.

Zowel voor bestaande als nieuwe situaties geldt dat de risicoruimte van bestaande (vergunde) en nieuwe risicovolle bedrijven zoveel mogelijk wordt beperkt om inefficiënt ruimtegebruik tegen te gaan. Dit wordt gedaan door een gerichte inzet van de Wet Milieubeheer (BBT) waarbij de PR 10-6 contour (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht binnen de eigen perceelsgrenzen. Hiermee worden beperkingen voor de aangrenzende percelen opgeheven.

5.1.2. Risicovolle infrastructuur: weg

De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen worden vooral veroorzaakt door het transport over de weg. Het zoveel mogelijk beperken van deze risico’s gebeurt door het transport over de weg door de woonkernen zoveel mogelijk te beperken. Nieuwe risicovolle bedrijven worden gevestigd nabij uitvalswegen (bijvoorbeeld op het Industrieterrein “Meerheide” en het “Kempisch bedrijvenpark” te Hapert), waardoor woonwijken zo min mogelijk belast worden met het transport van gevaarlijke stoffen.

Verantwoordingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen langs risicovolle infrastructuur weg

In de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ (cRnvgs) wordt aangegeven dat de verantwoordingsplicht moet worden doorlopen voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer het groepsrisico door deze ontwikkeling toeneemt of dat de oriëntatiewaarde wordt overschreden binnen het invloedsgebied van de weg. Verder stelt deze circulaire dat externe veiligheid buiten 200 meter van de transportroute geen beperkingen hoeft op te leggen aan het ruimtelijk gebruik. Dit impliceert echter niet dat geen aanvullende veiligheidsverhogende maatregelen vereist kunnen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bevoegd gezag kan hier keuzes in maken. Dit is in lijn met het concept Besluit transportroutes externe veiligheid. In het Btev is geregeld dat een groepsrisicoverantwoording bij ruimtelijke ontwikkelingen op een afstand van meer dan 200 meter van een transportas niet nodig is. Gezien de geringe transporten over lokale wegen en omdat met name het toxische scenario buiten de 200 meter van belang is, zijn maatregelen kostbaar gelet op het beperkte effect.

Hieronder motiveert de gemeente Eersel hoe zij omgaat met ontwikkelingen in de buurt van transportassen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen die een individuele verantwoording behoeven en gevallen waarbij een algemene verantwoording volstaat.

Ruimtelijke ontwikkelingen langs snelwegen en provinciale wegen tot 30 meter van de transportas

Binnen 30 meter van de A67 worden geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan, mits er gewichtige redenen zijn. De verantwoording van het groepsrisico is maatwerk.

Ruimtelijke ontwikkelingen langs provinciale wegen (van 0 tot 200 meter) en snelwegen (vanaf 30 meter tot 200 meter) van de transportas

Bij de verantwoording van het groepsrisico is ervoor gekozen om maatwerk te hanteren bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van de snelweg A67 en provinciale weg N397. Dit betekent dat per geval (dus per nieuwe ruimtelijke ontwikkeling) een EV beoordeling zal moeten plaatsvinden.

Algemeen verantwoordingskader groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen langs snelwegen vanaf 200 meter van de transportas en langs provinciale wegen

Bij een calamiteit als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A67 en N397 is het scenario van een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) als gevolg van het transport van brandbare gassen met een invloedsgebied van 200 meter het maatgevende scenario. Buiten deze 200 meter zijn vooral de invloedsgebieden van toxische vloeistoffen/-gassen maatgevend. Een belangrijk effect van het transport van toxische vloeistoffen/-gassen is dat de effecten zeer afhankelijk zijn van de heersende weersomstandigheden; op circa 500 meter is bij een calamiteit met toxische gassen en een gemiddeld weertype (D5) de kans op veel dodelijke slachtoffers zeer gering. Dit heeft te maken met het gegeven dat naast de weersomstandigheden (verdunning van het gas) de meeste woningen tegenwoordig beschikken over een goede isolatie, waardoor het gas niet gemakkelijk door kieren binnenshuis kan komen. Het is van eminent belang dat de waarschuwingssirenes (WAS) en NL-Alert snel geactiveerd worden, waardoor mensen ramen en deuren moeten sluiten.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen langs snelwegen buiten de eerder genoemde 200 meter en langs provinciale wegen geldt de algemene verantwoording uit bijlage 2. Dit verantwoordingskader dient bij de besluitvorming van ruimtelijke ontwikkelingen betrokken te worden. Het resultaat is dat dit tot minder werk leidt en dat dit acceptabel is, omdat er ten opzichte van de algemene aanpak voor Rampenbestrijding, geen aanvullende externe veiligheid compenserende eisen hoeven te worden gesteld.

In bijlage 2 is het verantwoordingskader voor het invloedsgebied van risicovolle infrastructuur uitgewerkt. Dit verantwoordingskader dient bij de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen betrokken te worden.

5.1.3. Risicovolle infrastructuur: buisleidingen

De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen worden veroorzaakt

door twee buisleidingen van de Gasunie, een van PBR (nafta) en twee DPO leidingen (kerosine).

Verantwoordingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen langs risicovolle infrastructuur buisleidingen

Bij de verantwoording van het groepsrisico is ervoor gekozen om maatwerk te hanteren bij ruimtelijke

ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van de buisleidingen conform het Bteb. Dit betekent dat per

geval (dus per nieuwe ruimtelijke ontwikkeling) een EV beoordeling zal moeten plaatsvinden.

In bijlage 3 tabel 3.3 is dit gebied weergegeven.

5.1.4. Risicovolle infrastructuur: luchthaven

Recent is de Regelgeving voor Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML) voor een deel in werking getreden. Op basis van deze regelgeving dient een AMVB te worden opgesteld. Hierbij dient bij aangewezen luchthavens (waaronder ook militaire luchthavens), een luchthavenbesluit te worden opgesteld, waarin een grenswaarde voor externe veiligheid kan worden opgenomen. Voor Eindhoven is een dergelijk besluit nog niet genomen. Derhalve geldt nu nog een beperkingengebied.

Verantwoordingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen langs risicovolle infrastructuur Eindhoven Airport Het beperkingengebied ligt voor een klein deel over Eersel. Dit is weergegeven in bijlage 4. Daarbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Bij brief van 29 oktober 2009 van VROM zijn toepassingscriteria voor Externe Veiligheid voor ruimtelijke plannen rond luchtvaartterrein Eindhoven vastgelegd. Eersel valt binnen het criteria gebied. De volgende afspraken gelden: de voor vliegveiligheid van belang zijnde hoogtebeperkende eisen worden gerespecteerd, en voor ruimtelijk ontwerp binnen de 10-6 contour in combinatie met de beoogde functies geldt een personendichtheid van 100 personen per ha (richtwaarde) waarbij bebouwing binnen de 10-6 contour zo laag mogelijk wordt gehouden.

5.1.5. Reguleren van EV in bestemmingsplannen

Door de komst van veiligheidswetgeving is het wettelijk verplicht externe veiligheid in het bestemmingsplan te verankeren. Door in nieuwe ruimtelijke besluiten een heldere scheiding aan te brengen tussen gebieden voor kwetsbare objecten en gebieden met risicobronnen, wordt invulling gegeven aan de milieuwetgeving en is de mate van bescherming goed te herleiden. Daarnaast dient voorkomen te worden dat kwetsbare objecten zich mogen vestigen binnen het grenswaardegebied van risicobronnen, zodat nieuwe saneringsituaties kunnen ontstaan.

5.1.6. Beheersbaarheid

In het kader van beheersbaarheid moet duidelijk zijn in hoeverre burgers zichzelf in veiligheid kunnen

brengen en de brandweer adequaat kan optreden.

  • 1.

    Optimaliseren van de hulpverlening en realisatie van een basis beheersbaarheidniveau.

    In gebieden met verhoogde risico’s dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden om een basisniveau voor beheersbaarheid (bereikbaarheid, zelfredzaamheid en bluswater) te kunnen waarborgen. Hierbij wordt aangesloten bij de bepalingen zoals vastgelegd in het ‘Toetsingskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van de gemeente Eersel.

  • 2.

    Uitwerken van een gebiedsgericht beoordelingskader voor zelfredzaamheid op maat.

    Zelfredzaamheid moet in het kader van de verantwoordingsplicht omtrent het groepsrisico bij milieu- en ruimtelijke afwegingen expliciet worden beoordeeld. Er bestaat hiervoor geen generiek toepasbaar beoordelingskader omdat de uitwerking van dit aspect sterk bepaald wordt door het calamiteitenscenario dat zich kan voordoen in combinatie met locatiespecifieke kenmerken. Het calamiteitenscenario wordt bepaald door de aard (en combinatie) van de gebruikte stoffen. Per calamiteitenscenario kan globaal de effectafstand aangegeven worden en kan bepaald worden welke maatregelen de zelfredzaamheid verhogen.

  • 3.

    Actieve risicocommunicatie naar de burgers.

    Communicatie wordt niet zomaar opgehangen aan specifieke objecten of veiligheidissues, maar meer in algemene zin ingezet over risico’s ten aanzien van de veiligheid en openbare orde in de gemeente. Ook worden er geen grote bijeenkomsten georganiseerd ingezet. Specifieke communicatie wordt daar waar nodig ingezet.

5.2. Implementatie

Met deze visie wordt de huidige veilige situatie binnen de gemeente vastgelegd en wordt ze in de toekomst geborgd. Een hulpmiddel om kennis te nemen van de huidige situatie is de EV-kaart (ook digitaal te raadplegen) en het RIS.

Borgingsdocument

Ten aanzien van (ruimtelijke) ontwikkelingen is een separaat borgingsdocument opgesteld, waarin werkafspraken voor de ambtelijke organisatie zijn opgenomen. Deze werkafspraken moeten gevolgd worden om er voor zorg te dragen dat de beschreven visie in dit document wordt geborgd. Op deze manier worden verhoogde veiligheidsrisico’s uitgesloten.

Actueel houden van documenten

Een belangrijk aandachtpunt is het actueel houden van deze visie, de EV kaart en het borgingsdocument als gevolg van veranderingen in (toekomstige) wet- en regelgeving en/of de lokale situatie. Monitoring van relevante ontwikkelingen en eventueel anticiperen hierop is geregeld in het borgingsdocument.

Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van 30 mei 2013

De raad van de gemeente Eersel

de griffier, de heer H.J. Broekman

de voorzitter, mevrouw J.A.M. Thijs-Rademakers

Bijlages zijn apart toegevoegd

Bijlage 1Begrippen

Bijlage 2 Algemeen verantwoordingskader groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen langs snelwegen vanaf 200 meter van de transportas en langs provinciale wegen

Bijlage 3 Gebiedstype / infrastrucuur weg - buisleidingen - vluchthaven

Bijlage 4 EV kaart situatie november 2012

Bijlage 5 Gebiedstypenkaart en Risicovolle inrichtingen


Noot
1

Onder activiteiten met gevaarlijke stoffen worden zowel bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of opslaan als transporten met gevaarlijke stoffen verstaan.

Noot
2

Op basis van een inventarisatie bij de gemeente Eersel door SRE Milieudienst

Noot
3

De risicobenadering (neem een acceptabel risico: kans maal gevolg is acceptabel, of niet) verschilt van de effectbenadering (neem een veilige afstand).

Noot
4

Onder activiteiten met gevaarlijke stoffen worden zowel bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of opslaan als transporten met gevaarlijke stoffen verstaan

Noot
5

Alle bedrijven vallend onder Bevi, Revi, registratiebesluit en de provinciale regeling risicokaart